Mogelijke staatsgeheimen die gepubliceerd zijn in WOB-stukken over Non Lethal Assistance aan Syrische ‘rebellen’ |
|
Joël Voordewind (CU), Pieter Omtzigt (CDA), Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Van welke groepen, aan wie Nederland Non Lethal Assistance (NLA) verschaft heeft in Syrië, heeft u in de op 8 en 20 oktober 2018 openbaar gemaakte WOB-stukken (vanaf nu: de WOB-stukken) de naam gepubliceerd?
Bij de publicatie van de WOB-stukken is in een aantal documenten per abuis informatie niet gelakt die wel gelakt had moeten worden. Dit is betreurenswaardig en het had niet moeten gebeuren. De stukken worden herzien en opnieuw gepubliceerd.
Het kabinet blijft evenwel bij het uitgangspunt dat er geen openbare uitspraken gedaan worden over groepen die steun ontvingen in het kader van het Non Lethal Assistance (NLA)-programma. De redenen blijven daarvoor immers van kracht: de veiligheid van betrokken groepen dient in acht te worden genomen, vanwege bondgenootschappelijke verplichtingen en vanwege betrokkenheid van inlichtingendiensten. Informatie over de uitvoerder en details over de geleverde producten zijn eveneens uit veiligheidsoverwegingen niet publiek gemaakt.
Heeft u staatsgeheimen gepubliceerd in de WOB-stukken? Zo ja, welke staatsgeheimen?
Zie het antwoord op vraag 1. Ondanks gemaakte fouten in de WOB-publicatie blijven de redenen van vertrouwelijkheid van kracht. Het in openbare communicatie refereren aan staatsgeheime informatie kan daarom niet gedaan worden.
Herinnert u zich dat u op vraag 235 antwoordde: «Het kabinet heeft er sinds de aanvang van het NLA programma in 2015 voor gekozen om de namen van de door Nederland gesteunde groepen en informatie over hun locaties, als staatsgeheim te kwalificeren» (Kamerstuk 32 623, nr. 229)?
Ja.
Is op enig moment besloten om de namen van de door Nederland gesteunde groepen niet langer als staatsgeheim te kwalificeren? Zo ja, op welke datum is dat besluit dan genomen en kunt u dat besluit publiceren?
Nee. Er is tot op heden geen besluit genomen om de betreffende informatie te de-rubriceren.
Welke straf staat op het publiceren van staatsgeheimen?
De strafbaarstelling van schending van staatsgeheimen is geregeld in artikel 98 t/m 98c van het Wetboek van Strafrecht. De maximaal op te leggen geldboete of gevangenisstraf varieert daarin afhankelijk van de specifieke omstandigheden. De rechter bepaalt uiteindelijk na bewezenverklaring en weging van de ten laste gelegde feiten de hoogte van de op te leggen straf.
Indien er staatsgeheimen gepubliceerd zijn, welke actie gaat u dan ondernemen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op 21 november jl. onmiddellijk een melding gemaakt van een mogelijk datalek bij de Functionaris Gegevensbescherming. Ook is het gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Dit zag op de berichtgeving in de media dat er een naam van een persoon in de stukken zou zijn achtergebleven. De persoon is conform de AVG geïnformeerd. De op grond van de WOB vrijgegeven stukken zijn van de website van de rijksoverheid gehaald en de stukken worden momenteel herzien. Daarnaast heeft de Secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op advies van de Beveiligingsambtenaar (BVA) van Buitenlandse Zaken een commissie van onderzoek ingesteld op basis van de artikelen 8 en 9 van het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI). Er wordt onder andere gekeken naar de wijze waarop de compromittering heeft plaatsgevonden en welke maatregelen genomen moeten worden om herhaling te voorkomen. De BVA rapporteert dit voorjaar hierover aan de departementsleiding. Indien tijdens het onderzoek een vermoeden ontstaat dat er sprake is van opzet of grove nalatigheid, zal aangifte worden gedaan. Op dit moment zijn daar echter geen aanwijzingen voor.
Kunt u een lijst geven van de stukken die u ter vertrouwelijke inzage aan de Kamer gegeven heeft, conform de werkwijze van de Kamercommissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD), onder Kamerstuk 32 623, nr. 229?
Uw Kamer heeft inzage gekregen in stukken met vertrouwelijke informatie die betrekking hebben op het NLA-programma. Het betrof onder andere besluitvormingsmemo’s, overdrachtsbewijzen en onderliggend beeldmateriaal.
Welke van deze stukken zijn ook gedeeltelijk opgenomen in de WOB-verzoeken?
Alle documenten die de Kamer ter vertrouwelijke inzage heeft kregen maken deel uit van de inventarislijst van de WOB, waarbij een aantal documenten niet is vrijgegeven op grond van de relevante uitzonderingsgronden van de WOB.
Kunnen Kamerleden de vertrouwelijke stukken nogmaals inzien?
Ja. De stukken worden uw Kamer nogmaals ter vertrouwelijke inzage aangeboden.
Welke van de stukken waarvoor de Kamerleden moesten tekenen dat zij er zelfs niet met collega’s over konden spreken, waren geen staatsgeheim?
De documenten die uw Kamer ter vertrouwelijke inzage kreeg bevatten informatie die zowel betrekking had op groepen die steun ontvingen als andere vertrouwelijke informatie over bijvoorbeeld bondgenoten, uitvoerders of betrokkenheid van de diensten. Dergelijke informatie is bij de WOB-publicatie ook niet vrijgegeven of gelakt.
Kunt u deze vragen een voor een, zeer precies en binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk en een voor een beantwoord.
Ernstige misstanden op paardenmarkt in Hedel |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van de ernstige misstanden op de paardenmarkt in Hedel op 5 november 2018, waarbij paarden op ruwe wijze werden behandeld, te weinig water en voer kregen, kort aangebonden stonden en zichtbaar open wonden, gecoupeerde staarten en misvormde of vergroeide hoeven hadden?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat dit overtredingen betreft van de Wet dieren artikel 1.3 lid 3? Zo nee, waarom niet?
Houders van paarden zijn verantwoordelijk voor het welzijn van hun dieren tijdens vervoer naar en verblijf op de markt. Daarnaast dient ook de marktorganisatie zorg te dragen voor het voorkomen van welzijnsproblemen tijdens het verblijf op de markt. Daarom zijn in opdracht van de organisatie van de paardenmarkt door dierenartsen controles uitgevoerd tijdens de aanvoerperiode van de dieren.
Hierbij zijn geen overtredingen van Wet dieren artikel 1.3 lid 3 vastgesteld door de NVWA.
Deelt u de mening dat paardenmarkten in hun huidige vorm overtredingen van de Wet dieren in de hand werken? Zo nee, hoe verklaart u dan de jarenlange aaneenschakeling van misstanden op paardenmarkten?
De Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) heeft op verzoek van mijn ambtsvoorganger de Zienswijze Paardenmarkten in Nederland, man en paard noemen uitgebracht (Kamerstuk 28 286, nr. 905). De RDA constateert daarin dat in Nederland paardenhouderij, en daarmee ook paardenhandel, geaccepteerd en ingebed is in de maatschappij. Er zijn vele kanalen voor paardenhandel en de markt is er een die vaak gecombineerd wordt met andere maatschappelijke evenementen. De Raad komt tot de conclusie dat paardenmarkten in de huidige maatschappij een acceptabele manier vormen voor handel in paarden, onder voorwaarde dat het welzijn niet in het gedrang komt bij het verblijf op de markt. Ik sluit mij aan bij het oordeel van de RDA.
Hoe beoordeelt u het optreden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die volgens berichtgeving aangeeft dat mogelijke overtredingen niet «tijdens de inspectie» gebeurd zijn?3
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven zijn houders van paarden zelf verantwoordelijk voor het welzijn van hun dieren tijdens vervoer naar en verblijf op de markt. Daarnaast dient ook de marktorganisatie zorg te dragen voor het voorkomen van welzijnsproblemen tijdens het verblijf op de markt. Daarom zijn in opdracht van de organisatie van de paardenmarkt door dierenartsen controles uitgevoerd tijdens de aanvoerperiode van de dieren. Er zijn geen overtredingen van Wet dieren artikel 1.3 lid 3 vastgesteld door de NVWA.
De Ook was de NVWA conform afspraak overdag bereikbaar en beschikbaar voor de marktorganisatie in geval van welzijnsmisstanden op de markt zelf. Daarvan is geen gebruikgemaakt.
De NVWA heeft in Hedel daarnaast inspecties uitgevoerd bij de aanvoer van de paarden op de markt. Daarbij zijn geen overtredingen geconstateerd. Tevens zijn inspecties uitgevoerd bij transporten vanaf de markt. Bij deze inspecties is geconstateerd dat gepoogd werd 45 dieren illegaal uit te voeren naar België of Duitsland. Voor poging tot illegale export zijn er twee processen-verbaal opgemaakt. Ook zijn er 12 schriftelijke waarschuwingen opgelegd. Onder meer voor onvoldoende ruimte boven de schofthoogte van het dier in het vervoermiddel, het ontbreken van een transportvergunning, vervoersdocumenten en bewijs van vakbekwaamheid.
Klopt het dat er twee paarden met de besmettelijke ziekte droes zijn aangekocht op de paardenmarkt in Hedel? Zo ja, hoe heeft het kunnen gebeuren dat deze paarden verhandeld zijn?
Droes behoort niet tot de categorie aangifteplichtige ziekten. Het is mij niet bekend of er paarden met die ziekte zijn aangeboden en of aangekocht op de paardenmarkt in Hedel. Daarover zijn geen feiten geconstateerd dan wel signalen ontvangen. Het is de verantwoordelijkheid van de paardenmarkt om te zorgen dat geen zieke dieren op de markt worden aangeboden. Controle op dierziekten vindt in de regel plaats aan begin van de markt. Controles worden uitgevoerd door private dierenartsen in opdracht van de organisatie.
Hoe garandeert de NVWA dat er geen zieke paarden verhandeld worden en in de vleesketen terecht komen, als er slechts steekproefsgewijs wordt gecontroleerd?
Houders en dierenartsen die dierziekten constateren hebben, in geval het meldingsplichtige en/of aangifteplichtige dierziekten betreft, de verplichting hiervan melding te doen bij de NVWA. Deze zal hier dan op acteren volgens het staande beleid voor de desbetreffende dierziekte. Dieren die naar het slachthuis afgevoerd worden, ondergaan daar nog een levende en een post-mortem keuring. Als in deze een verdenking op een aangifteplichtige dierziekte wordt geconstateerd, zal de NVWA eveneens in actie komen.
Zijn de misstanden op de paardenmarkt in Hedel te wijten aan het «gebrek aan duidelijkheid» over een aantal juridische zaken, zoals «het stellen van eisen aan dierenwelzijn door een gemeente op een paardenmarkt en de toepasselijkheid van de Wet dieren»? Zo nee, waarom niet?4
Zoals ik onlangs ook in de stand van zaken brief aan uw Kamer (Kamerstuk 28 286, nr. 989) heb aangegeven, blijkt dat er meer duidelijkheid moet komen over een aantal juridische zaken zoals het stellen van eisen aan dierenwelzijn door een gemeente op een paardenmarkt en de toepasselijkheid van de Wet dieren. Ik heb aangegeven dat mijn ministerie daartoe in overleg zal treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) om een en ander uit te zoeken. Dat proces is nu gaande.
Deelt u de mening dat open normen in de Wet dieren en een vrijblijvend keurmerk van de Sectorraad Paarden zorgen voor onduidelijkheid bij toezichthoudende en handhavende instanties? Zo nee, waarom niet?
Er zijn algemene normen met betrekking tot het welzijn opgenomen in de Wet Dieren die voor alle dieren dus ook voor paarden gelden. Daarnaast is er door de Sectorraad paarden (SRP) in samenwerking met mijn ministerie een Gids voor Goede praktijken ontwikkeld. Deze geeft een nadere invulling van de algemene regels. Deze Gids geeft de paardenhouders allerlei feiten, richtlijnen en adviezen hoe met een paard moet worden omgegaan zodat goed voor zijn welzijn wordt gezorgd. Ik werk aan een Regeling op basis waarvan beoordeling van gidsen goede praktijken kan gaan plaatsvinden. Deze Regeling zal naar verwachting dit voorjaar in werking treden. Daarna zal de Gids van de Sectorraad zo spoedig mogelijk beoordeeld worden. Na beoordeling kan de gids door de NVWA en de Landelijke Inspectiedienst (LID) worden gebruikt als leidraad bij het toezicht op en de handhaving van het welzijn van de paarden.
Het Keurmerk Paard en Welzijn (KPW) is een initiatief van de SRP en wordt beheerd door de Stichting KPW. Deze heeft zelf inspecteurs opgeleid die op basis van het keurmerk de controles gaan uitoefenen. De eisen van het keurmerk zijn een praktische en concrete invulling van hetgeen in de wet middels doelvoorschriften voor voorgeschreven.
Hoe kan het dat de gemeente Maasdriel als bevoegd gezag niet heeft opgetreden tegen bovengenoemde misstanden?
Op 14 januari 2019 is er overleg geweest tussen mijn ambtenaren en de gemeente Maasdriel. De gemeente heeft aangegeven dat leden van de organisatie van het bestuur van de Stichting Paardenmarkt Hedel opdracht hebben gekregen om mensen die onvoldoende oog hadden voor het welzijn van paarden daarop aan te spreken. Daarnaast waren vier buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s) aanwezig en deze hebben een tiental paarden van de markt laten verwijderen vanwege gedrags- en welzijnsproblemen bij de paarden. Afgesproken is om dit jaar de personen die met het toezicht worden belast, via een schriftelijke instructie met betrekking tot welzijn te instrueren. De NVWA heeft aangegeven daar waar gewenst inhoudelijk te willen adviseren. Ook kan de NVWA, als blijkt dat houders zich toch niet aan de wettelijke voorschriften houden, handhaven.
Hoe wordt het «lokaal deskundig toezicht en handhaving» door gemeenten vormgegeven? Welke diensten zijn daarbij betrokken?5
In de vergunning die door de gemeente aan de Stichting Paardenmarkt Hedel wordt verleend wordt verwezen naar het Protocol Welzijn paardenmarkten zoals dat door de RDA in haar Zienswijze is aangescherpt (zie ook mijn antwoord op vraag 3). Dat Protocol is onderdeel van de vergunning. Dat dient dus bij het toezicht te worden betrokken. Naast leden van de Stichting die zich met het toezicht op de markt bezig houden zijn het de BOA’s van de gemeente Hedel, de politie en de NVWA die als diensten betrokken zijn bij het toezicht op de markt. Daarnaast staat de brandweer paraat om paarden die op welke manier dan ook «bekneld» raken te ontzetten.
Deelt u de constatering van de Raad voor Dieraangelegenheden dat in de huidige praktijk het welzijn van paarden bestemd voor de (internationale) handel in het gedrang komt, aangezien de totale duur van het vervoer en verblijf op de markt de maximaal toegestane duur van 24 uur (Europese Transportverordening) in de regel overschreidt?6
Een paardenmarkt wordt gezien als een verzamelcentrum. Sinds dit jaar mag er uitsluitend van erkende verzamelcentra geëxporteerd worden. Er zijn drie paardenmarkten (Elst, Hedel en Zuidlaren) die speciaal daarvoor een door de NVWA erkend gedeelte hebben ingericht. Daarnaast is er nog een verzamelcentrum dat het gehele jaar door een erkenning heeft voor export van paarden. Alleen van deze 4 erkende verzamelcentra is dus internationale handel mogelijk. De verzamelcentra zijn hierbij plaats van vertrek en vanaf daar geldt een transportduur van maximaal 24 uur. De NVWA houdt toezicht op de erkende verzamelcentra en certificeert de dieren. In 2018 is het merendeel van de geëxporteerde paarden vanaf de drie paardenmarkten naar bestemmingen in België en Duitsland vervoerd.
