De groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Fleur Agema (PVV), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Overheidsorganisaties blijven in de Amerikaanse cloud, ondanks zorgen in de Tweede Kamer»? Bent u tevens bekend met het feit dat de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof onlangs de toegang tot Microsoft-diensten is ontzegd op laste van de Amerikaanse regering?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat het RIVM, die BNR met zestien andere overheidsorganisaties onder de loep heeft genomen, de overstap naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners niet heroverweegt? Zo ja, kunt u dit besluit onderbouwen?2
Het Kabinet is het met de indieners eens dat zorgvuldige afwegingen bij cloudmigraties van groot belang zijn. Daarom moeten volgens het huidige beleid al een reeks van aspecten afgewogen worden. Onderdelen van de Rijksdienst zijn verplicht het Rijksbreed cloudbeleid 2022 te volgen. Hierin wordt reeds aandacht besteed aan de risico’s rondom marktconcentratie. Zbo’s zijn niet verplicht het Rijksbreed cloudbeleid te volgen, maar het wordt hen wel aangeraden. Daarnaast zijn zbo’s verplicht – op basis van de Kaderwet zbo’s – om op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende voorschriften maatregelen te nemen.
De continuïteit van de dienstverlening, nationale veiligheid en publieke waarden zijn daar verdere voorbeelden van. Ook dienen beveiligingsmaatregelen genomen te worden en risicoanalyses geactualiseerd te worden wanneer daar aanleiding toe is. In de herziening van het Rijksbreed cloudbeleid wordt tevens aandacht besteed aan het verder beperken van afhankelijkheid van enkele leveranciers, de zogeheten marktconcentratie- en continuïteitsrisico’s.
De NZa heeft een terugkeer naar de situatie voor de overstap naar Amerikaanse clouddiensten niet in overweging. De NZa is nu in de afrondende fase van een cloudmigratieproject. Er is voorafgaand en tijdens de overstap aandachtig gekeken naar de risico's, op gebied van informatiebeveiliging en privacy. Aanvullend is er advies gevraagd aan de CISO Rijk. Uit de risico-inventarisaties is gebleken dat er geen hoge restrisico's aanwezig waren. Wijzigingen in een vernieuwd Rijksbreed cloudbeleid zal de NZa uiteraard verwerken in hun strategie.
Welke processen, registers, (mail)communicatiediensten en/of organisatieonderdelen die onder uw verantwoordelijkheid vallen, zijn op dit moment reeds ondergebracht in de cloud van Amerikaanse dienstverleners?
Voor de beantwoording limiteren wij ons tot het gebruik van materieel public cloudgebruik. Materieel public cloudgebruik is gebruik van public clouddiensten ten behoeve van het uitvoeren van de primaire taak van een organisatie. Met andere woorden, voor de organisatie is die (cloud)dienst van wezenlijk belang.
De concernorganisaties van het Ministerie van VWS zijn verdeeld tussen organisaties die afhankelijk zijn van (interne) shared service centers, zoals SSC-ICT, en organisaties die afhankelijk zijn van public cloud leveranciers. Wanneer een shared service center wordt gebruikt voor werkplekdiensten, kantoorautomatiseringssoftware en communicatiediensten, dan zijn zij niet direct afhankelijk van Amerikaanse dienstverleners. Deze diensten berusten namelijk niet op public cloud. De andere groep organisaties is hier wel afhankelijk van en zij gebruiken diverse public cloud diensten. Zij nemen deze diensten af onder voorwaarden van Strategisch Leveranciersmanagement Rijk (SLM-Rijk) en de data opslag en verwerking vindt plaats binnen de Europese Economische Ruimte (EER).
Vanuit het CIBG en DUS-I kan ik melden dat er geen processen, registers en/of knooppunten zijn ondergebracht in de public cloud doordat zij zowel SSC-ICT gebruiken als ook Nederlandse service providers. Diverse processen worden ondersteund door applicaties met een directe afhankelijkheid van public cloud leveranciers. Dit betreft onder andere processen die klantcontact ondersteunen, publicatie van informatie, bedrijfsvoering, geldstromen en de uitvoering van diverse regelingen. Reeds gerealiseerde cloudmigraties zijn hierdoor in lijn met het huidige geldende Rijksbrede cloudbeleid.
Kunt u een overzicht geven van de geplande en voorgenomen migraties naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners, daar waar het uw departement, het RIVM en andere overheidsorganisaties onder uw gezag betreft?
Ten behoeve van de Kamerbrief van 22 november 20243is een uitvraag gedaan bij alle departementen ten behoeve van een overzicht van alle geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland. Het Ministerie van Defensie is daarin buiten beschouwing gelaten omdat zij buiten de scope van het Rijksbreed cloudbeleid vallen. Dit neemt niet weg dat Defensie wel gebruik maakt van clouddiensten. De departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de implementatie van het cloudbeleid en daarom is het hun eigen afweging en invulling over wat zij onder (materiële) cloudmigraties verstaan.
Voor dit overzicht verwijst het Kabinet naar de Kamerbrief over geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland van 22 november jl.
De VWS organisaties zijn te verdelen in organisaties die geen voorgenomen migratie naar public cloud diensten hebben gepland en organisaties die al enige migraties hebben uitgevoerd. De migraties naar public cloud ondersteunen het primaire proces met diverse tooling. Tevens zijn er migraties in heroverweging door recente ontwikkelingen op dit thema. Alle heroverwegingen worden gedaan in afstemming met de VWS CIO Office Concern.
De NZa is de cloudmigratie aan het afronden. Er is daarnaast een voorgenomen migratie van het klantbeheersysteem via een aanbestedingsprocedure. De NZa zal hierbij het geldende Rijkscloudbeleid volgen.
Kunt u illustreren wat de directe gevolgen zouden zijn voor de continuïteit van de processen, dienstverlening en dataopslag binnen uw departement, het RIVM en andere overheidsorganisaties onder uw gezag, wanneer deze de toegang tot Amerikaanse digitale dienstverlening zouden worden ontzegd, zowel op dit moment als na de geplande en voorgenomen migraties? Welke merkbare gevolgen zou dit hebben voor Nederlandse burgers en voor de samenleving? Hoe gaat u ervoor zorgen dat die risico’s gemitigeerd worden?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd zelf verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind met de EU optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Het kabinet is het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of enkele marktpartijen ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Dit nemen wij momenteel mee in de herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de beleidskaders voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet het Kabinet zich in voor een verkenning naar een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten.
Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldig afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de medio dit jaar verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit overheid.
Indien de toegang tot Amerikaanse digitale dienstverlening wordt ontzegd, zal dit leiden tot een brede variatie aan verstoringen. Systemen die niet afhankelijk zijn van de public cloud zullen ongehinderd door draaien. Organisaties die voor hun werkplekken afhankelijk zijn van public cloud zullen directe impact ervaren op toegang tot hun werkplekken, e-mail en overige communicatiediensten. Ook deze risico's zijn beschouwd: om de continuïteit van de organisatie te kunnen waarborgen zijn er al plannen ontwikkeld om over te kunnen gaan op alternatieve middelen.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ontvangt (verplichte) meldingen, Europese meldingen en overige meldingen. Wanneer de meldingen niet meer worden ontvangen of hier geen toegang meer toe is, kan dit consequenties hebben voor de kwaliteit van het toezicht.
Organisaties die afhankelijk zijn van public cloud diensten zullen in alle gevallen een directe impact ervaren in dat deel van een proces. Afhankelijk van de rol in dit proces zal dit in meer of mindere mate significante gevolgen hebben voor de interne organisatie en wellicht merkbaar zijn voor burgers en maatschappij. Hier is dus geen eenduidig antwoord op te geven. Binnen het Ministerie van VWS wordt er continu onderzoek gedaan naar de impact op de continuïteit van onze dienstverlening.
Voorafgaand aan de transitie naar de cloud zijn alle waarborgen en mitigerende maatregelen op basis van de toen geldende risico's, doorgevoerd. Daarmee is de NZa voorbereid op veel denkbare scenario's.
Het ontzeggen van de toegang tot Amerikaanse digitale dienstverlening zou het meest extreme scenario zijn. Dan liggen op de korte termijn vrijwel alle toezichten reguleringswerkzaamheden van de NZa stil.
De werkomgeving zit volledig in de cloud, dus mailen, overleggen of gezamenlijk werken in bestanden is dan niet mogelijk. De NZa kan dan kortom niet aan wet- en regelgeving voldoen en zal een hernieuwde I-strategie uitzetten op basis van het vernieuwde Rijksbrede cloudbeleid.
Kunt u onderbouwen wat Amerikaanse wetgeving, zoals de CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act, in het ergste geval betekent voor de vertrouwelijkheid van de data die uw departement, het RIVM en andere overheidsorganisaties onder uw gezag hebben opgeslagen in de cloud van Amerikaanse dienstverleners? Wat zou het gevolg zijn voor Nederlandse burgers en de samenleving wanneer al deze data tezamen in handen van een statelijke actor zou belanden?
Diverse landen kennen wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking aan veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act in de VS. Dergelijke wet- en regelgeving kan, in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens wanneer dit conflicteert met regelgeving als de AVG. Op basis van het advies van GreenbergTraurig kan echter geconcludeerd worden dat in het geval van de CLOUD Act het risico klein is.
Ongeacht de wijze van verkrijging, is het in ieder geval onwenselijk dat alle data tezamen in handen van een statelijke actor kunnen belanden. Om dit te voorkomen kent het huidige cloudbeleid al diverse regels omtrent de typen data die in de public cloud verwerkt mogen worden. In de herziening van het cloudbeleid wordt ook hier aandacht aan besteed.
Heeft u migraties naar digitale diensten van Amerikaanse techgiganten stopgezet of heroverwogen naar aanleiding van de aangenomen motie-Kathmann c.s. (Kamerstuk 26 643-1315) die hiertoe oproept?
Bij iedere migratie naar de Public Cloud moet zorgvuldig overwogen worden of de migratie leidt tot risico’s. Er zijn migraties heroverwogen naar aanleiding van onder meer de motie Kathmann. Met bijvoorbeeld als gevolg dat verwerking van data alleen binnen de EER plaatsvindt.
Zie verder vraag 2.
Er zijn bij de meeste organisaties geen nieuwe migraties gestart, noch stopgezet. Bij nieuwe contracten wordt vanaf heden ook naar de geopolitieke situatie gekeken, zodat bij toekomstige aanbestedingen de afhankelijkheid van technologie leveranciers een grotere rol kan spelen in de beoordelingscriteria conform het Rijkscloudbeleid.
Hoe geven uw departement, het RIVM en andere overheidsorganisaties onder uw gezag voorts invulling aan de aangenomen motie-Six Dijkstra c.s. (Kamerstuk 6643–1320) die oproept om als doelstelling te hanteren dat de continuïteit van digitale overheidsdienstverlening niet rechtstreeks afhankelijk is van partijen uit de Verenigde Staten?
Zie vraag 5.
Kunt u toezeggen dat de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten binnen uw departement, het RIVM en andere overheidsorganisaties onder uw gezag niet verder zal toenemen, en dat het bevorderen van de strategische autonomie van Nederland en/of Europa het uitgangspunt is bij elk besluit omtrent digitale diensten dat onder uw gezag genomen wordt?
Zie vraag 5
Digitale autonomie en soevereiniteit zijn belangrijke thema’s voor VWS door onze rol in de maatschappij via mijn meldpunten, registers en diensten. De geopolitieke veranderingen hebben er voor gezorgd dat de risico’s op gebied van beschikbaarheid en continuïteit goed in beeld worden gehouden en we ondersteunen de ontwikkeling van het nieuwe Rijksbrede cloudbeleid.
Het Rijksbrede cloudbeleid is voor de NZa het uitgangspunt. Daarnaast maakt de NZa proactief en zorgvuldig afwegingen over de veiligheid van data en functionaliteit van hun IT-oplossingen.
Kunt u de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), als onafhankelijke autoriteit, vragen of zij bereid is om zelfstandig te reageren op vragen 2, 4, 5, 6, 8 en 9?
rden van de NZa zijn verwerkt bij de relevante vragen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het notaoverleg over de initiatiefnota «Wolken aan de horizon» (Kamerstuk 36 574) van 2 juni a.s.?
De verzending heeft zo spoedig mogelijk plaatsgevonden.
De groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Overheidsorganisaties blijven in de Amerikaanse cloud, ondanks zorgen in de Tweede Kamer»1? Bent u tevens bekend met het feit dat de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof onlangs de toegang tot Microsoft-diensten is ontzegd op laste van de Amerikaanse regering?
Ja.
Kunt u bevestigen dat Logius, die BNR met zestien andere overheidsorganisaties onder de loep heeft genomen, de overstap naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners niet heroverweegt?2 Zo ja, kunt u dit besluit onderbouwen?
Het Kabinet is het met de indieners eens dat zorgvuldige afwegingen bij cloudmigraties van groot belang zijn. Daarom moeten volgens het huidige beleid al een reeks van aspecten afgewogen worden. Onderdelen van de Rijksdienst zijn verplicht het Rijksbreed cloudbeleid 2022 te volgen. Hierin wordt reeds aandacht besteed aan de risico’s rondom marktconcentratie. Zbo’s zijn niet verplicht het Rijksbreed cloudbeleid te volgen, maar het wordt hen wel aangeraden. Daarnaast zijn zbo’s verplicht – op basis van de Kaderwet zbo’s3 – om op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende voorschriften maatregelen te nemen.
De continuïteit van de dienstverlening, nationale veiligheid en publieke waarden zijn daar verdere voorbeelden van. Ook dienen beveiligingsmaatregelen genomen te worden en risicoanalyses geactualiseerd te worden wanneer daar aanleiding toe is.4 In de herziening van het rijksbreed cloudbeleid wordt tevens aandacht besteed aan het verder beperken van afhankelijkheid van enkele leveranciers, de zogeheten marktconcentratie- en continuïteitsrisico’s.
Logius maakt voor het exploiteren van haar voorzieningen gebruik van een eigen platform dat wordt gehost in datacentra van de Rijksoverheid. Daarbij geldt dat Logius de Generieke Digitale Infrastructuur levert aan de Digitale Overheid. Logius maakt voor het exploiteren van onze voorzieningen dus geen gebruik van Amerikaanse Clouddiensten en heeft ook geen plannen daartoe. Een heroverweging is daarmee niet aan de orde.
Welke processen, registers, (mail)communicatiediensten en / of organisatieonderdelen die onder uw verantwoordelijkheid vallen, zijn op dit moment reeds ondergebracht in de cloud van Amerikaanse dienstverleners?
Voor de beantwoording limiteren wij ons tot het gebruik van materieel public cloudgebruik. Materieel public cloudgebruik is gebruik van public clouddiensten ten behoeve van het uitvoeren van de primaire taak van een organisatie. Met andere woorden, voor de organisatie is die (cloud)dienst van wezenlijk belang.
Op dit moment wordt er zeer beperkt gebruik gemaakt van clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners. De werkplekken maken gebruik van kantoorsoftware waarbij de dataopslag in de eigen overheidsdatacenters plaats vindt.
Kunt u een overzicht geven van de geplande en voorgenomen migraties naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners, daar waar het uw departement, Logius en andere overheidsorganisaties onder uw gezag betreft?
Ten behoeve van de Kamerbrief van 22 november 20245 is een uitvraag gedaan bij alle departementen ten behoeve van een overzicht van alle geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland. Het Ministerie van Defensie is daarin buiten beschouwing gelaten omdat zij buiten de scope van het Rijksbreed cloudbeleid vallen. Dit neemt niet weg dat Defensie wel gebruik maakt van clouddiensten. De departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de implementatie van het cloudbeleid en daarom is het hun eigen afweging en invulling over wat zij onder (materiële) cloudmigraties verstaan.
Voor dit overzicht verwijst het Kabinet naar de Kamerbrief over geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland van 22 november jl.
In november 2024 zijn drie geplande en voorgenomen migraties naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners aan de kamer gemeld.
Eerder is de kamer geïnformeerd over de ontwikkeling van werkplekdienstverlening van SSC-ICT (DWR 2.0) en het beperken van de cloud afhankelijkheid bij het opslaan van data. Documenten en e-mails van de gebruikers van de DWR werkplek blijven vooralsnog opgeslagen in het datacenter van SSC-ICT.
Binnen het interdepartementale programma Beter Samenwerken (BSW) wordt het beoogde gebruik van MS Teams in de werkomgeving heroverwogen en worden alternatieven onderzocht.
De in november genoemde aanbesteding van het Rijksvastgoedbedrijf is afgerond en gegund aan een Europese dienstverlener.
Er zijn sinds november geen nieuwe geplande of voorgenomen migraties van materieel public cloudgebruik aangemeld.
Kunt u illustreren wat de directe gevolgen zouden zijn voor de continuïteit van de processen, dienstverlening en dataopslag binnen uw departement, Logius en andere overheidsorganisaties onder uw gezag, wanneer deze de toegang tot Amerikaanse digitale dienstverlening zouden worden ontzegd, zowel op dit moment als na de geplande en voorgenomen migraties? Welke merkbare gevolgen zou dit hebben voor Nederlandse burgers en voor de samenleving? Hoe gaat u ervoor zorgen dat die risico’s gemitigeerd worden?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd zelf verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind met de EU optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Het kabinet is het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of enkele marktpartijen ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Dit nemen wij momenteel mee in de herziening van het Rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de beleidskaders voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet het kabinet zich in voor een verkenning naar een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten.
Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldig afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de na het zomerreces verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit overheid.
De directe gevolgen voor de digitale dienstverlening van BZK organisaties als Logius en RvIG zijn beperkt. Deze organisaties maken voor de dataopslag en uitvoering van de primaire processen geen gebruik van digitale diensten van Amerikaanse dienstverleners.
Zoals bij vraag 4 beantwoord, zijn er geen directe gevolgen voor de huidige en toekomstige werkplekdiensten van SSC-ICT door de genomen mitigerende maatregelen. Bij langdurige ontzegging van toegang tot de dienstverlening kunnen wel problemen ontstaan wanneer bijvoorbeeld de geldigheid van licenties niet verlengd kan worden.
Kunt u onderbouwen wat Amerikaanse wetgeving, zoals de CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act, in het ergste geval betekent voor de vertrouwelijkheid van de data die uw departement, Logius en andere overheidsorganisaties onder uw gezag hebben opgeslagen in de cloud van Amerikaanse dienstverleners? Wat zou het gevolg zijn voor Nederlandse burgers en de samenleving wanneer al deze data tezamen in handen van een statelijke actor zou belanden?
Diverse landen kennen wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking aan veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act in de VS. Dergelijke wet- en regelgeving kan in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens wanneer dit conflicteert met regelgeving als de AVG. Op basis van het advies van GreenbergTraurig kan echter geconcludeerd worden dat in het geval van de CLOUD Act het risico klein is.6
Ongeacht de wijze van verkrijging, is het in ieder geval onwenselijk dat alle data tezamen in handen van een statelijke actor kunnen belanden. Om dit te voorkomen kent het huidige Cloudbeleid al diverse regels omtrent de typen data die in de public cloud verwerkt mogen worden. In de herziening van het Cloudbeleid wordt ook hier aandacht aan besteed.
Heeft u migraties naar digitale diensten van Amerikaanse techgiganten stopgezet of heroverwogen naar aanleiding van de aangenomen motie-Kathmann c.s. die hiertoe oproept?3
Bij iedere migratie naar de Public Cloud moet zorgvuldig overwogen worden of de migratie leidt tot risico’s. Er zijn migraties heroverwogen naar aanleiding van onder meer de motie Kathmann. Met bijvoorbeeld als gevolg dat verwerking van data alleen binnen de EER plaatsvindt.
Zie verder vraag 2.
Er zijn geen lopende migraties naar digitale diensten van Amerikaanse techgiganten.
Hoe geven uw departement, Logius en andere overheidsorganisaties onder uw gezag voorts invulling aan de aangenomen motie-Six Dijkstra c.s. die oproept om als doelstelling te hanteren dat de continuïteit van digitale overheidsdienstverlening niet rechtstreeks afhankelijk is van partijen uit de Verenigde Staten?4
Zie vraag 5.
Deze doelstelling wordt al gehanteerd bij inrichting van de digitale dienstverlening.
Kunt u toezeggen dat de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten binnen uw departement, Logius en andere overheidsorganisaties onder uw gezag niet verder zal toenemen, en dat het bevorderen van de strategische autonomie van Nederland en / of Europa het uitgangspunt is bij elk besluit omtrent digitale diensten dat onder uw gezag genomen wordt?
Zie vraag 5.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het notaoverleg over de initiatiefnota «Wolken aan de horizon» van 2 juni a.s.?5
De verzending heeft zo spoedig mogelijk plaatsgevonden.
Het bericht 'Alleen garantie op gescheurde borstimplantaten als je ze laat vervangen' |
|
Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA), Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u, naast uw eigen bijdrage aan de uitzending, ook bekend met verdere berichtgeving van Radar, over onder meer de beperkingen van de garantie en de ervaringen van vrouwen?1 2 3
Ja, ik ben bekend met de uitzending en met de bijdrage van mijn ambtsvoorganger.
In hoeverre was bij u bekend dat meerdere fabrikanten van borstimplantaten dergelijke voorwaarden hanteren? Wat denkt u dat dit doet met vrouwen die gezondheidsklachten ervaren door kwalitatief slechte implantaten en geen vervanging willen, en vervolgens zelf met hoge kosten te maken krijgen?
Dat was mij niet bekend. Ik vind het onwenselijk dat juridische constructies van fabrikanten ertoe zouden leiden dat vrouwen niet de schade vergoed krijgen die wordt veroorzaakt door mogelijk gebrekkige producten. Wel moet ik opmerken dat het uiteindelijk niet aan mij als Minister is om te bepalen of een juridische constructie door de beugel kan en of de benadeelde recht heeft op schadevergoeding. Dat is uiteindelijk aan de civiele rechter (op vordering van de benadeelde).
