Bent u bekend met het bericht «Ukraine deports critical Azerbaijani blogger shortly before Zelensky visits Baku»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van de kwestie Elvin Isayev?
In februari 2020 is het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het eerst op de hoogte gesteld van deze kwestie.
Hoe kijkt u naar het nieuws dat Elvin Isayev, een criticaster van de Azerbeidzjaanse overheid, wordt uitgeleverd, opgepakt en gemarteld in het licht van het kritische Amnesty-rapport uit 2016 «Revolving doors»: The ongoing persecution of government critics in Azerbaijan over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan?2
De Nederlandse regering volgt de situatie van de heer Isayev nauwgezet. De mediaberichtgeving hierover kan ik niet op eigenstandige wijze verifiëren. De Nederlandse regering maakt zich zorgen over de verslechterde mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan, en spreekt Azerbeidzjan daar ook op aan, zowel bilateraal als via multilaterale kanalen (Raad van Europa, EU, VN). Uit rapporten van zowel NGOs, de Raad van Europa als uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat politiek gemotiveerde vervolging, arrestatie en detentie een hardnekkig probleem is in Azerbeidzjan.
Herkent u zich in het geschetste beeld dat Oekraïne Elvin Isayev heeft uitgeleverd aan Azerbeidzjan en er vrijwel direct een strafeis en vonnis is uitgesproken over Isayev na zijn aankomst in Bakoe, waarop hij vervolgens in hechtenis is genomen en aan zware martelingen is blootgesteld?
Ik kan deze berichten niet op eigenstandige wijze verifiëren. Volgens de laatste openbare informatie is de heer Isayev op 30 oktober 2020 veroordeeld door «de rechtbank voor zware misdaden» in Bakoe. Deze beslissing is niet definitief; zijn zaak wordt bij het Hof van Beroep behandeld. Azerbeidzjan is partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), en is derhalve verplicht zich te houden aan dit verdrag, waaronder artikel 3 dat gaat over zowel het verbod op marteling alsook over mensenwaardige detentieomstandigheden, en artikel 6 dat gaat over een eerlijk proces.
Kunt u bevestigen dat Elvin Isayev inderdaad Oekraïense migratiewetten heeft overtreden?3
Ik kan geen uitspraken doen over of de heer Isayev al dan niet de Oekraïense wetten heeft overtreden, en bezit ook geen mogelijkheden om hier onderzoek naar te doen. Ik kan het in de vraag gestelde daarom niet bevestigen.
Hoe kijkt nu naar de zaak Elvin Isayev in het licht van het mensenrechtenrapport van deUnited States Department of State: Bureau of Democracy, Human Rights and Labor waarin staat dat de zaak Elvin Isayev een voorbeeld is van het ten onrechte gebruiken van internationaalrechtelijke handhavingsinstrumenten om politieke opponenten in het buitenland uit te schakelen?4
Ik heb kennis genomen van dit rapport van de VS waarin wordt verwezen naar berichten van misbruik van internationale opsporingsinstrumenten. In dit kader wordt de zaak Isayev genoemd. Wat betreft de Nederlandse visie hierop verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 4.
Hoe kijkt u naar de relatie tussen Nederland en Azerbeidzjan, lettende op de aanhoudende mensenrechtenschendingen waar de Azerbeidzjaanse overheid zich schuldig aan maakt?5
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3. Mensenrechten vormt een belangrijk thema in de dialogen die Nederland voert met de Azerbeidzjaanse autoriteiten. Deze gesprekken worden ook in EU-verband gevoerd.
Bent u bereid deze kwestie met de Azerbeidzjaanse ambassadeur in Den Haag te bespreken en er op aan te dringen dat leden van de Raad van Europa zich zouden moeten houden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens waaronder artikel 3 ziende op een verbod op marteling en vernederende behandeling en artikel 6 ziende op het recht op een eerlijk proces?
De Nederlandse regering volgt deze kwestie nauwgezet en staat hierover in contact met internationale partners. Nederland kaart mensenrechtenkwesties op het geëigende niveau aan, waarbij zowel het bilaterale als het multilaterale spoor wordt bewandeld. Zo is er een reguliere EU-Azerbeidzjan dialoog waarbij o.a. specifieke casussen van politieke gevangenen worden besproken. Daarnaast stellen de advocaten van de heer Isayev dat ze recentelijk zaken hebben aangebracht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het is nog niet duidelijk of deze zaken voldoen aan de ontvankelijkheidseisen.
De toename van het bosverlies in het afgelopen jaar |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe rapport van Global Forest Watch waaruit blijkt dat het bosverlies in 2020 met 12% is toegenomen ten opzichte van 2019?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in 2020 ruim 12 miljoen hectare aan bos verloren is gegaan, waarvan 4,2 miljoen – een gebied ter grootte van Nederland – aan tropisch oerbos?
Het Kabinet heeft geen zelfstandige informatie over mondiale ontbossingscijfers en baseert zich dan ook op rapporten en berichten van gerenommeerde kennisinstellingen, zoals het World Resources Institute en de University of Maryland. Dat bosverlies wereldwijd nog steeds doorgaat, staat helaas buiten kijf.
Kunt u reflecteren op het feit dat terwijl ontbossing in Brazilië met zorgwekkende snelheid stijgt, Nederland in de eerste zes maanden van 2020 40% meer sojabonen heeft geïmporteerd uit Brazilië dan in het eerste halfjaar van 2019?
De toename van de import van sojabonen uit Brazilië met 40% is vastgesteld door het CBS. Een aantal factoren kan deze toename mogelijk verklaren.
De Europese productie van raapzaadolie is over de genoemde periode gedaald vanwege verminderde vraag naar raapzaadolie voor de productie van biodiesel. Dit heeft uiteraard ook geleid tot een verminderde productie, en dus aanbod, van Europees raapzaadmeel- en schroot, dat ontstaat als restproduct na het crushen (persen) van raapzaad. Dit afgenomen aanbod kan door Europese bedrijven zijn gecompenseerd met geïmporteerde soja uit Noord- en/of Zuid-Amerika. In Amsterdam en Rotterdam staan belangrijke verwerkende bedrijven (crushers), die een groot deel van het Europese achterland bedienen met plantaardige oliën en het eiwitrijke meel voor verdere verwerking en gebruik. Mondiaal zijn Brazilië en de VS de grootste export-georiënteerde producenten van sojabonen.
De sterk stijgende import door Europa van sojabonen uit Brazilië had wellicht ook te maken met bepaalde handelspolitieke en markt/monetaire ontwikkelingen in diezelfde periode (sterke stijging Chinese invoer van sojabonen uit de VS met daarmee gepaard gaande daling van invoer van Braziliaanse sojabonen) en de voor (Europese) importen gunstige wisselkoers met de Braziliaanse Reaal. Dit lijkt overigens een tijdelijke trend te zijn geweest.
De hoeveelheid soja die in Nederlands diervoer wordt verwerkt, is in de afgelopen jaren vrijwel stabiel gebleven. Over veranderingen in het gebruik van soja voor de humane consumptie in Nederland zijn mij geen gegevens bekend. De extra in Nederland geïmporteerde sojabonen zullen daarom vrijwel zeker bestemd zijn geweest voor verwerking en consumptie elders in Europa. Overigens is de soja die in Nederland wordt verwerkt voor de Nederlandse consumptie, veelal voor diervoer, volledig afgedekt met zogenaamde RTRS-certificaten. De Round Table on Responsible Soy certificeert dat soja zonder ontbossing is geproduceerd.
Bent u het ermee eens dat Nederland als grootste importeur en doorvoerhaven van palmolie, soja voor veevoer en cacao in Europa, medeschuldig is aan deze toename van het bosverlies? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om het aandeel van Nederland in de wereldwijde ontbossing te verminderen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is inderdaad een belangrijk doorvoerland van landbouwgrondstoffen naar de rest van Europa, vanwege de sterke positie van de havens van Rotterdam en Amsterdam. Daarmee heeft Nederland een belangrijke verantwoordelijkheid in de keten en die nemen wij ook serieus. Het kabinet heeft vorig jaar het beleid op het tegengaan van ontbossing flink geïntensiveerd, in financiële en diplomatieke zin, en de Kamer daar per brief over geïnformeerd (Kamerstuk 30 196, nr. 708). Daar gaan wij op volle kracht mee door. Naast samenwerking met producentenlanden bij het verduurzamen van de productie van landbouwgrondstoffen, spant het kabinet zich ook nadrukkelijk in voor verduurzaming van handelsketens aan de vraagzijde, in Nederland en Europa. Om maximale impact te kunnen genereren, doen wij dit zoveel mogelijk in Europees verband.
Kunt u uiteenzetten welk aandeel Nederland in 2019 en 2020 had in de import van landbouwgrondstoffen uit Brazilië, de Democratische Republiek Congo en Bolivia? Welk deel hiervan was bestemd voor de agrarische sector in Nederland? Welk deel werd doorgevoerd naar andere Europese landen?
De import van landbouwgrondstoffen uit de genoemde landen omvat een grote verscheidenheid aan grondstoffen en daarvan afgeleide, verwerkte producten, zowel van land als uit het water. In beschikbare officiële statistieken (Comtrade, Eurostat) zijn alleen van de Democratische Republiek Congo al gegevens over 2020 bekend. Van de totale exportwaarde aan landbouwgoederen vanuit Brazilië ging circa 2% naar Nederland en vanuit Bolivia maximaal 3% (cijfers van 2018 en 2019 voor beide landen). Voor de Democratische Republiek Congo (2019 en 2020) was dit percentage minder dan 1%. Het importaandeel van landbouwgoederen uit Brazilië in 2020 was 4,3% van het totaal aan geïmporteerde landbouwgoederen. Van Bolivia en de Democratische Republiek Congo was dat aandeel lager dan 0,1%.
De vraag over het aandeel van de import dat in Nederland blijft en over het aandeel dat weer wordt geëxporteerd naar niet-EU landen en/of via intra-handel binnen de EU blijft, kan alleen door verdere grondige analyse van het CBS worden beantwoord. Agrarische grondstoffen kunnen namelijk, naast directe weder export of doorvoer, ook deels verder worden verwerkt in Nederland en bijvoorbeeld als ander product («embedded») worden uitgevoerd. Daarbij kunnen, zoals ook bij vraag 3 hiervoor al geïllustreerd, handelsstromen en wijzigingen daarin op zowel korte als lange(re) termijn in veel gevallen niet los worden gezien van een scala aan externe factoren, zoals oogstverwachtingen en oogstresultaten in diverse landen en/of van specifieke markt-, politieke of veterinaire/fytosanitaire ontwikkelingen.
Kunt u uiteenzetten in welke mate Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij het uitbreiden van landbouw in het Kongobekken? Kunt u uiteenzetten welke op landbouw gerichte activiteiten in het Kongobekken fondsen ontvangen van FMO?
Er zijn voor zover bij het ministerie bekend geen Nederlandse bedrijven betrokken bij het uitbreiden van landbouw in het Congobekken. Uit navraag bij FMO blijkt dat de investering in het bedrijf Plantations et Huileries du Congo SA (PHC)2 de enige op landbouw gerichte investering van FMO is in het Congobekken. Bij deze investering wordt ook technische assistentie verleend, gefinancierd door FMO.3
Staat u nog steeds achter uw bewering dat dialoog met Brazilië de meest aangewezen weg is om de Amazone en haar inheemse bevolking te beschermen, ook nu keer op keer blijkt dat dit geen resultaat oplevert? Deelt u de mening dat het inperken van de Nederlandse import van palmolie en soja voor veevoer een veel effectievere weg zou zijn? Zo nee, waarom niet?
Brazilië kan, net als alle andere landen, soeverein over zijn grondgebied beschikken. Om daadwerkelijk enige impact te kunnen hebben op ontwikkelingen in productielanden als Brazilië, is Europese samenwerking en een brede dialoog essentieel, inclusief samenwerking met bedrijven, investeerders en maatschappelijke organisaties. Alleen samen kunnen wij genoeg gewicht in de schaal leggen om duurzame, ontbossingsvrije productie en handel te bewerkstelligen. Daar zet het kabinet, samen met gelijkgezinde Europese partners, dan ook vol op in. Via de Europese Unie, maar bijvoorbeeld ook via het Amsterdam Declarations Partnership en door middel van financiering van innovatieve programma’s met diverse partners. Nederland heeft de EU-Brazil High-level Dialogue on Climate Change, Biodiversity and Sustainable Development van 14 april jl. aangegrepen om deze boodschap opnieuw op hoog niveau af te geven, samen met andere EU-lidstaten en de Europese Commissie.
De EU-lidstaten, inclusief Nederland, hebben de Europese Commissie eind 2019 in Raadsconclusies opgeroepen om zo spoedig mogelijk een ambitieus wetgevend voorstel en andere maatregelen te presenteren, die gericht zijn op het vermijden dan wel het minimaliseren van het op de interne markt brengen van producten die gerelateerd zijn aan ontbossing of bosdegradatie. De voorstellen van de Commissie worden in juni verwacht. Dat is de snelste en meest effectieve weg om passende maatregelen te treffen.
Ook een eventueel importverbod zou alleen op EU-niveau kunnen worden gerealiseerd. Een dergelijke maatregel zou overigens al snel stuiten op de non-discriminatiebepalingen van de WTO. Betere wet- en regelgeving, in de EU en daarbuiten, en samenwerking bij verduurzaming van de productie van agrarische grondstoffen zal daarom veel meer impact genereren.
Bent u, gezien de urgentie, bereid om niet langer te wachten op Europese maatregelen, maar nu op Nederlands niveau harde maatregelen te treffen, zoals een boycot op ontbossingsproducten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u zich herinneren dat de premier op 11 januari een bijdrage leverde aan de internationale biodiversiteitstop One Planet Summit, waarin hij meende dat dit demissionaire kabinet toegewijd is aan het stoppen van aan landbouw gerelateerde ontbossing? Herinnert u zich dat hij zijn speech eindigde met de woorden «we are all clear on our goals and plans, now it’s time to make them happen»?2 Welke stappen heeft u sindsdien ondernomen om het Nederlandse aandeel in aan landbouw gerelateerde ontbossing per direct te verminderen? Welke effecten hebben deze stappen tot nu toe gehad?
De recente uitspraak van de premier staat mij nog vers in het geheugen. Sinds die datum heeft Nederland onder andere samen met andere EU-lidstaten initiatief genomen tot en deelgenomen aan bijeenkomsten met de Europese Commissie, om mede richting te geven aan een ambitieuze en effectieve invulling van wetgeving en andere maatregelen die de Commissie in voorbereiding heeft om te voorkomen dat producten die gerelateerd zijn aan ontbossing of bosdegradatie op de Europese markt terecht komen. Naar verwachting zal de Commissie in dat kader in juni voorstellen presenteren. Ook heeft Nederland op 14 april jl. deelgenomen aan de EU-Brazil High-level Dialogue on Climate Change, Biodiversity and Sustainable Development (zie ook antwoord op vragen 7 en 8). Nederland is niet bij machte om ontbossing per direct te stoppen of verminderen, maar het kabinet is ervan overtuigd dat de hierboven beschreven Nederlandse en Europese inzet ontbossing verder terug zal dringen.
De problemen met het halen van je recht na een medische misser |
|
Michiel van Nispen , Maarten Hijink |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het voor mensen die het slachtoffer zijn geworden van een medische misser vaak heel lastig is om hun recht te halen? Wat vindt u hiervan? Kunt u zich het gevoel van onmacht en ontevredenheid bij de mensen die dit overkomt, slachtoffers van medische missers, voorstellen?1, 2
Als een medische ingreep niet naar wens verloopt, kunnen de gevolgen voor de patiënt groot zijn. Letselschade is fysiek en mentaal ingrijpend, de mogelijkheden van herstel kunnen onzeker zijn en het herstel zelf langdurig. Dit alles kan een grote weerslag hebben op het leven van de betrokkene en zijn naasten. Het is om deze redenen van groot belang dat patiënten op de juiste manier worden ondersteund na een medisch incident.
Als een patiënt van mening is dat de geleden schade te wijten is aan een fout van de zorgverlener, kan een schadeclaimprocedure worden gestart. In deze procedures moet de oorzaak van een medisch incident achterhaald worden om vervolgens een causaal verband met de geleden schade en aansprakelijkheid vast te stellen. Dit is complex en vaak ook tijdrovend. Deze procedures worden als emotioneel belastend ervaren door zowel de patiënt als de betrokken zorgverlener. Voor aansprakelijkheidstelling is het echter van belang gedegen onderzoek uit te voeren en de juiste stappen te volgen.
Wat vindt u van de gemiddelde doorlooptijd van 29,8 maanden? Hoe beoordeelt u het feit dat in meer dan 50 procent van alle gesloten dossiers de aansprakelijkheid werd afgewezen? Wat zegt dit?
De gemiddelde doorlooptijd van ongeveer 2,5 jaar is een lange tijd, zeker voor de betrokkenen. Met een lange doorlooptijd zitten de betrokkenen lange tijd in onzekerheid en het streven moet dan ook zijn om de doorlooptijd zo kort mogelijk te houden. Er kunnen verschillende redenen zijn voor een lange doorlooptijd. In het algemeen geldt dat het beoordelen van causaliteit tussen medisch handelen en de geleden schade een complex vraagstuk is. In sommige gevallen kan het een tijd duren voor de medische eindtoestand is bereikt en de schadeomvang bepaald kan worden. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van schade door een medisch incident bij een kind, kan het in het belang van de ouders en het kind zijn om te kijken hoe het kind zich in de loop der jaren ontwikkelt.
De genoemde doorlooptijd betreft bovendien de gemiddelde doorlooptijd van zaken die worden behandeld door Centramed en Medirisk. Deze verzekeraars behandelen claims voor hun leden, veelal ziekenhuizen. Met de invoering van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in 2016 worden steeds meer kleinere claims beoordeeld en behandeld door de zorginstellingen zelf. Kleinere claims zullen doorgaans sneller en laagdrempeliger geregeld worden dan grote, omdat ze vaak minder complex en minder ernstig zijn. Ook blijft hierdoor een veel directer contact tussen patiënt en zorgverlener en wordt er minder gejuridiseerd. Eén van de effecten daarvan is wel dat verzekeraars een steeds groter deel van de claims niet meer zien. Een deel van de claims zal dus sneller geregeld worden dan de genoemde doorlooptijd.
Dat in 50% van de door medische aansprakelijkheidsverzekeraars behandelde zaken de aansprakelijkheid wordt afgewezen, zegt dat in deze gevallen niet is vastgesteld dat de geleden schade het gevolg is van verwijtbaar handelen door de zorgverlener. Desondanks is de uitkomst van deze behandelingen niet de gewenste geweest, bijvoorbeeld door een complicatie, en ik kan mij voorstellen dat ook de uitkomst van een niet toegewezen schadeclaimprocedure niet bevredigend is. Een complicatie betekent echter niet altijd dat er ook fout gehandeld is door de zorgverlener.
