Het bericht dat mensen op bungalowpark Eper Sprengen de telkens loerende toezichthouders zat zijn. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Telkens loerende toezichthouders ... Op bungalowpark Eper Sprengen zijn ze het zat»?1
Ja.
Herkent u de signalen dat gemeente Epe jacht maakt op mensen die in een recreatiewoning verblijven?
Het is mij bekend dat de gemeente Epe handhavend optreedt ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen.
Acht u het wenselijk en proportioneel dat gemeente Epe vragen stelt aan mensen over hun geloofsovertuiging in het kader van het toezicht op een bestemmingsplan?
Gemeenten moeten ook bij het uitvoeren van hun handhavende taak handelen binnen de kaders die de wet stelt. De Algemene wet bestuursrecht (art. 5.13) stelt: «Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.» Ik acht het daarmee onwenselijk dat vragen gesteld worden naar zaken die niet noodzakelijk zijn voor het toezicht op het bestemmingplan. Overigens stelt de gemeente dat er in de betreffende casus niet gevraagd is naar geloofsovertuiging door de toezichthouders.
Hoe rijmt u het bovenstaande met de aangenomen motie-Van Eijs, Koerhuis, Dik-Faber en Krol over het toepassen van de menselijke maat in de handhaving op het verblijf in recreatiewoningen?2
Het is belangrijk dat gemeenten bij handhavend optreden aandacht hebben voor de mogelijkheden voor vervolghuisvesting, zeker wanneer het kwetsbare personen betreft.
Deelt u de mening dat het herbestemmen van recreatieparken ook in gemeente Epe een goede oplossing is voor de leefbaarheid van recreatieparken? Bent u bereid het aanjaagteam hiervoor in te zetten?
De lokale overheid heeft het beste zicht op de ter zake doende belangen en mogelijkheden van een specifiek park. Het aanjaag- en expertteam kan, op verzoek van gemeenten, expertise inzetten, wanneer gekozen wordt voor een transformatie naar de bestemming Wonen.
Bent u bereid de gemeente Epe aan te spreken op uw oproep in de Kamerbrief d.d. 8 december 20203 om tijdens de tweede coronagolf de menselijke maat te betrachten in de handhaving op het verblijf in recreatiewoningen?
Ik heb mijn eerdere oproep naar aanleiding van de Kamervragen nog eens onder de aandacht gebracht bij de gemeente Epe.
Het artikel ‘Woningbouwimpuls zorgt voor bijna 45.000 nieuwbouwwoningen’ en de uitvoering van de aangenomen motie Koerhuis c.s. over de ondergrens verlagen naar 200 woningen |
|
Kelly Regterschot (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u in een overzicht aangeven, per provincie, welke projecten in de eerste en tweede tranche zijn ingediend en wat het aantal woningen is dat per project gerealiseerd zou gaan worden?1
Een overzicht van de projecten die een toekenning hebben ontvangen is eerder gepubliceerd op www.woningmarktbeleid.nl/onderwerpen/woningbouwimpuls.
Daarnaast is een totaaloverzicht bijgevoegd in bijlage 1.
Kunt u ook aangeven als er projecten niet gehonoreerd zijn, om welke reden dat was (zowel in de eerste als tweede tranche)? Kunt u daarbij expliciet maken of een selectiecriterium het aantal te realiseren woningen was?
In de eerste (25) en tweede tranche (23) zijn in totaal 48 projecten afgewezen. Het merendeel van de aanvragen is niet gehonoreerd omdat het opgevoerde financiële tekort in onvoldoende mate gevalideerd kon worden. Dit valt onder het criterium «noodzaak van de bijdrage». Binnen dit criterium wordt onder meer gekeken naar het realiteitsgehalte en onderbouwing van de opgevoerde kosten en opbrengsten en naar de mate waarin optimalisaties om het tekort kleiner te maken ook daadwerkelijk zijn doorgevoerd. Daarnaast is een tweetal aanvragen niet gehonoreerd omdat onvoldoende duidelijk was wat de gevolgen zouden zijn voor het project als de uitkering niet wordt toegekend. Dit element valt eveneens onder het criterium «noodzaak van de bijdrage», waarbij een van deze projecten ook een onvoldoende had op het criterium «efficiëntie». Tot slot is een project afgewezen vanwege veel onzekerheden rond de planning gecombineerd met een relatief hoge bijdrage per woning (criteria effectiviteit en efficiëntie).
Er zijn geen aanvragen binnengekomen van projecten met minder dan 500 woningen. Er zijn dan ook geen projecten afgewezen om deze reden. In de tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls die bijna gereed is en op korte termijn naar uw Kamer wordt gestuurd, komt dit onderwerp aan de orde. Daarbij zal ik nadere toelichting geven op de achtergronden van de gemeenten die geen projecten hebben ingediend vanwege de 500-grens.
Hoe is de aangenomen motie-Koerhuis c.s.2 uitgevoerd binnen de tweede tranche?
Het aanvraagtijdvak voor de tweede tranche liep van 26 oktober tot en met 23 november 2020. De motie Koerhuis is op 9 november jl. aangenomen. Het was daarom niet mogelijk om de voorwaarden van de reeds geopende tweede tranche nog te wijzigen. De motie Koerhuis is daarom niet betrokken bij de uitvoering van de tweede tranche Woningbouwimpuls.
Wat is de reden dat u ervoor gekozen heeft om het budget in de tweede tranche van de Woningbouwimpuls te overschrijden?
De woningbouwopgave is groot en het is belangrijk dat alle zeilen worden bijgezet om de productie te vergroten en om meer betaalbare woningen te bouwen. Uit de adviezen die ik heb ontvangen van de Toetsingscommissie bleek dat er meer aanvragen een positief advies hadden ontvangen dan dat er middelen beschikbaar waren. Zoals ik eerder in mijn brief heb gemeld3 speelde in mijn beslissing mee dat het woningtekort verder is opgelopen. Door alle aanvragen met een positief advies te honoreren, wil ik voorkomen dat projecten die van voldoende kwaliteit zijn vertraging oplopen doordat er een ongedekt financieel tekort blijft. Belangrijk is dat het hierbij ging om een beperkt aantal projecten.
Deelt u de mening dat een regiotoets kan zorgen voor een betere spreiding en verdeling van de financiële middelen van de Woningbouwimpuls? Kunt u aangeven hoe deze regiotoets vorm krijgt in de derde tranche Woningbouwimpuls? Zo nee, waarom niet?
In grote delen van Nederland is sprake van een tekort aan betaalbare woningen. Deze tekorten spelen niet alleen in grootstedelijke gebieden, maar ook in andere delen van het land. De spreiding van de Woningbouwimpuls in de tweede tranche is reeds groter dan in de eerste tranche. Zo zijn er in de tweede tranche acht projecten toegekend in Noord en Oost Nederland en een in Limburg voor in totaal € 53 miljoen (excl. BTW). In de eerste tranche waren dit vier projecten voor alle drie de genoemde gebieden voor in totaal € 20 miljoen (excl. BTW).
De tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls is bijna gereed en wordt op korte termijn naar uw Kamer gestuurd. In de begeleidende brief zal ik nader ingaan op de motie Koerhuis c.s. over het verlagen van de ondergrens van 500 woningen.
Op welke manier is de introductie van een regiotoets bij gemeenten onder de aandacht gebracht?
De regiotoets maakt op dit moment geen onderdeel uit van de Woningbouwimpuls. Zodoende is er geen actieve communicatie geweest over dit onderwerp.
Kunt u aangeven waarom u denkt dat de resterende 250 miljoen euro voldoende is om zowel nieuwe als lopende (kansrijke) aanvragen in voldoende mate te bedienen? Hoe gaat u kiezen indien de situatie zich voordoet dat de Toetsingscommissie meer projectaanvragen positief beoordeelt dan dat er budget voor is? Hoe zorgt u voor voldoende spreiding van projecten over het hele land?
De derde tranche van de Woningbouwimpuls zal de laatste zijn met de huidige beschikbare middelen. Er is circa € 250 mln. beschikbaar. Op basis van signalen van gemeenten en provincies verwacht ik veel aanvragen voor deze tranche. Ik verwacht, gelet op de omvang van de woningbouwopgave in de komende jaren, niet dat de resterende middelen van de Woningbouwimpuls voldoende zullen zijn om alle woningbouwprojecten met een publiek tekort en meer dan 500 woningen te kunnen ondersteunen. Of er meer middelen voor dit instrument beschikbaar komen, is afhankelijk van de uitkomsten van de lopende kabinetsformatie.
Met de € 250 mln. aan beschikbare middelen is er een gerede kans dat er meer aanvragen een positief advies zullen ontvangen van de Toetsingscommissie dan dat er middelen beschikbaar zijn om uit te keren. In het Besluit en de Regeling Woningbouwimpuls 2020 is reeds een procedure vastgelegd hoe ik de aanvragen zal rangschikken indien honorering van het aantal positief beoordeelde aanvragen zou leiden tot overschrijding van het uitkeringsplafond.
In de brief met de bevindingen van de tussentijdse evaluatie van de Woningbouwimpuls zal ik nader ingaan op de spreiding van de middelen.
Het bericht ‘Groot datalek bij NAM, 19.000 gedupeerden aardbevingsschade getroffen’. |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groot datalek bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), 19.000 gedupeerden aardbevingsschade getroffen»? Kunt u uitleggen hoe dit datalek mogelijk is geweest en welke gegevens er exact zijn gelekt bij deze 19.000 gedupeerden? Klopt het dat er van 120 mensen privacygevoelige gegevens, zoals e-mailadressen, telefoonnummers of bankgegevens, zijn gelekt?1
Ja, ik ben daarmee bekend. Zoals in de brief van 31 maart 2021 aan uw Kamer gemeld staat de NAM volledig op afstand (Kamerbrief Kamerstukken 33 529, nr. 851). De NAM handelt al geruime tijd geen schademeldingen meer af die een gevolg zijn van gaswinning uit het Groningenveld of de gasopslag bij Norg. Hiervoor is het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) opgericht. Omdat het IMG controleert of er sprake is van eerder uitgekeerde schadevergoedingen op een adres, hebben zij gegevens van NAM nodig. NAM gebruikt de software van Accellion voor het verzenden van grote databestanden. Begin maart 2021 is NAM, evenals vele andere bedrijven wereldwijd, op de hoogte gesteld van het feit dat de transfer-software kwetsbaar bleek voor datadiefstal. Daarop is NAM een onderzoek gestart en heeft het vastgesteld dat bij het versturen van data naar het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) gegevens zijn ontvreemd.
De gelekte data betreffen gegevens van circa 19.000 mensen. Voor het overgrote deel betreft het vooral NAW-gegevens, zoals initialen, achternaam, adres en woonplaats en soms ook geboortedatum en -plaats. De gelekte adressen variëren in gegevens: bij tweederde deel van de adressen staat bijvoorbeeld geen naamsinformatie vermeld maar enkel een adres, huisnummer, postcode en plaatsnaam. Er zijn 122 gevallen waar gevoelige persoonsgegevens is gelekt, bijvoorbeeld mailadressen en telefoonnummers. NAM heeft na ontdekking direct de Autoriteit Persoonsgegevens op de hoogte gesteld en mogelijke gedupeerden geïnformeerd. Accellion heeft aangegeven dat het veiligheidslek na de ontdekking direct is gedicht.
Klopt het tevens dat er met deze mensen persoonlijk contact is opgenomen door de NAM? Wat is hen daarbij verteld en wat is er met deze mensen afgesproken?
Dat klopt. Van de 122 mensen van wie de gevoelige persoonsinformatie is gelekt zijn er 7 personen van wie de bankgegevens en vaststellingovereenkomsten met NAM onderdeel waren van het datalek. NAM heeft deze 7 mensen telefonisch geïnformeerd en adviezen en informatie gegeven over cyberveiligheid. De overige 115 personen van wie de gevoelige persoonsgegevens zijn gelekt, hebben een e-mailbericht of brief van NAM ontvangen met daarin dezelfde adviezen en informatie.
In een enkel geval is bij het ontbreken van actuele contactinformatie door NAM contact opgenomen met de gemeente om na te gaan op welke wijze – binnen de kaders van de privacywetgeving – alsnog contact met de persoon gelegd kon worden. Personen die niet via e-mail of telefoon bereikt konden worden, hebben een brief ontvangen.
NAM heeft daarnaast een speciaal telefoonnummer en e-mailadres opengesteld voor de 19.000 personen die mogelijk onderdeel van de datadiefstal zijn. Er zijn in totaal 17 vragen ontvangen die door NAM zijn beantwoord.
Naast het informeren van de gedupeerden heeft NAM ook de direct betrokken overheden, instanties en maatschappelijke organisaties zoals de Stichting WAG en de Autoriteit Persoonsgegevens over het datalek geïnformeerd.
Kunt u uitleggen wat er gebeurt indien de gedupeerden, waarvan gegevens zijn gelekt, hier in de toekomst schade van ondervinden, bijvoorbeeld door identiteitsfraude? Wie is daar in dat geval voor aansprakelijk?
Als een gedupeerde schade lijdt als gevolg van een overtreding van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), dan kan hij, op grond van de AVG, recht hebben op een vergoeding van zijn schade als het datalek verwijtbaar is. Op grond van de AVG is de verwerkingsverantwoordelijke in dat geval aansprakelijk. In dit geval is NAM de verwerkingsverantwoordelijke, en kan dus aansprakelijk gesteld worden door gedupeerden.
Klopt het dat de NAM de software waarin het lek ontstond, gebruikte op verzoek van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) om informatie te versturen over de afhandeling van claims over waardedaling?
IMG heeft aan NAM informatie gevraagd om schademeldingen voor waardedaling te kunnen afhandelen. NAM heeft deze informatie aangeleverd en gebruikte voor de verzending van die informatie de betreffende transfer-software van de firma Accellion. IMG heeft NAM niet gevraagd deze specifieke software te gebruiken.
Betekent dit dat dezelfde software ook door het IMG wordt gebruikt? Zo ja, is het IMG ook getroffen door dit datalek en welke stappen zet deze organisatie om datalekken te voorkomen?
De software van Accellion wordt door IMG gebruikt om informatie van NAM te ontvangen. Aangezien het lek plaatsvond bij de leverancier van de software is IMG niet zelf getroffen door dit lek. Dit neemt niet weg dat IMG alert is op de veiligheid van zijn informatie. Voorts heeft IMG werknemers in dienst van wie de taken ingericht zijn op het waarborgen van de naleving van de AVG binnen de organisatie. Onlangs is bij IMG korte tijd sprake geweest van een datalek. IMG heeft hier melding van gemaakt bij de Autoriteit Persoonsgegevens en heeft via haar website bekend gemaakt dat het datalek is ontstaan bij de overstap naar een nieuw administratiesysteem. Hierbij waren documenten, die afkomstig waren van RVO-regelingen, zichtbaar in IMG-dossiers van aanvragers. Uit voorzorg heeft IMG direct alle documenten in het online «Mijn dossier» (specifiek het deel voor fysieke schade) geblokkeerd. Inmiddels zijn alle verkeerd geplaatste documenten verwijderd en zijn de dossiers weer volledig zichtbaar en toegankelijk voor de individuele aanvragers.
Signalen van kleine werkgevers die recht hebben op compensatie voor de transitievergoeding, maar niet in staat zijn de transitievergoeding vóór te financieren. |
|
Judith Tielen (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel aanvragen voor de compensatieregeling bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid zijn er sinds april 2020 gedaan?
In de periode van 1 april 2020 tot 15 maart 2021 heeft UWV voor in totaal 87.623 werknemers aanvragen ontvangen, hier zitten echter ook een klein aantal dubbele aanvragen tussen.
Hoeveel aanvragen zijn er sinds 1 januari 2021 gedaan voor compensatie van de transitievergoeding voor werknemers door bedrijven die moesten stoppen wegens pensionering of overlijden van de werkgever?
In de periode van 1 januari 2021 tot 15 maart 2021 heeft UWV in totaal van 25 werkgevers een aanvraag ontvangen voor in totaal 52 werknemers.
Wat is de minimale, gemiddelde en maximale hoogte van de aangevraagde compensatie? Kunt u dit per regeling uitsplitsen?
Voor de Compensatieregeling bij ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid is gemiddeld € 19.428 per werknemer (ter toelichting: dit betreft het gemiddelde over ruim 80.000 aanvragen) aan werkgevers uitgekeerd. Het minimumbedrag bedroeg € 49, het maximale bedrag € 415.587.
Elk jaar wordt voor de transitievergoeding een wettelijk maximumbedrag bepaald, voor 2021 bedraagt dit € 84.000. De compensatie kan niet hoger zijn dan dit maximumbedrag, behalve als het jaarsalaris van de werknemer hoger was dan dit bedrag. Gezien het aantal aanvragen en het gemiddeld betaald bedrag betreffen zowel het minimum als het maximum incidentele uitzonderingen.
Voor de Compensatieregeling bedrijfsbeëindiging wegens pensionering of overlijden werkgever is gemiddeld € 14.690 uitgekeerd. Het minimumbedrag bedroeg € 70, het maximale bedrag € 45.687.
Herkent u de signalen dat ondernemers die bij rechtmatig ontslag, bijvoorbeeld bij ongeneeslijke ziekte, niet in staat zijn de transitievergoeding voor te financieren? Zo nee, waarom niet?
Ik herken de signalen dat betaling van de transitievergoeding voor sommige werkgevers tot problemen kan leiden. De transitievergoeding is echter een belangrijk wettelijk recht voor werknemers. Het dient als compensatie voor ontslag en om de transitie van werk naar werk te vergemakkelijken. In onzekere tijden is dit voor werknemers van groot belang. Daar komt bij dat de transitievergoeding per 1 januari 2020 aanzienlijk is verlaagd. Bovendien biedt de regeling voldoende flexibiliteit als de betaling van de transitievergoeding leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever. De transitievergoeding kan in die situatie in termijnen worden betaald.
Herkent u dat het voor kleine werkgevers om grote bedragen kan gaan en zij in financiële problemen kunnen komen, zeker nu door de coronacrisis bedrijfsreserves zijn aangewend voor het opvangen van andere financiële klappen? Deelt u de mening dat het niet te begrijpen en ongewenst is dat goedwillende ondernemers in het midden- en kleinbedrijf (mkb) op deze manier tot problematische schulden worden gedwongen?
Zie antwoord vraag 4.
Erkent u dat het voorfinancieren van een transitievergoeding voor ondernemers die financieel zijn getroffen door de coronamaatregelen, extra problematisch is? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is, zeker als deze ondernemers de transitievergoeding vergoed krijgen?
Het is mij bekend dat werkgevers problemen kunnen ondervinden bij betaling van de transitievergoeding als gevolg van de coronacrisis. Hoewel ik begrip voor deze werkgevers heb, zie ik geen mogelijkheden om de compensatieregelingen voor de transitievergoedingen te herzien en UWV de compensatie op voorschot te laten uitkeren. De reden daarvoor is als volgt. De verplichting van de werkgever om de transitievergoeding te betalen in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, is een essentieel onderdeel van het ontslagrecht. De compensatieregeling brengt daarin geen verandering. Deze regelingen zijn uitsluitend in het leven geroepen om werkgevers in bepaalde gevallen achteraf (gedeeltelijk) te compenseren voor de kosten van ontslag. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling geweest om in deze gevallen de verplichting van de werkgever tot betaling van de transitievergoeding te laten overnemen door UWV. De suggestie dat de werkgever als het ware de betaling van de transitievergoeding door UWV moet voorfinancieren is dan ook onjuist. Als UWV wel op voorschot de compensatie uitkeert, leidt dat tot onwenselijke juridische en uitvoeringstechnische complicaties. UWV zal dan zelfstandig de hoogte de van de transitievergoeding moeten berekenen, maar beschikt niet over de daarvoor benodigde gegevens. Hierdoor zullen de uitkomsten onbetrouwbaar zijn. Het zou een wijziging betekenen van het principiële uitgangspunt dat iedere werknemer jegens zijn werkgever aanspraak heeft op een transitievergoeding bij onvrijwillige beëindiging van het dienstverband. De werkgever zal in die gevallen de transitievergoeding in de praktijk namelijk pas aan de werknemer betalen wanneer de compensatie van UWV is ontvangen. UWV zou dan als derde partij in de praktijk verantwoordelijk worden voor de uitbetaling van die transitievergoeding aan de werknemer en dus de naleving van de wettelijke verplichting van de werkgever jegens de werknemer. Omdat UWV geen partij is in deze juridische verhouding tussen werkgever en werknemer, leidt dat tot ongewenste juridische en uitvoeringstechnische problemen. Zo zou de werknemer voor de betaling van de transitievergoeding afhankelijk worden van het compensatieverzoek dat zijn werkgever op grond van de compensatieregeling al dan niet doet. De voor UWV geldende wettelijke beslis- en betaaltermijnen zouden bovendien (ook in geval van een voorschot) tot gevolg hebben dat de werknemer langer op de transitievergoeding moet wachten dan de betalingstermijn die voor de werkgever op grond van de wet geldt na einde dienstverband. Dit zal in de regel niet bijdragen aan een snelle transitie van werk naar werk. Daar komt bij dat de compensatie waar de werkgever jegens UWV aanspraak op kan maken, niet per definitie gelijk is aan het bedrag dat werkgever aan de werknemer verschuldigd is. Dat kan ertoe leiden dat de werknemer, nadat de betaling van UWV door de werkgever is ontvangen en doorbetaald, alsnog een resterende vordering op zijn werkgever heeft. Bovendien geldt dat de werknemer zelf aan de compensatieregeling geen rechten kan ontlenen. Dat betekent dat werknemer bijvoorbeeld afhankelijk zou zijn van zijn werkgever om tegen een eventuele onjuiste vaststelling van de compensatie door UWV te ageren.
