De AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat op de website van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de volgende bewering staat: «Wanneer personen of groepen bewust een narratief over een «kwaadaardige elite» verspreiden, creëren ze daarmee een feitelijk onjuist wereldbeeld.»?1
Ja. Dit is onderdeel van het anti-institutioneel-extremistische narratief. Aanvullend staat op dezelfde site dat, volgens aanhangers van dit narratief, deze kwaadaardige elite de bevolking wil onderdrukken, tot slaaf maken of zelfs vermoorden. De aanhangers van dit narratief stellen dat deze elite de controle heeft over de overheid, grote bedrijven, de rechtspraak, de wetenschap en kranten en tv-zenders. En dat hiertegen verzet moet worden gepleegd.
Bent u bekend met de volgende uitspraak van de directeur-generaal van de AIVD, gedaan tijdens een rondetafelgesprek op 28 juni 2023 in de Tweede Kamer, in antwoord op de vraag sinds wanneer Nederland volgens de AIVD dan feitelijk een «goedaardige elite» heeft: «Die vraag laat ik graag aan de historici over. Want wij doen geen onderzoek naar het verleden, wanneer dat moment heeft plaatsgevonden. [...]. Ik kan niet de vraag beantwoorden wanneer de elites goed zijn geworden.»
Ja. De AIVD constateert in zijn onderzoek dat er een narratief over een kwaadaardige elite verspreid wordt. Dit narratief stelt dat er een kwaadaardige elite aan de macht is, bestaande uit rechters, wetenschappers, politieagenten en politici, die erop uit is om mensen in Nederland te onderdrukken, tot slaaf te maken en te vermoorden. De AIVD verricht, op basis van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten, aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de nationale veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat. Het anti-institutionele narratief, zoals toegelicht in de publicatie «Anti-institutioneel extremisme in Nederland – Een ernstige dreiging voor de democratische rechtsorde?»1 vormt zowel een mogelijk lange termijn dreiging als een korte termijn geweldsdreiging voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde.2
Bent u ermee bekend dat de AIVD sinds kort een «historisch adviseur» in dienst heeft?2
Ja.
Bent u bereid de directeur-generaal van de AIVD te vragen of hij misschien zou willen overwegen deze «historisch adviseur» van de AIVD (of eventueel andere historici) te verzoeken of hij wellicht kan onderzoeken naar sinds wanneer precies de elite die Nederland bestuurt «feitelijk goedaardig» is geworden, zoals de AIVD beweert?
Nee, ik ben hiertoe niet bereid. Zoals beschreven in beantwoording van vraag 2 doet de AIVD, op basis van de Wiv 2017, onderzoek naar dreigingen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. Ook staat in het artikel waar de vraag aan refereert, dat de taak van de historicus is om historisch onderzoek naar de dienst te faciliteren- ook van wetenschappers buiten de AIVD.
Zo nee, waarom niet? Is het immers, voor een goed begrip van het «anti-institutioneel extremisme», niet essentieel te weten sinds wanneer de elite in Nederland precies «goedaardig» en kritiek op een «kwaadaardige elite» dus «feitelijk onjuist» is geworden?
Zie beantwoording vraag 4. Voor een goed begrip van het «anti-institutioneel extremisme» refereer ik graag naar de AIVD publicatie hierover van mei 20232.
Kunnen we er trouwens op vertrouwen dat de AIVD er melding van zal maken als de, volgens de AIVD, huidige goedaardige elite (onverhoopt weer) kwaadaardig wordt?
De AIVD heeft onder andere de wettelijke taak om onderzoek te verrichten naar dreigingen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. U kunt erop vertrouwen dat de AIVD doet wat nodig is, in het geval de nationale veiligheid in het geding is.
Zo ja, hoe constateert de AIVD, die immers naar eigen zeggen niet kan aangeven wanneer de elite feitelijk goedaardig is geworden, dat de elite (weer) kwaadaardig is geworden?
Zie beantwoording vraag 6.
Zo nee, hoe kunnen we er dan op vertrouwen dat burgers die van mening zijn dat er een kwaadaardige elite is, door de AIVD niet onterecht worden gekwalificeerd als «anti-institutioneel extremisten» voor een opvatting die in dat geval wellicht dus «feitelijk juist» kan zijn?
Ruimte voor kritiek is een belangrijk onderdeel van een gezonde democratie. Door kritiek te (kunnen) geven, kan een democratie zich verder ontwikkelen. Een kritische boodschap waarin wordt gesteld dat de rechtsstaat niet functioneert, kan bijdragen aan het verbeteren van deze rechtsstaat. Daarvoor is en moet ruimte zijn binnen de democratische rechtsorde. De AIVD richt zich nadrukkelijk niet op burgers die kritiek uiten op het functioneren van de democratische rechtstaat. De AIVD doet, zoals eerder benoemd, o.a. onderzoek naar dreigingen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. Een persoon kan een dreiging zijn wanneer sprake is van extremistische gedragingen. De AIVD definieert extremisme als «Het uit ideologische motieven bereid zijn om niet-gewelddadige en/of gewelddadige activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen».
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik de vragen afzonderlijk beantwoord.
Palantir |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van uw beantwoording van eerdere schriftelijke vragen1, wellicht nog nader toelichten wat bedoeld wordt met «actief gebruik» in de zin «Er is in het heden of verleden geen actief gebruik van Palantir (licenties) bij het organisatieonderdeel NCTV2.»? Wordt er wellicht wel op een andere wijze («passief gebruik?») door de NCTV gebruikgemaakt van Palantir? Of kan uit dit antwoord geconcludeerd worden dat er op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van Palantir door de NCTV? En los van het («actief» of «passief») gebruik, heeft de NCTV wel of geen (al dan niet via «samenwerkingsverbanden») toegang tot Palantir?
Met de eerdere beantwoording is bedoeld aan te geven dat er op geen enkele wijze gebruik is gemaakt van Palantir door de NCTV en tevens dat de NCTV ook geen toegang heeft tot Palantir.
U schrijft dat de politie, in speciale gevallen, de «informatieproducten» afkomstig uit de Raffinaderij deelt met «ketenpartners»: wie zijn die «ketenpartners»?
In mijn eerdere beantwoording heb ik aangegeven dat informatieproducten afkomstig uit de analyseomgeving «de Raffinaderij» niet worden gedeeld met partijen buiten de politie.
Wel kan de politie op basis van een signaal afkomstig uit een informatieproduct op casusniveau contact leggen met ketenpartners. Dit kan als er sprake blijkt van een concrete verdenking van zware en georganiseerde criminaliteit of een hoge kans op aanslagen. Het informatieproduct zelf wordt niet gedeeld.
Ketenpartners waarmee de politie een signaal kan delen zijn bijvoorbeeld gemeenten of het Openbaar Ministerie. Hierbij worden vanzelfsprekend de verstrekkingsbepalingen uit de Wet politiegegevens (Wpg) in acht genomen.
Welke datasets worden met die ketenpartners gedeeld?
Er worden geen datasets gedeeld met die ketenpartners.
Zoals hiervoor toegelicht kunnen alleen in zeer ernstige situaties de signalen afkomstig uit een informatieproduct vanuit «de Raffinaderij» op casusniveau worden gedeeld.
Welke algoritmen worden door die ketenpartners of binnen de «samenwerkingsverbanden» hiervoor gebruikt en/of ontwikkeld?
Bij het delen van signalen op casusniveau worden geen algoritmen gebruikt en/of ontwikkeld.
Worden deze algoritmen wellicht ook gepubliceerd op https://algoritmes.overheid.nl/nl/algoritme?
In het Algoritmeregister worden impactvolle algoritmes, waaronder hoog risico AI-systemen geregistreerd. De basale algoritmes binnen de software van Palantir die de politie gebruikt kwalificeren niet als AI-systeem. Omdat bij het gebruik van deze Palantir software door de politie ook geen sprake is van impactvolle algoritmes is dit niet in het Algoritmeregister opgenomen.
De verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering |
|
Christine Teunissen (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het historische advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 23 juli 2025 inzake de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het advies stelt dat het nalaten van een staat om passende maatregelen te nemen tegen klimaatverandering, onder meer door het verstrekken van subsidies voor fossiele brandstoffen, «een internationale onrechtmatige daad kan vormen die aan die staat kan worden toegerekend»?
Ja.
Erkent u dat elke vorm van staatssteun aan fossiel niet in lijn is met de klimaatdoelen van Parijs en daarmee een schending van internationale afspraken is? Bent u voornemens uw beleid op gebied van fossiele steun te analyseren naar aanleiding van dit advies? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze lezing onderschrijft het kabinet niet. Het kabinet voert klimaatbeleid gericht op de Europese en nationale klimaatdoelen, zodat Nederland zijn bijdrage levert aan het realiseren van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. Dit beleid is gericht op een effectieve, efficiënte en rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal, Nederland en Europa. In deze transitie zal, mede als gevolg van dit beleid, het gebruik van fossiele energiedragers verminderen. Ook tegen deze achtergrond kan een vorm van staatssteun aan het gebruik van fossiele energiedragers – binnen de toegestane Europese kaders – (tijdelijk) nodig zijn om bijvoorbeeld energiearmoede, leveringszekerheid of verplaatsing van bedrijven en CO2-uitstoot (weglek) naar het buitenland te voorkomen. Daarmee worden in de lezing van het kabinet geen internationale afspraken geschonden. Het kabinet ziet daarom in het advies van het IGH geen aanleiding om een nieuwe analyse te maken van het beleid dat steun geeft aan fossiele energie.
Klopt het dat de Nederlandse staat nog steeds voor rond de 40 miljard aan verschillende vormen van steun aan de fossiele sector geeft? Zo nee, hoeveel steun geeft de Nederlandse overheid op dit moment aan de fossiele sector?
In Nederland wordt jaarlijks in de Miljoenennota inzicht gegeven in fossiele voordelen (ook wel fossiele subsidies). Dit overzicht laat zien in hoeverre de klimaatschade die voortkomt uit het gebruik van fossiele energiedragers direct of indirect beprijsd is. Ook wordt geïnventariseerd welke subsidieregelingen een specifiek (direct of indirect) voordeel geven aan emissie van broeikasgassen als gevolg van het gebruik van fossiele energiedragers. In de Miljoenennota 2026 blijkt uit dit overzicht een klimaatbeprijzingstekort van 18,0 mld. euro voor het jaar 2024 voor emissies die gepaard gaan met het gebruik van fossiele energiedragers (inclusief uitgestelde emissies die worden toegerekend aan niet-energetisch gebruik van fossiele energiedragers). Het opgeteld budgettair belang van subsidieregelingen voor het jaar 2025 bedraagt 29,8 mld. euro. Dit budgettaire belang betreft vooral voordelen die samenhangen met verlaagde tarieven of vrijstellingen in milieuheffingen. Twee kanttekeningen zijn van belang bij deze optellingen: ten eerste worden verlaagde tarieven berekend ten opzichte van het hoogst geldende tarief van een milieuheffing. Een verhoging van de tariefstelling van milieuheffingen verhoogt hiermee dus ook de budgettaire omvang van een vrijstelling of een verlaagd tarief. Daarnaast wordt bij de optelling van het budgettaire belang van regelingen geen rekening gehouden met eventuele alternatieve heffingen voor een gebruikersgroep. Hiermee kan het opgeteld budgettair belang een vertekend beeld geven.
Zijn de juridische risico’s voor het verlenen van die steun toegenomen door het advies van het IGH? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze risico’s verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het advies verduidelijkt de bestaande internationaalrechtelijke verplichtingen van staten op het gebied van klimaat, maar schept geen nieuwe verplichtingen. De uitleg van het IGH over de internationaalrechtelijke verplichting om mitigatiemaatregelen te nemen, sluit aan bij de zienswijze van het Koninkrijk der Nederlanden. De juridische risico’s zijn door het advies dus niet toegenomen, maar een herbevestiging van de verplichting om mitigatiemaatregelen te nemen.
Is het u bekend dat het IGH in paragraaf 252 van haar advies benadrukt dat staten de verplichting hebben om bedrijven zo te reguleren dat 1,5°C niet onmogelijk wordt? Op welke wijze voldoet de Nederlandse staat aan die verplichting?
Ja, dat is het kabinet bekend. Het IGH benadrukt dat staten passende maatregelen moeten treffen om de doelstellingen van hun zogenaamde Nationally Determined Contributions (NDC’s) te verwezenlijken, ook met betrekking tot activiteiten die door private actoren worden uitgevoerd. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een regelgevend kader, waaronder de effectieve regulering van private actoren.
Nederland heeft zich in EU-verband met de Overeenkomst van Parijs, de Europese klimaatwet en de nationale Klimaatwet gecommitteerd aan klimaatneutraliteit in 2050 en daarmee aan de doelstelling van 1,5-graad. Nederland beschikt in EU- en nationaal verband over een uitgebreid regelgevend kader en werkt voortdurend aan nieuwe regelgeving, ook gericht op private actoren, ter verwezenlijking van de Europese en nationale klimaatdoelen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting om bedrijven zodanig te reguleren dat het behalen van de 1,5 graad-doelstelling niet onmogelijk wordt.
Klopt het dat het recente besluit van de Europese Unie om klimaatplannen niet verplicht te maken en geen resultaatverplichtingen op het gebied van klimaat aan bedrijven te stellen, ingaat tegen deze verplichting? Zo nee, waarom niet?
Waarschijnlijk verwijst de vraagsteller naar het Omnibus I-voorstel van de Europese Commissie, waarmee de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) wordt aangepast. De onderhandelingen hierover lopen nog en het Europees Parlement heeft nog geen positie bepaald. De onlangs bereikte Raadspositie inzake het Omnibus-I-Voorstel bevat nog steeds een verplichting een klimaattransitieplan vast te stellen. Het kabinet heeft eerder aangegeven eraan te hechten dat deze verplichting behouden blijft.1
Daarnaast zijn de klimaatdoelstellingen van de Unie uitgewerkt in een breed palet aan wetgevingsinstrumenten die alle relevante sectoren bestrijken, waaronder industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, energievoorziening, landbouw en landgebruik. Deze regelgeving bewerkstelligt een afdwingbare en coherente uitvoering van het klimaatbeleid binnen de gehele Unie en bestaat onder andere uit het EU-ETS, ESR, LULUCF, en verplichtingen ten aanzien van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Hiermee wordt, zoals reeds in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, uitvoering gegeven aan de verplichting om bedrijven zodanig te reguleren dat het behalen van de 1,5 graad-doelstelling niet onmogelijk wordt.
Bent u bekend met paragraaf 482 van het advies waarin het IGH staten medeverantwoordelijk houden voor de activiteiten van de in hun land gevestigde bedrijven? Kunt u beiden aangeven hoe dit oordeel zich verhoudt tot de huidige beleidspraktijk van Nederland? Op welke wijze spreekt de Nederlandse overheid bedrijven aan? Welke consequenties verbindt u aan het schenden van internationale afspraken op gebied van klimaat, milieu en mensenrechten door bedrijven?
Ervan uitgaande dat wordt gedoeld op paragraaf 428, is het kabinet bekend met dit deel van het advies. Het oordeel van het IGH sluit aan bij de beleidspraktijk die is beschreven in de antwoorden op vragen 6 en 7. Het is voor Nederland van belang het internationaal recht te respecteren en hiernaar te leven. Nederland beschikt, mede ter uitvoering van Europese regelgeving, over een effectief regelgevend kader om bedrijven te verplichten en te stimuleren de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Effectief toezicht en handhaving vormen het sluitstuk van dit kader. Dit omvat onder meer controles en inspecties, monitoring van emissies en het opleggen van maatregelen en sancties bij overtredingen van wettelijke normen. Bedrijven worden aangesproken via advies, toezicht en, indien nodig, handhavingsmaatregelen.
Verder verwacht het kabinet dat Nederlandse bedrijven die zakendoen in het buitenland, dit maatschappelijk verantwoord doen. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) vormen de basis van het Nederlandse IMVO-beleid. Kernonderdeel hiervan is de verwachting dat bedrijven gepaste zorgvuldigheid toepassen. Dat betekent dat zij risico’s voor mens en milieu in hun bedrijfsvoering en waardeketens in kaart brengen en waar nodig aanpakken. Dit wordt een wettelijke verplichting in de CSDDD. Over wijzigingen in deze richtlijn wordt in het kader van het Omnibus I-voorstel momenteel nog onderhandeld.2
De overheid stimuleert IMVO door middel van elkaar versterkende maatregelen. Zo heeft Nederland een onafhankelijk Nationaal Contactpunt (NCP) dat meldingen behandelt van stakeholders die een meningsverschil hebben over de toepassing van de OESO-richtlijnen. Daarnaast kunnen ondernemingen alleen gebruik maken van het BHO handelsinstrumentarium als zij voldoen aan IMVO-voorwaarden. Uiteindelijk is het de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om beslissingen te nemen binnen de grenzen van de wet.
Kent u paragraaf 282 van het advies, waarin het IGH stelt dat adaptatiemaatregelen getoetst moeten worden op de mogelijke schade die ze aanrichten op mens en milieu? Kunt u bevestigen dat de effecten op mens en milieu meegewogen worden bij besluitvorming over adaptatiemaatregelen die Nederland steunt in het buitenland?
Ja, ik ben bekend met paragraaf 282 van het advies. Deze effecten worden meegewogen in de besluitvorming. Nederland draagt via verschillende kanalen bij aan adaptatieactiviteiten in het buitenland. Onder andere via bilaterale en multilaterale ontwikkelingssamenwerking en de FMO. Ook programma’s zoals Partners voor Water en het International Panel on Deltas and Coasts (IPDC) dragen bij aan adaptatie in het buitenland. Alle bijdragen vanuit Nederlands instrumentarium zijn onderworpen aan procedures die de mogelijke nadelige effecten op mens en milieu afwegen (environmental, social and governance due diligence3 en milieueffectrapportage).
Erkent u dat het IGH in paragraaf 449–455 bevestigt dat staten verplicht zijn om schade door klimaatverandering te voorkomen, en dat bij het niet naleven van deze plicht sprake kan zijn van een internationaal onrechtmatige daad die herstel, waaronder compensatie, vereist? Hoe verhoudt dit zich tot het recente Nederlandse besluit om niet meer bij te dragen aan het VN-fonds voor klimaatschade (Fund for Responding to Loss & Damage)? Kan het uitblijven van een dergelijke bijdrage juridische en diplomatieke risico’s met zich meebrengen?
Ja, ik ben bekend met paragraaf 449–455 waarin is opgenomen dat sprake kan zijn van een internationaal onrechtmatige daad en dat een staat de verplichting kan hebben tot rechtsherstel. Rechtsherstel is een onderdeel van het staatsaansprakelijkheidsrecht. De uitspraak van het IGH op dit onderwerp is geheel overeenkomstig het bestaande internationaal gewoonterecht, zoals neergelegd in de Artikelen inzake Staatsaansprakelijkheid. Om te bepalen of en zo ja welke vorm van rechtsherstel geboden moet worden, moet een causaal verband worden vastgesteld tussen de internationaal onrechtmatige daad en bepaalde schade die een andere staat heeft geleden of kan lijden. Compensatie is een vorm van rechtsherstel. De invulling hiervan (hoogte, etc.) is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en moet (volgens het IGH) per geval beoordeeld worden.
Het Hof zegt over de relatie tussen aansprakelijkheid en het VN-fonds voor klimaatschade dat deze los staan van elkaar. Zo moet aan het VN-fonds voor klimaatschade worden bijgedragen op een faciliterende basis en in het kader van samenwerking. Dit gebeurt derhalve niet in de context van aansprakelijkheid voor een internationale onrechtmatige daad. Het Hof zegt dat dit wordt bevestigd in paragraaf 51 van het besluit van de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP) waarmee de Overeenkomst van Parijs is aangenomen.
