Het bericht ‘Alarm over vervalste mbo-diploma’s’ |
|
Anne Kuik (CDA), Bart Smals (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er in toenemende mate wordt gefraudeerd met mbo-diploma’s waardoor ongediplomeerden zich op de arbeidsmarkt bevinden?1 Zo ja, wanneer bent u op de hoogte gebracht van deze fraude?
Ik ben bekend met het hiervoor genoemde bericht.
In juni 2019 hebben vier mbo-scholen aan de MBO Raad gemeld dat vervalsingen van hun diploma’s zouden zijn gebruikt door mensen die geen opleiding bij hen hebben gevolgd of afgemaakt. Het betreft diploma’s in de technieksector. De MBO Raad heeft naar aanleiding van dit signaal direct contact opgenomen met VNO-NCW en DUO. DUO heeft daarop de informatie over de mogelijkheid om een potentiële werknemer een digitaal bewijs uit het diplomaregister te laten overleggen op de website nog nadrukkelijker onder de aandacht gebracht. Vervolgens heeft VNO-NCW haar achterban opgeroepen om gebruik te maken van deze mogelijkheid bij DUO om te controleren of een potentieel werknemer daadwerkelijk het betreffende diploma heeft behaald bij de school. Ik juich het toe dat werkgevers bewust worden gemaakt van het risico op diplomafraude en de mogelijkheden die het Diplomaregister van DUO biedt om dit te voorkomen en te bestrijden.
Bent u bekend met de omvang van de diplomafraude en op welke wijze deze fraude gepleegd wordt? Klopt het dat er in toenemende mate wordt gefraudeerd met diploma’s?
De gevallen die aan het licht komen waar sprake is van een vervalst diploma door controle bij en door DUO, betreffen hooguit één of enkele gevallen per jaar. Andere, betrouwbare signalen hiervan hebben wij niet. Op basis hiervan, noch van andere signalen die wij krijgen, kan niet worden gesproken van een toenemend aantal vervalsingen.
Diplomafraude wordt vrijwel altijd gepleegd met papieren diploma’s en in een enkel geval met een digitaal JPG-bestand. Er is geen enkel geval bekend waarbij het beveiligde PDF-bestand van DUO is vervalst. Dat is dan ook het document waarmee werkgevers en vervolgonderwijs een diploma kunnen controleren. De tool op de website van DUO biedt daarin ondersteuning.
Komt diplomafraude enkel voor in het mbo? Zo nee, kan de Minister beschrijven hoe groot de verwachtte omvang van de fraude in het voorgezet onderwijs, het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs is en of er ook al meldingen van fraude met deze diploma’s zijn?
Zoals hiervoor aangegeven hebben wij alleen gegevens van die gevallen die bij DUO worden gemeld. Voor het mbo gaat het om één geval in 2016 en in 2018. In 2019 zijn er acht gevallen bekend, allemaal in de zorgsector. Van al deze gevallen is door DUO aangifte gedaan. Bij DUO zijn zes gevallen van diplomafraude met een ho-diploma bekend in 2018, en twee in 2017.
Deelt u de mening dat deze vorm van diplomafraude, waardoor onbevoegden zich op de arbeidsmarkt bevinden, een risico vormt voor bijvoorbeeld patiënten in de zorg doordat patiënten afhankelijk zijn van de kennis en kunde van de zorgverleners? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om te onderzoeken hoe groot de groep van onbevoegden is die reeds op de arbeidsmarkt actief zijn zonder diploma?
Ik ben het met u eens dat het een risico is wanneer zorgverleners zonder de juiste kennis en kunde bepaalde handelingen verrichten. Het is dan ook belangrijk dat zij via het diploma aantonen de benodigde vaardigheden te beheersen (en deze daarna blijven bijhouden). Over de waarde van hun diploma mag dan ook geen twijfel bestaan. We hebben op dit moment geen signalen dat er in de zorg op grote schaal sprake is van vervalste diploma’s en ik zie dan ook geen aanleiding om te onderzoeken hoe groot de groep is die op basis van een vervalst diploma actief is op de arbeidsmarkt. Ik roep werkgevers op om wanneer zij twijfel hebben bij een diploma dat hun wordt voorgelegd, de betreffende persoon te vragen om een digitaal uittreksel uit het Diplomaregister te overleggen.
Kunnen deze fraudeurs zich in het BIG-register registeren met een vervalst diploma?
Om onterechte registratie in het BIG-register te voorkomen hanteert de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het beleid om bij de geringste twijfel aan de echtheid van een diploma, het Diplomaregister van DUO te raadplegen. Dit heeft in het verleden wel eens geleid tot het weigeren van inschrijving in het BIG-register. Ingeschreven registraties kunnen ook op een later moment worden geverifieerd. Indien bij verificatie achteraf blijkt van een ongeldig of onecht diploma kunnen inschrijvingen in het BIG-register alsnog worden doorgehaald. Met ingang van 2020 geldt dat als verificatie plaatsvindt, dat dit via het Diplomaregister gebeurt als het diploma van betrokkene in het Diplomaregister is opgenomen.
Van welke sectoren weet u dat met diploma’s gefraudeerd is en welke risico’s in het uitoefenen van het beroep brengt dit met zich mee?
Omdat het om beperkte aantallen gaat, kan ik geen betrouwbare uitspraken doen over de sectoren waarin dit plaatsvindt. Voor alle sectoren zijn echter risico’s voor te stellen wanneer er zonder de juiste kwalificaties wordt gewerkt. Daarom is het van groot belang dat werkgevers gebruik maken van de mogelijkheden die het Diplomaregister van DUO biedt, ongeacht de sector waar het om gaat.
Hoe zouden diploma’s beter beschermd kunnen worden? En hoe kunnen werkgevers controleren of er sprake is van een nepdiploma? Heeft u een inschatting van de mate waarin er bij DUO om een uittreksel uit het diplomaregister wordt gevraagd?
Voor papieren mbo-diploma’s schrijven wij een aantal beveiligingsmaatregelen voor, waaronder een watermerk en microtekst. Daarmee zijn de diploma’s goed beveiligd. Ondanks de bestaande beveiligingsmaatregelen blijft er een klein risico dat diploma’s worden vervalst. Om fraude met vervalste diploma’s te voorkomen is er de mogelijkheid om diploma’s te controleren via het Diplomaregister van DUO. Mbo-diploma’s worden daarin sinds 2007 geregistreerd. Werkgevers kunnen dit raadplegen door (bij twijfel) een sollicitant te vragen om een digitaal uittreksel uit het Diplomaregister te overleggen. Zij kunnen dan controleren of het diploma overeen komt met het uittreksel. Met de huidige beveiligingsmaatregelen is er een goede balans tussen veiligheid, uitvoerbaarheid en betaalbaarheid.
In 2017 is er 263.822 keer een uittreksel van een diploma uit het Diplomaregister gedownload. In 2018 is dit 441.254 keer gebeurd en in 2019 tot en met oktober al 842.401 keer. Dit laat zien dat de samenleving zich in toenemende mate bewust is van het belang van de echtheid van diploma’s en dat het Diplomaregister in toenemende mate wordt gebruikt om hier invulling aan te geven.
Deelt u de mening dat er opgetreden moet worden tegen fraude met diploma’s, onder andere door de fraudesites waar je diploma’s kan kopen buiten werking te stellen en de aanbieders en fraudeurs actief te vervolgen? Zo ja, wie heeft welke bevoegdheden hierin en welke stappen wilt en kunt u hierin zetten? Zo nee waarom niet?
Fraude en oplichting is strafbaar. Wanneer werkgevers of onderwijsinstellingen constateren dat een bedrijf of een persoon heeft gefraudeerd met een onecht diploma, dan raad ik hen aan daarvan aangifte te doen bij de politie. De politie heeft daarbij een eigenstandige bevoegdheid om aangiften wel of niet nader te onderzoeken. Naar aanleiding van het bericht van de MBO Raad zal ik voor dit onderwerp ook aandacht vragen bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Het bericht 'Politie vernietigde cruciaal document in zaak oud-Transaviapiloot Julio Poch' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie vernietigde cruciaal document in zaak oud-Transaviapiloot Julio Poch»?1
Ja.
Klopt het dat uit het vernietigde document van het eerste reisbezoek bleek hoe nauw oud-Minister Hirsch Ballin betrokken was bij de vervolging en omstreden uitlevering van Poch?
Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld bij de beantwoording d.d. 18 mei 2018 van Kamervragen van de leden Sjoerdsma en Groothuizen2 beschik ik niet over verslaglegging van de betreffende reis.
Waarom en op instigatie van wie is dit document verwijderd?
Hetgeen hierover bekend is uit een rapportage van de politie, die als bijlage was gevoegd bij een door het College van procureurs-generaal, mede namens de Korpschef van de Nationale Politie, aan mij gestuurd ambtsbericht van 30 november 2018, is het volgende.
Een medewerker van de politie geeft aan van zijn dienstreis een verslag te hebben opgesteld dat in zijn kluis op zijn werkplek lag. Na zijn vertrek heeft hij de inhoud van de kluis niet kunnen overdragen aan zijn opvolger, hij heeft geen beeld waar dit verslag nu zou kunnen zijn. Hij heeft zelf geen exemplaar meer. In die periode zijn volgens zijn opvolger geen documenten in de casus Poch overgedragen en is de inhoud van de kluis op enig moment vernietigd. Aldus de rapportage van de politie.
Op welk niveau is dit eerste bezoek destijds goedgekeurd? Was de toenmalige Minister op de hoogte van dit bezoek?
Voor zover mij bekend vond het bezoek plaats in het kader van het oriënterend onderzoek met medeweten en instemming van het Openbaar Ministerie. Na het eerste bezoek heeft het College van procureurs-generaal aan de toenmalig Minister laten weten dat de eerste contacten in Argentinië gelegd waren.
Aan wie was dit verslag gericht?
De inhoud van het betreffende verslag is mij niet bekend.
Ziet u mogelijkheden, bijvoorbeeld middels digitale recovery of het onderzoeken van back-ups, om deze bestanden alsnog terug te vinden? Bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
De politie zal, met inachtneming van de wettelijke kaders van de Wpg, een digitale recovery uitvoeren en back-ups onderzoeken.
Welke bewijsvoering over mogelijke betrokkenheid van de heer Poch was voorafgaand aan dit eerste bezoek aanwezig op uw ministerie?
Het verzamelen van bewijs is aan de politie en het OM. Mijn ambtsvoorganger is op de hoogte gebracht van deze lopende zaak middels een ambtsbericht van het OM van 12 november 2007. Dit ambtsbericht bevatte informatie ten behoeve van de beantwoording van Kamervragen van het lid De Wit (SP).
Sinds wanneer is bij u bekend dat dit verslag is vernietigd?
Zie het antwoord op vraag 3 en 9.
Bestaat er een bewaarplicht voor dergelijke documenten? Ziet u enige verklaring voor het feit dat dit cruciale document vernietigd is?
De Wet Politiegegevens (Wpg) schrijft verschillende bewaartermijnen voor. De toepasselijke termijn hangt af van het soort gegevens. Ik ben niet bekend met de inhoud van het verslag. Daarom kan ik niet beoordelen welke bewaartermijn van toepassing is. Ik kan ook niet met zekerheid zeggen of het document vernietigd is. Zie tevens het antwoord op vraag 3.
Is het vernietigen van dit document in strijd met de Archiefwet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Ik ben niet bekend met de inhoud van het verslag. Daarom kan ik niet beoordelen of het eventuele vernietigen in strijd zou zijn met de Archiefwet.
Komt het naar uw oordeel vaker voor dat dergelijke documenten die van belang zijn in strafzaken vernietigd worden?
Van de inhoud van het document ben ik niet op de hoogte. Uitspraken over vergelijkbare documenten kan ik dan ook niet doen.
Zijn er andere verslagen gemaakt van dit reisbezoek, bijvoorbeeld door de Nederlandse ambassade, die op het Ministerie van Buitenlandse Zaken aanwezig zijn? Zo ja, kunt u deze naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft mij laten weten dat het ministerie bezig is met het uitvoeren van een (archief)onderzoek. Tot op heden zijn er geen verslagen van het reisbezoek aangetroffen. Indien ik relevante nieuwe feiten over deze zaak verneem, zal ik Uw Kamer informeren.
Wat was de inhoud van de ambtsberichten van de top van het Openbaar Ministerie (OM) aan Minister Hirsch Ballin over het onderzoek naar Poch uit november 2007 en februari 2008?
Het ambtsbericht van november 2007 werd verstuurd naar aanleiding van Kamervragen van het lid De Wit op 26 oktober 2007. Het OM gaf hier informatie ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervragen en heeft ook procesinformatie verstrekt over het voorbereidend onderzoek.
In het ambtsbericht van februari 2008 staat onder andere dat naar aanleiding van het voorbereidend onderzoek van de Nationale Recherche de opdracht is gegeven aan de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) om een vervolgtraject te starten. Verder staat er dat het hoofd van de CIE de eerste contacten in Argentinië heeft gelegd en dat op korte termijn met een officier van justitie van het Landelijk parket naar Argentinië zal worden gereisd. Ten slotte wordt in het ambtsbericht vermeld dat daarna zal worden beslist over het al dan niet instellen van een strafrechtelijk onderzoek.
Bent u bereid deze documenten te openbaren? Zo nee, waarom niet? Zo nee, bent u dan bereid deze documenten vertrouwelijk aan de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nee, in ambtsberichten informeert het College de Minister van Justitie en Veiligheid in alle vertrouwelijkheid over bepaalde gevoelige zaken en onderwerpen. Openbaarmaking van deze informatie kan de strafrechtelijke opsporing en vervolging en daarmee het goed functioneren van het OM frustreren. Daarnaast brengt openbaarmaking van deze documenten het reële risico met zich dat de volledige vrijheid en vertrouwelijkheid van de communicatie tussen mijn departement en het OM in het geding komt. Het is, gelet op de ministeriële verantwoordelijkheid, aan mij deze schriftelijke communicatiestroom tegen elke belemmering te beschermen.
Volledigheidshalve kan ik toevoegen dat de heer Machielse vanzelfsprekend beschikking heeft over de ambtsberichten.
Sinds wanneer bent u bekend met het bestaan en de inhoud van deze ambtsberichten?
Na mijn aantreden ben ik geïnformeerd over het dossier in algemene zin. Daarbij zijn de in vraag 13 genoemde ambtsberichten ook aan de orde gekomen.
Kunt u in een tijdlijn uiteenzetten welke ambtsberichten de toenmalige Minister (en zijn opvolger(s)) van het College heeft ontvangen over de zaak Poch, en welke informatie middels die ambtsberichten is gedeeld? 17. Zijn er ambtsberichten van de periode van de tweede dienstreis? Zo ja, wat was daarvan de inhoud?
De navolgende ambtsberichten zijn naar boven gekomen bij een grondige zoekslag:
30 november 2018
Een ambtsbericht naar aanleiding van de radio-uitzending van Argos met diverse bijlagen. In het ambtsbericht wordt onder andere ingegaan op de berichtgeving van Argos en de daarmee samenhangende Kamervragen, die zagen op een tijdlijn en het verkrijgen van vluchtgegevens. Verder zijn er enige bijlages bijgevoegd ter inhoudelijke ondersteuning van het ambtsbericht en ten behoeve van de beantwoording van de eerdergenoemde Kamervragen.
13 november 2018
Een ambtsbericht over een aansprakelijkstelling van het Openbaar Ministerie in deze zaak.
26 april 2018
Een ambtsbericht over de sepotbeslissing in de Nederlandse strafzaak.
22 maart 2018
Een ambtsbericht waarin, naar aanleiding mediaberichten, uitgebreid nader wordt ingegaan op het Nederlandse en Argentijnse opsporings- en vervolgingsonderzoek, ontwikkelingen met betrekking tot de getuigen en contacten met de Argentijnse autoriteiten. Ook wordt ingegaan op de uitvoering van rechtshulpverzoeken.
21 december 2017
Een ambtsbericht waarin het Nederlands strafrechtelijk onderzoek, de voorkeur voor berechting in Argentinië, mediaberichten, gestelde Kamervragen en de verleende rechtshulp worden toegelicht.
21 oktober 2009
Een ambtsbericht waarbij is meegezonden het ambtsbericht van het Landelijk Parket d.d. 20 oktober 2009, waarin wordt ingegaan op verzoeken van de advocaat van de verdachte.
6 oktober 2009
Een ambtsbericht waarin, naar aanleiding van Kamervragen, de start van het onderzoek wordt toegelicht. In de bijlage wordt nader ingegaan op Kamervragen.
23 september 2009
Een ambtsbericht waarin melding wordt gemaakt van, en toeloop naar, de aanhouding in Spanje en het lopende Nederlandse strafrechtelijk onderzoek.
26 augustus 2009
Een ambtsbericht waarin wordt ingegaan op de mogelijkheden en onmogelijkheden van berechting in Nederland en mogelijke vervolgstappen ten aanzien van Argentinië in deze zaak.
17 juni 2009
Een ambtsbericht waarbij is meegezonden het ambtsbericht van het Landelijk Parket d.d. 10 juni 2009 waarin de stand van zaken in het onderzoek, de mogelijkheden voor samenwerking met Argentinië en de voorkeur voor berechting in Argentinië worden toegelicht.
6 februari 2008
Een ambtsbericht waarin onder andere staat dat naar aanleiding van het voorbereidend onderzoek van de Nationale Recherche de opdracht is gegeven aan de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) om een vervolgtraject te starten. Verder staat er dat het hoofd van de CIE de eerste contacten in Argentinië heeft gelegd en dat op korte termijn met een officier van justitie van het Landelijk parket naar Argentinië zal worden gereisd. Ten slotte wordt in het ambtsbericht vermeldt dat daarna zal worden beslist over het al dan niet instellen van een strafrechtelijk onderzoek.
12 november 2007
Een ambtsbericht naar aanleiding van Kamervragen van het lid De Wit op 26 oktober 2007 waarbij is meegezonden het ambtsbericht van het Landelijk Parket d.d. 6 november 2007. Het OM gaf hier informatie ten behoeve van de beantwoording van deze Kamervragen en heeft ook procesinformatie verstrekt over het voorbereidend onderzoek.
Bent u, gelet op het belang van waarheidsvinding en transparantie in deze reeds langslepende zaak, bereid het tweede reisverslag volledig te openbaren, nadat eerder in een wob-verzoek besloten is om dat niet te doen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 13.
Zo nee, bent u dan bereid dit document vertrouwelijk aan de Kamer te openbaren? Zo nee, waarom niet?
De politie heeft bij het genoemde Wob-besluit het document deels geweigerd op de grond van art. 7 Wpg, 10.2.e, 10.2.g en 11.1 Wob. Tegen dat besluit is bezwaar gemaakt. De politie heeft dit bezwaar op dit moment in behandeling. Ik ga niet vooruitlopen op deze procedure.
Wanneer verwacht u het onderzoek van de heer Machielse te ontvangen?