Overigens wil ik graag benadrukken dat het verwijderen van gescheurde borstimplantaten bij medische noodzaak voor vergoeding in aanmerking kan komen vanuit het basispakket.4
Kunt u aangeven hoeveel meldingen of klachten er bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of andere instanties zijn binnengekomen over misleidende garanties bij borstimplantaten?
Er is tussen 2017 en 2025 één melding gedaan bij Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) waarbij de melder het aanbieden van «levenslange garantie» misleidend noemt. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) laat mij weten tussen 2020 en 2025 geen meldingen of klachten te hebben ontvangen over misleidende garanties bij borstimplantaten.
Op welke wijze worden mensen (inclusief artsen) geïnformeerd over de mogelijkheid van een melding maken? Is de bekendheid en de bereikbaarheid van het Meldpunt Bijwerkingen Implantaten voldoende? Zo niet, wat gaat u doen om deze te verbeteren?
Ik vind het belangrijk dat mensen weten waar zij klachten kunnen melden. Ik heb al eerder aangegeven dat ik de huidige meldstructuur, waarbij bijwerkingen en klachten afhankelijk van de aard van de klacht en het product gemeld kunnen worden bij het MEBI, de IGJ en in sommige gevallen ook het Lareb, niet optimaal vind. Daarom houd ik deze momenteel tegen het licht.
Mensen die een melding willen doen, wordt op verschillende manieren informatie aangeboden. Zo staat op de IGJ website hoe een zorgprofessional of een persoon met een borstimplantaat een vraag of een klacht over de zorg of een medisch hulpmiddel kan doen bij de inspectie.
Zorgprofessionals wordt gevraagd melding te doen via een formulier, personen met een borstimplantaat kunnen zowel via een formulier als ook telefonisch een melding doen bij het landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ.
Indien de melding gaat over een bijwerking van een implantaat wordt de zorgprofessional of persoon doorgestuurd naar de website van het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI).
Om te zorgen dat mensen het MEBI beter weten te vinden en gemakkelijker een melding kunnen doen, heb ik recent verschillende acties ondernomen. Zo heeft tussen november 2024 en februari 2025 een communicatiecampagne plaatsgevonden in huisartspraktijken en gezondheidscentra. Verder is de website van het MEBI verbeterd en zal dit jaar een verkort meldformulier worden ingevoerd.
Om de IGJ website makkelijker vindbaar te maken, is IGJ ook aangesloten op de «Productenmeldwijzer» van de overheid. Via een aantal vragen over de melding wordt de melder doorgestuurd naar het juiste loket van de overheid. In het geval van melding over een medisch hulpmiddel komt de melder uit bij de IGJ en in het geval van een melding over een bijwerking van een implantaat bij het MEBI.
Zoals hierboven aangegeven vind ik deze acties nog niet voldoende en bekijk ik hoe het melden van dergelijke klachten nog beter kan worden georganiseerd.
Bent u het met de advocaat uit de berichtgeving eens dat de voorwaarden misleidend gepresenteerd worden? Zo nee, waarom niet?
De voorwaarden moeten eerlijk en begrijpelijk zijn voor de patiënt. Ik kan echter geen uitspraken doen over de rechtmatigheid van bepaalde juridische constructies en bepalingen uit contracten in concrete casussen. Het is aan de civiele rechter om – op basis van een vordering van de patiënt – te beoordelen of bepaalde voorwaarden al dan niet rechtmatig zijn en wat daarvan vervolgens de juridische gevolgen zijn.
Deelt u de mening dat vrouwen met gescheurde borstimplantaten (met alle gevolgen van dien) aanspraak moeten kunnen maken op een volledige vergoeding voor het verwijderen van de implantaten, ongeacht of zij kiezen voor vervangende implantaten? Zo nee, waarom niet?
Patiënten hebben het recht om de fabrikant aansprakelijk te stellen wanneer zij schade hebben opgelopen vanwege een gebrek aan een borstimplantaat. Het is uiteindelijk aan de civiele rechter om de vordering van een patiënt te beoordelen.
Net als bij antwoord 2 wil ik benadrukken dat het verwijderen van gescheurde borstimplantaten vergoed kan worden vanuit het basispakket in het geval van een medische noodzaak.
Wat is de reden dat u de verantwoordelijkheid voor de garantie op gescheurde borstimplantaten primair bij de behandelend chirurg legt? Deelt u de mening dat primair de fabrikanten verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de implantaten?
Ik leg de verantwoordelijkheid voor de garantie op gescheurde borstimplantaten niet bij de chirurg. Mijn ambtsvoorganger heeft willen benadrukken dat artsen verantwoordelijk zijn voor het leveren van goede zorg. Dit betekent dat een chirurg de patiënt moet informeren over de voorgestelde behandeling, de risico’s van de behandeling en alternatieven. Het is niet aan mij om een oordeel uit te spreken over de juridische aansprakelijkheid van de arts wanneer een borstimplantaat scheurt. Wel heeft mijn ambtsvoorganger de IGJ verzocht vanuit het bredere perspectief van «goede zorg leveren» te kijken naar de rol van de behandelend arts. De IGJ heeft mij laten weten hiernaar te zullen kijken en ik ben in afwachting van hun conclusies.
Klopt het dat implantaten medische hulpmiddelen zijn en dus moeten voldoen aan de Medical Devices richtlijn? Kunt u nader toelichten hoe de procedure eruitziet voor toelating op specifiek de Nederlandse markt? Hoe kan het dat deze borstimplantaten niet lijken te voldoen aan het doel van deze richtlijn, namelijk de patiëntveiligheid? Wat bent u bereid te doen om de patiëntveiligheid beter te borgen?
Ik vind het allereerst belangrijk dat vrouwen goed wordt uitgelegd dat borstimplantaten niet eindeloos meegaan en dat er op den duur een nieuwe operatie nodig is om het implantaat te verwijderen of te vervangen. Een chirurg heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid in het gesprek met de patiënt over de voor- en nadelen van het plaatsen van een borstimplantaat.
Borstimplantaten zijn medische hulpmiddelen en moeten voldoen aan de Europese verordening rondom medische hulpmiddelen, de Medical Device Regulation (MDR). De toelating van borstimplantaten op de Nederlandse markt verloopt volgens deze Europese regelgeving. Implantaten die voldoen aan de strenge Europese eisen voor veiligheid, werking en kwaliteit kunnen na beoordeling door een aangewezen instantie, zogenaamde notified bodies, een CE-markering krijgen. Alleen producten met een CE-markering mogen vervolgens op de Nederlandse markt komen. Fabrikanten zijn vervolgens verplicht om de kwaliteit van hun product in de praktijk te volgen. Dat implantaten kunnen scheuren is een bekende bijwerking en fabrikanten moeten daarom bijhouden hoe vaak dat gebeurt. In Nederland wordt dit ook bijgehouden door de leden van de Nederlandse Vereniging van Plastische Chirurgie.5 Wanneer borstimplantaten eerder, of vaker, scheuren dan gemiddeld moet een fabrikant de IGJ inlichten en maatregelen nemen. Op dit moment heb ik geen aanwijzingen dat borstimplantaten op de Nederlandse markt niet aan Medical Devices richtlijn voldoen.
Hoe is het toezicht op informatievoorziening rondom borstimplantaties en garanties geregeld? Bent u bereid om aan de IGJ te vragen om de rol van fabrikanten mee te nemen in het toezicht? Of kunt u concretere actie ondernemen? Zo ja, hoe?
De betrokken zorgprofessional informeert een patiënt of cliënt voor iedere medische behandeling over de medische risico’s, de te verwachten resultaten en alternatieve behandelmogelijkheden. Na het ontvangen van deze informatie geeft de patiënt wel of geen toestemming voor de betreffende behandeling (informed consent). Dit geldt ook voor het implanteren van borstimplantaten. De IGJ toetst in haar reguliere toezicht of de zorgprofessional het informed consent voldoende heeft uitgevoerd. De garantieregeling die een fabrikant heeft opgesteld, valt buiten het toezicht van de IGJ.
Welke stappen bent u bereid te nemen om patiënten beter te beschermen tegen vage of misleidende garantiebeloften bij medische hulpmiddelen en op welke termijn kan de Kamer daar informatie over verwachten?
In het antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven dat de garantieregeling die de fabrikant heeft opgesteld buiten het toezicht valt van de IGJ. De IGJ heeft wél een rol waar het gaat om het leveren van goede zorg. Wanneer er twijfels zijn over het leveren van goede zorg, dan roep ik mensen op dit bij de IGJ te melden.
Het bericht dat ‘Arriva 92 procent van boetes voor zwartrijden van en naar azc Ter Apel niet betaald’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Chris Jansen (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Arriva 92 procent van boetes voor zwartrijden van en naar azc Ter Apel niet betaald»?1
Ja. Bij navraag geeft Arriva aan dat het genoemde percentage van 92 procent betrekking heeft op het aantal uitgeschreven boetes voor zwartrijden die in heel 2024 niet aan Arriva zijn betaald. Het betreft hier het percentage van de blauwnettreinen van Arriva. Dat zijn naast de Vechtdallijnen (Zwolle-Emmen en Almelo-Mariënberg) ook de trein tussen Zutphen-Hengelo en Oldenzaal. Arriva geeft aan dat zij vooral zien dat het percentage grotendeels wordt bepaald door boetes die zijn uitgeschreven op de Vechtdallijnen. Het kabinet acht dit, gelet op de omvang en concentratie op met name de Vechtdallijnen, een onwenselijk hoog percentage. In onderstaande beantwoording wordt nader ingegaan op de inzet om dit percentage terug te dringen.
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat mensen (en dus ook asielzoekers) die zwartrijden geen boete krijgen, geen boete betalen of bij herhaaldelijke overtreding geen reisverbod krijgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat doet u hier dan aan?
Het is onwenselijk dat mensen die zwartrijden geen boete krijgen, geen boete betalen of bij herhaaldelijke overtreding geen reisverbod krijgen. Ik ben hierop tegen en vind dat alle vormen van zwartrijden, ongeacht wie hiervoor verantwoordelijk is, aangepakt moeten worden. Zwartrijden en het niet betalen van de boete ondermijnen het systeem en dragen bij aan een verloedering van het openbaar vervoer. Ik ben dan ook samen met vervoerders, het Ministerie van Asiel en Migratie (AenM) en het COA in gesprek om te bezien welke stappen mogelijk zijn om dat te verbeteren. De Minister voor AenM heeft aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe boetes die opgelegd zijn aan inwoners van een AZC vaker verhaald kunnen worden op de overtreder.
Bent u het eens dat identiteitscontrole noodzakelijk is om vast te stellen wie zwartrijdt of overlastgevend gedrag vertoont, zodat iemand gesanctioneerd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Ik erken het belang van een efficiënte identiteitsvaststelling om sancties aan personen die zwartrijden of overlast veroorzaken op te kunnen leggen. Bij navraag geeft Arriva aan dat als een boa iemand betrapt op zwartrijden, de boa een geldig ID-bewijs zal vorderen. Mocht deze er niet zijn, dan kan de boa de identiteit opzoeken via de Basisregistratie Personen (BRP). Daarnaast heeft de boa het recht om te fouilleren om zo toch een ID-bewijs te vinden. Mocht dit allemaal niet voldoende zijn, dan vraagt de boa de politie om een ID-check te doen. Pas nadat de identiteit is vastgelegd kunnen boetes worden uitgeschreven. Een vlotte identiteitsvaststelling is daarom essentieel om effectief te kunnen optreden tegen zwartrijders en overlastgevers.
Op welke manier kan de identiteit van asielzoekers gecontroleerd worden in het openbaar vervoer als zij geen rijbewijs of ander ID-bewijs bij zich zeggen te hebben?
Het controleren in het OV van de identiteit van reizigers kan op verschillende manieren. De toezichthouders (conducteurs zonder boa-bevoegdheid) en boa’s van de vervoersbedrijven zijn in gevallen bevoegd om (bepaalde) sancties op te leggen. Zij kunnen in het geval zij een persoon willen sanctioneren de persoon vragen naar een geldig identiteitsbewijs. Daarnaast kunnen boa’s aan de hand van a-typische vragen de BRP raadplegen om de door de boa staande gehouden persoon opgegeven NAW-gegevens (naam, adres en woonplaats) te controleren. Ook hebben boa’s onder specifieke omstandigheden de mogelijkheid een identiteitsfouillering toe te passen. Daarnaast krijgen de boa’s uit het IV-domein die werkzaam zijn voor private werkgevers per 1 juli 2026 toegang tot het Rijbewijzenregister, wat de zelfstandige identiteitsvaststelling voor deze boa’s zal verbeteren.
In de praktijk komt het echter regelmatig voor dat het de boa’s en toezichthouders onvoldoende middelen hebben om de identiteit te controleren als de reiziger niet wil meewerken en/of niet in de betreffende registers is opgenomen. Over deze knelpunten en de aanpak daarvan, hebben de Minister van JenV en ik 9 juli jl. een brief aan de Kamer gestuurd in reactie op het rapport van OV-NL «Handhaven in het OV».2
Bent u het eens dat het onwenselijk is dat iemand 50 keer kan worden betrapt op zwartrijden, geen reisverbod krijgt en ogenschijnlijk ook niet de boetes betaalt? Zo ja, waarom heeft het verhalen van de boetes geen prioriteit of wordt op geen enkele manier kenbaar gemaakt aan de asielzoeker dat dit niet is hoe je je in Nederland gedraagt?
Ja, dit is zeer onwenselijk gedrag van eenieder, ongeacht diens afkomst of verblijfsrechtelijke status. Het kan niet zo zijn dat iemand zich herhaaldelijk onttrekt aan betaling zonder dat daar consequenties aan verbonden zijn. Dat er toch nog gevallen bekend zijn van dergelijke veelplegers is mij ook een doorn in het oog. Daarom werk ik samen met de Minister voor Asiel en Migratie en de vervoerders aan maatregelen die dergelijke veelplegers een halt toeroepen, binnen het bestaande juridische kader. Daarbij krijgen bewoners van het COA op meerdere momenten voorlichting over onder andere openbaar vervoer in Nederland. Ook staat er toegankelijke informatie op MyCOA.nl over onder andere regels en betalen in het ov. Deze informatie is tot stand gekomen in samenwerking met openbaar vervoerders. Uiteindelijk moet namelijk helder zijn: wie gebruik maakt van het openbaar vervoer, betaalt gewoon zijn rit.
Bent u het eens dat het wenselijk is om identiteitsvaststelling door BOA’s (Buitengewoon Opsporingsambtenaren), zo nodig als politievrijwilliger, te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook hierboven aangegeven, deel ik het beeld dat het van belang is om de informatiepositie van boa’s te verbeteren, met als doelstelling om de boa’s zo veel als mogelijk eigenstandig hun taken uit te kunnen laten voeren. Specifieker wanneer het gaat om een zelfstandigere identificatie van staande gehouden personen door boa’s. Voor een toelichting op de inzet op dit punt van onder andere de Minister van Justitie en Veiligheid verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen 3 en 4. De boa’s waar het in casu om gaat, zijn werkzaam voor of bij een openbaarvervoersbedrijf en voeren vanuit die rol hun taken en werkzaamheden uit. Deze boa’s zijn aldus tijdens het uitvoeren van deze taak niet werkzaam voor de politieorganisatie als politievrijwilliger. Zij kunnen dus geen gebruikmaken van de bevoegdheden die zij als politievrijwilliger zouden hebben. Het laten vaststellen van een identiteit door boa’s als politievrijwilliger wordt daarom niet als optie gezien. Daarom wordt in samenwerking met het Ministerie van JenV onderzocht of de Basisvoorziening vreemdelingen toegankelijk wordt gemaakt voor boa's.
Bent u het eens dat het wenselijk kan zijn om in overleg met COA (Centraal Orgaan opvang asielzoekers), AVIM (Afdeling Vreemdelingenpolitie), OM (Openbaar Ministerie), Arriva en andere partners voor langere termijn een pilot op te zetten waarbij er regelmatig in de treinen wordt gecontroleerd op een geldig vervoersbewijs en indien nodig boetes daadwerkelijk op asielzoekers worden verhaald of dat vreemdelingen kunnen worden meegenomen door de politie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dit realiseren?
Zwartrijden is een overtreding van de Wet Personenvervoer, waarbij het voor mij belangrijk is dat daders ook de consequenties hiervan ervaren. Uit de signalen die ik vanuit Arriva ontvang, is het mij duidelijk geworden dat er momenteel veel gecontroleerd wordt in het openbaar vervoer. Openbaar vervoerders zorgen er ook voor dat boetes uitgeschreven worden waar ze uitgeschreven moeten worden. Het is niet toegestaan om doelgroep-controles op vervoersbewijzen in het OV te doen. Er kunnen alleen algemene controles worden gedaan waarbij iedereen die zwartrijdt een boete krijgt, niet alleen asielzoekers. Met het Ministerie van Asiel en Migratie en het COA ben ik in gesprek om het betalingspercentage te verbeteren.
Bent u het eens dat het de stewards en BOA’s van Arriva onevenredig veel tijd en capaciteit kost om boetes uit te delen die uiteindelijk niet worden betaald?
Uit de gesprekken met Arriva komt naar voren dat er momenteel veel wordt gecontroleerd en boetes ook uitgeschreven worden waar nodig. Ik heb geen signalen ontvangen dat dit onevenredig veel tijd kost. Waar het spaak loopt, is bij het betalen van de boetes. Zoals ook bij vraag 7 is aangegeven, ben ik met het Ministerie van Asiel en Migratie en het COA in gesprek om hier stappen op te zetten en het betalingspercentage te verbeteren.
Hoe lang duurt het voordat een boete uitgeschreven door een steward terecht komt bij het COA?
Wanneer een boete wordt uitgeschreven, bestaat de mogelijkheid om per direct per pin te betalen. Gebeurt dit niet, dan ontvangt de betrokkene op de 14e dag na de overtreding een betalingsherinnering, inclusief 15 euro administratiekosten. Indien ook dan geen betaling volgt, wordt op de 25e dag een aanmaning verstuurd. Op dat moment wordt de overtreding een justitiële aangelegenheid. Vervolgens wordt de boete overgedragen aan het incassobureau en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB).
Voor alle uitgeschreven boetes geldt deze procedure. In het geval van asielzoekers wordt, na vaststelling van de identiteit en het niet direct kunnen voldoen van de boete per pin, de boete verstuurd naar hun verblijfsadres bij het COA. De boete wordt binnen enkele dagen na verzending ontvangen. De boete komt vervolgens terecht bij de asielzoeker. Het COA zorgt ervoor dat de post beschikbaar is voor de bewoners, die deze zelf moeten ophalen en verantwoordelijk zijn voor de afhandeling. Het COA heeft hier geen inzage in en is ook niet verantwoordelijk voor de asielzoekers en de betaling van hun boetes. Het proces verloopt daarna hetzelfde zoals bij de hierboven beschreven procedure. Dit houdt in dat in het geval van een aanmaning op dag 28, Arriva de boete overdraagt aan het incassobureau en het CJIB. Arriva heeft hier verder geen zicht op de afhandeling. In de praktijk worden de meeste zaken geseponeerd, omdat betaling te lang uitblijft. Er bestaan verschillende interpretaties over de redenen waarom het CJIB overgaat tot seponering. Om hier meer inzicht in te krijgen, is extra tijd nodig voor aanvullend onderzoek en een diepgaandere analyse bij het CJIB.
Wat doet het COA in het geval van een boete waarbij de identiteit van de asielzoeker vastgesteld kon worden en de asielzoeker een inwoner is van asielzoekerscentrum (azc) Ter Apel? Is het COA bereid om maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?
Het niet betalen van boetes vormt in de praktijk een hardnekkig probleem dat de handhaving onder druk zet. Dit is voor het kabinet een belangrijk thema en heeft onze nadrukkelijke aandacht. Op 7 november 2024 is in opdracht van het Ministerie van IenW, Decentrale OV autoriteiten en alle ov-vervoerbedrijven in Nederland een onderzoek uitgevoerd naar het betaalmoraal in het openbaar vervoer3.
Bij navraag geeft het COA aan dat, net zoals bij andere post die op persoonlijke titel aan een bewoner wordt gestuurd, deze post beschikbaar wordt gesteld aan de betreffende bewoner. Bewoners zijn zelf verantwoordelijk voor het ophalen, openen en beantwoorden van hun post. Het COA heeft geen bevoegdheid om post van bewoners te openen. Het COA onderstreept het belang dat bewoners, net zoals iedereen in Nederland, zich aan de regels houden en in voorkomende gevallen boetes betalen. Dit is dan ook onderdeel van de voorlichting over het gebruik van het openbaar vervoer aan bewoners en het COA is daarom ook nauw betrokken bij bovengenoemde gesprekken met ook vervoerders om verbeteringen door te voeren voor het vaker innen van boetes.
Daarnaast is er een integrale werkgroep overlastgevende asielzoekers in het openbaar vervoer, waarin het Ministerie van Asiel en Migratie en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat samen met vervoerders onderzoeken welke kansrijke maatregelen kunnen bijdragen aan het aanpakken van dit probleem. In dit verband wordt ook specifiek gekeken naar het niet betalen van boetes bij zwartrijden. De Minister voor AenM heeft aan de Kamer toegezegd te onderzoeken hoe we die boetes efficiënter kunnen innen bij de veroorzaker.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het zomerreces 2025?
Deze vragen zijn tot mijn spijt niet vóór het zomerreces beantwoord. De beantwoording van deze vragen vergde meer tijd, omdat de inhoud hiervan met Arriva en andere betrokken organisaties afgestemd diende te worden.
De CO2-heffing |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wijze gaat u uitvoering geven aan de door de Kamer aangenomen motie (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3151) over alle bestaande nationale koppen uit Nederlandse wetgeving schrappen en wat betekent dit voor het al dan niet voortbestaan van de nationale CO2-heffing die ook een nationale kop is op Europees beleid?
