Het artikel 'Nederlandse gasvoorraden raken razendsnel leeg: Energiecrisis is allerminst voorbij' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse gasvoorraden raken razendsnel leeg: Energiecrisis is allerminst voorbij»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat de snel dalende vulgraad van de gasopslagen en de aanhoudende geopolitieke onzekerheid rond energielevering opnieuw een risico vormen voor de energiezekerheid van Nederland en Europa?
In de brief over de stand van zaken op de gasmarkt en gasopslagen van 14 januari jl. geeft het kabinet aan te verwachten dat, ondanks de snel dalende vulgraad van de gasopslagen in Nederland en de geopolitieke onzekerheid, er voldoende gas is om deze winter door te komen.2 Dit wordt ondersteund door analyses van GTS. Op 9 januari jl. is GTS in een persbericht op haar website ingegaan op de actuele vulgraden en heeft GTS bevestigd dat de leveringszekerheid gewaarborgd blijft deze winter. GTS geeft aan dat «er momenteel geen sprake is van een verminderde leveringszekerheid». Wel plaatst GTS de kanttekening dat in een strenge winter een situatie met een krap aanbod kan ontstaan met een mogelijk effect op de prijzen op de groothandelsmarkt.3
Dit neemt niet weg dat het kabinet de situatie op de gasmarkt goed in de gaten houdt. Zo volgt het kabinet de vulgraad op de voet en kan het kabinet – net als eerdere jaren – via de vultaak van EBN bijspringen als gasopslagen onvoldoende gevuld worden door marktpartijen. Op basis van deze vultaak kan EBN er ook voor kiezen om gas dat EBN al heeft opgeslagen in de opslag te houden (doorrollen).
Ook in EU-verband worden de geopolitieke situatie en de gevolgen daarvan voor de gasleveringszekerheid goed in de gaten gehouden: volgens analyses van zowel het Europese netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas (ENTSOG) als het Internationaal Energieagentschap (IEA) leidt het wegvallen van de transit van Russisch gas door Oekraïne gedurende deze winter niet tot gasleveringszekerheidsproblemen in de EU. Ook de Europese Commissie verwacht geen tekorten als gevolg hiervan.4
Gezien de huidige ontwikkelingen, stuurt het kabinet de Kamer in februari wederom een update over de stand van zaken op de gasmarkt en gasopslagen.
Welke maatregelen heeft het kabinet sinds de afgelopen winter genomen om te voorkomen dat de gasvoorraden opnieuw snel leeg raken, zoals in het artikel wordt geschetst?
Sinds de gascrisis van 2022 zijn de nodige maatregelen genomen om het gassysteem te versterken en daarmee te voorkomen dat gasopslagen leeg raken. Het is belangrijk om hierbij te benadrukken dat gasopslagen een cruciale rol spelen in het gassysteem, maar niet het enige middel zijn waarmee we voorzien in de gasleveringszekerheid. Het gaat onder andere ook om uitbreiding van de LNG-importcapaciteit, het versnellingsplan Noordzee, de introductie van de vultaak voor EBN en de maatregelen in het recent geactualiseerde Nederlandse Preventief Actieplan.
Wat betreft maatregelen voor gasopslag sinds afgelopen winter: EBN ook voor 2025 de vultaak gekregen om tot 20 TWh gas op te slaan en waar mogelijk in de opslag te houden, voor het geval marktpartijen dat onvoldoende doen. Daarnaast is en wordt doorgewerkt aan het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis. Hierin worden de inzichten verwerkt van het onderzoek dat is uitgevoerd om de consequenties en wenselijkheid van diverse vulmaatregelen in kaart te brengen.5 Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie.
Hoe wordt de huidige situatie beoordeeld ten opzichte van de kabinetsdoelstellingen die in het voorjaar van 2023 zijn geformuleerd om de gasvoorraden vóór de winter van 2024 tijdig te vullen?
De gasopslagen in Nederland waren op 1 oktober 2024 voor bijna 93% gevuld. Dit was in lijn met de ambitie van het kabinet6 en het advies van GTS en ruim boven de vulverplichting voor Nederland van 74% die op 1 november gold op grond van de EU-verordening gasleveringszekerheid.7
Hoe verklaart u dat de vulgraad in Nederland sneller daalt dan het Europese gemiddelde, terwijl daar dezelfde omstandigheden en Europese regels gelden?
In de Kamerbrief van 14 januari jl. noemt het kabinet een aantal mogelijke verklaringen voor de dalende vulgraad. Zo wordt de lagere vulgraad deels veroorzaakt doordat er de afgelopen weken meer gas nodig was om elektriciteit op te wekken, vanwege periodes van zogenaamde «dunkelflaute» (weinig wind en zon) en doordat het najaar van 2024 kouder was dan voorgaande jaren.
Echter, er is de afgelopen tijd meer gas uit de opslagen geproduceerd dan enkel te verklaren is op basis van temperatuur en weersomstandigheden. Dit wil overigens niet zeggen dat er meer gas verbruikt is dan op basis van temperatuur en weer te verwachten viel: het laat zien dat, om te voorzien in de gasvraag, er meer gas uit opslagen in Nederland is gebruikt dan uit andere bronnen.
Hierbij spelen marktontwikkelingen een grote rol. Gasopslagen in de EU zijn onderdeel van de geliberaliseerde gasmarkt, waarop ook partijen uit derde landen kunnen handelen. Voor marktpartijen die afgelopen zomer gas hebben opgeslagen, is het op dit moment aantrekkelijker om dat in te zetten om te voldoen aan hun leveringsverplichtingen dan om aanvullend gas in te kopen op de groothandelsmarkt, want dan zijn zij duurder uit. Dit komt door de verwachte ontwikkeling van de gasprijs: de dagprijs of maandprijs (nu februari) van gas is ongeveer gelijk aan de zomerprijs (2025) en die is weer hoger dan de komende winterprijs (2025/26). Dus hoe verder in de toekomst hoe goedkoper het gas. In de regel is het omgekeerd: hoe verder in de toekomst, hoe hoger de prijzen. De huidige situatie van «omgekeerde prijsvorming» zorgt ervoor dat het verlieslatend is om gas in de opslagen te laten zitten of om extra op te slaan. Dit effect van de prijzen op de mate waarin marktpartijen gas in de opslagen houden, speelt ook mee bij het vullen van de gasopslagen komend vulseizoen.
Ook kan gas uit de opslagen worden onttrokken voor zowel nationaal als regionaal gebruik. Het in Nederland opgeslagen gas wordt dus ook gebruikt in de buurlanden en vice versa. We zien daarbij, ook in afgelopen jaren, dat de Nederlandse gasopslagen net iets intensiever worden gebruikt dan de opslagen in andere landen. Hier speelt mee dat Nederland relatief veel opslagcapaciteit heeft ten opzichte van het gebruik, ook in vergelijking met buurlanden.8 De meeste gasopslagen in Nederland hebben daarbij ook specifiek de functionaliteiten om te voorzien in de extra vraag naar gas in de winter. Dit terwijl bijvoorbeeld veel gasopslagen in Duitsland cavernes zijn die tussentijds kunnen worden bijgevuld en daarom met name gebruikt worden voor de balancering van het net.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om de ambitie voor de vulgraad te verhogen in plaats van te verlagen zoals eerder is gecommuniceerd? Bent u bereid om het besluit om in 2025 de ambitie voor de vulgraad te verlagen naar 80% te herzien?
GTS heeft in haar overzicht gasleveringszekerheid van 30 september 2024 aangegeven dat er voorafgaand aan de winter 2025/26 110 TWh in de seizoensopslagen in Nederland moet zijn opgeslagen, wat neerkomt op een vulgraad van 80%. De ambitie van het kabinet sluit aan bij de analyse van GTS. Hierover heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd in de update gasleveringszekerheid van 30 september 2024.9 Het kabinet hecht eraan dat de vulambitie van het kabinet realistisch en haalbaar is. De ambitie houdt rekening met de dalende vraag naar gas in zowel Nederland als de buurlanden en met de gasinfrastructuur in Nederland, op een wijze die borgt dat in de gasvraag in de winter kan worden voorzien. Het kabinet komt dit kwartaal met een brief om deze vulambitie nader toe te lichten en zal daarbij ook de ervaringen van deze winter betrekken, zoals toegezegd aan het lid Bontenbal10.
Hoe beoordeelt u de kritiek dat energiebedrijven mogelijk onvoldoende worden gestimuleerd om de gasopslagen gedurende het hele jaar op een adequaat niveau te houden? Welke rol kan de overheid hierin spelen?
Energiebedrijven kunnen hun wettelijke of contractuele leveringsverplichtingen op verschillende manieren invullen: bijvoorbeeld door LNG-importcapaciteit te contracteren, door gas op te slaan of door (een deel van) hun portfolio op de spotmarkt en de futures markt in te kopen. Het kabinet ziet het dan ook als taak van marktpartijen om voldoende gas op te slaan: als onderdeel van hun portfoliostrategie kunnen zij dit het meest efficiënt en zij hebben hiervoor de benodigde kennis en kunde.
Mede naar aanleiding van de gascrisis in 2022 overweegt het kabinet structurele maatregelen met betrekking tot gasopslag. Om mogelijke vulmaatregelen goed te kunnen wegen, is een onderzoek uitgevoerd.11 Deze inzichten verwerkt het kabinet in het voorstel voor de Wet bestrijden energieleveringscrisis. Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie.
In de tussentijd heeft het kabinet EBN de taak gegeven om in 2025 (net als in 2022, 2023 en 2024) tot 20 TWh aan gas op te slaan, voor het geval marktpartijen dat onvoldoende doen12.
Verwacht u dat de gasopslagen komende zomer voldoende kunnen worden bijgevuld? Hoe sorteert u voor op de nog altijd krappe markt en het beperkte aanbod?
De gasopslagen kunnen nog voldoende worden bijgevuld om de vulambitie van het kabinet te halen: de capaciteit van de gasinfrastructuur – zoals de LNG-importterminals en de pijpleidingverbindingen met buurlanden – is groot genoeg om voldoende gas in het vulseizoen te kunnen importeren om de gasopslagen gemiddeld tot minimaal 80% te vullen. Een uitdaging hierbij is de prijsontwikkeling. Deze volgt het kabinet nauwgezet, omdat de prijsontwikkeling ervoor kan zorgen dat de opslagen komende zomer slechts beperkt worden gevuld. Ter toelichting: momenteel zijn, in tegenstelling tot wat normaal gesproken het geval is, op de groothandelsmarkt de prijzen voor gas in het aankomende vulseizoen hoger dan de gasprijzen voor de daaropvolgende winter (2025/26). Dit wordt ook wel een negatieve «spread» genoemd. Dit maakt het voor marktpartijen vooralsnog verlieslatend om gas op te slaan of om gas in de opslag te houden: immers, partijen moeten het gas dan aankopen (of laten zitten) tegen een hogere prijs dan de prijs waartegen ze het gas in de volgende winter kunnen verkopen. Marktpartijen gaan er, op basis van de huidige prijssignalen, van uit dat er in de aankomende winter gas uit andere bronnen te koop is tegen een prijs die lager is dan de prijs waartegen gas in de komende zomer zou moeten worden gekocht om vervolgens op te slaan. Zo kunnen partijen nu al gas inkopen op de futures markt met levering in winter 2025/26. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat het waarborgen van een minimale vulgraad van de Nederlandse gasopslagen een cruciale voorwaarde is om economische stabiliteit te garanderen en prijsschommelingen te voorkomen?
Het kabinet is van mening dat het waarborgen van een minimale vulgraad bij aanvang van, en gedurende, de winter belangrijk is. Dit is de verantwoordelijkheid van marktpartijen, omdat zij moeten kunnen voorzien in hun leveringsverplichtingen. De meerjarige cijfers over de vulgraden in Nederlandse opslagen laten ook zien dat marktpartijen dit doen. Aanvullend heeft EBN sinds 2022 jaarlijkse een taak gekregen om 20TWh op te slaan als marktpartijen dat onvoldoende doen.
Bent u bereid om minimale vulgraden in te voeren zoals eerder bepleit in de Motie van het lid Erkens over in het wetsvoorstel gasleveringszekerheid opnemen dat de Minister voor Klimaat en Energie jaarlijks een te behalen vulgraad voor de gasopslagen vaststelt (Kamerstuk 29 023, nr. 504)?
Het kabinet is voornemens om in het voorstel voor de Wet bestrijding energieleveringscrisis op te nemen dat de Minister voor Klimaat en Groene Groei jaarlijks een vuldoelstelling – met andere woorden: een minimale vulgraad bij aanvang van de winter – voor de gasopslagen vaststelt. Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie.
Hoe waarborgt u dat de hoge energiekosten, als gevolg van schaarste in de gasmarkt, niet opnieuw een disproportionele impact hebben op Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Het kabinet heeft conform het regeerakkoord de energiebelasting op gas verlaagd. Dit scheelt in de energierekening van alle huishoudens dit jaar. De ACM zet de monitoring van de consumentenmarkt en de groothandelsmarkten het komende jaar voort en ziet er op toe dat bedrijven zich aan de regels houden zodat prijzen op de vrije energiemarkt op integere en transparante wijze tot stand komen.13
Voor de meeste huishoudens geldt dat prijsontwikkelingen pas na langere termijn gevolgen hebben voor de energierekening. Wanneer een effect optreedt, is immers afhankelijk van het type contract dat een huishouden heeft: meer dan de helft van de huishoudens heeft een vast contract met een vaste prijs voor een jaar of langer. Deze groep merkt pas iets van een hogere of lagere gasprijs op de groothandelsmarkt als zij een nieuw contract afsluit.14 Er is op dit moment nog niet sprake van een structurele prijsstijging vergeleken met eerdere jaren of een disproportionele impact. Hoewel de tarieven voor nieuwe contracten voor huishoudens in november en december met 1–3% gestegen zijn ten opzichte van de maanden ervoor, ligt het prijsniveau in de aangeboden contracten in januari 2025 nog altijd ruim onder het niveau van het prijsplafond dat in 2023 gold.
Voor bedrijven geldt dat veel sectoren, in het bijzonder energie-intensieve sectoren als chemie, landbouw en vervoer, er in de afgelopen jaren in geslaagd zijn hun gasverbruik te verlagen door energie efficiëntie. Deze efficiëntie is door de gascrisis van de afgelopen jaren en door de verduurzamingsopgave een belangrijk aandachtspunt voor veel bedrijven geworden. Hierdoor zijn bedrijven beter in staat om te gaan met de uitdagingen van hoge gasprijzen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de huidige gasprijzen weliswaar hoger liggen dan de periode van voor de recente gascrisis maar aanzienlijk lager zijn dan tijdens die gascrisis.
Internationale carbon credits |
|
Henri Bontenbal (CDA), Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat er tijdens de internationale klimaatconferentie in Bakoe, de COP29, is bereikt en afgesproken t.a.v. de normen voor koolstofkredieten onder Artikel 6.4 van het Klimaatakkoord van Parijs? Op welke manier versterkt deze afspraak de internationale koolstofmarkten?
Op COP29 is een akkoord bereikt over samenwerking via internationale koolstofmarkten, op basis van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs. Met dit besluit zijn de laatste regels afgerond, zodat een wereldwijde, VN-gereguleerde markt in werking kan treden. Twee vormen van internationale samenwerking via internationale koolstofmarkten staan centraal binnen artikel 6:
De nieuwe besluiten omvatten onder andere een raamwerk voor transparantie voor samenwerking tussen landen onder artikel 6.2 en nieuwe kwaliteitsstandaarden voor koolstofkredieten onder artikel 6.4.
Er zijn twee standaarden aangenomen voor artikel 6.4. De standaarden voor emissieverwijderingsprojecten gaan onder andere over passende monitoring, rapportage, accounting, het aanpakken van reversals (wat er gebeurt als de gerealiseerde emissieverwijdering door bewuste actie of overmacht teniet wordt gedaan), het vermijden van lekkage en het vermijden van andere negatieve gevolgen voor het milieu en de maatschappij, waaronder waarborgen voor mensenrechten. Daarnaast zijn standaarden aangenomen voor de ontwikkeling en beoordeling van artikel 6.4 methodologieën (dus criteria waaraan rekenmethoden voor mitigatie moeten voldoen).
De EU heeft zich succesvol ingezet om vooruitgang te bereiken op het gebied van kwaliteit, transparantie vooraf en verantwoording achteraf. Deze afspraken moeten er onder andere voor zorgen dat de internationale handel effectief wordt gemonitord, de kwaliteit wordt gewaarborgd en dubbeltelling wordt voorkomen, zodat vertrouwen in deze internationale koolstofmarkten kan ontstaan. Vertrouwen is van groot belang om het potentieel van deze markten ten volste te benutten.
Op welke wijze kunnen deze afspraken over, en het gebruik maken van internationale koolstofmarkten het beperken van klimaatverandering wereldwijd goedkoper maken en daarmee de klimaattransitie bespoedigen, zoals in de verklaring van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) staat; «These agreements will help countries deliver their climate plans more quickly and cheaply, and make faster progress in halving global emissions this decade, as required by science»?1
Koolstofmarkten bieden de mogelijkheid om mitigatie te realiseren waar het meeste potentieel is en waar mitigatie relatief kosten-efficiënt is. Dit is een manier om de mondiale klimaattransitie te versnellen.
Waar robuuste en ambitieuze koolstofmarkten worden geïmplementeerd, kunnen ze daarnaast ook de klimaattransitie versnellen door gedrags- en technologische veranderingen in gang te zetten, terwijl landen met de gegenereerde opbrengsten verdere klimaatactie kunnen financieren en kwetsbare gemeenschappen en gebieden kunnen ondersteunen bij de transitie. Zo kan met hetzelfde geld, op relatief korte termijn, wereldwijd méér klimaatactie gerealiseerd worden.
Een van de vereisten voor artikel 6 is wel dat de koolstofkredieten staan voor additionele mitigatie. Dit betekent onder andere dat bewezen moet worden dat zonder de financiering via internationale koolstofmarkten de mitigatie niet gerealiseerd had kunnen worden.
Tenslotte wordt 2% van de verkochte 6.4 kredieten geannuleerd voor «overall mitigation in global emissions» (OMGE). Dit betekent dat deze kredieten niet voor doelen van een land of bedrijf gebruikt kunnen worden en dat een land of bedrijf voor dit deel dus extra klimaatactie moet ondernemen. Daarnaast gaat 5% van de verkochte 6.4 kredieten – beter gezegd: de opbrengsten van die handel – naar het Adaptatiefonds voor ontwikkelingslanden. Voor handel via artikel 6.2 is het annuleren van kredieten en afdragen van een percentage aan het adaptatiefonds vrijwillig.
Uit de Europese klimaatwet volgt dat de EU-doelen van klimaatneutraliteit in 2050 en tenminste 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 ten opzichte van 1990 binnen de Europese Unie worden gerealiseerd. Dit betekent dat voor het realiseren van deze doelen geen artikel 6 kredieten gebruikt kunnen worden.
Wanneer verwacht de Minister dat deze «Paris Agreement Crediting Mechanism» (PACM) operationeel zal worden? Wat is daar nog voor nodig?
Onder artikel 6.2 zijn enkele landen al begonnen met het opzetten van samenwerkingsverbanden, zie ook het antwoord op vraag 5.
Het toezichthoudend orgaan voor artikel 6.4 zal de komende maanden met hulp van een expertpanel de methodologieën vaststellen op grond waarvan koolstofkredieten kunnen worden afgegeven. Deze methodologieën moeten voldoen aan de bovengenoemde standaarden. Op dit moment is de verwachting is dat halverwege 2025 de eerste 6.4-kredieten kunnen worden afgegeven.
Op welke wijze kunnen bedrijven gebruik gaan maken van het PACM? Klopt het dat het mogelijk wordt voor bedrijven om emissiereductieprojecten van andere bedrijven te kopen om daarmee de eigen klimaatdoelstellingen te realiseren; «For example, through this mechanism a company in one country can reduce emissions in that country and have those reductions credited, so that it can sell them to another company in another country. That second company may use them for complying with its own emission reduction obligations or to help it meet net-zero targets»?2
Bedrijven kunnen, net als landen, direct koolstofkredieten gaan kopen via artikel 6.4 (PACM). Er bestaan twee soorten koolstofkredieten onder artikel 6.4: Mitigatie contributie units (MCUs) of geautoriseerde 6.4 kredieten. Bij MCUs telt de mitigatie mee voor de klimaatdoelen (NDC) van het land waar het project gevestigd is. Een MCU is dus een bijdrage aan de klimaatdoelen van dat land. Bij geautoriseerde 6.4 kredieten telt de mitigatie niet mee voor de NDC van het land waar het project gevestigd is. Het land geeft hier toestemming (autorisatie) voor. Dit geeft de koper een unieke claim op de gerealiseerde mitigatie.
Bedrijven kunnen op basis van MCUs of geautoriseerde artikel 6.4 kredieten vervolgens vrijwillige klimaatclaims doen. Artikel 6 koolstofkredieten kunnen niet gebruikt worden in het EU ETS of om aan nationale verplichtingen te voldoen.
Nederland heeft samen met een groep EU-landen een gemeenschappelijke positie op vrijwillige klimaatclaims ontwikkeld en aanbevelingen voor kopers gepubliceerd tijdens de VN-klimaattop in Dubai in 2023.3 In hoofdstuk 3 van deze aanbevelingen wordt uiteengezet welke geloofwaardige claims bedrijven kunnen doen met verschillende soorten koolstofkredieten.
Klopt het dat landen onder het Klimaatakkoord van Parijs, artikel 6.2, op vrijwillige basis kunnen samenwerken om emissiereducties te realiseren die meetellen met de Nationally Determined Contributions (NDCs), via de zogenoemde «Internationally Transferred Mitigation Outcomes» (ITMOs)? Hoe gaat dat in z’n werk?
Dit klopt. Op grond van artikel 6.2 kunnen landen rechtstreeks met elkaar samenwerken (een samenwerkingsverband aangaan), in plaats van via de «marktplaats» onder artikel 6.4 handelen.
Landen maken van tevoren afspraken met elkaar over hoe deze samenwerking eruit gaat zien en rapporteren over de samenwerking aan de VN.
Hoewel er geen toezichthoudend orgaan is voor samenwerkingsactiviteiten via artikel 6.2, zijn er uitgebreide rapportage- en boekhoudkundige vereisten afgesproken tijdens COP29.
Er zijn al landen die begonnen zijn met het opzetten van deze samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld Zwitserland met Ghana, Thailand en Vanuatu.4
Een ander voorbeeld van mogelijke samenwerking onder artikel 6.2 is het koppelen van emissiehandelssystemen. Het koppelen van emissiehandelssystemen creëert een grotere koolstofmarkt, die de deelnemende regio’s kostenefficiëntere opties kan bieden om hun emissies te verminderen. De EU zal hier mogelijk gebruik van maken in de toekomst. Het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) is reeds gekoppeld aan het Zwitserse ETS, en de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk (VK) voorziet in de mogelijkheid om in de toekomst het VK ETS te koppelen aan het EU ETS.
Op welke wijze gaat Nederland gebruik maken van het PACM en de ITMOs? Gaat het kabinet deze instrumenten inzetten om haar klimaatdoelen te realiseren?
Uit artikel 2 en 4 van de Europese klimaatwet volgt dat de EU-doelen van klimaatneutraliteit in 2050 en tenminste 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 t.o.v. 1990 binnen de Europese Unie worden gerealiseerd. Dit betekent dat voor het realiseren van de Europese klimaatdoelen voor 2030 en 2050 geen artikel 6 kredieten gebruikt kunnen worden, omdat het daarbij gaat om reductie van broeikasgasemissies buiten de EU.
In de Nederlandse Klimaatwet is voor 2030 een streefdoel opgenomen om de emissies van broeikasgassen binnen Nederland met 55% te reduceren ten opzichte van 1990 (artikel 2, tweede lid). Voor 2050 is opgenomen dat Nederland overeenkomstig de Europese klimaatwet de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert (artikel 2, eerste lid). Voor het realiseren van dit 2050-doel zou Nederland gebruik kunnen maken van eventuele toekomstige mogelijkheden in de Europese wetgeving om bijdragen aan klimaatneutraliteit te salderen tussen lidstaten, indien deze worden gecreëerd.
Omdat het bij artikel 6 kredieten echter gaat om mitigatie die plaatsvindt buiten Nederland en buiten de EU kunnen deze kredieten niet bijdragen aan het realiseren van bovengenoemde doelen. Het kabinet is daarom momenteel niet voornemens om gebruik te maken van de mogelijkheden die artikel 6 biedt.
In Europees verband wordt mogelijk in de toekomst wel gebruik gemaakt van artikel 6 voor het linken van ETS, zie daarvoor het antwoord op vraag 5.
De vertraging bij de bouw van nieuwe kerncentrales |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de bouw van de nieuwe kerncentrales (wederom) vertraging oploopt zoals aangegeven in het NRC-artikel?1
De vertraging waar in het NRC-artikel aan gerefereerd wordt gaat over de doorlooptijd van de onderzoeken die nodig zijn voor een voorkeursbeslissing over de locatiekeuze in het kader van de projectprocedure. Het klopt dat de locatiekeuze is vertraagd. Wat deze vertraging betekent voor de uiteindelijke bouw en oplevering van de twee kerncentrales, is nu nog niet goed te zeggen. Wel lijkt het niet meer realistisch om de eerste centrale in 2035 operationeel te hebben. Voordat we toe zijn aan de bouw van 2 nieuwe centrales moeten nog heel veel stappen worden doorlopen. Zowel in de ruimtelijke procedure, als in de aanbesteding, als in de vergunningverlening, als in de uiteindelijke bouw. Een detailplanning van al deze stappen is op dit moment nog niet te geven. Ik houd de ambitie overeind om zo snel mogelijk als realistisch de eerste centrale operationeel te hebben.
Als onderdeel van de routekaart voor de bouw van twee kerncentrales uit december 20222 is een planningsanalyse opgesteld. Doel van de analyse is om te komen tot een fasering van voorbereiding van de bouw waarmee maximaal snelheid wordt gemaakt. De planningsanalyse stelt dat de bouw van een kerncentrale een lang en complex proces is met vele verschillende werksporen en inherente onzekerheden. De planningsanalyse beval aan om de onzekerheden te verkleinen door een interactie op te starten met de technologieleveranciers en technische haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren. Deze twee activiteiten zijn met prioriteit opgepakt en de resultaten ervan komen binnenkort beschikbaar. Hierdoor kan een betere inschatting worden gegeven van de planning van de bouw. Tegelijkertijd blijft dit traject een complex proces, waarbij steeds opnieuw keuzes moeten worden gemaakt over te zetten stappen. Dergelijke keuzes neemt het kabinet altijd in het licht van een maximale snelheid van de gehele voorbereiding en realisatie. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) over nieuwbouw kerncentrales zullen de nieuwe inzichten met betrekking tot de algehele planning gegeven kunnen worden. Ook is dan informatie beschikbaar over het effect van de vertraging van de locatiekeuze op de volgende stappen van de selectie van de technologieleverancier.
Ten aanzien van de vertraging in de locatiekeuze zijn de oorspronkelijk gecommuniceerde doorlooptijden erg ambitieus voor een project dat qua aard, omvang, impact en maatschappelijke gevoeligheid uniek is. Daarbij geldt dat een juridisch houdbaar besluit uiteindelijk de snelste en dus beste weg is naar realisatie. Daarom zijn er afgelopen tijd stappen gezet die ingrijpen op de gewenste planning van de locatiekeuze, maar die er wel voor zorgen dat het besluit robuuster wordt.