Ik wacht de lopende bezwaarprocedure bij de politie af, zoals genoemd bij vraag 18, voordat ik besluit over (vertrouwelijke) verzending van het document aan de Kamer.
Bent u het eens met de stelling dat het in deze reeds langslepende zaak niet gepast is om cruciale documenten uit de openbaarheid te houden ten behoeve van een onderzoek zonder termijn, waardoor onduidelijkheid blijft bestaan en controle niet mogelijk is? Zo ja, bent u dan bereid de documenten die beschikbaar zijn gesteld aan de heer Machielse, danwel vertrouwelijk, aan de Kamer te doen toekomen?
Zoals ook vermeld in de beantwoording van de Kamervragen van 3 september 2019 is het onderzoek van de heer Machielse niet aan een termijn gebonden.
Bent u bereid een termijn aan de afwikkeling van het onderzoek te koppelen, gezien de zeer lange periode waarin de heer Poch al geleden heeft onder deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 18 januari heb aangegeven, hecht ik eraan dat er duidelijkheid is over de feiten van de zaak. Om die reden heb ik opdracht gegeven tot het instellen van een onafhankelijk onderzoek naar het dossier. Op dit moment doet de heer Machielse onderzoek. Ik heb alle vertrouwen in het onderzoek van de heer Machielse en zal de documenten die beschikbaar zijn gesteld aan de heer Machielse niet ook aan de Tweede Kamer zenden. Zoals reeds toegezegd zal ik uw Kamer te gelegener tijd informeren over de bevindingen van de heer Machielse. Tevens zal ik uw Kamer blijven informeren wanneer ik op andere wijze relevante nieuwe feiten over deze zaak verneem.
Bent u, gelet op het vernietigen van cruciale documenten in deze zaak, nog steeds van mening dat de gang van zaken in dit dossier niet ongeoorloofd is?
Ik hecht aan een volledig en goed onderzoek naar dit dossier. De onderzoeksopdracht aan de heer Machielse is daarom ook ruim geformuleerd. Het staat de heer Machielse vrij zijn onderzoek uit te breiden, indien hij dat voor zijn onderzoek nodig acht. Ik bemoei mij niet met het onderzoek en laat de heer Machielse vrij het onderzoek zo uit te voeren zoals hij dat wil. Daar hoort bij dat ik geen termijn aan de afwikkeling van het onderzoek wil koppelen.
Bent u bereid de vragen 3, 4 en 10 van mijn schriftelijke vragen van 11 juli 2019 opnieuw te beantwoorden zonder te verwijzen naar het onderzoek van de heer Machielse, wiens onderzoek niet aan een termijn gebonden is, maar op basis van de informatie die u zelf tot uw beschikking heeft?2 Zo nee, waarom niet?
Mede gelet op de antwoorden 3, 5, 8, 9, 10 en 11 ben ik nog steeds van mening dat de gang van zaken in dit dossier niet ongeoorloofd is.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Gelet op het lopende onderzoek van de heer Machielse ligt het uitvoeren van parallel zelfstandig onderzoek niet op mijn weg.
De vervuiling door gaswinning in Overijssel |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht van RTV Oost over de vervuiling door gaswinning in Overijssel?1 Wat is hierop uw reactie?
Ik ken de berichtgeving en ik heb begrip voor de zorgen die burgers hebben over de verontreinigingen in de bodem. Ik vind het ook goed dat zij de verschillende betrokken overheden aanspreken en vragen om deze zorgen aandacht te geven. Het beeld dat in de berichtgeving wordt opgeroepen dat er niets gedaan zou zijn, herken ik niet. In de verdere beantwoording laat ik zien welke stappen er voor de genoemde locaties zijn genomen. Ik licht eerst het huidige beleid met betrekking tot bodemsaneringen toe.
In mijn brief van 18 juni 2018 aan uw Kamer2 ben ik ingegaan op bodemverontreinigingen bij mijnbouwinstallaties, het toezicht daarop, de saneringen, en de Wet bodembescherming (Wbb). Volgens de Wbb zijn bodemverontreinigingen die voor 1 januari 1987 zijn ontstaan zogenoemde historische verontreinigingen, waarvoor het bevoegd gezag niet bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) ligt. De bodemverontreiniging bij Wanneperveen-1 is een zogenoemde historische verontreiniging. De provincie Overijssel is hierbij het bevoegd gezag. Bij een historische verontreiniging bepalen de eventuele risico’s (humaan, ecologie, verspreiding) in relatie tot het gebruik van de locatie, of de verontreiniging binnen vier jaar moet worden gesaneerd. Verontreinigingen die na 1 januari 1987 zijn ontstaan, moeten volgens de Wbb – zoveel als technisch, financieel en ruimtelijk mogelijk is – verwijderd worden.
Welke stappen zijn er door de Staat, de provincie en de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij) in chronologische volgorde gezet sinds 2016 om de vervuilde grond te saneren per locatie?
In de berichtgeving wordt nader ingegaan op de locaties Wanneperveen-1 en Tubbergen-7. In samenwerking met de provincie Overijssel zijn voor deze twee locaties de stappen op een rij gezet.
Waarom is er nog geen begin gemaakt met de sanering?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u in een overzicht duidelijk maken bij welke locaties de bodem en het grondwater is gemonitord op vervuiling? Wat zijn de bevindingen daarvan?
De provincie Overijssel heeft een overzicht4 gemaakt van de NAM locaties. Op alle locaties waar mijnbouwactiviteiten plaatsvinden, wordt jaarlijks via peilbuizen het grondwater gemonitord. Hiervan wordt door de mijnbouwondernemingen een rapport gemaakt en aan het bevoegd gezag gestuurd. Het bevoegd gezag van de desbetreffende locatie zal het rapport beoordelen. Indien in het water uit de peilbuis componenten worden gemeten die niet in water thuis horen dan moet het mijnbouwbedrijf dit onderzoeken. Aan de hand van de resultaten kunnen maatregelen worden opgelegd.
Het grondwater op de locatie wordt jaarlijks gemonitord. In 2016 heeft de provincie Overijssel NAM verzocht om een actualiserend bodemonderzoek uit te voeren. Het adviesbureau Arcadis heeft het onderzoek uitgevoerd. Men heeft in het grondwater op de locatie verhoogde concentraties aan benzeen, xylenen, minerale olie en barium gemeten. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen interventiewaarden worden overschreden. In het rapport wordt aangegeven dat de verontreiniging zich vooral bevindt in de eerste drie meter onder het maaiveld. De bodemverontreiniging is ernstig, maar niet spoedeisend. Op het terrein hebben in het verleden ook al deelsaneringen plaatsgevonden. Als NAM de locatie definitief verlaat zal deze volledige gesaneerd worden.
Het grondwater wordt in het kader van de in 1991 gestarte sanering gemonitord. Uit de monitoring periode 2007 – 2013 en het aanvullende grondwateronderzoek blijkt dat de verontreiniging zich niet of nauwelijks verspreidt en derhalve geen sprake is van een onbeheersbare situatie. Op grond van de beschikking van 26 januari 2016 bestaat er geen verplichting om de beschikte grondwaterverontreiniging te monitoren na 2016.
De bodemverontreiniging binnen de locatie is 25 februari 2010 beschikt als een geval van ernstige verontreiniging. De verontreiniging hoeft niet met spoed te worden gesaneerd bij het gebruik van de locatie als bedrijfsterrein. Na het ontmantelen van de locatie wordt door de NAM de locatie gesaneerd om het gebruik als natuur mogelijk te maken.
Hoe is in Overijssel de kwaliteit van het drinkwater? Op basis van welke gegevens geeft u antwoord?
Uit de informatie van de provincie Overijssel blijkt dat de kwaliteit van het drinkwater in Overijssel uitstekend is. De kwaliteit van het drinkwater wordt zorgvuldig beschermd. De provincie beschermt de bronnen voor de drinkwatervoorziening via het voorzorgsprincipe in het beschermingsbeleid en via voorkantsturing in de ruimtelijke ordening. Hiermee wordt beoogd dat activiteiten met een risico voor het drinkwater worden geweerd en alleen functies met een laag risico (zogenoemde harmoniërende functies) worden toegelaten.
Daarnaast zijn er gebiedsdossiers per wingebied opgesteld. Hierin zijn de in het gebied aanwezige risico’s beschreven in combinatie met een maatregelprogramma om deze risico’s te bewaken, te verkleinen of geheel weg te nemen. Ook Vitens (waterleidingbedrijf in Overijssel) houdt kwaliteit van het water dat naar de winputten toestroomt in de gaten. Men beschikt over een uitgebreid meetnet van waarnemingsputten en neemt daaruit met regelmaat monsters om de waterkwaliteit te analyseren.
Erkent u de spoedeisendheid van de twee genoemde locaties in Wanneperveen en Tubbergen? Wat gaat u doen om de provincie te helpen de bodem rondom die locaties zo spoedig mogelijk te saneren? Wat heeft de provincie van u nodig om de bodem te laten saneren? Wat heeft de provincie nodig van de NAM om de bodem te laten saneren?
Uit de door de provincie Overijssel afgegeven beschikkingen blijkt dat de situatie binnen de twee genoemde locaties niet spoedeisend is. De verontreiniging binnen de locatie Wanneperveen en Tubbergen-7 is ernstig maar niet spoedeisend.
De geconstateerde verontreiniging buiten de locatie Tubbergen-7 is spoedeisend, vanwege de nabijheid van een kwetsbaar Natura2000-gebeid. De sanering aldaar is vanwege de spoedeisendheid reeds gestart.
De locatie Wanneperveen-1 zal, nadat deze niet meer wordt gebruikt als bedrijfsterrein, worden ontmanteld en gesaneerd. De verontreiniging buiten de locatie Wanneperveen-1 is niet spoedeisend. NAM is op mijn verzoek met de provincie Overijssel in overleg om buiten de locatie een deelsanering uit te voeren.
Op het gebied van de Wbb is voor de locatie Wannerperveen-1 en Tubbergen-7 op dit moment geen actie nodig om de provincie te ondersteunen. Het proces loopt. NAM voldoet aan de voorwaarden die in de beschikkingen zijn opgenomen.
De provincie zal de aanvragen van de NAM toetsen conform de Wbb en toe zien op de sanering. De NAM zal als opdrachtgever de werkzaamheden laten uitvoeren. NAM moet met betrekking tot de stikstofdepositie de berekeningen aanleveren die het voor de provincie mogelijk maken om de saneringen door te laten gaan.
Bent u bereid een plan van aanpak te maken voor overige locaties in Overijssel die moeten worden gesaneerd?
De huidige wet- en regelgeving voorziet in een duidelijk prioritering wat betreft de aanpak van verontreinigde locaties. Spoedeisende locaties worden als eerste aangepakt. De niet-spoedeisende locaties worden gesaneerd zodra deze van functie veranderen. De provincie Overijssel heeft in 2016 een lijst opgesteld van de bodemkwaliteit op de 34 NAM locaties. Uit dit overzicht blijkt dat de provincie Overijssel of de desbetreffende gemeente ten aanzien van de Wbb het bevoegd gezag is. De provincie Overijssel en de gemeenten handelen vanuit dit actuele overzicht. Het is niet aan het Ministerie van EZK om voor deze locaties een plan van aanpak op te stellen.
Hoe is het met de vervuiling van de bodem gesteld bij andere boorlocaties in Nederland? Gaat u ook uw invloed aanwenden bij het saneren van die plekken?
Een generiek overzicht van alle mijnbouwlocaties en boorputten kan via de website www.nlog.nl via de interactieve kaart bekeken worden. Via de website www.bodemloket.nl kan via een interactieve kaart of via een gelinkte websites informatie worden gevonden over de lokale bodemkwaliteit.
In mijn brief5 van 12 oktober 2017 aan uw Kamer ben ik ingegaan op bodemverontreinigingen bij mijnbouwinstallaties, het toezicht daarop, de saneringen, en de Wet bodembescherming (Wbb). Volgens de Wbb zijn bodemverontreinigingen die voor 1 januari 1987 zijn ontstaan zogenoemde historische verontreinigingen, waarvoor het bevoegd gezag niet bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat ligt. Ik beschik dan ook niet over een overzicht van historische bodemverontreinigingen waarvoor de provincies of gemeenten het bevoegd gezag zijn. Het is in eerste plaats aan het bevoegd gezag om ervoor te zorgen dat boorlocaties binnen de wettelijke kaders gesaneerd worden. Ik heb hier wat betreft de historische verontreinigingen geen rol en wil ook niet in de bevoegdheid van de provincies of betrokken gemeenten treden.
De Wbb stelt sinds 1 januari 1987 duidelijke regels ten aanzien van het optreden van verontreinigingen. Volgens artikel 13 is iedere mijnbouwexploitant verplicht om nieuwe bodemverontreinigingen te voorkomen en bestaat de verplichting om de verontreiniging zoveel als technisch, financieel en ruimtelijk mogelijk is, te verwijderen. In mijn brief6 van 18 juni 2018 heb ik een overzicht gegeven van mijnbouwlocaties waar een bodemverontreiniging is ontstaan na 1 januari 1987 waarvoor geldt dat deze redelijkerwijs nog niet verwijderd kan worden. Het betrof in totaal vijf mijnbouwlocaties.
Hoe gaat u omwonenden die zich zorgen maken over hun gezondheid en de natuurgebieden in de omgeving informeren over de stand van zaken?
De provincie Overijssel heeft als zijnde bevoegd gezag het initiatief genomen en heeft op 12 december 2019 een informatieavond voor de bewoners georganiseerd. Het Ministerie van EZK en SodM waren hierbij aanwezig.
Hoe staat het met de uitvoering van motie-Beckerman c.s. over verbetering van monitoring van oude olie- en gaswinningsputten?2
Ondergrondse lekkages dienen voorkomen te worden. Het toezicht van SodM is er daarom vooral op gericht om lekkages te voorkomen. Daarvoor kijkt SodM naar de adequate werking van de putintegriteit managementsystemen van de mijnbouwondernemingen.
In 2016 en 2017 heeft SodM onderzoek uitgevoerd naar mogelijke lekkages van buiten gebruik gestelde putten. Men heeft uit een totaal van 1312 putten een selectie gemaakt van 185 putten en boven deze putten metingen verricht. SodM heeft bij de 185 putten geen lekkages geconstateerd8. SodM heeft aangegeven dat zij door gaat met het onderzoek naar mogelijke lekkage van buiten gebruik gestelde putten. SodM kijkt daarbij naar mogelijke risicofactoren op het gebied van de geologische situatie, het (historische) putontwerp en de manier van aanleg.
Bent u bekend met het feit dat het onderzoek van De Groene Amsterdammer niet gebaseerd is op aannames, maar dat dit onderzoek is gebaseerd op de vergunningsaanvraag van Tata Steel IJmuiden zelf? Bent u bekend met het feit dat in een e-mail aan De Groene Amsterdammer de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied stelt dat «de debieten die in vergunningaanvragen zijn opgenomen in het algemeen gebaseerd [zijn] op metingen» en dat de cijfers van De Groene Amsterdammer dus op basis van daadwerkelijk gemeten uitstoot van Tata zelf zijn?1
Ik ben bekend met het onderzoek van De Groene Amsterdammer en de e-mail van de omgevingsdienst.
Het artikel haalt debieten van procesgassen aan volgens de vergunningsaanvraag. Dergelijke debieten hoeven niet direct overeen te komen met de uiteindelijk bereikte debieten. Naast het feit dat middels deze debieten niet direct de CO2-emissie te meten is, is het aannemelijk dat Tata in de vergunningsaanvraag een ruime marge heeft genomen op de emissieruimte.
Tata kan bijvoorbeeld grotere hoeveelheden procesgas hebben aangevraagd, om bij eventuele toename van emissies in de toekomst niet «knel» te komen zitten. Het is ook mogelijk dat Tata rekening heeft gehouden met foutmarges in metingen van procesgassen. De kwaliteit van dergelijke metingen voldoen immers niet aan de gestelde eisen ten aanzien van betrouwbaarheid en onzekerheid binnen het systeem van emissiehandel. Dergelijke marges zijn geaccepteerd om te voorkomen dat een bedrijf bij de dagelijkse procesvoering in de problemen komt.
Bent u bekend met het feit dat dit onderzoek is geverifieerd bij zowel Tata als de Omgevingsdienst? Waarom beweert u in uw brief dat deze aannames niet geverifieerd zijn?
Allereerst merk ik op dat de reactie van de Omgevingsdienst algemeen is geformuleerd. De Omgevingsdienst stelt niet dat de cijfers uit de vergunningsaanvraag daadwerkelijk overeenkomen met emissies, maar slechts dat die in het algemeen daarop gebaseerd zijn.
Uit de reactie van Tata Steel blijkt dat zij de conclusies van het onderzoek stellig weerspreken.
Mijn bewering heeft betrekking op verificatie voor het gebruik binnen het systeem van CO2-emissiehandel. Verificatie daarvoor wordt in de praktijk gedaan door een externe verificateur die is geaccrediteerd voor verificaties t.b.v. CO2-emissiehandel bij staalfabrieken. Dergelijke verificatie van de gebruikte cijfers zoals gebruikt in het onderzoek is naar mijn weten niet gedaan.
Deelt u de constatering dat de cijfers die Tata aanlevert bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) inderdaad afwijken van de cijfers waar De Groene Amsterdammer over bericht, maar dat de cijfers die Tata aanlevert op de in- en uitstroom van koolstof in het productieproces zijn gebaseerd en de cijfers van De Groene Amsterdammer op daadwerkelijk gemeten uitstoot bij emissiepunten?
De cijfers van de Groene Amsterdammer wijken inderdaad af van de cijfers die Tata bij de NEa heeft ingediend.
Ik ben het echter niet eens met de stelling dat de cijfers die De Groene Amsterdammer hanteert zijn gebaseerd op de daadwerkelijk gemeten uitstoot bij de (vele) emissiepunten. De cijfers van De Groene Amsterdammer zijn gebaseerd op een inschatting van de hoeveelheid geproduceerde procesgassen en hun samenstelling ten behoeve van de vergunningsaanvraag, en niet op metingen aan de schoorstenen. Op basis van cijfers in de vergunningsaanvraag kunnen geen conclusies worden getrokken over de daadwerkelijke emissie van Tata.
Deelt u de constatering dat de methode die Tata gebruikt inderdaad als betrouwbaar wordt omschreven, maar dat de methode die in het artikel van De Groene Amsterdammer wordt aangehaald op basis van metingen ook als betrouwbaar wordt gezien? Deelt u de opvatting dat het daarom juist zo curieus is dat de cijfers van Tata en De Groene Amsterdammer maar liefst 20% van elkaar verschillen? Zo ja, bent u bereid hier dieper onderzoek naar te doen?
De methode die De Groene Amsterdammer hanteert is in theorie juist. Op basis van de geproduceerde procesgassen, de samenstelling van deze procesgassen en de hoeveelheid ingezette aardgas kan inderdaad de CO2-emissie van Tata worden berekend.