Acht u het acceptabel dat mensen soms jaren moeten strijden voor een erkenning van door hen geleden schade als gevolg van een medische misser? Zo nee, wat acht u dan wel een wenselijke afhandelingstermijn?
Het is belangrijk dat patiënten, indien er schade is geleden door fout handelen van een zorgverlener, hier snel erkenning voor krijgen. Ook voor zorgverleners is het van belang dat een zaak snel en degelijk wordt afgehandeld. Een aansprakelijkstelling is ook voor hen een emotionele aangelegenheid, omdat zij zich doorgaans met hart en ziel inzetten voor hun patiënten.
Wat de juiste termijn is, is afhankelijk van de omstandigheden van een individueel geval. Het belangrijkste is een adequate schade-afhandeling, waarbij het belang van de gedupeerde centraal staat, de gedupeerde zich gehoord weet, en houvast wordt geboden over onder meer over het verloop van de schade-afhandeling.
Kunt u uiteenzetten wat de invoering van de Gedragscode Openheid medische incidenten: betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid (GOMA), die in 2010 ingevoerd is, heeft bijgedragen aan een snellere afwikkeling van zaken waarbij medische missers spelen? Wat heeft dit voor slachtoffers concreet verbeterd? Bent u daar tevreden over?
De GOMA betreft een richtlijn die in 2010 is opgesteld door De Letselschade Raad (DLR) en heeft als doel de afwikkeling van een medische schadeclaim te verbeteren door open en transparante communicatie met goed inzicht in het traject voor alle betrokken partijen. De in de richtlijn opgenomen aanbevelingen betreffen enerzijds het handelen van degenen die betrokken zijn bij de afwikkeling van de gevolgen voor een patiënt van een incident in de gezondheidszorg, en anderzijds een adequate afwikkeling van verzoeken om schadevergoeding. De richtlijn geeft patiënten meer duidelijkheid over het proces en met de richtlijn wordt een open cultuur omtrent medische incidenten bevorderd. Ik vind het goed dat het veld met deze vorm van zelfregulering een bijdrage levert aan de afwikkeling van medische schadeclaims. Momenteel wordt gewerkt aan GOMA 2.0. Naast deze richtlijn is in 2016 de Wkkgz van kracht geworden. Mensen kunnen sinds 1 januari 2017 gratis terecht bij de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder. De patiënt kan altijd een rechtszaak aanspannen, maar de wet biedt ook een laagdrempelig alternatief: de onafhankelijke geschilleninstantie. De geschilleninstantie kan een schadevergoeding toekennen tot een bedrag van in ieder geval 25.000,– euro. Ook is de informatiepositie van de patiënt wettelijk versterkt met de Wkkgz.
Herkent u het beeld dat verzekeraars van de tegenpartij letselschadezaken nog steeds bewust traineren om maar geen schadevergoeding te hoeven uitkeren, zoals dhr. Brekelmans van de stichting Letselschade en Gerechtigheid stelt? Wat is uw reactie op de opmerking dat na ruim 20 jaar duidelijk is geworden dat zelfregulering door verzekeraars niet werkt?
De professionele branche- en beroepsverenigingen in de letselschadebranche zijn verenigd in De Letselschaderaad. Bij deze onafhankelijke koepelorganisatie zijn Slachtofferhulp Nederland, de ANWB, het Verbond van Verzekeraars, maar ook letselschade-experts, geneeskundig adviseurs en arbeidsdeskundigen aangesloten. In opdracht van DLR heeft de Universiteit Utrecht onderzoek gedaan naar langlopende letselschade.3 De onderzoekers hebben 201 zaken geanalyseerd bij 13 verschillende verzekeraars. In deze zaken blijkt de lange duur van de afhandeling veelal te wijten aan onvermijdelijke, niemand na te dragen redenen (medische eindtoestand, re-integratie, onduidelijkheid over de door het ongeval ontstane beperkingen). In een beperkter aantal zaken blijkt niet voortvarend handelen door de verzekeraar (8%) of de belangenbehartiger van het slachtoffer (14%) mede een rol te spelen.
Het belang van het slachtoffer bij een adequate en voortvarende schadeafhandeling maakt dat er in de afgelopen 20 jaar onverminderd aandacht is voor mogelijke verbeteringen in regulering en zelfregulering. Zo heeft de wetgever het deelgeschil mogelijk gemaakt. Dit biedt slachtoffers en verzekeraars een snelle en eenvoudige procedure om tijdens een onderhandeling een deel van het geschil dat hen verdeeld houdt aan de rechter voor te leggen. Ook heeft de wetgever de vergoeding van affectieschade voor (nabestaanden van) slachtoffers geïntroduceerd.
Daarnaast stelt DLR onder meer richtlijnen op voor de betrokken professionals, die bijdragen aan duidelijkheid, voorspelbaarheid en transparantie bij de schaderegelingen. Een belangrijke, recente maatregel ter verbetering van de afhandeling van letselschade is het Nationaal Keurmerk Letselschade, dat op 1 januari jl. is gelanceerd. Dit zorgt ervoor dat slachtoffers met letselschade kunnen vertrouwen op gekwalificeerde dienstverleners.4
Al deze maatregelen dragen bij aan de verbetering van de afhandeling van letselschade. Dit neemt niet weg dat er verdere verbeteringen mogelijk en nodig zijn. Het belang van het slachtoffer vereist voortdurende aandacht en inzet. Het onderzoek van de Universiteit Utrecht maakt duidelijk dat de mogelijkheid tot verbetering van de kwaliteit van de schadeafhandeling primair ligt in heldere communicatie, het juiste verwachtingsmanagement bij gedupeerden, goede bevoorschotting en samenwerking tussen de betrokkenen op basis van wederzijds vertrouwen en empathie. DLR werkt voortvarend aan nieuwe initiatieven die gericht zijn op verbetering van deze aspecten van de afhandeling van letselschadezaken.5 Het belang van het slachtoffer bij een adequate en betrokken schadeafhandeling staat daarbij voorop.
Ziet u ook dat het bewijzen van de medische aansprakelijkheid vaak heel moeilijk is en dat dossiers daarop vastzitten, terwijl het voor het leed van het slachtoffer eigenlijk niet uitmaakt of het fout is gegaan («een ongeluk»), of dat er iets fout is gedaan (met mogelijk aansprakelijkheid tot gevolg)? Moet dat juridisch grote verschil voor het aansprakelijkheidsvraagstuk voor slachtoffers eigenlijk wel zulke enorme consequenties hebben?
In alle gevallen – met of zonder aansprakelijke partij – kan het leed groot zijn. Bij aansprakelijkheidsvragen gaat het echter niet alleen om het leed, maar ook over de vraag wie daarvoor verantwoordelijk is. Zorgverleners zijn alleen aansprakelijk als er een verwijtbare medische fout is gemaakt. Een systeem waarin de aansprakelijkheidsvraag voor de patiënt een minder dominante rol speelt, is een no fault-compensatiesysteem. Voor een appreciatie van de invoering van een no fault-compensatiesysteem verwijs ik naar het antwoord op vraag 9.
Wat gaat u doen om verzekeraars aan te sporen zo snel als mogelijk zaken van slachtoffers van medische missers af te handelen? Wat is uw reactie op de suggestie een onafhankelijk loket – los van verzekeraars – op te richten om langlopende letselschadedossiers te beoordelen en snel af te handelen?
Het tijdig afhandelen van schadeclaims na medische incidenten heeft reeds de aandacht van de verzekeraars en de Minister voor Medische Zorg en Sport zal hier aandacht voor blijven vragen. In 2012 hebben Centramed en Medirisk speciale teams opgericht om zeer langdurig lopende zaken versneld af te handelen. Verzekeraars zelf zijn overigens ook gebaat bij een spoedige afhandeling, zeker nu het aantal claims en de schadelast de afgelopen jaren toeneemt. DLR heeft een Kamer voor Langlopende Letselschadezaken ingesteld om bestaande langlopende letselschadezaken versneld tot een oplossing te brengen.6 Het kabinet volgt deze pilot met veel interesse. Na de afronding hiervan zal in samenspraak met DLR worden bekeken of het wenselijk is om deze Kamer te bestendigen.
Wat is de stand van zaken met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Van Nispen c.s. over een wettelijke verankering van de Gedragscode Behandeling Letselschade en de aangenomen motie van het lid Kuiken c.s. over een wettelijke verankering van tuchtrecht en een tuchtraad voor letselschadeprofessionals?3, 4
Samen met de Minister van Financiën werkt de Minister voor Rechtsbescherming op dit moment aan de uitvoering van de moties van uw Kamer, die zien op de afhandeling van langlopende letselschadezaken. De Ministers voor Rechtsbescherming en van Financiën streven ernaar uw Kamer voor het zomerreces te informeren over de stand van zaken.
Wat vindt u van het idee om een medisch letselschadefonds in het leven te roepen, waardoor slachtoffers of nabestaanden niet jarenlang hoeven te procederen om financiële genoegdoening te krijgen, maar het medisch letselschadefonds slachtoffers of nabestaanden snel en adequaat compenseert voor de geleden schade bij medische missers en het schadebedrag vervolgens door het fonds wordt verhaald op de hulpverlener, het ziekenhuis of de zorginstelling? Welke voor- en nadelen zouden er aan zo’n systeem zitten?
Het voorgestelde systeem vertoont grote gelijkenis met het in België ingevoerde tweesporensysteem, dat naast het klassieke aansprakelijkheidsrecht een no fault-compensatiesysteem omvat. Dit tweesporensysteem is in 2010 in België ingevoerd in de hoop dat dit zou voorzien in een snelle, laagdrempelige en eenvoudige klachtenafhandeling. Uit onderzoek9 is gebleken dat dit systeem weinig tot niets toevoegt aan de huidige vergoedingsmogelijkheden, omdat de grote knelpunten zoals deskundigenanalyses en causaliteitsvraagstukken ook bij een no fault-compensatiesysteem onverminderd aanwezig blijven. In ieder systeem zal namelijk de omvang van de schade en het verband met het medisch handelen aangetoond moeten worden. Met name de doorlooptijd blijkt in België niet te zijn verbeterd, de gemiddelde doorlooptijd is drie jaar. De onderzoekers concluderen dat de geschetste emotionele en procedurele knelpunten inherent zijn aan de aard en complexiteit van medische ongevallen. Bij medische ongevallen gaat het om een categorie schadeveroorzakende gebeurtenissen waarin (de integriteit van) het menselijk lichaam centraal staat. De juridische beoordeling is daardoor vaak sterk afhankelijk van medisch deskundigenadvies. Tot slot stellen de onderzoekers dat het huidige Nederlandse aansprakelijkheidsrecht, zeker na de invoering van de GOMA en de Wkkgz én met de – door de rechter benutte – ruimte tot (patiëntgerichte) interpretatie van de wetgeving, de noodzakelijke instrumenten biedt om in een goede klacht- en claimbehandeling te kunnen voorzien. Alles in aanmerking nemende ben ik geen voorstander van het in het leven roepen van een fonds voor schade na medische incidenten.
Het bericht dat de meeste Nederlandse bedrijven niet voldoen aan privacywetgeving. |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Meerderheid Nederlandse bedrijven voldoet na drie jaar nog niet aan privacywet»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat kosten en inspanningen om de AVG-wetgeving op te volgen volledig op het bord komen te liggen van Europese bedrijven, terwijl die in hoge mate afhankelijk zijn van niet-Europese techgiganten?
De kosten en inspanningen om aan de vereisten uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) te voldoen liggen niet volledig op het bord van Europese bedrijven. In voorkomend geval kan de AVG ook rechtstreeks van toepassing zijn op bedrijven die niet in de EU zijn gevestigd.2 De AVG kent een systematiek waarin er een «verwerkingsverantwoordelijke» is die het doel en de middelen van een gegevensverwerking bepaalt. Daarnaast is er de «verwerker», deze wordt door de verwerkingsverantwoordelijke ingeschakeld om gegevens te verwerken. Op deze verwerker rusten ingevolge artikel 28 AVG ook verplichtingen.
De verwerkingsverantwoordelijke mag ingevolge artikel 28 lid 1 alleen beroep doen op verwerkers die voldoende garanties bieden opdat de verwerking aan de AVG voldoet. In lid 3 van ditzelfde artikel wordt voorts bepaald dat tussen beide partijen een overeenkomst wordt opgesteld waarin de verplichtingen van de verwerker worden vastgelegd, in de praktijk bekend als de «verwerkersovereenkomst». Hierin wordt onder meer vastgelegd welke instructies de verwerker krijgt om de gegevens te verwerken, welke beveiligingsmaatregelen moeten worden genomen en hoe de rechten van betrokkenen worden geëffectueerd. Als een verwerker in strijd met de AVG zelf de doeleinden en middelen van een verwerking bepaalt, dan moet die partij zelf als verwerkingsverantwoordelijke worden beschouwd.3 Al met al kent de AVG dus een systeem waarin de verantwoordelijkheden en verplichtingen verdeeld zijn over betrokken partijen.
Bent u het eens met de observatie dat Nederlandse bedrijven een te slechte onderhandelingspositie hebben tegenover Amerikaanse techgiganten op het gebied van de implementatie van AVG-maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 2 geschetst leggen partijen in de verwerkersovereenkomst vast op welke wijze gegevens verwerkt worden en welke vereisten daarbij in acht worden genomen. De verwerkersovereenkomst moet derhalve worden afgestemd op de verwerking die de verwerker namens de verwerkingsverantwoordelijke verricht.
De overeenkomst kan dus per verwerking die ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke wordt verricht verschillen. Hoewel dit maakt dat een algemene gevolgtrekking over de onderhandelingspositie lastig ligt, is dit wel de kern van de problematiek waar veel Nederlandse afnemers van clouddiensten mee worden geconfronteerd. Het standaardcontract van de leverancier biedt de afnemer niet altijd de noodzakelijke garanties die het ingevolge artikel 28 lid 1 nodig heeft. Sommige diensten worden geleverd door een aantal grote spelers die niet altijd bereid zijn het individuele contract aan de noden van de afnemer aan te passen. Bijkomend nadeel voor de afnemer is voorts dat het soms veel middelen vergt om te vergewissen hoe de dienst van de verwerker precies in elkaar steekt en welke contractsbepalingen derhalve nodig zijn. Als vervolgens wordt geconcludeerd dat de leverancier geen geschikte verwerker is omdat deze onvoldoende garanties biedt en daar niets aan wil veranderen, is het gelet op het beperkte aantal aanbieders, maar zeer de vraag of er een geschikt alternatief beschikbaar is. Zoals in het FD-artikel tevens aangegeven is het voor de overheid wel gelukt om AVG-maatwerk af te dwingen in relatie met een leverancier van clouddiensten. Het artikel kaart terecht aan dat bedrijven niet in elk geval in eenzelfde goede onderhandelingspositie verkeren en dit dus niet altijd af kunnen dwingen.
Deelt u de mening van het CIO Platform dat de wetgever oproept om alleen toegang te verlenen aan de Europese markt als softwarebedrijven de AVG-eisen naleven? Zo nee, waarom niet?
Partijen die in de EU zijn gevestigd en gegevens verwerken moeten voldoen aan de vereisten uit de AVG. In voorkomend geval kunnen ook partijen die niet in de EU zijn gevestigd onder het toepassingsgebied van de AVG vallen.4 Als zij als verwerkingsverantwoordelijke of verwerker de AVG schenden kunnen de toezichthouders hierop handhaven. Softwarebedrijven die niet conform de AVG handelen kunnen dus al worden aangepakt.
In voorkomende gevallen kan het echter zo zijn dat de leverancier de dienst AVG-compliant aanbiedt, maar dat een organisatie die de dienst wil afnemen deze niet AVG-compliant kan toepassen. Dit kan optreden in situaties waarin leveranciers gegevens tevens willen verwerken voor andere doelen. Dit is soms ook onderdeel van hun verdienmodel. Zolang de leverancier transparant is over deze doelen en de leverancier zélf een rechtmatige verwerkingsgrondslag heeft kan de dienst AVG-compliant zijn. Van de individuele consument kan bijvoorbeeld toestemming worden gevraagd, die deze betrokkene vrijelijk al dan niet kan geven. Deze dienst echter inzetten als grotere organisatie (bijv. een bedrijf) kan dan problematisch zijn als die «eigen» doelen van de leverancier niet aansluiten op de doelen waarvoor de gegevens verzameld zijn. Per geval zal dus moeten worden bezien of een dienst op rechtmatige wijze in gebruik genomen kan worden. Het is dan ook niet in alle gevallen mogelijk om bij toegang tot de Europese markt te bepalen of software aan de AVG-eisen voldoet.
Deelt u de mening van Ronald Verbeek, directeur van het Platform, namelijk dat niet de gebruiker van software, maar de ontwikkelaar verantwoordelijk moet zijn voor het implementeren van AVG-eisen? Zo ja, wat vindt u ervan dat de gebruikers van niet-veilige software een boete kunnen krijgen van 20 miljoen euro of 4% van hun jaarlijkse omzet? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven biedt de AVG een eigen systematiek voor de verdeling van verantwoordelijkheden bij het verwerken van persoonsgegevens. Deze verdeling kan naar gelang het handelen van betrokken partijen veranderen: als de verwerker zich gaat gedragen als de partij die eigenstandig bepaalt dat het gegevens gaat verwerken, dan moet deze partij als verwerkingsverantwoordelijke worden aangesproken.
Basis van dit systeem is wel dat de partij die de gegevens van burgers verwerkt en bepaalt wat daarmee gebeurt in beginsel verantwoordelijk – en daarmee aanspreekbaar – blijft voor de verwerking. De verwerkingsverantwoordelijke kiest er immers voor om met een bepaalde verwerker in zee te gaan en maakt afspraken met deze verwerker. Die systematiek vind ik juist, omdat burgers anders controle over hun gegevens verliezen. Het is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens om te bepalen ten aanzien van welke partij(en) zij handhavend optreedt.
Deelt u de mening dat de Nederlandse overheid meer moet doen om techgiganten te bewegen tot het implementeren van AVG-richtlijnen om op deze manier Nederlandse bedrijven te helpen in het beschermen van persoonsgegevens? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 4 aangegeven moet het vraagstuk omtrent het voldoen aan de eisen uit de AVG genuanceerd worden bezien. Het is te kort door de bocht om te stellen dat aanbieders van clouddiensten niet aan de AVG zouden voldoen, of hun klanten niet in staat willen stellen om aan de AVG te voldoen. Wél heb ik in antwoord op vraag 3 aangegeven dat ik ook zie dat het voor met name kleinere bedrijven lastig en kostbaar kan zijn om te vergewissen hoe de dienst van een potentiële verwerker precies functioneert, om vervolgens aangepaste voorwaarden af te dwingen om de dienst tóch af te kunnen nemen.