Meest recent is naar aanleiding van inspraakreacties een juridische analyse aangekondigd naar de noodzaak het gebied Eemshaven toe te voegen als zoekgebied3. Tegelijkertijd met de beantwoording van deze Kamervragen is het advies van de Landsadvocaat aan de Kamer gestuurd. De conclusie van de Landadvocaat is dat de door mij gevraagde mate van zekerheid niet gegeven kan worden. De moties die op 4 maart 2021 in de Tweede Kamer zijn aangenomen vormen zeker een argument om te stellen dat de Eemshaven geen realistisch alternatief is. Uit de rechtspraak van de Afdeling kan echter ook worden opgemaakt dat een puur beleidsmatig argument onvoldoende is. Ook voor een gebrek aan draagvlak is de vraag of dit argument alleen voldoende is. De Landsadvocaat voegt daar nog aan toe dat ook de Commissie mer over de plan-m.e.r. zal adviseren. Wanneer de Eemshaven niet wordt meegenomen, is het een reëel risico dat de Commissie mer hierover een kritische opmerking maakt. Dat deed zij ook in de zaak van het Regionaal Bedrijven Terrein Twente. Dan zouden appellanten in een uiteindelijke beroepsprocedure nog een extra troef in handen hebben. Dat maakt het toch al beperkte comfort om de Eemshaven niet alsnog in het m.e.r. te betrekken dan nog minder groot.
De tijd van de advisering door de Landsadvocaat is ook benut om een gevoeligheidsanalyse op te starten, die alle mogelijke gebieden in beeld zijn voor het locatieonderzoek. Met behulp van geografische informatie is gekeken welke gebieden in Nederland op basis van alleen de internationale (veiligheids)criteria van het Internationaal Atoomenergieagentschap mogelijk geschikt zouden kunnen zijn voor kerncentrales. De gevoeligheidsanalyse is ook belangrijk vanwege de verhoogde ambitie van dit kabinet als het gaat om het aandeel kernenergie en de inzet op de bouw van een derde en vierde kerncentrale in Nederland.
Al deze stappen kosten helaas extra tijd, maar verkleinen de onzekerheden in de planning waarnaar in de planningsanalyse is verwezen. Boven alles is het vervelend dat deze extra tijd nodig is en dat het kabinet zich gedwongen ziet om Eemshaven als zoekgebied mee te nemen in het locatieonderzoek. Zo snel mogelijk dit jaar maakt het kabinet bekend welke locatiealternatieven het gaat onderzoeken. Dan zal ook meer duidelijk worden over de planning van de locatiekeuze die tot nu toe op medio 2025 stond. Duidelijk is wel dat dit jaar voor de locatiekeuze niet meer haalbaar is.
Zie verder de antwoorden op vragen 7 t/m 10.
Kunt u een overzicht geven van de stappen die sinds de publicatie van het coalitieakkoord van het vorige kabinet Rutte IV (10 januari 2022) zijn gezet om de bouw van twee kerncentrales in Borssele te realiseren?
In fase 1 van het nieuwbouwtraject «het voorbereiden van de besluitvorming» wordt toegewerkt naar een ontwerp locatiebesluit, een start van de aanbesteding en de oplevering van een voorlopig Rijk Regio pakket. Om daar te komen worden vier werksporen doorlopen; financiering (marktconsultatie), technische haalbaarheidsstudies, eerste fase van de projectprocedure en Rijk-Regiopakket. Daarnaast wordt er separaat gewerkt aan de opbouw van de projectorganisatie.
Start datum
Stap
Kamerstuk
Status
Nov 2022
Missiegedreven Meerjaren Innovatie Programma is opgestart
Kamerstuk 32 645, nr. 101 aangekondigd; Voortzetting in nr. 118, 120 en 128)
Doorlopend
Dec 2022
Routekaart nieuwbouw kerncentrales inclusief voorbereidende studies
Kamerstuk 32 645, nr. 98 (aangekondigd), nr. 116
Voltooid
Dec 2022
Start marktconsultatie
Kamerstuk 32 645 nr. 116 aankondiging; nr. 117 concrete aankondiging; nr. 121 in uitvoering; nr. 132 uitgevoerd en gedeeld)
Voltooid
Dec 2022
Start technische haalbaarheidsstudies
Kamerstuk 32 645, nr. 116 aankondiging; nr. 117 concrete aankondiging; nr. 121 in uitvoering; nr. 132 uitgevoerd)
Voltooid
Juni 2023
Participatietraject opgestart met publicatie van een participatie- en communicatieplan
Kamerstuk 32 645 nr. 116 (aangekondigd) nr. 117
voltooid/doorlopend
Feb 2024
Publicatie Voornemen en Voorstel voor participatie
Kamerstuk 32 645 nr. 121
voltooid
Feb 2024
Oplevering systeemstudie kernenergie, aankondiging vervolgstudie
Kamerstuk 32 645 nr. 121
Voltooid/vervolg loopt
Feb 2024
Het Rijk-Regiopakket is opgestart en is in ontwikkeling
Kamerstuk 32 645, nr. 121 aangekondigd; 11 september in ontwikkeling; 132 in ontwikkeling.
Loopt
Feb 2024
Het VenP is afgerond en het vestigings- en waarborgingsbeleid is geactualiseerd. Deze ontwikkelingen hebben aanleiding gegeven om naar additionele locaties te kijken.
Kamerstuk 32 645, Nr. 121 aangekondigd; nr. 131 publicatie reacties VenP;
voltooid
Feb 2024
Start opzet projectorganisatie
Kamerstuk 32 645, nr. 121 aangekondigd; Kamerstuk 28 165, nr. 420 nader uitgewerkt; nr. 132 melding aantrekking kwartiermaker en team.)
voltooid
Aug 2024
Third-party Review ter controle en aanvulling van de Marktconsultatie en Technische Haalbaarheidsstudies
Kamerstuk 32 645, nr. 121 aangekondigd; nr. 132 uitgevoerd)
Loopt
Sept 2024
Intentieverklaring getekend en start gebiedsverbinder Rijk-Regio pakket
Kamerstuk 32 645, nr. 131
Loopt
Nov 2024
Juridisch onderzoek Eemshaven
Kamerstuk 32 645, nr. 132
Voltooid
Hoeveel onderzoeken naar de bouw van kerncentrales zijn er sinds Rutte IV uitgevoerd, en welke kosten waren hiermee gemoeid?
Tot nu toe zijn met Klimaatfondsmiddelen verschillende onderzoeken ten behoeve van de nieuwbouw van kerncentrales uitgevoerd.
Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de technische haalbaarheidsstudies – inclusief de inhuur van externe nucleaire expertise – locatieonderzoeken, koelwaterstudies en een onafhankelijke review van een derde partij en vergelijking met het buitenland (totaal € 25 miljoen). Ook zijn er enkele financiële onderzoeken uitgevoerd (€ 660.000). Deze verschillende onderzoeken voorzien een beter inzicht in de voorbereiding en uitvoering van de bouw van de kerncentrales, en verminderen daarmee de risico’s van het project. De informatie uit deze studies helpt ook om te bepalen welke eisen we willen stellen aan de bouw van de nieuwe centrales. Tot slot zijn adviezen gevraagd op het gebied van governance in relatie tot de projectorganisatie (€ 80.000) en omtrent de participatie- en communicatiestrategie (€ 55.000). Deze adviezen helpen in het vormgeven en opzetten van de organisatie die verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van het project en bieden duidelijke richtlijnen in het betrekken en informeren van stakeholders, onder andere in de verschillende regio’s. Dit is noodzakelijk om uiteindelijk een houdbaar en robuust locatiebesluit te nemen.
Hoeveel onderzoeken naar de locatiekeuze van kerncentrales zijn er sinds Rutte IV uitgevoerd, en welke kosten waren hiermee gemoeid?
Ten behoeve van de projectprocedure Nieuwbouw Kerncentrales voor de bouw van de eerste twee kerncentrales wordt een onderzoek uitgevoerd naar locaties in Nederland. Dit locatieonderzoek leidt tot een planMER en integrale effectenanalyse van de verschillende alternatieve locaties. Hiermee is een bedrag gemoeid van ca. € 1,5 miljoen.
Daarnaast zijn onderzoeken uitgezet naar de koelwatercapaciteit van verschillende wateren en naar karakteristieken van de ondergrond nabij de locaties. Deze onderzoeken zullen naar verwachting circa € 250.000 kosten.
Hoeveel geld is er tot nu toe uitgegeven of toegewezen aan de bouw van nieuwe kerncentrales sinds Rutte IV en welk gedeelte hiervan gaat naar onderzoek, welk gedeelte naar de kennis- en onderzoeksinfrastructuur, en welk gedeelte gaat naar overige categorieën?
Bij de start van het Klimaatfonds was er voor het perceel Kernenergie € 5 miljard gereserveerd. Bij de start van het huidige kabinet is hier € 9,5 miljard bijgekomen. Van deze in totaal € 14,5 miljard zijn de volgende bedragen al toegekend aan specifieke uitgaven in 2023 t/m 2030:
Deze middelen zijn grotendeels toegekend voor de verouderingsonderzoeken.
Deze middelen zijn grotendeels toegekend voor de projectorganisatie (€ 90 miljoen), de technische haalbaarheidsstudies, inclusief de inhuur van externe nucleaire expertise, locatieonderzoeken, koelwaterstudies en een onafhankelijke review van een derde partij en vergelijking met het buitenland (€ 25 miljoen), voor de jaren 2023 t/m 2030.
Welke resultaten van eerdere onderzoeken zijn vertaald in beleidsmaatregelen, wetswijzigingen, locatiebesluiten of andere concrete stappen richting de realisatie van deze kerncentrales?
Het kabinet werkt op grond van de routekaart4 nu aan de fase van de voorbereiding van politieke besluitvorming. Hierover dienen besluiten te worden genomen met betrekking tot de technologieselectie, het government support package, locatie en Rijk-Regio pakket. Deze besluiten zijn nog niet genomen. Onder vraag 2 zijn de concrete stappen opgenomen die opeenvolgende kabinetten sinds de routekaart eind 2022 hebben gezet. De concrete vertaling in beleid- en regelgeving zal vanaf dit jaar gebeuren in de genoemde besluiten over de government support package, technologieselectie, eerste fase van de projectprocedure en Rijk-Regiopakket.
Wat heeft het ministerie sinds de initiële locatiekeuze in Borssele gedaan om juridische bezwaren tegen deze locatie zoveel mogelijk te voorkomen? Heeft u overwogen om vast te houden aan deze locatiekeuze?
Voor een juridisch houdbaar besluit is het cruciaal dat het besluit zorgvuldig wordt voorbereid. Dit besluit wordt voorbereid door middel van de projectprocedure die voor de eerste twee kerncentrales in februari 2024 is gestart. Voor het zoveel mogelijk voorkomen van bezwaren is het cruciaal dat vanaf het begin wordt ingezet op participatie door belanghebbenden. Om een definitieve locatiekeuze (in de zogenaamde voorkeursbeslissing) te maken die juridisch houdbaar is moeten redelijke alternatieven in beeld worden gebracht. Dit is een Europese verplichting, die in Nederland in de Nederlandse wetgeving is vastgelegd. Naast Borssele/Vlissingen (Sloegebied) en Maasvlakte I zijn hierom ook Terneuzen, Maasvlakte II en Eemshaven in beeld. De Minister heeft in het Commissiedebat van 13 oktober 20225 toegezegd een voorkeurslocatie aan te wijzen en daarbij aangegeven dat dit niet betekent dat de voorkeurslocatie ook de definitieve locatie wordt. Het kabinet deelt de ambitie die uit het uitspreken van een voorkeurslocatie volgt, maar alleen volstaan met onderzoek naar Borssele is niet in lijn met wet- en regelgeving; redelijke alternatieven dienen gelijkwaardig onderzocht te worden alvorens een definitieve locatiekeuze gemaakt kan worden.
Daarbij is het ook belangrijk dat ingezet wordt op vroegtijdige participatie. In het Voornemen en Voorstel voor participatie dat in februari 2024 ter inzage is gegaan, wordt beschreven hoe het ministerie inwoners betrekt bij de projectprocedure. Daarnaast zijn ook de gemeente Borsele en provincie Zeeland vroegtijdig gestart met het opzetten van participatie. Zij hebben hun inwoners gevraagd welke voorwaarden zij willen stellen aan de mogelijke komst van grote energieprojecten in de regio, waaronder twee nieuwe kerncentrales. Om op een juiste manier gehoor te geven aan beide voorwaardenpakketten werkt het Ministerie van Klimaat en Groene Groei samen met de provincie Zeeland en gemeente Borsele aan een Rijk-Regiopakket aan maatregelen om de impact op de leefomgeving te verminderen en een impuls te geven aan de regio.
Waarom wordt nu pas besloten om alternatieve locaties, zoals Terneuzen, de Tweede Maasvlakte en de Eemshaven, nader te onderzoeken? Waarom is daar de afgelopen drie jaar niet voor gekozen als dit blijkbaar toch noodzakelijk was? Wat is hier misgegaan?
In december 2022 heeft het kabinet aangegeven dat Borssele de voorkeurslocatie is voor de nieuwbouw naar aanleiding van een toezegging van de Minister aan het lid Erkens (TZ202210-116). Het uitspreken van een voorkeur voor Borssele heeft versnelling van de uiteindelijke oplevering tot doel gehad, door het nu al uitvoeren van technische haalbaarheidsonderzoeken. Ook heeft het kabinet toen aangegeven dat dit geen definitief locatiebesluit is, maar dat voor een definitief locatiebesluit een m.e.r.-procedure doorlopen dient te worden. De keerzijde van het uitspreken van een voorkeur is dat verwachtingen zijn gewekt over de definitieve locatiekeuze. In de brief van december 2022 heeft het kabinet aangegeven dat Maasvlakte I in ieder geval beschouwd wordt als redelijk alternatief in de m.e.r.-procedure. In februari 2024 is dan ook de projectprocedure op basis van de Omgevingswet gestart. In deze projectprocedure zal de m.e.r.-procedure worden doorlopen en een definitieve locatiekeuze worden voorbereid (de zogenaamde voorkeursbeslissing). In de brief van 11 september 2024 zijn Terneuzen en Maasvlakte II als zoekgebied in beeld gekomen en in november 2024 is daar de mogelijkheid van Eemshaven bijgekomen. Er is dus nooit sprake geweest dat alleen locatie Borssele zou moeten worden onderzocht. In de brief van 1 februari 2024 heeft mijn ambtsvoorganger dit als volgt verwoord: «Met de technische haalbaarheidsstudies wordt duidelijk of de ontwerpen van de bedrijven op het terrein van EPZ gerealiseerd kunnen worden. Hiermee loop ik vooruit op de integrale afweging en de ontwerp-voorkeursbeslissing die medio 2025 in de projectprocedure genomen wordt. Met andere woorden: na weging van alle ruimtelijke- en milieuaspecten kán een andere locatie uiteindelijk planologisch worden aangewezen.»
Om snelheid te maken heeft het Kabinet werksporen parallel geschakeld, waarbij het kabinet in de routekaart van december 2022 heeft aangegeven dat de locatiekeuze uiteindelijk zal worden gemaakt in de projectprocedure. Deze projectprocedure zal het Kabinet zorgvuldig doorlopen en daar hoort vanzelfsprekend ook alternatievenonderzoek bij. Een juridisch houdbaar besluit is de snelste weg naar een robuuste locatiekeuze en daarmee een bestendige uitvoering.
Het kabinet beseft zich dat de ontwikkeling van nieuwe energieprojecten in de provincie Groningen gevoelig ligt en is zich bewust van de bestuurlijke wensen in de regio. Daarom heeft het kabinet de Landsadvocaat eerder om advies gevraagd of het mogelijk is om de Eemshaven op voorhand uit te sluiten bij het locatie onderzoek.
De conclusie die het kabinet op basis van het advies trekt is dat met het oog op een juridisch houdbaar besluit helaas niet mogelijk is om het gebied Eemshaven op voorhand uit te sluiten. Dat betekent dat er gekeken zal moeten worden of er reële locatie-alternatieven beschikbaar zijn. Indien dit het geval is zullen deze locatie-alternatieven onderdeel worden van het locatie-onderzoek naar de bouw van twee kerncentrales en worden beschreven in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD).
Het kabinet vindt het zeer belangrijk om rekening te houden met de gevoelens in de samenleving. Maar het kabinet wil ook een juridisch houdbaar besluit om vertraging later te voorkomen. Hier hoort bij dat een zorgvuldige procedure wordt doorlopen om tot weloverwogen keuzes te komen.
Nu dit advies er ligt, zal het kabinet zo snel mogelijk de concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau afronden. In deze concept NRD worden de locaties beschreven, waar nader onderzoek naar zal worden gedaan. Dit onderzoek zal in de vorm van een planMER en Integrale Effectenanalyse (IEA) worden uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek zal ik in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vervolgens een keuze maken ten aanzien van de voorkeurslocatie voor deze twee kerncentrales in de zogenaamde voorkeursbeslissing. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) zal ook een nieuwe verwachting volgen over het moment waarop de ontwerp-voorkeursbeslissing gereed is. Duidelijk is al wel dat 2025 niet meer haalbaar is.
Hoeveel vertraging verwacht u door het verplicht nader onderzoeken van extra locaties, en wat betekent dit voor de beoogde oplevering in 2035?
In het locatie-onderzoek wordt rekening gehouden met onderzoek naar locaties in de gebieden Borssele/Vlissingen (Sloegebied) en op de Maasvlakte I. Daarnaast is ruimte voorzien om, naar aanleiding van het alternatievenonderzoek, mogelijk aanvulling te plegen met een derde gebied waarin locaties onderzocht zouden kunnen worden. De toevoeging van Maasvlakte II heeft geen groot effect gehad op het alternatievenonderzoek maar de toevoeging van Terneuzen kent kosten in de ordegrootte van circa 100.000,–. De mogelijke toevoeging van Eemshaven kent eveneens kosten in de ordegrootte van circa 100.000,–.
De kosten die gemaakt worden voor onderzoek naar koelwatercapaciteit en ondergrond zijn inbegrepen in de 250.000,– genoemd bij het antwoord op vraag 4.
De toevoeging van Terneuzen en Maasvlakte II heeft enkele maanden tijd gevergd aan extra vooronderzoek en het activeren van ambtelijke en bestuurlijke betrekkingen op dit onderwerp. Daarbij geldt voor elke toegevoegde locatie dat er ook inspanning nodig is om een omgevingsproces vorm te geven om burgers en andere belanghebbenden op een degelijke manier te informeren over de procedure en te betrekken bij de besluitvorming. De toevoeging van Eemshaven in het onderzoek betekent naar huidig inzicht circa 6 maanden extra doorlooptijd ten opzichte van de eerdere verwachting.
Zo snel mogelijk dit jaar maakt het kabinet bekend welke locatiealternatieven het gaat onderzoeken. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) zal een nieuwe verwachting volgen over het moment waarop de ontwerp-voorkeursbeslissing gereed is. Duidelijk is al wel dat 2025 niet meer haalbaar is.
Welke kosten en tijdsbesteding zijn gemoeid met het aanvullende onderzoek naar de drie nieuwe locaties?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe wordt gegarandeerd dat de uitkomsten van eerdere haalbaarheidsstudies niet opnieuw hoeven te worden onderzocht, zoals nu wordt gesuggereerd voor alternatieve locaties?
Om de technische haalbaarheidsstudies volledig en in voldoende detail te kunnen uitvoeren is een specifiek terrein aangewezen. Daartoe heeft het kabinet in de Kamerbrief van 9 december 20226 onderbouwd welk terrein hiervoor geschikt lijkt te zijn en is het EPZ-terrein in Borssele als voorkeurslocatie aangewezen. Als in de projectprocedure een andere locatie wordt aangewezen, moet een deel van de technische haalbaarheidsstudies mogelijk opnieuw worden uitgevoerd. Hiermee is een bewust maar beperkt risico genomen omdat een groot gedeelte van de technische haalbaarheidsstudies ook representatief zal zijn voor andere locaties die in de projectprocedure zullen worden meegenomen. Aspecten die verschillen per locatie, zoals de precieze samenstelling van de bodem, of toegang tot koelwater, zullen opnieuw moeten worden gedaan als besloten wordt tot een andere locatie. Dit is een beperkt deel van de Technische Haalbaarheidsstudies.
In hoeverre zijn juridische verplichtingen, zoals de eis om alle redelijke alternatieven te onderzoeken, een belemmering voor de voortgang van grote projecten zoals kerncentrales?
Het onderzoek naar de redelijke alternatieven voor een project is een onderdeel van de op grond van de Europese mer-richtlijnen verplichte milieueffectrapportage. De verplichting deze rapportage uit te voeren is in Nederland in de Nederlandse wetgeving vastgelegd. Het alternatievenonderzoek is nodig om een gedegen afweging te kunnen maken en het uiteindelijke projectbesluit deugdelijk te motiveren en leidt zo tot betere besluitvorming. Deze eis is daarom geen belemmering voor de voortgang van grote projecten. De gevoeligheden rond locatie Eemshaven (zie het antwoord op vraag 8 en de Kamerbrief van 22 november 20247) moeten dan ook bezien worden vanuit het oogpunt van de juridische houdbaarheid van het projectbesluit en maken daarom het voorgaande niet anders.
Waarom wordt de relevante wetgeving, die leidt tot deze stapeling van onderzoeken en juridische procedures, niet aangepast om vertragingen te voorkomen?
In december 2024 is de Kamer geïnformeerd over de versnellingsaanpak energietransitie met daarin aandacht voor juridisch instrumentarium8. Hiervoor is een verkenning gedaan naar welke wettelijke aanpassingen er mogelijk zijn om procedures te versnellen, en daarmee doorlooptijden te verkorten en/of vertraging te voorkomen, voor energie-infrastructuurprojecten. De meest kansrijke opties zijn opgenomen in een juridisch versnellingspakket en worden thans uitgewerkt in verschillende wet- en regelgevingstrajecten. De juridische maatregelen zijn gericht op structurele en procedurele versnelling van verschillende energiemodaliteiten, type projecten en projectfases.
In het bovengenoemde juridische versnellingspakket zit ook een aantal opties voor het verder versnellen van de projectprocedure die ook van belang zijn voor realisatie van de nieuwe kerncentrales. Deze worden momenteel nader onderzocht. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over de procedurele stappen in de verkenningsfase van de projectprocedure in relatie tot participatie en het moment van onafhankelijk advies. De kansrijke opties voor versnelling zijn in beeld en worden uitgewerkt in verschillende wet- en regelgevingstrajecten.
Wat voor wetswijziging is nodig om alsnog een definitieve locatiekeuze te maken die juridisch houdbaar is? Welke wetsbepaling in welke wetten zouden hiervoor aangepast moeten worden?
Voor een juridisch houdbare locatiekeuze is geen wetswijziging nodig, maar zorgvuldig onderzoek, transparante besluitvorming en vroegtijdige participatie (zie het antwoord op vraag9. Vanuit het oogpunt van Europese verplichtingen, zorgvuldigheid en draagvlak voor de uiteindelijk gekozen locatie is een wetswijziging op dit punt niet wenselijk, nodig of mogelijk.
Bent u bereid om dergelijke wetswijzigingen door te voeren, waarmee ook de juridische houdbaarheid van besluiten versterkt wordt, en toekomstige vertragingen voorkomen worden?
Zie antwoord vraag 14.
Welke concrete stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat de bouw van de kerncentrales, ondanks deze vertragingen, nog steeds in 2035 is afgerond? Welke versnellingsopties heeft u nog op de plank liggen die u kunt nemen om het proces te versnellen?
In de Kamerbrief van afgelopen november benadrukt het kabinet dat, door de verschillende werksporen parallel uit te voeren, conform de wens van de Kamer op dit moment maximaal wordt versneld. In de brief van 1 februari 2024 heeft mijn ambtsvoorganger dit als volgt verwoord: «Met de technische haalbaarheidsstudies wordt duidelijk of de ontwerpen van de bedrijven op het terrein van EPZ gerealiseerd kunnen worden. Hiermee loop ik vooruit op de integrale afweging en de ontwerp-voorkeursbeslissing die medio 2025 in de projectprocedure genomen wordt. Met andere woorden: na weging van alle ruimtelijke- en milieuaspecten kán een andere locatie uiteindelijk planologisch worden aangewezen.» Zoals gememoreerd in het antwoord op de eerste vraag blijft de bouw van twee grote kerncentrales een complex proces, waarbij steeds opnieuw keuzes moeten worden gemaakt over te zetten stappen. Dergelijke keuzes neemt het kabinet altijd in het licht van een maximale snelheid van de gehele voorbereiding en realisatie. Een juridisch houdbaar besluit is in ons aller belang, want dit vormt uiteindelijk de snelste weg naar realisatie is. In de volgende voortgangsbrief over nieuwbouw kerncentrales zullen de nieuwe inzichten met betrekking tot de planning gegeven kunnen worden. Ook is dan informatie beschikbaar over het effect van de vertraging van de locatiekeuze op de volgende stappen van de selectie van de technologieleverancier en wat daaraan in mitigerende zin gedaan kan worden.
Welke maatregelen zijn mogelijk om na de locatiekeuze de bijbehorende vergunningtrajecten, aanbestedingen en andere essentiële besluitvorming te versnellen? Welke juridisch houdbare routes zijn hiervoor mogelijk?
Er is op dit moment nog geen inzicht in concrete maatregelen die mogelijk zijn om na de locatiekeuze de bijbehorende processen en besluitvorming te versnellen. De verwachting is dat de resultaten van de Third Party Review meer inzicht zullen bieden als het gaat om de planning voor de bouw van de kerncentrales. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, is het van belang dat de procedures zorgvuldig worden doorlopen.
Zijn er mogelijkheden om de bouw van kerncentrales onder de Renewable Energy Directive (RED III) / Net-zero industry act aan te merken als een project van hoger openbaar belang gezien de voordelen voor de klimaattransitie, de verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland door het vervangen van fossiele opwek, en de afname van gevaarlijke geopolitieke afhankelijkheid op het gebied van energie? Wat zou dit in de praktijk betekenen voor de tijdslijnen van de bouw van kerncentrales?
In de RED III wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen. Kernenergie valt niet onder deze scope en kernenergieprojecten kunnen onder deze richtlijn dus niet aangemerkt worden als versnellingsgebied.
De Net-Zero Industry Act (NZIA) heeft onder andere als doel om in de EU de productiecapaciteit te stimuleren van netto-nul technologieën die essentieel zijn voor klimaatneutraliteit. Onder deze verordening worden alle kernenergie-technologieën als netto-nul technologieën beschouwd.
De NZIA introduceert het begrip «netto-nul strategisch project» voor projecten die van vitaal belang zijn voor het verbeteren van de veerkracht, strategische autonomie en concurrentiekracht van de netto-nul industrie in de EU.
Voor de bouw van kerncentrales zouden netto-nul strategische projecten in de Nederlandse context dus inderdaad de prioriteitsstatus «strategische project van nationaal belang» kunnen krijgen.
De bouw van de kerncentrales is gezien de omvang al een project van nationaal belang en doorloopt de projectprocedure.
De bijbehorende doorlooptijden voor vergunningverlening in deze procedure (formeel maximaal zes maanden) zijn bovendien korter dan die de NZIA voorschrijft (maximaal negen maanden). Het aanmerken van het project als netto-nul strategisch project onder de NZIA heeft in de praktijk dan ook geen effect op de tijdlijnen van de bouw van de kerncentrales in Nederland.
Zijn er mogelijkheden om de bouw van kerncentrales onder de Net-Zero Industry Act aan te merken als strategisch nettonulproject met hoogst mogelijke status van nationaal belang? Wat zou dit in de praktijk betekenen voor de tijdslijnen van de bouw van kerncentrales?
