Het bericht ‘WhatsApp-fraude explodeert: ‘Ik snap niet hoe ik erin ben getrapt’ |
|
Roald van der Linde (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «WhatsApp-fraude explodeert: «Ik snap niet hoe ik erin ben getrapt»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de omvang van dit probleem is? Zo ja, in hoeveel gevallen wordt er aangifte gedaan of melding gemaakt door slachtoffers en in hoeveel gevallen niet? Zo nee, zijn er redenen bekend waarom niet?
De exacte omvang van hulpvraagfraude (ook wel vriend-in-nood-fraude genoemd), is niet bekend, omdat niet alle slachtoffers aangifte doen bij de politie of een melding maken bij hun bank of de Fraudehelpdesk (FHD). Hoewel de exacte omvang niet bekend is kan wel geconcludeerd worden dat er sprake is van een stijging sinds 2019 van het aantal meldingen en aangiftes van deze vorm van fraude.
Bij de FHD zijn tot 1 augustus 2020 7.907 meldingen binnengekomen van hulpvraagfraude. In heel 2019 waren dat er 2.663. Ook de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) meldt dat Nederlandse banken in de maanden maart, april en mei van dit jaar drie keer zoveel meldingen van oplichting via social media hebben ontvangen ten opzichte van de laatste drie maanden van 2019. Het aantal aangiftes bij de politie lag voor de coronacrisis op circa 120 tot 150 aangiftes per week. Sinds april van dit jaar is het mogelijk om digitaal aangifte te doen bij de politie en kwamen tot augustus circa 700 aangiftes per week binnen. De politie wijdt de toename van de aangiftes van hulpvraagfraude deels aan het feit dat het makkelijker is om melding te doen, maar ook aan de feitelijke toename van deze vorm van fraude. De feitelijke toename kan volgens de politie mogelijk verklaard worden doordat mensen tijdens de Corona-crisis meer online zijn gegaan om contact te hebben met hun familie en bekenden. Sinds augustus is het aantal aangiftes iets afgenomen.
In hoeveel gevallen van aangifte of melding wordt er ook daadwerkelijk vervolgd? In hoeveel gevallen wordt er na vervolging een straf opgelegd? Kan een overzicht worden gegeven van het aantal opgelegde straffen naar soort? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel aangiftes of meldingen hebben geleid tot een vervolging is niet inzichtelijk. Het OM registreert hulpvraagfraude via bijvoorbeeld WhatsApp niet apart. Er worden voor het begaan van hulpvraagfraude soms forse straffen opgelegd. Zo hebben twee mannen uit Deventer die mensen via WhatsApp hebben opgelicht een celstraf van 2,5 jaar en 3 jaar opgelegd gekregen.2
Heeft u zicht op het daderprofiel? Zo ja, wat is kenmerkend voor dit profiel? Hoe zit dit aan de slachtofferkant? Zo nee, wat wordt er concreet gedaan om deze profielen in beeld te krijgen?
Bij hulpvraagfraude gaat het in de meeste gevallen om een georganiseerde samenwerking van verschillende daders en medeplichtigen: katvangers/geldezels3, katvanger-ronselaars, pinners, oplichters, hackers en verkopers van de benodigde kennis4. De politie heeft het beste zicht op de katvangers/geldezels, die ook de grootste groep daders vormen. Dit zijn vaak jongeren en/of personen met een sociaaleconomisch zwakkere positie. De politie onderzoekt op verschillende manieren de verschillende dadertypes en de mogelijke (persoonsgerichte)barrières om deze vorm van fraude tegen te gaan.
De politie, FHD, Slachtofferhulp Nederland (SHN) en NVB hebben het beeld dat de meeste slachtoffers ouder zijn dan vijftig jaar. Het is op basis van de informatie van de politie, FHD en SHN niet met zekerheid te stellen dat vijftigplussers ook een hoger risico lopen op slachtofferschap.
Onder welke voorwaarden staan banken garant bij dit soort vormen van financiële criminaliteit? In hoeveel gevallen hebben slachtoffers tot nu toe hun geld teruggekregen? In hoeveel gevallen gebeurt dit niet?
In principe staan banken niet garant voor dit soort vormen van financiële criminaliteit. Wel zijn banken voor bepaalde soorten bancaire fraude wettelijk verplicht5 om schade te vergoeden. Bij bancaire fraude is er sprake van misbruik van betaalmogelijkheden die de bank aan klanten ter beschikking stelt. Hierbij geldt dat over het algemeen overgegaan wordt tot schadevergoeding wanneer de klant niet grof nalatig is geweest. Of er sprake is van grove nalatigheid is afhankelijk van het individuele geval en wordt uiteindelijk bepaald door de rechter. Wel hebben de banken gezamenlijk met de Consumentenbond een vijftal uniforme veiligheidsregels opgesteld die meer duidelijkheid geven over de vergoeding van schade als gevolg van fraude6; houd je beveiligingscodes geheim, zorg ervoor dat je bankpas nooit door een ander gebruikt wordt, zorg voor een goede beveiliging van de apparatuur die je gebruikt voor je bankzaken, controleer je bankrekening, en meld incidenten direct aan de bank en volg aanwijzingen van de bank op. Wanneer aan deze vijf veiligheidsregels is voldaan, kan de klant erop rekenen dat de schade vergoed wordt.
Banken zijn niet verplicht om schade te vergoeden als er sprake is van niet-bancaire fraude. Bij niet-bancaire fraude is sprake van een slachtoffer die onbewust of onder valse voorwendsels zelf opdracht geeft voor de uitvoering van de betaling aan de fraudeur.
Wanneer een klant zelf een betaalopdracht initieert, zoals het geval is bij hulpvraagfraude via WhatsApp, dan is de bank verplicht deze uit te voeren. Dit is alleen anders als de bank vermoedt dat er sprake is van fraude, bijvoorbeeld omdat de fraudedetectiesystemen aanleiding geven tot twijfel (in antwoord 6 en 8 wordt toegelicht wat banken verder doen ter voorkoming van fraude). Het is echter voor banken lastig om te zien of er sprake is van fraude als de klant zelf de betaalopdracht geeft.
Het kan dat in bepaalde gevallen van niet-bancaire fraude banken uit coulance overgaan tot een vergoeding. Dit is een eigen overweging van de bank op basis van de omstandigheden van het geval. Omdat dit gaat over een eigen overweging van de bank heb ik hierover geen cijfers tot mijn beschikking.
Op welke manieren proberen banken deze vorm van criminaliteit te voorkomen? Wat doen banken concreet om slachtoffers te waarschuwen en naderhand te adviseren?
De NVB en Betaalvereniging Nederland hebben aangegeven dat zij verschillende initiatieven ondernemen ter preventie van fraude, zoals het voorlichten van klanten om hen bewust te maken van potentiële frauderisico’s. Dit gebeurt onder andere via veiligbankieren.nl en via de eigen kanalen van de banken. Ook werken banken bij voorlichting samen met andere organisaties, waaronder de ouderenbonden. In september hebben de banken bijvoorbeeld bijgedragen aan de campagne «Senioren en Veiligheid» waarin onder andere aandacht werd besteed aan hulpvraagfraude via WhatsApp7.
Verder hebben de banken ter voorkoming van fraude de IBAN-naam check ingevoerd. Bij deze check krijgen klanten een melding als de naam en het rekeningnummer die de klant invoert niet in overeenstemming zijn met de gegevens die bekend zijn bij de bank.
Daarnaast werken de banken met verschillende fraudedetectiesystemen om frauduleuze transacties op te sporen en te onderzoeken. De monitoring vindt plaats op basis van vele indicatoren. In samenwerking met de politie wordt op basis van bepaalde modus operandi gekeken welke indicatoren gehanteerd kunnen worden om de fraudedetectiesystemen verder te verbeteren. Omwille van veiligheid kunnen banken hier verder geen toelichting op geven.
Wanneer een mogelijk frauduleuze transactie gedetecteerd wordt door het fraudedetectiesysteem, wordt de transactie apart gezet en onderzocht door een medewerker van de bank, waarbij vrijwel altijd contact gezocht wordt met de klant. Met deze fraudedetectiesystemen kunnen banken dus tijdig fraude signaleren en klanten hiervoor waarschuwen. Gezien de grote aantallen overboekingen die dagelijks worden uitgevoerd is het ondoenlijk om ter controle een telefoontje te plegen naar elke klant. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de privacy van de klant.
Gegeven het stijgende aantal slachtoffers en de enorme economische impact, deelt u de mening dat er meer moet worden gedaan om dit soort fraude tegen te gaan? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te treffen en hierbij de fraudehelpdesk, politie en banken te betrekken?
Vanwege het stijgende aantal slachtoffers sinds de corona crisis is mijn ministerie snel overgegaan tot voorlichting van het publiek. De meest effectieve aanpak van fraude is namelijk het voorkomen dat mensen slachtoffer worden. Mijn ministerie betrekt hierbij o.a. de politie, de banken, fraudehelpdesk en andere private organisaties. Zo publiceerde het jongerenplatform scholieren.com in samenwerking met het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en mijn ministerie in augustus jl. een video gericht op jongeren met uitleg over hulpvraagfraude zodat zij ook hun (groot)ouders waarschuwen. In september startte mijn ministerie de campagne «Senioren en Veiligheid» met als doel senioren bewust te maken en handelsperspectief te bieden om slachtofferschap van o.a. hulpvraagfraude) te voorkomen. Ook onze partners zetten zich in om slachtofferschap te voorkomen.
In repressieve zin wordt deze fraudevorm serieus opgepakt door politie en het OM, bijvoorbeeld met de invoering van de internetaangifte. De aanpak van hulpvraagfraude wordt centraal opgezet en gecoördineerd. De aangiftes worden landelijk gebundeld zodat snel zicht is op de zaken die kansrijk zijn. Dit heeft inmiddels geleid tot een aantal succesvolle opsporingsonderzoeken en strafzaken8.
Daarnaast wordt door het kabinet ook ingezet op het verder versterken van het financieel rechercheren door onder meer het proces van vorderen van gegevens bij banken en andere betaaldienstverleners te automatiseren. Per 10 september jl. is de Wet en het Besluit verwijzingsportaal bankgegevens in werking getreden. Het Verwijzingsportaal bankgegevens maakt het mogelijk dat geautomatiseerd binnen 30 seconden identificerende gegevens van banken en andere betaaldienstverleners kunnen worden verkregen ten behoeve van opsporingsonderzoeken. Zo kan de politie sneller en beter financieel onderzoek doen naar mogelijke fraudeurs. Het vorderen van saldo- en transactiegegevens is een volgende stap bij financieel onderzoeken omdat het wenselijk is ook dit proces te versnellen wordt samen met de aangesloten diensten en de banken gewerkt aan het automatiseren van dit proces. Verder werken de banken nauw samen met de politie in de Electronic Crimes Taskforce (ECTF) en zetten zij zich in op de aanpak van geldezels van verschillende soorten fraude, waaronder ook deze vorm.
Wat kunnen banken doen om deze vorm van criminaliteit te voorkomen? Is het mogelijk dat er een telefoontje vanuit de bank ter controle van de overboeking naar ouderen wordt gepleegd met de vraag of zij zeker zijn van deze overboeking?
Zie antwoord vraag 6.
Welke informatie heeft de Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU) over deze transacties? Welke informatie hebben zij over daders? Heeft de FIU daarnaast in de gaten om hoeveel dadergroepen gaat dit?
De Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU-Nederland) is op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) het enige en centrale meldpunt, waar diverse meldingsplichtige instellingen ongebruikelijke transacties dienen te melden die kunnen wijzen op witwassen en terrorisme financiering. Deze meldingen van ongebruikelijke transacties kunnen ook betrekking hebben op fraude, maar dit betreft bijvangst. Over de jaren 2016 tot en met begin september 2020 heeft de FIU in totaal bijna 4.900 meldingen van ongebruikelijke transacties van meldingsplichtige instellingen ontvangen, die mogelijk verband kunnen houden met fraude, waaronder hulpvraagfraude. Vanaf 2018 ziet de FIU een sterk toenemende trend. In 2018 ging het nog om circa 200 meldingen van ongebruikelijke transacties, in 2019 was dat aantal 1.060 en in 2020 waren er tot en met begin september bijna 3.400 meldingen. Ongebruikelijke transacties die na analyse door het hoofd van de FIU-Nederland verdacht zijn verklaard zijn, ook op voornoemd thema, ter beschikking gesteld aan de diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Door de opsporing wordt op uiteenlopende wijzen gebruik gemaakt van de verdachte transacties, onder meer als sturingsinformatie, als startinformatie voor een strafzaak of als onderdeel van het bewijs in een strafzaak. Deze informatie kan dan ook behulpzaam zijn voor het in kaart brengen van daders en dadergroepen.
Welke mogelijkheden zijn er om slachtoffers preventief te waarschuwen? Hoe vaak is er daadwerkelijk gehandeld naar deze mogelijkheden?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen om deze nieuwe, schadelijke vorm van financiële criminaliteit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 7.
De aanhoudende schade van neonicotinoïden in het milieu en voor dieren |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Bijengif imidacloprid vergiftigt het slootwater tussen de kassen» en «Neonicotinoids and decline in bird biodiversity in the United States»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het bijengif imidacloprid, dat alleen nog is toegestaan in gesloten kassystemen en als biocide, in 2019 op alle meetpunten van het waterschap Delfland boven de toegestane norm werd aangetroffen?
Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft in 2019 op 54 locaties metingen verricht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Op 9 van deze locaties is de werkzame stof imidacloprid aangetroffen boven de toegestane ecologische waterkwaliteitsnorm.
Kunt u bevestigen dat imidacloprid (alsmede thiamethoxam en clothianidine) verboden zijn voor open teelten vanwege de ernstige schadelijkheid voor insecten?
De goedkeuring van de drie genoemde stoffen is in 2018 beperkt tot gebruik in bedekte teelten vanwege de risico’s voor bijen bij toepassingen in de onbedekte teelt van verschillende gewassen. Inmiddels zijn thiamethoxam en clothianidine binnen de EU niet meer goedgekeurd en zal de goedkeuring van imidacloprid binnen afzienbare tijd vervallen omdat de aanvraag voor verlenging van de goedkeuring door de aanvrager is ingetrokken.
Kunt u bevestigen dat insecten en andere dieren nu alsnog blootgesteld worden aan deze neonicotinoïden, aangezien deze gifstoffen in het slootwater aanwezig zijn?
Gewasbeschermingsmiddelen, die in de glastuinbouw worden toegepast, kunnen via verschillende emissieroutes (denk bijvoorbeeld aan percolatiewater, condenswater en schrobputjes) in het oppervlaktewater terecht komen. Dit kan ertoe leiden dat insecten en andere dieren aan deze middelen worden blootgesteld. Er zijn verschillende acties om de lozingen van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, zoals:
Hoewel alle partijen zich ervan bewust zijn, dat er een gezamenlijke opgave is om te komen tot een goede waterkwaliteit door het voorkomen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het milieu, zal dit punt met nadruk aandacht krijgen in gesprekken die komen met agrarische belangenorganisaties en het bevoegd gezag.
Op welke manier kan landbouwgif uit gesloten kassystemen toch in het oppervlaktewater terecht komen en op welke wijze kan dit voorkomen worden?
Zie antwoord vraag 4.
Worden glastuinbouwers gecontroleerd op de vervuiling die zij mogelijk veroorzaken door het gebruik van imidacloprid, thiamethoxam en clothianidine? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, via gebiedsgericht monitoren en handhaven door verschillende waterschappen en via bedrijfsbezoeken door de verschillende omgevingsdiensten en waterschappen en de NVWA.
Kunt u bevestigen dat recent onderzoek aantoont dat het toenemende gebruik van neonicotinoïde landbouwgif in de VS afnames in vogelpopulaties veroorzaakt, waarbij vooral weidevogels hard geraakt worden?3
In het betreffende onderzoek concluderen de onderzoekers op basis van een statistische analyse dat de toename van het gebruik van neonicotinoïden in de VS gepaard gaat met de afname van de vogelbiodiversiteit, met name die van weidevogels.
Kunt u bevestigen dat neonicotinoïden toxischer zijn voor insecten en langer in de natuur achterblijven dan andere insecticiden?
Neonicotinoïden zijn een klasse van insecticiden, maar er is variatie binnen de klasse wat betreft de toxiciteit van de individuele stoffen voor verschillende insecten en de persistentie in het milieu. Dat geldt ook voor andere klassen insecticiden. Zoals ik uw Kamer heb geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 421) leidde de toepassing van de neonicotinoiden imidacloprid, thiamethoxam en clothianidine tot risico’s voor bijen. Daarom werd de toepassing destijds beperkt tot alleen gebruik in bedekte teelten. De toxiciteit voor bijen en de persistentie van deze stoffen was relatief hoog in vergelijking met andere neonicotinoiden (acetamiprid en thiacloprid) en andere insecticiden. Zo is de acute toxiciteit voor honingbijen van thiacloprid meer dan 4.500 keer lager en de persistentie bijna 57 keer lager in vergelijking met clothianidine. Dat verschillende stoffen tot dezelfde klasse behoren, wil dus niet zeggen dat deze ook dezelfde eigenschappen hebben. Vanwege variatie in eigenschappen tussen werkzame stoffen en de toepassing ervan wordt in de Europese goedkeuringsprocedure per stof bezien of het gebruik veilig is voor mens, dier en milieu. Bij de middeltoelating wordt dat opnieuw per middel getoetst.
Kunt u bevestigen dat de neonicotinoïden acetamiprid en sulfoxaflor in Nederland nog steeds toegelaten zijn voor open teelten?
Ja. Ik wil hierbij, zoals eerder aan uw Kamer gemeld (Kamerstuk 2020D26901), aangeven dat de werkzame stof sulfloxaflor niet behoort tot de neonicotinoiden, maar is ingedeeld in de klasse van de sulfoximines.
Hoe rijmt u de bescherming van (weide)vogels onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen met de schade die deze dieren ondervinden door blootstelling aan neonicotinoïden op open teelten en in het oppervlaktewater?
Voor de Europese stofgoedkeuring wordt een risicobeoordeling uitgevoerd voor vogels, conform het betreffende Europese richtsnoer. Het richtsnoer gaat uit van gevoelige vogelsoorten die in landbouwgebieden voorkomen, zodat andere minder gevoelige soorten ook door de risicobeoordeling worden afgedekt.
Wordt in de Europese toelatingsprocedure voor landbouwgif getoetst op het effect van de stof op beschermde vogelsoorten?
Volgens de Vogelrichtlijn zijn alle vogels beschermd. Momenteel wordt het huidige Europese richtsnoer voor vogels en zoogdieren herzien onder leiding van EFSA. Nederland levert een actieve bijdrage aan deze herziening waarbij er ook specifieke aandacht voor kwetsbare vogelsoorten is.
Zo nee, kunt u bij de Europese Commissie pleiten voor een herziening van de toelatingsprocedure voor landbouwgif, zodat de effecten op beschermde diersoorten meegenomen worden?
Zie antwoord vraag 11.
Het artikel 'Ten koste van mens en milieu' |
|
Laura Bromet (GL) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ten koste van mens en milieu»?1
Ja.
Wat vindt u er van dat de modellen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gebaseerd zijn op een beperkt aantal metingen en aannames waarbij steeds meer kanttekeningen worden geplaatst?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) gebruikt als input voor haar modellen de stikstofuitstoot van de landbouw uit de Emissieregistratie. Deze stikstofuitstoot wordt jaarlijks berekend met het NEMA-model (NEMA staat voor Nationaal Emissiemodel voor Ammoniak). Over deze berekening wordt gerapporteerd in Emissies naar lucht uit de landbouw door Wageningen University & Research (WUR), dat de berekening uitvoert onder begeleiding van de werkgroep NEMA van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM). De berekeningen van emissies uit de landbouw en uit stallen zijn gebaseerd op een veelheid van metingen en aannames en wordt jaarlijks verbeterd op basis van nieuwe inzichten en gegevens. Hiermee hebben we een robuust model voor de uitstoot en depositie van stikstof in Nederland.
Klopt het dat er vooral met modellen gewerkt wordt en dat de Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) ervan uit gaat dat de modellen er 25 procent naast kunnen zitten?
De materie is complex, waardoor modellen, ook die van TNO, helaas onzekerheden bevatten. Het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof onder voorzitterschap van de heer Hordijk heeft in hun eindadvies aanbevelingen gedaan om te komen tot een vermindering van de onzekerheden. Ik heb uw Kamer op 13 oktober jl. de kabinetsreactie gestuurd op dit eindadvies. De inzet van het kabinet is om de onzekerheden te beperken.
Klopt het dat de verschillende bestanden met dieraantallen, dierproductierechten en (gemeentelijke) vergunningen niet aan elkaar gekoppeld zijn of met elkaar worden vergeleken?
Gegevens over het aantal gehouden dieren en dierproductierechten zijn bekend bij RVO. Deze worden, binnen de grenzen van de AVG, aan elkaar en aan andere gegevens gekoppeld en waar nodig aan een nadere inspectie onderworpen door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Vergunningen die door provincies of gemeenten worden afgegeven worden gecontroleerd door het betreffende bevoegde gezag.
Kunt u uitgebreid ingaan op de vraag waarom omgevingsdiensten boeren regelmatig controleren op milieu en omgevingsvergunningen maar zij niet controleren of de boeren voldoende dier- of fosfaatrechten hebben en wat vindt u hier van?
Het controleren van de mestproductie aan de hand van onder meer dierrechten en fosfaatrechten, is een verantwoordelijkheid van het Rijk en wordt in dit geval uitgevoerd door RVO en de NVWA. Het is ten principale zo dat de overheidslaag die de vergunning of rechten uitgeeft ook de uitvoering en handhaving voor zijn rekening neemt.
Wat vindt u ervan dat in veel gevallen fraude lucratief is?