De Nederlandse overheid heeft middelen tot haar beschikking om solide onderzoek te verrichten naar de werking van bepaalde software pakketten, bijvoorbeeld door het uitvoeren van een Data Protection Impact Assessment (DPIA), om op basis daarvan in kaart te brengen hoe de verwerkersovereenkomst vorm moet krijgen. Voorbeeld hiervan betreft de DPIA door Strategisch Leveranciersmangement Rijk (SLM Rijk) is uitgevoerd naar Google G Suite Enterprise waarover uw Kamer door de Minister van Justitie en Veiligheid is geïnformeerd.5 Deze DPIA is voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens omdat er door SLM Rijk restrisico´s zijn geconstateerd. De AP brengt hier binnenkort schriftelijk advies over uit. Momenteel worden de mogelijkheden verkend om deze aanpak te verbreden tot de andere strategische leveranciers van de rijksoverheid. Door het systematisch beoordelen van dergelijke softwarepakketten door de overheid en de AP wordt er duidelijkheid verschaft over de mate waarin het gebruik mogelijk is binnen de grenzen van de AVG.
Ik verwacht dat leveranciers eventuele geconstateerde risico´s serieus nemen en met de Nederlandse overheid zullen werken aan het gezamenlijk aanpakken daarvan. Het is van belang te benadrukken dat er in dit geval dus geen sprake is van het gezamenlijk werken aan of ontwikkelen van softwarepakketten. Het is dan ook terecht dat de overheid geen «eigenaar» van de software is. Wél kunnen overheden en private partijen in de toekomst mogelijk profiteren van het werk dat voor deze DPIA´s wordt verricht en van eventuele aanpassingen die als gevolg daarvan aan contracten worden gedaan. Daarom deelt de overheid waar mogelijk haar kennis, inzichten en ervaringen, bijvoorbeeld door het publiceren van voornoemde DPIA´s.
Voorts zet het kabinet ook in op Europese samenwerking om gezamenlijk de kwaliteit en kwantiteit van aangeboden clouddiensten te stimuleren. Eind 2020 heeft het kabinet een verklaring ondertekend voor een Europees initiatief voor een «cloudfederatie», waarmee lidstaten zich hebben gecommitteerd om gezamenlijk te werken aan en te investeren in Europees verbonden data- en cloud infrastructuren.6 Daarnaast is er het initiatief GAIA-X, waarbij door het ontwikkelen van standaarden bestaand «cloud aanbod» verbonden en verrijkt wordt, gebaseerd op Europese regelgeving. Voorts werkt TNO aan het oprichten van een Nederlandse GAIA-X hub, waar gezamenlijk use cases ontwikkeld kunnen worden.
Ook de Online Trust Coalitie (OTC) werkt in Europees publiek-privaat verband aan deze problematiek, waarbij zowel het perspectief van de aanbieder als dat van de afnemer wordt geadresseerd. De OTC zet in op het ontwikkelen van eenduidige, efficiënte methode waarmee leveranciers van clouddiensten kunnen aantonen dat hun diensten betrouwbaar en veilig zijn, en die afnemers de gewenste duidelijkheid geeft bij de invulling van de relevante wet- en regelgeving, zoals de AVG.
Het bericht dat de ceo altijd een minister kan bellen |
|
Renske Leijten |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Hoe kan het dat er een groot verschil in mate van openbaarheid zit tussen de verschillende ministeries als het gaat om contacten met externe partijen?1
Het kabinet heeft het uitgangspunt dat departementen transparant zijn over hun contacten met het bedrijfsleven, evenals met andere externe partijen, en deze zo veel mogelijk openbaar maken.
Departementen en bewindspersonen hebben een eigen verantwoordelijkheid voor de inhoud en wijze waarop zij communiceren over hun agenda’s, werkbezoeken en gehouden speeches. Wekelijks publiceren de bewindslieden een overzicht van hun openbare agenda. De agenda bevat de bezoeken van de bewindspersoon (in- en uitgaand) die betekenisvol zijn als het gaat om de politieke en beleidsprioriteiten. De agenda bevat eveneens overleggen met besturen van stakeholders en werkbezoeken aan partners en organisaties. Ook digitale werkbezoeken en overleggen via communicatietechnologie worden hierin opgenomen. Ieder departement neemt een eigenstandige beslissing over het openbaren van informatie, waarmee recht wordt gedaan aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Dat laat onverlet dat ik zal bevorderen dat er zoveel als mogelijk een eenduidige lijn zal worden gehanteerd.
Waarom nemen 17 grote bedrijven zoveel tijd in beslag in de agenda’s van verschillende Ministers terwijl zij ook een belangenbehartiger hebben, in VNO-NCW? Kunt u verklaren hoe dit komt?
Het lidmaatschap van een ondernemersvereniging sluit contacten tussen individuele bedrijven en Ministers niet uit.
Hoe vaak wordt er naast de contacten met deze bedrijven nog door de ministeries met VNO-NCW gesproken?
Voor een overzicht van de komende afspraken en afspraken in het verleden van bewindspersonen met VNO-NCW verwijs ik u naar de openbare agenda van de departementen op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries. Voor de Ministeries EZK, AZ en BZK gaat het voor de periode 2017 tot nu om in totaal 59 afspraken.
Vindt u het zorgelijk dat 17 bedrijven maar liefst 30% van de afspraken in beslag nemen? Vindt u dit evenredig? Zo ja, waarom?
Het is van belang dat het Rijk op verschillende manieren zicht houdt op hoe beleid in de praktijk uitwerkt. Het kabinet hecht aan persoonlijk, open en vertrouwelijk contact met allerlei partijen – met soms zeer uiteenlopende belangen – om beleidsopties te verkennen en de kwaliteit van wet- en regelgeving te verbeteren. Zo praat het kabinet, zoals ook het onderzoek (Juffer 20212) genoemd in het NRC-artikel laat zien, met veel verschillende partijen uit de samenleving om tot een zo goed mogelijk afgewogen en uitvoerbaar beleid te komen. Naast bedrijven en belangenorganisaties praat het kabinet o.a. met vakbonden, ngo’s, burgers, jongeren, en (wetenschappelijke) adviesorganen zoals de SER, PBL en CBS.
Het onderzoek geeft aan dat het aantal bezoeken van bedrijven verklaarbaar is, omdat ministeries voor de interactieve beleidsontwikkeling input krijgen van het bedrijfsleven. Zoals ik ook in mijn vervolgantwoorden op uw vragen aangeef, gaat het niet zozeer om het aantal afspraken als zodanig, maar om de totstandkoming van het besluitvormingsproces zelf. Het gaat erom dat er een eerlijk en gelijk speelveld is door gelijke toegangsmogelijkheden.
Op welke wijze ziet u toe dat de regering niet overmatig belobbyd wordt door enkele bedrijven, terwijl de problemen in de samenleving veel breder zijn? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zoals in het notaoverleg op de nota «Lobby in daglicht» besproken, hecht het kabinet waarde aan een eerlijk en gelijk speelveld. Hierbij geldt dat de bewindspersoon er zelf voor verantwoordelijk is om de belangen van de gesprekspartner af te wegen tegen het algemeen belang.
Waarom is er geen structurele handhaving om afspraken met lobbyisten, formeel of informeel, openbaar te maken? Bent u bereid hierop toe te zien? Zo nee, waarom niet?
Zoals is toegelicht in de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Lobby in daglicht: luisteren en laten zien3» hecht het kabinet aan open contact met maatschappelijke partijen. Daarbij is tevens aangegeven dat in de Nederlandse verhoudingen lobbyen in de zin van interactieve beleidsontwikkeling als constructief wordt beschouwd. Burgers, bedrijven en organisaties moeten de mogelijkheid hebben om in een vroeg stadium te worden betrokken bij de beleidsontwikkeling en om bij politiek en bestuur hun belangen te behartigen. Dat is waardevol om beleidsopties te verkennen en de kwaliteit van wetgeving te verbeteren. Het kan inzicht geven in standpunten, argumenten en belangen, of draagvlak creëren voor beleid. Voor de kwaliteit van beleidsvorming en wetgeving is het van essentieel belang dat signalen van de buitenwereld worden ontvangen en worden meegewogen.
Lobbyactiviteiten ten behoeve van het behartigen van deze belangen kunnen ook risico’s met zich brengen. Dat staat vermeld in de initiatiefnota «Lobby in daglicht: luisteren en laten zien» en is aangegeven in de kabinetsreactie. «Mensen met een sterke positie, macht of geld kunnen de boventoon voeren en lobbyactiviteiten kunnen leiden tot onzuivere verhoudingen, vriendjespolitiek, belangenverstrengeling of schimmige praktijken.»4 Deze risico’s kunnen volgens het kabinet het best worden bestreden door de in die kabinetsreactie weergegeven standpunten over transparantie, openheid en openbaarheid. Zoals ook is vermeld in het kabinetsstandpunt over de transparantie van het wetgevingsproces5 geeft het kabinet de voorkeur aan openheid over besluitvormingsprocessen in plaats van een volledige specificatie van contacten met lobbyisten, lobbyorganisaties of andere maatschappelijke partijen of individuen. Dat laatste is in de regel statische informatie die geen inzicht geeft in de mate van beïnvloeding en de beïnvloedingswijze bij concrete besluitvormingstrajecten. In de memorie van toelichting bij een wetsvoorstel wordt een paragraaf opgenomen over de reacties op het conceptwetsvoorstel. De inhoud van de reactie en het gegeven vervolg wordt in deze paragraaf besproken. Op deze manier wordt inzicht verschaft in de invloed van inbreng van externe partijen op de totstandkoming van het wetsvoorstel. Voorts worden de overzichten van de eerdergenoemde openbare agenda’s van Ministers gepubliceerd.
Bent u het eens dat het in het kader van transparantie ook belangrijk is dat het telefonische contact met dit soort bedrijven opgenomen wordt in het overzicht? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft het uitgangspunt dat departementen waar mogelijk transparant zijn over hun contacten met externe partijen. Naar aanleiding van de initiatiefnota «Lobby in daglicht: luisteren en laten zien» verschaft elk departement inzicht in agenda-afspraken van de bewindspersonen, door hen afgelegde werkbezoeken en gehouden toespraken door publicatie op rijksoverheid.nl. Ook digitale werkbezoeken en andere overleggen via communicatietechnologie worden hierin opgenomen. Het is aan de departementen om telefonisch overleg hierin mee te nemen. Hierbij benadrukt het kabinet dat het gaat om de aard van het overleg. Elke Minister kan daarin een eigen afweging maken.
Wat is er volgens u verbeterd naar aanleiding van het rapport van de GRECO waarin Nederland slecht scoort op het gebied van openbaarheid van lobby?2
De GRECO heeft Nederland in de vijfde evaluatieronde betreffende «preventie van corruptie en versterking van integriteit bij de hoogste uitvoerende functies in de centrale overheid en bij de rechtshandhavingsinstanties», aanbevolen om regels te ontwikkelen omtrent de omgang met lobbyisten. Het kabinet is bezig met de uitwerking van de aanbevelingen van de GRECO. De GRECO heeft in zijn vergadering van 22 t/m 25 maart 2021 het compliance rapport vastgesteld. Het kabinet zal het rapport op korte termijn aan uw Kamer sturen en u informeren over de voortgang en het voornemen om in elk geval de omgang met lobbyisten te vatten in gedragsregels.
Maakt u zich grote zorgen over het gebrek aan transparantie? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet heeft het uitgangspunt dat departementen waar mogelijk transparant zijn over hun contacten met het bedrijfsleven, maar ook hun contacten met andere partijen zo veel mogelijk openbaar maken. Zoals vermeld zet het kabinet zich in om transparantie te bieden over besluitvormingsprocessen.
Erkent u dat het slecht is voor het aanzien van de politiek als geheel als uit werk van onderzoeksjournalisten blijkt dat de rode loper uitligt voor grote bedrijven en dat problemen van mensen niet worden gehoord? Kunt u uw antwoord toelichten?
Alle reacties en bijdragen uit de samenleving bij beleidsvorming en de totstandkoming van wetten zijn even welkom. Dat geldt net zozeer voor de reacties van individuen of van organisaties met een ideële doelstelling als voor de reacties van bedrijven. Reacties komen de kwaliteit van wetgeving en beleid ten goede en verzekert dat de regering goed in contact blijft met de samenleving. In aansluiting op mijn vorige antwoorden, benadruk ik nogmaals dat door transparantie, openheid en openbaarheid van besluitvormingsprocessen, bijvoorbeeld in een wetgevingsproces, inzicht wordt geboden in de interactieve beleidsontwikkeling. Ambtenaren worden geacht zorgvuldig om te gaan met deze interactieve beleidsontwikkeling. In de totstandkoming van bijvoorbeeld wetgeving kan het parlement dat dan ook wegen. Het kabinet maakt uiteindelijk te allen tijde een eigen afweging en keuzes, waarbij het wensen en suggesties uit de samenleving hoort, maar niet per se doorslaggevend acht. Het kabinet kan vervolgens verantwoordelijk worden gehouden voor die afweging en keuzes. Deze worden vervolgens aan uw Kamer voorgelegd.
De wachtlijstproblematiek in de jeugdpsychiatrie naar aanleiding van de mondelinge vraag van het lid Westerveld |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Wordt er door jongeren, in vergelijking met tien jaar geleden, vandaag de dag (relatief) vaker een beroep gedaan op de jeugdpsychiatrie? Met andere woorden, vertoont het percentage jongeren dat op een of andere manier een beroep moet doen op de jeugdpsychiatrie een stijgende trendlijn?
Het jeugdhulpgebruik groeide de afgelopen jaren rond de 3,2% per jaar, waarbij de ambulante jeugdhulp op locatie het sterkst groeide en de jeugdhulp met verblijf grofweg gelijk bleef. Voor 2020 zien we een daling in het jeugdhulpgebruik, met name bij de lichte vormen van hulp, ambulante hulp geleverd door wijkteams en ambulante hulp op locatie van aanbieders.1, 2 Omdat de Jeugdwet beoogt integraal hulp te bieden, wordt er geen afzonderlijke data bijgehouden over de jeugd-ggz.
Er zijn in de afgelopen jaren verschillende onderzoeken gedaan om inzicht te krijgen in hoe de jeugdhulpmiddelen worden ingezet door gemeenten. Zo heeft KPMG, in opdracht van VNG en VWS, onderzoek gedaan onder negen gemeenten naar de inzet van jeugdhulpmiddelen. Hieruit blijkt dat het aandeel in de uitgaven van specialistische ggz tussen 2016 en 2018 is gegroeid, terwijl voor jeugdhulp zonder verblijf, waaronder de generalistische ggz valt, het aandeel bij de door KPMG onderzochte aanbieders is gedaald.3
Er zijn daarmee nog vragen onbeantwoord: waardoor is jeugdhulp in totale omvang toegenomen? Komt dat omdat er nu bepaalde vormen van jeugdhulp worden vergoed die wellicht eerder niet werden vergoed? Is de omvang van specifieke zorgvormen toegenomen? Zijn sommige aanbieders nu enorm gegroeid ten koste van andere aanbieders? Om antwoord te krijgen op deze vragen wordt op dit moment nader onderzoek uitgevoerd naar ambulante jeugdhulp. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de opbrengsten hiervan. Ik vind het niet wenselijk om, vooruitlopend op deze resultaten, nieuw onderzoek uit te zetten.
Tot slot heb ik uw Kamer op 22 april geïnformeerd over de uitkomsten van het gesprek met gemeenten over een aantal acute financiële knelpunten in de jeugdzorg, waarbij het kabinet voor 2021 € 613 extra beschikbaar heeft gesteld.4
Onderdeel hiervan zijn afspraken over de wachtlijsten voor specialistische jeugdzorg. Daarvoor wordt ingezet op het intensiveren van het oppakken van complexe casuïstiek én het terugbrengen van wachttijden op basis van een goed inzicht en overzicht. Hiermee willen we onder andere inzetten op meer inzicht rondom wachttijden voor specialistische jeugdzorg.
Zou u, indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is, een onderzoek kunnen laten instellen waarom jongeren vandaag de dag vaker een beroep doen op de jeugdpsychiatrie?
Zie antwoord vraag 1.
De Duitse testplicht bij grenswerkers |
|
Romke de Jong (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Bas van 't Wout (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Duitse test-plicht zorgt voor ergernis en onduidelijkheid in Twente: «Hoop niet dat dit lang gaat duren»»?1
Ja.
Hoe is over deze Duitse testplicht gecommuniceerd aan grenswerkers?
Betrokkenen in de grensregio – veiligheidsregio’s, provincies, euregio’s, bedrijven en stakeholders – zijn zo snel mogelijk zodra de informatie bevestigd kon worden hierover geïnformeerd. Grenswerkers en ander grensverkeer kunnen sinds de officiële bekendmaking via de kanalen van de grensinformatiepunten, rijksoverheid.nl en het reisadvies op nederlandwereldwijd.nl informatie vinden over de Duitse verplichtingen, waarbij voor specifieke vragen moet worden doorverwezen naar informatie (via de website en telefonisch) van de Duitse autoriteiten.
Klopt het dat er geen uitzonderingen zijn voor mensen die wonen in Nederland maar werken in Duitsland, en dus continu een negatief testbewijs bij zich moeten hebben van ten hoogste 72 uur oud? Zo ja, waar vinden deze grenswerkers deze informatie?
Volgens de federale regels zijn alleen personen op doorreis en transportmedewerkers die korter dan 72 uur in Duitsland verblijven uitgezonderd van de testplicht. De testverplichting geldt dus inderdaad ook voor grenswerkers. De aan Nederland grenzende deelstaten Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen hebben in hun «Allgemeinverfügungen», waarmee ze de federale regels implementeren, wel aanvullende regels gesteld, die iets meer ruimte bieden voor grenswerkers, -scholieren en -studenten en frequent familiebezoek. Hierin staat dat grenspendelaars (werknemers, scholieren, studenten en mensen die de grens minstens 1 keer per week passeren om voor familieleden te zorgen) minder vaak, maar nog steeds een negatieve testuitslag van max. 72 uur oud (in plaats van 48 uur) moeten laten zien. Zij mogen deze test verder ook ná het passeren van de grens laten afnemen.
