De petitie voor het beschermen van adresgegevens in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel |
|
Bouchallikh , Tom van der Lee (GL) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de petitie van De Goede Zaak die oproept tot aanpassing van de Handelsregisterwet om adresgegevens van ondernemers te beschermen?1
Ja.
Deelt u de zorgen van de opstellers van deze petitie dat de openbare publicatie in het Handelsregister van de privégegevens van zelfstandige ondernemers, zoals hun huisadres, wordt misbruikt voor intimidatiecampagnes en andere bedreigingen? Zo ja, wat onderneemt u om dit te voorkomen? Op welke wijze geeft u hierbij uitvoering aan de motie Yesilgöz-Zegerius c.s. (Kamerstuk 35 570 VI, nr. 36)?
Ja, deze zorgen deel ik. Het enkele feit dat iemands woonadres bekend is, geeft of impliceert immers niet het recht om die wetenschap ook te misbruiken om deze persoon lastig te vallen of te bedreigen. In gevallen van strafbare intimidatie en bedreiging zijn politie en justitie bevoegd om daartegen op te treden.
Ook nu al kan een ondernemer de KVK verzoeken zijn woonadres af te schermen wanneer er sprake is van een voldoende concrete dreiging. Het in de toekomst standaard afschermen van het als zodanig geregistreerde woonadres van ondernemers is verwerkt in een wijziging van het Handelsregisterbesluit. Het ontwerpbesluit is op 8 februari jl. voor advies aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) voorgelegd. Wanneer dat advies is uitgebracht, kan het ontwerp voor advies naar de Raad van State.
Met de genoemde aanpassing van het Handelsregisterbesluit geef ik deels uitvoering aan de motie Yesilgöz-Zegerius c.s. Voor zover de motie betrekking heeft op vestigingsadressen van ondernemingen zal ik deze motie echter niet kunnen uitvoeren.
Het afschermen van een vestigingsadres van een onderneming (ook wanneer dat tevens als woonadres wordt gebruikt) is met het oog op de rechtszekerheid in het handelsverkeer en het naleven van verplichtingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) van bepaalde afnemers van deze informatie geen voor de hand liggende keuze.
Waar het vennootschappen betreft is afscherming van het vestigingsadres onmogelijk met het oog op Europeesrechtelijke verplichtingen. Uit het Europese recht vloeit voort dat in ieder geval de NV en de BV het Handelsregister moeten worden geregistreerd met een vestigingsadres. Ook het feit dat dit adres tevens een woonadres kan zijn, doet daaraan niets af.
Daarnaast kent het Europese recht ook verplichtingen tot openbaarmaking van vestigingsadressen op, onder andere, websites van ondernemingen in het kader van het consumentenrecht, zodat afscherming van deze vestigingsadressen in het Handelsregister wel mogelijk maar niet zinvol is.
Klopt het dat het register van de Kamer van Koophandel de bron bleek te zijn van de adresgegevens die benodigd waren voor het uitvoeren van intimiderende acties bij de huisadressen van onder andere activisten, schrijvers, wetenschappers en journalisten?
Het is niet bekend wat de bron is geweest van de informatie die is gebruikt, mede omdat niet bekend is welke informatie concreet is gebruikt. Bij de recente stickeractie kan iedereen die uit welken hoofde dan ook weet had van één van de betrokken adressen aan deze actie hebben deelgenomen. Wel is duidelijk dat tenminste van een deel van de personen die op de website van Vizier op Links worden genoemd, gegevens beschikbaar waren in, onder andere, het Handelsregister. Of, en zo ja bij welk(e) register(s) deze gegevens daadwerkelijk zijn opgevraagd is echter niet bekend.
Deelt u de mening dat het mogelijk moet zijn om als ondernemer actief te zijn zonder dat je huisadres openbaar beschikbaar is?
Ja. Dit is ook mogelijk door een ander vestigingsadres te nemen. Woonadressen die als vestigingsadres zijn geregistreerd, blijven in die hoedanigheid altijd openbaar. Zo is het woonadres van een bestuurder, commissaris of aandeelhouder van een rechtspersoon, zoals een BV, sinds 2008 bij het Handelsregister standaard afgeschermd van de openbaarheid. Ook het woonadres van een uiteindelijk belanghebbende is afgeschermd. Het woonadres van een ZZP-er, maat van een maatschap of vennoot van een vennootschap onder firma is openbaar omdat deze personen persoonlijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen van de onderneming. In het geval van een waarschijnlijke dreiging kan een verzoek tot afscherming van het woonadres worden gedaan. Straks zullen als woonadres geregistreerde woonadresgegevens standaard worden afgeschermd.
Klopt het dat u vindt dat het woonadres, indien gelijk aan het vestigingsadres van de onderneming, openbaar beschikbaar moet zijn ten behoeve van juridische handelingen wanneer een zakelijk conflict zich voordoet, en dat openbare beschikbaarheid daarmee noodzakelijk is voor rechtszekerheid in het economisch verkeer? Kunt u dit verder toelichten?
Het vestigingsadres moet openbaar zijn, of dit wel of niet gelijk is aan een woonadres speelt daarbij geen rol. Zonder een concreet adres waar een ondernemer of onderneming bereikbaar is, kan bijvoorbeeld geen factuur worden gestuurd. Ook kan zonder een vestigingsadres een potentiële zakelijke relatie niet nagaan in hoeverre de fysieke vestiging van de onderneming een logische samenhang vertoon met de aard van de onderneming. Deze informatie is erg behulpzaam bij het beoordelen of men met een geloofwaardige wederpartij van doen heeft.
Speelt dit vraagstuk ook in andere Europese landen? Zijn de privégegevens van zelfstandige ondernemers die thuis gevestigd zijn ook daar openbaar beschikbaar? Zijn er lidstaten van de Europese Unie waar dat niet het geval is? Zo ja, leidt dat tot chaos of rechtsonzekerheid in het economisch verkeer?
De voorschriften met betrekking tot het Handelsregister die voortvloeien uit het Europese recht beperken zich hoofdzakelijk tot de NV en de BV. Daarnaast kent het Europese recht ook verplichtingen tot openbaarmaking van vestigingsadressen in het kader van het consumentenrecht.
Bij gebrek aan Europese harmonisatie lopen de nationale regelingen met betrekking tot Handelsregisterinformatie omtrent (equivalenten van) eenmanszaken en zzp’ers in ons omringende landen uiteen.
In Duitsland is bijvoorbeeld de registratieplicht niet primair afhankelijk van de rechtsvorm maar van de omzet. Ondernemers met een jaaromzet van minder dan € 22.000 zijn vrijgesteld van de registratieplicht, omdat voor deze categorie het rechtsvermoeden geldt dat er slechts sprake is van een bijverdienste. Een inhoudelijk vergelijkbare regel voor het definiëren van ondernemerschap geldt ook in Nederland. Ook eenmanszaken en maatschappen hoeven zich in Duitsland niet te registreren, maar dit mag wel. Ook bij een vrijwillige registratie zijn ze voorts aan alle met (verplichte) registratie samengaande verplichtingen onderworpen, waaronder begrepen de openbaarmaking van alle met de onderneming verbonden (woon- en vestigings-) adressen.
In Frankrijk geldt grosso modo hetzelfde systeem als in Nederland, rekening houdend met de aanstaande invoering van de afscherming van het als zodanig geregistreerde woonadres van de ondernemer. Ongeacht de rechtsvorm of omvang zijn alle ondernemingen met hun vestigingsadres in een openbare registratie te vinden. Ondernemers worden gewezen op de voor- en nadelen van het gebruik van hun eigen woonadres als vestigingsadres.
In België zijn van ondernemingen, inclusief zelfstandigen, zowel de maatschappelijke zetel als alle vestigingsadressen geregistreerd in een openbaar register. Voor natuurlijke personen is daarbij de maatschappelijke zetel per definitie het woonadres van de ondernemer.
In het Verenigd Koninkrijk zijn ondernemingen die niet in de vorm van een kapitaalvennootschap zijn opgericht, uitsluitend bij de belastingdienst bekend ten behoeve van belastingheffing. Er is op dit moment geen registratie lijkend op een handelsregister van deze ondernemingen, zodat de vraag naar de al dan niet openbaarheid van gegevens van deze groep ondernemingen zich (nog) niet voordoet. Evenwel wordt ook in het VK gepleit voor het invoeren van een rechtsvorm voor zzp’ers die deze groep juist ten behoeve van de rechtszekerheid onder de registratieverplichting in het (openbare) Britse Handelsregister zou brengen.
In de genoemde landen wordt het belang van een deugdelijke registratie net als in Nederland onderbouwd vanuit het belang van o.a. rechtszekerheid.
Zijn er oplossingen denkbaar waarbij de Kamer van Koophandel, of een andere aangewezen instantie, een rol kan spelen bij het in contact treden bij een zakelijk conflict, zonder die adresgegevens openbaar beschikbaar te stellen, en zonder de noodzaak voor een ondernemer om bij elk beginnend zakelijk conflict gelijk een advocaat in te schakelen?
In mijn antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Yeşilgöz-Zegerius en Aartsen over deze materie ga ik in op mijn voornemen om de stakeholders te raadplegen in de vorm van een consultatie. Door middel van deze consultatie beoog ik te verkennen welke doelen door welke partijen thans worden gediend door middel van (informatie uit) het Handelsregister. Vervolgens zal worden nagegaan of deze doelen ook op andere manieren en mogelijk met minder onwenselijke neveneffecten kunnen worden gediend. De in uw vraag vervatte suggestie zal ik daarbij meenemen.
Klopt het verder dat het kabinet van mening is, zoals aangegeven in de brief van 17 december 2020, dat openbaarheid van vestigingsadressen een belangrijke rol speelt in de due diligence van zakelijke relaties en daarmee van belang is ten behoeve van het voorkomen van oplichting en andere criminele activiteiten, bijvoorbeeld omdat een veelheid van registraties op een enkel adres dan kan worden gesignaleerd? (Kamerstuk 32 761, nr. 177)
Ja, die mening is het kabinet toegedaan.
Is het niet in de eerste plaats de taak van de autoriteiten om oplichting en andere criminele activiteiten te bestrijden? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot uw standpunt over het belang van de openbaarheid van adressen met het zicht op due diligence, wat er op lijkt te wijzen dat u vindt dat openbaarheid van belang is zodat individuele burgers en bedrijven verdachte patronen kunnen ontdekken, zoals een veelheid van registraties op een enkel adres?
Ja, het bestrijden van intimidatie en bedreiging is in eerste instantie de taak van autoriteiten. Tegelijkertijd is de openbaarheid van vestigingsadressen ook, zoals toegelicht in antwoord op vraag 5, relevant voor individuele burgers en bedrijven alsmede in het kader van verplichtingen die voorvloeien uit de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft). Uw Kamer heeft verzocht om ter voorkoming van bedreiging en intimidatie de adressen van ondernemingen af te schermen maar de regering moet de impact op het gebied van rechtszekerheid en voorkoming van fraude en andere criminele activiteiten ook meewegen. Daarvoor is nodig dat het brede publiek in staat wordt gesteld zich ten minste op de hoogte te stellen van het bedrijfsadres van een partij waarmee men overweegt zaken te doen. Daarom is dit deels ook verplicht op basis van Europese regels. Hierin moet een passend en werkbaar evenwicht gevonden worden. Uiteraard kan altijd een ander vestigingsadres dan het woonadres gekozen en geregistreerd worden.
Klopt het ook dat u een oplossing voor dit vraagstuk ziet in vestiging bij een domicilieverlener of elders? Kunt u aangeven welke kosten daar doorgaans aan verbonden zijn voor een ondernemer? Vindt u het acceptabel dat ondernemers met een thuisvestiging die zich bedreigd voelen en daarom niet willen dat hun huisadres online te vinden is, daar financiële gevolgen van moeten ondervinden?
Domicilieverlening in de vorm van een vestigingsadres zonder fysieke voorzieningen is mogelijk voor minder dan € 50 per maand. Of een ondernemer dit bedrag kan betalen voor het afschermen van zijn woonadres, als hij hoofdzakelijk daar (of althans niet hoofdzakelijk op een vast ander adres) zijn activiteiten uitvoert, is een overweging die alleen de ondernemer zelf kan maken. Bij deze afweging zullen diverse factoren betrokken worden. Zo kan de gekozen vestigingsadres mede de uitstraling bepalen van de onderneming ten opzichte van (potentiële) klanten en leveranciers en maakt het daarmee in zekere zin deel uit van het commercieel positioneren van de onderneming. Al deze factoren kunnen op hun beurt een financiële of op geld waardeerbare impact hebben, die de ondernemer in zijn afwegingen zal betrekken.
Erkent u dat er andere obstakels kunnen zijn bij vestiging op een domicilieadres of andere redenen waarom een ondernemer daar niet voor voelt? Kunt u ook toelichten hoe de oplossing van vestiging op een domicilieadres zich verhoudt tot uw standpunt over het belang van openbaarheid van vestigingsadressen ten behoeve van due diligence?
Een ondernemer kan te allen tijde een veelheid aan overwegingen maken die ertoe leiden dat vestiging op een domicilieadres al dan niet een passende optie wordt bevonden. Wwft-instellingen, toezichthouders en ook (potentiële) afnemers, toeleveranciers of dienstverleners maken daarin hun eigen afweging, mede op basis van de due diligence die van hen verwacht mag worden. Of de vestiging op een domicilieadres daarbij een negatieve invloed op de beoordeling heeft, is van allerlei factoren afhankelijk. Een domicilieadres voor een onderneming waarbij men een fysiek zakelijk adres verwacht (zoals een tuincentrum of een garagebedrijf) wekt waarschijnlijk meer verwondering dan een domicilieadres voor een journalist, een sessiemuzikant of een personal trainer die aan huis komt.
De Belastingdienst publiceert een leidraad voor domicilieverleners2 die houvast biedt bij het invullen van hun due diligence en de wettelijke verplichtingen op dat terrein. Wanneer deze leidraad gevolgd wordt, blijft er in de keten tussen de domicilieverlener, zijn klant en diens zakelijke relatie sprake van een voldoende mate van beoordeling en traceerbaarheid.
Klopt het dat de gemeente Amsterdam voornemens is om vanuit de gemeente gratis een adres ter beschikking te stellen waar ondernemers met vestiging aan huis zich kosteloos kunnen registreren? Ziet u dit als een werkbare oplossing? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bekend met plannen van de gemeente Amsterdam op dit punt. In algemene zin geldt wel dat domicilieverlening een economische activiteit is. Activiteiten van een overheid op dit gebied, zijn onderworpen aan de Wet markt en overheid. Een voornemen zoals in uw vraag aangeduid, kan daarmee op gespannen voet staan. Voor zover een overheid bedrijfsmatig optreedt als domicilieverlener, moet overigens eveneens de reeds genoemde leidraad voor domicilieverleners in acht genomen worden.
Bent u bereid om de overwegingen in de bovenstaande vragen mee te nemen in de aangekondigde consultatie en de Handelsregisterwet zo spoedig mogelijk dusdanig aan te passen zodat ingeschrevenen in het Handelsregister altijd de mogelijkheid hebben om aan te geven dat hun privéadressen niet openbaar beschikbaar mogen zijn via het Handelsregister?
Ja, ik zal deze overwegingen in de consultatie meenemen.
De aanpassing in het Handelsregisterbesluit waarmee het als zodanig geregistreerde woonadres wordt afgeschermd zal ik na ontvangst van de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State zo spoedig mogelijk voorhangen bij uw Kamer.
Het bericht ‘TU Eindhoven hervat beleid om vrouwen voor te trekken, maar dan anders’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TU Eindhoven hervat beleid om vrouwen voor te trekken, maar dan anders»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voorkeursbeleid van de Technische Universiteit (TU) Eindhoven binnen het Irène Curie Fellowship-programma, dat vorig jaar door het College voor de Rechten van de Mens (CRM) is teruggefloten omdat het in strijd was met de Nederlandse gelijke behandelingswetgeving?
Zoals ook aangegeven op eerdere Kamervragen van de leden Wiersma, El Yassini en Smals (VVD) is het aan de TU Eindhoven (hierna: TU/e) zelf om een gepast aannamebeleid vast te stellen. De TU/e heeft na het vorige oordeel van het CRM het voorkeursbeleid aangepast en heeft vervolgens het CRM om een oordeel over deze nieuwe aanpak gevraagd. Daarmee laat de TU/e wat mij betreft zien dat zij willen handelen binnen de kaders van de gelijkebehandelingswetgeving, maar ook dat zij serieus gecommitteerd zijn aan het maatschappelijke doel om kansengelijkheid voor vrouwen te bevorderen. Ik waardeer de inzet van de TU/e voor dit maatschappelijke doel zeer.
Op welke manier gaat de TU Eindhoven nu onderscheid maken tussen mannelijke en vrouwelijke sollicitanten? En waarom is dit nu wel toelaatbaar?
Het CRM heeft al in het eerdere oordeel vastgesteld dat er bij de TU/e sprake is van een ernstige achterstand van vrouwen in wetenschappelijke functies in relatie tot het beschikbare aanbod van (internationaal) wetenschappelijk personeel met relevante expertise. Het CRM bevestigt dat vrouwen als gevolg van impliciete gendervooroordelen minder kansen hebben gehad dan mannen om te worden aangesteld en carrière te maken, en dit geldt nog sterker voor technische universiteiten. In die situatie is voorkeursbeleid onder strenge voorwaarden toelaatbaar. Het nieuwe programma voldoet volgens het CRM aan die voorwaarden. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Betekent deze nieuwe manier dat mannen nog steeds worden achtergesteld wanneer zij solliciteren op een vacature waar zogenaamd een «inhaalslag» gemaakt moet worden voor vrouwelijke wetenschappers?
De TU/e geeft aan dat het herziene programma zich hoofdzakelijk richt op vacatures die het meest bijdragen aan het bereiken van het kantelpunt van 35% vrouwen. Mannelijke kandidaten komen voor 50% tot 70% van de vacatures in aanmerking. Het ICF-programma beperkt de uitsluiting van mannen tot die situaties waar de meest ernstige achterstand van vrouwen is.
Op welke manier borgt TU Eindhoven de aanbeveling van het College voor de Rechten van de Mens (CRM) dat de aanpassingen niet toe mogen leiden dat «de kans voor een man op een wetenschappelijke positie voor een substantiële periode nagenoeg verwaarloosbaar wordt»?2
Het CRM heeft op 2 maart 2021 geoordeeld dat het herziene voorkeursbeleid van de TU/e geoorloofd is en geen verboden onderscheid op grond van geslacht meer oplevert. Dat komt met name door twee wijzigingen, die ervoor zorgen dat de aanvankelijke gebreken van het programma zijn aangepast. Ten eerste bevat het ICF-programma nu het criterium dat een vacature alleen in het ICF-programma komt als het aandeel vrouwelijke wetenschappers in een specifieke functiegroep (Universitair Docent, Universitair Hoofddocent of Hoogleraar) in een specifieke faculteit minder dan 35% bedraagt. Slechts wanneer er sprake is van een ernstig tekort aan vrouwen, worden mannelijke kandidaten uitgesloten. Ten tweede schrijft het ICF-programma nu voor dat slechts 30% tot 50% van de in aanmerking komende vacatures in het programma zal worden geplaatst.
De TU/e geeft aan dat het programma tot 1 juli 2024 loopt en jaarlijks zal worden geëvalueerd. Deze evaluatie biedt de mogelijkheid om de breedte van de toepassing te beperken op basis van behaalde positieve resultaten.
Bent u het eens met het oordeel van het CRM dat «de mate waarin mannen worden uitgesloten door de maatregelen nu in evenredige verhouding staat tot het doel dat wordt nagestreefd»? Waarom is het proportioneel om mannen uit te sluiten van functies puur om het feit dat de sollicitant een man is?
Het is niet aan mij om mij hierover uit te spreken. Het College voor de Rechten van de Mens heeft onder andere de wettelijke taak om te oordelen over de vraag of er in een bepaald geval sprake is van verboden ongelijke behandeling. In dit geval heeft het CRM geoordeeld dat het aangepaste ICF-programma aan de wettelijke eisen voor voorkeursbeleid voldoet. Ik juich toe dat de TU/e serieus gecommitteerd is aan het maatschappelijke doel om kansengelijkheid te bevorderen. In die zin draag ik het herziene ICF-programma een warm hart toe.
De capaciteit bij de GGD’en |
|
Jeanet van der Laan (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Alarm over slagkracht GGD weggehoond: «Bewindsman zei: «Infectieziekten zijn toch voorbij»»» en «Een prikafspraak maken kan en moet makkelijker, stellen logistiek experts»?1, 2
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving dat al sinds 2000 gewaarschuwd wordt dat Nederland «onvoldoende is voorbereid»?
In de berichtgeving is gebruikgemaakt van rapporten die sinds 2000 zijn verschenen, daarbij is niet ingegaan op de reactie op die rapporten en de acties die er naar aanleiding van deze rapporten zijn ondernomen en waar uw Kamer via diverse Kamerbrieven van op de hoogte is gesteld. Ten aanzien van het eerste rapport waar sprake van is in dit stuk, de «Staat van de Gezondheidszorg 2005», heeft de toenmalige Minister van VWS op 16 december 2005 uitgebreid naar uw Kamer gereageerd. In 2005 is het huidige Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) als onderdeel van het RIVM opgericht, om de gewenste landelijke, inhoudelijke coördinatie vorm te geven.
In 2014 is het Ministerie van VWS, samen met de VNG, de GGD’en en het RIVM, het Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid gestart. In dit programma zijn de in 2014 tot 2016 verschenen rapporten die in dit artikel genoemd worden betrokken. Uw Kamer is op 12 september 2017 uitgebreid geïnformeerd over de in dit stimuleringsprogramma behaalde resultaten en de manier waarop de publieke gezondheid geborgd werd (Kamerstuk 32 620, nr. 277).
Waren er pandemiedraaiboeken beschikbaar waarbij, met (financiële) hulp van de rijksoverheid, de GGD’en snel konden opschalen in het bron- en contactonderzoek? Zo ja, kunt deze met de Kamer delen en kunt u in uw antwoord aangeven in welke mate ICT voorkomt in deze draaiboeken?
