Het bericht ‘VN annuleert mensenrechtensessies wegens geldgebrek’ |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de VN mensenrechtensessies annuleert wegens een gebrek aan geld?1
Ja.
Wat is uw reactie op het bericht dat de VN mensenrechtensessies annuleert wegens geldgebrek?
In feite zijn er thans nog geen zittingen van verdragscomités geannuleerd, maar het bericht over de mogelijke annulering van mensenrechtenzittingen bevestigt bestaande zorgen.
Deelt u de mening dat het mensenrechtenwerk dat de VN uitvoert van groot belang is? zo nee, waarom niet? zo ja, hoe zorgelijk zijn de ontwikkelingen die ontstaan door het geldgebrek?
Ja, de VN-inspanningen voor mensenrechten wereldwijd acht ik van groot belang. Dit blijkt ook uit de steun die het kabinet eraan geeft, zowel politiek, diplomatiek als financieel. Het effect van het geldgebrek is niet volledig te overzien, en is mede afhankelijk van het alsnog betalen van de VN-contributie door landen die tot nu toe in gebreke zijn gebleven. Meer in zijn algemeenheid is er sprake van een zorgelijke situatie op het moment dat er overwogen wordt om zittingen van verdragscomités te annuleren, de hoeksteen van het VN-mensenrechtenwerk.
Heeft u contact gehad met de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft regelmatig contact met de Hoge Commissaris en haar kantoor (Office of the High Commissioner for Human Rights: OHCHR), ook over de financiële situatie. De financiële zorgen zijn ook met de Hoge Commissaris persoonlijk besproken. Mevrouw Bachelet was dankbaar voor de langdurige Nederlandse politieke en financiële steun.
Op 28 juni organiseerde OHCHR, mede op verzoek van NL, een besloten bijeenkomst over de zorgelijke financiële situatie. OHCHR bevestigde dat de geplande zittingen van de verdragscomités in 2019 doorgang zullen vinden. Er is echter onvoldoende budget voor voorbereidende vergaderingen.
Uit de diverse gesprekken is verder duidelijk geworden dat het probleem verschillende aspecten heeft. Een cashflow probleem in 2019, algemene budgetmaatregelen van de VN uit 2017 en een krappe personeelsformatie voor het werk van de verdragscomités. Het acute tekort aan liquide middelen heeft de Secretaris-Generaal van de VN genoopt een commiteringsstop in te stellen, die het onderdelen van de VN die onder het secretariaat vallen, tot eind juni verbiedt verplichtingen aan te gaan boven 50 procent van de goedgekeurde begroting. Dit heeft ervoor gezorgd dat voorrang wordt gegeven aan de uitbetaling van salarissen en dat nieuwe verplichtingen worden uitgesteld. Dit raakt ook de activiteiten van OHCHR. Binnenkort zal deze stop worden opgeheven zodat er weer nieuwe verplichtingen kunnen worden aangegaan voor de tweede helft van 2019.
Daarnaast hebben de lidstaten in 2017 voor de begrotingscyclus van 2018–2019 besloten de Verenigde Naties te korten op het voorgestelde budget voor reizen. Deze bezuinigingsmaatregel treft alle onderdelen van de VN die onder het secretariaat vallen, maar raakt OHCHR relatief hard, omdat een relatief groot deel van de begroting uit reiskosten van bijvoorbeeld experts bestaat.
Ten slotte is de bestaande personeelsformatie voor het werk van de verdragscomités krap te noemen. Eerdere voorstellen van de kant van OHCHR om meer functies te creëren zijn slechts ten dele gehonoreerd.
Is het u bekend welke landen de verdragsverplichting hebben geschonden door geen financiële bijdrage te leveren, waardoor het geldtekort voor onderzoek naar mensenrechtenschendingen is ontstaan? Zo nee, waarom niet?
Per 20 juni hebben 105 van de 193 VN-lidstaten hun volledige contributie aan het reguliere budget van het VN-secretariaat voldaan. Slechts 34 landen deden dat binnen de daarvoor gestelde termijn van 30 dagen. Zie: https://www.un.org/en/ga/contributions/honourroll.shtml. Aan het einde van 2018 had de Verenigde Naties nog USD 529 miljoen aan achterstallige contributie voor het reguliere budget uitstaan, wat overeenkomt met ca. 21 procent van de totale verschuldigde contributies. 152 landen hadden op dat moment volledig aan hun betreffende verplichtingen voldaan.
Welke activiteiten van de Verenigde Naties in Nederland worden gehinderd door het geldtekort? Wat is uw reactie daarop?
Het is niet bekend of werkzaamheden van OHCHR in Nederland hinder ondervinden van de financiële krapte. In het antwoord op vraag 7 wordt ingegaan op activiteiten die Nederland raken. Meer in zijn algemeenheid geldt dat VN-activiteiten waar ook ter wereld getroffen worden door de eerdere bezuinigingsmaatregelen en de tijdelijke commiteringsstop.
Welke beslissingen lopen door het geldtekort vertraging op? En welke beslissingen hebben betrekking op Nederland?
De indruk is dat vooral beslissingen over individuele klachten vertraging kunnen oplopen alsmede de behandeling van landenrapporten. Dit zou dan ook betrekking kunnen hebben op klachten ten aanzien van Nederland en uiteindelijk ook op het agenderen van verdragsrapportages, ingediend door Nederland.
Hoe beziet u de vertraging van de behandeling van klachten van individuele slachtoffers van ernstige mensenrechtenschendingen in relatie tot het recht op een eerlijk proces en de daarbij horende redelijke termijn?
Vertraging bij de behandeling van klachten is onwenselijk. Klagers moeten binnen een redelijke termijn duidelijkheid krijgen, ook al betreft het hier een niet-bindende zienswijze van verdragscomités en niet een nationale strafrechtelijke of civielrechtelijke procedure in de zin van artikel 9 en 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.
Welke acties onderneemt u om ervoor te zorgen dat de activiteiten van de mensenrechtenorganen toch doorgang kunnen vinden, ondanks het geldgebrek?
Nederland heeft zijn verschuldigde contributie aan het reguliere budget van de Verenigde Naties voor 2019 op 25 januari jl. voldaan. Nederland behoort tot de landen die de VN-contributie ieder jaar volledig, op tijd en zonder voorwaarden betaalt. De groep landen die dit doet, is echter beperkt en vertegenwoordigt een gering percentage van de totale verschuldigde contributie. Nederland roept samen met de andere lidstaten van de Europese Unie landen die in gebreke blijven consequent op hun betalingsverplichtingen na te komen. Nederland maakt ook spoedig zijn vrijwillige bijdrage aan OHCHR over, die deels is geoormerkt voor het werk van de verdragscomités.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het notaoverleg Mensenrechtenbeleid op 1 juli 2019?
Ja.
De berichten ‘Deurne krijgt echt twee keer glasvezel’, ‘Aanleg glasvezel vertraagd’ en ‘E-Fiber en KPN samen in één sleuf’ |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Deurne krijgt echt twee keer glasvezel»1, «Aanleg glasvezel vertraagd»2 en «E-Fiber en KPN samen in één sleuf»?3
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u het geschetste beeld dat de uitrol van glasvezel in Nederland vertraging oploopt? Zo nee, waarom niet?
Allereerst wil ik graag opmerken dat het artikel de situatie voor het buitengebied van Etten-Leur, Moerdijk, Roosendaal, Zundert en Breda schetst en niet voor de uitrol van glasvezel in de rest van Nederland. De uitrol van snel internet in buitengebieden is juist sterk toegenomen het afgelopen jaar. De toegenomen concurrentie bij de uitrol van snel internet in het buitengebied kan ervoor zorgen dat partijen hun vraagbundelingsinspanningen juist versnellen en kan ook leiden tot een lagere eigen bijdrage voor consumenten of aantrekkelijkere dienstenpakketten. Het is echter onwenselijk als de concurrentie wordt verstoord of zo hevig is dat partijen zich terugtrekken en er geen snel internet komt. Daar is in het buitengebied van Etten-Leur, Moerdijk, Roosendaal, Zundert en Breda echter nu geen sprake van.
Deelt u de mening dat Nederlanders zo snel mogelijk moeten beschikken over een zo hoog mogelijke internetsnelheid? Zo nee, waarom niet?
De ambitie van het kabinet is dat in 2023 iedereen in Nederland kan beschikken over een vaste internetverbinding van tenminste 100 Mbps. De verwachting is dat we deze ambitie gaan halen.
Kunt u aangeven in welke delen van Nederland op dit moment nog geen glasvezel is aangelegd? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven in welke delen van Nederland bewoners op dit moment nog te maken hebben met internetsnelheden die trager dan gemiddeld zijn? Zo nee, waarom niet?
Onderschrijft u nog steeds de ambitie uit het Actieplan Digitale Connectiviteit4 met betrekking tot het verder verglazen van Nederland, zodat de capaciteit van vaste netwerken kan worden vergroot? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf absoluut nog de ambitie van het kabinet over de beschikbaarheid van een internetsnelheid van tenminste 100 Mbps voor iedereen in Nederland in 2023. Ik merk daarbij op dat deze ambitie technologieneutraal is en het verglazen van Nederland geen doel op zich is. Het gaat er om dat alle Nederlanders kunnen beschikken over een snelle vaste internetverbinding. Dit kan gerealiseerd worden door het aanleggen van een glasvezelverbinding, maar ook door investeringen in technologische doorontwikkeling van de huidige infrastructuur of zogenoemde vast-draadloze oplossingen (een draadloze verbinding tussen twee vaste punten).
Op welke manier werkt u aan het realiseren van bovenstaande ambitie? Kunt u voorbeelden geven van uw werkzaamheden die het realiseren van de ambitie kracht moeten bijzetten? Wat kunt u nog meer doen om bovenstaande ambitie te realiseren?
De markt is als eerste aan zet om deze ambitie te realiseren. De overheid zorgt voor de juiste randvoorwaarden zodat marktpartijen investeren in een goede digitale infrastructuur, onder andere door een faciliterend lokaal beleid en door de concurrentie te waarborgen. De ACM kan bijvoorbeeld ingrijpen als er verboden anti-competitieve gedragingen worden waargenomen. Alleen waar de markt onvoldoende beweegt kunnen lokale en provinciale overheden ingrijpen met gerichte financiële steun voor de uitrol van snel internet. Ik ondersteun regionale en lokale overheden door het uitwisselen van kennis en best practices en zal hiervoor zoals aangekondigd in het Actieplan Digitale Connectiviteit een nieuwe gereedschapskist/handreiking breedband na de zomer ter beschikking stellen. Daarbij constateer ik dat de veranderde marktomstandigheden zorgen voor nieuwe vraagstukken en er nu bijvoorbeeld meer aandacht is voor de coördinerende rol van gemeenten bij graafwerkzaamheden als meerdere partijen willen uitrollen. Ik verwijs verder naar het antwoord op de vragen 8, 9 en 10.
Op welke manier wordt de motie-Weverling c.s.5 betrokken bij het realiseren van snelle internetverbindingen in Nederland, zowel in stedelijk gebied als in het buitengebied?
Ik wil graag vooropstellen dat er doorlopend gesprekken worden gevoerd met provincies, gemeenten, bedrijven en andere organisaties en kennis en best practices worden uitgewisseld via het Kennisplatform Snel Internet en de website samensnelinternet.nl. Een goed voorbeeld van een best practice is het hanteren van passende leges per aansluiting in plaats van per strekkende meter zodat in het buitengebied met grotere afstanden een rendabele business case mogelijk is. Zoals ook gevraagd door de motie Weverling c.s. en de motie Moorlag/Bromet7, heeft een aantal gesprekken plaatsgevonden specifiek gericht op de aanleg van snel internet en eventuele belemmeringen die partijen daarbij ondervinden, bijvoorbeeld tijdens de vraagbundeling. Zo is er recent gesproken met de provincies Noord-Holland en Groningen, met de gemeentes Gouda, Den Haag en Rotterdam en ook met verschillende marktpartijen. Ik blijf hierover in gesprek met alle belanghebbenden en relevante signalen uit deze gesprekken deel ik met de ACM ten behoeve van hun lopende marktstudie naar de uitrol van glasvezel in Nederland.
Daarnaast heb ik de VNG een impactanalyse8 laten maken en is het handvest 5G – Samen op weg naar hoogwaardige digitale connectiviteit9 getekend. In dit handvest hebben telecombedrijven, bedrijfsleven, belangenorganisaties, kennisinstellingen en lokale en nationale overheden met elkaar afgesproken om samen te werken om de uitrol van digitale infrastructuur inclusief 5G goed te laten verlopen. Op basis van de uitkomsten van de impactanalyse organiseert mijn ministerie samen met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de VNG na de zomer gesprekstafels met gemeenten en provincies om in dialoog te gaan hoe gemeenten een meer faciliterend lokaal beleid kunnen voeren om snel internet (vast én mobiel) te realiseren.
Kunt u voorbeelden noemen van overleggen met provincies, gemeenten, bedrijven en andere organisaties die op basis van de motie-Weverling c.s. zijn georganiseerd?
Zie antwoord vraag 8.
Zijn er op basis van de motie-Weverling c.s. concrete afspraken gemaakt met provincies, gemeenten, bedrijven en andere organisaties teneinde de uitrol van snel internet te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Wanneer verwacht u de uitkomsten van het onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) naar de glasvezelmarkt aan de Kamer te doen toekomen?
De ACM verwacht de resultaten van de marktstudie na de zomer te publiceren. Ik zal de uitkomsten dan ook aan uw Kamer doen toekomen.
De noodzaak van de oeververbinding Krimpenerwaard |
|
Roy van Aalst (PVV) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kies voor oeververbinding Krimpenerwaard» van 27 mei 2019, waarin wordt opgeroepen om Zuid-Hollandse gemeenten met een extra oeververbinding beter bereikbaar te maken?1
Ja.
Deelt u de mening dat een extra oeververbinding zeer gewenst is om zo het drukke verkeer op de Van Brienenoordbrug te verminderen?
In het gebied is sprake van verschillende knelpunten en opgaven. De A16 Van Brienenoordcorridor is een NMCA-knelpunt. Ook is sprake van NMCA-knelpunten met betrekking tot het binnenstedelijk OV (metro en tram). Voorts is sprake van een forse woningbouwopgave. Tenslotte is het streven om de leefbaarheid te vergroten en de bereikbaarheid van banen te verbeteren («kansen voor mensen»).