Deelt u de mening dat er strikter toezicht en handhaving nodig is, gelet op bovenstaande constatering van de Raad voor Dieraangelegenheden? Zo ja, hoe bent u van plan hier vorm aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Waarom wordt nog altijd ingezet op zelfregulering door de sector, ondanks jaarlijkse berichtgeving over ernstige misstanden op paardenmarkten?
In de praktijk zien we dat veel paardeneigenaren zich zeer verantwoordelijkheid voelen voor onder meer het welzijn van hun paard. Ze willen over het algemeen goed voor hun paard zorgen en hebben daar veelal een speciale band mee. Waar het soms aan schort is een gebrek aan kennis. Dat wordt door de sector goed opgepakt door middel van de instrumenten die de laatste jaren zijn ontwikkeld zoals de Gids Goede Praktijken en de welzijnscheck op het internet.
De nieuwste stap is de aanscherping van het Protocol welzijn paardenmarkten zoals door de Raad voor dierenaangelegenheden is geadviseerd (zie antwoord op vragen 17 en 18).
Ik ben van mening dat het inzetten van specifieke, aanvullende wetgeving voor paardenwelzijn niet bijdraagt aan beter welzijn voor paarden of versnelling van het proces.
Waarom wordt de specialistische zorg voor paarden en de definitie van paardenmishandeling niet wettelijk vastgelegd, zodat handhavers hierop kunnen acteren?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven wat er op het gebied van dierenwelzijn en de controle en handhaving daarop is verbeterd op de paardenmarkt van Hedel, sinds het lid Ouwehand op 11 november 2010 daarover vragen stelde aan uw ambtsvoorganger?7
De NVWA heeft sinds 2011 inspecties uitgevoerd op paardenmarkten waaronder die in Hedel. Dit betrof ook inspecties gericht op de aan- en/of afvoer van paarden. In de jaren 2015 t/m 2017 zijn bij de inspecties tekortkomingen vastgesteld op het gebied van welzijn tijdens transport, maar ook ten aanzien van het ontbreken van de vereiste veterinaire certificaten, dan wel geen volledig correcte certificaten. Ook in 2018 zijn inspecties uitgevoerd waarvan de resultaten momenteel worden geanalyseerd. In mijn antwoord op vraag 4 ben ik ingegaan op de inspecties die op de paardenmarkt in Hedel zijn uitgevoerd.
Inspectieresultaten paardenmarkten 2015 t/m 2017:
Ik constateer dat sprake is van een dalende trend bij het aantal niet-akkoord inspecties. Ik ben mij ervan bewust dat de NVWA niet op alle activiteiten die zich afspelen op een paardenmarkt permanent toezicht kan houden. Houders van paarden en de marktorganisatie hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om garanderen van dierenwelzijn en diergezondheid. Ook bij de betrokken gemeenten ligt een belangrijke verantwoordelijkheid. Ik blijf met hen en met de VNG in gesprek over hoe zij hieraan invulling kunnen geven mede op basis van de zeer bruikbare adviezen die de RDA heeft gedaan in de Zienswijze Paardenmarkten in Nederland, man en paard noemen (zie ook het antwoord op vragen 17 en 18).
Erkent u dat er sprake is van jarenlang gedogen van praktijken die het welzijn van paarden aantasten, wanneer acht jaar na constatering van eenzelfde soort misstanden op de paardenmarkt in Hedel en de daaropvolgende belofte van uw voorganger om de omstandigheden voor de dieren te verbeteren, dergelijke misstanden zich nog altijd op grote schaal voordoen?
Zie antwoord vraag 15.
Deelt u de constatering van uw ambtsvoorganger dat het verbeteren van het welzijn van de dieren op paardenmarkten essentieel is voor het maatschappelijk draagvlak voor deze paardenmarkten?
Zoals al eerder aangegeven heeft de RDA geconstateerd dat in Nederland de paardenhouderij, en daarmee ook de paardenhandel, geaccepteerd en ingebed is in de maatschappij. Er zijn vele kanalen voor paardenhandel en de markt is er een die vaak gecombineerd wordt met andere maatschappelijke evenementen. De Raad komt tot de conclusie dat paardenmarkten in de huidige maatschappij een acceptabele manier vormen voor handel in paarden, onder voorwaarde dat het welzijn niet in het gedrang komt bij het verblijf op de markt. Om het welzijn nog beter te kunnen garanderen heeft de RDA het Protocol Welzijn Paardenmarkten aangescherpt. Veel paardenmarkten (zeker de grotere) zijn nu bezig om deze aangescherpte eisen over te nemen. Bij betrokken gemeenten ligt een belangrijke verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat het welzijn van de paarden op de markten voldoende wordt gewaarborgd. Ik ben en blijf daarover met die gemeenten en de VNG in gesprek.
Welke gevolgen hebben deze voortdurende misstanden volgens u voor het maatschappelijk draagvlak voor paardenmarkten en welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie antwoord vraag 17.
Het beëindigen van buitenlandse financiering van politieke partijen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bannon's Europe plan: a look at the law in his 13 targeted countries»?1 Herinnert u zich uw aankondiging van februari jl. dat de buitenlandse financiering van Nederlandse politieke partijen aan banden zou worden gelegd?2
Ja.
Deelt u nog steeds de mening dat buitenlandse beïnvloeding, waaronder financiering van politieke partijen, ongewenst is? Zo ja, waarom heeft de Kamer nog geen voorstel ontvangen om de wet- en regelgeving op dit punt aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Op 1 februari jl. heb ik u het eindrapport van de Evaluatie- en Adviescommissie Wet financiering politieke partijen (verder: de commissie-Veling) aangeboden.3 In de aanbiedingsbrief bij dit rapport heb ik toegezegd dat ik maatregelen zal treffen om buitenlandse financiering van Nederlandse politieke partijen te beperken. Hiermee zal ook invulling worden gegeven aan de motie-Amhaouch c.s. (Kamerstuk 34 270, nr.22). In de kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Veling zal ik op deze maatregelen ingaan. Tevens zal ik dan aankondigen op welke termijn ik een voorstel tot aanpassing van de Wet financiering politieke partijen aan u aan zal bieden. Deze maatregelen zullen onderdeel zijn van dit voorstel.
Heeft het uitstel van uw reactie op het eindrapport van de Evaluatie- en Adviescommissie Wet financiering politieke partijen3 mede te maken met het feit dat de partijen het niet eens worden over hoe de buitenlandse financiering aan banden moet worden gelegd? Zo ja, waar bestaat op dit punt nog onenigheid over?
Nee.
Waarom heeft u de, met een zeer ruime meerderheid aangenomen, motie-Amhaouch c.s. (TK 34 270, nr. 22) uit december 2016, waarin de regering werd verzocht voorstellen te doen om buitenlandse financiering van politieke partijen en politieke campagnes, waaronder referenda, te beperken, nog niet uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het overzicht in het aangehaalde bericht4 van de wetgeving in EU-landen met betrekking tot het aan banden leggen van buitenlandse financiering van politieke partijen correct? Zo ja, hoe komt het dat andere landen dit probleem al veel eerder hebben aangepakt? Zo nee, wat klopt er niet?
Ik beschik niet over een volledig actueel overzicht van EU-wetgeving op het gebied van buitenlandse financiering van politieke partijen. Wel beschik ik over een internationaal vergelijkend onderzoek naar de financiering van politieke partijen, dat de Universiteit Leiden in 2017 in opdracht van de commissie-Veling heeft verricht. Dit onderzoek heb ik u toegezonden als bijlage bij mijn brief van 1 februari jl. waarmee ik u het eindrapport van de commissie-Veling heb aangeboden.6 Uit dit onderzoek komt een wisselend beeld naar voren. In een aantal landen, waaronder België en Denemarken, geldt voor giften uit het buitenland hetzelfde regime als voor giften uit het eigen land. In een aantal andere landen zijn giften uit het buitenland verboden, of geldt er een ander regime dan voor giften uit het eigen land. In het onderzoek van de Universiteit Leiden wordt niet ingegaan op de vraag waarom deze landen hebben besloten om een onderscheid tussen binnenlandse – en buitenlandse giften te maken.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat met spoed de Nederlandse wetgeving over dit onderwerp wordt aangepast? Bent u desnoods bereid de beperking van buitenlandse financiering van politieke partijen afzonderlijk van, en met voorrang ten opzichte van de andere aanbevelingen die uit het genoemde Eindrapport komen, door te voeren? Zo ja, op welke termijn kunnen wij uw voorstellen verwachten? Zo nee, waarom bent u daartoe niet bereid?
Zie antwoord vraag 2.
De grote kloof tussen gelukkige en kwetsbare kinderen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de conclusies van de Kinderombudsvrouw dat er een grote kloof is tussen gelukkige en kwetsbare kinderen?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie van de Kinderombudsvrouw dat kinderen die opgroeien in een kwetsbare situatie over alle aspecten in hun leven negatiever zijn dan kinderen die geen bijzonderheden hebben? Bent u bereid hier nader onderzoek naar te doen om juist deze groep kinderen te helpen? Zo nee, waarom niet?
De Kinderombudsman richt zich tijdens haar kinderrechtentour in het bijzonder op kinderen, die onder bijzondere omstandigheden opgroeien. Ze heeft met deze kinderen verschillende gesprekken gevoerd. Ook heeft er een enquête plaatsgevonden onder 1000 kinderen, daarmee is de onderzoekspopulatie klein. Hierbij valt op dat de kinderen die mee gedaan hebben aan het onderzoek select geselecteerd zijn, omdat naast oproepen via social media de leden van specifieke organisaties gevraagd zijn om de vragenlijst in te vullen. Daardoor kunnen er geen uitspraken worden gedaan over representativiteit.
Uit het onderzoek komt naar voren dat 10 procent van de ondervraagde kinderen hun leven waardeert met een 5 of lager. Gemiddeld geven deze kinderen een 3,8 aan hun leven. Uit het onderzoek komt niet naar voren welke kinderen dit betreft.
Ik heb de Kinderombudsman gevraagd om een nadere verklaring van de onderzoeksresultaten en hoe deze geduid kunnen worden. Kinderombudsman heeft aangegeven dat ze met name dit resultaat niet kunnen verklaren en dat ze daarom een vervolgonderzoek gaan doen om de verschillen tussen kinderen te kunnen verklaren. Ook zullen nog ingevulde vragenlijsten die nog niet bekeken zijn, nader onderzocht worden om verder te kunnen onderzoeken waarom bepaalde groepen kinderen hun leven een lager cijfer geven dan andere kinderen. We zijn dan ook benieuwd naar de uitkomsten van het vervolgonderzoek Kinderombudsman, zodat beter geduid kan worden waar de verschillen tussen kinderen en welke factoren hierbij een rol spelen. We zullen de uitkomsten van het vervolgonderzoek afwachten en vervolgens de afweging maken of er nader onderzoek nodig is.
Wat is uw reactie op de conclusie van de Kinderombudsvrouw dat 10 procent van de kinderen hun leven een zware onvoldoende geeft (gemiddeld een 3,8)? Bent u bereid hier nader onderzoek naar te doen om juist deze groep kinderen te helpen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de analyse van de Kinderombudsvrouw dat kinderen met wie het niet goed gaat niet goed worden bereikt vanwege de prestatiemaatschappij en dat daardoor kinderen die problemen hebben zich niet durven te laten zien en zich terugtrekken?2 Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Naar mijn weten concludeert de Kinderombudsman in haar laatste rapport niet dat de prestatiemaatschappij hierin een voorname rol speelt in tegenstelling tot haar eerste kinderrechtentour in 2016. De toenemende mentale druk die kinderen en jongeren zeggen te ervaren heeft desalniettemin de aandacht van het kabinet. Naar aanleiding van signalen uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen 2018 hierover heeft de Staatssecretaris van VWS het RIVM gevraagd om verdiepend onderzoek uit te voeren naar dit thema.
Wat kunt u doen aan de veiligheid thuis, aangezien maar liefst 10 procent van de kinderen aangeeft dat de veiligheid thuis niet in orde is?
Niet op school, niet op straat, maar thuis heb je de grootste kans om met geweld in aanmerking te komen. Huiselijk geweld en kindermishandeling vormen in omvang en impact één van de grootste geweldsvraagstukken van de samenleving. Dit komt wordt opnieuw bevestigd in het onderzoek van de Kinderombudsman.
Om huiselijk geweld en kindermishandeling te stoppen, terug te dringen en de schade ervan te beperken heb ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming en met de VNG in april van dit jaar het programma Geweld hoort nergens thuis gelanceerd. De ambitie van dit programma is huiselijk geweld en kindermishandeling eerder en beter in beeld te krijgen en het geweld te stoppen en duurzaam op te lossen. Een van de doelstellingen van het programma is het bespreekbaar maken van zorgen over huiselijk geweld en kindermishandeling. Het moet makkelijker worden voor omstanders om in actie te komen en zorgen te bespreken en voor betrokkenen om naar buiten te treden over situaties waarin geweld, onmacht of angst het dagelijkse leven domineren. Er is moed voor nodig om dat te vertellen en het is sterk als je je laat helpen. Een van de acties van het programma is het starten van het project «Ieder kind geïnformeerd». Het doel van deze actie is kinderen te laten praten over kinderrechten en hun situatie thuis. Daarnaast starten we een publiekscampagne gericht op omstanders om hen moed en vertrouwen te geven om in actie te komen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. Immers iedereen kan verschil maken voor een kind. Voor het eind van dit jaar informeer ik uw Kamer over de voortgang van het programma Geweld hoort nergens thuis.
Ziet u een rol voor uzelf en hulpverleners, omdat kinderen die in de jeugdhulp zitten hun leven bijna twee punten lager beoordelen? Zo, ja wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Ik betreur het dat kinderen die in de jeugdhulp zitten hun leven een lager rapportcijfer geven. Dit signaal neem ik serieus en ik zie een rol voor mijzelf weggelegd. Daarom zijn we het programma Zorg voor de Jeugd gestart om de jeugdhulp merkbaar en meetbaar steeds beter te maken.
Wat kunt u doen aan het bieden van meer zekerheid aan kinderen, aangezien 19 procent van de kinderen aangeeft dat hun zekerheid (stabiliteit in leefomstandigheden en het hebben van een toekomstperspectief) niet op orde is?
Het is erg belangrijk dat kinderen zekerheid wordt geboden, zodat ze in een stabiele omgeving kunnen opgroeien. Daarvoor het van belang dat elk kind gelijke kansen heeft. Het kabinet zet er stevig op in dat ook kinderen die opgroeien in een gezin met een laag inkomen mee kunnen doen. Het meedoen van kinderen is namelijk essentieel voor hun ontwikkeling en toekomstige participatie in de samenleving, op school en later op de arbeidsmarkt. Kinderen mogen daarin niet de dupe worden van de financiële situatie van de ouders. Zowel op landelijk als ook op het gemeentelijk niveau ligt een belangrijke verantwoordelijkheid het meedoen te bevorderen. In de kabinetsreactie op SER-advies «Opgroeien zonder armoede» en reactie op rapport Kinderombudsman «Alle kinderen kansrijk» wordt de kabinetsbrede inzet uiteengezet om de negatieve gevolgen van het opgroeien in armoede tegen te gaan. Vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt sinds 2017 € 100 mln. extra per jaar vrijgemaakt specifiek om het meedoen van kinderen die opgroeien in armoede te bevorderen, door kinderen mee te laten doen op school, aan sport en cultuur en aan sociale activiteiten. Daarnaast investeert het kabinet ook in de aanpak van de structurele oorzaken van armoede door meer mensen aan het werk te helpen, werk meer te laten lonen, het verbeteren van de inkomenspositie van gezinnen met kinderen en door de brede schuldenaanpak.