De werkwijze voor opschalen van GGD’en bij infectieziekten is beschreven in het generieke draaiboek dat beheerd wordt door het RIVM3, in GGD-plannen (GGD Rampen Opvang Plan) en in plannen van de veiligheidsregio’s. De opschaling van ICT maakt daarvan – voor zover mij bekend – geen onderdeel van uit. In het generieke draaiboek is geen ziekte-specifieke informatie opgenomen, daarvoor wordt verwezen naar ziekte-specifieke richtlijnen. Een complicerende factor in de huidige pandemie is de aanvankelijke onbekendheid van de eigenschappen van het virus, het voortschrijdend wetenschappelijk inzicht en de daardoor noodzakelijke veelvuldige aanpassingen van het beleid, die steeds in de gehele keten moeten worden doorgevoerd.
In de Wet Publieke Gezondheid is opgenomen dat veiligheidsregio’s, inclusief de inzet van GGD’en, in geval van crises een extra financiële vergoeding kunnen krijgen (art. 62 Wpg). Op basis van dat artikel ontvangen GGD’en nu ook een vergoeding voor hun meerkosten. De voorbereiding op een pandemiescenario maakt ook deel uit van de Nationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 30821–81, 7 juni 2019) en van de regionale risicoanalyses en crisisplannen van de veiligheidsregio’s.
Kunt u de uitspraak dat sinds 2008 is bezuinigd op de GGD’en cijfermatig ontkrachten dan wel bevestigen?
GGD’en zijn gemeenschappelijke regelingen en worden gefinancierd door de aangesloten gemeenten. De gemeenten bespreken elk jaar met de GGD’en welke taken in die regio moeten worden uitgevoerd en hoeveel geld daarvoor beschikbaar is. Het is aan de GGD’en en de gemeenten om daar een goede balans in te vinden. Of er sprake is van bezuinigingen is daardoor niet eenduidig te beantwoorden.
De gemeenten ontvangen geld van het Rijk in het Gemeentefonds om publieke gezondheidstaken te financieren. Bij uitbreiding van taken, zoals bijvoorbeeld de toevoeging van vaccinaties aan het Rijksvaccinatieprogramma, komt VWS met de Vereniging Nederlandse Gemeenten een toevoeging aan het Gemeentefonds overeen.
Ten tijde van het Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid is door AEF onderzoek gedaan naar taken, mensen en middelen van de GGD’en met als titel «GGD’en in beeld». De Kamer heeft per brief van 12 september 2017 dit onderzoek ontvangen (Kamerstukken 32 793, nr. 277). Uit dit onderzoek bleek onder andere dat alle GGD’en de taken uit de Wet publieke gezondheid (Wpg) goed kunnen uitvoeren. Ook bleek uit dat onderzoek dat zij goed ingericht zijn op veranderende omstandigheden en innovatie.
Welke acties zijn vanuit de rijksoverheid ondernomen na het verschijnen van het rapport «Infectieziekte- en tuberculosebestrijding bij GGD’en op orde, maar kwetsbaar» van de Inspectie Gezondeidszorg en Jeugd in 2015?
Zoals de toenmalige Minister van VWS u in mei 2015 heeft gemeld, concludeerde de IGJ dat de GGD-en hun wettelijke taken op het terrein van de infectieziekte- en tuberculosebestrijding over het algemeen goed uitvoeren. IGJ wees daarnaast op de risico’s voor de langere termijn ten gevolge van doorgevoerde bezuinigingen. De paar GGD-en die minder scoorden, konden dit snel verbeteren. In combinatie met het stimuleringsprogramma (Kamerstuk 32 620, nr. 132)4 waarbij de vier pijlers van de GGD-en werden geborgd en waar nodig versterkt, was de overtuiging dat de infectieziekte- en tuberculosebestrijding ook voor de nabije toekomst goed geborgd was. Omdat tuberculose steeds minder voorkomt, vergt het specifieke aandacht om de kwaliteit van de bestrijding te waarborgen. Hiervoor is in 2019 een country review uitgevoerd door ECDC en WHO en de aanbevelingen daarvan worden verwerkt in de update van het Nationaal Plan Tuberculosebestrijding.
Heeft uw ministerie in de periode van 2015 tot februari 2020, voordat de coronacrisis uitbrak, contact gehad met de GGD-GHOR over voorbereidingen op mogelijke pandemieën en de gewenste rol van de GGD’en daarbij? Zo ja, hoe vaak en welke acties vanuit de rijksoverheid zijn hier additioneel uit voortgekomen?
Ja. De voorbereiding op landelijke infectieziektebestrijding is belegd bij de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding van het RIVM (LCI). De LCI heeft veelvuldig contact met GGD’en en zorgt voor inhoudelijke ondersteuning en afstemming over de voorbereiding, en beheert daarvoor onder andere een generiek draaiboek infectieziektebestrijding en specifieke richtlijnen voor A-ziekten, die regelmatig worden bijgewerkt. Zogenoemde Regionaal Arts Consulenten vormen een belangrijke schakel voor de afstemming tussen GGD’en en het RIVM. In het Landelijk Overleg Infectieziektebestrijding (LOI) worden alle zaken besproken die relevant zijn voor de infectieziektebestrijding in Nederland. Het beleidsdepartement van VWS voert hierover regelmatig overleg met het RIVM.
Naast de intensieve contacten die het ministerie heeft gehad met de GGD’en tijdens het bij antwoord 2 genoemde Stimuleringsprogramma Betrouwbare Publieke Gezondheid, vinden ook andere contacten plaatst zoals periodieke overleggen van de directeur publieke gezondheid van VWS met de directeur GGD GHOR, maar ook contacten met de afzonderlijke directeuren PG of gezamenlijk wanneer zij bijeenkomen in hun beraad. Ook is er via het directeurenoverleg crisisbeheersing contact met de veiligheidsregio’s. En hoewel het bestuur van de veiligheidsregio’s in de eerste plaats zorg draagt voor de voorbereiding op uitbraken van A-ziekten (art. 6, Wpg), zijn er ook op het niveau van beleidsmedewerkers contacten met GGD «en, GGD GHOR Nederland-vertegenwoordigers en veiligheidsregio’s over de voorbereiding op pandemieën. Het ministerie heeft daar echter geen overzicht van bijgehouden. Het beleidsdepartement heeft ook een aantal keer meegewerkt aan regionale oefeningen, vaak samen met het RIVM.
Verder lijkt het me in dit verband nuttig om te wijzen op de betrokkenheid van VWS en regionale organisaties bij het opstellen van de Nationale Veiligheidsstrategie (Kamerstuk 30821–81, 7 juni 2019).5 Over de ontwikkelingen en voortgang daarvan wordt u regelmatig geïnformeerd door de Minister van Justitie en Veiligheid.
Kunt u bevestigen dat er sinds 2015 een tekort is aan verpleegkundigen en artsen rondom infectieziektebestrijding? Zo ja, wat is hiervoor de reden en in welke mate zijn de adviezen van het Capaciteitsorgaan gevolgd om dit tekort tegen te gaan?
Ja, er bestaat zowel een tekort aan artsen-infectieziektebestrijding als aan verpleegkundigen infectieziektebestrijding, waarbij er verschillen zijn tussen de GGD-en in aard en omvang van de tekorten.
De afgelopen jaren zijn er minder artsen Infectieziektebestrijding opgeleid dan dat gewenst was volgens de raming van het Capaciteitsorgaan (CO) en waarvoor financiering beschikbaar was vanuit VWS. De exacte reden voor het gebrek aan animo voor deze opleiding is mij niet bekend. VWS heeft door het inrichten van een centraal werkgeverschap met voor iedereen gelijke primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden voor artsen in opleiding zich ervoor ingezet om deze opleiding aantrekkelijker te maken.
Aan de hand van de raming van het CO bepaalt VWS jaarlijks het maximaal beschikbare aantal opleidingsplaatsen per vervolgopleiding. VWS benut daarbij de adviezen van het CO. De afgelopen jaren is ook voor wat betreft de opleiding tot arts infectieziektebestrijding het voorkeursadvies van het Capaciteitsorgaan gevolgd. Ten aanzien van het aantal opleidingsplaatsen voor de opleiding arts Infectieziektebestrijding voor het jaar 2021 is in het voorjaar van 2020 eveneens besloten om het voorkeursadvies van het CO van december 2019 te volgen.
In mijn reactie op de initiatiefnota van de leden van Gerven en Hijink over «Nu investeren in de GGD» van 9 juli jl. heb ik u geïnformeerd over de instroom in de opleiding tot arts Infectieziekten6.
Heeft u bij alle plannen waarbij de GGD’en dienen als uitvoeringsorganisatie eerst contact gezocht met de GGD alvorens dit te communiceren richting de Kamer in uw Kamerbrieven? Zo ja, hoe beoordeelt u dan deze uitspraken in het artikel: «Ook al was er vooraf intensief contact tussen GGD’s», «in de persconferentie hoorden we dan ineens dingen die niet waren afgesproken» en «in Kamerbrieven stonden beloftes terwijl daar in onze beleving nog over gesproken moest worden. Wij moesten het dan weer oplossen.»?
De betrokkenheid van de GGD’en bij de crisisaanpak van het kabinet verloopt als volgt. Veelal worden bepaalde besluiten die raken aan de uitvoering van de GGD’en al gedurende enkele weken voorbereid in periodieke overleggen tussen het ministerie en de GGD’en. De definitieve kabinetsbesluiten landen uiteindelijk in opdrachten aan de GGD en/of in Kamerbrieven. Conceptteksten van brieven aan de Tweede Kamer worden gelezen door medewerkers van GGD GHOR Nederland, de overkoepelende organisatie van de regionale GGD’en, om ervoor te zorgen dat de daarin opgenomen informatie over (afspraken met) de GGD'en correct is. De GGD GHOR is verantwoordelijk voor afstemming binnen de eigen gelederen. Daarnaast vormen OMT adviezen een belangrijke basis voor besluiten van het kabinet inzake de crisisaanpak. OMT adviezen worden besproken in het zogeheten BAO (Bestuurlijk Afstemmingsoverleg), waarin de GGD’en zijn vertegenwoordigd. In het BAO kunnen vanuit uitvoeringsperspectief aandachtspunten worden meegegeven aan het kabinet.
Uiteindelijk wordt het beleid definitief vastgesteld door het kabinet, en het kan natuurlijk altijd voorkomen dat bepaalde onderdelen op basis van laatste inzichten of overwegingen afwijken van wat in het voorafgaande traject is gewisseld.
Wat is volgens u de verklaring dat werknemers van bron- en contactonderzoek genoodzaakt werden om data incompleet aan te leveren bij het RIVM en dat taalbarrières ervoor zorgden dat bron- en contactonderzoek op momenten niet werd gedaan?
In de eerste maanden van de pandemie hield de personele capaciteit voor bron- en contactonderzoek (BCO) geen gelijke trend met de stijging van het aantal besmettingen. Om die reden is vanaf september 2020 ingezet op een uitbreiding van die capaciteit met zo'n 350 fte per week. Sinds december 2020 is in totaal 7.900 fte beschikbaar. In combinatie met de introductie van risicogestuurd BCO heeft dat tot gevolg dat het BCO kwalitatief goed kan worden uitgevoerd.
GGD’en werken daarbij ook met tolken. Er zijn bij mij en GGD GHOR Nederland geen signalen bekend dat taalbarrières een reden vormden om BCO niet uit te voeren.
Hoe zijn de problemen rondom het bron- en contactonderzoek (zoals deze geconstateerd worden in het AD-artikel) opgelost? Zijn er bijvoorbeeld extra mensen aangenomen om de taalbarrière te overbruggen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een privaat-publieke samenwerking tussen bedrijven als Shell, ASML, Bol.com, KLM en Randstad en de GGD’en?
In het najaar van 2020 was snelle opschaling van de testcapaciteit nodig. Daarvoor breidden GGD’en hun al bestaande testactiviteiten verder uit. Onafhankelijk daarvan had ook VNO-NCW plannen ontwikkeld voor opschaling van de testcapaciteit Bij de totstandkoming van de (X)L-locaties in het najaar van 2020 hebben partijen vervolgens nauw samengewerkt en konden de locaties in hoog tempo gerealiseerd worden. De GGD'en hebben de locaties in gebruik genomen.
De huidige realisatie van testlocaties in het kader van het openen van de samenleving («spoor 2») vindt plaats door (samenwerkingsverbanden van) bedrijven. Tussen GGD GHOR Nederland en deze (organisaties van) bedrijven is contact en vindt zo nodig afstemming plaats.
Wanneer en waarvoor was er in 2020 voor het eerst sprake van een dergelijke privaat-publieke samenwerking?
Zie het antwoord op vraag 11.
Waarom worden de voorstellen van de private partijen met betrekking tot een flexibelere afsprakensysteem voor vaccinaties geweigerd, terwijl dit de productiviteit van het afspraken maken kan vergroten?
Het afsprakensysteem van de GGD'en functioneert adequaat. Op basis van de beschikbare vaccins worden een aantal weken vooruit afsprakenslots volgeboekt. Het systeem is verder ontwikkeld en voorbereid op de opschaling die in de komende weken zal plaatsvinden.
Ten aanzien van de werkprocessen op de vaccinatielocaties hebben onder andere private partijen de GGD'en geadviseerd, wat heeft bijgedragen aan de aanzienlijke versnelling van die processen.
Bent u het eens met de stelling dat het niet plannen of aanzienlijk vertragen van het plannen van afspraken ervoor kan zorgen dat vaccinaties langer dan nodig op de plank blijven liggen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen sprake van niet plannen of vertraging van het plannen van afspraken. Voor alle beschikbare vaccins worden een aantal weken vooruit afsprakenslots volgeboekt. Het aantal mensen dat uiteindelijk het vaccin niet komt halen is minder dan 1%. Er blijven geen vaccins langer dan nodig op de plank liggen.
Hoe wordt momenteel voorkomen dat callcenters van de GGD worden overspoeld door bellers die ze niet allemaal kunnen inplannen, of dat ze juist dagenlang niets te doen hebben?
Het personeel in het callcenter is met een omvang van circa 9.500 medewerkers gemakkelijk schaalbaar. Op drukke momenten zijn er veel medewerkers aan het werk en op minder drukke momenten is het aantal actieve medewerkers lager. Het uitnodigen om een afspraak te maken voor vaccinatie wordt gedoseerd, zodat de drukte gespreid kan worden. Tot slot wordt er steeds meer gebruik van het online webportaal voor het maken van afspraken.
Is het uitbreiden van werknemers en het updaten van CoronIT voldoende om de forse stijging in het aantal afspraken de komende weken op te vangen?
Ja dat is voldoende om de drukte op te vangen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja
De miljoenenboete voor ABN AMRO en de wijze waarop deze is vastgesteld |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boete ABN Amro is onvoldoende transparant»?1
Ja.
Klopt het dat het deel van de transactie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij de schikking met de ING-bank 100 miljoen euro was en bij de schikking met ABN AMRO 180 miljoen euro was, en dat de lengte van de periode waarin de tekortkomingen zijn geconstateerd bij beide banken gelijk is?
De bedragen die in de vraag worden genoemd zijn correct en de lengte van de periode waarin de tekortkomingen zijn geconstateerd bij beide banken is gelijk. Dit is ook als zodanig vermeld in de persberichten die het Openbaar Ministerie publiceerde naar aanleiding van de hoge transacties.2, 3
Kan uit dit verschil in hoogte van het bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tussen de ING-bank en ABN AMRO worden opgemaakt dat het voordeel bij ABN AMRO groter was, en dat de structurele overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) derhalve ook groter was? Zo nee, kunt u dan toelichten hoe dit verschil wel geïnterpreteerd dient te worden? Zo ja, kunt u nader toelichten waarom de hoogte van de geldboete bij de ING-bank zoveel hoger was?
Nee, het OM heeft mij laten weten dat genoemde banken verschillend zijn in omvang en qua organisatie. Volgens het OM laat de berekening van de in de onderzochte periode door ABN AMRO bespaarde personeelskosten (het wederrechtelijk verkregen voordeel) zien wat er specifiek bij deze bank nodig was geweest om aan de Nederlandse Wwft-verplichtingen te voldoen. Daarnaast speelt voor het OM een rol dat de activiteiten van ABN AMRO voor 80% in Nederland plaatsvinden. Bij ING was dat 33%. Mede daardoor is het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel bij ABN AMRO substantieel hoger dan bij ING.
Kunt u toelichten wat wordt bedoeld door de Toetsingscommissie Hoge Transacties wanneer zij zeggen dat het bedrag «aanvaardbaar» is?2
De toetsingscommissie adviseert het College van procureurs-generaal of in een strafzaak gelet op alle omstandigheden van het geval sprake is van een passende afdoening waartoe het OM in redelijkheid kan besluiten.5 Het oordeel dat een voorgenomen ontnemingsbedrag aanvaardbaar is moet worden gezien als een onderdeel van een dergelijke toetsing.
Deelt u de mening dat het door het gebrek aan uniforme richtlijnen voor het vaststellen van schikkingsbedragen onduidelijk is of diegene die de transactie betaalt er relatief goed vanaf komt of juist relatief hard wordt bestraft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u zorgen voor meer transparantie aangaande de bepaling van dergelijke transacties?
Het klopt dat er geen uniforme richtlijnen bestaan voor het vaststellen van transactiebedragen bij hoge transacties, er is derhalve sprake van maatwerk. Dit wil niet zeggen dat ik de mening deel dat daardoor onduidelijkheid bestaat over de vaststelling van de hoogte van het transactiebedrag. Hierbij benadruk ik dat de afgelopen jaren door het OM reeds een beweging in gang is gezet om meer transparantie te betrachten met betrekking tot hoge transacties en de transactiebedragen. Dat is ook tot uitdrukking gebracht in de herziene OM-Aanwijzing voor hoge transacties van 4 september 2020. Zo wordt naast een uitgebreid persbericht, feitenrelaas en de transactieovereenkomst nu ook het advies van de toetsingscommissie, het advies van de hoofd advocaat-generaal van het OM en de beslissing van het College van procureurs-generaal openbaar gemaakt. Voorts is in het persbericht en het feitenrelaas toegelicht welke factoren zijn meegewogen bij het bepalen van transactiebedragen, in dit geval de geldboete van 300 miljoen euro en de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van 180 miljoen euro. Zie hiervoor ook het antwoord op vragen 4 en 6. Daarnaast merk ik op dat de antwoorden op Kamervragen van het Lid Van Nispen (SP) van 29 april jl. die tegelijkertijd met deze brief naar uw Kamer zijn gezonden wordt gewezen op het WODC-onderzoek waarin onder andere wordt onderzocht hoe in een aantal andere landen wordt omgegaan met zelfmeldingen door bedrijven op het terrein van financieel-economische criminaliteit6. Op deze wijze wordt gezorgd voor nog meer transparantie aangaande de bepaling van dergelijke transacties.
Kunt u nader toelichten op welke wijze het boetebedrag van 300 miljoen euro tot stand is gekomen en hoe hierbij de diverse factoren, zoals draagkracht, hoeveelheid klanten en de herhaaldelijke interne en externe waarschuwingen zijn gewogen?
Het OM heeft in het in antwoord 2 aangehaalde persbericht aangegeven de geldboete van 300 miljoen euro als passend te zien, gelet op de ernst, omvang en duur van de feiten, de meewerkende houding en het door ABN AMRO getoonde inzicht alsmede haar draagkracht. Tevens geeft het OM aan dat in de hoogte van de boete tot uitdrukking is gebracht dat de ernstige tekortkomingen tot gevolg hebben gehad dat sommige klanten die criminele activiteiten ontplooiden langdurig misbruik hebben kunnen maken van bankrekeningen en andere diensten van ABN AMRO. Ook is rekening gehouden met de herhaaldelijk afgegeven waarschuwingen en signalen door DNB, Compliance, Audit en de Raad van Commissarissen.
Het OM heeft in deze zaak gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de wet biedt om een omzet-gerelateerde boete op te leggen. In art. 23 lid 7 Sr wordt deze mogelijkheid geboden om zo, rekening houdend met de draagkracht van een rechtspersoon, een geldboete met voldoende afschrikwekkende werking te kunnen opleggen. De boete is berekend op basis van het «operating income» van ABN AMRO over het jaar 2020. Het OM heeft bepaald dat een percentage van 5% de ernst, aard en omvang van de strafbare feiten voldoende tot uitdrukking brengt. Hierbij is rekening gehouden met de hierboven geschetste elementen.
Daarnaast is meegewogen dat ABN AMRO heeft meegewerkt aan het strafrechtelijk onderzoek. Ten slotte is meegewogen dat ABN AMRO, onder strikt toezicht van DNB, een herstelplan heeft ontwikkeld en implementeert ten aanzien van onder meer het herstel van bestaande klantendossiers en verbetering van haar klant- en transactiemonitoringsprocessen, het verbeteren van haar compliance en het veranderen van de interne governance en cultuur ter voorkoming van verdere overtredingen van de Wwft. Daarmee moet ABN AMRO structureel waarborgen dat sprake is van een effectieve uitoefening van haar rol van poortwachter. ABN AMRO heeft gedurende het strafrechtelijk onderzoek aan het OM steeds inzicht geboden in de voortgang van dit herstelplan. Verder geeft het OM aan dat dit geldbedrag impact heeft op de verdachte en recht doet aan de structurele wetsovertredingen.
Kunt u bevestigen dat de Toetsingscommissie Hoge Transacties slechts een tijdelijke constructie is?
Vooruitlopend op een wettelijke regeling van rechterlijke toetsing van hoge transacties is in afstemming met mij door het College van procureurs-generaal besloten om in de OM-Aanwijzing voor hoge transacties een tijdelijke regeling op te nemen, waarin voorgenomen hoge transacties door een onafhankelijke commissie worden getoetst en niet langer aan de Minister van Justitie en Veiligheid worden voorgelegd.7 Zodra de wettelijke regeling in werking treedt dient de rechter verlof te verlenen voor het aangaan van een hoge transactie.
Kunt u bevestigen dat de motie van de leden Van Nispen en Groothuizen over een rol voor de rechter bij hoge en bijzondere transacties (Kamerstuk 35 000 VI, nr. 51) momenteel wordt uitgewerkt in een wettelijke regeling die voorziet in een open rechterlijke toetsing van hoge en bijzondere transacties? Zo ja, op welke termijn mag deze regeling worden verwacht?3
Ja, een conceptwetsvoorstel (zie ook het antwoord op vraag 7) waarin onder andere rechterlijke toetsing van hoge transacties wordt geregeld is in maart van dit jaar in consultatie gebracht (Conceptwetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten naar aanleiding van de evaluatie van de Wet OM-afdoening). De ontvangen consultatieadviezen worden momenteel in het wetsvoorstel verwerkt. Daarna zal het wetgevingstraject worden vervolgd.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Bestuurscrisis kostte Avicenna College bijna kwart miljoen euro’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van de Inspectie van het Onderwijs over het Avicenna College1 en het bericht «Bestuurscrisis kostte Avicenna College bijna kwart miljoen euro»?2
Ja.