In het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018 is geconstateerd dat een oostelijke oeververbinding (zowel oost als oost-oost) het NMCA-knelpunt A16 Van Brienenoordcorridor verlicht. Er is afgesproken om de MIRT-Verkenning te starten en medio 2019 de Startbeslissing te nemen, op basis van een eenduidige bestuurlijke voorkeur van de opdracht gevende partijen voor de locatie van de oeververbinding (oost dan wel oost-oost). Ook is afgesproken om tot medio 2019 verder te werken aan het invullen van het pakket van maatregelen voor de wegenknelpunten (Van Brienenoord- en Algeracorridor).
Een nieuwe oeververbinding is dus gewenst is om de A16 Van Brienenoordcorridor te ontlasten. Het oplossend vermogen zal afhangen van de invulling van het gehele pakket van maatregelen (Voorkeursbeslissing). Dit betreft vooral het aantal rijstroken op de nieuwe oeververbinding en aanvullende maatregelen voor het verder ontlasten van de A16 Van Brienenoordcorridor.
Bent u bereid om gehoor te geven aan deze wens en stappen te ondernemen die leiden tot de realisatie van deze nieuwe oeververbinding?
De nieuwe oeververbinding betreft regionale/lokale infrastructuur. De keuze voor een nieuwe oeververbinding in Rotterdam (oost, lokale infrastructuur) dan wel bij Ridderkerk-Krimpen (oost-oost, provinciale/regionale infrastructuur) is daarom aan de regio. Dat is ook zo afgesproken in het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018.
Welke middelen denkt u nog nodig te hebben voor de realisatie van deze nieuwe oeververbinding?
In het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018 is afgesproken, dat partijen (gemeente Rotterdam, Metropoolregio Rotterdam, Provincie Zuid-Holland en Ministerie van IenW) op basis van de resultaten van de MIRT-Verkenning afspraken zullen maken over de bekostiging van het Voorkeursalternatief.
De bekostiging vanuit IenW zal plaatsvinden op basis van de dan geldende spelregels van het Infrastructuurfonds of het Mobiliteitsfonds en op basis van het doelbereik van Voorkeursalternatief ten aanzien van de projectdoelstellingen. Ik heb EUR 200 mln. gereserveerd voor het aanpakken van het NMCA-knelpunt A16 Van Brienenoordcorridor in het wegenbudget Infrastructuurfonds. Ik zal op grond van de effecten van de nieuwe oeververbinding op dit NMCA-knelpunt bepalen welke bijdrage passend is.
Op dit moment voert Rijkswaterstaat de verkeersstudie A16 Van Brienenoordcorridor uit. In dit kader wordt gekeken naar aanvullende maatregelen ter ontlasting van de A16, zoals afgesproken in het BO MIRT Zuidwest-Nederland najaar 2018. Maatregelen die passen binnen de MIRT-Verkenning oeververbinding regio Rotterdam kunnen nader worden uitgewerkt in het kader van de
MIRT-Verkenning. Over eventuele maatregelen ter ontlasting van de A16, die niet binnen de MIRT-Verkenning passen (bijvoorbeeld maatregelen op het HWN op trajecten buiten het studiegebied van de MIRT-Verkenning), zal separaat besluitvorming plaatsvinden.
Het misbruiken van subsidie voor duurzame energie voor het wegwerken van het mestoverschot |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Een aan alle kanten stinkende affaire» over de zwaar gesubsidieerde mestvergisters, die omgeven zijn door overlast en fraude?1
Ja.
Erkent u dat de miljoenensubsidies die de overheid geeft aan mestvergisters afkomstig zijn uit de subsidiepot voor duurzame energie (SDE+) en zouden moeten bijdragen aan een vergroot aandeel duurzame energieproductie en het behalen van klimaatdoelen?
Wat vindt u ervan dat de advocaat van de provincie Gelderland echter heeft gesteld dat de gigantische mestfabriek in Groenlo er niet komt voor duurzame energie, maar voor het wegwerken van het mestoverschot?
Wat vindt u van zijn uitspraak «Zelfs als er meer energie in gaat dan er uit komt, blijft het een goed project»?
Wat vindt u ervan dat, naast verschillende deskundigen, nu ook provincies openlijk uitspreken dat mestvergisters mogelijk een negatief effect hebben op de energietransitie?
Erkent u dat de mestvergisters vooral een uitweg bieden aan regiobestuurders om hun mestoverschot weg te werken, waardoor ze de veestapel niet hoeven in te krimpen? Erkent u daarmee dat mestvergisters een uitweg bieden om de intensieve veehouderij in stand te houden?
Deelt u de mening dat het misleidend is dat er miljoenensubsidies gaan naar mestvergisters onder het mom van duurzame energie, maar dat deze in feite vooral benut worden om de intensieve veehouderij in stand te houden? Zijn de SDE+-subsidies daarvoor bedoeld?
Deelt u de mening dat de miljoenensubsidies die naar mestvergisters gaan beter besteed kunnen worden aan werkelijke duurzame energiebronnen zoals wind- of zonne-energie?
Bent u bereid om de subsidie op mestvergisters te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Nee, de subsidies op bestaande mest(co)vergisters zal ik niet beëindigen.
Wel is vanaf 2019 co-vergisting (50% mest 50% co-producten) niet meer als aparte categorie opgenomen in de SDE+-regeling. Co-vergisters kunnen nu een aanvraag indienen onder de categorie allesvergisting.
Het feit dat Nederland tegen openheid over ontwikkelkosten van geneesmiddelen heeft gestemd |
|
Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de tweet van Ellen t Hoen, patentrechtdeskundige, gezien over de opstelling van Nederland tijdens de 72e vergadering van de World Health Association in Genève?1
Ja.
Waarom heeft Nederland voor transparante prijzen en uitkomsten van trials gestemd, maar tegen transparantie ten aanzien van de kosten van trials, die de ontwikkelkosten van geneesmiddelen voor een groot deel bepalen?2
Nederland heeft tijdens de onderhandelingen over de resolutie geen uitspraken gedaan die indruisen tegen transparantie van kosten van trials en ontwikkelingskosten. Bovendien is de resolutie niet in stemming gebracht. De resolutie is bij consensus aangenomen. Het tweetbericht van mevrouw ’t Hoen is onjuist.
Was u tevoren op de hoogte van deze inbreng van Nederland? Zo nee waarom niet? Zo ja, wat zijn precies uw argumenten om tegen openheid ten aanzien van de kosten van trials te zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit een gemiste kans is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Per wanneer bent u van plan de prijzen na onderhandelingen met de farmaceutische industrie openbaar te maken? Voor welke geneesmiddelen waarover u nu prijsonderhandelingen voert geldt dat de uiteindelijke prijs openbaar gemaakt zal worden?
Zoals eerder gewisseld met uw Kamer3 is het altijd en iedere keer weer mijn inzet om te komen tot transparante prijsafspraken met geneesmiddelfabrikanten. Echter, in de praktijk zijn deze bedrijven alleen bereid tot substantiële kortingen en afspraken indien de vertrouwelijkheid van deze afspraken geborgd is. Ik heb uw Kamer eerder laten weten dat ik dan voor de keuze sta om of niet in te stemmen met deze vertrouwelijkheid of deze voorwaarde wel te aanvaarden. In het eerste geval kan ik het geneesmiddel opnemen in het basispakket voor de vraagprijs van de fabrikant of het middel niet opnemen in het basispakket omdat er geen redelijke prijs wordt gevraagd. In het tweede geval kan ik het middel beschikbaar maken voor de patiënt tegen een aanvaardbare prijs.
Ik kies voor het tweede, in het belang van alle patiënten en premiebetalers in Nederland. Maar ik zie dit niet als een duurzaam model. Op termijn zullen we naar een model moeten waar deze prijzen wel openbaar zijn. Dit is bij uitstek een gezamenlijke opgave van landen die hier samen willen optrekken en daar wil ik mij voor inzetten, mede in Beneluxa verband. En daarom sta ik ook achter de resolutie. Dit is ook een proces van lange adem. Maar deze resolutie is een bouwsteen op weg naar transparantie van prijzen, wellicht als eerste stap tussen landen onderling.
In hoeverre is de afspraak in de resolutie dat prijzen openbaar worden haalbaar? Wat kunt en gaat u doen als een fabrikant geheimhouding over de prijsonderhandelingen en uiteindelijke prijs eist?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is de paragraaf in de resolutie over de vereiste openheid van de farmaceutische industrie over de ontwikkelingskosten van geneesmiddelen afgezwakt tot een nauwelijks leesbare paragraaf die vooral de farmaceutische industrie geruststelt? Welke rol heeft Nederland precies in de onderhandelingen op dit punt gespeeld?
Resoluties bij de World Health Assembly zijn altijd een samenstel van visies, belangen en opvattingen van een groot aantal landen verspreid over de wereld. Dat leidt onvermijdelijk tot teksten die op compromissen zijn gebaseerd. Binnen haar beleid om de toegang tot geneesmiddelen en vaccins te vergroten, is Nederland actief voorstander van een zo groot mogelijke transparantie.
Door welke belangengroeperingen bent u (of de Nederlandse vertegenwoordigers) voor de WHO-vergadering benaderd en met welke boodschap?
Vooraf aan de World Health Assembly is VWS benaderd door diverse partijen die zich actief inzetten voor het verruimen van de toegang tot betaalbare geneesmiddelen, zoals Artsen zonder Grenzen, GARDP, KWF, Medicines Patent Pool en Wemos. Met een enkele partij is ook gesproken.
Wat is uw mening over de uitspraak van de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen dat openheid over nettoprijzen zal leiden tot nog hogere prijzen omdat de vertrouwelijkheid over de bedongen kortingen wegvalt en dat patiënten daar niet bij gebaat zijn?
Deze uitspraken zonder enige onderbouwing vind ik niet overtuigend en het is wat mij betreft een weinig constructieve bijdrage aan deze discussie. Een betere verantwoording van prijzen door de industrie is een gerechtvaardigde en begrijpelijke verwachting van de samenleving die verwacht ik alleen maar verder zal aanzwellen. Deze uitspraken van de VIG getuigen niet van groot besef van de internationaal groeiende onrust en zorgen over de prijsvorming van de industrie ten aanzien van innovatieve geneesmiddelen. Ik ben van mening dat zowel patiënten maar ook de industrie zelf belang hebben bij meer transparantie over prijzen als het gaat om het duurzaam toegankelijk en betaalbaar houden van nieuwe geneesmiddelen. De industrie mag haar «license to operate» niet verliezen.
Bent u het eens met de Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen dat patiënten niet gebaat zijn bij openheid over prijzen van geneesmiddelen of bent u met mij van mening dat patiënten niet gebaat zijn bij een dergelijke uitspraak waarmee hen angst voor het minder beschikbaar en toegankelijk worden van geneesmiddelen wordt aangepraat?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat met een dergelijke uitspraak op zijn minst de suggestie wordt gewekt dat de netto prijzen dus niet gebaseerd zijn op werkelijke (ontwikkel)kosten maar alleen zijn gebaseerd op de maximaal mogelijke winstmarge? Zo ja, wat vindt u daarvan? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al vaker heb aangegeven4 vormen de daadwerkelijk R&D kosten voor de industrie mijns inziens slechts één aspect bij de prijsvorming van nieuwe geneesmiddelen. Zeker bij nieuwe unieke geneesmiddelen zijn de prijzen mijns inziens veelal met name ingegeven door aannames van bedrijven over wat landen of samenlevingen bereid zijn te betalen, waarbij vaak gezondheid economische argumenten worden ingezet («value based pricing»).
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Geneesmiddelenbeleid van 6 juni a.s?
Dat is mij helaas niet gelukt, maar ik heb deze vragen wel zo snel mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Onduidelijkheid over blokkeermoslims’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onduidelijkheid over blokkeermoslims»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het recht van demonstratie geldt voor iedereen en als blijkt dat dit door geweld wordt opgeschort, zowel politie als openbaar ministerie (OM) hier keihard tegen op moeten treden teneinde een duidelijk signaal af te geven dat Nederland een vrij land is waar iedereen mag demonstreren? Zo nee, waarom staat u aan de kant van de blokkeermoslims?
Het recht tot vergaderen en betogen is een erkend en belangrijk recht neergelegd in de Grondwet. Dit recht is nader uitgewerkt in de Wet openbare manifestaties. De burgemeester is belast met het handhaven van de openbare orde en de uitvoering van de Wet openbare manifestaties. Het belang om een demonstratie in goede orde te laten verlopen blijkt tevens uit artikel 143 van het Wetboek van Strafrecht, waarin het verstoren van een demonstratie expliciet strafbaar is gesteld. Indien er sprake is van strafbare feiten dan kan het Openbaar ministerie (OM) overgaan tot vervolging van die strafbare feiten.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat de voortvarendheid waarmee het OM aan het werk is gegaan teneinde de Blokkeerfriezen te vervolgen in schril contrast staat met het slappe optreden van het OM tegen dit Turkengeweld?
Er is sprake van een lopend strafrechtelijk onderzoek. Lopende dit onderzoek kan ik geen uitlatingen doen over deze strafzaak.
Ik merk daarbij op dat de vraagstelling lijkt te veronderstellen dat het OM een onderscheid maakt tussen verschillende groepen (anti-)demonstranten. Dat is niet het geval.
Bent u bereid het OM, waar u als Minister verantwoordelijkheid voor bent, te instrueren de betreffende blokkeermoslims stuk voor stuk op te sporen, te vervolgen en keihard te straffen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Afwegingen in individuele zaken omtrent opsporing, vervolging en bestraffing zijn aan het OM en de rechter.
Kunt u garanderen dat vanaf nu het Nederlandse recht op demonstratie nooit en te nimmer meer aangetast zal worden door stenengooiende islamitische hordes? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde in zijn gemeente en verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet openbare manifestaties. Daarmee heeft de burgemeester de taak om demonstraties -ongeacht de inhoud daarvan – doorgang te laten vinden en in goede banen te leiden. Burgemeesters kunnen een demonstratie verbieden of beëindigen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De burgemeester beschikt – teneinde een demonstratie doorgang te laten vinden- over de onder zijn gezag staande politie. De burgemeester maakt met de politie afspraken over het borgen van een goede doorgang van demonstraties.