Kansengelijkheid in het onderwijs staat hoog op de agenda van dit kabinet. Het mag voor de kansen die je krijgt in het onderwijs niet uitmaken in welke omgeving je opgroeit. Het kabinet neemt in het onderwijs verschillende maatregelen om de kansengelijkheid van kinderen en jongeren te vergroten. Ik noem hier twee voorbeelden. Zo investeert het Kabinet bijvoorbeeld structureel € 170 miljoen extra in een verruiming van het aanbod van voorschoolse educatie, om de onderwijskansen voor kinderen te vergroten. Daarmee is er € 492 miljoen beschikbaar voor het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Daarnaast is er € 286 miljoen beschikbaar voor het bestrijden van onderwijsachterstanden op basisscholen. Door te investeren in de onderwijskansen vóór en tijdens de schoolcarriere van kinderen, zetten we in op een beter toekomstperspectief voor deze kinderen. Het kabinet activeert daarnaast via de Gelijke Kansen Alliantie ook lokale en regionale partners om ervaringen te delen en nieuwe kennis op te bouwen om de kansengelijkheid in het onderwijs te bevorderen. Hiermee zorgen we voor een brede en lokale aanpak gericht op samenwerking binnen en buiten het onderwijs.
Relatief veel kinderen (13 procent) willen verbetering in de situatie thuis (ouders, opvoeders of familieleden die ruzie maken of weinig thuis zijn, strikte regels, weinig aandacht voor elkaar en sommigen willen zelfs geen contact meer met ouders); ziet u hierin een rol voor uzelf? Zo, ja welke? Zo nee, waarom niet?
Het is ontzettend belangrijk dat kinderen thuissituatie als fijn en veilig ervaren. Ouders zijn eerstverantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Zij kunnen door de overheid ondersteund worden bij opvoed- en opgroeivragen waar zij tegenaan lopen. In de Jeugdwet is onder andere opgenomen dat het gemeentelijk beleid inzake preventie gericht dient te zijn op het versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang en op het bevorderen van de opvoedvaardigheden van de ouders, opdat zij in staat zijn hun verantwoordelijkheid te dragen voor de opvoeding en het opgroeien van jeugdigen.
Daarnaast heeft de overheid een rol als het gaat om de veiligheid van het kind. De overheid grijpt in als de ouders het kind geen veilige omgeving kunnen bieden om op te groeien en de gezonde ontwikkeling van het kind in gevaar komt. De overheid moet de rechten van het kind beschermen. Dat staat ook zo in het kinderrechtenverdrag. Recentelijk heeft de Nationale Raad van Kinderen advies gegeven op de vraag: Hoe zorgen we ervoor dat ieder kind weet wat «normaal» is als het gaat om een veilige thuissituatie? Het inzicht dat de kinderen deelden dat sommige ouders die kinderen mishandelen ergens wel weten dat het niet goed is wat ze doen maar niet weten hoe het anders kan, heeft ons in het bijzonder geraakt. De kinderen adviseerden daarom ook een ouderhulplijn. Deze en de andere adviezen die de kinderen hebben gedeeld nemen we mee in het ontwikkelen van het project «Ieder kind geïnformeerd».
Wat kunt u onder andere doen aan persoonlijke aandacht in het onderwijs, aangezien een niet te verwaarlozen deel van de kinderen aangeeft dat dit beter moet?
Persoonlijke aandacht voor kinderen is zeker belangrijk. Gelukkig slagen de meeste leraren en scholen erin om kinderen deze aandacht te geven. Zij weten ook het best wat de leerlingen nodig hebben want zij staan dicht bij hen. In dat kader is het goed dat het aan de school wordt gelaten om keuzes te maken over de manier waarop ze het onderwijs inrichten en hoe ze daarbij zorg dragen voor de persoonlijke aandacht. Het kabinet vindt het belangrijk scholen daar de ruimte in te geven, maar ook de nodige randvoorwaarden te bieden. Zo krijgen scholen extra middelen om werkdruk aan te pakken. Een groot gedeelte van de scholen kiest ervoor om dit geld in te zetten voor extra handen in de klas, bijvoorbeeld door de inzet van een onderwijsassistent. Naast het verminderen van de werkdruk van leraren, zorgt dit er ook voor dat er meer persoonlijke aandacht is voor leerlingen. Daarnaast zijn scholen verplicht te werken aan een sociaal veilig klimaat voor de leerlingen. Daarbinnen is het pedagogische klimaat binnen de school van cruciaal belang. Als de leraar een goede band heeft met de leerling, is de kans ook groter dat de leerling durft aan te geven, of de leraar signaleert, dat hij of zij op een bepaald vlak extra ondersteuning of aandacht nodig heeft.
Wat kunt u eraan doen om de stress onder kinderen te verminderen, aangezien relatief veel kinderen stress ervaren?
Zie antwoord vraag 4.
Wat kunt u doen om activiteiten voor kinderen te bevorderen (zoals meer sport- of muziekles), aangezien een deel van de kinderen (8 procent) dit als verbeterpunt ziet? Kunt u in uw antwoord ook de oplossingen die Integrale Kindcentra (IKC’s) hierbij bieden meenemen en bent u bereid om aanvullende maatregelen te nemen, zodat ook kinderen van minder draagkrachtige ouders kunnen meedoen?
Het is belangrijk dat kinderen in een gezins- en kindvriendelijke omgeving kunnen opgroeien. Het netwerk van Child Friendly Cities draagt daar aan bij. Gemeenten zetten daarbij in op wonen, op een veilige en groene leef, – sport, – en speelomgeving, en op talentontwikkeling van elk kind. Recentelijk is ook het sportakkoord gepresenteerd, dat is gesloten door de Minister van Zorg en Sport met de sport, gemeenten en maatschappelijke organisaties en bedrijven. Het doel van het sportakkoord is om zowel kinderen als volwassen te stimuleren om te sporten en te bewegen. Bijvoorbeeld door buurtcoaches in te zetten of meer sportfaciliteiten ter beschikking te stellen.
In veel gemeenten zijn al verschillende fondsen en regelingen beschikbaar om muziek en sport toegankelijk te maken voor alle kinderen, die zijn in het bijzonder gericht op kinderen van minima. Hiernaast bestaan op landelijk niveau programma’s als Meer Muziek in de Klas om meer leerlingen muziekles te kunnen geven. De Brede Impuls Combinatiefuncties geeft gemeenten financiële ondersteuning voor de inzet van zogeheten combinatiefunctionarissen. Doelstellingen van deze regeling zijn om sport- beweeg- en cultuuronderwijs op en rond scholen te versterken en om lokale verbindingen tot stand te brengen. Zo worden meer kinderen bereikt en wordt het bestaande aanbod beter benut. Ook via de Gelijke Kansen Alliantie worden brede samenwerkingen op lokaal en regionaal niveau gestimuleerd, hierbij zien we ook mooie voorbeelden van samenwerkingen tussen scholen en organisaties die buiten schooltijd een stimulerend aanbod doen aan kinderen en jongeren. Ten slotte, kan inderdaad ook in Integrale Kindcentra (IKC’s), waar kinderopvang en onderwijs geïntegreerd worden, de samenwerking worden opgezocht met sport- en cultuurverenigingen, zodat kinderen laagdrempelig in aanraking komen met bijvoorbeeld sport- en muziekles. In de brief van 13 juli jongstleden heeft het Kabinet aangegeven welke maatregelen ze neemt om de samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs makkelijker te maken. Gemeenten kunnen hierin een stimulerende of ondersteunende rol vervullen.
Wat is uw verklaring voor het feit dat jonge kinderen hun leven beter beoordelen dan jongeren vanaf 13 jaar?
Het onderzoek van de Kinderombudsman geeft geen verklaring tussen het verschil in beoordeling van het leven van jonge versus oudere kinderen. De Kinderombudsman geeft aan dit punt nader te willen onderzoeken en resultaten uit te gaan diepen. We wachten de uitkomsten van het vervolgonderzoek met belangstelling af.
Vindt u dat kinderen en jongeren voldoende meepraten en meebeslissen over zaken die van invloed zijn op hun leven? Zo nee, wat kunt u nog meer doen?
Ik vind het belangrijk dat kinderen en jongeren over belangrijke zaken kunnen meedenken, praten en beslissen. Ik juich de initiatieven toe van de verschillende (kinderrechten)organisaties om alle kinderen en jongeren te stimuleren mee te doen en hun stem te laten horen en hen les te geven in kinderrechten. Daarnaast stimuleert VWS kinder- en jongerenraden in gemeenten, zodat gemeenten echt rekening houden met de ideeën en wensen van kinderen en jongen bij de ontwikkeling van beleid. Regelmatig vraagt VWS de Nationale Jeugd Raad advies daar waar het zaken betreft die jongeren aangaan. De Nationale Raad van Kinderen heeft het Ministerie van VWS dit jaar geadviseerd over preventie en kindermishandeling. Verder hebben mijn collega’s en ik drie kinderbewindspersonen geïnstalleerd die ons gevraagd en ongevraagd zullen adviseren.
Wat doet dit kabinet met alle verschillende adviezen van de Kinderombudsvrouw?
Het kabinet betrekt de adviezen van de Kinderombudsman bij de beleidsvormingsprocessen. Ook vindt er regelmatig overleg plaats met de Kinderombudsman over de adviezen en aanbevelingen, maar ook over lopende kwesties.
Het artikel ‘Of mevrouw Bastiaansen (93) uit Breda maar even 20 mille wil terugbetalen’ |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Of mevrouw Bastiaansen (93) uit Breda maar even 20 mille wil terugbetalen»?1
Ja.
Hoeveel gevallen van mensen die in de schulden zitten door een foute verwerking van gegevens bij het Centraal Administratie Kantoor (CAK) zijn er bij u en het CAK bekend? Hoe groot is het totale bedrag dat bij het CAK openstaat aan terug te vorderen, te laag betaalde eigen bijdragen? Is dat bedrag toegenomen over de afgelopen jaren (sinds 2015)? Kunt u dit kwantificeren? In hoeveel gevallen viel de terugvordering van het CAK binnen de herzieningstermijn van 24 maanden? Wat is de gemiddelde termijn waarbinnen het CAK een terugvordering oplegt?
Uit een recente gegevensanalyse is gebleken, dat er vijf vergelijkbare gevallen bij het CAK bekend zijn. Vier van de vijf kennen een herzieningstermijn van 24 maanden en één kent een herzieningstermijn van twaalf maanden. Omdat deze eigen bijdragen nog opnieuw moeten worden vastgesteld is het totaalbedrag dat open staat om terug te vorderen nog onbekend. Bij de debiteurenregistratie wordt geen registratie bijgehouden over de oorzaak van een schuld. Er is daarom geen rapportage beschikbaar.
Komt het omgekeerde ook voor, dat wil zeggen dat het CAK mensen geld terugbetaalt omdat zij te veel eigen bijdrage betaald hebben? Zo ja, hoe vaak is dat voorgekomen in de afgelopen jaren (sinds 2015)? Wat is de totale omvang van dat bedrag?
Ja. Niet in alle gevallen is er voor een eerste vaststelling van de eigen bijdrage een verzamelinkomen van de Belastingdienst beschikbaar. Om toch tot een eerste tijdige vaststelling te komen wordt dan het belastbaar loon door het CAK gebruikt. Als later in de tijd alsnog een (lager) verzamelinkomen door de Belastingdienst wordt vastgesteld, volgt er een restitutie van het teveel betaalde. Het komt ook voor dat er door het zorgkantoor een verkeerde leveringsvorm van de zorg aan het CAK wordt aangereikt. Ook hier geldt dat na correctie het teveel betaalde wordt gerestitueerd. Naast een veranderend inkomen of verkeerde leveringsvorm zijn er nog meer oorzaken die ten grondslag aan een restitutie kunnen liggen. Het CAK registreert bij een restitutie geen reden waarom. Dit heeft tot gevolg dat er geen rapportage beschikbaar is.
Weet u dat op de website van het CAK staat «De klant moet verzekerd zijn van tijdige en correcte informatie»? Als dan blijkt dat het CAK, ondanks het feit dat de juiste informatie bij het CAK bekend was, een verkeerde eigen bijdrage rekent, deelt u de mening dat het niet juist en niet correct is dat dan een terugvordering wordt opgelegd?
Ja. Daarom heb ik besloten de terugwerkende kracht van herzieningen, welke ontstaan naar aanleiding van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK zijnde, te verkorten naar twaalf maanden. Daarnaast ga ik meer ruimte voor het CAK creëren om in zeer specifieke gevallen maatwerk te leveren.
Hoe is de discretionaire bevoegdheid van het CAK geregeld en in welke gevallen kan het CAK die bevoegdheid gebruiken? Hoe vaak is die bevoegdheid in de afgelopen jaren gebruikt? Deelt u de mening dat in het kader van de beweging in de zorg «van systemen naar mensen» de inzet van de discretionaire bevoegdheid hier op zijn plek zou zijn?
Ten aanzien van de formele handelingsruimte van het CAK verwijs ik naar antwoord 3 uit de beantwoording van de vragen van mevrouw Van Brenk (50PLUS). Verder gaat het in dit soort zaken altijd om een individuele belangenafweging, waarbij eventueel de discretionaire bevoegdheid, nadat het CAK en de (vertegenwoordiger van) de cliënt met elkaar in gesprek zijn geweest, kan worden ingezet. Er is geen registratie m.b.t. de discretionaire bevoegdheid. Er zijn dus geen getallen beschikbaar.
Ik deel de mening dat een proactieve inzet van discretionaire bevoegdheid hier op zijn plek is. Momenteel heeft het CAK deze ruimte alleen wanneer blijkt dat sprake is van bijzondere omstandigheden of beperkte financiële draagkracht. Hiervoor is een gesprek nodig. Dat heeft ondertussen plaatsgevonden.
Om deze situatie te voorkomen heb ik met het CAK bekeken hoe in dit soort gevallen, waarbij een cliënt zo erg nadeel ondervindt door een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK zijnde, gehandeld dient te worden. Daarom heb ik besloten de terugwerkende kracht van herzieningen, die ontstaan naar aanleiding van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK, te verkorten naar twaalf maanden. Daarnaast geef ik het CAK meer ruimte om in zeer specifieke gevallen maatwerk te leveren.
Van de uitzending van Radar inzake een 93-jarige dame die in de schulden is gekomen door een fout van het CAK |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Radar van 19 november 2018 over een 93-jarige dame die in de schulden is gekomen door een fout van het Centraal Administratie Kantoor (CAK)?
Ja.
Is het waar dat betrokkene, die sinds 2014 in een zorginstelling woont, in de financiële problemen is gekomen doordat het CAK het overlijden van haar man in 2003 niet administratief verwerkt heeft, waardoor betrokkene langere tijd een te lage eigen bijdrage heeft betaald en nu uiteindelijk nog een bedrag van 16.000 euro verschuldigd is?
Het CAK heeft zich bij aanvang van de zorg van betrokkene ten onrechte gebaseerd op verkeerde informatie. Op basis hiervan heeft het CAK een lage eigen bijdrage opgelegd. Correctie hierop heeft vervolgens geleid tot een hoge naheffing bij deze klant.
Het is heel vervelend dat er een fout is gemaakt en dat mevrouw Bastiaansen wordt verrast met een dergelijke rekening. Ook het CAK vindt dat en erkent dat er in deze individuele situatie fouten zijn gemaakt. In de bezwaarprocedure heeft het CAK aangeboden om met elkaar in gesprek te gaan om een passende oplossing te vinden. Het CAK heeft dit aanbod recent opnieuw gedaan. Ondertussen heeft het gesprek plaatsgevonden, en heeft CAK een passende oplossing aangeboden.
Naar aanleiding van deze onwenselijke situatie heb ik besloten de terugwerkende kracht van herzieningen, die ontstaan naar aanleiding van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK, te verkorten naar twaalf maanden. Daarnaast creëer ik meer ruimte voor het CAK om in zeer specifieke gevallen maatwerk te leveren in een individueel gesprek. In dit geval heeft het CAK aan de cliënt het aanbod gedaan om de factuur die met terugwerkende kracht over 24 maanden was opgelegd, kwijt te schelden.
Hoe vaak komen deze, en dergelijke gevallen van onbedoeld betalen van een te lage eigen bijdrage voor? Wordt in deze gevallen door het CAK als regel overgegaan tot invordering van het te weinig betaalde, ook als cliënten volledig te goeder trouw zijn geweest en buiten hun schuld te weinig is betaald?