Hoe is het mogelijk dat het Avicenna College in augustus en september 2020 bijna een kwart miljoen euro heeft uitgegeven aan extra beloningen voor het vaste personeel en aan de tijdelijke inhuur van interim-personeel, zonder dat deze uitgaven iets bijdragen aan een oplossing van conflicten op de school of onderwijs voor leerlingen?
In 2020 maakte SIVOR, het bevoegd gezag van het Avicenna College, een roerige periode door. De inspectie van het onderwijs (verder: de inspectie) heeft over deze periode recent een rapport uitgebracht op basis van een bestuurlijk financieel onderzoek (zie bijlage)3. Het rapport schetst een beeld van een bestuurlijke crisis ten tijde waarvan uitgaven zijn gedaan die niet hebben bijgedragen aan een oplossing van de conflicten op de instelling, en ook niet of nauwelijks aan het onderwijs voor de leerlingen.
Er zijn extra toelages voor het vaste personeel uitbetaald op basis van eerdere toekenningen voor augustus door de voormalig bestuurder. Bij aanvang van het schooljaar bleek een groot deel van de docenten zich ziek te melden en was een ander deel zonder afmelding afwezig. Op dat moment heeft de interim-directeur getracht om tijdelijke docenten in te huren. In de eerste twee weken na de zomervakantie viel echter een groot deel van de lessen uit. De interim-directeur heeft slechts een zeer korte periode daadwerkelijk diensten voor de instelling verricht, maar vastgehouden aan de opzegtermijn in zijn contract.
De inspectie constateert dat achteraf op basis van voortschrijdend inzicht wellicht andere beslissingen genomen zouden zijn. De onderwijsbekostiging kent echter een grote mate van bestedingsvrijheid. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen, binnen de grenzen der wet, waar de bekostiging aan wordt besteed. De inspectie heeft in haar rapport niet geconstateerd dat er sprake was van onrechtmatige uitgaven.
Op welke manier gaat u dit onderwijsgeld terughalen, aangezien het niet doelmatig besteed is aan de kwaliteitsverbetering van het onderwijs?
De Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) bood in 2020 – nog – geen basis om eventuele evident ondoelmatige uitgaven terug te vorderen. Wel is aan de WVO het nieuwe artikel 103a3 toegevoegd dat een basis vormt voor het terugvorderen van evident ondoelmatige uitgaven.4 Dit artikel is op 1 januari 20215 in werking getreden en dient nog, naar aanleiding van het amendement van de leden Rog, Bisschop, en Rudmer Heerema, verder uitgewerkt te worden in een algemene maatregel van bestuur.6
Zijn de problemen bij het Avicenna College sinds het aantreden van een nieuwe bestuurder, op voordracht van de Minister, nu opgelost? Op welke manier houdt de Inspectie van het Onderwijs hier de komende tijd toezicht op?
In reactie op het schriftelijk overleg van 18 december 2020 heb ik uw Kamer aangegeven dat de inspectie de vinger aan de pols houdt.7 Het bestuur heeft herstelopdrachten gekregen en heeft aangegeven ermee aan de slag te zijn gegaan.
Klopt het dat het interne toezicht van het Avicenna College onvoldoende functioneerde en dat het niet in lijn was met de Code Goed Bestuur? Is dat nu wel op orde?
De inspectie constateerde dat een interim-bestuurder op verzoek van de raad van toezicht vanaf 1 augustus 2020 tijdelijk voorzitter van de raad van toezicht was. Daarmee waren de rollen van bestuur en toezicht binnen SIVOR niet gescheiden. Dat is strijdig met de WVO en met de Code Goed Onderwijsbestuur.8 Deze situatie is per 1 oktober 2020 beëindigd, toen een bestuurder en een voorzitter van de Raad van Toezicht werden benoemd. Nu is er sprake van een dagelijks bestuurder – inmiddels directeur-bestuurder – en een raad van toezicht die bestaat uit drie leden.
Welke verantwoordelijkheid heeft de Stichting Islamitisch Voortgezet Onderwijs in Rotterdam (SIVOR) als het gaat om het waarborgen van een goed functionerende interne toezicht? Welke garanties kunt u geven dat SIVOR niet dezelfde fouten maakt bij de stichting van een nieuwe school in Den Haag?
SIVOR is zoals ieder bevoegd gezag gehouden om het interne toezicht en het bestuur in te richten in overeenstemming met de wet. De inspectie houdt toezicht op alle besturen, waarbij de scheiding tussen intern toezicht en bestuur aan de orde komt.
Welke gevolgen heeft dit inspectierapport op de stichting van een nieuwe school in Den Haag door SIVOR?
Het is aan het bestuur van SIVOR of en wanneer de stichting een nieuwe school in Den Haag wil stichten. Zoals bij elke nieuwe school zal de Inspectie van het Onderwijs voor de start van de school onder meer vaststellen of het bestuur kan voldoen aan de eisen van bekwaamheid van degene die onderwijs geven en aan de eisen met betrekking tot onderwijstijd. Kort na de start van een nieuwe school zal de Inspectie van het Onderwijs een risicoanalyse opstellen.
Bent u het ermee eens dat onderwijsgeld besteed moet worden aan onderwijs en niet als extra beloning voor niet functionerende bestuurders? Zo ja, welke maatregelen gaat u op basis van het inspectierapport nemen? Zo nee, waarom niet?
Onderwijsgeld dient te worden besteed aan onderwijs, maar de bekostiging kent zoals gezegd een grote bestedingsvrijheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven constateert de inspectie geen onrechtmatige uitgaven en is er voor in 2020 gedane bestedingen geen grondslag om (evident) ondoelmatige uitgaven terug te vorderen.
Het artikel: ‘Krimpen voert inkomenstoets Wmo in’ |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Krimpen voert inkomenstoets Wmo in»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Krimpen aan de IJssel per 1 juli a.s. een inkomenstoets voor het recht op huishoudelijke hulp gaat invoeren, terwijl de in 2019 ingevoerde Wmo-abonnementstarieven juist tot doel hebben in een inkomensonafhankelijke eigen bijdrage voor huishoudelijke hulp te voorzien?
Ik heb de afgelopen periode gesprekken gevoerd met de gemeenten Krimpen aan den IJssel en Leusden.
De gemeente Krimpen aan den IJssel heeft bij wijziging van de Verordening maatschappelijke ondersteuning (en beleidsregel) een inkomensgrens ingevoerd, die het mogelijk maakt per 1 juli 2021 bij de beoordeling van aanvragen voor de maatwerkvoorziening «hulp bij het huishouden» de financiële draagkracht van cliënten te betrekken. De gemeente meent dat dit besluit in overeenstemming is met de Wmo 2015. De invoering van het abonnementstarief per 1 januari 2019 zou, naar de overtuiging van de gemeente, het begrip «eigen kracht» in een ander perspectief plaatsen waardoor het hanteren van een inkomensgrens mogelijk is en te rechtvaardigen.
Ik heb ook contact gehad met de gemeente Leusden, die op grond van een vergelijkbare motivatie, door middel van een collegebesluit de toepassing van de criteria voor de eigen kracht en zelfredzaamheid heeft aangepast. Per 1 april jl. is de werkwijze zo dat als inwoners voldoen aan de door de gemeente gehanteerde criteria voor financiële draagkracht, zij een aanvraag voor de huishoudelijke hulp (mede) op die grond kunnen afwijzen.
Ik kan mij niet vinden in de besluitvorming van beide gemeenten, aangezien deze aanpassingen evident niet binnen de kaders en uitgangspunten van de Wmo 2015 passen. De Wmo 2015 verplicht gemeenten tot het doen van zorgvuldig onderzoek als iemand zich meldt voor Wmo-ondersteuning.
Als hieruit blijkt dat een cliënt op de gemeente is aangewezen voor ondersteuning – als deze niet zelfredzaam is – moet de gemeente deze ook bieden. De wet laat, bij de beoordeling of een inwoner van een gemeente in aanmerking komt voor hulp en ondersteuning op grond van deze wet, geen ruimte om de eigen financiële middelen van inwoners onder het begrip «eigen kracht» te scharen (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Het voeren van inkomensbeleid is en blijft een verantwoordelijkheid van het Rijk. Dit is expliciet het uitgangspunt geweest tijdens de parlementaire behandeling, zowel bij de totstandkoming van de Wmo 2015 als bij de wijziging van de Wmo 2015 die betrekking had op de invoering van het abonnementstarief, en is ook meerdere malen bevestigd in rechtspraak.2
Vanuit mijn rol als systeemverantwoordelijke ben ik genoodzaakt om gemeenten hierop aan te spreken, wanneer zij hun beleid doorzetten en zich niet aan de kaders van de Wmo 2015 houden. Op 15 juli jl. heb ik bovenstaande toelichting ook aan de wethouders van beide gemeenten kenbaar gemaakt. De verantwoordelijk wethouders zijn daarbij verzocht zorg te dragen voor het in overeenstemming brengen met de uitgangspunten van de Wmo 2015 van genoemde besluitvorming in hun gemeente en mij daar vóór 15 oktober over te informeren. Mochten deze gemeenten hiertoe niet voornemens zijn, dan beraad ik mij op de inzet van het vervolg van de interventieladder in het kader van het interbestuurlijk toezicht.
Bijgevoegd treft u de brieven die aan het college van B&W en de gemeenteraad van Krimpen aan den IJssel en het college van B&W van de gemeente Leusden zijn gestuurd.3 4
Bent u voornemens om de gemeente Krimpen aan de IJssel hierop aan te spreken, aangezien zij niet handelt in overeenstemming met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015? Zo nee, waarom niet? Kunt u ook toelichten waarom de gemeente Assen, dat eenzelfde actie ondernam, wel door u is gecorrigeerd en de gemeente Leusden tot op heden niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van het feit dat de gemeente met deze actie gevolg geeft aan de oproep van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) om de grenzen van de Wmo op te zoeken teneinde de kosten van de uitvoering behapbaar te houden?
De adviezen die de VNG op 23 november jl. aan haar leden heeft gedaan, hebben mij verbaasd, omdat een aantal voorstellen in dit advies niet in lijn is met de wettelijke kaders van de Wmo 2015. Ik vind het onwenselijk dat gemeenten de beleidsruimte dusdanig interpreteren, dat het beleid vervolgens strijdig is met de Wmo 2015, om zodoende het abonnementstarief ter discussie te stellen. Individuele inwoners worden hierdoor mogelijk benadeeld. Zij dienen erop te kunnen vertrouwen dat (decentrale) overheden de wet naleven. Ik heb in het Bestuurlijk Overleg van 10 december 2020 met de VNG benadrukt dat de adviezen van de VNG niet in lijn zijn met de Wmo 2015 en daarbij aangegeven dat ik zal acteren in geval gemeenten zich niet aan de wet houden.
Hoe is in dit kader uw verstandhouding met de VNG, dat een belangrijke rol speelt bij het draagvlak creëren voor- en uitvoering geven aan de nieuwe abonnementstarieven?
Zoals ik ook eerder in mijn brieven over het abonnementstarief5 heb aangegeven verschillen de VNG en het Rijk van inzicht over de wenselijkheid van het abonnementstarief. Echter, vrijwel alle gemeenten voeren deze maatregel binnen de wettelijke kaders uit. Daar waar dat niet het geval is zal ik in contact treden met deze gemeenten.
Heeft u in beeld wat het effect is van de invoering van een individuele gemeentelijke inkomenstoets voor de Wmo op de zorgkosten van de middeninkomens, die financieel zouden moeten worden ontlast met deze nieuwe regeling?
Een belangrijke reden voor de invoering van het abonnementstarief was het beperken van de stapeling van zorgkosten (uit verschillende domeinen). Feitelijk betekent deze maatregel voor een groot aantal huishoudens een vaak aanzienlijke verlaging van de eigen bijdrage. De invoering van een inkomenstoets zal deze beperking grotendeels teniet doen en er toe leiden dat midden- en hoge inkomens te maken krijgen met hogere kosten.
Daarnaast is een inkomensafhankelijke eigen bijdrage erg complex, vanwege de vaststelling van het bijdrageplichtige inkomen (waarbij landelijk inkomensbeleid wordt gevoerd) en het controleren op het overschrijden van de kostprijs. Hierdoor is deze regeling niet alleen duur en complex in de uitvoering, maar ook lastig uitlegbaar richting cliënten. Cliënten weten vooraf vaak niet welke bijdragen ze gaan betalen en de kans op fouten en correcties (met stapelfacturen tot gevolg) neemt toe.
Vindt u ook met dat een stapeling van inkomensafhankelijkheid bovenop ons progressieve belastingsysteem onwenselijk is en met name middeninkomens hard kan treffen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u het standpunt dat de zorgkosten voor middeninkomens met een langdurige zorgvraag zo laag mogelijk moet worden gehouden en dat dit doel te allen tijden moet worden gewaarborgd?
Ik ben van mening dat het goed is dat mensen zelf ook een bijdrage leveren aan zorg en ondersteuning die zij van de overheid ontvangen. Tegelijkertijd wil ik oog hebben voor de stapeling van de zorgkosten voor middeninkomens. Dat was ook een belangrijke reden voor de invoering van het abonnementstarief. Uit de monitor blijkt dat juist ook de middengroepen sterk profiteren van het abonnementstarief.
Wat gaat u doen om de problemen van gemeenten met de Wmo-abonnementstarieven op te lossen en de zorgkosten van de middeninkomens met een langdurige zorgvraag te beschermen?
Zoals aangegeven bij antwoord op vraag 2 en 3 zie ik erop toe dat gemeenten binnen de wettelijke kaders opereren. Daarnaast werken Rijk en VNG in een gezamenlijk proces aan mogelijke beleidsopties die bijdragen aan een betere beheersing van de Wmo-uitgaven op zowel de korte als de lange termijn.
Vaccinatiedwang en vaccinatiedrang met name in relatie tot de invoering van de ‘Digital Green Pass’ |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wanneer is er volgens u sprake van vaccinatiedwang? Kunt u dit wellicht met een concreet voorbeeld illustreren?
Ik vind het belangrijk dat het een vrije keuze is en blijft voor mensen om zich te laten vaccinerenen. De Wet publieke gezondheid (Wpg) biedt ook geen mogelijkheid om iemand onder dwang te vaccineren. Volgens het advies van de Gezondheidsraad van 4 februari jl. is er sprake van dwang wanneer iemand tegen zijn wil wordt genoodzaakt iets te doen of te laten. Vaccinatiedwang betekent dat, met tussenkomst van de rechter, iemand tegen zijn wil wordt gevaccineerd, ook als hij zich (fysiek) verzet. Hiervan is geen sprake in Nederland, waardoor ik geen concreet voorbeeld uit de praktijk kan geven.
Wanneer is er volgens u sprake van vaccinatiedrang? Kunt u dit wellicht ook met een concreet voorbeeld illustreren?
Vanwege de bescherming van de volksgezondheid en de mogelijkheid de samenleving weer te openen, acht ik het van groot collectief belang om deelname aan het vaccinatieprogramma te stimuleren, maar het moet een vrije keuze blijven voor mensen om zich te laten vaccineren. Ik wil ook aansturen op het voorkomen van drang bij de vaccinatiecampagne. Dus ik wil voorkomen dat de beslissingsruimte van iemand wordt ingeperkt of zodanig wordt beïnvloed dat diegene feitelijk minder keuzevrijheid heeft. Eventueel wantrouwen bij mensen wordt niet weggenomen door dwang en verplichtingen. In de overheidscampagnes blijf ik dan ook inzetten op milde vormen van gedragsbeïnvloeding die de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Een voorbeeld van vaccinatiedrang schets de Gezondheidsraad in haar advies van 4 februari jl. Zo geeft de Gezondheidsraad aan dat er sprake is van drang wanneer bijvoorbeeld sprake is van verhoging van de zorgpremie of verhoging van de (inkomens)belasting voor niet-gevaccineerden.
Klopt het dat, volgens het kabinet, vaccinatiedwang en vaccinatiedrang allebei onacceptabel zijn?
Zoals ik aangeef bij de beantwoording van vraag 2, vind ik het van groot collectief belang om deelname aan het vaccinatieprogramma te stimuleren, maar het moet een vrije keuze blijven voor mensen om zich te laten vaccineren. Er mag geen sprake zijn van een coronavaccinatieplicht, zonder dat er enige keuzevrijheid is (vaccinatiedwang). Ook wil ik voorkomen dat de beslissingsruimte van iemand wordt ingeperkt of zodanig wordt beïnvloed dat diegene feitelijk minder keuzevrijheid heeft (vaccinatiedrang). Ik stuur daarom aan op het voorkomen van dwang en drang bij de vaccinatiecampagne. Het kabinet kiest voor beleidsinterventies die de keuze voor vaccinatie kunnen beïnvloeden, maar de keuzevrijheid niet beperken.
Bent u bekend met het plan een Europees «vaccinatiepaspoort» in te voeren, de zogenaamde Digital Green Pass?
Ja.
Zou de invoering van zo’n «Digital Green Pass» er toe kunnen leiden dat gevaccineerden straks vrij kunnen reizen binnen de Europese Unie (EU) terwijl niet-gevaccineerden, voordat ze kunnen reizen, eerst een coronatest zullen moeten ondergaan en wellicht (daarnaast) in het land van aankomst een tijd in quarantaine zullen moeten verblijven?
De concept verordening van de Europese Commissie zoals voorgesteld op 17 maart jl. biedt een kader voor de afgifte, de verificatie en de aanvaarding van interoperabele vaccinatie-, test- en herstelcertificaten ter bevordering van het vrije verkeer van personen tijdens de COVID-19-pandemie, ook wel het Digitaal Groen Certificaat genoemd. Welke versoepelingen lidstaten toekennen aan het dragen van een dergelijk certificaat is aan de lidstaten zelf.
Kan een dergelijke situatie leiden tot «vaccinatiedrang» bij niet-gevaccineerden? Zo ja, wanneer is dit het geval en wat gaat u doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet en bij welke reisbelemmeringen voor niet-gevaccineerden is volgens u dan wél sprake van vaccinatiedrang?
De concept verordening «Digitaal Groen Certificaat» gaat niet in op de toepassing van het certificaat. Het is aan de lidstaten zelf deze in te zetten om maatregelen voor inreizenden te versoepelen. Nederland zet zich ervoor in dat naast een bewijs op basis van vaccinatie, een alternatief beschikbaar is, omdat je hiermee (indirecte) drang of dwang voorkomt. Gezien de huidige epidemiologische situatie en de ontwikkelingen ten aanzien van varianten van zorg acht ik het noodzakelijk voorwaarden te verbinden aan reizen. Zolang die situatie zich voordoet zullen maatregelen danwel voorwaarden gelden voor reizigers. Omdat lidstaten hier eigen afwegingen in maken zou het kunnen dat andere lidstaten hier niet toe geneigd zijn, tot nu toe zie ik geen ontwikkelingen in lidstaten die die kant op gaan.
Stel, heel concreet, dat na de invoering van de Digital Green Pass een gevaccineerde Duitser vrij naar Nederland kan reizen, maar een niet-gevaccineerde Duitser steeds eerst een test (kosten 50 euro per keer) moet ondergaan en vervolgens twee weken in quarantaine in Nederland moet verblijven: is in dit geval sprake van vaccinatiedrang? Zo ja, wat gaat het kabinet doen om dit te voorkomen? En wat gaat het kabinet doen om te voorkomen dat andere EU-landen, in het kader van de Digital Green Pass, dergelijke reisbelemmeringen invoeren die tot vaccinatiedrang bij Nederlanders kunnen leiden? Zo nee, bij welke (extra) reisbelemmeringen voor niet-gevaccineerden (ten opzichte van gevaccineerden), dat wil zeggen bij welke (combinatie van) test- en quarantaineverplichtingen (alleen) voor niet-gevaccineerden, is er wél sprake van vaccinatiedrang?
Zie de beantwoording van vraag 6.
Kunt u een (korte) notitie of brief met de Kamer delen, waarin nader wordt gereflecteerd op het begrip «vaccinatiedrang»? Dat wil zeggen, wanneer is (volgens u) precies sprake van vaccinatiedrang en wanneer niet en hoe verwacht u, niet alleen bij reizen maar op alle levensdomeinen, te gaan voorkomen dat niet-gevaccineerden zich straks gedwongen voelen zich te laten injecteren met een vaccin om zo bijvoorbeeld nog binnen de EU te kunnen reizen? Indien u niet bereid bent een dergelijke notitie of brief te verschaffen, kunnen we hieruit dan concluderen dat de verzekering van het kabinet dat er nooit sprake zal zijn van vaccinatiedrang in werkelijkheid weinig betekent?
Ik vind het belangrijk dat het een vrije keuze blijft voor mensen om zich te laten vaccineren en stuur daarom ook aan op het voorkomen van drang bij de vaccinatiecampagne. Eventueel wantrouwen bij mensen wordt immers niet weggenomen door dwang, drang en verplichtingen. In de overheidscampagnes blijf ik ook inzetten op milde vormen van gedragsbeïnvloeding die de keuzevrijheid van mensen niet beperken. Tegelijkertijd moet bij beleidsinterventies rondom COVID-19 (zoals quarantaine maatregelen) het collectieve belang van bescherming van de volksgezondheid steeds worden afgezet tegen de mate waarin de beleidsinterventie ingrijpt op individuele rechten en belangen. In het advies van de Gezondheidsraad Ethische en Juridische afwegingen COVID-19-vaccinatie van 4 februari 2021 staat ook beschreven dat drang niet per definitie onaanvaardbaar is, maar dat er wel een rechtvaardiging voor moet bestaan. In mijn brief van 8 maart 2021 aan de Kamer heb ik ook aangegeven dat het afwegingskader van de Gezondheidsraad bruikbare handvatten biedt in het geval dat het kabinet bij een hoge infectiedruk en eventueel lage vaccinatiegraad in de toekomst wel reden ziet om meer dringende interventies te overwegen om de samenleving te beschermen tegen het coronavirus.