Het bericht ‘WhatsApp Rushes to Fix Security Flaw Exposed in Hacking of Lawyer’s Phone’. |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «WhatsApp Rushes to Fix Security Flaw Exposed in Hacking of Lawyer’s Phone?1
Ja.
Bent u bekend met de hacksoftware van NSO Group? Wat is uw mening over de wenselijkheid van het bestaan van een markt in hacktools die apparaten en software die gebruikt worden door honderden miljoenen mensen, onveilig houden door gevonden onbekende kwetsbaarheden niet te laten dichten, maar open te houden om te kunnen hacken?
Ik ben er mee bekend dat de NSO Group software produceert die kan worden gebruikt om geautomatiseerde werken binnen te dringen.
Het is onwenselijk dat apparaten of software die door miljoenen mensen worden gebruikt kwetsbaar zijn. De omvang en complexiteit van software voor maatschappelijk gebruik is fors toegenomen. Veel gebruikte applicaties hebben tegenwoordig tientallen miljoenen regels broncode. Kwetsbaarheden zijn daarom talloos en wijdverbreid.2 Het beleid van de regering is gericht op een open, vrij en veilig internet en daarmee op vermindering van het aantal onbekende kwetsbaarheden.3 Uitgangspunt is dat onbekende kwetsbaarheden aan de leverancier of fabrikant worden gemeld.4 De overheid stimuleert het melden van kwetsbaarheden, onder meer met het beleid voor responsible disclosure. Het is aan de producent om deze kwetsbaarheid te verhelpen door herstel van zijn software aan te bieden door een patch of update en het is vervolgens aan de gebruiker om zijn software te updaten.5
De verkoop van binnendringsoftware aan bepaalde partijen, waaronder regimes die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht, is onwenselijk. De regering wil bovendien de markt voor onbekende kwetsbaarheden niet bevorderen, dat zou negatieve gevolgen voor de veiligheid van het internet kunnen hebben.6 Nederland spant zich internationaal in om cybersurveillancegoederen in relatie tot mensenrechtenschendingen onder exportcontrole te brengen. Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 5.
Bent u het ermee eens dat wereldwijd hacksoftware, waaronder hacksoftware gemaakt door NSO Group, gebruikt wordt om dissidenten, journalisten en mensenrechtenactivisten af te luisteren? Wat is uw mening over deze ontwikkeling? Kunt u daarbij ook ingaan op het onderzoek van de Electronic Frontier Foundation en Citizen Lab over het gebruik van hacksoftware van NSO Group in Mexico?
Het onderzoek van de Electronic Frontier en Citizen lab schrijft over het gebruik van binnendringsoftware bij het schenden van de mensenrechten van mensenrechtenverdedigers en journalisten. Het kabinet wijst dergelijke schendingen af, ongeacht of hierbij gebruik wordt gemaakt van binnendringsoftware of niet.
Kunt u uitsluiten dat NSO Group hacksoftware verkoopt aan dubieuze regimes? Kunt u een lijst geven van landen waarvan u zeker weet dat zij hacksoftware hebben gekocht van NSO Group?
Ik heb geen inzicht in het klantenbestand van de NSO Group en kan dus geen uitspraken doen over het verkoopbeleid van de NSO Group.
Aan welke regelgeving omtrent de export van hacksoftware moeten Europese bedrijven die dergelijke software maken voldoen? Bent u van mening dat deze regelgeving voldoende is om misstanden te voorkomen, zoals het misbruik van hacksoftware om dissidenten, journalisten of mensenrechtenactivisten af te luisteren?
Bepaalde cybersurveillancegoederen en -technologieën staan ingevolge het potentiele gebruik in civiele of militaire toepassingen onder exportcontrole. Dit geldt ook voor goederen voor het maken en besturen van binnendringsoftware. Verder is de verkoop van technologie voor de ontwikkeling van «intrusion software», software die gebruik maakt van kwetsbaarheden, onderhevig aan exportcontrole op grond van afspraken in het Wassenaar Arrangement. Deze goederen zijn hierdoor opgenomen in de controlelijst van de Europese Dual-use verordening. Een bedrijf dat binnen de EU gevestigd is, is verplicht voor het exporteren van deze goederen en technologie buiten de EU een vergunning aan te vragen. Vergunningen kunnen worden afgewezen indien er zorgen bestaan ten aanzien van het eindgebruik in relatie tot mensenrechtenschendingen. Nederland spant zich internationaal in om aanvullend cybersurveillancegoederen in relatie tot mensenrechtenschendingen onder exportcontrole te brengen. In het Wassenaar Arrangement vergt dit consensus van alle deelnemende landen.
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse overheid geen hacksoftware zou moeten kopen die tevens gebruikt wordt door dubieuze regimes of voor het afluisteren van journalisten, dissidenten of mensenrechtenactivisten?
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik mij alleen uitlaten over de Nederlandse opsporing. Voor de opsporing van strafbare feiten zijn in het huidige Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» afspraken gemaakt voor de aanschaf van binnendringsoftware. Voor de uitvoering van de Wet Computercriminaliteit III komt 10 miljoen euro extra beschikbaar. Daarbij zal slechts in een specifieke zaak hacksoftware worden ingekocht door opsporingsdiensten. Leveranciers van dergelijke software worden gescreend door de AIVD en leveren niet aan dubieuze regimes. 7 Het gaat dan om landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht.8 Om deze reden voert de politie een toets uit voordat over wordt gegaan tot de aanschaf van binnendringsoftware. In deze toets wordt de leverancier gevraagd niet te hebben geleverd aan landen waartegen vanuit de EU of de VN restrictieve sancties bestaan en wordt gecontroleerd of in het land waar de leverancier is gevestigd een exportcontroleregime bestaat waar mensenrechten een onderdeel is in de beoordeling voor het verstrekken van een exportvergunning.
Het bericht ‘Aziatische monsterwesp duikt plots overal in Nederland op’. |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aziatische monsterwesp duikt plots overal in Nederland op»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke specifieke gevaren de Aziatische hoornaar (Vespa velutina) in Nederland veroorzaakt? Zo nee, waarom niet?
Vanwege zijn grote formaat ziet de Aziatische hoornaar er gevaarlijk uit. Toch is deze wespensoort voor de mens nauwelijks gevaarlijk. Aziatische hoornaars zijn niet agressief en zullen alleen steken als zijzelf of hun nest bedreigd worden. De steek van deze hoornaars is pijnlijk maar niet gevaarlijk, behalve als er sprake is van een allergie voor wespengif. Wel is deze Aziatische hoornaar gevaarlijk voor inheemse soorten insecten en daarom geplaatst op de Europese Unielijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die hoort bij de Europese Verordening 1143/2014.
De Aziatische hoornaar jaagt op allerlei insecten zoals vliegen, bijen, wespen en met name kolonievormers. Populatieafname van bijen, inclusief wellicht hommels, is te verwachten. In natuur- en landbouwgebieden heeft afname van bestuivers potentieel een negatief effect op de bestuiving van (wilde) planten. Sinds zijn introductie in Zuid-Frankrijk heeft de Aziatische hoornaar zich binnen 3 jaar verspreid over 120.000 km2, wat aangeeft dat de soort grote gebieden in een korte tijd kan koloniseren wanneer het klimaat gunstig is.
Is het bekend hoeveel waarnemingen dit jaar zijn gedaan van de Aziatische hoornaar?
Dit jaar is tot nu toe één geverifieerde waarneming gedaan van een Aziatische hoornaar. Het nest is opgespoord en vernietigd. Berichtgeving hierover in de media heeft vervolgens gezorgd voor een groot aantal nieuwe meldingen. Deze nieuwe meldingen bleken echter alle, voor zover foto’s of ander bewijs was bijgevoegd, Europese hoornaars te betreffen. De Aziatische hoornaar wordt vaak verward met de Europese hoornaar die van oudsher in Nederland voorkomt en tot de natuurlijke fauna gerekend kan worden. Ook de Europese hoornaar, die nog iets groter is dan de Aziatische hoornaar, neemt in aantal toe, mogelijk als gevolg van zachtere winters en warme zomers. Deze toename en de verwarring tussen de twee soorten leidt tot veel valse meldingen.
Wie, of welke instantie, is verantwoordelijk voor de opsporing en de vernietiging van nesten van de Aziatische hoornaar?
Momenteel is het Rijk (de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, NVWA) verantwoordelijk voor de opsporing van de nesten en de provincies voor de bestrijding ervan.
Wie, of welke instantie, is in den brede verantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot exoten en is er een plan van aanpak hoe met deze soorten om te gaan?
Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is verantwoordelijk voor het rijksbeleid rond invasieve uitheemse soorten voor zover dit op het terrein van natuur, landbouw en visserij ligt. Daar waar het de volksgezondheid aangaat, is het Ministerie van Volksgezondheid, welzijn en Sport eerstverantwoordelijke. Op dit moment geldt voor de Aziatische hoornaar een uitroeiingsplicht. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.
Hoeveel nesten van de Aziatische hoornaar zijn er sinds de vestiging van deze invasieve exoot in Nederland vernietigd?
In 2017 is een eerste nest gevonden en vernietigd. In 2018 zijn twee nesten vernietigd en een vierde verlaten nest werd in het late najaar van 2018 ontdekt en verwijderd.
Deelt u de mening van experts dat de Aziatische hoornaar de komende jaren alleen maar meer zal voorkomen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik. EIS Kenniscentrum Insecten signaleert dat de opkomst van de Aziatische hoornaar vanuit Frankrijk via België onvermijdelijk is. EIS Kenniscentrum Insecten heeft vanwege deze ontwikkeling een brochure2 uitgebracht om onder Nederlandse imkers te verspreiden. Imkers ondervinden nadelen van de Aziatische hoornaar omdat deze, anders dan de Europese hoornaar, actief op honingbijen jaagt.
Ziet u naar aanleiding van de toegenomen waarnemingen van deze soort aanleiding om extra actie tegen deze invasieve exoot te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb de NVWA en provincies gevraagd deze zomer de bestrijding van de Aziatische hoornaar voort te zetten. Het is echter, naar alle waarschijnlijkheid, welhaast onvermijdelijk dat de Aziatische hoornaar zich als nieuwe soort naast de Europese hoornaar vestigt in Nederland. Er wordt een aanhoudende instroom van nieuwe exemplaren verwacht en de hoornaars gedijen hier goed. Bovendien zijn de nesten van de Aziatische hoornaar zeer moeilijk te lokaliseren en het vergt daarom de inzet van een kleine groep gespecialiseerde vakmensen. Met de huidige stand van de techniek is het daardoor waarschijnlijk niet haalbaar om deze soort in Nederland blijvend uit te roeien.
De ontwikkelingen hebben mijn aandacht en in het najaar zal ik met de provincies spreken over hun toekomstige inzet bij de bestrijding. De uitroeiingsplicht vervalt immers, indien een soort zich definitief gevestigd heeft in een lidstaat. Vanaf dat moment maken de provincies de afweging welke beheersmaatregelen zij voor deze soort gaan treffen.
Bent u bereid in nauw contact te blijven met de voor bestrijding verantwoordelijke organen om deze soort zo goed mogelijk te bestrijden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie ook mijn antwoord op vraag 8.
Het bericht ‘De weerman wordt gestoord door 5G’ |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «De weerman wordt gestoord door 5G»?1
Ja, ik ben daarmee bekend.
Welke radiofrequenties worden in Nederland gebruikt om weermetingen te doen?
De radiofrequenties die worden gebruikt, zitten in het hogere frequentiegebied (het zogeheten microgolfgebied) van het frequentiespectrum. Voor meteorologisch en klimaatonderzoek wordt een groot aantal frequenties gebruikt. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen actief en passief gebruik. Actief gebruik van microgolven betreft vooral radars en het verzenden van data, waarbij ook radiosignalen worden uitgezonden. Passief gebruik betreft enkel het waarnemen van de natuurlijke microgolfstraling van stoffen (bijvoorbeeld waterdamp). Waarnemingen van passieve microgolven worden alleen gedaan met frequenties die gebaseerd zijn op de natuurkundige eigenschappen van deze stoffen.
In het artikel in NRC gaat het om verstoring van passieve radiomicrogolfmetingen, die zowel op de grond (in Nederland door de vaste meetopstelling van het KNMI in Cabauw), als vanuit satellieten worden uitgevoerd. Op dit moment zijn er bij de ITU (de VN-organisatie Internationale Telecomunie) wereldwijd 23 satellieten aangemeld die metingen uitvoeren in de frequentieband 23,6–24 GHz, de band die in het NRC-artikel wordt genoemd als essentieel voor de weerverwachtingen in Nederland. Er zijn verder veel internationale actieve satellietinstrumenten die weer- en klimaatmetingen doen in het microgolfspectrum.
Op de onderzoeklocatie Cabauw staat verder de zogenaamde Radiometer HATPRO (Humidity And Temperature Profilers) die passief gebruik maakt van frequenties (in de 20–30 GHz-band voor waterdamp en in de 50–60 GHz-band voor het bepalen van temperatuur profielen). Voorbeelden van actief gebruik zijn: neerslag radars (in de 5,6 GHz-band in Den Helder, Herwijnen en De Bilt), een wolkenradar (34,86 GHz), een windprofiler (1290 MHz), radiosonde (403 MHz) en een ozonsonde (403,9 MHz).
Liggen deze frequenties dichtbij radiofrequenties die in Nederland voor andere doeleinden worden gebruikt? Welke frequenties zijn dit?
Ja, het radiospectrum wordt druk gebruikt. Het doel van het frequentiebeleid is onder meer efficiënt gebruik van het spectrum te realiseren vanwege de steeds toenemende vraag naar frequentiebanden uit het spectrum en zodanige voorwaarden aan het gebruik te stellen dat er geen schadelijke storing wordt veroorzaakt voor andere frequentiegebruikers. In het kader van het NRC-artikel is met name de 26 GHz-band relevant.
Bent u op de hoogte van de bezwaren van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA en de Amerikaanse meteorologische instantie NOAA? Zijn de bezwaren van deze partijen naast het Amerikaanse Congres ook geuit aan andere landen, zoals Nederland?