Ik vind fraude in alle gevallen een zeer kwalijke zaak, zeker ook richting ondernemers die zich wel netjes aan de regels houden. Door de pakkans te vergroten en met stevige (financiële) consequenties te confronteren neemt de fraudeprikkel af. De pakkans wordt vergroot door risico gebaseerd te controleren met gebruikmaking van gecombineerde datastromen. Het is een continu proces om dit te verbeteren en verder te optimaliseren. In de herbezinning van het mestbeleid is een van de doelen om de mestketen transparanter te maken en de uitvoering en handhaving te vereenvoudigen.
In hoeverre wordt gebruik gemaakt van de in het artikel beschreven mogelijkheid dat satellietdata en plaatselijke metingen een grote rol kunnen spelen bij het verbeteren van de cijfers van het RIVM en kunt u ook in gaan op wat er sinds onze vragen hierover in oktober 2018 verder mee gebeurd is?2
Satellietdata kunnen een waardevolle aanvulling zijn op andere metingen, maar kunnen ze niet vervangen, onder andere omdat de meteorologische omstandigheden van invloed zijn op het waarnemingsvermogen van satellieten. Overigens bevestigen de satellietdata de beelden die het RIVM al op basis van metingen bepaalt.
In hoeverre wordt er op meerdere plaatsen een regionaal meetnetwerk opgezet met snuffelpalen zodat metingen beter gecombineerd kunnen worden met modellen, zoals nu in Noord-Brabant gebeurt?
In Nederland zijn meerdere regionale meetnetwerken actief. Enerzijds zijn dit formele meetstations in beheer van regionale uitvoerings- en omgevingsdiensten en GGD’s en anderzijds gaat dit om sensormetingen(snuffelpalen) in beheer van bedrijven, gemeenten of burgerinitiatieven. De meetstations van de verschillende diensten en GGD’s die onderdeel uitmaken van het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML) worden door het RIVM gebruikt bij het kalibreren van modelberekeningen. De sensormetingen zijn momenteel echter nog van onvoldoende kwaliteit om gebruikt te worden in het kader van modelkalibratie. Door de snelle ontwikkelingen op het gebied van sensormetingen wordt in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) de voorbereiding getroffen voor een pilot om ervaring op te doen met (regionale) sensornetwerken en de rol die dit soort metingen (fijnstof en NO2) kunnen vervullen in aanvulling op het LML en modelberekeningen. Het is momenteel nog niet duidelijk waar deze pilotprojecten precies gerealiseerd zullen worden. Daarbij is op te merken dat de regionale sensormetingen in de provincie Noord-Brabant enkel fijnstof en NO2 betreffen, en geen NH3. Dit komt doordat de kwaliteit van de huidige NH3-sensoren voor de lage concentraties NH3 in de buitenlucht nog onvoldoende is. In het geval van ammoniak zal er op korte termijn dan ook geen sprake zijn van sensormetingen die gecombineerd kunnen worden met formele modelberekeningen.
Het bericht ‘Granuliet duizend keer gevaarlijker dan gedacht: Rijkswaterstaat maakte rekenfout’. |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Granuliet duizend keer gevaarlijker dan gedacht: Rijkswaterstaat maakte rekenfout»1 uit de Gelderlander en het artikel «Rijkswaterstaat maakt cruciale rekenfout bij omstreden granulietstort»2 van Zembla?
Heeft Rijkswaterstaat inderdaad een ernstige rekenfout gemaakt bij de risicoberekening van de granulietstort in de Gelderse natuurplas Over de Maas?
Welke gevolgen heeft dit, indien hier sprake van is, dan voor de eerder verstrekte vergunningverlening ten aanzien van het storten van granuliet?
Wat zijn de concrete gevaren voor het drinkwater, de flora en fauna en de bewoners in gemeente West Maas en Waal en regio indien deze informatie klopt?
Kunt u gezien de mogelijke schadelijke gevolgen nog deze week bovenstaande vragen beantwoorden?
Premieshoppen |
|
Jasper van Dijk |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Arbeidsmigrant nog goedkoper gemaakt door detachering»?1
Het artikel geeft aan dat er uitzendbedrijven zijn die op zoek zijn naar manieren om arbeidsmigranten goedkoper naar Nederland te halen, waarbij ook de zogenoemde A1-route onderzocht wordt. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van de vragen van het lid Palland keur ik het fingeren van situaties om premievoordelen te bereiken (premieshoppen) af. Dergelijke praktijken leiden tot oneerlijke concurrentie en moeten daarom tegengegaan worden.
Tegelijkertijd wil ik ervoor waken dat de A1-verklaring of de socialezekerheidsregels over grensoverschrijdende detachering gelijk zouden komen te staan aan premieshoppen. De mogelijkheid om bij detachering voor enige tijd verzekerd te blijven in de zendende lidstaat, beschermt werknemers tegen een verbrokkelde opbouw van socialezekerheidsrechten. In mijn brief van 7 juli2 over A1-verklaringen voorzie ik de Kamer van een update over mijn inzet om het oneigenlijk gebruik van deze regelgeving te voorkomen.
Klopt de analyse van ABN Amro («Goedkope arbeidsmigrant komt van steeds verder») dat uitzendbureaus voortdurend onderzoeken of arbeidsmigranten goedkoper in Nederland kunnen werken, en arbeidsmigranten bijvoorbeeld (ondanks de herziene detacheringsrichtlijn) via de A1-route voor minder loonkosten in Nederland kunnen werken? Wat is uw oordeel hierover?
Zoals hiervoor aangegeven zijn er uitzendbedrijven die op zoek zijn naar manieren om arbeidsmigranten goedkoper naar Nederland te halen. Het klopt inderdaad dat loonkostenverschillen tussen werkgevers uit het buitenland en Nederlandse werkgevers, bijvoorbeeld in verband met de afdracht van premies voor sociale zekerheiden pensioenpremies, daarbij een rol kunnen spelen. Loonkostenverschillen zijn echter niet de enige factor hierbij: zo spelen ook extra kosten voor het verblijf in Nederland een rol, zoals huisvesting, vervoer en compensatie voor de hogere kosten van levensonderhoud.
In mijn brief aan de Tweede Kamer van 12 december 2019 betreffende de implementatiewet nieuwe detacheringsrichtlijn heb ik, naar aanleiding van onderzoek dat in 2017 is uitgevoerd door Regioplan, aangegeven dat verschillen in loonkosten voor werkgevers moeilijk inzichtelijk te maken zijn, door de vele verschillende factoren die relevant zijn voor de beloning van een gedetacheerde werknemer en het feit dat er specifieke regelingen bestaan voor elk van deze onderdelen, waarbij sommige EU-wijd worden toegepast en andere per EU-lidstaat verschillen.3
Derdelanders die legaal werken en verblijven binnen een EU-lidstaat kunnen op basis van de Dienstenrichtlijn en de Detacheringsrichtlijn in andere EU-lidstaten te werk worden gesteld.4 Als werknemers van buiten de Europese Unie legaal in Europa verblijven en werken, kunnen zij ook onder de coördinatieverordening voor de sociale zekerheid vallen (Verordening (EG) 883/2004).5 Deze verordening maakt het mogelijk dat een gedetacheerde werknemer, onder voorwaarden, voor maximaal 24 maanden verzekerd blijft in de zendende lidstaat. Dat gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheden die de EU-regelgeving en de nationale wetgeving op dit punt bieden is op zich niet ongeoorloofd. Maar als er via bijvoorbeeld schijnconstructies misbruik wordt gemaakt van deze regelgeving is dit zeer onwenselijk. Dit geldt zowel voor premieshoppen voor werknemers met de nationaliteit van een derde land, als voor premieshoppen voor werknemers met de nationaliteit van een EU-lidstaat.
Is de conclusie van ABN Amro juist dat door deze A1-route ook inwoners van landen buiten de Europese Unie via werkvergunningen in Oost-Europese landen in Nederland komen te werken? Acht u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u hierover overleg met (door)zendlanden als bijvoorbeeld Polen, dat in 2017 zo'n 600.000 werkvergunningen en 1,8 miljoen 6-maanden werkvergunningen aan buurlanden verstrekte?2
Ja, ik heb met bijvoorbeeld Polen gesproken over het toelatingsbeleid van Polen voor werknemers afkomstig uit landen zoals Oekraïne. Daarbij gaf men van Poolse zijde aan dat het overgrote deel van deze werknemers op Pools grondgebied wordt ingezet. Ik wijs er op dat het inzetten van derdelanders bij tekorten op de eigen arbeidsmarkt een nationale competentie is van de lidstaten.
Heeft u er zicht op hoeveel mensen nu al via deze route werken in Nederland? En vanuit welke landen komen deze mensen overwegend? Kunt de cijfers van de afgelopen vijf jaar overleggen?
Sinds 1 maart 2020 is de meldplicht op grond van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (WagwEU) van kracht. Op dit moment zijn er nog geen jaarcijfers over 2020 beschikbaar.
Tot 1 maart 2020 gold op grond van het toenmalige artikel 1e van het BuWav (vrij verkeer van diensten) en de Regeling melding Wet arbeid Vreemdelingen een notificatieplicht bij het UWV, voor de detachering van werknemers uit derde landen die rechtmatig in een andere lidstaat verblijven en werken. Onderaan treft u een bijlage aan, met daarin een overzicht van de aantallen gemelde werknemers die op grond van deze notificatieplicht gemeld zijn bij UWV, van de jaren 2015 tot en met 2019. Daarbij is – in lijn met de daarover verschenen persberichten – vooral de relatieve groei van het aantal werknemers uit Oekraïne opvallend. Het gebruik van A1-verklaringen maakte geen onderdeel uit van de UWV notificatieplicht en is uit deze cijfers niet af te leiden. Deze cijfers zien dan ook niet op A1-verloning.
Daarnaast beschikken wij over cijfers over de A1-verklaringen. Het gaat dan om cijfers over het aantal ontvangen A1-verklaringen per zendend land. Wel is het zo dat die cijfers niet gesorteerd kunnen worden op nationaliteit. Wij kunnen wel zien hoeveel A1-verklaringen er bijvoorbeeld door Polen worden afgegeven voor tewerkstelling in Nederland, maar niet of het dan gaat om een Unieburger of een derdelander. Deze cijfers zijn openbaar en hier heb ik recentelijk in de brief van 7 juli over premieshoppen naar verwezen7.
Hoe ziet u de relatie tot derdelanders die niet alleen voor loon- en huisvesting, maar ook voor verblijfsstatus afhankelijk zijn van hun werkgever, aangezien het in de praktijk al niet mogelijk is om burgers uit de Europese Unie te beschermen tegen uitbuiting?
De positie van werknemers afkomstig van buiten de EU is, net als de positie van mobiele EU-werknemers, kwetsbaar, zo niet kwetsbaarder. Het kabinet is zich daar terdege van bewust en de inzet van het kabinet is dan ook gericht op het bevorderen van fatsoenlijke woon- en werkomstandigheden voor alle werknemers in Nederland, ongeacht hun herkomst. Ik wijs in dit verband ook op het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten dat is ingesteld om voorstellen te doen om de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten te verbeteren
Deelt u de mening dat uitzendbureaus hiermee premieshoppen en loondump faciliteren, aangezien werkgevers veel minder kosten maken?
Ja, voor zover het uitzendbureaus betreft die constructies opzetten en misbruik maken van A1-verklaringen om zo minder kosten te maken. Dit is zowel voor de gedetacheerde werknemer als uit het oogpunt van een gelijk speelveld zeer onwenselijk.
Wat vindt u ervan dat bedrijven – ondanks de wettelijke aanscherping rond flexwerk in de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) – opnieuw op zoek gaan naar goedkope arbeid door middel van A1-verloning?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van de vragen van het lid Palland heb ik op dit moment geen helder beeld van dit effect van de WAB. In mijn brief van 5 juni 2020 inzake de quickscan naar de effecten van de WAB Monitoring en evaluatie WAB, heb ik al opgemerkt dat het lastig de effecten van de WAB los te bezien van de ingrijpende arbeidsmarkteffecten van de coronacrisis, het overheidsbeleid ter zake en de economische gevolgen. Niettemin worden aan de hand van diverse onderzoeken op dit moment verschillende aspecten van de impact van de WAB in beeld gebracht. Wanneer de resultaten daarvan bekend zijn zal uw Kamer hierover nader worden geïnformeerd.
Op welke manier gaat u dit soort vormen van premieshoppen tegen? Bent u van mening dat de detacheringsrichtlijn verder moet worden aangescherpt?
De detacheringsrichtlijn gaat niet over sociale zekerheid. De coördinatie van sociale zekerheid binnen de Europese Unie is geregeld in Verordening (EG) 883/2004. Een aanscherping van de detacheringsrichtlijn zou dan ook geen uitkomst bieden.
In mijn brief van 7 juli over A1-verklaringen voorzie ik de Kamer van een update over mijn inzet om het oneigenlijk gebruik van deze regelgeving te voorkomen. De SVB heeft sinds enige tijd een handhavingsteam dat zich specifiek richt op de handhaving op A1-verklaringen. De SVB en ketenpartners werken daarnaast intensiever samen om feiten te achterhalen en signalen en kennis te delen. Ik verwacht daarnaast dat de Europese Arbeidsautoriteit een rol kan spelen in het tegengaan van premieshoppen.
Ook wordt Verordening (EG) 883/2004 momenteel herzien. Nederland zet zich ervoor in om de regels over detacheringen en A1-verklaringen te verbeteren en zo de fraude en misbruik met A1-verklaringen en premieshoppen te bestrijden. Op dit front zijn al belangrijke maatregelen voorgenomen. Zowel in de Raad als in het Europees parlement was bijvoorbeeld voldoende steun voor de verplichting voor de uitgevende instelling om een A1-verklaring met terugwerkende kracht in te trekken bij fraude. De mogelijkheid voor het werkland tot weigering van een A1-verklaring als die niet helemaal is ingevuld en het opnemen van een verplichte voorafgaande verzekering van drie maanden voor detachering zijn stappen in de goede richting.
Daarbij is het wel van belang om te onderstrepen dat er op dit moment geen akkoord kan worden bereikt op dit dossier omdat partijen het niet eens kunnen worden over de aanpassingen in twee hoofdstukken, namelijk het hoofdstuk toepasselijke wetgeving (met daarin de regels over detachering en A1-verklaringen) en het hoofdstuk werkloosheid. Nederland heeft ook zwaarwegende belangen op het werkloosheidshoofdstuk. Of Nederland kan instemmen met een akkoord hangt af van het bereikte resultaat op beide hoofdstukken. Ik informeer uw Kamer als er voortgang is.
2019
2018
2017
2016
2015
De polymerase chain reaction-test (PCR-test) |
|
Wybren van Haga (Lid-Haga) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u – gelet op het feit dat uw summiere reactie in uw schrijven aan de Kamer d.d. 28 augustus 2020 onvoldoende inhoudelijk en specifiek is waar het gaat om de polymerase chain reaction-test (PCR-test) – alsnog antwoord geven op de door vragensteller ingediende 14 vragen van 18 augustus 2020 inzake de PCR-test? Indien nee, waarom niet?1 2
Nog meer Nederlands hulpgeld voor Palestijnse terroristen |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV), Danai van Weerdenburg (PVV) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel Nederlands belastinggeld is exact verspild aan de organistatie Al-Mezan, die nauw is verbonden met terreurclubs als het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) en Hamas?1
Nederland werkt al ongeveer 20 jaar samen met Al Mezan, omdat het werk van Al Mezan past bij de Nederlandse inzet voor het Midden-Oosten Vredesproces. Momenteel steunt Nederland Al Mezan indirect via twee programma’s van de Verenigde Naties waar Nederland aan bijdraagt. Met deze programma’s wordt bescherming geboden aan de mensen in Gaza, o.a. ook tegen het optreden van de terroristische organisatie Hamas.
Van de Nederlandse bijdrage aan het Civil Society Fund van de VN voor de periode juli 2019–juni 2022 ontvangt Al Mezan USD 420.000 voor het opkomen voor de rechten van Palestijnen in Gaza. De organisatie monitort daarbij het optreden van de Palestijnse Autoriteit en Hamas in Gaza en het Israëlisch handelen in de Palestijnse gebieden. Zo spreekt Al Mezan Hamas aan op martelen en de situatie in gevangenissen en komt Al Mezan op voor journalisten in Gaza. Tevens coördineert Al Mezan met het Israëlische leger toegang tot Israël en Oost-Jeruzalem voor Palestijnen uit Gaza, bijvoorbeeld voor ziekenhuisbezoek in Jeruzalem.
Van de Nederlandse bijdrage aan het Rule of Law and Access to Justice programma van de VN ontvangt Al Mezan USD 204.253 voor de periode maart 2019–31 december 2020 voor rechtsbijstand voor de meest kwetsbare groepen in Gaza, zoals vrouwen en kinderen.
Kunt u de connecties die NGO-monitor legt tussen Al-Mezan en de Palestijnse terreurclubs PFLP en Hamas per geval bevestigen dan wel ontkennen?2
NGO Monitor kwam op 31 augustus 2020 met een publicatie over de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Al Mezan, waarin onder meer gesteld wordt dat Al Mezan banden zou hebben met PFLP en Hamas. Het kabinet neemt dergelijke aantijgingen serieus en de Nederlandse Vertegenwoordiging heeft direct contact opgenomen met de organisatie en gevraagd naar een reactie, en is hierover tevens in contact getreden met andere donoren. Al Mezan heeft in reactie op het rapport laten weten de aantijgingen over banden tussen eigen medewerkers en terroristische organisaties te verwerpen en heeft op verzoek van de Nederlandse Vertegenwoordiging een reactie gegeven op het rapport van NGO Monitor. Onderstaand volgt een korte appreciatie per geval, op basis van de nu beschikbare informatie ontleend aan contact met Al Mezan, gevolgd door een eigen algemene appreciatie van de aantijgingen, mede op basis van informatie van andere donoren.
NGO Monitor stelt dat Al Mezan niet transparant zou zijn. Al Mezan voldoet echter aan alle rapportageverplichtingen die gesteld worden door de EU, VN, en bilaterale donoren en vraagt zelf om een jaarlijkse audit van een internationale auditor. Deze audits publiceert Al Mezan jaarlijks op de site van de Palestijnse tak van Transparency International.
NGO Monitor stelt dat Al Mezan «lawfare» zou bedrijven door zaken aan te spannen tegen Israël of diens overheidsvertegenwoordigers en informatie aan te dragen bij internationale organisaties. Het kabinet wijst op de eerdere antwoorden over deze inzet (antwoorden op Kamervragen van de leden Ten Broeke, Van der Staaij en Voordewind, d.d. 16 januari 2018, Aanhangsel van de Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 884). Het onder de aandacht brengen van vermeende schendingen bij internationale organisaties is een legitiem en gebruikelijk middel, dat door mensenrechtenorganisaties in vele landen onder allerlei omstandigheden wordt gehanteerd.
Het derde punt dat NGO Monitor stelt is dat medewerkers van Al Mezan banden zouden hebben met PFLP. Hieronder wordt nader ingegaan op de verschillende aantijgingen van NGO Monitor over individuele medewerkers en leden van de Board en de reactie van Al Mezan daarop.
NGO Monitor stelt dat Nafith Al Madhoun een leider van Hamas zou zijn, en namens Hamas in het Palestijns parlement zou zitten. Al Mezan verklaart in diens reactie dat Nafith Al-Madhoun door de Palestijnse Autoriteit als ambtenaar benoemd was bij het Palestijnse parlement nog voor de machtsovername in Gaza door Hamas in 2007. Vorig jaar heeft hij zijn werkzaamheden in Gaza bij het parlement beëindigd. Hij is geen lid geweest van het parlement en niet politiek verbonden aan een partij.
NGO Monitor stelt dat Kamal Al-Sharafi ontmoetingen heeft met PFLP. Al Mezan verklaart dat Kamal Al-Sharadi een voormalig Minister van de Palestijnse Autoriteit en adviseur van president Abbas is. Al Mezan ontkent dat Al Sharadi lid is van PFLP en wijst erop dat het onlogisch is om te stellen dat iemand die dergelijke posities bekleedt lid zou zijn van PFLP, gezien de felle kritiek van de PFLP op het beleid van Abbas en het afwijzen door PFLP van de Oslo-akkoorden, waarmee de Palestijnse Autoriteit werd opgericht. Al-Sharafi bekleedt een functie aan de universiteit van Gaza, en ontmoet in die hoedanigheid vertegenwoordigers van allerlei studentenorganisaties. Al Mezan geeft aan dat Al-Sharafi bovendien van de Israëlische autoriteiten een vergunning heeft om Gaza in en uit te reizen, en ook via het Ben Gurion vliegveld mag reizen.
NGO Monitor stelt dat Jamil Sarhan lid zou zijn van PFLP. Volgens Al Mezan verwart NGO Monitor de bij Al Mezan betrokken Jamil Sarhan met een inmiddels overleden lid van PFLP met dezelfde naam. Tenminste 3 artikelen waar NGO Monitor naar verwijst zouden over deze overleden persoon gaan.
NGO Monitor stelt dat Talal Awkal banden zou hebben met PFLP. Volgens Al Mezan was Talal Awkal tot 2000 inderdaad werkzaam voor de media-afdeling van PFLP, en is sinds 2000 niet meer politiek actief of verbonden aan welke partij dan ook. In 2008 is hij toegetreden tot het bestuur van Al Mezan.
NGO Monitor stelt dat Samir Deeb Ahmed Zaqout steun uitsprak voor Bilal Kaid, die een gevangenisstraf uitzit. Al Mezan stelt dat hij zich heeft uitgesproken voor het beschermen van de rechten van Bilal Kaid, tijdens een hongerstaking, en dat dat niet uitgelegd mag worden als steun voor zijn daden. Dit past binnen het mandaat van een mensenrechtenorganisatie, aldus Al Mezan. Het kabinet wijst erop dat ook de VN zorgen heeft geuit over de toestand van deze gevangene.3 Kaid was in hongerstaking gegaan toen hij in administratieve detentie werd gezet op de dag dat zijn opgelegde gevangenisstraf ten einde zou lopen. Daarnaast verwijst NGO Monitor naar een artikel dat het aan dhr. Zaqout toeschrijft. Volgens Al Mezan betreft dit echter een artikel van iemand anders, Samir Ahmed Zaltout.