Erkent u dat het advies bevestigt dat rijke landen als Nederland volgens het principe van klimaatrechtvaardigheid een extra verantwoordelijkheid hebben voor het terugdringen van klimaatuitstoot en aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij niet aan deze afspraken voldoen? Onderschrijft u dat deze invulling van klimaatrechtvaardigheid concrete handelingsperspectieven biedt? Zo nee, waarom niet?
Het IGH legt in zijn advies uit dat «equity» of billijkheid kan dienen als een leidraad voor de interpretatie van de toepasselijke regels van het internationaal recht. Het Koninkrijk heeft hierover in zijn inbreng aangegeven dat billijkheid zich op diverse plaatsen uit in het klimaatrecht, onder andere in de toepassing van common but differentiated responsibilities and respective capabilities (CBDR-RC). Dit betekent dat iedere staat een verantwoordelijkheid heeft, maar dat deze al naar gelang van de omstandigheden verschillen. Dit verschil komt bijvoorbeeld tot uiting in de mate van zorg die een staat moet betrachten om klimaatverandering te mitigeren. Het kabinet onderkent het principe van CBDR-RC als een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle klimaattransitie. Over de omstandigheden van staten zegt het Hof dat de kwalificatie als «ontwikkeld land» of «ontwikkelingsland» niet statisch is, maar met de tijd kan veranderen. Daarnaast heeft elke staat de verplichting om samen te werken om klimaatverandering tegen te gaan. Deze verplichting staat los van of een staat meer of minder welvarend is. De invulling van de plicht om samen te werken wordt echter wel ingegeven door de economische draagkracht van een staat.
Volgens het advies gelden de algemene regels van staatsaansprakelijkheid bij een schending van klimaatverplichtingen. De status van een land als ontwikkelingsland of ontwikkeld land is (volgens het Hof) niet van belang voor de toepassing van deze regels, maar bij de vaststelling een schending van een specifieke regel van het internationaal (klimaat)recht, in het bijzonder de zorgplicht, kan het onderscheid wel een rol spelen. Tevens onderstreept het Hof dat het staatsaansprakelijkheidsrecht geen speciale status toekent aan verschillende categorieën van benadeelde staten en dat alle staten een belang hebben bij de bescherming van de verplichtingen in het kader van klimaatverandering, mede omdat klimaatverandering een «common concern of humankind» is.
Voldoet Nederland aan de afspraken onder het Parijs-akkoord voor het terugdringen van de klimaatuitstoot? Zo nee, zijn de juridische risico’s van het niet voldoen aan de internationale afspraken toegenomen door de uitspraken van het IGH?
Als partij bij de Overeenkomst van Parijs levert Nederland zijn bijdrage aan de afspraken onder de Overeenkomst. Dit doet Nederland samen met de andere lidstaten van de EU via de Europese klimaatdoelen die zijn vastgelegd in de Europese Klimaatwet: ten minste 55% emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990, en klimaatneutraliteit in 2050. De Europese klimaatdoelen zijn in lijn met de benodigde EU-inzet om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Deze doelstellingen worden gerealiseerd via een omvangrijk en bindend wettelijk kader. Nederland implementeert dit kader binnen de nationale rechtsorde en neemt passende maatregelen om bij te dragen aan de verwezenlijking van zowel de EU-doelstellingen als de nationale doelen.
Het EU-klimaatdoel voor 2030 is eveneens gecommuniceerd in de EU NDC voor 2030. Dit document beschrijft de Europese bijdrage aan de doelen van de Overeenkomst van Parijs. Het EU-klimaatdoel voor 2050 vormt het hart van de Europese Langetermijnstrategie. Op dit moment loopt de EU-besluitvorming over een wettelijk bindend tussendoel voor 2040, en over de NDC voor 2035 die daarvan zal worden afgeleid. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het desbetreffende BNC-fiche.4
Heeft dit advies invloed op uw inzet voor de COP30 dit najaar? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het IGH heeft onder meer naar COP-besluiten gekeken om tot dit advies te komen. Dit bevestigt in de eerste plaats hoe belangrijk het is dat Nederland actief blijft in de multilaterale klimaatonderhandelingen tijdens deze en volgende COPs. De precieze inzet voor COP30 wordt op een later moment dit najaar vastgesteld. Het kabinet zal u daarover via de gebruikelijke wegen informeren.
Erkent u dat Nederland als laaggelegen delta zelf zeer kwetsbaar is voor klimaatverandering en aanzienlijke investeringen in adaptatie moet plegen? Ziet u kansen om landen die hun uitstoot onvoldoende terug te brengen aan te klagen na het advies van het IGH? Zo nee, waarom niet?
Gezien de lage ligging van Nederland is bescherming tegen overstromingen ook zonder klimaatverandering een voortdurende taak die blijvend vraagt om investeringen. Door klimaatverandering en met name zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren, zal de omvang van deze opgave en investeringen in de toekomst toenemen. Dit geldt ook voor het voorkomen van schade door extreme regenval, droogte of hitte.
Het advies van het IGH bevestigt dat staten die hun klimaatverplichtingen onvoldoende naleven daarvoor aansprakelijk gesteld kunnen worden onder het internationaal recht. Dit kan zowel op basis van klimaatverdragen, als op basis van het internationaal gewoonterecht, op grond waarvan staten verplicht zijn zich in te spannen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken en daarmee klimaatverandering tegen te gaan en grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen. Deze verplichtingen gelden dus voor alle staten, ongeacht of zij partij zijn bij klimaatverdragen. Schending van deze verplichtingen kan leiden tot een internationale onrechtmatige daad met een verplichting tot rechtsherstel, dat kan bestaan uit compensatie, restitutie of genoegdoening. Er zijn wel praktische beperkingen. Zo heeft het IGH bijvoorbeeld benadrukt dat staten alleen rechtsherstel kunnen claimen als er een «voldoende direct en zeker causaal verband» bestaat tussen de internationale onrechtmatige daad en de geleden schade. De wereldwijde en complexe aard van klimaatverandering maakt het lastig om dit causale verband tussen een specifieke schending van een internationale verplichting en elders geleden schade te bewijzen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Klimaat en Energie op 3 september?
Het advies van het IGH vergt een zorgvuldige juridische analyse, die momenteel plaatsvindt. Daar wil het kabinet voldoende tijd voor nemen. Dat is de reden dat deze Kamervragen niet al voor het Commissiedebat klimaat en energie van 3 september jl. (versneld) zijn beantwoord. Conform de toezegging van de Minister van KGG tijdens het genoemde Commissiedebat, zal het kabinet een reactie op het IGH-advies met de Kamer delen.
Economische belangen zwaarder laten wegen dan gezondheid |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Totaalverbod staalslakken door ministerie afgezwakt vanwege economische belangen»?1
Ja.
Klopt het dat u aanvankelijk een totaalverbod op het gebruik van staalslakken wilde invoeren, maar dat u daarvan bent afgestapt vanwege de economische belangen van Tata Steel en aanverwante bedrijven?
Nee. Voor de tijdelijke regeling heb ik verschillende alternatieven overwogen, een totaal verbod was daar één van. Alles afwegende heb ik uiteindelijk gekozen voor de voorliggende reikwijdte van de Tijdelijke regeling verbod en vergunningplicht toepassing LD- en ELO-staalslak. Dit is een zeer zorgvuldige afweging geweest op basis van de beschikbare feitelijke en wetenschappelijke kennis, juridische houdbaarheid, proportionaliteit en uitvoerbaarheid. In het kader van proportionaliteit zijn ook de mogelijke gevolgen voor Tata Steel in kaart gebracht, net als de mogelijke gevolgen voor andere belanghebbenden.
Kunt u aangeven welke partijen invloed hebben gehad op dit besluit of hebben aangedrongen om het voorgenomen totaalverbod op staalslakken af te zwakken?
De basis voor het instellen van de tijdelijke regeling zijn de meest recente inzichten vanuit wetenschappelijke studies van onder meer RIVM en WUR in combinatie met de laatste signaalrapportage van de ILT. Komende tijd doet het RIVM aanvullend onderzoek en worden er met de stakeholders (o.a. medeoverheden, bedrijfsleven) gesprekken gevoerd over vervolgstappen.
Hoe kunt u rechtvaardigen dat u de gezondheid van omwonenden, dieren en de natuur minder zwaar laat wegen dan de economische belangen van één vervuilend bedrijf?
De tijdelijk regeling is juist bedoeld om de gezondheid en het milieu te beschermen door te voorkomen dat er op nieuwe locaties grote hoeveelheden staalslakken worden toegepast of worden toegepast daar waar direct contact mogelijk is. In elk beleidsproces worden de verschillende belangen tegen elkaar afgewogen. Zo zijn in dit geval zowel de mogelijke gevolgen voor Tata Steel als de mogelijke gevolgen voor gezondheid, milieu en andere belanghebbenden in kaart gebracht en gewogen.2
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat volksgezondheid structureel ondergeschikt wordt gemaakt aan de lobby en winstbelangen van Tata Steel?
Ja, ik deel die mening en dit is dan ook niet het geval. De regeling is juist ingevoerd met het oog op de bescherming van volksgezondheid en milieu.
Hoe verklaart u dat u nota bene zelf erkent dat de maatregel is afgezwakt om de «negatieve effecten voor bedrijven minder groot te maken», terwijl er talloze rapporten liggen die wijzen op de ernstige gevaren van staalslakken voor mens en milieu?
Ik herken mij hier niet in. In elk beleidsproces worden de verschillende belangen goed in kaart gebracht en gewogen. Effecten op de uitvoering is daar één van. De reikwijdte van het verbod is zorgvuldig bepaald op basis van de beschikbare feitelijke en wetenschappelijke kennis, juridische houdbaarheid en uitvoerbaarheid.
Welke onderbouwing heeft u voor de afbakening van het gedeeltelijk verbod, bijvoorbeeld dat staalslakken in lagen minder dan een halve meter veilig zouden zijn? Hoe verhoudt dit zich tot de inzichten van experts als Annemarie van Wezel (Universiteit Utrecht) en Hans van der Sloot, die beiden aangeven dat enige wetenschappelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt?
De zinsnede dat staalslakken in lagen minder dan een halve meter veilig zouden zijn staat niet als zodanig in de tijdelijke regeling en de toelichting daarbij. In algehele zin gaat het wel om de mate van risico op basis waarvan onderscheid is gemaakt in enerzijds een totaalverbod, en anderzijds een vergunningplicht.
Toepassingen in grotere laagdiktes kunnen sneller tot risico’s leiden dan toepassingen in kleine laagdiktes. Dit is ook zo beschreven in het ECN-rapport dat benoemd is in de toelichting bij de tijdelijke regeling. Daarbij is dus niet gezegd dat toepassingen in kleinere laagdiktes per definitie veilig zijn, alleen dat die minder risicovol zijn dan andere toepassingen. Of die (specifieke) toepassingen verantwoord zijn is een van de punten waarop beoordeeld moet worden bij vergunningverlening.
Hoe rijmt u uw keuze met het voorzorgsbeginsel, dat in Europese verdragen is vastgelegd en vereist dat we juist vervuiling en gezondheidsrisico’s bij de bron voorkomen?
De invoering van deze tijdelijke regeling, met een reikwijdte die ondersteund wordt door wetenschappelijke inzichten is juist een invulling van dit voorzorgsbeginsel. Overigens is Nederland het eerste land in Europa dat een dergelijke maatregel neemt.
Hoe legt u aan inwoners van de IJmond, die al jarenlang kampen met gezondheidsklachten door Tata Steel, uit dat hun gezondheid minder zwaar weegt dan het vermijden van «regeldruk» voor bedrijven?
De regeling ziet op (het voorkomen van) mogelijke milieu- en gezondheidseffecten in de nabijheid van toepassingen met staalslakken in heel Nederland, en daarmee ook in de IJmond.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat een adviescollege als het ATR, dat alleen kijkt naar «regeldruk voor bedrijven», in de praktijk wordt gebruikt om maatregelen die burgers, natuur en milieu beschermen tegen te houden of af te zwakken?
Nee, ik vind het juist goed dat de overheid kijkt naar de regeldruk die nieuwe regelgeving met zich meebrengt. ATR adviseert, en dat advies wordt betrokken bij het uiteindelijke besluit. Dit advies wordt gewogen, naast alle andere signalen die betrokken worden. De basis voor de regeling zijn wetenschappelijke inzichten en signalen van toezichthouders.
Waarom zouden we überhaupt nog een adviescollege in stand houden dat wél economische lasten voor bedrijven zwaar meeweegt, maar níet de gezondheidsschade van burgers of het afsterven van natuur?
Zoals hiervoor geschetst, is het de taak van ATR om te adviseren over het goed in beeld brengen van de regeldruk van nieuwe en bestaande wetgeving voor burgers en bedrijven.
Bent u bereid het ATR af te schaffen, of op zijn minst de taakopdracht zo aan te passen dat gezondheid, milieu en dierenwelzijn zwaarder wegen dan de klachten van bedrijven over regeldruk?
Dit is niet aan de orde. Zoals ook in antwoord 10 en 11 wordt geschetst is dat de ATR adviseert over het goed in beeld brengen van de regeldruk van nieuwe en bestaande wetgeving voor burgers en bedrijven. Dit advies wordt gewogen door de bewindspersoon, naast alle andere signalen die betrokken worden en wordt betrokken bij de besluitvorming. Het is niet de taak van de ATR om daarin een weging mee te geven.
Kunt u garanderen dat bij toekomstige beleidsbeslissingen over staalslakken en andere giftige restproducten volksgezondheid en natuur áltijd leidend zullen zijn, en dat economische belangen nooit meer zwaarder mogen wegen?
Er is geen sprake van dat economische belangen zwaarder hebben gewogen bij de tijdelijk regeling. Zie ook het antwoord op vraag 2. Bij de totstandkoming van beleid worden altijd de diverse belangen gewogen. Toepassingen kunnen sowieso nooit plaatsvinden als dat niet past binnen de kaders die gelden met betrekking tot gezondheid en milieu.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en in elk geval voor het rondetafelgesprek over staalslakken op 25 september?
Ja.
De berichten dat op sommige plaatsen in Nederland de aanpak van (ondermijnende) criminaliteit doorgeslagen lijkt |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Follow the Money (FtM) over de aanpak van ondermijnende criminaliteit in Zaanstad-Oost en de eerdere vragen die ik al heb gesteld over deze aanpak?1, 2
Ja.
Wat vindt u van de zorgen die worden geuit door de inwoners dat ze niet meer naar de gemeente durven te gaan, ook voor triviale zaken zoals een rijbewijsverlenging?
Wederzijds vertrouwen tussen overheid en burger is belangrijk voor het functioneren van onze samenleving. Elke burger moet zich vrij en veilig voelen om een gemeentehuis in te stappen voor vragen en het regelen van gemeentelijke zaken.
Hoe kan het dat de huisbezoeken hier zo ingrijpend zijn en vaak ook gebeuren zonder enige vorm van informatie of bescherming voor de bewoner?
Binnentreden in een woning is voor de bewoners een ingrijpende gebeurtenis. Daarom kent de Algemene wet op het binnentreden waarborgen waaraan het bevoegd gezag en functionarissen die daadwerkelijk een woning betreden dienen te voldoen. Het is aan het bevoegde (bestuurs-)orgaan en degenen die het feitelijke binnentreden doen om bij het binnentreden te handelen binnen de kaders van de wet.
Bent u het ermee eens dat de casus die in het artikel wordt genoemd schrijnend is en dat gemeenteambtenaren niet zomaar zonder toestemming en informatieverstrekking en onder de noemer «adresonderzoek» iemands huis mogen betreden en doorzoeken?
Ook bij bestuurlijke maatregelen zijn waarborgen in het leven geroepen door de wetgever om de belangen van burgers te beschermen. Bevoegdheden moeten worden uitgeoefend binnen de wettelijke kaders en met toepassing van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De burger kan bezwaar maken tegen een besluit van de burgemeester. De rechter zal dan het voorliggende besluit beoordelen en beslissen of het betrokken bestuursorgaan binnen de wettelijke kaders heeft gehandeld. Over de inzet van bestuurlijke maatregelen dient de burgemeester desgevraagd verantwoording af te leggen aan de gemeenteraad.
Kunt u reageren op de zorgen geuit door universitair docent staats- en bestuursrecht Fatma Çapkurt dat het al mis gaat omdat ondermijning niet goed wordt afgebakend?
Opsporingsbevoegdheden kunnen enkel worden ingezet op basis van de ruimte die de wet hiervoor biedt. Dit is niet anders voor de inzet van het bestuurlijk instrumentarium voor het beschermen van de openbare orde en het voorkomen van misbruik van legale structuren.
Wanneer een signaal of melding van mogelijk strafbaar handelen wordt ontvangen door een bijvoorbeeld een gemeente of opsporingsdienst, dan wordt gekeken welke bevoegde (bestuurs-)organen of instanties relevante bevoegdheden en instrumenten kunnen inzetten om de gesignaleerde mogelijke overtredingen of misdrijven tegen te gaan. Dat kunnen strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke bevoegdheden betreffen. Welke keuze ook wordt gemaakt, bij de toepassing van die bevoegdheden gelden de daarbij van toepassing zijnde waarborgen die zijn bepaald door de wetgever.
Bent u het eens met de analyse van Çapkurt dat tegenover de harde aanpak van de gemeente voor betrokkenen de bescherming die het strafrecht normaal gesproken biedt ontbreekt?
Ook ingrijpen op basis van bestuurlijke regelgeving kan ingrijpend zijn. Daarom biedt ook het bestuursrecht belangrijke waarborgen ter bescherming van de belangen van betrokkenen.
Wat vindt u er in dit licht van dat de gemeente Zaanstad aangeeft trotse «pionier» te zijn en dat de weerstand uit de wijk laat zien dat het een «succes» is?
Bij de brede aanpak van ondermijning door georganiseerde criminaliteit hebben we iedereen nodig. De inzet vanuit het lokale bestuur is hierbij van groot belang. Het is aan het lokale bestuur om te bezien wat binnen de lokale context nodig is om de aanpak vorm te geven. Daarbij dienen alle betrokken overheden vanzelfsprekend te handelen binnen de kaders van de wet. Of en wanneer de aanpak succesvol is moet blijken uit de eigen monitoring en verantwoording tegenover de gemeenteraad. Wanneer het handelen van de betrokken overheden leidt tot een geschil met een burger dan kan deze zich wenden tot de rechter. Ook staat de weg richting de ombudsman vrij. Specifiek ten aanzien van schade die bij het binnentreden is ontstaan kan daarnaast een verzoek om schadevergoeding worden ingediend bij de instantie die binnentrad.
Wat is uw reactie op de aanpak van handhavers van de gemeente Breda die ook een harde «ondermijningsaanpak» hebben, waaronder het met een koevoet openbreken van 18 garageboxen?3
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u ervan dat ook hier de eigenaren van de garageboxen geen informatie krijgen, geen idee hebben op basis van welke signalen hun bezittingen worden vernield, dat de schade vooralsnog niet is hersteld en het onduidelijk is wie hiervoor opdraait?
Zie antwoord vraag 7.
Wat vindt u van de reactie van de gemeente Breda dat dit de normale werkwijze is en dat controles van garageboxen wel vaker plaatsvinden? Op basis van welke wetten en regels mag dit precies?
De grondslag voor eventueel binnentreden is vastgelegd in algemene en specifieke wetten als onderdeel van de handhaving van de in die wet gestelde normen. Welke bestuurlijke maatregelen gemeenten treffen wordt niet centraal bijgehouden. Wel dient elk binnentreden aan de wettelijke vereisten te voldoen.