Kunt u aangeven wat de reden is dat de compensatie van de transitievergoeding plaatsvindt nadat de mkb-ondernemer de volledige transitievergoeding heeft betaald? Welke ruimte heeft UWV om hierin coulance toe te passen of een voorschot te verlenen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het voor mkb-ondernemers een beter alternatief is dat het UWV een voorschot geeft op de transitievergoeding bij rechtmatig ontslag wegens ongeneeslijke of langdurige ziekte? Deelt u de mening dat dit alternatief juist in deze tijd, met een coronacrisis die een grote financiële last legt op de mkb-ondernemers, geboden moet worden?
Het is begrijpelijk dat het betalen van de transitievergoeding voor sommige werkgevers in deze tijd zwaar kan drukken. Het betalen van de compensatie op voorschot lijkt op het eerste gezicht een voor de hand liggende en sympathieke oplossing voor deze situaties. Ik zie echter gezien de juridische en uitvoeringstechnische complicaties zoals omschreven bij het antwoord op vraag 6 en 7 geen aanleiding en mogelijkheid om de compensatieregeling zo aan te passen dat UWV de compensatie op voorschot verstrekt.
Bent u bereid op korte termijn uitsluitsel te geven of en hoe dit «voorschotalternatief» gerealiseerd kan worden om ondernemers in dergelijke situaties tegemoet te komen? Zo ja, op welke termijn kunt u de Kamer en de betrokken ondernemers hierover informeren?
Zie antwoord vraag 8.
Wanneer treedt ook de compensatieregeling voor bedrijfsbeëindiging wegens ziekte van de werkgever in werking? Deelt u de mening dat dit vaak om schrijnende gevallen gaat en dat het dus belangrijk is dat deze regeling snel in werking treedt?
Ik ben mij er van bewust dat er in sommige gevallen sprake kan zijn van een schrijnende situatie. Het is op dit moment echter nog niet mogelijk om aan te geven wanneer de compensatieregeling bedrijfsbeëindiging wegens ziekte in werking kan treden. Reden hiervoor is dat er op dit moment nog overleg met betrokken (artsen)organisaties wordt gevoerd om tot een werkbaar beoordelingskader te komen aan de hand waarvan UWV kan toetsen of de werkgever daadwerkelijk niet in staat is zijn werkzaamheden binnen een redelijke termijn (van 26 weken) te hervatten. Wanneer er over een mogelijke datum van inwerkingtreding duidelijkheid is zal ik uw Kamer hierover informeren.
Lijkschennis |
|
Kees van der Staaij (SGP), Michiel van Nispen , Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Roep om strafbaarstelling seksueel misbruik van overledene, maar Minister Grapperhaus voelt er niet voor» en het artikel «Het lichaam van hun overleden moeder werd misbruikt en toch kan de dader niet worden gestraft»?1 2
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat necrofilie en/of lijkschennis in Nederland niet strafbaar is?
Bent u van bekend met het feit dat een overledene juridisch wordt beschouwd als een voorwerp, als een «goed» en dat schennis van een lijk niet onder verkrachting valt?
Onderkent u dat hier sprake is van lijkschennis en dat hier een leemte in het Wetboek van Strafrecht bestaat?
Bent u bekend met het feit dat dit in omringende landen wel strafbaar gesteld is?3
Bent u van mening dat het niet opnemen van lijkschennis in het Wetboek van Strafrecht een verkeerd signaal aan de samenleving geeft, namelijk dat dit getolereerd wordt in Nederland? Bent u derhalve van mening dat dit strafbaar gesteld zou moeten worden in het Wetboek van Strafrecht?
Bent u bereid te bevorderen dat er een wetsvoorstel naar de Kamer gezonden wordt waarin lijkschennis strafbaar wordt gesteld?
De structurele mishandeling van honden in training bij leden van de Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV). |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de aflevering van Zembla van 11 maart 2021, waarin te zien was dat honden in training bij leden van de Koninklijke Nederlandse Politiehonden Vereniging (KNPV) nog steeds worden mishandeld, onder andere door schoppen, stokslagen en met stroomapparatuur?1
Ja.
Erkent u, nu in drie jaar tijd in vier televisieprogramma uitgebreid aandacht is besteed aan grove misstanden tijdens de training van toekomstige politiehonden door de KNPV, dat hier sprake is van structurele en ernstige misstanden en dat de situatie anno 2021 niet is verbeterd ten opzichte van 2018? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u de mening dat structurele problemen vragen om structurele oplossingen en bent u bereid deze op korte termijn te nemen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?2, 3, 4, 5
Iedere vorm van dierenmishandeling is er een teveel. De berichten in de media schetsen een beeld van jarenlange, structurele misstanden. Ikzelf kan alleen afgaan op de gegevens zoals die bekend zijn bij de politie. Op basis daarvan zijn de omvang van het thema en daarmee het structurele karakter niet te duiden.
Er zijn bij de politie meldingen bekend die, net als de beelden uit de uitzendingen, wijzen op enkele van de 300 bij de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging (hierna: KNPV) aangesloten verenigingen. Naar aanleiding van die meldingen is telkens actie ondernomen.
Kunt u in detail aangeven welke maatregelen u getroffen heeft naar aanleiding van de uitzendingen van Rambam, Undercover in Nederland en beide uitzendingen van Zembla? Kunt u aangeven welke maatregelen u genomen heeft naar aanleiding van de Kamervragen (Kamerstuk die daarover gesteld zijn?6, 7
Zoals ik u in mijn beantwoording van uw schriftelijke vragen van 26 oktober 2020 reeds heb gemeld, heeft de politie naar aanleiding van de beelden in het tv-programma «Undercover in Nederland» een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.8 Dit onderzoek loopt nog.
Naar aanleiding van de recente uitzending van Zembla wordt door de politie, in opdracht van het Openbaar Ministerie (OM), onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
De politie wil geen honden afnemen van africhters die niet in staat zijn gebleken honden op een diervriendelijke wijze te trainen. Bij de selectie van een geschikte hond worden met individuele africhters afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgelegd in een koopcontract. Mocht blijken dat een africhter zich niet aan deze afspraken houdt, dan wordt de relatie met deze africhter per direct verbroken. Daarnaast wordt door de politie onderzocht of het contract kan worden aangevuld met een boeteclausule.
Tevens heb ik de politie gevraagd bij de aanschaf van honden meer aandacht te hebben voor signalen waaruit blijkt dat de honden met dieronvriendelijke methoden zijn getraind of afgericht.
Bent u bereid de relatie tussen de politie en andere overheidsinstanties en de KNPV en haar leden onmiddellijk op te schorten? Zo nee, waarom niet?
De politie betrekt, evenals andere overheidsinstanties die met honden werken, honden van particuliere hondentrainers waarvan wordt verwacht dat deze de honden middels diervriendelijke methoden hebben afgericht en getraind. De KNPV heeft 300 aangesloten verenigingen met ieder vele aangesloten hondentrainers en bijbehorende getrainde honden. De genoemde misstanden maken niet dat ik de conclusie trek dat de algehele relatie met de KNPV en al haar leden moet worden opgeschort. Uiteraard worden geen honden afgenomen van trainers waarvan bekend is dat zij aversieve trainingsmethoden gebruiken. Wel is door mijn departement extra benadrukt dat ook van de koepelorganisatie wordt verwacht dat zij een actievere rol gaat vervullen in het tegengaan van misstanden bij de training van honden door leden van aangesloten verenigingen. Inmiddels heb ik van de voorzitter van de KNPV begrepen dat vorig jaar al stappen in die richting zijn genomen.
Bent u bereid de export van politiehonden die getraind zijn door leden van de KNPV met onmiddellijke ingang te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Juridisch is het niet mogelijk om onderscheid te maken tussen leden en niet-leden van de KNPV bij de export van politiehonden.
Wat vindt u ervan dat in het keuringsreglement van de KNPV staat dat honden met een stok mogen worden geslagen en dat beschreven staat hoe die stokslagen het beste kunnen worden toegediend, zoals «de stokslag moet bij voorkeur gegeven worden van voren naar achteren over de rug van de hond»? Betekent dit volgens u dat dierenmishandeling structureel deel uitmaakt van de training van politiehonden door de KNVP? Zo nee, waarom niet?8, 9
De KNPV is een zelfstandige, private vereniging voor de sport met en de training van honden en heeft ruim 300 aangesloten verenigingen. Bij een dergelijke organisatie past het niet dat er met stokslagen wordt getraind.
De KNPV heeft aangegeven dat in het keuringsreglement staat dat bij één oefening een dragelijke stokslag mag worden gegeven, die niet gericht mag zijn op de poten of kop van de hond. De daarbij gebruikte «stok» moet een wilgenteen zijn die eenvoudig breekt bij geringe weerstand.
Bij de politie in gebruik zijnde honden worden wel getraind op het kunnen omgaan en weerstaan van soms gewelddadig gedrag van personen. Dit is noodzakelijk om te testen of de hond moedig is en weerstand kan bieden aan op de hond uitgeoefend geweld bij het uitvoeren van de politietaak.
Wat vindt u ervan dat het veroordeelde lid van de KNVP in de uitzending van Zembla van 11 maart 2021 stelt dat het mishandelen van de honden op trainingen door zeker 90% van de leden van de KNPV gebeurt, maar dat er slechts enkele leden veroordeeld zijn, omdat in die gevallen de mishandelingen toevallig gefilmd zijn? Hebt u aanwijzingen om aan deze uitspraak te twijfelen? Zo ja, waarom?
Ik heb geen bewijs dat deze uitspraak klopt. Als de betreffende persoon beschikt over informatie dat leden van de KNPV dieren mishandelen, roept de politie hem op om daarvan aangifte doen en/of dit te melden bij het hoofdbestuur van de KNPV zodat actie ondernomen kan worden. Als aangifte wordt gedaan, onderzoekt de politie deze en kan het OM op basis daarvan besluiten om een onderzoek in te stellen en bij voldoende bewijskracht tot strafvervolging overgaan.
Vindt u uw vertrouwen in de KNPV om de structurele dierenmishandeling onder hun leden effectief aan te pakken nog gerechtvaardigd?
De context van de vraag die tijdens de uitzending werd getoond was anders dan in uw vraag wordt aangegeven. De nieuwe voorzitter van de KNPV kwam aan het woord en gaf aan op te treden zodra bij hem misstanden van dierenmishandeling bekend werden. Ik heb geen reden om aan deze uitspraak te twijfelen.
Vindt u uw vertrouwen dat dierenmishandeling wordt gemeld bij de KNPV dan wel bij de politie of de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nog gerechtvaardigd in het licht van de uitspraak van de voorzitter van de KNPV dat hij sinds zijn aantreden in augustus 2020 geen meldingen van dierenmishandeling heeft gehad, maar dat een KNPV zonder dierenmishandeling «een illusie zou zijn»?
Zie antwoord vraag 8.
Hoeveel meldingen over dierenmishandeling door leden van de KNPV zijn er bij de politie of NVWA binnengekomen in het afgelopen jaar?
Uit de politiegegevens is niet te herleiden of een geval van dierenmishandeling al dan niet een relatie heeft met de KNPV.
Bent u bereid actief en regelmatig te gaan controleren en handhaven bij alle leden van de KNPV?
De afweging aangaande nut en noodzaak voor het organiseren van toezicht en handhaving vindt vooral lokaal plaats op basis van de signalen die de politie bereiken. Ik hoop ook dat iedereen die getuige is van mishandeling van dieren dit meldt bij de politie, ongeacht of dit hondentrainers, politiemensen of anderen zijn. Daarnaast heb ik de politie gevraagd meer aandacht te hebben voor signalen van mishandeling bij de afname van honden.
Klopt het dat medewerkers van de politie bestuursfuncties bekleden bij KNPV aangesloten verenigingen? Vindt u deze functies verenigbaar? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid om het politiemedewerkers te verbieden om bestuursfuncties te bekleden bij de KNPV?
Het is mij bekend dat sommige medewerkers van de politie in privétijd bestuursfuncties bekleden bij enkele bij de KNPV aangesloten verenigingen. Daaruit vloeit wat mij betreft geen sterke verwevenheid voort tussen de politie en een vereniging. Het staat individuele politiemensen vrij om in privétijd lid te zijn van een vereniging of daar een bestuursfunctie te bekleden, mits geen sprake is van belangenverstrengeling en deze functies een goede uitvoering van de taken als politieambtenaar niet belemmeren.
Klopt het dat de politie weet van de mishandelingen bij de Brabantse KNPV-vereniging, zoals de voorzitter van deze vereniging zegt? Wat vindt u daarvan?
De plaatselijke politie heeft drie meldingen ontvangen van mogelijke dierenmishandeling bij die vereniging. Na twee van die drie meldingen zijn politiemedewerkers bij die vereniging gaan kijken, maar er was geen bewijs van strafbare feiten te vinden. De politie heeft meer meldingen ontvangen ten aanzien van die vereniging, maar deze hadden te maken met andere zaken, zoals door omwonenden ervaren overlast en mogelijke niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden door die vereniging.
Naar aanleiding van de door u genoemde tv-uitzending is de politie in overleg met het Openbaar Ministerie om te bezien of er voldoende aanleiding is voor een strafrechtelijk onderzoek. De uitkomst daarvan is nog niet bekend.
Hoe ver bent u met het verkennen van de mogelijkheid van een gezamenlijke trainingsschool voor overheidshonden?
Vanuit Defensie en politie is de wens geuit om de mogelijkheid van een gezamenlijke trainingsschool voor overheidshonden te verkennen. Gesprekken daartoe hebben reeds plaatsgevonden. Vanwege de maatregelen ter voorkoming van de verdere verspreiding van het coronavirus is deze ontwikkeling echter vertraagd.
Bent u in de tussentijd bereid politiehonden alleen nog te kopen van enkele gecontroleerde, geregistreerde en gecontracteerde leveranciers?
De politie schaft geen honden meer aan van africhters die gebruik maken van aversieve trainingsvormen. Daar wordt aandacht aan besteed bij de aanschaf. Mocht de politie ontdekken dat een particulier waarvan honden worden gekocht de dieren tijdens het africhten en trainen mishandelt, dan wordt de relatie met de betreffende particulier direct beëindigd. Zoals gezegd heb ik de politie daarnaast gevraagd om bij de aanschaf van honden, meer aandacht te hebben voor signalen dat de honden tijdens het africhten of bij de training zijn mishandeld.
De politie onderzoekt tevens of het mogelijk is om het koopcontract aan te scherpen met een boeteclausule. De boeteclausule zou moeten inhouden dat als na de koop blijkt dat de hond niet overeenkomstig de afspraken is getraind, de africhter dan een boete kan worden opgelegd.
Vindt u het ook zorgwekkend dat de politie en andere overheidsinstanties waarschijnlijk veel honden in dienst hebben die tijdens hun training mishandeld zijn?
Het aankoopbeleid van de politie is erop gericht om alleen honden af te nemen die middels diervriendelijke methoden zijn afgericht en getraind. Ik heb geen reden om aan te nemen dat veel van die honden tijdens hun training mishandeld zouden zijn.
Bent u bereid het verbod op het gebruik van stroomapparatuur bij honden die worden opgeleid door leden van de KNPV actief en regelmatig te gaan controleren en handhaven? Zo nee, hoe weet u dan zeker dat er geen honden meer zullen worden aangeschaft die met stroom getraind zijn?10
Dat gebruik van stroomapparatuur bij de training van honden ongewenst is, hoort in eerste instantie een opvatting te zijn in de trainingsomgeving. Verenigingen dienen hierin een actieve rol te kiezen. Gebruik van stroomapparatuur is nog niet verboden. Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om een dergelijk verbod in te stellen. Vooruitlopend hierop worden al geen honden meer afgenomen die zijn getraind met gebruik van een stroomband
Vindt u nog steeds dat de politiehond omschreven kan worden als een «doelmatig wapen» als de training van de honden enerzijds gepaard gaat met structureel geweld tegen de dieren als stokslagen, schoppen en slaan en het gebruik van stroombanden en als tegelijk blijkt dat de politiehond, wanneer deze wordt ingezet als geweldsmiddel, in veel gevallen niet meer loslaat en de arrestant vaak ernstig verwondt? Zo ja, kunt u uitleggen wat daar doelmatig aan is?
Ja, de surveillancehond is een doelmatig geweldsmiddel. De aanname dat de training van de honden bij de politie gepaard gaat met structureel geweld en gebruik van stroombanden herken ik niet. De tv-uitzendingen hieromtrent laten een aantal incidenten zien, verspreid over meerdere jaren. Dit laat onverlet dat de unieke vaardigheden van een surveillancehond er zorg voor dragen dat het dier doelmatig kan worden ingezet in het belang van een veilige samenleving. Er is (nog) geen vergelijkbaar vervangend geweldsmiddel beschikbaar.
Bent u inmiddels bereid om een breed onderzoek te laten verrichten naar de doelmatigheid en wenselijkheid van de inzet van politiehonden als geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
De politie zal uiterlijk in 2026 de geweldsmiddelen onder het niveau van het vuurwapen evalueren. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan de inzet van de surveillancehond als geweldsmiddel.
Welke alternatieven voor de inzet en het gebruik van politiehonden onderzoekt u?
In mijn eerdere beantwoording van Kamervragen van het lid Wassenberg (PvdD) heb ik gemeld dat de politie heeft aangegeven dat zij relevante ontwikkelingen met betrekking tot de inzet van honden als geweldsmiddel continu in de gaten houdt.12 Er is tot op heden nog geen geschikt alternatief voor de inzet van honden ten aanzien van crowd control, crowd management en riot control. In die situaties werkt de inzet van deze dieren – meer dan elk ander middel – de-escalerend.
Ernstig gewonde varkens bij een exportverzamelplaats |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u de beelden gezien die Eyes on Animals afgelopen week maakte van zeugen in een vrachtwagen bij een exportverzamelplaats in Gelderland?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een aantal van deze zeugen zeer ernstige verwondingen had, zoals de zeug met een grote open wond op haar rug? Zo nee, waarom niet en waar blijkt dit uit?
Afgaande op de beelden zoals aangeleverd door Eyes on Animals, is te constateren dat tenminste één dier een duidelijke wond heeft. Dit lijkt een ernstige open wond te zijn. Óf, en hoe ernstig andere dieren gewond zouden zijn geweest, is op basis van deze beelden niet te beoordelen.
Kunt u bevestigen dat alleen dieren die zijn geïdentificeerd en voldoen aan bepaalde gezondheidsvoorwaarden volgens het «Handboek Verzamelcentrum evenhoevigen» van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) mogen worden toegelaten op een verzamelcentrum en dat dit bij aankomst op het verzamelcentrum moet worden gecontroleerd?2
Ja. De controle op deze identificatie en gezondheidsvoorwaarden bij aankomst op het verzamelcentrum is een verantwoordelijkheid van de exploitant van het verzamelcentrum, die uitgevoerd dient te worden volgens het Handboek Verzamelcentrum evenhoevigen. De exploitant moet dit vastleggen in het «in- en uitslagregister».
Is het bij u bekend of deze controle bij de aangetroffen zeugen heeft plaatsgevonden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, door wie en wat waren de bevindingen?
Nee. Er kon niet vastgesteld worden dat deze dieren zijn aangevoerd op het verzamelcentrum en dus ook niet of deze dieren zijn aangeboden en gekeurd voor export.
Is het bij u bekend wat de bestemming was van deze vrachtwagen en zouden deze zeugen worden geëxporteerd naar een slachthuis in het buitenland?
Nee, dat is niet bekend.
Kunt u bevestigen dat wanneer het betreffende transport een bestemming had in het buitenland, de zeugen voor vertrek goedgekeurd hadden moeten worden door een NVWA-dierenarts en is dat in dit geval ook gebeurd en zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Ja, als dit transport een bestemming zou hebben gehad in het buitenland, zouden de zeugen voor vertrek beoordeeld moeten worden door een NVWA-dierenarts. Voor zover bekend zijn deze dieren niet voor exportcertificering aangeboden en gekeurd.
Erkent u dat de zeugen in dermate slechte conditie waren dat zij ongeschikt waren voor transport volgens de Transportverordening en dus niet naar een verzamelplaats gebracht hadden mogen worden, laat staan geëxporteerd hadden mogen worden?3
Het dier dat in de beelden zichtbaar gewond is, had in deze conditie inderdaad niet getransporteerd mogen worden, en dus ook niet naar een verzamelplaats of voor export. Van de overige dieren is op basis van deze beelden geen uitspraak te doen.
Kunt u verklaren waarom dit hier dan toch is gebeurd?
Nee, dit kan ik niet verklaren.
Kunt u bevestigen dat de erkenning van deze verzamelplaats eerder om redenen van onder andere dierenwelzijn door de NVWA tijdelijk is opgeschort?
Nee, de huidige erkenning van dit verzamelcentrum is verleend in 2014. Deze erkenning van het verzamelcentrum is nog nooit tijdelijk opgeschort door de NVWA om redenen van dierenwelzijn of vanwege andere redenen.
Vormen deze nieuwe misstanden volgens u aanleiding om de erkenning van de verzamelplaats opnieuw te schorsen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is door de NVWA niet vastgesteld dat deze dieren op het verzamelcentrum zijn aangevoerd, de dieren konden niet geïdentificeerd worden op de beelden. Daarmee is ook niet vastgesteld of het verzamelplaats de voorwaarden van de verlening van de erkenning overtreden heeft.
Kunt u bevestigen dat de NVWA heeft laten weten niet te willen handhaven op basis van het overgedragen bewijsmateriaal door Eyes on Animals? Zo ja, hoe beoordeelt u deze weigering van handhaving door de NVWA?