Ja, ik ben op de hoogte van de bezwaren die NASA en de NOAA hebben geuit tegen de uitgifte van de 26 GHz-band in de VS voor 5G. Zij hebben deze bezwaren niet expliciet aan Nederland geuit.
Hebben Nederlandse of Europese meteorologische instanties soortgelijke zorgen geuit bij u? Zo ja, welke specifieke zorgen zijn dit?
De Nederlandse of Europese meteorologische instanties hebben zorgen over het gebruik van het frequentiespectrum, maar deze zijn in Europa gedekt door beschermingsnormen. De situatie in Europa is een andere dan in de VS. In Europa is de afstemming goed geregeld. Drie instanties, EUMETNET, EUMETSAT en ESA2, toetsen het in Europa voorgestelde frequentiegebruik ten behoeve van andere toepassingen dan weer- en klimaat op basis van hun behoeften op het gebied van weer en klimaatonderzoek. Dit geldt ook voor het behouden van de beperkingen in het gebruik van de 26 GHz-band en voor de beschermingsnormen in aangrenzende banden.
Deelt u de zorgen dat het toekomstig gebruik van bepaalde frequenties (onder andere voor de uitrol van 5G) een flinke achteruitgang in de kwaliteit van weersverwachtingen kan betekenen? Zo nee, waarom niet?
Ik onderken het belang van een ongestoord gebruik van natuurlijke frequenties voor het maken van weersverwachtingen en voor aardobservatie en radioastronomie en in het algemeen. In het «Radio Reglement» van de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) wordt een reeks frequentiebanden genoemd die van belang zijn voor (passieve) aardobservatie en voor radioastronomie en waarin het actief gebruik van radiofrequenties is verboden («all emissions are prohibited in the following bands»3). Het betreft hier frequenties die worden bepaald door de natuurkundige eigenschappen van hetgeen wordt gemeten (zie ook het antwoord op vraag 1) en waar het meten op alternatieve frequenties dus niet mogelijk is.
Specifiek voor de 26 GHz-band zijn in Europees verband adequate beschermingslimieten vastgesteld voor gebruikersterminals en voor basisstations van 5G, waar de meteorologische gemeenschap mee heeft ingestemd. Voor de weermetingen in Europa heb ik dan ook op dit moment geen zorgen. Het is echter van belang dat waarnemingen van weer en klimaat overal ter wereld van minstens dezelfde kwaliteit blijven als nu het geval is.
Eind oktober begint de Wereld Radiocommunicatie Conferentie van de ITU, waar internationale regelgeving wordt vastgesteld voor o.a. deze frequentieband. De Europese inzet zal zijn om dezelfde beschermingseisen in het ITU «Radio Reglement» opgenomen te krijgen als zijn vastgesteld in de EU beschikking, maar er is al bekend dat deze positie op dit moment niet door alle regio’s van de ITU wordt gedeeld. We verwachten dan ook intensieve onderhandelingen op dit punt.
Deelt u de mening van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat 5G op termijn klimaatmonitoring kan beïnvloeden? Zo nee, waarom niet?
Klimaatmonitoring is afhankelijk van een goede bescherming tegen signalen van andere diensten, overal ter wereld waar waarnemingen worden gedaan. Tijdens de komende Wereld Radio Conferentie wordt internationale regelgeving vastgesteld voor o.a. de 26 GHz-band. Het is van vitaal belang dat de juiste afspraken worden gemaakt om impact van 5G op de monitoring te voorkomen. Zie ook antwoord op 6.
Worden meteorologische instanties op de hoogte gehouden van toekomstige veilingen van radiofrequenties die zij op dit moment nog gebruiken, zodat zij tijdig kunnen overstappen op materiaal dat gebruik maakt van een andere frequentie? Zo nee, waarom niet?
Meteorologische instanties worden niet specifiek op de hoogte gehouden van toekomstige veilingen, anders dan via openbare consultaties over voorgenomen beleid. Overstappen op andere frequenties is bij de monitoring van de natuurlijke frequenties – een soort DNA van de te monitoren stoffen – niet mogelijk.
Het KNMI neemt deel aan het nationaal overleg wetenschappelijk spectrumgebruik4 waar de deelnemers ook worden geïnformeerd over voorgenomen Europese harmonisatiemaatregelen en studies die in dat verband worden uitgevoerd. Het is verder gebruik om bij internationale voornemens tot het alloceren van een frequentieband aan een nieuwe gebruiker en/of bij het uitvoeren van studies naar samenleving met andere gebruikers, de belangenorganisaties te betrekken. Dat gebeurt op alle niveaus, zowel mondiaal als op Europees niveau.
Kunt u aangeven wat de Nederlandse inzet is tijdens de conferentie van de International Telecommunication Union (ITU), eind oktober in Egypte? Hoe wordt Nederland hier vertegenwoordigd?
De agenda van de ITU is erg breed en bestaat uit een groot aantal agendapunten. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd in het kader van de Telecomraad van 7 juni jl.5 De Nederlandse delegatie wordt gevormd uit vertegenwoordigers van de ministeries van Economische Zaken en Klimaat, Defensie en Infrastructuur en Waterstaat, vertegenwoordigers uit de Overzeese gebiedsdelen en belanghebbenden uit verschillende bedrijven. Het KNMI heeft niet aangegeven deel te willen nemen in de delegatie. Wel zijn alle Europese organisaties van meteorologie en de World Meteorologic Organization (WMO) vertegenwoordigd in Egypte. De Europese Commissie heeft onlangs een beschikking voor de 26 GHz-frequentieband vastgesteld en daarin de technische voorschriften die in CEPT zijn vastgesteld, opgenomen. In de Telecomraad van 7 juni jl. zijn de lidstaten het eens geworden over de EU-positie bij de WRC van dit najaar. Hierin is opgenomen dat de Europese inzet zal zijn om dezelfde beschermingseisen in ITU-regelgeving opgenomen te krijgen als zijn vastgesteld in de EU-beschikking. Voor de inzet op de 5G-uitbreidingsbanden wordt steun gegeven aan het toewijzen van de banden 24,25–27,5 GHz, 40,5–43,5 GHz en 66–71 GHz aan IMT (mobiele communicatie). Op de eerst genoemde frequentieband ben ik al uitgebreid ingegaan. Beide andere frequentiebanden zijn niet gelegen in de nabijheid van frequentiebanden die worden gebruikt voor weerswaarnemingen of klimaatonderzoek.
Voorziet u door bovengenoemde geuite zorgen risico’s voor het zo snel mogelijk uitrollen van 5G? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vastgestelde technische voorschriften aan het gebruik van de 26 GHz-band zijn geen belemmering voor de uitrol van 5G.
Kunt u de beantwoording van deze vragen voor het plenaire debat over de uitrol van 5G aan de Kamer toezenden?
Ja.
Het bericht ‘Zonnepanelen in Den Haag blijken stoorzender en moeten uit tijdens bezoek Ivanka Trump’ |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zonnepanelen in Den Haag blijken stoorzender en moeten uit tijdens bezoek Ivanka Trump»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat eigenaren van zonnepanelen, in dit geval nota bene een coöperatie van omwonenden, buiten hun schuld om gedupeerd worden en dat dit de energietransitie tegenwerkt?
Het is van belang dat zonne-energie systemen voldoen aan de gestelde regelgeving en op de juiste wijze geïnstalleerd worden om storingen aan elektrische apparatuur in de omgeving te voorkomen. Het is primair een zaak van producenten en installateurs om hier zorg voor te dragen, zodat eigenaren ervan op aan kunnen dat hun systemen in orde zijn en daarmee bijdragen aan de energietransitie.
Waarom moeten de zonnepanelen drie weken uit worden geschakeld terwijl het evenement slechts drie dagen duurt?
Om in dit geval een adequaat bereik van C2000 ter plaatse te kunnen hebben, is het netwerk aangepast met een extra richtantenne. Deze antenne stond gericht op het dak van het Worldforum en daardoor ook op de zonnepaneelinstallatie. Een dergelijke lokale aanpassing van het C2000-netwerk is vrij ingrijpend, vergt technische aanpassingen in het netwerk en moet goed getest kunnen worden. Ook het afschakelen van deze aanpassing moet zorgvuldig gebeuren om verstoringen in het C2000-netwerk te voorkomen. De opbouw en de afbouw van de extra antenne vergt daarbij de nodige technische hulpmiddelen en inzet van gespecialiseerd personeel. Om geen risico’s te lopen met betrekking tot onderbrekingen in het reguliere C2000-netwerk in Den Haag is daarom een zorgvuldige planning en uitvoering met fallback-mogelijkheden gehanteerd.
Wie zal de misgelopen inkomsten betalen aan de energiecoöperatie? Kunt u er zorg voor dragen dat de eigenaren van de zonnepanelen op een nette wijze worden gecompenseerd?
In het algemeen is de vergoeding van de schade die wordt veroorzaakt door het buitenwerking stellen van een installatie die niet aan de wettelijke vereisten voldoet een zaak tussen de fabrikant, de installateur en de eigenaar. In dit specifieke geval heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken, verantwoordelijk voor de organisatie van de Global Entrepreneurship Summit, besloten de energiecoöperatie uit coulance te compenseren voor de mogelijk gederfde inkomsten. Dit omdat men de omwonenden zo min mogelijk gevolgen wilde laten ondervinden van de ondernemerstop.
Klopt het dat onvoldoende kennis van installateurs de oorzaak is van mogelijke storingen, zoals Brancheorganisatie HollandSolar aangeeft? Zo ja, kunt u er zorg voor dragen dat de juiste kennis over de installatie van zonnepanelen wordt verspreid onder installateurs? Mocht u niet met zekerheid weten wat de oorzaak van de storingen is, kunt u dit dan laten onderzoeken?
Agentschap Telecom is in 2019 een dialoog gestart met de zonne-energie branche met als doel het creëren van bewustzijn en het delen van kennis over de onderliggende oorzaken van deze storing. Daarnaast hebben zij tips 2 voor een storingsvrije zonne-energie-installatie breed onder de aandacht gebracht. Naast uitrusting die niet aan de gestelde eisen voldoet is onvoldoende kennis over de installatie van zonnepanelen één van de oorzaken van storingen. Certificering van apparatuur en installatie kan bijdragen aan het voorkomen van storingen. De eisen voor (vrijwillige) certificaten zoals het certificaat «Zonnekeur» vallen onder de verantwoordelijkheid van de sector. Het is daarom primair aan de sector om te bezien of deze casus aanleiding geeft om betreffende certificaten aan te scherpen. Agentschap Telecom ondersteunt dit proces daar waar mogelijk.
Het dreigende faillissement van Utrechts Centrum voor de Kunsten en gevolgen voor diens medewerkers |
|
Lodewijk Asscher (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat medewerkers van het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) de gemeente Utrecht voor de rechter dagen omdat de gemeente volgens hen ten onrechte aanstuurt op een faillissement van de organisatie?1
Ja het is ons, Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bekend dat het Utrechts Centrum voor de Kunsten (UCK) heeft aangekondigd dat zij en haar medewerkers voornemens zijn enkele gerechtelijke procedures tegen de gemeente te starten.
Bent u bekend met het lot van de 200 medewerkers van het UCK, waarvan 60 in vaste dienst? Hoe vindt u het dat het college de subsidie in zulk kort tijdsbestek beëindigt, dat het personeel zonder transitievergoeding op straat komt te staan?
De gemeente Utrecht heeft de bevoegdheid subsidies te beëindigen. Het is niet aan ons als Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te oordelen over praktijksituaties als deze. Wij zijn ons er van bewust dat een reorganisatieontslag of onverhoopt een ontslag wegens faillissement zonder transitievergoeding een grote impact op de betrokken werknemers zal hebben. Wij onderschrijven dat de belangen van de werknemers in dergelijke situaties niet uit het oog verloren mogen worden. Het is echter de taak van de werkgever en in geval van faillissement van de curator om daarop toe te zien.
Hoe vindt u het dat de medewerkers van het UCK van de gemeente het perspectief krijgen om als zzp'er in een schijnzelfstandigheid door te gaan vanaf 1 september 2019? Bent u het eens dat het onwenselijk is dat gedupeerde medewerkers op deze manier in een ondernemersrol worden gedwongen met een zeer onzeker toekomstperspectief terwijl zij in een klap al hun opgebouwde rechten kwijt zijn? Hoe kwalificeert u deze zzp-constructie? Bent u bereid de Belastingdienst deze constructie te laten onderzoeken of er sprake is van «kwaadwillendheid»?
Het kabinet vindt schijnzelfstandigheid onwenselijk. Daarbij wordt opgemerkt dat het aan de rechter is om zich over de kwalificatie van een specifieke arbeidsrelatie uit te laten. In algemene zin wordt in dat kader opgemerkt dat als een werknemer zijn werkzaamheden na een eventueel ontslag onveranderd voortzet als zzp’er en er ten aanzien van de uitvoering van het werk in de betreffende organisatie geen enkel verschil is tussen werknemers en zzp’ers, er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Dat is onwenselijk en dient te worden voorkomen en bestreden. Dat laat onverlet dat werknemers die hun baan verliezen en nadien als zelfstandige aan het werk gaan niet per definitie als schijnzelfstandige kunnen worden gekwalificeerd. Zij zijn geen werknemer meer als er bijvoorbeeld geen sprake (meer) is van een gezagsrelatie of als er geen verplichting (meer) is om het werk persoonlijk te verrichten. Afhankelijk van de feitelijke situatie kan de arbeidsrelatie gekwalificeerd worden. Indien er bij partijen twijfel is over deze kwalificatievraag dan kunnen zij hun zaak voorleggen aan de rechter die in de beoordeling alle feiten en omstandigheden zal meenemen. Gegeven het voorgaande is het niet opportuun de Belastingdienst in te schakelen om eventuele kwaadwillendheid te laten onderzoeken. Los daarvan geldt het volgende. De Belastingdienst bepaalt aan de hand van risicoselectie op welke bedrijven hij zijn toezicht en handhaving richt. Deze risicoselectie wordt onder meer gevoed door signalen uit de praktijk. De Belastingdienst doet over onderzoeken bij individuele belastingplichtigen geen mededelingen op grond van zijn geheimhoudingsplicht (art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen).