Echter, elke methode staat of valt bij de juistheid van de gebruikte cijfers. De gebruikte cijfers van procesgassen uit de vergunningsaanvraag zijn veel hoger dan de cijfers die Tata aan de NEa rapporteert. Uit deze cijfers blijkt een veel lagere hoogovengasproductie dan waar De Groene Amsterdammer rekening mee houdt.
Ik heb vertrouwen in het oordeel van de NEa over de door Tata gerapporteerde cijfers. De cijfers zijn gerapporteerd in het kader van de aanvraag voor gratis emissierechten. Dit betekent dat de cijfers nauwkeurig worden getoetst door de NEa, en bovendien zijn de cijfers geverifieerd door een externe geaccrediteerde verificateur.
Wat vindt u van het advies van deskundigen, in het artikel in De Groene Amsterdammer, om de uitstoot van Tata ook te meten aan de emissiebronnen, en niet alleen te berekenen op basis van de koolstof in- en output, zodat door een vergelijking eventuele tekortkomingen in de rapportage kunnen worden opgespoord en gecorrigeerd?
Dergelijke metingen zijn kostbaar en daarom vind ik het advies niet proportioneel. Op het Tata terrein zijn er zeker 90 schoorstenen (emissiepunten) aanwezig. Het is niet mogelijk om op kosteneffectieve wijze op al die emissiepunten continu de CO2-emissie te monitoren volgens de kwaliteitstandaarden die daarvoor binnen het emissiehandelssysteem vereist zijn. Ik zie daarom nog steeds geen aanleiding om aanvullend onderzoek te doen.
Het bericht dat de overheid de glastuinbouw heeft geholpen om het betalen van de CO2-prijs te ontwijken |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Overheid hielp tuinders Europese CO2-prijs te ontwijken» en «De CO2-heffing die nooit werd geïnd»?1 2
Ja.
Klopt het dat de overheid sinds 2012 glastuinbouwbedrijven actief heeft geholpen om zich te onttrekken aan het Europese emissiehandelssysteem ETS? Zo nee, hoe zit het dan?
Nee, veel glastuinbouwbedrijven vallen sinds de afgelopen jaren om legitieme redenen niet langer onder het ETS. Om misbruik te voorkomen, houdt de NEa hierop toezicht.
Klopt het dat van de ruim honderd Nederlandse tuinbouwbedrijven die oorspronkelijk aan het ETS deelnamen, er nu slechts vijftien over zijn? Zo nee, hoe zit het dan?
Er zijn drie redenen dat bedrijven niet meer deelnemen aan het ETS:
Bedrijven hebben het vermogen van hun installaties verminderd;
Bedrijven hebben zich opgesplitst;
Bedrijven voldoen op basis van de «back-up regeling» niet langer aan de ETS-criteria.
Al deze redenen zijn in lijn met de ETS-regels en nauwkeurig getoetst door de NEa om te voorkomen dat er misbruik gemaakt wordt van deze regels
Kunt u een tijdlijn verschaffen van het aantal Nederlandse glastuinbouwbedrijven dat jaarlijks deelnam aan het ETS, inclusief de financiële bijdrage die daarbij werd geleverd?
De NEa heeft in een rapport uit 20183 een dergelijke tijdlijn opgenomen. In tabelvorm laat deze zich als volgt vertalen:
Aantal
2012
90
2013
44
2014
36
2015
28
2016
26
2017
19
Deze bedrijven vallen niet onder ETS. Er is derhalve geen sprake van dat deze bedrijven minder betaald hebben via ETS. Het kabinet kan daarom geen bedragen specificeren.
Klopt het dat door deze gang van zaken de Nederlandse tuinders enkele tientallen miljoenen euro’s minder hebben betaald via het ETS? Kunt u deze bedragen specificeren?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat deze handelwijze een grote mate van onrechtvaardigheid in zich heeft, mede vanwege het feit dat de glastuinbouw al stevige belastingvoordelen geniet inzake de energiebelasting? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat erkent het kabinet niet. Uit de evaluatie van het verlaagde tarief in de energiebelasting die in 2016 is uitgevoerd, blijkt dat de verlaagde energiebelastingtarief voor de glastuinbouw nog steeds bijdraagt aan het doel waarvoor het verlaagde tarief indertijd is ingesteld, namelijk het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de glastuinbouwsector doordat deze relatief kleinschalige sector, anders dan overige energie-intensieve sectoren, onvoldoende profiteert van degressieve tariefstructuur (een tariefstructuur waarbij de verschuldigde belasting als percentage van de heffingsgrondslag (gemiddelde belastingdruk) daalt naarmate de grondslag hoger wordt).
Welke boodschap vindt u dat er afstraalt van een overheid die, terwijl de klimaatcrisis in volle gang is, een sector actief helpt met het omzeilen van het betalen van de CO2-prijs?
Erkent u dat deze handelwijze schadelijk is voor het vertrouwen van burgers in de wijze waarop de overheid omgaat met haar klimaatdoelen? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw inzet om dit geschonden vertrouwen te herstellen?
Erkent u dat deze handelwijze schadelijk is voor het vertrouwen van burgers in de wijze waarop de overheid omgaat met het handhaven van regelgeving? Zo nee, waarom niet?
Wat is uw inzet om dit geschonden vertrouwen te herstellen?
Waaruit blijkt dat deze werkwijze geen negatieve impact zal hebben op het behalen van de doelen uit het Klimaatakkoord?
In het Klimaatakkoord zijn afspraken met de glastuinbouwsector gemaakt over de sectorale klimaatdoelen in 2030. Afgesproken is om de huidige succesvolle transitie-aanpak voor te zetten. Partijen bouwen daarbij voort op het Innovatie en Actie Programma «Kas als Energiebron» dat zich richt op een klimaatneutrale glastuinbouw. Voor het behalen van de klimaatdoelstellingen is de sector daarnaast afhankelijk van externe ontwikkelingen en samenwerkingsprojecten met andere sectoren, zoals de prijsontwikkeling in de vrije energiemarkt, kennis- en innovatie-ontwikkeling geothermie, benutting restwarmte, duurzame elektriciteit en voor de sector uiterst belangrijke CO2-afvang en levering. Samen met de sector zet de rijksoverheid zich vol in om de vereiste CO2-reductie te realiseren.
Wat is uw inzet om een einde te maken aan deze werkwijze?
Door het toezicht van de NEa op de wettelijke regels heb ik er vertrouwen in dat mogelijk misbruik van de regels erg klein is.
Met de afspraken over een jaarlijks dalend CO2-plafond voor de glastuinbouwsector, het CO2-sectorsysteem en de afspraken in het Klimaatakkoord is het niet nodig om de werkwijze aan te passen.
Wat is uw inzet om de niet-betaalde sommen alsnog te vorderen en ten gunste te laten komen aan het behalen van de klimaatdoelen?
Tot en met 2016 is de glastuinbouwsector onder het afgesproken jaarlijks dalend CO2-plafond gebleven en hoeft de sector conform de wet- en regelgeving geen compensatie te betalen. Deze bedrijven vallen niet onder ETS. In 2017 is het sectorplafond overschreden en moet dus compensatie betaald worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de begroting 2020 van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat?
Nee.
Dubbele functies bij veiligheidsregio’s |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Vindt u het wenselijk dat de directeur van een veiligheidsregio, die zich gaat richten op de modernisering van de brandweer, ook brandweercommandant is van een van de korpsen in die veiligheidsregio? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?1
In het Besluit personeel veiligheidsregio’s (Bpv) zijn functies opgenomen voor de brandweer, GHOR, rampenbestrijding en crisisbeheersing. Een «functie» wordt in het Bpv gedefinieerd als een samenstel van te verrichten werkzaamheden. In de nota van toelichting van het Bpv2 is opgenomen dat een persoon één of meer functies kan uitoefenen en dat het begrip functie niet moet worden verward met het begrip functie zoals dat in de rechtspositionele en arbeidsvoorwaardelijke sfeer wordt gehanteerd. Er zijn in het Bpv geen verdere bepalingen opgenomen rondom dubbelfuncties, dus ook niet of functies elkaar uitsluiten.
Het is de verantwoordelijkheid van de besturen van de veiligheidsregio’s om bij het inrichten van hun organisatie afwegingen te maken over het aan personen op te dragen samenstel van werkzaamheden. Daarbij kunnen ook regio-specifieke factoren een rol spelen.
In de Wet veiligheidsregio’s en het Bpv is geen functie directeur veiligheidsregio vastgelegd. Het bestuur van een veiligheidsregio bepaalt zelf of een directeur veiligheidsregio wordt aangesteld, en zo ja, met welk samenstel van werkzaamheden die functionaris wordt belast. Veiligheidsregio’s kunnen hierbij tot verschillende afwegingen en besluiten komen, en dat gebeurt ook. Zo is het aan het bestuur van een veiligheidsregio’s te besluiten of de in het Bpv beschreven functie regionaal brandweercommandant deel uitmaakt van het takenpakket van de directeur. Voor zover bekend is daar op dit moment in circa 18 van de 25 sprake van. Tegen de achtergrond van het gehele takenpakket van de veiligheidsregio’s zie ik dat niet per definitie als onwenselijk. Over de wenselijkheid in een specifieke veiligheidsregio doe ik geen uitspraak. Ik wil niet in de verantwoordelijkheden treden van de besturen van de veiligheidsregio’s.
Hoeveel verschillende dubbelfuncties zijn er bij de verschillende veiligheidsregio’s?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er regels opgesteld rondom dubbelfuncties, bijvoorbeeld over functies die elkaar uitsluiten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn deze?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er mensen in veiligheidsregio’s die met een dergelijke dubbelfunctie in totaal boven de WNT(Wet normering topinkomens)-norm uitkomen? Zo ja, deelt u de mening dat deze mensen in totaal niet meer zouden mogen verdienen dan de WNT-norm?
De Wet normering topinkomens (WNT) geldt ook voor veiligheidsregio’s. In de WNT-rapportage over 2018 die binnenkort aan uw Kamer door de Minister van BZK wordt verstrekt, zijn geen topfunctionarissen van veiligheidsregio’s opgenomen die de WNT overtreden. De WNT bepaalt dat, indien sprake is van bezoldiging als topfunctionaris maar tevens van bezoldiging voor nevenwerkzaamheden bij de WNT-instelling, een andere WNT-instelling dan wel een gelieerde rechtspersoon, de WNT-gegevens die op die samenloop van bezoldiging betrekking hebben, openbaar moeten worden gemaakt. De accountant controleert of de WNT-gegevens van de topfunctionarissen juist en volledig zijn verantwoord. Indien dit niet het geval is, meldt de accountant dit bij de Minister van BZK. Er zijn van de accountants noch op ander wijze meldingen van overtredingen van topfunctionarissen bij veiligheidsregio’s ontvangen.
Natuurbeheer en klimaatbeleid |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grootste ingreep ooit moet Terschellinger duinen weer laten stuiven»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke habitat of soort beschermd wordt met het afgraven van de duinen?
De beschreven ingrepen maken deel uit van een pakket maatregelen om de invloed van stikstof op de duinnatuur te beperken. Dit pakket was onderdeel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De gekozen locaties zijn tot stand gekomen door een gebiedsanalyse waarbij eilanders, ecologen en beheerder (Staatsbosbeheer) betrokken waren, onder regie van de provincie Fryslân. Er is volgens Staatsbosbeheer veel draagvlak voor op het eiland.
De maatregel bestaat uit het pleksgewijs verwijderen van de voedselrijke bovenlaag en/of een dichte begroeiing van helm (ammophila arenaria) (de duinen worden dus niet afgegraven, de natuurlijke morfologie blijft in stand). Het effect van de maatregel is dat de duinen ter plekke weer gaan stuiven. Dit verstuivingsproces was tot stilstand gekomen door de aanplant van helm (in het verleden) en de toegenomen voedselrijkdom van de bodem. Het herstel van de natuurlijke dynamiek draagt bij aan de kwaliteit van de witte duinen (H2120) en zorgt er door het inwaaien van relatief kalkrijk zand voor dat de verzuring in de achterliggende duingraslanden (H2130) vermindert. Daar profiteren ook o.a. de beschermde vogelsoorten tapuit en velduil van.
Kunt u onderbouwen in hoeverre het weghalen van het helmgras soorten als parelmoervlinder, tapuiten en konijnen zal aantrekken en kunt u aangeven wat er nog groeit zonder het helmgras?
Het nut van het weer op gang brengen van de verstuiving van de duinen voor met name de duingraslanden is in zijn algemeenheid beschreven in het rapport «Herstelstrategieën stikstofgevoelige habitats»2 en gespecificeerd in de PAS-gebiedsanalyse voor Terschelling3. De genoemde soorten maken daar gebruik van. Ze nemen af als de vegetatie dichter en minder bloemrijk wordt. Ze kunnen weer herstellen als de vegetatie opener wordt en de bodem minder zuur wordt. Daar waar helm wordt verwijderd (in de zeereep en in stuifkuilen) komt helm vanzelf weer terug, maar dan in een vitale vorm en in een minder dichte vegetatie.
Kunt u toelichten hoe in het natuurbeleid rekening wordt gehouden met klimaatbeleid, waarbij het nodig is dat er meer planten en bomen groeien die meer CO2 kunnen opnemen?
Het laten stuiven van duinen draagt bij aan de klimaatadaptatie van de Nederlandse kust. Doordat het zand de duinen in stuift, kan bijvoorbeeld Terschelling de zeespiegelstijging bijhouden. Zand dat verder de duinen in stuift, komt zo buiten het bereik van de zee te liggen en spoelt dus niet weg bij storm.
In het Klimaatakkoord staan ook maatregelen in relatie tot natuur4. Bij de maatregelen op Terschelling wordt geen bos verwijderd. Helmbegroeiing heeft geen bijzondere functie als het gaat om vastleggen van kooldioxide.
Bent u bereid om te bekijken hoe het beheer van bestaande natuurgebieden meer gericht kan worden op het klimaatbeleid, zodat het zoveel mogelijk bijdraagt aan het reduceren van broeikasgassen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Vastlegging van kooldioxide in bossen is een aandachtspunt voor het natuurbeheer en is onderdeel van de bossenstrategie, zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd.
Kunt u toelichten in hoeverre het beheer van bestaande natuurgebieden onderdeel wordt van de Routekaart nationale biomassa?
De routekaart wordt opgesteld door leden van de klimaattafel landbouw en landgebruik. Naar verwachting zal de routekaart begin 2020 worden aangeboden aan het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ook biomassa uit bos en natuurterreinen worden daarin beschouwd.
Het bericht dat de overheid tuinders hielp om het ETS te ontwijken |
|
Tom van der Lee (GL), Laura Bromet (GL) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Overheid hielp tuinders Europese CO2-prijs te ontwijken»?1
Ja.
Is het juist dat de overheid glastuinbouwbedrijven sinds 2012 actief heeft geholpen om zich te onttrekken aan het Europese Emissions Trading System (ETS)? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee, veel glastuinbouwbedrijven vallen sinds de afgelopen jaren om legitieme redenen niet langer onder het ETS. Om misbruik te voorkomen, houdt de NEa hierop toezicht.
Hoe verklaart u dat van de ruim 100 Nederlandse tuinbouwbedrijven die oorspronkelijk in het ETS deelnamen er slechts 15 over zijn?
Er zijn drie redenen dat bedrijven niet meer deelnemen aan het ETS:
Al deze redenen zijn in lijn met de ETS-regels en nauwkeurig getoetst door de NEa om te voorkomen dat er misbruik gemaakt wordt van deze regels.
Wat bedoelde de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) volgens u precies toen zij vorig jaar sprak van een «georganiseerde uittocht» van de glastuinbouw uit het ETS? Doelde zij daarmee impliciet op de hulp die de Nederlandse overheid gaf om dit systeem te ontwijken?
Uit navraag bij de NEa door het Ministerie van EZK blijkt dat de NEa erop doelde dat de sector actief en georganiseerd de mogelijkheden heeft verkend om binnen de grenzen van de wet uit het ETS te treden. De NEa toetst de vergunningaanvragen van bedrijven waardoor ze niet langer onder ETS vallen aan het wettelijk kader zodat geen misbruik gemaakt kan worden van de regels. Hierin maakt de NEa geen onderscheid tussen aanvragen van glastuinbouwbedrijven of bedrijven uit andere sectoren.
Is het juist dat nieuwe gegevens erop wijzen dat de glastuinbouw haar klimaatdoelen niet haalt?2
In het gewijzigde «Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem voor de periode 2013 – 2020»3 is een CO2-emissieplafond voor 2020 afgesproken. Mocht dit plafond niet gehaald worden dan is in het convenant afgesproken dat de overschrijding gecompenseerd moet worden.
Welke CO2-reductie had er gerealiseerd kunnen worden als de ruim 100 bedrijven onder het ETS waren gebleven en in hoeverre is dit van invloed op het niet halen van de doelstelling uit het Urgendavonnis?
De reductie binnen het ETS vindt plaats op Europese schaal en kan niet eenduidig vertaald worden naar één specifieke sector in Nederland. Met de glastuinbouwsector is een wettelijk vastgelegde CO2-doelstelling afgesproken die geldt voor de gehele glastuinbouw, inclusief de emissies van de glastuinbouwbedrijven die onder het ETS vallen. De inspanningen van de sector om te voldoen aan deze CO2-doelstelling afspraak dragen dus bij aan de doelstelling uit het Urgenda-vonnis. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Is het juist dat de betrokken bedrijven op twee manieren door de overheid werden «geholpen» bij ontwijking van het ETS, door a) de mogelijkheid te creëren om het bedrijf te splitsen waardoor het onder de drempel bleef of b) gasketels als «reserve» aan te merken?3
De mogelijkheid om te splitsen volgt uit de Wet milieubeheer, maar ook uit de Europese ETS-Richtlijn. Daarmee vallen alleen bedrijven boven een bepaalde capaciteit onder ETS. De Nederlandse regels zijn er juist op gericht om misbruik van de mogelijkheid tegen te gaan. Er worden met de Nederlandse regels geen nieuwe mogelijkheden gecreëerd, alleen wordt misbruik verhinderd.
Waarom is ervoor gekozen om deze twee mogelijkheden aan te bieden?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom is dit niet openlijk, ook met de Tweede Kamer, besproken?
Bedrijven hebben gebruik gemaakt van bestaande criteria in de Wet milieubeheer en daarop is getoetst door de NEa.
De zogenaamde «back-up regeling» is opgenomen in artikel 48 van de Ministeriële regeling handel in emissierechten5. Dit artikel is bedoeld om misbruik tegen te gaan: door de eisen uit de regeling mag en kan een bedrijf de back-up installatie niet gelijktijdig gebruiken met de hoofdinstallatie. Omdat het een invulling betreft van de bepalingen uit de ETS-Richtlijn – waarvan de Europese Commissie op de hoogte is – is deze regeling niet voorgelegd aan uw Kamer. In de Wet milieubeheer is aan de Minister de bevoegdheid toegekend omtrent dit onderwerp nadere regels te stellen. Voor de op basis van een dergelijke bevoegdheid vastgestelde regels in een ministeriële regeling wordt geen advies gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Evenmin wordt de ministeriële regeling aan de Tweede Kamer voorgelegd.