Zie antwoord vraag 18.
Wat zijn de versnellingsmogelijkheden onder de omgevingswet? Zouden kerncentrales zich kwalificeren om gekenmerkt te worden als een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang? Zo ja, wat zou dat betekenen voor de tijdslijnen? Of zou een rijksprojectprocedure geschikter zijn? Wat zou dat betekenen voor de tijdslijnen?
Voor energieprojecten van nationaal belang waaronder de bouw van kerncentrales is de projectprocedure het instrument dat het meest geschikt is om te voorzien in de inpassing van deze projecten in de fysieke leefomgeving10. Daarmee biedt deze procedure in de regel de meeste snelheid.
Een standaardtijdslijn is voor de projectprocedure niet te geven, voor elke procedure is dit project afhankelijk. Het hangt onder meer af van de wijze waarop de participatie wordt ingericht, hoeveel reacties worden ontvangen en welk onderzoeken precies nodig zijn. Daarin verschillen de instrumenten van de Omgevingswet niet. In alle gevallen is participatie nodig en zal hetzelfde soort (mer-)onderzoek nodig zijn om een zorgvuldig besluit te kunnen nemen.
De omgevingsplanactiviteit van nationaal belang is een procedure waarbij een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt door een op Rijksniveau verleende vergunning waarbij wordt afgeweken van het omgevingsplan. Dit laat onverlet dat er ook andere vergunningen nodig zijn voor die ontwikkeling, die moeten worden verleend door het voor die vergunningen bevoegde gezag. Bij de projectprocedure kunnen de benodigde ruimtelijke toestemming en de overige vergunningen samen worden genomen en kan op Rijksniveau regie worden gevoerd op de timing en samenhang van alle vergunningen. De projectprocedure heeft verder als voordeel dat dit een gestroomlijnde besluitvormingsprocedure heeft. De projectprocedure is daarmee het meest geschikt om een complex project als een kerncentrale te realiseren.
Voor complexe en ingrijpende projecten zoals de bouw van de kerncentrales is een brede verkenning en vroegtijdige participatie van publiek en belanghebbenden, leidend tot een gedragen voorkeursrichting en gecoördineerde uitvoering van groot belang. De projectprocedure is hierop ingericht.
Ook mist een procedure via een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang andere voordelen van de projectprocedure, zoals beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de coördinatie vanuit één Minister. De procedure voor een omgevingsplanactiviteit van nationaal belang lijkt daarmee meer complex dan de projectprocedure.
Hoe staat het met het ontwerpbesluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten? Zou dit een mogelijkheid bieden om de realisatie van de kerncentrales in 2035 mogelijk te blijven houden? Welke aanpassingen zijn nodig aan het ontwerpbesluit om kerncentrales expliciet eronder te laten vallen?
Voor de procedurele versnelling van regionale elektriciteitsprojecten wordt gewerkt aan de algemene maatregel van bestuur Besluit procedurele versnellingen elektriciteitsprojecten. Dit besluit is gebaseerd op het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting, waarin een grondslag is opgenomen voor aanwijzing van besluiten voor categorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Dit wetsvoorstel ligt thans ter behandeling bij de Tweede Kamer. Voorhang van de algemene maatregel van bestuur kan pas plaatsvinden nadat de Tweede Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen.
Het Besluit procedurele versnelling elektriciteitsprojecten wijst besluiten voor bepaalde energie-infrastructuurprojecten aan waarvoor een aantal versnellingen in de beroepsprocedure geldt, zoals beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een aanwijzing kan leiden tot een versnelling van 1,5 jaar, door beroepsmogelijkheden bij één instantie te leggen met verkorte termijnen.
De met het ontwerpbesluit voorziene procedurele versnelling van de elektriciteitsprojecten is voor die projecten die nu nog niet onder de projectprocedure vallen, maar waarbij wel een zwaarwegend maatschappelijk belang is bij versnelde realisatie.
Voor kerncentrales geldt al de projectprocedure en biedt dit besluit geen additionele versnelling voor de realisatie hiervan.
Zou een van de beschreven routes in vraag 18 t/m 21 ook helpen bij het versneld maken van een juridisch houdbare locatiekeuze?
De projectprocedure is reeds gestart voor de bouw van de eerste twee kerncentrales en deze procedure is ingericht om snel tot een juridisch houdbare locatiekeuze te komen. Ook kent deze procedure versnellingselementen, zoals de één-besluit constructie door één bestuursorgaan met het projectbesluit, de coördinatie van uitvoeringsbesluiten en indeplaatstreding, en geldt beroep in één instantie voor het projectbesluit. De beschreven routes in vraag 18 t/m 21 zullen dus niet bijdragen aan het versneld maken van een houdbare locatiekeuze.
Is projectwetgeving voor de bouw van kerncentrales een mogelijkheid, indien de bestaande routes in vraag 18 t/m 21 niet kansrijk zijn? Waar zou een dergelijke wet aan moeten voldoen en op welk deel van het proces zou deze tot versnelling kunnen leiden?
Het uitwerken van een specifieke projectenwet voor de bouw van de kerncentrales acht het kabinet niet de juiste weg. Het bestaande instrumentarium van de Omgevingswet met de projectprocedure werkt al versnellend. Zo is er één-besluit constructie door één bestuursorgaan mogelijk met het projectbesluit, evenals de coördinatie van uitvoeringsbesluiten en indeplaatstreding. Ook beroep in één instantie geldt voor het projectbesluit.
Bij een projectenwet zal er ook een zorgvuldige locatie-afweging moeten worden gemaakt en het is juist de projectprocedure die hiervoor de opeenvolgende procedurele stappen biedt. Het kabinet ziet dan ook niet op welke onderdelen van het proces een eventuele projectenwet tot een extra versnelling zal leiden. Temeer omdat een wetstraject zeker 2 á 3 jaar in beslag neemt en de projectprocedure voor de eerste twee kerncentrales nu al is opgestart.
Wat zijn de resultaten van de gesprekken met marktpartijen over hun bereidheid om te investeren in kerncentrales, en in hoeverre hebben de huidige vertragingen impact op hun interesse?
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van afgelopen november en in het rapport van BNP Paribas dat gedeeld is als bijlage met de Kamerbrief11, is er interesse van marktpartijen om te investeren in de bouw van de kerncentrales. De resultaten van de studie van BNP Paribas laten zien dat private financiers financiering overwegen, maar ook dat private financiering zowel voordelen als nadelen met zich meebrengt. De interesse van marktpartijen verschilt ook sterk per fase van het traject.
Het kabinet heeft geen signalen ontvangen dat huidige vertragingen in het project leiden tot een verschil in de mogelijke interesse van marktpartijen: bij complexe, grootschalige infrastructuurprojecten van deze aard is het niet ongewoon dat vertraging optreedt in de voorbereidingsfase.
Hoe beheerst u de risico’s dat deze vertragingen de financiering van de kerncentrales bemoeilijken of marktpartijen afschrikken?
Ook richting marktpartijen wordt benadrukt dat een grondige voorbereiding leidt tot een meer voorspoedige bouw van de kerncentrales. Dit leidt tot een lager risicoprofiel van het project, en daarmee mogelijk tot een grotere bereidheid om te investeren. Het kabinet blijft in gesprek met de financiële sector om te begrijpen wat zij kunnen bieden wat betreft financiering van het project, en om ze op de hoogte te houden van de vorderingen in de voorbereiding op de bouw. In februari wordt bijvoorbeeld een bijeenkomst georganiseerd met de Nederlandse financiële sector om ze van een update te voorzien over de stand van zaken van de voorbereiding op de bouw van de kerncentrales.
Welke lessen trekt u uit de vertragingen in dit proces, en welke structurele maatregelen neemt u om dit soort bureaucratische stapelingen bij de bouw van kerncentrale 3 & 4 en Small Modular Reactors (SMR’s) te voorkomen?
Het kabinet verwacht dat de lessen en de resultaten van de huidige werksporen voor de bouw van de twee eerste centrales veel betekenen voor de stap naar de bouw van andere kerncentrales. Ook zal de opgebouwde expertise en ervaring in Nederland uit de huidige voorbereidingen helpen in de toekomstige uitvoering van belangrijke procedures die onderdeel zijn van de voorbereiding op de bouw van een kerncentrale.
Ook voor de inpassing van kerncentrale 3 en 4 is het cruciaal dat er een juridisch houdbaar besluit wordt voorbereid. De ruimtelijke inpassing van kerncentrales in Nederland is complex. Dit geldt voor de lopende projectprocedure, maar zal voor kerncentrale 3 en 4 mogelijk nog ingewikkelder worden. De bij vraag 1 genoemde gevoeligheidsanalyse benut ik daarom ook voor het richting geven aan mogelijke locaties voor kerncentrales 3 en 4. In de in voorbereiding zijnde nota Ruimte zullen hiertoe structurerende keuze worden gemaakt, die zullen aansluiten bij het Programma Energiehoofdstructuur (PEH). In aansluiting op de Kamerbrief van april 2024 zal in de actualisatie van het Programma Energiehoofdstructuur richting worden gegeven aan de ruimtelijke inpassing van kerncentrale 3 en 4, waarbij de inzichten en structurerende keuzes uit de hiervoor genoemde de Nota Ruimte zullen worden meegenomen. In de volgende voortgangsbrief (april 2025) zal het kabinet hierop verder ingaan.
Het SMR-programma dat recent van start is gegaan kijkt via de uitvoering van verschillende simulaties (programmalijn 1 van het programma) en onderzoeken naar onder meer ruimtelijk inpassing (programmalijn 2 van het programma) specifiek naar knelpunten in de realisatie van kleinere kerncentrales. Ook voor de SMR’s geldt dat de plaatsing in samenhang met het realiseren van andere opgaven in het gebied plaats dient te vinden. De inzichten uit deze activiteiten moeten helpen om op termijn eventuele vertragingen in de bouw van centrales te voorkomen.
Kunt u deze vragen uiterlijk eind januari beantwoorden zodat ze tijdig betrokken kunnen worden bij het Kamerdebat kernenergie?
Gegeven het belang van het onderwerp is de beantwoording zeer zorgvuldig gegaan en is het helaas niet gelukt deze in januari te beantwoorden.
De opschaling van groene, blauwe en andere koolstofarme waterstof in Nederland. |
|
Henri Bontenbal (CDA), Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Wat doet u om de opschaling van blauwe waterstof in Nederland te stimuleren?
Een belangrijk deel van het huidige waterstofbeleid helpt bij de ontwikkeling van alle typen waterstof en is niet specifiek aan één type waterstof verbonden. Denk aan het creëren van infrastructuur zoals een landelijk dekkend netwerk, importterminals en waterstofopslag, maar ook aan het formuleren van waterstofwetgeving waarbij netbeheer, toegang tot infrastructuur en toezicht een wettelijk kader krijgen. Ook het internationale beleid gericht op het aantrekken van verschillende importstromen heeft als doel zowel hernieuwbare als koolstofarme waterstofstromen aan te trekken. Het bezoek aan Denemarken en Noorwegen eind vorig jaar is hier een voorbeeld van. Voor het verduurzamen van bestaande waterstofproductie uit aardgas en voor restgassen is de CCS-categorie in de SDE++ beschikbaar.
Ten aanzien van nieuwe initiatieven voor de productie en import van koolstofarme waterstof uit aardgas via nieuwe installaties verkent het kabinet opties om barrières voor dergelijke initiatieven weg te nemen. Zie daarvoor ook de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat het noodzakelijk is om te investeren in blauwe en andere vormen van koolstofarme waterstof gegeven de achterblijvende investeringen in groene waterstof?
Zoals in het regeerprogramma afgesproken dient blauwe waterstof als tussenstap naar hernieuwbare waterstof. In de Kamerbrief van 10 december 2024 «Voortgang waterstofbeleid»1 wordt dit nogmaals bevestigd. In het antwoord op vraag 1 is al aangegeven dat een groot deel van het huidige waterstofbeleid neutraal is naar type waterstof en dat investeringen in infrastructuur, internationaal beleid en wetgeving aan alle vormen van waterstof bijdragen. Daarbij moet in acht worden genomen dat de waterstofmarkt een internationale markt wordt, waarbij Nederland een hubfunctie kan ontwikkelen voor buurlanden. De vraag uit buurlanden en met name Duitsland zal naar verwachting voor een belangrijk deel uit koolstofarme waterstof bestaan.
Het faciliteren van koolstofarme waterstof kan helpen om broeikasgasemissiereductiedoelen te behalen, voornamelijk door snellere en meer betaalbare verduurzaming van de industrie en elektriciteitssector. Daarbij moet in acht worden genomen dat de ontwikkeling van koolstofarme waterstof niet ten koste gaat van de ontwikkeling van hernieuwbare waterstof, zoals beschreven in de Kamerbrief van 10 december 2024.
Wat doet u om knelpunten in de opschaling van blauwe waterstof weg te nemen, bijvoorbeeld wat betreft de benodigde infrastructuur en aanpassingen in wet- en regelgeving?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 10 december 2024 verkent het kabinet de opties om de barrières voor nieuwe koolstofarme waterstofproductie en import weg te nemen. Ontwikkelaars van koolstofarme waterstof uit fossiele stromen geven aan dat het bindende Europese industriedoel voor hernieuwbare waterstof uit de herziene Europese richtlijn (REDIII) schuurt met hun initiatieven.
Ten aanzien van de benodigde infrastructuur voor koolstofarme waterstof is er, zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 1 en 2, geen specifiek onderscheid tussen typen waterstof.
Het kabinet zal daarnaast onderzoeken of en hoe bedrijven gefaciliteerd kunnen worden bij het gezamenlijk inkopen van koolstofarme en hernieuwbare waterstof en hoe dit kan bijdragen aan het sluiten van langetermijncontracten tussen toekomstige producenten en afnemers van blauwe en andere vormen van koolstofarme waterstof.
Daarnaast werkt de Europese Commissie aan een gedelegeerde verordening voor een methodologie die vaststelt in welke mate koolstofarme brandstoffen, waaronder waterstof, bijdragen aan verminderde uitstoot van broeikasgassen. Afgelopen jaar is het concept hiervan geconsulteerd. Het kabinet heeft zijn commentaar hierop aan de Commissie kenbaar gemaakt en blijft hierover in gesprek met de Commissie. De gedelegeerde verordening zal onderdeel uitmaken van het toekomstige beleid voor koolstofarme waterstof.
Op welke wijze heeft u contact met de sector over de opschaling van blauwe waterstof? Welke signalen ontvangt u vanuit de sector?
Het kabinet heeft op diverse wijzen contact: via bilaterale gesprekken, het nationaal programma verduurzaming industrie, stakeholderssessies binnen het nationaal waterstofprogramma en themasessies bij VNO-NCW. Daarbij wordt aangegeven dat er nog belemmeringen zijn bij de ontwikkeling van koolstofarme waterstof. In dit verband worden wettelijke belemmeringen vanuit Europese regelgeving genoemd. Daarnaast noemen sectorpartijen financiële belemmeringen, want hoewel koolstofarme waterstof goedkoper te produceren is dan hernieuwbare waterstof, is er nog wel sprake van een onrendabele top ten opzichte van aardgas. Een van de grootste mogelijke toepassingen voor koolstofarme waterstof is daarbij de vervanging van aardgas voor hoge temperatuurverwarming. Ook geven potentiële producenten van koolstofarme waterstof aan dat tijdige toegang tot het elektriciteitsnet, CO2-opslag en -infrastructuur en waterstofinfrastructuur cruciaal is. Zij stellen dat vraagzekerheid nodig is om investeringen voor productie-installaties te kunnen doen. Potentiële investeerders in hernieuwbare waterstof geven aan dat beleid ten behoeve van blauwe waterstof niet ten koste moet gaan van hernieuwbare waterstof.
Hoe staat het met het afsluiten van langetermijnimportcontracten voor waterstof vanuit Noorwegen?
Noorwegen zal op termijn een belangrijke producent van blauwe waterstof worden. Met het bezoek aan Noorwegen afgelopen jaar is er een forse impuls gegeven aan het versterken van de samenwerking. Er zijn daarbij meerdere «Memoranda of Understanding» afgesloten tussen diverse stakeholders.
Voor het doen van grote investeringen zijn toezeggingen en langetermijncontracten van bedrijven nodig. Deze toezeggingen moeten door private partijen worden gedaan.
Wellicht is het voor sommige bedrijven in Nederland niet mogelijk om zelfstandig lange-termijn verplichtingen aan te gaan voor de inkoop van blauwe waterstof. Een van de ondertekende MoU’s tijdens het bezoek aan Noorwegen is die van TNO en het Norwegian Research Centre gericht op het verkennen van o.a. de haalbaarheid van de productie van blauwe waterstof in Noord-Nederland en de ontwikkeling van een waardeketen voor productie en afname van deze energiedrager in onze regio. Bij deze verkenning zijn partijen als Equinor, Gasunie en EBN betrokken, waarbij ook gekeken wordt naar nut en noodzaak van het gezamenlijk inkopen van koolstofarme en hernieuwbare waterstof om de business case voor blauwe waterstof mogelijk te maken.
De opschaling van groene waterstof verloopt langzamer dan verwacht, kunt u een update maken van de verwachte investeringen in groene waterstof in Nederland? Wat dit betekent voor de kostprijs van groene waterstof de aankomende jaren?
Zoals in de vraag aangegeven verloopt de opschaling van groene waterstof langzamer dan verwacht. Over de gehele keten vallen de kosten hoger uit dan verwacht en heeft de realisatie van belangrijke randvoorwaarden als infrastructuur en windparken vertraging opgelopen.
Dit voorjaar maakt het kabinet de winnaars bekend van de tweede ronde van de OWE subsidieregeling voor elektrolyse. Dat geeft meer inzicht in welke projecten naar verwachting de komende jaren zullen gaan investeren, in aanvulling op de projecten die reeds subsidie hebben ontvangen. Een aantal projecten dat subsidie heeft ontvangen in de eerste ronde van de OWE heeft al een investeringsbesluit genomen.
Het kabinet bereidt samen met onderzoeksinstellingen en bedrijven verder onderzoek voor naar de kostprijs van groene waterstof de komende jaren en hoe de kosten en risico’s van elektrolyseprojecten sneller omlaag kunnen.
Gegeven het bovenstaande zou een zware verplichting vanuit de REDIII onze industrie nog verder op achterstand kan zetten, welke mogelijkheden zijn er op lidstaat-niveau bij de implementatie van de REDIII om de doelen betaalbaarder te maken voor de industrie?
In het voorjaar geeft het kabinet meer duidelijkheid over de invoering en vormgeving van de nationale jaarverplichting voor gebruik van hernieuwbare waterstof in de industrie. De uitdaging is om tot een samenhangend pakket aan waterstofinstrumenten bestaande uit productie- en vraagsubsidies en normering te komen dat de industrie ondersteunt in de verduurzaming, dat het concurrentievermogen niet verder verslechtert en dat tegelijkertijd wel voldoende bijdraagt aan het ontstaan van een markt voor hernieuwbare waterstof.
De voorgenomen jaarverplichting wordt dus zo vormgegeven dat deze voor industriële waterstofgebruikers draagbaar is. De consultatie van het voorstel voor de jaarverplichting voor de industrie sloot op 12 december 2024. In dit voorstel is opgenomen dat 60% van het waterstofgebruik voor de productie van ammoniak wordt uitgezonderd van de jaarverplichting. Momenteel is ammoniakproductie de grootste industriële waterstofgebruiker. Via maatwerkafspraken wordt daarnaast ingezet op andere routes om de ammoniakproductie te verduurzamen. Het kabinet neemt de reacties uit de consultatie mee in de verdere besluitvorming over de invoering en vormgeving van de jaarverplichting. Het speelveld met andere Europese landen heeft daarbij nadrukkelijk de aandacht.
Via een vraagsubsidie wordt beoogd het restant van de lidstaatverplichting voor de industrie in te vullen. Voor deze vraagsubsidie is een budget van € 767 miljoen beschikbaar. Het kabinet verwacht in de eerste helft van 2025 een consultatie over de vraagsubsidie te organiseren.
Het kabinet heeft contact met andere EU-lidstaten over de wijze waarop zij voornemens zijn om de lidstaatverplichting te implementeren.
Welke opties heeft Nederland voor het invullen van de jaarverplichting van de RED III en wat mag er worden meegeteld in de berekeningen?
Het Europese bindende doel voor waterstofgebruik in de industrie uit REDIII schrijft voor dat 42% van het waterstofgebruik in 2030 hernieuwbaar (RFNBO) moet zijn. In 2035 geldt een percentage van 60%. Deze doelen zijn opgelegd aan lidstaten. Nederland mag zelf invullen hoe het deze doelen wil behalen. Dit kan bijvoorbeeld door verplichtingen op te leggen bij industriële waterstofgebruikers, door subsidies te verstrekken of een combinatie van beide. In de halfjaarlijkse Kamerbrieven over voortgang van het waterstofbeleid geeft het kabinet de stand van zaken en de vervolgstappen weer om te komen tot een samenhangend instrumentarium bestaande uit productie- en vraagsubsidies en normeringen om onder meer bovengenoemde doelen te realiseren. De volgende Kamerbrief staat gepland voor het tweede kwartaal van 2025.
In REDIII is opgenomen welke waterstofstromen mogen worden uitgezonderd van de noemer. De Europese Commissie heeft in september 2024 aanvullende richtsnoeren gepubliceerd die lidstaten helpen bij de implementatie van REDIII. Zoals ook in antwoord op vraag 7 gemeld, heeft het kabinet aanvullend voorgesteld om waterstofgebruik voor ammoniakproductie voor 60% uit te zonderen (onder de voorgenomen Nederlandse jaarverplichting) door te verwijzen naar de overwegingen in REDIII die ten grondslag liggen aan de RFNBO-doelen voor de industrie. Tot slot zal het kabinet de reacties op de consultatie van het voorstel voor de jaarverplichting voor de industrie bestuderen om te bezien of er gronden zijn om andere waterstofstromen uit te zonderen van de noemer, voor zover dat past binnen het kader van REDIII.
Nederland kiest er als enige lidstaat voor om het nationale doel wat binnen de RED III wordt gesteld, op te leggen aan onze bedrijven, waarom kiest u hiervoor? Wat betekent dit voor het vestigingsklimaat?
Zoals in vraag 7 aangegeven, houdt het kabinet bij het ontwerp van de jaarverplichting rekening met het speelveld met andere Europese landen en is er contact met mijn collega’s van andere EU-lidstaten.
Zoals toegelicht in het voorstel van de jaarverplichting draagt de overheid een groot deel bij aan de meerkosten van de inzet van hernieuwbare waterstof in de industrie tot en met 2030. Afhankelijk van de hoogte van de jaarverplichting – er zijn twee ingroeipaden geconsulteerd van 8% en 24% in 2030 – draagt de overheid circa 75% tot 90% van de meerkosten bij via productie- en vraagsubsidies. Naast de uitwerking van een vraagsubsidie-instrument verkent het kabinet de mogelijkheden tot vraagstimulering verderop in de ketens om meer trekkracht te genereren. Dit sluit aan bij de oproep die 77 partijen (brancheverenigingen en bedrijven) recent hebben gedaan aan het adres van Eurocommissaris Wopke Hoekstra.
Hoe kijkt u naar de potentie weggelegd voor paarse waterstof?
Waterstof geproduceerd uit nucleaire energie kan op termijn een bijdrage leveren aan een klimaatneutrale energiehuishouding in Nederland. Door de omzetting van nucleaire elektriciteit naar koolstofarme gassen via elektrolyse kan nucleaire energie breder worden ingezet in sectoren die niet gemakkelijk te verduurzamen zijn met elektriciteit (zware mobiliteit, hoge temperatuurwarmte). Daarnaast zijn gassen beter op te slaan en goedkoper te transporteren dan elektriciteit. Naar verwachting zal de productie van waterstof door nucleaire installaties het eerst plaatsvinden in landen met een groot bestaand nucleair productiepark, zoals Frankrijk.
Bent u bereid om een onderzoek uit te zetten naar de mogelijke kostencompetitiviteit van paarse waterstof ten opzichte van andere kleuren?
Het kostenverschil tussen waterstof uit kernenergie en andere typen waterstof zal met name worden bepaald door de kosten van de gebruikte energiebronnen. Omdat naar verwachting het nog relatief lang duurt voordat nucleaire installaties in Nederland actief kunnen produceren (ten minste 2035 en verder) vergt dat aannames over lange termijnprijzen van o.a. aardgas en hernieuwbare elektriciteitsproductie. Hiervoor gelden grote onzekerheidsmarges.
Canada en het Verenigd Koninkrijk zijn al verder met haalbaarheidsstudies en kostenvergelijkingen voor waterstof uit kernenergie. Het kabinet is met deze landen en internationale organisaties als het IAEA in gesprek om van hun onderzoek te leren en zal de Kamer op de hoogte brengen van de uitkomsten. Op basis van deze opbrengst zal het kabinet bezien hoe invulling te geven aan een onderzoek voor de Nederlandse context.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat over waterstof, groen gas en andere energiedragers beantwoorden?
Ja
Het artikel 'Verzoek NAM om gas te winnen in Warffum afgewezen' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het besluit van SodM om gaswinning vanuit het gasveld bij Warffum na 31 december 2024 niet te zullen gedogen?1
De bevoegdheid om deze beslissing te nemen ligt geheel bij SodM. Ik heb hierin geen rol en respecteer de beslissing.
Hoe lang verwacht u dat het zal duren voordat de vergunning definitief wordt verlengd? Welke stappen moeten hiervoor nog worden doorlopen en wat zijn daarvan de doorlooptijden?
Op dit moment ligt het conceptbesluit op het winningsplan ter inzage. Tot en met 22 januari 2025 kunnen zienswijzen worden ingediend. Hierna wordt een definitief besluit opgesteld. Voor het beoordelen en het verwerken van de zienswijzen is tijd nodig. Hoeveel tijd hiervoor nodig is, is afhankelijk van de ontvangen zienswijzen. De verwachting is dat het definitieve besluit op zijn vroegst in maart 2025 kan worden gepubliceerd. Dit definitieve besluit treedt zes weken na publicatie in werking.
Hoe komt een besluit van SodM om handhaving tijdelijk uit te stellen tot stand?
Een mijnbouwbedrijf kan hiertoe een verzoek indienen bij SodM. SodM heeft in 2022, in een brief gericht aan de mijnbouwondernemingen, aangegeven welke aspecten bij de beoordeling worden meegewogen:2
Verder geeft SodM in de brief aan dat het tijdelijk afzien van handhaving geen definitief standpunt is over de verhouding tussen de overtreding en de belangen van derde(n). Indien een belanghebbende een verzoek doet om handhaving, beoordeelt SodM de zaak opnieuw.
De bevoegdheid om een beslissing te nemen om handhaving uit te stellen, ligt bij SodM.
Op welke wettelijke gronden is SodM verplicht om een verzoek te toetsen? Hoe wordt bepaald wat daarbij het zwaarst wegende criterium is?
De Mijnbouwwet bevat geen toetsingsgronden voor een dergelijk verzoek. SodM heeft in beginsel een plicht om te handhaven, maar kan daar bij bijzondere omstandigheden van afzien. Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, heeft SodM in 2022 in een brief aan de mijnbouwondernemingen aangegeven hoe zij met dergelijke verzoeken omgaat. Het is aan SodM om een verzoek te beoordelen en daarover te beslissen.
Is de maatschappelijke onrust een wettelijke grondslag voor SodM om de gedoogbeschikking niet te verlenen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 bevat de Mijnbouwwet geen grondslagen op grond waarvan SodM een verzoek om tijdelijk niet te handhaven beoordeelt. SodM heeft in haar brief uit 2022 benoemd dat maatschappelijke onrust een overweging is die meespeelt in de beoordeling van een verzoek om af te zien van handhaving. Het is aan SodM om die afweging te maken.