Hoe oordeelt u over de aanname van het UCK en haar medewerkers dat er sprake is van een «vooropgezet faillisement», waarbij de gemeente bewust aanstuurt op een faillissement van het UCK en gelijktijdig nieuw beleid heeft ontwikkeld, waarin vrijwel hetzelfde wordt gevraagd (in hetzelfde pand) als waar het UCK nu in voorziet en dus overzetting van de activiteiten in een uitgeklede vorm faciliteert te koste van medewerkers en het UWV?
Zoals aangegeven bij vraag 2 heeft de gemeente de bevoegdheid haar beleid te wijzigen en subsidies te beëindigen. Het is het niet aan ons om te oordelen of er in deze specifieke situatie als gevolg van deze subsidie beëindiging sprake is van bewust aansturen en van een «vooropgezet faillissement». Deze taak is voorbehouden aan de curator. Indien daarom gevraagd kan de rechter daarover oordelen.
Vindt u dat u een rol heeft om de gemeente hierop aan te spreken, of is dit een zaak voor de Inspectie SZW of de Belastingdienst?
De gemeente Utrecht heeft een eigen bevoegdheid te besluiten tot financieringswijziging. Voor zover het UCK van mening is dat de gemeente jegens het UCK een constructie toepast die in strijd is met de wet, dan kan zij ervoor kiezen dat aan de rechter voor te leggen. Het is vervolgens aan de rechter daarover te oordelen.
In algemene zin merk ik op dat bij een reorganisatieontslag de werkgever, na verkregen toestemming van het UWV, de arbeidsovereenkomst kan opzeggen. In dat geval heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. In geval van een onverhoopt faillissement kan de curator het dienstverband opzeggen zonder dat de werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Als de werknemer wel recht heeft op een transitievergoeding bestaat die aanspraak jegens de werkgever. Deze aanspraak heeft de werknemer niet ten opzichte van een derde bij de onderneming van de werkgever betrokken partij. In deze situatie is er geen sprake van een werkgever- werknemer relatie tussen de gemeente en betrokken werknemers van het UCK, derhalve heeft de gemeente geen wettelijke verplichting om wegens beëindiging van het dienstverband aan de betrokken werknemers een transitievergoeding te betalen. Het is niet aan ons om vast te stellen of de gemeente op andere gronden een verantwoordelijkheid heeft de betrokken werknemers te compenseren voor eventueel ontslag zonder transitievergoeding.
Het is in zijn algemeenheid niet aan de Belastingdienst om een partij aan te spreken op hetgeen u in vraag 4 stelt. De taak van de Belastingdienst is om op basis van relevante belastingwet- en regelgeving toezicht te houden. Hierbij geldt dat de Belastingdienst geen mededelingen doet over individuele belastingplichtigen op grond van zijn geheimhoudingsplicht.
Vindt u dat een dergelijke constructie past bij de voorbeeldfunctie van de overheid nu de afgelopen jaren het bedrijfsleven door rechters en de overheid op de vingers wordt getikt als het dergelijke constructies toepast? Zo nee, bent u bereid om maatregelen te nemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het ermee eens dat de gemeente – zeker gelet het feit dat ze aanstuurt op een grootschalige stelselwijziging binnen de gemeente waar ze haar eigen opgerichte stichting failliet laat gaan – dan ook haar verantwoordelijkheid moet nemen en medewerkers van een compensatie moet voorzien voor de wettelijke ontslagvergoeding? Zo ja, bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de gemeente Utrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Vindt u het dat de gemeente Utrecht hiermee ingaat tegen de principes van de «Fair practice code»? Zo ja, bent u bereid om hierover met de gemeente Utrecht in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het is voor ons niet te beoordelen in hoeverre de principes van de Fair Practice Code zijn toegepast door de gemeente Utrecht of door het UCK. De Minister van OCW zal wel afspraken maken met gemeenten en provincies over eerlijke beloning in de culturele sector, zoals aangekondigd in de uitgangspuntenbrief Cultuurbeleid 2021–2024.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Uitgangspuntennotitie Cultuurbeleid 2021–2024 op 27 juni 2019?
Ja.
De oprichting van een nieuwe motorclub vanuit de gevangenis |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nieuwe club vanuit bajes»?1
Ja.
Is het waar dat de in het bericht genoemde persoon vanuit detentie een nieuwe motorclub onder de naam de MC Hardliners heeft opgericht? Zo ja, hoe heeft de genoemde persoon die club kunnen oprichten? Welke handelingen of formaliteiten zijn daarvoor verricht? Wat is de juridische status van die club? Zo nee, wat is er niet waar?
De te verrichten formaliteiten zijn afhankelijk van de rechtsvorm. Voor de oprichting van bijvoorbeeld rechtspersonen zijn notariële akten vereist, terwijl bijvoorbeeld voor een vereniging een mondeling akkoord voldoende is. Waar het gaat om criminele motorclubs, de zogeheten «Outlaw Motorcycle Gangs» (OMG’s), zijn dit vaak informele verenigingen. Het is mij niet bekend dat er binnen de penitentiaire inrichting rechtshandelingen zijn gesignaleerd die de gedetineerde heeft verricht voor het oprichten van de motorclub. Uit navraag op 26 juni 2019 bij het handelsregister blijkt dat in het handelsregister in ieder geval geen inschrijving is gedaan onder de naam «Hardliners».
Over welke communicatiemiddelen beschikt of beschikte de genoemde persoon in detentie? Waren daarbij ook ongeoorloofde middelen en wat betrof het dan?
Een gedetineerde kan telefoneren via het DJI-systeem «Telefonie Voor Justitiabelen». Een gedetineerde kan voorts via het reguliere DJI-systeem Emate e-mails ontvangen, maar niet beantwoorden of verzenden. Verder kan de gedetineerde brieven schrijven en post ontvangen. Bij deze gedetineerde zijn herhaaldelijk celinspecties uitgevoerd. Bij deze inspecties is geen verboden communicatiemiddel of andere contrabande aangetroffen. Er is wel via de telefoon ongeoorloofd mediacontact geweest. Voor dit mediacontact had deze gedetineerde geen toestemming gevraagd of gekregen. In verband daarmee heeft de directeur de gedetineerde passend bestraft.
Is het toegestaan dat iemand vanuit detentie een nieuwe motorclub opricht? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het een gedetineerde toegestaan om een organisatie op te richten, zolang binnen de wettelijke kaders wordt gehandeld. Het uitgangspunt is dat gedetineerden enkel aan beperkingen mogen worden onderworpen indien dit voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting noodzakelijk is. Uiteraard is het niet toegestaan dat deze club strafbare feiten pleegt of dat met deze club een verboden organisatie wordt voortgezet.
Deelt u de mening dat een gedetineerde niet in staat zou moeten zijn om vanuit detentie een motorclub op te richten? Zo ja, hoe heeft het dan toch kunnen gebeuren en hoe gaat dit voortaan worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Uit welk politieonderzoek zou blijken dat het aantal motorclubs de laatste twee jaar gestegen is? Kunt u de desbetreffende cijfers aan de Kamer doen toekomen?
Het Landelijk Strategisch Overleg integrale aanpak OMG’s (LSO) stelt jaarlijks namens en samen met de daarin samenwerkende overheidsorganisaties een voortgangsrapportage over de «OMG-aanpak» op. De voortgangsrapportage over het jaar 2017 heb ik reeds aan de Kamer toegezonden. Hierin staat dat er begin 2017 ruim 1940 leden van OMG’s in beeld waren en dat dit een jaar later 1980 leden zijn geworden. Momenteel rondt het LSO de Voortgangsrapportage over 2018 af. Deze zal ik, wanneer ik hem ontvangen heb, aan de Kamer toezenden.
Het artikel ‘Kan ik meer verdienen met hetzelfde werk in het PO?’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Kan ik meer verdienen met hetzelfde werk in het PO»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel dat gepubliceerd is in het ledenblad van de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO).
Deelt u de mening dat leerlingen gebaat zijn bij een docententeam op school met vaste aanstellingen en zo min mogelijk wisselingen gedurende een schooljaar?
In algemene zin deel ik de mening dat leerlingen gebaat zijn bij een stabiele invulling van de lessen.
Hoeveel van het totaal aantal vakleerkrachten lichamelijke opvoeding in het basisonderwijs hebben geen vaste aanstelling op de school waar ze werken, maar werken voor een organisatie zoals bijvoorbeeld de gemeente, een sportservicebureau of een uitzendbureau? Kunt u dit uitsplitsen per organisatie?
Met de informatie die mij bekend is, is het niet mogelijk om algemene uitspraken te doen over de verdeling van de verschillende typen aanstellingen die scholen aangaan met hun leerkrachten. Ook is niet bekend hoeveel leerkrachten exact in dienst zijn bij een sportservicebureau, de gemeente of een uitzendbureau.
Wel is gebleken uit de monitor van de Brede Regeling Combinatiefunctionarissen2 (voorheen Brede Impuls Combinatiefunctionarissen) dat 29 procent van de bijna 3000 formatieplaatsen van combinatiefunctionarissen / buurtsportcoaches in 2018 (deels) werkzaam was in het primair onderwijs. Van de totale groep combinatiefunctionarissen / buurtsportcoaches is bekend bij wie het formele werkgeverschap ligt. De meest voorkomende werkgevers zijn de door de gemeente gesubsidieerde organisaties voor sport (19 procent) en de welzijnsorganisaties (16 procent), gevolgd door gemeenten (11 procent). Vier procent is in dienst bij een commerciële sportorganisatie. Om het werkgeverschap beter in beeld te brengen zal in de monitor brede impuls combinatiefuncties over 2019 ook in kaart worden gebracht onder welke cao de sportfunctionarissen werkzaam zijn.
Klopt het dat juist de aanstelling bij een sportservicebureau ervoor zorgt dat docenten lichamelijke opvoeding minder verdienen dan wanneer ze in dienst zijn bij een school[bestuur]?
In artikel 3:23 van de cao PO en in artikel 8 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs is vastgelegd dat wanneer een ingehuurde werknemer hetzelfde werk doet, deze ook recht heeft op hetzelfde loon, arbeidsvoorwaarden en overige vergoedingen. Pas wanneer het takenpakket dusdanig verschilt van een vakleerkracht is een andere beloning gerechtvaardigd.
Mij zijn geen gegevens bekend op landelijk niveau over de verdiensten van vakleerkrachten die in dienst zijn bij een sportservicebureau.
Klopt het ook dat juist deze groep docenten meer dan gemiddeld gedurende het schooljaar van school verandert, waardoor leerlingen vaker een nieuw gezicht voor de klas zien?
Ik heb hier geen informatie over.
Wat is de reden dat schoolbesturen de vakleerkrachten lichamelijke opvoeding geen vaste aanstelling aanbieden en de voorkeur lijken te hebben voor inhuurconstructies?
Met de informatie die mij bekend is, is het niet mogelijk om algemene uitspraken te doen over de voorkeuren van schoolbesturen. Dit zal afhangen van het beleid en de omstandigheden van de school, waaronder de lokale beschikbaarheid van (vak)leerkrachten.
Klopt het dat een school uiteindelijk duurder uit is als een vakleerkracht lichamelijke opvoeding via een inhuurconstructie ingehuurd wordt, terwijl de vakleerkracht minder verdient? Bij wie komt het verschil tussen salaris en werkelijke inhuurkosten terecht? Kunt u aangeven om welke bedragen dit gaat? Hoeveel winst maken sportservicebureaus met deze verhuurconstructie?
Over de tariefstelling bij inhuurconstructies tegenover vaste aanstellingen zijn geen algemene uitspraken te doen, dat hangt af van specifieke omstandigheden.
Het verschil tussen het uitgekeerde salaris en de inhuurkosten voor scholen zal terechtkomen bij de organisatie die de verantwoordelijkheid en het formele werkgeverschap draagt. Over de bedragen waar het hier om gaat, zijn mij evenmin gegevens bekend, en hetzelfde geldt voor de eventuele winst die sportservicebureaus zouden kunnen maken. Tegenover de mogelijke winst staan overigens financiële risico’s, bijvoorbeeld van eventuele verzuimkosten, die een formele werkgever draagt. In de regel kan gesteld worden dat dergelijke bureaus vaak organisaties zijn zonder winstoogmerk.
Kunt u in overleg treden met de PO Raad om uw bezorgdheid te uiten over het grote aantal vakleerkrachten lichamelijke opvoeding dat onnodig ingehuurd wordt in plaats van een vaste aanstelling te krijgen en daarbij aangeven dat een sterke docententeam baat heeft bij vaste aanstellingen, waardoor docenten zich ook meer verbonden aan en betrokken bij school voelen?
Ik ben in overleg met de PO-Raad en de KVLO om dit onderwerp onder de aandacht van hun leden te brengen.
De motivering van automatisch genomen besluiten |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «motivering van automatisch genomen besluiten» van Matthijs van Kempen?1
Ja, ik heb van het artikel kennisgenomen.
Wat vindt u van de bevindingen van Van Kempen dat de algoritmes die u in uw brief2 aanhaalt vaak helemaal geen één-op-één vertalingen zijn van wetgeving en beleidsregels, maar dat regelanalisten een ordening aanbrengen en andere ontwerpkeuzes maken die van invloed zijn op de uitkomst van een besluitvormingstraject? Deelt u het standpunt van Van Kempen dat de ordening die een regelanalist in beslisregels maakt, een «gemaakte keuze» is die conform de verscherpte motiveringseisen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gepubliceerd dient te worden? Zo nee, waarom niet? Hoe valt uw zienswijze dat algoritmen veelal een één-op-één vertaling van de regels in wet- en regelgeving zijn te rijmen met het standpunt van de Afdeling advisering van de Raad van State dat «regels in natuurlijke taal lang niet altijd één-op-één kunnen worden vertaald in een algoritme»?3
In mijn brief4 heb ik erop gewezen dat algoritmes in de vorm van eenvoudige beslisbomen door de overheid al enige tientallen jaren worden gebruikt en dat het hierbij veelal om simpele algoritmes lijkt te gaan die een één-op-één vertaling vormen van wetgeving en beleidsregels, die gepubliceerd zijn. Daarbij kan het gaan om algoritmes die de Belastingdienst gebruikt in haar digitale aangifteprogramma’s voor bijvoorbeeld de inkomstenbelasting of de Dienst Justis bij het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag.5 Dat het veelal om dergelijke simpele algoritmes lijkt te gaan, is geen vastgesteld feit, maar een veronderstelling. Voor zover het algoritmes betreft die geen één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels zijn, maar nadere keuzes en aannames bevatten die van invloed zijn op (deels) geautomatiseerde besluitvorming, deel ik het standpunt van Van Kempen dat het om keuzes gaat die conform de verscherpte motiveringseisen van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State «volledig, tijdig en adequaat» ter beschikking moeten worden gesteld. Daar zal elke individuele overheidsorganisatie rekening mee moeten houden.