Klopt het dat de gemeente Zaanstad ook garageboxen en bergingen openbreekt? In welke gemeenten wordt deze werkwijze nog meer toegepast?4
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de zorg dat een te repressieve aanpak van criminaliteit juist een averechts effect kan hebben en ontwrichtend kan werken voor bewoners in de wijk en slecht is voor het vertrouwen in de rechtsstaat?
Bij de aanpak van criminaliteit is het van belang dat repressie en preventie hand in hand gaan. Er is daarom altijd aandacht voor een goede balans tussen preventie en repressie. Zaanstad is een van de steden die van mij meerjarig middelen ontvangt om de preventieve aanpak stevig vorm te geven.
Klopt het dat eigenlijk geen taak is van de gemeente maar van de politie en het OM om strafbare feiten op te sporen? Ziet u ook dat een verschuiving dreigt, waardoor mensen niet beschikken over alle waarborgen en bescherming die toepassing van het strafrecht biedt?
Ik zie geen verschuiving in het wettelijk kader, aangezien een duidelijk onderscheid bestaat tussen delicten in het strafrecht en overtredingen in bestuursrechtelijke zin. Ik merk daarbij op dat het bestuursrecht eveneens waarborgen kent en bescherming biedt waar iedere burger zich op kan beroepen.
Is de werkwijze van deze gemeenten überhaupt in lijn met alle wetten en het recht? Zo niet, op welke punten niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan gemeenten, al dan niet in samenwerking met partners binnen een Regionaal Informatie en Expertisecentrum, om passende instrumenten in te zetten bij de aanpak van ondermijnende activiteiten. Bij adresbezoeken is informatieverschaffing een onderdeel dat hoort bij de inzet van dit instrument. Als handhavers of politie zich daar niet aan houden staat voor elke burger de weg richting de rechter open. Wanneer de inzet van een instrument leidt tot onrechtmatig toegebrachte schade ligt vergoeding daarvan in de rede. In voorkomende gevallen is het aan de rechter om daarover een uitspraak doen. Zie ook mijn antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze gemeenten aan te spreken op hun aanpak betreffende ondermijning en op zijn minst deze gemeenten te wijzen op het feit dat informatieverschaffing en schadevergoedingen bij vernielingen van iemands eigendom onderdeel zou moeten zijn van de aanpak? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 14.
De ‘politiehandleiding complotdenken’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Is de interne politiehandleiding «Herkennen, duiden, handelen: complottheorieën en anti-institutioneel gedachtegoed» die ongeveer een week geleden op internet is verschenen authentiek? Met andere woorden, bestaat deze politiehandleiding?1
Ja.
Voor wie is deze handleiding bestemd? Alleen voor de politie? Of gebruiken andere organisaties binnen het rijk deze handleiding wellicht ook? Wordt de handleiding ter beschikking gesteld aan alle politieagenten?
Dit document is een interne handreiking van de politie. De politie heeft mij laten weten dat deze ter beschikking is gesteld aan politiemedewerkers en nauwe relevante partners binnen het veiligheidsdomein. Dit document was niet bedoeld voor publicatie. Het is een document om politiemedewerkers te ondersteunen die in hun werk te maken kunnen krijgen met radicalisering en extremisme dat uit complottheorieën kan voortkomen. Hoe bepaalde uitingen geduid moeten worden zal altijd beoordeeld moeten worden aan de hand van alle concrete feiten en omstandigheden.
Overigens heeft de politie laten weten dat zij erkennen dat sommige onderdelen in de handreiking zonder de juiste context voor verwarring kunnen zorgen. Zij zullen de handreiking daarom op sommige punten aanpassen.
Bestaan er volgens u complotten? Staat onze hele geschiedenis eigenlijk niet bomvol van de complotten, van de opstand van de Batavieren en de moord op Caesar tot de Moord op het Groot Eiland?2 En kunnen veel van dit soort «complotten», denk bijvoorbeeld aan een bankoveral gepleegd door de georganiseerde misdaad, redelijkerwijs niet ook bestempeld worden als «kwaadaardig»?
Ik verwijs u hiervoor verder naar de jaarverslagen van de AIVD en de Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland van de NCTV.
In de politiehandleiding wordt (meermaals) gesproken over het geloof in een «kwaadaardige elite» dat kenmerkend zou zijn voor «complotdenkers»; kunnen we hieruit concluderen dat u (net zoals de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) trouwens) van mening bent dat het narratief over een «kwaadaardige elite» «feitelijk onjuist» is?3
Het geloof in een «kwaadaardige elite» is een onderkend element van het anti-institutioneel-extremistische narratief. Ik verwijs u hiervoor verder naar de jaarverslagen van de AIVD en de Dreigingsbeelden Terrorisme Nederland van de NCTV. Tevens verwijs ik naar de beantwoording van de Kamervragen met het kenmerk 2025Z15448.
Indien u dit narratief niet op voorhand «feitelijk onjuist» vindt, waarom wordt, in dat geval dus mogelijke terechte kritiek, op een «kwaadaardige elite» door de politie gecriminaliseerd als een vorm van «complotdenken»? En hoe kijkt u in dat geval aan tegen de constatering van de AIVD dat «een narratief over een «kwaadaardige elite» [...] een feitelijk onjuist wereldbeeld» is?
Zie antwoord vraag 4.
Indien u van mening bent dat de elite (in ons land) wél goedaardig is, mogen we dan wellicht aan het kabinet vragen sinds wanneer precies Nederland gezegend is met zo’n goedaardige elite? Welk jaar vormde het omslagpunt? Of is het kabinet wellicht van mening dat de elite die Nederland regeerde door de eeuwen heen per definitie altijd goedaardig moet zijn geweest? Maar hoe verhoudt zich dit dan bijvoorbeeld tot de excuses die onlangs door het kabinet zijn gemaakt voor de slavernij? Was de elite, die toen verantwoordelijk was voor de slavernij, «goedaardig» volgens het kabinet? Maar waarom dan excuses maken? Met andere woorden, sinds wanneer is de elite in ons land volgens het kabinet goedaardig geworden zoals de AIVD (en indirect ook de politie in dit document) expliciet beweert?
Zie antwoord vraag 4.
In de politiehandleiding wordt, als een thema van complotdenkers, ook het World Economic Forum genoemd, kunnen we daaruit opmaken dat het kabinet van mening is dat het World Economic Forum «goedaardig» is?
Zie het antwoord op vraag 2.
Indien dat niet het geval is, waarom wordt, in deze politiehandleiding, mogelijk dus terechte kritiek op het World Economic Forum, verdacht gemaakt als een vorm van «complotdenken»?
Zie het antwoord op vraag 2.
Indien dat wel het geval is, bent u wellicht bekend met de uitspraak van de (voormalige en recent in opspraak geraakte) oprichter en voorzitter van het World Economic Forum, Klaus Schwab, waarin hij, met trots stelt, dat de «Young Global Leaders» van het World Economic Forum wereldwijd «kabinetten hebben gepenetreerd»?4 Kunt u zich voorstellen dat er mensen zijn die een (globalistische) elite die zichzelf als doel stelt wereldwijd «kabinetten te penetreren», bijvoorbeeld vanuit democratisch oogpunt, als «kwaadaardig» bestempelen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt dergelijke kritiek in deze politiehandleiding gecriminaliseerd als een vorm van «complotdenken»? En wat vindt u van de recente onthulling dat de oprichter van het World Economic Forum, Klaus Schwab, opzettelijk data in het «Global Competitiveness Report» van het World Economic Forum liet vervalsen, met als gevolg dat het Verenigd Koninkrijk (VK) niet steeg van plek zeven naar plek vier, maar een plek op deze ranglijst daalde omdat, aldus Schwab, «Het VK niet mag verbeteren» aangezien «Dit kan worden gebruikt door voorstanders van de Brexit.»? Is dit iets wat een «goedaardige» organisatie en elite zou doen? Of is dit wellicht een voorbeeld van een kwaadaardig complot?5
Zie het antwoord op vraag 2.
Kunnen we uit deze politiehandleiding opmaken dat een oproep om moestuintjes aan te leggen een indicatie is voor «complotdenken»? Zo nee, waarom worden «moestuinen» expliciet genoemd in deze handleiding onder het kopje «complotdenken»? Zo ja, is het advies van oud-staatssecretaris Klijnsma in 2014 aan gepensioneerden om een moestuin te starten6 wellicht volgens deze politiehandleiding een indicatie dat oud-staatssecretaris Klijnsma mogelijk geneigd is tot «complotdenken»? En is het in dat geval volgens u verstandig, zoals de politiehandleiding immers vervolgens voorschrijft, om verdere «signalen van radicalisering» bij oud-staatssecretaris Klijnsma in de gaten te houden? Gaat de politie dat misschien ook doen?
Dat kunt u daaruit niet uit opmaken. Zie ook het antwoord op vraag 2.
De politie heeft laten weten dat in de richtlijn van deze handreiking staat vermeld dat het geen werkinstructie is, maar dat het voornamelijk gebruikt dient te worden als hulpmiddel om gesprekken te voeren.
Wat betekent «CTER-waardig»? Zijn signaleren van «radicalisering» volgens deze handleiding «CTER-waardig»? Is het correct dat bij signalen van «radicalisering», volgens deze politiehandleiding en een artikel hierover in de NRC,7 de persoon in kwestie in het kader van de vroegsignalering kan worden geregistreerd als een «potentiële terrorist»?
In het tweede halfjaarbericht politie van 7 december 20238, ben ik uitgebreid ingegaan op de procedure om te komen tot registratie van CTER-incidenten bij de politie. Ik verwijs u naar dit Kamerstuk.
Is het correct dat «Fixatie op overheidsinstanties (Belastingdienst, CJIB, (lokale) bestuurders, RIVM, Jeugdzorg, etc.)» volgens deze politiehandleiding een indicatie kan zijn van radicalisering? Zo nee, waarom staat deze hierboven geciteerde zin uit de politiehandleiding dan onder het kopje «Radicalisering»? Zo ja, betekent dit dat burgers met (felle) kritiek (en daarmee waarschijnlijk ook een «fixatie») op bijvoorbeeld de Belastingdienst, het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) of de Jeugdzorg, op basis van deze politiehandleiding, door de politie in het kader van de vroegsignalering kunnen worden geregistreerd als «potentiële terroristen»?
Zie het antwoord op vraag 2, 10 en 11.
Staan er wellicht ook Kamerleden bij de politie geregistreerd als «CTER-waardig» en/of als «potentiële terrorist»?
Ik heb geen beschikking over deze gegevens en kan hier derhalve geen uitspraken over doen.
Kunt u één, slechts één voorbeeld, geven van een «anti-institutioneel extremist» die is veroordeeld door een rechter voor een of andere vorm van fysiek geweld? Zo ja, kan de Kamer het vonnis van de rechter in deze zaak toegestuurd krijgen? Zo nee, hoe verhoudt zich dit dan tot deze politiehandleiding waarin een grote groep burgers wordt gecriminaliseerd als potentieel «anti-institutioneel extremist»?
Het Openbaar Ministerie heeft mij laten weten dat er geen specifieke registratie plaatsvindt of er in zaken sprake is van anti-institutioneel extremisme.
Is (inmiddels) wellicht duidelijk (geworden) voor u hoe problematisch deze politiehandleiding is waarin kritische, zelfdenkende en zelfstandige burgers, door de politie, door de staat dus, vanwege hun denkbeelden, gedachten en gezichtspunten, worden gecriminaliseerd als «complotdenkers» en «potentiële terroristen»? Zo ja, wat gaat u met dit inzicht doen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Belastingheffing op pensioenen opgebouwd in Duitsland |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Belastingdrama treft 60.000 Nederlanders: kwaad bloed door dubbele heffing en uitblijvende rechtspraak» van De Stentor van 18 augustus 2025?1
Ja.
Klopt het dat Nederlanders die in het verleden in Duitsland hebben gewerkt en daar een klein pensioen hebben opgebouwd, sinds 2016 in Nederland belasting moeten betalen over de bijbehorende pensioenuitkeringen?
Dat klopt, in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland dat sinds 2016 in werking is, is opgenomen dat als een inwoner van Nederland of Duitsland pensioen- of lijfrente-uitkeringen of socialezekerheidspensioenen uit het andere land ontvangt die in een kalenderjaar bij elkaar € 15.000 of minder bedragen, het woonland deze uitkeringen mag belasten. Op verzoek van Nederland gold een algemene overgangsregeling gedurende een tijdvak van één jaar die mede diende om de inkomensgevolgen van deze nieuwe heffingsrechtverdeling te beperken. Belastingplichtigen met de genoemde uitkeringen konden op basis van die overgangsregeling voor het belastingjaar 2016 ervoor kiezen om het oude belastingverdrag toe te passen zodat voor hen de nieuwe verdeling van heffingsrechten pas vanaf 2017 toepassing vindt.
Klopt het dat deze groep in Duitsland, in ieder geval voor het opgebouwde pensioen van vóór 2005, netto premies heeft betaald en er daardoor in deze gevallen sprake is van dubbele belastingheffing, namelijk over zowel de premies als over de uitkeringen?
Dat kan het geval zijn. Als het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland wordt toegewezen, betrekt Nederland dit Duitse inkomen in de belastingheffing ook als in Duitsland netto premies zijn betaald. In de praktijk is onduidelijkheid ontstaan over de wijze waarop dit Duitse inkomen in Nederland in de heffing mag worden betrokken. Bij de rechter ligt namelijk de vraag voor of inkomstenbelasting (box 1) kan worden geheven over het deel van het Duitse socialezekerheidspensioen (Duitse Rente) waarvoor in Duitsland geen recht op aftrek bestond. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen. Zie hierover nader het antwoord op de vragen 8 en 9.
Om hoeveel mensen gaat dit naar schatting en hoeveel belastinginkomsten heeft de Nederlandse staat hiermee sinds 2016 gerealiseerd?
Voor het jaar 2020 ging het om ongeveer 57.500 mensen met een pensioenuitkering uit Duitsland tot € 15.000 die in Nederland belasting moeten betalen over de pensioenuitkering.2 Gemiddeld ging het in die gevallen om een bedrag van € 2.862 aan Duitse Rente. Het gemiddelde overige inkomen bedroeg € 20.778. Er is toen berekend dat bij dit gemiddelde bedrag de belastingopbrengst per geval voor Nederland onder het nieuwe verdrag € 271 meer bedroeg dan onder het oude verdrag zou zijn geweest. Op basis hiervan bedroegen de extra belastinginkomsten bij deze groep circa € 16 miljoen per jaar. Deze berekening is gemaakt op basis van de beschikbare informatie en uitgangspunten zoals beschikbaar bij het schriftelijke overleg in 2022. Er is geen reden te veronderstellen dat de situatie wezenlijk veranderd is sinds destijds. Bij deze budgettaire inschatting dient overigens rekening gehouden te worden met het feit dat Nederland naast deze opbrengst ook een derving heeft door het verlies van heffingsrecht over de kleine pensioenen die vanuit Nederland betaald worden aan inwoners van Duitsland.
Waarom is in het verdrag gekozen voor een grens van 15.000 euro per jaar? Kunt u een voorbeeldberekening maken van een in Nederland wonende gepensioneerden met een pensioen van 36.000 euro, waarvan een Duitse pensioen van 14.999 euro, respectievelijk 15.001 euro per jaar?
Wat de hoogte van het bedrag betreft (€ 15.000) kan worden opgemerkt dat deze grens het resultaat van een bilaterale onderhandeling is geweest. De rechtvaardiging voor deze € 15.000-grens in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is gelegen in het streven administratieve lasten te beperken. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat inwoners van Nederland met «kleine» pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidspensioenen in Duitsland aangifte moeten doen. Ook in de Tweede Kamer is eerder aandacht gevraagd voor de problemen die belastingheffing in Duitsland in dergelijke gevallen meebrengt.3 Dergelijke administratieve lasten zijn voor inwoners van Nederland met een Duits pensioen (bijvoorbeeld een Rente) van € 15.000 of minder onder het huidige belastingverdrag niet meer aan de orde.
U vraagt om een voorbeeldberekening. Daarbij neem ik het volgende in acht. De belastingdruk tussen Nederland en Duitsland kan uiteraard verschillen. Nederland en Duitsland hebben immers separate belastingstelsels met eigen grondslagen en tarieven. De precieze omvang van het verschil in belastingdruk voor een pensioen net onder of op de grens (woonstaatheffing) en een pensioen net boven de grens (bronstaatheffing) is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, zoals de hoogte van het overige inkomen dat in een land belast kan worden op grond van het belastingverdrag. In Duitsland is verder voor pensioenen bijvoorbeeld het moment van pensionering relevant. Afhankelijk van het jaar waarin voor het eerst recht bestaat op deze pensioenen geldt een vrijstelling voor een deel van de grondslag.4 In Nederland is de belastingdruk afhankelijk van de hoogte van eventueel ander inkomen dat de belastingplichtige geniet en dient het progressie-effect in de vergelijking te worden meegenomen. In de situatie dat er in het betreffende kalenderjaar geen inkomen is naast een Duits pensioen van € 15.000 of minder zal er in Nederland in beginsel geen belasting verschuldigd zijn. Dit komt door de werking van de heffingskortingen (de algemene heffingskorting, maar ook de ouderenkorting en mogelijk de alleenstaande ouderenkorting). Afhankelijk van het overige inkomen loopt het belastingtarief (tarieven 2025) op van 8,17%, naar 37,48% tot een tarief van 49,5% bij een overig inkomen van € 76.817 of meer.5
Het voorgaande in acht nemend is de gevraagde voorbeeldberekening gemaakt; zie daarvoor de onderstaande tabel. Hierbij is uitgegaan van een alleenstaande die in 2020 met pensioen is gegaan waardoor in Duitsland een vrijstelling geldt van 20% van de pensioengrondslag. Een pensioen van € 15.001 geeft daardoor een belastbaar inkomen dat lager ligt dan het Grundfreibetrag van € 12.096 waardoor de inkomstenbelasting in Duitsland uitkomt op nihil. Er is uitgegaan van verzekeringsplicht in Nederland waardoor er geen verschil is in verschuldigde premies volksverzekeringen en zorgverzekering. De bedragen betreffen uitsluitend de inkomstenbelasting.
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
Inkomen uit Nederland
21.001
20.999
Pensioen uit Duitsland
14.999
15.001
Totale inkomen
36.000
36.000
Inkomstenbelasting Nederland
1.181
689
Inkomstenbelasting Duitsland
0
0
Totale inkomstenbelasting
1.181
689
Waarom worden juist kleine pensioenen in Nederland belast, terwijl grotere Duitse pensioenen onder het gunstigere Duitse regime vallen?
Zoals is aangegeven bij de beantwoording van vraag 5, zijn de verdragsluitende partijen overeengekomen het heffingsrecht over kleine pensioenen toe te wijzen aan de woonstaat om administratieve lasten te beperken. In dat kader is aan «kleine pensioenen» dus invulling gegeven aan de hand van een grens van € 15.000 per kalenderjaar. Voor pensioenen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar zijn Nederland en Duitsland een bronstaatheffing overeengekomen. Dit sluit aan bij de Nederlandse onderhandelingsinzet bij bilaterale belastingverdragen, zoals vastgelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020.6 Dit brengt eveneens met zich mee dat Duitse pensioenen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar in Duitsland in de heffing worden betrokken. De uiteindelijke belastingdruk in Duitsland is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden; derhalve kan niet worden aangenomen dat het Duitse regime per definitie in alle gevallen voordeliger is.
Hoe verhoudt deze constructie zich tot het uitgangspunt dat belastingverdragen dubbele belasting moeten voorkomen en het beginsel «gelijke fiscale en sociale behandeling in de woonstaat»?
De bepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland voorkomt op adequate wijze dubbele belastingheffing en voorkomt eveneens dat inwoners die de genoemde uitkeringen tot en met € 15.000 (per kalenderjaar) uit het andere land ontvangen, in dat andere land aangifte moeten doen. Deze afspraak zorgt voor kleine pensioenen voor gelijke fiscale behandeling in de woonstaat: de belastingdruk op pensioenuitkeringen voor inwoners van Nederland die een Duits pensioen van € 15.000 of minder ontvangen is namelijk hetzelfde als de belastingdruk voor inwoners van Nederland die onder gelijke omstandigheden een gelijk bedrag aan Nederlands pensioen ontvangen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden uit 2022, waarin deze belastingheffing als onrechtmatig en onrechtvaardig werd aangemerkt?
In de uitspraak waarnaar wordt verwezen is de Duitse Rente bij de aanslagregeling volledig in de Nederlandse heffing van inkomstenbelasting betrokken (box 1). De inspecteur betoogt primair voor het Gerechtshof dat deze uitkering kwalificeert als loon uit vroegere dienstbetrekking, dan wel als een periodieke uitkering. Indien één van deze kwalificaties juist is, is niet van belang of er in Duitsland in het verleden sprake is geweest van premieaftrek.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter dat de Duitse Rente kwalificeert als een uitkering van een pensioenregeling van een andere mogendheid, in welk geval relevant wordt of de betaalde premies in Duitsland (deels) niet aftrekbaar zijn geweest.7 Hiermee heeft het Gerechtshof overigens een juridische uitspraak gedaan over hoe in zijn ogen de wet moet worden toegepast.
De inspecteur heeft een cassatievoorstel ingediend bij FJZ/Cassatie.8 De stelling dat de Belastingdienst de uitspraak van het Gerechtshof wilde volgen is dus niet juist. Mijn ambtsvoorganger heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld.9
Waarom koos uw ambtsvoorganger ervoor om in cassatie te gaan, terwijl de Belastingdienst zelf de uitspraak van het Hof wilde volgen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u het advies van advocaat-generaal Melvin Pauwels aan de Hoge Raad in 2023 om het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren?
Er is sprake van een lopende cassatieprocedure. Ik wacht derhalve het oordeel van de Hoge Raad af.
Bent u bereid om, vooruitlopend op het arrest van de Hoge Raad, maatregelen te treffen om deze groep gepensioneerden tegemoet te komen en verdere financiële schade te voorkomen?
Zoals ook in eerdere brieven aan de Tweede Kamer is aangegeven10, wordt geen invulling gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof zolang de Hoge Raad geen arrest heeft gewezen. Indien de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt, zal de Belastingdienst invulling geven aan het arrest voor die belastingaanslagen die op de datum waarop het arrest is gewezen nog niet onherroepelijk vaststaan.
Hoe beoordeelt u het oordeel van het Europees Hof van Justitie uit 2023 dat Nederland in strijd met EU-recht handelde door belasting te heffen bij de overdracht van pensioenkapitaal van migrerende werknemers?
Bij brief van 22 december 2023 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de inhoud, impact en gevolgen van dit arrest.11 Door middel van een wijzigingswet (Overige fiscale maatregelen 2025) zijn de Invorderingswet 1990, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling met terugwerkende kracht tot en met 16 november 2023 aangepast om de wetgeving in lijn te brengen met het EU-recht.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
De uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat Nederland verplicht is kinderen te horen in de asielprocedures |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt aangegeven dat de Nederlandse Staat de kinderen tussen de 12 en 15 jaar in de gelegenheid hoort te stellen om gehoord te worden in hun proces volgens de Dublinverordening in de asielprocedure?1
Ja. Tot nog toe werden begeleide minderjarige vreemdelingen tussen de twaalf en vijftien jaar zonder zelfstandig asielmotief in principe niet zelfstandig en rechtstreeks gehoord, in het kader van door hun ouders mede voor hen ingediende asielaanvragen. Het gehoor vond dus plaats met hun ouders of wettelijke vertegenwoordiger mede voor hen, tenzij de begeleide minderjarige of zijn ouder of wettelijke vertegenwoordiger verzochten om de minderjarige rechtstreeks te horen of als daar volgens de IND goede redenen voor waren. Naar het oordeel van de Afdeling is binnen die werkwijze van de IND onvoldoende gewaarborgd dat begeleide minderjarige vreemdelingen zonder zelfstandig asielmotief op de hoogte zijn van de mogelijkheid om te verzoeken om rechtstreeks te worden gehoord.
Deelt u de mening dat het van groot belang is om kinderen tussen de 12 en 15 jaar in de gelegenheid te stellen hun mening vrijelijk te uiten?
Ja, op grond van artikel 24, eerste lid, van het EU Handvest, gelezen in samenhang met artikel 12, eerste lid, van het Kinderrechtenverdrag, hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
Bent u bekend met het geconstateerde probleem van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat in het beleid weliswaar staat dat kinderen de rechter hierom kunnen vragen, maar zij vaak helemaal niet op de hoogte zijn van deze mogelijkheid?
Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat begeleide minderjarigen de ruimte moet worden geboden om zich vrijelijk te uiten omdat dit volgt uit het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU. Dat kan in persoon maar de uitspraak biedt ook de ruimte om dat bijvoorbeeld schriftelijk te laten plaatsvinden. De uitspraak van de Afdeling geeft aanleiding om de bestaande werkwijze aan te passen om recht te doen aan het hiervoor genoemde, en meer specifiek op het gebied van de informatieverplichting.
Klopt het dat het verzoek van het kind om gehoord te worden in principe altijd moet worden ingewilligd en dat u hiervan mag afwijken, maar alleen in bijzondere gevallen en alleen als de belangen van het kind het rechtvaardigen dat het niet zelf wordt gehoord?
Ja, dat klopt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 20 augustus 2025 drie uitspraken gedaan waarin geoordeeld is dat minderjarige begeleide kinderen tussen de 12 en 15 jaar die zelf geen asielmotieven hebben in de gelegenheid moeten worden gesteld om gehoord te worden. Dit hoeft geen fysiek gehoor te zijn maar kan ook schriftelijk. Als een begeleide minderjarige verzoekt om te worden gehoord, maar de IND daarvan afziet, zal dit individueel en concreet gemotiveerd moeten worden. Enkel als de belangen van het kind dat rechtvaardigen, mag worden afgezien van het verzoek van het kind om gehoord te worden.
Hoe vaak is het tot nu toe gebeurd dat dergelijke verzoeken werden afgewezen?
Specifieke cijfers kunnen niet systematisch bijgehouden worden. Als een begeleide minderjarige vreemdeling zonder zelfstandig asielmotief of zijn ouder of wettelijke vertegenwoordiger verzoekt om de begeleide minderjarige rechtstreeks te horen, wordt daar in de regel aan tegemoet gekomen.
Waarom worden kinderen onder de 12 jaar nooit gehoord en waarom is er niet voor gekozen om dit in ieder geval wel te motiveren?
In de huidige praktijk wordt het horen van begeleide kinderen onder de 12 jaar die geen zelfstandig asielmotief hebben, onnodig belastend geacht. De Afdeling heeft in een van de uitspraken2 van 20 augustus jl. geoordeeld dat geen beleid is vastgesteld wat betreft het horen van begeleide kinderen onder de twaalf jaar. Op dit punt zal zodoende (nieuw) beleid uitgewerkt worden.
Bent u bereid het beleid spoedig aan te passen zodat kinderen tussen de 12 en 15 jaar standaard op de hoogte worden gesteld over de mogelijkheid om te kunnen inspreken en dus gehoord te worden, waarbij aan kinderen (op een voor hun begrijpelijke manier) wordt uitgelegd waarom apart voor hen belangrijk kan zijn? Zo nee, waarom niet? Gaat u dit ook doen in de nog lopende procedures met kinderen?
Om tegemoet te komen aan de uitspraak van de Afdeling wordt de werkwijze aangepast met het doel om meegereisde kinderen tussen 12 en 15 jaar te wijzen op de gelegenheid om zelf hun mening te uiten.
Bent u bereid op zijn minst om een gemotiveerde verklaring te schrijven voor de kinderen onder de 12 jaar die nu standaard hun verzoek om gehoord te worden afgewezen zien worden? Gaat u dit ook doen in de nog lopende procedures met kinderen?
Vooralsnog kan ik daar niet nader op ingaan, omdat zoals toegelicht in antwoord op vraag 6 (nieuw) beleid wordt uitgewerkt.
Problemen bij zorgaanbieders vanwege de onduidelijkheid rondom SKJ-registraties |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van zorgaanbieders en EVC-bureaus die te goeder trouw zijn, maar in de problemen komen vanwege de onduidelijke situatie die is ontstaan na frauduleuze praktijken van anderen? Zo ja, heeft u een beeld hoeveel zorgaanbieders en bureaus in de problemen zijn gekomen?
Werken met kwetsbare kinderen en gezinnen vraagt om vaardigheden van professionals in de jeugdzorg die o.a. met een registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd worden vastgelegd en aangetoond. Het is voor de kwaliteit en veiligheid van de hulp aan kwetsbare jeugdigen en hun gezinnen van belang dat registraties in het Kwaliteitsregister daadwerkelijk kloppen. Het is voor alle professionals, jeugdhulpaanbieders en het vertrouwen in de jeugdhulp van belang om stevig op te treden als registraties op frauduleuze wijze zijn verkregen.
Uiteraard zijn er EVC-aanbieders die te goeder trouw en correct handelen. Echter, uit het fraudeonderzoek dat nu wordt uitgevoerd blijken bij het merendeel van de erkende EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Dat signaal is voor mij voldoende om het volledige onderzoek van SKJ af te wachten alvorens conclusies te trekken. SKJ verwacht eind oktober alle opgeschorte registratieaanvragen die voor medio juni 2025 zijn ingediend te hebben beoordeeld.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat er wachtlijsten zijn en kinderen niet opgevangen kunnen worden, terwijl tegelijkertijd sommige zorgaanbieders nu noodgedwongen beschikbare opvangplekken leeg moeten laten? Bent u er van op de hoogte dat ook spoedplaatsingen soms niet doorgaan, waardoor kinderen noodgedwongen buiten de regio of in instellingen geplaatst worden, terwijl er wel kleinschalige plekken beschikbaar zijn?
Ik deel de wens en de verwachting dat kinderen zo kort mogelijk op een eventuele wachtlijst zouden moeten staan, zeker als het gaat om opvangplekken. Op dit moment is niet vast te stellen of beschikbare opvangplekken leeg moeten worden gelaten doordat SKJ meer tijd nodig heeft om nieuwe registraties op basis van EVC nauwkeurig te onderzoeken op rechtmatigheid, of dat leegstand door iets anders wordt veroorzaakt.
Gezien de stevige en veelvuldige signalen van fraude met EVC-certificaten verkies ik een onderzoek naar EVC-fraude in het register boven het sneller toelaten van nieuwe registraties op basis van bewijs waarvan de betrouwbaarheid nog niet is vastgesteld. Ik vind het van groot belang dat de kwaliteit en veiligheid van kinderen en hun gezinnen zo goed als mogelijk kan worden gewaarborgd. Het is niet uitlegbaar om kinderen te plaatsen in een organisatie waarvan niet kan worden uitgesloten dat er professionals werken met een niet-rechtmatig verkregen SKJ-registratie.
Heeft u in beeld hoeveel kinderen momenteel niet, of op een voor hen minder of niet geschikte plek worden opgevangen door de ontstane situatie?
Dat is mij niet bekend. Deze data worden niet bijgehouden.
Hoeveel aanvragen van EVC-ervaringscertificaten blijven liggen voor een registratie door Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ-registratie)? Op welke termijn gaan deze behandeld worden? Kunt u iets doen om dit te bespoedigen? Is het bijvoorbeeld mogelijk om meer capaciteit in te zetten zodat naast het opvragen en het beoordelen van lopende dossiers ook de nieuwe aanvragen worden opgepakt?
In juni van dit jaar heeft SKJ de EVC-dossiers opgevraagd van professionals wier registratie in het register was opgeschort. Het gaat om 512 dossiers. Deze dossiers worden onderzocht op rechtmatigheid om te voorkomen dat ongekwalificeerde professionals tot het Kwaliteitsregister toetreden. Inmiddels zijn 56 professionals uit deze groep van 512 tot het register toegelaten. SKJ verwacht eind oktober alle opgeschorte registratieaanvragen die voor medio juni zijn ingediend te hebben beoordeeld. Bij nieuwe registratieaanvragen op basis van EVC die binnenkomen, worden de dossiers ook opgevraagd en vervolgens beoordeeld. SKJ zet tijdelijk extra medewerkers in om dit onderzoek te versnellen. Ik heb samen met de Staatssecretaris van JenV hiervoor aanvullende financiële middelen aan SKJ verstrekt. Mocht een professional vragen hebben over de registratieaanvraag kan contact met SKJ worden opgenomen.
Bent u in gesprek met Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) die deze werkzaamheden uitvoert? Zo ja, welke afspraken heeft u gemaakt? Bent u bereid om zo snel mogelijk duidelijkheid te geven aan deze bureaus en zorgaanbieders?
Ik ben in goed overleg met SKJ. SKJ is een onafhankelijke stichting die een belangrijke kwaliteitstaak binnen het jeugddomein uitvoert. De afgelopen maanden heeft SKJ de werkgevers, geregistreerde professionals, EVC-aanbieders en kandidaat-geregistreerde professionals geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek. De stappen die SKJ neemt zijn besproken met sociale partners en de Raad van Advies van SKJ. In deze raad zitten (vertegenwoordigers van) werkgevers, werknemers en cliënten. Hier is met instemming door de betrokkenen op gereageerd. SKJ heeft inmiddels, mede op mijn verzoek, extra informatie op de website gepubliceerd over het proces en de planning van het onderzoek. Aanvullend hierop organiseert SKJ eind oktober een webinar.
Deelt u de mening dat het de sector schade toebrengt dat in de beeldvorming alle EVC-bureaus nu verdacht zijn omdat een enkeling fraudeert? Zo ja, wilt u dit benadrukken in uw communicatie?
Helaas kan ik het beeld dat «een enkeling fraudeert» niet bevestigen op basis van de signalen uit het fraudeonderzoek. Fraude met EVC-ervaringscertificaten van EVC-aanbieders zijn ernstig en doen juist afbreuk aan de kwaliteit en de veiligheid van de jeugdhulp én het vertrouwen daarin.
Wat is de stand van zaken als het gaat om het onderzoek waar in de Kamermotie 28 828, nr. 159 naar wordt gevraagd?
Deze motie (Bruyning-Tielen) verzoekt de regering om grondig onderzoek te (laten) doen naar de oorzaken, aard en omvang van de fraude met valse ervaringscertificaten binnen het SKJ-register, om in samenwerking met relevante instanties maatregelen te treffen die de integriteit van het SKJ-register versterken en hierover de Kamer nog dit kalenderjaar te informeren over de bevindingen van het onderzoek en de getroffen maatregelen.
Met SKJ is afgesproken dat alle dossiers van professionals met een EVC-registratie worden onderzocht op rechtmatigheid. Samen met de Staatssecretaris van JenV heb ik aanvullende financiële middelen aan SKJ verstrekt.
Er staan 3200 professionals op basis van EVC in het register. Dat is ongeveer 5% van het totaal aantal geregistreerde professionals. In de steekproef zijn er 274 onderzocht. Daarvan zijn 49 professionals voorwaardelijk uitgeschreven vanwege onregelmatigheden in hun dossiers. Van alle professionals op basis van EVC in het register zijn er in de afgelopen drie tot vier jaar 2350 geregistreerd. Gezien de opvallende toename van EVC-bureaus vanaf 2021 en de uitkomsten van de steekproef, is ervoor gekozen deze dossiers als eerste te onderzoeken. Dit zou eind januari 2026 grotendeels afgerond moeten kunnen zijn.
SKJ heeft – naast dit onderzoek – de procedure rondom registratie op basis van EVC verscherpt om misbruik tegen te gaan. Sinds 1 maart 2025 dient een kandidaat eerst een scholingsadvies bij SKJ aan te vragen. SKJ gaat vervolgens na of de kandidaat kan aantonen een praktijkprogramma te hebben of te gaan doorlopen en al minimaal één jaar op hbo-niveau werkzaam is als jeugdprofessional.
Waar kunnen zorgaanbieders, zoals gezinshuis-ouders naartoe als zij vragen hebben of (financieel) gedupeerd zijn door de maatregel?
Bij vragen kan men contact opnemen met SKJ via het contactformulier of het telefoonnummer op hun website (www.skjeugd.nl).
Welke oplossingen ziet u totdat dit is opgelost? Is het bijvoorbeeld mogelijk om in tussentijd een tijdelijke bevoegdheid af te geven aan professionals die via een EVC-procedure hebben bewezen aan de geschikte kwalificatie-eisen te voldoen, zodat zij door kunnen met hun werk?
In het onderzoek van SKJ wordt vastgesteld of het doorlopen EVC-traject ook werkelijk een bewijs van kwaliteit en vakmanschap is. Het creëren, beoordelen en vervolgens afgeven van een tijdelijke bevoegdheid bij een aanvraag kan alleen als na onderzoek is vastgesteld dat het doorlopen EVC-traject ook werkelijk een bewijs van kwaliteit en vakmanschap is. Als dat niet onderzocht wordt gaan professionals aan het werk met een tijdelijke SKJ-registratie waarvan de kwaliteit niet is vastgesteld. Dit kost meer tijd en heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van het al lopende onderzoek.
Daarnaast geldt nog steeds de norm van verantwoorde hulp op basis van de verantwoordelijkheidstoedeling. Een niet-geregistreerde professional mag onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional taken uitvoeren zolang de werkgever aannemelijk kan maken dat de kwaliteit van de uitvoering van die taken er niet nadelig door wordt beïnvloed (art. 5.1.1 van het Besluit Jeugdwet). In sommige gevallen kan dit betekenen dat een SKJ-registratie voor professionals niet noodzakelijk is om door te kunnen met hun werk. De jeugdhulpaanbieder moet ervoor zorgen dat deze professionals hun werk kunnen doen conform de geldende professionele standaarden.
Het bericht dat ambtenaren regels omzeilden om PFAS-grond van Schiphol weg te werken |
|
Habtamu de Hoop (PvdA), Geert Gabriëls (GL) |
|
Tieman , Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ambtenaren «omzeilden» de regels om pfas-grond van Schiphol weg te werken»1?
Ja.
Klopt het dat miljoenen kilo’s zwaar vervuilde PFAS-grond van Schiphol is gebruikt bij de Aalsmeerderbrug?
Dit klopt niet.
De gemeente Haarlemmermeer was destijds het bevoegd gezag voor bodemtaken vanuit het Besluit bodemkwaliteit in de gemeente en de provincie vanuit de Wet bodembescherming2. De hieruit volgende taken, waaronder het toezicht, worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG). Om die reden verwijs ik voor verdere inhoudelijke vragen over de gang van zaken graag naar het bevoegde gezag. In overleg met de ODNZKG beantwoord ik deze vragen zo goed mogelijk.