De NVWA kan alleen handhavend optreden wanneer een verdenking onderbouwd kan worden door bewijzen. Er waren op de toegezonden beelden geen identificatienummers van de varkens zichtbaar noch was er een kenteken zichtbaar van het vervoermiddel. Er kon niet vastgesteld worden of de dieren daadwerkelijk gelost en daarmee aangevoerd zijn op het verzamelplaats, genoemd in de melding. Wel heeft de NVWA bijkomende inspecties uitgevoerd en nader onderzoek ingesteld, maar dit heeft geen bewijslast opgeleverd.
Kunt u zich herinneren dat het bericht dat NVWA-dierenartsen tientallen keren per jaar goedkeuring gaven voor de export van ernstig zieke en kreupele dieren voor u nog aanleiding was om het 2Solve-onderzoek naar de tekortkomingen in het toezicht bij de noordelijke slachthuizen uit te breiden naar het toezicht bij exportverzamelplaatsen?4
Naar aanleiding van berichten in de media over meldingen rondom mogelijke misstanden op het gebied van dierenwelzijn bij export van vee naar België en Duitsland was een vraag hierover toegevoegd aan het onderzoek naar de meldingen van misstanden bij de noordelijke slachthuizen van 2Solve.
Deelt u de mening dat deze constateringen uit de afgelopen jaren reden zijn om extra alert te zijn op signalen van misstanden bij exportverzamelplaatsen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
De NVWA is alert op signalen van misstanden, ook bij verzamelplaatsen.
Hoeveel diertransporten hebben plaatsgevonden in 2019 en 2020, hoeveel inspecties zijn hierbij uitgevoerd en hoeveel van deze inspecties waren niet akkoord? Hoeveel dierenwelzijnsovertredingen zijn er geconstateerd en hoeveel en welke maatregelen zijn hiervoor opgelegd?
Het is niet bekend hoeveel diertransporten hebben plaatsgevonden in 2019 en 2020; van nationale diertransporten wordt geen registratie bijgehouden.
In 2019 hebben 1750 inspecties plaatsgevonden op diertransporten, waarvan een deel administratief is uitgevoerd. Bij deze inspecties waren 679 niet akkoord; bij 544 ervan zijn dierenwelzijnsovertredingen geconstateerd. De overtredingen m.b.t. dierenwelzijn zijn als volgt afgedaan: 31 mondelinge waarschuwingen, 427 schriftelijke waarschuwingen, 64 rapporten van bevindingen die tot een bestuurlijke boete hebben geleid en 22 processen-verbaal.
De resultaten met betrekking tot 2020 zijn op dit moment nog niet geanalyseerd.
Hoeveel meldingen zijn er in 2019 en 2020 gedaan door Duitse of Belgische instanties over zieke en kreupele dieren die vanuit Nederland naar deze landen zijn geëxporteerd en op welke wijze zijn deze meldingen opgevolgd?
Vanuit Duitsland zijn in 2019 en 2020 respectievelijk 43 en 40 meldingen binnengekomen. Dit betrof respectievelijk 22 en 17 meldingen van «mishandeling of verwaarlozing». Vanuit België zijn in 2019 en 2020 15 respectievelijk 13 meldingen binnengekomen. Dit betrof respectievelijk 14 en 9 meldingen van «mishandeling of verwaarlozing dieren».
Alle meldingen worden geregistreerd en teruggekoppeld naar de betrokken teams en de certificerende dierenartsen wordt gevraagd om een verklaring op te maken. Afhankelijk van de melding worden deze ook doorgezet voor het opleggen van eventuele maatregelen bij bedrijf van herkomst, organisator van transport, transporteur of chauffeur, indien daar aanleiding en voldoende bewijs voor is.
Indien er een melding vanuit het buitenland komt dat het welzijn van de dieren bij aankomst niet in orde is, betekent dit niet altijd dat de dieren niet transportwaardig zijn bij exportcertificering voor het vertrek. De toestand van dieren kan verslechteren tijdens het transport door allerlei oorzaken.
De bevindingen en eventuele opvolging wordt vervolgens teruggekoppeld naar de meldende lidstaat. Deze meldingen zijn verder gebruikt voor het selecteren van verzamelcentra voor intensiveren van het toezicht (onder andere 4-ogen principe). De meldingen zijn daarnaast opgenomen in het dossier van vervoerder ter dossiervorming. In alle gevallen zijn de meldingen, inclusief beeldmateriaal, gebruikt als intervisie voor de certificerende dierenartsen om de uniformiteit van de beoordeling van transportwaardigheid te bevorderen.
Erkent u dat het houden van dieren op zo’n manier dat er sprake is van diepe ingroei door banden waardoor dieren het uitkrijsen van de pijn, onverantwoord is en deelt u de mening dat hier een houdverbod op zijn plaats is voor de betreffende varkenshouder? Zo nee, waarom niet?
De oorzaak van het letsel is op basis van de beelden niet vast te stellen.
Daarbij is, zoals reeds genoemd bij vraag 4, de identiteit van de dieren, en het bedrijf van herkomst op basis van de beelden niet vast te stellen.
Erkent u dat de conditie van de zeugen aanleiding vormt voor een bezoek aan het bedrijf van herkomst? Zo ja, gaat u hier ook voor zorgdragen? Zo nee, waarom niet?
Het bedrijf van herkomst van de dieren op de beelden van Eyes on Animals is niet bekend, en op basis van de beschikbare gegevens niet te achterhalen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden binnen de gebruikelijke termijn?
Ik heb mij ingespannen de beantwoording binnen de gestelde termijn gereed te hebben.
De maatschappelijke waarde van mantelzorg |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De maatschappelijke waarde van mantelzorg»?1
Ja, dat ben ik. De Directeur-Generaal Langdurige Zorg heeft dit rapport namens mij in ontvangst genomen van MantelzorgNL.
Kunt u reflecteren op het feit dat blijkt dat de maatschappelijke waarde van mantelzorg 22 miljard euro bedraagt?
Het rapport de «Maatschappelijke waarde van mantelzorg» is een zeer waardevol rapport en laat een niet eerder vertoonde financiële vertaling zien van de impact van mantelzorg binnen de Nederlandse samenleving. Dit laat zien dat mantelzorgers onmisbaar zijn bij het bieden van goede zorg en ondersteuning.
Wat is uw reactie op het feit dat de vervangingswaarde van de zorg die mantelzorgers verlenen 70% tot 100% hoger is dan de maatschappelijke kosten van het verlenen van de zorg?
Ecorys heeft inzichtelijk gemaakt wat de kosten zijn voor het beste alternatief voor mantelzorg en dus wat de vervangingswaarde van mantelzorg is. Van ieder alternatief is vervolgens de prijs vastgesteld.2 Op basis van deze doorrekening wordt de vervangingswaarde geraamd op minimaal € 32 tot € 44 miljard. Daar staat tegenover dat de totale maatschappelijke kosten van de inzet van de 5 miljoen mantelzorgers in Nederland in 2019, buiten het effect op de gezondheid en welbevinden van mantelzorgers, naar schatting € 22 miljard bedragen.
Deze uitkomst onderstreept het grote maatschappelijke belang van mantelzorg en de noodzaak om mantelzorgers goed te ondersteunen en hun duurzame inzetbaarheid te verbeteren. Hier heb ik samen met partijen volop aan gewerkt vanuit het programma Langer Thuis en de landelijke aanpak Samen sterk voor mantelzorg en dat zullen we blijven doen.
Onderstreept deze uitkomst volgens u het grote maatschappelijke belang van mantelzorg en daarmee het belang om het aanbod van mantelzorg te ondersteunen om zo hun duurzame inzetbaarheid te verbeteren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan om naar aanleiding van dit rapport in gesprek te gaan met partijen zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), maar ook met werkgeversorganisatie VNO-NCW, om de ondersteuning van mantelzorgers te stimuleren?
MantelzorgNL is opdrachtgever van dit onderzoek en heeft laten weten het verdere gesprek met partijen hierover te willen voeren. Ik ondersteun dat van harte. Zo wordt dit rapport eind april met alle stakeholders van het programma Langer Thuis besproken.
Met genoemde partijen werk ik samen in het kader van het actieprogramma «samen sterk voor mantelzorg», gericht op het verder verbeteren van de ondersteuning van mantelzorgers.
Ziet u het belang in van vervolgonderzoek, vooral ook naar de effectiviteit van mantelzorgondersteuning?
Het is aan MantelzorgNL om te bepalen of vervolgonderzoek nodig is. Zij hebben mij laten weten dat in de komende gesprekken met stakeholders hiervoor zeker aandacht zal zijn. Mocht er een vervolgonderzoek komen, dan denkt en werkt VWS daar graag aan mee.
Wat is uw reactie op de conclusie uit het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) van december 2020 «Blijvende Bron van Zorg»2, waaruit blijkt dat 9,1% van alle mantelzorgers (circa 460 duizend mantelzorgers) zich zwaar belast voelen en dat van de groep mantelzorgers die langdurig en intensief helpt zelfs 25% overbelasting ervaart?
Mantelzorg is iets wat je overkomt, wat mooi kan zijn maar ook zwaar. De overgrote meerderheid van de 5 miljoen mantelzorgers kunnen de zorg voor een naaste combineren met hun dagelijks leven, maar voor bijna 10% van hen is dat ingewikkeld en/of is de zorg zwaar en intensief waardoor zij overbelast (dreigen te) raken. Deze groep vraagt onze gezamenlijke aandacht. Dat is ook de reden dat ik samen met de VNG, MantelzorgNL, Zorgverzekeraars Nederland en VNO/NCW een gezamenlijk landelijke aanpak voor mantelzorgondersteuning heb opgesteld: Samen sterk voor mantelzorg. Acties uit deze aanpak zijn gericht op het vergroten van de bewustwording van mantelzorgers eerder zorgtaken over te dragen aan professionals, het verbeteren en vergemakkelijken van de toegang tot ondersteuning en tot slot het verbeteren van het samenspel met (zorg)professionals.
Kunt u reflecteren op de ontwikkelingen rondom bestaande maatregelen om overbelasting bij mantelzorgers te voorkomen, bijvoorbeeld of deze op lokaal niveau op peil blijven, naar uw mening voldoende effect hebben en of ongeoormerkte middelen op de juiste plek terechtkomen?
Gemeenten ontvangen structureel 100 mln. euro voor het ondersteunen van mantelzorgers. Dit zijn ongeoormerkte middelen. Het is aan lokale gemeenteraden om te toetsen of deze middelen op een goede manier worden ingezet. Ik zie overigens veel voorbeelden van gemeenten die dat op een goede manier doen. Maar ik ken ook gemeenten waar de mantelzorgondersteuning door bezuinigingen onder druk is komen te staan. Voor gemeenten die vragen hebben bij het uitvoeren van mantelzorgbeleid, is sinds eind 2020 het adviesteam mantelzorgondersteuning beschikbaar voor het geven van advies en meedenkkracht.
Wat is uw reactie op de bevinding uit het SCP-rapport dat een steeds groter aandeel van mantelzorgers met respijtzorg ernstig belast is en dat dit mogelijk kan betekenen dat waar respijtzorg in eerdere jaren mogelijk voorkwam dat mantelzorgers ernstig belast raakten, deze nu vaker ingezet wordt op het moment dat mensen al ernstig belast zijn?
Dat is een zorgelijke ontwikkeling. Daarom moeten we er gezamenlijk voor zorgen dat ondersteuning snel en makkelijk voor handen is. Tegelijkertijd constateert het SCP ook een vraagverlegenheid bij mantelzorgers. Soms is het moeilijk om de zorgtaken voor een naaste tijdelijk uit handen te geven. Eenzelfde constatering heeft ook de landelijk aanjager respijtzorg gedaan in haar eindadvies: de hulpvraag van mantelzorgers moet eerder in beeld zijn bij partijen. Met een landelijke campagne #deeljezorg stimuleer ik dat mantelzorgers eerder bereid zijn om de zorgtaken de delen.
Bent u op de hoogte dat overbelasting consequenties kan hebben voor de gezondheid van de mantelzorger, kan leiden tot (tijdelijk) minder kunnen werken of zelfs moeten stoppen met werken en/of dat mantelzorgers een deel van hun sociale contacten verliezen?
Ja, daarvan ben ik op de hoogte. Uitval op de werkvloer moeten we vroegtijdig voorkomen. Gemiddeld 1 op de 4 werknemers combineert werk met mantelzorgtaken en dat aantal groeit. Dat is ook de reden dat VWS met VNO/NCW/MK-Nederland, de Stichting Werk en Mantelzorg en het Ministerie van SZW de bewustwording onder werkgevers vergroten om het gesprek over mantelzorg op de werkvloer te stimuleren. Zo zijn er inmiddels al 389 «mantelzorgvriendelijke organisaties» die het thema bespreekbaar maken en werken aan maatwerkoplossingen. Het komende jaar wordt hier verder aan gewerkt.
Op welke wijze bent u van plan mantelzorgers te ondersteunen in de relatie met hun werkgever, nu blijkt dat een kwart van de werkende mantelzorgers aangeeft moeite te hebben met het combineren van mantelzorg en werk? Bent u zich ervan bewust dat dit kan leiden tot structureel minder werken en dat in sommige gevallen dat er zelfs (tijdelijk) wordt gestopt met werken? Bent u op de hoogte dat dit kan leiden tot onder andere lagere pensioenopbouw maar ook gemiste carrièremogelijkheden?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u ook van mening dat werkgevers interventies op maat moeten bieden die mantelzorgers helpen om hun mantelzorgtaken beter te combineren met hun werk?
Zie antwoord vraag 10.
Hoe heeft u de regeldruk van de mantelzorgers verminderd nadat u in 2019 een schrapkaart hebt ontvangen met negen regels waarvan de mantelzorgers hebben gezegd dat die overbodig zijn of eenvoudiger kunnen?3 Heeft u al deze regels herzien? Zo nee, waarom niet?
Mantelzorgers zijn gemiddeld 4 uur per week kwijt aan administratieve taken. Voor een groot gedeelte wordt dit veroorzaakt doordat mantelzorgers niet «geregistreerd» staan als mantelzorger en bij ieder loket opnieuw hun verhaal moeten doen en formulieren moeten invullen. Om die reden werk ik nu met de VNG, MantelzorgNL en andere partijen aan een verkennend onderzoek naar het instellen van een mantelzorgverklaring, mede naar aanleiding van een amendement van 50PLUS. Voor de zomer van 2021 is dit draagvlakonderzoek gereed. Aan de hand daarvan wordt bepaald welke vervolgstappen nodig zijn.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de MBO Raad, de Vereniging Hogescholen en de Vereniging van Universiteiten om te kijken op welke manier zij jonge mantelzorgers kunnen ondersteunen, nu verschillende onderzoeken laten zien dat veel studenten die studie combineren met mantelzorg moeite hebben goede studieresultaten te behalen?
Vanuit de landelijke Alliantie Jonge mantelzorgers, waar het Ministerie van VWS ook aan deelneemt, wordt de bewustwording op scholen en universiteiten vergroot. De inzet is om jonge mantelzorgers vroegtijdig in beeld te krijgen en docenten en mentoren met hen in gesprek te laten gaan om maatwerkoplossingen te bieden.
Bent u op de hoogte dat de kosten van respijtzorg kunnen worden terugverdiend indien uitval door ziekte van de mantelzorger op werk, en de daaraan verbonden kosten, gedurende een week per jaar wordt voorkomen?
Ja, dat is één van de conclusies van het rapport van Ecorys over de maatschappelijke kosten en baten van mantelzorg.
Bent u voornemens om ook andere initiatieven te ondernemen om overbelasting bij mantelzorgers tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
De komende maanden werk ik met de VNG, ZN, MantelzorgNL en VNO/NCW/MKB-Nederland verder aan de afgesproken acties voor het verbeteren van mantelzorgondersteuning vanuit het programma Langer Thuis en de landelijke aanpak Samen sterk voor mantelzorg. Het is aan een volgend kabinet om te bezien wat eventueel aanvullend hierop nodig is.
De blijvende tekorten voor jeugdzorg bij gemeenten |
|
Lisa Westerveld (GL), Nevin Özütok (GL), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kabinet biedt gemeenten NUL euro voor jeugdzorg»?1
Ja.
Klopt het dat u «het tekort [in de financiering van de jeugdzorg] erkent, alle begrip voor de moeilijke situatie van gemeenten [heeft] en zich realiseert dat het jeugdstelsel piept en kraakt»? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt u daaraan? Zo nee, waarom niet?
Ja. De afgelopen maanden heb ik uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de financiële situatie van gemeenten en het jeugdstelsel en welke gevolgen het kabinet hieraan verbindt:
Deelt u de mening dat, gezien de al langer durende precaire situatie van de gemeentelijke financiën in het algemeen en die ten aanzien van de jeugdzorg in het bijzonder, u reeds veel eerder voor een oplossing van dit probleem had moeten zorgen en dit niet naar een volgend kabinet had moeten doorschuiven? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In 2019 heeft dit kabinet incidenteel middelen beschikbaar gesteld voor de periode 2019–2021. Het kabinet kon gemeenten op dat moment financieel niet structureel tegemoet komen, omdat volgens het door bureau Significant verrichte verdiepend onderzoek daartoe de grondslag ontbrak: «de vraag of de geconstateerde groeiende vraag naar jeugdzorg een boeggolf is of, en zo ja in welke mate, een structureel karakter heeft, is nog niet te beantwoorden».
Op basis van de feiten die in 2019 voorhanden waren, zijn er in 2019 bestuurlijke afspraken gemaakt. Naast incidentele middelen (€ 420 miljoen in 2019, € 300 miljoen in 2020 en € 300 miljoen in 2021) werden daarbij ook afspraken gemaakt over de inhoudelijke begrenzing van de jeugdhulp, het terugdringen van vermijdbare uitgaven en de ordening van het zorglandschap. Onderdeel van de bestuurlijke afspraken was ook om in 2020 onderzoek te doen naar of, en zo ja in welke mate, gemeenten structureel extra budget nodig hebben bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet.
Het huidige kabinet heeft daarnaast middelen beschikbaar gesteld voor 2021 en 2022 en aanvullende afspraken gemaakt met gemeenten. Het is nu aan een nieuw kabinet om op basis van de nieuwe onderzoeksgegevens een integrale afweging te maken over (1) financiën en (2) noodzakelijke aanpassingen aan het jeugdhulpstelsel, zowel beleidsmatig als in de uitvoering.
Hoe verhoudt zich uw standpunt om nu geen extra middelen beschikbaar te stellen tot het recent verschenen advies «Rust-Reinheid-Regelmaat, Evenwicht in de bestuurlijk-financiële verhoudingen» van de Raad voor Openbaar Bestuur (ROB) en de kabinetsbrief over de kinderopvangtoeslag en de uitvoeringskracht van de (mede)overheden?
Op 3 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de afspraken die Rijk en gemeenten hebben gemaakt naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie van Wijzen. Het kabinet stelt in 2022 € 1,314 miljard extra beschikbaar aan gemeenten voor de tekorten vanwege de jeugdzorg. Dat komt bovenop de eerder toegezegde € 300 miljoen voor dat jaar. Gemeenten committeren zich daarbij aan de invulling van een set aan maatregelen die in 2022 een besparing van € 214 miljoen opleveren.
Deelt u de mening dat de financiering van de jeugdzorg snel verbeterd moet worden en niet kan wachten tot 2023? Zo ja, waarom en wanneer verwacht u dat gemeenten wel meer budget voor jeugdzorg gaan krijgen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe moeten gemeenten dan wel zorgen voor een afdoende aanbod van jeugdzorg in 2021 en 2022? Wat zijn de gevolgen voor jongeren die door het gebrek aan financiële middelen bij gemeenten mogelijk niet voldoende jeugdzorg kunnen krijgen?
Zowel het Rijk als de VNG zetten zich volop in voor jongeren en die met de meest ernstige klachten voorop. Dat er financiële tekorten zijn bij gemeenten heeft niets afgedaan aan de taak waar gemeenten voor staan. Gemeenten hebben een jeugdhulpplicht op grond van de Jeugdwet. De extra middelen die het kabinet beschikbaar heeft gesteld biedt perspectief aan deze groep jongeren die de hulp nodig heeft en aan gemeenten die deze taak uitvoeren en kunnen continueren en intensiveren.
Er ligt een grote gezamenlijke opgave voor het Rijk en gemeenten en andere partijen om de beheersbaarheid van het stelsel van de jeugdzorg te verbeteren. Gezien de urgentie van het onderwerp wordt, vooruitlopend op de besluitvorming van het nieuwe kabinet, nu al gestart met het voorbereiden van een beter houdbaar jeugdstelsel op de lange termijn. Op 3 juni jl. heb ik uw Kamer laten weten dat het Rijk en de VNG, in samenwerking met andere betrokken partijen (o.a. cliënten, aanbieders en professionals), zich committeren aan het opstellen van een hervormingsagenda, die bestaat uit de combinatie van een set van maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder jeugdstelsel wordt gerealiseerd.
Deelt u de mening van de Vereniging Nederlandse Gemeeten (VNG) dat, omdat u nu geen extra budget beschikbaar stelt, u gezien de acute nood in de jeugdzorg tenminste perspectief zou moeten bieden op meer budget? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit perspectief wel bieden? Zo nee, waarom laat u jongeren «met ernstige klachten zoals suïcidaliteit, eetstoornissen en depressie» in de steek?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van plan zich te houden aan de uitkomsten van de door de gemeenten ingestelde arbitrage? Zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is recht te doen aan de uitspraak van de commissie van wijzen. Naar aanleiding van de uitspraak van de Commissie van Wijzen is het kabinet in gesprek gegaan met de VNG. Als uitkomst van het genoemde gesprek hebben Rijk en VNG afspraken gemaakt voor 2022. Daarnaast committeren het Rijk en de VNG, in samenwerking met andere betrokken partijen (o.a. cliënten, aanbieders en professionals), zich aan het opstellen van een hervormingsagenda, die bestaat uit de combinatie van een set van maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder jeugdstelsel wordt gerealiseerd.
