Zwemles |
|
Lisa Westerveld (GL), Michiel van Nispen (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Paul Blokhuis (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De wachtlijst voor zwemles wordt steeds langer door corona»?1
Ja.
Wordt zwemles als sport of als onderwijs beschouwd? Welke criteria gelden hier? Kan dit uitgebreid worden toegelicht?
Onder de definitie van onderwijsactiviteiten wordt een activiteit op een locatie op een onderwijsinstelling of daarbuiten verstaan die onderdeel uitmaakt dan wel rechtstreeks verband houdt met a. het onderwijs dat door of namens een instelling voor primair onderwijs of instelling voor voortgezet onderwijs wordt verzorgd; b. een beroepsopleiding, opleiding educatie of opleiding voortgezet algemeen volwassenonderwijs als bedoeld in artikel 1.1.1, onder i, n en n1, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, die door of namens een instelling voor beroepsonderwijs wordt verzorgd; c. een opleiding waaraan accreditatie is verleend als bedoeld in artikel 1.1, onder q, van de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, die door of namens een instelling voor hoger onderwijs wordt verzorgd.
Zwemles houdt geen verband met de hierboven genoemde vormen van onderwijs, maar vindt plaats op een locatie voor de beoefening van sport.
Is er een beeld van het aantal kinderen per leeftijdscategorie dat momenteel op de wachtlijst staat voor zwemles?
Nee, het beeld is divers en ik baseer mij daarbij op inschattingen vanuit de branche die via de Nationale Raad Zwemveiligheid tot mij komen.
Klopt de verwachting dat de wachtlijsten pas in 2023 zijn weggewerkt wanneer deze «avondlockdown» nog tot en met januari duurt? Zo nee, wanneer zijn de wachtlijsten naar verwachting dan opgelost?
In onzekere tijden als deze is het lastig om een inschatting te maken wanneer de wachtlijsten opgelost zijn. Bovendien geldt dat voordat de beperkende maatregelen voor het eerst werden opgelegd op een aantal plekken al wachtlijsten voor zwemles bestonden als gevolg van het tekort aan docenten en beschikbaar badwater.
Delen de bewindspersonen onze mening dat de wachtlijsten voor volgende zomer weggewerkt zouden moeten zijn in het belang van de veiligheid van kinderen? Zo ja, welke stappen gaan zij zetten om zwemscholen te ondersteunen bij het wegwerken van de wachtlijsten? Zo nee, wat is dan het streven?
Idealiter halen alle kinderen die dat willen hun zwemdiploma, niet alleen voor de zomer maar ook om het hele jaar door te blijven zwemmen. Toen de epidemiologische situatie daar een beetje ruimte voor bood, is voor zwemles een uitzondering gemaakt in de afgelopen periode om gedeeltelijk open te kunnen. Aanvullend heeft de branche vorig jaar creatief en hard gewerkt om zo veel mogelijk wachtlijsten weg te werken. Maar daarbij zijn ze natuurlijk afhankelijk van het beschikbare badwater.
Hoeveel kinderen zullen er deze zomer zijn zonder A-diploma, die wel een diploma zouden hebben als zwemlessen onverminderd hadden kunnen doorgaan? Wat zijn de gevolgen voor de zwemveiligheid?
Ieder jaar halen ongeveer 300.000 tot 400.000 kinderen een zwemdiploma. Het is moeilijk te zeggen hoeveel kinderen nu geen diploma gehaald hebben als gevolg van de beperkingen. In 2021 is zwemles niet mogelijk geweest tot 16 maart en vanaf 28 november tot einde van het jaar is zwemles na 17:00 uur niet toegestaan. Sinds zaterdag 15 januari zijn de zwembaden weer onbeperkt geopend.
Dat is een volledige lesbeperking van 11 weken en een lesbeperking van 7 weken in de avond. Dat laatste komt in netto lestijd neer op ongeveer een volledige week lestijd. In 2021 verviel daarmee dus 12/52e (=23%) van de potentiële lestijd. Daarmee schat ik het aantal kinderen dat nu (nog) geen diploma heeft maar dat wel had gewild op 69.000 tot 92.000 kinderen, grotendeels als gevolg van de strenge maatregelen in het begin van het jaar. De beperkingen van november 2021 tot einde van het jaar zorgen voor een achterstand van ca. 6.000 tot 8.000 diploma’s.
Ieder kind dat als gevolg van de maatregelen niet tijdig een diploma kan halen zal verminderd zwemveilig zijn. Als gevolg hiervan zullen zij in de zwemzomer langer met hulpmiddelen (bijv. zwembandjes) en onder nadrukkelijk toezicht van hun ouders of begeleiders moeten zwemmen.
Wat is er veranderd na het 103e OMT-advies waardoor zwemles nu, in relatie tot de veiligheid van kinderen, niet meer belangrijk genoeg is om open te blijven?
Gedurende de lockdown van begin 2021 waren binnensporten niet toegestaan. Ook zwemlessen konden daarom geen doorgang vinden. In het advies naar aanleiding van de 103e bijeenkomst van het OMT stelde het OMT dat het belangrijk en mogelijk is om de zwemlessen te hervatten met inachtneming van de toenmalige epidemiologische condities. Gegeven de destijds voortdurende lockdown en het belang van de veiligheid van kinderen is, op basis van het 103e OMT-advies, besloten om zwemlessen tot 12 jaar weer toe te staan.
Met de maatregelen die golden tot 15 januari van dit jaar is getracht om bij uitzondering zwembaden open te stellen voor zwemles 05.00 en 17.00 uur.
Het OMT heeft in zijn advies naar aanleiding van de 128e bijeenkomst geadviseerd om de CTB-plicht verder uit te breiden naar o.a. sport. In dit kader heeft het kabinet besloten om voor personen vanaf 18 jaar een CTB-plicht in te voeren voor locaties waar sport wordt beoefend. Gezien zwemlessen op deze locaties plaatsvinden, moeten de bezoekers in het bezit zijn van een vaccinatie-, herstel- of testbewijs om toegang te krijgen tot de locatie.
Er zijn geen aanwijzingen dat er toen veel of weinig besmettingen waren bij zwemlessen. Simpelweg omdat we de effecten van de maatregelen niet op dit specifieke niveau kunnen bezien.