SodM geeft aan dat het eventueel gedogen van gaswinning bij Warffum onrust veroorzaakt, wat was er volgens SodM nodig om het vertrouwen van de omgeving te herstellen?
De bevoegdheid om de beslissing te nemen ligt bij SodM. Om deze reden heeft het kabinet voor het beantwoorden van deze vraag en vraag 7 SodM om een reactie gevraagd. SodM geeft aan: «Het verzoek om af te zien van handhavend optreden ten aanzien van gaswinning bij Warffum – dat SodM op 13 december jl. van de NAM ontving – is getoetst aan de aspecten die zijn genoemd in de brief uit 2022. De NAM is in dat verzoek niet ingegaan op de onrust die is veroorzaakt. SodM heeft contact gehad met provincie, gemeente en groeperingen van bewoners over het eventueel gedogen van de gaswinning bij Warffum. Uit deze gesprekken is gebleken dat de omgeving zich niet door de NAM gehoord voelt en dat het eventueel gedogen vanaf 1 januari 2025 van de gaswinning aldaar – zeker na de uitkomst van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen – een nog grotere mate van onrust heeft veroorzaakt. Het is aan de NAM om deze onrust te adresseren en na te gaan wat ervoor nodig is om deze onrust te beperken of weg te nemen.»
Wat is de mening van SodM over de maatschappelijke onrust ten aanzien van het voorlopige kabinetsbesluit om de gaswinning te verlengen?
SodM geeft aan: «SodM heeft op 22 december 2022 een advies uitgebracht over het winningsplan Warffum. In het advies geeft SodM aan dat de winning veilig kan plaatsvinden. Het is een positief advies, waarin maatschappelijke onrust niet expliciet is geadresseerd. De Minister heeft het advies verwerkt in het gepubliceerde ontwerpbesluit. Gelet op de uitkomst van de parlementaire enquête aardgaswinning Groningen zou het goed zijn geweest als SodM destijds in het advies uitdrukkelijker was ingegaan op het burgerperspectief.»
Welke verschillen zou de omgeving merken tussen de situatie nu, waarbij de NAM gas wint bij Warffum met vergunning, en een situatie waarbij de NAM gas wint bij Warffum en dit wordt gedoogd?
De fysieke situatie zou niet zijn gewijzigd. Indien SodM de beslissing had genomen om af te zien van handhaving, had de NAM zich nog steeds moeten houden aan de voorwaarden van het winningsplan uit 2005.
Geothermiebronnen en het maatschappelijk prioriteringskader netcongestie. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u dat het benutten van geothermie niet alleen belangrijk is om te komen tot duurzame warmtesystemen, maar ook kan bijdragen aan het verlagen van de druk op het elektriciteitsnet door het verlagen van de vraag naar elektriciteit voor verwarming in de glastuinbouw en de gebouwde omgeving?
Ja. Een geothermiebron levert een grote hoeveelheid duurzame warmte die kan worden gevoed aan een collectief warmtesysteem voor de gebouwde omgeving of gebruikt kan worden in kassen. De warmte is van hoge kwaliteit en er is minimale opwaardering nodig voor gebruik in het warmtenet of in kassen. Dit vermindert de totale elektriciteitsvraag en verlicht daarmee de druk op het stroomnet waardoor netbeheerders het elektriciteitsnet minder hoeven uit te breiden. In de gebouwde omgeving heeft het warmtenet een positief effect op de elektriciteitsvraag omdat het de inzet van individuele warmtepompen verlaagt.
Klopt het dat in het maatschappelijk prioriteringskader bij netcongestie klanten die zorgen voor vermindering van netcongestie, de congestieverzachters, de hoogste prioriteit op de wachtlijst krijgen?
Ja; wanneer een congestieverzachter wordt aangesloten op het stroomnet, dan is het netto-effect voor het stroomnet als geheel positief en komt per saldo ruimte op het stroomnet vrij. Daarmee dragen deze aangeslotenen direct bij aan de lokale oplossing. In het prioriteringskader, waarbij het gaat om het toedelen van schaarse transportcapaciteit aan actoren die maatschappelijk van groot belang zijn of bij kunnen dragen aan oplossen van het probleem, hebben aangeslotenen binnen deze categorie daarom inderdaad hoogste prioriteit.
Is het juist dat de Autoriteit Consument en Markt (ACM) warmtebronnen zoals geothermie niet heeft gecategoriseerd als congestieverzachter of basisbehoefte en er dus geen ruimte is om een geothermiebron van elektriciteit te voorzien als er congestie is afgekondigd?
Het is correct dat een geothermiebron door de ACM niet is opgenomen in het maatschappelijk prioriteringskader. Onder congestieverzachter verstaat het kader een partij die het stroomnet direct ontlast en hierover contractuele afspraken heeft gemaakt met de netbeheerder, waardoor er transportcapaciteit beschikbaar komt. Bijvoorbeeld een batterij die op moment van invoedingscongestie oplaadt, waardoor er meer ruimte vrijkomt voor andere partijen op de wachtrij om elektriciteit in te voeden op het net. Geothermie is een van de duurzame warmtebronnen. Collectieve warmtesystemen zorgen ervoor dat minder elektrische warmte nodig is. Het aansluiten van de warmtebron is daarmee wel helpend voor het voorkomen van nog verdere uitbreiding van het elektriciteitsnet, maar geen direct ontlastende factor voor het stroomnet en daarmee geen congestieverzachter. Geothermie is niet gecategoriseerd als basisbehoefte in het prioriteringskader. Onder basisbehoeften verstaat het kader primaire levensbehoeften, zoals wonen en (in de leeftijd waar sprake is van leerplicht) onderwijs. Warmtenetten komen wel in aanmerking voor prioriteit onder de categorie basisbehoeften. Daarnaast kunnen ook collectieve warmtevoorzieningen bij nieuwbouwprojecten prioriteit krijgen onder de basisbehoefte woningbouw. Dit sluit deels aan bij de ambities van de warmtetransitie en ook wordt daarmee de druk op het elektriciteitsnet verlicht.
Geothermiebronnen kunnen in geval van netcongestie geen reguliere Aansluit- Transportovereenkomst (ATO) krijgen. Wel kunnen zij, net als andere netgebruikers in congestiegebied, door flexibel netgebruik een alternatief transportrecht aangaan met de netbeheerders. Bijvoorbeeld door het productieproces aan te passen, of middels eigen opwek en opslag de momenten waarop geen transportcapaciteit is gecontracteerd in het volledige benodigde vermogen te voorzien. Met flexibel netgebruik zijn er dus mogelijkheden om de geothermiebron van elektriciteit te voorzien.
In hoeverre en in welke mate is netcongestie een oorzaak van het ook door het kabinet erkende achterblijven van de ontwikkeling van geothermie als warmtebron voor warmtenetten? Kunt u hier een inschatting van geven?
Bij het kabinet is niet bekend dat er geothermieprojecten zijn waar netcongestie op dit moment een remmende rol speelt. Het kabinet heeft wel signalen ontvangen dat het in de toekomst een remmende factor kan zijn.
Kunt u tevens een inschatting maken van de omvang van de potentiële bijdrage aan het verzachten en/of oplossen van congestie die nu niet wordt benut doordat geothermiebronnen niet kunnen worden aangesloten op het elektriciteitsnet?
Een geothermiebron is een van de warmtebronnen om een collectief warmtenet te voorzien van warm water. Een buurt die volledig overstapt op all-electric warmtepompen verbruikt gemiddeld 4 keer meer elektriciteit dan een buurt die collectief verwarmd wordt met geothermie als warmtebron. De exacte besparing is sterk afhankelijk van meerdere factoren, zoals grootte van de warmtevoorziening en de bronnenmix die het collectieve warmtenet voedt.
Welke mogelijkheden ziet u om geothermiebronnen alsnog prioriteit te geven in het maatschappelijk prioriteringskader, zodat deze effectief bij kunnen dragen aan de warmtetransitie en aan het verzachten en/of voorkomen van netcongestie door het voorkomen van elektrificatie?
Het kabinet erkent dat een succesvolle warmtetransitie de druk op het stroomnet verlaagt en daarmee een bijdrage kan leveren aan het verzachten van de congestieproblematiek. Op basis van de Europese wetgeving is de nationaal regulerende instantie, in Nederland de ACM, de bevoegde instantie om regels te maken over nettoegang en de verdeling van de schaarse netcapaciteit. Het is dus aan de ACM om het prioriteringskader aan te passen. De ACM heeft aangekondigd het prioriteringskader binnen twee jaar na inwerkingtreding te evalueren. Het kabinet zal dit punt aan de ACM meegeven in het kader van die geplande evaluatie.
Het gaswinningsproject bij Ternaard |
|
Suzanne Kröger (GL), Christine Teunissen (PvdD), Ilana Rooderkerk (D66), Sandra Beckerman |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid om, met inachtneming van artikel 68 van de Grondwet, de (aanvullende) adviezen van TNO en Mijnraad ten aanzien van het gaswinningsproject bij Ternaard, delen met de Kamer? Zo nee, waarom is dit in strijd met het belang van de Staat?
De voorgeschreven openbare voorbereidingsprocedure voorziet in een proces waarbij openbaarmaking van de adviezen op het moment dat het besluit ter inzage wordt gelegd, is geregeld. Met het oog op de verkennende gesprekken die het kabinet voornemens is met de NAM te voeren, kan eerdere openbaarmaking de gesprekspositie van het kabinet schaden. Daarnaast moet voorkomen worden dat een zorgvuldig besluitvormingsproces wordt belemmerd en dat adviseurs tegenover elkaar worden gezet en onderdeel worden van het publieke debat. Om wel kennis van de stukken te geven heeft de Kamer de gelegenheid gekregen om deze adviezen vertrouwelijk in te zien en is daarmee invulling gegeven aan artikel 68 van de Grondwet. Zodra de besluitvorming is afgerond zal het kabinet de adviezen uiteraard openbaar maken en de Kamer hierover informeren.
Bent u bereid om, met inachtneming van artikel 68 van de Grondwet, de ambtelijke appreciatie van deze adviezen te delen met de Kamer? Zo nee, waarom is dit in strijd met het belang van de Staat?
Een ruime informatievoorziening richting de Kamer is belangrijk om de controlerende en wetgevende taken uit te voeren. Daarnaast is het ook belangrijk om vrije ambtelijke meningsvorming en vertrouwelijke gedachtewisseling te beschermen. Het uitgangspunt moet zijn dat het kabinet de Kamer mondeling informeert via debatten en schriftelijk via brieven, wetsvoorstellen en andere aan de Kamer gerichte documenten, daarin zitten de adviezen en afwegingen verwerkt. Daarover legt het kabinet verantwoording af.
Bent u bereid om, met inachtneming van artikel 68 van de Grondwet, de voorgenomen Wnb vergunning, zoals besloten in februari 2024 en mogelijke latere versies, te delen met de Kamer? Zo nee, waarom is dit in strijd met het belang van de Staat?
De adviezen tot aan de terinzagelegging van de ontwerpbesluiten in 2021 zijn openbaar gemaakt. Deze zijn te raadplegen op de website van het bureau energieprojecten. Met het oog op de verkennende gesprekken die het kabinet voornemens is met de NAM te voeren, kan openbaarmaking de gesprekspositie van het kabinet schaden. Daarnaast wil het kabinet voorkomen dat een zorgvuldig besluitvormingsproces wordt belemmerd en dat adviseurs tegenover elkaar worden gezet en onderdeel worden van het publieke debat.
De Wnb-vergunning wordt openbaar gemaakt bij de definitieve besluitvorming. De Staatssecretaris van LVVN heeft de Kamer tijdens de tweede termijn van het Commissiedebat Mijnbouw op 18 december 2024 aangeboden om de Wnb-vergunning vertrouwelijk in te kunnen zien. Het kabinet herhaalt dit aanbod hier.
Kunt u aangeven hoe de verschillende onderzoeken, adviezen en vergunningen rond het gaswinningsproject bij Ternaard zich hiërarchisch tot elkaar verhouden? Kunt u hierbij expliciet ingaan op het arrest in de zaak C-441/17 (CURIA – List of results).
Voor dit project zijn meerdere vergunningen vereist. Twee belangrijke besluiten zijn de Wnb-vergunning en de instemming met het winningsplan. Bij de Wnb-vergunning wordt uitdrukkelijk getoetst aan het in stand houden van de natuurlijke kenmerken van de Waddenzee en daarmee wordt getoetst aan Habitat- en Vogelrichtlijn. Een van de toetsingscriteria in de Mijnbouwwet bij een winningsplan zijn de gevolgen voor de natuur. Het is vaste jurisprudentie dat als er een Wnb-vergunning is vereist, er bij het winningsplan terughoudend wordt getoetst op de natuurgrond. Dit is in lijn met de vaste jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie.
Bij de besluitvorming op een winningsplan wordt om advies gevraagd aan Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), TNO, de Mijnraad en de betrokken decentrale overheden. Voor de Wnb-vergunning wordt door de initiatiefnemer een passende beoordeling gemaakt. Dit is een ecologische beoordeling van de effecten. Ook is de commissie M.E.R. om advies gevraagd. Met zowel de passende beoordeling als het advies van de commissie M.E.R. wordt rekening gehouden bij de beoordeling van de Wnb-vergunningaanvraag. Deze instanties adviseren vanuit hun eigen expertise waarbij er geen hiërarchische verhouding tussen de adviseurs is.
Kunt u de appreciatie van de recente SodM (Staatstoezicht op de Mijnen) adviezen delen en aangeven met welke reden en/of onderbouwing deze adviezen terzijde zijn gelegd? Waarom hebben zij niet geleidt tot herziening van de Wnb vergunning?
Voor het delen van de ambtelijke appreciatie van deze adviezen geldt hetzelfde als voor de adviezen zelf en deze kunnen dan ook niet worden gedeeld. Zie de antwoorden op vraag 1 en 2.
Aan de aanvraag voor een natuurvergunning van de NAM ligt een passende beoordeling ten grondslag. Dit is een ecologische beoordeling van de effecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Uit deze beoordeling en aanvullingen daarop en de onderliggende rapportages die door de NAM zijn aangeleverd, blijkt dat met mitigerende maatregelen en voorschriften (waaronder het Hand aan de kraan-principe) de zekerheid verkregen is dat de voorgenomen gaswinning niet leidt tot significante gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit is het toetsingskader dat gehanteerd moet worden bij vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming en kent dus een duidelijk ecologisch perspectief.
Bij de besluitvorming is rekening gehouden met de ingediende zienswijzen, eerder uitgebrachte adviezen en gewijzigde inzichten op basis van de rechtspraak. Ook de later volgende adviezen van SodM van 29 februari, 22 april en 16 augustus 2024 zijn in ogenschouw genomen. Deze gaven geen aanleiding om tot een ander besluit te komen op de Wnb-vergunningaanvraag van de NAM toetsingskaders. De daarbij gehanteerde toetsingskaders zijn namelijk gericht op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden.
Waarom worden niet alle relevante stukken die betrekking hebben op het besluit ter inzage gelegd conform artikel 3:11 Awb (Algemene wet bestuursrecht)?
Artikel 3:11 van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage legt. Na de ontvangst van de aanvraag voor het project Ternaard zijn de betreffende adviseurs om advies gevraagd en hebben de betrokken bestuursorganen ontwerpbesluiten geschreven. Omdat de rijkscoördinatieregeling van toepassing is, heeft mijn voorganger, als bevoegd gezag, de ontwerpbesluiten ter inzage gelegd. Daarbij zijn ook alle op dat moment beschikbare stukken openbaar gemaakt. Hiermee is voldaan aan artikel 3:11 Awb. Na het inbrengen van de zienswijzen wordt gewerkt aan de definitieve besluitvorming. De zienswijzen, de reactie daarop alsook eventueel in de tussentijd ontvangen adviezen worden vervolgens openbaar gemaakt bij de bekendmaking van de definitieve besluiten.
Waarom wordt niet alle voor natuur en milieu relevante informatie openbaar gemaakt, zoals voorgeschreven in het verdrag van Arhus?
Het Verdrag van Aarhus regelt dat het publiek het recht heeft op toegang tot milieu-informatie en inspraak bij besluitvorming over milieu-aangelegenheden. De ontwerpbesluiten zijn, volgens de procedure van 3:11 Awb, ter inzage gelegd en een ieder kon daarop een zienswijze indienen. Met dit proces is voldaan aan het Verdrag van Arhus.
Bij de terinzagelegging van de ontwerpbesluiten zijn alle op dat moment beschikbare stukken ook openbaar gemaakt, hiermee is voldaan aan artikel 3:11 Awb. Na het inbrengen van de zienswijzen wordt gewerkt aan de definitieve besluitvorming. De zienswijzen, de reactie daarop alsook eventueel in de tussentijd ontvangen adviezen worden vervolgens openbaar gemaakt bij de bekendmaking van de definitieve besluiten. Het verdrag van Aarhus kent drie belangrijke pijlers:
Klopt het dat het bevoegd gezag geen besluit kan nemen als de procedure voor het ontwerpbesluit niet op de juiste wijze is gevolgd? Zo ja, waar blijkt dit uit?
Als de procedure voor het ontwerpbesluit niet op de juiste wijze is gevolgd, moet worden gekeken of de gemaakte fout voor het nemen van het definitieve besluit hersteld kan worden. Dan kan alsnog het definitieve besluit worden genomen. Er is geen redenen om aan te nemen dat in dit geval de procedure tot aan de ter inzagelegging van de ontwerpbesluiten, alsook de procedure na dat moment, niet op de juiste wijze is gevolgd.
Kunt u uitleggen hoe de afspraken in de rijkscoördinatieregeling zich verhoud tot de Grondwet en specifiek artikel 68? Hoe wordt het belang van de Staat geschonden als u de stukken nu met de Kamer zou delen? Kunt u uitleggen hoe zich dit verhoudt tot het verdrag van Arhus?
De rijkscoördinatieregeling schrijft onder meer voor dat de besluiten voor een project als Ternaard gecoördineerd worden genomen. Dat betekent dat de ontwerpbesluiten van de diverse bestuursorganen door de coördinerend Minister tegelijkertijd ter inzage worden gelegd, dat de definitieve besluiten tegelijkertijd bekend worden gemaakt en dat de beroepstermijn tegen alle besluiten dezelfde is. Het Verdrag van Aarhus regelt dat het publiek het recht heeft op toegang tot milieu-informatie en inspraak bij besluitvorming over milieu-aangelegenheden. De ontwerpbesluiten zijn ter inzage gelegd en een ieder kon een zienswijze indienen. Hiermee is voldaan aan het Verdrag van Aarhus. De wet verzet zich niet tegen tussentijdse openbaarmaking van adviezen via artikel 68 Grondwet, dat is alleen niet gebruikelijk en in het onderhavige besluitvormingsproces niet wenselijk om:
Klopt het dat Nederland met de inscriptie van de Waddenzee als Werelderfgoed zich verbonden heeft om de OUV (Outstanding Universal Value) van de Waddenzee te beschermen?
Ja. In 1972 heeft Unesco het Werelderfgoedverdrag opgesteld. Nederland behoort sinds 1992 tot de 195 landen die het verdrag hebben ondertekend. Met ondertekening van het Werelderfgoedverdrag heeft Nederland zich eraan gecommitteerd dat de Outstanding Universal Value niet mag worden aangetast. Het Nederlandse beleid ten aanzien van het werelderfgoed Waddenzee is uiteengezet in het dossier voor nominatie tot werelderfgoed in 2009. Op basis daarvan heeft de Waddenzee de status van Werelderfgoed gekregen.
De verplichting tot toetsing op effecten op de Outstanding Universal Value (OUV) is indirect van toepassing. Alleen voor zover de OUV samenvallen met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Waddenzee, wordt nu getoetst aan de OUV.
Waar is in de besluitvorming rond «Ternaard» de toetsing aan OUV geborgd?
De aanvraag om een natuurvergunning wordt door de Staatssecretaris van LVVN getoetst aan de Wet natuurbescherming. Er wordt niet specifiek aanvullend getoetst aan internationale verdragen, anders dan aan de regelgeving waarin verdragen geïmplementeerd zijn.
Eén van de criteria voor het ontvangen van de status van Werelderfgoed is het goed beschermen van de kernwaarden van het Werelderfgoedgebied. In het nominatiedossier, waarin de Waddenzee bij UNESCO is voorgedragen als Werelderfgoed, is hier uitgebreid op ingegaan. De Waddenzee is voorgedragen met alle activiteiten die op moment van nominatie (2009) al plaatsvonden, inclusief de gaswinning onder de Waddenzee op basis van het «hand aan de kraan»-principe. Voor die activiteiten is ook toestemming verleend.
In het nominatiedossier bij inschrijving op de Werelderfgoedlijst is aangegeven dat nieuwe boringen binnen het Werelderfgoedgebied niet zijn toegestaan. Daarbuiten, zoals in het geval van de voorgenomen gaswinning Ternaard, zijn nieuwe boringen wél toegestaan. Ook is in het nominatiedossier beschreven dat juridische toetsing van nieuwe activiteiten zou plaatsvinden op basis van de Mijnbouwwet en de Wnb. Dit werd als voldoende beschouwd om de bescherming van de natuurwaarden op orde te hebben.
Ten slotte heeft de landsadvocaat geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming het beoordelingskader bepaalt. Belangen die niet samenvallen met de belangen uit dat beoordelingskader, kunnen niet meegewogen worden in de besluitvorming.
Klopt het dat in het nominatie dossier van Nederland werd aangegeven dat bestaande wet- en regelgeving voor natuurbescherming (NB-wet) voldoende is om dit mogelijk te maken?
Zie het antwoord op vraag 11.
Klopt het dat als gesteld wordt dat de OUV geen toetsingskader is in kader van de NB-wet er een probleem is omdat bij afwezigheid van voldoende wettelijke bescherming van de OUV in principe de «conditions voor Danger Listing» uit het Werelderfgoed vervuld zijn vervuld zijn.
Dat klopt niet. Het Werelderfgoedcomité besluit of een Werelderfgoed op de lijst van Werelderfgoed «in danger» komt. Dat gebeurt op advies van het Unesco secretariaat. Op dit moment is sprake van een dialoog tussen Unesco, Nederland, Duitsland en Denemarken. Daarom kan niet worden gesteld dat voldaan wordt aan de voorwaarden om op de «In Danger»-lijst te komen. Verschillende factoren spelen hierbij een rol. Het toetsingskader is daarvan een belangrijk onderdeel.
De State of Conversation (SoC) van Unesco, die in de zomer van 2023 is uitgebracht, is de eerste processtap. Met de SoC van afgelopen zomer is de situatie qua escalatie richting de lijst van «in danger» ongewijzigd. Een eventueel verlies van de status van de Werelderfgoed is (op dit moment) in de processtappen nog niet aan de orde. In de reactie van Duitsland, Denemarken en Nederland richting Unesco is ook aangegeven dat de OUV geen beoordelingscriterium is. Ook laten we zien de zorgen van Unesco serieus te nemen, bijvoorbeeld doordat de Omgevingswet nu meer aandacht geeft aan de OUV van de Waddenzee en doordat we – conform verzoek Unesco – een plan-m.e.r. op de cumulatieve druk van de Waddenzee gaan uitvoeren. Deze plan-m.e.r. zal ook meer inzicht opleveren over het eventuele behoud van de OUV.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden voor aanstaande woensdag 12.00 uur?
Helaas is dit niet gelukt, zoals eerder met de Kamer is gecommuniceerd (2024D50853), was meer tijd nodig voor een zorgvuldige beantwoording.
De stijgende kosten voor duurzame warmteopwekking met vloeibare biomassa |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat installaties die in het verleden Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-subsidie (SDE) hebben verkregen voor het opwekken van warmte uit vloeibare biomassa vanwege hoge inkoop- en accijnskosten niet langer rendabel zijn en zelfs al worden ontmanteld?
Het is het kabinet bekend dat de rentabiliteit van installaties op vloeibare biomassa is verslechterd door de stijging van het accijnstarief voor zware stookolie. Het is het kabinet niet bekend dat installaties hierdoor al worden ontmanteld.
Acht u het wenselijk dat dit tot gevolg heeft dat de ondernemers die in deze duurzame warmte hebben geïnvesteerd noodgedwongen weer over moeten schakelen op aardgas voor het opwekken van de warmte die nodig is in hun bedrijfsprocessen?
Het kabinet acht dit in principe niet wenselijk. Deze ondernemers hebben de vrijheid om te kiezen of ze duurzame warmte produceren (met subsidie) of andere vormen van warmte produceren (zonder subsidie). Door de beperkte investeringskosten is het bij dit type projecten niet ongebruikelijk dat hiertussen wordt gewisseld al naar gelang de marktomstandigheden.
Klopt het dat met name de accijnstarieven waar deze duurzame warmte-installaties mee te maken hebben enorm stijgen vanwege het besluit om met het accijnstarief voor zware stookolie met ingang van 1 januari 2024 gelijk te stellen met het accijnstarief voor gasolie om het gebruik van diesel vervangende stookolie tegen te gaan?
Met welke accijnstarieven deze duurzame warmte installaties te maken krijgen is situatie afhankelijk.
Het kabinet ontving in 2022 en 2023 van de Douane en het bedrijfsleven aanhoudend signalen dat er in toenemende mate stookolie als motorbrandstof op de markt wordt gebracht ter vervanging van gasolie (diesel). Voor deze stookolie was in de Wet op de Accijns het relatief lage accijnstarief van zware stookolie van € 41,31 per 1.000 kg (tarief per 1 januari 2023) van toepassing. Voor gasolie (diesel) was in de Wet op de Accijns het hogere dieselaccijnstarief van € 516,25 per 1.000 liter (tarief per 1 januari 2023) van toepassing. Toenemend gebruik van diesel vervangende stookolie leidde daarom tot een lagere opbrengst van de brandstofaccijns. Daarnaast was toenemend gebruik van zware stookolie slecht voor het milieu vanwege het hogere zwavelgehalte. Gebruik van deze brandstof leidde tot meer luchtverontreiniging dan gebruik van diesel. Het fiscale voordeel was de belangrijkste prikkel om diesel vervangende stookolie te gebruiken. In de brandstoffenmarkt leidde dit tot een ongelijk speelveld tussen de reguliere schonere gasolie (diesel) en de meer vervuilende zware stookolie.
In het Wetsvoorstel Belastingplan 2024 dat eind 2023 door de Kamer is behandeld werd voorgesteld met ingang van 1 januari 2024 het accijnstarief van zware stookolie gelijk te trekken met het tarief voor gasolie. Met de voorgestelde maatregel zou de genoemde prikkel zijn weggenomen. Door een door de Kamer aangenomen amendement1 is het accijnstarief voor gasolie echter tijdelijk verlaagd, waardoor per 1 januari 2024 nu omgekeerd er een hoger tarief geldt voor zware stookolie dan voor gasolie. Het Belastingplan 2024 is inclusief amendementen op 26 oktober 2023 door de Kamer aangenomen en op 19 december 2023 aangenomen door de Eerste Kamer.
Klopt het dat de accijnzen voor vloeibare biomassa voor verwarmingsdoeleinden door deze maatregel zijn gestegen van 41,31 euro naar 654,53 euro per 1.000 kilogram?
Vloeibare biomassa heeft niet één vast accijnstarief. Vloeibare biomassa is verzamelnaam. Voor zover vloeibare biomassa wordt aangemerkt als zware stookolie klopt het dat deze tarieven zijn verhoogd. Per 1 jan 2025 zijn deze geïndexeerd zodat het tarief nu € 662,38 per 1.000 kg bedraagt.