De sluiting van de noodopvang voor ‘niet- rechthebbende’ dak- en thuislozen |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Waarom heeft u ervoor gekozen de noodopvang van «niet-rechthebbende» dak- en thuislozen per 1 mei te sluiten?
Omdat de lockdown langer van kracht bleef dan wij in maart voorzagen, is de noodopvang niet per 1 mei jl. gesloten, maar is de afbouw van de noodopvang gestart vanaf 19 mei, het moment waarop stap 2 van het openingsplan is ingegaan. De afbouwperiode duurt tot 2 juni.
Ik heb sinds het begin van de pandemie, via de richtlijn «Opvang dak- en thuisloze mensen», gemeenten opgeroepen om, vanuit humanitaire overwegingen, alle dak- en thuisloze mensen opvang te bieden zo lang sprake is van een landelijke lockdown. Nu het kabinet de lockdown-maatregelen aanpast op basis van het openingsplan, heb ik gemeenten op 21 april jl. gevraagd de noodopvang open te houden totdat stap 2 van het openingsplan ingaat1 en pas vanaf dan de noodopvang in twee weken af te bouwen.
Vindt u het verantwoord, met oog op de stijgende en hoge besmettingscijfers, om deze mensen op straat te zetten?
Het RIVM heeft eerder aangegeven dat het niet aannemelijk is dat er op straat een groter risico is op verspreiding van COVID-19 onder dak- en thuisloze mensen dan in de opvang. De opvang gedurende de lockdown vindt dan ook plaats op basis van humanitaire overwegingen, omdat we tijdens een algehele lockdown van iedereen in Nederland vragen zo veel mogelijk thuis te blijven. De afbouw vindt – zoals eerder aangegeven – bovendien pas plaats vanaf stap 2 uit het openingsplan (19 mei). Op dit moment is geen sprake meer van stijgende besmettingscijfers.
Als iemand die nu vanuit de noodopvang op straat komt te staan ontdekt corona te hebben, hoe moet deze persoon dan aan de quarantaineplicht voldoen?
Instellingen voor de maatschappelijke opvang hebben quarantaine mogelijkheden geregeld, ook voor deze mensen. Dakloze mensen die geen gebruik van de opvang willen of kunnen maken, kunnen zich melden bij de GGD. Zij zullen in overleg met de maatschappelijke opvang-instelling op zoek gaan naar een quarantaine mogelijkheid.
Welke voorzieningen zijn er voor de mensen die door de sluiting van de noodopvang op straat komen te staan, aangezien met het wegvallen van de noodopvang ook voorzieningen wegvallen, toiletten zijn bijvoorbeeld niet openbaar toegankelijk, zeker in deze tijden?
In de meeste gemeenten zijn afdoende voorzieningen aanwezig waar mensen terecht kunnen voor bijvoorbeeld toiletbezoek, zoals in inloophuizen die juist voor kwetsbare doelgroepen open blijven. Mij zijn geen signalen bekend dat dit in de praktijk tot problemen heeft geleid.
Ziet u ook dat door de sluiting het probleem ontstaat dat «niet-rechthebbende» dak- en thuislozen onvindbaar en onbereikbaar zijn voor een vaccinatie-oproep? Hoe gaat u dit oplossen?
GGD regio’s hebben, in overleg met onder andere opvanginstellingen, straatdokters en gemeenten, een apart vaccinatieplan ontwikkeld voor de groep dakloze mensen, inclusief niet-rechthebbende dakloze mensen. Uw Kamer is hierover geïnformeerd via de stand van zaken COVID-19 brief op 11 mei2. In de meeste regio’s start de vaccinatie vanaf 24 mei. Dit valt samen met de afbouw van de noodopvang (woensdag 19 mei), waardoor gemeenten, in overleg met de GGD-regio en de opvanginstellingen, de periode van afbouw zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij het moment van vaccinatie. Dakloze mensen worden op dit moment geïnformeerd over de mogelijkheid zich te laten vaccineren. Dat gebeurt niet alleen in de noodopvang, maar ook op andere plekken waar deze doelgroep zich doorgaans bevindt. De vaccinatie vindt in de meeste regio’s op meerdere momenten plaats, op laagdrempelige locaties en met behulp van vertrouwde gezichten zoals straatartsen.
Bent u bekend met de wens van bijvoorbeeld het college van Amsterdam en de Haagse gemeenteraad om de noodopvang open te houden?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Bent u van plan aan die wens gehoor te geven? Waarom wel of waarom niet?
Voor zover mij bekend was de oproep van de Amsterdamse en Haagse gemeenteraad om de opvang open te houden zolang als de lockdown duurt. Met mijn oproep tot verlenging van de opvang tot stap 2 van het openingsplan, is aan die wens tegemoet gekomen.
Bent u bereid de noodopvang te verlengen zolang de coronaroutekaart een risiconiveau 2 of hoger aangeeft? Waarom wel of waarom niet?
In overleg met de VNG heb ik ervoor gekozen de afbouw van de noodopvang te koppelen aan stap 2 van het openingsplan. Alleen in het geval van een landelijke lockdown roep ik gemeenten op deze opvang te openen, omdat we dan aan alle mensen in Nederland vragen zoveel mogelijk thuis te blijven.
Bent u bereid de noodopvang te verlengen, in ieder geval totdat het vaccinatieprogramma is afgerond? Waarom wel of waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 5 en 8. Dakloze mensen zijn al zoveel als mogelijk geïnformeerd over de mogelijkheid zich te laten vaccineren vanaf 24 mei. Ik heb gemeenten op 19 mei opgeroepen de afbouw van de opvang zoveel mogelijk aan te laten sluiten op het regionale vaccinatieprogramma via de richtlijn voor de opvang van dak- en thuisloze mensen.5
Deelt u met mij de mening dat iedereen, ongeacht status, het recht heeft op een dak boven het hoofd?
In de Grondwet is bepaald dat de overheid zich dient in te spannen voor de bevordering van voldoende woongelegenheid. In diverse wet- en regelgeving zoals de Woningwet, het Bouwbesluit 2012 en de Huisvestingswet 2014 is dit nader uitgewerkt. Om te komen tot meer woonplekken (met begeleiding) heeft het kabinet in het kader van de brede aanpak dak- en thuisloosheid, Een (t)huis, een toekomst, in 2020 en 2021 een extra financiële impuls van 200 mln. euro beschikbaar gesteld. Dit geld is beschikbaar voor gemeenten ter uitvoering van regionale plannen van aanpak, gericht op het terugdringen van dak- en thuisloosheid. Daarnaast is in het kader van het doorbouwplan 50 mln. euro beschikbaar gesteld voor de huisvesting van kwetsbare groepen.
Ingevolge het koppelingsbeginsel zijn onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in beginsel uitgesloten van voorzieningen, waaronder opvang en huisvesting. Onrechtmatig verblijvende vreemdelingen waarvan de 28-dagen vertrektermijn is verstreken kunnen onder voorwaarden worden opgevangen in een Vrijheidsbeperkende Locatie (vbl). Daarnaast kan, onder voorwaarden, verblijf en begeleiding worden geboden aan onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in de Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV’s). In dit kader lopen er pilots in vijf gemeenten waarin onderdak en begeleiding wordt geboden teneinde een bestendige oplossing te vinden. Hieronder wordt vertrek naar het land van herkomst, doormigratie, of, alleen indien aan de orde, legalisering van verblijf verstaan.
Veel hulpverleners constateren dat de noodopvang perspectief en ruimte biedt aan deze groep mensen om te werken aan structurele oplossingen op het gebied van werk, wonen en verblijf in of vertrek uit Nederland. Erkent u dit ook?
Ik herken de door u genoemde constatering van hulpverleners. Tegelijkertijd geven hulpverleners ook aan dat voor een deel van de groep de motivatie om mee te werken aan een structurele oplossing ontbreekt, zolang het mogelijk is in de opvang te blijven. Sinds het begin van de lockdown in december tot in ieder geval 19 mei hebben hulpverleners zich ingezet om deze mensen te begeleiden naar een passende volgende stap na de noodopvang, bijvoorbeeld de terugkeer naar werk of terugkeer naar het land van herkomst. De noodopvang is echter een tijdelijke maatregel, genomen op basis van humanitaire overwegingen, rechtstreeks gekoppeld aan de lockdown.
Gemeenten zetten zich, op grond van de Wmo2015, structureel in voor dak- en thuisloze mensen. Via Een (t)huis, een toekomst, de brede aanpak dak- en thuisloosheid, werken gemeenten en andere partijen met extra middelen aan preventie, vernieuwing van de opvang en de realisatie van 10.000 extra woonplekken om de omslag van «opvang naar wonen» eerder te kunnen maken. We ambiëren hiermee dak- en thuisloosheid te voorkomen en ervoor te zorgen dat niemand op straat hoeft te slapen. Tevens dat dak- en thuisloze mensen zo snel mogelijk een woonplek met begeleiding aangeboden krijgen en alleen in de maatschappelijke opvang verblijven, idealiter nooit langer dan drie maanden, als er echt geen andere mogelijkheid is.
Door middel van maatschappelijke kosten en batenanalyses wordt in beeld gebracht wat de effecten van deze beoogde beweging zijn, zodat het structurele beleid en de doelstellingen voor de jaren erna nog gerichter kunnen worden vormgegeven.
Voor buitenlandse werknemers die dak- en thuisloos zijn geraakt, ben ik samen met het Ministerie van SZW, JenV, BZK en gemeenten in april 2021 gestart met een werkgroep voor een betere aanpak om de situatie van dakloosheid te voorkomen dan wel op te lossen. Door de bredere openstelling van de noodopvang als gevolg van corona, kwamen de problemen van deze doelgroep meer dan ooit in beeld. Het betreft in de meeste gevallen EU-burgers die dakloos zijn geraakt. Gemeenten hebben mij verzocht om ook voor de periode na corona de problemen van deze doelgroep die al langer bekend is, gezamenlijk op te pakken.
In het kader daarvan heb ik in gezamenlijkheid met andere departementen en gemeenten opdracht gegeven voor een onderzoek naar de problemen van deze specifieke groep en wordt bezien welke interventies succesvol zijn deze groep sneller terug naar werk of het land van herkomst te begeleiden. Structurele onderliggende problemen rondom Europese arbeidsmigranten worden reeds opgepakt in de implementatie van het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten.6 De scope van de werkgroep dakloosheid EU-migranten is afgestemd op het proces van de implementatie van het rapport zodat er geen dubbelingen ontstaan.
Voor onrechtmatig verblijvende vreemdelingen werken Rijk en gemeenten in de eerdergenoemde LVV-pilots samen aan het vinden van bestendige oplossingen door onderdak en begeleiding te bieden (zie antwoord vraag 10). Zoals gemeld aan uw Kamer is de omschrijving van de doelgroep van de LVV landelijk afgesproken.7 Voor de vreemdelingen die zijn toegelaten tot de LVV wordt een begeleidingstraject gestart. Medewerking hieraan is een voorwaarde voor het tijdelijk onderdak in de LVV. Het doel van de LVV is het vinden van een bestendige oplossing, waarbij de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid heeft. Het onderdak en de begeleiding zien op het ondersteunen van die eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling.
Welke structurele oplossingen heeft u voor ogen om te zorgen dat iedereen, ongeacht status, een dak boven het hoofd kan hebben en niemand meer op straat hoeft te slapen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bekend met het Housing First-model in de aanpak van dakloosheid?
Ja, ik ben zeker bekend met het Housing First-model. De ambitie van Een (t)huis, een toekomst is gestoeld op het maken van een omslag «van opvang naar wonen». Naast het op termijn af- en ombouwen van de opvangcapaciteit pakken gemeenten dak- en thuisloosheid aan op basis van het principe «wonen eerst» zodat o.a. kwalitatieve begeleiding, dagbesteding, inzet van ervaringsdeskundigheid en kleinschalige ondersteuning van (dreigend) dak- en thuisloze mensen in de wijk kan worden bereikt.
De gezamenlijke ambitie is om in lijn met het RVS-advies «Herstel begint met een huis» dak- en thuisloze mensen zo snel als mogelijk door te laten stromen naar een zo zelfstandig mogelijke passende woonplek met maatwerk begeleiding. Centrumgemeenten zijn via de financiering van de regionale plannen (die diverse vormen van «wonen met begeleiding» waaronder Housing First bevatten) en het brede ondersteuningsaanbod vanuit VWS, BZK en SZW gefaciliteerd om hieraan bij te dragen.
Wat is uw mening over dit model en ziet u kansen dit in Nederland te implementeren? Waarom wel of waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Het feit dat niet-EU-familieleden van expats geen toegang hebben tot Nederland |
|
Don Ceder (CU), Pieter Grinwis (CU), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Jan Paternotte (D66), Kiki Hagen (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Expats campaign to lift travel restrictions for international family members»?1
Ja.
Bent u het eens dat er in het inreisbeleid van Nederland een onderscheid moet worden gemaakt tussen familie van Nederlanders of legale inwoners van Nederland enerzijds en toerisme anderzijds?
Ja. Dit is staand beleid. Het EU-inreisverbod betreft een inperking voor alle niet-noodzakelijke reizen van personen vanuit derde landen naar EU+landen met als doel de verspreiding van het COVID-19 virus tegen te gaan.2 Bepaalde familieleden van Nederlanders en van derdelanders met rechtmatig verblijf vallen niet onder het EU-inreisverbod. Andere familieleden, die wel onder de reikwijdte van het EU-inreisverbod vallen kunnen onder omstandigheden daarvan worden uitgezonderd.
Klopt het dat familieleden van Nederlanders of inwoners van Nederland met een verblijfsvergunning niet naar Nederland mogen reizen wanneer ze onderdanen zijn van een derde land? Zo ja, in welke gevallen kunnen zij in aanmerking komen voor een visum «kort verblijf»?
Nee, dat klopt niet. Unieburgers en hun gezinsleden, derdelanders met een verblijfsvergunning en hun gezinsleden en personen met een visum voor lang verblijf (MVV) vallen niet onder de reikwijdte van het EU-inreisverbod. Het EU-inreisverbod kent verder een aantal uitzonderingscategorieën3. Er is daarnaast een EU-veiligelandenlijst, waarop de landen staan die momenteel niet onder het EU-inreisverbod vallen. Voor personen uit visumplichtige landen geldt de gebruikelijke visumprocedure.
Hoe kijkt u aan tegen de bewering in het bericht dat het inreisverbod van de Europese Unie, ingaat tegen artikel acht in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat voorziet in het recht voor privé en familieleven?
Van een schending van artikel 8 EVRM is in de ogen van het kabinet niet snel sprake. Allereerst vallen onder andere Unieburgers en hun gezinsleden en derdelanders met een verblijfsvergunning niet onder het inreisverbod. Zij kunnen dus ondanks het inreisverbod hun familieleden hier in Nederland bezoeken. Indien het gaat om familieleden die wel onder de reikwijdte van het EU-inreisverbod vallen, kan een individuele afweging worden gemaakt waarbij zwaarwegende redenen met betrekking tot familiegerelateerde omstandigheden voor verblijf in Nederland worden meegewogen. Daarbij merkt het kabinet op dat het in artikel 8 EVRM opgenomen recht op privé en familieleven geen absoluut recht tot toegang tot Nederland behelst. In het belang van onder andere de bescherming van de volksgezondheid kunnen deze rechten in individuele situaties beperkt worden.
Klopt het dat de Nederlandse vliegverboden nog minder uitzonderingsbepalingen kennen dan het algehele EU-inreisverbod, waardoor familie niet Nederland in kan reizen? Waarom is voor deze afwijking van het EU-beleid gekozen?
Ja, dit klopt. Zoals ook in de beantwoording van vragen van het lid Van Haga van 4 mei jl. wordt toegelicht was er tot 1 juni naast het inreisverbod voor een aantal landen een vliegverbod van kracht.4 Dit was een aanvullende nationale maatregel die naast het inreisverbod gold. Een vliegverbod kent beduidend minder uitzonderingen dan het inreisverbod en daardoor kan het voorkomen dat personen wel zijn uitgezonderd van het inreisverbod, maar niet van het vliegverbod. Dat heeft te maken met het feit dat het een extra maatregel bovenop het inreisverbod is om met name mutaties van het coronavirus buiten de deur te houden. Daarom gelden er minder uitzonderingscategorieën.
Het kabinet was zich er van bewust dat er schrijnende situaties waren waarbij mensen niet naar Nederland konden vliegen vanwege zwaarwegende redenen om familie te bezoeken. Daarom heeft het kabinet het met de laatste verlenging van de vliegverboden van 15 mei jl. mogelijk gemaakt dat familieleden – ondanks het vliegverbod – die voor een dringende zwaarwegende reden naar Nederland moeten komen, uitgezonderd konden worden van het vliegverbod en daarmee toch direct naar Nederland konden vliegen. Hierbij zocht het kabinet naar een balans tussen enerzijds een oplossing voor personen die vanwege zwaarwegende redenen familie in Nederland wensen te bezoeken en anderzijds de gezondheidssituatie in een land waarvoor een vliegverbod gold. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten op de reeds bestaande en vergelijkbare uitzondering voor het inreisverbod. Daarnaast had het kabinet oog voor de uitvoeringsaspecten die hieraan gerelateerd zijn. De testverplichtingen en overige coronamaatregelen voor personen afkomstig uit deze landen bleven onverkort gelden.
Hoe verhouden de Nederlandse vliegverboden en daarbij horende uitzonderingsbepalingen zich ten opzichte van andere Schengenlanden aangaande familieleden van EU-inwoners met een nationaliteit uit een derde land? Zijn er landen die zulke familieleden wel toelaten?
Uit een rondgang langs een aantal EU-lidstaten (België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Zweden) komt het volgende beeld naar voren. Frankrijk, Spanje, Zweden en Duitsland kennen een uitzondering voor familieleden van EU-inwoners die al dan niet vanwege zwaarwegende redenen wensen in te reizen. Italië en België daarentegen kennen geen mogelijkheden voor familieleden woonachtig in een aantal landen om in te reizen.5
Kunt u zich vinden in het argument dat mensen die via een omreis toch Nederland bereiken meer besmettingsmogelijkheden hebben dan mensen die direct naar Nederland vliegen, testen, en direct in quarantaine gaan als nodig?
Dat is niet één op één zo te zeggen. Dit hangt onder andere af van de manier van reizen. In het algemeen geldt wel dat hoe korter de reis is, hoe kleiner de besmettingsrisico’s zijn.
Bent u bekend met het radiointerview van ABC Suriname, waarin de schrijnende situatie wordt omschreven dat nabestaanden hun overleden familielid niet kunnen opzoeken vanuit Suriname door het vliegverbod?2 Hoe reflecteert u op dit interview?
Het kabinet betreurde de diverse schrijnende situaties die omschreven worden in de vraag en ter sprake zijn gekomen in het interview dat nabestaanden geen afscheid kunnen nemen van hun overleden familielid in Nederland door het vliegverbod voor Suriname. Het kabinet had daarom voor schrijnende situaties een passende oplossing gevonden. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat het uitsluiten van eerste-en tweedegraads familieleden bijvoorbeeld voor Surinamers maar ook over families verspreid over de Europese Unie, die vaak familie in Nederland hebben en andersom, problematisch is en schrijnende situaties kan opleveren?
Het kabinet betreurt alle schrijnende situaties, zoals voor eerste- en tweedegraads familieleden woonachtig in Suriname, die als gevolg van vliegverboden zijn ontstaan en is zich daar ook van bewust. Het kabinet had daarom voor schrijnende situaties een passende oplossing gevonden. Zie verder het antwoord op vraag 5.
Kunt u voor deze families, zowel voor families binnen de Europese Unie als daar buiten, duidelijkheid geven onder welke voorwaarden wel of niet gevlogen mag worden? Wat is een noodzakelijke reis en wat is het perspectief voor deze groep voor wanneer familiebezoeken wel plaats mogen vinden?
Zie het antwoord op vraag 5. Per 1 juni is de wetswijziging ten behoeve van de invoering van de quarantaineplicht van kracht geworden. Daarmee zijn de vliegverboden opgeheven. Het is voor familieleden – indien zij voldoen aan een uitzondering op het inreisverbod – weer mogelijk geworden om vanuit bepaalde landen weer naar Nederland te vliegen.
Is het mogelijk om een uitzondering te maken op het vliegverbod vanuit Zuid-Afrika en Midden- en Zuid-Amerika voor mensen die een verblijfsvergunning toegekend hebben gekregen en deze nu in Nederland kunnen collecteren en tegelijkertijd onder de lange-afstandsrelatie-uitzondering vallen waarbij de rest van de coronamaatregelen voor reizigers zoals het overhandigen van een negatieve test en verplichte quarantaine in stand wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Het was zo dat personen die vanwege hun nationaliteit naast een verblijfsvergunning ook een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) dienen aan te vragen niet op basis van een mvv waren uitgezonderd onder het vliegverbod. Dit geldt ook – eventueel in combinatie met het voorgaande – voor personen die op basis van de tijdelijke regeling langeafstandsgeliefden Nederland wensen in te reizen. Met de invoering van de wetswijziging inzake de quarantaineplicht is deze situatie verholpen.
Is het mogelijk om een uitzondering te maken op het vliegverbod vanuit Zuid-Afrika en Midden- en Zuid-Amerika voor niet-EU-familie van Nederlanders of inwoners van Nederlanders in het geval van ernstige ziekte, een zware operatie, mogelijk overlijden van een familielid of juist geboorte van een nieuw familielid waarbij de rest van de coronamaatregelen voor reizigers zoals het overhandigen van een negatieve test en verplichte quarantaine uiteraard in stand wordt gehouden? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid, gezien de speciale banden met Nederland, specifiek voor Suriname uitzonderingen voor eerste-en tweedegraads familieleden toe te staan op de vliegverboden? Zo nee, waarom niet? Ziet u hier nog een speciale rol voor Nederland in het faciliteren van testen die dergelijke uitzonderingen veilig mogelijk zouden kunnen maken, zoals in samenwerking met Suriname een testfaciliteit op vliegveld Zanderij instellen die veilig reizen weer mogelijk maakt?
Het kabinet had, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 5, voor schrijnende situaties een passende oplossing gevonden. Dat moest ook een oplossing bieden aan familieleden woonachtig in Suriname in bijzonder schrijnende gevallen. Generieke uitzonderingen op het vliegverbod voor eerste- en tweedegraadsfamilieleden waren – ook voor Suriname – voor het kabinet echter niet wenselijk.