Waarom is er niet gekozen voor hetzelfde regime met betrekking tot zwemles als in maart dit jaar? Zijn er aanwijzingen er dat er toen veel besmettingen waren bij zwemlessen? En zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u ook bekend met het artikel «Nog langere wachtlijsten en afhakers bij zwemscholen door avondlockdown» uit Het Parool van 10 december?2
Ja.
Deelt u de mening dat kinderen niet de dupe mogen worden van de coronatoegangsbewijs (CTB)-plicht bij zwemscholen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Maar ik wil wel duidelijk maken dat kinderen niet geweigerd worden en dat ouders ook ongevaccineerd naar binnen kunnen bij een getoonde negatieve test.
Bent u bereid het OMT nogmaals advies te vragen over zwemles, mogelijke veiligheidsmaatregelen, openingstijden en het gebruik van het CTB in zwembaden? Zo nee, waarom niet?
Sinds de versoepelingen die afgelopen zaterdag 15 januari zijn ingegaan is zwemles mogelijk. Natuurlijk met inachtneming van de maatregelen die voor alle sportaccommodaties gelden.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat ook deze kinderen voldoende zwemvaardigheden hebben voor de aankomende zomer?
Ik ga ervan uit dat zwemlesaanbieders manieren vinden om de achterstanden weg te werken, zoals ze vorig voorjaar ook keihard hebben gewerkt om dat voor elkaar te krijgen. Wanneer dit niet tijdig lukt wil ik alle ouders en hun kinderen op het hart drukken alleen te gaan zwemmen onder nadrukkelijk toezicht van een zwemvaardige volwassene en met hulpmiddelen zoals zwembandjes.
Wat zouden de gevolgen zijn van het uitzonderen van zwemscholen van de CTB-plicht op de verspreiding van het coronavirus? Staat dit volgens u in verhouding tot het gevaar voor kinderen als ze niet genoeg zwemvaardigheden hebben? Kunt u dit toelichten?
Ik wil nogmaals benadrukken dat kinderen niet geweigerd worden, en dat ouders ook ongevaccineerd naar binnen kunnen bij een getoonde negatieve test en dat het gaat om een hele kleine groep van ouders die niet aan de CTB-plicht wil voldoen en ook geen alternatieve oplossing voor hun kinderen vindt.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het eerstvolgende coronadebat?
Beantwoording voorafgaand aan het coronadebat op 15 december was niet mogelijk.
Een Engels COVID-onderzoek |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van twee professoren van de Universiteit van Londen over de mortaliteitscijfers van ongevaccineerden en gevaccineerden, waaruit blijkt dat door verkeerde registratie het aantal vaccinatiedoden buiten zicht blijft? Bent u voorts bekend met een diepgaande statistische analyse van Orwell dat laat zien dat met COVID-19 in Nederland er niets bijzonders is gebeurd in de leeftijdscategorie onder 65 jaar?1 en 2
Ja, ik ben bekend met deze publicaties.
Wat is uw reactie op dit onderzoek? Kunt u een toelichting geven?
Het onderzoek zet de mortaliteit af tegen vaccinatiestatus en stelt tevens dat in het Verenigd Koninkrijk systematische misclassificatie optreedt, doordat de periode die nodig is om de bescherming van vaccins te garanderen wordt bekeken ten opzichte van overlijdensdatum en niet ten opzichte van eerste ziektedag. In Nederland wordt de vaccinatiestatus bij besmetting bepaald op het moment van eerste ziektedag. Om de vaccineffectiviteit te bepalen is het echter noodzakelijk rekening te houden met de tijd die nodig is voor een vaccin om de benodigde immuunrespons op te wekken. In Nederland hanteren we hiervoor een periode van 14 dagen na ontvangst van het laatste vaccin in de basisserie. Voor het Janssen-vaccin is deze periode 28 dagen. Hierin houdt het RIVM de periodes aan die door de fabrikanten worden aanbevolen. Door deze periodes niet in acht te nemen zou een onterechte onderschatting van de vaccineffectiviteit kunnen ontstaan. In Nederland wordt door Bijwerkingencentrum Lareb bijgehouden welke mogelijke bijwerkingen kunnen ontstaan na COVID-19-vaccinatie. Hiermee wordt de veiligheid van vaccins nauwlettend gemonitord. Meldingen van overlijden na vaccinatie worden ook nauwkeurig bijgehouden door het Lareb. Overlijden na vaccinatie wil niet zeggen dat het overlijden is veroorzaakt door de vaccinatie.
Wat vindt u van het feit dat een diepgaande statistische analyse laat zien dat met COVID-19 in Nederland er niets bijzonders is gebeurd in de leeftijdscategorie onder 65 jaar en dat excessen enkel in de groep ouderen zitten? Bent u zich ervan bewust dat als dit onderzoek klopt, u alle mensen onder de 65 jaar opzadelt met coronabeleid dat kant noch wal raakt? Kunt u een reactie geven?
Ten eerste wil ik benadrukken dat het stuk waar u aan refereert is gepubliceerd als blog. De schrijver van dit stuk gebruikt een pseudoniem. Het is daarmee niet bekend door wie dit stuk geschreven is. Ook is dit artikel niet peer-reviewed of geaccepteerd in een wetenschappelijke publicatie.
De auteur stelt dat er geen oversterfte plaatsvindt, maar dat de sterfte onder de oudste bevolkingsgroepen een logisch gevolg is van de vergrijzing van de populatie. In Nederland houdt het Centraal Bureau Statistiek (CBS) bij hoeveel mensen er per periode overlijden. Het CBS vergelijkt daarvoor het totaal aantal overleden mensen met het te verwachte aantal overlijdens op basis van historische cijfers. Er wordt daarbij (onder andere) ook rekening gehouden met vergrijzing. Door de te verwachten overlijdens en de daadwerkelijke overlijdens met elkaar te vergelijken, kunnen we zien wat de effecten zijn van bijvoorbeeld een griep- of hittegolf. Er is sprake van oversterfte als meer mensen overlijden dan verwacht. Op deze manier kunnen we ook bekijken wat het effect van het coronavirus is, rekening houdend met fluctuaties door vergrijzing. Voor de actuele cijfers over oversterfte verwijs ik u naar het coronadashboard.