In hoeverre is er bij de invoering van deze maatregel rekening gehouden met het effect op deze duurzame warmte-installaties, gezien het feit dat voor het verstoken van vloeibare biomassa voor verwarmingsdoeleinden het accijnstarief van zware stookolie van toepassing is?
Het is niet per se het geval dat voor het verstoken van vloeibare biomassa voor verwarmingsdoeleinden het accijnstarief van zware stookolie van toepassing is. Uit onderzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport was destijds gebleken dat steeds meer gebruik werd gemaakt van stookolie als dieselvervanger. Die signalen waren ook opgemerkt door de Douane. Daarom is besloten het accijnstarief voor zware stookolie te verhogen. Bedrijven die vloeibare biomassa gebruiken voor hun bedrijfsprocessen kunnen een beroep doen op de SDE++ subsidie. Deze subsidie wordt berekend op basis van de accijnstarieven. Naar aanleiding van signalen uit de sector komt naar voren dat voor al aangevraagde subsidies de compensatie mogelijk onvoldoende is vanwege het sterk gestegen accijnstarief op zware stookolie. Dit kan leiden tot financiële nadelen voor deze ondernemers en de economische haalbaarheid van hun installaties onder druk zetten. Voor nieuwe gevallen wordt echter wél rekening gehouden met de veranderde accijnssituatie. Bij het vaststellen van de subsidieparameters binnen de SDE++ wordt in de komende openstellingsronde geanticipeerd op de hogere accijns, zodat toekomstige projecten voldoende financiële ondersteuning krijgen om rendabel te blijven.
Klopt het dat bij het berekenen van zowel het basisbedrag als het correctiebedrag van de SDE++ subsidie geen rekening wordt gehouden met de hierboven beschreven ontwikkeling?
Ja, dit is inderdaad het geval voor de bestaande projecten. Het kabinet is zich ervan bewust dat dit vervelend is voor de betrokken ondernemers. Voor nieuwe aanvragen vanaf 2025 wordt in de SDE++ rekening gehouden met de aangepaste accijnzen. Het basisbedrag is de gemiddelde kostprijs voor de productie van hernieuwbare warmte en ligt vast over de looptijd van een project. Bij de vaststelling van het basisbedrag is PBL destijds uitgegaan van het toen geldende accijnstarief. Hierin zijn de hogere accijnstarieven voor stookolie niet meegenomen. Het correctiebedrag is de gemiddelde marktprijs van het geproduceerde product, in dit geval warmte. De waarde hiervan wordt afgeleid van de gasprijs. De berekeningsmethodiek ligt vast over de looptijd van een beschikking om stabiliteit te geven aan markt en overheid. De waarde wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de gasprijzen in dat jaar. Accijns voor vloeibare biomassa speelt hierbij geen rol, omdat deze betrekking heeft op de kostprijs en niet op de marktprijs van de warmte.
Welke mogelijkheden ziet u om het effect van de hoge stijging van de accijnzen voor vloeibare biomassa voor verwarmingsdoeleinden alsnog op een eerlijke wijze mee te nemen, zodat ondernemers ook echt kunnen rekenen op een afschrijving van de installatie gedurende de gehele looptijd en de verduurzaming van de bedrijfsvoering kunnen garanderen?
De oplossing die het kabinet deze projecten kan bieden is dat zij hun oude beschikking door RVO laten intrekken en in de SDE++ 2025 ronde opnieuw een SDE++ aanvraag indienen voor hogere basisbedragen, waarbij rekening is gehouden met de hogere accijnzen. Als projecten een beschikking ontvangen kunnen zij hun productie voor hernieuwbare warmte hervatten en zelfs verlengen omdat de beschikkingen opnieuw een looptijd hebben van 12 jaar.
Het gaat bij deze projecten overigens doorgaans om installaties die duaal te gebruiken zijn, op vloeibare biomassa en op aardgas. Deze producenten hebben de mogelijkheid om afhankelijk van de prijsontwikkelingen van bijvoorbeeld biomassa te switchen naar de niet duurzame oplossing om warmte te produceren wanneer dat voor hen gunstiger is.
Het is niet mogelijk om het basisbedrag voor de bestaande beschikkingen aan te passen omdat dit vastligt in regelgeving. Het correctiebedrag wordt jaarlijks vastgesteld, maar is gebaseerd op de marktprijs van de geproduceerde warmte. Het is dus niet goed mogelijk om te corrigeren voor aspecten die betrekking hebben op de kostprijs van projecten.
Het uitsluiten van accijns of het creëren van een aparte accijnscategorie voor een bepaalde brandstof is serieus bekeken, maar komt niet alleen ten goede aan uitsluitend de beoogde bedrijven met een oude SDE++ beschikking, maar ook andere partijen, waardoor de maatregel minder efficiënt en kostbaar is. Accijnsdifferentiatie leidt bovendien tot onbedoelde neveneffecten, zoals een toename van het gebruik van die brandstof door partijen buiten de beoogde doelgroep. Dit ondermijnt niet alleen de effectiviteit en gerichtheid van de maatregel, maar kan ook tot hogere kosten leiden dan oorspronkelijk voorzien. Daarnaast maakt een dergelijke fiscale maatregel het stelsel complexer en vergroot deze de handhavingslast.
Er zijn in theorie ook andere mogelijkheden te bedenken voor de problematiek. Een optie zou zijn om een separate regeling te maken die een aanvulling geeft op de geproduceerde hoeveelheid warmte over de resterende looptijd van het project ter hoogte van de accijns. Hiervoor moet een nieuw staatssteuntraject worden doorlopen en het is de vraag of dit kan worden toegestaan; het is bovendien complex, vereist veel uitvoeringscapaciteit en nadere (financiële) inpassing, en is daarmee een onzekere optie. Om die reden en gegeven de aard van de projecten is alles afwegende gekozen voor de bovengeschetste oplossing, waarbij partijen ervoor kunnen kiezen hun oude beschikking in te laten trekken en opnieuw kunnen deelnemen. Dit heeft bovendien als voordeel voor hen, zoals aangegeven, dat als zij een beschikking ontvangen zij hun productie zelfs kunnen verlengen omdat de beschikkingen opnieuw een looptijd hebben van 12 jaar.
Bent u bereid om op korte termijn een oplossing te zoeken voor het hierboven geschetste probleem en kunt u een inhoudelijke reactie geven op de haalbaarheid en wenselijkheid van de volgende oplossingsrichtingen:
Zie antwoord vraag 7.
Agri-PV |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD), Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de definitie van Agri-PV ruimte moet bieden aan de innovatiekracht van de energiesector én de agrarische sector en hierin niet te beperkend moet zijn, zodat de mensen in het veld kunnen onderzoeken welke vormen van Agri-PV – bijvoorbeeld combinaties met akkerbouw, pluimvee of melkvee – het meest kansrijk zijn?
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij Agri-PV de bestemming van de grond agrarisch blijft, aangezien zonne-energie wordt toegevoegd aan een agrarische activiteit en niet andersom?
Het is in principe aan gemeenten om in het omgevingsplan de bestemming (ofwel functie) van gronden te bepalen. De gemeente bepaalt dus of gronden een agrarische functie hebben of niet en welk gebruik ter plaatse is toegestaan. De inzet van het kabinet en zoals afgesproken met het bestuurlijk akkoord over de aanscherping van de voorkeursvolgorde zon1 is dat de primaire functie bij agri-PV substantieel agrarisch is. Daarmee is het logisch dat die gronden een agrarische bestemming behouden.
Bent u bereid om samen te werken met de Ministeries van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en Klimaat en Groene Groei om het regelgevend kader voor Agri-PV optimaal aan te laten sluiten bij de agrarische bedrijfsvoering, zodat er zo min mogelijk verandert voor agrariërs wanneer zij zonne-energie toevoegen aan hun agrarische activiteit op hetzelfde perceel? Bent u het met BBB eens dat dit duidelijkheid zou bieden aan de agrarische sector en ruimte geeft aan innovatie?
Ja, vanuit het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG) wordt al samengewerkt aan hoe agri-PV kan worden doorontwikkeld en zo de juiste inpassing kan krijgen in zowel het agrarisch bedrijf als het energiesysteem. Zowel de landbouw- als energiesector wordt hierbij betrokken. Het kabinet zet hierbij in op een win-winsituatie waarbij de voordelen van agri-PV benut kunnen worden in het agrarisch bedrijf en waarbij tegelijkertijd ook bijgedragen wordt aan het (lokale) energiesysteem. In 2024 is vanuit LVVN en KGG een onderzoek uitgezet naar kansen en belemmeringen voor agri-PV in Nederland bij Wageningen Environmental Research (WEnR). De publicatie van dit rapport wordt dit voorjaar verwacht waarna de Kamer wordt geïnformeerd zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief van 6 januari jl.2.
Kunt u bevestigen dat de fiscale situatie voor agrariërs die kiezen voor Agri-PV kraakhelder moet zijn en geen bottleneck mag vormen? Kunt u bevestigen dat indien dit wel het geval is u samen met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur gaat onderzoeken hoe dit te bewerkstelligen? Begrijpt u dat dit onder andere gaat over de bedrijfsopvolgingsregeling voor landbouwbedrijven (BOR), vrijstellingen rondom de overdrachtsbelasting en de landbouwvrijstelling (vrijstelling op belasting van waardevermeerdering)?
Binnen de fiscaliteit moet per geval worden beoordeeld of er aanspraak kan worden gemaakt op de verschillende regelingen. Het kabinet kan daar nu geen algemene uitlatingen over doen. In concrete gevallen kan de belastingplichtige een vooroverleg met de Belastingdienst aanvragen.
Bent u bereid om samen met de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur te onderzoeken of de huidige uitvoeringsregeling van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) (artikel 6, lid 5) aangepast kan worden, zodat installaties die zonne-energie opwekken niet categorisch worden uitgesloten als subsidiabele hectare? Zeker als de ruimte onder de panelen ook een agrarische toepassing heeft, bijvoorbeeld in de vorm van biodiversiteitsontwikkeling? Deelt u de mening van de BBB dat dit essentieel is voor de innovatiekracht en mogelijkheden voor agrariërs om Agri-PV in hun bedrijfsvoering in te passen?
Ja, de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal bezien of aanpassing van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 aan de orde is. Overigens sluit de huidige uitvoeringsregeling GLB 2023 op dit moment zonnepanelen niet categorisch uit (zie artikel 6 lid 5). Een goede definitie van agri-PV is cruciaal om te zorgen voor een uitvoerbare regeling die ruimte biedt aan innovatieve oplossingen om een substantiële agrarische functie te combineren met de opwekking van zonne-energie.
Kunt u bevestigen dat de aanwezigheid van zonnepanelen geen impact zou moeten hebben op de hoeveelheid mest die op een perceel mag worden uitgereden, en of dit ook geldt voor Agri-PV projecten?
Nee, dat kan de Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur niet in algemene bevestigen. De hoeveelheid mest die mag worden uitgereden hangt af van de feitelijke situatie op het landbouwperceel en is niet specifiek afhankelijk van de aanwezigheid van zonnepanelen; daarbij gelden de regels over mestplaatsingsruimte die volgen uit de Meststoffenwet.
Bent u bereid om te onderzoeken of biodiversiteit bevorderende kruidenstroken of andere groenvoorzieningen die direct onder de zonnepanelen worden geplant, aanspraak kunnen maken op de Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLB) subsidie, net als reguliere agrarische activiteiten?
ANLb heeft als doel bij te dragen aan biodiversiteit, en daarnaast aan water- en klimaatdoelen. Conform de Contourennota Agrarisch natuurbeheer ligt het zwaartepunt van de inzet bij prioritaire gebieden. Provincies voeren het ANLb uit, op basis van een Natuurbeheerplan. De Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur ziet geen aanleiding voor een onderzoek naar de inzet van het ANLb specifiek in combinatie met zonnepanelen. Tegelijkertijd is het niet uitgesloten dat dergelijke groenvoorzieningen in specifieke gevallen in aanmerking kunnen komen voor een vergoeding.
Kunt u bevestigen dat er beleidsmatige ruimte moet zijn om te innoveren met verschillende Agri-PV concepten, zodat deze in de praktijk bewezen kunnen worden en de inpasbaarheid in de agrarische bedrijfsvoering wordt gewaarborgd?
Ja.
Het amendement over middelen voor de ontwikkeling van Small Modular Reactors (SMR's) |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het amendement van de leden Eerdmans en Stoffer over middelen voor de ontwikkeling van Small Modular Reactors (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 17)?
Ja, daar ben ik mee bekend.
De indieners verzochten het Ministerie Klimaat en Groene Groei, middels het amendement, vanaf 2024 samen met de provincies voortvarend aan de slag te gaan met de ontwikkeling van Small Modular Reactors (SMR’s), welke resultaten kunt u inmiddels overleggen kijkende naar de verschillende programmalijnen?
Het SMR programma (gepubliceerd in maart 2024) bereidt Nederland stapsgewijs voor op de mogelijke komst van SMR’s. Het programma bestaat uit drie programmalijnen. Onder programmalijn 1 is een SMR-kennismodule gepubliceerd op www.overkernenergie.nl. Ook zijn er simulaties, waarin stakeholders gezamenlijk (delen van) het proces tot realisatie van een SMR doorlopen, van start gegaan. Deze resultaten dragen bij aan het vergroten van de kennisbasis bij stakeholders, wat uiteindelijk zorgt/bijdraagt aan een versnelling van de ontwikkeling van SMR’s in Nederland.
Onder programmalijn 2 zijn er stappen gezet met een analyse van de lokale en regionale energievraag en potentiële behoefte voor SMR’s. Hiervoor is het kabinet in de afgelopen periode in gesprek gegaan met de verschillende industrieclusters en is er actief gepeild of er interesse is voor een studie of onderzoek in relatie tot SMR’s. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat partijen die potentie zien om in de toekomst wellicht kernenergie af te nemen, zich aansluiten bij de simulaties. Het is verder noodzakelijk om te weten wat de mogelijke effecten zijn van SMR’s op het net. In samenwerking met de netbeheerders wordt onderzocht of het mogelijk is om nu al te onderzoeken wat een mogelijk gunstige netinpassing is voor SMR’s.
Het kabinet heeft ook gewerkt aan lokalisatie (het zoveel mogelijk organiseren van de waardeketen op lokaal niveau), specifiek door middel van een inventarisatiestudie voor conventionele kerncentrales en SMR’s die wordt opgezet om te onderzoeken waar kansen liggen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Tevens organiseren we een supplier evenement,waarmee we Nederlandse bedrijven informeren over de kansen in de nucleaire sector, zowel in Nederland als in Europa. Tenslotte heeft het kabinet zijn deelname aan internationale samenwerkingsverbanden versterkt met als doel om kennisuitwisseling over SMR’s te vergroten.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort verder informeren over de stappen die gezet zijn sinds publicatie van het SMR programma.
Hoeveel provincies zijn inmiddels, samen met het Ministerie Klimaat en Groene Groei, voortvarend aan de slag gegaan met uitvoering van locatiekeuzes voor toekomstige SMR’s?
Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei werkt samen met de provincies onder andere door middel van een Werkgroep SMR’s onder het Interprovinciaal Overleg (IPO). Bij deze werkgroep zijn alle provincies aangehaakt. Deze samenwerking staat op dit moment nog los van locatieonderzoek. Naast het landelijk SMR programma ziet het kabinet dat verscheidene provincies zelf ook voortvarend aan de slag gaan met initiatieven. Het kabinet benadrukt het belang van gezamenlijk optreden onder het SMR programma, maar verwelkomt deze initiatieven en bekijkt op dit moment hoe deze mogelijk kunnen worden ondersteund.
Programmalijn 1 van de Programma-aanpak SMR lijkt relatief makkelijk uitvoerbaar, waarom is deze fase, 14 maanden na het aannemen van het eerder genoemde amendement, nog steeds niet afgerond?
Na aanname van het betreffende amendement is een stakeholderanalyse uitgevoerd om meer inzicht te verkrijgen in de behoeften, vragen en kansen die speelden omtrent SMR ontwikkeling in Nederland. De stakeholderanalyse is in februari 2024 opgeleverd. Op basis daarvan is het SMR-programma opgesteld. Na publicatie van het SMR programma is het Ministerie van Klimaat en Groene Groei voortvarend aan de slag gegaan met de uitwerking van het programma, in samenwerking met diverse stakeholders waaronder ook de provincies.
Bij de uitvoering van de eerste programmalijn horen ook een paar benodigde en zorgvuldige stappen die tijd vergen, zoals een Europese aanbesteding doorlopen en het selecteren van een consortium die de simulaties kunnen uitvoeren.
Conform planning van het SMR-programma vond op 12 december 2024 de eerste bijeenkomst plaats waar ruim 125 geïnteresseerden werden meegenomen in de aanpak van het simulatietraject. De fysieke startbijeenkomst vond plaats op 16 januari. Onder de aanwezigen was een brede vertegenwoordiging van gemeenten, provincies, regionale ontwikkel-maatschappijen, bedrijven en kennisinstellingen.
Er zijn vijf simulaties opgezet aan de hand van de volgende thema’s: ruimtelijke inpassing, energetische inpassing, vergunningverlening, taak- en rolverdeling en bouw, exploitatie en waardeketen. Deze simulaties zullen plaatsvinden in de periode februari tot en met juni van dit jaar. Medio 2025 zullen de resultaten worden opgeleverd, waarna de Kamer geïnformeerd zal worden.
In de brief van 10 juni 2024 (Kamerstuk 32 645, nr. 130) valt te lezen dat er gestart gaat worden met de eerste simulaties binnen programmalijn 1 in Q4 2025, hoeveel simulaties zijn er inmiddels uitgevoerd en welke partijen zijn hierbij betrokken?
Zie antwoord vraag 4.
Wanneer is er sprake over het succesvol afronden van een programmalijn 1, kunt u schetsen hoe dit proces inclusief mijlpalen, indicatoren en eindbesluiten is vormgegeven?
Bij de simulaties wordt gezamenlijk met stakeholders (delen van) het proces van de realisatie van een SMR doorlopen. Dit gaat van initiatief nemen en vergunningverlening tot uiteindelijke (virtuele) realisatie en exploitatie van een SMR. De simulaties zijn ingericht naar vijf thema’s die voortkomen uit de stakeholderanalyse opgeleverd in februari 2024 (zie ook het antwoord op vraag 5). De voornaamste doelstelling van de simulaties is het vergroten van de kennisbasis van stakeholders over deze thema's. Hiervoor is het nodig om in het simulatietraject de informatiebehoefte van stakeholders op te halen, beschikbare kennis te centraliseren, stakeholders bijeen te brengen zodat netwerkvorming plaatsvindt, nieuwe inzichten op te halen en de opgedane kennis verder te verspreiden.
De simulaties zijn zo vormgegeven dat op de best mogelijke manier aan bovenstaande doelen kan worden voldaan. Concreet zal dit worden bereikt door de start- en simulatie-bijeenkomsten, de ondersteuning die aan stakeholders wordt geboden tussen de simulaties door, de afrondende producten die worden opgeleverd en de kennissessies die vervolgens de opgedane kennis verder dienen te verspreiden. Er is sprake van succesvolle afronding van programmalijn 1 als door middel van deze onderdelen de kennisbasis van stakeholders is vergroot.
De twee eerste programmalijnen zorgen voor de beschikbaarheid van de noodzakelijke informatie om op een concrete en gedetailleerde manier beslissingen te kunnen nemen over de mogelijke rol van SMR’s in Nederland. Nadat deze programmalijnen zijn gestart, kunnen de keuzes en doelen verder worden geconcretiseerd. De opgedane inzichten bieden daarmee een basis voor het formuleren van een visie op SMR’s in Nederland en het bepalen van de rol van de overheid (programmalijn 3).
Wanneer is er sprake over het succesvol afronden van een programmalijn 2, kunt u schetsen hoe dit proces inclusief mijlpalen, indicatoren en eindbesluiten is vormgegeven?
Programmalijn 2 heeft als doel om de mogelijke potentie van SMR’s in kaart te brengen (onder andere door zicht te krijgen op de mogelijke toepassing en inpassing van SMR’s in het energiesysteem en transportnetwerk). Verder heeft deze programmalijn tot doel om helderheid te scheppen over de noodzakelijke randvoorwaarden (zoals ruimtelijk beleid). Er is sprake van succesvolle afronding van programmalijn 2 als dit is bereikt.
Op dit moment worden de activiteiten onder programmalijn 2 uitgewerkt. Voor mijlpalen en indicatoren kunt u in ieder geval denken aan een analyse van ruimtelijke randvoorwaarden, het uitvoeren van een studie naar kansen voor de Nederlandse maakindustrie, het ophalen van participatie best practicesbij andere landen en het ondersteunen van de ANVS door het beschikbaar stellen van de nodige middelen voor het opbouwen van de benodigde capaciteit.
Zijn de programmalijnen 1 en 2 gelijktijdig gestart en zo niet, waarom niet?
Ja, na publicatie van het SMR programma is er gelijk begonnen met het uitwerken van de twee programmalijnen. De programmalijnen lopen parallel.
Welke provincies hebben dit jaar interesse kenbaar gemaakt richting het Ministerie Klimaat en Groene Groei aangaande de Programma-aanpak SMR?
Het Ministerie van Klimaat en Groene Groei werkt nauw samen met het IPO. Het IPO coördineert samenwerking tussen de provincies op het onderwerp, faciliteert kennisdeling en werkt toe naar een gezamenlijk provinciaal standpunt, ondanks de verschillen in belang en perceptie ten aanzien van SMR’s in verschillende provincies. Een voorbeeld van de samenwerking is de Werkgroep SMR’s onder het IPO, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Bij dit reguliere overleg zijn alle provincies aangehaakt en de 12 provincies hebben allen in enige mate interesse kenbaar gemaakt richting het Ministerie van Klimaat en Groene Groei aangaande het SMR programma. Er vindt regelmatig afstemming plaats tussen de provincies en het ministerie. De provincies nemen binnen de werkgroep verschillende houdingen aan, variërend van informatie ophalen tot actieve participatie in de simulaties. Het merendeel van de provincies heeft zich aangemeld voor deelname aan de simulaties. Breed gedragen besluitvorming is erg belangrijk voor het SMR programma en daarom ziet het kabinet meerwaarde in de constructieve samenwerking met het Interprovinciaal Overleg over het programma.
Speelt het Interprovinciaal Overleg (IPO) ook enige rol ten aanzien van de verschillende programmalijnen en zo ja, welke meerwaarde heeft deze betrokkenheid kijkende naar de Programma-aanpak SMR?
Zie antwoord vraag 9.
Wat is een realistische termijn voor de start van programmalijn 3 en wie zijn daarin de relevante stakeholders?
De herkomst van budgetten voor maatwerkafspraken |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel budget verwacht u in totaal te besteden aan de maatwerkafspraken?
Er is circa € 1.004,30 miljoen beschikbaar specifiek voor maatwerkafspraken. Daarnaast is er € 66 miljoen toegekend voor uitvoeringskosten voor maatwerk. Dit betreffen middelen voor uitvoeringkosten bij de Ministeries van KGG en I&W en extra capaciteit bij de omgevingsdiensten voor vergunningverlening. Voor maatwerkafspraken met afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) is er € 222 miljoen beschikbaar. Er is ook € 2,8 miljoen gereserveerd voor uitvoeringskosten bij het Ministerie van I&W. Deze middelen zijn allen afkomstig uit het Klimaatfondsperceel Verduurzaming industrie en innovatie mkb (in totaal € 4,9 miljard). Daarnaast is er nog het gehele generieke financieringsinstrumentarium (voor de meeste regelingen ook gefinancierd uit het Klimaatfonds) dat ook gebruikt kan worden voor de maatwerkafspraken. Het is daardoor op voorhand niet met zekerheid te zeggen wat uiteindelijk de totale uitgaven worden aan de maatwerkafspraken.
Klopt het dat er 804 miljoen euro is gereserveerd voor de maatwerkafspraken in het Klimaatfonds, exclusief de 222 miljoen euro voor maatwerk bij Afvalverwerkingsinstallaties, en na toekenning van 200 miljoen euro aan Nobian? Zo nee, hoe zit dit dan precies?
Dit klopt, er is € 804,3 miljoen beschikbaar exclusief de middelen voor Nobian en AVI's. Hierbij passen de onder antwoord 1 genoemde kanttekeningen.
Worden de middelen gereserveerd voor de Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI) (1 miljard euro) geheel of gedeeltelijk ingezet voor de maatwerkafspraken? Zo ja, hoeveel hiervan wordt maximaal voor maatwerkafspraken gebruikt?
De NIKI is een generieke regeling voor de industrie waar zowel maatwerkbedrijven als andere bedrijven aanspraak op kunnen maken. Toekenning van middelen uit de NIKI verloopt via een jaarlijkse tenderprocedure op basis van de meest vermeden CO2-emissie per euro subsidie. Hierdoor worden de middelen toegekend aan de meest competitieve projecten. In de maatwerkaanpak worden bedrijven gestimuleerd om van het generieke financieringsinstrumentarium gebruik te maken. Gezien de specifieke systematiek van de NIKI kan er op voorhand niet bepaald worden welke bedrijven subsidie toegekend krijgen vanuit dit financieringsinstrument.
Bij de uitwerking van de maatwerkafspraken wordt altijd eerst onderzocht in hoeverre de bestaande instrumenten zoals de SDE++, de NIKI en de VEKI ingezet kunnen worden. Pas als die instrumenten niet toereikend zijn, kan een maatwerksubsidie overwogen worden. Het projectfolio waarover maatwerkafspraken worden voorbereid kan gefaciliteerd worden door een mix van instrumenten.
Wordt het niet-gealloceerde bedrag binnen het perceel «verduurzaming industrie en mkb» van het Klimaatfonds (796 miljoen euro) geheel of gedeeltelijk ingezet voor maatwerkafspraken? Zo ja, wat is het maximale bedrag dat hiervoor wordt vrijgemaakt?
De vrije ruimte in het Klimaatfondsperceel verduurzaming industrie en innovatie mkb is beschikbaar voor aanvragen in het Meerjarenprogramma (MJP) 2026. Dit proces loopt en besluitvorming hierover zal plaatsvinden bij de voorjaarsbesluitvorming. De Kamer wordt hierover gelijktijdig met de Voorjaarsnota geïnformeerd.
Welk maximaal bedrag bent u bereid in te zetten voor maatwerkafspraken vanuit de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-subsidie (SDE++)?
De SDE++ is een generieke regeling waar zowel maatwerkbedrijven als andere bedrijven een aanvraag kunnen indienen. Toekenning van projecten vindt ook bij de SDE++ plaats op basis van de meeste vermeden CO2-emissie per euro subsidie. Op voorhand kan niet bepaald worden welke bedrijven subsidie toegekend krijgen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Klopt het volgens u dat indien zowel de volledige NIKI-gelden als alle nog niet-gealloceerde middelen binnen het perceel «verduurzaming industrie en mkb» worden ingezet voor maatwerkafspraken, er een potentieel budget van 2,6 miljard euro ontstaat? Zo nee, wat is volgens u het totaal beschikbare bedrag, en uit welke middelen komt dit?
Zie de antwoorden op vragen 3 en 4.
In de media is eerder gesproken over 3 miljard euro voor maatwerkafspraken specifiek voor Tata Steel; kunt u aangeven uit welke middelen dit bedrag zou moeten komen?
Er is op 26 april jl. een onderhandelingsmandaat door de ministerraad vastgesteld en op basis daarvan lopen momenteel de onderhandelingen met Tata Steel. Vanwege de onderhandelingspositie van de Staat en de mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kunnen er verder geen uitspraken hierover worden gedaan. Tijdens vertrouwelijke technische briefings kunt u worden geïnformeerd over de voortgang van de onderhandelingen. De maatwerkafspraak zal worden gemaakt onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring.