Informatie over de Duitse testplicht is onder meer te vinden via het reisadvies op www.nederlandwereldwijd.nl (zie ook het antwoord op vraag 2).
Voor wie zijn de kosten van dit testbewijs als mensen wonen in Nederland maar werken in Duitsland?
Zoals in de Kamerbrief waarbij deze beantwoording is gevoegd, wordt aangegeven, is het streven dat deze grenswerkers vanaf 7 mei zich kosteloos kunnen laten testen bij speciale testvoorzieningen in de Nederlandse grensstreek met Duitsland.
Hoeveel grenswerkers wonen in Nederland, maar werken in Duitsland?
Op basis van berekeningen van het CBS (grensdataportaal2) waren er in 2018 ruim 9.000 grenswerkers die in Nederland wonen en in Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen werken. Zelfstandigen zijn hierbij niet inbegrepen.
Bent u bereid om de GGD-testlocatie, al dan niet tijdelijk, ook toegankelijk te maken voor grenswerkers die in Nederland wonen maar in Duitsland werken, zodat zij van de GGD gratis een negatief testbewijs kunnen krijgen, ondanks dat eerder is gesteld dat de GGD hier niet voor bedoeld is? Zo nee, waarom niet?
Nee. De GGD'en testen met als doel om de infectieziektebestrijding tegen te gaan; het preventief testen en verstrekken van testbewijzen maken daar inderdaad geen onderdeel van uit. De uitslag die de GGD geeft, voldoet bovendien niet aan de Duitse criteria voor een testbewijs. Bij de digitale testuitslag staat wel een datum, maar ontbreken het tijdstip en de naam. Ook wordt in een aantal gevallen de uitslag niet schriftelijk, maar telefonisch teruggekoppeld.
Klopt het dat als mensen wonen in Duitsland maar werken in Nederland, zij zich in Duitsland wel gratis kunnen laten testen om een testbewijs te krijgen zodat zij naar Nederland kunnen reizen voor werk? Zo ja, bent u bereid dit ook te doen voor Nederlandse grenswerkers die in Duitsland werken?
In Duitsland biedt de overheid inderdaad voor inwoners van Duitsland gratis «burgertesten» aan. Iedere burger mag zich wekelijks preventief laten testen, waarbij na een kwartier de uitslag en een bijbehorend testbewijs wordt gegeven. Zoals aangegeven in de brief waarbij deze beantwoording is gevoegd, wordt voor onder meer grenswerkers die in Nederland wonen en in Duitsland werken een kosteloze testvoorziening in de Nederlandse grensstreek gecreëerd.
Bent u beiden in gezamenlijk overleg om een oplossing te bedenken voor de ontstane situatie van deze grenswerkers? Zo ja wat zijn hiervan de uitkomsten?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u, gezien de urgentie van de situatie, deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja, bij dezen.
Een malafide hostingbedrijf waartegen niet wordt opgetreden |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Het afvoerputje van het internet zit in een Noord-Hollands dorp»? Wat is hierop uw reactie?1
Ja. Het artikel toont de complexiteit van de aanpak van hostingbedrijven die criminaliteit faciliteren.
Kunt u bevestigen dat dit hostingbedrijf al jaren bij de autoriteiten op de radar staat wegens cybercriminaliteit, malware en kinderporno op het netwerk?
Zoals u bekend ga ik niet in op individuele gevallen. Ten aanzien van kinderporno verbreedde ik in 2018 de bestaande aanpak met zowel preventieve activiteiten als een gerichte publiek-private aanpak voor een schoner internet2. In 2018 voerde ik hierover rondetafelgesprekken met onder andere vertegenwoordigers namens internetbedrijven, daarbij is de gezamenlijk behoefte onderstreept om een scherp en onafhankelijk beeld te krijgen van welke bedrijven hoeveel kinderporno hosten3. Daarop heb ik aan de Technische Universiteit Delft gevraagd hiervoor een monitorinstrument te bouwen en een meting uit te voeren. Dit hostingbedrijf kwam naar voren in de resultaten van deze monitor4.
Hoe bestaat het dat dit bedrijf, waarvan iedereen leek te weten wat er gaande was, kennelijk al die jaren ongehinderd haar gang kon gaan? Waarom is er al die jaren niet (met succes) strafrechtelijk opgetreden tegen een bedrijf waarvan breed bekend was dat het het internet vervuilde met cybercrime, kinderporno en malware?
Zoals u bekend ga ik niet in op individuele gevallen. Op grond van Europese regelgeving en de Nederlandse implementatie daarvan zijn hostingproviders onder voorwaarden niet aansprakelijk voor de gedragingen van hun klanten. De beperking van aansprakelijkheid voor hostingproviders die wordt geregeld in artikel 14 van de E-Commercerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 54a Sr. Artikel 54a Sr stelt dat hostingproviders in beginsel niet vervolgd kunnen worden vanwege wederrechtelijke materiaal dat door klanten op hun servers wordt geplaatst, indien zij doen wat redelijkerwijs van hen gevergd kan worden wanneer ze op bevel van de officier van justitie (125p Sv) gegevens ontoegankelijk moeten maken. Een bevel om een dienst ontoegankelijk te maken is gericht op individuele inhoud en niet op de hostingprovider als zodanig. Het voorkomt niet dat een hostingprovider opnieuw klanten toelaat die wederrechtelijk materiaal plaatsen op de servers van de hostingproviders.
Is hier sprake van een gebrek aan capaciteit, een gebrek aan expertise, en/of een gebrek aan bevoegdheden in de wetgeving om een dergelijk malafide bedrijf aan te pakken? Wat is uw analyse hiervan?
Het OM en de politie richten zich binnen de opsporingsonderzoeken die zij uitvoeren onder meer op hostingbedrijven die bewust criminaliteit faciliteren. Zoals eerder benoemd zijn hostingproviders op basis van huidige wet- en regelgeving onder voorwaarden niet strafrechtelijk aansprakelijk voor hetgeen zich op hun netwerken bevindt.
De afgelopen jaren is er geïnvesteerd in de aanpak van cybercrime bij politie en OM. Zo heeft de politie in iedere regionale eenheid een cybercrimeteam en is de politie met 145fte uitgebreid. Al eerder heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitdagingen bij opsporing in het digitale domein5. Het Team High Tech Crime en het Landelijk Parket signaleren een toename in de (technische) complexiteit van opsporingsonderzoeken. Dit beïnvloedt de duur en benodigde capaciteit voor opsporingsonderzoeken. Mede met het oog op deze ontwikkeling is het van belang om in te blijven zetten op een effectieve en adequate aanpak van online criminaliteit, zodat het internet geen vrijplaats voor criminelen wordt.
Zijn de plannen en maatregelen die u heeft voorgesteld afdoende om zoiets in de toekomst eerder aan te pakken dan nu is gebeurd? Zo ja, welk plan of maatregel in het bijzonder?
Ik wil u wijzen op drie trajecten die in dit kader lopen. Ten eerste zal het opvolgen van verwijderverzoeken van kinderporno met dwangsommen en bestuurlijke boetes worden gehandhaafd. In het kader van mijn versterkte aanpak van online seksueel kindermisbruik loopt een internetconsultatie voor een wetsvoorstel waarmee een op te richten autoriteit daartoe een stevig bestuursrechtelijk handhavingsinstrumentarium krijgt. De autoriteit zal niet alleen boetes uitdelen wanneer hostingbedrijven na een melding kinderpornografisch materiaal niet snel genoeg van hun netwerk verwijderen, maar ook op een zorgplicht handhaven.
Ten tweede werk ik samen met het Ministerie van EZK aan maatregelen om het faciliteren van criminaliteit via hostingbedrijven tegen te gaan. Hierbij wordt gekeken naar de Europese regelgeving waarop de beperking van de aansprakelijkheid voor hostingproviders is gebaseerd. Ter vervanging van de bepalingen uit de huidige E-Commerce richtlijn over de aansprakelijkheid van tussenpersonen heeft de Europese Commissie in december 2020 een voorstel voor een nieuwe verordening gepubliceerd (de Digitale Services Act). Het BNC-fiche is op 12 februari jl. naar uw Kamer gestuurd6. In het voorstel worden hostingaanbieders onder andere verplicht een toegankelijk notificatiemechanisme in te stellen waarbij illegale inhoud gemeld kan worden en wordt verduidelijkt dat hostingaanbieders hun beperking van aansprakelijkheid kunnen verliezen wanneer zij na een melding van illegale inhoud deze niet prompt verwijderen of ontoegankelijk maken. Het kabinet steunt de invoering van deze maatregelen. Het voorstel wordt momenteel in EU-verband besproken.
Tot slot zijn door de hostingsector zelf initiatieven gestart om het misbruik van Nederlandse netwerken tegen te gaan. Het meest recente voorbeeld hiervan is het in 2020 opgerichte Anti Abuse Netwerk (AAN). Deze coalitie van publieke en private partijen zet zich in voor de bestrijding van misbruik van de technische infrastructuur. Daarnaast is er door de sector een gedragscode «abusebestrijding»7 ontwikkeld die breed in de sector wordt gehanteerd met het doel het schoon en veilig houden van Nederlandse internet. Ook bestaat er commitment binnen de sector voor het binnen 24 uur verwijderen van kinderporno na een melding van het Expertisebureau Online Kindermisbruik (EOKM).
Het bericht dat duizenden zorgmedewerkers de zorgbonus missen |
|
Maarten Hijink |
|
Tamara van Ark (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u ervan dat duizenden zorgmedewerkers die dachten de zorgbonus te ontvangen, deze niet krijgen omdat werkgevers of opdrachtgevers hen geen zorgbonus toekennen?1
Het kabinet heeft met de subsidieregeling «bonus zorgprofessionals COVID-19» (hierna: bonusregeling) haar waardering uitgesproken voor de enorme inzet die zorgprofessionals tijdens de Covid-19-pandemie hebben laten zien. De bonusregeling komt voort uit de aangenomen Kamermotie die spreekt over een blijk van waardering voor de zorgprofessionals die in de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2020 een uitzonderlijke prestatie hebben verricht in de strijd tegen Covid-19. In de motie wordt gesteld dat de waardering voor die prestatie niet alleen met een welgemeend applaus, maar ook in financiële zin moet worden geuit. De bonusregeling is de uitwerking daarvan.
Met de bonusregeling zijn de financiële middelen ter beschikking gesteld aan zorgaanbieders voor het toekennen van een netto bonus van € 1.000. Deze bonus was bedoeld voor zorgmedewerkers die in de periode 1 maart 2020 – 1 september 2020 een uitzonderlijke prestatie hebben verricht in de strijd tegen COVID-19. Hoewel iedereen in de sector zorg en welzijn belangrijk werk doet, is de bonus dus specifiek voor deze groep bedoeld. De bonusregeling is een aanvulling op de reguliere beloningsmogelijkheden die elke zorgaanbieder als werkgever in Nederland heeft conform de van toepassing zijnde cao’s. Zorgaanbieders kunnen vanuit hun reguliere beloningsbeleid desgewenst aan uitzonderlijke prestaties zelf een extra beloning verbinden.
Het was aan de zorgaanbieder om te beoordelen of werknemers voor de bonus die met de bonusregeling ter beschikking is gesteld in aanmerking zouden komen. Het uitgangspunt van de bonusregeling was dat zorgaanbieders alléén voor degenen zouden aanvragen waarop de regeling was gericht. Dit uitgangspunt is bewust gekozen, omdat de werkgever het beste zicht heeft op de prestaties van werknemers op de werkvloer. De rijksoverheid kan overigens de bonus niet zelf uitkeren aan de zorgprofessionals.
Om zorgaanbieders bij deze beoordeling te ondersteunen is door het Ministerie van VWS een handreiking opgesteld. Het wel of niet toekennen van de bonus behoorde tot de beoordelingsruimte van de zorgaanbieder. Dit uiteraard binnen de randvoorwaarden die in de bonusregeling zijn gesteld: er gold een maximum aan de verdiensten van de medewerker van 2x modaal, de zorgprofessional heeft gewerkt in de periode van 1 maart 2020 tot 1 september 2020 en de werkzaamheden zijn in dienstverband dan wel in opdracht van de zorgaanbieder verricht.
Van een opeisbaar recht op de bonus, indien aan de voorwaarden uit de bonusregeling werd voldaan, is geen sprake. Er dient naar het oordeel van de zorgaanbieder ook sprake te zijn van een uitzonderlijke prestatie in de zorg voor Covid-patiënten of de strijd tegen Covid-19. De zorgaanbieder beoordeelt of dat het geval is; de zorgaanbieder heeft immers zicht op de werkzaamheden van de zorgprofessional. Daarom is het niet mogelijk dat de zorgverlener of zzp’er voor zichzelf een aanvraag voor de bonus indient, deze kan immers niet objectief beoordelen of een uitzonderlijke prestatie is geleverd. Daarbij dient de kanttekening gemaakt te worden dat het oordeel van de werknemer en de werkgever kunnen verschillen. Indien deze situatie zich heeft voorgedaan, dan is het aan de werknemer om met de zorgaanbieder hierover in gesprek te gaan en om een toelichting te vragen. Dat neemt niet weg dat het niet ontvangen van de bonus, indien deze situatie zich voor heeft gedaan, als een teleurstelling door de betreffende zorgprofessional kan worden ervaren.
Heeft u in beeld hoeveel zorgverleners onterecht geen bonus hebben gekregen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Alle zorgprofessionals doen belangrijk werk. Ik spreek mijn waardering daarvoor uit. Zeker in deze tijden. Echter, niet alle zorgprofessionals hebben een uitzonderlijke prestatie geleverd in de strijd tegen COVID-19. Er is namelijk ook zorg- en dienstverlening stil komen te liggen, of zorg heeft op aangepaste wijze doorgang gevonden. Voor deze zorgprofessionals is de bonus niet bedoeld. Het was aan de werkgevers om daarin een keuze te maken.
Bij het opstellen van de bonusregeling is ervan uit gegaan dat naar schatting 2/3 deel van de zorgprofessionals in de sector zorg en welzijn mogelijk een uitzonderlijke prestatie heeft geleverd in de strijd tegen COVID-19. We zien dat er in de praktijk in ruime mate subsidie is aangevraagd: zorgaanbieders hebben gemiddeld genomen voor ca 88% van hun personeelsbestand een bonus aangevraagd. Op basis van CBS cijfers weten we dat er in de periode maart-september 2020 1,37 miljoen werknemers werkzaam waren in zorg en welzijn. Daarvan verdienen circa 1,3 miljoen werknemers minder dan 2x modaal, een subsidievoorwaarde. Samen met het aantal derden van circa 0,1 miljoen gaat het om circa 1,4 miljoen zorgprofessionals. Aan 1,144 miljoen van hen is een bonus uitgekeerd. Dit betreft ruim 1,06 miljoen werknemers en bijna 84.000 derden (zzp’ers, uitzendkrachten en ingehuurde schoonmakers). Dit betekent dat aan het merendeel van de zorgprofessionals een bonus is toegekend.
Ik heb op basis van deze cijfers niet de indruk dat er op grote schaal medewerkers zijn vergeten bij het toekennen van een bonus in verband met een uitzonderlijke prestatie in de strijd tegen COVID-19.
Hoe verklaart u dat duizenden zorgmedewerkers die wél aan de voorwaarden voldoen toch niet in aanmerking komen voor een zorgbonus? Deelt u de mening dat dit zeer onrechtvaardig is? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat u een te onduidelijke regeling heeft gepresenteerd waardoor nu duizenden zorgmedewerkers geen zorgbonus krijgen? Wat gaat u doen om dit recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De voorwaarden op grond waarvan door een zorgaanbieder een verzoek om subsidie voor het toekennen van een bonus kon worden ingediend, zijn helder omschreven in de bonusregeling en sinds de publicatie van de bonusregeling in september 2020 terug te lezen. Wij horen dat de criteria helder zijn, op één punt na, namelijk dat de «uitzonderlijke prestatie» ruim is gedefinieerd. Dit is bewust zo gedaan om zorgaanbieders ruimte te bieden zelf in te schatten wie een bonus moet krijgen en wie niet. Alleen de zorgaanbieder kan dit zoals bij mijn antwoord op vraag 1 en 3 reeds toegelicht beoordelen.
Gaat u ervoor zorgen dat die zorgmedewerkers die voldoen aan alle eisen uit de regeling en waarvoor geen zorgbonus is aangevraagd, deze alsnog een zorgbonus krijgen over 2020 en 2021? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het afschuiven van uitbetalingen bij letselschade door verzekeraars aan gemeenten. |
|
Michiel van Nispen , Maarten Hijink , Renske Leijten |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Bent u op de hoogte van de gang van zaken waarbij verzekeraars slachtoffers van letselschade doorverwijzen naar gemeenten en dat daardoor niet alleen slachtoffers van het kastje naar de muur gestuurd worden, maar de belastingbetaler uiteindelijk ook opdraait voor kosten waar de verzekeraar eigenlijk voor zou moeten opdraaien?1, 2
Het is mij bekend dat verzekeraars slachtoffers met letselschade soms dwingend doorverwijzen naar gemeenten. Deze handelwijze is niet in overeenstemming met het recht. De verzekeraar van de aansprakelijke partij dient de door aansprakelijke partij veroorzaakte schade te vergoeden, indien hij daarvoor wordt aangesproken. Een verzekeraar van de aansprakelijke partij mag niet van een slachtoffer verlangen dat hij zich eerst tot de gemeente wendt voor een beroep op ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De aansprakelijkheidsverzekeraar is geen partij waartoe een slachtoffer zich pas kan wenden nadat andere wegen zijn uitgeput. Het slachtoffer heeft daarentegen de vrije keuze tussen gemeente en verzekeraar.
Wat vindt u van het feit dat slachtoffers door de verzekeraar van de tegenpartij vaak naar de gemeente worden verwezen, om daar de kosten van bijvoorbeeld een rolstoel of aanpassing van een huis te claimen, terwijl dit door de verzekeraars zelf moet worden betaald? Ziet u ook in dat slachtoffers hier de dupe van kunnen worden?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de overgenomen motie Van Nispen waarin verzocht werd de belangen van letselschadeslachtoffers niet in het gedrang te laten komen door het handelen van verzekeraars? Hoe verhoudt zich de staande praktijk, van het doorverwijzen van slachtoffers door verzekeraars naar gemeenten, met die overgenomen motie?3
De motie van Nispen is ons bekend. Het belang van slachtoffers met letselschade moet centraal blijven staan.
In de praktijk heeft het slachtoffer de vrijheid om te kiezen tussen gemeente en verzekeraar. Het slachtoffer kan zo zelf beoordelen welke ondersteuning voor hem het beste is. Als het voor een slachtoffer beter is zich eerst te wenden tot publieke voorzieningen, mag hij deze mogelijkheid benutten.