Er waren geen signalen bij het kabinet bekend dat de testfaciliteiten in Suriname onvoldoende zouden zijn en daardoor verhinderden dat personen naar Nederland konden reizen.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en afzonderlijk beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt u de beantwoording binnen twee weken te doen toekomen.
Het bericht dat volgens de secretaris-generaal van de Verenigde Naties de wereld op de rand van de afgrond staat door de klimaatcrisis. |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «VN-chef Guterres: wereld op rand afgrond door klimaatverandering» en «Climate change indicators and impacts worsened in 2020»?1, 2
Ja.
Kunt u een uitgebreide reactie formuleren op het WMO-rapport «State of the Global Climate 2020»?3
Later dit jaar (rond augustus) komt het IPCC AR6 Werkgroep I rapport «The Physical Science Basis» uit. Daarna zal ik een kabinetsappreciatie geven van de laatste inzichten in ons klimaatsysteem, waarbij ik ook in zal gaan op het WMO-rapport.
Onderschrijft u de stelling van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties dat de wereld op de rand van de afgrond staat door de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
In het WMO-rapport waaraan de secretaris-generaal refereert staat dat niet zo geformuleerd, maar het is duidelijk dat de gevolgen van klimaatverandering zich wereldwijd steeds sterker doen voelen en dat er geen tijd te verliezen meer is om de mondiale emissies om te buigen en te doen afnemen voor 2030, als we de doelen van Parijs binnen bereik willen houden. Daartoe zijn aangescherpte klimaatambities voor 2030, zoals van de EU en nu ook de VS, essentieel.
Wat zegt het u dat de gemiddelde wereldwijde temperatuur in 2020 zo’n 1,2°C hoger lag dan in de pre-industriële tijd?
Dat zegt mij dat er haast is geboden met vermindering van de mondiale uitstoot om de Parijsdoelen, met name beperking van de opwarming tot 1,5 graden aan het eind van deze eeuw, niet buiten bereik te brengen. De kans is al groot dat we eerst over de 1,5 graden heen zullen gaan, voordat we die in 2100 tot 1,5 graden hebben teruggebracht.
Erkent u dat daarmee de opwarming van de Aarde nog verder is opgeschoven naar de kritische grens van 1,5°C? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Erkent u dat iedere tiende van een graad opwarming een groot verschil maakt, zoals o.a. werd aangetoond in het IPCC-rapport «Global Warming of 1.5°C»?4 Zo nee, waarom niet?
Ja, elke tiende graad maakt verschil. Het IPCC 1,5 graden rapport heeft al duidelijk gemaakt dat de verschillen in effecten significant verschillen tussen 1,5 en 2,0 graden opwarming.
Erkent u dat het beperken van de opwarming van de Aarde tot 1,4°C veiliger is dan een opwarming van 1,5°C? Zo nee, waarom niet?
In principe wel, maar zoals gezegd zal het al heel lastig worden om overschrijding van de 1,5 graden in de loop van deze eeuw te vermijden; daarna is het terugbrengen van de opwarming tot een zo laag mogelijk niveau gewenst.
Erkent u dat het 1,5°C-doel uit het Parijsakkoord daarom geïnterpreteerd moet worden als absolute bovengrens? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 7.
Erkent u dat het belangrijk is om de verschillende crises van deze tijd – zoals de klimaatcrisis, de natuurcrisis en de coronacrisis – in samenhang aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is verstandig om de verschillende crisissituaties tegelijk aan te pakken. Dat is ook de inzet van het herstelbeleid van het kabinet.
Kent u de berichten «Climate change: Carbon «surge» expected in post-Covid energy boom» en «Global CO2 emissions set for largest rise in 10 years»?5, 6
Ja.
Kunt u een uitgebreide reactie formuleren op het rapport «Global Energy Review 2021» van het Internationaal Energieagentschap (IEA)?7
De publicatie Global Energy Review 2021 van het Internationaal Energieagentschap (IEA) gaat in op de gevolgen van de corona-epidemie en het herstel daarvan. Het IEA geeft aan dat de daling in het wereldwijde energiegebruik, dat in 2020 door corona veroorzaakt werd, naar verwachting in 2021 weer teniet gedaan wordt. Dit heeft ook gevolgen voor de CO2-emissie.
Waar in 2020 er sprake was de grootste daling in CO2-uitstoot ooit (5,8% in 2020), verwacht het IEA in 2021 de een na grootste stijging van energie-gerelateerde CO2-uitstoot ooit (4,8%). De grote daling werd met name veroorzaakt door een sterke afname van de vraag naar kolen en olie.
Het IEA analyseert de vraag en aanbod-ontwikkeling van de verschillende energiebronnen in 2021. Hieruit volgt dat een groot deel van de verwachte stijging in CO2-uitstoot wordt verklaard door de vraag naar kolen. Deze zal in 2021 met 4,5% stijgen, met name veroorzaakt door een sterk groei van kolengedreven elektriciteitsopwekking in Azië, en de vraag zal zelfs hoger liggen dan het pre-coronaniveau. Hoewel de verwachte totale wereldwijde CO2-uitstoot voor 2021 met 1,2% onder het 2019-niveau blijft, is dit een zorgwekkende ontwikkeling. Ook omdat het IEA aangeeft dat wanneer de wereldwijde transportactiviteiten volledig zou herstellen van de huidige coronarestricties, de daarmee gepaarde gaande olievraag, de CO2-uitstoot boven het 2019-niveau zou brengen.
Opvallend is overigens dat in Europa in 2021 het terugkaatseffect naar een pre-corona uitstootniveau minder groot is. Het IEA verwacht een toename van 80 Mt CO2-uitstoot, hetgeen een derde is van de daling uit 2020. Dit wordt verklaard door een trager economisch herstel en vervoersrestricties, maar ook door minder afhankelijkheid van kolengedreven elektriciteitsopwekking en toename van het aandeel hernieuwbaar in de energievoorziening. Een positieve ontwikkeling is verder dat het aandeel hernieuwbaar wereldwijd steeds verder groeit. In 2020 was er wereldwijd, ondanks corona, sprake van een recordgroei van het aandeel hernieuwbaar in elektriciteitsopwekking. In 2021 wordt verwacht dat dit aandeel verder stijgt naar 30%.
Wat is uw reactie op de voorspelling van het IEA dat de wereldwijde CO2-uitstoot in 2021 sterk zal toenemen?
Hoewel de verwachte uitstoot in 2021 nog niet op het pre-coronaniveau van 2019 ligt, is dit een zorgwekkende ontwikkeling.
Onderschrijft u de volgende stelling van IEA-directeur Birol «This is a dire warning that the economic recovery from the Covid crisis is currently anything but sustainable for our climate»? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf de noodzaak tot blijvende inspanningen om de klimaatdoelstellingen te halen. Ook in Europa moeten we nog het nodige werk verzetten om uit te komen bij onze doelstellingen. Gelukkig blijkt uit de IEA-scenario’s dat de Europese Unie voor 2021 nog steeds fors minder broeikasgassen zal uitstoten dan in 2019. Dat is deels te verklaren door trager herstel, maar zeker ook door toename van het aandeel hernieuwbare energiebronnen.
In hoeverre voelt u zich aangesproken door deze opmerking van de heer Birol?
Zie antwoord vraag 13.
Erkent u dat dit kabinet vooralsnog diverse beslissingen heeft genomen die haaks staan op een groen herstel uit de coronacrisis, zoals het uitdelen van een blanco cheque aan KLM zonder serieuze klimaatvoorwaarden, het uitdelen van staatssteun aan Royal IHC zonder een exitstrategie voor de fossiele activiteiten en de oprichting van het fossiele Bonaire Brandstof Terminals? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een inschatting maken van het percentage van de door Nederland uitgedeelde corona-steunpakketten dat aanstuurt op een aantoonbare breuk met het fossiele «business as usual»?
Erkent u dat het merendeel van de corona-steunpakketten is gericht op het herstellen van de oude economie in plaats van op het integraal aanpakken van de klimaatcrisis, natuurcrisis en coronacrisis? Zo nee, waaruit blijkt dat dit anders zit?
Kunt u concreet aangeven hoe u dan wel gaat zorgen voor een groen herstel uit de coronacrisis, een oproep die ondertussen al meermaals en vanuit diverse hoeken van de samenleving aan dit kabinet is gedaan?
Erkent u dat Nederland zo snel mogelijk een maximale inspanning moet leveren om een verdere opwarming van de Aarde te voorkomen en dat het onze morele plicht is ten opzichte van toekomstige generaties om de uitstoot van broeikasgassen in binnen- en buitenland zo snel mogelijk terugdringen? Zo nee, waarom niet?
De strenge criteria voor de herziening van strafzaken |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het oordeel van de Hoge Raad over de Arnhemse Villamoord?1
Ja
Herinnert u zich eerdere Kamervragen over de Arnhemse villamoord, waarin u constateerde dat inmiddels was vastgesteld dat negen verdachten in deze zaak zijn veroordeeld op basis van bekentenissen die zijn verkregen met een wijze van verhoren die naar het huidige wetenschappelijke inzicht het risico op een valse bekentenis verhogen?2
Ja. In antwoord op de bedoelde eerdere Kamervragen (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 658) refereerde ik aan het advies van de ACAS die de in de vraag aangehaalde constatering had gedaan en heb ik mij van een oordeel in deze zaak onthouden.
Wat vindt u ervan dat een zaak waarin inmiddels vaststaat dat verdachten destijds zwaar onder druk zijn gezet door de politie om verklaringen af te leggen en er andere onzorgvuldigheden zijn, toch niet tot een herziening kan leiden omdat er geen sprake is van een novum, een nieuw gegeven waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat als de rechter hier destijds kennis van had gehad, deze tot een andere uitspraak (geen veroordeling) zou zijn gekomen?3
In zijn arrest van 20 april 2021 op een aanvraag tot herziening in de Arnhemse villamoord in 1998 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat geen sprake was van zogenoemde «nova»: gegevens waarmee de rechter eerder niet bekend was en die het ernstige vermoeden wekken dat de rechter niet tot een veroordeling was gekomen als hij destijds daarmee wel bekend was geweest (ECLI:NL:HR:2021:633). Als Minister voor Rechtsbescherming geef ik geen oordeel over het arrest van de Hoge Raad. Over de huidige wettelijke regeling van de herziening ten voordele heb ik mijn oordeel gegeven tijdens het Algemeen Overleg op 12 september 2019 (Kamerstuk 29 279, 543) en in mijn brief aan de Tweede Kamer van 6 april 2020 (Kamerstuk 29 279, 582). Op de wettelijke regeling ga ik in antwoord op de hiernavolgende vragen nogmaals in.
Voor een goed begrip van de wettelijke regeling is een aantal overwegingen van de Hoge Raad relevant.
De Hoge Raad wijst er in zijn arrest op dat de aard van het buitengewone rechtsmiddel van herziening meebrengt dat de aangevoerde grond voor herziening niet al bij de eerdere berechting mag zijn gebleken, omdat in dat geval sprake is van een gegeven dat de rechter al bij zijn beoordeling heeft kunnen betrekken. Bij de beantwoording van de vraag of een in de aanvraag als nieuw aangeduid gegeven het hiervoor genoemde ernstige vermoeden wekt, moet bovendien de gehele bewijsvoering van de rechter worden betrokken (rechtsoverwegingen 6.2.5 en 6.2.6).
Met betrekking tot de afgelegde (bekennende) verklaringen zet de Hoge Raad uiteen dat het verweer dat de in de strafzaak tegen de aanvrager en de medeveroordeelden afgelegde verklaringen niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt omdat zij niet in vrijheid zijn afgelegd, in de strafzaak uitdrukkelijk onder ogen is gezien. Het gerechtshof dat als laatste feitelijke instantie heeft geoordeeld over de strafzaak is onder meer ingegaan op de vraag of bij het verhoor door de politie ontoelaatbare druk op de verdachten is uitgeoefend waarmee hun verklaringsvrijheid op ontoelaatbare wijze is geschonden, op het verloop van de verhoren en de methodiek waarmee de verhoren zijn uitgevoerd en op de betrouwbaarheid en consistentie van de afgelegde verklaringen die het voor het bewijs heeft gebruikt (rechtsoverweging 6.3.2).
Ook was het gerechtshof volgens de Hoge Raad bekend met de stelling dat de in de herzieningsaanvraag aangeduide getuigenverklaring van een medeverdachte waarvan deze nadien (in 2018) is teruggekomen, onder druk zou zijn afgelegd. De Hoge Raad wijst erop dat het gerechtshof deze medeveroordeelde als beëdigde getuige op de terechtzitting heeft gehoord en heeft getoetst of de door deze medeverdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd, onder meer door kennisneming van vele audiovisueel vastgelegde politieverhoren. Het gerechtshof heeft ook uitvoerig gemotiveerd geoordeeld dat het de voor het bewijs gebruikte verklaringen van deze medeveroordeelde betrouwbaar acht en op welke onderdelen die verklaringen steun vinden in het overige bewijs, aldus de Hoge Raad (rechtsoverwegingen 6.4.2–6.4.4).
Heeft u kennisgenomen van de inhoud van het advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad in deze zaak? Begrijpt u het dat het voor veel mensen moeilijk te begrijpen is dat wordt overwogen dat er van alles aan te merken is op deze veroordelingen en de belastende bekentenissen waarop deze veroordelingen berusten onder druk zijn afgelegd en inmiddels zijn ingetrokken, dat de veroordeling als «potentieel onveilig» wordt aangemerkt, dat een andere rechter op basis van het beschikbare bewijsmateriaal wellicht tot een vrijspraak of andere uitspraak zou zijn gekomen, maar dit toch geen aanleiding is voor een herziening omdat dit niet kan gelden als novum? Wat is uw reactie hierop?4
Ja. Op verzoek van drie veroordeelden in de Arnhemse villamoordzaak heeft een advocaat-generaal namens de procureur-generaal bij de Hoge Raad nader onderzoek gedaan gericht op een mogelijk novum in de zin van de wet met het oog op de voorbereiding van een eventuele aanvraag tot herziening. Daarover is ook advies uitgebracht door de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS). De veroordelingen zijn door de ACAS in haar advies over deze zaak als «potentieel onveilig» aangemerkt, mede op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten over valse bekentenissen die ten tijde van de beoordeling door het gerechtshof niet in alle opzichten waren uitgekristalliseerd. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek is door de veroordeelden een herzieningsverzoek ingediend. Door een andere advocaat-generaal is namens de procureur-generaal geadviseerd de herzieningsaanvragen ongegrond te verklaren (o.a. ECLI:NL:PHR:2021:67). Op het advies van de ACAS ga ik nog in bij het antwoord op vraag 6.
Op zichzelf kan ik mij voorstellen dat het voor mensen soms moeilijk te begrijpen of aanvaarden is dat geen herziening plaatsvindt in een zaak waarin discussie blijft bestaan over het bewijs. Het is echter aan de rechter om in een dergelijke zaak een knoop door te hakken. Het is om deze reden dat een andere weging van het bewijsmateriaal niet tot herziening kan leiden. Hetgeen ter onderbouwing van het novum naar voren wordt gebracht moet, bezien in het licht van de gehele bewijsvoering, een wezenlijk ander licht op de zaak werpen en tot het ernstig vermoeden leiden dat de rechter, had hij dit onder ogen gezien, tot een andere einduitspraak zou zijn gekomen. Dat de beoordeling door de rechter op basis van het «gegeven» of het (zelfde) beschikbare bewijsmateriaal ook tot een andere uitkomst zou hebben kunnen leiden, vormt geen aanleiding tot een herziening. Herziening op basis van een dergelijk gegeven zou ertoe leiden dat een onherroepelijk rechterlijk oordeel steeds weer ter discussie kan worden gesteld en dat is onwenselijk. In mijn brief van 6 april 2020 wees ik op de taak van de rechter om ook in complexe zaken een beslissing te nemen en ook in zaken waarover veel discussie (mogelijk) is, die discussie definitief te beslechten.
Deelt u de mening dat het een manco in de herzieningsregeling is dat feiten en omstandigheden waarvan de veroordelende instantie kennis had kúnnen nemen niet als novum kunnen worden aangemerkt, ongeacht of van bepaalde feiten en omstandigheden ook (zoals in casu alle opnames van de verhoren) ook echt kennis is genomen, of dat bepaalde kennis over een specialistisch vraagstuk (zoals in concreto het fenomeen van de valse bekentenissen) wel voldoende aanwezig was? Zo nee, waarom niet en kunt u dit dan uitgebreid motiveren?
Ik ben van oordeel dat geen sprake is van een manco in de herzieningsregeling. Tot dat oordeel ben ik gekomen na een zorgvuldige beoordeling van de wettelijke regeling op zijn merites en van de evaluatie van die regeling (Kamerstuk 29 279, 495). Voor de uitgebreide toelichting op dat oordeel verwijs ik naar mijn eerdergenoemde brief van 6 april 2020.
Erkent u dat in de wetsgeschiedenis bij de verruiming van de herziening ten voordele expliciet aandacht is besteed aan nieuwe inzichten over valse bekentenissen? Welke betekenis moet volgens u worden toegekend aan de volgende zinnen in de memorie van toelichting bij die wet: «Bovendien is inmiddels uit gedragswetenschappelijk onderzoek gebleken dat bekentenissen die verdachten in hun strafzaak hebben afgelegd niet altijd betrouwbaar zijn. Werd de bekentenis vroeger nog de «Koningin van het bewijs» genoemd, ervaringen uit het (recente) verleden (o.a. Schiedammer parkmoord) leren dat onschuldige verdachten onder invloed van psychologische processen ernstige misdrijven kunnen bekennen die zij niet hebben begaan. Analyse van verhoren kan aan het licht brengen dat verkeerde verhoortechnieken zijn gebruikt. De huidige herzieningsregeling biedt naar mijn oordeel te weinig ruimte om rekening te houden met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen.»? Was het dus niet juist de bedoeling van de wetgever om dergelijke inzichten juist wel als grond voor herziening aan te merken?5
Bij de verruiming van de regeling van herziening ten voordele is inderdaad expliciet aandacht besteed aan nieuwe inzichten over valse bekentenissen. Het novumbegrip is juist verruimd om ruimte te bieden aan nieuwe wetenschappelijk ontwikkelingen op het gebied van forensisch bewijs en gedragswetenschappelijk onderzoek. Door de Wet hervorming herziening ten voordele is niet langer vereist dat er sprake moet zijn van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard. Het kan ook om een nieuw of gewijzigd inzicht van een deskundige gaan bijvoorbeeld, zoals in deze zaak, over de betrouwbaarheid van bekentenissen. Ook een nieuw deskundigeninzicht moet evenwel van een zodanig gewicht zijn dat het ernstige vermoeden rijst dat de verdachte zou zijn vrijgesproken wanneer de rechter daarmee bekend zou zijn geweest. Het moet op de feitelijke gegevens die bekend waren ten tijde van de veroordeling wel een nieuw licht werpen. Volgens de Hoge Raad is daarvan in de aanvraag tot herziening in de zaak van de Arnhemse villamoord geen sprake (rechtsoverweging 6.5.2).
In een artikel in het Nederlands Juristenblad van 21 mei 2021 (NJB 2021/1457) heeft de voorzitter van de ACAS negatief gereageerd op de afwijzing van de herzieningsaanvraag in deze zaak door de Hoge Raad. De ACAS constateert met de Hoge Raad van opvatting te verschillen over de vraag of herbeoordeling van deze strafzaak aangewezen is. Op zichzelf is een verschil van opvatting tussen de ACAS en de Hoge Raad niet opzienbarend, maar baart de uitkomst in deze zaak zorgen omdat deze afbreuk doet aan het vertrouwen van de burger in de rechtspraak, aldus de voorzitter van de ACAS. De ACAS verwijt de Hoge Raad de aanvraag te hebben afgewezen op formele, procedurele gronden en niet alle mogelijkheden te hebben benut om de bekennende verklaringen, die de ACAS blijkens haar advies onbetrouwbaar achtte, opnieuw te beoordelen op basis van actuele wetenschappelijke kennis. Als Minister meng ik mij niet in dit dispuut. Zowel de ACAS als de hoogste rechter hebben een eigen verantwoordelijkheid en komen onafhankelijk tot hun oordeel. Zoals de voorzitter van de ACAS in haar bijdrage aangeeft, moet degene die advies uitbrengt er rekening mee houden dat daarvan kan worden afgeweken door degene die de eindbeslissing neemt. En het is uiteindelijk de taak van de Hoge Raad om te beslissen of een veroordeling moet worden herzien. Zoals ik in het antwoord op vraag 4 aangaf, is het wellicht moeilijk te begrijpen of aanvaarden wanneer men het niet eens is met die uitkomst. Maar in een rechtsstaat is het beslechten van disputen, hoe heftig ook, toebedeeld aan de onpartijdige en onafhankelijke rechter.
Een beslissing over herziening is per definitie casuïstisch van aard. In de zaak van de zogenoemde «Pettense campingmoord» bijvoorbeeld vormden een deskundigenbericht over de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de door de veroordeelde afgelegde bekennende verklaringen en een nieuwe getuigenverklaring volgens de Hoge Raad wél gegevens die het ernstige vermoeden wekken dat de rechter niet tot een veroordeling was gekomen als hij destijds daarmee wel bekend was geweest (HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:634).
Herinnert u zich de notitie van de SP, met het voorstel om het wettelijke novumcriterium aan te passen zodat de vraag centraal komt te staan of een persoon terecht veroordeeld is of niet, en dat dat beter bereikt kan worden met ander criterium, bijvoorbeeld dat er een «reële mogelijkheid is van een onterechte veroordeling», of dat er sprake moet zijn van «gerede twijfel aan de juistheid van de veroordeling»? Vindt u dit bij nader inzien niet toch een goed voorstel, in het belang van de waarheidsvinding en een rechtvaardige uitkomst van de rechtsgang?6
Ja, deze notitie van de SP herinner ik mij. De notitie, die werd gepresenteerd tijdens het Algemeen Overleg van 12 september 2019 over de evaluatie van de Wet hervorming herziening ten voordele (Kamerstuk 29 279, nr. 543), stond centraal in mijn brief van 6 april 2020 (Kamerstuk 29 279, nr. 582). In deze brief heb ik aan de hand van een aantal thema’s op de belangrijkste punten uit die notitie gereageerd, zoals toegezegd tijdens het genoemd Algemeen Overleg. De toegenomen toegankelijkheid van de herzieningsregeling en de mogelijkheid tot nader onderzoek door de procureur-generaal bij de Hoge Raad en advisering door de ACAS in onderlinge samenhang beschouwd leidden tot de conclusie dat ik het standpunt zoals vervat in de notitie van de SP-fractie, dat de herzieningsregeling niet voldoende (toegankelijk) zou zijn en het novumcriterium verder moet worden verruimd, niet onderschrijf. In dat standpunt brengt het in deze vragen besproken arrest van 20 april 2021 van de Hoge Raad geen verandering.