In het Regeerprogramma is afgesproken dat bestaande nationale koppen eventueel kunnen worden heroverwogen wanneer er geen negatief effect op het behalen van de klimaat- en energiedoelen optreedt of er betere alternatieven zijn. Het afschaffen van de nationale CO2heffing heeft een negatieve impact op doelbereik. De heffing moet daarbij bedrijven voldoende prikkelen om te verduurzamen, waardoor de heffing werkt als stok achter de deur. Het kabinet onderschrijft het doel van het instrument, waarbij een eventuele budgettaire opbrengst terugvloeit naar het Klimaatfonds en ten goede komt aan de industrie.
De afgelopen tijd zien we dat door een combinatie van factoren de benodigde verduurzaming langer de tijd vraagt. Het kabinet geeft daarom bedrijven de komende jaren extra tijd om te verduurzamen door de heffing hierop aan te passen. Ook heeft het kabinet in het pakket Groene groei aangegeven dat het kabinet open staat voor alternatieven die in aanvulling op de beschikbare subsidies de benodigde reductie borgen (gelijk aan het heffingsdoel van de CO2-heffing) en klimaatneutraliteit in 2050 in ogenschouw houdt. Dit kunnen ook borgende maatregelen naast de CO2-heffing zijn. Het kabinet gaat hierover in gesprek met de industrie en andere stakeholders.
Wat betekent de conclusie uit de Speelveldtoets 2025 van PricewaterhouseCoopers1 dat unilaterale nationale «sticks» beperkt of niet tot prikkels leiden voor CO2-reductie in Nederland, onder andere omdat productie en investeringen naar andere Europese landen zullen weglekken, voor hoe u het nut- en noodzaak van de nationale CO2-heffing beoordeelt?
Het kabinet laat jaarlijks een Speelveldtoets uitvoeren om de impact van het Nederlandse klimaatbeleid op de concurrentiepositie van de industrie in kaart te brengen. Uit de studie blijkt dat de nationale CO2-heffing tot additionele kosten leidt bij bedrijven die niet tijdig verduurzamen en dat dit het risico op weglekeffecten vergroot. Aan de andere kant blijkt uit het meest recente onderzoek ook dat er in Nederland relatief gezien de meeste subsidies beschikbaar zijn voor de verduurzaming van de industrie. Dit komt de concurrentiepositie van de industrie ten goede. Binnen deze beleidsmix heeft de CO2-heffing, als belangrijkste beprijzingsprikkel, een belangrijke rol als stok achter de deur om verduurzaming te stimuleren. De CO2-heffing industrie beprijst uitstoot die niet is vrijgesteld. De beschikbare subsidies worden op deze manier minder vrijblijvend en daarmee effectiever.
Het risico op weglekeffecten neemt het kabinet serieus. Dit is onder andere de reden waarom in het pakket Groene Groei is ingezet op het op orde brengen van de randvoorwaarden voor verduurzaming, zodat de industrie ook daadwerkelijk de CO2-heffing kan voorblijven. Daarnaast wordt het heffingsdoel van de CO2-heffing via aanpassing van de nationale reductiefactor verschoven van 2030 naar 2032, zodat bedrijven die op dit moment nog niet kúnnen verduurzamen, meer tijd krijgen om aan de afgesproken emissiereductie te voldoen.
Ook wordt de flexibiliteit onder de CO2-heffing vergroot door het opzetten van een handelsplatform voor dispensatierechten, het uitbreiden van de carryback-regeling waardoor overschotten in dispensatierechten, ook na 2029, kunnen worden ingezet in het jaar van de hoogst betaalde heffing (maximaal 5 jaar terug in de tijd). Tegelijkertijd wordt het tarief van de CO2-heffing tussen 2030 en 2035 stapsgewijs verhoogd van 152 euro/ton CO2 naar 216 euro/ton CO2, om de nodige reductie te borgen zodra de randvoorwaarden op orde zijn en te zorgen voor investeringszekerheid. Dit betreft een technische invulling, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 6.
In hoeverre is de impact van de CO2-heffing na 2030 in kaart gebracht? Wat zijn de effecten van de voorgestelde CO2-prijs van 216 euro per ton CO2 in 2035 (Kamerstuk 32 140, nr. 251)op onder andere de risico’s op weglek, het concurrentievermogen van de industrie in Nederland en de mogelijkheden voor het investeren in verduurzaming van de industrie?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in 2024 in een tariefstudie berekend hoe hoog het heffingstarief moet zijn om het reductiedoel van de CO2-heffing industrie voldoende te borgen2. De gevolgen van het nationale klimaatbeleid voor weglek en concurrentievermogen laat het kabinet jaarlijks onderzoeken in een Speelveldtoets3. Volgend jaar zullen hierin ook de aangekondigde aanpassingen van de CO2-heffing industrie worden meegenomen. De nieuwe Speelveldtoets moet nog worden aanbesteed waardoor er op dit moment geen uitspraak kan worden gedaan wanneer de resultaten beschikbaar zullen zijn. De uitkomsten van het onderzoek zullen worden meegenomen in de besluitvorming van het voorjaar 2026.
Bent u ermee bekend dat er in de Nederlandse industrie vanuit wordt gegaan dat het verschil tussen de nationale CO2-heffing en de EU Emissions Trading System (EU-ETS) prijs, en daarmee de heffing die de Nederlandse industrie bovenop de EU-ETS moet betalen, op korte termijn tot boven de € 30 per ton CO2 en op de langere naar meer dan 60 euro per ton CO2 zal stijgen? Zo ja, op welke wijze heeft u dit meegewogen bij de besluitvorming omtrent de aanpassing van de CO2-heffing industrie?
De genoemde verwachtingen binnen de industrie aangaande de ontwikkeling van de ETS-prijs zijn niet bekend bij het kabinet. Bij de besluitvorming rondom de CO2-heffing, alsmede de budgettaire ramingen, gaat het kabinet uit van de verwachte EU ETS-prijs zoals volgt uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van PBL. Op basis van de meest recente KEV loopt de ETS-prijs op tot € 108 in 2030 en € 141 in 2035. Dit leidt bij het huidige wettelijke tariefpad tot een effectief tarief van de heffing van ongeveer € 40 in 2030 en € 10 in 2035. Om de prikkel van de CO2-heffing ook op langere termijn in stand te houden wordt in het Belastingplan 2026 een technische variant voor de verhoging van de heffing tussen 2030 en 2035 opgenomen. Hierdoor stijgt het verwachte effectieve tarief naar € 75 in 2035. Het kabinet staat hierbij als gezegd open voor alternatieve maatregelen die de benodigde emissiereductie borgen en gaat hierover komende periode in gesprek met de industrie en andere stakeholders. Het kabinet zal – ter ondersteuning van het gesprek met de industrie en andere stakeholders – het PBL vragen om opties te schetsen van beleidsinstrumentarium, ook rekening houdend met de huidige geopolitieke omstandigheden en Europese beleidscontext en met oog op het einddoel 2050.
Het kabinet verwacht dat de sterke prijsprikkel van de hogere CO2-heffing in combinatie met de beschikbare subsidies en het versnellen van de realisatie van de randvoorwaarden voor verduurzaming, leidt tot additionele emissiereductie. Indien dit tijdig gebeurt, is de impact op de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie beperkt. Een tijdige overstap naar een CO2-vrije industrie kan bovendien op de lange termijn de concurrentiepositie van Nederland versterken en is van belang om competitief te blijven. Het kabinet zet hier met een brede instrumentenmix daarom ook op in.
Welke ontwikkeling van de effectieve nationale heffing (verschil tussen EU-ETS en tarief nationale CO2-heffing) wordt door uw ministerie verwacht richting 2035? Wat betekent dit voor het concurrentievermogen van de Nederlandse industrie en de mogelijkheden om te investeren in verduurzaming?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke mogelijkheden ziet u om, indien schrappen van de nationale CO2-heffing niet haalbaar is, in ieder geval het verschil tussen het tarief van de nationale heffing en EU-ETS prijs, en daarmee de hoogte van de nationale kop, te maximaliseren op een bedrag waarmee het concurrentievermogen en de verduurzaming van de Nederlandse industrie niet negatief worden beïnvloed?
De wijze waarop de nationale CO2-heffing de concurrentiepositie van de industrie aantast is niet uitsluitend afhankelijk van de hoogte van de heffing. Belangrijker is de mate waarin de industrie daadwerkelijk in staat is om tijdig te verduurzamen zodat de heffing niet betaald hoeft te worden. Zoals eerder aangegeven is dit de reden dat het kabinet in het pakket Groene groei inzet op het realiseren van de benodigde randvoorwaarden naast het feit dat er in Nederland veel subsidies beschikbaar zijn om de onrendabele top van de duurzame investeringen te dekken. Daarnaast heeft het kabinet om die reden besloten om het heffingsdoel van de CO2-heffing te verschuiven van 2030 naar 2032, zodat de industrie twee jaar langer de tijd krijgt om zijn emissies tot het afgesproken niveau te reduceren. Ervan uitgaande dat de investeringen in randvoorwaarden die het kabinet nu doet gaan zorgen voor voldoende handelingsperspectief voor bedrijven neemt het kabinet in het Belastingplan 2026 een technische variant op voor de CO2-heffing na 2030 en het verlengen na 2032. Daarbij staat het kabinet open voor alternatieven die in aanvulling op de beschikbare subsidies de benodigde reductie borgen (gelijk aan het heffingsdoel van de CO2-heffing) en klimaatneutraliteit in 2050 in ogenschouw houdt. Dit kunnen ook borgende maatregelen naast de CO2-heffing zijn. Het kabinet gaat hierover in gesprek met de industrie en andere stakeholders. Het is belangrijk dat de impact van de CO2-heffing goed gemonitord wordt ook in relatie tot de ontwikkeling van de randvoorwaarden. Het kabinet zal – ter ondersteuning van het gesprek met de industrie en andere stakeholders – het PBL vragen om opties te schetsen van beleidsinstrumentarium ook rekening houdend met de huidige geopolitieke omstandigheden en Europese beleidscontext en met oog op het einddoel 2050. Het kabinet wil de uitkomsten uiterlijk volgend voorjaar kunnen wegen zodat aanpassingen in het Belastingplan 2027 kunnen worden verwerkt. Bij die weging wordt ook de stand van zaken van de randvoorwaarden betrokken.
Op welke wijze gaat u er met de reductiefactor en de dispensatierechten maximaal voor zorgen dat bedrijven handelingsperspectief blijven houden gezien de vertraagde totstandkoming van de randvoorwaarden die nodig zijn voor verduurzaming van de industrie?
Dit voorjaarspakket bevat twee manieren waarop het kabinet de industrie tegemoet komt. Belangrijkste is dat de randvoorwaarden zo snel mogelijk op orde komen zodat de industrie daadwerkelijk kan verduurzamen. Dit voorjaar heeft het kabinet dan ook verschillende besluiten genomen die gericht zijn op het realiseren van deze voorwaarden zoals het wegnemen van het vollooprisico van het Aramis project en de aanpak rond netcongestie.
Daarnaast wordt het heffingsdoel van 2030 naar 2032 verschoven. Dit leidt ertoe dat bedrijven in 2030, maar ook in de aanloop naar 2030 en in de jaren na 2030, meer dispensatierechten zullen krijgen ten opzichte van het huidige beleid. Dit dempt de kosten voor bedrijven die niet tijdig kunnen verduurzamen.
Kunt u deze vragen voor het debat over het pakket voor Groene Groei van 3 juni 2025 beantwoorden?
Ja.
De groeiende afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Tjebbe van Oostenbruggen (NSC), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Overheidsorganisaties blijven in de Amerikaanse cloud, ondanks zorgen in de Tweede Kamer»1? Bent u tevens bekend met het feit dat de hoofdaanklager van het Internationaal Strafhof onlangs de toegang tot Microsoft-diensten is ontzegd op laste van de Amerikaanse regering?
Ja.
Kunt u bevestigen dat DNB, die BNR met vijftien andere overheidsorganisaties onder de loep heeft genomen2, de overstap naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners niet heroverweegt? Zo ja, kunt u dit besluit onderbouwen?
Het kabinet is het met de indieners eens dat zorgvuldige afwegingen bij cloudmigraties van groot belang zijn. Daarom moeten volgens het huidige beleid al een reeks van aspecten afgewogen worden. Onderdelen van de Rijksdienst zijn verplicht het rijksbreed cloudbeleid 2022 te volgen. Hierin wordt reeds aandacht besteed aan de risico’s rondom marktconcentratie. Zbo’s zijn niet verplicht het rijksbreed cloudbeleid te volgen, maar het wordt hen wel aangeraden. Daarnaast zijn zbo’s verplicht – op basis van de Kaderwet zbo’s – om op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende voorschriften maatregelen te nemen.
De continuïteit van de dienstverlening, nationale veiligheid en publieke waarden zijn daar verdere voorbeelden van. Ook dienen beveiligingsmaatregelen genomen te worden en risicoanalyses geactualiseerd te worden wanneer daar aanleiding toe is. In de herziening van het rijksbreed cloudbeleid wordt tevens aandacht besteed aan het verder beperken van afhankelijkheid van enkele leveranciers, de zogeheten marktconcentratie- en continuïteitsrisico’s.
DNB valt als zbo niet onder het rijksbrede of departementale cloudbeleid. DNB geeft aan dat de risico's verbonden met de clouddiensten in een continu proces worden gemonitord en dat op basis van een integrale risicoafweging passende maatregelen worden genomen. Op basis van de huidige risicoafweging en businesscase ziet DNB voor de korte tot middellange termijn geen noodzaak tot heroverweging. Wel onderzoekt DNB voor hoog-kritische systemen exit/fallbackscenario's en back-up van data.
Welke processen, registers, (mail)communicatiediensten en / of organisatieonderdelen die onder uw verantwoordelijkheid vallen, zijn op dit moment reeds ondergebracht in de cloud van Amerikaanse dienstverleners?
Voor de beantwoording limiteren wij ons tot het gebruik van materieel public cloudgebruik. Materieel public cloudgebruik is gebruik van public clouddiensten ten behoeve van het uitvoeren van de primaire taak van een organisatie. Met andere woorden, voor de organisatie is die (cloud)dienst van wezenlijk belang.
Het Ministerie van Financiën maakt in lijn met het huidige rijksbrede cloudbeleid beperkt gebruik van clouddiensten, waarbij er sprake kan zijn van Amerikaanse aanbieders. Dit ter ondersteuning van de bedrijfsvoeringsprocessen, en in beperkte gevallen als onderdeel van het primaire proces van de uitvoering. Zo maakt de Douane gebruik van Microsoft Azure ter ondersteuning van het keuzeproces binnen het toezicht op grensoverschrijdend goederenverkeer, wat onderdeel is van het primaire proces. Voor alle toepassingen geldt dat risico’s rond afhankelijkheden en gegevensbescherming zorgvuldig worden meegewogen.
Kunt u een overzicht geven van de geplande en voorgenomen migraties naar clouddiensten van Amerikaanse dienstverleners, daar waar het uw departement, DNB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag betreft?
Ten behoeve van de Kamerbrief van 22 november 20243is een uitvraag gedaan bij alle departementen ten behoeve van een overzicht van alle geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland. Het Ministerie van Defensie is daarin buiten beschouwing gelaten omdat zij buiten de scope van het rijksbreed cloudbeleid vallen. Dit neemt niet weg dat Defensie wel gebruik maakt van clouddiensten. De departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de implementatie van het cloudbeleid en daarom is het hun eigen afweging en invulling over wat zij onder (materiële) cloudmigraties verstaan.
Voor dit overzicht verwijst het kabinet naar de Kamerbrief over geplande en voorgenomen cloudmigraties van overheids-ICT naar het buitenland van 22 november jl.
In het Jaarplan 2025 Belastingdienst dat uw Kamer op 11 december 2024 heeft ontvangen4, is aangegeven dat de Belastingdienst voornemens is om in 2025 de kantoorautomatisering naar Microsoft365 te migreren. De implementatie van de migratie is op dit moment nog niet gestart. De applicaties binnen de primaire processen voor de heffing en inning blijven draaien in hun huidige on-premise omgeving, op door de Belastingdienst zelf beheerde servers. De Belastingdienst volgt de recente (geo)politieke ontwikkelingen en doorloopt, in afstemming met CIO Rijk, een zorgvuldig besluitvormingstraject. Zodra er een definitief besluit is genomen, zal uw Kamer hierover worden geïnformeerd.
De Domeinen Roerende Zaken maakt per medio 2024 gebruik van Microsoft365. Deze stap is gezet, nadat de benodigde compliantie op het gebied van informatiebeveiliging en privacy was geborgd.
Na zorgvuldige heroverweging van risico’s, kosten en benefits gaat DNB door met de reeds voorgenomen migraties naar clouddiensten. DNB voorziet op dit moment geen grootschalige nieuwe migraties.
AFM heeft reeds een migratie gepland van Sharepoint naar Sharepoint online. Daarnaast zijn er geen nieuwe migraties gepland.
Kunt u illustreren wat de directe gevolgen zouden zijn voor de continuïteit van de processen, dienstverlening en dataopslag binnen uw departement, DNB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag, wanneer deze de toegang tot Amerikaanse digitale dienstverlening zouden worden ontzegd, zowel op dit moment als na de geplande en voorgenomen migraties? Welke merkbare gevolgen zou dit hebben voor Nederlandse burgers en voor de samenleving? Hoe gaat u ervoor zorgen dat die risico’s worden gemitigeerd?
De Verenigde Staten is en blijft een belangrijke bondgenoot, niet op de laatste plaats voor onze welvaart en veiligheid. Nederland zet zich er daarom voor in dat we als EU blijven samenwerken en optrekken met de VS, maar tegelijkertijd zelf verantwoordelijkheid nemen en ook eensgezind met de EU optrekken waar het onze kernbelangen betreft. Het kabinet is het wel met u eens dat een te grote afhankelijkheid van één of enkele marktpartijen ongewenst is. In de afweging welke data we in eigen beheer dan wel in de public cloud verwerken, moeten strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Dit nemen wij momenteel mee in de herziening van het rijksbreed cloudbeleid, maar ook in de beleidskaders voor digitale autonomie en soevereiniteit van de overheid, en in de IT-sourcingstrategie Rijk. Ook zet het Kabinet zich in voor een verkenning naar een soevereine overheidscloud als alternatief voor public clouddiensten.
Deze voorziening moet de kloof overbruggen voor digitale dienstverlening waarvoor het gebruik van public cloud onwenselijk is, bijvoorbeeld vanwege de gevoeligheid van gegevens of wanneer ongewenste afhankelijkheden vermeden moeten worden.
Afhankelijkheden zijn echter niet te voorkomen en zijn ook niet altijd ongewenst. Het is van belang om op case-by-case basis zorgvuldig afwegingen te maken, om te bepalen waar en op welke wijze risicovolle strategische afhankelijkheden waar nodig voorkomen kunnen worden. Dit speelt op meer gebieden dan alleen cloud.
Het onderwerp «Strategische Autonomie» heeft uitgebreid aandacht van de Rijksoverheid. Onder andere middels de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) en de medio dit jaar verwachte Visie digitale autonomie en soevereiniteit overheid.
Het Ministerie van Financiën neemt, net als andere departementen, diverse ICT-producten en diensten af van verschillende IT-leveranciers, waaronder Amerikaanse. Indien de toegang tot deze diensten wordt ontzegd heeft dit impact op de continuïteit van een aantal processen en dienstverlening. Bij voorgenomen cloudmigraties wordt daarom een exit-strategie opgesteld en een zorgvuldig besluitvormingstraject doorlopen. Elke ICT-oplossing (of deze nu wordt ingekocht of intern ontwikkeld) brengt een zekere mate van afhankelijkheid van leveranciers met zich mee. Ook bij on-premise oplossingen geldt dat bij het wegvallen van bijvoorbeeld Microsoft- of Apple-ondersteuning, cruciale functionaliteit kan uitvallen. Dit onderstreept dat het hier niet alleen een cloudvraagstuk betreft, maar in de kern een licentie- en leveranciersafhankelijkheidsvraagstuk is.
Belastingdienst, Douane en Toeslagen onderzoeken verder hoe samenwerking met de markt kan bijdragen aan een toekomstbestendige IT-inrichting. De domeinarchitectuur fungeert hierbij als richtinggevend kader. Uitgangspunt is het benutten van marktstandaarden, borging van kerncompetenties en heldere verantwoordelijkheidsverdeling. Dit draagt bij aan een wendbare, betrouwbare en toekomstvaste informatievoorziening, passend binnen de eisen en kaders van publieke dienstverlening.
DNB volgt, net als veel andere publieke en financiële instellingen in Europa, de ontwikkelingen over dataopslag in de cloud op de voet en zal beleid indien nodig aanscherpen. DNB onderzoekt binnen het Eurosysteem de mogelijkheden om de afhankelijkheid van Amerikaanse IT-leveranciers te verkleinen en implementeert waar nodig oplossingen om de risico’s te mitigeren.
Ook AFM geeft aan de ontwikkelingen uit de markt en vanuit de Rijksoverheid nauwgezet te volgen. AFM geeft daarnaast aan dat haar cloudprovider eraan werkt om Europa juridisch los te koppelen van Amerikaanse regelgeving. Indien nodig zal AFM haar beleid op basis hiervan aanpassen.
Kunt u onderbouwen wat Amerikaanse wetgeving, zoals de CLOUD Act en de Foreign Intelligence Surveillance Act in het ergste geval betekent voor de vertrouwelijkheid van de data die uw departement, DNB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag hebben opgeslagen in de cloud van Amerikaanse dienstverleners? Wat zou het gevolg zijn voor Nederlandse burgers en de samenleving wanneer al deze data tezamen in handen van een statelijke actor zou belanden?
Diverse landen kennen wet- en regelgeving met extraterritoriale werking die medewerking aan veiligheidsdiensten verplicht, zoals de CLOUD Act in de VS. Dergelijke wet- en regelgeving kan, in bepaalde gevallen mogelijk leiden tot ongewenste toegang tot Nederlandse gegevens wanneer dit conflicteert met regelgeving als de AVG. Op basis van het advies van GreenbergTraurig kan echter geconcludeerd worden dat in het geval van de CLOUD Act het risico klein is.5
Ongeacht de wijze van verkrijging, is het in ieder geval onwenselijk dat alle data tezamen in handen van een statelijke actor kunnen belanden. Om dit te voorkomen kent het huidige Cloudbeleid al diverse regels omtrent de typen data die in de public cloud verwerkt mogen worden. In de herziening van het Cloudbeleid wordt ook hier aandacht aan besteed.