Hoe waarborgt u een gelijk speelveld voor andere bedrijven die willen verduurzamen, indien u middelen uit verschillende subsidiepotten inzet voor een beperkt aantal grote vervuilers?
Voor de verduurzaming van de industrie en het mkb is er een breed scala aan generieke en specifieke instrumenten beschikbaar. Naast de specifieke middelen voor de maatwerkbedrijven zijn er generieke subsidie-instrumenten zoals de NIKI, VEKI, ISDE, DEI++ en SDE++ beschikbaar voor een brede groep van bedrijven. Vanuit de SDE++ is in 2022 bijvoorbeeld € 2,6 miljard beschikt ten behoeve van het mkb1. Daarbovenop is in 2022 circa € 2 miljard aan innovatie- en investeringsregelingen ingezet voor het verduurzamen van het mkb. Op die manier faciliteert het kabinet de verduurzaming van diverse doelgroepen binnen het bedrijfsleven met een passend instrumentarium.
Gaswinning bij Ternaard |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Christine Teunissen (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Sandra Beckerman |
|
Rummenie , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er reeds door de vorige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een natuurvergunning is verleend voor gaswinning bij Ternaard en dat deze is ingebracht in de Rijkscoordinatieregelingprocedure? Op welke datum is dit gebeurd?
Ja. Op 20 februari 2024 heeft de toenmalig Minister voor Natuur en Stikstof besloten om de natuurvergunning te verlenen. Het besluit is derhalve genomen, het treedt echter pas in werking na publicatie ervan.
Bent u van mening dat -onder andere op basis het definitieve advies van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM)- gesteld kan worden dat er met betrekking tot de gaswinning bij Ternaard wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuur?
Aan de aanvraag voor een natuurvergunning van de NAM ligt een passende beoordeling ten grondslag. Dit is een ecologische beoordeling van de effecten, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Uit deze beoordeling en aanvullingen daarop en de onderliggende rapportages die door de NAM zijn aangeleverd, blijkt dat met mitigerende maatregelen en voorschriften (waaronder het Hand aan de kraan-principe) de zekerheid verkregen is dat de voorgenomen gaswinning niet leidt tot significante gevolgen voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Dit is het toetsingskader dat gehanteerd moet worden bij vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming en kent dus een duidelijk ecologisch perspectief.
De adviezen van o.a. SodM (van 29 februari, 22 april en 16 augustus) zijn aanleiding geweest om te bezien of er een noodzaak was de natuurvergunning in te trekken dan wel aan te passen. De conclusie was dat er geen aanleiding was om dat te doen.
Is voor deze natuurwetvergunning voor de gaswinning bij Ternaard opnieuw getoetst door het bevoegd gezag, naar aanleiding van het definitieve advies van het SodM of schade aan de natuur met zekerheid kan worden uitgesloten? Zo ja, op welke datum en wat was hiervan de uitkomst?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voor deze natuurwetvergunning voor de gaswinning bij Ternaard opnieuw getoetst door het bevoegd gezag naar aanleiding van het onderzoek van de Waddenacademie of met zekerheid schade aan de natuur kan worden uitgesloten? Zo ja, op welke datum en wat was hiervan de uitkomst?
Op de ontwerp-natuurvergunning is een groot aantal zienswijzen ingediend. Ook zijn er adviezen ingebracht van de Waddenacademie, de Rijksuniversiteit Groningen en de Landsadvocaat. Het advies van de Waddenacademie d.d. 5 oktober 2021 betreft een juridisch advies inzake Natura 2000 en gaswinning onder de Waddenzee met betrekking tot het de voorgenomen gaswinning Ternaard. Volgens de Waddenacademie tonen de ontwerp-vergunning en de passende beoordeling die daaraan ten grondslag ligt onvoldoende overtuigend aan dat redelijke wetenschappelijke twijfel over het ontstaan van nadelige gevolgen voor de natuurlijke kenmerken en doelstellingen van de Waddenzee ontbreekt. Dit advies is meegewogen in het kader van de verleende vergunning, maar anders dan de conclusie in het advies, was het toenmalige Ministerie van LNV van mening dat toepassing van het toetsingskader dat daar gehanteerd wordt, niet kon leiden tot het weigeren van de vergunning. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Is voor deze natuurwetvergunning voor de gaswinning bij Ternaard opnieuw getoetst door het bevoegd gezag naar aanleiding van de brieven van United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization (UNESCO) of met zekerheid schade aan de natuur kan worden uitgesloten? Zo ja, op welke datum en wat was hiervan de uitkomst?
In september 2023 heeft Unesco een State of Conservation-rapport uitgebracht over de bescherming van de Waddenzee. Daarin heeft Unesco opgeroepen om de voorgenomen gaswinning niet te vergunnen. Op 13 september 2023 heeft het Werelderfgoedcomité van Unesco in Riyad de Staat van Bescherming (SoC) voor de Trilaterale Waddenzee vastgesteld. De eerdere oproep heeft Unesco in juli 2024 herhaald.
Vervolgens is de Landsadvocaat om advies gevraagd over de betekenis van het Unesco-rapport voor de vergunningverlening. Uit het advies van de Landsadvocaat blijkt dat de bescherming van het werelderfgoed niet valt binnen het toetsingskader van de Wnb en dat uitsluitend moet worden beoordeeld of er sprake is van significante gevolgen van een project voor in de omgeving gelegen Natura 2000-gebieden. De oproep van Unesco heeft derhalve niet tot een ander oordeel geleid.
Is deze natuurwetvergunning voor de gaswinning bij Ternaard opnieuw gewogen beoordeeld en aangepast naar aanleiding van andere, niet gepubliceerde adviezen?
Bij de besluitvorming is rekening gehouden met de ingediende zienswijzen, alle bij ons bekende adviezen en gewijzigde inzichten op basis van de rechtspraak. Ook de later volgende adviezen van SodM van 29 februari, 22 april en 16 augustus 2024 zijn in ogenschouw genomen. Deze gaven geen aanleiding om tot een ander besluit te komen op de Wnb-vergunningaanvraag van de NAM toetsingskaders. De daarbij gehanteerde toetsingskaders zijn namelijk gericht op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden.
Welke onderzoeken en adviezen met betrekking tot de gaswinning bij Ternaard zijn niet meegewogen in de besluiten?
Alle bij ons bekende adviezen en onderzoeken zijn meegewogen. Zie ook het antwoord op vraag 11.
Is de commissie MER opnieuw om advies gevraagd over de passende beoordeling voor de natuurvergunning op basis van het definitieve advies van het SodM?
Nee. Het advies van SodM bevatte geen informatie die aanleiding gaf tot aanpassing van de passende beoordeling of het oordeel daarover.
Op welke manier is de constatering van de commissie MER, dat de bodemdaling op Ameland door de gaswinning onder het eiland nu al op 40 centimeter zit, wat eerder voorzien was voor 2050 en de geconstateerde na-ijleffecten van de gaswinning, betrokken bij de besluitvorming over de natuurvergunning voor het project in Ternaard?
De constatering over de bodemdaling bij Ameland is niet betrokken bij de besluitvorming over Ternaard, omdat de 40 cm bodemdaling op het eiland zelf betreft (noordzijde) en niet de bodemdaling op de Waddenzee. De gaswinning uit Ternaard leidt niet tot gaswinning op het eiland Ameland. De constatering dat er bodemdaling plaatsvindt op het eiland Ameland was al bekend ten tijde van de besluitvorming in 2013. Daarom is aan de NAM in het besluit op het winningsplan de verplichting opgelegd om hiernaar studies uit te voeren. De NAM heeft in 2015 en 2017 de zogenaamde «Long Term Subsidence» studies uitgevoerd. Deze studies worden meegenomen in prognoses voor de bodemdaling van de Waddenzeevelden en jaarlijks gerapporteerd in de meet- en regelrapportages. Ameland wordt in deze rapportage ook meegenomen.
Kunt u de appreciatie van het rapport van de Waddenacademie over de volkenrechtelijke aspecten van Ternaard dat eerder in antwoord op Kamervragen is toegezegd, zo snel mogelijk met de Kamer delen?
Heb kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van de Waddenacademie1 en de bijbehorende beleidsaanbevelingen.2 Het rapport en de beleidsaanbevelingen gaan overigens niet specifiek over Ternaard, maar meer in het algemeen over de Europees en internationaalrechtelijke bescherming van de Waddenzee. De gaswinning Ternaard wordt als casus genoemd in het rapport. Op dit moment heeft het kabinet een appreciatie in voorbereiding. Vanwege de complexiteit van dit onderwerp is daarvoor meer tijd nodig. Ook vraagt dit goede afstemming met alle betrokken partijen. Het kabinet streeft ernaar deze appreciatie te agenderen voor het bestuurlijk overleg Waddengebied in 2025.
Deelt u de juridische constatering dat het bevoegd gezag verplicht is om de meest recente wetenschap met betrekking tot de effecten van gaswinning op het Waddengebied die nu beschikbaar is of beschikbaar komt in de periode tot het definitieve besluit, te betrekken bij de beoordeling of schade aan de natuur met zekerheid kan worden uitgesloten?
Ja, die constatering deel ik. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Kunt u al deze onderzoeken, brieven, adviezen en de besluitvorming hieromtrent delen met de Kamer?
Alle onderzoeken en adviezen die in het kader van de RCR-besluitvorming zijn uitgevoerd worden openbaar gemaakt na de definitieve besluitvorming. De onderzoeken van NAM in het kader van de hand aan de kraan zijn openbaar beschikbaar via de website van de NAM. Daarnaast zijn hier ook de «Long Term Subsidence» rapporten te vinden. De onderzoeken in het kader van de RCR procedure tot aan de publicatie van de concept besluiten in 2021 zijn openbaar toegankelijk via de website van het bureau Energieprojecten. Op 13 december jl. zijn in een separate brief de recente auditrapportages over de gas- en zoutwinning onder de Wadden en de gaswinning onder Ameland aan u toegezonden. Conform mijn toezegging in het debat van 11 december, ben ik bereid de adviezen van TNO, SodM en Mijnraad vertrouwelijk ter inzage te leggen, zodat de commissieleden van de inhoud van deze adviezen kennis kunnen nemen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor a.s. dinsdag 14.00 uur?
Ja.
De opschaling van groen gas |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten op welke wijze de opschaling van mestvergisting op dit moment plaatsvindt in afstemming met gemeenten en de Regionale Energie Strategieën-regio's (RES-regio's)? Welke stappen worden er vervolgens vanaf 2026 gezet om de doelstellingen van 2030 te bereiken?
Met de medeoverheden heeft het kabinet afgesproken dat groen gas, waar het gaat om de uitdagingen die ruimtelijke inpassing met zich meebrengt en de versnelling daarvan, meeloopt in de integrale brede «nieuwe samenwerkingsafspraken voor de ontwikkeling van het energiesysteem». Op dit moment verkent het kabinet de mogelijkheden voor dergelijke afspraken.
Het Rijk ondersteunt provincies in het algemeen onder andere via Road Shows (voorlichtingsbijeenkomsten), een handreiking voor vergunningverlening en via een Expertisecentrum Groen Gas (in oprichting).
Verder beziet het kabinet met een aantal provincies hoe groen-gasproductie in hun provincie (nog) verder gestimuleerd kan worden, waar het Rijk kan ondersteunen en welke goede voorbeelden gedeeld kunnen worden.
Tot slot wordt op dit dossier nauw samengewerkt door de ministeries van Klimaat en Groene Groei en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Recent is Raymond Knops aangesteld als verkenner voor versnelling van de vergunningverlening van mestverwerkers en mestvergisters.
Deelt u de mening dat voor de versterking van decentrale energiesystemen het noodzakelijk is een goede regionale spreiding te bevorderen van de lokale productie van groen gas?
Het Rijk stuurt niet specifiek op regionale spreiding bij de productie van groen gas. Het kabinet is van mening dat de groen-gasproductie moet aansluiten bij de lokale omstandigheden, zoals de aanwezigheid van grondstoffen en infrastructuur. Uit onderzoek blijkt dat er in alle provincies veel potentie is om groen gas te produceren1. In de gesprekken met de medeoverheden zet het kabinet er in algemene zin op in lokale groen gas productie te stimuleren, voldoende geschikte locaties aan te wijzen en de vergunningverlening te versnellen.
Op welke wijze wordt de regionale spreiding van de opschaling van groen gas door het Rijk en de RES-regio’s gestuurd? Bent u voornemens om voor de RES-regio’s ook een groen gasdoel te stellen?
Zoals hierboven aangegeven stuurt het kabinet niet op waar het groen gas geproduceerd dient te worden, maar is in gesprek met de medeoverheden om te kijken hoe de regionale groen-gasproductie opgeschaald en gefaciliteerd kan worden.
Momenteel maakt het kabinet samen met de medeoverheden integrale brede «nieuwe samenwerkingsafspraken voor de ontwikkeling van het energiesysteem», zie antwoord op vraag 1. Hierbij wordt de vraag betrokken of er na 2030 andersoortige doelen dan doelen voor elektriciteitsopwekking op land wenselijk en haalbaar zijn.
Deelt u de mening dat, alhoewel de uiteindelijke doelstellingen een essentiële stap zijn in de verbreding van de energiemix, het aannemelijk is dat de vraag de komende jaren het aanbod zal overstijgen?
Het kabinet deelt deze inschatting. Het kabinet schat in dat de toekomstige vraag naar groen gas groot zal zijn. Groen gas kan gebruikt worden als energiebron en als bron van koolstof voor bijvoorbeeld de chemie en industrie. Als energiebron is groen gas breed inzetbaar, en te gebruiken via grotendeels bestaande infrastructuur. Het aanbod daarentegen is inherent beperkt omdat hiervoor onder andere grondstoffen en productielocaties nodig zijn, welke beperkt beschikbaar zijn.
Kunt u toelichten op welke wijze u de verwachte prijsstijging per m³ voor de gasprijs zult monitoren?
In opdracht van het Rijk rapporteert het CBS maandelijks over de gemiddelde tarieven voor aardgas en elektriciteit voor consumenten. Omdat de prijsstijging als gevolg van het stijgende percentage groen gas in het gasnet slechts één van de ontwikkelingen is die effect heeft op de consumentenprijs, kan op deze manier integraal de betaalbaarheid van energie worden gemonitord. Er is geen aparte monitor voorzien voor de prijs van groen gas: er is ook (nog) geen handelsplatform waar prijsinformatie op transparante wijze kan worden verkregen. Wel wordt vanuit het Programma Groen Gas regelmatig overlegd met producenten, financiers en afnemers van groen gas, en wordt op deze wijze informatie verzameld over de stand van de sector en markt.
Welke afspraken zijn er gemaakt over toekomstig onderhoud en vervanging van het huidige gasnetwerk zodat deze voor groen gas ingezet kunnen worden in de toekomst?
Netbeheerders zijn conform Europese en nationale wetgeving gehouden aan hun transporttaken voor aardgas en groen gas. Netbeheerders zijn reeds actief bezig met het in beeld brengen van knelpunten die kunnen ontstaan op het gasnet door de invoeding van groen gas en nemen reeds maatregelen, waaronder investeringen, om deze knelpunten te verhelpen en het aardgasnet geschikt te maken voor groen gas. Voorbeelden hiervan zijn het regionaal koppelen van gasnetten van Alliander en Stedin, het plaatsen van boosters (installaties die het gas kunnen verplaatsen naar een hoger druk – distributienet of transmissienet) door Gasunie en de bouw van een groen gas verzamelleiding tussen Emmen en Ommen zodat het net efficiënter wordt gebruikt.
Op termijn zal desalniettemin de vraag naar transportcapaciteit voor aardgas afnemen. Dit zal met name gevolgen hebben voor de lage druk distributienetten, wanneer individuele wijken en buurten van het aardgas afgaan en over gaan op een warmtenet of volledig elektrisch verwarmen. Gezien de beperkte beschikbaarheid van groen gas ligt het niet in de rede dat wijken die nu van het aardgas afgaan, omdat ze een goed alternatief hebben, op termijn weer terugkomen op het gasnet voor groen-gasgebruik. Verwijdering van deze netten is dan aan de orde.
Welke mogelijkheden zijn er om regionale en/of nationale voorrang te verlenen aan het verhandelen van Garanties van Oorsprong, zodat het ook daadwerkelijk ten goede komt aan het behalen van de Nederlandse klimaatdoelen?
De bijdrage van groen gas aan de Nederlandse klimaatdoelen in de Klimaat- en Energieverkenning wordt afgemeten aan de invoeding van groen gas in Nederland. De verkoop van Nederlandse garanties van oorsprong aan marktpartijen in andere landen heeft hier geen invloed op.
Wel hebben garanties van oorsprong een belangrijke rol in het voldoen aan de ETS1- en ETS2-verplichtingen. Voor verplichte partijen onder deze instrumenten kunnen garanties van oorsprong voor hernieuwbaar gas worden ingezet als bewijs dat een deel van het gebruikte gas duurzaam is en hiervoor geen ETS-rechten ingeleverd hoeven te worden. Ook de bijmengverplichting groen gas werkt met garanties van oorsprong als bewijs van duurzame gaslevering.
Het reserveren van Nederlands groen gas voor Nederlandse partijen onder ETS1, ETS2 of de bijmengverplichting is helaas niet mogelijk binnen de Europese interne (gas)markt. Het kabinet verwacht ook dat op de lange termijn bovengenoemde verplichtingen het meest efficiënt kunnen worden ingevuld binnen een Europese groen-gasmarkt, waarmee eventueel ingrijpen ook niet wenselijk is.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De uitkomsten van de COP29 |
|
Suzanne Kröger (GL), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Reinette Klever (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PVV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitkomsten van de COP29?1
Ja.
Bent u tevreden met de uitkomsten van de COP29? Zo niet, wat had u graag anders gezien?
De uitkomsten van COP29 bevatten elementen waar het kabinet tevreden over is, en elementen die het anders had willen zien. COP29 heeft geresulteerd in uitkomsten op de drie pijlers van de Overeenkomst van Parijs: mitigatie, adaptatie, en financiering. Het voornaamste resultaat van deze COP is het akkoord over een nieuw collectief klimaatfinancieringsdoel voor 2035. Daarnaast zijn de regels voor internationale koolstofmarkten op basis van artikel 6 afgerond. Beide besluiten zijn een belangrijke stap in de uitvoering van de doelen van de Overeenkomst van Parijs. Het was de inzet van Nederland en de EU om al op deze COP aanvullende besluiten te nemen die het wereldwijde ambitie- en implementatiegat verder zullen verkleinen. Dit is slechts ten dele gelukt, en op veel van de mitigatie-onderwerpen gaat de discussie daarom verder in 2025. Wel bevestigt het akkoord dat alle partijen doorgaan op de tijdens COP28 ingeslagen weg. Een uitgebreide appreciatie over de uitkomsten van COP29 is te vinden in de Kamerbrief2 van 10 december.
Onderschrijft u de analyse van experts dat de COP29 «is mislukt» en dat de uitkomst een «klap in het gezicht [is] van alle mensen die al geteisterd worden door klimaatverandering», onder meer omdat ontwikkelde landen met dit akkoord geen eerlijke bijdrage leveren aan het tegengaan van klimaatverandering (en het omgaan met de gevolgen)?2, 3
Nee, zie antwoord op vraag 2.
Klopt het dat het kabinet de doelen van het Parijsakkoord wil halen? Zo ja, deelt u de opvatting dat de huidige afspraken over klimaatfinanciering onvoldoende zijn om ontwikkelingslanden in staat te stellen ambitieuze
Ja, het kabinet wil de doelen van de Overeenkomst van Parijs halen. Het deelt niet de opvatting dat de huidige afspraken over klimaatfinanciering onvoldoende zijn. De klimaatfinancieringsafspraken bevatten meerdere lagen. Naast het doel van USD 300 miljard per 2035 voor ontwikkelingslanden waarbij ontwikkelde landen het voortouw zullen nemen, is er ook een oproep aan alle actoren – publiek en privaat – om samen tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte van ontwikkelingslanden, die per 2035 ten minste USD 1.300 miljard per jaar bedraagt.
Nationally Determined Contributions (NDCs) in te dienen en er daarmee grote druk staat op het bereiken van het Parijsakkoord?
Naar aanleiding van de resultaten van COP29 en om het 1,5 graden doel binnen bereik te houden, acht het kabinet het van belang dat er internationaal voortgang wordt geboekt op het mitigatiewerkprogramma, de opvolging van de Global Stocktake, de uitwerking van het UAE Framework for Global Climate Resilience en het in lijn brengen van financiële stromen met de doelen van de Overeenkomst van Parijs, zoals vervat in artikel 2.1c. De discussie hierover zal komend jaar worden voortgezet. Wat betreft klimaatfinanciering zal Nederland ook in 2025 een betekenisvolle bijdrage leveren aan het huidige doel en zal het bezien welke stap het zet voor het nieuwe doel per 2035. Bij het bepalen van de Nederlandse bijdrage aan klimaatfinanciering zal het kabinet, zoals gebruikelijk, rekening houden met de begrotingen inclusief meerjarencijfers.
Bent u bereid om, naar aanleiding van deze resultaten, te kijken naar wat vanuit Nederland aanvullend nodig is aan internationale klimaatfinanciering om het Parijsakkoord in zicht te houden en de huidige afspraken te versterken? Bent u bereid om hierin zelf het voortouw te nemen door meer klimaatfinanciering beschikbaar te stellen?
Ja, het kabinet onderschrijft het beginsel van common but differentiated responsibilities and respective capabilities.
Onderschrijft u nog steeds het in het Parijsakkoord afgesproken principe van common but differentiated responsibilities (CBDR), oftewel dat de grootste vervuilers met de sterkste schouders een grotere bijdrage moeten leveren aan het tegengaan van klimaatverandering dan armere landen die een veel minder grote (historische) uitstoot hebben?
Onderdeel van het in de Overeenkomst van Parijs overeengekomen beginsel van common but differentiated responsibilities and respective capabilities is onder meer dat ontwikkelingslanden ondersteuning nodig hebben bij hun klimaatinspanningen. Hiertoe zijn onder andere afspraken gemaakt over klimaatfinanciering, waarbij ontwikkelde landen het voortouw zullen blijven nemen. Nederland levert een betekenisvolle bijdrage aan klimaatfinanciering en zal dit ook blijven doen.
Onderschrijft u dan ook dat Nederland dus een verantwoordelijkheid heeft naar landen die niet verantwoordelijk zijn voor klimaatverandering maar hier wel grote gevolgen van ondervinden? Op welke manier neemt Nederland volgens u deze verantwoordelijkheid? Hoe verhoudt deze verantwoordelijkheid zich met de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking en internationaal klimaatbeleid?
Nederland heeft zich zowel binnen de EU als met de EU gezamenlijk ingezet voor het verminderen van de financiering van fossiele brandstoffen. Dit heeft onder andere geleid tot een aantal paragrafen hierover in de tekst van donderdag 21 november 2025, zie bijvoorbeeld paragraaf 47, 52, 545. Dit stuitte – net als expliciet noemen van het besluit over versneld wegbewegen van fossiele brandstoffen in energiesystemen – op weerstand van verschillende olieproducerende landen. In dit krachtenveld is het niet mogelijk gebleken om deze paragrafen te behouden in het eindbesluit over het nieuwe klimaatfinancieringsdoel.
Klopt het dat er in de onderhandeltekst van de donderdag van de COP29 nog een tekst stond over het afbouwen van het gebruik van fossiele brandstoffen, maar dat dit niet in de uiteindelijke tekst is beland? Waarom niet? Heeft u gepleit voor het opnemen van teksten over het afbouwen van fossiel?
Tijdens COP29 is op verschillende manieren het belang benadrukt van meer dwarsdoorsnijdende aandacht voor mensenrechten en gendergelijkheid in alle onderdelen van de onderhandelingen. Dit gebeurde onder andere via een verklaring van de EU met gelijkgezinde landen aan het begin van de COP en via meerdere bilaterale gesprekken en consultaties met het COP-voorzitterschap, met onderhandelingspartners buiten de EU en met de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Deze thema’s zijn uiteindelijk beperkt geïntegreerd in de verschillende onderhandelingsbesluiten door weerstand bij enkele landen.
Wat heeft Nederland tijdens COP29 gedaan om mensenrechten en gendergelijkheid te beschermen in klimaatactie? Welke stappen zetten Nederland en de EU om mensenrechten en gendergelijkheid in internationale klimaatafspraken te waarborgen en versterken, en te voorkomen dat hier stappen terug op worden gezet?
Nederland zal zich binnen de EU blijven inzetten voor internationaal klimaatbeleid dat voorziet in de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs, met nadruk op het dichten van het ambitie- en implementatiegat. Naar aanleiding van de resultaten van COP29 en om het 1,5 graden doel binnen bereik te houden, acht het kabinet het van belang dat er internationaal voortgang wordt geboekt op het mitigatiewerkprogramma, de opvolging van de Global Stocktake, de uitwerking van het UAE Framework for Global Climate Resilience en het in lijn brengen van financiële stromen met de doelen van de Overeenkomst van Parijs, zoals vervat in artikel 2.1c. De discussie hierover zal komend jaar worden voortgezet, vooral met internationale partners en andere landen. Binnen de EU is er overeenstemming over de noodzaak voortgang te boeken op deze terreinen.
Wat wordt de komende tijd uw inzet in de EU als het gaat om internationaal klimaatbeleid? Verandert deze inzet naar aanleiding van de COP29?
Het kabinet heeft ervoor gekozen om eerst de Kamerbrief met de appreciatie van de uitkomsten van COP29 te versturen.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de Energieraad van 12 december 2024 beantwoorden?
Het gebruik van de Wet Bibob bij subsidieverlening |
|
Joost Sneller (D66), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dirk Beljaarts (minister economische zaken en klimaat) (PvdV), David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de vragen, ingediend op 29 augustus 2022, door de leden Sneller (D66) en Michon-Derkzen (VVD), over het onbenut laten van Bibob-toetsing bij subsidieverlening?1
Ja.
Aangezien u in het antwoord op vragen 10, 11 en 12 van bovengenoemde set heeft aangegeven dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken voert met de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK) om de toepassing van de Wet Bibob bij subsidieverlening te verbeteren; wat is de huidige stand van zaken van deze gesprekken, en welke concrete resultaten of beleidsmaatregelen zijn inmiddels voortgekomen uit deze gesprekken om het gebruik van de Wet Bibob bij subsidieverlening door de rijksoverheid te bevorderen?
Zoals mijn ambtsvoorganger in haar brief aan uw Kamer op 3 april 2023 aangaf, zijn door mijn ministerie gesprekken gevoerd met verschillende subsidieverlenende onderdelen van de rijksoverheid.2 Waar nodig zijn zij in contact gebracht met andere Rijksonderdelen die ervaring hebben met de Wet Bibob en met het Landelijk Bureau Bibob (LBB), dat in het kader van zijn voorlichtingstaak informerende of ondersteunende werkzaamheden verricht.
Rijksonderdelen zijn zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de Wet Bibob als zij een subsidie verlenen. In een groot deel van de gevallen is een Bibob-toets echter niet opportuun: het bedrag dat wordt verleend is klein of de subsidie wordt verstrekt aan een andere overheidsinstantie zoals een gemeente. Daarnaast biedt het subsidierecht via de Algemene wet bestuursrecht zelf ook de mogelijkheid om voorwaarden te stellen om misbruik tegen te gaan. Toepassing van de Wet Bibob is dan niet nodig.