Deelt u de mening dat fouten in de rechtspleging, ondanks alle waarborgen om dat te voorkomen, nu eenmaal gemaakt worden? Deelt u eveneens de mening dat onterechte veroordelingen een ramp zijn voor de betrokkenen, slecht zijn voor het vertrouwen in de rechtsgang, en slecht voor het vertrouwen in de rechtsstaat als een onschuldig persoon vast zit en de werkelijke dader weg komt met zijn daden?
In algemene zin beantwoord ik deze vragen bevestigend. Hoe deskundig het opsporingsonderzoek ook is en hoe zorgvuldig de met alle waarborgen omgeven procedures ook worden gevolgd, fouten binnen de rechtspleging zijn nooit uit te sluiten en elke justitiële dwaling is er om de door de vraagsteller genoemde redenen één te veel.
Deelt u de mening dat het te ingewikkeld, tijdrovend en kostbaar is voor veel mensen om twijfelachtige veroordelingen aan de orde te stellen en afgesloten strafzaken heropend te krijgen?
Nee. In mijn brief van 6 april 2020 heb ik aangegeven dat en waarom de toegankelijkheid van de procedure per saldo ruimer is geworden. Dat was ook de conclusie van het evaluatieonderzoek naar de hervorming van de herzieningsregeling, waarover ik uitgebreid met de Tweede Kamer van gedachten heb gewisseld (Evaluatierapport «Victa vincit veritas? Evaluatie Wet hervorming herziening ten voordele», WODC 2018). Het parket bij de Hoge Raad is in staat en bereid tot het verrichten van diepgravend nader onderzoek ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag. Daarbij kan de procureur-generaal bij de Hoge Raad beschikken over het advies van de ACAS dat tot stand komt met gebruikmaking van wetenschappelijke expertise.
Bent u alsnog bereid dit criterium aan te passen, zodat een potentieel onveilige veroordeling uiteindelijk hersteld kan worden?
In mijn eerdergenoemde brief van 6 april 2020 heb ik uiteengezet waarom ik geen aanleiding zie het novumbegrip verder te verruimen en waarom ik het onwenselijk vind om voor de mogelijkheid van herziening uit te gaan van een potentieel onveilige veroordeling (of gerede twijfel aan de juistheid van de veroordeling, zoals het in de brief is aangeduid). Mijn standpunt is niet gewijzigd en voor een uitgebreide motivering van dat standpunt verwijs ik naar de bedoelde brief.
Bent u bekend met het artikel «Twaalf jaar later vecht de producent van «legale xtc» nog tegen zijn veroordeling»?7
Ja.
Wat is uw visie op de door advocaat-generaal Taru Spronken en hoogleraar straf(proces)recht Paul Mevis van de Erasmus Universiteit bepleitte aanpassing van de wet zodat uitspraken van het Europese Hof van Justitie ook als novum aangemerkt kunnen worden?
In het arrest van 9 april 2019 op een aanvraag tot herziening in de in vraag 11 aangeduide strafzaak stond de vraag centraal of het Unierecht dwingt tot een zodanig ruime interpretatie van de herzieningsgronden genoemd in artikel 457 Sv dat een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) moet leiden tot herziening van een eerdere strafrechtelijke veroordeling indien uit die uitspraak van het HvJ EU blijkt dat deze strafrechtelijke veroordeling – achteraf bezien – niet verenigbaar is met het Unierecht (ECLI:NL:HR:2019:546, NJ 2019/439 m.nt. P.A.M. Mevis). De Hoge Raad beantwoordde deze vraag ontkennend. Ook overwoog de Hoge Raad dat de door het HvJ EU in zijn arrest van 10 juli 2014, ECLI:EU:C:2014:2060, aan richtlijn 2001/83/EG met betrekking tot het begrip «geneesmiddel» gegeven uitleg niet kan worden aangemerkt als een (nieuw) gegeven als bedoeld in artikel 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Hij verwees daarbij naar de wetsgeschiedenis van artikel 457, waarbij de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat de – naderhand gebleken – onjuiste toepassing van het recht, hetgeen wel wordt aangeduid als «rechtsdwaling», geen «novum» en geen grond tot herziening oplevert. De wetgever baseerde deze opvatting op het beginsel «lites finiri oportet» dat inhoudt dat aan een rechtsstrijd op afzienbare termijn een einde moet komen (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 9, 28). Nieuwe of gewijzigde rechtspraak – of het nu gaat om een uitspraak van het HvJ EU of van de nationale rechter op basis van een uitspraak van het HvJ EU – kan niet worden aangemerkt als een (nieuw) gegeven als bedoeld in artikel 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Naar aanleiding van deze zaak hebben de in de vraag genoemde auteurs voor aanpassing van de wet gepleit zodat een uitspraak van het HvJ EU aanleiding kan vormen voor herziening van een onherroepelijke veroordeling.
Het Europese recht heeft voorrang boven nationaal recht. De doorwerking van Europese recht in de Nederlandse rechtsorde is in het geval van verordeningen direct en in het geval van richtlijnen indirect, via implementatie in de Nederlandse regelgeving. De rechter moet nationale bepalingen zoveel mogelijk in overeenstemming met het recht van de Europese Unie uitleggen (artikel 4, derde lid, VEU). Indien onduidelijkheid bestaat over de vraag hoe de Europese regelgeving moet worden toegepast of uitgelegd kan de rechter een prejudiciële vraag aan HvJ EU in Luxemburg stellen en is de Hoge Raad daartoe verplicht (artikel 267 VWEU). In de hier besproken zaak had het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, mede op basis van de verklaringen van een deskundige, overwogen dat geen onduidelijkheid bestond over de definitie van het begrip geneesmiddel in de Europese regelgeving, ook bezien in het licht van de jurisprudentie van het HvJ EU, en dat daarom geen aanleiding bestond tot het stellen van een prejudiciële vraag. De opvatting van het HvJ EU op dit punt was volgens het gerechtshof duidelijk (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 oktober 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ9596). Het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof is door de Hoge Raad in 2011 verworpen met toepassing van art. 81 RO (dit arrest van HR 14 juni 2011, BQ3655 is niet gepubliceerd).
Van oudsher geldt dat voor herziening geen plaats is indien sprake is van de onjuiste toepassing van het recht door de rechter of van gewijzigde rechtsopvattingen. Daartegen kan in lopende strafzaken worden opgekomen bij een hogere rechter. Het systeem van gewone rechtsmiddelen zoals hoger beroep en cassatie dient ertoe om fouten te herstellen.Bij onduidelijkheid over de juiste toepassing van het Europese recht kan de nationale rechter een prejudiciële vraag aan het HvJ EU stellen.
Bent u bereid ook op dit punt de wet te wijzigen? Zo nee, waarom niet?
Het buitengewone rechtsmiddel van herziening is door de wetgever in het leven geroepen voor het geval dat de eerdere onherroepelijke beslissing van de rechter bij nader inzien te kort schiet op een punt dat niet gelegen is in de gewijzigde normatieve waardering van het feitelijke handelen. Herziening is niet mogelijk indien sprake is van de onjuiste toepassing van het recht door de rechter of van gewijzigde rechtsopvattingen. Het aanmerken van een arrest van het HvJ EU als grond om een eerdere onherroepelijke veroordeling die daarmee strijdig is, ongedaan te maken, zou een heroverweging vergen van dat fundamentele uitgangspunt. Daartoe zie ik geen aanleiding. Het zou afbreuk kunnen doen aan belang van het strafrechtelijk gewijsde, en een uiterst precair evenwicht aan het wankelen brengen. Veroordelingen in eerdere, vergelijkbare, afgesloten strafzaken komen weer op losse schroeven te staan en aan strafzaken komt dan nimmer een einde. Zo dreigt de rechtspraak zijn functie van geschilbeslechting waarbij de procespartijen zich na uitputting van de gewone rechtsmiddelen zullen moeten neerleggen, te verliezen.
Bent u bereid in die wetswijziging tevens mee te nemen ook herziening mogelijk te maken bij een eenzijdige verklaring van een lidstaat waarin erkend wordt dat het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden wordt, en een dergelijke eenzijdige verklaring toe te voegen als grond voor herziening om te voorkomen dat een schending van het EVRM die al erkend is alsnog tot een zaak moet leiden?8
In antwoord op vragen gesteld door de leden Van Nispen (SP), Laan-Geselschap (VVD), Groothuizen (D66) en Van Dam (CDA) over de procedure en de capaciteit bij het Europees Hof voor de rechten van de mens (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2653) heb ik toegezegd te zullen bezien of aanpassing van de wettelijke regeling nodig en gewenst is om te verzekeren dat herziening mogelijk is op grond van de beslissing door het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) na een eenzijdige verklaring van de regering dat het verdrag is geschonden. Ik ben voornemens op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State een wetswijziging voor te leggen die ertoe strekt te verzekeren dat een onherroepelijke Nederlandse rechterlijke veroordeling eveneens kan worden herzien wanneer het EHRM heeft besloten een verzoekschrift van de rol te schrappen nadat de Nederlandse staat middels een eenzijdige verklaring heeft erkend dat het EVRM is geschonden in de procedure die tot de veroordeling in kwestie of tot een veroordeling wegens hetzelfde feit heeft geleid.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat banken negatieve rente voor kleinere spaarders niet uitsluiten. |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat banken negatieve rentes voor kleinere spaarders niet meer uitsluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht van nu.nl.2
Wat gaat u daaraan doen? Wat zijn uw bestaande instrumenten om in te grijpen om de kleinere spaarder te helpen?
Dat banken een negatieve rente rekenen over een deel van hun klantenbestand en tegoeden hangt samen met het huidige renteklimaat. Banken lenen zowel geld in als uit. Zij streven ernaar om daarbij hun rentemarge, het tariefverschil tussen in- en uitleenrentes, op peil te houden. Afgelopen jaren waren banken daartoe in staat. Bij een nog verder dalende rente kan het voor banken lastiger worden om die daling volledig door te rekenen in hun depositotarieven, omdat deze dan negatief zouden worden. Volgens DNB kan een situatie van langdurig lage rentes de winstgevendheid van banken onder druk zetten, met potentieel nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit.3 Tegelijkertijd kan ik mij de zorgen van spaarders over de dalende rente goed voorstellen. Gelukkig rekenen Nederlandse banken op dit moment geen negatieve rente aan gewone spaarders. Zoals ik eerder heb laten weten in een brief aan uw Kamer, vind ik een negatieve rente voor gewone4 spaarders zeer ongewenst. Er dienen voldoende mogelijkheden te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Mochten die mogelijkheden in de toekomst significant worden beperkt dan zal ik het onderwerp opnieuw ter hand nemen, en indien opportuun ook wetgeving overwegen.
Gaat u met de Europese Centrale Bank (ECB) in gesprek om deze uitwas als gevolg van hun beleid te bespreken? Is er contact met de ECB geweest over deze zorgelijke ontwikkeling?
De ECB opereert onafhankelijk en heeft als doel prijsstabiliteit. Het past niet in mijn rol als Minister van Financiën om de ECB aan te spreken op haar beleid. De ECB evalueert momenteel haar monetaire strategie. Als onderdeel hiervan ging DNB op 26 november 2020 in gesprek met Nederlanders en maatschappelijke organisaties. Tijdens deze virtuele luistersessie «In gesprek met DNB» hebben Nederlanders en maatschappelijke organisaties hun mening gegeven en hun ideeën gedeeld over het monetair beleid van de ECB. De gevolgen van de lage rente (voor spaarders) is door meerdere participanten aan de orde gebracht. Het is nu aan de ECB om in onafhankelijkheid te beslissen op welke manier deze input van burgers en maatschappelijke organisaties zal worden meegenomen in het beleid.
Bent u bereid in te grijpen bij de banken zodra in de toekomst duidelijk wordt dat het geld van de spaarder belast wordt met negatieve rente? Kunt u met een plan komen om het spaargeld van mensen tot 100.000 euro veilig te stellen voor negatieve rentes?
In mijn eerdergenoemde brief uit 2019 refereerde ik al aan de gemiddelde depositowaarde en de mediaan om aan te geven dat de meeste Nederlandse huishoudens geen negatieve rente gerekend wordt: dat is nog steeds het geval. In 2019 betrof de gemiddelde depositowaarde in Nederland € 40.800 en de mediaan lag op een waarde van € 13.900.5 Mijn indruk is daarom dat de gewone spaarder buiten schot blijft. Zoals ik schreef in antwoord op vraag 2 ben ik van mening dat er voldoende mogelijkheden dienen te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent.
Bent u nog steeds van mening dat een wettelijk verbod niet nodig is, terwijl de grote commerciële banken negatieve rentes voor kleine spaarders niet meer uitsluiten?2
Zoals beschreven in antwoord op vraag 4 wordt aan veruit de meeste spaarders geen negatieve rente doorberekend op dit moment. Ik heb daarnaast in mijn Kamerbrief van 5 december 2019 genoemd dat mijn indruk is dat Nederlandse banken de nadelen van negatieve rente voor gewone spaarders en de zorgen die hierover leven scherp op het netvlies hebben. Uit hun publieke opmerkingen maakte ik op dat zij niet van plan zijn om in de voorzienbare toekomst over te gaan tot het rekenen van een negatieve rente aan gewone spaarders en dat zij goed oog hebben voor het grote belang van financiële stabiliteit. Mijn beeld is dat dit nog steeds geldt. Daarbij wil ik nogmaals benadrukken dat er wat mij betreft voldoende mogelijkheden dienen te blijven voor de gewone spaarder om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent.
In 2019 heeft DNB op mijn verzoek een analyse gemaakt van de lagerenteomgeving en de gevolgen daarvan voor banken. Ik heb die rapportage ook aan uw Kamer gestuurd.7 DNB heeft daarin enkele overwegingen geschetst ten aanzien van een verbod op negatieve rente. Een wettelijk verbod kent volgens DNB overwegend nadelen en risico’s. Ten eerste beperkt een verbod volgens DNB de economische prijsvorming en marktwerking. Banken moeten zelf verantwoordelijk zijn voor de eventuele reputatiekosten en onzekere gedragseffecten van hun handelen en de risicobeheersing daarvan. Ten tweede doorkruist een verbod volgens DNB het monetair beleid, met nadelige gevolgen voor de Nederlandse economie. Banken zullen minder geneigd zijn rentes op bedrijfsleningen en hypotheken te verlagen. Ten derde kan een verbod de winstgevendheid van banken uithollen, wat volgens DNB kan leiden tot financiële stabiliteitsproblemen. Dat kan vervolgens weer leiden tot minder vertrouwen in het financieel systeem. Tot slot wijst DNB erop dat een verbod effecten kan hebben die nu niet zijn te overzien.
Deze inzichten leiden voor mij tot de conclusie dat het op dit moment niet nodig is om een wettelijk verbod in te voeren op het aantrekken van gelden tegen een negatieve rente. Het zou, gegeven de uitingen van banken en de nadelen van een verbod, ook niet proportioneel zijn. Dat neemt niet weg dat ik een negatieve rente voor gewone spaarders zeer ongewenst vind, en het van groot belang vind dat gewone spaarders voldoende mogelijkheden houden om te bankieren bij een bank die geen negatieve rente rekent. Mochten die mogelijkheden in de toekomst significant worden beperkt dan zal ik het onderwerp opnieuw ter hand nemen, en indien opportuun ook wetgeving overwegen.
Deelt u de mening dat deze ontwikkeling de behoefte vergroot aan een full-reserve bank, waarbij spaardeposito’s niet gebruikt worden om kredieten mee te financieren, en negatieve noch positieve rente opleveren?
De lage rentes bij commerciële banken zijn vooral het gevolg van de langdurig lage rente op de financiële markten. Zo betalen commerciële banken in veel gevallen voor het aanhouden van deposito’s bij de centrale bank. Juist voor een bank naar het model «full-reserve banking», waarbij consumentendeposito’s alleen bij de centrale bank worden gestald en niet worden gebruikt voor kredietverlening, zal dit dus hoge kosten met zich meebrengen. In die zin is full-reserve banking mijns inziens geen voor de hand liggende optie in een omgeving van langdurig lage rentes.
Het misbruik van ‘grijze’ paspoorten door de Turkse AK-partij |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Turkey’s ruling Islamists dogged by mounting corruption claims»?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat er vanwege fraude en corruptie in enkele Turkse gemeentes onder leiding van de AK-partij ten minste tientallen personen voor enkele duizenden euro’s een zogenaamd «grijs» paspoort hebben gekocht om vervolgens naar Duitsland te reizen zonder terug te keren?
Het kabinet heeft kennisgenomen van mediaberichten daarover.
Deelt u de zorgen dat middels de illegaal verstrekte grijze paspoorten mensensmokkel naar Europa in de hand wordt gespeeld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Berichten dat officiële documenten oneigenlijk worden gebruikt om irreguliere migratie richting de EU te faciliteren zijn zorgelijk en dienen grondig te worden onderzocht. Turkije heeft de afgifte van dienstpaspoorten inmiddels opgeschort voor niet-ambtenaren die willen reizen in het kader van projecten. Nederland zet zich o.a. in Europees verband in om irreguliere migratie en mensensmokkel tegen te gaan. Conform het concept van geïntegreerd grensbeheer en het barrièremodel mensensmokkel neemt Nederland op verschillende niveaus actie om risico’s zo vroeg mogelijk te onderkennen en toepasselijke maatregelen te nemen. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van samenwerking met andere lidstaten en derde landen, inzet van liaison officers en vooraf verkregen passagiersinformatie. Daarnaast werken KMar en politie samen met Europol om mensensmokkel te bestrijden. In dat verband worden in het kader van het Europol Empact project operationele acties uitgevoerd om verschillende modus operandi van mensensmokkelaars tegen te gaan. Als de Nederlandse grensautoriteiten of liaisons signalen krijgen over mogelijk misbruik van Turkse dienstpaspoorten, wordt deze informatie intern en extern gedeeld met relevante (keten)partners zodat hierop de nodige interventies uitgevoerd kunnen worden.
Welke stappen gaat u zetten, al dan niet in Europees verband, om deze vorm van mensensmokkel naar de Europese Unie tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er gevallen bekend waarbij Turkse personen op een grijs paspoort naar Nederland zijn afgereisd? Zitten hier ook personen tussen die via corruptie aan een dergelijk paspoort zijn gekomen en niet naar Turkije zijn teruggereisd?
Reizigers met een Turks dienstpaspoort zijn vrijgesteld van de visumplicht voor Nederland. Dit betekent echter niet dat er geen grenscontroles plaatsvinden. Reizigers met een dienstpaspoort worden, zoals ten aanzien van alle derde landen geldt, gecontroleerd of zij voldoen aan de toegangsvoorwaarden. Daarbij wordt o.a. een check uitgevoerd in het Schengeninformatiesysteem en worden er vragen gesteld omtrent doel, duur en middelen. Op basis van de thans beschikbare informatie is niet bekend of personen die middels corruptie aan een grijs paspoort zouden zijn gekomen, met dit document naar Nederland reizen en vervolgens niet naar Turkije terugreizen.
Achterstallig onderhoud aan sluizen |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Sluis Sint-Andries is nog steeds niet storingsvrij»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Klopt het dat de sluis Sint-Andries, die sinds 15 maart gestremd is, nog zeker tot medio mei gestremd blijft vanwege werkzaamheden?
Ja, in de periode tussen 15 april en medio mei 2021 vervangt Rijkswaterstaat de meest beschadigde druk- en geleidewielen van de sluisdeur aan de Waalzijde.
Wat betekent de mededeling van Rijkswaterstaat dat het risico op uitval van sluis Sint-Andries ook na de herstelwerkzaamheden reëel blijft?
Slijtage van (onderdelen van) de sluis is de afgelopen jaren sneller gegaan dan verwacht en hierdoor ontstaat er een reëel risico op het defect raken van onderdelen van de sluis St. Andries. Nieuwe (ongeplande) stremmingen kunnen het gevolg hiervan zijn.
Deelt u de mening dat preventieve controles onderdeel behoren te zijn van regulier onderhoud van waterwerken, ook gelet op het feit dat Rijkswaterstaat heeft aangekondigd na afloop van deze werkzaamheden structureel preventieve controles, zoals duikinspecties, te houden om de inzetbaarheid van de sluis zoveel mogelijk te waarborgen?
Ik deel de mening dat preventieve controles nodig zijn en deze voert Rijkswaterstaat ook uit.
Deelt u, gelet op de stelling van Rijkswaterstaat dat de sluis Sint-Andries, die in 1934 in gebruik is genomen, door de jaren heen intensief belast is en dat dit de kans op storingen en slijtage vergroot, de mening dat de kans op storingen door regelmatig onderhoud beperkt kan worden?
Ook deze mening deel ik met u.
Wat betekent de stremming van de sluis Sint-Andries voor de inzet van de regering om meer goederen via water te vervoeren?
De huidige stremming van de sluis St. Andries is tijdelijk van aard. Tijdens de werkzaamheden is er een omleidingsroute (via de Bergse Maas of via het Maas-Waalkanaal) ingesteld met een extra vaartijd van 4 uur.
Wat betekent het achterstallig onderhoud aan waterwerken in het algemeen voor de inzet van de regering om vervoer over water te bevorderen?
Vervoer over water is gebaat bij een betrouwbare vaarweg met betrouwbare reistijden. Achterstallig onderhoud vergroot de kans op ongeplande stremmingen die kunnen leiden tot minder voorspelbare en langere reistijden. Dit kan het vervoer over water minder aantrekkelijk maken. Onze inzet is er derhalve op gericht stremmingen zoveel mogelijk te voorkomen.