Het is daarnaast evident dat mensen ernstig ziek kunnen worden van een SARS-CoV-2-infectie. Dat geldt ook voor mensen jonger dan 65 jaar. Tussen 11 juli 2021 en 13 januari 2022 werden 32.641 personen met COVID-19 opgenomen in het ziekenhuis. Hiervan was 59% jonger dan 70 jaar. In de periode tussen 1 en 13 januari 2022 had 45% van de opgenomen patiënten van 70 jaar of ouder de basisserie afgerond en 11% de boostvaccinatie ontvangen. Van de opgenomen patiënten tussen de 12 en 69 jaar oud had 30% de basisserie afgerond, en 2% een boostvaccinatie ontvangen. Tussen 11 juli 2021 en 13 januari 2022 werden 5.351 personen met COVID-19 opgenomen op de IC, 75% van hen was jonger dan 70 jaar. In de periode tussen 1 en 13 januari 2022 had 42% van de op de IC opgenomen patiënten van 70 jaar of ouder de basisserie afgerond, en 7% had een boostvaccinatie ontvangen. Van de opgenomen patiënten tussen de 12 en 69 jaar oud had 21% de basisserie afgerond, en 2% een boostervaccinatie ontvangen.
Hoewel de effectiviteit van de vaccins hoog is, komt het ook voor dat gevaccineerde mensen in het ziekenhuis of op de IC moeten worden opgenomen. De maatregelen die naast vaccineren worden genomen zijn er op gericht kwetsbaren te beschermen, de verspreiding van het virus zoveel mogelijk af te remmen, en de zorg toegankelijk te houden.
Wat vindt u van het feit dat de professoren ontdekten dat overleden gevaccineerden pas weken na de vaccinatie als «gevaccineerd» werden aangemerkt en dus stierven als ongevaccineerden? Kunt u hier een reactie op geven?
In het onderzoek waar u naar verwijst gaat het om het Verenigd Koninkrijk. In Nederland is COVID-19 een meldingsplichtige ziekte op grond van artikel 26 van de Wet publieke gezondheid (Wpg). Voor overlijden aan COVID-19 geldt echter geen meldingsplicht. Wanneer personen komen te overlijden wanneer zij besmet zijn met COVID-19, is de vaccinatiestatus wel bekend. Het RIVM ontvangt op het moment van besmetting namelijk vaccingegevens via het bron- en contactonderzoek. Iemand wordt aangemerkt als volledig gevaccineerd 14 dagen na de tweede vaccinatie met een vaccin van Moderna, BioNTech/Pfizer en AstraZeneca of 28 dagen na vaccinatie met Janssen. Op het moment dat een persoon komt te overlijden zonder een vastgestelde SARS-CoV-2 infectie, wordt de vaccinatiestatus niet gerapporteerd aan het RIVM.
Momenteel wordt er naar aanleiding van de motie van het lid Omtzigt3 (CDA) door het RIVM en het CBS onderzoek gestart naar de redenen en oorzaken van de oversterfte in Nederland tijdens de corona-epidemie. Over de opzet en planning van dit onderzoek heb ik uw Kamer in mijn brief van 14 januari jl.4 uitgebreid geïnformeerd.
Wat vindt u van de schokkende andere uitkomsten van de gecorrigeerde grafiek:3 een duidelijke piek in overlijdens zowel na de toediening van de eerste als de tweede doses en4 de mortaliteit van gevaccineerden niet lager is dan ongevaccineerden, wat de ineffectiviteit van vaccins aangeeft? Kunt u hier een reactie op geven?
Vooropgesteld staat dat de coronavaccins nog steeds erg goed beschermen tegen ernstige ziekte. Het RIVM houdt de vaccineffectiviteit nauwlettend in de gaten. Hierbij wordt niet alleen naar sterfte gekeken, maar ook naar de ernst van een infectie met ziekenhuis- of IC-opname als gevolg. De meest recente bepaling van 19 november 2021 tot en met 13 januari 2022 laat zien dat de effectiviteit van de basisserie tegen ziekenhuis- en IC-opnames tijdens de delta-periode 85% en 93% respectievelijk was. Een boostvaccinatie leidt tot een absolute toename van vaccineffectiviteit van 12 procentpunt tegen ziekenhuisopname in vergelijking met de basisserie. Tegen IC-opname geeft de booster 5 procentpunt meer bescherming in vergelijking met de basisserie. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb toegelicht, is de kans om door een COVID-19-besmetting in het ziekenhuis of op de IC terecht te komen vele malen kleiner voor gevaccineerde mensen dan voor onvolledig- of niet-gevaccineerde mensen.
Wat we wel zien is dat de bescherming na verloop van tijd afneemt. Dit is dan ook waarom iedereen die langer dan 3 maanden geleden zijn of haar laatste dosis heeft ontvangen, of besmet is geweest met het virus, een boostervaccinatie te halen. Dit zorgt ervoor dat de bescherming weer omhoog gaat.
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, monitort Lareb de meldingen van mogelijke bijwerkingen na vaccinatie. Ook worden meldingen van overlijden na vaccinatie hier bijgehouden. Lareb onderzoekt of de klachten een bijwerking van het vaccin zijn. Bij een groot deel van de meldingen is een al bestaand gezondheidsprobleem de meest voor de hand liggende verklaring voor het overlijden. Bij een aantal meldingen hebben bijwerkingen mogelijk bijgedragen aan het verslechteren van een al kwetsbare gezondheidssituatie of sluimerende onderliggende conditie, al dan niet door hoge leeftijd.
Biedt dit onderzoek voor u aanleiding om uw coronabeleid c.q. uw vaccinatiebeleid te wijzigen? Zo neen, waarom niet? Kunt u hier een uitgebreide reactie op geven?
Nee, dit onderzoek geeft geen aanleiding om het vaccinatiebeleid te veranderen. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 heb toegelicht zien we nog steeds dat het grootste deel van de mensen die door een infectie met het coronavirus op de IC terechtkomen, niet gevaccineerd zijn. De voordelen van vaccinatie wegen op tegen de eventuele nadelen.