Uit de gegevens die aan mij zijn verstrekt door ODNZKG volgt dat de opgeslagen en toegepaste grond valt onder de categorie licht verontreinigde grond en voldoet aan het op dat moment geldende beleid in het betreffende gebied3, zie de tabel hieronder. Tevens zou de grond die hier is toegepast ook vallen binnen de toepassingswaarden van de huidige landelijke richtlijn, het Handelingskader PFAS.4
Depot
Gemeten gehalte PFOS (in µg/kg droge stof (ds))
Toepassingsnorm
Gekeurd
1
0,4
Achtergrondwaarde / Altijd toepasbaar
januari 2019
2a
0,63
Achtergrondwaarde / Altijd toepasbaar
januari 2019
2b
0,1
Achtergrondwaarde / Altijd toepasbaar
januari 2019
3
1,55
Klasse Wonen/Industrie
januari 2019
4
< 0,1
Niet verontreinigd
januari 2019
5
0,45
Achtergrondwaarde / Altijd toepasbaar
januari 2019
6
2,05
Klasse Wonen/Industrie
maart 2021
7
0,27
Achtergrondwaarde / Altijd toepasbaar
februari 2017
8
0,255
Achtergrondwaarde / Altijd toepasbaar
maart 2021
Toelichting: Meetgegevens verzameld door ODNZKG voor de partijen grond
De grond is, naar wat ik heb vernomen, verplaatst naar een terrein aan de Aalsmeerderweg in Rozenburg ten bate van de aanleg van een Hoogwaardige Openbaar Vervoerverbinding naar Schiphol en niet naar Aalsmeerderbrug, al liggen beide plaatsen in de gemeente Haarlemmermeer.
Klopt het dat de grond daar is toegepast door dit in eerste instantie als tijdelijk voor zes maanden toe te staan en later tijdelijk voor drie jaar, terwijl het van meet af aan de bedoeling was om de grond daar permanent toe te passen?
Ja, dat klopt. Uit informatie van ODNZKG blijkt dat het van meet af aan de bedoeling was om de grond permanent toe te passen. Volgens het toen geldende Besluit bodemkwaliteit (artikel 42, lid 4) mocht de grond vooruitlopend op de definitieve toepassing tijdelijk worden opgeslagen voor een periode van 3 jaar, mits binnen 6 maanden na opslag de definitieve bestemming wordt gemeld.
ODNZKG geeft aan dat de grond aanvankelijk is opgeslagen op basis van de indicatieve kwaliteit en later is onderzocht via een gerichte partijkeuring. Toen de termijn van zes maanden afliep, is een zogenoemd gedoogverzoek voor tijdelijke opslag ingediend. Dit bleek uiteindelijk niet nodig, omdat de opgeslagen partijen grond voldeden aan de voorwaarden voor definitieve toepassing. Dat houdt in dat er bij toepassing geen verslechtering van de bodem optreedt.
Tijdens de opslagperiode werden namelijk de lokaal afgeleide toepassingswaarden aangepast, in samenhang met het inwerking treden van het tijdelijk handelingskader PFAS in 2019.5 Destijds was er nog weinig bekend over PFAS en waren de advieswaarden voor toepassen nog in ontwikkeling. Met de nieuwe toepassingswaarden voldeden de partijen aan de eisen, waardoor tijdelijke opslag niet langer nodig was. Na afronding van alle definitieve partijkeuringen kon de grond daarom definitief worden toegepast conform het Besluit bodemkwaliteit.
Klopt het dat de concentratie PFAS in deze grond de normen met een factor 1500 overschrijdt?
Zie het antwoord op vraag 2 voor de gemeten concentraties PFOS. Uit de informatie blijkt dat de gemeten concentraties voldeden aan de regelgeving van de gemeente Haarlemmermeer in zowel 2017 als 2023 en dat ze ook vallen binnen de landelijk geldende advieswaarden uit het Handelingskader PFAS.
Komt het vaker voor dat vervuilde grond «tijdelijk» wordt verplaatst, maar in de praktijk wordt toegepast voor een permanent project? Kunt u hier voorbeelden van geven?
Het komt regelmatig voor dat grond wordt opgeslagen in afwachting van toepassing, of om nader onderzoek uit te voeren naar de kwaliteit. In een aantal gevallen gebeurt dat ook op of nabij de plaats van definitief toepassen van de grond.
Wat zijn de bestuurlijke en strafrechtelijke gevolgen van het op deze manier storten van vervuilde grond? Gaat u hier actie op ondernemen?
Uit de antwoorden op vraag 2 blijkt dat er geen sprake was van zwaar vervuilde grond, maar van toepasbare grond. Er was hier geen sprake van storting. Storten en toepassen van grond zijn in de wet afzonderlijke begrippen waarvoor verschillende criteria gelden. Voor een verder antwoord op deze vraag verwijs ik naar het toenmalige bevoegd gezag.
Klopt het dat een ambtenaar ernstig en minder ernstig vervuilde grond administratief heeft gemiddeld en zo gelegaliseerd? Mag dit?
Uit de informatie van ODNZKG blijkt dat alle partijen individueel voldeden aan de «dubbele toets» voor toepassing. Deze houdt in dat de toegepaste grond niet slechter van kwaliteit mag zijn dan de bestaande kwaliteit van de ontvangende bodem en moet passen bij de bestaande bodemfunctie. Dat wijst erop dat er niks is gemiddeld.
Bestaat door het storten van de vervuilde grond gevaar voor de volksgezondheid?
Zoals uitgelegd bij vraag 6 was hier geen sprake van storten. Om te bepalen of er gevaar is voor de volksgezondheid, gelden als eerste indicatie de zogenoemde Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV’s), vastgesteld door het RIVM. Deze waarden zijn voor PFOS 59 µg/kg ds. De gemeten concentraties zoals vermeld bij het antwoord op vraag 2 liggen daar ruim onder.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van dr. ir. Jonker dat de stoffen zeker zullen uitspoelen en in het water terecht zullen komen waarmee boeren hun akkers besproeien of in de Noordzee in de vissen die we eten?
Het is bekend dat diffuse belasting kan leiden tot uitspoeling van PFAS naar het grondwater. Het beleid van het kabinet is daarom gericht op het zorgen dat er zo weinig mogelijk PFAS in het milieu terechtkomt. Dat doen we door in te zetten op een bronaanpak via een Europese restrictie op PFAS, en het beperken van emissies, bijvoorbeeld door het herzien van lozingsvergunningen. Daarnaast ondersteunen we gemeenten en provincies, als bevoegde overheden voor bodemsanering, financieel bij ernstige verontreinigingen met PFAS via de SPUK bodem. Feit blijft dat deze stoffen nog lang in onze leefomgeving zullen blijven, omdat PFAS nog lastig te verwijderen of te zuiveren zijn en een persistent karakter hebben. Daarom bestaat het Handelingskader PFAS, dat advies geeft aan bevoegd gezagen over hoe zorgvuldig om te gaan met grondstromen met een diffuse PFAS-belasting.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van prof. dr. Timmermans dat ambtenaren meteen in de houding springen als Schiphol in het geding is? En dat er sprake is van een «beleidsmonopolie»?
Dit beeld herken ik niet.
Wat gaat u of de provincie doen om de grond bij de Aalsmeerderbrug weer schoon te maken en zo te voorkomen dat de vervuiling in de voedselketen terechtkomt?
Er is door de toepassing van de grond aan de Aalsmeerderweg in Rozenburg geen verslechtering van de bodem opgetreden, zie ook het antwoord op vraag 3. De toegepaste grond voldeed aan de toepassingswaarden. Eventuele maatregelen zijn aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Leefomgeving en Externe veiligheid van 30 september?
Tot mijn spijt is dit niet gelukt.
Het bericht 'Ambtenaren Buitenlandse Zaken: Veldkamp wilde niet meer doen tegen Israël' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ambtenaren Buitenlandse Zaken: Veldkamp wilde niet meer doen tegen Israël» van 25 augustus jongstleden?1
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken openlijk naar de media lekken en hun eigen oud-minister publiekelijk beschadigen? Vindt u dit, net als de vragensteller, onacceptabel?
Het is evident dat het lekken van vertrouwelijke informatie niet is toegestaan. Indien hier mogelijk sprake van is, wordt onderzoek ingesteld en het Openbaar Ministerie geïnformeerd. Ambtenaren genieten vrijheid van meningsuiting binnen de beperkingen die zijn neergelegd in artikel 10 van de Ambtenarenwet 2017. Dit is ook bekend bij medewerkers. De brief waarover RTL schrijft, was een brief van ambtenaren die zorgen hebben geuit en betrof geen formeel ambtelijk advies. Deze bewuste brief was gericht aan de Minister en uitsluitend bedoeld voor intern gebruik.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat ambtenaren in de toekomst lekken of (oud-)Ministers natrappen?
Bij (een vermoeden) van lekken van vertrouwelijke informatie wordt onderzoek ingesteld en het Openbaar Ministerie geïnformeerd. Ambtenaren zijn daarnaast gehouden aan de Ambtenarenwet. Artikel 10 van de Ambtenarenwet 2017 stelt dat de ambtenaar zich dient te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens of van de uitoefening van het recht tot vereniging, tot vergadering en tot betoging, indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Binnen het ministerie wordt veel aandacht besteed aan deze kaders van het ambtelijk vakmanschap, inclusief de heldere boodschap dat lekken van vertrouwelijke informatie niet is toegestaan. Tegelijk wordt uitgedragen dat er binnen het departement altijd ruimte is voor andere inzichten en interne tegenspraak. Het wordt actief bevorderd dat medewerkers onderling en intern in gesprek gaan. Er zijn binnen het ministerie voldoende mogelijkheden om met elkaar van gedachten te wisselen en verschillende perspectieven in te brengen.
Bent u bereid om een onderzoek in te stellen naar deze lekkende ambtenaren? Zo niet, realiseert u zich dat er een kwalijk precedent wordt geschept wanneer ambtenaren gevoelige informatie lekken naar de media zonder dat dit bestraft wordt?
Ja, er wordt ook in dit geval een onderzoek gesteld.
Hoe gaat u het vertrouwen tussen (toekomstige) Ministers van Buitenlandse Zaken en hun ambtenaren herstellen, zodat herhaling wordt voorkomen?
Zie antwoord bij vraag 3.
Onrust onder gepensioneerden over nieuw verwacht belastingverdrag met Spanje |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de groeiende bezorgdheid onder Nederlandse gepensioneerden die in Spanje wonen of daarvoor plannen hebben, naar aanleiding van het aangekondigde nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Spanje?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
De VBNGB verzoekt om gelijktijdig met de publicatie van de verdragstekst ook berekeningen van inkomenseffecten voor voorbeeldmensen (bijvoorbeeld iemand met alleen AOW en iemand met 5.000 euro, dan wel 10.000 euro aanvullend pensioen) te publiceren, zodat mensen die daarmee te maken hebben beter weten waar ze aan toe zijn. Bent u bereid om dit te doen?
Ik ben bereid om, zoals gevraagd, voor een aantal voorbeeldgevallen in kaart te brengen wat de gevolgen voor de belastingdruk zijn. Het is daarbij van belang om aan te geven dat het om gestileerde situaties gaat en dat concrete individuele situaties hiervan kunnen afwijken. Ik zal de Tweede Kamer gelijktijdig met de publicatie van het verdrag met Spanje nader informeren.
Voor de volledigheid wil ik aangeven dat het standaard maken van een volledige inschatting van de inkomenseffecten van de inwerkingtreding van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet goed mogelijk is. Dit komt bijvoorbeeld door de complexiteit van buitenlandse belastingstelsels, het feit dat inkomenseffecten sterk afhankelijk zijn van persoonlijke omstandigheden en gegevens over ander buitenlands inkomen ontbreken terwijl dat inkomen wel van invloed is op het effect van de inwerkingtreding van het verdrag.
Zo niet, bent u bereid en ziet u mogelijkheden om mogelijke onrust over inkomenseffecten en bestaanszekerheid zo spoedig mogelijk na de publicatie van de verdragstekst weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht 'Wie ruzie krijgt met huisbaas Vesteda, moet stevig in zijn schoenen staan' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de werkwijze van Vesteda, waarbij huurders van het complex aan de Van Montfoortlaan in Den Haag plotseling een ontruimingsverzoek kregen, terwijl eerder verduurzamingsplannen waren gepresenteerd en er een huurdersorganisatie actief was? Acht u dit in overeenstemming met de Wet op het Overleg Huurders Verhuurder (Overlegwet)?1
De Wet op het Overleg huurders verhuurder (Wohv; hierna: Overlegwet) bepaalt dat verhuurders met 25 of meer huurwoningen in Nederland en alle woning-corporaties hun betrokken huurdersorganisatie(s) en bewonerscommissie(s) uit eigen beweging informeren over voorgenomen beleids- of beheerwijzingen die rechtstreeks van invloed zijn op de woon- en leefomgeving van de betrokken huurders. Het ligt daarom in de rede van de Overlegwet dat een verhuurder de betrokken huurdersorganisatie(s) en betrokken bewonerscommissie(s) informeert over voorgenomen onderhouds- of renovatiewerkzaamheden die een tijdelijke ontruiming vereisen.
Het is niet aan mij om te beoordelen in hoeverre een individuele casus in overeenstemming is met de wetgeving. Dit is aan de rechter. Naar zeggen van Vesteda heeft zij de huurdersorganisatie uit eigen beweging geïnformeerd over het uitstellen van de verduurzamingsplannen en het op korte termijn uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden om te kunnen voldoen aan de minimale brandveiligheidseisen; en vervolgens de bewoners hierover geïnformeerd.
Hoe beoordeelt u dat Vesteda juridische stappen ondernam tegen zijn eigen huurders – voornamelijk senioren – om een tijdelijke ontruiming af te dwingen, terwijl de rechter oordeelde dat de verhuurder «onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van dringende werkzaamheden»?
Ik kan niet op de stoel van de rechter gaan zitten. De rechter heeft kennelijk geoordeeld dat de verhuurder onvoldoende had onderbouwd dat er sprake was van dringende werkzaamheden.
Vesteda stelt dat de rechter daarmee niet heeft geoordeeld dat de woningen wél aan de brandveiligheidseisen voldoen. Naar zeggen van Vesteda onderschrijft de gemeente de noodzaak tot het nemen van brandveiligheidsmaatregelen en is Vesteda nog in overleg met de betrokken huurdersorganisatie over de noodzakelijke brandveiligheidsmaatregelen.
Herkent u het beeld dat commerciële verhuurders – en Vesteda in het bijzonder – vaak een zeer formele en juridiserende houding aannemen richting huurdersorganisaties en bewonerscommissies, terwijl de Overlegwet juist laagdrempelige participatie beoogt?
Ik heb, afgezien van het artikel waarover de vragen gaan, geen signalen ontvangen over bijzonder formele of juridiserende houding die verhuurders aannemen in hun contacten met hun huurders, huurdersorganisaties en bewonerscommissies.
De Woonbond geeft desgevraagd aan dat het wel het beeld herkent dat institutionele beleggers doorgaans formeler omgaan met het overleg met huurdersorganisaties en bewonerscommissie dan woningcorporaties dat doen. Als voorbeeld geeft de Woonbond dat (sommige) institutionele beleggers in het verleden alleen overlegden met huurdersorganisaties met statuten. De Woonbond ziet wel een trend dat institutionele beleggers het overleg verruimen en ook bewonerscommissies erkennen, maar meent dat er nog ruimte voor verbetering is.
Naar zeggen van Vesteda moet zij de inkomsten en uitgaven als financiële instelling zorgvuldig kunnen verantwoorden aan de AFM en DNB; en daarom de plicht heeft na te gaan met wie zij een financiële relatie aangaat (kostenvergoeding) hoewel dit formeel kan overkomen.
Welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat huurders die zich organiseren voor hun rechten, stelselmatig op hoge juridische drempels stuiten door commerciële verhuurders?
De vraag veronderstelt dat commerciële verhuurders stelselmatig hoge juridische drempels opwerpen voor huurdersorganisaties. Dat beeld herken ik niet.
Maar kennis over rechten en plichten – van zowel huurdersorganisaties/bewoners-commissies als verhuurders – uit de Overlegwet kan bijdragen aan toepassing van de wet in de praktijk en verminderen of voorkomen van conflicten. In overleg met de Woonbond ben ik aan het bezien op welke punten de informatie over de Overlegwet nadere toelichting vereist en hoe de informatie over de rechten en plichten uit de Overlegwet duidelijker gebracht kan worden op de websites rijksoverheid.nl en volkshuisvestingnederland.nl. Naar aanleiding van het onderhavige krantenartikel zal ik daarbij ook de verhuurdersorganisaties betrekken, omdat Vesteda daarin stelt meer informatie te wensen. Het streven is om de informatie over de Overlegwet dit najaar op de genoemde websites handzamer te maken en zo mogelijk uit te breiden.
Hoeveel klachten of signalen zijn bij u of de Woonbond bekend over Vesteda met betrekking tot schendingen van de Overlegwet en de omgang met huurdersorganisaties en bewonerscommissies?
Mij waren geen klachten of signalen bekend. De Woonbond stelt desgevraagd geen precieze cijfers te hebben maar jaarlijks enkele tientallen vragen/meldingen te ontvangen over het toepassen van de Overlegwet door commerciële verhuurders, waaronder ook een aantal over Vesteda.
Om dit in perspectief te plaatsen: Vesteda verhuurt circa. 28.000 woningen en haar huurders zijn georganiseerd in een groot aantal huurdersorganisaties/ bewonerscommissies. Daarnaast erkent de Woonbond dat een vraag of melding nog niet betekent dat er daadwerkelijk sprake is van schending van de Overlegwet.
Acht u het wenselijk dat een van de grootste verhuurders van Nederland zich structureel onttrekt aan collectieve overlegstructuren, zoals het Vesteda Platform, waardoor huurdersorganisaties zich geïsoleerd voelen staan tegenover een miljardenbedrijf?
De Overlegwet regelt (laagdrempelige) minimum procesvereisten waaraan verhuurders moeten voldoen in hun contacten met hun huurdersorganisatie(s) en bewonerscommissies. De Overlegwet biedt verhuurder geen ruimte om zich aan die minimum procesvereisten te onttrekken.
De Overlegwet bepaalt dat wanneer een huurdersorganisatie alle huurders van een bepaalde verhuurder vertegenwoordigt, die koepelhuurdersorganisatie het primaat heeft van informatie, overleg en advies ten opzichte van meer lokale huurdersorganisaties. Indien zo’n koepelhuurdersorganisatie bestaat, moet de verhuurder dus met die koepelhuurdersorganisatie over voorgenomen wijzigingen in algemeen/landelijk beleid of beheer informatie uitwisselen, overleg voeren en gelegenheid geven schriftelijk advies uit te brengen2. Wanneer het gaat om beleid of beheer dat rechtstreeks te maken heeft met bepaalde wooncomplexen en huurders zich voor die betrokken wooncomplexen (ook) een met een lokale of regionale huurderorganisatie hebben georganiseerd; in dat geval moet de verhuurder die onderwerpen met de betrokken lokale huurdersorganisatie(s) bespreken3.
Wat betreft bewonerscommissies (commissies die de bewoners van een wooncomplex van tenminste 25 woningen vertegenwoordigen), kan de verhuurder besluiten een bewonerscommissie niet als bewonerscommissie in de zin van de Overlegwet aan te merken indien de bewonerscommissie niet aannemelijk kan maken dat zij de bewoners van het betrokken wooncomplex vertegenwoordigt of wanneer een andere bewonerscommissie van het betrokken wooncomplex wat betreft omvang van haar achterban en bewoners geacht wordt meer representatief te zijn4.
Naar zeggen van Vesteda heeft zij de samenwerking met het Platform in overleg met het bestuur van het Platform beëindigd omdat het Platform niet voldeed aan de eisen uit de Overlegwet voor een koepelhuurdersorganisatie, onder meer doordat huurders die niet door lokale/regionale huurdersorganisaties werden vertegenwoordigd zich niet konden aansluiten bij het Platform.
Het Platform is daarna naar zeggen van Vesteda door de leden opgeheven.