Als het echter om algoritmes gaat die een één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen en ordening door een regelanalist daaraan niets toevoegt, zou openbaarmaking van de beslisregels van het algoritme, zoals ik ook in mijn brief heb verwoord, weinig tot niets aan de gewenste transparantie toevoegen. Het besluit kan dan worden gemotiveerd met een verwijzing naar de desbetreffende wetgeving en beleidsregels, zoals gebeurt bij een snelheidsboete met vermelding van de gemeten snelheid en een verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit de verkeerswetgeving en beleidsregels waaruit de snelheidsboete en de hoogte daarvan één op één voortvloeien. Openbaarmaking van de beslisregels die het CJIB in het volautomatische proces rond de oplegging van snelheidsboetes hanteert, zou hieraan weinig toevoegen.
Deelt u de mening dat het van belang is voor de informatiepositie van burgers dat zij weet kunnen hebben van de verbanden tussen beslisregels onderling en tussen beslisregels en gegevens en uitkomsten, omdat dan duidelijk wordt welke gegevens in een beslisregel zijn gebruikt en tot welke uitkomst dit heeft geleid? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze mening deel ik, voor zover het om algoritmes gaat waarbij nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen.
Op welke wijze is uw standpunt dat openbaarmaking van beslisregels niets toevoegen aan transparantie in lijn met de bevindingen van de afdeling Advisering van de Raad van State dat het voor burgers van belang is om na te gaan welke beslisregels zijn toegepast en of beslisregels ook werkelijk doen waarvoor ze bedoeld zijn? Wat staat aan onmiddellijke openbaarmaking van beslisregels in de weg, zoals door Van Kempen beschreven, in geheel automatisch genomen besluiten met een individuele burger als belanghebbende?
Uit de antwoorden op de voorgaande vragen blijkt dat ik openbaarmaking van beslisregels niets aan transparantie vind toevoegen, als deze een één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen. Openbaarmaking is wel op haar plaats, als nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen. Ik acht dat standpunt in lijn met de bevindingen van de afdeling Advisering van de Raad van State dat het voor burgers van belang is om na te gaan welke beslisregels zijn toegepast. Dat belang is echter afwezig, als burgers de beslissing al uit wetgeving of beleidsregels kunnen afleiden. Dat beslisregels ook werkelijk doen waarvoor ze bedoeld zijn, is vooral een kwestie die controle vergt, bijvoorbeeld door auditing.
Aan onmiddellijke openbaarmaking van beslisregels die één-op-één-vertaling van wetgeving en beleidsregels vormen, staat in de weg dat dit onnodig uitvoeringslasten meebrengt. Het besluit is dan immers direct uit die wetgeving en eventueel beleidsregels af te leiden, zodat de motivering van het besluit daarop kan worden gebaseerd.
Deelt u de mening dat het beter motiveren van (deels) geautomatiseerde besluitvorming kansen biedt om herzieningen, bezwaar en beroep effectiever te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja, vooral met het oog op beslisregels waarbij nadere keuzes worden gemaakt in aanvulling op keuzes die al in wetgeving en beleidsregels zijn opgenomen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg Bescherming persoonsgegevens op 13 juni 2019?
Ja.
Het bericht ‘Western firms get tangled in China’s Uighur crackdown’ |
|
Isabelle Diks (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Western Firms Get Tangled in China’s Uighur Crackdown»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het bericht dat de heropvoedingskampen in Xinjiang ook worden gecombineerd met gedwongen arbeid? Hoe beoordeelt u de sterke toename van de productie van garen in Xinjiang in de laatste jaren en is het aannemelijk dat die toename verband houdt met de onderdrukking van de Oeigoeren en de heropvoedingskampen?
Het kabinet keurt, waar dan ook ter wereld, gedwongen arbeid in alle gevallen af en maakt zich ernstige zorgen over de situatie in Xinjiang. Het verbod op dwangarbeid maakt deel uit van de fundamentele arbeidsnormen van ILO, waar ook China aan gehouden is.
Uit diverse studies, mediaberichtgeving en verklaringen van personen in de regio kan worden geconcludeerd dat mensenrechten in Xinjiang sterk onder druk staan. Om mogelijke misstanden in de productie van garen verder te onderzoeken is vrije toegang voor onafhankelijke waarnemers nodig. China laat hen tot op heden niet toe.
Nederland heeft op 6 november 2018 tijdens de Universal Periodic Review van China in de Mensenrechtenraad de aanbeveling gedaan dat China samenwerkt met en toegang verleent aan VN-organisaties om te waarborgen dat beleid in Xinjiang in lijn is met internationale mensenrechtenstandaarden, met name waar het de «vocational education and training centers» betreft. Deze boodschap is tijdens de Mensenrechtenraad in maart 2019 herhaald, alsook, mede op aanraden van Nederland, tijdens de EU-Chinatop in april 2019.
Deelt u de afkeuring hierover? Kunt u bevestigen of ontkennen dat garen uit Xinjiang, geproduceerd met gedwongen arbeid, verwerkt is in kleding die in Nederland wordt verkocht? Deelt u de mening dat producten die op deze manier worden geproduceerd niet op de Nederlandse markt terecht mogen komen?
Het kabinet keurt alle gevallen van dwangarbeid af en het beschouwt de verkoop van kleding die geproduceerd is met gedwongen arbeid in Nederland als zeer ongewenst. De productielocaties van deelnemende bedrijven aan het Convenant Duurzame Kleding en Textiel, waaronder de bij hen bekende spinnerijen, worden geaggregeerd op de publiek toegankelijke website van het convenant gepubliceerd2. Hieronder bevinden zich geen productielocaties in Xinjiang. Niet alle bedrijven zijn op dit moment echter in staat om hun kleding te traceren tot de spinnerij. Daarbij wordt op de Nederlandse markt ook kleding verkocht van partijen die niet bij het convenant zijn aangesloten. Het kabinet kan daarom bevestigen noch ontkennen dat garen uit Xinjiang, geproduceerd met gedwongen arbeid, is verwerkt in kleding die in Nederland wordt verkocht.
Wilt u in gesprek gaan met ketens als H&M en Esprit om, in navolging van Adidas, hun leveranciers op te dragen niet langer garen in te kopen bij het bedrijf Huafu en geen werknemers te recruteren via lokale overheidsinstellingen in Xinjiang? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich inzetten om bedrijven te wijzen op hun verantwoordelijkheid om internationaal maatschappelijk verantwoord te ondernemen, conform de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Het kabinet zal daartoe de zorgen over dwangarbeid binnen de stuurgroep van het Convenant Duurzame Kleding en Textiel opbrengen en bevorderen dat ook andere internationale multi-stakeholderinitiatieven, zoals bijvoorbeeld de Duitse Textilbuendniss, dit risico willen onderzoeken.
Andere betrokkenen bij dit soort multi-stakeholderinitiatieven, zoals de vakbonden, kunnen ook verkennen of zij deze dwangarbeid via de hun ter beschikking staande kanalen, zoals het ILO-klachtenmechanisme, kunnen aankaarten. Het kabinet zet daarmee in op een bredere aanpak en ziet op dit moment geen meerwaarde in gesprekken met individuele kledingmerken.
Klopt het dat de focus in het textielconvenant ligt bij de laatste fase van de productieketen, namelijk de fysieke locatie van de kledingproductie, en dat de toeleveringsketen van de materialen grotendeels buiten schot blijft? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om ook de toeleveringsketen bij het convenant te betrekken?
Nee. Binnen het convenant wordt van deelnemende bedrijven verwacht dat zij zich inspannen om de gehele productieketen in kaart te brengen en risico’s te identificeren, mitigeren en voorkomen. Dit is een stapsgewijs proces, waarbij de aandacht van deelnemende bedrijven eerst uitgaat naar de laatste schakels in de keten. Dat betekent niet dat de diepere lagen van de keten geen aandacht behoeven en krijgen. Binnen het textielconvenant lukt het een toenemend aantal bedrijven schakels dieper in de keten ook in kaart te brengen, in enkele gevallen ook al tot aan het niveau van spinnerijen. De praktijk leert dat het bereiken van het niveau van garenproductie en -nog dieper- katoenproductie heel moeilijk is voor afzonderlijke kledingbedrijven.
Wilt u het SER-secretariaat van het convenant verzoeken om er bij de ondertekenaars op aan te dringen dat zij in hun risico-analyses expliciet aandacht besteden aan garen dat geproduceerd is met behulp van gedwongen arbeid in Xinjiang?
Het SER-secretariaat is ervan op de hoogte gesteld dat garen dat in Xinjiang geproduceerd is, een risico is in de productieketens van deelnemende bedrijven. Het SER-secretariaat zal de bedrijven wijzen op het risico en hen vragen daaraan aandacht te besteden, bijvoorbeeld door bij hun producenten te vragen naar de herkomst van de gebruikte materialen.
Welke andere stappen bent u bereid te nemen om te zorgen dat garen dat geproduceerd is met behulp van gedwongen arbeid in Xinjiang niet gebruikt wordt in de productie van kleding die in Nederland wordt verkocht, zowel door bedrijven die zich hebben aangesloten bij het textielconvenant als bedrijven die dat (nog) niet hebben gedaan?
Zie antwoord vraag 4.
Wat was de Chinese reactie op de boodschap van de EU dat er bij een bezoek door internationale waarnemers aan Xinjiang sprake moet zijn van vrije toegang? Welke verdere stappen gaat u ondernemen om zo’n bezoek onder vrije toegang te bewerkstelligen?
Mensenrechten en de situatie in Xinjiang zijn tijdens de EU-Chinatop in april 2019 aan bod gekomen. De EU heeft tijdens de top aangegeven dat vrije toegang tot Xinjiang voor onafhankelijke waarnemers, inclusief de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, noodzakelijk is. China gaf aan hierover in gesprek te willen blijven, onder andere tijdens de EU-China mensenrechtendialoog. Het kabinet zal er, bilateraal en via de EU, op blijven aandringen dat China samenwerkt met en onvoorwaardelijk en ongehinderd toegang verleent aan VN-organisaties, inclusief de ILO, om te waarborgen dat beleid en praktijk in Xinjiang in lijn zijn met internationale mensenrechtenstandaarden. Ook zal het kabinet de situatie van de Oeigoeren in Xinjiang aan de orde blijven stellen in bilaterale contacten met China, zoals Minister-President Rutte onlangs nog heeft gedaan in gesprek met de Chinese vicepresident Wang Qishan.
Het bericht dat bij een Duits-Nederlandse grenscontrole 27 overtredingen van de Vreemdelingenwet zijn geconstateerd |
|
Sietse Fritsma (PVV), Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat bij een Duits-Nederlandse grenscontrole 27 overtredingen van de Vreemdelingenwet zijn geconstateerd?1
Ja.
Kunt u aangeven welke overtredingen dit zijn? Zo nee, waarom niet?
De in het bericht genoemde 27 incidenten zijn gebaseerd op een door Duitse autoriteiten opgestelde rapportage van alle Duitse en Nederlandse overheidsinstanties (t.w. de Bundes-Polizei, Koninklijke Marechaussee (KMar) en Duitse en Nederlandse Douane en Politiekorpsen) die betrokken waren bij de op 15 mei jl. gehouden gezamenlijke controle. De 27 incidenten betreffen 17 constateringen aan Duitse zijde en 10 aan Nederlandse zijde.
De 10 incidenten aan Nederlandse zijde hebben betrekking op 10 personen zonder geldige verblijfstitel voor Nederland. Van die 10 personen zijn er 5 overgedragen aan de Duitse autoriteiten, 4 zijn onder toezicht overgedragen aan Belgische autoriteiten en 1 persoon heeft het bevel gekregen terug te keren naar de EU-lidstaat waar betrokkene wel een geldige verblijfstitel heeft. Op basis van bij de KMar beschikbare informatie en registers zijn bij de 10 genoemde personen geen criminele antecedenten gebleken.
De nationaliteiten van de 10 betrokken personen betrof 1 Albanees, 1 Hongaar, 3 Irakezen, 4 Rwandezen en 1 inwoner van Tadzjikistan. De geloofsovertuiging wordt bij een overtreding van de vreemdelingenwet niet door de Koninklijke Marechaussee geregistreerd.
Kunt u aangeven om hoeveel personen het bij deze 27 incidenten ging en daarbij aangeven wat de nationaliteiten zijn, hoeveel illegalen het betrof, hoeveel migranten met een islamitische achtergrond het betrof en of er vreemdelingen tussen zaten die bijvoorbeeld wegens criminaliteit bij de diensten bekend zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel vreemdelingen zijn na de geconstateerde overtredingen vastgezet (in vreemdelingenbewaring of anderszins) en hoeveel zijn er uitgezet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat grenscontroles een uitstekend middel zijn om ons land veiliger te maken tegen bijvoorbeeld jihadisten, terreur, illegalen, drugscriminaliteit etc. Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse buitengrenscontroles worden door de Koninklijke Marechaussee en de politie uitgevoerd om onder andere illegale migratie en grensoverschrijdende criminaliteit tegen te gaan. Grenscontroles aan de Schengen-binnengrenzen zijn niet toegestaan. Tijdelijke invoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen is onder specifieke omstandigheden mogelijk als er sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde of binnenlandse veiligheid. Criteria hiervoor zijn vastgesteld in de Schengengrenscode. In de binnengrenszone met België en Duitsland voert de KMar in het kader van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) wel binnenlands vreemdelingentoezicht uit, dit zijn geen grenscontroles. Het MTV betreft niet-systematische controles, die als doel hebben illegaal verblijf, mensensmokkel en documentfraude in een zo vroeg mogelijk stadium tegen te gaan.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en alle immigranten uit islamitische landen?