Kunt u aangeven of personen die in de eerste weken na vaccinatie overlijden als gevaccineerd of ongevaccineerd worden geregistreerd?
Iemand wordt aangemerkt als gevaccineerd 14 dagen na de tweede vaccinatie met het vaccin van Moderna, Pfizer en AstraZeneca, of 28 dagen na vaccinatie met Janssen. Voor verdere toelichting op de registratie van overlijden verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Het bericht ‘Zorgen en boosheid na plotseling afblazen contractondertekening voor verbreden A2, Rijkswaterstaat meldt miljoenentekort’ |
|
Silvio Erkens (VVD), Peter de Groot (VVD) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen en boosheid na plotseling afblazen contractondertekening voor verbreden A2, Rijkswaterstaat meldt miljoenentekort»?1
Ja.
Wat is er precies aan de hand?
Kort voor de geplande vaststelling van enkele uitvoeringsovereenkomsten voor het project A2 Het Vonderen Kerensheide is besloten de ondertekening niet plaats te laten vinden. Dat heeft bij de regio – begrijpelijk – tot onvrede geleid. In het antwoord op vraag 3 ga ik daar nader op in. De overeenkomsten konden helaas niet worden getekend, omdat de (geactualiseerde) raming van het project hoger ligt dan het taakstellend budget. De voorbereidingen van het project lopen ondertussen conform planning door waardoor op dit moment geen effect is op het geplande moment van aanbesteding (voorjaar 2022).
Wat is de reden dat het ondertekenen van de overeenkomst zo laat is afgezegd?
De annulering had ten eerste ruim eerder moeten plaatsvinden, omdat het genoemde tekort al eerder bekend was. De communicatie met de betrokken partijen over het annuleren van de ondertekening is voorts te laat opgestart en niet goed verlopen. Inmiddels heb ik hierover met de gedeputeerde van Limburg contact gehad en mijn verontschuldigingen hiervoor aangeboden.
Het zou gaan om een tekort van «enkele miljoenen» op een totaal budget van 287 miljoen euro. Hoe groot is precies het tekort?
Het proces van validatie van de precieze omvang van het tekort voor de A2 Het Vonderen Kerensheide is op dit moment gaande, waardoor ik nog niet in kan gaan op de exacte hoogte van het tekort. Over de uitkomst van de validatie en het vervolg wordt u via de reguliere kanalen volgens het MIRT geïnformeerd, in vervolg op de MIRT-brief van 15 december jongstleden.
Sinds wanneer is bekend dat er een tekort is? Was de provincie hiervan op de hoogte?
Bij vaststellen van het Tracébesluit (TB) in oktober 2019 is binnen het ministerie vastgesteld dat de raming hoger lag dan het met de provincie Limburg bestuurlijk vastgesteld taakstellend budget. Om deze spanning te beheersen is na ondertekening van het TB, conform de bestuursovereenkomst over dit project in opdracht van het Ministerie van I&W een onderzoek naar versoberingen uitgevoerd. Dit onderzoek is inmiddels afgerond en wordt door het ministerie in samenhang met de validatie van de raming beoordeeld. Over de uitkomst van deze beoordeling wordt u, na afstemming met de regio, via de reguliere kanalen geïnformeerd. De provincie is over het tekort recent, bij het annuleren van ondertekening van de overeenkomsten op bestuurlijk niveau geïnformeerd.
Klopt het dat het niet ondertekenen van de overeenkomst geen effect heeft op de uitvoering van het project? Zo ja, waarom is de ondertekening geannuleerd als dit alleen een formaliteit is? Zo nee, waarom heeft Rijkswaterstaat dit dan aan de provincie laten weten? Wat is de actuele planning van het project?
Het niet ondertekenen van de overeenkomsten op 2 december heeft vooralsnog geen effect op de realisatie en/of planning van het project. Met ondertekening van de overeenkomsten ontstaat een verplichting. Het is daarom niet slechts een formaliteit. Het is noodzakelijk voor de start van de aanbesteding. We zetten er op in om een effect op de planning te voorkomen. Dit is afhankelijk van een besluit over het budget. De huidige planning gaat uit van de start van de aanbesteding in (voorjaar) 2022, gunning in 2023 en uitvoering van 2025 tot 2027.
Welke oplossingen zijn er mogelijk om de overeenkomst alsnog te kunnen ondertekenen?
Op basis van de gevalideerde raming en het onderzoek naar versoberingen dient een besluit te worden genomen over het project.
In hoeverre wordt de verdere uitvoering van dit project gehinderd door de stikstofproblematiek?
Verdere uitvoering van het project wordt niet gehinderd door stikstofproblematiek, omdat het Tracébesluit is vastgesteld en onherroepelijk is.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja
Het bericht dat veel gepensioneerde verpleegkundigen bereid zijn te helpen in de boostercampagne, maar daarvoor eerst een BIG-opfriscursus van drie maanden moeten volgen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat veel gepensioneerde verpleegkundigen bereid zijn te helpen in de boostercampagne, maar daarvoor eerst een BIG-opfriscursus van drie maanden moeten volgen?1
Binnen de grenzen van de Wet BIG en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) mag een niet-BIG-geregistreerde, bijvoorbeeld een gepensioneerde verpleegkundige of een doktersassistent vaccineren. Onder de «verlengde armconstructie» kunnen niet-BIG-geregistreerden onder toezicht van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde, bijvoorbeeld een arts, voorbehouden handelingen uitvoeren, mits zij daarvoor bekwaam zijn. Het vaccineren (injecteren) is zo’n voorbehouden handeling. Het is dus mogelijk om niet-BIG-geregistreerde verpleegkundigen in te zetten in de boostercampagne, mits zij bekwaam zijn om te vaccineren. Toetsing van die bekwaamheid vindt plaats door de medisch eindverantwoordelijke van de regionale GGD. Veiligheid en zorgvuldigheid zijn bij het vaccineren essentieel en daarom wordt gevraagd om een opfriscursus wanneer iemand gedurende een langere periode niet heeft geprikt. Deze opfriscursus duurt een aantal uren tot maximaal een aantal dagen afhankelijk van de prikervaring en competenties van de prikker. Van een tijdrovende opleiding is echter geen sprake. Voor de een zal een korte scholing passend zijn en voor de ander volstaat een aantal keer oefenen in een simulatiesetting.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat recent gepensioneerde ervaren verpleegkundigen eerst een opfriscursus van drie maanden moeten doen voordat zij mogen helpen vaccineren?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de boostercampagne zou kunnen worden versneld als deze groep op korte termijn zou kunnen helpen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 aangegeven, is het reeds mogelijk om deze doelgroep op korte termijn in te zetten. Dat gebeurt ook: gepensioneerde verpleegkundigen helpen diverse GGD’en bij de boostercampagne. Mede hierdoor hebben alle 18-plussers de mogelijkheid gekregen om een afspraak te maken voor een boostervaccinatie.