Heeft u migraties naar digitale diensten van Amerikaanse techgiganten stopgezet of heroverwogen naar aanleiding van de aangenomen motie-Kathmann c.s. [Kamerstuk 26 643-1315] die hiertoe oproept?
Bij iedere migratie naar de Public Cloud moet zorgvuldig overwogen worden of de migratie leidt tot risico’s. Er zijn migraties heroverwogen naar aanleiding van onder meer de motie Kathmann. Met bijvoorbeeld als gevolg dat verwerking van data alleen binnen de EER plaatsvindt.
Zie verder vraag 2.
Het Ministerie van Financiën handelt conform rijksbrede kaders en EU-wetgeving. Leveranciers kunnen uitsluitend worden uitgesloten wanneer zij niet voldoen aan het bestek of als er een juridische grondslag is. Banden met de Amerikaanse overheid vormen op zichzelf geen uitsluitingsgrond onder de EU-aanbestedingsregels. Tegelijkertijd is de IT-afhankelijkheid van Amerikaanse bedrijven groot. Onafhankelijkheid op korte termijn is dan ook niet realistisch.
Risico’s kunnen worden beheerst via contractuele afspraken en een goed uitgewerkte exit-strategie. Het onderhouden van werkbare relaties met Amerikaanse leveranciers blijft daarbij essentieel.
Zie verder vraag 2.
Hoe geven uw departement, DNB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag voorts invulling aan de aangenomen motie-Six Dijkstra c.s. [Kamerstuk 6643-1320] die oproept om als doelstelling te hanteren dat de continuïteit van digitale overheidsdienstverlening niet rechtstreeks afhankelijk is van partijen uit de Verenigde Staten?
Het Ministerie van Financiën onderschrijft het belang van continuïteit en weerbaarheid in de digitale dienstverlening. Er wordt daarom, op basis van risicoafwegingen, rekening gehouden met het effect op de continuïteit door eventuele strategische afhankelijkheid van leveranciers ongeacht het land waar de leverancier is gevestigd. Zoals geschetst in de Kamerbrief over uitvoering ontraden aangenomen moties debat migraties overheids-ICT naar het buitenland van 7 april jl., vereist digitale soevereiniteit een evenwichtige benadering waarbij samenwerking met strategische partners wordt gecombineerd met het versterken van de Europese en nationale regie over digitale infrastructuur. Het Ministerie van Financiën erkent daarnaast het belang van de ontwikkeling van een soevereine overheidscloud als onderdeel van een breder pakket aan maatregelen binnen het huidige rijkscloudbeleid en de IT-sourcingstrategie Rijk.
DNB en AFM hebben cloudbeleid opgesteld met eisen waar de systemen die worden gebruikt aan moeten voldoen, onder meer op het gebied van privacy en informatiebeveiliging, certificering en geldende Europese en Nederlandse wet- en regelgeving. Zo is er isolatie van gegevens en gegevensverwerking, en moeten de gegevens binnen de EER gehost zijn.
Kunt u toezeggen dat de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten binnen uw departement, DNB en andere overheidsorganisaties onder uw gezag niet verder zal toenemen en dat het bevorderen van de strategische autonomie van Nederland en/of Europa het uitgangspunt is bij elk besluit omtrent digitale diensten dat onder uw gezag wordt genomen?
Zie vraag 5.
Kunt u de AFM, als onafhankelijke autoriteit, vragen of zij bereid is om zelfstandig te reageren op vragen 2, 4, 5, 6, 8 en 9?
Ik, de Minister van Financiën, heb de AFM geraadpleegd voor de beantwoording van de aan haar gerichte vragen. Hetzelfde geldt voor de vragen gericht aan DNB.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden vóór het notaoverleg over de initiatiefnota «Wolken aan de horizon» [Kamerstuk 36 574] van 2 juni 2025?
De verzending heeft zo spoedig mogelijk plaatsgevonden.
Het bericht 'Pensioenfonds PME doet honderden bedrijven in de ban' |
|
Edgar Mulder (PVV) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het bericht «Pensioenfonds PME doet honderden bedrijven in de ban»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat pensioenfondsen, waaronder PME en ABP, hun beleggingen steeds meer laten bepalen door ideologische motieven, zoals diversiteit, bestuur en klimaat, in plaats van financieel rendement voor hun deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Die zorgen deel ik niet. Een pensioenfonds belegt in het belang van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden en stelt daartoe het beleggingsbeleid op waarbij financieel rendement en maatschappelijke belangen worden gewogen. Daarom worden wettelijke eisen gesteld aan de beleggingen van pensioenfondsen. Het hiervoor bestaande wettelijk kader laat hierover geen misverstand ontstaan. Dit wordt ook geborgd door het toezicht van DNB.
Hoe verhoudt het handelen van PME zich tot de breed aangenomen motie-Aartsen, waarin is uitgesproken dat pensioenfondsen zich moeten richten op risico en rendement in plaats van politieke of morele afwegingen? Waarom wordt er nog steeds geen werk gemaakt van het tegengaan van ideologische uitsluitingscriteria bij pensioenfondsen?2
Naar aanleiding van de motie Aartsen heb ik het toezichtkader bezien en geconstateerd dat de wet- en regelgeving waar het strategisch beleggingsbeleid van pensioenfondsen aan moet voldoen, er voor zorgt dat pensioenfondsen een financieel gezond en koopkrachtig pensioen nastreven voor hun deelnemers. Ik heb dan ook geen aanleiding gezien om het toezichtskader aan te scherpen. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd in de Verzamelbrief Pensioenonderwerpen najaar 2024.
Wat vindt u van de uitspraak van de directeur van PME dat de VS «geen vriend meer is» en zich zou ontwikkelen tot een autocratie? Acht u zulke uitspraken gepast van iemand die verantwoordelijk is voor miljarden aan pensioengeld van Nederlandse burgers?
De aangehaalde uitspraken van de pensioenfondsbestuurder zijn voor zijn eigen verantwoordelijkheid. Ik heb geen reden om daar een oordeel over te geven.
Het rondetafelgesprek Moslimdiscriminatie |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Klopt de uitspraak van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme dat «moslimdiscriminatie in Nederland ons miljarden kost», zoals door hem beweerd tijdens het rondetafelgesprek Moslimdiscriminatie dat op 22 mei 2025 in de Kamer plaatsvond? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?1
Met betrekking tot de beantwoording van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) op de vraag over de kosten van discriminatie in Nederland heeft hij in zijn beantwoording tijdens het rondetafelgesprek het gehad over discriminatie en racisme in algemene zin, niet specifiek over moslimdiscriminatie. De NCDR pleit voor een onderzoek naar wat discriminatie de samenleving kost, omdat er op dit moment weinig bekend is over de maatschappelijke kosten van discriminatie en racisme in Nederland. Op basis van onder andere een onderzoek uit de VS over de economische kosten van racisme – waaruit blijkt dat discriminatie Amerika 16 biljoen dollar heeft gekost in de afgelopen 20 jaar – kan de aanname bestaan dat discriminatie en racisme de Nederlandse samenleving ook veel geld kost.
De verjaring van kindermisbruik op de BES-eilanden |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Struycken , Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat ernstige zedendelicten tegen minderjarigen op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) nog steeds kunnen verjaren, in tegenstelling tot dezelfde delicten in Europees Nederland?
Ja.
Klopt het dat in Europees Nederland sinds 2013 geen verjaringstermijn meer geldt voor ernstige zedenmisdrijven tegen minderjarigen, juist om slachtoffers de ruimte te geven op hun eigen tempo aangifte te doen?
Ja, sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring op 1 april 2013 is geregeld dat misdrijven met een strafmaximum van twaalf jaar of meer niet meer verjaren (artikel 70, tweede lid, onderdeel 1°, Sr).1 In aanvulling op deze hoofdregel is de vervolgingsverjaring ook opgeheven ten aanzien van een aantal specifieke seksuele misdrijven gepleegd tegen minderjarigen waarop gevangenisstraf van minder dan twaalf jaren is gesteld (artikel 70, tweede lid, onderdeel 2°, Sr). Het ging destijds om ernstige misdrijven waarop een maximale gevangenisstraf van acht jaar of meer was gesteld. De achtergrond voor deze bijzondere verjaringsregeling voor ernstige seksuele misdrijven gepleegd tegen minderjarigen was inderdaad dat er soms ruime tijd voorbij gaat voordat slachtoffers naar buiten treden met hun verhaal.2
In de Wet seksuele misdrijven die op 1 juli 2024 in werking is getreden, is de verjaringsregeling voor seksuele misdrijven tegen kinderen verder aangescherpt. De ondergrens voor het niet verjaren van seksuele misdrijven gepleegd tegen kinderen is verlaagd naar misdrijven waarop een maximale gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Hierdoor verjaart het recht tot strafvordering voor onder andere het delict kinderpornografie (artikel 252 Sr) niet meer.3
Kunt u bevestigen dat op de BES-eilanden voor ernstige zedendelicten tegen kinderen – zoals verkrachting – nog een verjaringstermijn van twaalf jaar geldt? Zo ja, waarom is deze ongelijke behandeling nog steeds van kracht?
Ja. Op basis van artikel 72, onderdeel 3°, van het Wetboek van Strafrecht BES vervalt het recht tot strafvordering door verjaring in twaalf jaren voor alle misdrijven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. Ernstige seksuele misdrijven begaan tegen kinderen, zoals verkrachting (artikelen 250 en 251 Sr BES), vallen onder deze categorie.
Ten tijde van de staatkundige veranderingen van 10 oktober 2010, waarbij de Nederlandse Antillen werden ontbonden en Bonaire, Sint Eustatius en Saba als openbare lichamen van Nederland werden opgenomen, is afgesproken in eerste instantie terughoudend te zijn bij het invoeren van nieuwe wetgeving in Caribisch Nederland. Dit uitgangspunt was bedoeld om – mede gelet op het beperkte absorptievernogen van de eilanden – een periode van rust en gewenning te bieden aan burgers en bestuurders van deze openbare lichamen.
De Wet aanpassing regeling vervolgingsverjaring dateert uit de periode van legislatieve terughoudendheid. Ook de Wet seksuele misdrijven is in deze periode voorbereid. Voor beide wetsvoorstellen geldt dan ook dat destijds niet is onderzocht in hoeverre de aanpassing van het Wetboek van Strafrecht BES aangewezen was. Sinds 2019 is uitgangspunt van het kabinetsbeleid dat bij nieuwe wetgeving en aanpassing van bestaande wet- en regelgeving steeds moet worden bezien of en hoe deze wetgeving van toepassing kan worden verklaard in Caribisch Nederland én of differentiatie nodig en wenselijk is.4
Sinds enkele jaren werkt het kabinet, samen met de openbare lichamen en in lijn met de motie-Ceder,5 toe naar aanvaarding van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) voor Caribisch Nederland.6
Dit verdrag stelt eisen aan de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het trad voor Europees Nederland op 1 maart 2016 in werking, maar geldt nog niet voor Caribisch Nederland.7 Om te voldoen aan de verplichtingen van het Verdrag van Istanbul moeten er nog een aantal stappen gezet worden.
Belangrijk onderdeel daarvan is dat in kaart wordt gebracht welke bredere (beleids)maatregelen en aanvullende uitvoeringswetgeving nodig zijn voor de aanvaarding van het Verdrag van Istanbul voor Caribisch Nederland en of er dekking is voor de verwachte financiële consequenties. In dat kader wordt bezien welke wijzigingen nodig zijn om uitvoering te geven aan de verdragsverplichtingen in het Wetboek van Strafrecht BES, onder andere op het gebied van seksuele misdrijven. Het Verdrag van Istanbul verplicht onder andere tot het strafbaar stellen van het opzettelijk verrichten van seksuele handelingen zonder wederzijds goedvinden (artikel 36 van het verdrag). Daarbij wordt ook gekeken naar de verjaringstermijn voor seksuele misdrijven gepleegd tegen minderjarigen. Parallel hieraan wordt bezien in hoeverre de vormgeving en de inhoud van de overige bepalingen in Boek II Titel XIV van Misdrijven tegen de zeden in het Wetboek van Strafrecht BES modernisering behoeven. De inhoudelijke en systematische samenhang tussen de bepalingen in de titel is zodanig dat modernisering van de wetgeving op integrale wijze dient plaats te vinden. Het kabinet verwacht het Verdrag van Istanbul voor Caribisch Nederland op zijn vroegst in 2027 te kunnen aanvaarden, mede afhankelijk van de voortgang van het benodigde beleids- en wetgevingstraject.
Deelt u de opvatting dat kinderrechten universeel zijn en niet afhankelijk zouden mogen zijn van geografische locatie binnen het Koninkrijk? Zo ja, hoe beoordeelt u de rechtsongelijkheid die door deze verjaringstermijn ontstaat?
Kinderrechten zijn universeel, zoals vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) van de Verenigde Naties.8 Het kabinet vindt het belangrijk dat aan kinderen voldoende bescherming wordt geboden. Minderjarigen die slachtoffer worden van een ernstig seksueel misdrijf moeten daarom de tijd krijgen om naar buiten te treden met hun verhaal. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangekondigd zal bij het in kaart brengen van de wijzigingen die nodig zijn in het Wetboek van Strafrecht BES om uitvoering te geven aan het Verdrag van Istanbul, ook worden gekeken naar de verjaringstermijn voor seksuele misdrijven gepleegd tegen minderjarigen.
Bent u bereid om op korte termijn werk te maken van het gelijktrekken van de verjaringsregels op de BES-eilanden met die van Europees Nederland, zodat ook daar ernstige zedendelicten tegen minderjarigen niet meer kunnen verjaren?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Beoogd wordt om het Verdrag van Istanbul ook te aanvaarden voor de BES-eilanden en in dat kader de wetgeving op het gebied van seksuele misdrijven aan te passen. Daaraan wordt de komende jaren gewerkt. Bezien wordt of een aanpassing van de verjaringstermijnen zo snel mogelijk kan worden verwezenlijkt, door deze op te nemen in het verzamelwetsvoorstel Justitie voor de BES dat op dit moment wordt voorbereid. Of de aanpassing hierin kan worden meegenomen is mede afhankelijk van de uitvoeringsconsequenties die een dergelijke wetswijziging met zich zou brengen. Deze worden op dit moment in kaart gebracht.
Is er momenteel al een wetswijziging in voorbereiding of in overweging om dit verschil op te heffen? Zo nee, bent u bereid om deze wetswijziging spoedig te initiëren, desnoods via een spoedprocedure? Op welke termijn kan dit naar de Kamer worden gestuurd?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe waarborgt u dat slachtoffers van seksueel geweld op de BES-eilanden toegang hebben tot passende juridische, medische en psychosociale hulp – ook als zij pas jaren na het delict naar buiten treden?
Bij het bieden van passende hulp en ondersteuning aan slachtoffers van seksueel geweld in Caribisch Nederland, speelt Bureau Slachtofferhulp, dat onderdeel uitmaakt van het Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN), een belangrijke rol.
Slachtoffers van seksueel misbruik kunnen altijd contact opnemen met het bureau, ook als het misbruik lang geleden heeft plaatsgevonden. Slachtoffers kunnen ook door de politiemensen werkzaam bij het Bureau Jeugd en Zeden Zaken worden doorverwezen naar Bureau Slachtofferhulp, als het slachtoffer dit wenst. Bij Bureau Slachtofferhulp wordt kortdurende hulpverlening (voor een periode van 2 maanden) verleend. Wanneer het slachtoffer een langdurige behandeling (bijvoorbeeld trauma therapie) nodig heeft, kan het slachtoffer via de huisarts naar specialistische psychologische hulp worden doorverwezen.
Ook kunnen slachtoffers van seksueel misbruik bij Bureau Slachtofferhulp KPCN de nodige ondersteuning krijgen om een aanvraag in te dienen bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Dit geldt voor misdrijven gepleegd in Caribisch Nederland op of na 1 januari 2017 (inclusief misdrijven die vóór 1 januari 2017 zijn begonnen maar op die datum nog voortduren). Een aanvraag moet worden ingediend binnen tien jaar na de dag waarop het geweldsmisdrijf is gepleegd, tenzij de aanvrager een geldige reden heeft voor het feit dat hij/zij de aanvraag niet eerder indiende. In het geval van minderjarige slachtoffers begint de termijn te lopen op het moment dat het slachtoffer meerderjarig is geworden.9
In het geval dat een zaak voor de rechter komt, en als het slachtoffer zich wil gaan voegen als benadeelde partij in het strafproces, biedt Bureau Slachtofferhulp ook de nodige juridische ondersteuning aan het slachtoffer.
Het bericht ‘Medewerkers ambassade Israël gedood in VS, verdachte schreeuwde over Palestina’ |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Medewerkers ambassade Israël gedood in VS, verdachte schreeuwde over Palestina»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u momenteel de veiligheid van medewerkers van Israëlische diplomatieke posten?
Vanwege veiligheidsredenen spreek ik in het openbaar nooit over de veiligheid van individuele gevallen. Wel kan ik u verzekeren dat de veiligheid van diplomatieke missies in Nederland inclusief personeel, waaronder die van Israël, onze voortdurende aandacht heeft. De recente gebeurtenissen in de Verenigde Staten onderstrepen de noodzaak voor alertheid. Indien er sprake is van een verhoogde dreiging of risico ten opzichte van hun veiligheid, worden passende maatregelen getroffen.
Hoe beoordeelt u momenteel de veiligheid van Joodse instellingen in Nederland, alsmede het personeel daarvan?
De veiligheid van Joodse en Israëlische instellingen en hun personeel in Nederland heeft de aandacht van het kabinet en de lokaal bevoegde gezagen. Nederland staat voor een open en inclusieve samenleving, waarin Joodse burgers hun identiteit en religie in alle vrijheid kunnen beleven, zonder angst of belemmering. De ontwikkelingen in de wereld worden nauwgezet gevolgd, mede vanwege de mogelijke impact op de veiligheidssituatie in Nederland. Zowel lokaal als landelijk is er daarnaast intensief contact met vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap.
Wat doet Nederland om hun veiligheid te garanderen?
Op 24 november 2024 heeft het kabinet uw Kamer de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 gestuurd. Hierin is een veiligheidsfonds opgenomen voor de financiële ondersteuning van Joodse scholen, instellingen en evenementen. Waar nodig worden door het lokaal bevoegd gezag, bovenop de maatregelen die Joodse en Israëlische instellingen zelf nemen, veiligheidsmaatregelen getroffen. Dit gebeurt zowel zichtbaar als onzichtbaar met als doel om de veiligheid van Joodse en Israëlische instellingen en hun medewerkers en bezoekers te waarborgen. Deze maatregelen worden genomen op basis van actuele dreigingsinschattingen, waarbij volledige uitsluiting van risico’s niet gegarandeerd kan worden. Het is schrijnend dat deze maatregelen in Nederland nodig zijn, maar we zullen deze inspanningen onverminderd blijven voortzetten zolang de situatie daarom vraagt.
Zijn of worden er naar aanleiding van deze aanval in de Verenigde Staten extra veiligheidsmaatregelen getroffen bij Israëlische instellingen in Nederland, zoals ambassades, of bij Joodse instellingen als synagogen of Joodse scholen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven spreek ik in het openbaar nooit over de veiligheid van individuele gevallen. Ten aanzien van Joodse en Israëlische instellingen en objecten vindt al langere tijd een afweging plaats of en zo ja welke, additionele veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. De benodigde maatregelen worden getroffen waar dat nodig wordt geacht op basis van actuele dreigingsinformatie.
Hoe beoordeelt u de dreiging van antisemitisme en specifiek antisemitisch geweld in Nederland in het licht van deze aanval in de Verenigde Staten? Verwacht u dat door dergelijke gebeurtenissen deze dreiging in Nederland zal toenemen?
De aanslag in Washington D.C. past binnen het beeld van reeds bestaande verhoogde dreiging tegen Joodse en Israëlische doelwitten in Nederland. Antisemitisme speelt een rol in de ideologie van verschillende extremistische stromingen, met name het jihadisme en rechts-extremisme. Terroristen kunnen Joodse en Israëlische doelwitten kiezen omdat deze door de Gaza-oorlog grote symbolische waarde hebben, media-aandacht creëren en grote maatschappelijke impact hebben. Zoals in het Jaarverslag 2024 van de AIVD vermeld, is daarnaast het maatschappelijke debat in Nederland over Israël en de Palestijnse gebieden sinds 7 oktober 2023, en zeker in 2024, ernstig gepolariseerd. Voor sommige gekende extremistische bewegingen is de Gaza-oorlog een potentiële katalysator. Maar boosheid over het conflict heeft bij hen vooralsnog niet tot (meer) extremistische activiteiten geleid.
In welke mate ziet u in Nederland het fenomeen dat Israëli en/of Joodse mensen in Nederland verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van de staat Israël? Is hier sprake van een toename?
Op basis van de gegevens waarover ik beschik, is het voor zover mij bekend niet mogelijk in algemene zin vast te stellen of, en zo ja in welke mate Israëli en/of Joden in Nederland verantwoordelijk worden gehouden voor het handelen van de staat Israël. Wel zijn er bij de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding signalen bekend dat Joden in Nederland door sommigen in verband worden gebracht met het handelen van de staat Israël. Zo worden Joden op straat uitgescholden voor kindermoordenaars, worden herdenkingsplekken beklad met leuzen die verwijzen naar het conflict in het Midden-Oosten en worden Joden op de werkvloer of elders gedwongen zich uit te spreken over de situatie in het Midden-Oosten.
Ziet u aanleiding om de huidige aanpak van antisemitisme naar aanleiding van deze gebeurtenis aan te scherpen?