Hoe beoordeelt u het beleid van Vesteda, waarbij de wettelijk zeer laagdrempelige – haast informele – bewonerscommissie wordt gecompliceerd door onderscheid te maken tussen «formeel» en «informeel», terwijl huurders tegelijkertijd actief worden aangestuurd op het oprichten van een «klankbordgroep», een overlegvorm zonder enige wettelijke rechten?
De Overlegwet stelt laagdrempelige eisen voor het zijn van een bewonerscommis-sie in de zin van de Overlegwet:
Elke vertegenwoordigende groep die aan die criteria voldoet, is een bewonerscommissie in de zin van de Overlegwet, ook als de groep een andere naam – bijvoorbeeld Klankbordgroep – hanteert. Een bewonerscommissie heeft recht op informatie, overleg en advies over voorgenomen wijzigingen in het beleid voor of beheer van het wooncomplex waarvan zij de huurders vertegenwoordigt.
Voor bewonerscommissies hebben verhuurders alleen de plicht om er zorg voor te dragen dat zij hun werkzaamheden die met hun taak (recht op informatie, overleg en advies; hun achterban informeren en betrekken bij de standpuntbepaling) verband houden, kunnen uitvoeren5. Bewonerscommissies hebben geen recht op een kostenvergoeding, huurdersorganisaties wel6.
Hoe beoordeelt u het beleid van Vesteda om een KvK-inschrijving te eisen voor het verkrijgen van een minimale vergoeding, terwijl diezelfde vergoeding ook wordt uitgekeerd aan commissies die niet aan deze eis voldoen, zoals bij de bewonerscommissies Linker Rottekade en Admiraal de Ruyterweg?
Het ingeschreven staan bij de Kamer van Koophandel is geen vereiste om een huurdersorganisatie of bewonerscommissie in de zin van de Overlegwet te zijn. Een huurdersorganisatie moet wel een vereniging of stichting zijn, maar een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid volstaat; voor een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid is inschrijving bij de Kamer van Koophandel een vrije keuze – maar met een KvK-inschrijving is de vereniging als rechtspersoon aansprakelijk en zonder KvK-inschrijving zijn de bestuursleden van de vereniging aansprakelijk.
Een bewonerscommissie hoeft geen vereniging of stichting op te richten om bewonerscommissie in de zin van de Overlegwet te zijn en hoeft (dus) geen KvK-inschrijving te hebben. Wat betreft bewonerscommissies hebben verhuurders alleen de plicht om er zorg voor te dragen dat zij hun werkzaamheden die met hun taak (recht op informatie, overleg en advies; hun achterban informeren en betrekken bij de standpuntbepaling) verband houden, kunnen uitvoeren7. Bewonerscommissies hebben geen recht op een kostenvergoeding, huurders-organisaties wel8.
Naar zeggen van Vesteda verbindt zij geen gevolgen aan het eventuele ontbreken van een KvK-inschrijving en verstrekt zij ook vergoedingen aan huurdersorganisaties of bewonerscommissies zonder KvK-inschrijving maar wijst zij hen op de voordelen van een KvK-inschrijving.
Hoe beoordeelt u het besluit van Vesteda om de samenwerking met het Vesteda Platform – de enige huurdersorganisatie op instellingsniveau – te beëindigen op grond van onbevoegd bestuur, illegitimiteit en een enkele hofuitspraak, zonder het bestuur (dat grotendeels uit senioren bestaat) enige mogelijkheid tot herstel te bieden?
Wanneer de huurders van een verhuurder een huurdersorganisatie hebben opgericht die alle huurders van de betreffende verhuurder vertegenwoordigt (huurdersorganisatie op verhuurdersniveau, koepelorganisatie), dan heeft de verhuurder over het algemene/landelijke beleid en beheer te overleggen met die koepelorganisatie, tenzij de verhuurder met deze koepelorganisatie andere afspraken heeft gemaakt9.
In het antwoord op vraag 6 is toegelicht waarom Vesteda naar eigen zeggen de samenwerking met het Platform in overleg met het Platformbestuur heeft beëindigd en dat het Platform zichzelf heeft opgeheven.
Bent u bereid de werking en handhaafbaarheid van de Overlegwet te evalueren, en te onderzoeken of huurdersorganisaties meer juridische en financiële ondersteuning nodig hebben om gelijkwaardiger het overleg met grote commerciële verhuurders te voeren?
De Woonbond heeft in 2024 een evaluatie van de werking van de Overlegwet uitgevoerd, vanuit huurdersperspectief. Ik ben bereid om de werking en handhaafbaarheid van de Overlegwet in de praktijk (nader) te evalueren op basis van de ervaringen van zowel huurders(organisaties) als verhuurders(organisaties).
Hoe ziet u de rol van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en andere toezichthouders in het borgen dat verhuurders als Vesteda zich aan de wet houden? Beschikt de ACM over voldoende bevoegdheden om in te grijpen wanneer commerciële verhuurders huurdersrechten ondermijnen?
De ACM heeft geen toezichthoudende taak wat betreft de Overlegwet. Het oordeel of verhuurders dan wel huurdersorganisaties/bewonerscommissies zich aan de Overlegwet houden is aan de Huurcommissie en aan de rechter.
Erkent u dat het ontbreken van een regeling voor de vergoeding van kosten voor geschillenbeslechting in de Overlegwet – in tegenstelling tot de Wet op de ondernemingsraden (WOR), waarop deze wet is gebaseerd – een juridische ongelijkheid creëert tussen huurders en verhuurders?
Op grond van de Overlegwet zijn verhuurders niet verplicht andere kosten dan de kosten voor het uitvoeren van het informatie-, overleg- en adviesrecht, voor scholingsactiviteiten, het uitnodigen van en vragen van inlichtingen en advies van externe deskundigen en voor het informeren en betrekken van hun achterban te vergoeden. Bij de invoering van de wet is toegelicht dat huurdersorganisaties om op een volwassen wijze te kunnen functioneren zich ook zullen moeten inzetten om andere financiële bronnen te vinden, voor de hand liggend (onder meer) de leden van de huurdersorganisatie(s). Wanneer de huurdersorganisatie volledig wordt gefinancierd door de verhuurder kan de onafhankelijkheid van de huurdersorganisatie in gevaar komen.
Aan de hand van de uitkomsten van de nog uit te voeren evaluatie van de Overlegwet zal ik bezien of de wet ten aanzien van kostenvergoeding voor geschillen aanpassing behoeft.
In hoeverre erkent u dat de zaak van Vesteda tegen HBV Detroit laat zien dat het huidige hiaat in de Overlegwet kan worden misbruikt om actieve en legitieme huurdersorganisaties financieel uit te putten, en bent u bereid de wet aan te passen om de rechtspositie van huurdersorganisaties in dergelijke situaties beter te beschermen?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de opvatting van de Woonbond dat commerciële verhuurders er in de praktijk geen belang bij hebben dat huurders zich organiseren? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om te zorgen dat huurdersverenigingen in de commerciële sector een gelijkwaardige gesprekspartner worden, zoals dat bij woningcorporaties sinds de parlementaire enquête woningcorporaties in 2014 wel het geval is?
De Overlegwet maakt geen onderscheid tussen huurdersorganisaties van woningcorporaties en die van overige verhuurders (mits die tenminste 25 woningen in Nederland verhuren) en biedt de huurdersorganisaties en bewonerscommissies van al deze verhuurders dezelfde rechten van informatie, overleg en advies, het raadplegen van deskundigen en van kostenvergoeding.
Naar zeggen van de Woonbond voelen commerciële verhuurders er in de praktijk geen belang bij dat hun huurders zich organiseren. Dat beeld komt volgens de Woonbond uit de respons op zijn enquête uit 2024 onder huurdersorganisaties en bewonerscommissie over de Overlegwet in de praktijk. Ik kan dat beeld niet bevestigen, ik heb daarvan – naast deze indruk van de Woonbond uit zijn enquête en uit door hem ontvangen meldingen van huurders(organisaties) – geen signalen ontvangen. Naar mijn mening hebben commerciële verhuurders met 25 of meer huurwoningen in Nederland, op wie de Overlegwet van toepassing is, er wel belang bij dat hun huurders zich organiseren, omdat zij hun huurders via de huurdersorganisatie(s) en bewonerscommissie(s) gemakkelijker kunnen betrekken bij hun beleid en beheer, in plaats van alle betrokken huurders afzonderlijk te betrekken. En de Overlegwet regelt voor het betrekken van huurdersorganisaties en bewoners de minimale procesvereisten, waardoor de verwachtingen daarover tussen verhuurder en huurdersorganisatie(s)/bewonerscommissie(s) grotendeels dezelfde zullen zijn; maar de Overlegwet biedt ruimte voor afspraken over verdergaande rechten van huurdersorganisaties/bewonerscommissies.
De Woningwet geeft huurdersorganisaties die huurders van woningcorporaties vertegenwoordigen extra rechten ten aanzien van de specifieke taken die woningcorporaties ten behoeve van de volkshuisvesting hebben. Ik licht die hieronder toe, evenals waarom deze extra rechten niet in de Overlegwet zijn neergelegd (waardoor die extra rechten ook zouden gelden voor huurdersorganisaties en bewonerscommissies van overige verhuurders):
Overige verhuurders hebben niet de plicht om bij te dragen aan de lokale/regionale volkshuisvesting en maken daardoor geen prestatieaf-spraken in de zin van de Woningwet over de lokale/regionale volkshuis-vesting met gemeenten, daardoor is niet voor huurdersorganisaties en bewonerscommissies van overige verhuurders bepaald dat zij gelijkwaardig partner van de verhuurder zijn bij die prestatieafspraken.
Maar huurdersorganisaties en bewonerscommissies van overige verhuurders hebben op grond van de Overlegwet recht op informatie, overleg en advies over voorgenomen wijzigingen in beleid en beheer (waaronder in ieder geval voorgenomen sloop en renovatie van woningen en voorgenomen beleid inzake leefbaarheid en herstructurering).
Huurdersorganisaties van overige verhuurders hebben op grond van de Overlegwet recht op informatie, overleg en advies over een voorgenomen fusie van de verhuurder.
De Overlegwet biedt huurdersorganisatie van andere verhuurder geen recht op voordracht van commissarissen van de raad van commissarissen. Maar het staat overige verhuurders vrij om met hun huurdersorganisaties (en raden van commissarissen) af te spreken dat zij een deel van de commissarissen mogen voordragen.
De Overlegwet bevat niet zo’n bepaling, maar dat laat onverlet dat het ook overige verhuurders (en hun huurdersorganisaties en bewonerscommis-sies) vrij staat om besluiten ter raadpleging voor te leggen aan de betrokken huurders.
Het artikel 'In deze Filipijnse baai groeide koraal en werd volop gevist. Toen kwam de Nederlandse baggeraar Boskalis' |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In deze Filipijnse baai groeide koraal en werd volop gevist. Toen kwam de Nederlandse baggeraar Boskalis» in Trouw van 19 augustus jongstleden?1
Ja.
Klopt het dat op 24 mei 2022 de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB heeft aangekondigd een verzekering (EKV) van 1,5 miljard euro aan Boskalis te verschaffen voor de commerciële landaanwinning in Manila Bay? Klopt het dat dit voor zowel de Nederlandse exportkredietverzekeraar als voor Boskalis, de grootste verzekering ooit is?2 Hebben zowel de Ministers van Financiën als voor Handel en Ontwikkelingssamenwerking, daar akkoord op gegeven?
Ja dit klopt. De ekv voor dit project is verstrekt na goedkeuring van de toenmalig Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.3
Bent u bekend met de milieueffectrapportages voor andere commerciële landaanwinningsprojecten bij de Filipijnse kust die begin mei dit jaar, na jaren van geheimhouding, openbaar zijn gemaakt? Is het u bekend of Nederlandse partijen betrokken waren bij deze geheimgehouden rapportages? Zo ja, welke partijen waren dat? Is het u bekend of Nederlandse partijen betrokken waren bij de projecten waar deze geheimgehouden rapportages, betrekking op hebben? Zo ja, welke partijen waren dat? Zo nee, bent u bereid dat te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB) neemt alleen kennis van de milieueffectrapportages voor projecten waar een verzekeringsaanvraag voor is ingediend. Naar overige projecten in de omgeving en de daarbij betrokken partijen is geen nader onderzoek gedaan. Ik ben dan ook niet bekend met de inhoud van de rapportages die voor deze andere projecten zijn gemaakt.
Terwijl de openbaar geworden rapportages geen betrekking hebben op het project van Boskalis, waarschuwen zij wel dat vergelijkbare landaanwinningsprojecten voor de Filipijnse kust «enorme milieu en veiligheidsrisico’s voor de bevolking» zullen hebben – heeft dit volgens u relevantie voor het door de Nederlandse staat gesteunde project van Boskalis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke relevantie ziet u?
Zoals reeds aan uw Kamer gecommuniceerd wordt het luchthavenproject intensief gemonitord door ADSB, ook op het beheersen van milieu- en veiligheidsrisico’s.4 Zolang andere commerciële projecten geen directe impact hebben op onderhavig project zijn deze niet relevant voor de monitoring. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over de potentiële gevolgen van projecten waar de Nederlandse staat niet bij betrokken is.
Welke studies heeft uw ministerie voorafgaand aan de uitgifte van de verzekering en tijdens de uitvoering van het project van Boskalis laten uitvoeren en door wie?
Voor afgifte van de polis heeft ADSB een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling uitgevoerd waarbij het project is getoetst aan internationale standaarden voor maatschappelijke verantwoord ondernemen (mvo).5 Hiervoor heeft het project diverse themaonderzoeken (onder andere herhuisvesting, biodiversteit) en meerdere milieu- en sociale effectrapportages aangeleverd. ADSB heeft voor de beoordeling gebruik gemaakt van onafhankelijke consultants om haar eigen informatiepositie te versterken en om te verifiëren dat de opgeleverde onderzoeken voldoen aan internationale mvo-standaarden. Deze consultants ondersteunen ADSB tevens in de monitoring van het project door het project regelmatig te bezoek en het opleveren van reguliere monitoringsrapportages.6
Komt er uit de geheimgehouden en recent in mei vrijgegeven documenten informatie die tot nu toe onbekend was bij uw ministerie? Zo ja, welke?
Zie het antwoord op vraag 3.
Had het EKV contract met Boskalis voorwaarden op het gebied van mitigatie en compensatie van natuurschade? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke afspraken? Zijn die allemaal afdwingbaar?
Boskalis heeft, net als iedere ekv-aanvrager, getekend voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen), waaruit volgt dat zij volgens een proces van gepaste zorgvuldigheid risico’s voor mens en milieu die voortkomen uit hun werkzaamheden in kaart moeten brengen en waar nodig aanpakken.
De verantwoordelijkheid voor de mitigatie en compensatie van natuurschade door het project ligt bij de projecteigenaar en is vastgelegd in het Environmental and Social Action Plan (ESAP). Het ESAP is een contractueel document tussen de projecteigenaar en betrokken financiers. ADSB is hierin geen contractpartij, maar kan via de verzekerde financiers invloed uitoefenen en ziet middels intensieve monitoring toe op de uitvoering van het project.
Als uit de monitoring onregelmatigheden blijken dan zal ADSB in eerste instantie kiezen voor een dialoog met betrokkenen om verbeteringen te realiseren. Mocht hiermee niet het gewenste resultaat behaald worden dan kan dit gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering onder de exporteurspolis of voor de verzekerde lening. Uit een onafhankelijke evaluatie van de monitoring van dit project blijkt dat deze robuust is en adequaat is ingericht om eventuele misstanden in de uitvoering tijdig te adresseren.7
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de activiteiten die Boskalis heeft uitgevoerd zoals in het artikel worden beschreven («Boskalis heeft het koraalrif bij de «San Nicolas shawls» kapotgemaakt. Het koraal is weg, en dus ook de mosselen, krabben en vissen.»)? Oordeelt u dat Boskalis voldoende heeft gedaan aan mitigerende maatregelen? Zo ja, op basis van welke informatie komten u tot dat oordeel? Oordeelt u dat aan de contractuele voorwaarden heeft voldaan? Zo nee, kunt u aangeven of en welke consequenties dit voor de verzekeringnemer heeft?
Boskalis heeft conform internationale standaarden uitgebreid onderzoek gedaan naar de natuurwaarden van de zandwinlocatie. Op de ondergrond was geen koraalrif aanwezig, wel is op enkele plekken los koraal aangetroffen met een lage ecologische waarde. De zandwinning was onderdeel van de uitgebreide milieu- en sociale beoordeling en monitoring door ADSB. Op basis van de opgeleverde documenten, de monitoringsrapportages en site visits uitgevoerd in 2023 en in 2025 komt ADSB tot het oordeel dat Boskalis voldoende maatregelen heeft getroffen om de negatieve neveneffecten van de zandwinning te mitigeren. Daarmee heeft Boskalis aan de contractuele verplichtingen voldaan.
Hoe kan het dat Nederland een project heeft ondersteund dat heeft geleid tot een permanent verlies van inkomstenbronnen en overstromingsbescherming door het leeg baggeren van de gehele San Nicolas Shawl – een zandbank die diende als belangrijk visgebied en buffer tegen golven? Is het Ministerie van mening dat kortdurende financiële compensatie afdoende is om deze blijvende schade te compenseren? Zo ja, op welke basis velt u dit oordeel?
Als door projecten het levensonderhoud van belanghebbenden wordt getroffen, dan moeten deze gevolgen volgens de internationale standaarden gecompenseerd worden zodat hun levensonderhoud hetzelfde of beter wordt dan de situatie voor de start van een project. Dit kan door middel van bijvoorbeeld alternatieve werkgelegenheid en/of financiële compensatie.
ADSB heeft geoordeeld dat enkel financiële compensatie niet voldoende is voor een deel van de door het project getroffen personen. Daarom is vereist dat er hiervoor zogeheten herstel van levensonderhoud (livelihood restoration) zou plaatsvinden, zodat op de lange termijn het levensonderhoud van de vissers hetzelfde of beter wordt dan vóór het project. ADSB is bekend met klachten over de livelihood restoration. Deze zijn aangekaart bij de projecteigenaar en de onafhankelijke consultants en worden prioritair opgepakt door het stakeholder engagement team van de projecteigenaar. ADSB monitort op dit moment de opvolging van deze klachten.
Klopt het dat hiervoor meerdere keren gewaarschuwd is, zowel voor uitgifte van de EKV als tijdens de werkzaamheden? Wat waren toen de overwegingen om wel door te zetten?
Het klopt dat mijn ministerie verschillende signalen vanuit het maatschappelijk middenveld heeft ontvangen over dit project. Aan goedkeuring is een zorgvuldige milieu- en sociale beoordeling voorafgegaan waarin deze signalen zijn meegewogen. Het project was in eerste aanleg niet in lijn met internationale mvo-standaarden op het vlak van mitigatie en compensatie van inkomensderving en compensatie van natuurwaarden. Deze lacunes zijn juist door de betrokkenheid van ADSB, de Nederlandse Staat en hun internationale consultants en mede dankzij de ontvangen signalen van de ambassade en ngo’s, geadresseerd.
De ekv is verstrekt onder de voorwaarde dat het project alle acties onderneemt die nodig zijn om aan de internationale mvo-standaarden te voldoen.8 Hierop wordt middels intensieve monitoring toegezien. De voormalige Staatssecretaris van Financiën heeft als extra waarborg een second opinion laten uitvoeren naar de monitoring van het project. Uit deze second opinion, die op 3 juli 2023 met uw Kamer is gedeeld, blijkt dat de monitoring robuust is en adequaat is ingericht om misstanden in de uitvoering tijdig te adresseren.9
Deelt u de analyse dat volgens internationale standaarden zoals de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles, de primaire verantwoordelijkheid voor het mitigeren en compenseren van negatieve effecten ligt bij de actoren die deze effecten met hun bedrijfsactiviteiten veroorzaken? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat Boskalis, die middels zijn baggerwerkzaamheden de San Nicholas Shawl heeft vernield, verantwoordelijk is voor de negatieve effecten op de lokale visserij en klimaatbestendigheid van kustgemeenschappen in Cavite? Zo nee, waarom niet?