Bent u bereid om deze groep tijdelijk een vergunning te geven, puur voor het zetten van vaccinaties? Zo nee, bent u bereid om dit te onderzoeken?
Een vergunning is niet nodig, omdat deze doelgroep binnen de kaders van de Wet BIG, in opdracht van een bevoegde BIG-geregistreerde, vaccinaties mag zetten zolang zij bekwaam zijn. Daarnaast is het in maart 2020 reeds mogelijk gemaakt dat voormalig verpleegkundigen met een verlopen BIG-registratie vanaf 1 januari 2016 onder voorwaarden weer zelfstandig ingezet kunnen worden in de zorg. Ik verwijs uw Kamer graag naar het kader dat daarvoor in samenspraak met V&VN en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is opgesteld.
Signalen van slechte zorg, fraude en hoge salarissen bij een instelling die zorg zou moeten leveren aan ex-gedetineerden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat het met de zorg bij het Enschedese Zorg en Research slecht gesteld was, maar de eigenaar financieel binnenliep? Kunt u aangeven of deze signalen bij u bekend waren en zo ja, hoe lang al?1 2
Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. De signalen die zijn genoemd in de berichtgeving waren bekend bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De eerste signalen vanuit ketenpartners zijn in maart 2020 geuit.
Kunt u aangeven wat u precies gedaan heeft met de zorgen die de Reclassering bij uw ministerie heeft uitgesproken over de kwaliteit van zorg bij Zorg en Research en wanneer de reclassering deze zorgen voor het eerst heeft geuit?
De reclassering heeft deze zorgen voor het eerst geuit in september 2020. Mede op basis van de signalen van ketenpartners, waaronder de reclassering en gemeente Enschede, is DJI op 13 juli 2021 een materiele controle gestart naar de kwaliteit en rechtmatigheid van de door deze zorgaanbieder geleverde en gedeclareerde zorg. DJI heeft besloten het contract niet te verlengen. De zorgaanbieder heeft vervolgens een kort geding aangespannen tegen DJI en vorderde daarbij het contract alsnog te verlengen. De rechter heeft deze vordering afgewezen.3 Het contract liep dus van rechtswege af op 31 december 2021.
Vindt u dat het toezicht op deze instelling voldoende was? Zo ja, waaruit blijkt dat?
Gedurende de contractperiode borgt DJI middels contractmanagement of zorgaanbieders nog steeds aan de geldende eisen voldoen. Indien het contractmanagement daar aanleiding toe geeft, kan DJI nader onderzoek instellen, een verbeterplan vragen of zelfs besluiten geen patiënten meer te plaatsen. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 was er aanleiding om dit naderonderzoek te starten naar de kwaliteit en rechtmatigheid van de door deze zorgaanbieder geleverde en gedeclareerde zorg. Daarmee heeft DJI opvolging gegeven aan de ontvangen signalen.
Bent u het er mee eens dat geld dat voor zorg, begeleiding en het voorkomen van nieuwe criminaliteit bestemd is, niet zou moeten verdwijnen in de zakken van de directie?
Het geld dat aan de forensische zorg wordt besteed, is bedoeld voor de zorg aan forensische patiënten om zo de maatschappij veiliger te maken. Daarvoor is een positief bedrijfsresultaat tot een bepaald niveau noodzakelijk, zodat een instelling vermogen op kan bouwen ten behoeve van toekomstige investeringen, maar ook om jaren te kunnen compenseren wanneer zich door omstandigheden een negatief resultaat voordoet.
Kunt u verklaren hoe het kan dat er bij Zorg en Research tonnen aan winst zijn gemaakt en zeer forse bedragen aan salarissen aan de directie zijn uitgekeerd? Hoe is hier toezicht op gehouden? Hadden alleen hierom al niet alle alarmbellen af moeten gaan bij u?
DJI betaalt dezelfde tarieven aan Zorg en Research als aan andere aanbieders van deze soort zorg. Dit is gebaseerd op het maximumtarief zoals dat door de Nederlandse Zorgautoriteit is vastgesteld. Omdat dergelijke hoge winsten, zoals bij Zorg en Research, ongebruikelijk zijn, kan dat aanleiding zijn om een onderzoek in te stellen naar de kwaliteit en rechtmatigheid van de gedeclareerde zorg. Het eerdergenoemde onderzoek dat DJI uitvoert naar de rechtmatigheid van de gedeclareerde zorg zal uitsluitsel moeten geven of inderdaad sprake is van onrechtmatige declaraties, die konden leiden tot dergelijke hoge winsten en hoge salarisuitkeringen. Om het toezicht van DJI op zorgaanbieders te verbeteren, is de afdeling die de rechtmatigheid van declaraties controleert afgelopen jaar uitgebreid en volgt dit jaar een verdere uitbreiding. Ook werk ik aan betere inkoopvoorwaarden en aan een betere informatiepositie van DJI.
Bent u het er mee eens dat dit voorbeeld aantoont dat de zorg in zijn essentie niet aan de markt overgelaten kan worden, en de zorg in strafrechtelijk kader al helemaal niet, omdat dit onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van de samenleving oplevert en gepaard kan gaan met verkwisting van belastinggeld? Zo nee, waarom niet?
De overgrote meerderheid van de aanbieders zijn professionele aanbieders die goede kwaliteit leveren en rechtmatig handelen. Dit zijn zorgaanbieders die zich dagelijks inspannen om goede zorg te leveren aan een moeilijke doelgroep om Nederland op die manier veiliger te maken. Ik vind het dus nog steeds passend een deel van de zorg in een strafrechtelijk kader door particuliere zorgaanbieders uit te laten voeren.