Een nieuw kabinet zal moeten besluiten over de structurele financiën en noodzakelijke aanpassingen aan het jeugdhulpstelsel om de jeugdzorg in de toekomst effectief en beheersbaar te houden. De uitspraak van de Commissie van Wijzen dient daarbij als zwaarwegende inbreng.
Het bericht 'Politiehonden in opleiding nog steeds mishandeld' |
|
Arne Weverling (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politiehonden in opleiding nog steeds mishandeld»?1
Ja.
Kent u de signalen van mishandeling van politiehonden bij de Brabantse Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging (KNPV), een private opleider, waarbij de honden worden geslagen met een stok, slipkettingen worden gebruikt en ook een veedrijver wordt ingezet? Zo ja, wat heeft u gedaan nadat deze signalen bij u bekend werden?
Ik ken geen andere signalen dan die tijdens de door u genoemde tv-uitzending zijn getoond of die bekend zijn bij de politie. Op grond van deze uitzending wordt door de politie, in opdracht van het Openbaar Ministerie (OM), onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek. Daarnaast heb ik de politie gevraagd bij de aanschaf van honden meer aandacht te hebben voor signalen dat bij de training en africhting van honden dieronvriendelijke methodes zijn gebruikt.
Klopt het dat deze incidenten met mishandeling van politiehonden niet op zichzelf staan, maar dat het nog altijd op grote schaal voorkomt? Zo ja, kunt u aangeven hoe groot de omvang van deze praktijk is dan wel hoe vaak u signalen heeft ontvangen?
Iedere vorm van dierenmishandeling is er een teveel. De berichten in de media schetsen een beeld van jarenlange, structurele misstanden. Ikzelf kan alleen afgaan op de gegevens zoals die bekend zijn bij de politie. Op basis daarvan wordt niet de indruk gewekt dat het hier gaat om een structureel probleem.
De KNPV is een zelfstandige private vereniging voor de sport met en de training van honden en heeft ruim 300 aangesloten verenigingen. De opleidingsterreinen bevinden zich om verschillende redenen over het algemeen op besloten locaties. Onafhankelijke waarnemingen van de gebruikte omgangs- en trainingsvormen zijn daardoor moeilijk te realiseren.
Er zijn bij de politie meldingen bekend die, net als de beelden uit de uitzendingen, wijzen op één van die verenigingen. Zoals gezegd wordt naar aanleiding daarvan onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
Deelt u de mening dat de inzet van stokslagen, slipkettingen en het gebruik van veedrijvers onacceptabel is bij het trainen van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Ja, bij het trainen van honden is het slaan met kettingen, gebruik van veedrijvers en de structurele inzet van stokslagen onacceptabel. Bij de politie in gebruik zijnde honden worden wel getraind op het kunnen omgaan en weerstaan van soms gewelddadig gedrag van personen. Hierbij wordt gebruik wordt gemaakt van een droge, dunne (pink-dikte) «stok» die bij het raken van de hond breekt. Daarbij mag niet worden gericht op poten of kop. Dit is noodzakelijk om te testen of de hond moedig is en weerstand kan bieden aan op de hond uitgeoefend geweld bij het uitvoeren van de politietaak.
Kunt u toelichten of de politie aanwijzingen heeft gehad dat politieagenten weet hadden van mishandeling bij deze private organisaties en geen meldingen hebben gemaakt, aangezien de politie terecht stelt dat het «onwenselijk (is) als er politiemensen zijn, die weet hebben van mishandelingen binnen de KNPV en dat niet melden»? Zo ja, welke maatregelen zijn tegen deze agenten getroffen?
De politie heeft geen aanwijzingen dat politieagenten weet hadden van de mishandelingen. Wel zijn externe meldingen ontvangen van mogelijke dierenmishandeling bij een vereniging. Naar aanleiding daarvan zijn politiemedewerkers bij de vereniging gaan kijken. Daar zijn toen geen bewijzen voor strafbare feiten gevonden. Zoals gezegd wordt naar aanleiding van de uitzending van Zembla op dit moment onderzocht of er aanknopingspunten zijn voor een strafrechtelijk onderzoek.
Is inmiddels in koopcontracten tussen de politie en aanbieders van politiehonden vastgelegd dat een boete wordt opgelegd indien de honden niet volgens de afspraken getraind zijn? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd?
De politie onderzoekt of het mogelijk is om het koopcontract aan te scherpen met een boeteclausule. De boeteclausule zou moeten inhouden dat aan de africhter een boete kan worden opgelegd, als na de koop blijkt dat de hond niet overeenkomstig de afspraken is getraind.
Wordt bij geconstateerde mishandeling van politiehonden de verkopende partij geschrapt van de lijst van partijen waarbij politiehonden gekocht kunnen worden door de politie? Zo nee, hoezo niet?
Ja, indien een africhter is veroordeeld vanwege dierenmishandeling, of bij de politie bekend is dat een africhter dieronvriendelijke methodes gebruikt, neemt de politie van deze africhter geen honden meer af. Daarnaast heb ik de politie zoals gezegd gevraagd bij de aanschaf van honden meer aandacht te hebben voor signalen dat bij de training en africhting van honden dieronvriendelijke methodes zijn gebruikt.
Wordt bij geconstateerde mishandeling van politiehonden tijdens hun training altijd aangifte gedaan tegen de trainer/verkopende partij? Zo ja, hoe vaak is dit gebeurd? Zo nee, hoezo niet?
Dat kan ik niet beoordelen. Als een strafbaar feit wordt geconstateerd, kan daar door iedereen aangifte of melding van worden gedaan. Als de politie zelf een strafbaar feit constateert, wordt vanzelfsprekend opgetreden. Als iemand anders dat constateert en dit meldt, adviseert de politie om aangifte te doen. Dit is voor de politie noodzakelijk om een onderzoek te kunnen instellen.
Deelt u de mening dat organisaties die herhaaldelijk worden gestraft voor het mishandelen van honden bij de training een houdverbod opgelegd moeten krijgen? Zo ja, bent u bereid deze mogelijkheid in de wet op te nemen?
Een houdverbod kan alleen opgelegd worden aan houders van dieren. De KNPV is geen houder maar slechts een overkoepelende organisatie waar men lid van kan zijn.
Het bericht 'Hoe het CBS en T-Mobile de privacy schonden' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe het CBS en T-Mobile de privacy schonden»?1
Ja.
Wat is uw eerste reactie op deze berichtgeving?
Het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens doen op dit moment als toezichthouders samen onderzoek naar aanleiding van het NRC-artikel. In dit onderzoek wordt bekeken wat er precies gebeurd is en of daarbij privacyregels zijn geschonden. De resultaten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht alvorens hierop een reactie kan worden gegeven.
Vanaf welk moment bent u op de hoogte van deze kwestie? Welke acties hebt u tot dusver ondernomen?
Als Minister van Economische Zaken en Klimaat ben ik politiek verantwoordelijk voor de wetgeving omtrent het CBS en het budget. Het CBS is een zelfstandig bestuursorgaan en derhalve niet hiërarchisch ondergeschikt aan de Minister. Dit brengt met zich mee dat ik geen aanwijzingen aan het CBS kan geven op dossierniveau en dat ik ook niet van alle individuele contracten die het CBS sluit op de hoogte word gesteld. Hierdoor ligt het dus niet voor de hand dat ik van tevoren op de hoogte word gesteld van een dergelijke samenwerking tussen T-Mobile en het CBS. Naar aanleiding van het NRC-artikel ben ik geïnformeerd over deze kwestie. Het publicatiebeleid en de methoden waarmee de statistieken gemaakt worden, vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de DG CBS. Directe politieke invloed op de onderzoeksmethoden en de wijze van publicatie van de resultaten van statistieken zou de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de onderzoeken ter discussie kunnen stellen.
Klopt het dat het verkrijgen van toegang tot de data van telecomproviders hoog op de agenda van staat van de Europese statistiekbureaus en het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), zoals naar voren komt uit de correspondentie bij vernoemd nieuwsbericht?
Dat is juist. Het gebruik van mobiele data voor statistiek komt in diverse Europese landen voor. Zo heeft de Europese Commissie op 8 april 2020 een aanbeveling uitgebracht over het gebruik van o.a. geanonimiseerde mobiliteitsgegevens bij de bestrijding van Covid-192. Ook voor andere statistieken gebruiken diverse landen telecomdata. Zo gebruikt Destatis (het Duitse federale statistiekbureau) mobiele telefoniedata voor informatie over mobiliteit3 en voor bevolkingsstatistieken4, en gebruikt het Belgische statistiekbureau dergelijke data voor woon-werkverkeer5.
Welke afspraken hebben het CBS en T-Mobile gemaakt over het uitwisselen van datasets? Kunt u de Kamer, desnoods vertrouwelijk, inzage geven in de documenten waarin deze afspraken en bijbehorende voorwaarden zijn vastgelegd?
De overeenkomst tussen het CBS en T-Mobile waarin de voorwaarden voor samenwerking zijn opgenomen, is openbaar gemaakt6.
Van hoeveel mobiele klanten van T-Mobile, en eventuele andere telecomproviders, zijn gegevens uitgewisseld? Is het juist dat deze klanten hiervan niet op de hoogte zijn? In hoeverre is dit toegestaan?
Volgens het CBS heeft het geen toegang gehad tot individuele klantgegevens van personen. Het CBS en T-Mobile hebben aangegeven dat het CBS inzicht heeft gehad in gegevens die niet herleidbaar zijn tot klanten en dat de gegevens waar het om gaat geen exacte plaatsbepaling aangeven. Dit neemt niet weg dat er toch vragen zijn gerezen over het verstrekken van gegevens van T-Mobile aan het CBS. Daarom is er een onderzoek ingesteld door het Agentschap Telecom daarin bijgestaan door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kunt u uitleggen waarom voor een dergelijke uitwisseling van gegevens in het kader van een «pilot-project», zoals een woordvoerder van het CBS omschrijft, geen toestemming nodig zou zijn, terwijl voor een vergelijkbaar initiatief in het kader van coronabestrijding parlementaire goedkeuring gevraagd zou worden?
De Telecommunicatiewet maakt het de aanbieders van telecommunicatiediensten mogelijk om zonder toestemming van de gebruikers locatiegegevens te verwerken onder de voorwaarde dat deze gegevens zijn geanonimiseerd. Na de anonimisering mogen de gegevens, als de aanbieders van telecommunicatiediensten dat zouden willen, ook met derden worden gedeeld. Het CBS geeft aan dat het in de pilot ging om vrijwillig door de aanbieder ter beschikking gestelde geanonimiseerde gegevens. Voor wat betreft het gebruik van telecommunicatiedata voor de bestrijding van Covid-19 hebben diverse aanbieders verklaard hieraan alleen te willen meewerken als zij daartoe wettelijk verplicht worden. In de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM in verband met de bestrijding van Covid-19 is een dergelijke verplichting voor aanbieders opgenomen. Daarnaast zijn in het wetsvoorstel regels opgenomen over de wijze waarop de telecommunicatie-aanbieders de gegevens aan het CBS moeten leveren.
Kunt u aangeven of er sprake is van een uitwisseling van geanonimiseerde, niet tot individuele personen herleidbare gegevens en/of gepseudonomiseerde data dan wel van data van niet-anonieme bellers?
Zie antwoord op vraag 6. Het is aan de toezichthouders het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens om dit te beoordelen.
Kunt u duiden hoezeer de ontwikkeling van een algoritme ten behoeve van het leveren van mobiliteitsinformatie aan overheden, bekostigd met overheidsgeld en in gebruik door commerciële partijen, en het verrijken van databestanden ten behoeve van het in kaart brengen van financiële relaties binnen huishoudens binnen de nieuwe beleidsregels voor het CBS vallen?
Voor deze pilot uit 2017 waren de nieuwe beleidsregels (Beleidsregel taakuitoefening CBS) van 1 juli 2020 niet van toepassing, bovendien betrof de pilot ook geen aanvullende statistische dienst waar de beleidsregels betrekking op hebben. Over het algemeen geldt dat het antwoord op de vraag of de Beleidsregel op een bepaalde activiteit van toepassing is, afhankelijk is van het soort activiteit. Op aanvullende statistische diensten is de Beleidsregel taakuitoefening CBS van toepassing, op activiteiten die worden bekostigd uit de algemene (lumpsum)bijdrage van de Minister van Economische Zaken en Klimaat niet.
Bent u bereid de Autoriteit Persoonsgegevens om een oordeel te vragen over deze activiteiten en de werkwijze van het CBS?
De Autoriteit Persoonsgegevens en het Agentschap Telecom doen reeds onderzoek naar de pilot van het CBS met T-Mobile.
Hoe zijn de verschillende onderdelen van de motie-Van den Berg/Wiersma over het tegengaan van oneerlijke concurrentie door het CBS uitgevoerd?2
Graag verwijs ik u hiervoor naar de Kamerbrief die ik 1 juli 2020 heb verstuurd naar de Tweede Kamer over de Consultatieverslagen Beleidsregel taakuitoefening CBS en Regeling werkzaamheden derden CBS en moties Van den Berg en Wiersma8. Hierin informeer ik over het uitvoeren van de motie Van den Berg/Wiersma door het CBS. In het kort komt het erop neer dat het CBS het gevraagde onafhankelijke toezicht op naleving van de beleidsregels in de motie heeft uitgevoerd door het aanstellen van een Competitive Neutrality Officer. Deze functionaris weegt de belangen van marktpartijen mee, heeft kennis van mededingingsvraagstukken en adviseert op onafhankelijke wijze over de toepassing van de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS. Deze functionaris moet minimaal een keer per jaar schriftelijk verslag uitbrengen aan de directeur-generaal van het CBS. Ik heb in de Kamerbrief toegezegd om de Kamer over dit verslag jaarlijks te rapporten. Dit zal ik aankomende zomer doen. Daarnaast heeft de directeur-generaal van het CBS een onafhankelijke klachtencommissie ingesteld met als voorzitter Michaël van Straalen waar marktpartijen klachten kunnen indienen over gedragingen van het CBS met betrekking tot de toepassing van de Beleidsregel taakuitoefening CBS of de Regeling werkzaamheden derden CBS. Ook is in de Raad van Advies van het CBS Henk Don benoemd als extra lid met een achtergrond in mededingingsvraagstukken. De Raad van Advies kijkt met de blik van een externe toezichthouder naar het CBS.
Is uw indruk dat sinds de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels het gedrag van het CBS op de markt voor statistiekonderzoek ten goede is veranderd? Waar blijkt dit uit?
De interne werkprocessen bij het CBS en de externe communicatie zijn in 2020 in lijn gebracht met de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS. Zo registreert het CBS alle verzoeken voor aanvullende statistische diensten centraal en is er een stroomschema en afwegingskader opgesteld ter ondersteuning bij het maken van afwegingen om een verzoek wel of niet te honoreren. Mijn vorige antwoord op vraag 11 beschrijft hoe het verdere toezicht is geregeld. Aankomende zomer zal ik de Kamer informeren over het verslag van de Competitive Neutrality Officer over de uitvoering van de Regeling werkzaamheden derden CBS en de Beleidsregel taakuitoefening CBS. Conform de toezegging aan uw Kamer zullen de regelingen twee jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd (in 2022).
Hebt u sinds de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels nog klachten van commerciële statistiekbureaus of andere partijen ontvangen over oneerlijke concurrentie door het CBS? Zo ja, wat hebt u met deze klachten gedaan?
Er zijn tot heden geen formele klachten ingediend bij de ingestelde klachtencommissie van het CBS. Wel loopt er momenteel een rechtszaak over de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS. Deze rechtszaak is aangespannen door een brancheorganisatie voor marktonderzoek. Deze organisatie vordert onder meer een verklaring voor recht dat de Regeling werkzaamheden derden CBS onverbindend is, omdat volgens deze regeling onder het begrip derden enkel private partijen moeten worden verstaan.
Wanneer is het onderzoek door het Agentschap Telecom naar mogelijke privacyschendingen afgerond? Zal dit met de Kamer worden gedeeld?
Het formele onderzoek naar mogelijke overtredingen van de wet- en regelgeving bij het verstrekken van (toegang tot) telecommunicatiegegevens van T-Mobile aan het CBS is begin maart door het Agentschap Telecom gestart. De Autoriteit Persoonsgegevens draagt aan het onderzoek bij, met expertise op het gebied van persoonsgegevens. Een einddatum is nog niet bekend, die hangt mede af van de feiten die uit dit onderzoek naar voren komen. De uitkomst van het onderzoek zal met de Kamer gedeeld worden.
Bent u bereid om hangende het onderzoek door de Autoriteit Persoonsgegevens het CBS te verzoeken alle voornoemde en verwante activiteiten te staken, totdat er duidelijkheid is over de privacy, gevolgde procedures en werkwijze, aard van uitgewisselde data en toegang van CBS-medewerkers tot die data?
Het CBS heeft aangegeven dat het op dit moment geen activiteiten onderneemt waarbij mobiele telefoniedata worden gebruikt om statistieken te produceren.
Deelt u de mening van het CBS dat «de data zo privacygevoelig zijn dat als er één partij vertrouwd kan worden om dit te analyseren dat het CBS is»?
Ik heb vooralsnog geen reden om daar aan te twijfelen. Van belang in dit verband is dat jaarlijks audits door externe auditors worden uitgevoerd, waaronder op het gebied van privacy. Het CBS heeft onlangs opnieuw het privacy certificaat «Privacy Audit Proof», dat gebaseerd is op het Privacy Control Framework, ontvangen9. Dit neemt niet weg dat ik niet vooruit wil lopen op de resultaten van het onderzoek van het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens.
Vrijheidsbeperkingen in zorginstellingen |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Op1 van 3 maart 2021 met betrekking tot vrijheidsbeperkingen in instellingen in de langdurige zorg?1
Ja.
Bent u het eens met de sprekers in deze uitzending dat sommige instellingen in de langdurige zorg disproportioneel lange vrijheidsbeperkingen hebben ingesteld?
Ik ken de specifieke context waaraan de sprekers in deze uitzending refereren en de redenen die er zijn om te besluiten dat vrijheidsbeperkingen nodig zijn niet. De bestuurder van een verpleeghuis maakt een eigen afweging op basis van de lokale omstandigheden en maakt daarbij gebruik van de handreiking «Bezoek en sociaal contact» die de sector heeft opgesteld.
In het algemeen wil ik opmerken dat zorgaanbieders op grond van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) goede zorg moeten leveren. Zorgaanbieders dienen in het kader van het verlenen van goede zorg hun bewoners zoveel mogelijk te beschermen tegen een mogelijke infectie met COVID-19. Er zijn diverse adviezen en handreikingen opgesteld die handvatten bieden aan de zorgaanbieders om uitvoering te geven aan de RIVM-adviezen. Deze adviezen en handreikingen gelden als richtinggevend voor de goede zorgverlening. Naast veiligheid dient er aandacht te zijn voor kwaliteit van leven. Bij het treffen van maatregelen moet de zorgaanbieder een proportionaliteitsafweging maken. De IGJ houdt toezicht en betrekt hierbij de opgestelde adviezen en handreikingen.
Klopt het dat zorginstellingen een quarantaineplicht hebben opgesteld voor bewoners die niet positief getest waren of in contact zijn geweest met een positief getest persoon, maar wel bijvoorbeeld naar buiten zijn geweest? Zo ja, kunt u hierop reageren?
Voor zover mij bekend hebben zorginstellingen niet sectorbreed een quarantaineplicht ingesteld die verder gaat dan de geldende adviezen van het RIVM. Leidend voor het al dan niet instellen van quarantaine is namelijk het behandeladvies «COVID-19 acute fase en nazorg van Verenso en NVAVG»2. Dit behandeladvies wordt regelmatig aangepast aan de nieuwste adviezen. Zo is het OMT-advies over de aanpassing van de quarantainetermijn bij volledig gevaccineerde bewoners van zorginstellingen overgenomen.
Wel hoor ik signalen dat dit wel eens voor komt, onder andere uit mijn contacten met cliëntenorganisaties. Ik breng dit in het wekelijkse overleg met koepelorganisaties onder de aandacht en geef daarbij aan dat dit niet in overeenstemming is met de geldende adviezen.
Bent u het ermee eens dat er geen rechtsgrond is om bewoners te verbieden het terrein van hun instelling te verlaten of om hen in quarantaine te plaatsen als ze niet positief zijn getest en ook niet in contact zijn geweest met een positief getest persoon?
In hoofdstuk Va van de Wet publieke gezondheid staan tijdelijke bepalingen in verband met de bestrijding van de epidemie COVID-19. In artikel 58o van de Wet publieke gezondheid staan in dit verband bepalingen die specifiek zien op zorgaanbieders of zorglocaties. Hierin is onder meer geregeld dat beperkingen of voorwaarden gesteld kunnen worden aan de toegang van personen tot een zorglocatie. Hierbij is wel geborgd dat er ten minste één familielid of naaste toegang heeft. In dit artikel zijn geen regels gesteld over het verlaten van het terrein van een instelling. Op basis van de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 (Twm COVID-19) kunnen hieraan dus geen beperkingen worden gesteld, en gelden voor het verlaten van het terrein van een instelling de algemene regels. Dit zijn enerzijds de regels in verband met COVID-19 waar het gaat om bijvoorbeeld quarantaine en verder individuele maatregelen die los staan van COVID-19.
Bent u het eens dat de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 en de Wet zorg en dwang (Wzd) ten onrechte niet worden genoemd in dit verband?
Als het gaat om maatregelen zoals in het interview benoemd dan zijn de beide wetten inderdaad relevant.
Kunt u aangeven waarom op de website van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) en ook bij het Informatiepunt Dwang in de zorg nog altijd een nieuwsbericht staat dat de Wzd niet volledig hoeft te worden gevolgd en er ook onjuistheden instaan?