Het mitigeren en compenseren van negatieve effecten betreft een gedeelde verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid hiervoor bij een project ligt primair bij de projecteigenaar. Deze moet de effecten vooraf onderzoeken, voorspellen en zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Bij de uitvoering moet de projecteigenaar monitoren of aannemers hun werk correct uitvoeren om negatieve effecten te mitigeren. De verantwoordelijkheid voor de compensatie van negatieve effecten die niet voorkomen kunnen worden ligt ook bij de projecteigenaar. Aannemers, zoals in dit geval Boskalis, zijn er voor verantwoordelijk om hun eigen werkzaamheden met zo min mogelijk negatieve effecten voor mens en milieu uit te voeren conform de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs). Volgens de OESO-richtlijnen dienen zij ook te zorgen voor, of meewerken aan, herstel indien nodig om negatieve milieueffecten aan te pakken die de onderneming heeft veroorzaakt of waaraan zij heeft bijgedragen. Uit monitoring blijkt dat Boskalis dit correct heeft gedaan.
Wat is er concreet terecht gekomen van de Nederlandse belofte – door ASDB en door Boskalis – om grootschalige natuurcompensatie te regelen? Kent u het openbaargemaakte Biodiversity Action Plan Non Technical Summary van SMC en Boskalis, dat spreekt van een offset gebied van 1000–1700 hectaren? Hoeveel hectaren telt het huidige offset gebied? Op basis van welke informatie doet u deze uitspraak? Is de kwestie van natuurcompensatie – dat voor ADBS een belangrijke voorwaarde was om de EKV te verstrekken – contractueel vastgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke voorwaarden zijn gesteld?
Ik ben bekend met het genoemde document waar 1.000–1.700 hectare genoemd wordt als een streefgetal. Er gaat bij dit project circa 238 hectare natuurgebied verloren. De verloren natuur dient conform internationale biodiversiteitsstandaarden gecompenseerd te worden door een gebied met tenminste dezelfde kwalitatieve natuurwaarden. De inzet is daarom gericht op kwaliteitsgerichte compensatie, niet op het realiseren van een bepaald oppervlakte. De plannen zorgen ervoor dat de natuurkwaliteit uiteindelijk hoger wordt dan voorheen. Op dit moment is 78,5 hectare aan definitief compensatiegebied gerealiseerd. Daarnaast wordt nog steeds grond aangekocht om te ontwikkelen als natuurcompensatiegebied. Samen met tijdelijke compensatiegebieden is er op dit moment 434 hectare aan natuurcompensatiegebied.
De verantwoordelijkheid om natuurcompensatie te realiseren ligt primair bij de projecteigenaar. ADSB monitort of de projecteigenaar dit op een juiste manier uitvoert. De compensatie van de verloren biodiversiteitswaarde is contractueel vastgelegd tussen projecteigenaar en financiers in het eerder genoemde ESAP. ADSB ziet middels intensieve monitoring toe op de correcte uitvoering van het ESAP. De eerste resultaten zijn positief. Zo is het aantal watervogels in de regio, waaronder bedreigde soorten, substantieel toegenomen.
Hoe oordeelt u over de rol van Nederland bij landaanwinningen in Manila en de bijbehorende negatieve effecten op gemeenschappen, biodiversiteit en klimaatbestendigheid, gegeven de toenemende zorgen en protest vanuit Filipijnse burgers en overheid, zoals o.a. te lezen is in het recente artikel «Manila Bay is Alive» van het Filipijnse Department of Environment and Natural Resources?3 Bent u van mening dat Nederlandse betrokkenheid bij deze controversiële sector gunstig is voor het aanzien van het Nederlandse bedrijfsleven? Zo ja, kunt u dat dan toelichten? Zo nee, welke consequenties ziet u?
Nederlandse bedrijven die actief zijn in het buitenland dienen zich te houden aan de lokale wet- en regelgeving, de UNGP’s en de OESO-richtlijnen. Nederlandse water- en baggerbedrijven zijn internationaal toonaangevend en lopen voorop in de ontwikkelingen van nieuwe duurzame technologieën om negatieve neveneffecten tot een minimum te beperken en kunnen zo een positieve bijdrage leveren aan projecten wereldwijd. In het geval van het luchthavenproject is er, juist door betrokkenheid van Boskalis en de Nederlands staat, een grote verbetering in de uitvoering van het project gerealiseerd.11
Het datalek bij het Openbaar Ministerie |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke herstelstappen sinds de hack zijn gezet om herhaling te voorkomen en hoe u de effectiviteit van deze maatregelen verifieert, specifiek met het oog op bescherming van gevoelige categorieën informatie, zoals adressen van Blijf-van-mijn-lijf-huizen en andere beschermde opvanglocaties, gegevens over kroongetuigen en hun naasten, dossiers over zware georganiseerde misdaad en terrorisme, interne HR-dossiers die officieren van justitie en andere functionarissen mogelijk chantabel of afpersbaar maken?
Er zijn sinds de ontdekking van de ICT-inbreuk meerdere herstelstappen gezet. Hierover is uw Kamer per brief op 23 juli, 4 augustus, 12 augustus en 3 september geïnformeerd.1 Het OM voldoet aan de kaders en richtlijnen voor informatiebeveiliging die door het Rijk en het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden voorgeschreven. Het OM is dit verplicht als zelfstandige organisatie binnen het justitiedomein. Dit zal voor de toekomst ongewijzigd blijven en langs deze kaders en richtlijnen zijn de herstelwerkzaamheden ook verder uitgevoerd.
De livegang van de systemen van het OM vond stapsgewijs plaats zodat per stap extra monitoring en detectie kon plaatsvinden. Elk systeem dient zeker te worden gesteld voordat het weer live kan gaan. Die fasering heeft te maken met de volgorde waarin systemen moeten worden opgestart; die volgorde voorkomt dat werkprocessen met en tussen ketenpartners worden verstoord als informatie uit de verschillende systemen niet in de goede volgorde wordt ingeladen. Over de impact op de strafrechtketen naar aanleiding van de offlinegang van het Openbaar Ministerie (OM) is uw Kamer reeds geïnformeerd.2 Ook is uw Kamer geïnformeerd over het besluit dat samen met het OM is genomen om onderzoek te doen over de ICT-inbreuk.3 Dat onderzoek zal zich onder andere moeten richten op de wijze waarop incidenten in de informatiebeveiliging in de toekomst voorkomen kunnen worden.
In hoeverre kan technisch of forensisch worden vastgesteld of adressen van Blijf-van-mijn-lijf-huizen en andere beschermde opvanglocaties, gegevens over kroongetuigen en hun naasten of dossiers over zware georganiseerde misdaad en terrorisme, daadwerkelijk zijn ingezien of buitgemaakt?
Welke specifieke maatregelen zijn genomen om te achterhalen of HR-dossiers van medewerkers, inclusief aanklagers en officieren van justitie, mogelijk in handen van kwaadwillenden zijn gekomen en hen kwetsbaar maken voor chantage en/of afpersing?
Zijn er signalen of indicaties dat met mogelijk buitgemaakte informatie al pogingen zijn gedaan om procespartijen, getuigen of medewerkers van het Openbaar Ministerie (OM) te beïnvloeden of te intimideren?
Betekent, dat u stelt dat er geen aanwijzingen zijn voor datamanipulatie, ook kunt uitsluiten dat gevoelige gegevens zijn gekopieerd of op termijn kunnen worden misbruikt? Zo nee, welke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen tegen langdurig sluimerend misbruik?1
Kunt u uiteenzetten hoe het OM en het ministerie ervoor zorgen dat ook ketenpartners zoals politie, rechtspraak en opvanginstellingen volledig op de hoogte zijn van de mogelijke risico’s, zodat zij preventief maatregelen kunnen nemen?
De gehele afsluiting van het OM van het internet had impact op het OM zelf en op alle samenwerkingspartners. De samenwerkingspartners werden goed geïnformeerd door het OM. Door alle betrokkenen is dagelijks hard gewerkt om de ontstane knelpunten en effecten zoveel mogelijk op te lossen, met als doel de impact zoveel mogelijk beperken en de mogelijke risico’s mitigeren. Over de impact op de strafrechtketen bent u op 12 augustus jl. geïnformeerd.5
Acht u het zinvol en noodzakelijk om, naar analogie van de kritische financiële sector, zo snel mogelijk de eis neer te leggen dat bij organisaties met een essentiële rol in de rechtsstaat, zoals het OM, een onafhankelijke risicofunctie wordt belegd, met specifieke focus op cyberveiligheid en integriteitsbescherming?
Ik acht het zinvol dat het OM hier op in blijft zetten, vanwege de (digitale) weerbaarheid van deze kritische organisatie binnen de rechtsstaat. Dit vraagt continu aandacht gezien de toenemende dreiging van verschillende actoren. Grotendeels wordt dit vormgegeven door het CIO-stelsel Rijk6 en de compliance structuren die daaruit volgen. Voorbeelden hiervan waar het OM gebruik van maakt zijn de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) en het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI).
Zoals ik onder mijn antwoord op vraag 1 ook heb vermeld, zal ik samen met het OM een onderzoek laten uitvoeren naar de ICT-inbreuk. Hiervoor zal een onafhankelijke commissie van nog aan te stellen deskundigen op het gebied van onder meer cybersecurity, IT en informatievoorziening worden ingesteld. Een deel van het onderzoek zal zich richten op het versterken van de weerbaarheid van de IT en informatievoorziening van het OM, mede in relatie tot de ketenorganisaties. Over de planning en resultaten van het onderzoek zal ik u op een later moment verder informeren.
Bent u bereid de Kamer periodiek en vertrouwelijk te informeren over de stand van zaken, ook als er geen nieuwe incidenten worden ontdekt, om het vertrouwen in de veiligheid van het OM te herstellen en te behouden?
Ik informeer de Kamer al regelmatig over de stand van zaken.
Gezamenlijke verklaring humanitaire situatie Gaza |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom het kabinet tegen deze nieuwe registratieplicht is, zeker gezien het feit dat NGO’s soms banden hebben met terreurorganisaties?1
De betreffende wetgeving baart het kabinet zorgen, in het bijzonder met oog op de mogelijke consequenties die implementatie van de wetgeving kan hebben voor de humanitaire hulpverlening in de Palestijnse Gebieden.
Redenen tot zorg zijn dat de nieuwe wetgeving Israël de mogelijkheid biedt om hulporganisaties te weigeren op willekeurige gronden die geen verband houden met terrorisme of andere veiligheidsoverwegingen, bijvoorbeeld politieke overwegingen. Dit zou consequenties kunnen hebben voor de bewegingsvrijheid, werkzaamheden en samenwerking van het maatschappelijk middenveld in Israël en de Palestijnse Gebieden.
Het verzoek van Israël aan de internationale ngo’s om ook persoonsgegevens van stafleden en hun families te delen is volgens de Nederlandse Autoriteit Persoonsgegevens hoogstwaarschijnlijk een overtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).
De hulporganisaties die actief zijn in Israël en de Palestijnse gebieden waar Nederland mee samenwerkt zijn transparante, professionele organisaties met heldere interne controlemechanismes.
Nederland ondertekende op 12 augustus jl. een Foreign Ministers’ statement waarmee het, met 29 gelijkgezinde landen, de ernst van deze kwestie aankaartte bij Israël. Nederland brengt dit thema ook bilateraal op bij de Israëlische autoriteiten, bijvoorbeeld in recent onderhoud tussen Minister-President Schoof en de Israëlische president Herzog. De Nederlandse inspanningen worden nauw afgestemd met hulporganisaties die door deze wetgeving worden geraakt. Voor meer informatie is uw Kamer vandaag (24 september 2025) middels een vertrouwelijke brief geïnformeerd. De deadline voor herregistratie van internationale ngo’s onder deze wet is overigens uitgesteld tot later in het najaar.
Kunt u uitleggen waarom het controleren van terreurbanden van individuele medewerkers van dit soort NGO’s niet logisch is, gezien het feit dat er in het verleden onder hen wel degelijk medewerkers waren met dit soort banden?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u uitleggen waarom Nederland zich bemoeit met de interne aangelegenheden van Israël, met name als het gaat om haar eigen veiligheidsbeleid?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u aangeven waarom Nederland er niet voor gekozen heeft om namens de Europese Unie (EU) een verklaring af te geven, omdat er nu een rommelig beeld is ontstaan van landen die deze registratieplicht al dan niet volgen?
Nederland heeft in Europees verband opgeroepen om eensgezind te reageren op de betreffende Israëlische wetgeving. De Hoge Vertegenwoordiger Kaja Kallas heeft in haar contacten namens de EU de zorgen over de registratie overgebracht aan de Israëlische regering. Naast de inzet in EU-verband, en de inzet in samenspraak met een groep gelijkgezinde landen, heeft het kabinet ervoor gekozen om zich ook bilateraal in te zetten op dit thema. Daaraan lag mede ten grondslag dat Nederlandse hulporganisaties worden geraakt door de betreffende wetgeving. Voor meer informatie is uw Kamer vandaag (24 september) middels een vertrouwelijke brief geïnformeerd. Het is overigens niet aan landen om de registratieplicht wel of niet te volgen: deze wetgeving slaat op internationale ngo’s, niet op statelijke actoren.
Kunt u aangeven waarom Nederland er niet voor gekozen heeft om met de hele EU gezamenlijk op te trekken, aangezien er dan een meer coherent, evenwichtig en sterk beleid ten aanzien van dit veiligheidsthema kan worden opgesteld?
Nederland heeft ook in EU-verband zorgen geuit over de wetgeving en opgeroepen hier als EU eensgezind op te reageren. Een nadere toelichting over de Nederlandse inzet op dit onderwerp in de informele Raad Buitenlandse Zaken van 29-30 augustus jl. en de uitkomsten daarvan is uw Kamer reeds toegekomen.2 Het internationale statement over dit thema, ondertekend door Nederland en 28 andere landen, ging mede uit namens de Hoge Vertegenwoordiger Kallas alsook Eurocommissarissen Lahbib (Gelijkheid, Paraatheid en Crisisbeheer) en Šuica (Middellandse Zeegebied).3
Kunt u aangeven hoeveel en welke Nederlandse NGO’s hiermee te maken zullen krijgen en in welk opzicht dit hún werkzaamheden daadwerkelijk schaadt en beperkt ten opzichte van de huidige situatie?
Er zijn verschillende Nederlandse maatschappelijke organisaties actief in de Palestijnse Gebieden die bijdragen aan het bieden van levensreddende humanitaire hulp. Een aantal van hen wordt ook voor deze activiteiten gefinancierd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken, zoals via de Dutch Relief Alliance (DRA). Deze organisaties hebben juridische verplichtingen onder de AVG en kunnen dus niet voldoen aan de eisen van de herregistratieplicht. Organisaties waarvan de registratie wordt geweigerd door de Israëlische autoriteiten zullen hun essentiële hulp niet meer kunnen leveren. Voor meer informatie is uw Kamer vandaag (24 september 2025) middels een vertrouwelijke brief geïnformeerd.
Welke eisen stelt Nederland op het gebied van veiligheidsgaranties en controle op banden met terroristische organisaties bij het verlenen van subsidies of andere samenwerking aan/met NGO’s en haar individuele medewerkers?
Zowel tijdens de selectie van partnerorganisaties als tijdens de uitvoering van activiteiten vindt zorgvuldig risicomanagement plaats. Het is verplicht om een risicoanalyse en integriteitstoets uit te voeren bij maatschappelijke organisaties waarmee het Ministerie van Buitenlandse Zaken een subsidierelatie aangaat. Bij een zogeheten Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) wordt bijvoorbeeld grondig gekeken naar hun organisatiecapaciteit wat betreft doelmatigheid, structuur, omvang, management, bestuurlijke betrouwbaarheid, financiën en interne controlemechanismes. Daarnaast wordt gekeken naar hoe de selectie van medewerkers plaatsvindt. Zo doen hulporganisaties met wie wij samenwerken een uitgebreide controle en screening van alle medewerkers (internationaal, nationaal en vrijwilligers) en partners aan de hand van de sanctielijsten van de VN, VS, EU en nationale instanties.
Militair-civiele samenwerking op Lelystad Airport |
|
Peter de Groot (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Kunt u een andere uitwerking geven van de synergievoordelen die door het kabinet worden genoemd in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD): «Militair-civiele samenwerking op Lelystad Airport biedt veel synergievoordelen, zoals gedeeld ruimtegebruik, medegebruik van ondersteunende diensten en gezamenlijke investeringen»?
U kunt denken aan voordelen en kansen voor samenwerking op het gebied van personeel, technologie, onderhoud, ketenpartners (zoals toeleveranciers), bedrijfsvoeringvoorzieningen en faciliteiten die zowel nodig zijn voor handelsverkeer en jachtvliegtuigen zoals luchtverkeersleiding, brandweervoorzieningen, opleidingen, transport en een start- en landingsbaan.
Deelt u de mening dat deze synergievoordelen alleen optreden indien Lelystad Airport een bedrijfsvoering draait die gericht is op passagiersvluchten? Zo ja/nee, waarom?
Het klopt dat synergievoordelen ontstaan bij samenwerking tussen verschillende gebruikers, mits er sprake is van gedeeld gebruik van voorzieningen zoals de start- en landingsbaan, brandstofinstallaties, luchtverkeersleiding, beveiliging en onderhoudsfaciliteiten. Dit scheelt ruimte en bespaart dubbele kosten ten opzichte van twee vliegvelden. De mate van synergie is afhankelijk van de aard, omvang en intensiteit van het gebruik van Lelystad Airport. Een civiele bedrijfsvoering met enkel general aviation heeft in een beperktere mate synergiemogelijkheden dan met groothandelsverkeer.
In hoeverre is een besluit over het toelaten van passagiersvluchten op Lelystad Airport wenselijk voor snelle realisatie van de stationering van F35's op Lelystad Airport?
Het kabinet heeft aangegeven dit jaar te willen besluiten over commerciële vluchten en de stationering van jachtvliegtuigen, in lijn met de wens van de regio. Het toelaten van commerciële vluchten geeft enerzijds draagvlak in de regio om medewerking te geven aan het stationeren van jachtvliegtuigen en zorgt anderzijds voor de aanwezigheid van verschillende voorzieningen zoals luchtverkeersleiding en brandweer (zie vraag 1). De voorbereidingen voor zowel militaire als civiele ingebruikname worden voortgezet, zodat hier later dit jaar over besloten kan worden
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat voorbereidingen voor de openstelling van de luchthaven voor militair verkeer parallel blijven lopen met de openstelling voor passagiersvluchten?
Op Lelystad Airport zijn de afgelopen jaren al veel voorbereidingen getroffen voor het toelaten van commerciële vluchten. Er lopen nog enkele, voornamelijk juridische, stappen zoals de wijziging van het Luchthavenbesluit Lelystad. Voor militair medegebruik zijn extra voorzieningen nodig zoals infrastructuur, evenals een aantal aanvullende operationele en juridische stappen. Deze voorbereidingen kosten meer tijd dan nodig is voor het toelaten van commerciële vluchten. Hoe dit er concreet uit komt te zien werken wij verder uit. De voorbereidingen voor zowel militaire als civiele ingebruikname worden voortgezet, zodat op een later moment hierover een besluit kan worden genomen door het kabinet. Hierover heb ik, Minister van IenW, u geïnformeerd in Kamerbrief Stand van Zaken Lelystad Airport, die tegelijkertijd met deze brief aan de Kamer is verstuurd.