Op 24 november 2024 heeft het kabinet uw Kamer de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030 gestuurd. Met dit meerjarige plan wordt de aanpak van antisemitisme geïntensiveerd, waarbij het kabinet ieder jaar opnieuw zal kijken of en waar aanvullende maatregelen nodig zijn. In de strategie staan de maatregelen van de huidige aanpak opgesomd. Deels gaat het om bestaande maatregelen en deels over nieuwe initiatieven zoals een veiligheidsfonds voor Joodse instellingen scholen en evenementen en de instelling van de Taskforce Antisemitismebestrijding. Daarnaast voorziet de strategie in regelmatig overleg met betrokken organisaties zodat signalen over antisemitisme of de behoefte aan intensivering van de huidige aanpak ons snel bereiken. Binnenkort ontvangt u over de strategie een voortgangsbrief.
Wilt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ik heb deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Het bericht ‘Troops fire warning shots in air as foreign diplomats tour West Bank’s Jenin, footage shows; no comment from IDF’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht‘Troops fire warning shots in air as foreign diplomats tour West Bank’s Jenin, footage shows; no comment from IDF»?1
Ja.
Klopt het dat er minimaal vijf geweerschoten zijn geweest in de richting van een internationale delegatie van diplomaten die een rondleiding kregen in Jenin? Zo ja, bent u het eens dat dit roekeloos, ondiplomatiek en, bovenal, levensgevaarlijk was?
Ja, het klopt dat er meerdere schoten zijn gelost vlakbij een diplomatieke delegatie. Het kabinet veroordeelt het schietincident. Diplomaten moeten hun werk veilig en ongehinderd kunnen uitvoeren. Een gevaarlijke situatie voor hen creëren is onaanvaardbaar.
Waren er ook Nederlanders aanwezig bij de internationale delegatie? Heeft u contact met hen? Hebben zij de locatie in veiligheid kunnen verlaten?
Ja, er was één Nederlandse diplomate en een lokaal geworven Palestijnse medewerker van de Nederlandse Vertegenwoordiging in Ramallah aanwezig. Direct na het schietincident heb ik contact opgenomen met de Nederlandse Vertegenwoordiging om te vernemen of zij veilig waren. Zij hadden de locatie veilig kunnen verlaten.
Klopt het dat de delegatie van tevoren had aangegeven dat ze Jenin zou bezoeken en dat de Israëlische soldaten hiervan op de hoogte waren en dit hadden geaccordeerd?
Het betrof een officieel bezoek aan Jenin dat was georganiseerd door de Palestijnse Autoriteit en dat bekend was bij het Israëlische leger.
Veroordeelt u dat, zoals op videobeelden is te zien, de Israëlische soldaten hun geweren op de delegatie van diplomaten richten die op grote afstand staan en geen enkele bedreiging vormen?
Het kabinet veroordeelt het schietincident.
Hoe beoordeelt u dit in het bijzonder in het kader van de beschermde status van diplomaten in het internationaal recht? Hoe zwaar weegt u dit in relatie tot de gebeurtenissen in Jenin?
Op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer dient Israël de onschendbaarheid van bij de Israëlische autoriteiten aangemelde diplomaten te respecteren en maatregelen te nemen om te verhinderen dat zij in gevaar worden gebracht. Israël heeft dat in dit geval nagelaten door een gevaarlijke situatie te creëren voor deze diplomaten.
Veroordeelt u bovendien dat er niet eerst op een andere manier is gewaarschuwd (zoals door middel van een oproep in een megafoon)?
Zie vraag 1 en 5. Nederland veroordeelt het schietincident.
Heeft u al geëist dat er onafhankelijk internationaal onderzoek komt of neemt u er genoegen mee dat het Israëlische leger zelf onderzoek doet?
Het is allereerst aan Israël om onderzoek te doen naar het incident en de uitkomsten te delen van de internationale gemeenschap.
Bent u direct na dit bericht verhaal gaan halen bij de regering in Israël?
Ik heb het incident direct publiekelijk veroordeeld en Israël om opheldering gevraagd. De Nederlandse ambassadeur in Israël heeft mondeling en schriftelijk middels Note Verbale om opheldering gevraagd bij het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken en verzocht om schriftelijke informatie over de uitkomsten van het Israëlische onderzoek, hetgeen door Israël is toegezegd.
Heeft u de Israëlische ambassadeur ontboden?
Nee, de Israëlische ambassadeur is niet ontboden.
Gaat u sanctioneren of blijft het weer bij het uitspreken van uw afkeur en zorgen?
Zie het antwoord op vraag 2. Het kabinet heeft het incident veroordeeld, wacht het onderzoek af en overweegt verdere stappen.
Het bericht ‘IMF maakt in analyse gehakt van Nederland koopkrachtfetisjisme’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de conclusie van het IMF dat het Haagse beleid een draai moet maken van koopkracht naar investeringen, zoals beschreven in het FD?1
Het demissionaire kabinet onderschrijft het belang van structurele investeringen in de Nederlandse economie. Zoals ook in de Miljoenennota 2025 is aangegeven, is structurele economische groei essentieel voor welvaart en houdbare overheidsfinanciën. Daarnaast zal het demissionaire kabinet in augustus stilstaan bij de koopkrachtontwikkeling van de verschillende groepen en een integrale afweging maken of en op welke manier het nemen van beleidsmaatregelen nodig is. Het is daarbij ook aan een volgend kabinet om verdere keuzes te maken in het vinden van een verstandig evenwicht tussen beide, met het oog op zowel korte- als langetermijnbelangen.
Ziet u ook de dreiging van structureel lagere economische groei zonder zo’n draai? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse economie heeft zich de afgelopen jaren veerkrachtig ontwikkeld. Ondanks internationale onzekerheden en een krappe arbeidsmarkt is er sprake geweest van stabiele en aanhoudende groei. Ook voor de komende jaren voorziet het Centraal Planbureau (CPB) een gematigd groeipad. Tegelijkertijd vragen de vergrijzing op de langere termijn en de dalende productiviteitsgroei wel om gerichte keuzes om het verdienvermogen van Nederland op peil te houden. Ook de geopolitieke onzekerheden kunnen economische schade veroorzaken.
Het demissionaire kabinet heeft zich actief ingezet voor het versterken van het groeivermogen op de lange termijn. Een belangrijk onderdeel daarvan is het op orde brengen van de overheidsfinanciën. Daarmee wordt niet alleen rust gecreëerd in het begrotingsbeleid, maar ook ruimte behouden om gericht te kunnen investeren. Tegelijk zet het demissionaire kabinet zich binnen de Europese Unie in het wegnemen van barrières op de Europese interne markt, verdere verdieping van de kapitaalmarktunie, om zo randvoorwaarden en toegang tot financiering en durfkapitaal voor innovatieve en snelgroeiende bedrijven te verbeteren die van belang zijn voor de productiviteitsgroei.
Hoe kijkt u naar de conclusie dat de Nederlandse economie op volle capaciteit draait, waardoor bottlenecks zoals de krappe arbeidsmarkt, het stikstofdossier en achterblijvende stroomvoorzieningen beginnen te knellen?
Het klopt dat de Nederlandse economie momenteel op of nabij volledige capaciteit draait. Dat is in veel opzichten een gunstige situatie, maar het brengt ook uitdagingen met zich mee, zoals druk op de arbeidsmarkt, inflatie, fysieke ruimte en het energiesysteem. Ook de onderuitputting van begrotingsmiddelen van de afgelopen jaren – die voornamelijk plaatsvond op investeringsmiddelen – toont dat de overheid en markt qua uitvoeringskracht aan hun grenzen zitten. Het demissionaire kabinet heeft de afgelopen periode daarom stappen gezet om de begroting realistisch te maken. Ook heeft het demissionaire kabinet zich ingezet voor begrotingsdiscipline. Dat draagt bij aan het vertrouwen in het beleid en voorkomt dat toekomstige generatie worden opgezadeld met de rekening.
Ziet u daarom ook de noodzaak tot hogere investeringen in onderwijs, infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling, die de economie op termijn meer lucht geven en dus reële groei mogelijk maken?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u eveneens de noodzaak van investeringen in economische groei om op lange termijn de overheidsfinanciën te versterken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u een opsomming geven van wat het kabinet op dit vlak momenteel aan langetermijnbeleid voert of voorbereidt, en daarbij een concrete planning meesturen?
Het overzicht en de planning van het langetermijnbeleid van dit demissionaire kabinet is terug te vinden in het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma, de financiële vertaling daarvan in de Miljoenennota 2025 en de Voorjaarsnota 2026. Het is aan een volgend kabinet om nieuwe plannen te maken voor de lange termijn.
Bent u bereid meer langetermijnbeleid te gaan ontwikkelen, dat aansluit op de scherpe economische analyses die u in de Miljoenennota 2025 (tevens startnota van het kabinet) heeft opgenomen?
Het demissionaire kabinet heeft reeds een toekomstgericht langetermijnbeleid gevoerd, zoals ook terugkomt in de Miljoenennota 2025. Dit beleid richt zich onder andere op het op orde brengen van de overheidsfinanciën, het verbeteren van de arbeidsmarkt en meer ruimte te geven aan ondernemerschap. Dit biedt een solide basis om de economische uitdagingen van nu en de toekomst aan te pakken.
Is volgens u als econoom, een koopkrachtgericht begrotingsbeleid nog steeds nodig, en hoe beziet u vanuit een economisch langetermijnperspectief de kortetermijnmaatregelen, zoals huurbevriezing, besparingen op R&D en verlenging van de lagere brandstofaccijns, die hieraan volgens het IMF tegengesteld zijn?
Het demissionaire kabinet heeft, net als voorgaande kabinetten, ingezet op trendmatig begrotingsbeleid, waarbij aan het begin van de kabinetsperiode duidelijke afspraken worden gemaakt wat in een jaar mag worden uitgegeven (het uitgavenkader) en hoe hoog de beleidsmatige aanpassing van de belastingen mag zijn (het inkomstenkader). Daarbij weegt het kabinet verschillende keuzemogelijkheden zorgvuldig tegen elkaar af, waaronder de investeringsbehoeften en de noodzaak voor koopkrachtmaatregelen.
Erkent u ook de door het IMF geschetste context van ondermijning van het investeringsklimaat door dalend ondernemersvertrouwen en de door de VS ontketende handelsoorlog, en bent u het met het IMF eens dat deze tijd vraagt om consistente overheidsmaatregelen die het vertrouwen versterken?
De internationale onzekerheid vereist dat we intern stabiliteit en voorspelbaarheid bieden. Consistent beleid – op onder meer belastingen, energie, regelgeving en arbeidsmarkt – is essentieel voor het behoud van investeringsvertrouwen.
Wanneer komt u met de uitwerking van de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over in kaart brengen welke investeringen het grootste hefboomeffect kunnen hebben op de Nederlandse economische groei en productiviteit?2
Tijdens het debat over de Najaarsnota in 2024 heb ik toegezegd deze motie zo te interpreteren dat publieke investeringen worden betrokken bij de Miljoenennota 2026 in de bredere context van de productiviteit en economische groei.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het debat over de Voorjaarsnota?
Ja.
Het onderzoek ‘Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij’ |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente onderzoek van Wageningen University and Research (WUR) «Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van recente onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat er geen bewijs is dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij?
Ja.
Bent u tevens bekend met een ouder onderzoek van de WUR «Dosis-responsrelatie tussen garnalenvisserij en de macrobenthische faunagemeenschap in de kustzone en de Waddenzee»?2
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat dit eerdere onderzoek zwaar heeft meegewogen in het besluit tot vergunningverlening aan Belgische garnalenvissers op grond van de Wet natuurbescherming en dat deze vergunning door de rechtbank is vernietigd, aangezien de rechtbank oordeelde dat onvoldoende is gemotiveerd dat er géén sprake zou zijn van significante negatieve effecten?
Daar ben ik van op de hoogte.
Ook mijn ambtsvoorganger bestreed het oordeel van de rechtbank en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het oordeel van de rechtbank is door de hogere rechter vernietigd. Dat deed zij niet op inhoudelijke gronden, maar vanwege een procedureel aspect. De vernietiging betekent wel dat het eerdere inhoudelijke oordeel van de rechtbank ook is komen te vervallen. Dat betekent dat er geen specifiek rechterlijk oordeel meer is over een mogelijk verband tussen de garnalenvisserij en een verhoogde aanwezigheid van ensisbestanden (die als hypothese overige soorten zouden kunnen verdringen en het bodemprofiel zouden kunnen veranderen).
Erkent u dat deze uitspraak aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor zowel Belgische als Nederlandse garnalenvissers en invloed heeft gehad op lopende Wet natuurbescherming trajecten?
Ik ben me ervan bewust dat de uitspraak veel teweeg heeft gebracht onder vissers en voor gevoelens van onzekerheid heeft gezorgd.
Dat het onderzoek genuanceerd moest worden, is eerder al in de nieuwe Passende Beoordeling die ik aan mijn aanstaande vergunningverlening ten grondslag leg, geconcludeerd. De nuance ligt in de technische onderzoeksopzet. De recente publicatie van Van der Meer et al.is daarmee in lijn en dus volgend op die bevindingen. In die zin heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank waarin de natuurvergunning van de Belgische garnalenvissers werd vernietigd, dus geen inhoudelijke invloed gehad op de lopende Wet natuurbescherming trajecten.
Ik vind betrouwbaarheid vanuit de overheid en toekomstperspectief voor onze vissers van groot belang. Daarom heb ik sinds het verlopen van de natuurvergunningen, onder strenge voorwaarden, de garnalenvisserij gedoogd. Men kon dus wel doorvissen, maar deze uitspraak heeft wel tot onrust en onzekerheid binnen deze sector geleid. Dat betreur ik.
Erkent u dat de conclusies van het nieuwe onderzoek «Geen bewijs dat de Atlantische zwaardschede (Ensis leei) profiteert van de garnalenvisserij» de hypothese uit het oudere onderzoek over de dosis-responsrelatie niet ondersteunen?
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van het voorzorgsbeginsel, de juridische houdbaarheid van eerdere visserijbeperkingen als blijkt dat cruciale aannames over negatieve ecologische effecten niet wetenschappelijk onderbouwd zijn?
Bent u bereid om, op basis van dit nieuwe onderzoek, bestaande of voorgenomen maatregelen ten aanzien van de garnalenvisserij te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om Belgische garnalenvissers opnieuw een vergunning te verlenen, nu dit nieuwe onderzoek beschikbaar is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb reeds, met het medio maart van dit jaar laten publiceren van de ontwerpvergunningen voor de Belgische garnalenvissers, aangegeven deze groep van vissers opnieuw een vergunning te willen verlenen.
Wordt dit nieuwe rapport gedeeld met relevante adviesorganen, zoals de Commissie voor de milieueffectrapportage of ecologische adviesgroepen binnen het Natura 2000-beheer?
Ik zal dit nieuwe rapport bij Rijkswaterstaat (als beheerder van diverse mariene Natura 2000-gebieden) onder de aandacht brengen. Waar aan de orde zal ik, voor zover de Commissie voor de milieueffectrapportage nog niet hiermee bekend is, haar hierop in relevante dossiers tevens attenderen.
Gedupeerde Groningers die nog wachten op compensatie voor de eigen gemaakte kosten bij de versterking |
|
Sandra Beckerman , Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Erkent u dat het treurig is dat, bijna twee jaar nadat de Tweede Kamer de motie-Beckerman/Nijboer heeft aangenomen, die tot doel had om alle gedupeerden die eigen geld hadden moeten investeren in de versterking schadeloos te stellen, gedupeerden nog steeds wachten of worden afgewezen om onterechte redenen?1 2
Bewoners die kosten gemaakt hebben voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen, of kosten die daar direct uit voortkomen, moeten die kosten vergoed krijgen. Dit duurt lang, maar er worden goede stappen gezet. NCG heeft naar aanleiding van de moties-Beckerman/Nijboer3 4 een meldpunt ingericht waar bewoners zich kunnen melden en analyseert deze meldingen, waar nodig met gemeenten. Als blijkt dat er kosten zijn gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen, vind ik het belangrijk dat deze alsnog worden vergoed. Echter, in sommige gevallen is vastgesteld dat bewoners volgens de bestaande kaders hebben gekregen waar ze recht op hadden. Daarom zullen zij geen vergoeding krijgen. Van de totaal 217 binnengekomen meldingen, hebben 166 bewoners een voorgenomen of definitief besluit ontvangen op hun melding. Er zijn nog 51 bewoners die in afwachting zijn van een besluit op hun melding, waarvan er 42 voor 1 juli 2025 een voorgenomen besluit ontvangen. Voor de overige 9 bewoners geldt dat ik me blijf inspannen zodat zij ook zo spoedig mogelijk uitsluitsel over hun melding zullen krijgen.
Klopt het dat de 55 melders uit Batch 1588 die in januari 2025 nog moesten wachten nog steeds wachten?
Nee, 11 bewoners hebben inmiddels bericht ontvangen over hun melding.
Welke stappen zijn in de tussentijd gezet?
De NCG heeft samen met gemeenten getoetst of bewoners uit Batch 1588 een functioneel vergelijkbare woning hebben kunnen kopen en/of realiseren van het door hen eerder ontvangen budget. Hierbij vind ik het belangrijk dat het komen tot een besluit met aandacht voor de specifieke situatie van een bewoner gebeurt. Mede hierdoor heeft het bieden van uitsluitsel voor bewoners lang geduurd. De analyse voor 42 bewoners van deze Batch 1588 meldingen is recentelijk afgerond. Ik heb me er hard voor gemaakt dat deze bewoners nog voor 1 juli 2025 duidelijkheid krijgen over hun melding.
Er bereiken ons signalen dat gemeenten meldingen (willen) afwijzen, klopt dat? Kunt u deze signalen tegenspreken? Zo nee, hoe kan dit? Heeft u hier gesprekken over met de betrokken gemeenten?
Ik ben samen met NCG en de betrokken gemeenten doorlopend in gesprek. Hoewel NCG de besluiten verstuurt, is er af- en overeenstemming over de uitkomsten met betrekking tot de meldingen. Door NCG en betrokken gemeenten is samen gekeken of er daadwerkelijk sprake was van extra gemaakte kosten die vergoed hadden moeten worden. Op basis van de analyse die is gedaan wordt duidelijk dat niet alle meldingen worden toegewezen. Deze bewoners hebben voldoende budget gekregen om een functioneel vergelijkbare woning (qua typologie van de woning, gebruiksoppervlakte, afwerkingsniveau en functionaliteit) terug te bouwen en komen dus niet in aanmerking voor een extra vergoeding.
In de Voorjaarsnota is er opnieuw extra geld vrijgemaakt voor Batch 1588: 33,5 miljoen euro extra voor de uitvoering en 64,7 miljoen euro extra voor gestegen bouwkosten en indexatie. Zijn deze middelen ook bestemd voor de groep die zelf heeft moeten inleggen voor de versterking?
De middelen die zijn vrijgemaakt in de Voorjaarsnota 2025, zijn bestemd voor het goed kunnen uitvoeren en afronden van de versterking binnen Batch 1588. Omdat (bouw)kosten de afgelopen jaren zijn gestegen, bleek het oorspronkelijke budget ontoereikend. Daarom is in de kabinetsreactie Nij Begun reeds € 33,5 mln gereserveerd en is dit nu toegevoegd aan de BZK-begroting. Boven op de eerder gereserveerde middelen bleek er extra budget nodig, waardoor er nog eens € 64,7 mln is vrijgemaakt bij deze Voorjaarsnota. Ik heb uw Kamer op 24 januari jl. geïnformeerd5 dat ik met de gemeenten contact heb om te borgen dat zij voldoende middelen hebben om bewoners te kunnen compenseren in het geval uit het meldpunt blijkt dat bewoners zelf kosten hebben moeten maken voor de noodzakelijke versterking van hun woning. Dat is ook onderdeel van deze extra middelen.
Wat is de stand van zaken betreffende de 33 melders uit Batch 1588 die in januari 2025 al wel een voorgenomen besluit hadden ontvangen? Hoeveel van hen hebben een bedrage gekregen? Hoeveel van hen zijn afgewezen? Hoeveel bezwaren zijn er ontvangen?
Van de 33 melders uit Batch 1588 die in januari 2025 een voorgenomen besluit hebben gekregen, hebben 3 bewoners een vergoeding ontvangen en zijn er 30 meldingen afgewezen. Naar aanleiding van het voorgenomen besluit hebben 4 bewoners een bezwaar ingediend. Zoals hierboven aangegeven, vind ik het belangrijk dat kosten die zijn gemaakt voor noodzakelijke versterkingsmaatregelen alsnog worden vergoed. Echter, niet in alle gevallen vindt er een vergoeding plaats omdat het gekregen budget voldoende was voor een functioneel vergelijkbare woning. Ik snap dat dit misschien niet voor alle bewoners de uitkomst is waar ze op hadden gehoopt. Daar heb ik ook oog voor. Daarom kunnen bewoners hun zienswijze delen na ontvangst van hun voorgenomen besluit. Daarnaast kunnen bewoners persoonlijk toelichting krijgen op het voorgenomen besluit. Ook kunnen bewoners tegen het definitieve besluit in bezwaar en beroep.
Een tweede groep bewoners waarbij problemen zijn ontstaan bij de uitvoer van de aangenomen motie-Beckerman/Nijboer zijn de bewoners die een akkoord sloten met de Nederlandse Aardoliemaatschappij/Centrum Veilig Wonen (NAM/CVW) voor de versterking; wat is de stand van zaken betreffende deze groep?3
Toen de versterkingsopgave en schadeafhandeling in 2018 publiekrechtelijk belegd zijn, is ervoor gekozen om géén zaken op te pakken die eerder in behandeling zijn genomen door onder andere NAM en CVW tenzij er in het geval van individuele gevallen sprake is van «onbillijkheden van overwegende aard» (hardheidsclausule). Dit is vastgelegd in de Tijdelijke wet Groningen. NAM en CVW hebben bij hun afhandeling geen onderscheid gemaakt tussen schadeafhandeling of mogelijke versterking. Doordat er geen beoordelingen van de woningen hebben plaatsgevonden is ook niet na te gaan of er sprake was van noodzakelijke versterking bij die woningen. En of de vergoeding dus bedoeld was voor versterking.