Ondertussen is uit uitgevoerde gegevensanalyse door het CAK gebleken dat er vijf vergelijkbare gevallen bij het CAK bekend zijn. In het Besluit langdurige zorg is de herzieningstermijn, in het geval dat het CAK niet tijdig de herziening doet, op 24 maanden begrensd. De cliënt krijgt hierdoor geen volledige naheffing van 36 maanden. De Centrale Raad van Beroep heeft eerder ten aanzien van kwijtschelden bepaald dat indien de eigen bijdrage gebaseerd is op een dwingende bepaling, dit met zich meebrengt dat het CAK geen bevoegdheid heeft om tot kwijtschelding over te gaan.1 Aan de andere kant heeft het CAK een belangenafweging te maken bij de invorderingsbeslissing.2 Daarbij zijn bijzondere omstandigheden en de financiële situatie van mensen van belang.
Daarom heb ik besloten de terugwerkende kracht van herzieningen, die ontstaan naar aanleiding van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK zijnde, te verkorten naar twaalf maanden. Daarnaast ga ik meer ruimte voor het CAK creëren om in zeer specifieke gevallen maatwerk te leveren.
Is het CAK voor informatie over de samenstelling van het huishouden van cliënten en wijzigingen daarin (uitsluitend) afhankelijk van informatie verstrekt door cliënten, of heeft het CAK standaard toegang tot geautomatiseerde gegevensuitwisseling, bijvoorbeeld via de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) en/of de Belastingdienst?
Het CAK heeft standaard toegang tot geautomatiseerde gegevensuitwisseling met de Belastingdienst, en het UWV. Ten aanzien van personalia put het CAK de informatie uit een extern systeem dat het basis registratie personen (BRP) (gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) met het CAK verbindt.
Worden deze gegevens proactief standaard of periodiek door het CAK geraadpleegd om de juistheid van door cliënten betaalde eigen bijdragen te controleren? Zo nee, vindt u dat dit zou moeten gebeuren?
Naar aanleiding van de eerste melding aanvang zorg worden de gegevens geautomatiseerd geraadpleegd. Eventuele mutaties in de gegevens ontvangt het CAK automatisch. In het geval van deze casus, zit de fout in de externe databron. Daarom werkt het CAK samen met de leverancier aan een geautomatiseerde check op de juistheid van de persoonsgegevens door middel van een eindsynchronisatie. Tot die tijd wordt het BRP (GBA) handmatig vergeleken met de gegevens zoals CAK deze geregistreerd heeft.
Bent u het ermee eens dat de bewering van het CAK, dat mevrouw «zelf had kunnen weten» dat het bedrag van de eigen bijdrage niet klopte, weliswaar formeel mogelijk juist is, maar van weinig begrip getuigt voor de hoge leeftijd en mogelijk beperktere zelfredzaamheid van betrokkene en dat enige coulance op zijn plaats zou zijn?
Bij de startbrief eigen bijdrage vraagt het CAK aan elke nieuwe klant om de samenstelling van het huishouden, een van de uitgangspunten voor het bepalen van de soort eigen bijdrage, te controleren.
Als de samenstelling niet klopt, vraagt het CAK contact met hen op te nemen. Hoe dan ook moeten we van deze kwestie willen leren. Daarom heb ik samen met het CAK bekeken hoe in dit soort gevallen, waarbij een cliënt zo erg nadeel ondervindt door een fout aan de kant van het CAK, optimaal gehandeld kan worden.
In hoeverre wordt bij het navorderen van een eigen bijdrage rekening gehouden met het inkomen en de betaalcapaciteit van de cliënt? Wordt indien nodig een betalingsregelingen getroffen, afgestemd op de betaalcapaciteit van de cliënt?
De eigen bijdrage in de langdurige zorg zijn inkomensafhankelijk, wat per definitie inhoudt dat er rekening gehouden wordt met de draagkracht van de cliënt. Maar bij een grote naheffing met een factuur van boven € 5.000,-- en meer dan twee maanden aan eigen bijdragen op deze factuur, wordt er met de verzekerde gebeld om de mogelijkheden van een eventuele betalingsregeling te bespreken. De betalingsregeling wordt afgestemd op de draagkracht van de cliënt.
Deelt u de mening dat het CAK de schuld zou moeten kwijtschelden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als Minister ga ik in eerste instantie over het beleid en minder over individuele zaken. CAK is een zelfstandig bestuursorgaan. Ik vind dit soort zaken erg vervelend en werk er met het CAK hard aan om dergelijke fouten te voorkomen. In een dergelijk geval is het belangrijk dat het CAK en de (vertegenwoordiger van) de cliënt elkaar in een gesprek weten te vinden. Daarnaast is het CAK niet zonder meer bevoegd een eigen bijdrage kwijt te schelden. Alleen in zeer specifieke gevallen, waarin de cliënt geen middelen heeft om de eigen betaling te voldoen, kan het CAK het innen van de eigen bijdrage stopzetten.
Omdat ik de situatie waar betrokkene zich in bevind zeer vervelend vind, heb ik besloten de terugwerkende kracht van herzieningen, welke ontstaan naar aanleiding van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK zijnde, te verkorten naar twaalf maanden. Daarnaast creëer ik meer ruimte voor het CAK om in zeer specifieke gevallen maatwerk te leveren. In de genoemde casus resulteert dit erin dat de factuur die met terugwerkende kracht over 24 maanden was opgelegd, wordt kwijtgescholden.
Deelt u de mening dat in vergelijkbare situaties een schuld niet met terugwerkende kracht zou moeten worden opgelegd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Daarom heb ik besloten de terugwerkende kracht van herzieningen, die ontstaan naar aanleiding van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging aan de kant van het CAK, te verkorten naar twaalf maanden. Daarnaast ga ik meer ruimte voor het CAK creëren om in zeer specifieke gevallen maatwerk te leveren. In de genoemde casus resulteert dit erin dat de factuur die met terugwerkende kracht over 24 maanden was opgelegd, wordt kwijtgescholden.
Deze twee maatregelen vereisen een algemene maatregel van bestuur. Het kost enige tijd voordat die in werking treden. Daarom stuur ik het CAK een brief met het verzoek alvast zodanig te handelen vooruitlopend op toekomstige regelgeving.
Het nut van marktwerking in de ziekenhuiszorg |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Inkoop ziekenhuiszorg is ridicuul en niet-transparant circus»? Bent u het eens met deze uitspraak? Zo nee, waarom vindt u dat de inkoop van ziekenhuiszorg wel transparant en goed geregeld is?1
Ik ken het artikel. Ik ben het niet eens met die uitspraak. De onderlinge verschillen in de inkoop van zorg door zorgverzekeraars betekenen dat mensen kunnen kiezen voor een zorgverzekering die bij hen past. Zo kunnen mensen kiezen tussen verschillende polissen waarin naast een verschil in prijs ook verschillen in de zorginkoop en het serviceniveau terugkomen. Zorgverzekeraars maken daarbij afspraken over de prijzen, wat leidt tot kostenbeheersing en beperktere premiestijgingen. Om te waarborgen dat voldoende zorg wordt ingekocht die past bij hun verzekerden geldt voor zorgverzekeraars een zorgplicht.
Ik acht het van belang dat patiënten en verzekerden inzicht hebben in alle informatie die relevant voor hen is bij het maken van keuzes. Zo vind ik dat de overzichtelijkheid van het aantal polissen voor verzekerden verbeterd moet worden. Zie hiervoor mijn brief die ik op 27 juni 2018 aan uw Kamer heb gestuurd.2 Daarnaast is voor patiënten bij de keuze van een behandeling van belang dat zij inzicht hebben in de kwaliteit, toegankelijkheid en de prijs van zorg. Zie hierover mijn brieven over uitkomstgerichte zorg en over prijstransparantie in de medisch-specialistische zorg die ik op 2 en 5 juli 2018 aan uw Kamer heb gestuurd.3
Deelt u de mening dat het in een systeem zonder transparantie over prijs en kwaliteit niet mogelijk is toezicht te houden op prijs en kwaliteit en er dus een risico is dat verzekerden te veel betalen voor onvoldoende kwaliteit? Zo nee, kunt u uitgebreid uitleggen waarom u vindt dat zonder transparantie toch een goede prijs-kwaliteit van zorg gegarandeerd is?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is het voordeel van het feit dat ziekenhuizen verschillende tarieven krijgen voor dezelfde behandeling? Is er een voordeel voor verzekerden? Is er een voordeel qua prijs of kwaliteit van zorg of is het enige voordeel dat dit past binnen het systeem van marktwerking?
De verschillende tarieven zijn het gevolg van de onderhandelingen die zorgverzekeraars met ziekenhuizen aangaan in het belang van hun verzekerden. Dat draagt bij aan de betaalbaarheid van de zorg als geheel en helpt bij het betaalbaar houden van de premies voor individuele verzekerden.
Bent u het eens met de stelling van de heer van den Heuvel, bestuursvoorzitter van het Rode Kruis ziekenhuis in Beverwijk, dat er volledige transparantie moet komen of dat de NZa de tarieven moet vaststellen? Zo nee, waarom niet? Welke argumenten hebt u tegen volledige transparantie en welke tegen de mogelijkheid dat de NZa de tarieven vaststelt?
Ik vind het niet terecht om de onderhandelingen tussen zorgverzekeraars en ziekenhuizen te typeren als een manier om ziekenhuizen te duperen, omdat deze onderhandelingen als doel hebben om voor patiënten en verzekerden de beschikbaarheid te waarborgen van betaalbare, kwalitatief goede en toegankelijke zorg. Een situatie waarin de NZa alle tarieven vaststelt vind ik niet wenselijk. Dan hebben zorgverzekeraars geen prikkels en mogelijkheden meer om lagere tarieven te bedingen, wat niet in het belang is van patiënten en premiebetalers.
Wel acht ik het essentieel dat patiënten en verzekerden inzicht hebben in de informatie die relevant voor hen is bij het maken van keuzes. Dat vergt (overzichtelijke) informatie over de te kiezen polis en de kwaliteit van zorg maar ook over de prijs van de zorg. Patiënten hebben immers via het eigen risico met dit tarief te maken. Tegen deze achtergrond gelden voor zowel zorgverzekeraars als zorgaanbieders verschillende verplichtingen om patiënten en verzekerden te informeren over de kosten die voor hun eigen rekening komen bij een behandeling. Daarnaast werkt de NZa met de sector aan een traject om prijstransparantie in de curatieve zorg verder te vergroten. In mijn brief van 5 juli 2018 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken en toegelicht dat prijstransparantie de afgelopen jaren is toegenomen. Daarbij geeft de NZa aan per 2019 verdere verbeteringen te verwachten, onder meer via het ontsluiten in de mijn omgevingen van zorgverzekeraars van de contractprijzen tot aan het niveau van het eigen risico. Ik heb partijen opgeroepen dit serieus op te pakken en heb de NZa gevraagd op dit punt te rapporteren en verplichtingen te overwegen indien de voortgang in 2019 achterblijft.
Hoeveel en welke ziekenhuizen, buiten het Rode Kruis ziekenhuis in Beverwijk, kunnen gedupeerd worden door dit systeem van niet transparante prijs en kwaliteit?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u uitleggen waarom u vindt dat de ziekenhuiszorg een markt is?
Of de ziekenhuiszorg een «markt» is kan vanuit verschillende perspectieven worden bezien. Ik merk op dat die discussie vaak ideologisch wordt gevoerd. Het risico bestaat dat uit het oog wordt verloren waar het echt om gaat: het voor patiënten en verzekerden waarborgen van betaalbare, kwalitatief goede en toegankelijke zorg. Feit is dat er in de ziekenhuiszorg sprake is van vraag naar zorg door patiënten, namens wie verzekeraars de zorg contracteren, er aanbod van zorg is door private zorgaanbieders en dat tegenover de verleende zorg een vergoeding staat. Ook hebben patiënten en verzekerden mogelijkheden om te kiezen tussen zorgverzekeraars en tussen zorgaanbieders. In brede zin bevat het zorgverzekeringsstelsel zowel private als veel publieke elementen, om zodoende een goede combinatie te realiseren van doelmatigheid en solidariteit.
Het bericht ‘Miljoenen liters pekelwater weggelekt’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Miljoenen liters pekelwater weggelekt»?1
Ja.
Klopt het dat er uit een ondergrondse persleiding van zoutproducent Nedmag in Veendam een lek zat waardoor er vorige week miljoenen liters zout water zijn weggelekt?
Ja, dat klopt. In de Nedmag installatie aan de Billitonweg in Veendam wordt het gewonnen pekelwater verwerkt tot magnesiumhydroxide, magnesiumoxide, en calciumchloride. Bij dit processen komt proceswater vrij dat op deze locatie wordt gezuiverd tot zout water. Het zoute water wordt vervolgens via de Nedmag-VKA-toevoerleiding (Veenkoloniale Afvalwaterleiding) naar de VKA getransporteerd. De VKA vervoert afvalwater van verschillende bedrijven uit Oost-Groningen naar een lozingspunt in het Eems Dollard Estuarium.
Op 14 november 2018 om 08.30 uur kreeg Nedmag van het Waterschap Hunze en Aa’s een melding dat in de transportleiding tussen de waterzuiveringsinstallatie en de VKA een lekkage was geconstateerd. Nedmag heeft vervolgens de fabriek stilgelegd, zodat om 09.30 uur de toevoer van het gezuiverde zoute water naar de lekke transportleiding stopte. Om 10.30 uur stopte ook de stroming in de transportbuis en daarmee de lekkage. Nedmag heeft de leiding direct gerepareerd. De reparatie was rond 21.30 uur afgerond.
De transportleiding was over een lengte van ongeveer 8 meter gescheurd. Nedmag heeft ongeveer 10 meter transportleiding vervangen. Volgens Nedmag is de scheur waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van de langdurige droogte en zwaar (landbouw)transport over de dam en door de berm.
Als gevolg van de lekkage is zout water terechtgekomen in het hoofdafvoerkanaal langs de Noorderweg en in de zijsloten daarvan. Nedmag schat dat circa 3.000 m3 zout water is gelekt. Het hoofdafvoerkanaal waar het zoute water naartoe is gestroomd, is ingedamd en leeggezogen.
Kan u toelichten hoe het mogelijk is dat de lek pas is ontdekt nadat er al miljoenen liters waren weggelekt? Deelt u de mening dat het zeer zorgelijk is dat het mogelijk is dat het zo ver heeft kunnen komen zonder dat het eerder is opgemerkt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat het zorgelijk is dat een grote hoeveelheid zout water gedurende enige tijd onopgemerkt kan weglekken. Zout water is schadelijk voor het zoetwatermilieu in sloten en kanalen en kan ook schadelijk zijn voor de omliggende landbouwgronden. De Omgevingsdienst Groningen heeft aangegeven dat op dit moment nog niet aangegeven kan worden dat het lek pas is ontdekt nadat een grote hoeveelheid pekelwater was weggelekt. De Omgevingsdienst Groningen zal eind februari 2019 bij de komende WABO-inspectie nadruk leggen op deze vraag.
Klopt het dat de oorzaak van het lek waarschijnlijk te maken heeft met een te grote druk die is veroorzaakt door te zwaar verkeer dat over de weg heeft gereden en, in combinatie met de langdurige droogte, de bodem heeft verzwakt? Kunt u toelichten hoe het mogelijk is dat er met deze combinatie van factoren geen rekening is gehouden? Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat dit niet goed in de gaten is gehouden? Zo nee, waarom niet?
De provincie Groningen heeft bevestigd dat Nedmag het vermoeden heeft dat de lekkage is veroorzaakt door een combinatie van de langdurige droogte en zwaar (landbouw)transport over de dam en door de berm. De oorzaak van de lekkage wordt door Nedmag en de provincie Groningen nog verder onderzocht. De lekgeraakte leidingdelen worden in opdracht van Nedmag onderzocht door het TIP Institute voor kunststoffen in Enschede. Dit onderzoek heeft nog geen bijzonderheden opgeleverd.