NGO Monitor claimt dat Hussein Hammad een prijs kreeg van PFLP. Volgens Al Mezan werd Hussein Hammad vanwege zijn afstuderen door PFLP gefeliciteerd. Al Mezan verklaart dat met het aanbieden van een cadeau of felicitaties de gever, in dit geval PFLP, kan proberen de eigen reputatie te verbeteren. NGO Monitor stelt tevens dat hij volgens de PFLP een leidende rol in de eerste intifada gespeeld zou hebben. Al Mezan verwerpt dit, omdat Hussein Hammad toen 11 jaar oud was, en het artikel over een andere persoon gaat. NGO Monitor heeft ook een aantal berichten opgenomen die dhr. Hammad geplaatst heeft op sociale media. Al Mezan wijst erop dat dit zijn persoonlijke berichten betreft, geen uitingen namens Al Mezan, en dat medewerkers vrijheid van meningsuiting hebben.
NGO Monitor noemt ook een aantal berichten die andere individuele medewerkers geplaatst hebben op sociale media, zoals berichten die Mohammed Abdullah over Bilal Kaid plaatste. Al Mezan benadrukt dat aandacht vragen voor het respecteren van de rechten van een gedetineerde geen steunbetuiging is voor diens daden, maar past bij het werk van een mensenrechtenorganisatie.
NGO Monitor heeft ook een foto in het rapport opgenomen van Wael Mohammad Ahmad, waar hij te midden van een groep mensen staat waarvan iemand anders een PFLP-vlag op vasthoudt. Deze foto is genomen bij een bruiloft van een familielid, aldus Al Mezan, waarbij vaker vlaggen van politieke partijen worden vertoond. Al Mezan benadrukt dat dhr. Ahmad geen politieke affiliaties heeft.
Verder stelt NGO Monitor dat vertegenwoordigers van Al Mezan bij bijeenkomsten zijn geweest waarbij ook Hamas, PFLP of andere Palestijnse organisaties waren. Dat betrof onder meer bijeenkomsten over intra-Palestijnse verzoening, iets waar Nederland, de EU en VN ook op aandringen. Al Mezan wijst op de nadelige gevolgen van de Palestijnse verdeeldheid voor de rechten van Palestijnen, en dat het zich daarom inzet om de verschillende Palestijnse groepen bij elkaar te brengen om rechtsbescherming en hereniging van het rechtssysteem als deel van verzoening te bevorderen.
Aantijgingen dat iemand of een organisatie banden heeft met terroristische organisaties kunnen verstrekkende gevolgen hebben, en moeten daarom goed onderbouwd zijn. Het kabinet constateert dat Al Mezan door Israël niet is aangemerkt als terroristische organisatie en intensief contact onderhoudt met Israëlische militaire en juridische autoriteiten, vaak ook in persoon.
Op basis van de hierboven beschreven voorbeelden komt het beeld naar voren dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er sprake is van banden tussen Al Mezan en PFLP.
Het simpele feit dat mensen ontmoetingen hebben of bij een bijeenkomst aanwezig zijn, kan volgens het kabinet niet worden uitgelegd als steun voor een organisatie, laat staan lidmaatschap. In geval van Al Mezan zijn er foto’s te vinden van vertegenwoordigers van Al Mezan met leden van Hamas en PFLP bij intra-Palestijnse bijeenkomsten, bijvoorbeeld over verzoening of het ICC, zoals hierboven genoemd. Tegelijkertijd zijn er ook foto’s te vinden van vertegenwoordigers van Al Mezan met militairen van de Israëlische leger. Contacten met partijen bij het conflict horen bij het werk van een mensenrechtenorganisatie. Wel is het kabinet van mening dat medewerkers van een mensenrechtenorganisatie zich bewust moeten zijn van de politieke context en gevoeligheden als het gaat om foto’s die in de privésfeer worden genomen.
Het kabinet onderschrijft het belang van vrijheid van meningsuiting. Echter, omdat sommige berichten die individuele medewerkers op hun persoonlijke profielen op sociale media geplaatst hadden, betrekking hebben op PFLP en gebruik van geweld, is de Nederlandse Vertegenwoordiging met Al Mezan het gesprek daarover aangegaan. Al Mezan heeft toegezegd dat de berichten verwijderd zullen worden en heeft de medewerkers opnieuw gewezen op interne afspraken, waarbij enerzijds vrijheid van meningsuiting gerespecteerd wordt, maar medewerkers wel beloven geen meningen te uiten die strijdig zijn met mensenrechtenrechten.
Aan hoeveel Palestijnse organisaties die banden hebben met de PFLP, Hamas of andere terreurclubs geeft u eigenlijk nog meer hulpgeld?
Het kabinet geeft geen steun aan organisaties die banden hebben met terroristische organisaties en controleert of de Nederlandse bijdrage aan deze organisaties wordt besteed aan de afgesproken doelstellingen. Indien ondanks controles en toezicht toch blijkt dat een partnerorganisatie banden heeft met een terroristische organisatie, dan wordt opgetreden. In het geval van UAWC wordt onderzocht of er sprake is van banden met PFLP, op basis daarvan zullen conclusies getrokken worden over de samenwerking.
Kunt u een complete lijst geven van Palestijnse organisaties die Nederlands hulpgeld krijgen – of de afgelopen jaren hebben gekregen – inclusief de bedragen?
Het kabinet verwijst naar openaid.nl voor een overzicht van de huidige steun en afgesloten projecten. Voor een overzicht van Israëlische en Palestijnse maatschappelijke organisaties die in 2020 vanuit de gedelegeerde middelen worden gesteund verwijst het kabinet tevens naar de antwoorden op vragen van het lid Baudet, d.d. 10 juni 2020, Aanhangsel van de Handelingen nr. 3108.
Bent u bereid niet alleen de organisaties Union of Agricultural Work Committees (UAWC) en Al-Mezan, maar alle Palestijnse organisaties aan wie u hulpgeld geeft grondig door te lichten op banden met terreurorganisaties? Zo nee, waarom niet?
Verondersteld wordt dat met doorlichten wordt bedoeld een extern onderzoek in te stellen naar mogelijke banden met terroristische organisaties.
Voordat het Ministerie van Buitenlandse Zaken (BZ) bijdragen toevertrouwt aan organisaties is het noodzakelijk om vast te stellen of BZ hier geen onverantwoorde risico’s loopt. Een risicoanalyse van de organisatie en integriteit-toets is hierbij een verplicht onderdeel. Hierbij wordt onder meer bezien of de organisatie wel in staat is om de beoogde activiteit op een doelmatige wijze uit te voeren, of de organisatiecapaciteit voldoende is wat betreft structuur, omvang en management, of er voldoende financiële basis is voor de uitvoering, of de mensen die er werken de benodigde kennis en ervaring hebben, of de financiële administratie op orde is en of er deugdelijke interne controlemechanismes bestaan. Tijdens deze beoordeling kan bijvoorbeeld worden vastgesteld of de organisatie voldoet aan het (bij subsidies verplichte) normenkader financieel beheer en of ze – in geval van uit ODA-middelen gefinancierde activiteiten – in staat zijn te rapporteren conform de normen van BZ en International Aid Transparency Initiative (IATI). Ook gedurende de looptijd van de activiteit vindt er monitoring plaats aan de hand van voortgangsrapportages en accountantsrapporten. Binnen BZ vindt er dus zowel in het voortraject als tijdens de uitvoering van activiteiten zorgvuldig risicomanagement plaats. Zie ook de Kamerbrief van 8 september jl., met kenmerk 2020Z15518/2020D33541. Het ministerie heeft een zero-tolerance beleid met betrekking tot misstanden. Ieder vermoeden wordt onderzocht en daar waar daadwerkelijk sprake is van een misstand wordt het sanctiebeleid toegepast. Desondanks kunnen er misstanden met door BZ beschikbaar gestelde middelen voorkomen.
Wilt u per direct de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah sluiten, omdat u kennelijk niet in staat bent om te voorkomen dat de Nederlandse vertegenwoordiging wordt gebruikt/misbruikt voor terrorismefinanciering?
Nee.
Indien u de vorige vraag met een «nee» heeft beantwoord, kunt u er dan in ieder geval voor zorgen dat zolang de onderzoeken lopen, er geen toegangspasjes voor de vertegenwoordiging meer worden afgegeven aan medewerkers en bestuursleden van Palestijnse organisaties die Nederlands hulpgeld ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet wil de uitkomsten van het extern onderzoek naar UAWC afwachten om te bezien welke lessen eruit getrokken kunnen worden. Zie ook het antwoord op de vragen van de leden Voordewind, Weverling, Van der Staaij en de Roon, d.d. 20 augustus 2020, Aanhangsel Handelingen 2019–2020, nr. 3819. Het gaat hier overigens uitdrukkelijk niet om een toegangspasje voor de Nederlandse Vertegenwoordiging, maar om een pasje waarmee zij zich konden identificeren als medewerker van een organisatie die door de Nederlandse Vertegenwoordiging gesteund wordt.
Bent u bereid alle Nederlandse hulpgelden aan Palestijnse organisaties per direct stop te zetten?
Nee. De Nederlandse steun aan Palestijnse organisaties maakt deel uit van de Nederlandse inzet voor de verwezenlijking van de twee-statenoplossing, met een levensvatbare Palestijnse staat naast een veilig Israel, op basis van de grenzen van 1967.
Kunt u de vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De stand van zaken rond het testbeleid, laboratoriumcapaciteit en ventilatie |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat momenteel de voornaamste reden dat GGD’en niet kunnen opschalen de capaciteitsproblemen bij de laboratoria is?1
Dat klopt.
Wat is de oorzaak van deze capaciteitsproblemen? Klopt het dat het Landelijk Coördinatieteam Diagnostische Keten (LCDK) onvoldoende reagentia kan inslaan?2
Ondanks alle inzet heeft zich de afgelopen weken een aantal tegenvallers voorgedaan:
Daarnaast is het inderdaad zo dat internationale leveranciers van reagentia op dit moment onvoldoende kunnen leveren aan Nederlandse laboratoria. De inkoopafspraken worden gemaakt via het LCH. Het LCDK kent de reagentia die wél beschikbaar vervolgens zo optimaal mogelijk toe aan de laboratoria.
Hoeveel (private) laboratoria zijn inmiddels aangesloten op CoronIT, het computersysteem dat voor de coronatesten wordt gebruikt?
Op het moment van schrijven zijn bijna 70 laboratoria aangesloten op CoronIT.
Op welke wijze bent u van plan om op zo kort mogelijke termijn de capaciteitsproblemen bij de laboratoria op te lossen?
Er is een aantal acties ondernomen voor de korte termijn:
Zijn er ook andere redenen dat momenteel niet opgeschaald kan worden door de GGD’en?
Nee, dat is niet het geval.
Is de oproep om alleen te testen bij klachten slechts tijdelijk (in verband met de capaciteitsproblemen bij de laboratoria), of blijft dit het testbeleid?3
Dit is het geldende testbeleid.
Klopt het dat diverse zorginstellingen inmiddels weer overgaan tot het zelf testen van personeel – bijvoorbeeld omdat een personeelslid op de afdeling besmet blijkt te zijn – aangezien de GGD hier niet aan kan meewerken?
Ik beschouw het niet als een probleem dat zorginstellingen hun personeel zelf testen. In veel ziekenhuizen is dit staande praktijk. Ik ben in gesprek met ziekenhuizen en de GGD GHOR over de mogelijkheid om alle zorgwerkers in het ziekenhuis te testen, dus zowel het afnemen van monsters als het analyseren van monsters. Het voordeel daarvan is, dat het afgenomen monster al meteen in het ziekenhuis aanwezig is en daarmee meteen naar het laboratorium kan. Daarmee blijft de doorlooptijd kort. Ook andere relevante zorgorganisaties worden hierbij betrokken. Ik houd uw Kamer op de hoogte van de voortgang van de uitwerking.
Kunt u een overzicht geven van hoe lang men per GGD-regio gemiddeld en maximaal moet wachten op een testuitslag?
Dat overzicht is door aanpassingen in CoronIT steeds beter te geven maar is ook aan forse dagelijkse veranderingen onderhevig. Het LCDK en GGD-GHOR monitoren dit dagelijks en ik rapporteer hierover op hoofdlijnen aan de kamer en niet per regio.
Kunt u – in aanvulling op de schriftelijke vragen van de leden Van den Berg (CDA), Peters (CDA), Bergkamp (D66) en Diertens (D66) aan u over het belang van ventilatie tegen de verspreiding van het coronavirus4 – een reactie geven op de ontwikkeling van filters waarmee het coronavirus uit de lucht gehaald kunnen worden? Bekijkt het RIVM dergelijke opties, en zo ja, hoe kijken zij hier tegenaan?5
Het RIVM is op de hoogte dat er systemen zijn met filters die als doel hebben virussen uit de lucht te halen, zoals in gebruik bij operatiekamers en vliegtuigen. Deze systemen kunnen in deze settings bij correct gebruik een goede toevoeging zijn aan de andere preventieve maatregelen om infectieziektes te voorkomen. Voor publieke plekken zoals kantoren en scholen is het echter niet duidelijk of systemen met filters die de lucht in een ruimte reinigen, naast de al geldende maatregelen en bestaande ventilatiesystemen, een meerwaarde zijn om COVID-19 te voorkomen omdat de rol van aerogene transmissie van SARS-CoV-2 nog onduidelijk is.
Onderzoekt het RIVM tevens systemen waarbij gebruik wordt gemaakt van ionisatie en/of UV-C straling? Zo ja, wat is het oordeel van het RIVM hierover?
In het verleden is door RIVM gekeken naar ionisatie en UV-C, maar niet in relatie tot COVID-19 of luchtreiniging. Op dit moment onderzoekt het RIVM geen systemen waarbij gebruik wordt gemaakt van ionisatie en/of UV-C.
Het bericht ‘Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender’ |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort aan jeugdzorgers steeds nijpender»?1
Ja.
Klopt het dat de instroom in de jeugdzorg in het eerste kwartaal van 2020 is afgenomen met 30 procent? Zo ja, welke verklaringen heeft u voor deze afname?
CBS heeft onlangs een kwartaalupdate met gegevens over het eerste kwartaal 2020 met betrekking tot de arbeidsmarkt zorg en welzijn op AZW StatLine gepubliceerd en hierbij een nieuwsbericht uitgebracht waarin deze afname van 30% wordt gemeld. Echter, de in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche.
Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgwekkend. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 medewerkers in Q1 2020).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020.
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Deelt u de mening, ook van de FNV, dat het verminderen van de administratieve lasten in de jeugdzorg een deel van de oplossing zou kunnen zijn om personeelsverloop- en ziekteverzuim tegen te gaan?
Ja.
Wanneer en op welke wijze voert u de unaniem door de Kamer aangenomen motie-Wörsdörfer c.s. uit waarin u opdracht krijgt bij ministeriële regeling regels te stellen met als doel het aanzienlijk verminderen van de uitvoeringskosten en het stroomlijnen van de verantwoordingseisen en administratieve processen binnen de jeugdhulpsector?2
De afspraak uit het convenant «stoppen met tijdschrijven in de jeugdzorg» is «dat VNG en VWS een project zullen starten om te komen tot een vereenvoudiging van productcodes met normen voor cliëntgebonden tijd, niet-cliëntgebonden tijd en reistijd.» Indien deze normen worden afgesproken zal dit als gevolg hebben dat bijvoorbeeld het bijhouden van een (digitale) agenda voor professionals voldoende is. Ik ben voornemens om de vereenvoudiging van de productcodes vast te leggen in een ministeriele regeling, streefdatum is 1 januari 2022.
Wat is de uitkomst van de gesprekken tussen de regering en gemeenten om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen met als doel een minimale uniformiteit tussen en binnen de 42 zorgregio’s zoals verzocht in de motie van 18 november 2019?3
De uitwerking om lokale en regionale verantwoordingseisen zo veel mogelijk te beperken dan wel te stroomlijnen zit op meerdere vlakken. Zo richt de Norm van Opdrachtgeverschap van de VNG zich op zorgvuldigheidseisen bij inkoop, de verplichting tot het beperken van administratieve lasten en het gebruik van de i-standaarden. In het wetsvoorstel «Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen» worden eisen gesteld aan de regionale samenwerking. Mijn wens om verantwoordingseisen voor de jeugdhulp op regionaal niveau te stroomlijnen, is verwerkt in dat wetsvoorstel.
Heeft u gesprekken gevoerd met branchepartijen over het verminderen van administratieve lasten van hun kant, zoals door de VVD-fractie gevraagd tijdens het wetgevingsoverleg Onderdeel Jeugd en aanverwante zaken van de begrotingen VWS en J&V 2020 van 18 november 2019?4 Wat waren de uitkomsten van deze gesprekken? In hoeverre monitort u de daadwerkelijke resultaten van deze gesprekken in de praktijk voor jeugdzorgmedewerkers? In hoeverre zullen nog meer van dit soort gesprekken plaatsvinden?
VWS heeft vanuit het programma Ontregel de Zorg en onder leiding van Rita Verdonk als speciaal adviseur voor de jeugdzorg, diverse gesprekken gevoerd met betrokken partijen over het verminderen van administratieve lasten en regeldruk, waaronder het stoppen met tijdschrijven. Dit heeft o.a. geresulteerd in de ondertekening van het convenant «Stoppen met tijdschrijven» door VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) op 11 juni 2020. Zo gaan werknemers en werkgevers in de CAO vastleggen dat er geen vermijdbaar tijdschrijven meer plaatsvindt. Gemeenten en jeugdhulpaanbieders hebben afgesproken geen vermijdbaar tijdschrijven meer op te nemen in de contracten inspannings- en output gericht. VWS, VNG, Jeugdzorg Nederland en FNV (mede namens CNV) hebben regelmatig overleg over de voortgang en monitoring van de afspraken uit het convenant.
Heeft u signalen ontvangen dat jeugdzorgmedewerkers graag meer inspraak in hun werkzaamheden willen hebben? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om de inspraak van jeugdzorgpersoneel te vergroten?
VWS is bekend met de wens van professionals om meer inspraak te hebben. Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
De maatschappelijke kosten en baten van zonne-energieprojecten |
|
William Moorlag (PvdA) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Maatschappelijke kosten-batenanalyse naar toekomstige inpassing van drie alternatieven voor opwek van zonne-energie» van Berenschot en Kalavasta?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat, vanuit maatschappelijk oogpunt, zon op bedrijfsdaken sterker gestimuleerd zou moeten worden?
Deze conclusie is in lijn met het kabinetsbeleid op dit terrein. Zoals aangegeven in mijn brief van 23 augustus 2019 (Kamerstuk 34 682, nr. 29) in reactie op de moties van het lid Dik-Faber c.s. (Kamerstuk 32 813, nr. 204 en Kamerstuk 34 682, nr. 25) zet het kabinet erop in om met zon-PV daken en onbenutte terreinen zoveel mogelijk te benutten en landbouw en natuur zoveel mogelijk te ontzien. Met de inzet op zon-op-dak-projecten, die over het algemeen een hoger percentage eigen verbruik hebben, wordt bovendien het elektriciteitsnet zoveel mogelijk ontlast.
Het kabinet is met het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en maatschappelijke organisaties een voorkeursvolgorde overeengekomen, die voorziet in het ontzien van landbouw- en natuurgronden en het stimuleren van zon op daken. De voorkeursvolgorde is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), die provincies en gemeenten kunnen benutten om af te wegen waar zon-PV het beste kan worden ingepast. Omdat voor de realisatie van grootschalige zon-PV-projecten een vergunning nodig is, is het beleid voor ruimtelijke ordening op deze wijze sturend bij de realisatie van zon-PV-projecten.
In dit licht werkt het kabinet tevens aan wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin krijgen gemeenten de bevoegdheid om via een zogenoemde maatwerkregel in het omgevingsplan te eisen dat nieuwe gebouwen die niet al onder de voorgenomen BENG-eisen vallen, zoals onverwarmde industriehallen, hun dak gebruiken voor opwek van duurzame energie of klimaatadaptatie.
Deelt u de mening dat zonne-energieprojecten met een hogere maatschappelijke waarde (inclusief indirecte en externe kosten) ook een betere businesscase dienen te hebben? Zo nee, waarom niet?
Deze stelling deel ik niet. In het geval dat projecten met een hoge maatschappelijke waarde door private partijen dienen te worden uitgevoerd, is het nodig dat de uitvoering hiervan ook rendabel is. Daarbij is het niet nodig dat deze projecten een betere businesscase hebben. Het instrumentarium dat door de verschillende overheden beschikbaar wordt gesteld, levert hieraan een bijdrage.
Deelt u de mening dat het van belang is om middels subsidies ervoor te zorgen dat zonne-energieprojecten met een hogere maatschappelijke waarde een betere businesscase hebben? Zo nee, waarom niet?
De SDE++ subsidieert de onrendabele top van zonne-energieprojecten. Daarmee krijgen deze projecten een voldoende aantrekkelijke businesscase. Het verder verbeteren van de businesscase zou leiden tot overstimulering en hogere kosten voor de energietransitie. Het Rijk en medeoverheden hebben verschillende andere instrumenten tot hun beschikking die er gezamenlijk toe moeten leiden dat de investeringen van onder andere private partijen leiden tot maatschappelijk gewenste uitkomsten. Zo worden veel beslissingen die van invloed zijn op de omgeving, zoals de inpassing van zonne-energie, beïnvloed door het ruimtelijke instrumentarium.