De gemeente kan een slachtoffer dat zich tot de gemeente wendt in het kader van de Wmo 2015 niet weigeren en doorverwijzen naar de aansprakelijkheidsverzekeraar. Verzekeraars mogen niet standaard verwijzen naar de Wmo 2015, dat is niet in overeenstemming met het recht. In de praktijk zal de verzekeraar soms wel wijzen op specifieke mogelijkheden bij de gemeente. Gedacht kan worden aan bepaalde voorzieningen die alleen een gemeente kan bieden zoals een invalidenkaart of een urgentieverklaring voor een andere woning.
Gemeenten kunnen voor iemand die een Wmo-voorziening aanvraagt, mits deze persoon vanaf 2019 een ongeval heeft gehad waarvoor een derde aansprakelijk is, de kosten declareren bij de aansprakelijkheidsverzekeraar.
Verzekeraars en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) werken indien nodig samen om het regresrecht voor gemeenten zo goed mogelijk in te richten. Op 21 mei jl. is een door het Verbond van Verzekeraars ontwikkeld model-schadeformulier op de website van de VNG geplaatst om gemeenten te ondersteunen bij het nemen van regres.
Wat vindt u van het voorbeeld, zoals genoemd in het artikel: «7 jaar geleden werd Anna’s neef aangereden, hij wacht nog altijd op zijn geld», waarbij een slachtoffer nu dus al zeven jaar wacht op een vergoeding? Kunt u daarbij ingaan op de vraag wat u een redelijke termijn acht voor uitbetaling van de schadevergoeding en op de opstelling van verzekeraars in dergelijke kwesties?
Het verhaal van het slachtoffer is aangrijpend. Ik kan me goed voorstellen dat het lange wachten en de daarmee gepaard gaande onzekerheid erg frustrerend voor betrokkene is. De achtergronden van de zaak ken ik niet, evenmin als de beweegredenen voor het handelen van de betrokken gemeente en verzekeraar. Het is van groot belang dat de schade-afhandeling van slachtoffers zo voortvarend en zorgvuldig mogelijk ter hand wordt genomen. Een vaste afhandelingstermijn is niet te geven. Wat de juiste termijn is, is afhankelijk van de omstandigheden van een individueel geval. Het belangrijkste is een adequate schade-afhandeling, waarbij het belang van de gedupeerde centraal staat, de gedupeerde zich gehoord weet, en houvast wordt geboden over onder meer het verloop van de schade-afhandeling.
Wat vindt u van de reactie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, waarin wordt aangegeven dat: «Slachtoffers niet gehouden [zijn] zich eerst tot de gemeente te wenden voor een beroep op ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), om zich daarna pas tot de aansprakelijkheidsverzekeraar te kunnen wenden»?4 Wat heeft de neef van Anna nu aan een dergelijke reactie? Met andere woorden: welke concrete actie mogen de neef van Anna en mensen in een soortgelijke positie, op dit punt van de overheid verwachten? Gaat u de verzekeraars hierop aanspreken? Komen er boetes te staan op het onterecht en onnodig doorverwijzen van slachtoffers?
Ik onderschrijf het antwoord van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Het is aan de gemeente en de verzekeraar om slachtoffers met letselschade goed voor te lichten over de verantwoordelijkheid van de verzekeraar tot het vergoeden van schade, de mogelijkheden van een beroep op voorzieningen van de Wmo 2015 en de verhouding hiertussen. Indien een slachtoffer zich tot de gemeente wendt met een verzoek om ondersteuning op grond van de Wmo 2015, behoort de gemeente hem zo goed mogelijk voor te lichten en tevens te wijzen op de verschillende mogelijkheden die er bestaan. Als een slachtoffer zich tot de verzekeraar wendt voor vergoeding van een schadepost die valt onder de Wmo 2015 dan kan de verzekeraar de belangenbehartiger wijzen op het verkrijgen van een (maatwerk) voorziening via de gemeente.
Gelet hierop acht ik boetes op het onterecht en onnodig doorverwijzen niet aangewezen. Zou een verzekeraar zijn medewerking aan een schade-afhandeling toch nog weigeren onder de enkele verwijzing naar de Wmo 2015, dan staat het een slachtoffer vrij om een geschil bij de rechter aanhangig te maken, desgewenst een kort geding.
Verder merk ik op dat de Wmo 2015 de VNG en de verzekeraars nog steeds de mogelijkheid biedt tot het sluiten van een convenant inzake regresrecht. Het is aan VNG en de verzekeraars om gezamenlijk te kijken wat hier de mogelijkheden voor zijn.
Wat vindt u van de huidige «Handreiking Zorgschade»5 en met name Stap 6 van het stappenplan, waarbij voor financiering van de zorgbehoeften van een slachtoffer publieke gelden als startpunt worden genomen en pas als deze helemaal uitgeput zijn de verzekeraar in beeld komt? Is dit wat u betreft de juiste volgorde? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid om in overleg te treden met de Letselschade Raad en het Verbond van Verzekeraars om de handreiking aan te passen, zodat slachtoffers niet altijd eerst naar gemeente worden verwezen?
Ik onderschrijf het belang van de Handreiking Zorgschade. De Handreiking Zorgschade heeft als doel letselschadeslachtoffers met een blijvende, intensieve en complexe zorgvraag te faciliteren in de zorgsituatie die past bij hun wensen en mogelijkheden. De Handreiking ziet met andere woorden alleen op gevallen van letsel met uitzonderlijk ernstige en langdurige gevolgen.
De Handreiking heeft niet als uitgangspunt dat voor financiering van deze zorgvraag eerst de publieke gelden worden uitgeput, alvorens de verzekeraar in beeld komt. De Handreiking Zorgschade stelt daarentegen het belang van het slachtoffer bij een voortvarende en zorgvuldige schade-afhandeling centraal. De insteek van de Handreiking is dat verzekeraar en gemeente gezamenlijk optrekken om de zorg en voorzieningen voor het slachtoffer zo goed mogelijk te organiseren, ieder vanuit haar eigen verantwoordelijkheid. Hierbij kunnen partijen zich bij laten staan door een zorgschadedeskundige, die als rol krijgt om het slachtoffer te «ontzorgen» en bij te staan in dit proces.
Dat kan bijvoorbeeld inhouden dat een belangenbehartiger van het slachtoffer of de zorgschadedeskundige met de gemeente afspreekt dat de gemeente de aanvraag voor een Wmo-voorziening in behandeling neemt om een maatwerkvoorziening te realiseren. Een voorbeeld is de aanpassing van een woning, waarvoor een bouwvergunning nodig is. De gemeente kan daarvoor versneld een vergunning afgeven, als er sprake is van een Wmo-voorziening. De belangenbehartiger kan vervolgens met de gemeente en de verzekeraar van de aansprakelijke partij afspreken, dat de aanpassing door de verzekeraar wordt bekostigd. In ieder individueel geval kan zo door partijen maatwerk worden geboden en worden beoordeeld of het betrekken van de Wmo meerwaarde heeft.
Klopt het dat gemeenten de kosten die ze maken voor letselschadeslachtoffers nauwelijks verhalen op verzekeraars, omdat ze simpelweg geen geld en tijd hebben om dat proces te doorlopen?
Het is mij bekend dat het voorkomt dat gemeenten afzien van het verhalen van kosten op verzekeraars. Het is een gemeentelijke verantwoordelijkheid om, indien men een slachtoffer vanuit de Wmo 2015 ondersteuning heeft geboden terwijl de verzekeraar dit ook had kunnen vergoeden, deze kosten te verhalen op de verzekeraar. Ik sluit mij derhalve aan bij het advies van de VNG aan gemeenten om in regioverband een contract te sluiten met een in aansprakelijkheidsrecht gespecialiseerd advocatenkantoor om op die wijze het regres te claimen. Ik zie hier vooralsnog geen taak voor de rijksoverheid weggelegd. Verder wijs ik op het antwoord op vraag 5, waar de mogelijkheid tot het sluiten van een convenant inzake regresrecht wordt genoemd.
Ziet u ook in dat zolang gemeenten de door hen gemaakte kosten niet (kunnen) verhalen op verzekeraars, het voor verzekeraars loont om slachtoffers door te verwijzen naar gemeenten in plaats van zelf de schade te vergoeden? Zo ja, hoe kwalijk vindt u dit en wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de belangen van slachtoffers centraal komen te staan, zij in ieder geval niet de dupe worden van getouwtrek tussen gemeenten en verzekeraars, en de schade uiteindelijk terecht komt bij de verzekeraars en niet ten laste komt van de belastingbetaler?
Zie antwoord vraag 7.
De 575.000 kippen die in 2020 dood aankwamen bij het slachthuis |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat vindt u er van dat 575.000 kippen zijn gestorven tijdens transport naar het slachthuis in 2020? Sinds wanneer is dit bij u bekend?1
Het aantal van 575.000 dieren is gebaseerd op het percentage dead on arrival (DOA) in 2020 (0,09%), gerekend op het totaal aantal pluimvee dat is aangevoerd in slachthuizen in 2020 (606 miljoen dieren).
Ik ben ermee bekend dat het percentage DOA’s voor pluimvee rond dit getal ligt. Omgerekend naar dit soort absolute getallen per jaar is dit een enorm aantal dieren dat, door diverse omstandigheden, vroegtijdig sterft en dat vind ik een pijnlijk gegeven. Ik constateer daarbij wel dat het percentage DOA’s de afgelopen jaren gelukkig aan het afnemen is. Uit een recente publicatie van de European Food Safety Authority (EFSA) blijkt dat de Nederlandse percentages lager zijn dan de in dat rapport genoemde aantallen2.
Hoeveel kippen zijn er in de periode 2016 tot 2020 jaarlijks dood aangekomen bij het slachthuis?
Het onder vraag 1 genoemde aantal betreft cumulatief alle soorten pluimvee op Nederlandse slachthuizen. In het onderstaande overzicht zijn, per jaar, de totalen van alle op grote en middelgrote pluimveeslachthuizen aangevoerde slachtkuikens en kippen (uitgelegde leghennen) weergegeven; alsmede het aantal DOA’s. Dit betreft zowel dieren afkomstig van Nederlandse als buitenlandse pluimveebedrijven.
Jaar
Totaal aangevoerd
Dood aangevoerd
% Dood aangevoerd
2016
631.813.965
801.556
0,13%
2017
634.952.063
680.395
0,11%
2018
62.5724.436
709.171
0,11%
2019
625.622.210
635.106
0,10%
2020
601.315.015
567.200
0,09%
Wordt de oorzaak van de sterfte bij kippen tijdens transport onderzocht en bijgehouden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dit alsnog verplicht te stellen? Zo ja, welk deel van de sterfte bij aankomst is toe te schrijven aan extreme temperaturen, welk deel aan wateronthouding en welk deel aan verwondingen die zijn veroorzaakt door het op ruwe wijze vangen en in kratten proppen van de dieren?
Er wordt na aankomst op het slachthuis, bij aanvang van het slachtproces, door de slachterij geregistreerd hoeveel dieren dood zijn. Hierbij kan meestal geen onderscheid gemaakt worden in welke fase van het voorafgaande traject (vangen, laden, transport, wachttijd in de aanvoerhal) dieren doodgegaan zijn, noch wat de directe doodsoorzaak is. In de eerdergenoemde publicatie van de EFSA wordt ook een aantal risicofactoren benoemd, als gevolg waarvan het DOA-percentage verhoogd kan zijn. Het is volgens de EU-wetgeving niet verplicht om dit bij te houden en omdat het praktisch onmogelijk uitvoerbaar is. Dit geldt ook op nationaal niveau.
Bent u bereid om, zolang er dieren worden gefokt, gebruikt en geslacht, rustige vangmethoden voor kippen verplicht te stellen, zoals de zogenoemde «rechtop-vangmethode», om breuken, bloedingen en ernstige kneuzingen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?2
Ik vind het van groot belang dat dieren op zodanige wijze worden gevangen en vervoerd dat het de dieren geen letsel of onnodig lijden berokkent en dat het verbod daarop wordt nageleefd en gehandhaafd. Ter bevordering van de naleving van deze algemene voorwaarde uit de transportverordening wordt door de NVWA actief uitgedragen dat het vangen van pluimvee zodanig moet gebeuren dat vangletsel voorkomen wordt.
De NVWA heeft recent nog het probleem van vangletsel actief onder de aandacht gebracht van betrokken bedrijven, brancheorganisaties en dierenartsen4. Kern van de boodschap is dat bedrijven veel vangletsel kunnen voorkomen als zij hun dieren vangen met een goed ingestelde vangmachine of als zij een goed getrainde vangploeg inhuren die voldoende tijd krijgt om te vangen. Daarbij is gesteld dat een goed getrainde vangploeg de dieren kan vangen volgens de zogenoemde «rechtop vangmethode». Bij deze vangmethode worden de dieren rechtop in de container gestopt in plaats van dat zij (vaak met 2 tot 5 dieren per hand) aan de poten worden gedragen.
Er zijn daarnaast Europese Guidelines beschikbaar over dit onderwerp (Animal Transport Guides and Best Practice in Europe).
De NVWA ziet bovendien actief op vangletsel toe via een systematiek van controle achteraf op het slachthuis op basis waarvan boetes in de keten kunnen worden opgelegd. Recent heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven uitspraak over vangletsel gedaan in hoger beroep waarmee is bevestigd dat deze wijze van toezicht juridisch houdbaar is.
Hoeveel pluimveetransporten vinden er jaarlijks plaats in vrachtwagens zonder ventilatie, behalve van de rijwind?
Voor zover bekend worden alle pluimveetransporten, met uitzondering van die van eendagskuikens, uitgevoerd met vrachtwagens zonder geconditioneerde omstandigheden en met gebruikmaking van ventilatie door rijwind.
Kunt u bevestigen dat er geen (EU-)norm bestaat voor de gemiddelde sterfte (dood bij aankomst) op het slachthuis?
Er bestaat inderdaad geen Europese norm voor het gemiddelde, of maximale, DOA percentage.
Wat is voor u de grens waarbij u het aantal kippen dat dood aankomt bij het slachthuis niet langer acceptabel vindt?
Het is uiteraard mijn ambitie om het aantal dieren dat dood aankomt zo laag mogelijk te houden, ik blijf de sector hierop aanspreken. Slachterijen melden het percentage DOA’s per koppel aan de NVWA zodat hier inzicht over is.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) pas ingrijpt op het moment dat de sterfte tijdens transport boven de 1% uitkomt («dead on arrival»-percentage op koppelniveau), de zogenaamde interventiegrens?3
De NVWA hanteert een interventiegrens van 1%. De dood van de dieren kan door verschillende oorzaken ontstaan, zoals genoemd in de antwoorden op de vragen 3 en 6. Voor het op kunnen leggen van sancties door de NVWA is het noodzakelijk vast te kunnen stellen welke overtreding begaan is (bijvoorbeeld te ruw vangen, vervoer bij extreme temperatuur, te volle kratten, te lange wachttijd in het slachthuis), wie deze overtreding begaan heeft (de houder, vangploeg, transporteur, slachthuis) en wat de relatie is met het DOA-percentage. Het is in de praktijk lastig eenduidig vast te stellen wat de oorzaak van het verhoogde DOA-percentage is, en wie hiervoor verantwoordelijk gesteld kan worden.
Waar is deze grens op gebaseerd?
Deze grens is bepaald mede op basis van ervaring van toezichthouders en incidenten. Er is geen wettelijke of wetenschappelijke norm hiervoor.
Hoe vaak en op welke wijze wordt gecontroleerd of deze interventiegrens wordt overschreden?
Het slachthuis meldt aan het eind van iedere slacht dag aan de NVWA het DOA-percentage van al de aangevoerde koppels.
Hoe vaak is deze interventiegrens overschreden in de afgelopen vijf jaar? Hoe vaak heeft overschrijding van deze grens geleid tot een boete en hoe vaak tot een waarschuwing?
In de periode 2016–2020 zijn er 11 bestuurlijke boetes opgelegd en 6 schriftelijke waarschuwingen gegeven. Hierbij past de kanttekening dat een bestuurlijke boete en/of een schriftelijke waarschuwing niet op uitsluitend het constateren van het overschrijden van de interventienorm van 1% DOA opgelegd kan worden en zoals uitgelegd, is het in de praktijk lastig eenduidig vast te stellen wat de oorzaak van het verhoogde DOA-percentage is, en wie hiervoor verantwoordelijk gesteld kan worden.
Kunt u bevestigen dat 1% van 606 miljoen kippen neerkomt op 6 miljoen dieren die jaarlijks sterven tijdens transport?
Het feit dat de interventiegrens 1% is, betekent niet dat er 6 miljoen dieren sterven. Het aantal dood aangevoerde dieren is beduidend lager en niet alle sterfte is te wijten aan transport.
Voor het aantal geregistreerde DOA’s bij aanvoer op het slachthuis verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
Vindt u sterfte van 6 miljoen kippen tijdens het transport per jaar zelf acceptabel? Kunt u dit toelichten?
Ik verwijs u naar de geconstateerde aantallen zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Ik constateer dat de percentages een dalende trend vertonen en zal de sector blijven aanzetten tot maatregelen tot verdere verbetering.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De lerarenbeurs. |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Hoeveel leraren hebben dit jaar een aanvraag gedaan voor de lerarenbeurs? Hoeveel daarvan zijn toegekend? Wat is het aantal herhaalaanvragen en het aantal nieuwe aanvragen?
Het definitieve aantal binnengekomen aanvragen is nog niet bekend omdat de aanvraagperiode loopt van 1 april tot en met 15 mei. Ook het aantal toegekende aanvragen is nog niet bekend, want de toekenning vindt pas plaats na afloop van de aanvraagperiode.
In onderstaande tabel is het aantal tot nu toe binnengekomen aanvragen per sector opgenomen1.
PO
1759
VO
2608
MBO
807
HO
619
Nader te bepalen
117
5910
Op basis van de informatie over de tot nu ingediende aanvragen is het helaas nog niet mogelijk om aan te geven hoeveel herhaalaanvragen en hoeveel nieuwe aanvragen worden toegekend dit schooljaar. Dit heeft een aantal redenen:
Ten eerste krijgen herhaalaanvragers én afgewezen aanvragers 2020 voorrang bij de toekenning. Pas na 15 mei weet DUO hoeveel aanvragers dit zijn, en hoeveel ruimte er daarmee is voor het toekennen van initiële aanvragen.
Ten tweede wordt pas na 15 mei bekend of alle ingediende aanvragen geldig zijn, waardoor er meer ruimte voor toekenning kan ontstaan na 15 mei, dan dat op het eerste oog lijkt.