Ik ben van mening dat transportleidingen niet mogen lekken. De schade die door de lekkage is veroorzaakt zal door Nedmag, zijnde de eigenaar van de transportleiding, moeten worden betaald. Dit geldt ook als de oorzaak van de lekkage van buitenaf komt. Nedmag heeft bovenstaande ook bevestigd.
Nedmag heeft uit voorzorg de druk in de transportleiding verlaagd en heeft ook de monitoring van het proces geoptimaliseerd. Bij een afwijkende stroming en druk in de transportleiding wordt nu direct de controlekamer gealarmeerd. De controlekamer is 24 uur per dag bemenst.
Nedmag heeft ook de transportleiding als geheel onderzocht. Er is gebleken dat de transportleiding mogelijk een aantal zwakke plekken heeft. Deze mogelijk zwakke leidingdelen zullen in maart 2019 preventief worden vervangen. Nedmag is tevens gestart met de voorbereidingen om de gehele toevoerleiding te vervangen. Naar verwachting zal dit in de eerste helft van 2020 worden gerealiseerd.
De provincie Groningen en Nedmag hebben aangegeven dat op 22 december 2018 in een ander deel van deze transportleiding ook een lekkage heeft plaatsgevonden. Deze lekkage is vrijwel direct waargenomen door de controlekamer van Nedmag, Naar schatting is er 100 tot 200 m3 zout water weggelekt.
Kunt u beamen dat Nedmag verantwoordelijk is voor haar leidingen en moet voorkomen dat er lekken ontstaan, ongeacht welk verkeer er over de weg rijdt en ongeacht de weersomstandigheden? Zo ja, kunt u verzekeren dat alle schade wordt verhaald op Nedmag en Nedmag alle schadekosten betaalt?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om de oorzaken van dit soort incidenten beter te onderzoeken opdat deze in de toekomst kunnen worden voorkomen?
De provincie Groningen is bevoegd gezag voor deze Nedmag-installatie en activiteiten. Ik heb in mijn antwoord op de vragen 4 en 5 aangegeven welke maatregelen genomen en gepland zijn met als doel herhaling van dergelijke incidenten te voorkomen.
Voortdurende misstanden bij ABN Amro |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «ABN Amro krijgt geen grip op muitende managers»?1
Ja.
Gaat u, aangezien de Nederlandse staat via NL Financial Investments (NLFI) een substantiële hoeveelheid aandelen heeft in ABN AMRO, in ieder geval de vermeende integriteitsschendingen goed onderzoeken?
Ik vind integriteit in de financiële sector een zeer belangrijk onderwerp. Het gedrag en de cultuur in de sector moet een uiting zijn van de belangrijke maatschappelijke rol van de sector, en in het bijzonder banken. Integriteit is ook een van de drie pijlers in de agenda financiële sector, naast stabiliteit en innovatie. Het is van belang dat een open en kritische dialoog gevoerd wordt over integriteit binnen financiële instellingen.
Mij is onduidelijk op welke vermeende integriteitsschendingen gedoeld wordt. Als wordt gedoeld op de aantijgingen uit de anonieme brief aan de voorzitter van de raad van commissarissen van ABN AMRO, dan zal ik daar zelf geen onderzoek naar doen. Dit is geen zaak van de aandeelhouder, maar van de raad van bestuur en de raad van commissarissen. Ik heb er vertrouwen in dat de raad van bestuur en raad van commissarissen hier op de juiste wijze mee om gaan.
Wat vindt u ervan dat de onrust bij ABN AMRO blijft voorbestaan? Welke gevolgen gaat dit hebben voor het voornemen van het kabinet om ABN AMRO volledig naar de markt te brengen?
Er is sprake van een anonieme brief. Dat maakt het voor de raad van bestuur en in het bijzonder de voorzitter van de raad van commissarissen, aan wie deze brief gericht is, onmogelijk om rechtstreeks te reageren en het gesprek aan te gaan met de auteur(s) van deze brief. Ik heb vertrouwen in de raad van bestuur en raad van commissarissen van ABN AMRO dat zij adequaat omgaan met deze casus en zie in deze anonieme brief dan ook geen aanleiding om niet door te gaan met verdere afbouw van het belang in ABN AMRO. Het voornemen van het kabinet om ABN AMRO, zo snel als verantwoord mogelijk is, volledig naar de markt te brengen geldt dus nog steeds.
Deelt u de mening dat het onverstandig zou zijn om door te gaan met de verkoop van aandelen in ABN AMRO, met name vanwege de aanblijvende misstanden en commotie binnen de bank?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u dat NLFI hun taak, «zakelijk, niet-politiek beheer van deelnemingen», met betrekking tot ABN AMRO adequaat uitvoert? Hoe vaak zijn er vóór 13 september, de datum waarop de brandbrief is verstuurd door de managers, misstanden zoals die in de brandbrief staan gemeld aan u? Welke stappen heeft u toen gezet om deze misstanden aan te pakken?
Ja, zowel het beheer van de deelnemingen als de adviezen op specifieke onderwerpen zijn bij NLFI in goede handen. NLFI heeft een heldere en duidelijke taakopvatting en voert deze consistent uit.
Behalve uit de media, ben ik niet bekend met de inhoud van deze brief. Ik kan dan ook niet reageren op de inhoud van deze brief. In februari 2018 heb ik een anonieme brief ontvangen. Hier is in de media ook aandacht voor geweest. Ik heb indertijd aan NLFI gevraagd of deze brief onder de aandacht is gebracht van de raad van commissarissen van ABN AMRO. Dat is gebeurd. Sinds de ontvangst van deze brief in februari 2018 is er veel gebeurd bij ABN AMRO. Zo heeft mevrouw Zoutendijk bekendgemaakt niet in aanmerking te willen komen voor een tweede termijn als voorzitter van de raad van commissarissen en is de heer De Swaan benoemd als nieuwe voorzitter van de raad van commissarissen.
Hoe oordeelt u over het feit dat deze systeembank, die tientallen miljarden euro's aan spaargeld van Nederlanders beheert, constant te maken heeft met onrust?2 Deelt u de mening dat het spaargeld van mensen 100% veilig zou moeten zijn en beheerd zou moeten worden door integere bankiers?
Zie antwoord vraag 2.
het bericht ‘Bodem zakt meer dan verwacht door droogte’ |
|
Henk Nijboer (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Bodem zakt meer dan verwacht door droogte»?1
Ja.
Wat zijn de oorzaken van het feit dat de Nederlandse bodem veel sneller zakt dan verwacht zoals nu uit de nieuwe bodemdalingskaart van het Nederlands Centrum voor Geodesie en Geo-Informatica (NGC) blijkt?
Bodemdaling van slappe bodems in de ondiepe ondergrond wordt in hoofdzaak veroorzaakt door belasting van de bodem met ophoogmaterialen, bebouwing en verkeer waardoor de bodem wordt samengedrukt en anderzijds door verlaging van grondwaterstanden waardoor de bodem uitdroogt, veenbodems door zuurstof worden afgebroken en de bodem inklinkt. Daarnaast kan bodemdaling van de diepe ondergrond plaatsvinden door mijnbouwactiviteiten. De oorzaak van de snellere bodemdaling zoals die zich in 2018 heeft voorgedaan is veroorzaakt door de lange periode van droogte waardoor het grondwater verder is uitgezakt. Deze extra bodemdaling doet zich dus voor in verdrogingsgevoelige gebieden zoals veengebieden en het rivierengebied.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de schade als gevolg van bodemdalingen tot 2050 ongeveer 22 mrd. euro zal kosten?
Deze inschatting is eind 2016 gemaakt door het Planbureau voor de Leefomgeving met de beleidsstudie «Dalende bodems, stijgende kosten». De studie laat zien dat bodemdaling in Nederland een steeds urgenter wordende opgave is en dat dit door klimaatverandering wordt versterkt. Het PBL heeft de maatschappelijke kosten tot 2050 berekend op ca. € 22 miljard. In stedelijk gebied kan de schade aan infrastructuur oplopen tot € 5,2 miljard en de schade aan funderingen tot € 16 miljard. In landelijk gebied kan de schade aan (water)infrastructuur en gebouwen oplopen tot ca. € 1 miljard en voor waterbeheer tot ca. 0,2 miljard.
Waar is de bodemdaling het sterkst? Wat zijn de verschillen in bodemdaling per oorzaak?
Zie het antwoord op vraag 2.
In hoeverre ontstaat bodemdaling door een te lage grondwaterstand? Door welke factoren wordt de grondwaterstand beïnvloed? Welke invloed heeft menselijk handelen, bijvoorbeeld door beleid van waterschappen, op de grondwaterstand?
Naast bodembelasting is een lage grondwaterstand een belangrijke oorzaak van bodemdaling van slappe bodems. De grondwaterstanden variëren als gevolg van weersomstandigheden. Een langdurige periode van droogte kan grote gevolgen hebben voor de grondwaterstand. Ook wordt de grondwaterstand beïnvloed door het peilbeheer van oppervlaktewateren, het reguleren van waterniveaus in sloten, door onderbemalingen, grondwateronttrekkingen en drainage van landbouwpercelen.
Welke afwegingen hanteren waterschappen bij het bepalen van een goede grondwaterstand? In hoeverre wordt schade aan bezittingen van particulieren betrokken in de afwegingen? Staat schade die ontstaat door bijvoorbeeld paalrot voldoende op het netvlies van de waterschappen?
Ten aanzien van het grondwater hebben meerdere overheidsorganen taken en verantwoordelijkheden. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van het regionaal watersysteem, waar het grondwater onderdeel van uitmaakt. Gemeenten hebben een grondwaterzorgplicht. Deze zorgplicht betekent dat een gemeente in openbaar gebied maatregelen moet treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand, voor de aan de grond gegeven bestemmingen, zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit geldt voor zover het treffen van deze maatregelen doelmatig is en niet tot de verantwoordelijkheid van een waterschap of provincie behoort.
Ter uitvoering van deze taken nemen overheidsorganen besluiten of voeren zij feitelijke handelingen uit. Voorafgaand aan deze besluiten en handelingen dienen alle betrokken belangen in kaart te worden gebracht en zorgvuldig te worden afgewogen. Als een besluit of handeling schade kan veroorzaken aan bezittingen van particulieren, bijvoorbeeld doordat het paalrot veroorzaakt, dient dat bij deze afweging te worden betrokken.
Wat moeten mensen doen die schade ondervinden door bodemdaling? Kunnen zij waterschappen of andere overheden aansprakelijk stellen als zij schade ondervinden door besluiten van overheden die leiden tot verzakkende grond?
Schade door bodemdaling kan door natuurlijke oorzaken ontstaan, bijvoorbeeld door inklinking van de bodem of het uitzakken van grondwater door droogte, door het rechtmatig uitoefenen van een taak of bevoegdheid door een overheidsorgaan of door onrechtmatig handelen door de overheid.
Als de schade het gevolg is van rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer dan kan een benadeelde bij het betreffende overheidsorgaan een verzoek om nadeelcompensatie indienen. Als de schade wordt veroorzaakt door onrechtmatig handelen door de overheid, dan kan de benadeelde het betreffende overheidsorgaan aansprakelijk stellen via de civielrechtelijke weg, bijvoorbeeld op basis van artikel 6:162 Burgerlijk wetboek (onrechtmatige daad).
Grond- en gebouweigenaren hebben echter ook een eigen verantwoordelijkheid. Huiseigenaren zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor de staat van de woning en het perceel. Eigenaren dragen zelf zorg voor een goede staat van gebouwen en treffen in dat kader zelf waterhuishoudkundige en/of bouwkundige maatregelen.
In dit kader wijs ik op het Fonds Duurzaam Funderingsherstel dat in 2017 op initiatief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is ingesteld. Via dit fonds kunnen woningeigenaren goedkoop geld lenen voor noodzakelijk funderingsherstel. Bij problemen met funderingen zoals paalrot kan het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF) huiseigenaren hierbij op weg helpen.
Gemeenten kunnen met gericht grondwaterpeilbeheer een ondersteunende rol spelen om het uitzakken van grondwaterpeilen en uitdroging en inklinking van de bodem in droge perioden te voorkomen. In het kader van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is hiertoe door het KCAF een «Handleiding funderingsproblematiek voor gemeenten» opgesteld.
In hoeverre wordt schade door bodemdaling gedekt door gangbare woonverzekeringen? Bent u bereid met de verzekeraars in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat mensen niet blijven zitten met hun schade?
In hoeverre schade door bodemdaling wordt gedekt door gangbare woonverzekeringen is afhankelijk van de polisvoorwaarden. De polisvoorwaarden verschillen per verzekeraar, verzekerde, situatie en gebied. Voorwaarde voor het verstrekken van een verzekering is dat er ten tijde van het afsluiten dan wel verlengen van de verzekering sprake is van een onzeker voorval. Het Verbond van Verzekeraars heeft laten weten dat een vorm van verzekerbaarheid voor schade door bodemdaling in reeds bekende probleemgebieden – gelet op de huidige inzichten en reeds bekende informatie over bodemdaling in Nederland – daardoor over het algemeen niet voor de hand ligt. In gebieden die niet reeds bekend staan als probleemgebied is het zoals hiervoor is aangegeven afhankelijk van de polisvoorwaarden of schade door bodemdaling wordt gedekt. In algemene zin vindt over het risico van onverzekerbaarheid overleg plaats met de sector. Dit heeft ook uitdrukkelijk de aandacht van de sector. Zo publiceert het Verbond jaarlijks de solidariteitsmonitor om inzichtelijk te maken hoe de spreiding in de premie zich ontwikkelt en in hoeverre consumenten verzekerbaar blijven. Het is echter wel aan de verzekeraars om te beoordelen wanneer nog sprake is van een onzeker voorval.
Wat kunnen mensen doen om te voorkomen dat zij schade ondervinden door bodemdaling en een lage grondwaterspiegel?
Met het open en groen houden van tuinen en percelen en het gebruik van waterdoorlatende bestrating kunnen perceeleigenaren een belangrijke bijdrage leveren aan het vasthouden van water in de bodem en het aanvullen van grondwatervoorraden. Daarnaast kunnen zij in overleg gaan met de gemeente om te kijken of en op welke wijze met gericht grondwaterpeilbeheer schade door bodemdaling en lage grondwaterstanden kan worden voorkomen.
Het bericht ‘BOA wacht lang op politiehulp’ |
|
Antoinette Laan-Geselschap (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «BOA wacht lang op politiehulp»?1
Ja.
Kunt u inzicht verschaffen in de taken en bevoegdheden van de Nederlandse veiligheidsketen waarbij de politie, buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA’s) en beveiligingsbedrijven zijn meegenomen? Zo nee, waarom niet?
De politie is de spil van toezicht en handhaving. Daarnaast kunnen voor toezichts- en handhavingstaken, evenals voor het opsporen van strafbare feiten, buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) worden ingezet. De taken en bevoegdheden voor boa’s zijn overeenkomstig de bevoegdheden van het domein in het boa-stelsel waarvoor de boa is aangesteld.
Zowel de politie als de boa kunnen in hun werkzaamheden geholpen worden door informatie en andere ondersteuning van burgers, particuliere beveiligers en ondernemers. Maar uitsluitend politieagenten (algemeen opsporingsbevoegd) en boa’s (beperkt opsporingsbevoegd), beiden overheidsdienaren, kunnen handhavend optreden en beschikken bovendien over de bevoegdheden, kennis, opleiding en middelen om ook in complexere situaties op te treden.
Gemeenten kunnen ook particulieren – bijvoorbeeld van particuliere beveiligingsorganisaties – inhuren. Zij worden dan als boa’s in onbezoldigde dienst van de gemeente te werk gesteld. Deze particuliere boa’s beschikken over de opsporingsbevoegdheden van domein I (openbare ruimte). Zij hebben primair een rol in het private of semipublieke domein zoals in winkels en bedrijven.
De huidige taak- en bevoegdhedenverdeling tussen politie, boa’s en andere veiligheidspartners, biedt kansen voor de inzet op toezicht, handhaving en opsporing. Bovendien geeft deze verdeling de ruimte om lokaal prioriteiten te stellen en capaciteit in te zetten. De lokale driehoek is het vertrekpunt voor het handhaven van de openbare orde en het realiseren van opsporing.