Bent u ook van mening dat zonneweides doorgaans een betere businesscase hebben dan zonprojecten op bedrijfsdaken, terwijl zonneweides maatschappelijk gezien minder wenselijk zijn? Zo ja, op welke wijze wilt u het voor investeerders en ontwikkelaars aantrekkelijker maken om zon op daken te realiseren in plaats van op land? Bent u bereid hiervoor de Stimulering Duurzame Energietransitie (SDE++)-regeling verder aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de SDE+(+) is CO2-reducerende projecten te stimuleren door de onrendabele top van deze projecten af te dekken. Daarbij is de SDE++ techniekneutraal: technieken met een gelijk risicoprofiel ontvangen een gelijk financieel rendement. Wel was het in het verleden zo dat in de SDE+ gestuurd werd op de laagste kostprijs. Projecten met een lagere kostprijs kwamen hierdoor eerder aan bod dan projecten met een hogere kostprijs. Dit betekende onder andere dat zonneweides eerder aan bod kwamen dan zon-PV op daken.
In de SDE++ concurreren projecten niet langer op basis van kostprijs maar op basis van subsidiebedrag (basisbedrag – verwacht correctiebedrag). Dit betekent dat in de SDE++ de relatieve rangschikking van systemen met eigen verbruik zal verbeteren ten opzichte van systemen zonder eigen verbruik. Zon-op-dak-projecten gebruiken doorgaans een groot deel van de opgewekte energie zelf, in tegenstelling tot veldsystemen. Hierdoor zullen zon-op-dak-projecten eerder voor subsidie in aanmerking komen.
In het rapport dat wordt aangehaald, wordt uitgegaan van een vrij laag aandeel eigen gebruik bij zon op dak (namelijk 30%), waardoor zon op dak niet eerder aan bod zou komen dan grondgeboden systemen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) gaat uit van 60% gemiddeld eigen verbruik over het gehele vermogensspectrum, waardoor dit wel het geval is. Ik ben daarom niet van mening dat zonneweides een betere businesscase hebben dan zonprojecten op daken. Daarom ben ik ook niet voornemens om de SDE++-regeling op dit punt verder aan te passen.
Zou u bovenstaande vragen voor het algemeen overleg Klimaat en energie dat op 24 september 2020 gepland is willen beantwoorden?
Het algemeen overleg Klimaat en Energie, dat op 24 september 2020 gepland stond, is vervallen. Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Farmalobby wil dekking tegen claims over vaccins’ |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Farmalobby wil dekking tegen claims over vaccins»?1
In het artikel bevestigt de woordvoerder van de Europese Commissie dat de regels over aansprakelijkheid niet zullen veranderen. Dat beeld deel ik. Tegelijkertijd geeft de woordvoerder aan dat het een andere vraag is of regeringen van landen farmaceutische bedrijven op de een of andere manier zullen vrijwaren van toekomstige claims. Daarmee bedoelt de woordvoerder, zo blijkt uit uitlatingen van de Commissie, dat lidstaten bijvoorbeeld onder bepaalde voorwaarden financiële compensatie kunnen bieden bij claims die zien op een verborgen gebrek van een vaccin dat niet bekend was op het moment van toelating. De vermeende suggestie uit het artikel dat de Europese Commissie in de contracten een vrijstelling van de wettelijke productaansprakelijkheid voor farmaceuten zou hebben geregeld, is niet aan de orde.
Deelt u de mening dat deze lobby de ware intenties van big farma blootlegt, te weten cashen op de crisis in plaats van de pandemie uit te roeien?
De farmaceutische bedrijven waarmee de Commissie in gesprek is, zijn bedrijven die erkennen dat de wereld op dit moment in een crisis verkeert. Zij tonen hun commitment door veel geld en energie te stoppen in het ontwikkelen van een veilig vaccin dat een einde zal brengen aan de pandemie. Van sommige van de vaccins tegen Covid-19 die zij ontwikkelen, zijn er hoge verwachtingen. Tegelijkertijd kent het ontwikkelen van vaccins veel onzekerheden. De farmaceutische bedrijven werken er hard aan om te voldoen aan de strenge eisen die binnen de Europese Unie gelden voor de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van de vaccins, zoals ook blijkt uit het gezamenlijke persbericht dat negen grote farmaceutische bedrijven op 8 september 2020 hebben uitgebracht.3 Ik herken het beeld niet dat farmaceutische bedrijven vooral geld willen verdienen in plaats van de pandemie te willen bestrijden.
Kunt u garanderen dat de Europese regels over aansprakelijkheid van toepassing zijn en blijven op farmabedrijven die zich bezighouden met de ontwikkeling van coronavaccins?
De Europese Commissie heeft ook tijdens een bijeenkomst van de commissie voor volksgezondheid op 7 september 2020 in het Europees parlement verklaard dat alle wetgeving van de EU inzake productaansprakelijkheid volledig wordt gerespecteerd en dat de rechten van burgers onaangetast blijven.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk moet zijn farmabedrijven te beschermen tegen rechtszaken?
Ja. In de Geneesmiddelenrichtlijn is opgenomen dat het toekennen van een handelsvergunning niets afdoet aan de aansprakelijkheid van een fabrikant en vergunninghouder. In Nederland is dat geregeld in het Burgerlijk Wetboek; dat is onverkort van toepassing. Als een geneesmiddel wordt gebruikt in lijn met de goedgekeurde indicaties, ligt de aansprakelijkheid bij de fabrikant of vergunninghouder.
Welk precedent is er voor het vrijstellen van de farmaceutische industrie van aansprakelijkheid, zowel binnen als buiten de EU?
Een aantal jaren geleden is voor de behandeling van een Ebola patiënt Favipiravir toegediend. Dit product was op dat moment alleen in Japan geregistreerd voor de indicatie ernstige influenza en de fabrikant was toen gevrijwaard van aansprakelijkheid, omdat het product op dat moment geen registratie voor de indicatie Ebola had. Een ander geval betrof het behandelen van een Lassakoorts patiënt met Ribavirine, een product dat geregistreerd is voor de behandeling van patiënten met chronische hepatitis B. Ook in dit geval was de fabrikant gevrijwaard omdat het product niet voor de indicatie Lassakoorts was geregistreerd.
Welke afspraken zijn er in bestaande contracten met farmabedrijven met betrekking tot bescherming voor eventuele rechtszaken?
In algemene zin geldt dat de contracten die getekend worden door de Europese Commissie voorzien in een geheimhoudingsverklaring voor alle betrokken partijen inclusief de vertegenwoordigers van de 27 lidstaten. Hierdoor kan niet ingegaan worden op specifiek gemaakte afspraken in die contracten.
De Europese wetgeving inzake productaansprakelijkheid wordt volledig gerespecteerd en blijft op het bedrijf rusten. De rechten van burgers blijven volledig onaangetast. In zoverre bieden de overeenkomsten de bedrijven dus geen bescherming voor eventuele rechtszaken.
Wel worden in de overeenkomsten afspraken gemaakt over een vrijwaring door de Lidstaten van de farmaceutische bedrijven ten aanzien van claims van derden. Voor deze vrijwaringssituatie gelden specifieke en strikte voorwaarden.
Wat is uw reactie op de uitspraak van AstraZeneca bestuurder Dobber: «Dit is een unieke situatie waarin wij als bedrijf simpelweg het risico niet kunnen nemen. Wij vragen in onze contracten om vrijstelling. Voor de meeste landen is het acceptabel om deze risico's zelf te dragen, omdat dat in het nationale belang is.»?
Zie antwoord 3.
Hoeveel zou zo’n dekking de staat mogelijkerwijs kunnen kosten?
Omdat er in de Europese Unie geen sprake is van vrijstelling van productaansprakelijkheid, is een dekking daarvoor ook niet aan de orde. Eventuele zeldzame bijwerkingen van een vaccin, komen soms pas na registratie bij toepassing op grote schaal aan het licht. Vooraf is een dekking daarom moeilijk in te schatten.
Wat is uw reactie op de rechtvaardiging die lobbyorganisatie the European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA) aanhaalt met betrekking tot de extra risico’s die ontstaan met het zo snel mogelijk ontwikkelen van een vaccin?
In het statement van negen grote farmaceutische bedrijven zie ik bevestiging van het feit dat deze bedrijven alles op alles zetten om een veilig vaccin tegen COVID-19 op de markt te brengen. Het is belangrijk om te benadrukken, dat hoewel bepaalde procedures in de vaccinontwikkeling versneld / parallel uitgevoerd worden, de eventuele toelating van de vaccins tot de markt (registratie) net zo kritisch en zorgvuldig door de EMA zal worden beoordeeld.
Wat vindt u ervan dat farmabedrijven stellen dat er onvermijdelijk risico’s ontstaan bij de snelheid waarmee de vaccins tot stand komen? Hoe kan dit het geval zijn terwijl vaccins, net als in normale tijden, alle vereiste goedkeuringen moeten verkrijgen en alle gebruikelijke procedures moeten doorlopen?
We willen natuurlijk zo snel mogelijk een vaccin tegen het coronavirus, maar dit mag niet ten koste gaan van de kwaliteit en veiligheid. De COVID-19 vaccins die worden ontwikkeld moeten aan de hoogste zorgvuldigheids- en veiligheidseisen voldoen. Er zijn verschillende stappen in de ontwikkeling die versneld kunnen worden door bijvoorbeeld klinische studies parallel te laten verlopen en de productie vast te starten, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 9 heb aangegeven. Ik wil nogmaals benadrukken dat bij de zoektocht naar een vaccin de snelheid nooit boven zorgvuldigheid mag gaan. COVID-19 vaccins zullen bij toelating tot de markt aan dezelfde eisen moeten voldoen als elk ander vaccin. Medicijnautoriteiten zoals de EMA en het CBG zien hier streng op toe.
Als, zoals beweerd wordt, de snelheid niet ten koste gaat van de nauwkeurigheid, en vaccinontwikkeling aan alle gebruikelijke checks en balances onderworpen wordt, wat zou dan de rechtvaardiging zijn voor een uitzonderingspositie met betrekking tot claims, waarvan wordt verwacht dat zij een gevolg zullen zijn van de snelheid van vaccinontwikkeling?
Zoals ik in de beantwoording op eerdere vragen heb aangegeven staan de veiligheid en werkzaamheid van een vaccin voorop. De medicijnautoriteiten zullen niet anders beoordelen dan bij andere vaccins en ook na het beoordelingsproces blijft het belangrijk de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin te monitoren. Net als bij andere medicijnen bestaat de mogelijkheid dat na toelating onbekende of zeldzame bijwerkingen naar voren komen, die tijdens het onderzoek niet zichtbaar waren.
Vaccinproducenten maken hoge kosten om zo snel als mogelijk een vaccin beschikbaar te stellen. Er worden daarom afspraken gemaakt om een stuk van het financiële risico af te dekken voor producenten om tijdig een veilig vaccin op de markt te brengen. In de afspraken die met vaccinproducenten worden gemaakt gaat het onder andere over het vrijwaren/compenseren voor bepaalde aansprakelijkheden onder strikte condities. Deze afspraken staan helemaal los van de toelatingsprocedure.
Deelt u de mening dat de snelheid waarmee vaccins nu tot stand komen juist in het teken moet staan van werkzaamheid en veiligheid van het vaccin? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, een vaccin moet ten alle tijden zo veilig mogelijk zijn. Dit is niet alleen belangrijk voor het effectief bestrijden van deze pandemie, maar is ook essentieel om het draagvlak voor vaccinaties in het algemeen hoog te houden.
Het bericht dat de scholingspot van ‘NL leert door’ leeg is |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Klopt de in het artikel genoemde constatering dat 22.000 mensen via het loket «Nederland leert door» een aanvraag hebben gedaan voor gratis scholing en advies? Klopt het ook dat het loket «Nederland leert door» sinds 1 september jongstleden gesloten is en mensen geen aanvragen meer kunnen doen?1
Ja, het klopt dat sinds 1 augustus dit jaar 22.000 mensen zich via een loopbaanadviseur hebben aangemeld voor een kosteloos ontwikkeladvies en dat het ontwikkeladviesportaal, waar deze trajecten werden geregistreerd, op 1 september jl. gesloten is. NL Leert Door bestaat uit twee regelingen, naast de regeling voor ontwikkeladvies is er ook een regeling voor scholing die recent op 5 september jl. in werking is getreden.
In hoeverre hebben werknemers, ondernemers of werkzoekenden gedurende de afgelopen maanden via andere loketten, fondsen of subsidiepotten gebruik gemaakt van scholing en advies?
Er zijn verschillende mogelijkheden voor werknemers, ondernemers of werkzoekenden om een ontwikkel- of loopbaanadvies te kunnen krijgen of aan scholing deel te nemen. Zo bieden werkgevers en O&O-fondsen vaak mogelijkheden om loopbaanadviestrajecten of scholing te volgen en kunnen werkenden ook via vakbonden adviestrajecten volgen. Ik heb geen informatie over hoeveel er door private partijen de afgelopen maanden is geïnvesteerd in scholing en ontwikkeling.
Naast private investeringen zijn er ook verschillende publieke regelingen voor advies en scholing. Zo kunnen mensen bijvoorbeeld bij regionale leerwerkloketten terecht voor vragen over ontwikkeling en kunnen mkb-ondernemingen via de SLIM-regeling onder meer subsidie aanvragen voor ontwikkel- en loopbaanadviestrajecten voor werkenden in hun organisatie en voor het opzetten van bedrijfsscholen. Ook in de SLIM-regeling blijken ontwikkel- en loopbaanadviezen populair. In het eerste aanvraagtijdvak voor individuele ondernemingen – dat in maart dit jaar open stond – is door 1100 mkb-ondernemingen subsidie aangevraagd voor (onder meer) ontwikkel- en loopbaanadviezen. In hoeverre deze adviezen ook hebben plaatsgevonden kan ik nog niet zeggen, omdat de projecten nog lopen.
Voor de zomer heb ik aan uw Kamer toegezegd dat ik na de zomer een brief stuur met een routekaart voor LLO. Daarin zal ik meer uitgebreid terug- en vooruitblikken op het LLO-beleid en zal ik ook ingaan op wat we op dat moment weten over het gebruik van verschillende regelingen met betrekking tot advies en scholing.
Is bekend hoeveel geld er vanuit werkgevers, opleidings- en ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen) en mensen zelf is besteed aan scholing en advies gedurende de afgelopen maanden? Zo ja, kunt u deze gegevens met ons delen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat loopbaanadvies en na-, om- en bijscholing een gedeelde verantwoordelijkheid is van werkgevers, de overheid en mensen zelf? Hoe zorgt u ervoor dat de in het tweede steunpakket beschikbaar gestelde vijftig miljoen euro aangevuld wordt met geld van werkgevers en sectoren?
Ja die mening deel ik, met de kanttekening dat primair sociale partners en mensen zelf aan zet zijn en de overheid een faciliterende rol heeft. En we zien ook dat sociale partners, veel werkgevers en mensen zelf hun verantwoordelijkheid pakken. De investeringen van de overheid zijn er vooral op gericht om mensen die moeilijk hun weg kunnen vinden te ondersteunen en te stimuleren met scholing en ontwikkeling aan de slag te gaan. Of om in bijzondere gevallen, zoals in de huidige crisis, als vliegwiel te fungeren voor meer private investeringen. Zo wordt in de regeling NL leert door met inzet van scholing cofinanciering gevraagd van O&O-fondsen, juist om ook grotere en zwaardere (om)scholingstrajecten te kunnen realiseren.
Wat is het beroepsniveau van de mensen die een aanvraag hebben gedaan? In welke sectoren zijn/waren deze mensen werkzaam?
Op dit moment is er nog geen inzicht in beroepsniveau van de deelnemers of de sectoren waarin zij werken. Bij de registratie van ontwikkeladviestrajecten moesten de loopbaanadviseurs slechts een beperkt aantal gegevens van deelnemers doorgeven om vast te kunnen stellen dat het gaat om echte mensen en unieke deelnemers. Er komt een monitor waarin meer uitgebreid gekeken wordt naar de deelnemers aan het ontwikkeladvies. Daarin wordt ook meegenomen wat hun opleidingsniveau is en in welke sector zij werken. De eerste resultaten van deze monitor zullen naar verwachting in het vierde kwartaal beschikbaar zijn.
Deelt u de mening dat advies en scholing vooral voor laag- en middelbaaropgeleiden (meer) waarde heeft? Hoe zorgt u ervoor dat juist zij van de mogelijkheden gebruik maken?
Nee die mening deel ik niet. Het is zeker niet vanzelfsprekend dat hoger opgeleiden wel eenvoudig zelf de weg kunnen vinden op de arbeidsmarkt of dat scholing voor hen geen waarde heeft. Dat geldt temeer voor de crisis waar wij ons nu in bevinden. Deze crisis stelt ons voor uitdagingen waar wij niet eerder mee te maken hebben gehad. En dit zorgt ervoor dat ook voor hoger opgeleiden van ontwikkeladvies en scholing van groot belang kunnen zijn om inzetbaar te blijven op de arbeidsmarkt. Wel is het zo dat laag- en middelbaaropgeleiden meer moeite kunnen hebben met het vinden van hun weg op de arbeidsmarkt en het inschatten van hun kansen en mogelijkheden, en minder vaak van (na-, om- en bij-)scholing gebruik maken. Om hen te stimuleren de ontwikkeladviezen te gebruiken, zijn voor de communicatie over de regeling stakeholders, zoals de vakbonden, actief betrokken om deze groepen gericht te benaderen.
Deelt u de mening dat scholingsbudgetten vooral gericht zouden moeten zijn op het scholen in en naar tekortsectoren, zoals zorg, informatietechnologie en onderwijs? Hoe zorgt u ervoor dat «NL leert door» voorrang verleent aan scholing in en naar tekortsectoren?
Ja die mening deel ik, met de kanttekening dat scholing voor iedereen op elk moment van grote waarde kan zijn. Het crisispakket NL Leert Door richt zich op iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt, omdat de coronacrisis ons allemaal kan raken. Daarom is het van belang dat iedereen zijn arbeidsmarktpositie blijft versterken door te leren en ontwikkelen. Scholing die wordt aangevraagd met de regeling uit NL Leert Door moet arbeidsmarktrelevant zijn, ofwel bijdragen aan een betere en duurzame arbeidsmarktpositie. Dat kan in een tekortsector zijn, maar bijvoorbeeld ook in kansberoepen. Om dit verder te stimuleren is een deel van het budget beschikbaar exclusief voor samenwerkingsverbanden (een samenwerking tussen een opleider enerzijds en bijvoorbeeld een O&O-fonds of branchevereniging anderzijds), zodat zij scholingsactiviteiten (waaronder ook omscholing) voor een bepaalde sector kunnen realiseren. Zo kunnen ook de tekortsectoren een aanvraag indienen en zo ondersteuning krijgen in het scholen in en naar hun sector.
Per wanneer komen de op 28 augustus jongstleden door u aangekondigde budgetten voor dienstverlening, scholing en ontwikkeling beschikbaar? Is het mogelijk om deze versneld in te zetten ten behoeve van advies en scholing?
In de brief van 28 augustus jl. is uw kamer geïnformeerd over het steun- en herstelpakket. In dat pakket zijn middelen beschikbaar voor dienstverlening, scholing en ontwikkeling. Voor de ontwikkeladviezen zal er in 2021 € 37 miljoen beschikbaar worden gesteld, waarmee ruim 50.000 mensen een ontwikkeladvies kunnen volgen. Tijdens het debat over deze steunmaatregelen van 24 september jl. heb ik aangegeven dat de middelen voor ontwikkeladviestrajecten vanaf 1 december 2020 beschikbaar komen. Het ontwikkeladviesportaal kan vanaf die datum weer opengesteld worden, zodat mensen zich weer via een loopbaanadviseur kunnen registreren voor een ontwikkeladviestraject.
Wat is uw ambitie ten aanzien van het aantal mensen dat gedurende deze coronacrisis gebruik maakt van loopbaanadvies en na-, om- en bijscholing? Welke kwantitatieve verwachtingen zijn gebruikt voor het bepalen van de budgetten en zijn hierbij specifieke doelen gesteld met betrekking tot opleidingsniveau en/of tekortsectoren? Welke financieringsbronnen naast «NL leert door» verwacht u dat daarbij worden gebruikt en in welke mate?
Met het pakket aan maatregelen in NL leert door wordt – ter overbrugging van de periode tot wanneer STAP beschikbaar is – scholing aangeboden via opleiders en geïnvesteerd in ontwikkeladvies. Hiermee krijgen mensen handvatten om in deze uitdagende tijd op de arbeidsmarkt aan de slag te gaan met ontwikkeling en scholing. In 2020 is er € 50 miljoen beschikbaar voor ontwikkeladviezen en (online) scholing. Hiermee worden 22.000 ontwikkeladviezen gefinancierd, waarmee een bedrag van ruim € 14 miljoen gemoeid is. Dit aantal was gebaseerd op een inschatting van het aantal trajecten dat de uitvoerder in de periode van augustus tot december 2020 zou kunnen afhandelen en de ervaringen bij de regeling Ontwikkeladvies 45+. Voor die regeling was in eerste instantie weinig animo, waarna uiteindelijk in het laatste jaar in totaal 30.000 ontwikkeladviezen zijn uitgevoerd.
Voor (online) scholing verwacht ik 50.000 tot 80.000 scholingstrajecten te kunnen financieren, hiervoor is in totaal € 34 miljoen beschikbaar. De reden voor deze verdeling heeft er in de eerste plaats mee te maken dat de middelen voor dit jaar bedoeld zijn en we de scholing ook dit jaar willen kunnen aanbieden. Bovendien is de regeling voor (online) scholing een nieuw soort regeling, waarvan we nog niet goed weten hoe deze zal werken en in hoeverre deze vorm aanslaat bij en bruikbaar is voor mensen die scholing willen volgen. We zullen daarom ook een effectevaluatie inzetten om te onderzoeken hoe de regelingen zijn verlopen en of de regelingen effectief en doelmatig zijn.
Voor 2021 worden er door het kabinet extra middelen beschikbaar gesteld voor deze vormen van ondersteuning. Zo komt er € 37 miljoen beschikbaar, waarmee nog eens 50.000 mensen een ontwikkeladviestraject kunnen volgen. Het portaal voor registratie van deze trajecten kan op 1 december aanstaande reeds geopend worden. Verder wordt er nog eens € 30 miljoen beschikbaar gesteld voor een tweede tranche online scholing. Hiermee kunnen ongeveer 80.000 extra scholingstrajecten worden gefinancierd. Er is voorzien in een effectevaluatie om te onderzoeken hoe de regelingen zijn verlopen en of deze effectief en doelmatig zijn geweest.