Tot slot heeft het kabinet in het Nationaal Programma Onderwijs aangekondigd dat er dit jaar een korting op het wettelijk collegegeld komt. Nu hebben veel leraren waarschijnlijk nog het volledige wettelijke collegegeld bedrag ingevuld. Zodra instellingen de verlaagde tarieven op hun website gaan opnemen, gaat DUO leraren vragen hun aanvraag aan te passen. De korting op het collegegeld zorgt ervoor dat het aangevraagde bedrag per beurs daalt. Hierdoor kunnen er dan waarschijnlijk meer aanvragen worden toegekend.
Wij informeren u na afloop van de toekenning bij DUO over het definitieve aantal aanvragen en het aantal toekenningen voor de Lerarenbeurs voor het aankomende schooljaar (uiterlijk eind juni). Dan zijn namelijk de effecten van de korting collegegeld op de lerarenbeurs bekend en kunnen we een volledig beeld schetsen.
Kunt u garanderen dat alle leerkrachten die vorig jaar buiten de boot zijn gevallen nu wel hun aanvraag krijgen toegekend?
In de Kamerbrief van 8 maart jl. hebben wij de nieuwe budgetplafonds voor schooljaar 2021–2022 toegelicht. Zoals u in de tabel met verwachte aanvragen opgenomen in die Kamerbrief kunt lezen, verwachten wij dat we alle initiële aanvragen die in 2020 zijn afgewezen vanwege het bereikte subsidieplafond dit jaar kunnen toekennen.
Bent u bekend met de problemen op de website van DUO waardoor in de nacht van 31 maart op 1 april kort na middernacht de site niet bereikbaar was? Is er een verklaring voor?
Ja, kort na 00.00 uur tot ongeveer 00.30 uur was er een storing. Hierdoor hebben sommige aanvragers in dit tijdvak via het digitale portaal Mijn DUO geen aanvraag kunnen doen. Ook hebben sommige aanvragers die wel een aanvraag konden doen geen bevestiging gekregen. De website van DUO was gedurende deze periode wel beschikbaar. Sinds 1 april 00:30 uur werkt het aanvraagproces ongestoord en goed.
Mocht het aantal aanvragen weer opnieuw het budget overstijgen, bent u dan bereid om – gezien de Kamerdebatten en de ingediende moties en amendementen – het budget op te hogen zodat alle aanvragen gehonoreerd kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aangegeven (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 3976) vergt het beperktere budget voor de lerarenbeurs en daarmee het risico op het afwijzen van aanvragen een herbezinning van dit instrument en het aanbrengen van focus. Hierover gaan we dit najaar graag in gesprek met betrokken partijen (zoals leraren en schoolleiders) en uw Kamer. Hiertoe zal een evaluatie onderzoek naar de Lerarenbeurs worden uitgezet. De sociale partners zijn uitgenodigd voor de begeleidingscommissie van dit onderzoek. Het streven is dat dit najaar de eerste onderzoeksresultaten bekend zijn.
Bent u voornemens om docenten die het afgelopen jaar de cursus of opleiding zelf hebben betaald te compenseren? Zo ja, met hoeveel en hoe wilt u dat regelen? Zo nee, waarom niet?
Het subsidieplafond voor de lerarenbeurs voor schooljaar 2021–2022 zal naar verwachting volledig worden uitgeput dit jaar. Daarmee is er geen financiële ruimte om docenten die het afgelopen jaar de cursus of opleiding zelf hebben betaald te compenseren.
Het bericht dat brandweerpersoneel al jaren waarschuwt voor onveilige situaties |
|
Michiel van Nispen |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
Erkent u dat duikteams bij de brandweer van levensreddende waarde kunnen zijn?1
Ja. Dat geldt ook voor de andere door veiligheidsregio’s ingezette middelen in het kader van de taak ondersteuning bij waterongevallen, te weten oppervlaktereddingsteams en grijpreddingen.
Bij hoeveel brandweerkorpsen zijn de duikteams verdwenen, op non-actief gezet of anderszins qua opzet en inzet verminderd in de afgelopen 10 jaar?2
Gegevens over het aantal duikteams worden niet door mijzelf geregistreerd. Brandweer Nederland geeft aan dat het aantal duikteams de laatste jaren nagenoeg constant is, te weten ca. 50, en het aantal oppervlaktereddingsteams is toegenomen naar nu bijna 90. De grijpredding is een taak die elke basisbrandweereenheid uit kan voeren.
Eerder meldde ik uw Kamer dat in het kader van de regionalisering van de brandweer is gewerkt aan een bij die nieuwe schaal passende doelmatige inrichting van de uitvoering van taken3. Dat betreft onder meer de ondersteuning bij waterongevallen. Ook arbeidsveiligheid speelt een rol bij de verlaging van het aantal duikteams. In de loop der jaren zijn de regels en de eisen aan opleidingen en trainingen aangescherpt om duikers beter te beschermen. Het duiken bij de brandweer heeft een spoedeisend karakter en stelt daarmee extra hoge eisen aan de vakbekwaamheid van de duikers.
Erkent u dat hulpverleners in een ontzettend lastige en eventueel gevaarlijke situatie geplaatst worden als ze mensen willen redden maar dat niet op een veilige manier kunnen doen vanwege een gebrek aan collega’s of hulpmiddelen ter plekke, zoals de brandweerman die zonder duikuitrusting toch het water in sprong? Zo nee, waarom niet?
Hulpverleners zijn sterk gemotiveerd om hulp te verlenen en dan is het meer dan lastig als de mogelijkheden en omstandigheden er niet naar zijn om handelend op te treden. Alles is erop gericht om tijdig de juiste hulp te kunnen verlenen, maar dat is helaas niet altijd mogelijk. Het is de professionele afweging van de hulpverlener om steeds weer af te wegen wat verstandig is zonder onverantwoorde risico’s te nemen.
Deelt u de mening dat er een norm zou moeten zijn aan hoeveel duikteams er minimaal per gebied beschikbaar zouden moeten zijn? Zo ja, bent u bereid met aanvullende regels te komen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de ondersteuning bij waterongevallen. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is aan bijvoorbeeld duikteams en oppervlaktereddingsteams.
De onderbetaling van artiesten die in de media optreden |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de aangenomen motie Kwint c.s. die verzocht in overleg met de publieke omroep te komen tot een afspraak te komen waarin artiesten gewoon fatsoenlijk betaald worden voor hun diensten?1
Vooropgesteld staat dat de publieke omroep zelf over een (fatsoenlijke) betaling van artiesten in programma’s gaat. Het is onwenselijk, vanwege zijn onafhankelijke positie, dat de overheid de publieke omroep hiertoe verplicht. Op 17 februari 2021 is uw Kamer per brief2 geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van de motie Kwint c.s. Zoals in deze brief is aangegeven is het verzoek geagendeerd voor bestuurlijk overleg met de NPO. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met de omroepen en met de popcoalitie. Deze gesprekken lopen momenteel nog. De Kamer zal voor het zomerreces op de hoogte worden gebracht van de uitkomst van deze gesprekken.
Klopt het – zoals Henk Westbroek schrijft in zijn column in Performers Magazine – dat van iedere euro die de publieke omroep besteedt aan muziekprogramma’s, hiervan 5 cent naar de artiest gaat? Vindt u dit eerlijk? Kunt u dit toelichten?2
De NPO herkent zich niet in de uitspraak die de heer Westbroek in genoemde column doet en volgens de NPO is de betreffende uitspraak ook niet eenvoudig te verifiëren. Er zijn verschillende vormen waarin muziek in een programma gebruikt wordt en er zijn ook verschillende vormen waarin artiesten in programma’s worden gebruikt. De omstandigheden bepalen welke vergoeding voor welke situatie gepast is. Daardoor is een oordeel over de generieke uitspraak van de heer Westbroek volgens de NPO niet mogelijk. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, lopen de gesprekken nog met de NPO en de omroepen. Het is mijn inzet om daarbij te komen tot een eerlijke vergoeding voor artiesten die door de landelijke publieke omroepen worden gebruikt in hun programma’s.
Worden momenteel op alle publieke tv- en radiokanalen artiesten betaald wanneer ze optreden? Zo ja, hoe hoog is deze vergoeding? Zo niet, waarom niet? Dat was toch met de Kamer afgesproken?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Herkent u de uitspraak van Westbroek dat na 1 juni alles weer wordt zoals het was voor artiesten en dat zij niet langer betaald zullen krijgen voor hun optredens bij de publieke omroep? Wat gaat u doen om dit te voorkomen? Bent u – indien nodig – bereid om in gesprek te gaan met de landelijke en andere publieke omroepen teneinde te garanderen dat de motie Kwint c.s. alsnog volledig wordt uitgevoerd?
De heer Westbroek refereert in zijn column aan de subsidie die de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in het kader van het steunpakket voor de creatieve en culturele sector aan de NPO heeft toegekend voor de uitvoering van het door de NPO opgestelde Actieplan Cultuur. Met deze middelen worden culturele producties gefinancierd, waarmee ook makers in de culturele sector worden ondersteund, dus niet alleen voor muziekprogramma’s op tv. Uw Kamer is daarover per brief van 16 november 2020 geïnformeerd. De subsidiebeschikking daarvoor is 31 maart jl. aan de NPO gestuurd. Het Actieplan Cultuur kent een beperkte looptijd tot en met 30 juni 2021. De bijbehorende programmering vindt plaats uiterlijk voor 31 december 2021. Het is mijn inzet om structurele afspraken over de vergoedingen voor artiesten te maken met de publieke omroep. Zoals ik in de antwoorden hierboven heb geschetst, ben ik nog met de NPO, omroepen en artiesten in gesprek over de uitvoering van de motie Kwint c.s. en zal ik uw Kamer daar voor het zomerreces over infomeren.
De noodzaak van een progressieve vliegbelasting voor veelvliegers. |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «A few frequent flyers «dominate air travel»» en het rapport «Elite Status: Global inequalities in flying»»?1 2
Ja.
Herinnert u zich het bericht «Slim vervoerspakket levert 9 miljoen ton CO2 besparing op»?3
Ja.
Wat is uw reactie op het rapport «Elite Status: Global inequalities in flying»?
Het rapport toont aan dat een relatief groot deel van de vluchten wordt gevlogen door een klein deel van de bevolking uit de hogere inkomensgroepen. In Nederland neemt bijvoorbeeld 8% van de bevolking 42% van de vluchten voor zijn rekening. Het kabinet is zich ervan bewust dat niet iedereen in Nederland evenveel vliegt. Onder andere in het voorwoord wordt het idee van een veelvliegerstaks geopperd. Hieronder wordt daar verder op ingegaan.
Erkent u de vaststelling van Alethea Warrington – werkzaam bij Possible, de organisatie achter het rapport – dat een kleine minderheid van veelvliegers een oneerlijk deel van de vluchten voor zijn rekening neemt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een veelvliegerstaks een eerlijkere manier is om vliegverkeer te belasten dan een vlakke vliegtaks, omdat daarmee grotere vervuilers meer gaan betalen? Zo nee, waarom niet?
De huidige vliegbelasting wordt geheven per vertrekkende passagier. Hoe vaker iemand vliegt des te vaker betaalt deze persoon de belasting. Grotere vervuilers betalen onder de huidige systematiek dus al meer. Dit is in lijn met het doel en de opzet van de vliegbelasting, namelijk de maatschappelijke kosten – waaronder ook de externe kosten – beter tot uitdrukking te laten komen in de prijs. Voordeel van een vlakke belasting ligt vooral in de opzet en uitvoering van de wet. De luchthavens zijn de belastingplichtigen voor de belasting per passagier. Zij hoeven niet bij te houden wie of hoe vaak een passagier vliegt. Als iemand dus eerst vanaf Schiphol vertrekt en later in het jaar een vlucht neemt vanaf Eindhoven Airport, dan is dat niet in de aangiften van de belastingplichtigen te zien. Het volgen van passagiers zou betekenen dat persoonsgegevens van passagiers gebruikt moeten worden en dat houdt een aanzienlijke inbreuk op de privacy van de burger in. Nederlandse inwoners vliegen bovendien ook vaak via buitenlandse luchthavens. Een veelvliegerstaks zou ook kunnen leiden tot meer vliegen vanaf luchthavens net over de grens.
Deelt u de mening, onder andere uitgedragen door de Climate Change Committee en de Citizens’ Assembly van het VK, dat een veelvliegerstaks een goed idee is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat veelvliegers een eerlijke prijs gaan betalen voor de vele vliegreizen die zij maken?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich het onderzoek gedaan door I&O Research in opdracht van Milieudefensie waaruit naar voren kwam dat 69% van de Nederlanders voor een heffing op vliegtickets is waarbij naarmate men meer vliegt de prijs van het ticket omhooggaat?4
Ja.
Erkent u dat er groot maatschappelijk draagvlak is voor een veelvliegerstaks? Zo nee, waarom niet?
Het draagvlak voor een belasting kan naar de mening van het kabinet niet zonder haar heffingssystematiek gewogen worden. Zoals hiervoor al aangegeven zitten aan een veelvliegerstaks onder andere complexe uitvoeringsaspecten en privacy risico’s, welke van invloed kunnen zijn op het draagvlak.
Deelt u de mening dat een veelvliegerstaks, in lijn met het principe «de vervuiler betaalt», steeds meer gewenst is in de samenleving? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 9. Daarnaast is het zo dat iedere vlucht een bepaalde uitstoot heeft. De vliegbelasting zorgt op dit moment al voor een gedeeltelijke internalisatie van deze maatschappelijke kosten. Hoe vaak iemand vliegt heeft geen invloed op de uitstoot per vlucht. Verder heeft het kabinet gekozen voor een belasting die korte vluchten relatief zwaarder belast, door middel van een vlak tarief per passagier, om het gebruik van alternatief vervoer op de korte afstanden te stimuleren.
Deelt u de mening van John Sauven van Greenpeace dat ook Air Miles aan banden moet worden gelegd, zodat veelvliegers niet langer worden beloond voor de vele kilometers die zij met het vliegtuig afleggen? Zo nee, waarom niet?
Private bedrijven zijn vrij om hun commercieel beleid in te vullen naar eigen wensen en behoeften.
De verplichte vaccinatie voor militairen |
|
Wybren van Haga (FVD) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een lijst bestaat waarop verplichte vaccinaties voor militairen zijn vastgelegd? Zo ja, klopt het dat de vaccins tegen COVID-19 onderdeel zijn van de betreffende lijst van verplichte vaccinaties voor militairen?
Aan het militair personeel kan de Minister onder bepaalde omstandigheden vanwege het waarborgen van de inzet van de krijgsmacht een vaccinatie verplichting opleggen. Dit is geregeld in de Wet Immunisatie Militairen (WIM). Alvorens deze verplichting op te leggen, vragen wij hiertoe op grond van artikel 3 van de WIM altijd eerst advies aan de Commissie Deskundigen Immunisatie Militairen (CDIM). Voor vaccinatie tegen COVID-19 is advies ingewonnen en dit is overgenomen, namelijk deze vaccinatie voorlopig niet verplichtend op te leggen aan alle militairen, maar dat vaccinatie van uit te zenden militairen onder omstandigheden dermate belangrijk kan zijn dat dit verplicht moet kunnen worden opgelegd. Daarom is, na bespreking met de Centrales van Overheidspersoneel, gekozen voor een zelfstandige (tijdelijke) regeling voor vaccinatie tegen COVID-19 en niet voor opname in de Regeling Immunisatie Militairen 2002 (RIM2002).
In de RIM2002 staat een overzicht van ziektes waartegen alle militairen verplicht gevaccineerd moeten zijn en een lijst met ziektes waartegen zij onder bepaalde voorwaarden verplicht kunnen worden zich te laten vaccineren. Deze regeling is onderdeel van de rechtspositie van de militair en wordt regulier toegepast. De Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 biedt de Minister van Defensie de mogelijkheid om militairen te verplichten zich te laten vaccineren tegen COVID-19, indien zij voor de vervulling van de dienst buiten Nederland verblijven en waarbij niet-gevaccineerde militairen een significant gezondheidsrisico lopen wanneer zij ziek zouden worden door COVID-19 en dit een verhoogd risico oplevert voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. Immers, de operationeel geneeskundige keten in het inzetgebied is niet ingericht op COVID-19 zorg. Daarnaast is de zorg in het gastland kwalitatief en kwantitatief meestal niet ingericht op extra COVID-19 patiënten. Bovendien is de medische repartiering uit een inzetgebied in het geval van een COVID-19 besmetting zeer bewerkelijk.
Klopt het dat wanneer militairen een COVID-19 vaccinatie weigeren, zij niet op uitzending mogen gaan en dus dienstongeschikt kunnen worden verklaard, wat kan leiden tot ontslag?
Zie gecombineerd antwoord bij vraag 5.
Bent u op de hoogte van de onrust binnen Defensie betreffende de directe of indirecte verplichting tot het nemen van een COVID-19 vaccin?
Ik sluit niet uit dat na aankondiging van de tijdelijke regeling er kritische vragen over COVID-19 vaccinatie zijn gesteld. In zowel de communicatie door commandanten als op het Defensie intranet wordt hier aandacht aan besteed.
Kunt u de onrust bij militairen wegnemen door te bevestigen dat er op dit moment geen sprake is van een verplichte vaccinatie tegen COVID-19, en hier in de toekomst ook geen sprake van zal zijn? Zo nee, waarom niet?
De Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 biedt de Minister van Defensie de mogelijkheid om militairen te verplichten zich te laten vaccineren tegen COVID-19, indien zij voor de vervulling van de dienst buiten Nederland verblijven en waarbij niet-gevaccineerde militairen een significant gezondheidsrisico lopen wanneer zij ziek zouden worden door COVID-19 en dit een verhoogd risico oplevert voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. Er zijn op dit moment tien missies waarvoor de Minister van Defensie heeft besloten dat de militairen verplicht tegen COVID-19 gevaccineerd moeten zijn. Het is niet uit te sluiten dat hier nog andere inzet van militairen in het buitenland aan wordt toegevoegd.
Kunt u bevestigen dat er eveneens geen sprake zal zijn van een indirecte vaccinatieplicht voor militairen, bijvoorbeeld door militairen niet op uitzending te laten gaan wanneer zij besluiten geen COVID-19 vaccin te nemen? Zo nee, waarom niet?