Voor NCG geldt daarbij dat zij niet bevoegd is zolang er geen sprake is van een beoordeling dat een gebouw niet aan de veiligheidsnorm voldoet (en er dus budget voor versterking nodig is). Als die beoordeling ontbrak hebben de bewoners een afwijzing gekregen. Deze bewoners hebben echter bezwaar aangetekend tegen dit besluit. Zoals aangegeven ben ik aan het kijken naar de mogelijkheden om deze bewoners alsnog tegemoet te komen. De reactie op dit bezwaar is opgeschort tot het moment dat dit besluit is genomen.
Bij een van deze meldingen was sprake van een acute schrijnende situatie die door de Commissie Bijzondere Situaties (CBS) in behandeling is genomen. De CBS heeft onlangs besluit genomen om tot een vergoeding over te gaan.
Ons bereiken signalen dat deze bewoners worden afgewezen of zij lagere bedragen toegekend krijgen omdat ze hun handtekening hebben gezet onder een akkoord met de NAM/CVW; herkent u dat dit in strijd is met het uitgangspunt van de motie? De motie is immers bedoeld om onrecht uit het verleden recht te zetten, maar het niet rechttrekken met de huidige vergoedingen staat hier toch haaks op?
Zoals hiervoor aangegeven is er door de wetgever voor gekozen om in principe geen zaken op te pakken die eerder in behandeling zijn genomen. Alleen als er sprake is van «onbillijkheid van overwegende aard» is er voor IMG en NCG een mogelijkheid om alsnog tot een vergoeding over te gaan. Daar ben ik bij de uitvoering van de motie aan gebonden. Ik snap dat dit voor sommige mensen onrechtvaardig voelt maar de wet biedt mij dan ook geen mogelijkheden om al het onrecht uit het verleden «recht te trekken» met de huidige vergoedingen. Daarbij is dat in praktijk ook ondoenlijk aangezien NAM en CVW tienduizenden zaken hebben behandeld waarbij in veel gevallen geen heldere onderbouwingen voor de vergoedingen zijn opgenomen. Zoals aangegeven ben ik voor schrijnende gevallen in deze groep aan het kijken om binnen de (wettelijke) mogelijkheden tot een oplossing te komen.
Erkent u dat bewoners die een overeenkomst met de NAM/CVW sloten dat vaak deden onder hoge druk?
Ik ben bekend met het feit dat bewoners in sommige gevallen hoge druk hebben ervaren bij het afsluiten van overeenkomsten met de NAM/CVW. Dat is natuurlijk zeer onplezierig voor deze bewoners en heeft ook tot stress geleid. Ik kan de tijd niet terugdraaien. Ik zet me vol in om in huidige afhandeling recht te doen aan de situatie van bewoners en te zorgen voor een milde, menselijke en makkelijke afhandeling van schade en uitvoering van de versterking.
Erkent u voorts dat deze bewoners vaak geen zicht hadden op de hoogte van het versterkingsbudget?
Bij de bewoners die zich hebben gemeld is sprake van sloop/nieuwbouw. De prijzen voor het bouwen van een huis per m2 zijn algemeen bekende gegevens. Ik kan niet nagaan of de bewoners afdoende bekend waren met deze gegevens.
Hoe staat het met het onderzoek over of, en zo ja, hoe alsnog een vergoeding van kosten zou kunnen worden gegeven in het geval de afspraken met de NAM/CVW als onredelijk kunnen worden gezien, dat u in antwoord op eerdere Kamervragen had aangegeven te gaan uitvoeren?
Ik zal in mijn voortgangsbrief voorafgaand aan het commissiedebat van 2 juli aanstaande nader ingaan op de stand van zaken van dit onderzoek.
Hoe waarderen de melders die eigen geld hebben moeten inleggen en bij wie de versterking onder de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) viel de regeling die is voortgekomen uit de hierboven genoemde motie-Beckerman/Nijboer? Welke plus- en minpunten worden genoemd? Welke lessen trekt u hieruit?
Er heeft geen evaluatie specifiek voor deze groep plaatsgevonden. Wel doet NCG jaarlijks een meting naar de bewonerstevredenheid waarin ook deze groep wordt meegenomen. Over de uitkomsten zal ik ook, zoals gebruikelijk, dit najaar de Tweede Kamer informeren.
Naast de problemen met de inleg van eigen geld is ook aandacht gevraagd voor bouwfouten gemaakt bij Batch 1588, hoe staat de aanpak daarvan?
Het uitgangspunt is dat de woning van bewoners bij Batch 1588 gebouwd werd onder garantie van een waarborginstantie, zoals Woningborg of BouwGarant. Dit beschermt bewoners tegen verborgen en constructieve gebreken aan de nieuwbouwwoning, omdat het onder garantie kan worden opgelost. In sommige gevallen is hier bij Batch 1588 echter van afgeweken, wat alleen mogelijk was in overeenstemming met de betreffende gemeente. Dat is dus een uitzondering op de regel. Indien in deze gevallen toch sprake blijkt van bouwfouten, kan er door bewoners en gemeente gezamenlijk gekeken worden naar een maatwerk oplossing.
Recent bleek dat huurders die onder Batch 1588 vallen geen recht hebben op de overlastvergoeding van 740 euro die andere huurders wel kregen. Waarom is er bij een regeling bedoeld om tot meer gelijkheid te komen weer gekozen voor nieuwe ongelijkheid?4 Deelt u onze mening dat dit niet is uit te leggen? Wilt u deze ongelijkheid alsnog rechtzetten en huurders uit Batch 1588 ook dit bedrag laten toekennen?
De overlastvergoeding van 740 euro voor huurders is een uitwerking van maatregel 12b uit Nij Begun waarmee onaanvaardbare verschillen in de versterking tussen huurders en eigenaren worden rechtgezet. Omdat Batch 1588 onder regie van de gemeente valt, hebben deze bewoners niet automatisch recht op deze vergoeding. Ik vind dat dit leidt tot nieuwe, onaanvaardbare verschillen, en ben daarom met gemeenten en NCG in overleg of en hoe we dit op korte termijn kunnen rechttrekken. Omdat dit mogelijk een aanpassing van de regelgeving onder de Tijdelijke wet Groningen vereist, ben ik ook direct aan het kijken voor welke andere regelingen bewoners uit Batch 1588 nu worden uitgesloten maar dat niet wenselijk is omdat dit leidt tot nieuwe verschillen en hoe we dit kunnen oplossen. Ik zal uw Kamer hierover in het najaar informeren.
Ontstaat ook bij andere regelingen nieuwe ongelijkheid omdat mensen uit Batch 1588 of mensen waarvan de versterking onder de NAM/CVW viel hiervan worden uitgesloten?
Zie het antwoord op vraag 14.
Zaken die door NAM/CVW zijn afgehandeld vonden onder een ander juridisch en uitvoeringskader plaats. Er waren toen nog geen regelingen voor uitvoering van de versterking, (rechts)bijstand, tijdelijke huisvesting etc. Los van de vraag of het wenselijk is, is het zoals aangegeven ondoenlijk om dergelijke zaken nu nog «recht te trekken».
In eerdere antwoorden gaf u aan voor de zomer met nadere antwoorden te komen; kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Herstel Groningen op 2 juli aanstaande, zodat we nog voor de zomer nadere stappen kunnen zetten?
Ja.
Het bericht 'Wrijving in kabinet over migratiebeleid: Faber wil handtekening Schoof onder kritische brief' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Marjolein Faber (PVV), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wrijving in kabinet over migratiebeleid: Faber wil handtekening Schoof onder kritische brief»?1
Ja.
Kunt u een precieze tijdlijn geven van het begin van het eerste verzoek om de brief te ondertekenen tot nu toe?
In mei jl. werd een concept van de brief ontvangen met een verzoek tot mede-ondertekening. Op ambtelijk niveau zijn er sinds januari jl. informele gesprekken gevoerd met een aantal EU-lidstaten over de mogelijkheid een oproep te doen (bijvoorbeeld via een ingezonden brief) een dialoog te voeren over de juridische kaders voor de mogelijkheden om strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen uit te zetten.
Kunt u de brief die is opgesteld door Denemarken en Italië de Kamer doen toekomen en kunt u daarbij specifiek aangeven welke passages zijn aangedragen voor wijzigingen?
De brief is openbaar.2 Het kabinet ziet steun voor de Nederlandse inzet in een groot deel van de brief, zie het antwoord op vraag 4. Nederland heeft aangegeven de brief te kunnen mede ondertekenen zonder passages die ingaan op de interpretatie door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Kunt u aangeven welke redenen door kabinetsleden zijn aangedragen om de brief niet te ondertekenen? Kunt u hier nadrukkelijk ingaan op de juridische en rechtsstatelijke onderbouwing van de advisering?
Het kabinet ziet in de ingezonden brief van de regeringsleiders van Denemarken, Italië en een aantal andere landen een oproep voor een open dialoog over de juridische kaders voor de mogelijkheden om veroordeelde vreemdelingen uit te kunnen zetten. Zoals ook opgenomen in het Hoofdlijnenakkoord is het de inzet van dit kabinet een lik-op-stuk aanpak te voeren op overlast, intimidatie en geweld, en om vergunningen van criminele vreemdelingen sneller in te kunnen trekken. Het kabinet steunt daarom dat signaal van de brief in algemene zin. Conform de eerdere toezegging aan uw Kamer in het Commissiedebat over de JBZ-Raad van 12 en 13 juni (vreemdelingen- en asielbeleid) van 11 juni jl., heeft Nederland daarom ook tijdens de JBZ-Raad van 13 juni jl. aangegeven de geest van dat deel van de brief te steunen en open te staan voor dialoog. Als de juridische kaders hiervoor niet meer aansluiten bij de politiek gewenste praktijk, dan moet het gesprek over die kaders gevoerd worden binnen de daartoe aangewezen gremia. In het Hoofdlijnenakkoord is dan ook opgenomen dat Nederland daar waar nodig inzet op het aanpassen van EU-regelgeving of internationale verdragen. Het kabinet ziet steun voor deze inzet in de brief.
De brief roept tegelijkertijd specifiek op om een open dialoog te voeren over de interpretatie van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Die inzet volgt niet uit het Hoofdlijnenakkoord en raakt aan meer dan migratiebelangen, zoals de onafhankelijkheid van rechters en het EHRM. Nederland wil niet de indruk wekken op de stoel van de rechter te willen zitten en kan daarom dat deel van de oproep niet steunen. Om die reden is besloten deze ingezonden brief niet mede te ondertekenen.
Nederland zal het signaal van Denemarken en Italië t.a.v. de mogelijkheid om veroordeelde vreemdelingen uit te kunnen zetten via andere wegen ondersteunen. Zo kan Nederland standpunten over de interpretatie van het EVRM naar voren brengen in het kader van lopende EHRM-procedures op het gebied van het vreemdelingenrecht inclusief in EHRM-zaken tegen andere EVRM-verdragspartijen over de uitzetting van vreemdelingen. Verder blijft Nederland zich in Europees verband onverminderd inzetten voor aanscherpingen in de EU-regelgeving, zoals de Terugkeerverordening en de Veilig derde land-herziening. Ook deze inzet is erop gericht om EU-wetgeving (en dus de toetsingskaders voor rechters) zo goed mogelijk te laten aansluiten bij de politieke wens voor een strikt en sober asielbeleid. Bovendien blijft het kabinet zich via andere wegen, zoals innovatieve oplossingen en partnerschappen, nationaal en internationaal onverminderd inzetten om meer grip te krijgen op migratie, ook als het gaat om de mogelijkheden voor het uitzetten van veroordeelde vreemdelingen. Hierover sprak een aantal regeringsleiders informeel voorafgaand aan de Europese Raad van 26 juni 2025, zoals ook vermeld in het verslag van de Europese Raad van 26 juni 2025. Daar kwam ook de brief ter sprake. Denemarken en Italië kondigden tijdens de bijeenkomst aan opvolging te willen geven aan de brief. Nederland heeft actief aangegeven bij te willen dragen aan verdere samenwerking gericht op de uitwerking. Dit is ook in lijn met de motie Eerdmans3.
Zijn er in het verleden situaties geweest waarbij Nederland – buiten specifieke juridische procedures om – rechtstreeks het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft aangesproken op haar uitspraken? Zo ja, wanneer is dit precies gebeurd?
Er zijn het kabinet geen eerdere gevallen bekend waarin Nederland het EHRM, buiten een specifieke juridische procedure om, rechtstreeks heeft aangesproken op de inhoud van haar uitspraken.
Kunt u bevestigen dat Nederland niet wordt gehinderd in de aanpak van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen door de uitspraken ven het EHRM? Zo nee, kunt u toelichten op welke wijze het uitzetten van strafrechtelijk veroordeelde vreemdelingen wordt bemoeilijkt door het EHRM, om welke specifieke uitspraken dit gaat en hoe groot de groep is die hierdoor minder effectief aangepakt kan worden?
In Nederland kunnen strafrechtelijke veroordelingen leiden tot afwijzing of intrekking van het verblijfsrecht en tot verwijdering van de vreemdeling uit Nederland. Het is de inzet van dit kabinet een lik-op-stuk aanpak te voeren op overlast, intimidatie en geweld, en vergunningen van criminele vreemdelingen sneller in te trekken. In het regeerakkoord is daarom opgenomen dat de glijdende schaal verder zal worden aangepast en de lat voor verblijfsrechtelijke consequenties wordt verlaagd. Bij een besluit tot uitzetting van een veroordeelde vreemdeling wordt altijd met verschillende factoren rekening gehouden, zoals de duur van de opgelegde straf afgezet tegen de duur van het rechtmatig verblijf in Nederland, de ernst van het misdrijf, het tijdsverloop dat is verstreken sinds het misdrijf, het privé en familieleven van de vreemdeling in Nederland en de band met zowel Nederland als het land van herkomst. Het huidig beleid ten aanzien van intrekkingen na strafrechtelijke veroordelingen wordt in algemene zin in overeenstemming geacht met artikel 8 van het EVRM. Er worden klachten tegen Nederland ingediend aangaande de intrekking van een verblijfsvergunning na een strafrechtelijke veroordeling, waarbij Nederland frequent in het gelijk wordt gesteld.
Deelt u de constatering dat (openlijke) kritiek hebben op het EHRM de weg vrij maakt voor andere EU-lidstaten om op andere terreinen, bijvoorbeeld lhbti-rechten en vrijheid van godsdienst, ook het Hof aan te vallen en deelt u de constatering dat daarmee het Hof in een kwetsbare positie wordt gebracht wat ook vanuit rechtsstatelijk oogpunt zeer onwenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook het antwoord op vraag 3 en 4. Passages in de brief roepen specifiek op tot een open dialoog over de interpretatie van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Die inzet volgt niet uit het Hoofdlijnenakkoord en raakt aan meer dan migratiebelangen, zoals de onafhankelijkheid van rechters. Nederland wil niet de indruk wekken op de stoel van de rechter te willen zitten. Om die reden is besloten deze ingezonden brief niet mede te ondertekenen.
Hoe verhoudt het aanspreken c.q. bekritiseren van het EHRM zich tot de rechtsstaatverklaring, het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma? Bent u van mening dat de voorgestelde brief bijdraagt aan het versterken van de democratische rechtsstaat en het versterken van de onafhankelijkheid van de rechtspraak?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen een week beantwoorden?
De vragen zijn zo veel mogelijk afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht ‘Daders lopen mogelijk vrij rond door fout met naam in 867 zaken’ |
|
Willem Koops (NSC) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Daders lopen mogelijk vrij rond door fout met naam in 867 zaken»?1
Ja.
Klopt het dat de administratie van de overheid zo’n bende is dat daardoor de administratie in 867 strafzaken niet klopt? Klopt dit aantal van 867?
Justid heeft sinds 2014 van 867 zaken bijgehouden waarin een aanwijzing bestaat dat de tenaamstelling mogelijk niet juist is. Het betreft zaken waarin sprake is van een onherroepelijk vonnis. Inmiddels loopt een analyse van deze zaken om nader inzicht te krijgen en de prioriteit te bepalen voor een verdere aanpak.
Klopt het dat van deze 867 zaken maar liefs 141 zaken ernstige zedendelicten en geweldsmisdrijven zijn?
Het klopt dat de Algemene Rekenkamer 141 zaken aangeduid heeft als ernstige zaken.
Ieder strafbaar feit kent een code op basis waarvan het in systemen wordt geregistreerd. Via deze codes zijn deze zaken geselecteerd.
Hierbij moet worden opgemerkt dat bij deze zaken de ernst van feiten en de strafoplegging in zaken varieert. Naast gevangenisstraffen komen ook geldboetes voor. Bij de analyse van de 867 zaken wordt ook nagegaan of de codes corresponderen met de delicten waarvoor verdachten zijn veroordeeld.
Hoeveel van de 867 zaken zijn terreurzaken en moordzaken?
Tot de 141 zaken behoren, naar eerste analyseresultaten aangeven, 5 zaken die betrekking hebben op (poging) tot moord, 2 zaken op (poging) tot doodslag en 2 zaken op terrorisme en 6 zedenzaken. Op 1 geval na is in deze zaken de straf geheel of gedeeltelijk uitgevoerd.
Hoeveel van de 867 zaken waarvan de administratie niet klopt hebben ertoe geleid dat verdachten vrijuit zijn gegaan?
Hier wordt onderzoek naar gedaan. Ik kan op dit moment niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onderzoek.
Hoeveel van de 867 zaken waarvan de administratie niet klopt hebben ertoe geleid dat een onschuldige burger onterecht is gestraft? En in hoeveel gevallen is er verzocht om herziening of gratie?
Dit wordt onderzocht. Uit de eerste analyse van de 141 zwaardere zaken is gebleken dat er 1 onschuldige burger gesignaleerd stond door persoonsverwisseling. Daarop is onmiddellijk actie ondernomen om die signalering te stoppen. Het is nog niet bekend of in deze zaak door de schuldige een straf is ontlopen. Ik rapporteer hierover in september.
Is er schadeloosstelling uitgekeerd aan burgers die onterecht een veroordeling achter hun naam hebben?
Bij de Justitiële Informatiedienst zijn sinds 2014 geen situaties bekend waarbij schadevergoeding is uitgekeerd aan mensen die ten onrechte gedetineerd zaten als gevolg van een onjuiste tenaamstelling van een vonnis. Er zijn indicaties dat er vóór 2014 in een beperkt aantal gevallen schadevergoedingen zijn betaald.
Hoe kan het dat ambtenaren sinds 2005 op de hoogte waren van dit probleem, dat de ambtelijke top van het ministerie in 2012 hierover is ingelicht en dat de Minister pas in januari 2025 hiervan op de hoogte was?
Dit vormt onderwerp van de evaluatie naar de gang van zaken die ik zal laten uitvoeren. De Tweede Kamer wordt nader geïnformeerd hoe deze evaluatie vorm zal krijgen en wie deze zal uitvoeren.
Wanneer is het verbeterplan dat wordt opgesteld door het ministerie gereed en geïmplementeerd?
Zoals in de beleidsreactie van 2 mei jongstleden op het rapport van de Algemene Rekenkamer is aangegeven, maak ik sinds januari werk van het aanpakken van de problematiek. Momenteel wordt al uitvoering gegeven aan mijn plan van aanpak. Zo verwacht ik dat begin juli er een eerste versie van het toetsings- en handelingskader ligt. Dan kan begonnen worden met de herbeoordeling van individuele zaken. Daarbij wordt op basis van de analyse van zaken die nu loopt geprioriteerd. Ik verwacht dat voor het einde van dit jaar alle zaken zijn beoordeeld en, waar dat aan de orde is, in de strafrechtketen individueel in behandeling kunnen worden genomen.
Het plan van aanpak ziet op drie prioriteiten: het ontwikkelen van het toetsings- en handelingskader, de concrete aanpak van de geconstateerde zaken en het zoveel mogelijk voorkomen van fouten in de identiteitsvaststelling in de strafrechtketen dat ziet op de totstandkoming van het toetsings- en handelingskader. Dit plan wordt al deels uitgevoerd en wordt de komende weken afgemaakt. Omdat de uitvoering van het plan en de daarop volgende afwikkeling van individuele zaken in de strafrechtketen de betrokkenheid van de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak vraagt, zal ik hun bij de vaststelling betrekken.
Kan de Minister aangeven op welke aspecten wordt ingegaan in dit verbeterplan?
Zie het antwoord op vraag 9. Daarnaast heb ik een programmadirecteur aangesteld om dit traject in goede banen te leiden. Voor meer details over deze inspanningen verwijs ik naar de brief die ik aan de Kamer heb gestuurd.
Om wat voor fouten gaat het hier: onjuiste tenaamstellingen in vonnissen of onjuiste verwerkingen daarvan in de administratie?
Het komt soms voor dat pas na het onherroepelijk worden van het vonnis nieuwe identiteitsinformatie beschikbaar komt over de gevonniste personen. Dit kan diverse oorzaken hebben, zoals:
Kunt u deze vragen één voor één, zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Plannen voor nieuwe kerncentrales, kosteninschattingen en veiligheid Borssele |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Chris Jansen (PVV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 17 mei 2025 getiteld «Anti-kernenergieorganisatie WISE: stop met plannen voor nieuwe kerncentrales, te duur en locatie te krap»?1
Ja
Kunt u toelichten op basis van welke analyse u in de Kamerbrief van 16 mei 2025 (Kamerstuk 32 645, nr. 156) stelt dat kernenergie «noodzakelijk» is voor het behalen van de klimaatdoelen en het garanderen van leveringszekerheid?