Wat vindt u van het feit dat het merendeel van de Nederlandse bevolking het eens is met de geplande opstelling van Lelystad Airport voor passagiersvluchten, zoals blijkt uit recente onderzoeken van het Algemeen Dagblad?
Wij hebben hiervan kennisgenomen.
Op welke wijze zijn de kosten van inmiddels 240 miljoen euro voor de aanleg van Lelystad Airport gewogen in de besluitvorming tot op heden?
Gedane investeringen worden meegenomen in de overwegingen en besluitvorming rondom Lelystad Airport, die nog niet is afgerond. Hierover heb ik, Minister van IenW, u geïnformeerd in de Kamerbrief Stand van Zaken Lelystad Airport, die tegelijkertijd met deze brief aan de Kamer is verstuurd.
In hoeverre realiseert u zich dat er geen draagvlak is in de regio van Lelystad Airport voor de stationering van F35's op Lelystad Airport indien dit niet gecombineerd wordt met het toestaan van passagiersvluchten?
Wij realiseren ons dat het regionaal-bestuurlijk draagvlak in dat scenario wegvalt. Het kabinet hecht aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, zoals ook uitgesproken in de Kamerbrief over de ontwerp-beleidsvisie van het NPRD van 23 mei jl.1
Hoe verwacht u (bestuurlijk) draagvlak in de regio van Lelystad Airport te behouden indien wel F35's gestationeerd worden, maar passagiersvluchten niet toegestaan worden?
De insteek van het kabinet is om draagvlak in de regio te behouden. Er wordt gewerkt aan de besluitvorming. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Kunt u na overleg met Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) het proces schetsen voor het verlenen van de benodigde natuurvergunning voor zowel burgerluchtvaart als militair gebruik?
Voor beide aanvragen geldt de reguliere vergunningprocedure waarbij aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op de natuur zijn te verwachten. Daarvoor is een passende beoordeling nodig met daarbij de toets aan het additionaliteitsvereiste. Als daaraan voldaan wordt, kan een vergunning worden afgegeven.
Bent u, Staatssecretaris van Defensie, bereid om samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Flevoland, de gemeente Lelystad en betrokken partijen te werken aan een snelle en zorgvuldige openstelling van Lelystad Airport voor zowel passagiersvluchten als militaire luchtvaart? Zo ja/nee, waarom?
De Ministeries van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat overleggen regelmatig met elkaar, Lelystad Airport en betrokken partijen in de regio over de besluitvorming over Lelystad Airport. Een definitief besluit over de toekomst van Lelystad Airport is nu nog niet aan de orde. Hierover heeft de Minister van IenW u geïnformeerd in de Kamerbrief Stand van Zaken Lelystad Airport, die tegelijkertijd met deze brief aan de Kamer is verstuurd.
Deelt u de mening dat de Tweede Kamer aanvullend op het voornemen wat betreft stationering van de F35 op Lelystad Airport gelijktijdig met de behandeling van het NPRD óók duidelijkheid moet krijgen over het standpunt aangaande de toekomst van passagiersvluchten op Lelystad Airport? Zo ja/nee, waarom?
Het kabinet streeft ernaar om eind dit jaar een definitief besluit te nemen over jachtvliegtuigcapaciteit en de openstelling van Lelystad Airport voor handelsverkeer, zoals uitgesproken in de Kamerbrief over de ontwerp-beleidsvisie van het NPRD van 23 mei jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk voorafgaand aan het Notaoverleg Nationaal Programma Ruimte voor Defensie beantwoorden?
Ja.
Recente incidenten rond Joodse Nederlanders. |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Voor Joden wordt Nederland onleefbaar» van opperrabijn Binyomin Jacobs en Ronny Naftaniel?1
Ja.
Herkent u de zeer zorgwekkende analyse uit dit stuk, namelijk dat Joodse Nederlanders en Joodse instellingen worden aangesproken op de oorlog in Gaza, óók als zij een andere mening zijn toegedaan, en steeds meer te maken met discriminatie en vormen van intimidatie en geweld?
Ja, ik herken de analyse en ben bekend met de incidenten. Ik vind dit een zeer zorgelijke ontwikkeling. Dergelijke incidenten hebben niet alleen impact op gevoelens van onveiligheid, maar zorgt ook voor angst onder Joodse Nederlanders om zich vrij te uiten in meningen en geloofsovertuiging.
Bent u bekend met de schokkende lijst aan recente incidenten, zoals het hoveniersbedrijf dat weigerde een boom van een Haagse synagoge te snoeien2, Israelische gasten van een Nederlands vakantiepark waarvan stiekem videobeelden worden gemaakt en verspreid3, de bekladding van het gebouw van het Cidi en andere gebouwen en objecten, zoals het Nationaal Monument een paar dagen geleden4, het afpersen van een Joods echtpaar met jonge kinderen die een fors bedrag moesten betalen om «jongens uit een sishalounge» ervan te weerhouden «hun huis te bestoken met brandbommen»5?
Zie antwoord vraag 2.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dergelijke intimiderende praktijken? Ziet u het risico dat instellingen en organisaties om «risico’s te vermijden» en «gedoe te voorkomen» Joodse Nederlanders te mijden? Wat vindt u van deze vorm van discriminatie, en wat doet u om dit tegen te gaan?
Het intimideren, bedreigen en afpersen van mensen en instellingen om hun Joods-zijn of religie is onacceptabel. Iedere bedreiging is er één te veel. Ik roep slachtoffers uitdrukkelijk op om aangifte te doen, zodat een onderzoek gestart kan worden naar de strafbare feiten en de daders vervolgd kunnen worden. Het doen van aangifte is ook belangrijk om te zorgen dat dit soort incidenten zichtbaar worden en de omvang van antisemitische geweldsincidenten beter beeld komen.
Ook het uitsluiten van groepen vanwege geloof of identiteit is onaanvaardbaar. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen en volledig kunnen deelnemen aan het openbare leven. Op 22 november vorig jaar heeft het kabinet de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 aan uw Kamer aangeboden waarin een pakket aan maatregelen is opgenomen. Het voorkomen van uitsluiting in onder meer onderwijs en de culturele sector is één van de speerpunten van de kabinetsstrategie.
Klopt het dat de Joodse gemeenschap op dit moment zelf een deel van de beveiligingskosten moet betalen? Hoe hoog zijn die kosten? Bent u van mening dat gelet op het grote aantal aan incidenten hier een grote rol voor de overheid nodig en rechtvaardig zou zijn?
Ik ben er mee bekend dat de toename van antisemitisme in Nederland ertoe heeft geleid dat er Joodse scholen, instellingen en evenementen zijn die zelf maatregelen treffen ten behoeve van de veiligheid of om zorgen over de veiligheid weg te nemen. Hoewel dit past bij de verantwoordelijkheidsverdeling als het gaat om veiligheid, kunnen de kosten hiervan onevenredig drukken op de gemeenschap. Dit heeft er mede toe geleid om in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 de maatregel op te nemen om een Veiligheidsfonds in te richten. Met het Veiligheidsfonds kunnen Joodse scholen, instellingen en evenementen financieel worden ondersteund in het treffen van veiligheidsmaatregelen. Per jaar is 1,3 miljoen euro beschikbaar gesteld. Op 9 september jl. is de regeling in de Staatscourant gepubliceerd en vanaf 15 september kunnen aanvragen voor het Veiligheidsfonds worden ingediend.
Ik heb geen landelijk overzicht van alle beveiligingskosten die door de Joodse gemeenschap gemaakt wordt. Het Veiligheidsfonds heeft als doel om vanuit het Rijk een financiële tegemoetkoming te bieden voor de onevenredig hoge kosten die bijvoorbeeld ouders moeten dragen voor de veiligheidsmaatregelen voor de Joodse school waar hun kinderen naar toe gaan.
Bent u bereid alle beveiligingskosten daarom te betalen en is het in te stellen veiligheidsfonds zoals aangekondigd in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 daarvoor toereikend?
Zie antwoord vraag 5.
Welke concrete stappen heeft u genomen of bent u van plan te nemen om de veiligheid van Joodse Nederlanders te waarborgen, juist ook als het gaat om Joodse instellingen als scholen, synagogen en culturele centra?
Zie antwoord vraag 5.
Wordt er naar uw oordeel voldoende opgetreden tegen antisemitisme op sociale media? Waar blijkt dat uit en bent u van plan om de aanpak te versterken?
Op 4 juli jl. is aan uw Kamer het Plan van aanpak online discriminatie aangeboden door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.6 Dit plan bestaat uit verschillende onderdelen waarbij ingezet wordt op betere meldingssystemen bij platforms, versterkte handhaving, en uitgebreide ondersteuning voor slachtoffers. Bestrijding van antisemitische uitingen maakt integraal deel uit van de aanpak.
De Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding laat, zoals aangekondigd in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030, jaarlijks een onderzoek uitvoeren naar de ontwikkeling van online antisemitisme in de Nederlandse taal. De resultaten van het onderzoek over de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024 worden eind dit jaar verwacht.
Kunt u deze vragen op korte termijn, doch uiterlijk voor Prinsjesdag, beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht dat het Joods Politienetwerk tijdelijk uit het netwerkoverleg van de politie is gestapt. |
|
Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We hebben geen zin meer in politiek»?1
Ja
Wat vindt u ervan dat het Joods Politienetwerk uit het netwerkoverleg is gestapt omdat zij continu op de situatie in Gaza wordt aangesproken?
De politie heeft mij laten weten dat het Joods Politie Netwerk heeft besloten tijdelijk een rustpauze in te willen bouwen, omdat collega’s het gevoel hebben zich in de organisatie te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Ik respecteer net als de Korpschef deze keuze van de medewerkers. Wel wil ik aangeven dat ik het betreurenswaardig vindt dat deze Nederlandse Joodse agenten het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. We moeten er als samenleving voor waken dat conflicten elders een wig drijven tussen mensen en groepen hier. De politieleiding is goed in contact met het Joods Politie Netwerk en ik heb er vertrouwen in dat de Korpschef hier op een zorgvuldige manier mee omgaat.
Wat vindt u ervan dat Joden in Nederland verantwoordelijk worden gehouden voor acties van de Israëlische regering en wat gaat u direct doen om dit te stoppen?
In het algemeen geldt dat het niet juist is om mensen aan te spreken op zaken waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn omwille van een vermeende band met de verantwoordelijken. Dat werkt polarisatie en stigmatisering in de hand. In gesprekken met Joden door heel het land wordt regelmatig aangegeven dat zij verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van de Israël. Dat is niet acceptabel. Joden in Nederland zijn niet verantwoordelijk voor de politiek in Israël, wat je er ook van vindt.
In november 2024 heeft het kabinet de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 aan de Tweede Kamer gestuurd. Op 23 september a.s. zal ik met uw kamer spreken over de voortgang.
Wat vindt u ervan dat bij de politie mensen werken die geen onderscheid kunnen of willen maken tussen Joodse burgers in Nederland en de Israëlische regering?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat gaat u eraan doen om te zorgen dat juist de politie niet bijdraagt aan het grote onveiligheidsgevoel van Joden?
Mij zijn geen signalen bekend dat de politie als geheel in haar handelen bijdraagt aan het onveiligheidsgevoel van Joden. Mochten personen binnen de organisatie zich hier wel schuldig aan maken, dan ga ik er vanuit dat de Korpschef dit stevig aanpakt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook de Joodse burgers van Nederland kunnen vertrouwen op de neutraliteit van de politie en dat de politie ook de Joodse gemeenschap beschermt?
In Nederland moet iedereen zich veilig kunnen voelen en vertrouwen kunnen hebben in de politie. Als mij signalen ter ore komen dat de neutraliteit in het geding is, zal ik dat laten uitzoeken en waar nodig met de Korpschef bespreken.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het Joods Politienetwerk niet meer aangesproken wordt op Gaza, maar juist op vakmanschap?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het plenair debat over antisemitisme in september 2025 beantwoorden?
Ja
Het bericht ‘Verdachte aangehouden voor ernstig zedenmisdrijf op Amsterdamse Weesperzijde’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verdachte aangehouden voor ernstig zedenmisdrijf op Amsterdamse Weesperzijde»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving. Inmiddels is bekend dat de politie een 22-jarige verdachte heeft aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij een ernstig seksueel misdrijf aan de Weesperzijde, die ook wordt verdacht van betrokkenheid bij de moord danwel doodslag op een 17-jarige jonge vrouw uit Abcoude en tevens in een derde zaak verdachte is.
Op dit moment vindt het opsporingsonderzoek plaats onder leiding van een officier van justitie. Zonder op de individuele omstandigheden van de zaak in te kunnen gaan, onderstreept deze strafrechtelijke opvolging dat de wet wordt toegepast.
Bent u het eens met de stelling dat de wet voor iedereen geldt en dus ook voor asielzoekers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier zorgt u ervoor dat dit in de praktijk ook het geval is?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling dat er altijd consequenties moeten zijn voor asielzoekers die de wet overtreden, zoals het leefgeld inhouden, vastzetten, asielaanvraag intrekken en uitzetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeveel gevallen wordt er na een veroordeling daadwerkelijk één van deze straffen opgelegd? Waarom niet in alle gevallen?
Ja, uitgangspunt is dat lik-op-stuk wordt toegepast ten aanzien van asielzoekers die verdacht worden van een misdrijf. Voor politie en justitie geldt dat strafrecht voor iedereen gelijk is, ongeacht verblijfsstatus en dat voor vreemdelingen aanvullende wet- en regelgeving geldt.
Wanneer een asielzoeker bij (onherroepelijk) rechtelijk vonnis is veroordeeld voor een misdrijf wordt er altijd onderzocht of de asielvergunning ingetrokken kan worden of dat de verblijfsaanvraag asiel afgewezen kan worden op grond van openbare orde. Bij brief van 18 december 2024 bent u geïnformeerd over het beleid hierover. Zoals in die brief aangegeven, worden op grond van de Kwalificatierichtlijn en jurisprudentie hoge eisen gesteld aan het weigeren en intrekken van internationale bescherming. In voornoemde brief zijn de genomen maatregelen en het beleid ten aanzien hiervan uiteengezet. Dit is nog altijd van toepassing.
Het aantal ingetrokken asielvergunningen en afgewezen asielaanvragen op grond van de openbare orde, wordt jaarlijks gepubliceerd in de Staat van Migratie. In 2024 ging het om 20 intrekkingen en 70 afwijzingen.
Op welke manier zorgt u ervoor dat wanneer een asielzoeker verdacht wordt van een overtreding of misdrijf of ander strafbaar gedrag, tussen vrijspraak of veroordeling niet wederom de fout in gaat?
Voor een asielzoeker die wordt verdacht van een strafbaar feit, moet duidelijk worden gemaakt dat het plegen van misdrijven direct strafrechtelijke gevolgen heeft (lik-op-stuk). Onder lik-op-stuk beleid wordt verstaan een snelle interventie na aanhouding van de verdachte tot en met de succesvolle tenuitvoerlegging van de straf. Dat zijn bij voorkeur de supersnelrechtzitting bij de politierechter, waarbij de verdachte binnen 72 uur na aanhouding vanuit de inverzekeringstelling wordt berecht en de snelrechtzitting bij de politierechter waarbij de verdachte binnen 17 dagen na aanhouding vanuit de bewaring wordt berecht. In beide situaties wordt een verdachte berecht vanuit de voorlopige hechtenis en kan de rechter bevelen dat de resterende straf direct aansluitend wordt uitgezeten. Zo wordt voorkomen dat veroordeelde vreemdelingen zich aan de tenuitvoerlegging onttrekken. Indien sprake is van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, gaat de Dienst Terugkeer en Vertrek al tijdens de detentieperiode aan de slag met de voorbereiding van de uitzetting. Streven daarbij is om zoveel als mogelijk de vreemdeling direct aansluitend aan de strafdetentie uit te zetten, maar indien nodig kan vreemdelingenbewaring worden ingezet. Van al het vertrek van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) uit de caseload van DTenV betrof in 2024 79% aantoonbaar vertrek.2 Het lik-op-stuk-beleid is van toepassing op veelvoorkomende criminaliteit en lichte high-impact-crimes.
Bent u het eens met de stelling dat het daarom extra belangrijk is dat het amendement over het sneller kunnen opleggen van een ongewenstverklaring kan helpen bij het straffen van asielzoekers die (ernstige) misdrijven plegen (Kamerstuk 36 704, nr. 52)? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat de uitbreiding van de ongewenstverklaring, in combinatie met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, een extra middel vormt om niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen tot vertrek te bewegen. Ik kan hier – in algemene zin – aan toevoegen dat vreemdelingen die onder de Terugkeerrichtlijn vallen en veroordeeld worden voor zware misdrijven in de regel thans een zwaar inreisverbod opgelegd krijgen en strafbaar zijn op grond van art. 197 Sr als vertrek wel aan de orde is, maar hun uitzetting niet kan worden gerealiseerd.
Bent u bereid om experts in het vreemdelingenrecht en het strafrecht te consulteren over hoe we ervoor kunnen zorgen dat vreemdelingen vaker de consequenties van hun gedrag ervaren en wilt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Het is reeds uitgangspunt dat lik-op-stuk wordt toegepast bij asielzoekers die verdacht worden van een misdrijf. Dat betekent dat doorlopend wordt bezien of zowel de beschikbare strafrechtelijke maatregelen als de vreemdelingrechtelijke maatregelen optimaal worden toegepast. In het licht van de snelle strafrechtelijke opvolging van voornoemde casus zie ik voor nu geen aanleiding om aanvullend experts te consulteren.
Informatie over strafrechtelijke veroordelingen wordt per individuele casus vanuit de strafrechtsketen doorgegeven aan de IND. Vervolgens vindt er bij de IND altijd een beoordeling plaats of de veroordeling, binnen het beleid zoals beschreven in antwoord 3, aanleiding is om verblijfsrecht te weigeren of in te trekken.
Hoe verloopt het proces van het opleggen van boetes vanwege zwartrijden en ander illegaal gedrag in het openbaar vervoer? Bent u het eens met de stelling dat zulke boetes voor 100% moeten worden doorbelast (desnoods door het inhouden van leefgeld)? Zo ja, in hoeveel gevallen waarin het bekend is voor wie de boete is, wordt de boete ook daadwerkelijk doorbelast? Waarom niet in alle gevallen? Bent u bereid om met het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in gesprek te gaan hierover en de Kamer hierover te informeren voor het commissiedebat vreemdelingen en asielbeleid van 2 oktober?
De boetes en het proces van het opleggen hiervan wordt gedaan door de vervoerdersbedrijven. Het is onwenselijk dat mensen die zwartrijden geen boete krijgen, geen boete betalen of bij herhaaldelijke overtreding geen reisverbod krijgen. Ik ben hierop tegen en vind dat alle vormen van zwartrijden, ongeacht wie hiervoor verantwoordelijk is, aangepakt moeten worden. In 2023 zijn er door NS in totaal 283.450 uitstel van betalingen (UvB’s) uitgeschreven. In 2024 waren dit er 352.969. In 2023 zijn er door Arriva in totaal 35908 UvB’s uitgeschreven. In 2024 waren dit er 53.542. De uitstel van betalingen betreft zwartrijders brede zin, niet enkel asielzoekers. Het inningspercentage is bedrijfsvertrouwelijke informatie en kan voor beide bedrijven niet worden gedeeld. Ik ben en blijf dan ook samen met vervoerders, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en het COA in gesprek om te bezien welke stappen mogelijk zijn om dat te verbeteren.