Het Klimaatcrisis Beleid Team. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Bas van 't Wout (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de oprichting van het Klimaatcrisis Beleid Team (KBT)?1
Ik ben bekend met de oprichting van het Klimaatcrisis Beleid Team en ik zie de waarde van dit type adviezen die het klimaatdebat kunnen verrijken.
Kunt u toelichten op welke wijze u de adviezen van het KBT zult behandelen?
De adviezen hebben betrekking op nieuw/aanvullend te formuleren klimaatbeleid. Hiertoe zullen partijen die betrokken zijn bij het formeren van een nieuw kabinet keuzes in moeten maken. Hier kunnen zij ook de adviezen van het KBT bij betrekken.
Kunt u een uitgebreide reactie formuleren op het eerste advies van het KBT?2
Gezien de demissionaire status van het kabinet acht ik het niet opportuun om hier een uitgebreide reactie op te geven. Met het rapport «Bestemming Parijs» van de ambtelijke Studiegroep «Klimaatopgave Green Deal», die door het huidige kabinet is ingesteld, is reeds uitgebreid stil gestaan bij de mogelijke gevolgen van de EU Green Deal en zijn keuzemogelijkheden in kaart gebracht. Het is aan het nieuwe kabinet om hier keuzes in te maken; hier kunnen ook de adviezen van het KBT bij betrokken worden.
Bent u ervan op de hoogte dat diverse landen een onafhankelijke klimaatcommissie hebben opgericht om de regering te adviseren over het klimaatbeleid en dat bijvoorbeeld de klimaatwetgeving in Groot-Brittannië, Denemarken en Finland gepaard ging met de oprichting van een wetenschappelijk adviesorgaan dat speciaal is toegerust op het klimaat?3 4 5 6
Ja.
Erkent u de waardevolle rol van onafhankelijke klimaatcommissies in diverse andere landen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat de Afdeling advisering van de Raad van State (RvS), de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) allen in verschillende bewoordingen adviseerden om ook in Nederland een dergelijk adviescollege in te stellen, dat onafhankelijk kan opereren van de regering en de politieke waan van de dag?7 8 9
Ja.
Erkent u dat de huidige Nederlandse Klimaatwet destijds aanzienlijk is verzwakt door het schrappen van de onafhankelijke klimaatcommissie uit het wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. De initiatienemers van de nationale Klimaatwet hebben ervoor gekozen om de Raad van State een formele, onafhankelijke, adviserende rol te laten vervullen en dit in de Klimaatwet te verankeren. De Raad van State maakt voor zijn advisering o.a. gebruik van de Klimaat- en Energieverkenning van PBL en een adviesgroep met enkele wetenschappers.
Steunt u het voorstel van de Partij voor de Dieren om alsnog over te gaan tot de oprichting van een onafhankelijke klimaatcommissie? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik ben van mening dat de Raad van State haar rol goed vervult. Daarbij is het aan het nieuwe kabinet om eventuele wijzigingen in de governance, waaronder een eventuele wijziging van de Klimaatwet, aan te brengen.
Erkent u dat er een crisisaanpak nodig is voor de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van klimaatverandering is een urgente opgave. Daarom heeft het huidige kabinet, vooruitlopend op besluitvorming over het ophogen van het Europese 2030-broeikasgasreductiedoel, een hoger doel van 49% emissiereductie in 2030 vastgesteld. Om dit te kunnen realiseren heeft het kabinet vervolgens, met meer dan 100 partijen, in het Klimaatakkoord afspraken gemaakt.
Parallel aan de uitvoering van het Klimaatakkoord en vanuit de gedeelde overtuiging dat klimaatverandering urgent moet worden aangepakt, heeft het kabinet in de afgelopen jaren intensief en succesvol gelobbyd om de Europese klimaatdoelen op te hogen en in lijn de brengen met de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de aanbevelingen van het IPCC. Europa zal in 2050 klimaatneutraal zijn en op weg daar naartoe in 2030 haar broeikasgasemissies met ten minste 55% hebben gereduceerd.
De aangescherpte Europese doelstellingen zullen ook voor Nederland een extra opgave betekenen. De precieze nationale gevolgen zijn afhankelijk van de uitkomsten van de onderhandelingen over de onderliggende wetgevende voorstellen. Deze voorstellen zullen in juli 2021 worden gepresenteerd. Om het volgende kabinet hierop voor te bereiden heeft eerder dit jaar een ambtelijke studiegroep opties in kaart gebracht om nationaal invulling te geven aan de opgehoogde Europese doelstelling (kamerstuk 32 813, nr. 664). Het maken van keuzes tussen deze opties en eventuele andere aanpak is aan het nieuwe kabinet.
Waarom behandelt u de klimaatcrisis nog steeds niet als crisis?
Zie antwoord vraag 9.
Het uitblijven van een goed sociaal plan voor het personeel van de kolencentrale op de Maasvlakte |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Bas van 't Wout (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat dat kolencentrale Onyx Power Plant Rotterdam in oktober 2020 een subsidie van 238 miljoen euro heeft aangevraagd in ruil voor het beëindigen van de werkzaamheden van de kolencentrale, maar niet genoeg geld uittrekt voor een sociaal plan voor personeel terwijl dit wel een voorwaarde was voor de subsidie?1
De call for proposals is opengesteld zodat eigenaren van kolencentrales een voorstel kunnen indienen om volledig te stoppen met kolenstook met behulp van een subsidie. Aan de voorstellen heb ik een aantal eisen verbonden (zie hiervoor ook Kamerstuk 32 813, nr. 568) waaraan moet zijn voldaan voordat de subsidie definitief wordt toegekend.
Daarnaast dienen de procedures op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) te zijn afgerond. Op grond van de WOR heeft de ondernemingsraad (OR) adviesrecht over een voorgenomen besluit van de ondernemer tot beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van een belangrijk onderdeel daarvan. Er is, voor zover mij bekend, op dit moment nog geen overeenstemming bereikt over een sociaal plan. Dat betekent dat ook nog niet bekend is hoeveel geld de werkgever voor dit sociaal plan en voor de uitvoering ervan reserveert.
Als het voorstel dat door Power Plant Rotterdam is ingediend niet voldoet aan de gestelde eisen, wordt de subsidie voor het voorstel niet verleend. Hiermee wordt onder andere geborgd dat werknemers adequaat worden ondersteund als de subsidie wordt verstrekt.
Deelt u de mening dat een regeling van hetzelfde niveau als van de vorig jaar gesloten Hemwegcentrale moet zijn, te weten ten minste drie jaar lang recht op scholing, begeleiding, en compensatie van inkomensverlies bij een lager betaalde volgende baan WW-uitkering? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de Hemwegcentrale was er sprake van een gedwongen sluiting per 1 januari 2020, terwijl de Onyxcentrale er zelf voor gekozen heeft om subsidie aan te vragen om de centrale te sluiten.
Vanwege die vrijwilligheid van deze sluiting is in de call for proposals als eis opgenomen dat de werkgever de medewerkers die hun baan verliezen als gevolg van de sluiting adequaat moet ondersteunen, waarbij wordt aangesloten bij de uitgangspunten van het Westhavenarrangement. Dat betekent begeleiding en ondersteuning bij het vinden van een volgende baan voor alle werknemers met een tijdelijk of een vast dienstverband. En daarnaast een tegemoetkoming van in totaal tenminste 35% van het jaarloon – vanwege een eventueel lager loon in een nieuwe baan – voor de werknemers met een vast dienstverband voor een periode van maximaal drie jaar.
Als aan deze eisen niet wordt voldaan, wordt de subsidie niet verleend.
Kunt u proberen uit te leggen dat deze belegger denkt bijna een kwart miljard in zijn zak te steken terwijl het denkt maar 1,3% te reserveren voor hun personeel?
De financiële beoordeling van het ingediende voorstel is nog niet afgerond. Nadat dit is gebeurd, zal het voorgenomen besluit ook aan de Europese Commissie ter goedkeuring worden voorgelegd, omdat de subsidie staatssteun betreft. Door de beoordeling van het voorstel en de goedkeuring van de Europese Commissie wordt geborgd dat aan Power Plant Rotterdam niet meer subsidie wordt verleend dan is gerechtvaardigd.
Wat vindt u ervan dat de directie van de kolencentrale al sinds oktober weet dat er een subsidie voor de sluiting is aangevraagd, terwijl er sinds die tijd enkel onzekerheid is over hun toekomst onder personeel van de kolencentrale?2
Het is altijd vervelend als werknemers in onzekerheid zitten over hun baan en ik ben mij er van bewust dat het voorstel door Power Plant Rotterdam om de centrale te sluiten grote impact heeft voor het personeel dat daar werkzaam is. Ik ben mij er ook van bewust dat in de periode waarin de aanvraag van Power Plant Rotterdam wordt beoordeeld er grote onzekerheid is bij de werknemers van de centrale. Tegelijkertijd vind ik het van belang dat het besluit over de aangevraagde subsidie zorgvuldig wordt genomen en dat kost tijd.
Door het opnemen van de eis ten aanzien van het sociaal plan in de call voor proposals is gewaarborgd dat er adequate ondersteuning is voor de werknemers en probeer ik iets van deze onzekerheid weg te nemen.
Kunt u aangeven welk overleg er in de afgelopen maanden is geweest met de directie van de kolencentrale en/of de aandeelhouder over de subsidie en het sociaal plan?
De afgelopen maanden is er contact geweest met de directie van de kolencentrale en met de aandeelhouder van Power Plant Rotterdam over de (financiële) onderbouwing van het voorstel dat onder de call for proposals is gedaan. Hierover is daarnaast ook contact geweest tussen de directie van de kolencentrale en de adviseur die EZK ondersteunt. Deze contacten zijn noodzakelijk om het voorstel te kunnen beoordelen in het licht van de eisen die zijn gesteld in de call for proposals. In het bijzonder mag geen sprake zijn van overcompensatie en dient het sociaal plan aan te sluiten bij de uitgangspunten van het Westhavenarrangement.
De Staat is zelf geen partij in de onderhandelingen tussen de werkgever en werknemer met betrekking tot het sociaal plan. Ik toets, met ondersteuning van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of het bij de aanvraag overgelegde concept van het sociaal plan aan de eisen voldoet.
Herinnert u zich nog de aangenomen motie-Beckerman over een goede oplossing voor de medewerkers van de Onyx-kolencentrale? Kunt u aangeven wat u heeft gedaan met deze opdracht? (Kamerstuk 32 813, nr. 627)
Deze motie staat helder op mijn netvlies en ik geef er uitvoering aan. De overheid is geen partij bij de onderhandelingen over een sociaal plan, dat is aan partijen zelf. Met de in de call for proposals opgenomen eisen ten aanzien van een sociaal plan, wordt geborgd dat er een goede regeling komt voor de medewerkers van de centrale.
Hoe is uit te leggen dat de Amerikaanse belegger Riverstone in 2019 vier kolencentrales van ENGIE overnam van voor 200 miljoen, nu voor het sluiten van één van die vier 238 miljoen euro subsidie vraagt, dit overigens nog bovenop kolencentrales in Duitsland die waarschijnlijk ook met subsidie gesloten worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Power Plant Rotterdam heeft subsidie aangevraagd voor het projectvoorstel tot sluiting en ontmanteling van de centrale. De hoogte van de subsidie moet enerzijds onder een vastgesteld maximum per megawatt zijn en anderzijds niet leiden tot overcompensatie. Ik heb een externe adviseur gevraagd om de financiële gevolgen te toetsen om te borgen dat er geen sprake is van overcompensatie. Daarnaast zal ook de Europese Commissie goedkeuring moeten verlenen aan de subsidie, omdat het staatssteun betreft. Door de beoordeling van het voorstel en de goedkeuring van de Europese Commissie wordt geborgd dat aan Power Plant Rotterdam niet meer subsidie wordt verleend dan is gerechtvaardigd.
Bent u bekend met de plannen om de kolencentrale niet te sluiten, maar om te bouwen tot een biomassacentrale? Kunt u hier meer over delen met de Kamer?
Power Plant Rotterdam heeft een voorstel onder de call for proposals ingediend. Dit voorstel ligt thans voor ter beoordeling. Ik heb vernomen dat Onyx een verkenning uitvoert waarin wordt onderzocht of de Power Plant Rotterdam kan worden omgebouwd naar een biomassacentrale.
Op het moment dat ik de ingediende aanvraag heb beoordeeld, zal ik u hierover informeren.
Deelt u de indruk dat de kolencentrale op dit open gehouden wordt om na reparatie met winst verkocht te kunnen worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik deel deze indruk niet.
Kunt u bevestigen dat de subsidieverlening stil is gelegd tot dat er een fatsoenlijk akkoord is gesloten met de vakbonden over de toekomst van de medewerkers van de kolencentrale?
Het proces van subsidieverlening kan doorgaan, omdat de subsidie uiteindelijk wordt verleend onder de voorwaarden dat er een sociaal plan moet worden ingediend dat voldoet aan de eisen uit de call for proposals (die aansluiten bij het Westhavenarrangement) en dat alle procedures conform de WOR zijn afgerond, zoals ook opgenomen in de call for proposals. De subsidie wordt niet eerder definitief verleend dan wanneer duidelijk is dat aan de voorwaarden uit de call for proposals is voldaan.
Erkent u dat het groots subsidiëren van beleggers om een kolencentrale te sluiten zonder dat er oog is voor personeel dat daar werkt, totaal geen draagvlak creëert voor klimaatbeleid?
Ik heb in mijn antwoorden aangegeven waarom ik van mening ben dat het kabinet met de in de call for proposals gestelde voorwaarden juist nadrukkelijk oog heeft gehad en nog steeds heeft, voor de belangen van de medewerkers van de centrale.
De Reactie van de Kamer van Koophandel (KVK) op de petitie de Goede Zaak over privacy |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Reactie KVK op petitie De Goede Zaak over privacy»?1
Ja.
Bent u beide bekend met de tweets van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over de uitvoering van de motie-Yeşilgöz-Zegerius (Kamerstuk 35 570 VI, nr. 36) over het afschermen van huisadressen in openbare overheidsregisters?2
Ja.
Herinnert u zich de brief van 17 december 2020 waarin u een appreciatie gaf op deze motie waarbij u aangaf dat u de huidige balans tussen toegankelijkheid en veiligheid passend achtte? Zo ja, heeft u daar alle relevante argumenten naar voren gebracht om dit standpunt te bepleiten? Zo nee, waarom heeft u niet alle argumenten gedeeld?
De brief van 17 december 2020 (Kamerstuk 32 761, nr. 177) geeft een goed samenvattend beeld van de argumenten van het kabinet voor het standpunt dat een passende balans tussen toegankelijkheid en veiligheid wordt bereikt. De brief betrekt bij dit oordeel ook de voorgenomen wijziging van het Handelsregisterbesluit 2008 om woonadres-gegevens in het handelsregister standaard af te schermen. Het voorstel is op 8 februari jl. aan de Autoriteit Persoonsgegevens toegezonden. Zodra het advies van de AP is vastgesteld, zal het ontwerpbesluit worden toegezonden aan de Raad van State voor advies.
Dat neemt niet weg dat we continu oog moeten hebben voor de balans tussen de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en openbaarheid van registers. Ik kan niet uitsluiten dat bij andere partijen die belang hebben bij de werking van het Handelsregister nog diverse aanvullende argumenten, zowel voor als tegen het genoemde standpunt, bestaan.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Kamer na van deze appreciatie kennisgenomen te hebben unaniem voor deze motie heeft gestemd, waarmee wordt gesteld dat de regering openbare registers waarin huisadressen – of aan een onderneming gekoppeld huisadres – voorkomen, zo moet afschermen dat deze alleen door het bevoegd gezag kunnen worden ingezien?
De motie is, gemotiveerd, ontraden. Uit de stemming over de motie trek ik de conclusie dat de Kamer de argumenten voor openbaarheid van bepaalde ondernemingsgegevens op dit moment niet deelt, of althans niet weegt op dezelfde wijze als de regering. Het aannemen van de motie laat onverlet dat de motie op onderdelen niet uitvoerbaar is. Het afschermen van een vestigingsadres van een onderneming (ook wanneer dat tevens als woonadres wordt gebruikt) is met het oog op de rechtszekerheid in het handelsverkeer en het naleven van verplichtingen uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) van bepaalde afnemers van deze informatie onwenselijk, en waar het vennootschappen betreft, onmogelijk met het oog op Europeesrechtelijke verplichtingen.
Richtlijn (EU) nr. 2017/1132 bevat bepalingen omtrent de «zetel» van vennootschappen. Artikel 4 sub a van deze richtlijn verplicht lidstaten tot openbare registratie van de statutaire zetel van de vennootschap en artikel 19 lid 2 sub b schrijft tevens voor dat dit gegeven via het koppelingssysteem BRIS kosteloos beschikbaar dient te zijn. Op het eerste gezicht lijkt onduidelijk of onder dit begrip «statutaire zetel» een volledig adres moet worden verstaan of slechts een plaats. Uit de context wordt evenwel duidelijk dat het inderdaad om het volledige adres gaat. Dit is namelijk voor informatie omtrent bijkantoren wel met zoveel woorden bepaald in artikel 30 lid 1 sub a.
Verplichtingen om het vestigingsadres openbaar te maken, betreffen ook niet uitsluitend de informatie in het Handelsregister. Richtlijn (EU) 2011/83 (Consumentenrechten) verplicht bijvoorbeeld ondernemingen die goederen of diensten aan consumenten verkopen zelf tot het bekend maken van hun fysieke en administratieve vestigingsadressen.
Het Europees recht verhindert overigens niet dat ondernemers op dit moment al de mogelijkheid hebben, in het geval van een concrete dreiging, een verzoek tot afscherming van hun woonadres in te dienen bij de Kamer van Koophandel. Dit is echter alleen mogelijk wanneer het woonadres niet gelijk is aan het vestigingsadres. Na de inwerkingtreding van de wijziging van het Handelsregisterbesluit (zie mijn antwoord op vraag 3) worden woonadressen standaard afgeschermd. Alleen wanneer hetzelfde adres als vestigingsadres is gebruikt, blijft het zichtbaar in die hoedanigheid. Onder andere op dit onderwerp zal verder ingegaan worden tijdens de consultatie, hierover vindt u meer in het antwoord van vraag 6 en 7.
Deelt u de mening dat met deze motie door de Tweede Kamer de gewenste balans werd aangegeven en dat de motie niet opriep om een onderzoek, of een zoektocht, te starten naar de wenselijkheid van een balans? Zo nee, waarom niet?
De wens van uw Kamer is op heldere wijze in de motie verwoord, dit laat evenwel onverlet dat het onmogelijk is om de motie in haar geheel uit te voeren, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4. Omdat ik uw zorg deel over het intimideren en lastig vallen van personen waarvan adresinformatie beschikbaar is, zal ik een consultatie starten om daarvoor oplossingen te zoeken die zoveel mogelijk recht doen aan alle betrokken belangen.
Kunt u toelichten met welk doel u in consultatie gaat? Welke partijen nemen deel aan de consultatie, liggen er stukken aan deze consultatie ten grondslag en zo ja kunt u deze met de Kamer delen?
Het doel van de consultatie is inzet van de kennis en ervaring van alle bij het Handelsregister betrokken partijen teneinde oplossingsrichtingen te vinden die kunnen bijdragen aan passend en integer gebruik van Handelsregister-data ten bate van de samenleving. Voor de consultatie zullen publieke en private stakeholders worden uitgenodigd (geregistreerde personen, de diverse soorten afnemers van Handelsregister-informatie, waaronder Wwft-instellingen, belangenbehartigers op het gebied van privacy, open data etc., overheden) en is voorts iedereen welkom die aan de consultatie wenst deel te nemen. Een compleet overzicht van alle belanghebbenden is noodzakelijk om de effecten van mogelijke oplossingsrichtingen in praktijk te toetsen.
Leden van uw Kamer zullen via de vaste Kamercommissies worden uitgenodigd om te participeren in de consultatie vanuit hun rol als volksvertegenwoordiger of als persoon met een publieke functie die eveneens vindbaar kan zijn in het Handelsregister. Daarnaast nodigen we de leden graag uit om partijen aan te dragen waarvan zij menen dat die zouden moeten participeren. Ook komt een open uitnodiging op de Rijkswebsite voor internetconsultaties te staan.
De eerste stap is in kaart brengen welke belangen op welke wijze geraakt worden door de registratie van gegevens in het Handelsregister en verstrekking daarvan. Dit gebeurt door middel van open vragen om alle belangen en ontwikkelingen in kaart te brengen. Ook worden dilemma’s op het gebied van transparantie en privacy geschetst en worden deelnemers verzocht hierop te reflecteren. Hiervoor zijn geen onderliggende stukken voorzien. Wel zal het kabinet ten behoeve van de deelnemers aan de consultatie de Europese juridische kaders schetsen die de openbaarheid van het Handelsregister beheersen, opdat helder is welke grenzen er aan de nationale beleidsruimte zijn gesteld. Deze achtergrondinformatie wordt gepubliceerd op de consultatiewebsite.
Deelt u de mening dat het in de consultatie enkel moet gaan over de manier waarop openbare registers waarin huisadressen – of aan een onderneming gekoppeld huisadres – voorkomen zo afgeschermd kunnen worden dat deze alleen door het bevoegd gezag kunnen worden ingezien? Zo ja, kunt u garanderen dat u dit als doel stelt voor de consultatie? Zo nee, waarom niet en bent u in dat geval van mening dat u voorbij gaat aan de wens van de Kamer?
Het doel van de consultatie is breder dan de manier waarop deze gegevens afgeschermd kunnen worden. De consultatie beoogt in eerste instantie alle betrokken belangen te verkennen en in kaart te brengen. Gegevens uit het Handelsregister worden door veel partijen en voor veel doelen gebruikt. Zonder toegang tot adresinformatie moet een ondernemer voor iedere betaling die niet spontaal binnenkomt een derde partij met extra bevoegdheden inhuren, wordt het werk van onderzoeksjournalisten veel moeilijker, en wordt een belangrijke grondstof voor kredietinformatie, die financierbaarheid bevordert, weggenomen. Maar mét toegang tot adresinformatie is het afweren van ongewenste of bedreigende benadering veel moeilijker. Het zijn slechts enkele voorbeelden uit een veelheid aan dilemma’s die om een oplossing vragen.
In tweede instantie zullen passende, maakbare en gedragen oplossingsrichtingen geformuleerd worden. Het is aannemelijk dat dit doel het best kan worden gediend met inzet van de kennis van het hele betrokken veld.