Het kabinet is van mening dat kernenergie een noodzakelijke pijler is als onderdeel van een bredere energiemix met hernieuwbare energie en baseert zich daarbij op verschillende rapporten en adviezen (zie ook de volgende antwoorden). Ook internationaal wordt kernenergie gezien als een technologie die bijdraagt aan een betrouwbare levering van elektriciteit; in een recent advies van het International Energy Agency voor Nederland wees het agentschap op het belang van kernenergie in een betrouwbare Nederlandse elektriciteitsmix2, in het bijzonder op de systeemvoordelen die kernenergie kan opleveren.3
Klopt het dat het rapportEnergie door perspectief (ETES 2050)2 kernenergie slechts een optionele rol toebedeelt in een scenario met relatief hoge energiebehoefte, en dus níet als noodzakelijke voorwaarde benoemt voor het behalen van de klimaatdoelen? Zo ja, waarom wordt dan in de Kamerbrief met zoveel stelligheid gesproken over een noodzaak?
In het rapportEnergie door perspectief wordt aangegeven dat het mogelijk is om zonder kernenergie een klimaatneutraal energiesysteem te bewerkstelligen. Voor het kabinet is de inzet van kernenergie om bij te dragen aan een CO2-vrij energiesysteem een belangrijke maar niet de enige overweging om te kiezen voor kernenergie. Zoals de auteurs van het rapport5 zelf ook stellen is een belangrijk argument voor kernenergie dat de diversiteit in energiebronnen en daarmee de robuustheid van het energiesysteem wordt vergroot. Een systeem met kernenergie naast wind en zon is robuuster dan alleen wind en zon. De ervaring leert ook dat het beter is het aanbod van energiebronnen te spreiden en niet te afhankelijk te zijn van een enkele bron of enkele toeleverancier van brandstof. Het kabinet ziet de rol van kernenergie dan ook niet als optioneel en kiest dan ook nadrukkelijk voor kernenergie binnen de energiemix.
Deelt u de analyse dat voor de beoordeling van publieke investeringen in nieuwe kerncentrales het kostenoptimale energiesysteem leidend zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Kosten spelen een zeer belangrijke beoordelingsgrond in het energiebeleid van het kabinet. Het kabinet laat dan ook aanvullend onderzoek doen naar de systeemkosteneffecten van kernenergie (netwerkkosten, kosten voor opslag etc. van verschillende systeemkeuzes) en zal de Kamer daarover na de zomer berichten. Het kabinet kijkt in haar energiebeleid echter breder dan enkel (directe) kosten en neemt daar de andere pijlers uit haar energiebeleid in mee, namelijk betrouwbaarheid en duurzaamheid. Zoals in het vorige antwoord aangegeven is kernenergie ook van belang voor de betrouwbaarheid van het hele systeem.
In hoeverre is bij de kostenraming van de kerncentrales rekening gehouden met de analyse van adviesbureau Witteveen+Bos (Kamerstuk 2022D37754), die stelt dat kernenergie alleen kostenoptimaal is als de investering onder de 4.600 euro per kilowatt (kW) blijft, bij een Weighted Average Cost of Capital (WACC) van 7%?
De gebruikte kosteninschatting in de scenariostudie van Witteveen+Bos was een eerste indicatie, op basis van secundaire referenties. De kostenraming die voorzien is in de Kamerbrief van afgelopen mei is onafhankelijk opgesteld van de assumpties uit eerdere studies, en is gebaseerd op de eigen inschatting van de verschillende technologieleveranciers voor de kosten van een project in Nederland.
Onderzoeksinstituut TNO6 gaat in zijn laatste studie uit van 7.100 euro per kilowatt, waarbij de toevoeging van kernenergie systeemkosten-optimaal is. Het Witteveen+Bos rapport laat dus een iets wat gedateerd beeld zien voor wat betreft de kostenontwikkeling en efficiënte systeeminpassing. Op dit moment onderzoekt TNO tot slot wat de effecten zouden zijn van een scenario (gevoeligheidsanalyse) van een verdubbeling van de investeringskosten voor kernenergie. De resultaten hiervan verwacht het kabinet na de zomer met de Kamer te kunnen delen.
Bent u ermee bekend dat het adviesbureau Profundo in oktober 20243 op basis van internationale ervaringen uitkwam op een realistische kostenmarge van 9.665 euro tot 15.175 euro per kW, wat neerkomt op circa 20 miljard euro per kerncentrale, en daarmee fors boven het door Witteveen+Bos genoemde omslagpunt ligt?
Ja, het kabinet kent dit rapport.
De kosten van verschillende onderdelen van de toeleverketen voor infrastructuur – van arbeid tot staal – zijn sterk gestegen in de afgelopen jaren. Ook speelt de inflatie, die afgelopen jaren hoog was, een rol in het verschil tussen de studies. Dit is niet uniek aan kernenergie projecten, hoewel de bouw van kerncentrales ten opzichte van andere grote energie(-infrastructuur) projecten arbeidsintensiever is en het gebruik van veel verschillende materialen vraagt. Ook bij andere energie(-infrastructuur) projecten zien we dat de kosten flink zijn toegenomen in de afgelopen periode, zoals bijvoorbeeld bij de ontwikkelingen van wind op zee. Witteveen+ Bos laat dus, zoals eerder aangegeven, een iets gedateerd beeld zien.
Op dit moment voert onderzoeksinstituut TNO een systeemkosten studie uit naar de rol van kerncentrales waarbij ook in een gevoeligheidsanalyse wordt gekeken naar het effect van (veel) hogere investeringskosten wordt gekeken (zie vorige vraag). Het kabinet verwacht de resultaten van deze studie na de zomer van dit jaar te kunnen delen met de Kamer.
Hoe rijmt u deze bevindingen met uw stelling in de Kamerbrief dat kernenergie een «kosteneffectieve» bijdrage levert aan het energiesysteem?
Zoals toegelicht in de Kamerbrief, is eén van de doelen van de technische onderzoeken om een zelfstandig eerste beeld te krijgen van de kosten. Dit beeld is vervolgens ook door de onafhankelijk uitgevoerde Third Party Review getoetst. De plannen en inschattingen van leveranciers zijn onder andere gebaseerd op de ervaringen van recente internationale kernenergieprojecten.
De lessen uit de buitenlandse ervaringen heeft het kabinet vanuit de verschillende eerdere onderzoeken reeds meegenomen in de Nederlandse benadering voor de bouw van de kerncentrales in Nederland. Als onderdeel van het proces van technologieselectie zullen de technologieleveranciers eveneens scherp worden bevraagd op het gebied van kosten en risico’s.
De komende jaren ontstaat daarmee meer helderheid over de kosten naarmate de aanbesteding vordert, en de technologieleveranciers hun voorstellen uitwerken. Na onderhandelingen met de geselecteerde technologieleverancier en definitieve duidelijkheid over de locatie, volgt een steeds complete(re) raming van de kosten, gebaseerd op een steeds volwassener wordend locatie-specifiek ontwerp. Besluitvorming vindt dus getrapt plaats op basis van geactualiseerde inzichten, bijvoorbeeld bij de locatie en techniekselectie. De Kamer zal hier vanzelfsprekend bij betrokken worden.
Heeft u laten doorrekenen welke gevolgen een langere, realistische bouwtijd van 15–20 jaar, zoals blijkt uit internationale praktijk, heeft voor de uiteindelijke kosten per kW en daarmee op de maatschappelijke businesscase van de nieuwe kerncentrales?
Zie antwoord vraag 7.
Klopt het dat uw kostenraming is gebaseerd op plannen en inschattingen van leveranciers en niet op gerealiseerde kosten uit recente internationale kernenergieprojecten? Zo ja, acht u dit een voldoende solide basis voor het reserveren van tientallen miljarden euro’s aan publiek geld?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid alsnog een onafhankelijke second opinion te laten uitvoeren op zowel de investeringskosten als de systeemimpact van kernenergie, voordat definitieve keuzes worden gemaakt over techniek en locatie?
Ja, het kabinet laat zich al door onafhankelijk experts bijstaan. In de Third Party Review, die 16 mei is gepubliceerd, is door een onafhankelijke partij beoordeeld of de investeringsbandbreedte van 20–30 miljard redelijk is gezien deze fase van het project, waarbij nog geen locatie en technologie is geselecteerd. Ook in het verdere proces zal het kabinet de Kamer op verschillende momenten meenemen in de meest actuele inzichten wat betreft de investeringskosten. De komende tijd gaat het kabinet aan de slag met de technologieselectie en het onderhandelen van het contract voor de bouw van de kerncentrales en het kabinet zal hierbij (opnieuw) worden bijgestaan door onafhankelijk externe experts. De inzichten die onder andere door deze externen zullen worden opgeleverd, worden uiteraard ook met de Kamer gedeeld.
Hoe verhoudt de door u gepresenteerde kosteninschatting zich tot het publieke belang van een robuust en kostenefficiënt energiesysteem? Bent u bereid scenario’s te laten doorrekenen waarin het energiesysteem volledig inzet op hernieuwbare bronnen zonder kernenergie?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 5 en 6 voert TNO een studie uit naar de waarde van kerncentrales vanuit een systeemkostenperspectief en kijkt hierbij ook naar de systeemkosten van een systeem zonder kernenergie.
Kunt u toelichten hoe u de ambitie om nieuwe kerncentrales «eind jaren dertig» operationeel te hebben rijmt met het gegeven dat er geen concrete planning mogelijk is voor meer dan 2 à 3 jaar vooruit, en dat de planning voor de komende 2 à 3 jaar, bijvoorbeeld voor de techniekselectie, pas na de zomer wordt verwacht? Acht u deze onzekere planning voldoende om tijdig bij te dragen aan de Nederlandse klimaat- en energieopgaven?
De technische haalbaarheidsstudies hebben meer duidelijkheid gegeven over de planning van de bouw. De resultaten van die studies laten zien dat verdere voorbereiding aan de voorkant meer duidelijkheid zal geven over de concrete planning. Deze inzet betaalt zich uit wanneer de bouw begint, en vermindert daarmee sterk de risico’s tijdens de realisatie van de centrales. Het kabinet wil nu een goede fundering leggen om daarmee (dure) vertraging tijdens de daadwerkelijke bouw te voorkomen.
Grote complexe projecten, zoals de uitbreiding van het transmissienet, de uitrol van wind op zee en de bouw van kerncentrales, gaan gepaard met onzekerheid. Deze onzekerheid is geen reden voor het kabinet om zich hiervoor minder in te zetten, maar om stap voor stap de planning concreter te maken.
Bent u bekend met het bericht van Laka van mei 2025 over het schrappen van een veiligheidseis in de wetgeving voorafgaand aan de levensduurverlenging van de kerncentrale Borssele?4
Ja.
Kunt u uitleggen waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om de veiligheidseis voor de levensduurverlenging van de kerncentrale Borssele te schrappen, zoals gemeld door Laka? Welke risico’s acht u acceptabel bij een dergelijke beleidswijziging?
Zoals aangegeven in de brief van de Staatssecretaris van I&W9 is sinds de start van de benchmark in 2008 is de controle op nucleaire veiligheid aanzienlijk versterkt. In 2015 is de ANVS gestart als onafhankelijke toezichthouder. Verder is in 2017 de Regeling nucleaire veiligheid geïmplementeerd die aanvullende veiligheidseisen stelt, waaronder de eis tot continue verbetering van de veiligheid. Deze eis betekent dat de kerncentrale Borssele de nucleaire veiligheid continu moet blijven verbeteren. Dit kan bijvoorbeeld zijn naar aanleiding van informatie verkregen bij andere kerninstallaties in binnen- en buitenland. Ook worden er op meerdere onderwerpen peer reviews (toetsingen door experts) bij de kerncentrale uitgevoerd. De benchmark heeft hier geen toegevoegde waarde meer. Met het afschaffen daarvan gaan de veiligheidseisen niet omlaag en wordt de kerncentrale niet minder veilig.
Welke gevolgen heeft het schrappen van deze veiligheidseis voor de operationele veiligheid van de kerncentrale Borssele op de korte en lange termijn?
Met afschaffen van de benchmark worden geen veiligheidseisen geschrapt. Dit heeft dan ook geen gevolgen voor de strikte veiligheidsvereisten waar de kerncentrale aan moet voldoen. De ANVS ziet toe op de naleving van de veiligheid. Het stoppen met deze benchmark doet daar niets aan af. De kerncentrale kan en mag alleen in bedrijf blijven als de veiligheid is aangetoond. Zoals toegelicht in het vorige antwoord heeft de benchmark geen toegevoegde waarde meer.
Is er voor het schrappen van de veiligheidseis en de levensduurverlenging van de kerncentrale Borssele een nieuwe Milieu-effectrapportage (MER) opgesteld, waarin ook de risico’s en effecten van deze wijziging worden onderzocht? Zo ja, kunt u de uitkomsten delen? Zo nee, waarom niet?
Een milieueffectrapportage (mer) wordt uitgevoerd bij het maken van plannen en programma’s en het nemen van besluiten over projecten. De keuze om de benchmark niet voort te zetten (waarmee als gezegd geen veiligheidseis wordt geschrapt) is geen besluit, plan of programma waarvoor een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Het afschaffen van de benchmark heeft geen gevolgen voor de strikte veiligheidseisen waar de kerncentrale aan moet voldoen of voor de wijze waarop de kerncentrale geëxploiteerd wordt. Het stoppen van de benchmark is in dit opzicht geen reden om een nieuw of gewijzigd MER op te stellen.
De gevolgen van de exploitatie van de kerncentrale Borssele voor het milieu zijn betrokken in het MER, dat is opgesteld ten behoeve van het wetsvoorstel tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de bedrijfsduurverlenging van deze kerncentrale. EPZ zal daarnaast een vergunning moeten aanvragen om de kerncentrale na 2033 open te houden. Om de aanvraag in te kunnen dienen moeten de effecten van de voortgezette exploitatie onderzocht worden. Daarnaast geldt dat de ANVS-toezicht houdt op de nucleaire veiligheid van de kerncentrale.
Op dit moment is het wetsvoorstel aanhangig bij de Raad van State voor advies. De verwachting is dat het wetsvoorstel na de zomer aan de Kamer kan worden aangeboden.
De berichten ‘Grond schudt in Warffum door beving met kracht van 2.1: 'Dreun en trillingen door het hele huis’ en ‘Hartenkreet van actievoerders om gaswinning Warffum: 'Respect voor Groningers’ |
|
Sandra Beckerman , Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Grond schudt in Warffum door beving met kracht van 2.1: «Dreun en trillingen door het hele huis»»?1
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de inwoners van Warffum geschrokken zijn door de beving van 18 mei 2025. Het is niet mogelijk om de beving met zekerheid toe te kennen aan de voormalige winning uit het Groningenveld of de gaswinning uit het gasveld Warffum. Beide zijn dus mogelijk. Mochten bewoners schade hebben, dan kunnen deze bewoners zich melden bij het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG).
Hoe kijkt u aan tegen het protest in Warffum dat oproept om af te zien van gaswinning in de kleine velden en de petitie «Respect voor Groningen»?2
Allereerst wil het kabinet graag benadrukken dat het kabinet de zorgen die omwonenden hebben met betrekking tot het voortzetten van de gaswinning uit het gasveld Warffum en worden geuit in de petitie «Respect voor Groningen» goed kan begrijpen. Om deze reden is het kabinet dan ook in gesprek gegaan met de omwonenden, voorafgaand aan het nemen van het besluit. Tevens is er zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM om langer gas te mogen winnen, gekeken. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning veilig kan plaatsvinden. Alhoewel de adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan, heb ik ook recht willen doen aan de zorgen die ik heb gehoord tijdens mijn gesprekken met inwoners van Warffum. Om deze reden heb ik met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt.
De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Erkent u dat het extra pijnlijk is dat in het weekend van het protest voor onder andere het sluiten van de kleine gasvelden in Warffum, Grijpskerk en Pieterzijl, bewoners in Warffum wakkerschrokken en rechtop in bed zaten?
Het kabinet realiseert zich heel goed dat een beving niet alleen schrikken is, maar ook tot zorgen leidt.
Hoe kijkt u aan tegen de voortzetting van de gaswinning in Warffum in het licht van aan de ene kant het afgewezen winningsplan «omdat, aldus Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), de bewoners van Warffum zich niet gehoord voelden over het eventueel gedogen en er grote onrust ontstond naar aanleiding van berichten hierover» en aan de andere kant dit protest, deze petitie en het feit dat de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland in beroep gaan tegen het besluit van de Minister om door te gaan met gaswinning in Warffum?3
SodM heeft het winningsplan niet afgewezen. SodM heeft in het advies op het winningsplan aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Wel heeft SodM op 20 december 2024 een verzoek van de NAM om tijdelijk af te zien van handhaven, afgewezen. De NAM had dit verzoek gedaan omdat de instemming met het toen geldende winningsplan voor gaswinning uit het gasveld Warffum tot en met 31 december 2024 was verleend en er nog geen definitief besluit was genomen over het voortzetten van de winning. De bevoegdheid om wel of niet af te zien van handhaven ligt bij SodM.
Op 5 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan in het kader van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter concludeert dat de NAM, alle belangen afwegende, de gaswinning uit het gasveld Warffum en het gasveld Molenpolder mag voortzetten5. Daarbij stelt de voorzieningenrechter dat «in de maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid, ondanks dat een hervatting van de gaswinning uit de gasvelden Warffum en Molenpolder de al bestaande en voortdurende maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid kan versterken, op zichzelf een onvoldoende belang is gelegen voor schorsing van de besluiten van 27 maart 2025.» Tevens geeft de voorzieningenrechter in haar afweging aan: «Schorsing van de besluiten van 27 maart 2025 zal een belangrijk deel van de onrust en gevoelens evenwel niet wegnemen, omdat het Groningenveld, ondanks dat de gaswinning uit dat veld inmiddels is beëindigd, nog langere tijd aardbevingen kan veroorzaken.» Op een later moment vindt een zitting plaats over het beroep van onder meer de provincie Groningen en de gemeente Het Hogeland. Deze zitting is op dit moment nog niet ingepland.
Waarom komt u niet tot dezelfde conclusie als het SodM? Erkent u dat het openhouden van de kleine gasvelden extra pijnlijk is met het oog op het de uitspraak van het SodM van het niet gedogen van de gaswinning in Warffum?
Het kabinet is tot de conclusie gekomen dat winning veilig kan, dat is mede op basis van het advies van SodM. Zie verder het antwoord bij vraag 4.
Erkent u dat er met dit protest, de petitie en het in beroep gaan tegen de gaswinning in Warffum door de provincie Groningen en Het Hogeland blijkt dat er onrust heerst en Groningers zich niet gehoord voelen?
Zoals bij vraag 2 aangegeven heeft het kabinet oog voor de Groningers en hoort hun zorgen. Om deze reden ben ik ook in gesprek gegaan met de bewoners van Warffum. Het besluit om de gaswinning bij Warffum voort te zetten is niet lichtvaardig genomen. Daarbij is als resultante van deze gesprekken het seismisch risicobeheersplan (SRB) van NAM voor dit veld aangescherpt.
Deelt u de mening dat, in lijn met de uitspraak van het SodM, het sluiten van de kleine gasvelden in Groningen de enige manier is om gehoor te geven aan de protesten en de grote zorgen die onder Groningers leven?
Nee het kabinet deelt deze mening niet. Zie het antwoord bij vraag 2 en vraag 4.
Bent u van mening dat u recht doet aan de parlementaire enquête aardgaswinning als u de gasvelden in Warffum, Grijpskerk en Pieterzijl openhoudt, vooral gezien de onrust, onveiligheid en de onzekerheid die door dit kabinet worden veroorzaakt? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De gaswinning uit het Groningenveld is gestopt. Tegelijkertijd heeft het kabinet aangegeven dat het gas uit de kleine velden nog steeds nodig is. Ook het vorige kabinet was die mening toegedaan en heeft mede om die reden de kleine velden in Groningen niet opgenomen in de Wet sluiting Groningenveld. De kleine gasvelden zijn naar aard en omvang niet te vergelijken met het Groningenveld. Het Groningenveld is het grootste gasveld van Europa en vele malen groter dan het grootste kleine gasveld in Nederland. De risico’s bij gaswinning uit kleine velden zijn kleiner dan die bij het Groningenveld. Het kabinet heeft de aanvragen van de NAM om langer gas te mogen winnen uit de gasvelden Warffum, Grijpskerk (Molenpolder) en Pieterzijl-Oost zorgvuldig bekeken en is op basis van de adviezen van TNO, SodM en de Mijnraad tot conclusie gekomen dat de winning veilig kan plaatsvinden.
Bent u bereid bij het SodM eerst een nieuw advies in te winnen voordat het kleine gasveld in Warffum weer opengaat, gezien het door het SodM afwijzen van het verzoek van de Nederlandse Aardoliemaatschappij om gaswinning bij Warffum vanaf 1 januari 2025 te gedogen? Zo nee, waarom niet?
Nee. In haar advies uit 2022 geeft SodM aan dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Volgens SodM zijn de risico’s vergelijkbaar met andere kleine gasvelden in Nederland6. Wel heeft SodM aangegeven dat het advies uit 2022 voor de uitkomsten van de parlementaire enquête Groningen is uitgebracht en dat het goed zou zijn als SodM destijds ook was ingegaan op het burgerperspectief. Zoals bij vraag 2 aangegeven begrijpt het kabinet de zorgen over de gaswinning bij Warffum en ben ik om deze reden persoonlijk in gesprek gegaan met omwonenden. Daarbij is als resultante van deze gesprekken het seismisch risicobeheersplan (SRB) van de NAM voor dit veld aangescherpt.
Kunt u beiden toezeggen om naar aanleiding van de recente beving op zeer korte termijn in gesprek te gaan met bewoners van Warffum en omstreken en de Kamer over deze beide gesprekken te informeren, mits u bereid bent deze gesprekken te voeren? Zo niet, kunt u dan aangeven waarom u hier niet toe bereid bent?
Op dit moment staat er geen gesprek gepland met de bewoners van Warffum naar aanleiding van de beving van 18 mei 2025. Hier is ook geen verzoek van de bewoners van Warffum voor binnengekomen. Mochten er bewoners met schade zijn, dan kunnen deze bewoners zich melden bij het IMG.