De uitgangspunten die daar genoemd staan gelden nog steeds. In deze fase van de COVID-19 pandemie is het immers nog steeds denkbaar dat het noodzakelijke multidisciplinair overleg niet in volle omvang geregeld kan worden door uitval of onderbezetting van personeel. Wel moeten de gemaakte afwegingen die hieraan ten grondslag liggen zo veel als mogelijk worden vastgelegd in het dossier van de cliënt. Ook blijft het beginsel van goed hulpverlenerschap vooropstaan en blijft het streven om persoonsgerichte zorg te leveren.
Voor collectieve maatregelen die genomen worden op basis van besluiten van de overheid geldt een uitzondering. Zo hoeven zorgaanbieders bijvoorbeeld niet het stappenplan te doorlopen om de avondklok in te stellen, of om de toegang tot een publiek toegankelijk restaurant te ontzeggen. Deze beperkingen gelden immers voor alle inwoners van Nederland.
Nieuwsberichten van de IGJ worden niet verwijderd, wel geactualiseerd waar nodig. Bij het betreffende nieuwsbericht stond de boodschap dat het niet meer actueel was. Om verwarring te voorkomen is het bericht inmiddels gearchiveerd. Dat betekent dat het nog wel vindbaar is in het archief, maar niet meer prominent verschijnt. Momenteel verwijst de IGJ bij berichtgeving rondom dwang in de zorg naar www.dwangindezorg.nl. Parallel wordt het dossier dwang in de zorg, al dan niet in relatie tot Covid-19, op de website van de IGJ geactualiseerd.
Welke verantwoording dienen instellingen in de langdurige zorg af te leggen op het moment dat zij bezoekverboden hanteren of de bewegingsvrijheid inperken voor een langere periode dan op grond van de quarantainemaatregelen?
Van zorgaanbieders wordt verwacht dat zij het belang van maatwerk voor de individuele bewoner centraal stellen bij de organisatie van de zorg, tenzij de situatie noodzaakt tot andere afwegingen. In het geval er sprake is van COVID-19 nemen zorgaanbieders de maatregelen om de verspreiding van het COVID-19 virus te voorkomen veelal in afstemming met de GGD. De zorgaanbieders leveren met dergelijke maatregelen goede zorg zoals vereist door de Wkkgz. Een individuele cliënt kan gebruik maken van de mogelijkheden van de Wkkgz. Dit betreft klachtbehandeling maar ook de mogelijkheid gebruik te maken van een geschilleninstantie.
Op grond van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2018 (Wmcz 2018) dienen instellingen waar cliënten langdurig kunnen verblijven hun cliënten inspraak te geven in aangelegenheden die direct van invloed zijn op hun dagelijkse leven. Daarnaast is in de Wmcz 2018 geregeld dat cliëntenraden instemmingsrecht hebben op onder meer het algemeen beleid inzake veiligheid, kwaliteit, hygiëne, ontspanningsmogelijkheden en recreatie. Hieronder valt ook het beleid rondom bezoek en eventuele beperkingen in het recht op het ontvangen van bezoek. Daarnaast moet het voornemen ook worden voorgelegd aan de OR.
Tot slot houdt de IGJ toezicht op de zorg. De IGJ reageert op meldingen die hierover bij haar binnenkomen.
Is er bekend hoeveel instellingen preventief dicht gaan?
Nee, dat is niet bekend. Het is aan de zorgorganisatie om op basis van de beschikbare informatie een afweging te maken over welke maatregelen noodzakelijkerwijs moeten worden ingezet. Daarbij is het uitgangspunt dat de vrijheid van cliënten zo min mogelijk wordt beperkt. Op dit moment is een algehele sluiting niet nodig en ook ongewenst. Uit het contact met (koepels van) zorgaanbieders en cliëntenorganisaties blijkt dat in de praktijk een algehele preventieve sluiting weinig voorkomt, dan wel alleen wordt gehanteerd voor zeer beperkte duur.
Kunt u erop reflecteren dat onder de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 geen verbod valt om naar buiten te gaan, een ommetje te mogen maken of bezoek aan familie te mogen brengen?
Voor bewoners van verpleeghuizen was de periode in het voorjaar van 2020 (de «eerste golf») zeer zwaar. Er bestond veel onduidelijkheid over de epidemie en de gevolgen hiervan voor bewoners van verpleeghuizen en daarom hanteerden de verpleeghuizen streng beleid voor het naar buiten gaan voor een ommetje of het ontvangen van bezoek. Er werden alternatieven ontwikkeld voor contact met naasten zoals beeldbellen of een «bezoekhuisje» in de tuin van het verpleeghuis. Ook voor naasten was dit zwaar. Juist voor bewoners in het verpleeghuis, die vaak in de laatste fase van hun leven zijn, is contact met hun naasten van groot belang. Contact hebben of even naar buiten is essentieel voor het welbevinden. Vanuit deze ervaring is besloten, zoals ook in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, in de Twm COVID-19 de vrijheid van bewoners zo min mogelijk te beperken. Zo zijn weliswaar mogelijkheden opgenomen om het ontvangen van bezoek te beperken als dit nodig is in verband met COVID-19, maar hebben deze beperkingen geen betrekking op de toegang van tenminste één familielid of naaste (behoudens uitzonderlijke omstandigheden). Daarnaast is in artikel 58o opgenomen dat een mantelzorger altijd toegang tot de zorglocatie heeft. Ten slotte is vanwege de ervaringen in het voorjaar besloten in deze wet geen rechtsgrondslag op te nemen om het naar buiten gaan van bewoners van verpleeghuizen te beperken.
Uiteraard gelden in verpleeghuizen wel de algemene maatregelen in verband met COVID-19.
Kunt u bevestigen dat het stappenplan uit de Wzd moet worden gevolgd voor het in quarantaine laten gaan van personen met dementie, of voor het verbod voor deze mensen om naar buiten te gaan zoals naar de tuin? Zo ja, kun u erop ingaan tot op welke hoogte dit ook in de praktijk gebeurd is?
Het in quarantaine brengen van mensen is een vergaande beperkingen van iemands vrijheden. Dit geldt des te meer voor mensen met dementie die vanwege hun aandoening vaak niet in staat zijn om te begrijpen waarom zij in quarantaine moeten en het gebouw niet mogen verlaten om bijvoorbeeld een ommetje te maken. Als deze personen zich in een dergelijke situatie dan ook verzetten tegen deze maatregel dan dient het stappenplan van de Wzd gevolgd te worden. Tot op welke hoogte dit ook gebeurt is onbekend, aangezien zorgorganisaties niet hoeven te melden welke beperkende maatregelen zij inzetten ter bescherming van de cliënten tegen de verspreiding van het virus. Wel ziet de IGJ dat organisaties zich steeds meer bewust zijn van het feit dat ze te maken kunnen hebben met de Wzd en wat dat betekent voor de inzet van onvrijwillige zorg.
Kunt u daarbij ook ingaan op gevallen waarin dezelfde procedure moet worden gevolgd, maar waarbij er sprake is van een andere ziekte dan dementie?
De Wzd biedt ook rechtsbescherming als gedwongen zorg wordt overwogen bij mensen met een verstandelijke beperking. Voor hen gelden dezelfde procedures als hierboven beschreven. Daarnaast geldt de Wzd ook als de toepassing van gedwongen zorg wordt overwogen voor mensen met een zogeheten gelijkgestelde aandoening. Dat zijn op dit moment cliënten met Korsakov, Huntington en niet
aangeboren hersenletsel, voor zover een arts heeft vastgesteld dat de daaruit voortvloeiende beperkingen overeenkomen met de beperkingen die ook gelden voor mensen met dementie of een verstandelijke beperking.
Kunt u aangeven bij hoeveel instellingen in de langdurige zorg langdurige vrijheidsbeperkingen waren ingesteld die gerelateerd zijn aan corona?
Deze gegevens zijn niet bekend, aangezien zorgorganisaties niet hoeven te melden welke beperkende maatregelen zij inzetten ter bescherming van de cliënten tegen de verspreiding van het virus. Het aantal en de duur van dergelijke vrijheidsbeperkingen zal continu variëren, afhankelijk van de situatie bij de zorgorganisatie op dat moment. De IGJ zoekt proactief contact met zorgaanbieders wanneer zij signalen krijgt dat een zorgaanbieder de deur op slot doet voor bezoek of de bewegingsvrijheid van de bewoners buitenproportioneel inperkt.
Kunt u aangeven in hoeverre bij deze vrijheidsbeperkingen is voldaan aan de voorschriften uit de Wzd en op welke manier hierop toezicht wordt gehouden? Kunt u ingaan op de rol van de Wzd-functionaris hierbij?
Zoals hierboven aangegeven zijn deze gegevens niet bekend. In zijn algemeenheid geldt dat de Wzd-functionaris er is om toe te zien op de inzet van de minst ingrijpende vorm van onvrijwillige zorg en de mogelijke afbouw ervan. Deze functionaris is verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken op het terrein van het verlenen van onvrijwillige zorg.
Bent u bereid in gesprek te gaan met zorginstellingen waar alle bewoners van een instelling of een afdeling disproportioneel lang verplicht in quarantaine worden gehouden of in hun bewegingsvrijheid worden beperkt, zelfs als ze volledig zijn gevaccineerd?
Naar aanleiding van enkele signalen van cliëntenorganisaties en dit interview bespreek ik dit deze week met de betrokken veldpartijen, zoals ActiZ en VGN. Ik zal deze koepelorganisaties verzoeken dit onderwerp met hun leden te bespreken en mij over de uitkomsten daarvan te informeren. Ook zal ik het aan de orde stellen in mijn gesprekken met de IGJ.
Bent u bereid om daarover de informatie op de website Dwang in de zorg aan te passen?
Ja, ik ben bereid om de informatie op de website dwang in de zorg te verduidelijken.
In welke situatie is het in uw ogen wél proportioneel, subsidiair en noodzakelijk om bewoners te verbieden de instelling te verlaten, bijvoorbeeld voor visite aan en (klein)kind of om boodschappen te gaan doen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik kortheidshalve naar het antwoord op de vragen 4 en 9.
Zou het niet mogelijk moeten zijn om meer ruimte te bieden om op een verantwoorde wijze een wandelingetje in de buitenlucht mogelijk te maken voor bewoners van verpleeghuizen, aangezien dat de kwaliteit van leven sterk bevordert?
Het is van belang dat met de cliënt en/of zijn naaste het gesprek plaatsvindt over de mogelijkheden om op een verantwoorde wijze de instelling te verlaten en dat die afspraken worden vastgelegd in het zorgplan. In de handreiking «Bezoek en sociaal contact» die de sector heeft opgesteld wordt hier ook op ingegaan.
Nu de vaccinatie in verpleeghuizen gestaag vordert, heb ik het OMT om advies gevraagd over de mogelijkheden om COVID-maatregelen voor de bewoners van verpleeghuizen respectievelijk instellingen voor gehandicaptenzorg en van ouderen thuis op verantwoorde wijze te versoepelen. Het gaat zowel om de algemeen geldende maatregelen als maatregelen meer specifiek gericht op deze doelgroepen.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de versoepelingen voor de quarantaineplicht en de bezoekvoorschriften, zoals genoemd in uw brief van 11 maart 2021, zullen doorwerken in de praktijk?2
Wekelijks spreek ik met de koepelorganisaties van zorgaanbieders en beroepsgroepen in de langdurige zorg en daarbij komen ook onderwerpen als quarantaine en bezoekvoorschriften aan de orde. Ook in de wekelijkse overleggen met de cliëntenorganisaties komt dit ter sprake. De IGJ houdt hier in het kader van haar toezichthoudende rol vinger aan de pols.
Moet de versoepeling van de quarantaineplicht uit deze brief in uw ogen per (gevaccineerde) bewoner gelden, of pas op het moment dat álle bewoners van een instelling zijn gevaccineerd, gelet op het feit dat in de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 immers wordt gesproken over maatwerk?
Het OMT heeft geadviseerd om de quarantainemaatregelen in de instellingen voor langdurige zorg bij volledige (dus twee keer) vaccinatie weer in lijn te brengen met die voor de algemene bevolking. Dit betekent dat bij een volledig gevaccineerde bewoner de quarantaine na contact met een positief geteste huisgenoot of overig nauw contact beëindigd kan worden na een negatieve PCR-test op dag 5.
Welke rol zou de IGJ in deze discussie kunnen spelen, aangezien zij toezicht houden op de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 en de Wzd? Kunt u daarover in gesprek gaan met de IGJ?
Vanuit de IGJ wordt benadrukt dat het aan de zorgorganisatie is om maatwerk te leveren als het gaat om de vrijheid van het individu en de veiligheid van de groep. In de toezichtbezoeken van de IGJ wordt hier ook expliciet aandacht voor gevraagd. Ik betrek de actuele informatie van de IGJ bij beleidskeuzes over de situatie in de ouderenzorg en benadruk daarbij het belang van maatwerk voor de individuele bewoner.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende debat over de ontwikkelingen van het coronavirus?
Dat is helaas niet gelukt.
De toezeggingen in gesprek te gaan met het Bureau Kredietregistratie. |
|
Martin Wörsdörfer (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de toezeggingen van uw voorgangers van respectievelijk 24 juni 2020 en 10 december 2020 dat in gesprek zouden gaan met het Bureau Krediet Registratie (BKR) over de lengte van de registratietermijn, met daarbij specifieke aandacht voor mensen wier registratie gerelateerd is aan corona?
Ja.
Heeft dit gesprek inmiddels plaatsgevonden? Zo ja, wat is de uitkomst van dit gesprek? Zo nee, wanneer verwacht u dit gesprek te kunnen voeren?
Op ambtelijk niveau hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden met het BKR, waarbij ook de registratietermijn is besproken.
Ik vind het onwenselijk als consumenten in de problemen komen door overkreditering, waardoor mogelijk problematische schulden ontstaan. Kredietverstrekkers moeten beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is, voordat zij een kredietovereenkomst met een consument sluiten. Kredietverstrekkers moeten hiertoe kredietovereenkomsten registreren in een stelsel van kredietregistratie, en zijn in het kader van de beoordeling van een nieuwe overeenkomst verplicht het stelsel van kredietregistratie te raadplegen. Dit volgt uit de Wet op het financieel toezicht en het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.1
Raadpleging van het stelsel van kredietregistratie dat door BKR wordt beheerd is een belangrijk instrument om inzicht te krijgen in welke kredieten een consument al heeft. Inzicht in de betaalgeschiedenis heeft tot doel om betalingsproblemen in de toekomst te voorkomen. De termijnen voor het bewaren van registraties zijn geregeld in de reglementen van het BKR. Het BKR hanteert een bewaartermijn van vijf jaar. Voor de volledigheid wijs ik op het advies dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op eigen initiatief heeft opgesteld over wettelijke waarborgen bij kredietregistratie. De AP heeft ook gevraagd hierbij te kijken naar bewaartermijnen van persoonsgegevens. De Minister van Financiën is naar aanleiding van het advies bezig met het opstellen van een wetsvoorstel. Het streven is om dit rond de zomer in consultatie te brengen.2
De bewaartermijnen zijn niet bepalend voor de vraag of een krediet wordt verleend. De kredietverstrekker moet beoordelen of hij het verantwoord vindt om een krediet te verstrekken en de bewaartermijn zorgt ervoor dat hij over informatie kan beschikken ten behoeve van deze beoordeling. Het is dan ook belangrijk dat een kredietverstrekker samen met een consument kijkt hoe het beste kan worden omgegaan met schulden door de coronacrisis. Veel kredietverstrekkers zijn in deze coronatijd consumenten tegemoet gekomen door bijvoorbeeld betalingsregelingen of betaalpauzes aan te bieden. Een betalingsregeling voor een consumptief krediet wordt niet bij het BKR geregistreerd als de consument bij het aangaan van de betalingsregeling nog geen bij BKR geregistreerde betalingsachterstand had.
Ik vind het – juist in een tijd waarin consumenten financieel extra kwetsbaar zijn als gevolg van de coronacrisis – belangrijk dat het BKR een compleet beeld geeft van de betalingsverplichtingen voor kredieten die een consument heeft. Gelet op het belang hiervan zie ik op dit moment geen aanleiding te vragen om verkorting van de door BKR gehanteerde registratietermijn. Daarmee vervalt immers een bescherming tegen overkreditering. De bewaartermijn van persoonsgegevens is onderdeel van het wetsvoorstel kredietregistratie dat bij de Minister van Financiën in voorbereiding is.
Klopt het dat iemand wiens betalingsachterstand en daarmee samenhangende BKR-registratie te maken heeft met een zogenoemde levensgebeurtenis zoals een echtscheiding, terwijl zij inmiddels hun financiële positie weer op orde hebben toch bijvoorbeeld geen hypotheek of telefoonabonnement kan krijgen? Is deze problematiek bekend bij het BKR?
Het is belangrijk dat het BKR een compleet beeld geeft van de betalingsverplichtingen voor kredieten die een consument heeft. BKR heeft echter geen rol in de besluitvorming of iemand wel of niet in aanmerking komt voor een krediet, die beoordeling is geheel aan de kredietverstrekker. Wanneer een betalingsachterstand is opgelost meldt een kredietverstrekker dit aan het BKR. Met een achterstand registratie uit het verleden blijft geld lenen in principe mogelijk. Zo blijkt uit het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van BKR dat één op de vijf mensen die een betalingsprobleem heeft gehad binnen vier jaar een nieuw consumptief krediet heeft afgesloten. De kredietverstrekker moet altijd in individuele gevallen beoordelen of kredietverlening verantwoord is en betrekt daarbij ook de resultaten van raadpleging van het BKR. Ook wanneer er sprake is van een negatieve BKR-registratie is het afsluiten van een hypotheek vaak mogelijk. Een voorwaarde is dan wel dat de lening is afbetaald en/of de betalingsachterstand is hersteld.3
Hoe vaak ontvangt het BKR hierover klachten en worden die klachten ook met kredietverstrekkers besproken?
Het BKR spreekt met kredietverstrekkers over hoe zij omgaan met BKR-registraties bij hun beoordeling over kredietverstrekking.
Overigens kan een consument die een klacht heeft over de wijze waarop hij bij BKR is geregistreerd, daarover contact opnemen met zijn kredietverstrekker. De kredietverstrekker is namelijk degene die gegevens over het krediet doorgeeft aan BKR en de registraties kan laten aanpassen bij BKR. Dit kan zowel gaan om gevallen waarin registraties niet kloppen of gevallen waarin een consument de registratie niet meer terecht vindt. De kredietverstrekker kan kijken naar de bijzondere persoonlijke omstandigheden. Indien de kredietverstrekker geen aanleiding ziet om over te gaan tot het laten aanpassen van de registratie, dan kan een consument zich wenden tot de Geschillencommissie BKR. De Geschillencommissie bestaat uit onafhankelijke deskundigen op het gebied van privacywetgeving en kredietverlening. De Geschillencommissie beoordeelt of de procedures goed zijn gevolgd en of de registratie terecht is.4 Het BKR publiceert de uitspraken van de Geschillencommissie op haar website.5
Heeft het BKR zelf de indruk dat kredietverstrekkers wellicht (te) vaak op de automaat vasthouden aan het verstrijken van vijf jaren na de registratie, terwijl iemand evident zijn financiën weer op orde heeft?
De beoordeling of een krediet kan worden verstrekt, is aan de kredietverstrekker. Het BKR heeft, als stelsel van kredietregistratie, enkel als rol om kredieten te registreren en raadpleging door kredietverstrekkers mogelijk te maken.
Het BKR heeft aangegeven het belangrijk te vinden dat mensen toegang hebben en houden tot krediet als hun persoonlijke financiële situatie dit toelaat en spreekt ook met kredietverstrekkers over hoe wordt omgegaan met de BKR-registraties.
De petitie van Sint Maarten |
|
André Bosman (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met «PETITION PRESENTED TO: THE SPECIAL RAPPORTEUR ON CONTEMPORARY FORMS OF RACISM, RACIAL DISCRIMINATION, XENOPHOBIA AND RELATED INTOLERANCE AND THE WORKING GROUP OF EXPERTS ON PEOPLE OF AFRICAN DESCENT ON BEHALF OF THE PARLIAMENT AND CITIZENS OF SINT MAARTEN» van 9 maart 2021?1
Ja.
Is deze petitie ook namens Bonaire, Saba en Sint Eustatius?
Nee.
Is deze petitie ook namens Aruba en Curaçao?
Nee.
Is het verwijt dat «Nederland faalde in haar verplichting om zelfbestuur te bevorderen» ook besproken in de Rijksministerraad? Zo ja, wanneer?
Nee.
Zijn de bovengenoemde verwijten besproken in andere overleggen? Zo ja, waar?
Dit is niet besproken in overleggen waarbij ik aanwezig was.
Heeft de regering van Sint Maarten steun uitgesproken voor deze petitie? Zo ja wanneer? Zo nee, waarom niet?
De regering van Sint Maarten heeft naar mijn weten geen steun uitgesproken voor deze petitie. Of zij deze petitie wel of niet steunt is mij dan ook onbekend. Ik heb hierover opheldering gevraagd aan de Minister-President van Sint Maarten.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de petitie spreekt over het «verdringen van een democratisch gekozen regering door een neokoloniale fiscale autoriteit»? Zo ja, vindt die verdringing plaats? Zo ja, kunt u aangeven waar die verdringing plaatsvindt?