Zoals u bekend is, vindt het kabinet dat het categorisch sluiten van de Nederlandse grenzen geen realistische, laat staan een structureel wenselijke oplossing is voor het complexe migratievraagstuk. Het kabinet kiest ervoor de veiligheid te bevorderen en risico’s voor de openbare orde zo veel mogelijk te beperken, waarbij tevens bescherming wordt geboden aan die asielzoekers die bescherming behoeven.
Schaamt u zich niet dat duizenden gelukszoekers ons land bereiken en terroriseren omdat u blijft weigeren om de krijgsmacht actief in te zetten bij het bewaken van onze landsgrenzen? Zo nee, waarom niet?
De Koninklijke Marechaussee is, als politieorganisatie met militaire status (gendarmerie), onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht en wordt reeds ingezet ten behoeve van grenstoezicht en -bewaking.
De vergelijking van rechtsstelsels en de methode van het World Justice Project |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft u beiden nu 1 serie vragen over hetzelfde onderwerp beantwoord? Wie gaat hier nu over?1
De Minister voor Rechtsbescherming is verantwoordelijk voor het Nederlandse rechtsbestel en derhalve primair verantwoordelijk voor de beantwoording van deze vragen. De vragen in de eerdere series vragen zijn derhalve door, dan wel namens, de Minister voor Rechtsbescherming beantwoord.
Wat zijn uw bronnen geweest bij het beantwoorden van deze series Kamervragen? Is dat uitsluitend of vooral informatie geweest die door het World Justice Project aan u is verstrekt? Heeft u ook eigen onderzoek gedaan, of laten doen?
Zoals ook aangegeven in de eerdere beantwoording zijn uw vragen vooral beantwoord op basis van informatie verstrekt door het World Justice Project. Ik heb zelf geen onderzoek laten uitvoeren.
Waar u eerst deed voorkomen alsof de ranglijst tot stand komt door een grote enquête onder duizend respondenten per land én het bevragen van nationale experts, erkent u nu dat de antwoorden van de respondenten niet of nauwelijks betrekking hebben op de staat van de rechtspraak en het dus uitsluitend of vooral de mening van de bevraagde experts is die bepalend is voor de ranglijst, klop dit?
Nee, dit klopt niet. In mijn beantwoording op uw vragen van 28 januari jl. heb ik geschetst hoe de index wordt opgesteld. In mijn beantwoording op uw vragen van 20 mei ben ik op uw verzoek nader ingegaan op de verschillende onderzoeksmethoden.
Klopt het voorts dat ongeveer 20 nationale experts worden bevraagd en dat de meeste van die namen openbaar worden? Hoe groot is dan de kans dat er stevige kritiek wordt geuit?
Het World Justice Project heeft mij laten weten dat er 21 experts zijn bevraagd, van wie er 13 toestemming hebben gegeven om hun naam op te nemen in de Rule of Law Index.
Het is voorts niet aan mij om namens de deskundigen te spreken.
Hoe representatief is het om stellige conclusies te trekken over de rechtspraak aan de hand van de bevindingen van deze kleine groep experts? Hoe kunnen de rechtsstelsels wereldwijd dan goed vergeleken worden teneinde tot een bruikbare ranglijst te komen?
Zoals al eerder gesteld is de Rule of Law Index opgebouwd uit verschillende onderzoeksmethoden; zowel een bevolkingsonderzoek als een deskundigenonderzoek.
Verder heb ik ook in de eerdere beantwoording van uw vragen van 28 januari en 20 mei jl. aangegeven dat er meerdere indicatoren met betrekking tot de staat van de rechtstaat zijn. Ik verwijs nogmaals onder anderen naar de rapporten van de European Commission for the Efficiency of Justice van de Raad van Europa en het Europees Justitieel Scoreboard van de Europese Commissie. Ook de rapportage van het World Justice Project is een indicator. Elke van deze rapporten kennen een eigen methode van data verzameling en data verwerking. Overigens wijs ik er op dat het moeilijk is rechtsstelsels met elkaar te vergelijken. De onderlinge verschillen in opbouw en werking zijn soms aanzienlijk hetgeen een vergelijking niet altijd makkelijk maakt. Het is daarom goed te spreken van indicatoren.
Al deze indicatoren wijzen in een bepaalde richting namelijk dat het Nederlands rechtstelsel over het algemeen genomen goed functioneert.
Kunt u vraag zeven van de vorige serie vragen alsnog volledig beantwoorden? Waarom antwoordde u stellig dat het bedrijf «YouGov» het onderzoek in Nederland heeft uitgevoerd, maar «YouGov» dit zelf ontkent, verwijst naar «Lightspeed», maar «Lightspeed» zelf van niks weet en «YouGov» uiteindelijk niet toestaat dat het eenvoudige antwoord op de vraag wie dit onderzoek heeft uitgevoerd gegeven mag worden? Hoe is het nu mogelijk dat er onduidelijkheid blijft bestaan over de vraag wie dit onderzoek in Nederland heeft uitgevoerd? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Waarom blijft dit schimmig?
Zoals ook al eerder aangeven heeft het World Justice Project mij laten weten dat zij YouGov gecontracteerd hebben om het bevolkingsonderzoek uit te voeren, waarbij YouGov het werven van respondenten met betrekking tot het online panel heeft uitbesteed aan Lightspeed. Dit blijkt eveneens uit een schrijven van YouGov gericht aan het WJP welke WJP mij ter inzage heeft gegeven. Deze treft u aan als bijlage2.
Erkent u nu dat het eigenlijk niet verantwoord is om met deze gebruikte methode en onduidelijkheid, stellige conclusies te trekken over de staat van de rechtsstaat in vergelijking met andere landen?
Ik verwijs voor het antwoord op deze vraag naar de beantwoording van vraag 5.
Waarom blijft u zich in publieke uitingen steeds uitsluitend baseren op deze omstreden ranglijst van het World Justice Project als u meent dat er toch ook andere indicatoren zijn voor uw bewering dat de Nederlandse rechtspraak tot de wereldwijde top behoort?
Ik ben er me niet bewust van me in mijn publieke uitlatingen te beperken tot het World Justice Project. In de antwoorden op de twee series van uw vragen over dit onderwerp en in de brief van 16 november 2018 (Kamerstukken II 2018/19, 29 279, nr. 470) heb ik ook andere indicatoren benoemd. Daarnaast verwijs ik nogmaals naar de beantwoording van vraag 5.
Kunt u nu erkennen dat uw eerste beantwoording van de Kamervragen, namelijk dat de ranglijst van het World Justice Project erop wijst dat de Nederlandse rechtsstaat goed scoort, dat YouGov tweejaarlijks in Nederland onderzoek uitvoert onder een representatieve groep inwoners, dat alle onderzochte landen dezelfde onderzoeksvragen krijgen, en dat u geen aanleiding heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van het onderzoek, onder de maat is geweest?
Nee.
Kunt u alle vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Bonaire overspoeld met Sargassum zeewier’ |
|
Antje Diertens (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat aanspoelend sargassum zeewier een wederkerend milieuprobleem is voor Caribisch Nederland, voornamelijk voor Bonaire?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Hoe groot is de ecologische en economische schade die sargassum aanbrengt op Caribisch Nederland?
Voor Saba en Sint Eustatius is de impact beperkt, omdat de kustlijn slechts enkele baaien kent. Bonaire wordt het meest getroffen door sargassum, dit geldt in het bijzonder voor de oostkust en de stranden bij Lac Bay. Het ophopen van sargassum vormt een bedreiging voor kritieke en reeds bedreigde ecosystemen zoals zeegrasvelden, mangroves en mogelijk ook het koraalrif als gevolg van lichtonderschepping, afnemend zuurstofgehalte, verrijking met voedingstoffen en afgifte van waterstof sulfide wanneer het sargassum gaat rotten. Als het massaal aanspoelen van sargassum een terugkerende gebeurtenis wordt, dan zullen deze ecosystemen in de nabije toekomst vaker onder druk komen te staan.
Naast de ecologische schade zorgt grootschalige sargassum influx, zoals in maart 2018 bij Bonaire, ook voor niet nader gekwantificeerde economische schade, met name ten aanzien van de toerisme en visserij sector. In maart 2018 bereikte de bij het rottingsproces vrijkomende gassen op Bonaire zelfs concentraties waarvan bekend is dat ze gezondheidsproblemen voor mensen veroorzaken.
Kunt u toelichten hoe deze problematiek tot stand komt en welke onderliggende oorzaken zorgen voor de harde groei van sargassum zeewier?
Het is op dit moment niet exact duidelijk wat de oorzaak is van de harde groei en de stromingen die het zeewier naar het Caribisch gebied brengen. Vóór 2010 bloeide sargassum alleen in de tropische Noord-Atlantische oceaan, de Sargassozee. Deze zogenaamde «blooms» zijn echter onlangs ook waargenomen voor de Braziliaanse kust en de kust van West-Afrika. Het lijkt waarschijnlijk dat er sprake is van een combinatie van factoren: verhoogde input van voedingsstoffen en wereldwijde klimaatverandering (bijbehorende opwarming van het oppervlaktewater van de oceanen en veranderingen in zeestromingen en winden). De verhoogde input van voedingsstoffen is afkomstig van drie grote equatoriale rivieren die uitmonden in de tropische Atlantische Oceaan (Orinoco, Amazone, Kongo).
Klopt het dat de problematiek omtrent sargassum jaar na jaar groter wordt voor Caribisch Nederland? Zo ja, wat voor eerdere acties heeft het Rijk ondernomen om de problematiek onder controle te krijgen?
De aanspoeling van sargassum speelt sinds 2015 en neemt toe in omvang. De eerste, nog relatief kleine sargassuminflux op Bonaire vond plaats in juni 2015, gevolgd door een kleine influx in december 2017. In maart 2018 was de grootste influx, gevolgd door een kleinere influx in juli 2018. In maart 2019 is Bonaire wederom overspoelt met sargassum, gevolgd door een grote influx in mei 2019. Met name de sargassumstranding in maart 2018 had directe sterfte van vis en zeegras en schade aan mangrove als gevolg.
De acties die ondernomen worden om de problematiek onder controle te krijgen vallen onder de verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam. Het Rijk heeft bepaalde acties financieel ondersteund, zoals de aanschaf van materieel om de stranden op te ruimen.
Hoe ziet u de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende ministeries (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Economische Zaken en Klimaat (EZK)) en de lokale autoriteiten als het gaat om het voorkomen, opruimen en verwerken van soortgelijke problematiek?
De ministeries van LNV, IenW en EZK hebben geen verantwoordelijkheden op dit terrein. Het Openbaar Lichaam van de eilanden is verantwoordelijk als het gaat om het voorkomen, opruimen en verwerken van aangespoelde sargassum. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor natuur in Caribisch Nederland ben ik bereid in overleg te treden met het Openbaar Lichaam over deze problematiek.
Welke middelen zijn er nodig om het sargassum effectief te verwijderen met minimale schade?
Het voorkomen van aanspoelen is beter dan verwijderen. Het verwijderen van sargassum uit fragiele kustecosystemen, zoals mangroves en zeegrasvelden, is niet alleen lastig, maar ook duur. Bovendien is meestal de schade al toegebracht. Het meest effectief en efficiënt zijn middelen die sargassum effectief verwijderen op zee. Voor Bonaire is dit een probleem omdat het moet gebeuren aan de woeste windzijde van het eiland, waardoor schepen het niet eenvoudig kunnen verwijderen. De meest effectieve strategie is waarschijnlijk om het sargassum weg te leiden met drijfkettingen naar locaties waar het wel weggehaald kan worden. Dit jaar zijn voor het eerst «oilbooms» (een soort vangarmen) gebruikt om het sargassum tegen te houden dan wel te leiden naar plekken waar het verzameld en afgevoerd kan worden.
Op Bonaire zijn middelen aanwezig om sargassum van de stranden af te voeren (shovels e.d.). Het meeste opruimwerk wordt handmatig gedaan door vrijwilligers. Het is gezien de vigerende verantwoordelijkheidsverdeling aan het Openbaar Lichaam om in de aanwezigheid van de benodigde middelen te voorzien.
Zijn deze middelen aanwezig op Bonaire? Zo nee, bent u bereid te investeren in aanschaf en beheer van de juiste middelen?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier kunnen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de BES-eilanden) duurzaam beschermd worden tegen deze problematiek?
Door de Dutch Carribean is een rapport opgesteld die aangeeft welke elementen noodzakelijk zijn voor een duurzame bescherming tegen deze problematiek (Prevention and clean-up of sargassum in the Dutch Carribean, DCNA 2019). Dit zou als uitgangspunt kunnen dienen voor een actieplan.
Klopt het dat Stichting Nationale Parken Bonaire (STINAPA) geen overheidsfinanciering ontvangt voor het beheer van het Nationale Marine Park van Bonaire? Zo ja, bent u bereid met STINAPA en het Openbaar Lichaam Bonaire in overleg te treden over het verlenen van bijstand op korte termijn?
STINAPA ontvangt overheidsfinanciering van het lichaam. STINAPA is gemandateerd vanuit het Openbaar Lichaam om het beheer van de parken uit te voeren. Vanuit dit mandaat worden toegangsgelden geïnd, wat dient voor de financiering van het beheer.
Samen met de betrokken ministeries ben ik bereid in overleg te treden met het Openbaar Lichaam Bonaire en STINAPA als het Openbaar Lichaam daaraan behoefte heeft. Dat geldt ook ten aanzien van de problematiek van sargassum
Welke mogelijkheden ziet u en welke stappen gaat u ondernemen om het sargassum circulair te verwerken en nuttig te gebruiken?