Het artikel 'KBN meldt concrete probleemgevallen met certificeringen bij de ILT' |
|
Peter de Groot (VVD), Martijn Buijsse (VVD) |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «KBN meldt concrete probleemgevallen met certificeringen bij de ILT»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u op de hoogte van de problemen die binnenvaartschippers ervaren met de verlenging van certificaten? Wat is de wachttijd op dit moment voor een inspectie?
Ja, daar ben ik mee bekend. De wachttijd is verschillend per erkend klassenbureau of keuringsinstantie. Schippers wordt aangeraden zich ruim voor afloop van het certificaat bij een van deze partijen te melden.
Bent u op de hoogte van het aantal binnenvaartschippers dat op korte en lange termijn risico loopt dat hun schip uit de vaart genomen wordt omdat zij hun certificaat niet hebben, omdat de inspecties door Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) niet op tijd uitgevoerd zijn? Hoe beoordeelt u de situatie waar de schippers zich in bevinden?
De hier bedoelde inspecties aan binnenvaartschepen worden niet uitgevoerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT besteedt onderzoek en certificering van binnenvaartschepen uit aan erkende klassenbureaus en keuringsinstanties. Zij vallen onder het toezicht van de ILT en de keuringsinstanties hebben een accreditatie van de Raad voor Accreditatie (RvA).
Op dit moment is er voor zover de ILT bekend geen indicatie dat schepen niet tijdig gecertificeerd kunnen worden waardoor ze geen certificaat meer hebben. Wel komt het voor dat schepen pas op het laatste moment een certificaat of een tijdelijk certificaat ontvangen. Dit is vervelend voor schippers/eigenaren die dit treft, omdat ze lang in onzekerheid zitten. De ILT staat in nauw contact met zowel de binnenvaartsector als de erkende klassenbureaus en keuringsinstanties om vinger aan de pols te houden en in te grijpen als dit nodig zou zijn.
Hoeveel voorlopige certificaten zijn door ILT uitgegeven aan binnenvaartschippers? Hoe beoordeelt u dit en wat is het risico voor een binnenvaartschipper wanneer hij een dergelijk voorlopig certificaat ontvangt?
Als gevolg van de schorsing van het Nederlands Bureau Keuringen Binnenvaart (NBKB) heeft de ILT 690 voorlopige certificaten afgegeven. Deze scheepseigenaren hebben een brief ontvangen waarbij is aangegeven dat zij zich binnen 6 maanden moeten melden bij een erkend klassenbureau of keuringsinstantie voor een keuring om een definitief certificaat te ontvangen. Zonder deze verlengingen door de ILT zouden deze schepen waarschijnlijk stil zijn komen te liggen.
Wat is in uw optiek de oorzaak van deze problemen? Hoe gaat u deze problemen oplossen?
Op 26 oktober 2023 is de accreditatie van het NBKB door de RvA geschorst. Het NBKB heeft vervolgens tot de opheffing van de schorsing op 14 februari 2024 geen inspecties meer mogen uitvoeren in de binnenvaart. Het NBKB had voor de schorsing een marktaandeel van 62%. Daardoor ontstond de vrees dat niet alle schepen tijdig gekeurd konden worden. De ILT heeft daarom de certificaten van diverse schepen eenmalig met een half jaar verlengd. Ook hebben de andere keuringsinstanties veel extra werk op zich genomen. Hoewel de achterstanden inmiddels grotendeels zijn weggewerkt is de huidige keuringscapaciteit kleiner geworden dan voor de schorsing van het NBKB. De erkende klassenbureaus en keuringsinstanties werken hard om deze capaciteit te vergroten door werving en opleiding van nieuwe inspecteurs.
Klopt het dat op 6 oktober 2023 het Nederlands Bureau Keuringen Binnenvaart (NBKB) is geschorst voor de genoemde inspecties en dat hierdoor 35 inspecteurs uit deze organisatie hun contract verloren? Hoe duidt u deze situatie van destijds?
Het NBKB is op 26 oktober 2023 door de RvA geschorst. Het is onjuist dat hierdoor 35 inspecteurs hun contract verloren. In februari 2024 hebben 5 zogenoemde expertisebureaus hun samenwerking met het NBKB eenzijdig ontbonden en in maart 2024 is ook een verzekeraar gestopt met de samenwerking met het NBKB. Dit heeft er wel toe geleid dat het NBKB minder inspecteurs in kon zetten dan voorheen. Daarbij moet worden gezegd dat de inspecteurs voorheen vaak maar een gedeelte van hun tijd besteedden aan inspecties aan binnenvaartschepen en een ander deel van hun tijd aan andere werkzaamheden.
Klopt het dat, voorvloeiend uit de situatie in 2023, de binnenvaartsector zelf het initiatief heeft genomen om inspecteurs te organiseren in een besloten vennootschap (bv), onder de naam Verenigde Nederlandse Inspecteurs Binnenvaart (VNIB), en dat ze met u in gesprek zijn gegaan over hoe dit voor de sector goed te organiseren?
De VNIB is geen initiatief vanuit de binnenvaartsector, maar bestaat uit de 5 zogenoemde expertisebureaus die in februari 2024 hun samenwerking met het NBKB eenzijdig ontbonden. Het klopt dat de ILT meermaals met deze partij heeft gesproken.
Klopt het dat VNIB, na veel inspanning, voldoet aan de zwaarste norm voor onafhankelijkheid volgens de Raad van Accreditatie?
Hier kan het kabinet geen uitspraak over doen. Het accreditatieproces van de VNIB is nog niet afgerond.
Klopt het dat VNIB, maar ook Register Holland en een eenpersoons inspecteur, volgens ILT niet voldoen aan de eisen voor onafhankelijkheid?
De RvA toetst geaccrediteerde partijen periodiek op de internationaal vastgestelde eisen voor onafhankelijkheid. Op dit moment is Register Holland geaccrediteerd en de VNIB niet.
Verwacht u op korte termijn tot afspraken te komen met bovengenoemde inspecteurs?
De ILT is in haar communicatie met de VNIB helder geweest aan welke eisen (bijvoorbeeld qua onafhankelijkheid) de VNIB moet voldoen om inspecties in de binnenvaart uit te mogen voeren. Op het moment dat de VNIB (of welke andere partij dan ook) aan deze eisen voldoet komt de ILT graag tot afspraken om zo de keuringscapaciteit verder te vergroten.
Hoe beoordeelt u de situatie die zich onder de groep inspecteurs voor de binnenvaart voordoet? Bent u het met de indieners eens dat inspecteurs zeer gespecialiseerde en bekwame personen zijn en dat er jaren nodig is om geaccrediteerd inspecteur te worden? Bestaat het risico dat, vanwege vergrijzing, er op korte termijn te weinig inspecteurs zijn?
De inspecteurs zouden gespecialiseerde en bekwame personen moeten zijn die moeten voldoen aan de eisen van de RvA en de ILT. Om het risico van een verminderde keuringscapaciteit door vergrijzing tegen te gaan werken de erkende klassenbureaus en keuringsinstanties hard om deze capaciteit te vergroten door werving en opleiding van nieuwe inspecteurs.
Gelden de inspectie-eisen voor wat betreft de onafhankelijkheid, zoals dit is toegepast voor de binnenvaart, ook voor de andere inspecties waar ILT voor verantwoordelijk is?
Ja, ook in andere sectoren worden bij accreditatie en/of erkenning eisen gesteld op het gebied van onafhankelijkheid.
Het bericht dat het internationaal Strafhof hard geraakt is door de sancties |
|
Kati Piri (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Tijdens het mondelinge vragenuur op 20 mei gaf u aan dat de inzet van het kabinet om het Internationaal Strafhof te steunen effectief is, terwijl de praktijk laat zien dat het werk van het Internationaal Strafhof nagenoeg stilligt; hoe kijkt u terug op deze kwalificatie van effectiviteit? Op welke manier is het handelen van het kabinet effectief geweest?
Zoals reeds aangegeven tijdens het mondelinge vragenuur, herkent het kabinet het beeld niet dat het werk van het gehele Internationaal Strafhof (ISH) nagenoeg stilligt. Ondanks de in februari opgelegde sancties tegen de hoofdaanklager van het ISH, is het Hof vooralsnog in staat geweest verreweg de meeste werkzaamheden ongehinderd voort te zetten, zowel in Nederland als in de verschillende landen waar het Hof actief is. Zo is de aanhouding, overlevering en voorgeleiding van de voormalige Filipijnse president Duterte afgelopen maart een voorbeeld van het feit dat het Hof ook in deze tijd zijn werk kan voortzetten. Andere voorbeelden zijn de uitspraken die de rechters van het Hof in april hebben gedaan in meerdere zaken. Wel is het zo dat de tegen de hoofdaanklager gerichte sancties het werk van met name het Parket van de Aanklager in verschillende opzichten hebben bemoeilijkt, onder meer omdat de sancties impact hebben op de dienstverlening van een aantal commerciële partijen aan het Hof en zijn landenkantoren. Op 5 juni jl. heeft de VS de sanctielijst uitgebreid met vier rechters van het Hof. Zowel het kabinet als het Hof houden de gevolgen van de (nieuwe) sancties zorgvuldig in de gaten. Met steun van de verdragspartijen bij het Statuut van Rome, waaronder gastland Nederland, worden de gevolgen hiervan door het Hof zo goed mogelijk gemitigeerd.
Heeft u hierover contact gehad met functionarissen van het Strafhof? Zo ja, kunnen zij deze berichtgeving bevestigen? Zo nee, waarom niet?
Als gastland van het ISH staat Nederland in nauw contact met het Hof en er vinden zeer regelmatig gesprekken plaats met de meest relevante functionarissen over de (mogelijke) gevolgen van de sancties. Zo heb ik zelf op 11 juni jl. met de President en de eerste Vice-President van het ISH gesproken over de gevolgen van de (nieuwe) sancties. Door de functionarissen van het ISH is bevestigd dat het recentelijk door enkele mediaberichten verspreide beeld dat het werk van het gehele Hof nagenoeg stilligt niet strookt met de werkelijkheid.
Tijdens de mondelinge vragen gaf Minister Brekelmans aan de berichtgeving over dat het werk van het strafhof nagenoeg stilligt niet te herkennen; welke informatie heeft het kabinet om te beoordelen dat deze berichtgeving niet klopt?
Het kabinet baseert zich daarbij op de gesprekken die Nederland als gastland voert met de functionarissen van het Hof. Zij zijn het best in staat om de impact van de sancties op hun eigen werkzaamheden te beoordelen. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Heeft u bij de Amerikaanse regering gericht aangedrongen op het intrekken van de sancties tegen het Internationaal Strafhof, ook in uw recente gesprek met uw Amerikaanse ambtsgenoot? Zo ja, hoe heeft u dat gedaan? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is op meerdere niveaus in gesprek met de VS gebleven om de reikwijdte en effecten van de sancties zoveel mogelijk te beperken. Zo heb ik de Nederlandse zorgen over de sancties onder de aandacht gebracht bij de Amerikaanse Secretary of State Rubio. Naar aanleiding van het uitbreiden van de sanctielijst met vier rechters van het Hof op 5 juni jl. is de Amerikaanse tijdelijk zaakgelastigde uitgenodigd op het Ministerie van Buitenlandse Zaken om een toelichting te geven. Daarbij is aangegeven dat Nederland de sancties tegen ambtsdragers van het ISH afkeurt en Nederland pal achter het Hof staat. Ook andere verdragspartijen hebben hun zorgen over de sancties uitgesproken, aangezien zij eveneens een belangrijke verantwoordelijkheid hebben voor het zo onbelemmerd mogelijk laten functioneren van het Hof.
Kunt u toezeggen dat u op nationaal niveau en in Europese Unie (EU)-verband alles in het werk zult stellen om het functioneren en voortbestaan van het Internationaal Strafhof te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet blijft zich op nationaal niveau, in EU-verband en richting de overige verdragspartijen bij het Statuut van Rome onverminderd inzetten om de impact van de huidige sancties zoveel mogelijk te mitigeren en om het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren. Afgelopen maanden heeft Nederland ten volle invulling gegeven aan zijn verplichtingen en verantwoordelijkheden als gastleden.
Deelt u de mening dat Nederland, als gastland van het internationaal Strafhof, een bijzondere verantwoordelijkheid draagt om het Internationaal Strafhof en het werk dat daar gedaan wordt te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Als gastland van het Hof heeft Nederland een aantal bijzondere verplichtingen om ervoor te zorgen dat het Hof zo onbelemmerd mogelijk kan functioneren. Deze verplichtingen zijn vastgelegd in het Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland.1
Deelt u de mening dat het internationaal Strafhof een cruciale rol speelt in het internationale recht en het tegengaan van straffeloosheid? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid om deze sancties publiekelijk te veroordelen? En ook met het woord «veroordelen»? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet is erop gericht het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren. Dat acht het kabinet belangrijker dan het gebruik van specifieke woorden. Zie overigens het antwoord op vraag 4.
Heeft u concrete maatregelen genomen om de toegang van Hoofdaanklager Karim Khan tot voorzieningen te garanderen, die voor diens werk en functioneren van vitaal belang zijn, waaronder IT- en bancaire voorzieningen?
Het kabinet erkent de rechtsmacht die de VS heeft over Amerikaanse bedrijven. Het kabinet is op meerdere niveaus in gesprek met de VS om de effecten van de huidige sancties zo veel mogelijk te beperken. Nederland staat in contact met het Nederlandse bedrijfsleven over de kwestie van de Amerikaanse sancties tegen het ISH, onder meer om zogenaamde overcompliance(verder gaan dan de sancties vergen) te voorkomen. Wegens de vertrouwelijkheid kan er niet in detail worden getreden over de inhoud van deze gesprekken. Bij het mitigeren van de gevolgen van de sancties trekt Nederland zoveel mogelijk op met andere verdragspartijen en roept hen, zowel in EU-verband als in een veelvoud van bilaterale contacten, op om hierbij een actieve rol te spelen. Bijvoorbeeld door in gesprek te gaan met bedrijven die in hun land gevestigd zijn. Alle 125 verdragspartijen hebben namelijk een rol te spelen om het Hof zo onbelemmerd mogelijk te laten functioneren.
Herinnert u zich het bezoek dat de president van het Internationaal Strafhof, rechter Tomoko Akane, op 19 maart jl. aan Brussel heeft gebracht, waarin zij de EU dringend heeft opgeroepen om onmiddellijk het blokkeringsstatuut in te zetten, om het internationaal Strafhof tegen de Amerikaanse sancties te beschermen?
Ja.
Heeft u dat specifieke verzoek van president Akane ondersteund richting de EU en andere EU-lidstaten, conform de motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3019? Zo ja, en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Conform de motie Piri is de inzet van de EU-antiboycotverordening, waar uw vraag naar verwijst, één van de instrumenten die er zijn om de gevolgen van de sancties van de VS tegen het Hof te mitigeren. Zoals eerder aangegeven in het verslag Raad Buitenlandse Zaken van 17 maart,2 zitten er voor- en nadelen aan de inzet van dit instrument. De strategische timing en proportionaliteit van het eventueel activeren van de antiboycotverordening zullen goed moeten worden afgewogen.
Waarom is het Internationaal Strafhof tot op heden nog niet binnen het bereik van het blokkeringsstatuut gebracht, c.q. geactiveerd? Welke obstakels en weerstanden liggen hieraan ten grondslag?
Besluitvorming over het activeren van de EU-antiboycotverordening is in eerste instantie aan de Europese Commissie en het is vervolgens aan de Raad en het Europees parlement om stilzwijgend of uitdrukkelijk kenbaar te maken daar geen bezwaar tegen te hebben. Het kabinet blijft over de inzet en de strategische timing in gesprek met de Commissie en andere lidstaten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de verwachte impact op de lopende diplomatieke inzet richting de VS. Bovendien heeft de antiboycotverordening voor- en nadelen. Sowieso zal de antiboycotverordening bijvoorbeeld alleen gelden voor EU bedrijven en niet voor andere internationale bedrijven die met het Hof samenwerken.
Heeft u juridische, financiële en/of andere steun verleend aan Ngo’s, gericht op voortzetting van hun samenwerking met het Internationaal Strafhof? Zo ja, welke concrete steun heeft u hiervoor geboden? Zo nee, waarom niet?
Nederland levert financiële bijdragen aan enkele organisaties van het maatschappelijke middenveld die zich inzetten voor het versterken van het ISH, bijvoorbeeld door de universele ratificatie en implementatie van het Statuut van Rome te ondersteunen. Daarnaast organiseert Nederland samen met NGO’s regelmatig side events bij internationale conferenties over thema’s die raken aan het werk van het ISH en ook in EU-verband is er doorlopend contact met de meest relevante lokale en internationale NGO’s. Nederland heeft van deze NGO’s vooralsnog geen verzoeken ontvangen om steun te verlenen die specifiek is gericht op de voortzetting van hun samenwerking met het Hof in de context van de huidige sancties.
Is het kabinet in principe bereid politiek asiel aan te bieden c.q. te verlenen aan (voormalige) Amerikaanse medewerkers van het Internationaal Strafhof, indien zij het risico lopen in hun land van herkomst gearresteerd te worden vanwege hun werkzaamheden in het verleden of heden voor het Strafhof? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat de sancties worden uitgebreid naar (voormalig) Amerikaanse medewerkers van het Internationaal Strafhof is op zichzelf bezien niet redengevend om een asielvergunning te verlenen. Ook wordt asiel niet aangeboden, maar dient een persoon die in aanmerking wil komen voor asiel, persoonlijk een verzoek daartoe in te dienen. Het is aan (voormalig) Amerikaanse medewerkers van het ISH zelf om eventueel een asielverzoek in te dienen. Bij de beoordeling daarvan maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een zorgvuldige afweging of iemand voldoet aan de voorwaarden voor asiel. Hierbij wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene en de situatie in het land van herkomst.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van advocaat Geert-Jan Knoops dat Nederland «op grond van Europese wetgeving garanties [kan] geven aan banken dat ze worden gevrijwaard van claims»?
Ja.
Is het kabinet bereid dergelijke garanties aan banken te geven, die door de Amerikaanse sancties (dreigen te) worden belemmerd c.q. bedreigd? Zo nee, waarom niet?
De Europese wetgeving waaraan wordt gerefereerd, is waarschijnlijk de EU-antiboycotverordening. Zie daarvoor het antwoord op vraag 12. In aanvulling daarop geldt dat de antiboycotverordening banken en andere ondernemingen slechts in beperkte mate garanties kan bieden, zeker als zij een belangrijke relatie met de VS hebben.
Kunt u gedetailleerd en uitvoerig toelichten hoe u opvolging heeft gegeven aan de aangenomen motie Piri c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3019)? Kunt u een overzicht geven van de concrete stappen en maatregelen die u in dat verband heeft genomen, op nationaal niveau en in EU-verband?
Voor de opvolging van de motie Piri wordt verwezen naar het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 31 maart jl.3 De afgelopen maanden is de hierin beschreven inzet voortgezet. Het kabinet blijft op meerdere niveaus in gesprek met de VS om de effecten van de sancties zo veel mogelijk te beperken. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4, zijn de Nederlandse zorgen over de sancties nadrukkelijk onder de aandacht gebracht bij de Amerikaanse Secretary of State Rubio en is afkeuring geuit aan de Amerikaanse tijdelijk zaakgelastigde, die daartoe was uitgenodigd op het ministerie. Daarnaast heb ik op 6 juni jl. met de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en op 11 juni jl. met de President en de eerste Vice-President van het ISH onze gedeelde zorgen over de (nieuwe) sancties besproken. Nederland staat verder voortdurend in nauw contact met het Hof. De gevolgen van de sancties worden zo goed mogelijk door het Hof gemitigeerd, met de steun van de verdragspartijen. Nederland draagt hieraan bij, door zorgvuldig te kijken wat het kan en moet doen op grond van de gastlandverplichtingen. Achter de schermen is in dit kader in het afgelopen jaar vanuit verschillende departementen gewerkt aan het in kaart brengen van de risico’s en het waar mogelijk nemen van mitigerende maatregelen. Om succesvol te kunnen zijn, is het noodzakelijk dat dit werk in een vertrouwelijke context plaatsvindt en daarom kan hier niet teveel over in detail worden getreden. Nederland zet de contacten met het (Nederlandse) bedrijfsleven over de kwestie van de Amerikaanse sancties tegen het ISH voort, onder meer om zogenaamde overcompliance te voorkomen. Ook blijft Nederland, zowel in EU-verband als in een veelvoud van bilaterale contacten, andere verdragspartijen oproepen om eveneens een actieve rol te spelen bij het mitigeren van de sancties.
Vindt u het gedrag van deze Amerikaanse regering richting het Strafhof en Nederland het gedrag dat je van een bondgenoot mag verwachten? Zo nee, wat betekent dit voor het bondgenootschap tussen Nederland en de Verenigde Staten?
De trans-Atlantische relatie is cruciaal voor de Europese veiligheid en welvaart. Ondanks uitdagingen, zoals de sancties die zijn opgelegd tegen de hoofdaanklager van het ISH, is het belangrijk een positieve relatie met de VS te onderhouden en in te zetten op een diplomatieke oplossing.
Tijdens het mondelinge vragenuur op dinsdag 20 mei 2025 stelde Minister Brekelmans dat Poetin als oorlogsmisdadiger gezocht werd door het internationaal Strafhof. Bent u inmiddels bereid om Benyamin Netanyahu en Yoav Gallant ook als oorlogsmisdadigers te omschrijven omdat zij, net als Poetin, door het ICC worden gezocht? Zo nee, waarom niet?
Op 21 november 2024 heeft de Kamer van vooronderzoek van het ISH arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen premier Netanyahu en voormalig Minister van Defensie Gallant. Volgens de Kamer van Vooronderzoek zijn er redelijke gronden om aan te nemen dat Netanyahu en Gallant zich schuldig hebben gemaakt aan het (mede)plegen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Het is aan de rechters van het ISH om te beoordelen of zij ook daadwerkelijk oorlogsmisdrijven hebben begaan.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk en vanwege de hoge urgentie binnen 14 dagen na indiening beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.