Is het technisch en juridisch mogelijk om deze maatregelen weer terug te draaien en wat zouden daar de implicaties van zijn?
De criteria uit de Wet milieubeheer en de ETS-Richtlijn om te bepalen of er sprake is van één installatie zijn bedoeld om te voorkomen dat bedrijven zich opsplitsen, terwijl er eigenlijk nog sprake is van technische, organisatorische of functionele bindingen. Het schrappen van deze criteria is zeer onwenselijk en in strijd met Europese regels, zoals de ETS-Richtlijn en de Richtlijn inzake industriële emissies.
Het schrappen van de back-upregeling brengt een zeer klein aantal glastuinbouwbedrijven weliswaar formeel weer onder het ETS, maar zij zullen feitelijk veel minder uitstoten dan hun capaciteit op papier doet vermoeden: de back-upinstallatie draait immers alleen als de hoofdinstallatie buiten werking is. Door dit ongedaan te maken wordt een kleine groep bedrijven geconfronteerd met kosten (zoals het ongedaan maken van de technische beperking) en administratieve lasten die niet in verhouding staan tot hun daadwerkelijke uitstoot.
Ondermijnt het argument van het Ministerie van LNV dat het een «meer gelijk speelveld» wilde scheppen binnen de tuinbouwsector, waarmee het ministerie de ingrepen aan de NRC lijkt te bevestigen, niet het hele ETS, aangezien iedere andere sector die onder het ETS valt dit ook zou kunnen aangrijpen, omdat onder het systeem alleen de grootste uitstoters worden belast?4
Bedrijven vallen onder het ETS als hun activiteit genoemd wordt in bijlage I van de ETS-Richtlijn (2003/87/EG). Een van de genoemde activiteiten is het «verbranden van brandstof in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW». Glastuinbouwbedrijven vallen onder het ETS als deze drempelwaarde overschreden wordt. Dit betreft 15 bedrijven van de ongeveer 3500 glastuinbouwbedrijven. Gestreefd wordt naar een gelijk speelveld voor alle Nederlandse glastuinbouwbedrijven.
Is de berekening van de NRC juist dat er 20 tot 30 miljoen euro minder is betaald voor uitstootrechten dan er betaald had moeten worden? Zo nee, tot welk bedrag komt u?5
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 2 en 3 vallen deze bedrijven niet onder ETS. Er is derhalve geen sprake van «uitstootrechten die betaald hadden moeten worden»
Is het juist dat er nooit heffingen zijn geïnd in het kader van het «CO2-sectorsysteem», dat is ingevoerd als tegenprestatie voor het speciaal voor deze sector verlaagde tarief van de energiebelasting?6
De glastuinbouwsector is tot en met 2016 onder het in wet- en regelgeving vastgelegde jaarlijks dalende CO2-plafond gebleven en daardoor hoefde volgens de afspraken geen compensatie betaald worden. In 2017 is het plafond met 0,9 Mton overschreden. Hiervoor zal compensatie betaald worden.
Is de berekening van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) juist dat de sector door de verlaagde energiebelasting 100 miljoen per jaar bespaart? Hoeveel had er moeten zijn afgedragen aan heffingen in het kader van het CO2-sectorsysteem, en gaat dit met terugwerkende kracht alsnog gebeuren?7
De informatie van RVO was verouderd en is ondertussen aangepast. Uit de Miljoenennota blijkt dat het glastuinbouwtarief in 2019 een geraamd budgettair belang kent van 136 miljoen euro.Voor de rest van het antwoord zie antwoord op vraag 13.
Bent u bereid volledige verantwoording af te leggen over de nalatigheid van de overheid op dit terrein en met nieuwe voorstellen te komen die de tuinbouwsector op een correcte manier onder het ETS laat vallen, dan wel op een alternatieve wijze dwingt om de vereiste CO2-reductie te realiseren?
De sector houdt zich aan de ETS-regels en via de NEa wordt daar ook toezicht opgehouden. In het gewijzigde «Convenant CO2 emissieruimte binnen het CO2-sectorsysteem voor de periode 2013 – 2020»10 is een CO2-emissieplafond voor 2020 afgesproken. Mocht dit plafond niet gehaald worden dan is in het convenant afgesproken dat de overschrijding gecompenseerd moet worden.
De wolk van verontwaardiging om 2 ton voor sterrenkundige die zwart gat wil kieken |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de Nederlands Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) een aanvraag afwijst aan de hand van een kwalitatief en objectief proces terwijl u besluit om middelen toe te kennen?1
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de Kamervragen van de leden Paternotte en Futselaar intervenieer ik niet in de objectieve afweging van NWO. De middelen die zijn toegekend zijn niet bedoeld voor financiering van het onderzoeksvoorstel dat bij NWO is ingediend en afgewezen.
Op welke grondslag heeft u besloten om Prof. Falcke en zijn onderzoeksgroep eenmalig € 200.000 voor wetenschapscommunicatie toe te kennen? Zijn er meer afgewezen NWO-aanvragen die van u middelen ontvangen? Zo ja welke aanvragen en wanneer heeft dit gespeeld?
In een gesprek tussen de Radboud Universiteit en het ministerie is gesproken over de aandacht voor het onderzoek van Prof. Falcke na het bekendmaken van de foto van het zwarte gat. Daarbij is geconstateerd dat het positief is dat er zoveel aandacht is voor (fundamentele) wetenschap. Het laat zien hoe groot de waarde van wetenschap is voor de maatschappij en hoe dergelijke doorbraken tot de verbeelding spreken. Goede communicatie over doorbraken met een dergelijke impact is van belang en sluit naadloos aan bij de Wetenschapsbrief die ik in januari 2019 aan uw Kamer heb gezonden. Tegelijkertijd is geconstateerd dat de vele optredens, interviews en ontmoetingen veel vragen van Professor Falcke en zijn onderzoeksgroep. Om die reden heb ik besloten bij uitzondering een eenmalige bijdrage toe te kennen. Het bedrag is gebaseerd op een inschatting van wat het ministerie een billijk bedrag acht en de beschikbaarheid van middelen.
Er is derhalve geen sprake van een afgewezen NWO-aanvraag die van mij middelen heeft ontvangen en daar zijn ook geen andere gevallen van.
Hoe komt het dat deze middelen alleen naar Prof. Falcke en zijn onderzoeksgroep gaan en niet naar het Nijmeegs-Leids-Amsterdamse samenwerkingsverband dat in het kader van het Event Horizon Telescope onderzoek een aanvraag had gedaan?
Zoals in de antwoorden op vraag 1 en 2 is uiteengezet, is er geen verband tussen de aanvraag die door een samenwerkingsverband in het kader van de Event Horizon Telescopeis gedaan.
Waar komen deze middelen vandaan, wat kan er nu niet gebeuren nu deze € 200.000 naar Prof. Falcke gaat en in hoeverre hebben deze middelen te maken met de € 4 miljoen die beschikbaar is gekomen voor wetenschapscommunicatie?
De middelen zijn afkomstig uit artikel 16 van de OCW-begroting. Dit budget is bestemd voor incidentele projecten ter stimulering van de wetenschap die passen binnen het kader van de Wetenschapsbrief van januari 2019. Er zijn geen geplande activiteiten die niet door kunnen gaan. Het gaat niet om middelen die eerder door mij beschikbaar zijn gesteld voor wetenschapscommunicatie, waarvan € 3 mln. is bestemd voor outreach en wetenschapscommunicatie via de NWA, en € 1 mln. voor de pilot voor erkennen en waarderen van individuele wetenschappers die aan wetenschapscommunicatie doen.
Indien deze financiering uit die € 4 miljoen komt, komt het dan uit de € 1 miljoen voor een pilot vanuit NWO of uit de € 3 miljoen binnen de Nationale Wetenschapsagenda? Kunt u tevens een overzicht geven van de (beoogde) besteding van deze € 4 miljoen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 komt de financiering niet uit de middelen voor de pilot wetenschapscommunicatie of voor de Nationale Wetenschapsagenda.
De in de wetenschapsbrief aangekondigde € 1 miljoen (incidenteel) wordt ingezet voor een pilot gericht op het zichtbaar maken en waarderen van activiteiten van individuele wetenschappers die aan wetenschapscommunicatie doen. Voor de € 3 miljoen die structureel beschikbaar is binnen de Nationale Wetenschapsagenda is een programma ontwikkeld met de partners uit de kenniscoalitie, dat programma bestaat uit drie delen. Een campagnedeel dat gaat over de resultaten van de NWA en de waarde van wetenschap, een deel dat bestemd is voor partnerschappen met veldpartijen en een call waarop projecten ingediend kunnen worden.
Ik heb eerder aangekondigd dat ik nog dit jaar kom met een brief aan uw Kamer over wetenschapscommunicatie. Daarin zal ik ingaan op de uitwerking van deze initiatieven.
Wat vindt NWO van uw toekenning van € 200.000 aan Prof. Falcke en zijn onderzoeksgroep? Deelt u de mening dat u met uw handeling de externe weging en toekenning van wetenschapsmiddelen door NWO ondergraaft?
NWO heeft kennisgenomen van het OCW-besluit om Prof. Falcke een éénmalig bedrag van € 200.000 toe te kennen. Omdat het niet gaat om financiële middelen voor het uitvoeren van onderzoek, maar voor de communicatie daarover, ziet NWO dit besluit los van de beoordeling van de aanvraag die eerder plaats heeft gevonden via haar beoordelingsproces met peer review. NWO concludeert dat de inhoudelijke beoordeling van de betreffende aanvraag bij NWO die eerder plaatsvond niet ter discussie staat.
De middelen die ik heb toegekend zijn niet gebaseerd op de onderzoeksaanvraag bij NWO en de daarvoor benodigde financiering. Ik heb in de antwoorden op de huidige en eerdere vragen van uw Kamer expliciet gesteld dat ik niet intervenieer in de besluitvorming van NWO en dat de middelen niet zijn bedoeld ter financiering van het afgewezen onderzoeksvoorstel bij NWO.
Is naar aanleiding van de toezegging tijdens het laatste algemeen overleg wetenschapsbeleid al bekend of wetenschapsmusea gebruik kunnen maken van de financiering via outreachgelden van de Nationale Wetenschapsagenda?
Zoals uiteengezet bij vraag 5, is de samenwerking via partnerschappen met veldpartijen één van de onderdelen van de NWA-middelen voor wetenschapscommunicatie en outreach. NWO is in dit kader een samenwerking aangegaan met de Vereniging voor Science centra en Wetenschapsmusea. Zoals eerder beschreven in de kamerbrief over de uitkomsten van de eerste call van de Nationale Wetenschapsagenda2 en in brief over de Uitgangspunten Cultuurbeleid3, vervullen science centra door het hele land een verbindingsfunctie voor de NWA-campagne en organiseren ze regionale evenementen, passend binnen de doelen van de NWA. Nadere details zal ik uitwerken in de Kamerbrief over wetenschapscommunicatie die u nog dit jaar ontvangt.
De daling van de meldingen van mensenhandel vanwege een onjuiste interpretatie van de privacywetgeving |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving in Trouw van 24 oktober 2019 over de daling van het aantal meldingen van mensenhandel als gevolg van misvattingen over de privacywetgeving?1 2
Ja.
Wat is uw reactie op de analyse dat meldingen van mensenhandel achterwege blijven vanwege een onjuiste interpretatie van de privacywetgeving? Deelt u de opvatting dat toestemming niet de enige grondslag is om gegevens te delen maar dat dit ook noodzakelijk kan zijn voor de behartiging van gerechtvaardigde belangen, zoals het in kaart brengen van de omvang van mensenhandel?3
Op 18 oktober jl. heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: de Rapporteur) zijn Slachtoffermonitor Mensenhandel 2014–2018 uitgebracht. Hierin schetst hij inderdaad een zorgwekkend beeld over de daling van het geregistreerde aantal slachtoffers gedurende de afgelopen jaren.
Door de komst van de AVG in mei 2018 is er meer aandacht gekomen voor de naleving van privacyregels. Dit heeft er mogelijk aan bijgedragen dat het aantal meldingen van slachtoffers bij CoMensha ten behoeve van registratie is gedaald.
Het klopt dat de daling van het aantal geregistreerde slachtoffers niet alleen een gevolg is geweest van een mogelijke verkeerde interpretatie van de privacywet. De afgelopen jaren is reeds een trend geconstateerd met betrekking tot een daling van het aantal meldingen van slachtoffers. Dit had onder andere te maken met de druk op de capaciteit van de betrokken partners. Andere thema’s, zoals de vluchtelingenstroom en terrorisme, vergden extra inzet. Daarnaast heeft ook de reorganisatie bij de politie een rol gespeeld, doordat er tijdelijk minder mensenhandel-experts beschikbaar waren (Kamerstuk 28 638, nr. 161). Deze trend is geadresseerd in het programma Samen tegen Mensenhandel (Kamerstuk 28 638, nr. 164, pagina 38). Hierin is ook opgenomen dat de opsporing van mensenhandel efficiënter en effectiever moet worden om de pakkans te vergroten. Hiertoe is een breed palet aan maatregelen aangekondigd in het programma. Daarnaast zijn hierover afspraken gemaakt in de Veiligheidsagenda 2019–2022. Het thema informatiedeling komt tevens aan bod in de voortgangsbrief over het programma Samen tegen Mensenhandel, die uw Kamer op 13 november 2019 ontvangen heeft (Kamerstuk 28 638, nr. 176).
Voldoende zicht op aard en omvang is van belang voor het monitoren van de effecten van het programma Samen tegen Mensenhandel. Hierin wordt onder andere aangeven dat daarom komend jaar een traject gestart zal worden waarin, in samenspraak met wetenschappers en relevante stakeholders, per doelstelling uit het programma meetbare indicatoren worden benoemd. Vervolgens zal onderzocht worden welke data beschikbaar dan wel nodig zijn om iets over deze indicator te kunnen zeggen. Op basis van de analyse zal bezien worden welke aanvullende stappen nodig zijn om de benodigde data te ontsluiten.
In het programma Samen tegen Mensenhandel is tevens aangekondigd dat het komende jaar een tweede schatting naar het totaal aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel uitgevoerd zal worden. Om inzicht te krijgen in de daadwerkelijke omvang van mensenhandel hebben onder andere UNODC en de Rapporteur in 2017 een eerste schatting gepubliceerd van het aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel in Nederland. Een tweede schatting helpt bij het ontwaren van eventuele trends in het aantal mogelijke slachtoffers van mensenhandel. De tweede schatting zal gebaseerd zijn op de cijfers van de jaren 2016, 2017 en 2018.
In aanvulling hierop werkt het Kabinet momenteel aan een beleidsreactie op de Slachtoffermonitor Mensenhandel waarin op de verschillende aanbevelingen van de Rapporteur wordt ingegaan. Gegeven de complexiteit van de problematiek rondom de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de uiteenlopende meningen over de wijze waarop deze in relatie tot de registratie van slachtoffers mensenhandel geïnterpreteerd moet worden, vereist het opstellen van deze reactie meer tijd. Ik streef ernaar uw Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2020 te informeren, zoals tevens aangegeven in de voortgangsbrief.
Verder verwijs ik u naar mijn recente brief van 19 november 2019 over dit onderwerp (Kamerstuk 28 638, nr. 177).
Waren deze signalen u al eerder bekend? Zo ja, wanneer dan, en welke acties heeft u toen ondernomen?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom is er op dit belangrijke gebied na al die tijd nog steeds sprake van een grijs gebied, dat niet voor eenieder duidelijk is welke gegevens gedeeld mogen worden en welke niet? Welke stappen gaat u ondernemen om de misvattingen over de privacywetgeving in ieder geval op dit punt weg te nemen?
Naast de privacyvraagstukken die spelen bij de melding van slachtoffers bij CoMensha ten behoeve van registratie, speelt ook een ander privacyvraagstuk een rol bij de aanpak van mensenhandel. Zoals gemeld in de voortgangsbrief kan mensenhandel alleen effectief bestreden worden als op alle niveaus en tussen alle partners intensief wordt samengewerkt. Het delen van informatie is daarbij onontbeerlijk. Veel partners ervaren echter belemmeringen bij het delen van informatie. Enerzijds heeft dit te maken met beperkingen die vanuit privacywetgeving (de AVG) gelden aangezien voor het delen van bijzondere persoonsgegevens strenge regels gelden. Anderzijds heeft dit vaak te maken met onduidelijkheid over wat er wel en niet gedeeld mag worden. Dit kan voor handelingsverlegenheid zorgen. In het kader van het programma is daarom een projectleider aangesteld die onderzoekt op welke wijze en onder welke voorwaarden ketenpartners informatie met elkaar kunnen delen. Zodra de resultaten hiervan bekend zijn zal uw Kamer hierover nader geïnformeerd worden.
Waarom is in de begroting vanaf 2020 structureel € 200.000 minder beschikbaar voor het coördinatiecentrum Comensha ten opzichte van 2019, terwijl de aanpak van mensenhandel toch prioriteit heeft? Welke gevolgen zal dit hebben voor de aanpak en het melden van mensenhandel?
CoMensha ontvangt vanuit het Ministerie van JenV een gebundelde subsidie waaraan ook de ministeries van VWS en SZW een bijdrage leveren. De basissubsidie, ten behoeve van onder andere de helpdesk, COSM coördinatie en de opvang van grote groepen slachtoffers, is daarbij altijd toegekend. De basissubsidie betrof een bedrag van € 1.584.589,– voor 2018 en een bedrag van € 1.574.318,– voor 2019. Het Rijk is niet voornemens af te wijken van de voorgaande jaren. Van een structurele vermindering op de begroting is dan ook geen sprake. Het departement heeft reeds de subsidieaanvraag van CoMensha ontvangen. Ook voor 2020 wordt gewerkt aan een gebundelde subsidietoekenning. JenV gaat in overleg met de andere ministeries de reeks voor de komende jaren vastleggen. Hierover worden binnenkort gesprekken gevoerd.
Wat is uw reactie op de constatering dat niet alleen de interpretatie van de privacywet, maar zeker ook onvoldoende prioritering bij de opsporingsdiensten veroorzaakt dat minder vaak melding wordt gemaakt van mensenhandel?
Zie antwoord vraag 2.
Woonruimte voor (economisch) daklozen |
|
Carla Dik-Faber (CU) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aantal daklozen in Nederland verdubbeld: «Iedereen kan dakloos worden»?1
Ja.
In welke mate ziet u dakloosheid als een woonvraagstuk?
Dakloosheid kenmerkt zich door het ontbreken van huisvesting. De onderliggende redenen dat mensen dakloos worden zijn echter heel divers en de verschillende oorzaken hangen ook vaak met elkaar samen. Bekend is dat dak- en thuislozen heel vaak een eenpersoonshuishouden vormen, vaak man zijn, en in toenemende mate jong zijn en een niet-westerse achtergrond hebben. Ook blijkt dak- en thuisloosheid vaak samen te hangen met de aanwezigheid van GGZ-problematiek. Daarnaast zien we dat mensen dak- of thuisloos blijven door het ontbreken van geschikte huisvesting. Het oplossen van dakloosheid vraagt om een woning of woonplek en in veel gevallen is ook behandeling en/ of begeleiding nodig, bijvoorbeeld bij het op orde brengen van schulden of bij het op zoek gaan naar werk.