Bovendien wordt er in 2021 ook geïnvesteerd in maatwerktrajecten met doelgerichte ondersteuning, scholing en begeleiding naar ander werk. Er wordt € 72 miljoen beschikbaar gesteld voor subsidie aan samenwerkingsverbanden van sectoren, sociale partners, O&O-fondsen en andere betrokkenen om werkenden die hun baan dreigen te verliezen met cofinanciering maatwerktrajecten aan te kunnen bieden. De maatwerktrajecten kunnen voorzien in scholing, maar ook in bredere arrangementen gericht op ondersteuning van werkenden. Hierbij kan gedacht worden aan ontwikkeladvies, EVC en begeleiding naar ander werk in beroepen en sectoren waar kansen liggen. Naar verwachting kunnen ca 70.000 mensen hiervan gebruik maken.
De coronacrisis kan ons allemaal raken. Hoewel van sommige sectoren duidelijk is dat ze hard geraakt worden door de coronacrisis, blijft heel moeilijk te voorspellen waar, wanneer en bij wie de klappen precies zullen gaan vallen. Dat maakt het ook lastig om regelingen te richten op bijvoorbeeld opleidingsniveau of sector waarin iemand werkzaam is. Daar komt bij dat het op die manier richten van de regelingen uitvoeringstechnisch complex is en meer tijd vergt, terwijl het tegelijkertijd zaak is om de ondersteuning in de vorm van ontwikkeladvies en scholing in zeer korte tijd beschikbaar te kunnen stellen. Daarom zijn er tot op heden geen specifieke doelen gesteld met betrekking tot het opleidingsniveau en of/tekortsector. Wel proberen wij via communicatie bepaalde doelgroepen, die een grotere kans lopen om bijvoorbeeld het werk te verliezen, te bereiken. Bovendien komt er een monitor voor beide regelingen die onder andere inzicht moet geven in de eigenschappen en kenmerken van deelnemers.
Hoe zorgt u ervoor dat werkzoekenden, werkenden, ondernemers en zelfstandigen geïnformeerd worden over alle beschikbare en financiële mogelijkheden voor om- en bijscholing naar een tekortberoep?
Informatie over mogelijkheden voor om- en bijscholing in brede zin zal onder meer worden gedeeld via hoewerktnederland.nl en slimwerkgeven.nl. Daarnaast is er rondom NL leert door een communicatiecampagne ingericht die er op gericht is om de regelingen vanuit NL leert door kenbaar te maken. Die campagne zal, gelet op de uitbreiding van de beschikbare middelen in 2021, worden gecontinueerd. Daarbij zal er ook aandacht komen voor communicatie over de nieuwe subsidie voor samenwerkingsverbanden voor het aanbieden van maatwerktrajecten.
Als het gaat om communicatie over regelingen vanuit de overheid zal aan de hand van het doel en de doelgroep van de regeling boven dien worden bezien of en in hoeverre het nodig is om de regeling specifiek onder de aandacht te brengen bij deze doelgroep. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van bijvoorbeeld radio, online advertenties en de inzet van sociale media. Bij de inkoop kan rekening worden gehouden met waar bepaalde doelgroepen het beste vertegenwoordigd zijn.
Daarnaast kan informatie verspreid via een netwerk van stakeholders, die dichtbij de doelgroep staat en zicht heeft op belanghebbende van de regeling, zoals ook is gebeurd bij NL leert door. Denk hierbij aan vakbonden, werkgeversorganisaties, leerwerklokketen, UWV, branches en sectoren.
Het bericht ‘Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: 'Zo gaat het kapot’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Sterke daling nieuwe werknemers in de jeugdzorg: «Zo gaat het kapot?»1
Ja.
Wat is uw reactie op de nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) waaruit blijkt dat in de eerste drie maanden van dit jaar zich maar 3700 nieuwe werknemers hebben gemeld, ten opzichte van 5300 in het eerste kwartaal van 2019? Bent u het ermee eens dat deze daling van 30% zeer zorgwekkend is en oproept tot acute actie?
De in het nieuwsbericht gebruikte gegevens betreffen enkel de instroom van nieuwe medewerkers in de Jeugdzorg die voorheen buiten Zorg en Welzijn werkzaam waren en bieden daarmee geen volledig beeld van de ontwikkeling van de instroom van medewerkers in de jeugdzorg. Er is ook instroom vanuit andere branches binnen Zorg en Welzijn naar de jeugdbranche. Daarnaast moeten ook de volgende aspecten worden meegewogen:
Rekening houdend met deze aspecten en als gekeken wordt naar de gegevens over de in- en uitstroom dan is vanaf 2015 een oplopend aantal mensen dat instroomt te zien. De instroomgegevens over de afgelopen jaren laten zien dat de instroom afneemt en dat is zorgelijk. Maar deze afname is beduidend kleiner dan de 30% die in het nieuwsbericht van CBS wordt genoemd. De 30% heeft enkel betrekking op de instroom van medewerkers in jeugdzorg van buiten de sector Zorg en Welzijn en zonder dat is gecorrigeerd voor administratieve mobiliteit. Als gekeken wordt naar alle instroom in de branche jeugdzorg (van buiten de sector Zorg en Welzijn en van andere branches binnen Zorg en Welzijn) en daarnaast gecorrigeerd wordt voor administratieve mobiliteit, dan zien we een daling in de instroom van medewerkers in de jeugdzorg van 13% (van ca. 6.400 in Q1 2019 naar ca. 5.600 in Q1 2020 medewerkers).
Onbekend is of de covid-19 pandemie een rol heeft gespeeld bij de instroom in het eerste kwartaal 2020. Zie ook het antwoord op vraag 5, waarin de instroom in- en exclusief administratieve mobiliteit is weergegeven. Het is belangrijk dat mensen kiezen om in de jeugdzorg te werken en dat dat nog steeds met flinke aantallen gebeurt. Tegelijkertijd is het zorgelijk dat de instroom dit jaar lager is dan vorig jaar. Ik heb hier samen met het veld actie op ingezet, een gezamenlijke aanpak gericht op zowel het behoud van personeel als ook het vergroten van de instroom. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Wat gaat u op korte termijn doen om deze dalende instroom aan te pakken, wetende dat er al een groot tekort is aan jeugdzorgmedewerkers en dat de wachtlijsten oplopen?
Er is sprake van een krappe arbeidsmarkt Zorg en Welzijn- breed, een complex vraagstuk dat niet op korte termijn is opgelost. Meer personeel is zeker niet de enige oplossing, we zetten alles op alles om de mensen die in de jeugdzorg werken te behouden. Langs diverse sporen wordt ingezet op de aantrekkelijkheid van de jeugdzorg voor potentiële jeugdzorgwerkers.
In samenwerking met gemeenten, aanbieders, vakbonden en beroepsorganisaties nemen we actie om het werken in de jeugdsector aantrekkelijk te maken en te houden. Met het actieprogramma Zorg voor de Jeugd nemen we maatregelen die bijdragen aan het vakmanschap van professionals en het bevorderen van een gezonde arbeidsmarkt. Met het actieprogramma Werken in de Zorg wordt gewerkt aan een aanpak voor de gehele sector zorg en welzijn. Met de brief van 15 september jl. hebben de Minister van VWS, de Minister voor Medische Zorg en Sport en ik uw Kamer geïnformeerd over de voorzetting en intensivering van deze brede aanpak3. In alle regio’s werken partijen samen aan instroom en behoud van medewerkers voor de sector. Daarnaast werkt VWS samen met de sector aan het terugdringen van administratieve lasten bij zorgaanbieders en professionals in de jeugdzorg. Rita Verdonk is hiervoor als speciaal adviseur van het programma Ontregel de Zorg aangesteld.
Aanvullend hierop werken Jeugdzorg Nederland, FNV en CNV, met ondersteuning van VWS en JenV, aan projecten uit de Arbeidsmarktagenda jeugdhulp. Tot eind 2022 heb ik hier een financiële bijdrage van € 2,4 miljoen voor beschikbaar gesteld. Vanuit de Arbeidsmarkttafel Jeugd lopen concrete projecten met werkgevers en professionals. Dat gaan we doen door goede ideeën en praktijken in de branche te benutten door ze op te halen, te versterken en te delen met anderen. Een van de projecten is gericht op het thema inwerken en begeleiden van nieuwe medewerkers. In dit specifieke project ligt de focus op drie manieren van inwerken en begeleiden die aantoonbaar werken in de praktijk. De werkzame inzichten worden breed gedeeld in de jeugdsector en werkgevers zullen gefaciliteerd worden om de inzichten concreet toe te passen. Andere projecten vanuit de arbeidsmarkttafel zijn gericht op modern werkgeverschap, een landelijke voorziening met loopbaanpaden en vacatures, het verminderen van agressie en arbeidsmarkteffecten van Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ)-registratie.
Heeft u in beeld waarom zo weinig mensen zich aanmelden als jeugdzorgmedewerker? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
VWS heeft geen gegevens over de motieven van mensen om niet te kiezen voor een baan in de jeugdzorg. Momenteel wordt in het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW) een onderzoek uitgevoerd naar mobiliteit in het sociaal domein. Onderzoeksvragen hierin zijn onder meer wat nieuwe werknemers motiveert om (wel of niet) in het sociaal domein te gaan werken, en welke goede voorbeelden er zijn van behoud van werknemers in het sociaal domein. Ik verwacht hiermee meer zicht te krijgen op de motieven die een rol spelen bij de keuze voor het sociaal domein. De resultaten van het onderzoek komen nog in 2020 beschikbaar. VWS gaat de uitkomsten van dit onderzoek bespreken met de veldpartijen en de Arbeidsmarkttafel Jeugd en bezien welke aanvullende acties eventueel nodig zijn gericht op het vergroten van de instroom.
Kunt u een overzicht geven van het aantal mensen dat in de jeugdzorg werkt, de instroom en de uitstroom vanaf 2010? Wat zijn de gevolgen van de decentralisatie voor het personeelsbestand?
Wat is de loonkloof tussen de mediane werknemer en de bestuurders in de jeugdzorg?
VWS beschikt niet over deze gegevens.
Wat is de salarisontwikkeling van mensen die in de jeugdzorg werken over deze hele periode? Hoe verhouden de salarissen zich tot die van mensen met een vergelijkbare opleiding in andere sectoren?
Sinds 2010 zijn de cao-lonen in de jeugdzorg in totaal 15,5% gestegen.
1,25% per 1-11-2010
2% per 1-5-2012
2% per 1-10-2014
0,4% per 1-1-2015
1,85% per 1-1-2016
1,65% per 1-7-2017
2% per 1-7-2018
4% per 1-1-2020
Bron: CAO’s Jeugdzorg.
Het startsalaris van een jeugdzorgwerker D of activiteitenbegeleider (schaal 7) met een mbo-opleiding ligt tussen de € 2.299 en € 2.375. Dit is iets meer dan een hoofdagent (mbo 4) wiens startsalaris ongeveer tussen de € 2.060 en € 2.131 ligt7. Op hbo-niveau ligt het salaris van een startende jeugdzorgwerker C (schaal 8) tussen de € 2.403 en € 2.484. Een jeugdzorgwerker met hbo-opleiding kan doorgroeien naar de functie jeugdzorgwerker A (schaal 10); in die schaal ligt het startsalaris tussen € 2.833 en € 2.931. Het startsalaris van een jeugdzorgwerker C ligt iets lager dan dat van een startende leraar; die verdient tussen de € 2.678 en € 2.7478.
Volgens vakbond FNV worden jeugdzorgmedewerkers onderbetaald, is de werkdruk te hoog, zijn zij teveel tijd kwijt aan onnodige administratieve klussen en hebben zij te weinig inspraak in het te voeren beleid, bent u bereid om aan deze oorzaken iets te doen? Kunt u per oorzaak een antwoord sturen?
We hebben te maken met een grote arbeidsmarktopgave en hoog personeelsverloop voor de jeugdsector. Ik neem de zorgen van professionals als het gaat om salaris, werkdruk, regeldruk en administratieve lasten en inspraak bij hun organisaties – dan ook uiterst serieus. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de sector, van werkgevers, werknemers, gemeenten, brancheorganisaties en vakbonden om deze knelpunten aan te pakken.
Professionals verdienen dat ze goed worden toegerust voor hun belangrijke werk. En hier hoort ook een passende beloning bij. Hier hoort ook bij dat gemeenten faire tarieven betalen aan jeugdzorgorganisaties waardoor professionals meer tijd en ruimte krijgen om goede zorg te verlenen. Omdat er in de praktijk veel discussie is bij gemeenten en aanbieders hierover, ben ik voornemens om in een AMvB kostprijselementen van een redelijk tarief vast te leggen. Dit schept zowel voor gemeenten als aanbieders houvast.
De werkdruk binnen organisaties in de jeugdzorg is vaak hoog. Werkplezier en veerkracht zijn enorm belangrijk om het werk te kunnen en willen blijven doen. Kenmerken van goede werkgevers die medewerkers aan zich weten te binden zijn onder meer de inzet van voldoende personeel, aandacht voor de inzetbaarheid van medewerkers en aandacht voor de ontwikkeling van medewerkers. Vanuit de Arbeidsmarkttafel brengen we de werkzame elementen van goed werkgeverschap in beeld en delen we de kennis over wat werkt binnen de sector.
Met landelijke en regionale schrapdagen werken we aan het terugdringen van regeldruk en administratieve lasten. Voor de zomer zijn bestuurlijke afspraken gemaakt met gemeenten, werkgevers en vakbonden over het stoppen van vermijdbaar tijdschrijven in de jeugdzorg. Afgesproken is dat gemeenten voortaan bij nieuwe contracten geen verplichting meer zullen opnemen tot vermijdbaar tijdschrijven. Werknemers en werkgevers gaan hier ook afspraken over maken in de CAO.
Inspraak van professionals is wenselijk en helpend. Krachtige organisaties betrekken hun professionals bij het beleid van de organisatie en gaan met hen in gesprek over professionele autonomie en wat nodig is om hun vak goed te kunnen doen. Inspraak is een onderwerp dat geregeld zal moeten worden tussen werkgever en werknemer. Ik wil en kan hier niet in treden.
Vanuit het actieprogramma Werken in de Zorg wordt zorg breed gewerkt aan het terugdringen van de personeelstekorten in de zorg, zoals die in de jeugdbranche. Met de brief van 15 september jl. hebben de Minister van VWS, de Minister voor Medische Zorg en Sport en ik uw Kamer geïnformeerd over de voortzetting en intensivering van de brede aanpak van de arbeidsmarktknelpunten. Deze aanpak richt zich onder meer op de waardering en zeggenschap van professionals, het verminderen van werkdruk en administratieve lasten.
Kunt u aan jeugdzorginstellingen uitleggen hoe zij hun roosters nog rond moeten krijgen, aangezien ook de uitstroomcijfers van jeugdzorgmedewerkers zeer hoog zijn, met een lage instroom en hoge uitstroom?
Ik kan me goed voorstellen dat het ingewikkeld is om in tijden van groot verloop van personeel de roosters rond te krijgen. Ik heb veel waardering en respect voor de wijze waarop zorgaanbieders continuïteit van zorg bieden.
Komen op het ministerie signalen binnen van jeugdzorginstellingen die acute personeelstekorten hebben? Zo ja, wat doet u hiermee?
VWS spreekt regelmatig jeugdzorginstellingen, gemeenten, professionals en brancheorganisaties over de arbeidsmarktsituatie van de jeugdzorg. Jeugdzorginstellingen zien in toenemende mate dat het krijgen en behouden van goed gekwalificeerd personeel lastig is vanwege krapte op de arbeidsmarkt. Er zijn bij VWS geen signalen bekend van jeugdzorginstellingen die acute personeelstekorten hebben. Ook uit navraag bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Jeugdautoriteit is dit niet gebleken.
Hoe zorgt u ervoor dat kinderen in de jeugdzorg niet de dupe worden van dit tekort aan medewerkers? Kunt u garanderen dat hierdoor geen gevaarlijke situaties ontstaan?
Als je zorg nodig hebt zijn een vertrouwd gezicht en continuïteit van professionals belangrijk. Werkgevers zijn primair verantwoordelijk voor het leveren van goede zorg en de inzet van voldoende personeel. De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid van de jeugdzorg. De IGJ informeert mij indien zij handhavend optreedt wanneer de kwaliteit, veiligheid en toegankelijkheid bij een specifieke jeugdzorgaanbieder in het geding is.
Het bericht ‘Nog steeds doodverklaard: verwisselingsfout van drie jaar terug blijft Fred Marree achtervolgen’ |
|
Jan Middendorp (VVD), Harry van der Molen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Nog steeds doodverklaard: verwisselingsfout van drie jaar terug blijft Fred Marree achtervolgen»?1
Ja.
Is het waar dat de gemeente Rotterdam bij de aangifte van een overlijden in het najaar van 2017 de naam van een overledene heeft verwisseld met die van haar eerste contactpersoon, de heer Fred Marree?
Ja.
Welke consequenties heeft deze fout gehad voor de betrokkene? Is het waar dat zijn zorgverzekering is beëindigd, zijn paspoort en rijbewijs ongeldig zijn verklaard en zijn pensioen is stopgezet?
Naar aanleiding van uw vragen heb ik navraag laten doen bij de gemeente Rotterdam. De aangifte van het overlijden zette het gegevensverkeer in werking, waardoor de gegevens automatisch naar afnemende instanties gingen, met alle gevolgen van dien. Van de gemeente begreep ik dat zij de instanties direct na de fout hebben benaderd om de fout en gevolgen zo snel mogelijk recht te trekken.
Welke stappen heeft de gemeente Rotterdam gezet nadat deze fout aan het licht was gekomen?
Van de gemeente Rotterdam vernam ik dat de afnemende instanties direct na de fout door de gemeente zijn gebeld om de fout en gevolgen recht te trekken. Volgens de gemeente heeft de heer Marree zich bij een aantal instanties zelf gemeld met een door de gemeente afgegeven zogeheten «attestatie de vita».
Op welke wijze is de gemeente Rotterdam de betrokkene tegemoetgekomen in de schade als gevolg van deze fout?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag vier schreef, vernam ik van de gemeente Rotterdam dat zij zich direct na de fout hebben ingespannen om de fout en gevolgen zo snel mogelijk recht te trekken. Ook begreep ik van de gemeente dat de heer Marree op kosten van de gemeente een nieuw reisdocument heeft ontvangen en dat deze bij hem is thuisbezorgd.
Deelt u de mening dat, waar de overheid een fout maakt in een van de basisregistraties, diezelfde overheid niet alleen de fout moet corrigeren, maar ook de nadelige gevolgen van de fout voor de betrokkene moet oplossen?
Als de overheid een fout maakt, dan moet de overheid die fout herstellen. In de Agenda NL DIGIbeter2 gaf ik aan dat ook de gevolgen van het gebruik van een onjuist gegeven snel moeten worden hersteld. In mijn brief over Regie op Gegevens van 11 juli 20193 liet ik aan uw Kamer weten dat een integrale en persoonlijke benadering nodig is om de gevolgen van onjuiste gegevens te herstellen. Het kabinet stimuleert en ondersteunt de onderlinge samenwerking en de uitwisseling van kennis en ervaring tussen overheidsorganisaties bij het oplossen van problemen. Daarom heb ik vorig jaar een toolbox «Maatwerk met de Awb» laten ontwikkelen waarmee ambtenaren maatwerk kunnen bieden bij het herstellen van fouten4. Voor de overheid moet steeds de burger en zijn of haar specifieke situatie leidend zijn bij het oplossen van deze problemen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het inrichten van een gezaghebbend centraal meldpunt waar burgers/geregistreerden terecht kunnen voor het melden en oplossen van problemen met de basisregistraties, zoals gevraagd bij de Kamerbreed aangenomen motie-Van der Molen/Middendorp (Kamerstuk 26 643, nr. 630)?
In vervolg op mijn brief van 25 november 2019 (Kamerstuk 32 761, nr. 153) heb ik de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens opdracht gegeven om in samenwerking met de beheerders van de basisregistraties het centraal meldpunt op te zetten. Bij het opzetten van het meldpunt betrek ik nadrukkelijk de ervaringen en verwachtingen van burgers en de ervaringen die zijn opgedaan met het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude, dat ook wordt beheerd door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens. Mijn verwachting is dat het meldpunt voor basisregistraties begin 2021 van start kan gaan.
Het bericht 'Hack bij Apollo Vredestein toont zwakke cyberbeveiliging Nederlandse bedrijven' en het bericht 'Overheid wist wie kwetsbaar was, maar liet bedrijven toch gehackt worden' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA), Eric Wiebes (minister economische zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hack bij Apollo Vredestein toont zwakke cyberbeveiliging Nederlandse bedrijven»1 en het bericht «Overheid wist wie kwetsbaar was, maar liet bedrijven toch gehackt worden»?2
Ja.
In hoeverre deelt u de zorgen van IT-experts over de informatiebeveiliging bij Nederlandse bedrijven? Klopt het dat veel bedrijven nog onvoldoende zijn beschermd tegen cybercriminaliteit en kwetsbaar zijn voor bijv. hacks en gijzelsoftware? Hoezeer ziet u daarbij verschil tussen grote, middelgrote (tot 250 werknemers) en kleine bedrijven (minder dan 25 werknemers)?
Het kabinet is zich zeer bewust van de risico’s op het gebied van digitale dreigingen. Cybersecurity is daarom een prioriteit van dit kabinet, dat hierin extra investeert. De aanpak is vormgegeven in de Nederlandse Cyber Security Agenda uit 2018. Er zijn sindsdien al veel belangrijke maatregelen in gang gezet bij de overheid, (vitale) bedrijven en andere organisaties. Deze maatregelen richten zich op preventie, maar ook op onze respons op digitale incidenten. Voor een overzicht van concrete stappen die zullen worden gezet om Nederland digitaal veilig te houden verwijs ik u graag in het bijzonder naar de tabel «Versterking Cybersecuritystelsel: Respons en Weerbaarheid» in de kabinetsreactie op het WRR rapport «Voorbereiden op digitale ontwrichting»3 en de beleidsreactie op het Cyber Security Beeld Nederland 20204.