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. In de typering in de petitie van het Caribisch Orgaan voor Hervorming en Ontwikkeling (COHO) als een «neokoloniale fiscale autoriteit» die een democratisch gekozen regering verdringt, kan ik mij echter absoluut niet vinden. Het COHO wordt niet opgericht om een democratisch verkozen regering te verdringen. Het COHO heeft juist als doel om Sint Maarten te ondersteunen bij het doorvoeren van hervormingen van bestuurlijke aard, het realiseren van duurzame, houdbare overheidsfinanciën en het versterken van de weerbaarheid van de economie, met inbegrip van de rechtsstatelijke inbedding die daarvoor nodig is. Een weerbare economie is door het jarenlange uitblijven van noodzakelijke hervormingen helaas niet aanwezig, waardoor de gevolgen van de Covid 19-pandemie de landen hard hebben geraakt.
Heeft u kennisgenomen van de stelling in de petitie gesteld dat «(a)lthough precise statistics on race are not readily available for the islands and the Netherlands, it is clear that on the aggregate level, the Kingdom’s treatment of the overwhelmingly white population of the Netherlands is far superior than its treatment of the people of African descent and other racial and ethnic minorities that comprise the considerable majority of the three Caribbean islands»? Herkent u zich in deze stelling? Uit welke beslissingen van het Koninkrijk zou blijken dat de behandeling verschillend zou zijn?
Ik heb hiervan kennisgenomen, en herken mij niet in deze stelling. Sinds 10 oktober 2010 zijn Sint Maarten en Curaçao autonome landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden met hun eigen constitutionele ordening en eigen verantwoordelijkheden. Aruba kende deze status al langer. De economische situatie in de verschillende landen is anders. Dat kan leiden tot verschillen in de economische positie van burgers binnen het Koninkrijk. Dat heeft niets te maken met raciale ongelijkheid.
Klopt het dat het land Sint Maarten op 10 oktober 2010 bij het aanvaarden van de autonomie vrijwillig heeft ingestemd met extern financieel toezicht voor Sint Maarten?
Ja. Dit externe toezicht is geregeld in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, een consensusrijkswet op grond van artikel 38, tweede lid, van het Statuut.
Klopt het dat de financiële problemen van Sint Maarten voortkomen uit de orkanen van 2017 en de coronapandemie, zoals de aanbieders van de petitie stellen, of waren de financiële problemen er al veel langer? Als die problemen er al langer waren, waar blijkt dat uit?
Sint Maarten kent al langer financiële problemen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van de evaluatiecommissie Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten uit 2018. De evaluatiecommissie concludeert in dit rapport dat Sint Maarten in de periode 2015–2017 (vóór orkaan Irma) niet heeft voldaan aan de financiële normen uit artikel 15 Rft en dat het financieel toezicht op Sint Maarten daarom niet kan worden beëindigd. De evaluatiecommissie schrijft onder meer dat Sint Maarten kampt met betalingsachterstanden en oplopende begrotingstekorten en dat de overheidsfinanciën van een zorgelijk niveau zijn. Ook het IMF heeft sinds de autonome status van het land in 2010 geregeld aandacht gevraagd voor de oplopende schuldquote. Deze problemen komen niet voort uit de orkanen of de coronapandemie. In de periode vanaf 10-10-10 tot orkaan Irma heeft Sint Maarten geen resultaat geboekt in het verbeteren van de financieel-economische situatie van het land.
Hoe staat het met de belastinginning op Sint Maarten? Hoeveel hotels, bedrijven en rijke inwoners krijgen een belastingverlaging, of betalen helemaal geen belasting, op Sint Maarten?
Sint Maarten heeft als autonoom land eigen belastingwetten op basis waarvan de Sint Maartense Belastingdienst belasting heft en int. Eventuele speciale regimes die gelden voor hotels, bedrijven of rijke inwoners zijn een aangelegenheid van het land zelf en ik ben hiervan dan ook niet op de hoogte. In het kader van maatregel C.1 uit het landspakket zal het huidige fiscale stelsel worden onderzocht. Indien er sprake is van speciale regimes zal dat hieruit blijken.
Wat is de oorzaak van de trage uitbetaling van de 550 miljoen euro die beschikbaar zijn gesteld door Nederland in het kader van de wederopbouw van Sint Maarten na de orkaan Irma?
In de afgelopen drie jaar is gewerkt aan (de voorbereiding van) diverse projecten. Hoewel de wederopbouw ook naar mijn mening traag op gang is gekomen is inmiddels bij veel projecten de omslag van voorbereiding naar uitvoering gemaakt.
Op dit moment zijn er negen projecten in uitvoering en vijf projecten in voorbereiding, met een totale omvang van $ 376,4 mln. De uitgaven van het trustfonds zijn tussen eind 2019 en eind 2020 meer dan verdrievoudigd van $ 21 miljoen naar $ 68 miljoen. Daarnaast is ongeveer € 67 mln. vanuit de directe steun uitgegeven aan wederopbouwactiviteiten. Van de Wereldbank verwacht ik binnenkort de jaarrapportage over 2020, welke ik op korte termijn met uw Kamer zal delen. Deze rapportage gaat ook in meer detail in op vertragende factoren.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de aanbieders van de petitie het Koninkrijk het verwijt maken dat Sint Maarten niet zelf een lening kan sluiten met een externe financier en dat Sint Maarten zwaarder in de schulden raakt door de financiering door de Nederlandse overheid? Klopt dat?
De Rijksministerraad heeft in het kader van het voldoen van de huidige liquiditeitsbehoefte besloten dat als Sint Maarten een lening op de binnenlandse markt zou willen aangaan voor de gewone dienst, dit moet worden voorgelegd aan de Rijksministerraad. Vóór de COVID-19-pandemie kon Sint Maarten lenen bij externe financiers indien het aanbod van de externe financiers gelijk of gunstiger was dan het aanbod van Nederland. In de praktijk blijkt evenwel dat het aanbod van Nederland altijd het meest gunstig is, omdat Sint Maarten op die manier gebruik kan maken van de credit rating van Nederland.
In het kader van de liquiditeitssteun leent Sint Maarten bij Nederland tegen 0% rente. Indien Sint Maarten daarentegen op eigen kracht op de internationale kapitaalmarkt leningen had moeten aantrekken waren de rentelasten van het land veel hoger geweest hetgeen had geleid tot een hogere staatsschuld.
Wie is verantwoordelijk voor de armoedebestrijding en sociale zaken op Sint Maarten? Wat valt Nederland te verwijten ten aanzien van de verschillen in ondersteuning in het sociale domein in relatie tot Sint Maarten?
Sinds 10 oktober 2010 is Sint Maarten een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden, en heeft Sint Maarten een eigen verantwoordelijkheid gekregen voor onder andere armoedebestrijding en sociale zaken. Binnen het land Sint Maarten is het Sint Maartense Ministerie van Volksgezondheid, Sociale ontwikkeling en Arbeid (VSA) verantwoordelijk voor de armoedebestrijding en sociale zaken. Nederland draagt hiervoor dan ook geen verantwoordelijkheid.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de aanbieders van de petitie Nederland en het Koninkrijk verwijten niets te doen aan de gevangenis van Sint Maarten? Onder wiens verantwoordelijkheid valt de gevangenis van Sint Maarten?
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Sinds Sint Maarten een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden is, heeft Sint Maarten een eigen verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving gekregen, inclusief het gevangeniswezen. Gelet op de hardnekkige problemen in het gevangeniswezen toont het kabinet zich bereid Sint Maarten te ondersteunen, hetgeen ik heb toegelicht in de beantwoording op het schriftelijk overleg Sint Maarten van 11 februari 2021.
Wat vind u van de verwijten van racisme, kolonialisme en discriminatie die door het hele stuk heen lopen in de richting van Nederland en het Koninkrijk?
Racisme, kolonialisme en discriminatie zijn ernstige misstanden. Ik herken de verwijten die in dit verband worden gemaakt richting Nederland en het Koninkrijk absoluut niet.
Herinnert u zich u antwoorden op de Kamervragen over het dekolonisatieproces van de voormalig Nederlandse Antillen, waaruit blijkt dat de landen bij het aanvaarden van het Statuut al volledig zelfbestuur op basis van artikel 73 VN Handvest hebben? Welke andere vorm van volledig zelfbestuur wenst Sint Maarten?2
Ja, die antwoorden herinner ik mij. Welke andere vorm van zelfbestuur de Staten van Sint Maarten verlangen dan de huidige in het Statuut van het Koninkrijk verankerde autonomie is mij niet bekend. Daar hebben de Staten zich naar mijn weten nog niet over uitgesproken. De ultieme vorm van zelfbestuur is onafhankelijkheid. Zoals ook uit genoemde antwoorden blijkt, kan Sint Maarten overigens voor zo’n andere vorm van zelfbestuur niet eenzijdig opteren. Voor de verwezenlijking van een verandering van de staatkundige verhoudingen binnen de rechtsorde van het Koninkrijk zijn de medewerking en instemming van de andere Koninkrijkslanden nodig.
Als Sint Maarten onafhankelijk zou willen worden, zijn daar bezwaren tegen vanuit het Koninkrijk of de landen binnen het Koninkrijk? Zo ja, wat zijn die bezwaren?
Indien Sint Maarten de wens uit onafhankelijk te worden, dient aan die wens vanuit het Koninkrijk gehoor te worden gegeven. Op grond van ongeschreven Koninkrijksrecht beschikt het land over het recht om eenzijdig te kunnen bepalen om de rechtsorde van het Koninkrijk te verlaten. De keuze voor onafhankelijkheid moet wel op een met voldoende democratische waarborgen omgeven wijze tot stand komen. De implementatie van een dergelijk (eenzijdig) besluit zal in overeenstemming met de andere landen van het Koninkrijk moeten plaatsvinden. Deze implementatie, die wijziging van het Statuut zal vergen, kan de verwezenlijking van onafhankelijkheid echter niet in de weg staan.
Op welke termijn zouden gesprekken plaats kunnen gaan vinden ten aanzien van de onafhankelijkheid van Sint Maarten? Bent u bereid om, naar aanleiding van de breed gedragen petitie van de Staten van Sint Maarten, het voortouw te nemen voor een dergelijk gesprek?
De vraag op welke termijn met Sint Maarten gesprekken over onafhankelijkheid kunnen worden gestart, is niet aan de orde en sowieso niet aan mij. Uit de aard der zaak volgt dat het initiatief hiertoe bij Sint Maarten zelf zou moeten liggen. Ik ben dan ook niet bereid het voortouw hierin te nemen.
Het gebrek aan maatregelen tegen de gezondheidsrisico’s van de geitenhouderij |
|
Eva van Esch (PvdD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat al zeker tien jaar bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend is dat omwonenden binnen een straal van twee kilometer van een geitenhouderij 40 tot 60% meer risico lopen om longontstekingen te krijgen, aangezien dit naar voren is gekomen bij onderzoeken in 2011, 2016, 2017 en 2019?1, 2, 3, 4
In opdracht van het kabinet wordt sinds 2009 onderzoek uitgevoerd naar de effecten van veehouderij op de gezondheid van omwonenden. Het programma Veehouderij en Gezondheid is erop gericht meer kennis te krijgen over de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Het programma bestaat uit verschillende deelonderzoeken. Het eerste onderzoek «Intensieve Veehouderij en Gezondheid» (IVG) richtte zich op de vraag of er ziekten waren die in de omgeving van de veehouderijen vaker voorkwamen dan daarbuiten. Daarna startte het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). Sinds januari 2018 is het programma Veehouderij en Gezondheid en Omwonenden III (VGO-III) gestart.
De Kamer is steeds geïnformeerd bij publicatie van rapporten over dit onderzoek.5, 6, 7, 8
In het IVG onderzoek (2011) is voor het eerst aangetoond dat er een verhoogd risico op longontsteking is voor omwonenden van intensieve veehouderijen (1). Dit effect werd met name gezien rondom geitenhouderijen en pluimveehouderijen. De gevonden associatie was deels gerelateerd aan de Q-koortsuitbraak.
In het eerste VGO rapport (2016) is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Dit onderzoek toonde aan dat er ook na de Q-koortsuitbraak (2007–2010) nog steeds meer longontstekingen in het onderzoeksgebied (Noord-Brabant en Limburg) voorkwamen dan in het controlegebied, maar het verschil wel kleiner is geworden (2). In juni 2017 kwam het tweede VGO rapport «aanvullende studies» uit. Een aantal resultaten zijn met dit rapport extra bevestigd. Rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. De onderzoekers zien deze toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de aanwezigheid van geitenbedrijven is gemiddeld over de jaren 2009–2013 ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten met longontsteking in het hele gebied (3). Binnen het gebied was het risico op longontsteking duidelijk hoger bij omwonenden binnen een straal van 2 km van een geitenstal (29% hoger).9
In 2019 is een laatste rapport uitgekomen waarin het eerdere onderzoek is uitgebreid met een onderzoeksgebied met intensieve veehouderij in Utrecht, Gelderland en Overijssel en een controlegebied met geen/weinig intensieve veehouderij (verspreid over het hele land). Uit dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat er in plattelandsgemeenten met veel intensieve veehouderij meer longontstekingen voorkomen. Dit heeft waarschijnlijk meerdere oorzaken, waarvan de nabijheid van veehouderijen er mogelijk één is. In het onderzoeksgebied in Utrecht, Gelderland en Overijssel is dit ongeveer 1.800 patiënten per 100.000 inwoners. Dat komt neer op een verschil van 40% na correctie voor leeftijdsopbouw, geslacht en andere factoren die van invloed kunnen zijn. Longontsteking komt in Utrecht, Gelderland en Overijssel iets minder vaak voor dan in het eerdere VGO-onderzoeksgebied in Noord-Brabant en Limburg. In het VGO-gebied hebben ongeveer 1.900 patiënten per 100.000 inwoners een longontsteking. Dat komt neer op een gecorrigeerd verschil van 50–60% ten opzichte van het controlegebied.
Het verband is sterker als mensen dichter bij een geitenhouderij wonen. Mensen die in het onderzoeksgebied binnen twee kilometer van een geitenhouderij wonen, hadden gemiddeld een 25% hogere kans op longontsteking dan mensen die in hetzelfde gebied op meer dan 2 km van een geitenhouderij wonen.
Het is onduidelijk waardoor de extra longontstekingen worden veroorzaakt. In theorie kan dat door specifieke ziekteverwekkers die van dieren afkomstig zijn (zoönosen), of doordat mensen gevoeliger voor longontsteking worden door de blootstelling aan stoffen die bij veehouderijbedrijven vrijkomen, zoals fijnstof, endotoxines (onderdelen van micro-organismen) en ammoniak.10
Kunt u bevestigen dat dit gaat om in totaal 1,7 miljoen Nederlanders?
Het aantal van 1,7 miljoen is naar schatting het aantal inwoners dat binnen een straal van 2 km van een geitenbedrijf woont.11
Heeft u vernomen dat een microbioloog en zoönose-expert van het RIVM vermoedt dat deze longontstekingen worden veroorzaakt door een nieuwe zoönose, een van dier op mens overdraagbare ziekte?5
In het betreffende artikel wordt de coördinerend onderzoeker van het VGO-III programma van het RIVM aangehaald, die in een interview heeft gezegd dat het mogelijk om een nieuwe zoönose zou kunnen gaan. Dit is een hypothese, die niet bevestigd is door onderzoeksresultaten.13 Er komt meer longontsteking voor bij omwonenden van geitenhouderijen, de oorzaak hiervoor wordt op dit moment onderzocht. Als de oorzaak bekend is wordt gekeken welke risicoreducerende maatregelen genomen kunnen worden.
Kunt u bevestigen dat u na het verschijnen van het laatste onderzoeksrapport in 2019 het volgende vervolgonderzoek heeft aangekondigd, dit keer naar de oorzaak van de verhoogde ziektedruk rond geitenhouderijen, en dat u dit onderzoek afwacht om te bepalen of maatregelen nodig zijn?
Het onderzoeksprogramma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III bestaat uit een serie vervolgonderzoeken, die erop gericht zijn om meer inzicht te verkrijgen in de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking rondom geitenhouderijen. Een van deze vervolgonderzoeken betrof het rapport «Longontsteking in de nabijheid van geitenhouderijen in Gelderland, Utrecht en Overijssel», wat in 2019 is afgerond en op 24 april 2020 naar uw Kamer is verstuurd (Kamerstuk 28 973, nr. 237). Andere vervolgonderzoeken binnen VGO-III zijn in gang gezet in 2019. Op 9 maart 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze vervolgonderzoeken (Kamerstuk 28 973, nr. 241). Het kabinet laat deze vervolgonderzoeken uitvoeren om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. De afgelopen jaren hebben diverse provincies (Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Holland) vanuit het voorzorgsprincipe een moratorium ingesteld om uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen tijdelijk tegen te gaan. De bevoegdheid hiervoor ligt bij de provincies. Het kabinet ondersteunt deze maatregelen (Kamerstuk 28 973, nr. 237, 24 april 2020).
Kunt u bevestigen dat dit onderzoek is vertraagd en pas eind 2024 is afgerond?6
In de Kamerbrief van 9 maart jl. (Kamerstuk 28 973, nr. 241) is aangegeven dat de planning van de vervolgonderzoeken een flinke vertraging oploopt wegens de COVID-19 crisis en dat het totale VGO-III onderzoek daarom pas in 2024 zal worden afgerond. VGO-III bestaat uit een serie onderzoeken, waaronder twee epidemiologische analyses van huisartsengegevens, een retrospectieve en prospectieve patiëntenstudie, een onderzoek bij geitenhouders en een onderzoek op geitenhouderijen. De belangrijkste reden dat het onderzoek vertraging oploopt is dat er momenteel in heel Nederland veel minder patiënten met longontsteking worden gezien door huisartsen dan in voorgaande jaren in dezelfde periode. Dit heeft vermoedelijk te maken met de COVID-19 maatregelen. De inclusie van patiënten in de huisartsenstudie verloopt dus zeer traag. Daarnaast treedt vertraging op doordat het veldwerk (bedrijvenbezoek) momenteel geen doorgang kan vinden door aangescherpte COVID-maatregelen.
Herinnert u zich dat het feit dat het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wilde afwachten tot er sluitend wetenschappelijk bewijs was voor de oorzaak-gevolg relatie, nou juist één van de belangrijkste redenen is geweest dat de Q-koortsepidemie zo lang heeft kunnen voortduren en zoveel slachtoffers heeft kunnen maken voordat is ingegrepen?
Zoals in de kabinetsreactie op de evaluatie van de Q-koorts epidemie op de commissie van Dijk is aangegeven ging het bij Q-koorts om een vraagstuk waarbij veel onduidelijk was.15 Betrokken partijen hebben een gezamenlijk leerproces doorlopen, zowel wetenschappelijk, bestuurlijk als in de uitvoering. Bij de afweging van het al dan niet inzetten van maatregelen heeft de volksgezondheid altijd voorop gestaan, maar steeds bleef het moeilijk om in te schatten of een maatregel het gewenste effect voor de volksgezondheid zou hebben.
Waaruit blijkt dat het voorzorgsbeginsel voor u nu wel voorop staat?
De afgelopen jaren hebben diverse provincies (Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Utrecht, Overijssel, Zuid-Holland en Noord-Holland) vanuit het voorzorgsprincipe een moratorium ingesteld om uitbreidingen en/of nieuwvesting van geitenhouderijen tijdelijk tegen te gaan. De bevoegdheid hiervoor ligt bij de provincies. Het kabinet heeft eerder aangegeven dit door de provincies ingezette beleid te ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 237, 24 april 2020). Omdat de oorzaak voor de verhoogde kans op longontsteking niet bekend is, kunnen nog geen gerichte, effectieve maatregelen worden getroffen op nationaal niveau.
Bent u op de hoogte van het feit dat het aantal geiten in de Nederlandse veehouderij na de Q-koortsepidemie tussen 2007 en 2020 bijna is verdubbeld van zo’n 320.000 naar ruim 630.000 geiten en dat deze aantallen zelfs zijn toegenomen in provincies die een «geitenstop» hebben afgekondigd vanwege de risico’s voor de volksgezondheid?
Volgens cijfers van het CBS gaat het inderdaad bijna om een verdubbeling van het landelijk aantal geiten in 12 jaar tijd.16 Sinds het invoeren van beperkende maatregelen op provincie-niveau is de toename veel minder. De stijging was 7,5% landelijk van 2018 tot 2020. De beperkende maatregelen werden ingevoerd in 2017 in Noord-Brabant, Gelderland en in 2018 in Overijssel en Limburg, Z- en N-Holland. Sinds deze moratoria zijn ingesteld is het aantal melkgeiten nog licht toegenomen op basis van vergunningen, die nog voor de verboden waren afgegeven.
Bent u op de hoogte van het feit dat dit aantal nog altijd verder kan groeien zolang er voor geiten geen zogenaamd productierechtenstelsel wordt ontwikkeld dat een grens stelt aan het aantal dieren in een bepaalde sector, zoals dit wel bestaat voor de varkenshouderij, pluimveehouderij en melkveehouderij?
De omvang van de melkvee-, varkens- en pluimveehouderij worden begrensd door het stelsel van productierechten uit de Meststoffenwet. Invoering van een productierechtenstelsel in de geitenhouderij is mogelijk, maar dan moet ook gekeken worden naar de grondslag. Daartoe kunnen ook de resultaten van het lopende onderzoek gebruikt worden.
Heeft u vernomen dat er nertsenfokkers zijn die nu geiten willen gaan aanschaffen om geitenmelk te gaan produceren, nu het fokken met nertsen is verboden, zoals in Rinsumageest (Friesland), waar de provinciale geitenstop is opgeheven?7
Er zijn berichten in de pers geweest dat nertsenfokkers over willen gaan op het houden van geiten. Het houden van nertsen is vanaf januari 2021 verboden. Voormalig nertsenhouders staat het uiteraard vrij om zich te oriënteren op de toekomst. Daar valt ook het starten van een nieuw bedrijf onder. Een eigenaar dient daarbij vanzelfsprekend aan alle regelgeving – lokaal, regionaal, nationaal en Europees – te voldoen. Het instellen van een moratorium is de bevoegdheid van de provincie. In de provincies Noord-Brabant, Limburg en Gelderland, waar de meeste nertsenhouders zaten, is een moratorium ingesteld.