De wenselijkheid en mogelijkheid van afscherming van het vestigingsadres (indien gelijk aan woonadres) zal gezien de aandacht voor dit onderwerp door maatschappelijke organisaties en uw Kamer ook aan de orde komen.
Kunt u de Kamer in uw voorgenomen brief uiterlijk voor het zomerreces informeren op welke manier u ervoor gaat zorgen dat de eerdere motie onverkort wordt uitgevoerd, welke stappen u nog moet zetten voor de motie daadwerkelijk uitgevoerd is en welk tijdspad u daarbij voor ogen heeft? Zo nee, waarom niet?
De motie kan, zoals gezegd, niet onverkort worden uitgevoerd omdat dat niet (volledig) mogelijk is en mogelijk ook niet de beste oplossing biedt voor de dilemma’s die voortvloeien uit de intrinsieke spanning tussen de wettelijke doelen van het Handelsregister en (onder andere) de privacy en veiligheid van daarin geregistreerde personen.
Ik wil niet op voorhand meer grenzen stellen dan die al voortvloeien uit de Europese regelgeving aan de richting en reikwijdte van oplossingen die ik bereid ben te overwegen. Dat impliceert dat mogelijke oplossingen zowel in termen van nationale regelgeving als in termen van uitvoering en budgettair beslag omvangrijk kunnen zijn, waarbij dan een passend tijdpad voor implementatie in acht zal moeten worden genomen.
Ik zal uw Kamer op de hoogte houden van de stappen die in het proces van consultatie en beleidsontwikkeling worden gezet. Ik verwacht voor de zomer een eerste indicatie van gedragen oplossingsrichtingen te kunnen geven.
Kunt u deze vragen binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ik heb de vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoord.
Het bericht dat het CBS gaat stoppen met onderscheid maken tussen een ‘westerse’ en ‘niet-westerse’ achtergrond en zo op schaamteloze wijze de enorme problemen van de massa-immigratie onder het tapijt veegt |
|
Gidi Markuszower (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Bas van 't Wout (VVD), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «CBS gaat stoppen met begrippen «westers» en «niet-westers»»?1
Ja.
Bent u op de hoogte dat de registratie van de dubbele nationaliteit ook al is afgeschaft en dat de derde generatie niet-westerse allochtonen als «Nederlands» wordt geduid, waardoor een groot deel van de immigratieproblematiek nu al wordt verhuld?
Met de komst van de Wet basisregistratie personen (Wet BRP) in 2014 is het bijhouden van gegevens over de vreemde nationaliteit van een persoon die ook Nederlander is, in de bevolkingsregistratie beëindigd. Bij personen die zelf geboren zijn in Nederland en van wie de ouders dat ook zijn, is inderdaad geen sprake van een migratieachtergrond. Zie voor meer informatie over het beëindigen van de registratie van de vreemde nationaliteit, de beantwoording van de Kamervragen van de leden Fritsma, Wilders en Van Dijk (PVV)2.
Deelt u de mening dat het essentieel is om maatschappelijke gegevens te kunnen categoriseren naar verschillende leeftijden, seksen, afkomst, geografische spreiding, godsdienst, opleidingsniveau, inkomen en arbeidsomstandigheden, zodat op basis van die gegevens beleid kan worden ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang om maatschappelijke gegevens te kunnen categoriseren en feiten te rapporten, zodat met die gegevens onder andere beleid kan worden ontwikkeld en geëvalueerd. De heroverweging van het CBS voor een andere hoofdindeling van herkomst en migratieachtergrond op termijn, doet daar geen afbreuk aan. Het CBS blijft de herkomst en migratieachtergrond dus registreren, met de heroverweging komt er te zijner tijd een andere hoofdindeling dan «westers - niet-westers». Zoals het CBS op de website aangeeft3, is het CBS continu bezig met het vinden van een goede balans bij het leveren van maatschappelijk relevante cijfers. Op deze manier kan bestaand beleid worden gemonitord en effectief beleid worden ontwikkeld. Heroverwegingen zijn volgens het CBS nodig om statistiek te kunnen blijven maken die maatschappelijke fenomenen zo goed mogelijk beschrijft en recht doet aan de verscheidenheid binnen de samenleving van dat moment. Volgens het CBS zorgt een betere indeling naar herkomst voor betere statistieken. De heroverweging doet dus geen afbreuk aan de statistiekvoorziening, dan wel het bestaansrecht van het CBS.
Ter achtergrond voor de heroverweging van het CBS: in Nederland wordt al sinds de jaren '90 een systematiek gehanteerd voor de vaststelling van de migratieachtergrond van personen. Dat gebeurt aan de hand van drie identificerende gegevens: het geboorteland van de persoon zelf en de geboortelanden van de beide ouders. Destijds is ook de indeling ingevoerd waarmee de bevolking uit verschillende herkomstlanden werden samengenomen tot de verzamelcategorieën «westers» en «niet-westers». In de huidige diverse Nederlandse samenleving is het aantal herkomstgroepen veel omvangrijker en zijn de verschillen tussen deze groepen steeds groter. Dit heeft tot gevolg, zoals ook door de WRR is opgemerkt4, dat deze verzamelcategorieën hun betekenis hebben verloren. Zo worden bijvoorbeeld zowel hoogopgeleide kennismigranten uit India, als laagopgeleide asielmigranten uit Eritrea in deze systematiek in dezelfde verzamelcategorie «niet-westers» ondergebracht, terwijl zij nauwelijks gemeenschappelijke kenmerken hebben. Dat doet sterk afbreuk aan de validiteit en de bruikbaarheid van deze indeling en de daarop gebaseerde statistieken. Het CBS heeft daarom, in navolging van het WRR-advies, besloten op zoek te gaan naar meer betekenisvolle verzamelcategorieën om daarmee de kwaliteit en gebruikswaarde van de statistische informatie te vergroten en deze op termijn ter vervanging van de oude categorisering in te voeren. Eén en ander laat onverlet dat de onderliggende individuele herkomstgroepen ook in de toekomst gewoon beschikbaar blijven in de CBS-databases en statistieken. Een voorbeeld van alternatieve categorisering is te vinden in de in juli 2020 en april 2021 gepubliceerde rapportages van het NIDI en CBS die in het kader van de Verkenning Bevolking 2050 zijn uitgebracht en aan uw Kamer zijn aangeboden5.
Bent u het eens dat de feiten over de faliekant mislukte multiculturele samenleving niet in de doofpot moeten worden gestopt, maar dat deze feiten keihard nodig zijn om dit vreselijke immigratiebeleid te controleren en beleid te voeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Als het verschil tussen «westers» en «niet-westers» niet meer belangrijk is, wat is er dan aan andere gegevens nog belangrijk? Ergo: kunt u dan niet beter het hele CBS opdoeken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat het te idioot voor woorden is dat het CBS zich meer bezig houdt met politiek-correcte onzin dan met objectief haar werk te doen? Bent u bereid de linkse activisten die dit plan hebben bedacht de wacht aan te zeggen en te vervangen voor objectieve onderzoekers?
Het antwoord op vragen 3, 4 en 5 zet uiteen waarom het CBS bezig is met een heroverweging van het gebruik van de hoofdindeling «westers - niet-westers». Hieruit valt af te leiden dat het CBS dit onderneemt vanuit de inhoud, namelijk om maatschappelijke fenomenen zo goed mogelijk te beschrijven en met betekenisvollere categorieën de kwaliteit en gebruikswaarde van de statistische informatie te vergroten. Dit draagt bij aan het rapporteren van objectieve informatie en betere statistieken.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat is politiek verantwoordelijk voor de wetgeving omtrent het CBS en het budget. Het CBS is echter een zelfstandig bestuursorgaan en derhalve niet hiërarchisch ondergeschikt aan de Minister. Dit brengt met zich mee dat de Minister geen aanwijzingen aan het CBS kan geven op dossierniveau. Het publicatiebeleid en de methoden waarmee de statistieken gemaakt worden, waaronder de categorisering die het CBS hanteert, vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de DG CBS. Directe politieke invloed op de onderzoeksmethoden en de wijze van publicatie van de resultaten van statistieken zou de geloofwaardigheid, objectiviteit en de betrouwbaarheid van de onderzoeken ter discussie kunnen stellen. Dit vind ik niet wenselijk en daarom ben ik ook niet van plan mij te roeren in de categorisering die het CBS hanteert.
Bent u bereid per direct een einde te maken aan deze struisvogelpolitiek en het CBS tot de orde te roepen? Zo nee, waarom werkt u mee aan deze schaamteloze doofpot?
Zie antwoord vraag 6.
Vertragingen bij de herbeoordeling van TVL-aanvragen |
|
Tjeerd de Groot (D66), Romke de Jong (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de herbeoordelingen van de bezwaren die zijn ingediend bij de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL)-regeling door problemen die opspeelden met SBI-codes waarschijnlijk pas eind juni 2021 zullen zijn afgerond?
Nee, dat klopt niet. Op 8 februari 2021 heb ik in mijn antwoord op de vragen van het lid Aartsen (VVD)1 geschreven dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) beziet of de uitspraken gevolgen hebben voor de bezwaren over de SBI-codes die ongegrond zijn verklaard en dat RVO deze bezwaren waar nodig in het licht van de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) opnieuw zou beoordelen. De herbeoordelingen van de bezwaarschriften (200) naar aanleiding van de CBb-uitspraken zijn op 5 na afgerond, ook deze worden op korte termijn afgehandeld.
Welk percentage van de lopende en afgewezen bezwaarprocedures waarvan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat op 10 maart 2021 heeft toegezegd dat deze zouden worden herbeoordeeld in verband met de problemen met de SBI-codes, zijn inmiddels ook daadwerkelijk herbeoordeeld? Hoe verklaart u dit percentage?1
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, is 97,5% van de herbeoordelingen uitgevoerd. Bezwaarschriften over SBI-codes kunnen nog steeds worden ingediend bij RVO. Deze krijgen geen herbeoordeling, maar een reguliere beoordeling in de bezwarenprocedure. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Welk percentage van de bezwaarprocedures van kwartaal 4 van 2020 specifiek heeft u reeds herbeoordeeld?
Herbeoordeling van afgehandelde bezwaarschriften betrekking hebbend op kwartaal 4 van 2020 is niet nodig, omdat deze bezwaarschriften steeds in lijn met de CBb-uitspraken worden afgehandeld.
Per 29 april 2021 zijn er 1193 bezwaarschriften die zien op de SBI-code en betrekking hebben op kwartaal 4 van 2020. Daarvan zijn er 346 afgehandeld. Dat is bijna 30%.
Deelt u de mening dat deze vertragingen problematisch zijn voor bijvoorbeeld schippers van zeilscheepvaartuigen, waarvan de meeste hun bezwaar al in kwartaal 4 van 2020 hebben ingediend en het water aan de lippen hebben staan in afwachting van de afhandeling van hun bezwaarprocedure?
Vertragingen in de afhandeling zijn altijd problematisch voor ondernemers bij wie het water aan de lippen staat. Dat geldt ook voor schippers van zeilscheepvaartuigen. RVO streeft naar een zo spoedig mogelijke afhandeling, maar de behandeling dient ook zorgvuldig te gebeuren, om te zorgen dat ondernemers krijgen waar ze recht op hebben. RVO streeft ernaar alle bezwaren binnen de wettelijke beslistermijn van maximaal 12 weken af te handelen. In complexe gevallen wordt een termijn in overleg met de bezwaarmaker verlengd. Op dit moment wordt 90% van de bezwaardossiers binnen de wettelijke termijn afgehandeld. Dit geldt ook voor de bezwaren die betrekking hebben op de SBI-problematiek.
Indien u het eens bent met de voorgaande vraag, kunt u aangeven of en zo ja, welke plannen u heeft om de herbeoordeling van deze bezwaarprocedures te versnellen?
De bezwaren die betrekking hebben op de SBI-problematiek worden met voorrang opgepakt, ook vanwege het effect op een aanvraag de volgende aanvraagperiode. RVO heeft extra capaciteit ingeschakeld om dit te bewerkstelligen.
Klopt het dat het aanvraagformulier van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de TVL-regeling nog niet is aangepast op het includeren van de nieuwe, juiste KvK-codes, waardoor het probleem met de SBI-codes ook in nieuwe aanvragen kan voorkomen? Zo ja, waarom is dit nog niet opgelost en bent u het eens met de vragenstellers dat om nieuwe, onnodige bezwaarprocedures te voorkomen het zaak is dat dit zo snel mogelijk verholpen wordt?
Uitgangspunt is dat na een positieve beslissing op het bezwaar de ondernemer een volgende aanvraag kan indienen op zijn nieuwe SBI-code. RVO heeft het systeem aangepast zodat de ondernemer bij het invullen van het aanvraagformulier de juiste SBI-code te zien krijgt. Sinds 12 mei 2021 konden ondernemers met een positief afgeronde bezwaarprocedure met de juiste SBI-code tot aan de sluitingsdatum van 18 mei 2021 een aanvraag indienen. Er zal dan geen bezwaarprocedure meer hoeven te worden gestart.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het Kinderklimaatakkoord. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Bas van 't Wout (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het Kinderklimaatakkoord?1
Ja.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de afvaardiging die naar Den Haag komt om het Kinderklimaatakkoord aan te bieden aan de landelijke politiek? Zo nee, waarom niet?
Ja, daartoe ben ik bereid.
Erkent u dat een Kinderklimaatakkoord niet nodig zou zijn geweest als u – en eerdere kabinetten – genoeg hadden gedaan om de klimaatcrisis op te lossen,? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nederland heeft een ambitieus en breed gedragen Klimaatakkoord tot stand gebracht. Ook heeft het kabinet de afgelopen jaren intensief en succesvol gelobbyd om de Europese klimaatdoelen op te hogen naar een CO2-reductiepercentage van 55% in 2030. De betrokkenheid van jongeren bij het vormgeven en uitvoeren van het klimaatbeleid acht ik essentieel en zal altijd nodig zijn. Ik verwelkom daarom deze en andere initiatieven van jongeren om mee te denken over een onderwerp dat bepalend zal zijn voor hun eigen toekomst. Organisaties als de Jonge Klimaatbeweging (JKB) en de young climate professionals van de Klimaat en energie Koepel (KEK) spelen bijvoorbeeld een actieve rol bij de totstandkoming en implementatie van het nationale klimaatbeleid. Ik zet mij als Staatssecretaris in voor het borgen van deze bijdrage, bijvoorbeeld door de halfjaarlijkse overleggen met klimaatjongeren die mede op verzoek van uw Kamer zijn ingesteld (motie Moorlag, Kamerstuk 32813, nr. 507). De Kamer wordt elk jaar in de Klimaatnota, die in oktober met de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) naar de Kamer wordt gestuurd conform de cyclus van de Klimaatwet, geïnformeerd over deze overleggen.
Erkent u uw verantwoordelijkheid om de hoogste prioriteit te geven aan de reële zorgen die leven bij kinderen over de klimaatcrisis? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie het antwoord op vraag 3. Verder draagt mijn ministerie op verschillende manieren bij aan het vergroten van de bewustwording van de jeugd en jongeren over klimaatverandering en het bieden van handelingsperspectief. Zo heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) in 2019 in samenwerking met de coöperatie «Leren voor Morgen» het lesmateriaal voor het basis- en voorgezet onderwijs ontwikkeld bij de Bosatlas van de Duurzaamheid met veel aandacht voor het klimaatvraagstuk. Ook hebben de jongeren een constructieve rol kunnen spelen bij de totstandkoming van het Klimaatakkoord en zitten zij aan momenteel tafel bij het ontwerp en de uitvoering van de Regionale Energiestrategieën (RES’en).
Deelt u de mening dat Nederland zo snel mogelijk, zo veel mogelijk moet doen om een verdere opwarming van de Aarde te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Vandaar dat we in Nederland een ambitieus en breed gedragen Klimaatakkoord tot stand hebben gebracht. Ook heeft het kabinet de afgelopen jaren intensief en succesvol gelobbyd om de Europese klimaatdoelen op te hogen naar een CO2-reductiepercentage van 55% in 2030.
Wat is uw reactie op de drie voorstellen die de basis vormen van het Nationale Kinderklimaatakkoord, zijnde: «duinen ophogen, dijken versterken», «minder vleeseten» en «een boom eruit, twee ervoor terug»?
Nederland is kwetsbaar voor overstromingen. Sterke dijken en duinen beschermen ons land tegen hoogwater vanuit de rivieren en zee. Zonder primaire waterkeringen zou ongeveer 60% van ons land regelmatig onder water staan.
De beheerders van de waterkeringen, Rijkswaterstaat en de waterschappen, zorgen ervoor dat de primaire keringen op orde blijven. Dat gebeurt door dijken, duinen, dammen en stormvloedkeringen te beheren, te onderhouden en indien nodig te versterken. Daarnaast dragen de zandsuppleties in het kustfundament, dat is het aanvullen van zand in de kustregio, bij aan het beschermen van Nederland.
Het kabinet onderschrijft de oproep uit het Kinderklimaatakkoord om te blijven werken aan de bescherming tegen overstroming. Dit blijft noodzakelijk, ook gezien de effecten van klimaatverandering zoals zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren. Hiermee wil het kabinet er voor zorgen dat Nederland de best beschermde delta ter wereld blijft.
Het voorstel om minder vlees te eten sluit aan op het voedselbeleid. Het kabinet vindt het belangrijk om een duurzaam en gezond voedingspatroon te stimuleren, met een goede balans tussen dierlijke en plantaardige eiwitten conform de aanbevelingen van de Gezondheidsraad. Deze balans is terug te vinden in de adviezen van de Schijf van Vijf, ontwikkeld door het Voedingscentrum.
Het kabinet vindt het voorstel «een boom eruit, twee ervoor terug» interessant. Een simpele maar effectieve boodschap. Het mes snijdt aan twee kanten; enerzijds komen er op termijn altijd meer bomen dan er gekapt zijn, maar anderzijds maant het de initiatiefnemer van de kap ook tot het langer stilstaan bij de effecten van het weghalen van een boom. Wel liggen er nog wat praktische bezwaren, met name buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom ligt de bevoegdheid bij gemeenten. Ook moeten we niet vergeten dat bomen fascineren in hun mogelijkheid koolstof uit de lucht te halen, maar dat zij maar een klein deel kunnen compenseren van wat Nederland aan CO2 uitstoot. De focus op bomen is mooi, maar mag dus niet leiden tot verslapping elders.
Erkent u dat uw huidige voedselbeleid niet heeft kunnen voorkomen dat de gemiddelde Nederlandse vleesconsumptie in 2019 zelfs is gestegen?2 Zo nee, waarom niet?
Het is niet bekend wat de gemiddelde vleesconsumptie van een Nederlandse inwoner in 2019 was. Er zijn wel cijfers over de gemiddelde vleesconsumptie in Nederland in 2019, waar bijvoorbeeld ook de consumptie door buitenlandse toeristen in de horeca onder valt. Deze laatste cijfers laten een stijgende trend zien. Het is ook bekend dat de verkoop van vleesvervangers in de supermarkt de afgelopen jaren flink is gestegen.
Welke extra maatregelen gaat u (bovenop het bestaande beleid) nemen om de Nederlandse vleesconsumptie snel terug te dringen?
Uitgangspunt van het kabinet is om te streven naar een duurzaam en gezond voedingspatroon, waarin de consumptie van dierlijke en plantaardige producten in balans zijn. Hier richt zich het huidige beleid al op. Het Voedingscentrum geeft aan de hand van de Schijf van Vijf voorlichting en tips. In de eetwissel campagne worden bijvoorbeeld concrete handelingsperspectieven geboden om meer volgens de Schijf van Vijf te eten. De balans tussen dierlijke en plantaardige producten is hier onderdeel van. De eetwissel campagne loopt sinds 2019 en sindsdien herkennen steeds meer mensen de boodschap. Steeds meer mensen geven aan een aanpassing in hun voedingspatroon te maken. In de campagne «Iedereen doet wat» is ook aandacht voor een duurzamere voedselkeuze, onder meer door vaker te kiezen voor noten en peulvruchten als belangrijke bron van plantaardige eiwitten. In de nationale eiwitstrategie wordt aangegeven dat de komende 5 tot 10 jaar ingezet zal worden op innovatie en ontwikkeling van alternatieve eiwitbronnen voor mens en dier, zoals microbiële eiwitten en kweekvlees. Tot slot richt het beleid zich op het meegeven van kennis en ervaring aan kinderen en jongeren over voedsel, zodat ze in staat zijn om duurzame en gezonde keuzes te maken. In het programma Jong Leren Eten wordt hiervoor samengewerkt met andere overheden, het onderwijs en maatschappelijke organisaties.
Erkent u dat uw huidige natuurbeleid niet heeft kunnen voorkomen dat in de afgelopen jaren veel te veel bomen zijn gekapt? Zo nee, waarom niet?
Er is inderdaad veel bos verdwenen om andere typen natuur te versterken. Vanuit het oogpunt van natuur was dit noodzakelijk en levert het goede resultaten op voor bijvoorbeeld de versterkte duin- en heidegebieden. Vaak zijn in het verleden productiebossen met een lage biodiversiteitswaarde in de plaats gekomen voor heide of stuifzand. Dat betekent ook dat er bij uitbreiding van deze kwetsbaardere natuurtypen veelal voor is gekozen dezelfde (voormalige) productiebossen op te geven. Met de Bossenstrategie regelen we de compensatie van deze verdwenen bossen alsnog met terugwerkende kracht tot en met 2017. Ook voor woningbouw of infrastructuur heeft bos moeten wijken, maar dit moet altijd binnen 3 tot 5 jaar worden gecompenseerd.
Welke extra maatregelen gaat u (bovenop het bestaande beleid) nemen om het aantal bomen in Nederland zo snel mogelijk te verhogen?
Met de eind 2020 uitgekomen Bossenstrategie hebben we als rijk en provincies forse ambities neergezet. 37.000 hectare bos er bij tot 2030 en daarnaast talloze bomen binnen de bebouwde kom en in het buitengebied. We faciliteren nieuwe landbouwvormen zoals agro forestry en versterken en herstellen landschapselementen als heggen, lanen en houtsingels. Aan het realiseren van deze ambities hebben we voorlopig onze handen vol. Het is aan een volgend kabinet om te bepalen of daar nog een schep bovenop kan én moet.