Ik ben niet voornemens om aan het uitgangspunt inzake de geweldsmiddelen te tornen. Het geweldsmonopolie blijft bij de politie. In mijn brief van 10 december 2018 ben ik nader ingegaan op de samenwerking tussen politie en boa’s.2
Kunt u uw visie weergeven op de toekomstige invulling van de taken en bevoegdheden van de Nederlandse veiligheidsketen? Zo nee, waarom niet?
Bij de begrotingsbehandeling van mijn departement, heeft uw Kamer de motie van lid Den Boer (D66) aangenomen.3 De WRR zal worden verzocht om in het voorjaar van 2020 een verkenning naar de politiefunctie in den brede gereed te hebben. Ik heb uw Kamer toegezegd dit onderzoek, voorzien van een beleidsreactie, toe te sturen.
Kunt u naar aanleiding van deze visie de Kamer te informeren over de toekomstige invulling van de taken en bevoegdheden van de Nederlandse veiligheidsketen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het graaigedrag rondom een Nederlandse topambtenaar op Curaçao |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom is er voor gekozen een topambtenaar een buitenlandvergoeding toe te kennen terwijl zijn woonplaats in Nederland was?1
Waarom vindt u het goed dat de ambtenaar voor achttien dagen werk in negen maanden een vergoeding van 2.319 euro per verbleven dag ontving?
Vindt u het achteraf terecht dat is afgeweken van de richtlijnen van het ministerie? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hier aan doen?
Kunt u toezeggen dat het teveel ontvangen bedrag wordt teruggevorderd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorg dat dit soort graaigedrag de geloofwaardigheid van Nederland op de eilanden aantast? Zo nee, waarom niet?
Het bericht dat een Rus waarschijnlijk de nieuwe baas van Interpol wordt |
|
Monica den Boer (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Russian tipped to take over Interpol in Kremlin Victory» en «Zorgen over Russische kandidatuur Interpol»?1
Ja.
Klopt het dat Alexander Prokopchuk, voormalig werkzaam voor het Russische Ministerie van Binnenlandse Zaken en een door het Kremlin gesteunde kandidaat, mogelijk de nieuwe president van Interpol wordt?
Door de lidstaten, verenigd in de General Assembly, is op 21 november 2018 tijdens de 87ste INTERPOL General Assembly de heer KIM verkozen tot nieuwe president van het Executief Comité van INTERPOL.
Klopt het dat door Rusland herhaaldelijk onterechte internationale aanhoudingsverzoeken zijn uitgevaardigd tegen Kremlincritici, waaronder Bill Browder, Alexander Mishkin en Anatoliy Chepiga, en dat de heer Prokopchuk daarin mogelijk een aandeel heeft gehad?
Internationale aanhoudingsverzoeken zijn verzoeken van een justitiële autoriteit van een lidstaat strekkende tot de aanhouding en de overlevering van een persoon door de justitiële autoriteit van een andere lidstaat. Om deze te effectueren kan er voor worden gekozen om een internationale signalering aan te vragen bij INTERPOL, een zogenaamde Red Notice. Het NCB, als onderdeel van de nationale uitvoerende handhavingsorganisatie van de verzoekende lidstaat, dient deze aanvraag in bij het INTERPOL Generaal Secretariaat. Aan verzoeken die via de INTERPOL kanalen worden gedaan voorwaarden zijn verbonden die zijn vastgelegd in onder meer de Constitutie van de organisatie. Een van deze voorwaarden is dat de INTERPOL-organisatie, daarin begrepen haar leden, werkt in lijn met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en niet bijdraagt aan de vervolgingen of bestraffingen van feiten van politieke, militaire, religieuze of raciale aard.
Welke andere kandidaten zijn er in de strijd om het leiderschap van Interpol?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het zeer ongewenst is dat de heer Prokopchuk het nieuwe hoofd van Interpol wordt?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de nieuwe president van Interpol op 21 november 2018 door de lidstaten wordt gekozen?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, bent u bereid tijdens de verkiezing niet op de heer Prokopchuk te stemmen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid tevens uw Europese collega’s op te roepen niet op de heer Prokopchuk te stemmen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de stemming van de nieuwe president van Interpol?
Deze vragen hebben mij bereikt na afloop van de verkiezing van de heer KIM als nieuwe president van het INTERPOL Executief Comité.
Het bericht dat John van den Heuvel wegens dreiging niet meer in de studio van RTL kan verschijnen |
|
Thierry Aartsen (VVD), Joost Sneller (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «John van den Heuvel niet in studio vanwege dreiging»?1
Ja.
Hoe duidt u het feit dat misdaadjournalist John van den Heuvel vanwege dreiging van een aanslag niet meer kan verschijnen in de televisiestudio van RTL aan het Leidseplein in Amsterdam?
Bedreigingen zijn onacceptabel. Voor journalisten geldt dat in het bijzonder vanwege de belangrijke rol die zij vervullen in de vertegenwoordiging van het vrije woord. Met u ben ik van mening dat onafhankelijke journalistiek essentieel is om het publieke debat te voeden met informatie, duiding en opinie. Persvrijheid is onderdeel van de vrijheid van meningsuiting en in Nederland vastgelegd in de Grondwet. Ik vind het belangrijk dat deze zaken met prioriteit worden aangepakt.
Om die reden is eerder dit jaar een akkoord gesloten tussen het openbaar ministerie (OM), de politie, het Genootschap van Hoofdredacteuren en de Nederlandse Vereniging van Journalisten over het geprioriteerd aanpakken van bedreigingen van journalisten. Deze afspraken geven journalisten een speciale positie op het moment dat zij met geweld en agressie worden geconfronteerd; afgesproken is dat politie en openbaar ministerie prioriteit zullen geven aan het bestrijden van bedreigingen tegen journalisten, de behandeling van aangiftes is versneld en de strafeisen van het openbaar ministerie zijn opgehoogd. Ook de beroepsgroep zelf investeert in het weerbaarder en bewuster maken van journalisten tegen bedreigingen.
Ook de beveiliging wordt daar waar mogelijk dan ook zo vorm gegeven dat journalisten hun functie kunnen uitoefenen. Het besluit tot beveiligingsmaatregelen is echter altijd een afweging tussen dreiging en risico (voor de te beveiligen persoon én de omgeving), proportionaliteit van maatregelen en de impact ervan op de betreffende persoon.
Deze afweging is ook in deze casus gemaakt. Naast de veiligheid van dhr. van den Heuvel zelf, is bij de afweging ook het veiligheidsrisico dat personen lopen in de directe omgeving van de televisie-uitzendingen meegenomen, alsmede de proportionaliteit van de vergaande maatregelen die noodzakelijk zouden zijn geweest om het optreden van dhr. van den Heuvel in de wekelijkse uitzendingen op deze locatie mogelijk te maken. Er is echter geen sprake van dat dhr. van den Heuvel het woord wordt ontnomen of hem wordt afgeraden zich (op televisie) te uiten. Dat neemt niet weg dat de situatie waarin dhr. van den Heuvel zich bevindt zeer onwenselijk is en dat het een enorme impact heeft op hem en zijn omgeving.
Welke afweging ligt ten grondslag aan de beslissing van de Amsterdamse driehoek om de heer Van den Heuvel uit de studio te weren?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt deze afweging louter door de lokale driehoek gemaakt? Op welke wijze is de Minister van Justitie en Veiligheid hierbij betrokken? Kunt u hier nog een rol van betekenis spelen en zo ja, welke?
Het is in dit geval inderdaad een lokale afweging. De veiligheidszorg van de journalist valt onder de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde waar de lokale hoofdofficier voor verantwoordelijkheid is. Dat is onder andere van belang omdat er in veel gevallen een lokale component is in dreiging. De te nemen maatregelen moeten heel specifiek op díe situatie worden afgestemd. De NCTV kan gevraagd en ongevraagd adviseren over bijvoorbeeld de proportionaliteit van de maatregelen. Het besluit in deze casus is, gezien ook de impact op de openbare orde, door het gezag in de driehoek van Amsterdam genomen en voor de uitvoering hiervan is overleg gevoerd met de zender en dhr. van den Heuvel. De NCTV is geïnformeerd door de gemeente Amsterdam en het OM, maar er is geen sprake geweest van ongevraagde danwel gevraagde advisering. Ik steun de beslissing van de driehoek van Amsterdam. Ik heb daarnaast contact gehad met dhr. van den Heuvel over de impact van de situatie op hem persoonlijk.
Deelt u de mening dat met deze beslissing een verkeerd signaal uitgaat wat betreft persvrijheid in Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is ervoor gekozen deze beslissing desondanks te nemen?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 en 3 al aangaf is persvrijheid onderdeel van de vrijheid van meningsuiting en in Nederland vastgelegd in de Grondwet. Daar waar mogelijk wordt de beveiliging dan ook zo vorm gegeven dat journalisten hun functie kunnen. Echter, de veiligheid van de te beveiligen persoon en de omgeving waarin hij of zij zich beweegt staat voorop. Het besluit van de Amsterdamse driehoek is gebaseerd op een zorgvuldige afweging van dreiging en risico, proportionaliteit van de maatregelen en de impact op de persoon. In vrijwel alle gevallen zal er door beveiligingsmaatregelen sprake zijn van een bepaalde mate van inperking van het privé en/of maatschappelijk leven of zal dit zo worden ervaren.
Zoals gezegd is er geen sprake van dat dhr. van den Heuvel het woord wordt ontnomen of hem wordt afgeraden zich te uiten. De inzet van de driehoek is er op gericht om de situatie waarin dhr. van den Heuvel veilig en ongestoord kan optreden op het Leidseplein zo spoedig mogelijk te herstellen. Tot die tijd wordt door de Amsterdamse driehoek actief meegedacht met RTL (en de Telegraaf) over locaties en technische ondersteuning om zijn optredens mogelijk te maken.
Hoe strookt deze beslissing met het in juli 2018 tot stand gekomen akkoord van de Stuurgroep Geweld en Agressie tegen Journalisten omtrent het versterken van de positie van journalisten tegen geweld en agressie?
Het akkoord van de Stuurgroep Agressie en Geweld tegen Journalisten bevat algemene maatregelen op het gebied van preventie (denk aan het stellen van een collectieve norm en faciliteren van weerbaarheidstrainingen voor journalisten) en repressie (harde strafrechtelijke aanpak van daders door onder andere het prioriteren van zaken, lik op stuk, schade zoveel mogelijk verhalen op daders en het vorderen van hogere strafeisen) die moeten bijdragen aan het versterken van de positie van journalisten. De Nederlandse Vereniging van Journalisten en het Genootschap van Hoofdredacteuren hebben een rol daar waar het gaat om preventieve maatregelen. De politie en het OM vervullen een rol daar waar het gaat om het aanpakken van de daders.
In de stuurgroep worden geen beveiligingsmaatregelen of casuïstiek besproken, zoals de zaak van dhr. van den Heuvel, en ligt de focus op maatregelen in relatie tot de veelvoorkomende agressie en geweldsdelicten.
Op welke wijze worden de afspraken uit de Stuurgroep Geweld en Agressie tegen Journalisten momenteel nader uitgewerkt, zoals gesteld in het betreffende akkoord?2
De acties uit het Akkoord Agressie en Geweld tegen journalisten – waarop ik in het antwoord op vragen 2 en 3 reeds inging – zijn inmiddels verder uitgewerkt in een projectvoorstel waarmee de stuurgroepleden voortvarend aan de slag zijn gegaan. Zo kan ik voor wat betreft de uitwerking van de opsporings- en vervolgingsafspraken melden dat de Wet bronbescherming en de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen bij journalisten op 1 oktober jl. in werking is getreden. Daarnaast wordt momenteel hard gewerkt aan de Aanwijzing van het openbaar ministerie die het mogelijk maakt om zwaardere straffen te eisen bij agressie- en geweldsdelicten tegen journalisten. Overigens is afgesproken dat officieren van justitie in de praktijk al wel optreden in de geest van deze op handen zijnde wijziging. Verder is er in de opleidingen van nieuwe officieren aandacht voor journalisten en zal het openbaar ministerie bij het komende jaarbericht (2018) hier ook aandacht aan besteden. De politie heeft mij laten weten dat zij momenteel werkt aan een eenduidige registratie van aangiftes van agressie- en geweldsdelicten tegen journalisten en een versnelde aansluiting op het vervolgingsproces.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs- en Media heeft van de Nederlandse Vereniging van Journalisten vernomen dat zij momenteel werkt aan de uitvoering van haar eigen maatregelen van het projectplan en op onderdelen hiervan financiering aanvraagt. De uitvoering van deze plannen zal in 2019 plaatsvinden.
De eerstvolgende stuurgroep bijeenkomst is medio december.
Is het in het akkoord van de Stuurgroep opgenomen Protocol Geweld tegen Media al gereed?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak wordt of werd aan een journalist in Nederland wegens dreiging dergelijke beperkingen opgelegd?
In algemene zin kan ik zeggen dat het uitzonderlijk is dat journalisten in Nederland dergelijke vergaande beveiligingsmaatregelen nodig hebben. Op elke individuele casus wordt maatwerk toegepast en wordt afgewogen wat nodig is aan beveiligingsmaatregelen op basis van dreiging en risico.
Welke stappen onderneemt u in samenspraak met de Amsterdamse driehoek om de dreiging weg te nemen en te realiseren dat de heer Van den Heuvel zich weer overal vrijelijk kan bewegen, ook de studio aan het Leidseplein?
Deze zaak heeft de volle aandacht van alle betrokken partijen. Er wordt alles aan gedaan om de dreiging weg te nemen. Aangezien dit een lopend opsporingsonderzoek is, kan ik hierover verder niet in detail treden. Zoals gemeld onder vraag 5 is de inzet van de driehoek er op gericht om de situatie waarin dhr. van den Heuvel veilig en ongestoord kan optreden op het Leidseplein zo spoedig mogelijk te herstellen. Tot die tijd wordt door de Amsterdamse driehoek actief meegedacht met RTL (en de Telegraaf) over locaties en technische ondersteuning om zijn optredens mogelijk te maken.
Wat is de stand van zaken rondom de aanslag op de Telegraaf en Panorama? Is aan deze aanslag, zoals vastgelegd in het akkoord van de Stuurgroep als het gaat om de opsporing en vervolging van geweld en agressie tegen journalisten, hoge prioriteit door de politie en het openbaar ministerie gegeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hierover al meer opheldering geven?
Deze onderzoeken krijgen bij politie en het openbaar ministerie, conform de afspraken die in het akkoord zijn vastgelegd, absoluut hoge prioriteit. In de zaak van Panorama zijn aanhoudingen verricht en zitten momenteel drie personen in voorlopige hechtenis. Omdat het nog lopende onderzoeken betreft, kan ik over deze zaken verder geen inhoudelijke mededelingen doen.
Het bericht dat de Raad van State zich heeft laten misleiden door het ministerie van I&W |
|
Lammert van Raan (PvdD), Suzanne Kröger (GL) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Hoogleraren: onjuist oordeel Raad van State over geluidsnormen Schiphol» en «Gerechtelijke dwaling over geluidsnormen Schiphol»?1 2
Ja.
Zijn er documenten die tegenspreken dat «door het oprekken van de huizennorm veel meer kan worden gevlogen rond Schiphol»? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Bij brief van 30 januari 2008 heeft de Minister het standpunt (her)bevestigd dat de aantallen in de gelijkwaardigheidscriteria moeten worden beschouwd als de uitkomst van een som en niet als absolute aantallen. In de brief uit mei 2007 is uitgebreid ingegaan op de manier hoe deze actualisatie is uitgevoerd. Beide brieven (en bijbehorende bijlagen) geven inzicht in het hoe en waarom van de actualisatie, de manier waarop het is uitgevoerd en het feit dat over de actualisatie altijd is gecommuniceerd richting uw Kamer.