Een besluit om op basis van de Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 een verplichting op te leggen is met waarborgen omkleed. Per dienstverrichting in het buitenland wordt een afzonderlijk besluit genomen, op basis van deskundig advies. Een militair die een beroep doet op gewetensbezwaren tegen immunisatie op gronden ontleend aan godsdienst, levensbeschouwing of zedelijke overtuiging, óf als de gezondheidstoestand daartoe aanleiding geeft, kan een met redenen omkleed verzoekschrift tot het verkrijgen van vrijstelling indienen (WIM art. 5 en 6). Vaccinatie blijft dan achterwege totdat definitief op het verzoekschrift is beslist. Wanneer een militair een opgelegde plicht tot vaccinatie weigert, zal de verantwoordelijk militair arts in principe een niet-inzetbaarheidsadvies afgeven. Een dergelijk niet-inzetbaarheidsadvies leidt niet tot dienstongeschiktheid en ontslag, maar wel tot uitzendongeschiktheid voor die specifieke inzet in het buitenland.
Bent u op de hoogte van de onrust binnen Defensie betreffende de mogelijke bijwerkingen van de COVID-19 vaccins? Zo ja, wat gaat u doen om deze onrust weg te nemen?
Defensie informeert haar personeel en volgt de richtlijnen en aanwijzingen van het RIVM. Op het Defensie intranet zijn pagina’s ingericht met antwoorden op de meest gestelde vragen. Wanneer militairen andere vragen hebben over de COVID-19 vaccins kunnen zij deze altijd voorleggen aan de gezondheidscentra binnen Defensie. Overigens kan de militair op grond van artikel 5 of 6 van de Wet immunisatie militairen een verzoek tot vrijstelling van een verplichting tot vaccinatie indienen.
Bent het ermee eens dat, zolang er sprake is van onzekerheid over de werkzaamheid en de langetermijngevolgen van de vaccins tegen COVID-19, het onethisch zou zijn om militairen de verplichting tot vaccinatie op te leggen, indien zij op uitzending willen gaan?
Op basis van medische en operationele adviezen wordt telkens een zorgvuldige afweging gemaakt tussen het grondrecht van de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam en de mogelijkheid die de Wet Immunisatie Militairen en de daarvan afgeleide regelingen bieden om vaccinaties voor militairen te verplichten. De Tijdelijke regeling vaccinatie COVID-19 biedt de Minister van Defensie de mogelijkheid om militairen te verplichten zich te laten vaccineren tegen COVID-19, indien zij voor de vervulling van de dienst buiten Nederland verblijven en waarbij niet-gevaccineerde militairen een significant gezondheidsrisico lopen wanneer zij ziek zouden worden door COVID-19 en dit een verhoogd risico oplevert voor de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht. Immers, de operationeel geneeskundige keten in het inzetgebied is niet ingericht op COVID-19 zorg. Daarnaast is de zorg in het gastland kwalitatief en kwantitatief meestal niet ingericht op extra COVID-19 patiënten. Bovendien is de medische repartiering uit een inzetgebied in het geval van een COVID-19 besmetting zeer bewerkelijk. Met een verplichting tot vaccinatie neemt Defensie haar verantwoordelijkheid dergelijke risico’s te mitigeren, waarmee de inzetbaarheid van individuele militair en zijn of haar team én de uitvoering van de missie zoveel als mogelijk worden geborgd.
Het artikel ‘Politie: in vijf jaar moet 35 procent agenten migratieachtergrond hebben’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Politie: in vijf jaar moet 35 procent agenten migratieachtergrond hebben» van 2 april jl.?1
Ja.
Onderkent u dat de nationale politie al jaren kampt met een capaciteitstekort en dat dit naar verwachting pas in 2024 op peil is?
Ja, zoals ik u in mijn brief van 4 november 2020 heb geïnformeerd, is er in de afgelopen jaren veel geld geïnvesteerd in het uitbreiden van de politieformatie.2 Op dit moment zijn nog niet alle nieuwe formatieplekken gevuld waardoor de politie de komende jaren nog kampt met onderbezetting. Vanaf 2024 is de politie naar verwachting volledig op sterkte, inclusief de uitbreiding van zo’n 2400 fte.
Wat is uw oordeel over het feit dat de nationale politie de aankomende jaren alle zeilen bij moet zetten om voldoende capaciteit te hebben en daarnaast een diversiteitsbeleid moet hanteren om aan de gewenste 35% te komen?
De politie zal nieuwe medewerkers aannemen en daarnaast medewerkers die met pensioen gaan vervangen. Er is op dit moment sprake van ruim voldoende instroom en de Politieacademie doet een uiterste krachtinspanning om nieuwe politiemedewerkers zo snel mogelijk op te leiden. De opleiding van aspiranten is mede om die reden sinds dit jaar vernieuwd en verkort van drie naar twee jaar, waardoor politiemedewerkers de komende jaren sneller kunnen worden opgeleid en ingezet.
Daarbij heeft de politie de ambitie om een vergroting van de culturele diversiteit in de instroom van nieuwe politiemensen te realiseren. Als eerste is een hoger streefcijfer afgesproken voor vier regionale eenheden in de Randstad: Rotterdam, Den Haag, Amsterdam en Midden Nederland. Voor deze vier eenheden is de ambitie gesteld om per 2025 te komen tot een structureel instroompercentage van 35% mensen met een cultureel diverse achtergrond. Juist het gegeven dat de komende jaren veel medewerkers de politie zullen verlaten vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, biedt kansen om nieuwe medewerkers met cultureel diverse achtergrond aan te trekken, waardoor dit streefcijfer gehaald kan worden.
Deelt u de mening dat bij de selectie van kandidaten de kwaliteit voorop dient te staan? Zo ja, hoe borgt u dat de diversiteitsdoelstelling daaraan geen afbreuk gaat doen? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt bij de selectie is een objectieve, geïndividualiseerde beoordeling van de kandidaten. Voorop staat dat aan de selectiecriteria en kwaliteit van politie niet getornd wordt en voor iedereen, ongeacht zijn of haar achtergrond, gelden dezelfde eisen.
Daarnaast is een van de voornaamste doelstellingen van de politie om herkenbaar en benaderbaar te zijn voor alle gemeenschappen in de samenleving en daarom diversiteit en inclusie in het korps te bevorderen. Er wordt de komende jaren gestreefd naar een betere mix van diversiteit, toegesneden op de lokale context en samenstelling van de bevolking in een bepaald gebied. In plaats van landelijke streefcijfers van zichtbare diversiteit ligt de focus op streefcijfers per eenheid, zoals de aangegeven doelstelling om vanaf 2025 een structurele instroom van 35% medewerkers te realiseren met een diverse culturele achtergrond in de vier Randstedelijke eenheden. De komende jaren zal worden bezien of mogelijk is om dit streefcijfer vanaf 2025 structureel te realiseren. De Kamer zal hierover periodiek worden geïnformeerd. Ook maakt de politie steeds meer gebruik van competentiegericht werven en selecteren, zoals op de kennis van en inlevingsvermogen in verschillende leefstijlen en culturen, beheersing van meerdere talen en de beschikking over een netwerk in een bepaalde gemeenschap.
Bent u van mening dat agenten zonder migratieachtergrond, die dezelfde opleiding hebben genoten als agenten met migratieachtergrond, net zo bekwaam zijn in het opnemen van een aangifte van discriminatie? Zo nee, waarom niet?
Ja, het uitgangspunt is dat iedereen bij alle politiemedewerkers terecht moet kunnen. Alle politiemedewerkers hebben kennis over de aanpak van discriminatie. Dit is belangrijk omdat in Nederland vaak aangifte wordt gedaan van commune delicten die ook een discriminatoir aspect kunnen behelzen.Daarnaast komt het omgaan met discriminatie in diverse onderdelen van de opleiding aan bod, zodat aspiranten de aanpak ervan integraal leren toe te passen in hun werk. Ook worden medewerkers getraind in het kader van de individuele beoordeling van kwetsbaarheid van slachtoffers; op empathie, bejegening maar ook om na te gaan of er sprake is van discriminatie.
Politiewerk is mensenwerk en mensenwerk wordt ook gekleurd door persoonlijke kwaliteiten en competenties. Nuances in het optreden van politiemensen maken soms het verschil voor burgers tussen goed en beter politiewerk. Door de veelzijdigheid van het politiewerk is het goed om een personeelsbestand te hebben met ruimte voor persoonlijke verschillen. Diversiteit in de personele samenstelling biedt de politie de mogelijkheid om deze persoonlijke kwaliteiten in te zetten waar dat voor het politiewerk goed is.
Wat is uw oordeel over de toename van netwerken binnen de nationale politie? Draagt dit bij aan afname van de onderlinge verbondenheid en eenheid in teams bij de nationale politie?
Natuurlijk moet er altijd opgelet worden dat de manier waarop onderwerpen in gesprek gebracht worden, niet leidt tot verwijdering tussen mensen. Juist in de Netwerken Divers Vakmanschap (NDV) komen medewerkers bij elkaar met specifieke kennis en ervaringen die bijdragen aan het politiewerk. Netwerken bewegen mee met de vraagstukken die actueel zijn voor de politie en staan in verbinding met de samenleving. Ook zorgen zij dat specifieke kennis en expertise van alle informele netwerken over diversiteit en inclusie worden geborgd, zodat deze beschikbaar is voor alle politiemedewerkers. Ze versterken daarmee de politie en houden het denken over politiewerk gaande. Medewerkers van de diverse netwerken zijn getraind en toegerust om vragen te beantwoorden en door te verwijzen naar het juiste loket of informele netwerk.
De politie investeert in het versterken van de relatie tussen de formeel ingebedde Netwerken Divers Vakmanschap en andere loketten (zoals bijvoorbeeld de vertrouwenspersonen) en informele netwerken (zoals Roze in Blauw en het Joods Netwerk). De netwerken zijn ook een belangrijke informatiebron voor organisatie- en cultuurontwikkeling binnen de politie. Hierdoor kan er constructiever gebouwd worden aan een meer inclusieve politie. Ik sta positief tegenover deze bewegingen: het is goed dat mensen zich willen inzetten voor het bereiken van dit doel.
Het stopzetten van het Amber Alert |
|
Michiel van Nispen , Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie stopt met Amber Alert, tot grote verrassing van Amber Alert»?1 en herinnert zich uw antwoorden over Amber Alert geuit tijdens het vragenuur van 12 december 2017?2
Ja.
Deelt u de mening dat het waarschuwingssysteem Amber Alert ten aanzien van de vermissing van een kind een grote naamsbekendheid en bereik binnen Nederland heeft? Zo ja, in hoeverre is bij het besluit te stoppen met Amber Alert daar rekening mee gehouden en waarom wordt dit weggegooid? Zo nee, waarom niet?
In tegenstelling tot wat veel van de berichtgeving doet vermoeden, stopt de politie niet met de functionaliteit vermist-kind-alertering. De politie heeft besloten het commerciële contract met het bedrijf Netpresenter B.V. voor de dienstverlening voor deze functionaliteit, die momenteel de merknaam AMBER Alert draagt, niet te verlengen3 en kiest ervoor deze functionaliteit onder te brengen bij het alerteringssysteem Burgernet dat in eigendom en beheer van de politie is. Daarmee zullen vermist-kind-alerteringen voortaan onder de herkenbare naam en huisstijl van Burgernet verschijnen, in plaats van onder de merknaam AMBER Alert. Uiteraard zal deze overgang duidelijk aan het publiek kenbaar worden gemaakt. Daarbij merk ik op dat een deel van de alerteringen vanuit Burgernet ook nu al vermissingen betreft, waaronder vermissingen van kinderen.
Waar is uw veronderstelling, dat berichten over vermissingen herkenbaarder worden als ze allemaal onder één systeem komen te vallen, op gebaseerd? Welk onderzoek ligt hieraan ten grondslag?
In mijn brief van 1 april jl.4 heb ik gemeld dat vermist-kind-berichten vanaf 22 juli a.s. onder de herkenbare naam en huisstijl van Burgernet zullen verschijnen en dat integratie van de vermist-kind-functionaliteit binnen Burgernet bijdraagt aan het overzichtelijker inrichten van de alerteringsfamilie. Tevens heb ik gemeld dat, door het integreren in een systeem dat eigendom van de politie is, de politie zich in dit belangrijke proces losmaakt van commerciële partijen en meer controle heeft over de alerteringen, alerteringssystematiek en de privacy-aspecten rondom alertering en opsporingsberichtgeving.
Deelt u de mening dat bij kindontvoeringen het slachtoffer vaak naar het buitenland wordt ontvoerd? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat het nationale systeem van Burgernet daar geen rol in kan spelen terwijl Amber Alert wel internationaal actief is? Zo nee, waarom niet?
Het gebeurt inderdaad soms dat kinderen worden ontvoerd naar het buitenland. Als de politie indicaties heeft dat gebeurd is, zal zij in haar opsporingsonderzoek ook het buitenland betrekken. Het doorgeven van vermist-kind-alerteringen aan buitenlandse opsporingsinstanties kan daarbij een middel zijn. In Europees verband houden politiefunctionarissen van de aangesloten lidstaten contact met elkaar via een internationaal netwerk. Ook Nederland is hierbij aangesloten en vervult hierbij een actieve rol.
Aangesloten landen gebruiken verschillende systemen om dergelijke alerteringen door te geven. Het doorgeven van alerteringen aan het buitenland staat los van het gebruikte systeem.
Volledigheidshalve merk ik nog op dat AMBER Alert (Nederland) een merknaam is, geen organisatie op zich. De heer Hoen, eigenaar van Netpresenter, heeft in 2008 het initiatief genomen een soortgelijk systeem als het AMBER Alert dat in Amerika reeds bestond op te zetten in Nederland en is merkhouder voor Nederland voor de naam en het beeldmerk AMBER Alert. Vanaf 2011 tot heden heeft Netpresenter de dienstverlening rondom vermist-kind-alertering voor de politie uitgevoerd op basis van een commercieel contract.
Hoe kan voorkomen worden dat waarschuwingen over vermiste kinderen verloren raken tussen de hoeveelheid berichten over tal van andere onderwerpen via Burgernet?
Landelijk te verzenden vermist-kind-berichten krijgen na de integratie bij Burgernet een eigen onderscheidende titel en in het oog springende weergave (met foto van het kind), waardoor de ontvanger direct ziet dat het om een vermist kind gaat. Ook kiest de politie bij een landelijke vermist-kind-alertering voor landelijke verspreidingskanalen, zoals de landelijke media, of bijvoorbeeld voor de inzet van de matrixborden boven snelwegen wanneer er een concreet voertuig en eventueel kenteken bekend is waarnaar uitgekeken moet worden.
Voor wat betreft de hoeveelheid berichten via Burgernet (over andere onderwerpen) merk ik op dat via Burgernet alerteringen voor incidenten of vermissingen – anders dan de landelijk te verzenden vermist-kind-berichten – lokaal worden verstuurd. Dit betekent dat burgers alleen een bericht ontvangen als er iets in hun omgeving gebeurt. Door de lokale Burgernet alerteringen zo gericht mogelijk te versturen, blijft het aantal burgers dat als gevolg van een incident of vermissing een lokale alert ontvangt, en daarmee het totale aantal alerts dat een individuele burger ontvangt, beperkt. Een landelijk verzonden vermist-kind-bericht zal dan ook naar verwachting voldoende aandacht trekken tussen eventuele andere berichten.
Welk bedrag wordt bespaard door Amber Alert stop te zetten en waarschuwingen over kindvermissingen onder te brengen bij Burgernet? Staat dit in verhouding tot de investeringen in Amber Alert die geleid hebben tot een effectief systeem van waarschuwingen in het geval van vermiste kinderen?
Kostenbesparing is niet de aanleiding voor de keuze om de functionaliteit vermist-kind-alertering onder te brengen bij Burgernet. Wel beschouw ik het als bijkomend voordeel dat door de samenvoeging efficiencywinst op het beheer kan worden behaald waardoor de structurele kosten aanzienlijk lager zullen zijn. Deze efficiencywinst valt op dit moment niet nader te kwantificeren.
In de huidige situatie bedragen de totale kosten voor het verzenden van AMBER Alerts en Vermist Kind Alerts jaarlijks ca. € 1,1 miljoen. Dit bedrag is opgebouwd uit een vast bedrag van jaarlijks € 1.060.497,24 inclusief BTW voor de dienstverlening door Netpresenter en een variabel bedrag voor de kosten van het verzenden van sms-berichten door de politieorganisatie. Het contract betreft het door de politie, via de digitale infrastructuur van Netpresenter, doen uitgaan van alerts en opsporingsberichten rond de vermissing van kinderen. Gemiddeld gaat het per jaar om 1 tot 3 AMBER Alerts en 8 tot 10 Vermist Kind Alerts. AMBER Alerts zijn landelijke berichten die worden verzonden als het vermoeden bestaat dat het vermiste kind in direct levensgevaar is. Vermist Kind Alerts zijn veelal regionale berichten, die worden verzonden indien er geen sprake is van levensgevaar, maar de politie zich wel ernstige zorgen maakt om het welzijn van het kind en snel en gericht handelen noodzakelijk is.
Voor de uitbreiding van Burgernet met de vermist-kind-functionaliteit wordt door de politie een eenmalige investering van ca. € 200.000 gedaan. De structurele kosten voor het beheer (meerkosten op het huidige beheer van Burgernet) zijn nog niet exact te kwantificeren, maar zullen aanzienlijk lager zijn dan de kosten van het huidige contract.
Is er overleg met Amber Alert geweest over de stopzetting van Amber Alert? Zo ja, wanneer en zijn argumenten van Amber Alert om door te gaan meegenomen in de overweging om toch daarmee te stoppen? Zo ja, hoe is er dan toch tot dat besluit gekomen?
Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat de politie het verzorgen van vermist-kind-alerteringen continueert. De politie heeft besloten het contract met de firma Netpresenter te beëindigen omdat verlenging onrechtmatig zou zijn. De politie kiest ervoor deze functionaliteit onder te brengen bij het alerteringssysteem Burgernet dat in eigendom en in eigen beheer van de politie is. Daarmee zullen vermist-kind-alerteringen voortaan onder de naam Burgernet verschijnen.
De vraag of er «overleg met AMBER Alert» is geweest interpreteer ik als de vraag of er overleg met de firma Netpresenter B.V. is geweest. Netpresenter is in de huidige situatie contractpartij van de politie. Als zodanig heeft de politie Netpresenter vroegtijdig in 2017 op de hoogte gebracht van de noodzaak en het voornemen tot aanbesteden van de functionaliteit vermist-kind-alertering. Netpresenter heeft in reactie daarop, zowel in gesprekken als met juridische procedures, kenbaar gemaakt zich tegen deze aanbesteding te verzetten. Na de uitspraak in hoger beroep in 20205 resteerden geen juridische belemmeringen meer voor een andere invulling van de functionaliteit vermist-kind-alertering.