Bent u ermee bekend dat het niet meer alleen om daklozen met een complexe zorgvraag gaat, maar ook om economische daklozen (daklozen die geen zorgvraag hebben maar op straat staan met of zonder baan)? Kunt u aangeven om welke verdeling het ongeveer gaat?
Ja, ik ben bekend met het feit dat er ook mensen zijn die vanwege economische redenen dakloos worden. Het CBS2 heeft onderzoek gedaan naar de achtergrondkenmerken van dak- en thuislozen. Uit het CBS- onderzoek blijkt niet dat er de afgelopen jaren een toename is van het aantal dak- en thuislozen die vanuit een relatief goede sociaaleconomische situatie plotseling of binnen een relatief kort tijdsbestek afglijden richting dakloosheid.
Van de mensen die tussen 2010–2017 in de CBS-daklozenregistraties instroomden werkte 7 procent en ontving ruim driekwart een sociale voorziening. Van het totaal aantal in de CBS-daklozenregistraties ingestroomde daklozen was het merendeel vijf jaar voorafgaand aan hun dakloosheid ook niet werkzaam (26% van hen had destijds een baan). Bij 4 procent van de nieuwe daklozen heeft het jaar voorafgaand aan hun dakloosheid een echtscheiding plaatsgevonden. De voorgeschiedenis van dakloze mensen die in 2017 en 2018 in de CBS-daklozenregistraties instroomden kenmerkt zich dus niet meer dan in de jaren daarvoor door life-events als een scherpe inkomensdaling, baanverlies of recente scheidingen.
In welke mate denkt u dat gebrek aan betaalbaarheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van woonruimte leiden tot toename van het aantal daklozen?
De krapte op de woningmarkt is van invloed op de snelheid waarmee mensen die na bijvoorbeeld een relatiebreuk woonruimte zoeken, er in slagen een volgende woonplek te vinden. Ook geven gemeenten aan dat een tekort aan woonruimte de uitstroom van mensen uit de maatschappelijke opvang ernstig belemmert.
In hoeverre gebrek aan betaalbaarheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid van woonruimte leidt tot een toename van het aantal daklozen is door het CBS niet onderzocht. Zoals reeds aangegeven gaat dak- en thuisloosheid vaak gepaard met diverse met elkaar samenlopende oorzaken.
In welke mate heeft u zicht op de brede groep die problemen heeft met huisvesting? Wat is het risico op dakloosheid voor deze mensen?
Naar schatting van Platform31 is ongeveer tien procent van de Nederlandse bevolking spoedzoeker3. Hoewel een deel van de spoedzoekers voldoende (financiële) mogelijkheden heeft om een voorlopig geschikte oplossing te vinden, geldt voor de meeste spoedzoekers het tegenovergestelde. Zij beschikken niet over voldoende geld, een voldoende groot sociaal netwerk of genoeg inschrijfduur met behulp waarvan op korte termijn een woning kan worden betrokken. De ontwikkelingen op de (huur)woningmarkt (schaarste en een dalende mutatiegraad, huishoudensverdunning) maken het hen niet makkelijker. Het aantal sociale huurwoningen dat met voorrang wordt toegewezen (aan mensen met urgentie of via directe bemiddeling) neemt juist toe, waardoor de kansen voor spoedzoekers die niet in deze categorie vallen kleiner worden4.
Van de woningzoekenden verwacht 30 procent in een onhoudbare situatie terecht te komen, zoals bijvoorbeeld dak- of thuisloosheid, als ze niet binnen drie maanden een woning vindt.5
Met de stimuleringsaanpak Flexwonen zet ik in op de totstandkoming van meer tijdelijke en flexibele woningen op korte termijn voor deze doelgroep. Lokaal verschilt de samenstelling en omvang van de groep spoedzoekers enorm. Als onderdeel van de stimuleringsaanpak Flexwonen organiseert RVO voor het Rijk de regionale versnellingskamers Flexwonen, waarin regio’s op gestructureerde wijze stap voor stap toewerken naar een haalbaar en gedragen flexwonenconcept.
Om meer zicht te krijgen op de regionale opgave om specifiek het aantal dak- en thuislozen terug te dringen heeft het kabinet de centrumgemeenten gevraagd deze in kaart te brengen. Dit is een essentiële tussenstap richting een overkoepelend plan van aanpak van de Staatssecretaris van VWS om dak- en thuisloosheid terug te dringen. Uw Kamer wordt hier – conform motie van de leden Westerveld en Regterschot6 – voor het reces in april over geïnformeerd.
Deelt u de mening dat eenieder recht heeft op huisvesting?
Artikel 22, tweede lid, van de Grondwet bevat het recht op huisvesting. Daarin is bepaald dat de overheid zich dient in te spannen voor de bevordering van voldoende woongelegenheid. Deze inspanningsverplichting ziet niet alleen op het aantal woningen maar ook op het volume, de kwaliteit, de veiligheid en de gezondheid daarvan. In diverse wet- en regelgeving zoals de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de Huisvestingswet 2014 zijn deze elementen van het recht op huisvesting nader uitgewerkt.
Ziet u dat er voor de groep economisch daklozen specifiek beleid nodig is en dat deze groep, meer nog dan daklozen met ook andere problematiek, primair behoefte heeft aan een woning? Deelt u de mening dat bij de hulp aan deze groep het realiseren van woonruimte dan ook het primaire uitgangspunt behoort te zijn?
Voor (vrijwel) alle dak- en thuislozen geldt dat zij behoefte hebben aan een passende woonplek, met in meer of mindere mate begeleiding. De stimuleringsaanpak Flexwonen richt zicht onder meer op voldoende passende woonplekken voor daklozen die primair behoefte hebben aan een woning. Daarnaast zal ik conform de motie Dik-Faber/Ronnes7 in het overkoepelende plan voor het terugdringen van dak- en thuisloosheid van het kabinet, ingaan op dak- en thuislozen met primair een woonbehoefte.
Kent u de aanbevelingen die de Nationale ombudsman Reinier van Zutphen in maart 2019 deed aan gemeenten, om te voorkomen dat daklozen niet in de Basisregistratie Personen (BRP) staan ingeschreven, dat er goede ondersteuning en begeleiding moet zijn om verder afglijden te voorkomen en dat er passende oplossingen nodig zijn op de woningmarkt? Kunt u hier op reflecteren en aangeven wat ermee gebeurd is?
De aanbevelingen die de Nationale ombudsman aan gemeenten heeft gedaan zijn mij bekend en onderschrijf ik. Het Ministerie van BZK heeft in dit verband begin 2017 en eind 2018, landelijke workshops georganiseerd voor gemeenten om specifiek de aandacht te vestigen op de circulaire BRP en briefadres. In vervolg hierop is een stappenplan ontwikkeld ten behoeve van de uitvoering bij gemeenten, om situaties die maatwerk vragen beter te kunnen beoordelen. Een en ander moet ertoe leiden dat betrokken personen sneller op een briefadres worden ingeschreven. Daarbij moet ook voor gemeenten duidelijk zijn dat zij daklozen niet direct of indirect mogen «doorsturen» naar andere gemeenten, voor een sluitende aanpak is het van belang dat elke gemeente hierin verantwoordelijkheid neemt. De Minister van BZK heeft in het voorjaar van 2019 een brief aan gemeenten gestuurd om aandacht te vragen voor de problematiek en in bijzonder de verplichting om in te schrijven. In deze brief is ook aandacht gevraagd voor de samenwerking tussen burgerzaken en sociaal domein.
Ten aanzien van ondersteuning en begeleiding voor daklozen om verder afglijden te voorkomen en het belang van passende oplossingen op de woningmarkt verwijs ik u graag naar de eerder genoemde brief die de Staatssecretaris van VWS, SZW en ik namens het kabinet op 6 december 2019 aan uw Kamer stuurden met daarin de extra maatregelen die het kabinet op korte termijn neemt om het creëren van extra woonruimten met begeleiding te stimuleren8. De Staatssecretaris van VWS heeft alle centrumgemeenten gevraagd in kaart te brengen wat op regionaal niveau de opgave is. Dit is een tussenstap richting een overkoepelend plan van het kabinet om dak- en thuisloosheid terug te dringen.
Kan het kabinet bij haar acties om dakloosheid terug te dringen ook voor de groep economisch daklozen extra maatregelen treffen zoals door Van Zutphen is aangegeven? Zo ja, hoe wilt u dit vormgeven? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Ja. Voor deze groep heb ik onder meer met de stimuleringsaanpak Flexwonen reeds verschillende maatregelen genomen. In de uitvraag die aan centrumgemeenten is gedaan om tot een overkoepelend plan ten aanzien van het tegengaan van dak- en thuislozen te komen, vraagt het kabinet ook aandacht voor daklozen met primair een huisvestingsvraag. In dat kader bezie ik met gemeenten welke maatregelen wij aanvullend kunnen nemen om dakloosheid wegens een tekort aan huisvesting te voorkomen en om deze mensen van een dak boven hun hoofd te voorzien. In het overkoepelend plan van het kabinet kom ik terug op hoe ik invulling geef aan de motie van de leden Dik-Faber en Ronnes die vraagt om een huisvestingsstrategie juist voor deze groep daklozen.
Wat zijn voor woningcorporaties en marktpartijen momenteel de grootste obstakels om met woonoplossingen te komen voor economisch daklozen? Welke mogelijkheden ziet u om deze obstakels weg te nemen?
De ervaren obstakels van woningcorporaties en marktpartijen zijn divers van aard, en verschillen op lokaal niveau. Om het woningaanbod te vergroten en woningbouw te versnellen heb ik samen met verschillende stakeholders al veel stappen gezet. Denk bijvoorbeeld aan de Nationale Woonagenda, de woondeals, de woningbouwimpuls van € 1 miljard, de Transformatiefaciliteit en de korting op de verhuurderheffing van € 1 miljard. De corporatiesector als geheel blijkt over voldoende leenruimte te beschikken om extra te kunnen investeren, bovenop de ruim € 40 miljard die voor de komende vijf jaar in de boeken staat. Naar aanleiding van de motie Ronnes (TK 35 000 VII, nr. 52) en het Klimaatakkoord wordt in kaart gebracht hoe maatschappelijke opgaven en middelen zich tot elkaar verhouden op de middellange en lange termijn. Bij dit onderzoek zijn onder meer het Rijk, WSW en Aedes direct betrokken. Ik verwacht de uitkomsten voor de zomer naar uw Kamer te sturen. De Crisis- en herstelwet is bovendien aangepast en uitgebreid om procedures van woningbouwplannen de vereenvoudigen en versnellen. Daarnaast kunnen verhuurders per 2 januari 2020 gebruik maken van de vrijstelling in de verhuurderheffing voor de bouw van tijdelijke en flexibele woningen. Hiermee kunnen snel extra woningen worden gerealiseerd voor groepen zoals (economisch) dak- en thuislozen.
In de Kamerbrief over de stimuleringsaanpak Flexwonen9 schets ik welke maatregelen ik met de aanpak tref om factoren die de totstandkoming van flexwoningen belemmeren weg te nemen.
De stikstofproblematiek heeft in verschillende delen van het land een groot effect op de woningbouw. Er zijn al mogelijkheden om een vergunning aan te vragen en daar wordt op verschillende plekken ook gebruik van gemaakt. Het kabinet werkt echter hard aan oplossingen om de vergunningverlening nog verder op gang te helpen.
Wat doet u aan het structurele tekort van woningen? Welke extra acties onderneemt u nu het aantal nieuwbouwvergunningen verder afneemt, onder meer door de stikstofcrisis? Hoe zorgt u er voor dat er in samenwerking met VWS en gemeenten voldoende woonruimte is voor economisch daklozen?
Zie antwoord vraag 10.
Welke mogelijkheden ziet u om als (tijdelijke) noodoplossing voor deze groep een uitzondering op de kostendelersnorm te regelen als onderdeel van genoemde aanpak?
De Staatssecretaris van SZW ziet geen aanleiding om in wet- en regelgeving een categoriale uitzondering te introduceren voor dak- en thuislozen. Als het gaat om de inkomensvoorzieningen op grond van de Participatiewet kunnen gemeenten aan de hand van individuele feiten en omstandigheden beoordelen of het toepassen van individueel maatwerk aan de orde is. Gemeenten kunnen dus geen categoriale uitzonderingen maken, bijvoorbeeld voor de kostendelersnorm, maar zij kunnen wel gebruik maken van de mogelijkheden voor individueel maatwerk die de wet biedt. Om gemeenten daarin te faciliteren, zal het Rijk met VNG en Divosa nagaan op welke manieren gemeenten aan individueel maatwerk een invulling geven opdat gemeenten hun ervaringen met elkaar kunnen delen.
Welke mogelijkheden ziet u om als (tijdelijke) noodoplossing gebouwen van overheden, al dan niet in pilotvorm, samen met corporaties te transformeren tot woonruimte bij leegstand?
Met Skills in de Stad, een initiatief van het Rijkvastgoedbedrijf en de Rijksbouwmeester, waarbij in een aantal pilotgemeenten rijks- of publiek vastgoed wordt ingezet om woonplekken te bieden voor kwetsbare jongeren, zet het kabinet in op het gebruik van Rijksvastgoed voor woonruimte.
Het Ministerie van VWS en het Ministerie van BZK stimuleren samen met gemeenten en betrokken partijen bredere toepassing van goede initiatieven voor wonen met begeleiding, zonder dat hiervoor nieuwbouw gepleegd hoeft te worden. Daarbij wordt ook in kaart gebracht in hoeverre gebouwen van overheden (zowel rijksvastgoed als ander publiek vastgoed) getransformeerd kunnen worden tot woonruimte, conform de motie van Dik-Faber10. Met de vrijstelling in de verhuurderheffing wordt zowel de realisatie van tijdelijke en flexibele woningen gestimuleerd, zowel in nieuwbouw als voor verbouw van bestaand vastgoed met een niet-woonfunctie.
Welke mogelijkheden ziet u om als (tijdelijke) noodoplossing de aangekondigde stimulans van flexwoningen specifiek in te zetten om in huisvesting van deze groep te voorzien?
Flexwonen biedt zeker een oplossing voor mensen die snel huisvesting nodig hebben. Juist omdat ook locaties zonder een woon-bestemming kunnen worden benut, biedt flexwonen een optie om snel extra woonruimte te creëren. Gemeenten kunnen er voor kiezen om de flexwoningen in te zetten voor de huisvesting van zowel (ex) dak- en thuislozen, als voor andere groepen spoedzoekers op de woningmarkt. Het Rijk wijst (centrum)gemeenten actief op de mogelijkheden voor Flexwonen. Om de bouw van flexwoningen verder te stimuleren heeft het Rijk de provincies een financiële bijdrage gegeven, kunnen gemeenten zich aanmelden voor versnellingskamers Flexwonen en staat per 2 januari 2020 een vrijstelling in de verhuurdersheffing voor de bouw van tijdelijke en flexibele woningen open.
Welke (tijdelijke) oplossingen kan de crisis- en herstelwet bieden bij de huisvestingsproblematiek van economisch daklozen?
Via de recent aangepaste Crisis- en herstelwet (Chw) kan voor 15 jaar in plaats van 10 jaar met toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure tijdelijk worden afgeweken van het bestemmingsplan. Daarmee wordt het gemakkelijker de exploitatietermijn van tijdelijke en flexibele woningen rendabel te krijgen. De Chw loopt vooruit op de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet kunnen in het omgevingsplan zonder maximale tijdsduur tijdelijke regels voor activiteiten worden gesteld. Daarmee is op termijn ook een structurele oplossing voorzien voor een rendabele exploitatietermijn.
Welke huisvestingsstrategie gaat u samen met woningcorporaties en gemeenten ontwikkelen om te komen tot een structurele aanpak van de huisvestingsproblematiek van economisch daklozen? Worden hierin ook de verschillende verantwoordelijkheden en te treffen maatregelen voor Rijk, gemeenten en woningcorporaties uiteengezet?
In het overkoepelende plan van het kabinet voor het terugdringen van dak- en thuisloosheid zal ik tevens ingaan op mijn aanpak ten aanzien van daklozen die primair een huisvestingsbehoefte hebben, zonder aanvullende problematiek. Er zijn op dit gebied al positieve ontwikkelingen. Zo is Aedes, de koepelorganisatie van de woningcorporaties, voornemens om – in samenwerking met andere partijen als gemeenten – de komende jaren naar verwachting jaarlijks 10.000 flexwoningen te realiseren, waar ook de doelgroep dak- en thuislozen gebruik van kan maken.
Het bericht dat de Indiase regering de speciale status van het gebied Kashmir schrapt |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pakistaanse premier bang voor etnische zuiveringen na opheffing autonomie Kashmir»?1
Ja.
Kunt u nader aangeven hoe de aard van de repressie er uitziet? Welke maatregelen heeft de Indiase regering genomen tegen de lokale bevolking?
De Indiase regering heeft rondom de opheffing van de autonome status van Kashmir op 5 augustus jl. een aantal preventieve maatregelen genomen. Deze omvatten in eerste instantie onder meer beperking van telecomverbindingen, verbod op samenscholing, sluiting van openbare gebouwen en preventieve aanhoudingen en huisarresten. Inmiddels zijn in grote delen van Kashmir de telefoonverbindingen hersteld, gebouwen weer geopend en het merendeel van arrestanten vrijgelaten. Toegang tot het internet is echter nog altijd beperkt.
Met wie heeft u gesproken om u te informeren over de feiten inzake de situatie in Kashmir?
Het kabinet volgt de situatie nauwgezet. De ambassades in Islamabad en New Delhi onderhouden een breed netwerk om zich te informeren over de situatie in Kashmir.
Wat heeft de Nederlandse overheid precies ondernomen nadat de maatregel van kracht ging?
Ik spreek regelmatig met mijn ambtgenoten van Pakistan en India. In deze contacten zijn zorgen over de situatie overgebracht en heb ik aangegeven dat alleen een vreedzame bilaterale dialoog tussen India en Pakistan kan leiden tot een duurzame oplossing voor de situatie in Kashmir. Ook op hoogambtelijk niveau en in EU-verband worden de Nederlandse zorgen over de situatie geuit.
Zijn er Nederlandse staatsburgers in dat gebied? Zo ja, lopen deze Nederlandse staatsburgers gevaar?
Er staan geen Nederlanders geregistreerd in het informatiesysteem van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is bekend dat een zeer beperkt aantal Nederlanders in Srinagar verblijft. Vanwege de onduidelijke situatie en het niet goed functionerende communicatienetwerk, wordt aan Nederlanders afgeraden naar Kashmir te reizen.
Klopt het dat de nieuwe maatregel betekent dat hindoes zich voortaan vrij mogen vestigen in Jammu en Kashmir, het door India bestuurde gedeelte van het betwiste gebied?