De actualisatie laat zien dat de maximale geluidbelasting, ernstige hinder, ernstige slaapverstoring en veiligheidsrisico’s door het vliegverkeer van en naar Schiphol een grotere groep mensen en woningen raken dan daarvoor werd aangenomen. Dit verschil werd veroorzaakt door de actualisatie van het woningbestand en de grotere gebieden waarop de aangepaste criteria voor hinder en slaapverstoring van toepassing zijn. Specifiek voor het aantal gehinderde woningen is toen vastgelegd dat deze van 10.000 naar 10.800 zou stijgen door verbeterde modellering (binnen de 35 KE geluidscontour). Daarnaast is toen vastgesteld dat, door het gebruik van het nieuwe woningbestand en de toepassing van Europese Lden en Lnight geluidsmaten (in plaats van Ke en LAeq nacht) in combinatie met nieuwe dosis effectrelaties, de uiteindelijke norm 12.300 woningen binnen de 58 dB(A)Lden zou worden. Vervolgens is op verzoek van de Tweede Kamer door de toenmalige Ministers van Verkeer en Waterstaat en van Volkhuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer door het Nationaal Luchtvaart- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) een contra-expertise uitgevoerd naar de wijze waarop de actualisering van de criteria voor gelijkwaardigheid heeft plaatsgevonden.
Zijn er documenten die de uitspraak van de heer Van Egmond tegenspreken dat de Raad van State is uitgegaan van teksten die in de loop der jaren door het ministerie zijn verspreid? Zo ja, kunt u dat uitgebreid onderbouwen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het inzicht van emeritus hoogleraren Van Egmond en Ale dat het aantal van 10.000 huizen een harde, definitieve norm was en niet de uitkomst van een rekensom? Zo nee, uit welke documenten en passages blijkt dat?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er documenten die de uitspraak van de heer Van Egmond tegenspreken dat die rekensom niet traceerbaar en niet navolgbaar is en dat deze niet eens bestaat? Zo ja, kunt u die rekensom en eventuele ondersteunende documenten hier noemen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe is de motie-Van ’t Riet c.s. (Kamerstuk 23 552, nr. 28) van 12 juni 1995 uitgevoerd?
In de motie staat dat de 10.000 woningen binnen de 35 KE zone als een harde grens voor de groei van het aantal vliegbewegingen op Schiphol moet zijn.
In het Kabinetsstandpunt Schiphol van 2006 staat opgenomen dat bij de actualisatie van de criteria zou worden vastgehouden aan de maximale hinder, geluidsbelasting, slaapverstoring en veiligheidsrisico’s. De aantallen behorend bij de gelijkwaardigheidscriteria moeten daarbij worden beschouwd als de uitkomst van een som en niet als absolute aantallen.
Zijn er documenten die de uitspraak van de heer Van Gijzel tegenspreken dat de Raad van State zich de vraag niet heeft gesteld of de standaardnorm van 10.000 huizen wel wettelijk verankerd was? Zo ja, kunt u die betreffende documenten en passages hier noemen?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er documenten die de uitspraak van de heer Ale tegenspreken dat je het in juridische termen een dwaling zou kunnen noemen, omdat het een uitspraak is die is gedaan op grond van onjuist inzicht in hoe het probleem in elkaar zat? Zo ja, kunt u die betreffende documenten en passages hier noemen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat uit Kamerstukken, inclusief de Planologische Kernbeslissing (PKB) van Schiphol, blijkt dat de norm van 10.000 woningen vastlag en niet zonder meer gewijzigd kon worden? Zo nee, uit welke documenten en passages blijkt dat?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het toenmalige kabinet in het stuk liet opnemen dat voor wijziging van de norm een nieuwe, zware PKB-procedure doorlopen moest worden, met instemming van beide Kamers? Zo nee, uit welke documenten en passages blijkt dat?
In het Kabinetsstandpunt Schiphol staat opgenomen dat bij de actualisatie van de criteria zou worden vastgehouden aan de maximale hinder, geluidsbelasting, slaapverstoring en veiligheidsrisico’s. Deze bepaling is nog steeds van kracht.
Een PKB-procedure of wetswijziging is niet aan de orde omdat de aantallen in de gelijkwaardigheidscriteria moeten worden beschouwd als de uitkomst van een som en niet als absolute aantallen.
Klopt het dat die PKB-procedure nooit heeft plaatsgevonden? Zo nee, uit welke documenten en passages blijkt dat?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat een wetswijziging er, ondanks het wettelijk vastleggen van de norm van 10.000 huizen in 2002, nooit is geweest? Zo nee, uit welke documenten en passages blijkt dat?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de conclusie van de heer Van Gijzel dat het oprekken van de norm buiten de wet staat en daarmee illegaal is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de conclusie van de heer Van Gijzel dat de norm van 10.000 huizen nog steeds van kracht is als standaardnorm van Schiphol? Zo nee, waarop baseert u dat precies?
Zie antwoord vraag 10.
Kunt u, met betrekking tot de uitspraken in dit artikel, reflecteren op de ontwikkelingen op de woningmarkt? Zijn er in het verleden woningen gebouwd die mogelijk niet gebouwd hadden mogen worden?
De werking van de gelijkwaardigheidscriteria die in het verleden zijn vastgelegd representeren een bepaald beschermingsniveau voor de omgeving van Schiphol. Er is afgesproken dat de bescherming altijd gelijkwaardig of beter moet zijn dan de grenswaarden voor de criteria. Met de actualisatie van de criteria wordt er vastgehouden aan de maximale hinder, geluidsbelasting, slaapverstoring en veiligheidsrisico’s. Ook betekende de actualisering niet meer of minder groeiruimte voor de luchtvaart. Er zijn in dit opzicht dus ook geen woningen gebouwd die volgens de norm niet gebouwd hadden mogen worden.
Is deze truc vaker toegepast? Kunt u uitsluiten dat deze truc in de toekomst weer zal worden toegepast? Zo ja, waaruit blijkt dit en hoe is dit bestuurlijk of juridisch vastgelegd?
De Kamer is in het verleden geïnformeerd over de manier waarop actualisaties van de gelijkwaardigheidscriteria worden uitgevoerd. De Raad van State heeft inmiddels ook geoordeeld dat de manier waarop de actualisaties zijn uitgevoerd is toegestaan.
Het bericht ‘Verloskundigen: er is vaak geen plek in ziekenhuis’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat verloskundigen aangeven dat er vaak geen plek is in het ziekenhuis voor vrouwen om te bevallen?1
Voor mij staat voorop dat vrouwen die moeten bevallen, kunnen rekenen op goede verloskundige zorg. Uit de berichten blijkt dat verloskundigen meerdere ziekenhuizen moeten bellen voordat ze met een zwangere ergens terecht kunnen. Bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) waren geen signalen dat er onvoldoende zorg is ingekocht of dat er een onveilige situatie is ontstaan. Het feit dat er geen signalen zijn binnengekomen, betekent nog niet dat er geen probleem is. Het is voor verloskundigen niet altijd snel inzichtelijk in welke ziekenhuizen plek is, waardoor zij meerdere ziekenhuizen moet bellen. Hierbij speelt ook de krappe arbeidsmarkt een rol. Hierdoor moeten ziekenhuizen het schaarse beschikbare personeel zo goed mogelijk inzetten en is er weinig ruimte om pieken in het aantal bevallingen op te vangen. Dit draagt er mede aan bij dat verloskundigen vaker naar een plek moeten zoeken.
Kunt u aangeven in welke ziekenhuizen het afgelopen jaar opnamestops zijn afgekondigd voor de klinische verloskundeafdeling? Kunt u tevens per ziekenhuis aangeven hoe vaak er opnamestops zijn geweest?
Ik heb geen inzicht in welke ziekenhuizen de afgelopen tijd een opnamestop hebben afgekondigd. Soms bieden ROAZ-regio’s al inzicht in de verloskundige capaciteit in ziekenhuizen, bijvoorbeeld in Amsterdam en Utrecht kunnen eerstelijns verloskundigen in het «Acuut Zorgportaal» zien in welk ziekenhuis er op dat moment verloskundige capaciteit is. Ik zou het een goede ontwikkeling vinden als in alle ROAZ-regio’s dergelijk inzicht gerealiseerd wordt.
Wel kan ik aangeven hoeveel afdelingen verloskunde er de afgelopen vijf jaar zijn gesloten op basis van rapporten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).
In 2011, 2014 en 2015 waren er 84 locaties waar 24/7 acute verloskunde werd aangeboden. In 2016 werd deze zorg op 81 locaties aangeboden en in 2017 waren dit er 83 (Kamerstuk 29 247, nr. 246). In 2018 (met peilmoment april 2018) waren er 80 ziekenhuislocaties waar 24/7 acute verloskunde werd aangeboden (Kamerstuk 29 247, nr. 260).
In het RIVM-rapport uit 2017 staat dat sinds 2014 de volgende vijf ziekenhuislocaties geen 24/7 acute verloskunde meer aanboden: de ziekenhuislocaties van het Bravis ziekenhuis in Roosendaal, het ZGT Hengelo, het Slotervaart ziekenhuis in Amsterdam, het Alrijne ziekenhuis in Leiden en het Zuyderland in Sittard-Geleen (Kamerstuk 29 247, nr. 246). Verder is in Den Haag de afdeling acute verloskunde van het HagaZiekenhuis verplaatst, van de locatie Sportlaan naar de locatie Leyweg (Bijlage bij Kamerstuk 34 300 XVI, nr. 158). De ontwikkelingen met betrekking tot de acute verloskunde van Treant Zorggroep en in Lelystad zijn (vanwege het peilmoment) nog niet meegenomen (zie hieronder).
In het RIVM-rapport uit 2018 (met peilmoment april 2018) concludeert het RIVM dat er een aantal veranderingen in het aanbod is opgetreden ten opzichte van 2017. In april 2018 was er één ziekenhuislocatie minder waar acute verloskunde werd aangeboden dan in 2017. Het Elizabeth-TweeSteden Ziekenhuis locatie Tweesteden in Tilburg, het St. Antonius ziekenhuis in Woerden en de locatie Emmen (Scheper ziekenhuis) van Treant boden in april 2018 geen acute verloskunde meer aan. Het St. Antonius ziekenhuis in Utrecht en het Refaja Ziekenhuis in Stadskanaal boden op het peilmoment in april 2018 wel acute verloskunde aan, terwijl ze dat in 2017 niet deden (Kamerstuk 29 247, nr. 260).
In aanvulling hierop verwijs ik graag naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 1 oktober jl. inzake de klinische kindergeneeskunde en klinische verloskunde bij Treant, voor wat betreft de ontwikkelingen met betrekking tot de afdelingen acute verloskunde van Treant Zorggroep in Emmen, Stadskanaal en Hoogeveen. En ik verwijs u naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 20 november jl. inzake de acute verloskunde in Lelystad.
Verder is het sinds de zomer 2018 niet meer mogelijk om te bevallen in het St. Antonius ziekenhuis in Nieuwegein. Er worden daar alleen geplande keizersneden uitgevoerd.
Vindt u dat de keuzevrijheid bij bevallingen moet blijven bestaan en dat het dus voor vrouwen mogelijk moet blijven om thuis te kunnen bevallen? Zo ja, hoe gaat u dit garanderen?
De keuzevrijheid vind ik een belangrijk goed. In Nederland is het mogelijk om thuis te bevallen, poliklinisch te bevalen in een geboortecentrum of in het ziekenhuis. Bij een medische indicatie vindt de bevalling plaats in het ziekenhuis onder begeleiding van een gynaecoloog. De keuze voor de plaats van bevallen is afhankelijk van de voorkeur van de zwangeren en het advies van de verloskundig zorgverlener. Vanwege medische redenen kan het mogelijk zijn dat de verloskundig zorgverlener adviseert om in het ziekenhuis te bevallen.
Door een goede samenwerking in de regio, een goede risico inschatting door de verloskundig zorgverleners en beschikbaarheid van acute zorg als dit nodig is, blijft het mogelijk om thuis te bevallen als de zwangere en haar partner hier voor kiezen.
Welke oorzaken ziet u voor de door de verloskundigen aangekaarte problematiek?
Het probleem dat verloskundigen aankaarten, is dat ze meerdere ziekenhuizen moeten bellen voordat ze een plek hebben waar ze met hun zwangere naar toe kunnen komen. Het is voor verloskundigen niet altijd inzichtelijk in welke ziekenhuizen plek is waardoor zij meerdere ziekenhuizen moet bellen.
Een andere oorzaak kan liggen bij pieken in het aantal vrouwen dat in een bepaalde week is uitgerekend. In dit soort gevallen komt het geregeld voor dat een zwangere niet kan bevallen in het ziekenhuis of geboortehuis van haar voorkeur.
Daarnaast wordt toenemende personeelskrapte genoemd als oorzaak. Dit is ook een van de uitkomsten van de enquête van de Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV). Door de krappe arbeidsmarkt proberen ziekenhuizen het schaarse personeel zo goed mogelijk in te zetten binnen de organisatie. Dat houdt ook in dat er minder ruimte overblijft om pieken op te vangen.
Hoe gaat u de door de verloskundigen aangekaarte problematiek oplossen?
Zorgaanbieders en zorgverzekeraars in de regio zijn met elkaar aan zet om de zorg beter met elkaar regelen. In Amsterdam en Utrecht heeft het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) er bijvoorbeeld voor gezorgd dat eerstelijns verloskundigen in het «Acuut Zorgportaal» kunnen zien welk ziekenhuis er op dat moment verloskundige capaciteit is. Dit bespaart tijd bij het zoeken naar een plek voor barende vrouwen die in het ziekenhuis moeten of willen bevallen. Knelpunt van het portaal is dat het niet altijd correct wordt ingevuld waardoor onvoldoende inzichtelijk is in welk ziekenhuis plek is. Verder worden plekken in ziekenhuizen buiten de regio van een ROAZ niet meegenomen in het systeem. Terwijl hier soms wel naar uitgeweken kan worden. ROAZ werkt daarom nog aan de verdere ontwikkeling van het portaal. Het is hoe dan ook een goed voorbeeld dat ik graag zou terugzien in alle regio’s.
Om te zorgen voor voldoende medisch personeel in ziekenhuizen investeer ik jaarlijks fors in opleiden van zowel specialisten als gespecialiseerd verpleegkundig en medisch ondersteunend personeel. Dat doe ik via ramingen van het Capaciteitsorgaan voor het aantal op te leiden gespecialiseerd verpleegkundigen, medische ondersteuners en medisch specialisten. Ik stel een kostendekkende financiering beschikbaar voor het opleiden van dit personeel. Daarnaast stel ik jaarlijks € 200 mln. beschikbaar via de Kwaliteitsimpuls Personeel Ziekenhuizen voor op-, bij- nascholing van personeel in ziekenhuizen. Ook investeer ik via het Stagefonds zorgopleidingen jaarlijks € 112 mln. in voldoende en goede stagebegeleiding door werkgevers met als doel voldoende stageplekken in de zorg.
De arbeidmarktopgave is groot; niet alleen in de verloskunde maar breder in de zorg. Denk aan de wijk, de ouderenzorg, de ziekenhuizen en de kraamzorg. Daarom heeft VWS begin dit voorjaar een zorgbreed actieprogramma Werken in de Zorg gelanceerd. Het zwaartepunt van het actieprogramma ligt in de regio met 28 regionale actieplannen. Dit ondersteunen we met de scholingsimpuls SectorplanPlus voor met name nieuwe medewerkers (€ 320 mln. verdeeld over vier tijdvakken). Voor het tweede tijdvak heb ik nog eens € 10 mln. extra vrij gemaakt. Daarmee zijn alle aanvragen in het tweede tijdvak gehonoreerd. Samen met het eerste tijdvak kunnen zo ongeveer 130.000 scholingstrajecten worden aangeboden. Een onafhankelijke adviescommissie toetst de plannen en rapporteert daarover aan VWS. Op basis van de rapportages van de commissie neemt VWS een besluit over het voor de regio beschikbaar komen van de laatste 25% van het budget van het tweede tijdvak. Voor het stimuleren van (inter)regionale kennisdeling komt een actie-leernetwerk.