De digitale weerbaarheid is ondanks die inzet nog niet overal op orde. Daarom blijven partijen kwetsbaar voor cyberincidenten zoals hacks of gijzelsoftware. Kleinere MKB-ers hebben de basis nog niet altijd goed op orde of hebben geen maatregelen getroffen.
Grotere bedrijven hebben meer met incidenten te maken dan kleinere ondernemers. Een groter werknemersbestand en complexere ICT-infrastructuur spelen hierbij een belangrijke rol. Dit vergroot het aanvalsoppervlak5.
Voor elk bedrijf zijn, ongeacht de grootte, goede beveiligingsmaatregelen en preventie van belang. Daarom zal de inzet om de digitale weerbaarheid van de Nederlandse samenleving te borgen en te verbeteren, zoals uiteengezet in bovengenoemde documenten, de komende jaren over de hele breedte moeten worden voortgezet om de ontwikkelingen bij te kunnen houden.
Welke kwetsbaarheden t.a.v. cyberbeveiliging komen bij bedrijven het meest voor? Deelt u de analyse van Deloitte Cyber Risk Services dat cybercriminelen «hun doelwit vaak niet kiezen aan de hand van de branche waarin een bedrijf zit, maar aan de hand van de gebruikte technologie»? Hoe kan in uw ogen het bedrijfsleven zich hier het beste tegen beschermen? Zijn er sectoren waarin het aantal cyberaanvallen (of pogingen daartoe) groter is dan in andere sectoren? Indien ja, welke?
Kwetsbaarheden komen voor in verschillende verschijningsvormen en kunnen door kwaadwillenden misbruikt worden. Veel voorkomende vormen van cybercriminaliteit zijn phishing, plaatsen van gijzelsoftware en malware, met als mogelijk gevolg uitval van diensten, vernietiging van data en datalekken. Essentiële onderdelen van een goede aanpak voor cyberveiligheid in het bedrijfsleven zijn onder meer: inventarisatie van kwetsbaarheden, tijdig uitvoeren van updates, toegangsmanagement, het gebruik van veilige instellingen. Naast eigen maatregelen kunnen ondernemingen een cybersecuritybedrijf in de arm nemen om adequate maatregelen te treffen.
De analyse van Deloitte deel ik over het algemeen. Het lijkt er minder toe te doen in welke bedrijfstak een bedrijf actief is. Uit het CSBN 2020 blijkt dat uiteenlopende sectoren en organisaties doelwit zijn van digitale aanvallen. Dit komt overeen met de uitkomsten van de Cybersecurity monitor 2019 van het CBS. Daaruit blijkt namelijk dat incidenten ongeveer gelijk plaatsvinden voor alle bedrijfstakken. Vaak is financieel gewin een beweegreden om een (cyber)delict te plegen. Bij maximaal financieel gewin als beweegreden kan de kwetsbaarheid van een bedrijf (bij het personeel, technologie of netwerk) een groter risico vormen om slachtoffer te worden dan de branche waarin het bedrijf opereert. De karakteristieken van het internet geven criminelen immers de mogelijkheid om vele potentiele slachtoffers tegelijkertijd te benaderen.
Daarentegen kan ook het verkrijgen van bedrijfsgevoelige informatie een beweegreden zijn om een cybercrime delict te plegen. In dit geval is de branche waarin een bedrijf opereert wel van belang.
Is bekend hoeveel (cyber)veiligheidsincidenten bij bedrijven zich dit jaar in Nederland hebben voorgedaan? Geldt hiervoor een meldplicht? Zo ja, hoe krijgt een dergelijke melding opvolging en wordt er lering uit getrokken? Zo nee, denkt u dat een meldplicht meerwaarde kan hebben? Hoe vaak is het tot dusver voorgekomen dat de overheid heeft ingegrepen ingeval bedrijven kwetsbaar bleken op het gebied van (cyber)beveiliging, en op welke manieren?
Er is geen volledig beeld van het aantal incidenten of het aantal keren dat de overheid heeft ingegrepen dat zich in het afgelopen jaar bij bedrijven in Nederland heeft voorgedaan.
Voor vitale aanbieders, die krachtens de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) zijn aangewezen als aanbieder van essentiële dienst (AED), geldt een wettelijke meldplicht in geval van digitale incidenten met (potentiële) aanzienlijke gevolgen voor de continuïteit van de dienstverlening bij zowel het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) als de (sectorale) toezichthouder. Daarnaast geldt ook voor vitale aanbieders, die krachtens de Wbni zijn aangewezen als andere vitale aanbieder (AAVA) een meldplicht voor incidenten met (potentiële) aanzienlijke gevolgen voor de dienstverlening bij het NCSC.
Bij een melding van een bovenbedoeld incident zal het NCSC, gelet op zijn wettelijke taken in de Wbni, de betrokken vitale aanbieder waar nodig adviseren en anderszins bijstaan teneinde de continuïteit van zijn diensten te waarborgen en herstellen. Informatie betreffende een gemeld incident, die relevante dreigingsinformatie bevat voor bijvoorbeeld andere vitale aanbieders, wordt bovendien in het kader van de wettelijke taakuitoefening, door het NCSC met die andere aanbieders gedeeld, zodat daarmee de kans op soortgelijke incidenten bij andere aanbieders kan worden verkleind. De toezichthouders houden toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, waaronder die betreffende de meldplicht. De toezichthouder kan indien nodig ook ingrijpen bij niet-naleving van de meld- en zorgplicht.
Naast de meldplicht voor bovenbedoelde vitale aanbieders bevat de Wbni ook een meldplicht van incidenten met aanzienlijke gevolgen voor de dienstverlening voor digitale dienstverleners (cloudcomputerdiensten, online marktplaatsen en online zoekmachines) bij zowel de (sectorale) toezichthouder als het CSIRT voor digitale diensten. Voor andere niet-vitale aanbieders geldt op zich geen wettelijke meldplicht van incidenten. Hoewel een incident of aanval voor een individueel bedrijf grote gevolgen kan hebben, is met name ook de maatschappelijke impact daarvan bij een niet-vitale aanbieder minder groot dan bij vitale aanbieders. Uiteraard kunnen deze bedrijven wel ook aangifte doen als zij slachtoffer zijn van cybercriminaliteit. Ook worden deze bedrijven aangemoedigd om op vrijwillige basis incidenten door te geven aan onder meer het DTC en de fraudehelpdesk, en kunnen zij incidenten met aanzienlijke gevolgen ook melden bij het NCSC. Op basis hiervan kunnen, binnen de geldende wettelijke kaders, bijvoorbeeld waar nodig ook andere organisaties gewaarschuwd worden.
Wat zijn de redenen waarom veel bedrijven nog onvoldoende zijn beschermd tegen cybercriminelen? Heeft dit in uw ogen te maken met bewustzijn, liggen hier financiële motieven aan ten grondslag, of anderszins?
Uit verschillende onderzoeken en gesprekken van het DTC met ondernemers komt naar voren dat voor een deel te maken heeft met bewustzijn. Een deel van de ondernemers weet onvoldoende van het onderwerp af of weten niet waar ze de informatie kunnen halen en welke tools ze goed kunnen inzetten.
Er kan ook een bewuste (bedrijfseconomische) keuze voor een bedrijf aan ten grondslag liggen: cybersecurity vergt capaciteit en investeringen en dergelijke investeringsbeslissingen moeten bedrijven afwegen tegen de eventuele risico’s en schade die een incident kan veroorzaken.
Welke maatregelen neemt het kabinet om de cyberbeveiliging bij Nederlandse bedrijven te verhogen? Betreft dit dwingende of vrijwillige maatregelen? Hoe kan de overheid ondernemers helpen de juiste maatregelen te nemen? Past dit binnen de reikwijdte van het MKB-Actieplan? Bent u over dit thema in gesprek met ondernemers(organisaties)?
In vraag 2 en 4 is reeds ingegaan op de bredere strategische inzet voor cybersecurity vanuit de NCSA, en de wettelijke kaders betreffende het melden van incidenten.
Het NCSC heeft wettelijk primair tot taak om vitale aanbieders en organisaties die deel uitmaken van de rijksoverheid te informeren en adviseren over dreigingen en incidenten met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen en ook overigens bij te staan bij het treffen van maatregelen om de continuïteit van hun diensten te waarborgen of te herstellen. Voor het opvolgen van adviezen of het gebruik maken van bijstand van het NCSC geldt dat dit vriiwillig is. Daarnaast heeft het NCSC ook tot taak om dreigingsinformatie, die in het kader van de primaire taakuitoefening is verkregen, waar nodig te delen met bijvoorbeeld andere bij ministeriële regeling aangewezen computercrisisteams.
Voor het niet-vitale bedrijfsleven is er het Digital Trust Center (DTC) dat informatie verstrekt over de noodzaak van bescherming en dat ook tools (zoals de basisscan cyberweerbaarheid) en adviezen beschikbaar stelt, zodat zij zich beter tegen cyberincidenten kunnen beschermen. Het DTC heeft wel een inspanningsverplichting om ondernemers te bereiken met concrete informatie en adviezen, maar bedrijven hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan de bedrijven zelf om deze adviezen op te volgen. Het DTC stimuleert de samenwerking tussen de bedrijven zodat bedrijven elkaar kunnen helpen de weerbaarheid te vergroten. Op dit moment zijn er 29 van dergelijke samenwerkingsverbanden bij het DTC aangesloten en verdere groei is voorzien.
Om het bewustzijn en de actiebereidheid van het bedrijfsleven te verhogen worden door JenV en EZK (doelgroepgerichte) bewustwordingscampagnes breed ingezet op preventie van cybercrime (zoals «Eerst checken dan klikken» en »Doejeupdates»). De overheid helpt hiermee ondernemers om veilig digitaal te ondernemen.
Specifiek voor het MKB is er het actieplan MKB. Daarmee ondersteunt de overheid ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) bij grote uitdagingen, zoals digitalisering, personeel en financiering. Een onderdeel daarvan is het verhogen van de cyberweerbaarheid.
In het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) werken overheid en bedrijfsleven nauw samen om criminaliteit te voorkomen en terug te dringen. Het NPC heeft onder andere cyber(security) als onderwerp geprioriteerd in het actieprogramma «Veilig Ondernemen 2019–2022». Dit actieprogramma dient ter versterking van de digitale veiligheid in het MKB. Daarnaast worden er ook dit jaar weer (digitale) bijeenkomsten georganiseerd door Platforms Veilig Ondernemen om de bewustwording in het MKB te vergroten.
Verder ondersteunt het Ministerie van JenV, in samenwerking met het DTC (Ministerie van EZK) en het Ministerie van BZK, initiatieven van gemeenten en regionale samenwerkingsverbanden Veiligheid en Platforms Veilig Ondernemen (PVO) gericht op het vergroten van de cyberweerbaarheid van bedrijven. Eind oktober worden deze initiatieven geformaliseerd in een City Deal. In deze City Deal ontwikkelen interbestuurlijke partners, het bedrijfsleven en kennisinstellingen nieuwe aanpakken om de doelgroepen beter te bereiken en gedragsverandering te bewerkstelligen. Binnen deze City Deal wordt tevens de verbinding gelegd met het actieprogramma «Veilig Ondernemen 2019–2022». Dit actieprogramma dient ter versterking van de digitale veiligheid in het MKB.
Klopt de berichtgeving dat een cybercrimineel eerder dit jaar verschillende Nederlandse bedrijven en buitenlandse organisaties heeft gehackt, waardoor wachtwoorden van medewerkers op straat zijn komen te liggen, het Ministerie van Justitie en Veiligheid hier van tevoren voor was gewaarschuwd, maar niets deed omdat het Nationaal Cyber Security Center (NCSC) organisaties buiten het wettelijk mandaat ligt, t.w. de rijksoverheid en bedrijven in «vitale sectoren», niet kan informeren? Hoezeer deelt u de mening met de Stichting Digitale Infrastructuur Nederland dat de nationale veiligheid niet wordt gediend met dit beleid?
Het NCSC informeert zijn primaire doelgroep (Rijk, vitaal) gericht over voor hun relevante digitale dreigingen. Daarnaast informeert het NCSC het brede publiek door het uitbrengen van algemene beveiligingsadviezen over kwetsbaarheden. Deze adviezen zijn voor iedereen toegankelijk en terug te vinden op de website van het NCSC. Het NCSC is bekend met bedoelde buitgemaakte gegevens door misbruik van een kwetsbaarheid in Pulse Secure VPN-software. Het NCSC heeft eerder een beveiligingsadvies uitgebracht voor deze kwetsbaarheid met inschaling kans op misbruik Hoog en vervolgschade Hoog.6 Het is primair ieders eigen verantwoordelijkheid om deze adviezen op te volgen.
Zoals hierboven in het antwoord op vraag 6 is vermeld, heeft het NCSC primair als wettelijke taak om vitale aanbieders en onderdelen van de rijksoverheid te informeren en adviseren over en bij te staan bij dreigingen en incidenten met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen. Doel hiervan is het voorkomen of beperken van de uitval van voor de samenleving vitale diensten en daarmee de risico’s op maatschappelijke ontwrichting weg te nemen.
Daarnaast heeft het NCSC, voor zover noodzakelijk ter voorkoming van nadelige maatschappelijke gevolgen, krachtens de wet als taak om informatie over dreigingen en incidenten met betrekking tot netwerk- en informatiesystemen van andere organisaties (waaronder ook persoonsgegevens), die is verkregen bij analyses ten behoeve van de primaire taak, door te verstrekken aan bijvoorbeeld andere bij ministeriele regeling aangewezen computercrisisteams.
In de genoemde casus m.b.t. Pulse Secure VPN-software bestond, gezien de aard van de gegevens, ten tijde van het incident geen mogelijkheid voor het NCSC om de betreffende dreigingsinformatie rechtmatig via het Landelijk Dekkend Stelsel met schakelorganisaties te delen, teneinde die organisaties in staat te stellen die dreigingsinformatie aan hun achterban te verstrekken. Inmiddels zijn bijvoorbeeld verschillende computercrisisteams bij ministeriële regeling aangewezen, waaraan voor hun achterbannen relevante dreigingsinformatie, met inbegrip ook van persoonsgegevens, kan worden gedeeld.
Het DTC is opgericht ter verhoging van de digitale weerbaarheid van bedrijven in Nederland die geen vitale aanbieder zijn. Het DTC maakt deel uit van het Landelijk Dekkend Stelsel. Momenteel wordt door het Ministerie van EZK gewerkt aan het laten voldoen van het DTC aan de voorwaarden waardoor het DTC krachtens de Wbni aangewezen zou kunnen worden als organisatie waaraan het NCSC concrete dreigingsinformatie die betrekking heeft op het niet-vitale bedrijfsleven kan delen. Het DTC zou dan de bedrijven over de dreigingsinformatie kunnen informeren. Het Ministerie van EZK is bezig met de voorbereidende werkzaamheden hiervoor en hun streven is dat deze nieuwe dienstverlening begin volgend jaar kan starten.
In bovenvermelde kabinetsreactie op het WRR-rapport is als een van de verschillende maatregelen opgenomen dat wordt geïnventariseerd welke wettelijke bevoegdheden de overheid heeft bij digitale crisissituaties, zodat kan worden bezien waar eventuele aanvullingen nodig zijn.
In hoeverre onderkent u het risico dat cybercriminelen ook niet-vitale bedrijven grote schade kunnen toebrengen en deze als leveranciers van de vitale sector ook weer vitale bedrijven kunnen beschadigen? Wat kunt en gaat u doen om dit risico te mitigeren?
De impact van incidenten in de vitale infrastructuur, de snelheid van technologische ontwikkelingen, de verandering van (cyber)dreigingen en de toenemende onderlinge verwevenheid van vitale infrastructuur maakt dat het kabinet blijvende aandacht heeft voor het verhogen en borgen van de weerbaarheid van de vitale infrastructuur. De primaire verantwoordelijkheid voor de continuïteit en weerbaarheid van vitale processen ligt bij de vitale aanbieders zelf. Daarbij hoort het verkrijgen van inzicht in dreigingen en kwetsbaarheden, risico’s en het ontwikkelen en onderhouden van capaciteiten waarmee de weerbaarheid van vitale processen wordt verhoogd en geborgd. Aandacht voor risico’s die kunnen ontstaan in de leveranciersketen (inclusief niet-vitale bedrijven) maakt hier onderdeel van uit. In 2018 is voor veilige inkoop en aanbesteding binnen het Rijk een instrumentarium ontwikkeld en ingevoerd door het kabinet. Dit instrumentarium is ook beschikbaar gesteld voor de vitale infrastructuur en biedt daarmee een middel voor vitale aanbieders om risico’s voor de nationale veiligheid in de toeleveranciersketen in kaart te brengen voordat een opdracht wordt aanbesteed of gegund.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat cyberbeveiliging zowel in het vitale als niet-vitale bedrijfsleven, maar ook binnen de overheid, structureel geborgd wordt én blijft?
Zoals reeds aangegeven in de antwoorden op vragen [2, 4 en 7] wordt er structureel ingezet op het verhogen van cybersecurity en heeft het kabinet hier ook in geïnvesteerd.
De overheid treft continu maatregelen om haar digitale dienstverlening blijvend veilig aan te bieden en investeert in de digitale weerbaarheid en herstelvermogen van de openbare sector. Dat betekent aandacht voor preventieve maatregelen, goede detectie van aanvallen en een adequate respons. Het vergroten van de feitelijke veiligheid en oefenen met herstel na een mogelijk ontwrichtende incident hebben daarbij de nadruk. Ik heb uw Kamer in meer detail geïnformeerd in de Agenda Digitale Overheid, NL DIGIbeter7 en in de Strategische I-agenda Rijksdienst 2019–2021, editie 20208.
Het sluiten van de COVID-19 kliniek op Lesbos |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Covid-19-kliniek op Lesbos. Hallucinant»?1
Ja.
Is het waar dat de in het bericht genoemde Covid-19 kliniek van Artsen zonder Grenzen naast kamp Moria op last van de Griekse regering is gesloten?
Ja.
Is het waar dat er daarna met onder andere Nederlandse financiering een andere Covid-19 noodkliniek is gebouwd?
In maart van dit jaar is een verzoek vanuit de Griekse autoriteiten om steun bij de beheersing van COVID-19 binnengekomen, dat op 16 april jl. ook via het Union Civil Protection Mechanism (UCPM) van de EU is ingediend. Nederland stond welwillend tegenover het verlenen van steun, temeer omdat de strijd tegen COVID-19 niet aan de landsgrenzen stopt. Op de lijst met gevraagde goederen stond o.a. een hospitaaltent. Na intern beraad en overleg met de Griekse autoriteiten is op 23 april jl. besloten dat Nederland deze in de vorm van een hospitainer kon leveren. Het mobiele veldhospitaal bood Griekenland flexibiliteit in de COVID-respons, om tijdelijk capaciteit te verhogen daar waar dat nodig is. Op 24 april jl. is het Nederlandse aanbod officieel door de Griekse autoriteiten geaccepteerd.
Helaas is de hospitainer tijdens de branden in Moria tussen 8 en 10 september jl. beschadigd geraakt, waardoor deze op dit moment niet inzetbaar is.
Is het waar dat terwijl Artsen zonder Grenzen aan het lobbyen was om sluiting van hun kliniek op Moria te voorkomen, Nederlandse ambtenaren in overleg met Griekse collega’s waren over de opening van een nieuwe noodkliniek? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Het besluit om de mobiele hospitainer te schenken is op 23 april jl. genomen. Dit is ruim voordat het kabinet bekend werd dat de kliniek van Médecins Sans Frontières (MSF) vanwege juridische kwesties diende te worden gesloten. Dit bericht bereikte de ambassade in juli, en is op 30 juli jl. middels een persbericht door MSF naar buiten gebracht.
Is er verband tussen de sluiting van de kliniek van Artsen zonder Grenzen en het openen van de andere kliniek? Zo ja, wat is dat verband? Zo nee, is er dan sprake van toeval?
Bij het aanbieden en accepteren van de hospitainer is niet over een specifieke locatie gesproken. Zoals gebruikelijk bij dergelijke steun via het UCPM was het kiezen van een locatie, de wijze van inzet en bemensing de verantwoordelijkheid van de Griekse autoriteiten.
Het kabinet heeft dan ook geen aanwijzingen om te veronderstellen dat er een causaal verband bestaat tussen het aanvaarden van de schenking van de hospitainer in april jl. door de nationale autoriteiten en de sluiting van de kliniek van MSF in juli jl. door de lokale autoriteiten op grond van lokale wet- en regelgeving.
Deelt u de mening dat de kliniek van Artsen zonder Grenzen belangrijk werk verrichtte ten aanzien van het bestrijden van corona onder vluchtelingen op Lesbos? Zo ja, waarom heeft u er dan toch voor gekozen om een andere kliniek mede te financieren en waarom heeft u geen pogingen in het werk gesteld om de voortzetting van de kliniek van Artsen zonder Grenzen te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord 3 en 4. Het besluit om in te gaan op het Griekse verzoek om een mobiel hospitaal te doneren staat in tijd en plaats los van de discussie tussen MSF en de Griekse autoriteiten. Dat MSF belangrijk werk verricht staat buiten kijf.
Hoeveel Nederlandse belastinggeld gaat er gemoeid met de oprichting van de nieuwe noodkliniek?
De kosten voor de uitgeruste hospitainer inclusief transport bedroegen Euro 1.243.154,–.
In hoeverre wordt er bij het opzetten en laten functioneren van de nieuwe noodkliniek samenwerking gezocht met Artsen zonder Grenzen die over de benodigde kennis en ervaring beschikt?