Sinds 31 oktober 2019 is het gebied formeel opgedeeld in twee unie territoria: (1) Jammu & Kashmir en (2) Ladakh. Deze unie territoria vallen onder het centrale gezag. Alle Indiërs kunnen zich sindsdien zonder beperkingen vestigen in deze gebieden. Voorheen gold er voor de deelstaat Jammu en Kashmir een uitzondering en gaf de Indiase Grondwet het recht aan de deelstaat om permanente bewoners aan te wijzen. Nu valt iedereen onder hetzelfde federale recht.
Klopt het dat direct na de aankondiging van de maatregel, die na de ondertekening van een decreet direct van kracht werd, er protesten uitbraken?
In Jammu en Kashmir zijn sinds jaren meer veiligheidstroepen gestationeerd vanwege de Line of Control en de aanhoudende onrust. Sinds de maatregel van kracht is, is de controle verscherpt en zijn meer troepennaar de regio gestuurd. Er is weer toegang tot het telefonienetwerk, internet is nog beperkt. De Indiase regering heeft aangegeven dat de preventieve maatregelen die zijn genomen om de rust te bewaren van tijdelijke aard zijn. Op 15 november is in New Delhi de vaste parlementaire commissie voor binnenlandse zaken bijeengekomen om inzicht te krijgen in het aantal aanhoudingen en huisarresten. Er is gesproken over de stappen die de regering neemt om de situatie in Kashmir te normaliseren. Arrestanten worden geleidelijk vrijgelaten. De arrestanten die worden vastgehouden op grond van de Public Safety Act (PSA) kunnen hun detentie aanvechten.
Klopt het dat internet en telefonie worden geblokkeerd en duizenden manschappen op de been zijn om de orde te handhaven?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat in de afgelopen maanden honderden mensen zijn opgepakt, onder wie politici, hoogleraren, zakenlieden en activisten?
Zie antwoord vraag 7.
Is het intrekken van artikel 370 van de Indiase Grondwet in strijd met het internationale recht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft onvoldoende inzicht in deze complexe situatie om een oordeel te kunnen vellen over de vraag of het besluit van de Indiase regering in strijd met het internationaal recht is. Het is aan de Indiase regering om te onderbouwen dat het besluit in overeenstemming met het internationaal recht is en dat de mensenrechten van de bevolking Kashmir zullen worden gerespecteerd. Zoals gesteld in het antwoord op vraag 3 en 4 volgt het kabinet de situatie nauwgezet en heeft de Minister van Buitenlandse Zaken zijn zorgen over de situatie aan de Indiase autoriteiten overgebracht.
Deelt u de mening dat het besluit van de Indiase regering een schending van het internationale recht is? Zo ja, bent u bereid om dit bij de Verenigde Naties aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Deelt u de mening van de Pakistaanse premier dat etnische zuiveringen plaats zullen vinden in Kashmir nu India de speciale status van het gebied gaat schrappen? Zo ja, deelt u de mening dat dit op het hoogste niveau moet worden bestreden?
Er is mij geen informatie bekend die erop wijst dat er een etnische zuivering plaats zou vinden in Kashmir.
Deelt u de mening van critici dat de maatregel vooral bedoeld is om Kashmir te de-islamiseren doordat hindoes nu massaal naar de regio kunnen trekken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het ongepast om hierover te speculeren.
Welke concrete acties gaat u ondernemen om de veiligheid van de moslims in Kashmir veilig te stellen, nu de speciale status van het gebied is geschrapt?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 volgt het kabinet de situatie nauwgezet. Ik heb mijn zorgen over de situatie aan de Indiase autoriteiten overgebracht en ook EU vertegenwoordigers hebben deze zorgen geuit.
Bent u bekend met het bericht «India stelt in delen van regio Kashmir een avondklok in»?2
De avondklok is niet meer van kracht. Het is mij niet bekend welke straffen de Indiase autoriteiten stellen op het negeren van de avondklok in de regio Kashmir.
Wat is de laatste stand van zaken in verband met de invoering van de avondklok?
Zie antwoord vraag 15.
Welke straffen stelt de Indiase regering op het negeren van de avondklok?
Zie antwoord vraag 15.
Klopt het dat Indiase soldaten de traditionele Muharram-processie probeerden te stoppen, wat tot opstootjes onder de inwoners van Kashmir leidde? Zo ja, deelt u de mening dat het onwenselijk is als soldaten een godsdienstige plechtigheid verstoren?
De Muharram-processie in Kashmir heeft sinds 1990 niet meer plaatsgevonden nadat er toen grote onrust uitbrak in de vallei. De autoriteiten hebben sindsdien de processie om veiligheidsredenen verboden. In andere deelstaten van India wordt de Muharram-processie wel toegestaan.
Klopt het dat de soldaten traangas en rubberkogels inzetten tegen de moslims in Kashmir? Zo ja, bent u bereid om dit te veroordelen?
De berichtgeving uit Kashmir is beperkt en het is niet mogelijk alle berichten te verifiëren. Er zijn aantijgingen dat er traangas en rubberkogels tegen de bevolking zijn ingezet. Deze aantijgingen zijn reden tot zorg en zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 heb ik mijn zorgen over verdere escalatie van de situatie in Kashmir aan India overgebracht.
Bent u bereid om al deze vragen afzonderlijk en uitgebreid te beantwoorden?
De vragen zijn zo goed mogelijk beantwoord.
De rechten van consumenten bij fusies en overnames in de financiële sector |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending van Radar van 28 oktober 2019?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Welke regels gelden er met betrekking tot de overgang van verzekeringspolissen, bankrekeningen, deposito’s enzovoorts bij fusies, overnames en portefeuilleverkoop?
Ik begrijp dat consumenten die financiële producten afnemen het kunnen betreuren wanneer ongewenste veranderingen plaatsvinden doordat dienstverleners betrokken zijn bij een fusie of overname. De Wet op het financieel toezicht (Wft) voorziet in verschillende waarborgen ter bescherming van de rechten van consumenten in geval van fusies en overnames door banken of verzekeraars. Hiermee wordt beoogd zoveel mogelijk te voorkomen dat consumenten nadelige gevolgen ondervinden van een fusie of overname. Met de heer Nijboer ben ik van mening dat dit zoveel mogelijk voorkomen moet worden.
In de eerste plaats geldt dat een verklaring van geen bezwaar (vvgb) van de Europese Centrale Bank (ECB) of De Nederlandsche Bank noodzakelijk is indien een gekwalificeerde deelneming wordt verworven in respectievelijk een bank of verzekeraar met zetel in Nederland.1 Daarvan kan in geval van een fusie of overname sprake zijn. Een gekwalificeerde deelneming is, kort gezegd, een belang van 10% of meer in de aandelen of stemrechten van een onderneming, dan wel een daarmee vergelijkbare zeggenschap. Bij het verlenen van een vvgb wordt onder meer getoetst of de bank of verzekeraar zal kunnen blijven voldoen aan de prudentiële regels van de Wft, teneinde de soliditeit van de betrokken onderneming te waarborgen, en of de kandidaat-verwerver betrouwbaar is.2 Daarnaast geldt een afzonderlijke vvgb-verplichting indien een bank een fusie aangaat of een gekwalificeerde deelneming verwerft in een andere bank. Alvorens in deze gevallen een vvgb te verlenen wordt door de toezichthouder onder meer beoordeeld of de handeling in strijd zou kunnen komen met een gezonde en prudente bedrijfsuitoefening. Deze voorafgaande beoordeling van de toezichthouder in het kader van vvgb-verlening draagt bij aan de bescherming van de belangen van depositohouders en polishouders.
Ten tweede kent de Wft specifieke bepalingen ter bescherming van consumentenbelangen. Zo gelden er regels voor een portefeuilleoverdracht door verzekeraars, die er in de meeste gevallen toe strekken dat DNB met de portefeuilleoverdracht moet instemmen en dat polishouders onder omstandigheden een recht van verzet toekomt. In het geval van fusies en soortgelijke operaties bij banken, gelden specifieke regels die samenhangen met het depositogarantiestelsel (DGS). De regels met betrekking tot een portefeuilleoverdracht door verzekeraars worden hieronder toegelicht in de beantwoording van vraag 3. In de beantwoording van vraag 5 en 6 wordt stilgestaan bij de regelgeving die samenhangt met het DGS.
Welke rechten hebben consumenten als zij niet mee willen overstappen naar een andere bank of verzekeraar? Welke mogelijkheden hebben bijvoorbeeld consumenten die bewust voor een verzekeraar hebben gekozen, maar waarvan de portefeuille is overgegaan naar een private equitypartij waarmee de consument geen enkele binding voelt?
In geval van een portefeuilleoverdracht gaan de rechten en plichten van polishouders over naar een nieuwe verzekeraar. Zoals hiervoor reeds benoemd omvat de Wft regels voor gevallen waarin een verzekeraar voornemens is haar portefeuille geheel of gedeeltelijk over te dragen.3
In de eerste plaats geldt dat een verzekeraar zijn verzekeringsportefeuille niet kan overdragen aan een private equitypartij, maar uitsluitend aan een andere verzekeraar. Dit volgt uit artikel 3:111c van de Wft. Een private equitypartij kan wel de eigenaar zijn van een verzekeraar. In dat geval geldt de vvgb-plicht als omschreven in de beantwoording van vraag 2 en 7.
De regels in de Wft met betrekking tot een portefeuilleoverdracht door verzekeraars verschillen al naar gelang het type verzekeraar, diens omvang4 en de plaats van diens zetel. Het algemene uitgangspunt is dat een portefeuilleoverdracht door een verzekeraar vooraf instemming behoeft van DNB. Dat geldt ook in geval van een voorgenomen (juridische) fusie5, waardoor de portefeuille van een verzekeraar overgaat.6 DNB beoordeelt hierbij in ieder geval of de verzekeraar waaraan wordt overgedragen voldoet aan de solvabiliteitsvereisten. Ook indien DNB andere bedenkingen heeft, stemt zij niet in met de voorgenomen overdracht. Daarbij betrekt DNB zowel de belangen van de polishouders van de overdragende verzekeraar, als de belangen van de polishouders van de verkrijgende verzekeraar.
In het geval van levensverzekeraars en natura-uitvaartverzekeraars geldt dat DNB opdracht geeft tot het publiceren van het voornemen tot overdracht in de Staatscourant en in enkele dag- of vakbladen. Binnen een door DNB vast te stellen termijn kunnen polishouders zich vervolgens bij DNB schriftelijk verzetten tegen de overdracht. Indien ten minste een kwart van de polishouders zich verzet tegen de overdracht, verleent DNB geen instemming en kan de overdracht niet plaatsvinden.7 Ook de instemming van DNB wordt vervolgens in de Staatscourant gepubliceerd. Met deze wettelijke verzetprocedure worden polishouders in feite in staat gesteld om mee te beslissen over een voorgenomen portefeuilleoverdracht.
In het geval van schadeverzekeraars kunnen polishouders op grond van de Wft gedurende drie maanden na publicatie van de goedkeuring van DNB hun verzekering schriftelijk opzeggen. In deze gevallen is de schadeverzekeraar verplicht de vooruitbetaalde premie terug te betalen, alsmede het deel van de voldane assurantiebelasting dat correspondeert met de nog niet verstreken looptijd van de verzekering.8 In het geval van een levensverzekering geldt dat deze in de praktijk wordt beschouwd als een eenzijdige overeenkomst. Dat betekent dat de polishouder het recht toekomt zijn verzekering te beëindigen en de premiebetaling te staken. Doorgaans is in de overeenkomst vastgelegd wat de gevolgen van het staken van de premiebetaling zijn.
Uit het voorgaande volgt dat in geval van fusies en overnames door verzekeraars steeds wettelijke waarborgen gelden ter bescherming van de rechten van polishouders. Polishouders kunnen zich verzetten tegen een overdracht van rechten en verplichtingen aan een andere verzekeraar. Daarnaast kunnen zij, indien zij dit gelet op de omstandigheden van het geval wenselijk achten, hun verzekering opzeggen. De Nederlandsche Bank houdt toezicht op de naleving van deze regelgeving.
Voor de regels die gelden in geval van een portefeuilleoverdracht van banken wordt verwezen naar de beantwoording van de vragen 5 en 6.
Wat kunnen consumenten doen als de nieuwe aanbieder bijvoorbeeld veel slechtere klantenservice blijkt te bieden? En als de nieuwe aanbieder procedures veel ingewikkelder blijkt te maken?
Zoals ook wordt toegelicht in de beantwoording van de vragen 3 tot en met 6, gelden er in geval van fusies en overnames bij banken en verzekeraars specifieke wettelijke waarborgen. Daarbij komt dat, indien een verzekeraar de voorwaarden van de overeenkomst ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde wijzigt, de verzekeringnemer de overeenkomst mag opzeggen tegen de dag waarop de wijziging ingaat en in ieder geval gedurende één maand nadat de wijziging hem is meegedeeld. Als hier geen gebruik van gemaakt kan worden, dan kan er een klacht bij de aanbieder van het financieel product worden ingediend, bijvoorbeeld bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid).
Wat moeten consumenten doen wanneer door een portefeuilleoverdracht opeens niet meer het gehele spaargeld onder het depositogarantiestelsel valt?
Ten aanzien van fusies, het omzetten van een dochter in een bijkantoor en soortgelijke operaties bij banken kent de Wft bepalingen die samenhangen met het DGS. Deze regels volgen uit de Europese richtlijn inzake depositogarantiestelsels (DGS-richtlijn).9 In het geval van een fusie, omzetting van een dochter in een bijkantoor, of soortgelijke operatie zijn de betrokken banken verplicht om hun depositohouders minimaal een maand van te voren hierover te informeren.10 Deze informatieplicht houdt verband met de dekking van deposito’s onder het DGS, dat een bedrag van EUR 100.000,- per rekeninghouder per bank garandeert. Een fusie, omzetting van een dochter in een bijkantoor of soortgelijke operatie kan gevolgen hebben voor de mate waarin tegoeden zijn beschermd. De betrokken banken zijn in deze gevallen op grond van de Wft verplicht om depositohouders, ten aanzien van alle tegoeden boven de EUR 100.000,-, gedurende drie maanden in de gelegenheid te stellen om hun deposito’s, inclusief alle aangegroeide rente en voordelen, kosteloos op te nemen of over te dragen aan een andere bank. Gedurende deze periode is het de bank niet toegestaan een boete in rekening te brengen aan een depositohouder die zijn deposito’s opneemt of overdraagt aan een andere bank.
Voor de regels die gelden in geval van een portefeuilleoverdracht van verzekeraars wordt verwezen naar de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre klopt het dat bij portefeuilleoverdracht de consument vrij kan overstappen naar een andere aanbieder zoals banken aangeven? Welke voorwaarden gelden daarbij? Hoe is dit geregeld bij verzekeraars?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de risico’s van overnames en fusies niet op consumenten afgewenteld mogen worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteen zetten wat de fiscale gevolgen kunnen zijn van overstappen? Bent u van mening dat als een consument wenst over te stappen al die kosten door de consument moeten worden gedragen? Zo ja, waarom vindt u dat redelijk?
De premies die betaald worden voor een lijfrenteproduct zijn onder voorwaarden aftrekbaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in de inkomstenbelasting.11 Indien op enig moment in strijd met deze wettelijke voorwaarden wordt gehandeld, worden de premies en bedragen die zijn betaald voor de lijfrente en het daarover behaalde rendement als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking genomen.12 Ook is in dat geval revisierente verschuldigd.
In de wet is opgenomen dat geen sprake is van het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als een lijfrente die voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor premieaftrek wordt omgezet in een ander zodanig recht.13 Dat betekent dat wanneer een consument een fiscaal gefaciliteerd lijfrenteproduct heeft en dit wil overbrengen naar een andere aanbieder, geen belastingheffing en revisierente verschuldigd zijn als de lijfrente bij de andere aanbieder ook voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor premieaftrek.14 Voorwaarde hiervoor is wel dat (het geld van) de lijfrente rechtstreeks van de ene aanbieder naar de andere aanbieder gaat en dat de consument hier dus niet op enigerlei wijze de beschikking over mag krijgen.
Als sprake is van de hiervoor genoemde fiscaal geruisloze omzetting van de ene lijfrente in de andere lijfrente dan is bij een overstap op het gebied van de belastingheffing derhalve geen sprake van kosten voor de consument. Overigens geldt dit voor lijfrenten bij verzekeraars en bancaire lijfrenten.15
Kan er sprake zijn van verplicht financieel advies bij overstap? Deelt u de mening dat deze kosten voor rekening moeten komen van de financiële instelling? Zo nee, waarom niet?
Bij complexe financiële producten zoals beleggingsfondsen, hypotheken en levensverzekeringen kan de aanschaf van een verkeerd financieel product een consument veel geld kosten. Wanneer een consument er na een fusie of overname voor kiest om over te stappen en niet zelf over de nodige kennis en ervaring beschikt over dergelijke financiële producten, is het aan te raden om financieel advies in te winnen bij de aanschaf van een dergelijk financieel product. De kosten van financieel advies zijn – in het geval van complexe producten waar het provisieverbod voor geldt – voor rekening van de afnemer van het advies. Dit ook om te waarborgen dat financieel advies objectief gegeven wordt.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de rechten van consumenten bij fusies, overnames en portefeuilleoverdrachten versterkt kunnen worden, en daar voor het algemeen overleg over financiële markten van 15 januari 2020 over te rapporteren?
Uit het voorgaande volgt dat er reeds diverse waarborgen bestaan ter bescherming van de belangen van consumenten in geval van fusies en overnames door banken of verzekeraars. Bovendien kunnen kosten op het gebied van de belastingheffing voor de consument worden voorkomen met een fiscaal geruisloze omzetting van een lijfrente. Een nader onderzoek naar het versterken van de rechten van consumenten bij fusies en overnames acht ik om die reden op dit moment dan ook niet nodig. Dat neemt niet weg dat ik met toezichthouders, dienstverleners en belangenorganisaties in gesprek blijf om, waar dat noodzakelijk is, de belangen van consumenten verder te beschermen.
Kunt u bij dit onderzoek tevens inventariseren welke wettelijke belemmeringen er gelden bij een overstap, zoals ten aanzien van lijfrentes die reeds in de uitkeringsfase zitten?
Zie antwoord vraag 10.
Een vermoorde boswachter in Roemenië |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opnieuw boswachter vermoord in Roemenië»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het nieuws dat er alweer een boswachter vermoord is in Roemenië, de tweede in twee maanden tijd, en de zesde in de afgelopen paar jaar? Deelt u de mening dat dit zeer ernstig is en dat boswachters wereldwijd beschermd dienen te worden?
Boswachters vervullen een belangrijke rol in het beheer en de bescherming van bossen wereldwijd. Boswachter verdienen het net als iedereen om in alle veiligheid hun werkzaamheden uit te kunnen voeren. Het is schokkend om te vernemen dat in korte tijd meerdere boswachters bij het uitvoeren van hun werkzaamheden, onder verdachte omstandigheden, om het leven zijn gekomen.