Het opstellen van landelijk Bibob-beleid bij het verstrekken van subsidies voor het Rijk is niet mogelijk; de inzet van het instrument per Rijksonderdeel en per sector verschilt te veel. Wel hebben de betrokken ministeries met een aantal Rijksonderdelen gesprekken gevoerd, zoals Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). RVO is onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en voert subsidieregelingen uit voor verschillende ministeries. RVO heeft naar aanleiding van de vorige Kamervragen een Bibob-adviesgroep opgericht. Zie ook de beantwoording van de vragen 3 en verder.
Niet alleen Rijksonderdelen zoals RVO verstrekken subsidies waarop de Wet Bibob van toepassing is, ook (beleids)afdelingen van de ministeries kunnen dat doen, zoals ook aangegeven in de bijlage bij de brief aan uw Kamer van 15 december 2023.3 Er is gekeken welke rol mijn ministerie daarin kan hebben en in dat kader zijn onder andere gesprekken gevoerd met het onderdeel binnen mijn ministerie dat de kaders opstelt voor het verstrekken van subsidies. Hun kader ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies wordt op dit moment uitgebreid met aandacht voor de Wet Bibob. Met deze afdeling zal ook worden nagedacht over mogelijke uitbreiding naar andere ministeries.
Wat zijn de concrete resultaten van de Bibob-adviesgroep die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in 2023 heeft ingesteld?
De Bibob-adviesgroep van RVO adviseert en ondersteunt binnen RVO over het proportioneel inzetten van de onderzoeksmogelijkheden die de wet Bibob biedt. Dit gebeurt op basis van adviesverzoeken die bij de adviesgroep kunnen worden ingediend door uitvoerende afdelingen van RVO. Ook kan een Bibob-tip (zie hierover ook vraag 5 en 7) aanleiding zijn voor bespreking van een casus in de adviesgroep. Vanaf 2023 heeft de Bibob-adviesgroep negen adviezen verstrekt over de inzet van de Wet Bibob binnen RVO. Geen van deze zaken gaf aanleiding om een adviesaanvraag bij het LBB te doen.
De Bibob-adviesgroep helpt binnen RVO ook bij een goede waarborging van ontvangen vertrouwelijke Bibob-gegevens. Daarnaast wordt vanuit de Bibob-adviesgroep deelgenomen aan externe overleggen en netwerken rondom de Wet Bibob, zoals het Landelijk Subsidieoverleg van het IPO (Interprovinciaal overleg) en het Landelijk Bibob-congres. Doel hiervan is om overheidsbreed kennis met elkaar te delen over de Wet Bibob en de toepassing daarvan in de praktijk.
Worden subsidieaanvragers van duurzame energieprojecten door RVO altijd gescreend op integriteit, bijvoorbeeld via een Bibob-toets, en zo ja, op welke wijze gebeurt dit?
Het screenen van subsidieaanvragers met behulp van de Wet Bibob gebeurt risicogericht. De inzet van de Wet Bibob bij subsidieverstrekking is een mogelijkheid om misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies tegen te gaan en wordt gedaan op basis van een risicoanalyse die gedaan wordt bij het opstellen van een nieuwe (subsidie)regeling.
Deze risicoanalyse die wordt uitgevoerd bij een nieuwe regeling vloeit voort uit het Raamwerk voor Uitvoering van Subsidies (RUS) en het Uniform Subsidiekader (USK). Dit gebeurt in samenspraak met het ministerie dat de opdracht voor uitvoering van een subsidieregeling aan RVO geeft.
Een voorbeeld van screening op integriteit is de Stimulering Duurzame Energieproducten en Klimaattransitie (SDE++). Bij de SDE++ worden subsidieaanvragers in het kader van de Wet Bibob gescreend op basis van ontvangen tips door bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie. Daarnaast wordt de SDE++ ieder jaar geactualiseerd op basis van een (verkorte) risicoanalyse.
Aangezien bij subsidies voor de totstandkoming van duurzame energieprojecten, zoals energieparken, vaak ook een vergunning van de gemeente nodig is, deelt u de mening dat RVO transparant moet zijn richting gemeenten over het al dan niet uitvoeren van een Bibob-toets bij een subsidieaanvraag, zodat gemeenten deze informatie kunnen betrekken bij hun vergunningverlening?
Overheden die bevoegd zijn om de Wet Bibob toe te passen kunnen elkaar tippen om een Bibob-onderzoek te starten. Dat kan echter alleen als de ene overheidsinstantie weet dat de andere overheidsinstantie een rechtsverhouding heeft of wil aangaan met een betrokkene4 of iemand in zijn zakelijke omgeving. De tippende overheidsinstantie moet over informatie beschikken dat deze persoon in relatie staat tot strafbare feiten. Het is vervolgens aan de andere overheidsinstantie om een keuze aangaande het eigen onderzoek te maken. Informatie uit een Bibob-onderzoek kan onder voorwaarden wel gedeeld worden met elkaar.
Worden bij de beoordeling van een subsidieaanvraag door RVO gegevens uitgewisseld met andere bestuursorganen, zoals gemeenten, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit proces te verbeteren?
Bij het opstellen van een subsidieregeling wordt altijd gekeken naar hoe deze het beste uitgevoerd kan worden. Indien gegevensuitwisseling met andere organisaties of overheidsinstanties nodig is bij uitvoering en handhaving van een (subsidie)regeling, wordt dit nader geregeld in de wet- en regelgeving die betrekking heeft op de betreffende subsidieregeling.
Een belangrijk aandachtspunt is dat de samenwerkende instanties bij gegevensuitwisseling, als daarbij sprake is van persoonsgegevens, hierbij voldoen aan de voorschriften van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit betekent onder meer dat er altijd een rechtsgrondslag moet zijn voor het verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens en dat bepaalde vereisten gelden ter waarborging van een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens conform de wet. Persoonsgegevens kunnen dus niet zonder wettelijke grondslag tussen partijen en instanties uitgewisseld worden of voor andere doeleinden gebruikt worden dan waarvoor zij oorspronkelijk verzameld zijn.
Ook het delen van gegevens uit een Bibob-onderzoek van RVO na een subsidieaanvraag is aan strenge voorwaarden verbonden. Zoals bij de beantwoording van vraag 5 is aangegeven kan deze informatie soms wel gedeeld worden. Zo moet RVO onder andere weten dat een ander bestuursorgaan een eigen Bibob-onderzoek verricht naar personen die door RVO zijn onderzocht, de gegevens moeten noodzakelijk zijn voor het eigen onderzoek en de gegevens zou het bestuursorgaan ook zelf moeten kunnen verkrijgen.
Hoe wordt geborgd dat de vergunningverlenende gemeente op de hoogte wordt gesteld van het al dan niet uitvoeren van een Bibob-toets bij de betreffende subsidieaanvraag?
Zie ook het antwoord op vraag 5. Een tip behoort tot de mogelijkheden, maar daarvoor is wel noodzakelijk dat de ene overheidsinstantie op de hoogte is van een vergunning(aanvraag) bij de gemeente. De gemeente heeft echter wel altijd de mogelijkheid om het Bibob-register te raadplegen. In het Bibob-register moeten conclusies worden geregistreerd wanneer een (eigen) onderzoek heeft geleid tot een bepaalde mate van gevaar of een terugtrekking uit de procedure. Een zogenaamde «hit» kan voor een gemeente of andere overheidsinstelling aanleiding zijn om een onderzoek te starten en het kan vervolgens ook onder voorwaarden om informatie uit het al afgeronde Bibob-onderzoek verzoeken.
Kunt u aangeven hoe vaak RVO in 2021, 2022, 2023 en tot nu toe in 2024 een adviesaanvraag heeft gedaan bij het Landelijk Bureau Bibob?
RVO heeft tussen 2021 en nu in totaal tien adviesaanvragen gedaan bij het LBB. Hierbij wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat de adviesaanvragen van RVO in voornoemde periode per definitie zien op subsidies.
Kunt u per bestuursorgaan aangeven hoeveel adviesaanvragen er zijn gedaan bij het Landelijk Bureau Bibob in 2023 en tot nu toe in 2024?
Het LBB deelt in verband met de geheimhoudingsplicht in de Wet Bibob alleen cijfers over adviesaanvragen als deze cijfers niet te herleiden zijn naar individuele gevallen. Dit betekent dat het aantal adviesaanvragen per bestuursorgaan/rechtspersoon met overheidstaak slechts gedeeld wordt als dit een dusdanig aantal betreft dat op basis daarvan geen sprake is van herleidbaarheid naar een individueel geval. Een globaal overzicht van de cijfers is jaarlijks te vinden in het jaarverslag van het LBB.
In 2023 heeft het LBB in totaal 255 adviesaanvragen ontvangen. 230 daarvan waren afkomstig van gemeenten. 14 adviesaanvragen waren afkomstig provincies. 9 adviesaanvragen waren afkomstig van Rijksonderdelen. In totaal hebben 94 verschillende bestuursorganen of rechtspersonen met een overheidstaak in 2023 advies bij het LBB aangevraagd. Voor meer informatie over de cijfers in 2023 verwijs ik u naar het jaarverslag 2023 van het LBB.
In 2024 heeft het LBB tot en met 5 december 2024 in totaal 243 adviesaanvragen ontvangen. 209 daarvan waren afkomstig gemeenten. 7 adviesaanvragen waren afkomstig van provincies. 13 adviesaanvragen waren afkomstig van Rijksonderdelen. 13 adviesaanvragen waren afkomstig van een samenwerkingsverband. In totaal hebben 106 verschillende bestuursorganen of rechtspersonen met een overheidstaak tot en met 5 december 2024 een advies bij het LBB aangevraagd.
Wanneer bent u voornemens de Kamer te informeren over de inspanningen die worden gedaan om de inzet van de Bibob als instrument tegen ondermijning beter te kunnen benutten?
Mijn ministerie zet zich op een continue basis in om (de inzet van) het Bibob-instrument te optimaliseren. Zo wordt regelmatig met het LBB en de Regionale Informatie- en Expertisecentra gesproken over de inzet en over de ontwikkelingen bij bestuursorganen. Het jaarverslag van het LBB wordt naar de Kamer verzonden en geeft een goed beeld van de werkzaamheden van het LBB.
Daarnaast wordt in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum op dit moment daarnaast een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de recente wijzigingen van de Wet Bibob, waarbij ook aandacht wordt besteed aan moties en enkele actualiteiten.5 Een reactie op dit onderzoek en eventuele opvolging volgt na afronding, verwacht in het najaar van 2025. Ten slotte blijf ik mij inzetten om Rijksonderdelen bewust te maken van de mogelijkheid om de Wet Bibob in te zetten. Een update op dit onderwerp volgt voor de zomer.
Wat is de actuele vulgraad van de Nederlandse gasopslagen?1, 2
De actuele vulgraad van de Nederlandse en andere Europese gasopslagen is te allen tijde te raadplegen op de Aggregated Gas Storage Inventory (AGSI) website van Gas Infrastructure Europe.3 Dit is ook de bron voor de antwoorden op de vragen 1 t/m 3.
Op 30 november 2024 waren de Nederlandse opslagen voor 73,1% gevuld. Als alleen wordt gekeken naar de seizoensopslagen, inclusief de piekgasinstallatie Alkmaar, dan is het beeld van de actuele vulgraden op 30 november jl. als volgt:
Is dit meer of minder dan voorgaande jaren? Hoe verklaart u die verschillen?
Als wordt gekeken naar het totaal van de Nederlandse opslagen en meer in het bijzonder naar de seizoensopslagen, inclusief de piekgasinstallatie Alkmaar, dan is het beeld voor de jaren 2020 t/m 2024 op peildatum 30 november als volgt:
Opslag / jaar
2024
2023
2022
2021
2020
Totaal NL-opslagen
73,1%
94,4%
88,5%
55,7%
83,0%
Norg
72,3%
97,0%
100,0%
67,3%
73,4%
Grijpskerk
75,9%
97,1%
47,0%
67,4%
97,4%
Bergermeer
68,3%
90,7%
93,7%
27,9%
85,8%
Alkmaar
98,6%
98,7%
98,3%
84,5%
94,6%
Over de verschillen valt het volgende op te merken:
Is dit meer of minder dan onze buurlanden? Hoe verklaart u die verschillen?
De Nederlandse vulgraad, uitgedrukt als percentage van de totale opslagcapaciteit van de opslagen, ligt lager dan die van onze buurlanden, op die van Denemarken na. Per 30 november 2024 waren de opslagen in de EU als totaal en van de ons omringende landen tot de volgende niveaus gevuld:
Dit beeld geeft echter niet het gehele plaatje. Als de huidige vulgraad van de opslagen wordt afgezet tegen het jaarverbruik van gas in Nederland dan kon met het gas dat zich op 30 november 2024 nog in de Nederlandse opslagen bevond, worden voorzien in 33,7% van het Nederlandse jaarverbruik. Voor de EU als totaal en voor de ons omringende landen is dit beeld als volgt:
Hieruit volgt dat het beeld voor Nederland gunstiger is dan wanneer alleen wordt gekeken naar de vulgraad van de opslagen.
Dat er verschillen zijn tussen de vulgraden heeft de volgende redenen:
Wat zijn uw verwachtingen ten aanzien van het verdere gasgebruik van Nederland, en het effect daarvan op de vulgraad van Nederlandse gasopslagen, de komende maanden?
Het verdere gasverbruik zal vooral afhankelijk zijn van de ontwikkeling van de temperatuur en het aanbod van energie uit andere bronnen, met name zon en wind. Vooralsnog is het echter de verwachting dat er voldoende gas in de opslagen zit om de winter door te komen, ook als sprake is van een koude winter. Hierbij is het belangrijk niet alleen naar de hoeveelheid opgeslagen gas in gasopslagen te kijken, maar ook naar de totale infrastructuur: LNG-importcapaciteit, interconnectoren met het VK, België en Duitsland en de productie van gas in Nederland. Deze bepalen gezamenlijk hoe robuust het gassysteem is en in hoeverre de gasleveringszekerheid geborgd is, ook bij een koude winter en bij uitval van bepaalde gastoevoer.
Uit het door GTS opgeleverde overzicht gasleveringszekerheid dat op 30 september jl. met de Tweede Kamer is gedeeld4 blijkt dat er komende winter alleen een zeer kleine kans is op een beperkt capaciteitstekort5 (minder dan 1 GW) als er sprake is van een etmaaltemperatuur die statistisch gezien eens in de twintig jaar voorkomt (–14°C of kouder) gecombineerd met uitval van een hoeveelheid capaciteit gelijk aan die van de grootste individuele bron van capaciteit (gasopslag Norg). Het kabinet heeft zich hierop voorbereid.6 Wat betreft het volume constateert GTS dat bij een normaal aanbod van gas, er op jaarbasis geen tekorten ontstaan in de komende gasjaren – ook na koude winters (zoals de winter van 1995/1996, de koudste winter van de afgelopen dertig jaar). Alleen de combinatie van een koud jaar en een verminderd aanbod vergelijkbaar met 30% van het LNG-aanbod in de basisvariant, kan leiden tot een volumetekort op jaarbasis. Dit volumetekort doet zich dan in de zomer voor bij het vullen van de gasopslagen.
Overigens houdt GTS er in haar overzicht rekening mee dat Nederland een spilfunctie vervult op de Noordwest-Europese gasmarkt. Bij het bepalen of er voldoende gas is om aan de behoefte van eindafnemers te voldoen, worden daarom ook (verwachte) gasstromen van en naar het buitenland meegenomen. Het beperken van gasstromen naar het buitenland is op basis van Europese regelgeving niet geoorloofd.
Van welk weerscenario gaat u uit voor wat betreft het gasgebruik en vullen van gasopslagen voor de komende winter?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 wordt met verschillende scenario’s rekening gehouden. Daarbij wordt uiteraard ook gekeken naar de verwachte ontwikkeling van de gasvraag, niet alleen in Nederland maar ook naar die vanuit de ons omringende landen.
In de hiervoor genoemde brief van 30 september jl.7 is aangegeven dat GTS in het overzicht leveringszekerheid constateert dat er aan het begin van het winterseizoen 2025/2026 minimaal 110 TWh in de seizoensopslagen (Grijpskerk, Norg en Bergermeer) en de PGI Alkmaar moet zijn opgeslagen. Dit komt overeen met 80% van het opslagvolume van deze vier gasopslagen. Deze vulgraad – in combinatie met overige infrastructuur, zoals LNG-importcapaciteit – zou volgens GTS voldoende moeten zijn om een koude winter (de koudste winter van de afgelopen 30 jaar), ook bij een uitval van de grootste bron (import via de GATE-terminal) van 30 dagen zonder tekorten door te komen. Dit is dan ook de vulambitie van dit kabinet. Zoals toegezegd tijdens het Commissiedebat Mijnbouw op 2 oktober jl. ga ik begin volgend jaar in een Kamerbrief nader in op de onderbouwing van de vulambitie van het kabinet in 2025.
Wat is het effect hiervan op de energieprijzen die Nederlanders moeten betalen?
In zijn algemeenheid geldt dat de prijzen op de internationale groothandelsmarkt zullen stijgen bij koud weer en zullen dalen bij warm weer. Dit komt doordat bij koud weer meer gas wordt verbruikt (dit betekent dat de gasvraag stijgt) dan bij warm weer (hetgeen de gasvraag doet dalen). Dat de prijs reageert op de gasvraag is onderdeel van de normale vraag-aanbodverhouding op de groothandelsmarkt van gas. Doordat de prijs stijgt, trekt dit ook meer gas aan en vergroot zodoende weer het aanbod van gas. Wat het effect hiervan is op de energieprijzen die Nederlanders moeten betalen is echter moeilijk aan te geven. Een groot deel van de huishoudens heeft een contract waarin de prijs voor een jaar of langer vastligt, dus voor de meeste huishoudens zal er bij prijsontwikkelingen op de groothandelsmarkt niet direct iets veranderen, uiteraard afhankelijk van het type leveringscontract dat zij hebben (vast, variabel, dynamisch) en de looptijd van dit contract. Bij nieuwe contracten kan dit anders liggen.
Acht u het noodzakelijk aanvullende maatregelen te treffen om het gasgebruik te matigen of de vulgraden te vullen? Zo nee, waarom niet?
Het matigen van gasgebruik is blijvend nodig. Met de publiekscampagne «Zet ook de knop om», wordt deze maanden weer een maatschappij brede oproep gedaan om het energieverbruik en meer in het bijzonder het gasverbruik te verminderen.8 De campagne geeft praktische tips, hulp en informatie over wat het oplevert.
Wat betreft (aanvullende) maatregelen om de opslagen te vullen, is het in de eerste plaats aan marktpartijen – zoals GasTerra in Norg en Grijpskerk en verschillende capaciteitshouders in Bergermeer – om voldoende gas op te slaan om een betrouwbare levering aan hun eindafnemers te kunnen garanderen. Aanvullend krijgt EBN – net als in de drie voorgaande jaren – een vultaak om maximaal 20 TWh op te slaan, voor het geval marktpartijen dat onvoldoende doen. Hiermee heeft de overheid wat mij betreft een goed instrument in handen om te kunnen ingrijpen wanneer de vulgraad zorgelijk achterblijft. Ook blijft het kabinet de (prijs)ontwikkelingen op de (groothandels)markt nauwgezet volgen.
Daarnaast werkt het kabinet aan structurele vulmaatregelen via het wetsvoorstel bestrijden energieleveringscrisis. Dit wetsvoorstel gaat op korte termijn in internetconsultatie. Hierin staat onder andere dat het kabinet jaarlijks een vuldoelstelling vaststelt mede op basis van het jaarlijkse overzicht gasleveringszekerheid van GTS9 en dat EBN een structurele vultaak krijgt voor het geval marktpartijen gasopslagen onvoldoende vullen.10 In dit wetsvoorstel zullen ook bepalingen worden opgenomen die de Minister in staat zullen stellen om in de komende jaren maatregelen te nemen indien de vulgraad van de opslagen achter blijft bij de vastgestelde vuldoelstelling.
Welke voorbereidingen treft u voor het geval Nederlandse huishoudens worden geraakt door hoge energieprijzen als gevolg van eventuele schaarste van gas bij een strenge winter?
Leveringsprijzen volgen de ontwikkelingen op de internationale groothandelsmarkt voor gas en deze zijn niet direct te sturen. De gasprijzen zijn recent iets gestegen, maar bevinden zich nog steeds ruimschoots onder het niveau van 2022.
Nederlandse huishoudens zijn minder kwetsbaar voor nieuwe stijgingen doordat meer dan de helft van de Nederlandse huishoudens inmiddels weer een contract heeft met een vaste prijs voor een periode van een jaar of langer.
Bovendien is het gasverbruik van de meeste huishoudens flink verlaagd, gemiddeld met 25% tussen 2019 en 2023. Dit is bereikt door meer bewustwording, energiebesparing en verduurzaming.
Het kabinet zet stevig in op structurele maatregelen, door isolatie en verduurzaming van woningen, juist bij groepen huishoudens met een laag inkomen. Ook verlaagt het kabinet de energiebelasting op gas voor alle Nederlanders volgend jaar. Voor mensen met een laag inkomen die deze winter in de knel zouden kunnen komen door een relatief hoge energierekening, heeft het Kabinet aanvullend 60 miljoen euro gereserveerd voor een Energiefonds. Er wordt met externe partijen bezien hoe hier nader invulling aan gegeven kan worden.
Welke maatregelen treft u om het doel voor verminderd finaal energieverbruik in 2030 te halen, nu uit de Klimaat- en Energieverkenning blijkt dat de kans hierop marginaal is?
Het kabinet gaat de effecten op energiegebruik meewegen in de voorjaarsbesluitvorming bij maatregelen ten behoeve van de klimaat- en energietransitie en de besteding van middelen uit het Klimaatfonds. Over de uitkomsten van de besluitvorming over maatregelen en fondsen wordt de Kamer bij de Voorjaarsnota 2025 geïnformeerd.
Vindt u aanvullend beleid voor energiebesparing noodzakelijk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen denkt u aan?
Energie die we niet gebruiken, hoeven we niet op te wekken, te transporteren, te betalen of te importeren. Energiebesparing verlaagt dan ook de energierekening, draagt bij aan het verminderen van netcongestie, maakt ons minder afhankelijk van derde landen voor fossiele brandstoffen en spaart het klimaat. Aanvullend beleid voor energiebesparing is van belang en mogelijk gelet op de uitkomsten van het TNO-onderzoek «Een nationaal doel voor energiebesparing en streefwaarden voor sectoren».11 Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 9 worden de maatregelen op dit moment uitgewerkt.
Wat is de inzet van Nederland voor wat betreft het verlengen van het contract voor de gas transportleiding vanuit Rusland door Oekraïne naar Oost-Europa?
Zoals onder meer aangegeven in antwoord op Kamervragen van de leden Bontenbal, Boswijk (beiden CDA) Paternotte en Rooderkerk (beiden D66)12 zet Nederland zich actief in voor maatregelen in EU-verband voor de afbouw van Russisch gas naar nul. Hoewel Nederland geen betrokkenheid heeft bij de transit van Russisch gas door Oekraïne en het daarvoor gesloten transportcontract, vindt Nederland dit een goede ontwikkeling in het licht van de gewenste afbouw van Russisch gas. Nederland vindt wel dat goed moet worden bezien wat dit betekent voor de EU-leveringszekerheid. Dit wordt in EU-verband, door de Europese Commissie, nauwlettend in de gaten gehouden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het commissiedebat over de Energieraad beantwoorden?
Ja.
De uitspraken van de minister van Infrastructuur en Waterstaat in het wetgevingsoverleg Water van 18 november 2024 |
|
Suzanne Kröger (GL), Geert Gabriëls (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de volgende uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in het wetgevingsoverleg Water van maandag 18 november 2024; «Kijk, je kunt zo'n overstroming ook niet een-op-een koppelen aan klimaatverandering. Het is een weersituatie, een weerfenomeen dat misschien vaker voor zou kunnen komen, en dan druk ik me voorzichtig uit. Om dat te koppelen aan klimaatverandering lijkt me ook al ver gaan. En dat is geen complottheorie, meneer Bamenga. Kijk, de wetenschap is interessant en belangrijk, maar de wetenschap over het weer of het klimaat is ook nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Vandaar dat we allerlei scenario's hebben, die enorm uit elkaar lopen want ook de wetenschap weet dit niet precies»?
Ja.
Onderschrijft u deze uitspraak?
Deze uitspraak refereert zowel aan een extreem weersvoorval – extreme neerslag – als aan klimaatscenario’s. Door klimaatverandering kunnen weersextremen zich vaker voordoen en/of kunnen ze gemiddeld extremer worden. Volgens het KNMI is de neerslag in Valencia extremer geweest dan voorheen door klimaatverandering. Dat betekent niet dat klimaatverandering dan de enige oorzaak van het extreme weer was; het weerverschijnsel bekend onder de naam Depresión Aislada en Niveles Altos (DANA) komt in Spanje immers wel vaker voor. De effecten van de extreme neerslag zijn afhankelijk van meerdere factoren, zoals landgebruik en ontbossing, inrichting en onderhoud van watersystemen, waarschuwingssystemen e.d. Zoals de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangeeft is daardoor de relatie tussen klimaatverandering en overstromingsschade niet 1 op 1 te leggen. Wat klimaatscenario’s betreft lopen deze inderdaad enorm uit elkaar. Dat is een logisch gevolg van het feit dat het ene scenario uitgaat van een zeer hoge uitstoot, en het andere juist van een forse verlaging van de uitstoot, beide zijn mogelijk, afhankelijk van maatregelen. Daarnaast zijn er bandbreedtes door wetenschappelijke onzekerheden.
Hoe verhoudt de uitspraak dat de wetenschap over het klimaat «niet helemaal is uitgekristalliseerd» zich volgens u tot het laatste rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarin op basis van honderden wetenschappelijke onderzoeken wordt geconcludeerd dat het een feit is dat menselijke invloed het klimaat verandert?
Het klopt dat IPCC heeft geconcludeerd dat klimaatverandering door menselijke uitstoot van broeikasgassen een feit is. Dat betekent nog niet dat de klimaatwetenschap alle lokale effecten van klimaatverandering in Nederland exact kan voorspellen. We werken met scenario’s om de gevolgen van mogelijke keuzes in kaart te brengen en om zo tot weloverwogen en zorgvuldige besluiten te komen over hoe we ons hierop voorbereiden.
Onderschrijft u de conclusies van wetenschappers en experts, zoals van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI)1 en het zeer toonaangevende World Weather Attribution2, dat klimaatverandering invloed heeft gehad op de hoeveelheid neerslag die in Valencia is gevallen?
Ja.
Onderschrijft u dat de overstromingen in Valencia dus wel één-op-één te koppelen zijn aan klimaatverandering?
De hoeveelheid neerslag is te koppelen aan klimaatverandering. Dat klimaatverandering invloed heeft gehad op de hoeveelheid neerslag die in Valencia is gevallen betekent niet dat dat ook zonder meer geldt voor het optreden en de impact van de overstromingen. Ook zonder klimaatverandering hadden die kunnen optreden, maar minder ernstig, zoals gesteld onder antwoord 2.
Gaat u uw collega bewindspersoon aanspreken op deze uitspraken? Hoe passen deze uitspraken bij het idee van eenheid van het kabinetsbeleid, een kernwaarde in het staatsbestel?
Nee. Uitspraken gedaan door bewindspersonen zijn altijd namens het kabinet, tenzij expliciet aangegeven.
Gaat u actie ondernemen om complottheorieën en desinformatie over klimaatverandering tegen te gaan? Zo ja, wat gaat u doen?
Het kabinet zet zich in om de burger te voorzien van betrouwbare informatie over klimaatverandering via onafhankelijke kennisinstellingen zoals het KNMI, de Wetenschappelijke Klimaat Raad en PBL en tijdig te waarschuwen bij extreme weersvoorvallen door de nationale weerdienst KNMI.