De inzet van het mobiele hospitaal, d.w.z. het kiezen van een locatie, de wijze van inzet en bemensing was aan de Griekse autoriteiten. Wij hebben vernomen dat in dit kader ook sprake was van overleg tussen de Griekse autoriteiten en MSF.
Worden er op dit moment door de nieuwe noodkliniek daadwerkelijk zieke vluchtelingen met verdachte symptomen opgevangen? Zo ja, vanaf welke datum is de kliniek operationeel en hoeveel patiënten zijn er opgevangen? Zo nee, waarom niet en hoe en door wie wordt die hulp sinds de sluiting van de kliniek van Artsen zonder Grenzen dan wel gegeven?
Tijdens de branden in Moria tussen 8 en 10 september is de hospitainer beschadigd geraakt, waardoor deze op dit moment niet in gebruik is. Er wordt bezien of deze op de korte termijn weer inzetbaar is. Daarvoor werd de hospitainer ingezet door de Griekse autoriteiten om COVID-19 testen uit te voeren. Er zijn ongeveer 2000 testen afgenomen.
Het bericht ‘Kifid: bank mag betaalrekening beëindigen als consument geen US TIN of CLN wil aanvragen’ en het bericht ‘Wijziging annex II FATCA-verdrag’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kifid: bank mag betaalrekening beëindigen als consument geen US TIN of CLN wil aanvragen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat een van de argumenten van de bank om de bankrekening stop te zetten, «het bewust onjuist informatie verstrekken2» op de vraag «bent u fiscaal inwoner van een ander land?» meer zegt over de vraagstelling dan over het gegeven antwoord? Deelt u de mening dat de vraag te technisch en onduidelijk is geformuleerd, dat sommige Nederlanders niet weten wat een «fiscaal inwoner» is en dat deze informatie ook onvoldoende actief door de bank wordt verstrekt? Zo ja, bent u voornemens om de banken te wijzen op hun informatieverplichting richting de consument en hen te vragen de communicatie over een uiterst ingewikkeld onderwerp als de regelgeving rond de wet naleving belastingplicht buitenlandse rekeningen (FATCA) zowel in vragenlijsten als op de website en andere communicatiemiddelen te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De casus waarover het KIFID besliste kent hele specifieke feitelijke omstandigheden. Ik ben daarom van mening dat uit de gang van zaken in die casus geen algemene conclusies kunnen worden getrokken.
Ik ben het met u eens dat de vragen technisch zijn. Daarom is er door de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de banken de afgelopen jaren veel informatie verstrekt over de gevolgen van de FATCA. Ook in het kader van de Common Reporting Standard (CRS) – die ziet op de uitwisseling van bankinformatie tussen belastingdiensten in ruim 100 landen, waaraan de VS niet mee doen – zijn de banken verplicht aan hun klanten te vragen wat hun fiscale woonstaat is en het fiscaal identificatienummer (TIN) van die staat. Voor de uitvraag van deze gegevens is een formulier ontwikkeld door de banken en de NVB, in nauw overleg met het Ministerie van Financiën.
In dit formulier wordt aan de hand van enkele vragen vastgesteld waar iemand fiscaal inwoner is. Om de term «fiscaal inwoner» uit te leggen, is er een verklarende woordenlijst toegevoegd aan het formulier. De formulieren zijn voorgelegd aan een bureau dat is gespecialiseerd in overheidscommunicatie. Het bureau heeft de formulieren aangepast op leesbaarheid.
De NVB heeft de formulieren ter beschikking gesteld aan alle banken en heeft aandacht besteed aan de FATCA en de CRS op zijn website. Dat is overigens ook gedaan op de websites van het Ministerie van Financiën en van de Belastingdienst. Op de website van de Belastingdienst is sinds 2016 FATCA-informatie te vinden voor bedrijven en particulieren.3 Ik zal erop toezien dat die sites gemakkelijk bereikbaar en toegankelijk blijven.
Naast de ontwikkeling van formulieren en informatie op hun websites hebben de banken vanaf de inwerkingtreding van de FATCA, brieven gestuurd aan hun klanten om hen te informeren dat zij mogelijk Amerikaan zijn en dat dat betekent dat zij ook belastingverplichtingen hebben in de VS. Deze brieven zijn herhaaldelijk gestuurd, omdat banken weinig respons ontvingen van klanten.
Het blijft belangrijk dat het voor Nederlandse klanten met ook de Amerikaanse nationaliteit duidelijk is wanneer een klant onder de FATCA-regelgeving valt en dus wanneer de klant een US TIN aan moet leveren of desgewenst afstand kan doen van de Amerikaanse nationaliteit. Ik zal banken vragen aandacht te blijven houden voor duidelijke informatieverstrekking over FATCA.
Deelt u tevens de mening dat ook de informatieverstrekking en de communicatie van de Belastingdienst hierin tekortschiet, gezien het feit dat er op de site van de Belastingdienst alleen FATCA-informatie is te vinden voor bedrijven (naast de link naar een artikel in de Staatscourant uit 2016)? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier wilt u ook de communicatie vanuit de Belastingdienst over dit ingewikkelde onderwerp verbeteren richting de individuele Accidental Americans? Kunt u hierin samen optrekken met de banken, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), de Accidental Americans en de Americans Overseas?
Zie antwoord vraag 2.
Betekent deze uitspraak uit het bericht in vraag 1 dat deze consument straks niet meer beschikt over een basisbetaalrekening wanneer de betreffende financiële instelling het niet-bindende advies opvolgt? Zo ja/nee, kunt u garanderen dat Nederlandse US persons (die niet de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) overtreden) te allen tijde kunnen beschikken over een betaalrekening?
In algemene zin is de vraag of al dan niet een basisbetaalrekening moet worden geopend pas aan de orde als de aanvrager niet (meer) beschikt over een andere betaalberekening. Daarnaast geldt, zoals ook door het Kifid is onderschreven, dat ook bij een basisbetaalrekening voldaan moet worden aan de eisen gesteld bij of krachtens de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft).
In de uitspraak geeft het Kifid aan dat de bank in dit specifieke geval het openen van een basisbetaalrekening onder de richtlijn Betaalrekeningen mag weigeren als de consument hiervoor een aanvraag indient. Het Kifid geeft ook aan dat het Convenant inzake een Pakket Primaire Betaaldiensten (het Convenant Basisbankrekening) van toepassing is op de consument. De bank kan, in het geval dat wordt overwogen een basisbetaalrekening te weigeren, verplicht stellen dat de consument samen met een erkende hulpverleningsinstantie de aanvraag voor een basisbetaalrekening indient onder het Convenant Basisbankrekening. Ook kan de bank verplicht stellen dat de basisbetaalrekening door een erkende hulpverleningsinstantie wordt beheerd. Het is aan de consument om een erkende hulpverleningsinstantie te vinden die bereid is om samen een aanvraag voor een basisbetaalrekening in te dienen. Of het risico op witwassen en/of belastingontduiking in dit geval voldoende gemitigeerd is door het inschakelen van een hulpverleningsinstantie (conform het Convenant Basisbankrekening), is in de eerste plaats ter beoordeling van de betreffende bank.
Zijn financiële instellingen alleen op basis van vermoedens van overtreding van de Wwft al bevoegd rekeningen te sluiten/blokkeren of moeten banken hier ook daadwerkelijk hard bewijs voor aanleveren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Onder de Wwft zijn de daar onder vallende instellingen verplicht om een cliëntenonderzoek uit te voeren. De bank moet dit cliëntenonderzoek met succes uitvoeren, voordat zij een relatie met een klant aan mag gaan. Het cliëntenonderzoek houdt onder meer in dat de instelling gegevens vergaart over de identiteit van de cliënt. Ook worden er met het cliëntenonderzoek gegevens vergaard die de instelling in staat moeten stellen een inschatting te maken van het risico op witwassen en terrorismefinanciering. Dit vereist in de meeste gevallen medewerking van de cliënt. De financiële instelling dient de ontvangen informatie te verifiëren. Als de financiële instelling niet in staat blijkt te zijn voldoende gegevens te vergaren en/of de gegevens te verifiëren zal de financiële instelling moeten besluiten om de zakelijke relatie niet aan te gaan of deze te beëindigen. Banken kunnen op grond van de Wwft het openen of aanhouden van een betaalrekening ook weigeren zonder vermoeden van overtreding of hard bewijs. Een te hoog risico op betrokkenheid bij witwassen of terrorismefinanciering is voldoende grond voor weigering.
Welke middelen heeft u om te voorkomen dat financiële instellingen alleen op basis van het ontbreken van een TIN/SSN bankrekeningen blokkeren of sluiten? Bent u bereid deze middelen in te zetten?
Ik blijf in gesprek met de banken over de redenen van het sluiten en bevriezen van rekeningen van US Persons. Zoals ik in mijn beantwoording op eerdere Kamervragen heb aangegeven is het in beginsel aan banken zelf om te bepalen welke klantengroepen zij bedienen. Als banken rekeningen sluiten of bevriezen van Nederlanders met ook de Amerikaanse nationaliteit, is van belang dat daarbij de geldende wet- en regelgeving wordt nageleefd. Als de betrokken cliënt het niet eens is met het oordeel van de bank om de dienstverlening te beëindigen kan de cliënt hiertegen een klacht indienen bij de bank en vervolgens bij het Kifid dan wel de kwestie voorleggen aan de rechter.
Herinnert u zich uw antwoord op vragen van de leden Omtzigt, Van Weyenberg en Lodders3 «Ik wil overigens wel nogmaals benadrukken dat ik het voorbarig vind als banken rekeningen sluiten, blokkeren of bevriezen met als enige reden dat geen TIN is verkregen»?
Ja.
Hoe valt uw antwoord onder vraag 5 te rijmen met het besluit van nota bene een staatsbank om de rekening van een consument te sluiten op basis van het ontbreken van een TIN en de hiertoe ondersteunende uitspraak van het onafhankelijke klachteninstituut Kifid? Wat betekenen uw woorden in het licht van deze uitspraak?
Ik verwijs hiervoor naar de uitspraak van het Kifid. In deze uitspraak oordeelt het Kifid dat er naast het ontbreken van een US TIN ook sprake is van andere redenen op grond waarvan de bank bevoegd was de relatie met de betrokken klant te ontbinden.5
Klopt het dat
Banken kunnen ervoor kiezen om, «depositorekeningen» met een saldo van minder dan 50.000 dollar (peildatum 31 december) niet te rapporteren, ongeacht wanneer zij zijn geopend. Onder depositorekening vallen ook (basis)betaalrekeningen.6
Een rekening van een US person wordt gerapporteerd aan de VS ongeacht of er een TIN aanwezig is. Een financiële instelling loopt dan echter eventueel het risico om door de IRS aangemerkt te worden als niet compliant. Op grond van Amerikaanse wetgeving moeten Amerikaanse staatsburgers namelijk over een TIN beschikken. Ongeacht of US persons wel of geen belasting ontduiken voldoen zij zonder TIN niet aan de Amerikaanse regelgeving. Bij het ontbreken van een TIN zal de VS niet zelf de belastingplichtige gaan benaderen maar zal er eerst met de financiële instelling en Belastingdienst in gesprek worden gegaan om vast te stellen waarom de TIN ontbreekt. Bij de beoordeling of een financiële instelling eventueel sancties zouden worden opgelegd speelt de inspanning die de financiële instelling heeft geleverd om de TIN te bemachtigen, een rol.7
Banken zijn verplicht om op aanvraag een basisbetaalrekening te openen tenzij er een weigeringsgrond van toepassing is op grond van artikel 4:71f Wet financieel toezicht (Wft). Een van de weigeringsgronden is als niet wordt voldaan aan de eisen van de Wwft. Het enkel ontbreken van een US TIN is geen weigeringsgrond in de zin van artikel 4:71f Wft. Voor de eisen van de Wwft verwijs ik u naar het antwoord bij vraag 4.
Deelt u de zorgen over de positie van de belastingbetaler/consument in zaken tegen de overheid of financiële instellingen, aangezien de individuele burger niet dezelfde middelen heeft als de overheid en/of financiële instellingen? Op welke manier worden de rechten van de consument in zaken tegen financiële instellingen met een leger aan adviseurs, advocaten en juristen beschermd?
Ik zie ook dat burgers vaak niet dezelfde middelen hebben als financiële instellingen in het geval van een geschil, maar ben van mening dat de rechten van de consument in zaken tegen financiële instellingen voldoende worden beschermd, onder andere doordat consumenten een klacht in kunnen dienen bij het Kifid. Het Kifid is onpartijdig en onafhankelijk. De geschillencommissie streeft naar een gelijk speelveld voor consumenten, ondernemers en financiële dienstverleners. Het Kifid geeft aan rekening te houden met een eventuele kennisachterstand van consumenten en ondernemers. Bovendien is het aanhangig maken van een procedure bij de geschillencommissie van Kifid gratis.
Bent u bekend met het bericht «Wijziging annex II FATCA-verdrag»?4
Ja
Waarom heeft de VS eenzijdig besloten de regelgeving rond de FATCA-registraties te veranderen met alle gevolgen voor «sponsered entities» en «sponsoring entities» van dien? Deelt u de mening dat dit weer een typisch voorbeeld is van het wijzigen van de spelregels tijdens het spel? Zo nee, waarom niet?
Door Bijlage II van de NL IGA aan te passen is kort gezegd bewerkstelligd dat, ondanks de aanpassingen van de regelgeving door de VS, de huidige situatie met betrekking tot sponsored entities in stand blijft. De regelgeving over de werking van FATCA staat primair beschreven in de US Final Regulations. Deze zeer uitgebreide Amerikaanse regelgeving werkt in feite unilateraal vanwege de grote rol en betekenis van de Amerikaanse financiële markten en de dollar voor het business model van financiële instellingen. Hierdoor zijn financiële instellingen wereldwijd verplicht aan die regels te voldoen.
Eind maart 2019 heeft de VS nieuwe regels gepubliceerd die zien op de sponsored entities9 onder de FATCA. Voor 25 maart 2019 was het zo dat een sponsored entity compliant was als de sponsoring entity alle FATCA-registraties voldeed, zonder dat de sponsored entity daarvoor zelf actie moest ondernemen en moest worden geregistreerd bij de IRS. Met de wijziging van de regelgeving van de VS was dat niet langer het geval.
De reden dat in eerste instantie er niet voor is gekozen om de sponsored entities specifiek aan te wijzen als «non reporting financial institutions» is dat de VS destijds met alle landen in de wereld IGA’s moest sluiten. Zij bleken toen al snel te weinig capaciteit te hebben om met elk land te overleggen over de op te nemen vrijgestelde financiële instellingen en rekeningen. De VS heeft om die reden een model Annex II opgesteld waarin verschillende typen Non-Reporting FI’s en Excluded Accounts zijn opgenomen. Door middel van artikel 4, zevende lid, van de IGA kon een land ervoor kiezen dat financiële instellingen ook toegang hebben tot begrippen die gedefinieerd zijn in de Final Regulations als die gunstiger voor hen uitwerken dan dezelfde begrippen zoals opgenomen in de IGA. Nederland heeft toen besloten om de vrijstellingen die al in de Final Regulations stonden niet op te nemen. Opname werd als overbodig beschouwd nu daar ook via artikel 4, zevende lid, van de IGA een beroep op zou kunnen worden gedaan.
Beide verdragspartijen hebben echter niet voorzien dat de IRS jaren later de vereisten rondom het Sponsoring regime heeft aangepast, waardoor sponsored entities zelf zouden moeten gaan rapporteren. De VS hebben toen meegewerkt aan het herstellen van een situatie die tussen verdragspartners niet beoogd was.
Om welke reden heeft Nederland er in eerste instantie niet voor gekozen de «sponsored entities» aan te wijzen als «non reporting financial institutions» in de Annex II van de intergouvernementele overeenkomst (IGA)? Waarom hebben andere landen hier wel meteen afspraken over gemaakt met de VS?
Zie antwoord vraag 12.
Wat waren de gevolgen geweest voor deze 1700 «sponsored entities» en 130 «sponsoring entities» als Nederland deze aanvullende afspraken met de VS niet had gemaakt?
Nederland heeft deze aanvullende afspraken gemaakt, zodat de IRS zich niet op het standpunt zou kunnen stellen dat Nederlandse financiële instellingen niet aan de certificeringsvoorwaarden hebben voldaan. Zij zouden als non-compliant of zelfs significant non-compliant kunnen worden aangemerkt waarbij de VS een 30% bronbelasting als sanctie kan inroepen als de financiële instellingen niet binnen 18 maanden na het aangemerkt worden als significant non-compliant de omissie hebben hersteld. De aanvullende afspraken maken duidelijk dat de VS dit niet zullen doen en dat de Nederlandse financiële instellingen ook niet aan de periodieke certificeringsverplichting hoeven te voldoen.
Welke (extra) informatie moeten deze 1700 «sponsored entities» en 130 «sponsoring entities» aanleveren bij de IRS en op welke manier wordt de privacy van deze bedrijven en hun klanten gewaarborgd?
Door de aanvullende afspraken hoeven deze entiteiten geen extra informatie aan te leveren. Zij zullen net als daarvoor de informatie die zij volgens de Nederlandse regelgeving ter implementatie van FATCA aan de Nederlandse belastingdienst verstrekken, rapporteren, zonder additionele verplichtingen.
Welke garantie is er, in het licht van het Amerikaanse besluit om de regelgeving voor «sponsored entities» en «sponsoring entities» aan te passen, dat de regelgeving voor andere soorten entiteiten die nog niet verplicht zijn te rapporteren aan de IRS niet wordt aangepast?
Het zou kunnen dat er in de toekomst een situatie ontstaat waarin de VS de Final Regulations wijzigt waardoor er een discrepantie kan ontstaan met de verplichtingen voor financiële instellingen die voortvloeien uit de IGA. De VS heeft zich in dit geval als goede verdragspartner opgesteld door ervoor te zorgen dat financiële instellingen van partnerlanden niet slechter af zijn door een wijziging van de Final Regulations. Ik acht het daarom niet aannemelijk dat regelgeving voor andere soorten entiteiten die nog niet verplicht zijn te rapporteren eenzijdig door de VS wordt gewijzigd.
Deelt u de steeds groter wordende zorgen over de FATCA-regelgeving, nu, naast de in eerdere sets schriftelijke vragen van (onder andere) het lid Lodders benoemde problematiek5, ook blijkt dat steeds meer Nederlandse/Europese bedrijven specifieke informatie moeten delen met de Amerikaanse belastingdienst en dat het nu zelfs voor het Kifid klaarblijkelijk gerechtvaardigd is om bankrekeningen van consumenten op basis van het ontbreken van een TIN/SSN te blokkeren of te weigeren?
De FATCA-regelgeving is ingevoerd in 2014. De VS heeft met betrekking tot de sponsored entities laten zien een oplossingsgerichte houding te hebben. Dit staat los van de verplichting om een US TIN aan te leveren. Daarnaast spelen er in de desbetreffende Kifid zaak specifieke feitelijke omstandigheden bovenop het enkel missen van een TIN/SSN, waardoor het Kifid geoordeeld heeft dat in dat geval het beëindigen van een bankrekening gerechtvaardigd was.
De mogelijkheid van één cao voor verplegend en verzorgend personeel |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «NU»91 wil speciale cao voor alleen verpleegkundigen en verzorgenden' van 4 juli 2016 op Nursing.nl?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe hebben de salarissen in de verschillende cao’s in de zorg zich ontwikkeld in de afgelopen jaren? Kunt u een cijfermatig overzicht geven van de verschillen in salarisgroei en startsalarissen over de afgelopen jaren tussen de verschillende cao’s in de zorg?
In onderstaande tabel zijn de contractloonstijgingen in de afgelopen jaren weergegeven, in de verschillende cao’s.
1% per 1-8
2,5% per 1-8
2,75% per 1-8
3% per 1-8
1,75% per 1-7
2% per 1-7
5% per 1-1
1,2% per 1-1
1,5% per 1-1
5% per 1-1
1,35% per 1-7
1,6% per 1-7
3% per 1-10
3% per 1-8
0,5% per 1-1 en 2% per 1-9
1,5% per 1-7
3% per 1-7
3% per 1-4
1,3% per 1-10
2,1% per 1-6
0,5% per 1-1
3,4% per 1-6
1% per 1-7
4% per 1-10
3,5% per 1-6
1,65% per 1-7
2% per 1-7
4% per 1-1
1,65% per 1-7
2% per 1-7
3,2% per 1-9
3,25% per 1-7
Ik beschik niet over een sluitend overzicht van de inschaling van startende verzorgenden en verpleegkundigen. Het onderstaande overzicht is daarom indicatief. Bij de startsalarissen is uitgegaan van instroom in de aanlooptreden of trede 0 (VVT en GGZ). Indien er geen aanlooptreden zijn is uitgegaan van instroom in trede 0 of 1 (UMC’s, ziekenhuizen, gehandicaptenzorg, ambulancezorg, huisartsenzorg, jeugdzorg en sociaal werk). Het gaat hier om het bruto maandsalaris, dus exclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkeringen of onregelmatigheidstoeslag. Er is ook aangegeven op welke salarisschalen de salarissen in de tabel gebaseerd zijn. De salarissen in de betreffende schalen zijn afkomstig uit de vigerende cao’s.