Zal er onafhankelijk onderzocht worden wie er verantwoordelijk is voor de moord op de boswachter? Zo niet, bent u bereid de Roemeense overheid aan te sporen dit onderzoek in te stellen zoals ook 42 maatschappelijke organisaties geëist hebben?2
Het Roemeense OM onderzoekt momenteel de zaak.
Wat is de rol van de Roemeense overheid in het proces van ontbossing in Roemenië? Wat is uw reactie op de uitspraak van het Wereldnatuurfonds (WWF) dat de Roemeense overheid naast de illegale houtmaffia, verantwoordelijk is?
De Roemeense overheid is verantwoordelijk voor het reguleren, controleren en handhaven van de houtkap in Roemenië. Het Kabinet verwelkomt in dat licht de recentelijk door de Roemeense regering aangenomen wet- en regelgeving t.a.v. het bebossen van gedegradeerde stukken land, de toegankelijkheid van het nationale bossen fonds, de status van personeel verantwoordelijk voor bosbeheer, en een nationale bossen strategie. De Roemeense regering geeft hiermee aan dat zij de bescherming van de natuur en de mensen die hierover waken zeer serieus neemt.
Bent u bekend met het artikel «Environmental activists take their forest fight against Romania to Brussel»?3
Ja.
Bent u zich bewust van het feit dat de Roemeense overheid in strijd met EU-recht handelt door in hoog tempo te ontbossen?
Het is in de eerste plaats aan de Europese Commissie om te beoordelen of een lidstaat in strijd met het EU-recht handelt en een lidstaat daar op te wijzen. Uiteindelijk bepaalt het Europese Hof of daadwerkelijk sprake is van schending van het EU-recht.
Is Roemenië ter verantwoording geroepen voor zijn handelen in strijd met EU-recht, binnen EU-verband of door Nederland?
Voor de geloofwaardigheid van de EU is het belangrijk dat in de EU geen illegale ontbossing plaatsvindt als wij van andere landen verlangen niet te ontbossen. In het kader van de EU bossenstrategie zal de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de problematiek van de veiligheid van boswachters en ontbossing, die in meerdere landen speelt, aan de orde stellen. De Kamer werd hierover op een eerder moment al geïnformeerd middels het kabinetstandpunt ten aanzien van de EU Mededeling die zicht richt op bescherming van bossen en bosherstel.
Daarnaast werkt de Nederlandse Ambassade in Boekarest nauw samen met lokale NGO’s op het gebied van bosbeheer en ontbossing. Zo stond in 2017 de wereldmensenrechtendag in het teken hiervan. Ook heeft de Ambassade bijgedragen aan de bewustwording van de impact en effecten van grootschalige ontbossing door vertoning van de film «The Borneo Case» mogelijk te maken.
Bent u bereid zich in te spannen om Roemenië aan te sporen om ontbossing tegen te gaan, om zijn boswachters meer bescherming te bieden, en om te handelen conform EU-recht? Zo niet, waarom? Zo ja, wanneer bent u van plan dit te doen?
Zie antwoord vraag 7.
Zorgorganisatie DeSeizoenen die de gedragscode voor de zorg schendt |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de berichtgeving met betrekking tot zorgorganisatie DeSeizoenen die de gedragscode voor de zorg schendt?1 2 3
Ik vind het onwenselijk als zorgaanbieders de governancecode zorg schenden. Het is goed dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna inspectie), al dan niet in samenwerking met de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna NZa), scherp is op constructies in de zorg waarbij sprake is van (schijn van) belangenverstrengeling, dat zij de betreffende zorgaanbieder daarop vervolgens aanspreekt en hierover ook publiekelijk rapporteert zodat andere zorgaanbieders daarvan kunnen leren.
Hoe oordeelt u over de functies van de twee directeuren van DeSeizoenen die ook directeur zijn van facilitair bedrijf Care Shared Services B.V., dat door DeSeizoenen wordt ingehuurd voor onder andere ICT-diensten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Care Shared Services BV (CSS) en DeSeizoenen BV (hierna DeSeizoenen) maken beiden deel uit van de WW Zorg Groep BV. De WW Zorg Groep BV (hierna WW Zorg Groep) is als holding 100% aandeelhouder van beide BV’s. In de periode 2016–2017 was de financieel directeur van DeSeizoenen tevens bestuurder van CSS en medeaandeelhouder van de holding WW Zorg Groep. De algemeen directeur van DeSeizoenen maakte tevens deel uit van de directie van CSS.
De inspectie oordeelt dat door deze invulling van posities sprake is van een (schijn van) belangenverstrengeling als bedoeld in de governancecodes 2010 en 2017. DeSeizoenen heeft aan de inspectie laten weten dat zij voor het einde van dit jaar een definitief besluit neemt over de wijze waarop de bestuursstructuur (personele unie) van DeSeizoenen en Care Shared wordt aangepast. De Seizoenen heeft aangegeven de maatregelen in de loop van het volgend jaar te effectueren, zodat is voldaan aan de uitgangspunten zoals beschreven in de governancecode zorg 2017.
Ik vind het van belang dat (de schijn van) belangenverstrengeling bij zorgaanbieders wordt vermeden. Daarmee ontstaat namelijk het risico dat de maatschappelijke doelstelling ondergeschikt wordt gemaakt aan zakelijke of privébelangen van individuen binnen die organisatie.
Hoe oordeelt u over de voormalig directeur van DeSeizoenen die naast directeur van DeSeizoenen ook directeur was van Care Shared Services B.V. en ook nog eens aandeelhouder was? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het acceptabel dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), door de gebrekkige administratie van DeSeizoenen, niet kan controleren of er geld via DeSeizoenen is doorgesluisd naar Care Shared Services B.V.?
De Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) schrijft voor dat alle toegelaten zorgaanbieders een ordelijke en controleerbare bedrijfsvoering waarborgen waarbij inkomsten en uitgaven herleidbaar zijn naar bron en bestemming. Een van de conclusies van het onderzoek van de inspectie was dat DeSeizoenen in de periode 2016 t/m 2017 op het onderdeel transacties met verbonden partijen niet transparant is geweest over de bedragen die DeSeizoenen voor de dienstverlening van CSS diende te betalen.
De inspectie constateerde echter ook dat DeSeizoenen na die periode op dit vlak de nodige verbeteringen heeft doorgevoerd. Voorts heeft DeSeizoenen in haar jaarrekening 2018 expliciet een beschrijving opgenomen van de transacties met CSS. Daarnaast is relevant dat de inspectie op dit moment geen aanwijzingen heeft dat zorggelden als winst of dividend zijn uitgekeerd aan de aandeelhouders.
Wat vindt u van de constatering van de IGJ dat DeSeizoenen commerciële risico’s genomen heeft met zorggeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik vind het onwenselijk als een zorgaanbieder commerciële risico’s neemt met zorggeld. Geld dat bedoeld is voor de zorg moet daadwerkelijk worden besteed aan zorg. In onze brieven van 9 juli en 17 oktober jl. hebben mijn VWS-collega’s en ik aangegeven welke maatregelen wij nemen om dat te bevorderen.4 Uw Kamer ontvangt nog deze maand een brief waarin wij nader ingaan op de uitwerking van deze maatregelen.
Kunt u nader laten onderzoeken wat de rol is van ondernemers Loek Winter en zijn drie compagnons binnen DeSeizoenen en wat hun rol is geweest als het gaat om de gewekte schijn van belangenverstrengeling? Zo neen, waarom niet?
De inspectie heeft nu onderzoek gedaan naar goed bestuur inclusief de (schijn van) belangenverstrengeling bij DeSeizoenen in relatie tot de dienstenconstructie. De inspectie wacht op dit moment de beschikking af van de Ondernemingskamer Amsterdam in de zaak die de Centrale Cliëntenraad van DeSeizoenen heeft
aangespannen tegen de bestuurders in relatie tot de vastgoedconstructie van DeSeizoenen. Na kennisname van de uitspraak zal de inspectie bezien of er aanleiding is tot nader onderzoek.
De Ondernemingskamer, de IGJ en de Nederlandse Zorgautoriteit hebben onderzoek gedaan naar de handelwijze van de top van DeSeizoenen. Acht u aanvullend onderzoek nodig? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wat de rol van de Raad van Commissarissen is geweest op de fouten die zijn gemaakt met de aankoop van vastgoed, dubbele petten, gebrekkige administratie en de schijn van belangenverstrengeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Eén van de conclusies van het onderzoek van de inspectie is dat de Raad van Commissarissen niet goed toezicht hield op de in het rapport genoemde transacties met verbonden rechtspersonen. Zo bleken afspraken tussen de bedrijven niet vastgelegd in contracten waaronder ook de lening van ruim 9 ton van DeSeizoenen aan CCS.
In algemene zin dienen interne toezichthouders situaties waar sprake is van de schijn van belangenverstrengeling te signaleren en er op toe te zien dat de risico’s die daaruit voortvloeien worden vermeden. Het is daarbij belangrijk dat zij tijdig en volledig worden geïnformeerd door de betrokken bestuurder. Anders kan de interne toezichthouder zijn rol niet vervullen. Anderzijds dienen interne toezichthouders proactief en alert te zijn op signalen die er op duiden dat bestuurders bedoeld of onbedoeld informatie achter houden die voor de interne toezichthouder relevant is.
Denkt u dat invoering van de nieuwe Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) toereikend zal zijn om dit soort constructies en belangenconflicten te voorkomen of denkt u dat aanvullende maatregelen nodig zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
De maatschappelijke doelstelling van een zorgaanbieder mag nooit ondergeschikt worden gemaakt aan zakelijke of privébelangen van individuen binnen die organisatie. Met de Wtza zetten wij een stap om dit beter te kunnen waarborgen. In onze brieven van 9 juli en 17 oktober jl. hebben mijn VWS-collega’s en ik aangegeven welke maatregelen wij nog meer nemen op dat vlak. Uw Kamer ontvangt nog deze maand een brief waarin wij nader ingaan op de uitwerking van deze maatregelen.
De sluiting van arrestantencellen in de politiebureaus van Doetinchem, Deventer, Ede en Tiel |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie sluit cellen in Ede, Tiel, Doetinchem, nieuw arrestantencomplex in Elst voor heel de regio»?1
Ja.
Hoeveel politie is er in de gemeenten Ede, Tiel, Doetinchem ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden in de plattelandsgebieden beschikbaar?
De uitvoering van de brede politietaak in deze gebieden vindt plaats in overleg met het lokale gezag
Deelt u de mening dat het verlenen van noodhulp voorrang heeft boven het wegbrengen van arrestanten? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het feit dat de politie in het geval de genoemde arrestantencellen gesloten worden meer tijd niet meer beschikbaar is voor het verlenen van noodhulp? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw mening dat spoedmeldingen voorrang hebben boven het wegbrengen van arrestanten.
Het op professionele wijze bejegenen, verzorgen en vervoeren van arrestanten is een belangrijk onderdeel van het politiewerk. Verschillende ontwikkelingen, zoals de afnemende hoeveelheid arrestanten in algemene zin maar ook per politiecellencomplex, de inzet van medewerkers in geregeld lege cellencomplexen en de daarmee samenhangende, onverantwoordbare inzet van capaciteit en onevenredig hoge kosten van de bedrijfsvoering binnen politiecellencomplexen, hebben de politie, ook in de eenheid Oost-Nederland, genoodzaakt kritisch te kijken naar de werkprocessen rondom het vervoeren en insluiten van arrestanten.
De politie-eenheid Oost-Nederland heeft via onderzoeken en consultatierondes langs veiligheidsoverleggen binnen het district en lokale driehoeken de zorgpunten van de burgemeesters in beeld gebracht. Deze worden meegenomen in de impactanalyses en mogelijke oplossingen. In het voorjaar van 2020 zal een definitief besluit aan het bestuur in de eenheid Oost-Nederland worden voorgelegd. Tot die tijd zal de eenheid door de inzet van extra middelen de negen cellencomplexen op de huidige wijze open houden.
De eenheid Oost-Nederland onderzoekt welke impact de sluiting van arrestantencellen in de genoemde gemeenten hebben op het primaire proces. Daarbij spelen overwegingen van doeltreffendheid en doelmatigheid alsook overwegingen met betrekking tot de kwaliteit van het politiewerk en van de dienstverlening een rol. Uitgangspunt is dat het primaire proces zo goed mogelijk wordt ondersteund. De verwachting is dat de maatregelen, waaronder het sluiten van een aantal cellencomplexen, aanvullende arrangementen en werkprocessen mogelijk maken, zoals deze in onderzoek zijn binnen de politie-eenheid Oost-Nederland.
Deelt u de mening dat de sluiting van arrestantencellen in de genoemde gemeenten tot gevolg heeft dat de politie onevenredig veel tijd nodig zal gaan hebben om arrestanten elders onder te brengen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat sluiting van de arrestantencellen alleen een optie kan zijn als er, naar het voorbeeld van het politieteam Maas en Leijgraaf, een aparte vervoersdienst voor arrestanten komt om een tekort aan agenten in de genoemde gemeenten te voorkomen? Zo ja, kunt u er in overleg met de korpsleiding van de politie voor zorgen dat deze vervoersdienst er komt? Zo nee, waarom niet?2
Die mening deel ik niet. Het vervoeren, insluiten en verzorgen van arrestantentaken dient ter ondersteuning van de primaire processen binnen de politie. De politie voert deze wettelijke taak uit op een professionele manier onder toezicht van onafhankelijke toezichthouders. Op het moment dat verschillende omstandigheden de noodzaak geven tot een kritische beschouwing van de werkprocessen rondom arrestantentaken ga ik ervan uit dat de politie die uitvoert met de bedoeling om de professionaliteit van de dienstverlening in de arrestantenzorg ook in de toekomst op een hoog peil te houden. De politie heeft aangegeven dat het instellen van een externe vervoersdienst een van de flankerende maatregelen kan zijn op het moment dat er cellencomplexen sluiten. De invulling daarvan moet blijken uit nadere impactanalyses die de politie met het lokale gezag en het bestuur zal bespreken.
Het bericht dat de SSH& voortaan haar kamers zal verhuren door middel van loting |
|
Frank Futselaar (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Studentenvakbond Akku woedend over nieuwe lotingsysteem SSH&»?1
Er is zowel met de SSH& als de studentenvakbond Akku contact geweest over deze situatie. Naar ik begrijp wil de SSH& over gaan op een systeem van loting, omdat zij met hun huidige toewijzingsregels zien dat maar een bepaalde groep studenten een kamer bij de SSH& weet te bemachtigen. De SSH& heeft namelijk voorrangsregels voor specifieke groepen, zoals eerstejaars met een lange reistijd. Door een systeem van loting te introduceren willen zij aankomende studenten en studenten die voorheen (lang) op de wachtlijst stonden een grotere kans geven om op kamers te gaan.
Akku op haar beurt geeft aan dat deze beleidsaanpassing ten onrechte niet met hen is besproken. Zij zijn van mening dat maatregelen met majeure gevolgen voor de huisvesting van studenten, zoals deze aanpassing van het toewijzingsbeleid, ten minste in het lokale overleg studentenhuisvesting besproken hadden moeten worden.
In het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting hebben partijen afgesproken dat lokale partijen samen op structurele basis aan tafel zitten om vraag en aanbod in beeld te brengen en te bekijken wat nodig is om – nu en in de toekomst – te voldoen aan de onderling afgestemde behoefte. Het is in eerste instantie aan lokale partijen zelf om het lokale overleg vorm en inhoud te geven, maar ik acht het passend dat partijen open en transparant met elkaar communiceren. Niet alleen over vraag en aanbod, maar ook over belangrijke (beleids)voornemens of op stapel staande acties en met gevoel voor de vertrouwelijkheid van bepaalde zaken.
Bent u van mening dat hier de afspraak uit het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting, te weten dat onderwijsinstellingen, gemeenten, studentenbonden en huisvesters zo vaak als nodig met elkaar overleggen, niet nagekomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 toegelicht worden de afspraken uit het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting nagekomen. In het Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting hebben partijen afgesproken dat lokale partijen samen op structurele basis aan tafel zitten om vraag en aanbod in beeld te brengen en te bekijken wat nodig is om -nu en in de toekomst- te voldoen aan de onderling afgestemde behoefte. In Nijmegen is dit lokaal overleg opgestart: het Breed Overleg Studentenhuisvesting, waar de gemeente, huisvesters, onderwijsinstellingen en verschillende studentenvertegenwoordigers spreken over het in evenwicht brengen van vraag en aanbod van studentenhuisvesting.
Het is aan lokale partijen zelf om dit overleg vorm en inhoud te geven. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, acht ik het wel wenselijk dat partijen in het genoemde lokale overleg niet alleen over vraag en aanbod overleggen, maar ook over belangrijke (beleids-)voornemens of op stapel staande acties en met gevoel voor de vertrouwelijkheid van bepaalde zaken.
Heeft u de conclusies ontvangen van het lokaal overleg over de studentenhuisvesting in Nijmegen? Zo ja, is het voornemen van de SSH& om met loting te gaan werken terug te vinden in de conclusies?
De concept-conclusies van het lokaal overleg heb ik ingezien en daar kan ik niet uit opmaken dat er gesproken is over het voornemen van de SSH& om met loting te gaan werken.
Bent u van mening dat een dergelijke grote beleidswijziging in overleg met studenten moet plaatsvinden? Kunt u dit toelichten?
Op basis van de Wet op het overleg huurder verhuurder is een verhuurder verplicht om de betrokken bewonerscommissie en de betrokken huurdersorganisatie te informeren over wijzigingen in het toewijzings- en verhuurderbeleid. De SSH& heeft over zijn voornemen tot een lotingsysteem overleg gevoerd met hun huurdersorganisatie (de SPH). De SPH heeft ingestemd met het systeem van loting. Verder heeft SSH& dit voornemen gedeeld met de gemeente en ook de onderwijsinstellingen. Zoals eerder aangegeven is het in eerste instantie aan de SSH& zelf om dergelijke beleidswijzigingen ook in het eerder genoemde lokale overleg te bespreken en vind ik dit ook gepast en wenselijk. Inmiddels zijn de SSH& en Akku met elkaar in overleg over de invoering van het systeem van loting en word ik geïnformeerd over de uitkomsten.
Op welke wijze zijn studenten geconsulteerd bij deze beslissing? Bent u van mening dat deze regeling ingetrokken moet worden indien blijkt dat studenten niet betrokken zijn geweest bij deze beslissing?
Zie antwoord vraag 4.
Welke inspanning moeten gemeenten, onderwijsinstellingen en huisvesters leveren om lokale studentenbonden te betrekken bij beleidswijzigingen van huisvesters?
In Landelijk Actieplan Studentenhuisvesting is afgesproken dat er een lokaal overleg komt waar ook studentenbonden in zijn vertegenwoordigd. Zodoende ga ik er van uit dat, voor zover het nog niet is gebeurd, lokale partijen de betreffende studentenbonden uitnodigen bij dit lokale overleg. Vanuit het Rijk zullen we vinger aan de pols houden. Mochten er signalen komen dat studentenbonden niet betrokken zijn bij het lokale overleg, dan zullen betreffende partijen daar op aangesproken worden.