Is het bij u of ambtenaren van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bekend of er tevens plannen zijn om een nieuwe megastal met bijna 2.000 geiten te gaan bouwen bij een woonwijk in Boijl (Friesland), op 200 meter afstand van woonhuizen?8
De vergunningverlening voor het bouwen van een nieuwe stal betreft een provinciale/lokale bevoegdheid, waar de rijksoverheid niet bij betrokken is. In Friesland is geen «geitenstop» ingesteld. In algemene zin geldt dat er een «Handreiking Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» is opgesteld. Deze handreiking is bedoeld om het bevoegd gezag te ondersteunen in de besluitvorming over veehouderijen in relatie tot de gezondheid van omwonenden.19 De GGD heeft, in gevallen dat er mogelijk een verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat, een rol als adviseur naar het bevoegd gezag. De handreiking bevat een stroomschema, waaruit volgt in welke gevallen er een GGD-advies moet worden opgevraagd. In het geval van de ontwikkeling van een geitenhouderij, waarbij zich binnen een straal van 2 kilometer woon- en verblijfsruimten van derden bevinden (waar in Boijl volgens deze berichtgeving sprake van is), moet door het bevoegd gezag een GGD-advies worden opgevraagd. Dit advies wordt door het bevoegd gezag vervolgens meegenomen in haar afwegingen.
In 2011 is door GGD Nederland het standpunt naar buiten gebracht dat bij planontwikkeling (nieuwe huizen/gevoelige bestemmingen of nieuwe veehouderijen) bij voorkeur een afstand van minimaal 250 meter wordt aangehouden tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen. Naar aanleiding van de resultaten van het VGO-onderzoek is de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen (inclusief burgerwoningen) vergroot naar 2 kilometer. De handreiking beschrijft dat het voorzorgsprincipe hier leidend dient te zijn.
Is het bij u of ambtenaren van uw ministerie bekend dat in de gemeente Enkhuizen onlangs, ondanks jarenlange bezwaren van onder andere het college vanwege verhoogde gezondheidsrisico’s, een omgevingsvergunning is afgegeven voor de komst van een nieuwe megastal met 2.000 geiten vlak naast een woonwijk?9
Zie het antwoord op de vorige vraag; de vergunningverlening betreft een provinciale/lokale bevoegdheid waar de rijksoverheid niet bij betrokken is. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Enkhuizen voeren in deze casus het bevoegd gezag. Het initiatief was op moment van indienen van de vergunningaanvraag niet in strijd met de op dat moment geldende Provinciale Ruimtelijke Verordening. Dit betreft een nog lopende procedure. Recent zijn hier vragen over beantwoord op Provinciaal niveau.21
Wat vindt u van het feit dat de Minister van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit niets doet om deze explosieve groei van de geitenhouderij te stoppen?
De groei van de geitenhouderij lijkt op basis van de meest recente cijfers van het CBS af te vlakken (zie ook het antwoord op vraag 8). Diverse provincies hebben naar aanleiding van de resultaten van het VGO-onderzoek op basis van het voorzorgsprincipe moratoria ingesteld voor uitbreiding of nieuwvesting van geitenhouderijen. De bevoegdheid voor dergelijke maatregelen ligt bij de provincies. Het kabinet heeft eerder aangegeven dit door de provincies ingezette beleid te ondersteunen (Kamerstuk 28 973, nr. 241). Daarnaast laat het kabinet vervolgonderzoeken uitvoeren naar de oorzaak van het verhoogde risico op longontsteking voor omwonenden van geitenhouderijen. Het kabinet laat deze vervolgonderzoeken uitvoeren om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen.
Hoe voelt het voor u om politiek verantwoordelijk te zijn voor de gezondheidsrisico’s die hieruit voortkomen, wetende dat Nederland volgens deskundigen nog steeds niet is voorbereid op een nieuwe uitbraak van een dierziekte die op mensen overdraagbaar is?
Ik neem deze verantwoordelijkheid zeer serieus. Om die reden is er ook staand beleid gericht op het voorkomen van een nieuwe uitbraak van een zoönose en wordt dit beleid, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 12 februari jl. (Kamerstuk 25 295, nr. 990) verder versterkt. Daarvoor verkennen we parallel aan de analyse die de expertgroep zoönosen uitvoert hoe de inzet in Europees en mondiaal verband kan worden geïntensiveerd en zetten we in op extra onderzoek. Bovendien evalueren we de zoönosenstructuur naar aanleiding van SARS-CoV-2 onder nertsen. Voor de zomer informeert het Kabinet de Kamer over de uitkomsten van deze trajecten.
Heeft u de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ooit gewaarschuwd voor deze risico’s en gevraagd om een einde te maken aan de groei van de geitenhouderij? Zo ja, wat was haar reactie? Zo nee, waarom niet?
De reeds uitgevoerde onderzoeken binnen het VGO-programma benadrukken het belang van inzicht in de oorzaak van het verhoogde risico op het oplopen van een longontsteking voor mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen (Kamerstuk 28 973, nr. 240). Met de vervolgonderzoeken binnen VGO-III laat het kabinet onderzoek uitvoeren naar die oorzaak, om uiteindelijk risicoreducerende maatregelen te kunnen nemen. De Ministeries van VWS en LNV trekken hierin samen op.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat de provinciale geitenstops ook in andere provincies worden opgeheven, nu het onderzoek «Veehouderij en Gezondheid Omwonenden» pas eind 2024 zal worden afgerond?
Het instellen, opheffen of verlengen van een dergelijk moratorium is een bevoegdheid van de provincie, de rijksoverheid heeft hier geen zeggenschap over. De rijksoverheid heeft via een opdrachtgeversoverleg regelmatig contact met de onderzoekers, betrokken provincies en de geitensector. De provincies worden steeds geïnformeerd over de voortgang van het onderzoek en betrokken in de communicatie met de onderzoekers.
Bent u bereid om te besluiten om per direct een absolute stop in te stellen op de uitbreiding van geitenstallen en de komst van nieuwe geitenstallen? Zo nee, waarom niet?
De bevoegdheid tot het instellen van een moratorium om de nieuwvesting en/of uitbreiding van geitenstallen tegen te gaan ligt bij de provincies. Diverse provincies hebben op basis van de resultaten van het VGO-onderzoek vanuit het voorzorgsprincipe maatregelen ingesteld. Zoals in de voorgaande antwoorden aangegeven, ondersteunt het kabinet deze maatregelen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Bij deze ontvangt u de antwoorden.
Het bericht dat het CBS toegang kreeg tot privacygevoelige locatiedata van klanten van T-Mobile |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Bas van 't Wout (VVD), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Hoe het CBS en T-Mobile de privacy schonden»?1
Ja.
Wat is uw reactie op deze berichtgeving, die erop wijst dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) jarenlang toegang had tot gevoelige locatiegegevens van klanten van T-Mobile?
Het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens doen op dit moment als toezichthouders samen onderzoek naar aanleiding van het NRC-artikel. In dit onderzoek wordt bekeken wat er precies gebeurd is en of daarbij privacyregels zijn geschonden. De resultaten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht alvorens hierop een reactie kan worden gegeven.
Klopt het dat medewerkers van het CBS toegang hadden tot verkeersgegevens voor facturering van T-Mobile klanten, waarmee kan worden achterhaald wie wanneer op welke locatie was en met wie men contact had?
Het is aan de toezichthouders het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens om dit te beoordelen. Volgens het CBS heeft het geen toegang gehad tot individuele klantgegevens van personen. Het CBS en T-Mobile hebben aangegeven dat het CBS inzicht heeft gehad in gegevens die niet herleidbaar zijn tot klanten en dat de gegevens waar het om gaat geen exacte plaatsbepaling aangeven. Dit neemt niet weg dat er toch vragen zijn gerezen over het verstrekken van gegevens van T-Mobile aan het CBS. Daarom is er een onderzoek ingesteld door het Agentschap Telecom daarin bijgestaan door de Autoriteit Persoonsgegevens.
In hoeverre zijn dergelijke verkeers- en factureringsgegevens te beschouwen als anonieme datasets?
Verkeers- en factureringsgegevens zijn te beschouwen als persoonsgegevens en dus niet anoniem.
Welke definitie hanteert u van gepseudonimiseerde persoonsgegevens in dit verband? Zijn gegevens van telecommunicatieverkeer waaruit enkel de unieke IMSI-nummers zijn verwijderd nog steeds persoonsgegevens, of niet?
De definitie die wordt gehanteerd is afkomstig uit artikel 4 lid 5 van de AVG: het verwerken van persoonsgegevens op zodanige wijze dat de persoonsgegevens niet meer aan een specifieke betrokkene kunnen worden gekoppeld zonder dat er aanvullende gegevens worden gebruikt, mits deze aanvullende gegevens apart worden bewaard en technische en organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens niet aan een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon worden gekoppeld.
Of de gegevens van het telecommunicatieverkeer na verwijdering van de IMSI-nummers nog zijn te beschouwen als persoonsgegevens hangt af van de inhoud van de resterende gegevens (maken die nog steeds herleiding tot persoon mogelijk) en kan dus niet zonder nader onderzoek beantwoord worden.
Klopt het dat CBS-medewerkers zelfs toegang hadden tot direct herleidbare persoonsgegevens, met inbegrip van IMSI-nummers?
Het CBS heeft aangeven dat de CBS-medewerkers geen IMSI-nummers hebben gezien en ook geen toegang hebben gehad tot individueel herleidbare persoonsgegevens. Het is aan de toezichthouders om hier een oordeel over te vellen.
Hoe verhoudt de samenwerking tussen het CBS en T-Mobile zich tot het voorstel voor de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM in verband met COVID-19? Is de verstrekking van de data, zoals die heeft plaatsgevonden tussen het CBS en T-Mobile, enigszins vergelijkbaar met het voorstel om informatie door te geven via het CBS aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)?
De Telecommunicatiewet maakt het de aanbieders van telecommunicatiediensten mogelijk om zonder toestemming van de gebruikers locatiegegevens te verwerken onder de voorwaarde dat deze gegevens zijn geanonimiseerd. Na de anonimisering mogen de gegevens, als de aanbieders van telecommunicatiediensten dat zouden willen, ook met derden worden gedeeld. Het CBS geeft aan dat het in de pilot ging om vrijwillig door de aanbieder ter beschikking gestelde geanonimiseerde gegevens. Voor wat betreft het gebruik van telecommunicatiedata voor de bestrijding van Covid-19 hebben diverse aanbieders verklaard hieraan alleen te willen meewerken als zij daartoe wettelijk verplicht worden. In de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM in verband met de bestrijding van Covid-19 is een dergelijke verplichting voor aanbieders opgenomen. Daarnaast zijn in het wetsvoorstel regels opgenomen over de wijze waarop de telecommunicatie-aanbieders de gegevens aan het CBS moeten leveren.
Hoe kijkt u nu naar het antwoord in de nota naar aanleiding van het verslag, waarin u schreef dat CBS-medewerkers op het kantoor van T-Mobile werkzaam waren in het kader van een pilot om te kunnen meekijken en overleggen, en dat gedurende de pilot enkel anonieme uitkomsten (tellingen) aan het CBS zijn geleverd? Deelt u de mening dat dit antwoord niet correct was? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Nee. In de nota naar aanleiding van het verslag heeft de regering opgemerkt dat het op grond van de Telecommunicatiewet toegestaan is verkeersgegevens te verwerken als deze geanonimiseerd zijn. Voorts is melding gemaakt van het feit dat het CBS heeft aangegeven dat bij de samenwerking met T-Mobile sprake is geweest van verwerking van anonieme gegevens. Dit neemt niet weg dat er vragen zijn gerezen over het verstrekken van telecommunicatiegegevens van T-Mobile aan het CBS. Daarom is er een onderzoek ingesteld door het Agentschap Telecom daarin bijgestaan door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Klopt het dat het CBS in regulier overleg met de toezichthouders heeft verzwegen toegang te hebben gehad tot niet-geanonimiseerde locatiedata van T-Mobile klanten? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Naar eigen zeggen heeft het CBS geen toegang gehad tot niet-geanonimiseerde locatiedata van T-Mobile klanten. Het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens doen op dit moment als toezichthouders samen onderzoek. In dit onderzoek wordt bekeken wat er precies gebeurd is en of daarbij privacyregels zijn geschonden. De resultaten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht.
Klopt het dat de Autoriteit Persoonsgegevens wegens tijdgebrek nog niet was toegekomen aan het bekijken van opgevraagde CBS-documenten? Deelt u de mening dat deze casus eens te meer aantoont dat een forse intensivering nodig is van de capaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens?
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft besloten nadere vragen te stellen aangaande de situatie bij het CBS in relatie tot de pilot. Het CBS heeft aan de Autoriteit Persoonsgegevens documentatie over de pilot aangeleverd. Deze aangeleverde documentatie van CBS heeft de Autoriteit Persoonsgegevens eind 2020 behandeld. Zoals hierboven benoemd, doen het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens momenteel gezamenlijk onderzoek. Uit deze gang van zaken zijn geen conclusies te trekken over de noodzaak van een capaciteitsintensivering voor de Autoriteit Persoonsgegevens.
Klopt het dat in het projectplan voor deze samenwerking staat vermeld dat medewerkers van het CBS volledige toegang zouden hebben tot gevoelige locatiedata, terwijl het contract enkel gaat over geaggregeerde gegevens?
De overeenkomst tussen het CBS en T-Mobile waarin de voorwaarden voor samenwerking zijn opgenomen, is openbaar gemaakt2. Het CBS heeft te kennen gegeven dat in het projectplan staat dat er, conform de overeenkomt, wordt gewerkt met geaggregeerde gegevens.
Hoe is het mogelijk dat het CBS, als zelfstandig bestuursorgaan, deze samenwerking is aangegaan? Op welke manier wordt binnen de organisatie getoetst of projectplannen voldoen aan de privacy-wetgeving? Hoe is het mogelijk dat niemand hierover aan de bel heeft getrokken? Bent u bereid om een extern onderzoek te starten naar de wijze waarop het CBS omgaat met privacy-vraagstukken?
Het CBS heeft als wettelijke taak om van overheidswege statistieken te produceren en te publiceren. Nieuwe maatschappelijke en technologische ontwikkelingen hebben geleid tot meer vraag naar data. Samenwerking van het CBS met wetenschap en private partijen biedt voor het CBS mogelijkheden om voor het ontwikkelen van statistieken meer inzicht te krijgen in unieke data of methoden.
Volgens het CBS en T-Mobile hebben zij zich ervan vergewist dat dit onderzoek binnen de kaders van de Telecommunicatiewet en de AVG was toegestaan. Bovendien worden jaarlijks audits door externe auditors uitgevoerd naar de taakuitoefening door het CBS, waaronder op het gebied van privacy. HetCBS heeft onlangs opnieuw het privacy certificaat «Privacy Audit Proof», dat gebaseerd is op het Privacy Control Framework, ontvangen3. Zoals eerder aangegeven neemt dit niet weg dat er vragen zijn gerezen over het verstrekken van telecommunicatiegegevens van T-Mobile aan het CBS. Daarom is er een onderzoek ingesteld door het Agentschap Telecom daarin bijgestaan door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoe beoordeelt u het feit dat het CBS, een zelfstandig bestuursorgaan, bekostigd uit de rijksbegroting, opereert op basis van een business plan dat inzet op het combineren van datasets, waarmee tientallen miljoenen euro’s per jaar kunnen worden verdiend? Vindt u dit wenselijk?
Het CBS heeft als wettelijke taak om van overheidswege statistieken te produceren en te publiceren. Om dat op een doelmatige en veilige wijze te doen, worden ook onderzoeken gedaan naar de gebruiksmogelijkheden van nieuwe databronnen. Het doel is daarbij altijd het genereren van informatie die aansluit bij de maatschappelijke behoefte. Alle uitkomsten en methoden worden openbaar gemaakt.
Het CBS ontvangt ieder jaar een lumpsumbijdrage van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat voor de uitvoering van het werkprogramma, waaruit onder andere de verplichte Europese statistieken worden bekostigd. Hiernaast kunnen overheden, vanuit hun eigen begrotingen, het CBS verzoeken om aanvullende statistische dienstverlening. Hiervoor brengt het CBS de integrale kostprijs in rekening conform artikel 5 van de Beleidsregel taakuitoefening CBS. Het CBS heeft geen winstoogmerk, maar moet de kosten voor dienstverlening waar de bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat niet in voorziet, wel in de vorm van een integrale kostprijs aan zijn opdrachtgevers doorberekenen om te voorkomen dat er sprake is van oneerlijke concurrentie met private statistische dienstverleners. Het is van belang dat het handelen van het CBS niet leidt tot marktverstorend gedrag. Om duidelijkheid te scheppen over de rolverdeling tussen private statistische dienstverleners en het CBS, zijn sinds 1 juli 2020 de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS in werking getreden.
Vindt u het wenselijk dat het CBS contracten aangaat met private bedrijven waar toegang tot gevoelige gegevens als het ware wordt uitgewisseld tegen het leveren van algoritmen waar die private bedrijven dan weer van kunnen profiteren? In hoeverre is dit verenigbaar met de publieke taak van het CBS?
De mogelijkheid van samenwerking met private bedrijven is wenselijk om het CBS in staat te kunnen stellen te voldoen aan zijn wettelijke taak om van overheidswege statistieken te produceren en te publiceren ten behoeve van praktijk, beleid en wetenschap. De algoritmen en andere kennis die uit dergelijke samenwerkingen voortvloeien, worden altijd publiekelijk beschikbaar gesteld, zodat ook anderen, zoals bedrijven, overheden of onderzoeksinstellingen daarvan gebruik kunnen maken. Op de website van het CBS is een overzicht van innovatieve projecten te vinden4.
In hoeverre zijn de nationale statistiekbureaus in andere Europese landen op een vergelijkbare wijze ingericht, waarbij zij zich op de markt begeven als ontwikkelaar van algoritmen?
Het CBS begeeft zich niet op de markt voor algoritmen. Het CBS ontwikkelt algoritmen die het nodig heeft voor zijn wettelijke taak en stelt deze vervolgens publiekelijk beschikbaar.
Deelt u de strekking van het artikel dat het CBS zich op de markt nadrukkelijk profileert als een betrouwbare partij, vanwege haar banden met de overheid, om zo marktvoordeel te behalen ten opzichte van concurrenten?
Overheidspartijen kunnen voor statistische informatie die ze nodig hebben bij de uitvoering van hun publieke taak bij het CBS terecht. Voor dergelijke werkzaamheden brengt het CBS de integrale kostprijs in rekening. Het CBS verricht daarnaast incidenteel werkzaamheden voor derden (private partijen). Tegen deze achtergrond, heeft het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat signalen ontvangen dat marktpartijen en het CBS elkaar op de markt voor statistische diensten steeds vaker tegenkomen. Er is onduidelijkheid ontstaan of het CBS de aangewezen partij is om een statistische opdracht te leveren, of dat dit aan een marktpartij moet worden overgelaten. Hiertoe zijn sinds 1 juli 2020 de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS in werking getreden. Deze regelgeving heeft tot doel meer duidelijkheid te scheppen over de rolverdeling tussen private statistische dienstverleners en het CBS. Het CBS richt zich daarvoor zichtbaarder op zijn kerntaken en heeft bij het leveren van aanvullende diensten of het uitvoeren van innovatieve projecten permanent aandacht voor de belangen van marktpartijen. In 2022 worden de effecten van de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS geëvalueerd.
Deelt u de strekking van het artikel dat zowel T-Mobile als het CBS misleidend zijn geweest in hun externe communicatie over dit samenwerkingsproject door te benadrukken dat het alleen zou gaan om anonieme geaggregeerde data, ook toen men al wist dat er ook met ruwe locatiedata was gewerkt?
Het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens doen op dit moment als toezichthouders samen onderzoek. In dit onderzoek wordt bekeken wat er precies gebeurd is en of daarbij privacyregels zijn geschonden. De resultaten van dit onderzoek zullen moeten worden afgewacht.
Herkent u het beeld dat wordt geschetst van bedrijven en onderzoekers die pogen om de coronacrisis aan te wenden om toegang tot gegevens te verkrijgen op een manier die eerder niet mogelijk was? Zo ja, wat vindt u van deze trend?
Dergelijke signalen hebben het kabinet niet bereikt. Indien dit wel het geval zou zijn, is dat natuurlijk zorgwekkend. De coronacrisis mag niet worden misbruikt om op oneigenlijke wijze toegang tot eerder ontoegankelijke gegevens te verkrijgen.
Kunt u een overzicht geven van alle vergelijkbare contracten die het CBS heeft met private bedrijven rond toegang tot klantgegevens en de ontwikkeling en levering van algoritmen?
Als Minister van Economische Zaken en Klimaat ben ik politiek verantwoordelijk voor de wetgeving omtrent het CBS en het budget. Het CBS is een zelfstandig bestuursorgaan en derhalve niet hiërarchisch ondergeschikt aan de Minister. Dit brengt met zich mee dat ik geen aanwijzingen aan het CBS kan geven op dossierniveau en dat ik ook niet van alle individuele contracten die het CBS sluit op de hoogte word gesteld. Op de website van het CBS staat een overzicht van innovatieve projecten en de resultaten daarvan, die zich soms in publiekelijk toegankelijke algoritmen vertalen5.
Het bericht ‘Hoe het CBS en T-Mobile de privacy schonden’ |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe het CBS en T-Mobile de privacy schonden»?1
Ja.