FG 7
Mbo verpleegkundige
2.422–2.495
FG 8
Hbo verpleegkundige
2.769–2.911
FG 35
Mbo verzorgende
1.882–1.984
FG 45
Mbo verpleegkundige
2.251–2.392
FG 45/50
Hbo verpleegkundige
2.251–2.591
FG 35
Mbo verzorgende
1.854–1.955
FG 45
Mbo verpleegkundige
1.955–2.357
FG 50
Hbo verpleegkundige
2.218–2.689
FG 35
Mbo verzorgende
1.765–1.861
FG 40
Mbo verpleegkundige
1.963–2.085
FG 45
Hbo verpleegkundige
2.085–2.226
FG 35
Mbo verzorgende
1.903–2.008
FG 40/45
Mbo verpleegkundige
2.008–2.693
FG 45/50
Hbo verpleegkundige
2.420–2.762
FG 45
Zorgambulanceverpleegkundige
2.251–2.392
FG 50
Verpleegkundig centralist
2.453–2.591
FG 60
Ambulanceverpleegkundige
3.225–3.375
Schaal 6
Praktijkondersteuner A
2.652
Schaal 7
Praktijkondersteuner B
3.038
Schaal 7
Mbo verpleegkundige
2.299–2.375
Schaal 9
Hbo verpleegkundige
2.604–2.692
Schaal 5
Mbo verzorgende
2.104–2.157
Schaal 7
Hbo verpleegkundige
2.550–2.627
Bent u van mening dat de spreiding van verplegend en verzorgend personeel in verschillende cao’s samen met andere beroepsgroepen binnen de zorg het risico oplevert dat verbeteringen in salaris voor deze cruciale beroepsgroep niet altijd volledig op die plek terechtkomen?
In hoeverre sluiten de verschillende cao’s binnen de zorg aan op de brancheoverstijgende zorg uit de praktijk, waarbij verpleegkundigen steeds meer over de grenzen van hun domein heen werken?
Bent u van mening dat met één cao voor verplegend en verzorgend personeel de unieke positie van deze beroepsgroep beter erkend en gewaardeerd zou kunnen worden, op die manier meer zeggenschap zou kunnen gegeven worden aan verpleegkundigen en mogelijk de doorstroom en loopbaanmogelijkheden van verplegend en verzorgend personeel zou kunnen worden bevorderd?
Ziet u met één cao voor verplegend en verzorgend personeel meer mogelijkheden om specifiek leeftijdsbeleid te kunnen voeren, zodat oudere verpleegkundigen ondersteund kunnen worden met arbeidsvoorwaarden die passen bij de zwaarte van hun beroep en de mantelzorgtaken die zij vaak hebben?
Zou het wenselijk en te organiseren zijn om in iedere zorg-cao een apart hoofdstuk op te nemen voor verplegend en verzorgend personeel, waarbij de salarisverhoging gedifferentieerd kan worden toegepast, zodat – gelet op de personeelstekorten in deze groep en de maatschappelijke waardering voor het beroep – specifiek voor dit personeel middelen vrijgemaakt kunnen worden?
Welke voor- en nadelen ziet u voor het instellen van één cao voor verplegend en verzorgend personeel of een apart hoofdstuk voor verplegend en verzorgend personeel in iedere zorg-cao of in één cao voor de zorg als geheel?
Heeft u in het verleden reeds het gesprek met de sociale partners gevoerd over de vraag in hoeverre het mogelijk zou zijn om één cao voor verplegend en verzorgend personeel of een apart hoofdstuk voor verplegend en verzorgend personeel in iedere zorg-cao of één cao voor de gehele zorg af te sluiten, rekening houdend met ieders rol en verantwoordelijkheid? Zo ja, wat waren daarop de reacties en bent u bereid dat gesprek voort te zetten? Zo nee, waarom niet en bent u daartoe wel bereid?
Kunt een overzicht geven per functieschaal in de cao’s in de zorg welke typische beroepen met welk verwacht niveau van opleiding en ervaring daarbij passen?
Ik heb geen zicht op de inschaling van alle beroepen in alle cao’s. Hieronder wordt voor de verzorgenden, mbo-verpleegkundigen en hbo-verpleegkundigen weergegeven hoe zij over het algemeen zijn ingeschaald.
Mbo verpleegkundige
FG 7/8
Hbo verpleegkundige
FG 8/9
Mbo verzorgende
FG 30/35
Mbo verpleegkundige
FG 45/50
Hbo verpleegkundige
FG 50/55
Mbo verzorgende
FG 35/40
Mbo verpleegkundige
FG 45/50
Hbo verpleegkundige
FG 50/55
Mbo verzorgende
FG 35
Mbo verpleegkundige
FG 40/45
Hbo verpleegkundige
FG 45/50
Mbo verzorgende
FG 30/35/40
Mbo verpleegkundige
FG 40/45
Hbo verpleegkundige
FG 45/50
Zorgambulanceverpleegkundige
FG 45
Verpleegkundig centralist
FG 50
Ambulanceverpleegkundige
FG 60
Praktijkondersteuner A
Schaal 6
Praktijkondersteuner B
Schaal 7
Mbo verpleegkundige
Schaal 7
Hbo verpleegkundige
Schaal 9
Mbo verzorgende
Schaal 5
Hbo verpleegkundige
Schaal 7
Kunt u een reflectie geven op de verschillen in beloning tussen relatief gelijkwaardige beroepen binnen de zorg op het gebied van verpleging en verzorging tussen verschillende cao’s?
Functies in de zorg worden gewaardeerd op basis van een functiewaarderingssystematiek. Dit gebeurt op basis van de functiebeschrijving die is opgesteld voor de betreffende functie. Op basis van het functiewaarderingssysteem wordt de zwaarte van de functie bepaald en wordt de functie ingedeeld in een functiegroep. In de cao’s worden deze functiegroepen gekoppeld aan salarisschalen. Het uiteindelijke salaris wordt bepaald door de salarisschaal en de trede waarin iemand is ingeschaald. Verschillen in beloning kunnen dan voortkomen uit een verschil in zwaarte van de functie (verschil tussen functies), een verschil in salarisschaal waar de betreffende functie aan gekoppeld is (verschil tussen cao’s) en een verschil in trede waarin iemand is ingeschaald (verschil in ervaring).
Kunt u tevens een reflectie geven op de verschillen in scholings- en loopbaanmogelijkheden tussen relatief gelijkwaardige beroepen binnen de zorg op het gebied van verpleging en verzorging tussen verschillende cao’s?
In de cao’s worden afspraken gemaakt over het opleidingsbeleid en over aandacht voor persoonlijke ontwikkeling en loopbaanmogelijkheden. Het is aan de sociale partners om hierover afspraken te maken. De overheid is geen partij in de cao-gesprekken.
De overheid kan en wil hierin echter wel faciliteren. In mijn brief «Breed pakket voor werken in de zorg» (dd. 15 september 2020) geef ik aan dat we het belangrijk vinden dat zorgprofessionals met vragen over loopbaanontwikkeling ergens terecht kunnen. Dat geldt ook voor mensen die overwegen om de stap naar de zorg te zetten. Via «Sterk in je werk» (geen kosten aan verbonden) kunnen bijvoorbeeld belangstellenden voor werken in de zorg en al werkenden in de zorg terecht voor gratis loopbaangesprekken- en coaching.
Kunt u een gemiddeld overzicht geven welk deel van het verplegend en verzorgend personeel in welke schaal is ingedeeld en of hierin verschuivingen hebben plaatsgevonden in de afgelopen jaren? Waren vroeger bijvoorbeeld hbo-verpleegkundigen vaak hoger ingeschaald dan nu?
Ik beschik niet over informatie over hoe verplegend en verzorgend personeel is verdeeld over de salarisschalen en of hierin verschuivingen zijn opgetreden in de afgelopen jaren. Er is wel enige informatie beschikbaar uit 2014. Deze is hieronder weergegeven.
Mbo verzorgende
7%
58%
35%
Mbo verpleegkundige
38%
58%
3%
Hbo verpleegkundige
31%
69%
Mbo verzorgende
24%
72%
4%
Mbo verpleegkundige
11%
32%
44%
14%
Hbo verpleegkundige
48%
48%
3%
Mbo verzorgende
17%
66%
17%
Mbo verpleegkundige
62%
38%
Hbo verpleegkundige
64%
36%
Mbo verzorgende
25%
75%
Mbo verpleegkundige
18%
44%
38%
Hbo verpleegkundige
10%
26%
55%
8%
Bron: De kern van de verpleegkundige en verzorgende beroepen. F. Peters, A. Westerbeek, S. Tji. KBA, 2014
De problematiek van buurtbussen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat in enkele dunbevolkte regio’s, bijvoorbeeld in Zeeland, de buurtbussen niet rijden in verband met corona?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Op welke wijze heeft het uw aandacht dat, nu de samenleving weer beetje bij beetje op gang komt en er steeds meer mensen gebruikmaken van het openbaar vervoer, zoals treinen en bussen, de kleine dorpen met lege handen staan, doordat de buurtbus nog steeds aan de kant moet blijven?
Op dit moment wordt door de vervoerders onderzocht welke maatregelen in een buurtbus bescherming kunnen bieden voor chauffeur en reizigers. TNO is gevraagd om een aantal proefopstellingen te beoordelen. Indien het advies is dat aanpassingen in het voertuig nodig zijn, zal de RDW deze maatregelen technisch keuren voordat deze aanpassingen doorgevoerd kunnen worden. Ik heb in het Nationaal Openbaar Vervoer Beraad (NOVB), waarin zowel de decentrale overheden als de regionale vervoerders vertegenwoordigd zijn, het belang van alternatief vervoer benadrukt. Dit belang wordt door alle leden van het NOVB gedeeld. Ik heb de decentrale overheden gevraagd goed en creatief te kijken naar de plekken waar nog geen alternatief beschikbaar is.
Bent u bereid mee te denken met Arriva, dat alternatieven onderzoekt om de buurtbussen coronaproof in te richten, zodat passagiers en chauffeurs veilig kunnen reizen, bijvoorbeeld met een spatscherm voor de chauffeur? Bent u bereid om aanbieders van veilige alternatieven waar mogelijk te faciliteren?
Zie antwoord vraag 2.
Denkt u mee met aanbieders van buurtbusvervoer over hoe aanpassingen aan buurtbussen spoedig vormgegeven kunnen worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke alternatieven voor de buurtbus zijn denkbaar? Is het bijvoorbeeld een optie om tijdelijk reguliere («grote») lijnbussen in te zetten op deze trajecten?
De decentrale overheden zijn, onder andere via concessies, verantwoordelijk voor de inzet van buurtbussen. In de meeste provincies zijn er alternatieve vervoersoplossingen beschikbaar voor de buurtbusreizigers. Deze alternatieven kunnen per regio verschillen. Zo worden op diverse plaatsen grote bussen met beroepschauffeurs ingezet. En in Friesland rijdt bijvoorbeeld de belbus of opstapper, in Noord-Brabant kunnen de reizigers op die verbindingen waar nu geen buurtbus meer rijdt tegen OV tarief met de regiotaxi reizen en in Noord-Holland rijdt vanaf 1 september een soort taxibuurtbus die van te voren geboekt moet worden. In het NOVB van 27 augustus is hier over gesproken en is gezamenlijk het belang onderstreept om zo snel mogelijk een oplossing te bieden op de plekken waar nog geen alternatief beschikbaar is.
Ondershrijft u de stelling dat daar waar de buurtbussen al sinds half maart aan de kant staan, zoals onder meer in Zeeland, dit ten koste gaat van de leefbaarheid en de bereikbaarheid van kleine kernen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het openbaar vervoer is een onmisbare schakel in ons mobiliteitssysteem. Daarom zet ik mij er voor in het openbaar vervoer zo goed mogelijk te laten functioneren zodat iedereen die dat wil er veilig gebruik van kan maken. Ook de buurtbussen zijn hierin een belangrijke schakel. Juist een buurtbus biedt de mensen die vaak minder alternatieven hebben een vorm van mobiliteit. Daarom vinden alle betrokkenen het belangrijk dat er goede alternatieven worden geboden. Aan de andere kant heb ik ook begrip voor het lastige dilemma van de regionale concessieverleners en vervoerders, want het vervoer moet immers zowel voor de reizigers als de vrijwilligers die de buurtbus rijden ook veilig zijn.
Bent u bereid dit probleem met urgentie op te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht 'De Koegelwieck fan Doeksen alwer oan de kant fanwegen technyske problemen' |
|
Aukje de Vries (VVD), Erik Ziengs (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De Koegelwieck fan Doeksen alwer oan de kant fanwegen technyske problemen»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle (technische) storingen en de daaraan ten grondslag liggende oorzaken, die ervoor hebben gezorgd dat er overtochten zijn komen te vervallen op de trajecten Harlingen – Vlieland en Harlingen – Terschelling (dus niet die het gevolg zijn van slechte weersomstandigheden)? Hoe kon het dat de sneldienst bij herhaling is uitgevallen?
In de bijlage2 zijn door de Terschellinger Stoomboot Maatschappij (TSM) per schip alle (technische) storingen, de daaraan ten grondslag liggende oorzaken en het aantal uitgevallen retourafvaarten in de periode 1 januari 2020 tot en met 31 augustus 2020 weergegeven. Vanaf 3 september ligt het ms Koegelwieck voor de kant, maar worden de geplande afvaarten op vrijdag en zondag overgenomen door het ms Tiger.
De geregelde uitval van het ms Koegelwieck werd volgens TSM veroorzaakt door terugkerende problemen met de hoofdmotoren. In de winter van 2019 zijn de hoofdmotoren conform gepland regulier onderhoud geheel gereviseerd. Sindsdien kampt het ms Koegelwieck met te hoge uitlaatgassentemperaturen. Begin juli leken de technische problemen met het ms Koegelwieck te zijn opgelost. Echter, na een aantal vaardagen keerden de problemen terug. Sinds 3 september ligt het schip aan de kant. Ook de afgelopen weken is een hele reeks tests en onderzoeken uitgevoerd door specialisten. Helaas heeft TSM moeten concluderen, dat de problemen met de motoren dusdanig ernstig zijn, dat niet verwacht wordt dat het schip met deze (geheel gereviseerde) motoren de dienst kan hervatten.
Naast her-motorisering van het schip oriënteert TSM zich vanaf nu ook op tijdelijke vervanging van het schip om de continuïteit van de sneldienst te borgen. De diverse opties en scenario’s worden nu onderzocht. De rederij zal externe partijen hierover de komende tijd informeren.
Dit heeft volgens TSM nagenoeg geen gevolgen voor de dienstregeling, omdat het ms Koegelwieck in deze periode alleen rond de weekenden als sneldienst naar Vlieland wordt ingezet. In de periode dat het ms Koegelwieck niet kan varen, voert het ms Tiger, de andere snelboot, deze afvaarten naar Vlieland uit. Als gevolg hiervan zullen de afvaarttijden van de sneldienst, die het ms Tiger uitvoert, naar en van Terschelling iets wijzigen. Voor zover de inzet van een extra schip rond de weekenden noodzakelijk is, zal het ms Tiger ook hiervoor ingezet worden.
Wat zijn de gevolgen daarvan geweest voor de eilanders en toeristen? Is dit ook te kwantificeren?
Laat ik voorop stellen dat ik het natuurlijk erg vervelend vind voor alle reizigers, in het bijzonder de eilandbewoners die voor het gebruik van voorzieningen en onderwijs afhankelijk zijn van de veerdienst, dat het ms Koegelwieck door technische tegenslagen ondanks de verschillende reparaties nog niet naar behoren functioneert. De rederij doet er momenteel alles aan om het probleem zo snel mogelijk te verhelpen en de gevolgen voor de reizigers tot een minimum te beperken.
Bij uitval van het ms Koegelwieck zijn reizigers door TSM omgeboekt naar de reguliere veerdienst. Waar mogelijk zijn vervangende sneldienstafvaarten met het ms Tiger ingezet. Ook zijn reizigers omgeboekt op door TSM ingehuurde schepen die gedurende een aantal maanden nodig waren om de door de Corona maatregelen gereduceerde capaciteit op te vangen. Dit heeft er toe geleid dat alle reizigers nog steeds op dezelfde dag de overtocht hebben kunnen maken. Wel heeft dit voor sommige reizigers tot een langere reistijd geleid. TSM heeft mij verzekerd dat reizigers direct worden geïnformeerd over een eventuele omboeking en dat getroffen reizigers het prijsverschil tussen de sneldienst en de gewone veerdienst terug krijgen en tevens zonder extra kosten de boeking kunnen wijzigen of annuleren.
Uitval van het ms Koegelwieck heeft nagenoeg geen consequenties gehad voor schoolgaande jeugd. Schoolgaande jeugd van Vlieland maken vooral gebruik van de afvaart met het ms Vlieland. Dit vanwege de vaartijden van het ms Vlieland die beter aansluiten op het schoolrooster. Voor schoolgaande jeugd van Terschelling heeft de uitval van het ms Koegelwieck geen effect.
In enkele gevallen heeft het spijtig genoeg betekend dat toeristen minder tijd op Terschelling of Vlieland hebben kunnen doorbrengen of noodgedwongen iets langer moesten blijven.
In hoeverre bent u bekend met de klachten, zoals de schoolgaande jeugd die op zodanige rare tijden moet reizen om überhaupt nog een dag bij hun ouders te kunnen zijn? En zoals toeristen die zonder enig overleg omgeboekt worden naar andere tijdstippen, zodat hun lange weekend praktisch wordt gehalveerd?
Zie antwoord vraag 3.
Welke afspraken zijn gemaakt over het omgaan met technische problemen, het voorkomen of oplossen ervan en het communiceren erover met betrokkenen? Welke afspraken liggen daarover in de concessie vast voor dit soort situaties? Welke regelingen hebben de vervoerders voor dit soort situaties, waarbij reizigers overlast en ongemak ondervinden? Welke regelingen voor reizigers zijn er bij andere aanbieders van openbaar vervoer, zoals NS, als het gaat om dit soort situaties?
In het Programma van Eisen, dat onderdeel uitmaakt van de concessie, zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van onder andere:
Voor het vervoer van passagiers van/naar de Waddeneilanden geldt de EU verordening betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen3 en de algemene voorwaarden van de rederijen. In de EU-verordening is onder andere opgenomen dat indien een vervoerder redelijkerwijs verwacht dat een passagiersdienst zal worden geannuleerd of bij het vertrek uit een haventerminal meer dan 90 minuten vertraging zal oplopen, wordt de passagiers de keuze geboden tussen:
Indien een passagiersdienst bij het vertrek uit een haven meer dan 90 minuten vertraging oploopt, hebben de passagiers recht op dergelijk vervoer langs een andere route of dergelijke terugbetaling van het vervoerbewijs door de vervoerder.
In de algemene voorwaarden van de rederijen zijn onder andere bepalingen opgenomen in geval sprake is van vertragingen of annuleringen. Bij uitval van een veerdienst of een sneldienst van/naar de Friese Waddeneilanden is het de regel dat reizigers omgeboekt worden naar het vroegst mogelijke moment waarop de reis voortgezet kan worden. Reizigers hebben vervolgens de keuze om hun boeking te wijzigen of te annuleren. Als reizigers omgeboekt worden van een sneldienst naar de gewone veerdienst dan krijgen zij het prijsverschil geretourneerd. Bij een omboeking van veerdienst naar sneldienst hoeven ze niet bij te betalen. Voor het feit dat de reis langer kan duren, doordat een boot op een later moment genomen moet worden of doordat de reis bij omboeking van de sneldienst naar de gewone veerdienst langer duurt, vindt geen aanvullende compensatie plaats.
Ook voor het vervoer van passagiers per trein, autobus en touringcar bus zijn passagiersrechten geregeld via Europese verordeningen4. Voor reizigers in het treinverkeer geldt onder andere dat onder voorwaarden bij vertragingen van meer dan 60 minuten per rit financiële compensatie plaatsvindt. NS hanteert als grens voor financiële compensatie voor het binnenlandse verkeer minimaal 30 minuten vertraging. Voor het internationale verkeer hanteert NS minimaal 60 minuten vertraging. Voor autobus- en touringcarpassagiers geldt dat onder voorwaarden bij vertragingen van meer dan 120 minuten financiële compensatie plaats vindt. Het is aan de concessieverleners en vervoerders hoe invulling wordt gegeven aan de Europese verordeningen. Het kan daardoor zijn dat er verschillen bestaan tussen de vervoerders onderling.
Deelt u de mening dat continuïteit en betrouwbaarheid van de dienstregeling en goede communicatie en overleg met betrokkenen van cruciaal belang is, aangezien de veerboot praktisch de enige verbinding met de vaste wal is en er dus een grote afhankelijkheid is, zowel voor de bewoners als de economie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke rol ziet u voor de concessieverlener op dit punt?
De continuïteit en betrouwbaarheid van de dienstregeling en goede communicatie en overleg met betrokken zijn van cruciaal belang voor de verbinding van de veerboot. Om die reden zijn in de concessie en het daarin opgenomen Programma van Eisen voorschriften opgenomen waar de concessiehouder zich aan dient te houden. Als concessieverlener monitor ik de naleving en treed ik richting de concessiehouder op als dat nodig mocht zijn.
Kunt u aangeven welk overleg er heeft plaats gevonden tussen de rederij en de gemeente? En tussen de rederij en de raad van advies, die is ingesteld om inspraak van eilanders op veerdienstgerelateerde zaken te versterken en te borgen? Wat is daar besproken c.q. afgesproken?
De situatie met het ms Koegelwieck is door de rederij besproken met gemeenten en andere belanghebbenden, waaronder leden van de Raden van Advies5, in het wekelijkse overleg dat kort na het uitbreken van het corona virus is ingericht. Op 23 juli en 19 augustus zijn de gemeenten en Raden van Advies van beide eilanden middels een brief geïnformeerd over de stand van zaken rondom het ms Koegelwieck.
Over uitval van een schip worden passagiers en andere belanghebbenden door middel van een calamiteitenmail meteen op de hoogte gebracht.
Bent u bereid om als concessieverlener hierover in overleg te gaan met de rederij, de gemeente, de bewoners en de ondernemers en de Kamer hierover zo snel mogelijk na het overleg een terugkoppeling te geven? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij het antwoord op vraag 7 is aangegeven, vindt op dit moment geregeld overleg plaats tussen alle betrokken partijen over de problematiek en de oplossing daarvan. De rederij spant zich daartoe tot het uiterste in. Ook om de gevolgen van de uitval van het ms Koegelwieck voor alle reizigers, eilandbewoners en toeristen, tot een minimum te beperken. In het periodieke overleg dat ik voer met de rederij ben ik uiteraard bereid de problematiek te agenderen om een spoedige oplossing te bevorderen.