Hoe kan het dat iemand die zelf eerder veroordeeld is, de baas kan zijn van een instelling die zorg moet verlenen aan ex-gedetineerden? Kunt u uiteenzetten op welke wijze deze directeur gescreend is voorafgaand aan het gunnen van de opdracht om zorg te leveren aan ex-gedetineerden en hoe gekeken is of de zorginstelling wel geschikt was voor het leveren van die zorg? Ziet u, naar aanleiding van deze zaak, reden om deze controles wellicht te intensiveren? Zo nee, waarom niet?
In deze aanbesteding heeft DJI de uitsluitingsgronden (gronden die verband houden met strafrechtelijke veroordelingen op basis van een onherroepelijk vonnis) toegepast.4 Het gaat hierbij om de volgende uitsluitingsgronden: deelneming aan een criminele organisatie, omkoping, fraude, witwassen van geld of financiering van terrorisme, terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terroristische activiteiten of kinderarbeid en andere vormen van mensenhandel. DJI heeft in de aanbesteding al deze gronden van toepassing verklaard conform de Aanbestedingswet. De veroordeling van de bestuurder van deze organisatie viel niet in één van deze categorieën.
Tijdens de aanbesteding moesten inschrijvende partijen voldoen aan de door DJI gestelde eisen. Zoals in mijn brief aan uw Kamer van 26 november 2021 is vermeld, ben ik de inkoopprocedure aan het herzien om nog beter aan de voorkant van een aanbestedingsprocedure te kunnen definiëren waar een zorgaanbieder aan moet voldoen.5
Wat gaat u doen om het geld dat door Zorg en Research niet besteed is aan zorg terug te halen, zodat het alsnog besteed kan worden aan zorg?
Op dit moment loopt het onderzoek naar de rechtmatigheid van de door Zorg en Research gedeclareerde zorgprestaties. DJI zal op basis van de uitkomsten van het onderzoek gepaste maatregelen treffen. Een terugvorderingsprocedure behoort tot de mogelijkheden.
Het bericht 'Gevluchte Afghanen moeten bij vertrek kleren achterlaten' |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Ankie Broekers-Knol (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gevluchte Afghanen moeten bij vertrek kleren achterlaten»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat het allesbehalve wenselijk is voor gezinnen om na hun vertrek uit Afghanistan wederom spullen, waaronder warme kleren, te moeten achterlaten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment worden duizenden mensen op tijdelijke locaties opgevangen, meestal voor een kortere periode, waardoor het kan voorkomen dat zij vaker moeten verhuizen. Ook kan het voorkomen dat tijdens het vervoer of op de opvanglocatie in beperkte mate opslagruimte beschikbaar is. Deze situatie is onwenselijk en het COA streeft naar meer structurele opvang waar bewoners langer kunnen verblijven. In de tussentijd zet COA alles in het werk om de bewoners zo goed mogelijk op te vangen en reisbewegingen tussen verschillende opvanglocaties zo veel mogelijk te beperken. Waar mogelijk wordt door COA geprobeerd maatwerk te leveren als het gaat om het meenemen van bagage, bijvoorbeeld door het inhuren van aanvullend vervoer of door het opslaan van de spullen die niet direct kunnen worden meeverhuisd. Dit laat onverlet dat er situaties kunnen voorkomen waarbij dit niet mogelijk is en aan bewoners wordt gevraagd om spullen achter te laten dan wel door te geven aan andere bewoners van noodopvanglocaties.
Kunt u uitwijden waarom er maar ruimte zou zijn voor Afghaanse evacués om een tas van 20 kilo mee te mogen nemen naar een andere opvanglocatie, waardoor zij onder andere spullen moeten achterlaten die vaak door Nederlandse vrijwilligers zijn verzameld?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat Afghaanse evacués meer spullen mee mogen nemen naar een volgende opvanglocatie? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat onderneemt u om te voorkomen dat Afghaanse evacués vaak moeten verkassen tussen opvanglocaties?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke andere manier voert u de motie van het lid Piri omtrent een warm-welkom beleid voor Afghanen die voor de Nederlandse missie in Afghanistan hebben gewerkt?2
Het COA stelt alles in het werk om ook op tijdelijke locaties zo veel mogelijk de mate van opvang en begeleiding te bieden zoals die ook op reguliere locaties wordt geboden. De IND beslist daarnaast voortvarend in de procedures van de evacuees. De evacuees krijgen daarmee snel duidelijkheid over hun verblijfstatus en daarmee hun toekomst. Wanneer zij een asielvergunning hebben gekregen, voert het COA een huisvestingsgesprek, ook op de noodopvanglocaties. Dit maakt dat alles in het werk wordt gesteld om deze personen zo snel als mogelijk te laten doorstromen naar gemeenten. Daarenboven wordt bij de Afghaanse evacuees ingezet op contacten met de opleidings- en universitaire wereld, zoals stichting UAF; en op andere initiatieven zoals oriëntatie op de arbeidsmarkt. Het kabinet zal via een separate brief de Kamer zo snel mogelijk informeren over de uitwerking van de motie.
De laatste stand van zaken in de aanpak tegen zorgverleners die corona ontkennen, bagatelliseren, nepnieuws verspreiden of bewust medicatie/behandelingen voorschrijven die wetenschappelijk bewezen ineffectief zijn |
|
Attje Kuiken (PvdA), Wieke Paulusma (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het recente bericht van de Stichting Artsen Covid Collectief die oproept om terughoudend te zijn met vaccineren van zwangere vrouwen?1
De mRNA-vaccins zijn inmiddels op grote groepen zwangere vrouwen getest en zijn door het EMA veilig bevonden voor deze groep. Ook de Gezondheidsraad adviseert mRNA vaccins aan te bieden aan zwangere vrouwen. Recent is aangetoond dat het coronavirus ook de placenta kan binnendringen en kan leiden tot ernstige ontstekingen en verdikkingen. Dit kan resulteren in een placenta die niet meer werkt. Dit kan levensbedreigend zijn voor het ongeboren kind. Daarom is het van groot belang dat zwangere vrouwen zich wél laten vaccineren. Vrouwen die zwanger zijn hebben een drie keer hogere kans om door besmetting met het coronavirus op de intensive care te belanden en aan de beademing te moeten dan vrouwen uit dezelfde leeftijdsgroep die niet zwanger zijn. Daarnaast hebben ze een 1,7 keer hogere kans op overlijden vergeleken met niet-zwangere vrouwen van dezelfde leeftijd. Door het ontraden van vaccinatie voor zwangere vrouwen brengt Stichting Artsen Covid Collectief zowel aanstaande moeders als hun ongeboren kinderen in gevaar.