Kunt u deze vragen vóór 28 november 2018 17.00 uur beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Voetbal is voor iedereen!’ |
|
Vera Bergkamp (D66), Antje Diertens (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Voetbal is voor iedereen!» van LHBT+supporters aan de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de eredivisieclubs?1 2
Ja
Deelt u de mening dat er actiever moet worden gewerkt aan de algemene acceptatie van LHBT+'ers in de voetbalwereld?
Ja.
Op welke manier stimuleert u op dit moment inclusie en acceptatie van LHBT+ in de sport en bij het voetbal in het bijzonder?
Ik stimuleer dit onder meer door enerzijds, samen met de Minister van OCW, de Alliantie Gelijkspelen te ondersteunen en anderzijds via mijn inzet op het Sportakkoord. De Alliantie Gelijkspelen zet zich de komende jaren in op het realiseren van een open, veilig en prettig team- en verenigingsklimaat voor LHBTI-ers in de sport waarbij het gaat om alle deelnemers aan sportactiviteiten, zowel op (spelers, arbiters) als rondom het veld (supporters, trainers, bestuurders etc.). Met het sportakkoord streef ik ernaar dat inclusief sporten en bewegen als vanzelfsprekend wordt ervaren en belemmeringen zoals sociale ontoegankelijkheid worden weggenomen.
Wat zijn volgens u mogelijkheden om inclusie en acceptatie van LHBT+ in de sport verder te stimuleren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om met de voetbalsector in gesprek te gaan om te kijken op welke manier inclusie en acceptatie gestimuleerd kunnen worden en ook te kijken op welke manier discriminerende spreekkoren kunnen worden tegengegaan?
De KNVB is een belangrijke partner in de Alliantie Gelijkspelen en is ook betrokken bij de totstandkoming en uitvoering van het Sportakkoord. De KNVB deelt de ambitie om dit soort zaken van de voetbalvelden te bannen. Net als ik vindt de KNVB iedere vorm van discriminerende of andere kwetsende uitspraken op en rond de voetbalvelden verwerpelijk en op geen enkele wijze te tolereren. De KNVB werkt aan beleid om alle vormen van uitsluiting, waaronder homofobie, uit het voetbal te weren. Niet voor niets heeft de KNVB als slogan dat voetbal voor iedereen is en wil de KNVB graag dat iedereen zich welkom voelt op de velden en in de stadions.
Zouden rolmodellen kunnen helpen om acceptatie en inclusie te bevorderen? Wat zou mogelijk de reden kunnen zijn dat rolmodellen voor LHBT+ers zo schaars zijn in het voetbal? Op welke manier kunnen goede voorbeelden, zoals de aanpak van de John Blankestein foundation, worden ingezet?
Het creëren van een inclusief sportklimaat is een proces van lange adem. De inzet van rolmodellen is een van de activiteiten van de door VWS en OCW gesteunde Alliantie Gelijkspelen. De John Blankenstein Foundation, NOC*NSF, de KNVB, de KNHB en voetbalsupportsvereniging de Roze Regâhs onderstrepen het belang van rolmodellen. Op uitnodiging van de Alliantie Gelijkspelen hebben rolmodellen uit de sport een bijdrage geleverd aan de doorstart van de alliantie op 23 november jl.
Bent u bereid om met de LHBT+ supporters in gesprek te gaan en samen te werken aan vervolgstappen om acceptatie van LHBT+ in de voetbalwereld te bevorderen?
De Minister van OCW heeft in september jl. de Europese netwerkbijeenkomst van LHBT voetbalsupporters in Den Haag toegesproken. VWS en OCW voeren geregeld overleg met partijen van de sportalliantie, waaronder genoemd netwerk van voetbalsupporters.
Vluchtelingen die eigen woonunits bouwen |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Vluchtelingen bouwen eigen woonunits in Panningen»?1
Ja.
Op basis waarvan wordt de in het artikel gesuggereerde «boete» gebaseerd? Klopt het dat hier bedoeld wordt dat de provincie in het uiterste geval zelf de huisvesting van statushouders in een gemeente kan overnemen, maar pas na diverse andere stappen te zijn doorlopen? Kunt u een overzicht geven hoe dat proces er uit ziet?
Er is geen boetesysteem in het kader van de wettelijke halfjaarlijkse taakstelling.
Het toezicht op de huisvesting van vergunninghouders door gemeenten is belegd bij de provincie. Bij het niet halen van de taakstelling wordt een interventieladder gehanteerd, waarbij in 6 stappen tot indeplaatsstelling gekomen kan worden. Indeplaatsstelling is het op kosten van de gemeente huisvesten van vergunninghouders.
Deze interventieladder kent de volgende zes stappen:
Is het waar dat er met dezelfde tijd en moeite meer tijdelijke huisvesting kan worden geplaatst dan vaste huisvesting kan worden gebouwd? Zo ja, deelt u de mening dat tijdelijke huisvesting voor statushouders kan helpen om de druk van de overvolle asielzoekerscentra (AZC's) en de woningmarkt te halen?
Afhankelijk van de lokale omstandigheden kan worden gekozen voor permanente of tijdelijke huisvesting van vergunninghouders en afhankelijk van de lokale omstandigheden zal een van die keuzes qua geld, tijd en moeite meer huisvesting opleveren. De instantie die de huisvesting gaat exploiteren, een corporatie of andere exploitant, zal alle mogelijkheden, waarbij ook kosten, risico’s en moeite, op een rijtje zetten en op basis daarvan een afweging maken of hij kiest voor permanente- of tijdelijke huisvesting. Naar mijn mening kan de tijdelijke huisvesting van statushouders, als een van de mogelijke oplossingen dienen om, naast verbouw van leegstaande gebouwen, modulaire bouw en kamergewijze verhuur, de druk op de asielzoekerscentra en de woningmarkt te verminderen. Hierbij hebben gemeenten tot 1 januari 2019 de tijd om op basis van de Tijdelijke Regeling Stimulering Huisvesting Vergunninghouders, waarmee eenvoudige huisvesting voor deze groep kan worden gerealiseerd, een subsidie te krijgen. In alle gevallen zijn gemeenten primair verantwoordelijk om de nodige maatregelen te treffen om de druk op de woningmarkt zoveel mogelijk tegen te gaan, met name door middel van prestatieafspraken met corporaties.
Deelt u de mening dat het in het artikel genoemde project onderdeel kan worden van het voorstel om ervaring op te doen met flexibele, tijdelijke en sobere woonoplossingen voor statushouders, bijvoorbeeld in combinatie met arbeidsmigranten en/of studenten?
Zoals ik in het WGO van 12 november jongstleden heb aangegeven wil ik graag werken aan meer flexibele woonruimte voor doelgroepen met een urgente huisvestingsbehoefte. Gemeentes hebben steeds meer behoefte aan flexibele vormen van wonen en daarom wil ik pilots opzetten in die richting.
De ontslagen medewerkers van de Belastingdienst vanwege fraude |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen hoe bekend is geworden dat de 15 ontslagen medewerkers zich schuldig maakte aan fraude?1
De Telegraaf heeft het Ministerie van Financiën verzocht inzicht te geven in het aantal ontslagen als gevolg van het niet nakomen van de fiscale verplichtingen. Bij het handmatig doorlopen van de dossiers is gebleken dat 1 voorwaardelijk ontslag in 2018 niet is meegenomen in de totalen. Daarmee komt het totaal voor 2017 en 2018 op 16 in plaats van 15 ontslagen.
U noemt de straf van het verliezen van het werk een zware straf, maar worden er na de vaststelling van fraude ook vervolgstappen gezet?2
Zie de beantwoording bij vraag 3.
Wordt er in alle gevallen ook aangifte gedaan als er sprake is geweest van oplichting? Zo nee, waarom niet? Kunt u toelichten hoe de procedure in zijn werk gaat?
Het is de belastinginspecteur – niet de Belastingdienst in de rol van werkgever – die mogelijke delicten die zijn begaan door belastingplichtigen op de gebieden van belastingen, toeslagen en douane moet aanmelden bij Justitie.
Hoe dit proces verloopt, is beschreven in het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD)3. Het protocol beschrijft hoe de Belastingdienst de aanmeldingen van mogelijke delicten die voor strafrechtelijke afhandeling in aanmerking komen, selecteert voor de rechtsgebieden belastingen, toeslagen en douane.
Uiteindelijk beslist de Officier van Justitie of hij overgaat tot strafrechtelijke afhandeling, na een afstemmingsoverleg van de Belastingdienst (als fiscus), de FIOD en het OM. Voorgaande geldt voor alle belastingplichtigen. De Belastingdienst als werkgever heeft hierin geen rol.
Er is in dit proces geen registratie/telling van verschillende soorten belastingplichtigen noch is er standaard een melding aan de werkgever van de desbetreffende belastingplichtigen. Dit geldt voor de fiscale afdoening voor alle belastingplichtigen, dus ook voor die van belastingdienstmedewerkers. Er is om die reden bij de Belastingdienst als werkgever niet bekend hoeveel zaken met het OM besproken zijn, waarbij sprake is van het niet nakomen van fiscale verplichtingen door de belastingdienstmedewerkers.
Wordt onderzocht of er een patroon te vinden is bij de frauderende medewerkers? Zou er sprake kunnen zijn van het toepassen van kennis in de hoop niet gepakt te worden of waren de betrapte medewerkers relatief nieuw in de dienst? Hebben ze lang kunnen frauderen? Hielden ze zelf toezicht op hun frauduleuze aangiftes? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ieder geval waarin sprake is van het niet nakomen van de fiscale verplichtingen wordt apart onderzocht. De 16 gevallen over 2017 en 1018 laten een divers beeld van fiscale schendingen zien, zowel inhoudelijk als de duur waarover de schendingen hebben plaatsgevonden. Daarbij is vermoedelijk bij een enkele schending gebruik gemaakt van kennis van de fiscale regels. Ook de duur van het dienstverband van de 16 medewerkers geeft een divers beeld. De belastingdienstmedewerkers hebben een aparte afgeschermde status in de systemen van de Belastingdienst. De behandeling van aangiftes van belastingdienstmedewerkers is belegd bij twee teams (in Amsterdam en Arnhem). Verdere informatie die specifiek is, kan gelet op de beperkte aantallen en de mogelijke herleidbaarheid naar personen niet worden verstrekt.
Hoeveel onderzoeken lopen er op dit moment nog?
Per 1 november 2018: 20.
Kunt u ingaan op de wijze van werving en selectie van nieuwe medewerkers, wetende dat er nog vele medewerkers gezocht worden?
De Belastingdienst besteedt veel aandacht aan integriteit. Zo krijgt de sollicitant bij uitnodiging de brochure «Een integere Belastingdienst» toegezonden en komt integriteit aan de orde tijdens het selectiegesprek in de vorm van een casus. De nieuwe medewerker moet een verklaring omtrent het gedrag overleggen. Na indiensttreding heeft de Belastingdienst voor elke medewerker een zogenaamde onboardingstraject (introductie) waarin onder andere de Eed of Belofte wordt afgelegd.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg over Belastingdienst op 6 december 2018?
Ja.
Het bericht dat er miljoenen liters pekelwater zijn weggelekt |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat er miljoenen liters pekelwater zijn weggelekt?1
Ja.
Bent u vorige week al op de hoogte gebracht van deze lekkage? Wat vindt u er van dat het nieuws over deze lekkage pas nu naar buiten wordt gebracht?
De provincie Groningen is bevoegd gezag van deze Nedmag-installatie en Nedmag-activiteiten. De lekkage betreft geen mijnbouwactiviteit. Ik ben hierover niet specifiek geïnformeerd. Het is aan het bevoegd gezag en het bedrijf om een afweging te maken wat betreft het bekend maken van een incident. Ik vind het van belang dat de omgeving correct en snel wordt geïnformeerd.
Is er ook dieselolie vrijgekomen? Zo ja, hoeveel?
Nee, er is geen diesel gelekt. De transportleiding wordt gebruikt om gezuiverd zout water naar de Veenkoloniale Afvalwaterleiding (VKA) te transporteren. Via de VKA wordt het zoute water geloosd in het Eems Dollard Estuarium. Het gezuiverde zoute water bevat enkel zouten en deze hebben geen invloed op het ecosysteem aldaar.
Kunt u de gevolgen voor de omgeving omschrijven? Welke onderzoeken vinden er nu plaats?
Nedmag heeft na de melding van het Waterschap Hunze en Aa’s direct de fabriek stilgelegd. De sloten waarin het zoute water gelekt is, zijn ingedamd en leeggepompt. Nedmag heeft ook opdracht geven om een bodemonderzoek uit te voeren.
Het Waterschap Hunze en Aa’s heeft aangegeven dat naar aanleiding van de lekkage de peilbuizen extra gecontroleerd moeten worden en dat Nedmag de weggespoelde delen van een dam moet repareren. Nedmag heeft deze reparaties op 19 december 2018 laten uitvoeren.
De provincie Groningen heeft aangegeven dat Nedmag verantwoordelijk is voor het uitvoeren van onderzoek naar mogelijke verontreinigingen ten gevolge van de lekkages. De Omgevingsdienst Groningen zal het bedrijf aanschrijven om dit onderzoek uit te voeren. De resultaten van het onderzoek zullen door de provincie Groningen worden getoetst in het kader van het zorgplichtartikel in de Wet bodemscherming.
Accepteert u het dat de directeur de schuld geeft aan het zware verkeer en de lange droogte? Is Nedmag niet verantwoordelijk voor de veiligheid ook al zijn er veranderde omstandigheden? Betekent dit dat er meer problemen te verwachten zijn?
Nedmag is verantwoordelijk voor de transportleiding. Nedmag zal in overleg met de provincie Groningen moeten bepalen of de huidige transportleiding nog steeds voldoet. Nedmag heeft besloten om in maart 2019 mogelijk verzwakte delen van de transportleiding preventief te vervangen. Men heeft ook de voorbereidingen gestart om in 2020 de gehele transportleiding te vervangen.
Wat is de reactie van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) op deze lekkage? Wanneer zijn de leidingen voor het laatst gecontroleerd?
De transportleiding is geen onderdeel van de mijnbouwinstallatie. SodM heeft aangegeven dat zij geen toezichthouder is voor deze transportleiding.
De provincie Groningen is bevoegd gezag voor deze Nedmag-installatie en Nedmag-activiteiten. De Omgevingsdienst Groningen is toezichthouder. De Omgevingsdienst onderzoekt op dit moment het inspectieregime.
Nedmag heeft aangegeven dat het gebied waar de transportleiding doorheen loopt conform het Nedmag beheersplan voor ondergrondse leidingen één keer per jaar visueel wordt geïnspecteerd. De laatste inspectie door Nedmag heeft in juli 2018 plaatsgevonden. Er zijn toen geen bijzonderheden geconstateerd.
Waarom staat Nedmag nog niet onder verscherpt toezicht? Wanneer is er voldoende reden om Nedmag wel onder verscherpt toezicht te plaatsen? Wordt Nedmag nu onder verscherpt toezicht geplaatst?
Een bedrijf kan onder verscherpt toezicht worden geplaatst als het zich bewust onttrekt aan het toezicht of verzuimt om adequaat te reageren op incidenten en overtredingen.
De provincie Groningen is bevoegd gezag voor deze Nedmag-installatie en Nedmag-activiteiten. De provincie Groningen heeft aangegeven dat deze lekkages geen aanleiding zijn om Nedmag onder verscherpt toezicht te plaatsen.
Hoe en wanneer zijn omwonenden geïnformeerd? Wat doet u om de onrust bij omwonenden weg te nemen?
Na het incident heeft Nedmag de omwonenden via haar website en een persbericht geïnformeerd. Landeigenaren zijn door Nedmag persoonlijk op de hoogte gehouden van ontwikkelingen.
Zoals eerder aangegeven heb ik geen rol bij deze lekkage. Het is aan Nedmag en aan het bevoegd gezag om de zorgen van de omwonenden zoveel mogelijk weg te nemen.