Bent u bekend met de nog niet beantwoorde Kamervragen over het niet naleven van de wet en het grootschalig en onrechtmatig verzamelen van persoonsgegevens door overheidsinstanties zoals de Belastingdienst, het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), de politie, Defensie, inlichtingendiensten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV?2
Deze vragen zijn bekend en inmiddels beantwoord door de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Defensie en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Wist u van het grote datacontract tussen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en T-Mobile uit 2017? Zo ja, sinds wanneer wist u dit en waarom is de Kamer niet geïnformeerd? Zo nee, hoe is het mogelijk dat u hier niets van afwist?
Voor de volledigheid, het ging om een pilot waarvan de resultaten door het CBS bekend zijn gemaakt op hun website3. Als Minister van Economische Zaken en Klimaat ben ik politiek verantwoordelijk voor de wetgeving omtrent het CBS en het budget. Het CBS is een zelfstandig bestuursorgaan en derhalve niet hiërarchisch ondergeschikt aan de Minister. Dit brengt met zich mee dat ik geen aanwijzingen aan het CBS kan geven op dossierniveau en dat ik ook niet van alle individuele contracten die het CBS sluit op de hoogte word gesteld. Hierdoor ligt het dus niet voor de hand dat ik van tevoren op de hoogte word gesteld van een dergelijke samenwerking tussen T-Mobile en het CBS. Het publicatiebeleid en de methoden waarmee de statistieken gemaakt worden, vallen onder de eigen verantwoordelijkheid van de DG CBS. Directe politieke invloed op de onderzoeksmethoden en de wijze van publicatie van de resultaten van statistieken zou de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de onderzoeken ter discussie kunnen stellen.
Wist u dat het CBS op grote schaal werkte met direct en indirect herleidbare locatiegegevens van miljoenen burgers? Wat heeft u gedaan met signalen en zorgen dat het verzamelen van data via T-Mobile strijdig was met privacywetgeving? Wanneer zijn de eerste stappen ondernomen?
Het CBS heeft naar eigen zeggen geen toegang gehad tot individuele klantgegevens van personen. De onderzoeksgegevens zouden, aldus het CBS, niet direct of indirect herleidbaar zijn naar personen en het betroffen evenmin direct of indirect herleidbare locatiegegevens van personen. In het artikel van NRC wordt gesteld dat de CBS-medewerkers mogelijk toegang hebben gehad tot verkeersgegevens van klanten van T-Mobile. Het Agentschap Telecom heeft besloten naar aanleiding hiervan een onderzoek in te stellen, bijgestaan door de Autoriteit Persoonsgegevens. Over het onderzoek kunnen op dit moment geen uitlatingen worden gedaan. Het is aan het oordeel van de toezichthouders het Agentschap Telecom en de Autoriteit Persoonsgegevens of deze pilot voldeed aan de wettelijke privacy-eisen.
Wat vindt u van de opportunistische handelwijze van T-Mobile, inclusief het verzwijgen van activiteiten en het openlijk bepleiten van terughoudendheid met commercieel datagebruik?
Met deze vraag doelt de heer Verhoeven vermoedelijk op de door hem vermeende tegenstelling in de houding van T-Mobile over de CBS-pilot en de kritische houding van T-Mobile over de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM. Ik vind het echter niet aan mij om hier namens de regering een uitspraak over te doen.
Wat is de stand van zaken van de Tijdelijke wet informatieverstrekking RIVM in verband met COVID-19 (Kamerstuk 35 479)? Klopt het dat het kabinet deze wet heeft stilgelegd dan wel ingetrokken na brede kritiek binnen en buiten de Kamer over de negatieve gevolgen voor de privacy van miljoenen mensen?
De behandeling van het wetsvoorstel ligt momenteel stil omdat de Tweede Kamer het wetsvoorstel controversieel heeft verklaard (zie Besluitenlijst extra-procedurevergadering commissie EZK groslijst controversieel verklaren) op 26 januari 2021.
Deelt u de zorgen van de voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) dat met zulke zeer grote datasets het risico bestaat dat met het combineren van de locatiegegevens achterhaald kan worden wie bij welke locatiegegevens hoort en het risico bestaat dat we een surveillancemaatschappij optuigen?
Ik deel de constatering van de voorzitter van de Autoriteit Persoonsgegevens dat het gebruik van grote datasets risico’s met zich meebrengt en dat het van evident belang is nut, noodzaak en risico’s van gebruik te wegen en risico’s met adequate maatregelen te adresseren.
Welke andere CBS-proefprojecten met grootschalige dataverzameling lopen er?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 ben ik niet op de hoogte van alle individuele contracten die het CBS sluit, waaronder alle proefprojecten met grootschalige dataverzameling. Op de website van het CBS zijn het meerjarenprogramma en jaarplan van het CBS te vinden. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 ben ik niet op de hoogte van alle individuele contracten die het CBS sluit, waaronder alle proefprojecten met grootschalige dataverzameling. Op de website van het CBS zijn het meerjarenprogramma en jaarplan van het CBS te vinden4, en een overzicht van de omschrijvingen van de onderzoeken die het CBS verricht5, en een overzicht van de omschrijvingen van de onderzoeken die het CBS verricht.
Zijn alle CBS-proefprojecten met grote dataverzamelingen inmiddels geheel stopgezet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 8 ben ik niet op de hoogte van alle individuele contracten die het CBS sluit, waaronder alle proefprojecten met grootschalige dataverzameling.
Welke persoonsgegevens verzamelt, koppelt of verwerkt het CBS momenteel allemaal?
Het CBS koppelt en verwerkt persoonsgegevens uit alle beschikbare overheidsregistraties. Het gaat onder meer om informatie van de Belastingdienst, het UWV en de BRP (bevolkingsadministratie). Dit gebeurt allemaal conform de CBS-wet en met inachtneming van de AVG en andere wettelijke voorschriften. Voor zover noodzakelijk vraagt het CBS daarnaast gegevens direct uit bij bedrijven en burgers via enquêtes. Een overzicht van bronnen en gegevens is te vinden in de algemene bronnencatalogus6.
Welke overige informatie verzamelt het CBS momenteel allemaal?
Op de website van het CBS zijn de bronnen waarmee het CBS informatie verzamelt, weergegegeven. De website van het CBS biedt beschrijvingen van de onderzoeken die het CBS verricht en de statistische methoden die het CBS daarbij gebruikt7.
Is het CBS wel de «veilige haven» voor data die het zegt te zijn? Voldoet het CBS aan alle eisen van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)?
Daar ga ik in beginsel vanuit. De CBS-wet bevat waarborgen voor de gegevensbescherming en het CBS voldoet naar eigen zeggen ook aan de AVG. Bovendien worden jaarlijks audits door externe auditors uitgevoerd naar de taakuitoefening door het CBS, waaronder op het gebied van privacy. HetCBS heeft onlangs opnieuw het privacy certificaat «Privacy Audit Proof», dat gebaseerd is op het Privacy Control Framework, ontvangen8.Dit neemt niet weg dat er vragen zijn gerezen over het verstrekken van telecommunicatiegegevens van T-Mobile aan het CBS. Daarom is er een onderzoek ingesteld door het Agentschap Telecom daarin bijgestaan door de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoe beoordeelt u het verzwijgen van het datacontract door CBS en T-Mobile tegenover het Agentschap Telecom?
Het CBS heeft aangegeven dat het proactief met het Agentschap Telecom in contact is getreden. Op 21 mei 2019 is volgens het CBS met het Agentschap Telecom gesproken over de pilot. Daarnaast heeft het CBS aangegeven de Autoriteit Persoonsgegevens medio 2020 te hebben geïnformeerd over de pilot.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat met overheidsgeld een lucratief algoritme zou worden ontwikkeld dat ook een private contractpartner kon gaan gebruiken?
Het CBS ontwikkelt, in sommige gevallen samen met private partners, algoritmen die het nodig heeft voor de uitoefening van zijn wettelijke taak en stelt deze vervolgens publiekelijk beschikbaar, zoals het CBS dat altijd doet met alle producten die het ontwikkelt. Het staat alle partijen, dus ook private partijen, vrij gebruik te maken van deze producten.
Welke stappen onderneemt u tegen de oneerlijke concurrentie met het publiek gefinancierde CBS dat ten koste gaat van bedrijven als Mezuro?
Overheidspartijen kunnen voor statistische informatie die ze nodig hebben bij de uitvoering van hun publieke taak bij het CBS terecht. Aangezien het CBS en marktpartijen elkaar steeds vaker tegenkomen op de markt voor statistische diensten, zijn sinds 1 juli 2020 de Beleidsregel taakuitoefening CBS en de Regeling werkzaamheden derden CBS in werking getreden. Deze regels beogen meer duidelijkheid te scheppen over de rolverdeling tussen private statistische dienstverleners en het CBS, alsmede een relatieverbetering tussen het CBS en een aantal marktpartijen en brancheverenigingen te faciliteren, zodat meer kansen voor productieve samenwerking benut worden. Het CBS richt zich daarvoor zichtbaarder op zijn kerntaken en heeft bij het leveren van aanvullende diensten of het uitvoeren van innovatieve projecten permanent aandacht voor de belangen van marktpartijen. Deze regelingen zullen twee jaar na inwerkingtreding (in 2022) worden geëvalueerd.
Kunt u de vragen beantwoorden voor dinsdag 16 maart 2021?
Het is niet gelukt om de beantwoording voor 16 maart naar de Tweede Kamer te versturen.
Het Ierse plan om dit voorjaar tienduizenden kalfjes op het vliegtuig te zetten naar Nederland |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de plannen van de Ierse autoriteiten om dit voorjaar tienduizenden jonge kalfjes op het vliegtuig te zetten naar Nederland?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Heeft u gezien dat dit plan voortkomt uit de kritiek op de verschrikkelijke diertransporten via boot en vrachtwagen die wel veertig uur kunnen duren, waarbij de piepjonge dieren, die nog afhankelijk zijn van melk, alleen toegang hebben tot water via drinknippels die ze vaak niet kennen?
De Ierse autoriteiten en de Ierse sector zijn op zoek naar alternatieven voor de lange transporten van kalveren die deels over de weg en deels met de veerboot worden afgelegd.
Deelt u de mening dat dit een bizar en onzalig plan is dat opnieuw zeer veel dierenleed met zich mee zal brengen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn zijn er zeker vraagtekens te zetten bij het plan om de duizenden kalveren die ieder jaar over de weg en met de veerboot uit Ierland worden vervoerd, in de toekomst met het vliegtuig naar Nederland te vervoeren. Ook al is de vluchtreis relatief kort, de kalveren moeten vanuit de melkveebedrijven en verzamelplaatsen in Ierland naar het vliegveld worden vervoerd en na de vlucht moeten ze vanaf een vliegveld in Nederland per wegtransport naar de bedrijven van bestemming. Dit past niet bij mijn inzet om ongespeende dieren, zoals deze jonge kalveren, alleen over korte afstanden te vervoeren. Daarnaast zijn er zorgen over de extra stressfactoren voor deze jonge dieren, zoals de laad- en losmomenten en onbekende geluiden, geuren en bewegingen die bij vliegverkeer horen.
Deelt u de mening dat het – ook vanuit klimaatoogpunt – volstrekt onverantwoord is om levende kalfjes naar Nederland te vliegen om ze hier vet te mesten en vervolgens na zes tot negen maanden als stukjes kalfsvlees weer naar China te vliegen? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Vanuit klimaatoogpunt is het plan om de Ierse kalveren voortaan met het vliegtuig te vervoeren geen goed idee.
Heeft u gezien dat Ierland met deze «oplossing» ook u tegemoet denkt te komen, omdat Nederland, als importeur van zo’n 80.000 Ierse kalfjes per jaar, geldt als een cruciale afzetmarkt voor de kalfjes uit de Ierse melkveehouderij?
Dat kan uit de berichtgeving worden afgeleid. Het is echter geenszins het geval dat ik om de overstap naar vervoer met het vliegtuig heb verzocht.
Heeft u de Ierse autoriteiten al kenbaar gemaakt dat het transport van zeer jonge kalfjes per vliegtuig voor Nederland niet acceptabel is? Zo nee, waarom niet?
De zorgen die ik in mijn antwoord op vraag 3 noem, zijn overgebracht aan de Ierse autoriteiten zodra bekend werd dat hieraan wordt gewerkt. De Ierse autoriteiten begrijpen deze zorgen en zullen later dit jaar pilots uitvoeren om te onderzoeken wat de welzijnsimpact is van dergelijke transporten.
Bent u bereid om te besluiten om helemaal te stoppen met de import van kalfjes? Zo ja, per wanneer? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt u dit met uw kringloopvisie?
Ik heb de Nederlandse kalversector laten weten dat ik in het kader van verduurzaming van de sector van ze verwacht dat ze de import van kalveren waarbij de transportduur langer is dan 8 uur (zoals bij importen uit Ierland en de Baltische staten) wordt afgebouwd en uiteindelijk niet meer plaatsvindt. In EU-verband pleit ik voor een verbod op lange transporten van deze jonge kalveren. Een eventueel verbod zou namelijk op Europees niveau moeten worden geregeld.
Kunt u bevestigen dat de voortdurende groei van de Ierse melkveehouderij zorgt voor zo’n groot overschot aan kalfjes dat jaarlijks 30.000 stierkalfjes op een leeftijd van 10 dagen worden geslacht en nog eens 200.000 kalfjes op jonge leeftijd op transport worden gezet naar landen als Nederland?2
Deze berichten zijn me bekend.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de Ierse autoriteiten over de noodzaak van het terugdringen van de Ierse melkveehouderij? Zo nee, waarom niet?
Dit is een systeemvraag die bij de Ierse sector en overheid ligt. Het is niet aan mij om met dit soort suggesties te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
De financiële steun aan Sint Maarten |
|
Ronald van Raak |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
Deelt u de opvatting van de meerderheid van de politiek op Sint Maarten dat de grote financiële steun aan de bewoners van het eiland een vorm van onderdrukking, racisme en kolonialisme is?1
Onderdrukking, racisme, kolonialisme zijn ernstige misstanden. Ik deel deze opvatting dan ook absoluut niet. Nederland ondersteunt Sint Maarten en de overige landen binnen het Koninkrijk in het kader van de gevolgen van de wereldwijde crisis die is ontstaan naar aanleiding van de COVID-19 pandemie. Deze steun is zowel financieel als materieel, en bestaat naast begrotingssteun onder andere uit het leveren van medisch personeel, medische benodigdheden en voedselhulp aan hen die het zwaarst zijn getroffen door deze crisis.
Deelt u de zorg dat deze investeringen voor de bewoners van Sint Maarten alleen mogelijk zijn als daarvoor voldoende steun is in de lokale politiek?
Ja, deze zorg deel ik. Het samenwerkingstraject dat Nederland en Sint Maarten met elkaar zijn aangegaan, heeft alleen kans van slagen wanneer alle betrokken partijen bereid zijn zich hiervoor maximaal in te zetten. De voortdurende steun van zowel de gehele regering als de Staten is dan ook noodzakelijk voor het voortzetten van dit traject.
Bent u bereid om de steun op te schorten en eerst in gesprek te gaan met het parlement van Sint Maarten om te bezien of de plannen voor steun in de huidige situatie nog uitvoerbaar zijn?
Ik hoop dat het niet hoeft te komen tot opschorten van de broodnodige steun voor de burgers van Sint Maarten. Niettemin deel ik, zoals blijkt uit mijn antwoord op voorgaande vraag, de opvatting dat politieke steun noodzakelijk is om de ingegane weg voort te zetten. Nu uit de petitie naar voren komt dat een meerderheid van de Staten van Sint Maarten zich – anders dan in december per schriftelijke verklaring vastgesteld – afkeert van het voorstel van rijkswet COHO en het daarmee samenhangende landspakket, constateer ik dat de vereiste consensus van de zijde van Sint Maarten aan het voorstel dreigt te ontvallen. Daarmee komt ook de onderlinge regeling landspakket in gevaar. Ik heb de Minister-President van Sint Maarten verzocht om opheldering en een schriftelijke herbevestiging van de eerder uitgesproken steun voor dit traject van zowel haar regering als van de Staten. Zolang deze verklaringen uitblijven, behoort het opschorten van de steun tot de mogelijkheden.
Bent u bereid om de regering van Sint Maarten te vragen om snel een referendum te organiseren over het voorstel om onafhankelijk te worden?
Zoals ook geantwoord op de vragen 18 en 19 van het lid Bosman, is het niet aan mij om een proces naar onafhankelijkheid van Sint Maarten in gang te zetten. Uit de aard der zaak volgt dat het initiatief hiertoe vanuit Sint Maarten zelf moet komen. De keuze voor uittreding uit het Koninkrijk is de meest wezenlijke staatkundige beslissing die een Caribisch (ei)land kan maken. Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba bepalen dit eenzijdig; dat wil zeggen op grond van ongeschreven Koninkrijksrecht is voor deze beslissing de instemming van Nederland niet nodig, dat zich dan ook terughoudend heeft op te stellen bij het entameren hiervan.
Welke mogelijkheden ziet u zelf om een vorm van volksraadpleging te organiseren op Sint Maarten en de mening te peilen van de bevolking?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Brussel wil camera’s op schepen om vissers in de gaten te houden' |
|
Maurits von Martels (CDA) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brussel wil camera’s op schepen om vissers in de gaten te houden»?1
Ja.
Wat is uw eerste reactie op het bericht dat het Europees Parlement wil dat er camera’s op vissersschepen komen om te controleren of vissers zich wel aan de bijvangstregels houden?
Het Europees parlement heeft ingestemd met een amendement om vissersvaartuigen vanaf 12 meter lengte van camera’s te voorzien om op deze manier beter toe te zien op naleving van de aanlandplicht. De lidstaten buigen zich nog over een gezamenlijk standpunt, maar ook onder de lidstaten tekent zich een meerderheid af voor verplichte invoering van Remote Electronic Monitoring waar cameratoezicht onderdeel van is, maar dan alleen voor vaartuigen groter dan 24 meter. Het Portugees voorzitterschap streeft ernaar om in juni 2021 tot een Algemene Oriëntatie te komen over het voorstel van de EU Commissie voor een herziening van de Controleverordening waarin het toezicht op naleving van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid wordt aangescherpt.
De inzet van cameratoezicht en andere digitale handhavingstechnieken is een wereldwijde ontwikkeling, waarbij de Europese Unie als voorloper in de discussies over duurzame visserij, niet achter kan blijven. Het belang van de ontwikkeling van nieuwe technieken om de handhaving effectiever en efficiënter te maken, wordt ook onderstreept in het Noordzeeakkoord en de Kottervisie. Ik ben dan ook niet tegen camera’s aan boord. Zoals ik ook in de BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 2679) heb aangegeven, vind ik wel dat er voldoende tijd en ruimte moet zijn voor de lidstaten om met pilotprojecten eerst te onderzoeken of en op welke manier camera’s ook daadwerkelijk een effectief instrument zijn in de handhaving en op welke wijze het past binnen de kaders van de geldende privacywetgeving. Daarbij ben ik van mening dat er sprake moet zijn van een gelijk speelveld tussen de lidstaten, maar ook tussen de vlootsegmenten.
Bent u het ermee eens dat deze maatregel te ver gaat en de privacy van de vissers ernstig schaadt, ondanks dat gezichten eventueel onherkenbaar gemaakt kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 2679) en in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, vind ik dat er voldoende tijd en ruimte moet zijn voor de lidstaten om met pilotprojecten eerst te onderzoeken of en op welke manier camera’s en andere middelen voor Remote Electronic Monitoring effectief zijn in de handhaving en op welke wijze het past binnen de kaders van de geldende privacywetgeving.
Bent u zich ervan bewust dat de uitvoerbaarheid van de voorgestelde maatregel waarschijnlijk een groot probleem is, zoals in het artikel wordt gesteld door VisNed?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat er eerst gekeken moet worden naar andere innovatieve technologieën die wel werkbaar zijn?
Bij de uitwerking van de ambitie om de effectiviteit en efficiëntie van de handhaving op visserijmaatregelen te verbeteren door inzet van digitale toezicht- en handhavingstechnieken wordt gekeken naar verschillende technologieën. Naast onderzoek van de mogelijkheden van cameratoezicht, zet ik in op toepassing van bijvoorbeeld de blackbox voor continue monitoring van plaatsbepaling en motorvermogen en wordt gekeken naar de mogelijkheden van toezicht bijvoorbeeld via satellietbeelden of de inzet van drones.
Bent u trots op de Nederlandse visserij en vindt u dat we meer voor hen op zouden moeten komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier bent u voornemens voor hen op te komen? Welke concrete acties gaat u ten aanzien van het voorstel voor camera’s op vissersschepen ondernemen?
Ik ben zeker trots op de Nederlandse visserij, in het bijzonder het innovatief vermogen en aanpassingsvermogen aan een continu veranderende Noordzee en steeds hogere maatschappelijke eisen aan de visserijpraktijk. Er wordt veel van de vissers gevraagd ten aanzien van aanpassingen in het ruimtelijke gebied en verdere verduurzaming van de vangstmethoden. Een steeds grotere roep om transparantie van de visserijpraktijk op zee is een nieuwe ontwikkeling hierin. Concreet zet ik mij in de discussies in Brussel over cameratoezicht in voor een gelijk speelveld tussen lidstaten en vlootsegmenten en pleit ik voor voldoende tijd om met pilotprojecten te onderzoeken of en op welke manier camera’s ook daadwerkelijk een effectief instrument zijn in de handhaving en op welke wijze het past binnen de kaders van de geldende privacywetgeving. Tegelijkertijd werken de lidstaten van de Scheveningengroep gezamenlijk aan de opzet van een pilotonderzoek om de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van Remote Electronic Monitoring (waaronder cameratoezicht) voor toezicht en handhaving te onderzoeken. Ik hecht veel waarde aan die samenwerking in verband met de harmonisatie van het toezicht voor een gelijk speelveld.