Hoe verhoudt dit bericht zich tot adviezen van Bijwerkingencentrum Lareb en het standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie (NVOG), Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV), Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK), Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM), Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG) die met «nadruk adviseert om alle zwangere vrouwen, ongeacht de termijn van de zwangerschap, en vrouwen in het kraambed zich te laten vaccineren omdat zij per definitie tot een risicogroep behoren»?2, 3
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u, en is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), van mening dat het advies van de Stichting Artsen Covid Collectief, dat dus gegeven wordt door artsen, in strijd is met het Standpunt van de NVOG en dat terughoudendheid in vaccineren bij zwangeren juist tot ernstige en vermijdbare gezondheidsschade kan leiden? Zo ja, hoe strookt dit met de artseneed waarin staat: «Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten»?
Het «Standpunt Vaccinatie tegen COVID-19 rondom kinderwens, zwangerschap en kraambed» van onder meer de NVOG, KNOV, NVK en het RIVM, is duidelijk en beschrijft het nut en de noodzaak van het vaccineren van zwangeren, vrouwen met een kinderwens en vrouwen die borstvoeding geven. Het advies van de Stichting Artsen Collectief is, zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb beschreven, met dit standpunt in strijd. Zorgverleners zoals gynaecologen, (huis-)artsen en verloskundigen zijn belangrijk bij het juist informeren en het adviseren van deze groep mensen. De IGJ gaat ervan uit dat zorgverleners daarbij het genoemde Standpunt uitdragen.
Wat is de juridische status van dit standpunt van de NVOG in het tuchtrecht voor artsen?
De algemene tuchtnormen uit de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), waaraan de tuchtrechter in een tuchtrechtelijke procedure het handelen en/of nalaten van een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar toetst, zijn in de wet in globale termen geformuleerd. Deze tuchtnormen worden nader ingevuld aan de hand van protocollen, richtlijnen en gedragsregels van de desbetreffende beroepsgroep. De NVOG is de wetenschappelijke beroepsvereniging voor gynaecologen. Het standpunt van de NVOG over vaccinatie tegen COVID-19 rondom kinderwens, zwangerschap en kraambed, is daarnaast tot stand gekomen in samenwerking met diverse andere beroepsverenigingen zoals genoemd in vraag 2. De tuchtrechter zal dan ook in een mogelijke tuchtrechtelijke procedure over deze materie onder meer toetsen aan het standpunt van de NVOG.
Welle andere stichtingen of organisaties, naast de Stichting Artsen Covid Collectief, zijn nog actief die vertegenwoordigd worden door zorgverleners en in disproportionele mate communiceren tegen de adviezen van wetenschappelijke verenigingen in? Zo ja, welke?
Er zijn verschillende organisaties die in meer of mindere mate «anti-geluiden» laten horen. Deze organisaties zijn bij mij bekend en de content die zij plaatsen wordt in de gaten gehouden. Ik zie geen noodzaak deze organisaties expliciet bij naam te benoemen.
Wat is de laatste stand van zaken van de IGJ ten aanzien van het aantal aanwijzingen, bevelen, boetes of voorlegde zaken bij de tuchtrechter sinds het laatste bericht op 31 augustus jl.? Kunt u per type maatregel aangeven hoeveel er zijn uitgedeeld?4
Zoals ik heb geantwoord op eerdere vragen van uw Kamer5, heeft de IGJ individuele artsen waarover meldingen zijn ontvangen, aangesproken op hun activiteiten. De IGJ heeft de indruk dat de betreffende artsen zich hierna terughoudender hebben opgesteld en dat is ook wat de IGJ beoogt. Op het moment dat er opnieuw meldingen of signalen komen dat deze artsen weer hebben gehandeld in strijd met de richtlijnen van hun eigen beroepsgroep of desinformatie verspreiden, kan dat voor de IGJ aanleiding zijn voor verdere actie.
Na het nieuwsbericht van 31 augustus 20216 heeft de IGJ nog enkele meldingen ontvangen, waarop zorgverleners zo nodig zijn aangesproken. Naast de opgelegde boete heeft IGJ een tuchtzaak in voorbereiding. Verder zijn er nog geen andere bestuursrechtelijke maatregelen aan BIG-geregistreerde zorgverleners opgelegd. De IGJ heeft overigens wel boetes opgelegd voor het aanprijzen van behandelingen voor het voorkomen en/of genezen van COVID-19, maar dat betrof in die gevallen geen BIG-geregistreerde zorgverleners.
Waarom is er sinds 31 augustus jl. geen nieuw bericht van de Inspectie meer gekomen over het aantal zaken richting zorgverleners die onjuiste informatie verspreiden?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u het ermee eens dat Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (BIG)-geregistreerde zorgverleners die desinformatie willens en wetens blijven verstrekken als uiteindelijke sanctie geschrapt moeten kunnen worden? Is dit als eens gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Dit is ter beoordeling van de tuchtrechter. De tuchtrechter heeft de mogelijkheid om, als een tuchtklacht gegrond wordt bevonden, de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op te leggen. De tuchtrechter heeft echter ook de mogelijkheid om andere, minder ingrijpende maatregelen op te leggen. Het is aan de tuchtrechter om in individuele gevallen te bepalen welke maatregel passend is. De maatregel van doorhaling van de BIG-registratie is in een dergelijke situatie nog niet eerder opgelegd. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, zoals dat in een dergelijke zaak (nog) geen tuchtklacht is ingediend of dat een dergelijke tuchtzaak nog in behandeling is.
In hoeverre is berisping mogelijk als zorgverleners mensen bewust van zorg afhouden? Hoe verhoudt dit zich tot de eed: «Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten»? Zijn daar eerder sancties voor opgelegd? Zo nee, waarom niet?