Kunt u deze vragen elk individueel en voor het einde van de week beantwoorden?
Door aanwezigheid bij de klimaattop van de Minister van Klimaat en Groene Groei was het helaas niet mogelijk de vragen in dezelfde week te beantwoorden.
Bent u bekend met het rapport «Dutch financial institutions decarbonising their energy portfolios: Analysing financial flows to fossil fuels and renewable energy» van de Eerlijke Geldwijzer?1
Ja, ik ben bekend met deze rapporten. Om te zorgen dat groene investeringen toenemen, is het allereerst van belang dat zij rendabeler worden ten opzichte van investeringen in fossiele projecten. Het kabinet werkt hieraan via een afgewogen klimaatbeleid, met een combinatie van subsidies, beprijzingen en normerende maatregelen. Voor de financiële sector is het verder belangrijk dat dit klimaatbeleid gericht is op de lange termijn, zodat transitiepaden voor de economie en belangrijke sectoren duidelijk zijn. Dit voorjaar zal het kabinet daarom het Klimaatplan met de Kamer delen, dat de kaders zet voor een voorspelbaar langetermijnbeleid, gericht op het bereiken van de klimaatdoelen.
Naast de rol van de overheid, heeft de financiële sector ook een rol om de klimaat- en energietransitie verder te brengen, door het vergroenen van private kapitaalstromen. Het kabinet stimuleert dit onder meer via betrokkenheid bij het Klimaatcommitment van de financiële sector. Daarnaast vraagt Europese wetgeving van financiële instellingen dat zij hun duurzaamheidsrisico’s beheersen, onder meer door hun portefeuilles in lijn te brengen met het 1,5°C-doel van het Klimaatakkoord van Parijs. Ook organiseert Invest-NL financieringstafels met de overheid en de financiële sector op specifieke klimaat- en energieonderwerpen. Het doel hiervan is om knelpunten voor meer private financiering te achterhalen en deze op te lossen.
Bent u bekend met dit rapport waaruit blijkt dat de onderzochte instellingen nu gemiddeld voor elke euro in fossiel, slechts 20 cent investeren in duurzame energie? Bent u bekend met de bevinding uit de Net Zero Roadmap (2023) van de IEA2 dat de verhouding tussen investeringen in hernieuwbare energie en investeringen in fossiele brandstoffen veranderen in zes euro aan investeringen in hernieuwbare energie voor elke euro in fossiele energie (6:1) in 2030, als we de opwarming van de aarde willen beperken tot 1,5°C? Hoe gaat u zorgen voor de benodigde versnelling, aangezien uit het rapport van de Eerlijke Geldwijzer blijkt dat de onderzochte instellingen nu gemiddeld voor elke euro in fossiel slechts 20 cent investeren in duurzame energie?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat banken, pensioenfondsen en verzekeraars hun bijdrage zouden moeten leveren aan het afgesproken «energy-package» tijdens de ÍP28 in Dubai waarin afgesproken is om fossiele energie uit te faseren en investeringen in hernieuwbare energiebronnen te verdriedubbelen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Nederlandse financiële sector haar bijdrage hieraan levert?
Tijdens COP28 hebben landen die zijn aangesloten bij de Framework Convention on Climate Change van de Verenigde Naties een verklaring ondertekend, waarin ze zich committeren aan een transitie uit fossiele brandstoffen. Het kabinet onderschrijft dat private partijen een belangrijke rol spelen in deze transitie. Dat geldt dus ook voor de financiële sector. Het kabinet ondersteunt dit op verschillende manieren, onder andere via het in antwoord op vraag 1 en 2 besproken Klimaatcommitment.
Hoe wordt de voortdurende en zelfs stijgende financiering van fossiele energiebronnen sinds het Klimaatakkoord van Parijs meegenomen in het micro- en macroprudentieel toezicht door De Nederlandsche Bank en de Europese Centrale Bank en hoe moet deze financiering worden meegewogen in de risicomodellen van banken, verzekeraars en pensioenfondsen?
De Nederlandsche Bank (DNB) maakt zich sterk voor een stabiel en betrouwbaar financieel stelsel met solide financiële instellingen. DNB controleert of instellingen financieel solide zijn en of zij kunnen voldoen aan hun wettelijke verplichtingen, ook in het geval van onvoorziene omstandigheden. Het bankentoezicht door de Europese Centrale Bank (ECB) en het toezicht op de niet-systeembanken, verzekeraars en pensioenfondsen door DNB is daarbij gericht op risicobeheer door instellingen. Klimaat- en milieurisico’s kunnen een prudentieel risico vormen voor deze financiële instellingen. Om die reden verwachten de ECB en DNB dat banken, verzekeraars en pensioenfondsen rekening houden met klimaat- en milieurisico’s bij (i) het formuleren en uitvoeren van hun bedrijfsstrategie, (ii) in hun governance- en (iii) in risicobeheerkaders en (iv) dat zij daar transparant over zijn.
De financiering van fossiele energiebronnen kan een transitierisico (risico’s als gevolg van de transitie naar een duurzame economie) vormen voor financiële instellingen. De ECB en DNB verwachten daarom dat financiële instellingen deze adequaat beheersen. In dit kader verwachten toezichthouders dat banken, verzekeraars en pensioenfondsen de risico’s die financiering van fossiele energiebronnen met zich meebrengen, meenemen in alle fasen van het kredietverlenings- en beleggingsproces. Dit vereist onder meer dat banken, verzekeraars en pensioenfondsen deze risico’s meewegen in hun risicomodellen.
Vanwege de systemische aard van klimaat- en milieurisico’s kan de materialisatie ervan meerdere financiële instellingen gelijktijdig en via meerdere kanalen raken. Daarom kunnen transitierisico’s ook leiden tot macro-prudentiële risico’s. Om de stabiliteit van het financiële systeem te bewaken, brengt DNB periodiek deze macro-prudentiële duurzaamheidsrisico’s in kaart, onder meer via haar Overzicht Financiële Stabiliteit.
Gaat u met de ondertekenaars van het klimaatcommitment en de financiële sector in gesprek om afspraken te maken om tot de noodzakelijke 6:1 ratio, 6 euro duurzaam versus 1 euro fossiel, te komen in 2030 in hun energieportefeuille?
Een groot aantal financiële instellingen heeft zich er via ondertekening van het Klimaatcommitment aan gecommitteerd om reductiedoelstellingen te formuleren voor 2030 en daartoe actieplannen op te stellen. Daarnaast zijn de ondertekenaars een inspanningsverplichting aangegaan voor het financieren van de energietransitie. In de voortgangsrapportage van het Klimaatcommitment van 2024 (boekjaar 2023) rapporteren instellingen voor het eerst over de verhouding tussen investeringen in fossiele en hernieuwbare energiebronnen. Daarmee leggen de ondertekenaars verantwoording af over de door hen aangegane inspanningsverplichting. Alhoewel de door de IEA genoemde ratio over nieuwe investeringen gaat en de voortgangsrapportage in gaat op totale financiering, is een verschuiving van fossiele naar duurzame financieringen onderdeel van de transitie. Het kabinet is hierover reglmatig in gesprek met financiële sectorpartijen, onder meer via de reeds genoemde financieringstafels.
Bent u bereid om als onderdeel van de implementatie van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) en de transpositie van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) naar Nederlandse wetgeving, alle financiële instellingen te verplichten om een klimaatplan op te stellen waarin onder andere wordt opgenomen hoe Nederlandse financiële instellingen de benodigde 1:6 ratio in 2030 zullen halen?
De kabinetsinzet is een zuivere implementatie van EU-richtlijnen in nationale wetgeving. Dat betekent, in lijn met hoofdlijnenakkoord, dat hier bovenop geen nationale regels komen.
Daarnaast zet het kabinet zich in Europees verband in op een vermindering van de rapportagelasten die voortkomen uit het raamwerk voor duurzame financiering. De Europese Commissie heeft recent, op 26 februari jl., voorstellen gepresenteerd om de bovengenoemde wetten te versimpelen. De Tweede Kamer zal op korte termijn worden geïnformeerd over de precieze inhoud van deze voorstellen en de voorgenomen kabinetsinzet.
Wanneer wordt de verkenning naar hoe de bijdrage van de financiële sector aan de klimaattransitie kan worden versterkt via wettelijke en alternatieve maatregelen naar de Tweede Kamer gestuurd, aangezien deze verkenning rond de zomer van 2023 naar de Tweede Kamer gestuurd worden?
In maart 2023 heeft de toenmalige Minister van Financiën, mede namens de toenmalige Minister voor Klimaat en Energie, aangekondigd een verkenning naar klimaatmaatregelen voor de financiële sector te starten om te onderzoeken of en hoe wetgeving de bijdrage van de financiële sector aan de klimaattransitie kan versterken. Ik heb de Kamer recent, in mijn visie op de financiële sector1, laten weten dat ik geen nieuwe (rapportage)verplichtingen zal opleggen aan financiële instellingen ten aanzien van duurzame financiering en geen verdere stappen zet op nationale wetsvoorstellen op dit vlak. Over de precieze uitkomsten van voornoemde verkenning zal ik uw Kamer op korte termijn informeren. Daarbij zal ik ook in gaan op mijn prioriteiten op het gebied van verduurzaming van de financiële sector voor de komende periode.
Wanneer komt er een overzicht van genomen acties en een actualisatie van de beleidsagenda duurzame financiering met concrete, tijdens de lopende regeerperiode te nemen acties?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat financiële instellingen hun financierings- en investeringsportefeuilles volledig openbaar moeten maken zodat belanghebbenden – waaronder overheden, accountants, maatschappelijke organisaties en onderzoekers – financieringen en investeringen beter kunnen monitoren?
Er bestaan reeds diverse monitoringsinstrumenten ten aanzien van de investeringen van financiële instellingen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, houdt DNB vanuit prudentieel oogpunt toezicht op de wijze waarop financiële instellingen risico’s wegen en beheersen, ook in het kader van hun kredietverleningsproces. In aanvulling hierop controleren accountants informatie die financiële instellingen op grond van wettelijke verplichtingen openbaar maken, waaronder informatie over duurzaamheid. De instrumenten om te monitoren zijn er dus al. Verplichte algehele openbaarmaking op grote schaal is ook niet proportioneel omdat commerciële, bedrijfsgevoelige informatie op straat kan komen te liggen. Dergelijke informatie geniet juist wettelijke bescherming. Ook gevoelige privégegevens van particuliere klanten (zoals via hypotheken en consumptieve leningen) zouden in grote hoeveelheden geopenbaard moeten worden voor een volledig overzicht. Dit is onwenselijk en in strijd met privacywetgeving.
De uitspraak van het Gerechtshof over de rechtszaak tussen Milieudefensie en Shell |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Suzanne Kröger (GL), Joris Thijssen (PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in de Klimaatzaak tussen Milieudefensie en Shell?1 2
Ja.
Deelt u de vaststelling van het Hof dat het klimaatprobleem «het grootste probleem van deze tijd is.»? Zo nee, waarom niet?
Klimaatverandering is onmiskenbaar één van de allergrootste opgaven van deze tijd.
Onderschrijft u de vaststelling van het Hof dat «er geen twijfel [...] kan bestaan dat de bescherming tegen gevaarlijke klimaatverandering een mensenrecht is» en dat staten daarom een verplichting hebben burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering? Bent u bereid daarin vergaande maatregels te nemen ter bescherming van onze fundamentele mensenrechten?
Dat staten op grond van mensenrechten positieve verplichtingen hebben om burgers te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering is eerder onder meer bevestigd door de Hoge Raad in het Urgenda-arrest en door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Verein Klimaseniorinnen Schweiz tegen Zwitserland.
Het kabinet is van mening dat Nederland zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van deze verplichtingen nakomt door het treffen van klimaatmitigatiemaatregelen gericht op het halen van de doelen uit de Nederlandse Klimaatwet en het voldoen aan de Europeesrechtelijke klimaatverplichtingen. Tevens zet het kabinet zich ook mondiaal in voor klimaatactie, waaronder via klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden en klimaatdiplomatieke inspanningen om derde landen te bewegen tot het verhogen van mitigatieambities.
Wat zijn volgens u de gevolgen van de uitspraak voor het halen van de klimaatdoelen?
Het betreft een civielrechtelijke zaak tussen private partijen. De overheid is geen partij in deze zaak. Het Hof heeft geen oordeel gegeven over het klimaatbeleid van het kabinet. Dat blijft gericht op het halen van de klimaatdoelen uit de Nederlandse en Europese klimaatwetgeving.
Onderschrijft u de uitspraak van het Hof dat niet alleen overheden maar ook bedrijven een eigenstandige verantwoordelijkheid hebben voor het reduceren van hun uitstoot in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs, en dat via de horizontale werking van het mensenrechtenverdrag ook op Shell een zorgplicht rust? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat klimaatverandering een wereldwijde uitdaging is, waarbij niet alleen overheden maar ook bedrijven een belangrijke rol spelen. Uit de uitspraak van het Hof volgt dat op ondernemingen als Shell, die in belangrijke mate bijdragen aan het klimaatprobleem en het in hun macht hebben een bijdrage te leveren aan de bestrijding van dit probleem, een verplichting rust om CO2-emissies te beperken, ook als die verplichting niet uitdrukkelijk uit publiekrechtelijke regelgeving voortvloeit. Dergelijke ondernemingen hebben daarmee een eigen verantwoordelijkheid bij het halen van de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs.
Het Hof stelt dat verdragsbepalingen inzake mensenrechten niet horizontaal werken in privaatrechtelijke verhoudingen. Daarom rust er geen zorgplicht op Shell via de horizontale werking van verdragsbepalingen inzake mensenrechten. Het Hof stelt echter wel dat dergelijke (verdrags)bepalingen, zoals artikelen 2 en 8 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens, in privaatrechtelijke verhoudingen kunnen doorwerken doordat zij invulling kunnen geven aan open normen, zoals de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm, en mede bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag wat van, bijvoorbeeld, grote en internationale ondernemingen op grond van die norm kan worden verlangd.
Wat vindt u – met inachtneming van de verschillende rollen binnen de trias politica – van de uitspraak van de rechter dat, ondanks de verantwoordelijkheid voor het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering die op bedrijven rust, de rechter op basis van de huidige wetgeving geen uitspraak kan doen over hoeveel een individueel bedrijf moet reduceren in 2030?
Ik kan de overwegingen van het Hof goed volgen. De huidige Europese en Nederlandse klimaatwetgeving gaan namelijk niet uit van absolute emissiereductiepercentages voor individuele ondernemingen. Het Europese en nationale klimaatbeleid omvat een breed pakket aan stimulerende, beprijzende en normerende maatregelen om de klimaatdoelen te halen.
In de uitspraak gaat het Hof ook in op de verschillende rollen binnen de trias politica door te overwegen dat maatregelen die de wetgever heeft genomen op zichzelf niet uitputtend hoeven te zijn en dus niet in de weg hoeven staan aan een op de maatschappelijke zorgvuldigheid gebaseerde zorgplicht voor ondernemingen om hun uitstoot te reduceren.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat bedrijven enerzijds gevaarlijke klimaatverandering kunnen blijven veroorzaken, maar het anderzijds te onduidelijk zou zijn wat bedrijven moeten doen om deze mensenrechtenschendingen te stoppen?
Het kabinet vindt het wenselijk dat voor bedrijven duidelijk is wat van hen wordt verwacht om klimaatverandering te beperken. Het Europese en nationale klimaatbeleid biedt diverse voorschriften wat bedrijven moeten doen en beleidsuitspraken en prikkels die duidelijk maken welke aanpassingen gewenst zijn. Ook heeft het kabinet in het ontwerp-Klimaatplan 2025–2035 de actie opgenomen dat het zal onderzoeken hoe bedrijven en organisaties het beste kunnen worden ondersteund bij het verduidelijken van hun klimaatplannen die zij vrijwillig of verplicht opstellen.
De op 25 juli jl. in werking getreden Europese Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) biedt hiervoor houvast. Artikel 22 van die richtlijn bevat de verplichting voor grote bedrijven om een klimaattransitieplan vast te stellen. In het klimaattransitieplan moet het bedrijf opnemen hoe zij ervoor zorgt dat zij haar bedrijfsmodel en haar bedrijfsstrategie toekomstbestendig maakt voor een duurzame economie en in overeenstemming brengt met de beperking van de opwarming van de aarde volgens internationale klimaatdoelstellingen en met beperking van de blootstelling aan steenkool-, olie- en gasgerelateerde activiteiten. In de richtlijn wordt concreet aangegeven wat er in zo’n plan moet staan. Aanvullend zal de Europese Commissie richtsnoeren opleveren voor het vaststellen van het klimaattransitieplan om te zorgen voor harmonisatie en beperking van de regeldruk. Het uitvoeren van het klimaattransitieplan is een inspanningsverplichting; bedrijven die onder de richtlijn vallen moeten hun klimaattransitieplan naar beste vermogen uitvoeren. Bedrijven moeten hun klimaattransitieplan ook jaarlijks actualiseren. De richtlijn geldt overigens niet alleen voor in de Europese Economische Ruimte (EER) gevestigde bedrijven met meer dan 1.000 medewerkers en een netto jaaromzet van meer dan € 450 mln. wereldwijd, maar ook niet in de EER gevestigde bedrijven met een netto jaaromzet van meer dan € 450 mln. in de EER, zoals Shell. Het wetsvoorstel ter implementatie van deze richtlijn ligt momenteel voor in internetconsultatie tot en met 29 december.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat bedrijven als Shell hun uitstoot in scope I, II en III reduceren om de klimaatdoelen met meer zekerheid te halen, aangezien de klimaatdoelen met meer dan 95% zekerheid niet worden gehaald en hoewel het Hof Shell in deze zaak niet verplicht om haar uitstoot met een concreet percentage te verminderen, zegt zij duidelijk dat Shell wel verplicht is om haar uitstoot te verlagen?
Om de klimaatdoelen met meer zekerheid te halen, is het allereerst van belang het reeds afgesproken beleid voortvarend uit te werken, uit te voeren en te handhaven. De Nederlandse industrie wordt zowel door Europese wetgeving als door nationale initiatieven nadrukkelijk aangezet tot CO2-reductie.
Binnen Europa worden industriële emissies beprijsd via het «European Emission Trading Scheme» (EU ETS). EU ETS geeft de producenten een financiële prikkel om te verduurzamen en door het marktmechanisme zorgt dit voor een (maatschappelijke) kostenefficiëntere reductie van CO2 dan indien op bedrijfsniveau ingegrepen zou worden. Het emissiehandelssysteem EU ETS fungeert ook als garantie dat de Europese klimaatdoelstellingen gehaald worden, aangezien er na 2039 geen nieuwe emissierechten meer op de markt komen. Dit betekent dat bedrijven de komende jaren grote stappen op het gebied van verduurzaming moeten maken om te mogen blijven produceren in de Europese markt.
Nederland kent daarnaast nog een nationale CO2-heffing die een extra prikkel vormt voor bedrijven om tijdig te verduurzamen. Bedrijven waaronder Shell worden daarbij geholpen door diverse subsidie instrumenten zoals bijvoorbeeld de SDE++-regeling, de VEKI-regeling en de DEI regeling.
In aanvulling hierop worden Shell en andere grote uitstoters met de maatwerkaanpak uitgedaagd om additionele CO2-reductie te realiseren. Dat is extra CO2-reductie boven op wat bedrijven volgens de nationale CO2-heffing industrie moeten reduceren om geen CO2-heffing te betalen.
In het kader van maatwerkafspraken is tussen het Rijk en Shell op 13 april 2023 een intentieverklaring (Expression of Principles) getekend.
Het Planbureau voor de Leefomgeving acht het in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) echter heel erg onwaarschijnlijk dat we de bestaande klimaat-en energiedoelen halen met het huidige en geagendeerde beleid. In reactie daarop heeft het kabinet in de aanbiedingsbrief bij de Klimaatnota aangegeven dat in het voorjaar tot alternatief beleid besloten zal worden zodat de afgesproken doelen, conform het Regeerprogramma, binnen bereik komen3.
Wat doet u om te controleren of bedrijven met activiteiten in Nederland geen gevaar vormen voor inwoners van Nederland, doordat ze niet genoeg doen om een gepaste bijdrage te leveren aan de doelen in het Klimaatakkoord van Parijs?
Het nationale en Europese beleid is erop gericht dat Nederland, in Europees verband, voldoende bijdraagt aan de doelen in de Overeenkomst van Parijs. Dit beleid stuurt daartoe ook op reductie van broeikasgasemissies van bedrijven, zowel met normstelling zoals ten aanzien van voertuigemissies als met beprijzing zoals het ETS. Het betreft directe en ketenemissies van bedrijven binnen de EU, maar ten dele ook ketenemissies die buiten de EU plaatsvinden, zoals met productnormen en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM).
Daarnaast is de gepaste bijdrage van grote bedrijven in de CSDDD geoperationaliseerd zoals beschreven in het antwoord op vraag 7. Het kabinet verwacht dat bedrijven die onder de reikwijdte van de richtlijn gaan vallen deze verplichting zullen naleven. De aan te wijzen toezichthouder zal hierop toezien.
Ziet u vanwege de vorige vraag en door deze uitspraak van het Hof een grotere rol weggelegd voor uzelf en de overheid om vast te stellen hoeveel grote vervuilers zoals Shell moet reduceren? Zo ja, hoeveel vindt u dat Shell in CO2-vervuiling moet reduceren? Hoeveel vindt u dat de grote industriële vervuilers moeten reduceren? Is hier volgens u, naast de verplichtingen die voortkomen uit onder andere de Corporate Sustainability Due Diligence (CSDDD) en Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), aanvullende wetgeving voor nodig?
Zoals in antwoord op vraag 8 is aangegeven, is er zowel op Europees als nationaal niveau beleid afgesproken voor vergaande verduurzaming van industriële bedrijven zoals Shell. Het is van belang een consistent beleid te voeren en het reeds afgesproken beleid voortvarend uit te werken, uit te voeren en te handhaven. Daarnaast wordt met de maatwerkaanpak ingezet op extra CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving.
Hoe verhoudt deze uitspraak zich volgens u tot de Europese klimaatzorgplicht (zoals de CSDDD en CSRD)?
De uitspraak onderstreept dat grote bedrijven een eigen verantwoordelijkheid hebben bij het halen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, ook met betrekking tot hun ketenemissies. De CSDDD schrijft voor wat in ieder geval van grote bedrijven wordt verwacht om die verantwoordelijkheid in te vullen. De Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) bevat geen reductieverplichtingen, maar rapportageverplichtingen. Die verplichtingen dragen ertoe bij dat bedrijven en hun stakeholders beter inzicht krijgen in de impact van het bedrijf op klimaatverandering en de activiteiten die reeds worden verricht om die impact te verminderen. Dat kan ertoe bijdragen dat aanvullende actie wordt ondernomen om de impact verder te verminderen, door bedrijven zelf of door anderen.
Deelt u de suggestie van de rechter dat een verbod op de voorgenomen investeringen van Shell in nieuwe olie- en gasvelden mogelijk wel toewijsbaar zou kunnen zijn in verband met het lock-ineffect dat daardoor zou ontstaan, aangezien uit de uitspraak van het Hof volgt dat het aanboren en ingebruiknemen van nieuwe gas- en olievelden op gespannen voet staat met de klimaatdoelen? Hoe weegt u dit lock-ineffect mee bij het al dan niet toewijzen van nieuwe vergunningen voor fossiele boringen?
In diens uitspraak geeft het Hof aan dat er bij olie- en gasbedrijven sprake kan zijn van lock-in effecten. Verder merkt het Hof op dat van olie- en gasbedrijven kan worden verlangd dat zij ook bij hun investeringen in de productie van fossiele brandstoffen rekening houden met de negatieve gevolgen die een verdere uitbreiding van het aanbod van fossiele brandstoffen voor de energietransitie heeft. Investeringen in nieuwe olie- en gasvelden kunnen hier volgens het Hof op gespannen voet mee staan. Het Hof doet in de uitspraak geen suggestie voor een verbod op investeringen in nieuwe olie- en gasvelden van Shell of andere olie- en gasbedrijven.
Op 9 september jl. is de Tweede Kamer geïnformeerd over het «Delfstoffen en Aardwarmte jaarverslag 2023»4. Daarin heeft het kabinet aangegeven in te zetten op de afbouw van de vraag naar fossiele energie, door onder meer in te zetten op energiebesparing en het stimuleren van productie en gebruik van duurzame energie. Het kabinet vindt het belangrijk dat de toekomstige olie- en gaswinning te allen tijde in lijn blijft met de doelen van de Overeenkomst van Parijs en onder het niveau van de binnenlandse vraag blijft. Uit het jaarverslag blijkt dat de hoeveelheid in Nederland geproduceerd aardgas en aardolie de vraag in die periode tot en met 2048 niet overschrijdt. Bij het verlenen of het verlengen van winningsvergunningen wordt rekening gehouden met een datum van uiterlijk tot en met 2045. Het kabinet houdt daarbij ruimte voor maatwerk indien dat op een later moment nodig blijkt te zijn, bijvoorbeeld als blijkt dat er na 2045 toch nog gas nodig is voor de binnenlandse vraag en dat passend is binnen de klimaatdoelstellingen. Die afweging zal op dat moment gemaakt moeten worden.
Welke maatregelen gaat u naar aanleiding van deze uitspraak nemen om te voorkomen dat er vergunningen worden verleend voor boringen naar en ingebruikneming van nieuwe gas- en olievelden?
Het kabinet zal op dit punt geen nieuwe maatregelen nemen naar aanleiding van de uitspraak van het Hof. De maatregelen zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 bieden volgens het kabinet voldoende waarborg dat de toekomstige olie- en gaswinning in Nederland in lijn blijft met de doelen uit de Overeenkomst van Parijs.
NAVO-verplichtingen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het feit dat uw collega, Minister Agema, tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in de Tweede Kamer op donderdag 24 oktober 2024, een aantal keer verwees naar «NAVO-verplichtingen» waaraan ze gebonden is met betrekking tot «pandemische paraatheid»?
Ja.
Bent u bekend met het zogenaamde «One Health» concept, een concept dat expliciet een verband legt tussen «klimaatverandering» en «volksgezondheid»?1
Ja.
Bent u, verantwoordelijk immers voor het klimaatbeleid, wellicht, net zoals uw collega, Minister Agema, ook (via de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid) gebriefd door de NAVO? Zo ja, wanneer vond die briefing plaats, wie verzorgde de briefing en wat was de inhoud van deze briefing?
Nee.
Bent u (ook) gebonden aan NAVO-verplichtingen? Zo ja, kunt u deze verplichtingen naar de Kamer sturen?
Klimaatverandering heeft grote impact op mondiale veiligheid, zo ook van alle bondgenoten. In het NAVO klimaatverandering- en veiligheidsactieplan uit 2021 wordt uiteengezet waarom klimaatverandering van belang is voor het bondgenootschap en hoe het bondgenootschap met dit onderwerp omgaat. De doelen van het plan zijn als volgt: 1) het vergroten van kennis over klimaatveiligheid onder bondgenoten; 2) adaptatie door het integreren van klimaatveiligheid in de bestaande NAVO-processen, instrumenten en middelen; 3) bijdragen aan het mitigeren van klimaatverandering wereldwijd; 4) versterkte outreachover klimaatveiligheid richting externe partijen. Binnen het bondgenootschap wordt dan ook kennis uitgewisseld ten behoeve van het versterken van de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Waar er richtlijnen zijn voor de bondgenoten voor het tegengaan van klimaatverandering, zijn deze niet verplicht.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.