Vindt u het rechtvaardig dat studenten die korter dan vier jaar ingeschreven staan, hun opgebouwde rechten verliezen en voor niets 30 euro hebben betaald?
De inschrijfkosten van het «oude» systeem waren 20 euro in plaats van de genoemde 30 euro. Het nieuwe systeem is gratis voor woningzoekenden. Juist omdat de SSH& geen garantie kan bieden op een kamer, vindt de SSH& het niet terecht om geld te vragen voor de toegang tot het aanbodsysteem.
Er is door SSH& voorzien in een overgangsregeling. Deze overgangsregeling geldt voor woningzoekenden met een inschrijfduur van vier jaar of langer. Deze groep heeft gedurende 12 maanden toegang tot de loting van zelfstandige woningen. Deze overgangsregeling is besproken met de huurdersvereniging en zij hebben hiermee ingestemd. Daarmee ben ik van mening dat de SSH& er op voorhand voldoende zorg voor heeft gedragen om tot een gedegen overgangsregeling te komen.
Een Zwartboek naar aanleiding van erbarmelijke omstandigheden voor arbeidsmigranten |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het zwartboek «Wonen achter een hek» dat onlangs door de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) aan de burgemeester van Nieuwkoop is aangeboden?1
Arbeidsmigranten vervullen een belangrijke rol binnen onze economie en zijn essentieel voor de continuïteit in specifieke sectoren. Het is van belang dat deze mensen op een goede en kwalitatieve manier worden gehuisvest. Situaties zoals geschetst in het Zwartboek vind ik dan ook onwenselijk.
Deelt u de mening dat de erbarmelijke woonomstandigheden voor arbeidsmigranten (geen verwarming, geen privacy, schimmel, vies keukengerei, omheind zijn door hekken, ratten onder het chalet, geen ruimte voor spullen, geen tv of wasmachine) zo snel mogelijk moeten worden aangepakt?2
Ik deel de mening dat de verhuurder in samenspraak met het betrokken uitzendbureau als huurder en de gemeente de klachten over de woonomstandigheden dient op te lossen.
Hoe denkt u de grip op woonlocaties zoals deze aan de Oostkanaalweg in Ter Aar te kunnen vergroten, zodat bewoners over fatsoenlijke woonomstandigheden kunnen beschikken in plaats van te moeten leven als dieren?
Door de economische groei is het aantal arbeidsmigranten toegenomen. Tegelijkertijd is er krapte op de woningmarkt, waardoor het lastig is om geschikte woonruimte te vinden. Hoe de huisvesting van arbeidsmigranten binnen een regio het beste past qua verdeling en in welke woonvormen deze kan worden gerealiseerd, moet op regionaal en lokaal niveau worden bepaald. Gemeenten, werkgevers en huisvesters moeten daarbij samen zoeken naar passende en goede oplossingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
Heeft uitzendbureau en tevens verhuurder Axidus het Stichting Normering Flexwonen (SNF)-keurmerk voor het bungalowpark aan de Oostkanaalweg?
De verhuurder van het vakantiepark is SNF-gecertificeerd. In dit kader vinden dan ook controles plaats. SNF neemt dit soort signalen ook mee in hun (extra) controles in het kader van een keurmerk.
Exploiteert uitzendbureau Axidus nog andere woonlocaties? Zo ja, welke? Hoeveel bewoners verblijven op deze locaties?
Dit is mij niet bekend. Axidus huurt in dit geval woonruimte. Of Axidus ook nog andere woonlocaties huurt is mij niet bekend.
Deelt u de mening dat een huurprijs van € 400 per persoon absoluut onaanvaardbaar is? Wat kunnen bewoners hiertegen ondernemen? Wat onderneemt u hiertegen?
Iedereen heeft recht op degelijke huisvesting tegen een redelijke prijs, ook als zij slechts tijdelijk in Nederland verblijven. Om tegen te gaan dat huisvesting een verdienmodel wordt is sinds 1 januari 2017 het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon van kracht. Huisvesting vormt daar één van de uitzonderingen op. Er mag voor huisvesting maximaal 25% ingehouden worden op het wettelijk minimumloon onder strikte voorwaarden, waaronder dat voldaan moet worden aan de kwaliteitseisen die zijn overeengekomen in de cao. Het minimumloon is het minimumloon dat voor de werknemer geldt. Bij een werknemer die parttime werkt, mag slechts 25% van het minimumloon dat bij die parttimefunctie geldt worden ingehouden.
Bij een geschil over de huur, kan de huurder naar de huurcommissie stappen als de huurprijs naar zijn mening niet voldoet aan de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte en onderliggende regelgeving. Een geschil kan anders worden voorgelegd aan de burgerlijk rechter. Hierbij kunnen organisaties als de NGO FairWork ondersteuning bieden. Mijn collega voor Milieu en Wonen zet in op goed verhuurderschap3. Praktijken waarbij de huur niet in verhouding is tot de kwaliteit, oppervlakte en voorzieningen van de woonruimte passen hier niet in. Voldoende en kwalitatief goede huisvesting vormt ook onderdeel van de integrale aanpak misstanden arbeidsmigranten waarover ik u voor het einde van het jaar zal informeren.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat het uitzendbureau een dubbele pet op heeft, omdat het zowel huisbaas als werkgever is? Wat onderneemt u om deze afhankelijkheidsrelatie te doorbreken?
Werkgevers helpen werknemers in veel gevallen bij het vinden van kwalitatieve huisvesting wanneer zij hen naar Nederland halen om hier te werken. Dat kan gaan om een bemiddelende rol, maar ook door het realiseren van huisvesting of hier met gemeenten en andere partijen afspraken over te maken. Dit heeft voordelen voor werknemers die hier voor korte tijd verblijven. De afhankelijkheidsrelatie kan er echter ook toe leiden dat bij het verlies van werk direct ook de huisvesting kan wegvallen. Dit is onwenselijk. Het is dan ook één van de punten die ik bespreek met onder meer werkgevers en werknemersorganisaties en gemeenten en provincies in het kader van de integrale aanpak misstanden arbeidsmigratie waar ik u voor het einde van het jaar over informeer.
Hoe oordeelt u over de houding van de burgemeester in dit filmpje van de FNV? Deelt u de mening dat een burgemeester veel meer actie zou moeten ondernemen tegen de middeleeuwse toestanden in zijn gemeente?3
Ik vind het goed dat de burgemeester zelf kennis heeft genomen van de woonsituatie van de betreffende arbeidsmigranten. De gemeente is hier immers aan zet om samen met werkgevers en huisvesters te zoeken naar passende en goede oplossingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het is in eerste instantie ook aan de gemeente om controles op de huisvesting van arbeidsmigranten uit te voeren. Dit gaat om controles in het kader van bouw- en woningtoezicht en op voorwaarden in afgegeven vergunningen. Als er sprake is van SNF-certificering voor de betreffende huisvesting, kan ook bij SNF een klacht worden ingediend. SNF kan de klachten en signalen meenemen in hun (extra) controles in het kader van het keurmerk. Een klacht bij SNF kan ook in het Pools worden ingediend.
Er vinden nu gesprekken plaats met de betrokken ministeries, gemeenten, sociale partners en andere belanghebbenden over onder meer goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Voor het einde van het jaar zal uw Kamer worden geïnformeerd over de integrale aanpak van de misstanden rondom arbeidsmigranten.
Bent u bereid om de misstanden in het zwartboek (schimmel, onverwachte controles, overbewoning, problemen met de verwarming, kapotte wasmachines en afwezigheid van kluisjes) daadkrachtig op te pakken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De Europese investeringstoets en Chinees investeringsgedrag op de EU-markt |
|
Arne Weverling (VVD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat u de Kamer meedeelde dat op dit moment op interdepartementaal niveau aan een generieke investeringstoets wordt gewerkt, als gevolg van de EU-verordening inzake het ontwikkelen van een raamwerk voor het screenen van buitenlandse investeringen in de EU (2019/452/EU)? Wat is hier de stand van zaken van? En wordt in iedere lidstaat nu een nationaal contactpunt ingericht?1
De ministers van Economische Zaken en Klimaat en van Justitie en Veiligheid hebben uw kamer op 11 november 2019 geïnformeerd over de voorgenomen investeringstoets op risico’s voor de nationale veiligheid, en de implementatie van de Europese FDI-screeningsverordening.2 De Europese verordening vereist van iedere lidstaat de inrichting van een nationaal contactpunt met het oog op het verzamelen, aggregeren en uitwisselen van vertrouwelijke informatie tussen de lidstaten onderling en met de Europese Commissie.
Hebt u kennisgenomen van het onderzoeksrapport «Beyond Investment Screening: Expanding Europe’s toolbox to address economic risks from Chinese state capitalism»?2 Zo ja, hoe beoordeelt u dit rapport?
Ik heb kennisgenomen van dit rapport. Zonder op ieder detail uit het rapport in te gaan, verwelkom ik elke analyse die kan bijdragen aan de discussie over de wijze waarop economische veiligheid gewaarborgd kan worden.
Deelt u de in dit rapport geuite kritiek dat de huidige investeringstoets vooral gericht is op het beoordelen van investeringen die de (Europese of nationale) veiligheid of openbare orde raken, en niet, zoals in Canada, op investeringen die wellicht grote impact hebben op de Europese innovatie- en concurrentiekracht?3
Het kabinet deelt deze kritiek niet. De Nederlandse keuze voor het inrichten van een investeringstoets op nationale veiligheid is louter ingegeven door overwegingen van nationale veiligheid. Andere overwegingen horen niet thuis in een dergelijke investeringstoets, hiervoor zijn andere instrumenten beschikbaar. Zo wordt in het kader van de toetsing van overnames en fusies door mededingingsautoriteiten gekeken of de overname leidt tot een significante beperking van de mededinging.
Beschikt de Europese Commissie thans over voldoende capaciteit om onderzoek te doen naar Chinese investeringen, hun herkomst (bijvoorbeeld de aanwezigheid van staatssteun) en hun reikwijdte?
De Europese FDI-screeningsverordening voorziet in een systeem van informatiedeling en uitwisseling tussen lidstaten onderling en met de Europese Commissie. De verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen ter borging van de nationale veiligheid en het daarmee samenhangende onderzoek van directe investeringen uit derde landen, berust bij de lidstaten en niet bij de Europese Commissie. De Europese Commissie kan wel op grond van bij de Commissie beschikbare informatie adviezen verstrekken aan de lidstaten die dergelijke directe investeringen toetsen op risico’s voor nationale veiligheid.
Hoe staat u tegenover het voorstel om het Directoraat-generaal Handel van de Europese Commissie de bevoegdheid te geven om, bijvoorbeeld ten aanzien van Chinese activiteiten met staatssteun, zelfstandig onderzoek te doen en de bewijslast te leggen bij Chinese bedrijven die op de EU-markt actief willen zijn?
De Europese Commissie is in het kader van het handelspolitieke instrumentarium reeds bevoegd om een onderzoek in te stellen naar staatssteun van derde landen die de invoer van goederen uit deze landen bevordert en waardoor er negatieve gevolgen voor de mededinging op de interne markt optreden (zie in dit verband Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie). Tegelijkertijd kan het bestaande instrumentarium mogelijk verbeterd of aangevuld worden of kunnen mogelijk nieuwe instrumenten tot stand komen, zoals de kamerbrief «Kabinetspositie Europese Concurrentiekracht»5 ook aangeeft.
Welke mogelijkheden ziet u om, als vervolgstap na de investeringstoets, meer coördinatie op EU-niveau tegen (riskante of marktverstorende) Chinese investeringen te bewerkstelligen?
Voor zover investeringen uit derde landen een risico met zich mee kunnen brengen voor de openbare veiligheid of openbare orde in de EU-lidstaten voorziet de Europese FDI-screeningsverordening al in een systeem van informatiedeling en uitwisseling tussen lidstaten onderling en met de Europese Commissie, waardoor de coördinatie op Europees niveau wordt bewerkstelligd. De verordening is pas in oktober 2020 volledig van toepassing en zal zich in de praktijk nog moeten bewijzen. De verordening wordt geëvalueerd uiterlijk drie jaar na het volledig van toepassing worden. Deze evaluatie kan gebruikt worden om te beoordelen of verdergaande stappen nodig zijn.
Voor zover het gaat om marktverstorende investeringen uit derde landen verwijs ik naar de inzet van het kabinet zoals verwoord in de kamerbrief «Kabinetspositie Europese Concurrentiekracht», waarin is aangegeven dat de Europese Unie niet naïef moet zijn als het gaat om oneerlijke concurrentie vanuit derde landen. Het is daarom belangrijk dat de EU haar marktmacht beter inzet om met nieuwe en bestaande instrumenten een gelijk speelveld in de handel met derde landen af te dwingen en om zo de voordelen van een open markt volledig te kunnen benutten. In deze Kamerbrief heeft het kabinet ook aangegeven te willen verkennen in hoeverre aanpassingen van onderdelen van het EU-mededingings- en staatssteunkader kunnen leiden tot een gelijker speelveld, zowel binnen als buiten de EU. U bent over deze verkenning bij brief van 2 december 2019 geïnformeerd.6
Wanneer vindt de evaluatie van de richtlijn betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten plaats, zoals aangekondigd in artikel 92 van de richtlijn (2014/24/EU)? Ziet u aanleiding om de Europese Commissie op te roepen bij het evalueren van de economische gevolgen voor de interne markt ook zaken als staatssteun mee te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar het antwoord op de gelijkluidende vraag die is gesteld in het kader van het schriftelijk overleg over de Raad voor Concurrentievermogen (Kamerstuk 21 501-30, nr. 469). Het is op dit moment nog niet bekend wanneer deze evaluatie plaats zal vinden en wat de reikwijdte hiervan zal zijn. De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat zal uw Kamer hier te zijner tijd over informeren.
Deelt u tot slot de mening dat marktverstoringen door Chinese investeringen niet alleen in de EU, maar ook op derde markten aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld in OESO(/DAC)-verband? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de Beleidsnota Nederland-China, is het kabinet van mening dat oneerlijke handelspraktijken in eerste instantie dienen te worden aangepakt door internationale druk op China uit te oefenen. Dit kan via de WTO, de EU en in samenwerking met gelijkgezinde landen. Het kabinet staat verder achter striktere handhaving en sterker uitdragen van bestaande standaarden en normen, zoals OESO-standaarden met betrekking tot anti-corruptie, staatsbedrijven, maatschappelijk verantwoord ondernemen, en Europese regelgeving op het gebied van data, privacy en productveiligheid. Wat Nederland betreft, dient China zich als verantwoordelijke speler eveneens aan deze afspraken te conformeren.
Het bericht ‘COA lijkt te stoppen met consequente beschermde opvang LHBTQ-asielzoekers’ |
|
Vera Bergkamp (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «COA lijkt te stoppen met consequente beschermde opvang LHBTQ-asielzoekers»?1
Ja.
Klopt het dat het Centrum Opvang Asielzoekers (COA) de speciale unit in Ter Apel voor Lesbiennes, Homoseksuelen, Biseksuelen, Transgenders en Gueer (LHBTQ-)asielzoekers heeft gesloten? Zo nee, hoe zit het wel?
Uitgangspunt is dat het COA speciale groepen volwassen bewoners niet bij elkaar plaatst. Het COA beschikt niet over beschermde opvang voor LHBTQ bewoners. Dit zou stigmatiserend kunnen werken. Voorts willen niet alle bewoners met, bijvoorbeeld, een LHBTQ- achtergrond als groep worden aangesproken. Daarnaast is plaatsing primair een logistiek proces, waarbij de kwetsbaarheid van bewoners waar mogelijk wordt meegenomen in de afweging waar iemand geplaatst wordt. Bij plaatsing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met ieders achtergrond. Dat geldt niet alleen voor LHBTQ's, maar ook voor andere doelgroepen. Plaatsing gebeurt zorgvuldig en waar dat mogelijk is binnen de locatie kijkt het COA (indien bewoners daar behoefte aan hebben) of bewoners bij elkaar geplaatst kunnen worden, bijvoorbeeld in dezelfde unit. Het COA blijft deze werkwijze hanteren. Het uitgangspunt is daarbij dat iedere bewoner binnen de opvang veilig moet kunnen wonen. Het COA neemt diverse maatregelen om de veiligheid zoveel mogelijk te garanderen. Het COA kan zo nodig zorgdragen voor een overplaatsing binnen de opvanglocatie of voor een overplaatsing naar een andere opvanglocatie. Het COA bekijkt wat in het individuele geval nodig is en draagt zorg voor een veilige plek. Slachtoffers worden indien nodig gemotiveerd om aangifte te doen en worden hier zo nodig bij begeleid.
Hoe verhoudt zich het eventuele sluiten van de speciale unit met de aangenomen motie van de leden Bergkamp, Dijkstra en Sjoerdsma uit 2016?2
Zie het antwoord op vraag 2 en de uitleg in de brief van 31 maart 2016 aan uw Kamer over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan deze motie.3
Kunt u aangeven precies hoe uitvoering is en wordt gegeven aan de eerder genoemde Kamermotie?
Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Wat is de reden dat deze speciale unit is gesloten? Zijn er andere COA-locaties die dit ook van plan zijn? Zo ja, welke en waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u nog steeds de noodzaak van aparte opvang voor LHBTQ-asielzoekers aangezien zij vaak gediscrimineerd worden op opvanglocaties? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Zijn er nog andere aparte units voor LHBTQ-asielzoekers bij andere opvanglocaties geopend?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat op plaatsen waar de instroom in de asielprocedure plaatsvindt, zoals in Ter Apel, de noodzaak voor een speciale unit nog groter is omdat er meer discriminatie plaatsvindt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat het sluiten van deze unit onverantwoord is en ertoe kan leiden dat LHBTQ-asielzoekers niet voor hun geaardheid durven uit te komen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de niet-LHBTQ-asielzoekers die in de aparte unit zijn geplaatst meteen een knoop hebben gelegd in de regenboogvlag die er hing? Zo nee, hoe zit het wel? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Er is een foto bekend waarop een knoop in de regenboogvlag is gelegd. Het is echter niet te achterhalen wie deze knoop heeft gelegd en wat hiervoor de reden was. Mocht deze knoop gelegd zijn als signaal tegen LHBTQ-ers, dan zou dat uiteraard verwerpelijk zijn.
Deelt u de mening dat ruimtegebrek geen argument mag zijn als er sprake is van onveilige situaties?
Ja. Zie voorts het antwoord op de vragen 2 en 3.
Klopt de reactie van de woordvoerder van het COA dat er eigenlijk geen aparte units voor LHBTQ-asielzoekers zijn, maar dat het alleen gaat om het «zo veel mogelijk rekening houden met ieders achtergrond»? Hoe rijmt dit volgens u met de eerder genoemde Kamermotie?3
Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg vreemdelingen- en asielbeleid van 7 november 2019 beantwoorden?
Ik heb deze vragen zo snel als mogelijk beantwoord.