Het besluit om de functionaliteit vermist-kind-alertering te integreren in Burgernet is op 1 april jl. mondeling en schriftelijk aan Netpresenter medegedeeld. Aansluitend op dat gesprek is de brief aan uw Kamer verzonden, met daarin de motivatie op dit besluit. Voor een uitgebreidere toelichting hoe dit besluit tot stand is gekomen, verwijs ik u kortheidshalve naar het antwoord op vraag 2 van de vragen van de leden Van der Werf en Smeets (beiden D66), die in samenhang met onderhavige vragen zijn beantwoord.
Waarom was u in 2017 nog «zeer enthousiast […] over Amber Alert» en benadrukte u nog uitdrukkelijk het succes van Amber Alert en stelde dat Amber Alert «zich de afgelopen jaren [heeft] bewezen en zal dat in de toekomst ook doen»?3 en waarom bent u nu blijkbaar minder enthousiast geworden?
Zoals ik in mijn brief van 1 april jl. heb gesteld, is vermist-kind-alertering van grote waarde om ontvoerde of in levensgevaar verkerende kinderen terug te vinden, door de vermissing razendsnel en op grote schaal onder de aandacht van burgers en bedrijven te brengen. In de periode van 2008 tot nu heeft de firma Netpresenter deze functionaliteit op een goede manier aangeboden onder de merknaam AMBER Alert. In mijn beantwoording tijdens het mondelinge vragenuur van 12 december 20177 heb ik dan ook mijn lof hiervoor uitgesproken, zoals diverse van mijn ambtsvoorgangers eerder.
Ik ben onverminderd enthousiast over en overtuigd van nut en noodzaak van een vermist-kind-functionaliteit. Deze functionaliteit wordt dan ook gecontinueerd. De keuze om deze functionaliteit te integreren in Burgernet vloeit voort uit de gewijzigde omstandigheid dat door de vernieuwing van Burgernet dit systeem goed geëquipeerd is om de vermist-kind-berichten te gaan versturen en dit ook past in het bredere beleid rondom alerteren. Burgernet 2.0 beschikt over onder meer de mogelijkheid om landelijke berichten te versturen en de mogelijkheid om beeldmateriaal mee te zenden. Bovendien is Burgernet in eigendom van de politie.
Mijn waardering zoals ik die destijds heb uitgesproken voor het werk dat Netpresenter gedurende de contractperiode heeft verricht is onveranderd. De keuze voor beëindiging van het contract met Netpresenter vloeit voort, zoals ik ook op 12 december 2017 aan uw Kamer heb uitgelegd, uit de geconstateerde onrechtmatigheid van verdere verlenging van het contract.
Deelt u de mening dat uit niets blijkt dat Burgernet ten aanzien van waarschuwingen van kindontvoeringen effectiever zal worden dan Amber Alert en wellicht zelfs minder effectief? Zo ja, waarom stopt u dan toch met Amber Alert? Zo nee, waar blijkt het tegendeel dan precies uit?
Ik ben van mening dat niet blijkt dat de functionaliteit vermist-kind-alertering na integratie binnen Burgernet minder effectief zal worden dan de huidige alertering door Netpresenter onder de naam AMBER Alert.
De reden voor beëindiging van het huidige contract met Netpresenter is, zoals al in 2017 aan Netpresenter is gemeld, de geconstateerde onrechtmatigheid van dit contract. Het feit dat de beëindiging van het contract is uitgesteld naar aanleiding van de door Netpresenter gevoerde juridische procedures verandert niets aan deze constatering uit 2017.
Wilt u terugkomen op het besluit om met Amber Alert te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Allereerst herhaal ik, zoals gesteld in het antwoord op vraag 2, dat de politie het verzenden van vermist-kind-alerteringen continueert. De politie beëindigt het contract met de firma Netpresenter voor de dienstverlening daarvoor en kiest ervoor de functionaliteit vermist-kind-alertering onder te brengen bij het alerteringssysteem Burgernet dat in eigendom en eigen beheer van de politie is. Daarmee zullen vermist-kind-alerteringen voortaan onder de naam Burgernet verschijnen, in plaats van onder de merknaam AMBER Alert.
Ik onderschrijf dit besluit van de politie, dat op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en bovendien een onrechtmatige situatie opheft, en ben niet van mening dat de politie terug zou moeten komen op dit besluit.
Samen met de politie ben ik ervan overtuigd dat de politie met de integratie in Burgernet een kwalitatief goed en toekomstbestendig product kan neerzetten, waarbij het uitgangspunt is dat de huidige kwaliteit en functionaliteit van de vermist-kind-voorziening gehandhaafd blijven.
Kunt u bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De executie van ruim tien onbewapende mannen door Ethiopische soldaten |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Stef Blok (VVD), Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de executie, waarvan gefilmde beelden onder meer vertoond zijn door CNN en de BBC, van ruim tien onbewapende mannen door Ethiopische soldaten, die zich afgelopen januari in de omgeving van het plaatsje Mahbere Dego in de regio Tigray heeft voorgedaan?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving van CNN en BBC over dit verschrikkelijke voorval.
Bent u bekend met de veroordeling van dit afschuwelijke geweld die de G7 hierover naar buiten heeft gebracht?2
Ik ben bekend met de verklaring van de Ministers van Buitenlandse Zaken van de G7 over de situatie in Tigray van 2 april jongstleden. Hoewel deze verklaring niet direct refereerde aan de berichtgeving van CNN en BBC, spreekt uit de verklaring helder dat de G7 de mensenrechtenschendingen in Tigray veroordeelt.
Hebben Nederland en de hele Europese Unie zich al aangesloten bij deze veroordeling?
Nederland en de EU hebben zich herhaaldelijk en in duidelijke bewoordingen uitgesproken over mensenrechtenschendingen in Tigray, onder meer in de Raadsconclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 11 maart. Ook de Finse Minister van Buitenlandse Zaken Haavisto, die op verzoek van de Hoge Vertegenwoordiger Borrell in april opnieuw naar Ethiopië is afgereisd, heeft de Ethiopische autoriteiten nogmaals opgeroepen tot een einde aan het geweld. Ik heb in de Raad Buitenlandse Zaken van 19 april mijn zorgen uitgesproken over het aanhoudende geweld en de mensenrechtenschendingen en tevens de oproep gedaan aan de EU om gezamenlijk de situatie in Ethiopië te agenderen in de VN-Mensenrechtenraad.
Deelt u met de G7 ook het oordeel dat het «essentieel is dat er er een onafhankelijk, transparant en onpartijdig onderzoek plaats vindt naar de gemelde misdaden» en dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze misdadige schending van mensenrechten ter verantwoording worden geroepen? Zo ja, welke concrete stappen zult u zetten om dit te bevorderen?
Ja, ik deel deze opvatting van de G7, waartoe al eerder werd opgeroepen in een mede door Nederland geïnitieerde verklaring in de Mensenrechtenraad. Inmiddels is een akkoord bereikt tussen de onafhankelijke Ethiopische Mensenrechtencommissie (EHRC) en het kantoor van de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) om gezamenlijk onderzoek te doen naar mensenrechtenschendingen in Tigray. Nederland heeft zich bereid verklaard financieel bij te dragen aan de kosten van een dergelijk onderzoek.
Bent u van oordeel dat dit bewijs van misdaden tegen de menselijkheid onderdeel vormt van een patroon van het extreem gewelddadige optreden van Ethiopische autoriteiten in de regio Tigray?
Ik maak mij grote zorgen over de aanhoudende berichten over het zeer gewelddadig optreden van de Ethiopische autoriteiten, evenals van Eritrese troepen, en van milities uit de naburige Amhara regio van Ethiopië. Mogelijk gaat het om zeer ernstige schendingen van het internationaal recht. Het kabinet hecht er belang aan dat het onafhankelijk onderzoek van EHRC en OHCHR afgewacht wordt, zodat kan worden vastgesteld wat de feiten zijn en wie daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden.
Duidt dit patroon – van extreem seksueel en gender gerelateerd geweld, gedwongen huisuitzettingen en verplaatsing van duizenden burgers én gruwelijke massamoorden – in uw ogen op een bewust in gang gezette etnische zuivering? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke additionele sancties of andere maatregelen zouden hierop volgens u en/of de Europese Unie moeten volgen?
De berichten uit Tigray, inclusief die over extreem seksueel en gender gerelateerd geweld, gedwongen huisuitzettingen en verplaatsing van duizenden burgers én gruwelijke massamoorden, zijn zeer zorgwekkend. Informatie over gebeurtenissen in Tigray blijft vooralsnog beperkt, en lastig te verifiëren. Dat maakt het moeilijk om vast te stellen in hoeverre sprake is van gecoördineerde acties. Onafhankelijk onderzoek door EHRC en OHCHR zal moeten uitwijzen wat de feiten zijn en in hoeverre er sprake is van dergelijke gecoördineerde acties.
Naast het aansprakelijk stellen van de verantwoordelijken voor reeds gepleegde misdaden is het van belang nieuwe misdaden te voorkomen door te zoeken naar een uitweg uit het gewapend conflict. Nederland en de EU zetten in op dialoog als oplossing van het conflict. Hiervoor is medewerking van alle strijdende partijen noodzakelijk. Het besluit van de Europese Commissie in december om begrotingssteun voor Ethiopië aan te houden is hier ook op gericht. Ik steun dit besluit, inclusief de voorwaarden die de Commissie heeft gesteld voor hervatting van de steun. Hieronder valt, naast onafhankelijk mensenrechtenonderzoek en toegang voor humanitaire hulp, een staakt-het-vuren. Ik heb dit in de Raad Buitenlandse Zaken van 19 april ook uitgesproken.
De internationale druk heeft recent geleid tot toezeggingen van de Ethiopische regering met betrekking tot humanitaire toegang, mensenrechtenonderzoek, en terugtrekking van Eritrese troepen. Dit is echter niet voldoende. Nederland en de EU zullen, in samenspraak met andere internationale partners zoals de Verenigde Staten, zich in blijven spannen voor een politieke oplossing. Mocht Nederland in samenspraak met deze gelijkgezinde landen tot de conclusie komen dat de huidige inzet niet afdoende is, zal gekeken worden naar andere middelen die de internationale gemeenschap ter beschikking heeft die bij kunnen dragen aan een einde aan het geweld.
Worden de Nederlandse inspanningen gericht op humanitaire hulp aan en bestrijding van honger bij gevluchte burgers uit deze regio verder opgevoerd? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Het voortdurende geweld in de regio is de belangrijkste oorzaak voor het gebrek aan voedsel voor burgers in de Tigray, inclusief intern ontheemden en vluchtelingen. Dit heeft de Humanitaire Coördinator van de VN, Mark Lowcock, op 16 april nog benadrukt in de VN-Veiligheidsraad. Naast de urgente noden die op dit moment bestaan, is er een reële kans dat honger een langdurig probleem in Tigray wordt indien in de komende maanden boeren niet in staat zijn te zaaien. Ook hierbij zal de veiligheidssituatie de grootste factor zijn.
Nederland heeft recent een aanvullende financiële bijdrage geleverd aan de humanitaire operatie in Ethiopië middels een contributie van EUR 1,5 miljoen euro voor het emergency appeal voor Tigray van de Internationale Federatie van het Rode Kruis (IFRC). Het betreft hier zowel hulp aan vluchtelingen uit Tigray in Soedan, als hulp in andere delen van Ethiopië die recent te lijden hebben gehad onder geweld. Tot slot is een deel van de bijdrage vrij inzetbaar voor de respons van het IFRC op de crisis in Tigray. De totale Nederlandse bijdrage voor humanitaire hulp voor de Tigray respons in 2021 komt daarmee op ruim EUR 9,5 miljoen euro.
Bent u al in staat (of bereid) om te onderzoeken hoe, bijvoorbeeld via steun aan maatschappelijke organisaties die toegang hebben tot de regio Tigray, meer informatie en bewijs over misdaden tegen de menselijkheid vergaard kunnen worden en deze beschikbaar kunnen worden gesteld aan autoriteiten met een mondiale jurisdictie?
Gezien de bemoedigende resultaten van voorlopig onderzoek door EHRC zet Nederland op dit moment in op onderzoek door EHRC en OHCHR. Nederland heeft zich bereid verklaard financieel bij te dragen aan de kosten van dat onderzoek. Wel is het voor het kabinet van belang dat OHCHR ook onafhankelijk conclusies kan trekken. OHCHR heeft dit inmiddels ook toegezegd. Resultaten van het gezamenlijke onderzoek dienen in eerste instantie gebruikt te worden door de Ethiopische autoriteiten voor rechtsvervolging waar daar aanleiding toe bestaat. Daarnaast vindt Nederland het belangrijk dat er toegang is tot Tigray voor andere onafhankelijke mensenrechtenorganisaties en voor journalisten om aanvullend onderzoek te doen.
Het bericht ‘Lagere straffen slijterij-moord’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het vonnis van het gerechtshof in deze zaak waarin staat dat niet hogere maar juist lagere straffen beter bij een moord passen?1
Ik ben bekend met de arresten van het gerechtshof Den Haag van 30 maart 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:567 en ECLI:NL:GHDHA:2021:568). De verdachten in deze strafzaken zijn overigens vrijgesproken van moord en (onder andere) veroordeeld voor het medeplegen van doodslag.
Bent u bekend met het vonnis van het gerechtshof in deze zaak waarin staat dat er lagere straffen zijn opgelegd omdat het OM en/of rechters hebben zitten slapen en daardoor de zogenaamde redelijke termijn hebben overschreden?
Ik ben bekend met de overwegingen van het gerechtshof in bovengenoemde arresten. Het gerechtshof overweegt dat de arresten in deze strafzaken niet binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep zijn gewezen en dat dit een overschrijding van de redelijke termijn oplevert, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Overschrijding van de redelijke termijn in de fase van hoger beroep wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Naast strafvermindering kan een overschrijding van de redelijke termijn ook enkel de constatering daarvan inhouden.
De Hoge Raad heeft per arrest van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) uiteengezet welke strafkorting door rechters kan worden toegepast indien de redelijke termijn is overschreden. Bij een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden wordt de op te leggen straf verminderd met vijf procent. Bij een overschrijding tussen de zes en twaalf maanden wordt de op te leggen straf verminderd met tien procent. Bij deze overschrijdingen bedraagt de vermindering in het geval van een gevangenisstraf nooit meer dan zes maanden in totaal (zie rechtsoverweging 3.6.2). Bovendien wordt geen strafvermindering toegepast bij straffen die lager zijn dan bepaalde in het arrest genoemde drempels.
Het gerechtshof overweegt dat de geconstateerde overschrijding in deze twee specifieke strafzaken ook daadwerkelijk matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben. Het hof heeft de uiteindelijk op te leggen gevangenisstraffen gematigd met vier en zes maanden.
Wat was de reden van overschrijding van de redelijke termijn in deze moordzaak?
Uit de arresten van het gerechtshof kan worden opgemaakt dat er geen bijzondere omstandigheden waren voor het niet tijdig behandelen van deze strafzaken in hoger beroep. In zijn algemeenheid wijst de Rechtspraak op de achterstanden van strafzaken die bij de gerechten bestaan en dat de periode waarin de overschrijding van de redelijke termijn in de onderhavige strafzaken heeft plaatsgevonden, samenviel met de destijds geldende beperkende coronamaatregelen. Die coronamaatregelen hadden grote gevolgen voor de agendering door de gerechten. De Rechtspraak loopt op dit moment de ontstane achterstanden in. Uw Kamer is ingelicht over de manier waarop die achterstanden in de strafrechtketen worden aangepakt.2 Zo worden bepaalde strafzaken enkelvoudig in plaats van meervoudig afgedaan en worden gepensioneerde rechters ingezet om strafzittingen te doen. Door deze maatregelen wordt de kans verkleind dat strafzaken te laat op zitting worden gepland en behandeld en wordt de kans op overschrijding van de redelijke termijn dus ook verkleind.
Kunt u aangeven wat volgens zowel het OM als de Rechtspraak passende straffen zijn voor moord, het schieten met een vuurwapen en het medeplegen aan doodslag?
De officier van justitie en de rechters komen tot hun strafeis respectievelijk rechterlijk oordeel omtrent de in de betreffende strafzaak passende straftoemeting na een waardering van alle relevante omstandigheden, zoals de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd en op grond van de persoon van de verdachte. Voor het plegen van een moord is in de jaren 2012–2018 gemiddeld 14,4 jaren gevangenisstraf opgelegd, voor doodslag gemiddeld 9,3 jaren.3
In hoeveel zaken is er vanaf 2010 tot op heden sprake geweest van strafvermindering voor de daders als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn, uitgesplitst per delict? In hoeveel zaken ging het om ernstige gewelds- of zedendelicten? Bent u bereid vanaf nu elk kwartaal dit overzicht met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
De Rechtspraak en het Openbaar Ministerie houden geen registratie bij van overschrijdingen van de redelijke termijn en de gevolgen die daaraan in een specifieke strafzaak zijn verbonden. Precieze gegevens over het aantal strafzaken waarin een overschrijding van de redelijke termijn is vastgesteld kunnen pas na zeer tijdrovend onderzoek worden verkregen, nadat alle strafzaken bij alle gerechten afzonderlijk zijn geanalyseerd.
Het delen van een kwartaaloverzicht met uw Kamer acht ik daarom niet opportuun. Ik heb overigens geen reden te veronderstellen dat strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn geregeld aan de orde is. De kosten van het opzetten en bijhouden van een registratie daarvan wegen dan ook niet op tegen de baten daarvan.
In hoeveel procent van het totale aantal strafzaken wordt er strafkorting opgelegd als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u ook van mening dat het een klap in het gezicht is van de slachtoffers en nabestaanden als moordenaars «beloond» worden met een lagere straf omdat het OM en de rechters lui zijn en liggen te slapen? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp goed dat het voor slachtoffers en nabestaanden wrang is als
in een strafzaak een overschrijding van de redelijke termijn wordt geconstateerd en verdachten als gevolg daarvan strafvermindering krijgen. Het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak leveren onverminderd grote inspanningen om met de bestaande capaciteit en ondanks de beperkende coronamaatregelen de behandeling van strafzaken zo vlot mogelijk te laten plaatsvinden en te voorkomen dat de redelijke termijn wordt overschreden.
Bent u bereid een einde te maken aan het belonen van moordenaars, verkrachters en andere gevaarlijke criminelen wegens traagheid bij het OM en de Rechtspraak? Zo nee, waarom niet?
In die gevallen waarin een overschrijding van de redelijke termijn desondanks niet vermeden kan worden, vloeit uit het EVRM voort dat de op te leggen straf kan worden gematigd. In het antwoord op vraag 2 heb ik uiteengezet welke kaders de Hoge Raad daarvoor hanteert.