Er zijn baggerbedrijven geïnteresseerd in het oogsten van sargassum op zee, voordat deze aanspoelt. Het is echter slechts pas interessant voor een dergelijk bedrijf als er bedrijven zijn die het verzamelde sargassum willen opkopen. Hiervoor is een economische sector en bijbehorende infrastructuur benodigd. Het idee is dat de sargassum met name geschikt is voor het maken van biobrandstof, bioplastics, kunstmest, compost en veevoer voor kleine grazers (geiten). Het is echter zeer moeilijk om een industrie te ontwikkelen op basis van sargassum, omdat dit niet structureel maar in fluxen binnenkomt. Het heeft dus slechts een toegevoegde waarde als er bijvoorbeeld een reeds bestaande installatie is, met bijbehorende infrastructuur en structurele aanvoer van grondstoffen, waar het sargassum vervolgens als additionele grondstof aan kan worden toegevoegd. Bonaire heeft een dergelijke economische sector en infrastructuur niet.
Wordt de sargassumproblematiek meegenomen in het beleidsplan voor Caribisch Nederland?
Het Natuurbeleidsplan is nu in ontwikkeling en zal eind november aan uw Kamer worden aangeboden. De komende periode ben ik samen met de Staatssecretaris van I&W en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overleg met Openbaar Lichaam en andere betrokkenen over de invulling van het Natuurbeleidsplan. Hierbij zal zeker aandacht zijn voor de sargassumproblematiek.
De middelen die het notariaat ter beschikking heeft om fraude te bestrijden |
|
Michiel van Nispen (SP), Mahir Alkaya (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de stelling van de voorzitter van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) dat het notariaat niet voldoende middelen heeft teneinde fraude te bestrijden?1
Ik onderschrijf het belang van de notaris als poortwachter in het stelsel, zoals terecht door de KNB is benoemd. Ik heb begrip voor de oproep en ben met de KNB in gesprek over mogelijke verbeteringen. Ik ga daar in het antwoord op vraag 5 verder op in.
Hoe heeft het aantal gevallen van fraude met besloten vennootschappen zich ontwikkeld sinds de preventieve toets door een notaris van een bestuurder van een bv is afgeschaft? Kunt u bevestigen dat het aantal fraudegevallen met bv’s sindsdien is gestegen?
Het beeld dat die vereenvoudiging de oorzaak is van een stijging van faillissementsfraude herken ik niet. De oorzaken van faillissementsfraude zijn divers en bovendien is fraude niet voorbehouden aan één specifieke rechtsvorm. Uit onderzoek naar oorzaken en schulden van beëindigde faillissementen bleek dat het gemeten percentage strafbare en/of onrechtmatige benadeling van schuldeisers op 30,1 procent van de in 2015 beëindigde faillissementen uitkwam. Ten opzichte van het eerdere onderzoek in 2010 was het percentage strafbare en/of onrechtmatige benadelingen met 6,5 procentpunt toegenomen. Uw Kamer is hierover geïnformeerd.2
Per 1 juli 2011 is het preventieve toezicht op rechtspersonen (door middel van een verklaring van geen bezwaar van de Minister van Justitie) vervangen door doorlopend toezicht op opgerichte rechtspersonen.3 Daarmee wordt beoogd het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen te verbeteren. Vervolgens is de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht in werking getreden op 1 oktober 2012. Daarmee is de oprichting van BV’s, onder meer door afschaffing van het minimumkapitaal, eenvoudiger geworden. De notaris heeft een rol bij het oprichten van BV’s, omdat daarvoor een notariële akte nodig is. Deze betrokkenheid levert niet alleen een nuttige bijdrage aan de zorgvuldigheid in het handels- en rechtsverkeer maar ook aan het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen.
In de afgelopen periode is er door toezicht, handhaving en opsporing ingezet op de bestrijding van faillissementsfraude. Ook private partijen en beroepsorganisaties nemen initiatief om frauderisico’s te detecteren en fraude of schade zoveel mogelijk te voorkomen. Deze bijdrage is zeer waardevol in de publiek-private samenwerking om fraude te bestrijden. Naar verwachting heeft de toegenomen inzet en aandacht eraan bijgedragen dat fraude beter herkend en gemeld kan worden en is daardoor ook beter zichtbaar gemaakt. Zo wordt in de Fraudemonitor van het Openbaar Ministerie onder meer weergegeven hoeveel meldingen door curatoren zijn gedaan bij het Centraal Meldpunt Faillissementsfraude4 dat is ondergebracht bij de FIOD.
Deelt u de mening van KNB-voorzitter Van Buitenen dat de dieperliggende oorzaak van het «krankzinnig grote maatschappelijke probleem van de faillissementsfraude» is dat de overheid het oprichten van kapitaalvennootschappen als bv’s «te soepel» heeft gemaakt?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het, dat het in de toekomst mogelijk wordt vanuit zowel EU-lidstaten als derde landen in Nederland een bv op te richten, zonder tussenkomst van een notaris? Zo ja, ziet u hierin een potentieel gevaar met betrekking tot fraude met bv’s?
Op grond van de richtlijn Gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (die is aangenomen door het Europees parlement en de Raad, maar nog niet is gepubliceerd) moeten lidstaten het mogelijk maken dat bepaalde kapitaalvennootschappen (in Nederland gaat het in ieder geval om BV’s) langs digitale weg kunnen worden opgericht. De richtlijn laat evenwel ruimte voor eventuele tussenkomst van de notaris bij de oprichting. Conform het geldende kabinetsbeleid zal bij de implementatie van de richtlijn zoveel mogelijk worden aangesloten bij het al bestaande systeem, dus met inbegrip van een rol van de notaris bij de oprichting van een BV. Mede in het kader van de implementatie van de richtlijn, wordt daarom de mogelijkheid om de digitale oprichting van BV’s in Nederland te laten plaatsvinden via een digitale notariële akte uitgewerkt.
Het is voor het kabinet belangrijk dat vereenvoudiging gepaard gaat met passende waarborgen tegen misbruik en fraude en dat er voldoende waarborgen zijn bij de oprichting van een BV om fraude te voorkomen. De richtlijn voorziet er daarom ook in dat lidstaten bij vermoedens van fraude of misbruik de oprichter kunnen verzoeken om fysiek te verschijnen. Digitale oprichting laat onderzoeksverplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (zoals het cliëntonderzoek en daarbij het vaststellen wie de uiteindelijk belanghebbende is) onverlet. Het blijft van groot belang dat alle meldingsplichtige instellingen blijven voldoen aan de wettelijke plicht om cliëntonderzoek uit te voeren en ongebruikelijke transacties te melden aan de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU).
Voor de volledigheid merk ik op dat in opdracht van het Ministerie van EZK wordt verkend of er de mogelijkheid is tot vereenvoudiging bij oprichting en kostenreductie van aandelenoverdracht met behoud van een betrouwbare registratie van aandelenbezit in BV’s. Hierover is uw Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van Economische Zaken met het zogenoemde MKB-actieplan.5
Bent u bereid stappen te zetten teneinde het notariaat de middelen te geven die het nodig heeft om fraude tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in gesprek met de KNB over het instrumentarium dat voor het notariaat, vanwege diens poortwachtersrol, nodig en wenselijk is. De specifieke expertise van de notaris acht ik onontbeerlijk bij een goede vervulling van de poortwachtersrol. Gelet op de ontwikkeling van verschillende fraudeverschijningsvormen en de digitale en internationale mogelijkheden voor fraudeurs acht ik het van belang om het notariaat en het bedrijfsleven te betrekken als belangrijke partners voor fraudedetectie en de bestrijding van witwassen. De verwachting is dat met het implementeren van het UBO-register en een aandeelhoudersregister, zoals wordt voorgesteld met de Initiatiefwet van de leden Nijboer en Alkaya, op termijn meer actuele informatie over belanghebbenden respectievelijk aandeelhouders beschikbaar komt. Hiermee wordt de financieel-economische fraudebestrijding en de notariële taakuitoefening tegelijkertijd ondersteund.
Wat vindt u van de suggestie notarissen de mogelijkheid te geven bij de Belastingdienst vooraf te informeren of toekenning van een btw-nummer aan een onderneming op bezwaren stuit? Kunt u uw antwoord motiveren?
Op basis van artikel 9 van de btw-richtlijn van de Raad van 28 november 2006, PbEU L 347, is iedere persoon die regelmatig leveringen of diensten verricht (een economische activiteit verricht) een btw-plichtige ondernemer. Op basis van artikel 214 van diezelfde richtlijn is iedere lidstaat verplicht een btw-identificatienummer te verstrekken aan deze btw-plichtige ondernemers. Op grond van Europese jurisprudentie (Hv] 14 maart 2013, nr. C 527/11) kan een btw-identificatienummer alleen worden geweigerd als aan de hand van objectieve gegevens kan worden aangetoond dat er ernstige aanwijzingen bestaan die het vermoeden doen rijzen dat het toegekende btw-identificatienummer zal worden gebruikt voor fraude. Mede in het licht van het belang van de btw-identificatienummers in het zakelijke verkeer is het beleid om btw-identificatienummers aan alle startende ondernemers binnen vijf dagen te verstrekken. Gelet hierop voert de Belastingdienst in de praktijk dan ook een beperkte toets uit bij de verstrekking van btw-identificatienummers. Ik begrijp de suggestie van de KNB-voorzitter als een wens om bij te dragen aan de bestrijding van fraude. Dat is iets dat ik vanzelfsprekend waardeer. Echter ik kan op dit moment niet onderschrijven dat een dergelijk model daadwerkelijk zal bijdragen aan het bestrijden van fraude.
Daarnaast staat thans de fiscale geheimhoudingsplicht in de weg aan de verstrekking van informatie aan notarissen. Het bieden van «de nodige duidelijkheid zonder dat er details worden verstrekt» maakt dit niet anders, omdat er dan nog steeds fiscale duiding wordt gegeven over een onderneming.
Wat is uw oordeel over het door de KNB-voorzitter geopperde stoplichtsysteem dat notarissen de nodige duidelijkheid biedt over een cliënt, zonder dat er details worden verstrekt? Staat de fiscale geheimhoudingsplicht dit volgens u in de weg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het instellen van een kloppend en up-to-date centraal aandeelhoudersregister een effectievere bestrijding van fraude mogelijk zal maken?
Het belang van beschikbare, actuele informatie over aandeelhouders voor controle, toezicht en opsporing is door een vorig kabinet reeds onderschreven.6 De initiatiefwet centraal aandeelhoudersregister is momenteel aanhangig bij uw Kamer. Het kabinet is voornemens een standpunt voor te bereiden en zal ingaan op de toegevoegde waarde van een centraal aandeelhoudersregister in samenhang met het UBO-register voor de bestrijding van financieel-economische fraude en witwassen. De beoordeling van de initiatiefwet is aan uw Kamer.
Tbs voor verkrachters |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoog tijd voor de «Anne Faber-norm»: bij verkrachting naast straf ook altijd tbs»?1
Ja.
Wat is uw mening over de voorgestelde norm namelijk dat een verkrachter door zijn daad blijk heeft gegeven van een psychiatrische ziekte of stoornis en daarom tbs opgelegd zou moeten krijgen?
Voor de meesten van ons is het moeilijk voorstelbaar dat een persoon zonder stoornis zo'n ernstig delict kan plegen. De praktijk van de pro Justitia-rapportages (PJ-rapportage) wijst evenwel uit dat niet elke verdachte van een ernstig zedendelict lijdt aan een psychische stoornis. Bij het ontbreken van een stoornis is psychiatrische behandeling (al dan niet in een tbs-kliniek) zinloos en volgt veelal een gevangenisstraf.
Tijdens het AO TBS van 26 juni 2019 (Kamerstuk 29 452, nr. 233) kwam dit onderwerp ook aan de orde. Daar heb ik toegelicht dat de officier van justitie en de rechter kijken naar de omstandigheden van een delict en vervolgens de afweging maken of een PJ-rapportage aangevraagd moet worden. Ik heb daarbij toegezegd dat ik met het Openbaar Ministerie de praktijk van het uitvoeren van PJ-rapportages bij ernstige zedenzaken in kaart zal brengen waarbij ik in ieder geval het volgende in kaart wil laten brengen: wanneer wordt een rapportage aangevraagd en wanneer niet? Zit er een gat tussen wat er gebeurt en wat wenselijk is?
Deelt u de mening dat het probleem van weigerende observandi onder verdachten van de meest ernstige vormen van verkrachting meteen opgelost wordt, indien tbs in die gevallen standaard en dus zonder onderzoek bij het Pieter Baan Centrum of aan de hand van andere gegevens kan worden opgelegd? Zo ja, welke conclusies verbindt u hier aan? Zo nee, waarom niet?
Bij mijn brief over de aanpak weigerende observandi van 8 oktober 2018 was als bijlage het rapport van de EUR met de titel «Juridische haalbaarheid van voorgestelde oplossingen voor de weigeraarsproblematiek omtrent tbs-oplegging» toegevoegd.2 Door de EUR wordt in dat rapport beschreven hoe de vaststelling van een stoornis de ongelimiteerde behandeling en vrijheidsbeneming in juridische zin legitimeert. Ook behandelt de EUR het voorstel dat de tbs op basis van een vermoeden zou moeten worden opgelegd (gelijk aan de suggestie in vraag 4). Concluderend stelt de EUR dat de gedane suggesties niet de gewenste oplossing bieden in verhouding tot de problematiek en dat er minder ingrijpende maatregelen beschikbaar zijn die meer effect zullen sorteren.
Tijdens het AO TBS van 26 juni 2019 (Kamerstuk 29 452, nr. 233) kwam dit ook aan de orde en heb ik aangegeven dat ik daarom naar andere manieren heb gekeken om de problematiek van de weigerende observandi aan te pakken. Het is immers onwenselijk als de tbs-maatregel niet wordt opgelegd waar dat wel de meest passende maatregel zou zijn. Ik sta daarom voor een aanpak die het mogelijk maakt vaker tbs op te kunnen leggen met meer oog voor de veiligheid van de samenleving, door zowel het aantal weigeraars terug te dringen als het effect van een weigering zoveel mogelijk te mitigeren.
Is het juridisch mogelijk vast te gaan leggen dat bij de ernstigste vormen van verkrachting uitgegaan zou moeten worden van een psychiatrische ziekte of stoornis en dat op grond daarvan een rechter tbs moet kunnen opleggen, waarbij de verdachte in de gelegenheid kan worden gesteld aan te tonen dat er geen sprake is een psychiatrische ziekte of stoornis? Zo ja, acht u dit wenselijk en hoe gaat u hier gevolg aangeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.