Als de tuchtrechter een tuchtklacht gegrond verklaart, dan is het aan de tuchtrechter om op grond van de feiten en omstandigheden te bepalen welke maatregel passend is. Het tuchtrecht is van toepassing op alle BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren, ongeacht of zij een medische eed hebben afgelegd. Voor het overtreden van normen waarbij de beroepsbeoefenaar aan de patiënt schade heeft toegebracht en/of waarbij hij de patiënt niet goed heeft voorgelicht zijn over de jaren in diverse tuchtzaken maatregelen opgelegd.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en ieder afzonderlijk beantwoorden?
Zie hierboven.
De boostercampagne voor mensen onder de 60 jaar met een kwetsbare gezondheid |
|
Mirjam Bikker (CU), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw uitspraak in het coronadebat van 1 december jl. «Vanaf januari willen we dan zo gaan werken dat niet zozeer de leeftijd bepalend is als wel het moment waarop je je laatste prik hebt gehad. Zodoende willen we ook tot het einde van de boostercampagne volhouden dat de laatste prik leidend is voor het moment waarop je wordt uitgenodigd.»?
Deze uitspraak is door mijn voorganger gedaan.
Kunt u toelichten op welke manier deze uitspraak zich verhoudt tot de kabinetsappreciatie van de motie-Westerveld en de volgende zin in de Kamerbrief «plan van aanpak boosteroffensief»: «Na de jaarwisseling gaat de boostercampagne verder met de mensen onder de 60 jaar. Deze worden uitgenodigd van oud naar jong, in de zevende maand na de laatste vaccinatie of na een doorgemaakte coronabesmetting.»?1 2
De boostercampagne is op advies van de Gezondheidsraad begonnen met het vaccineren van de meest kwetsbare groep. Vooral bij ouderen is gebleken dat de vaccineffectiviteit afneemt, waardoor de kans op ernstiger verloop bij besmetting groter is. Voortschrijdend inzicht heeft doen besluiten om toch te kiezen voor het uitnodigen van leeftijd van oud naar jong. Daarnaast is gekozen voor het verkorten van het interval tussen de laatste vaccinatie uit de basisserie (of doorgemaakte besmetting) en de boostvaccinatie tot ten minste drie maanden. Zowel leeftijd als laatste vaccinatiedatum zijn bepalend voor de volgorde en het moment van uitnodigen.
Bent u op de hoogte van het feit dat de meeste mensen onder de 60 jaar met een kwetsbare gezondheid tussen eind april/begin mei (mensen met ademhalingsondersteuning) en halverwege/eind juni (griepprikplus-groep) hun tweede prik hebben gehad?
Ja.
Kunnen mensen onder de 60 jaar met een kwetsbare gezondheid ervan uitgaan dat zij in de zevende maand na hun laatste vaccinatie een uitnodiging ontvangen en ook in de zevende maand geprikt worden? Zo nee, waarom niet?
In de loop van december is door de sneller teruglopende vaccineffectiviteit en de opkomst van de omikronvariant de boostercampagne versneld. Om zo snel mogelijk iedereen in staat te stellen een boostvaccinatie te halen is de uitvoering vereenvoudigd. Het eerder gecommuniceerde uitgangspunt om vanaf januari uit te nodigen in de 7e maand na de primaire vaccinatie is daarom losgelaten. Uiteindelijk kon op 4 januari iedereen van 18 jaar een ouder een afspraak maken voor een boostvaccinatie. Ook mensen met een kwetsbare gezondheid hebben dus een afspraak kunnen maken om een boostvaccinatie te ontvangen.
Hoe is het advies van de Gezondheidsraad om 60-minners een boosterprik van oud naar jong te geven te verenigen met het streven om iedereen in de zevende maand na de laatste vaccinatie een boosterprik te geven? Hoe wordt meegenomen dat bij de eerste vaccinatieronde mensen met een kwetsbare gezondheid eerder aan de beurt waren dan hun leeftijdsgenoten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kan het dat u in het debat van 1 december jl. antwoordde dat spierziektepatiënten met beperkte ademhalingsfunctie een arbeidsintensieve groep vormen die thuis gevaccineerd moeten worden, terwijl het grootste deel van die groep in de eerste vaccinatierondes zelf naar priklocaties toe kon komen? Hoe zorgt u dat zij in de zevende maand na hun tweede prik, zij zijn op advies van de Gezondheidsraad met voorrang in maart/april gevaccineerd, een booster aangeboden krijgen op een GGD-locatie?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met een ziekte als sikkelcelanemie of levercirrose een hoger risico lopen op een ernstig verloop van een coronabesmetting dan mensen zonder chronische ziekte? Bent u het eens dat de groep mensen met een kwetsbare gezondheid niet gebaat is bij een lang interval tussen de eerste afgeronde vaccinatiereeks en de boosterprik?3
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat de Kamerbrief «plan van aanpak boosteroffensief» het beloofde plan van aanpak is waar u in het debat van 1 december jl. naar verwees? Komt er verder nog een uitgewerkt plan van aanpak voor mensen onder de 60 jaar? Zo ja, wanneer?
Ja, dat klopt. Inmiddels heeft er een enorme versnelling van de boostercampagne plaatsgevonden. In de stand van zaken-brieven en de technische briefing is de Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de boostercampagne.
Het bericht ‘GLB-steun voor kalverhouders’. |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «GLB-steun voor kalverhouders»?1
Ja.
Klopt het dat in 2014 de gekoppelde steunmaatregel voor de kalverhouderij is gestopt en door uw voorganger een compensatieregeling is toegezegd om over een periode van zes jaar 10 miljoen euro jaarlijks te investeren in het verduurzamen van de kalverhouderij?
In 2014 heeft voormalig Staatssecretaris Dijksma in reactie op de afname van de directe betalingen voor de vleeskalverhouderij € 60 mln. aan Europese middelen toegezegd ter verduurzaming van de kalversector. In haar brief (Kamerstuk 28 625, nr. 194) heeft zij aangegeven de verduurzaming van de sector te willen ondersteunen door het bevorderen en stimuleren van systeeminnovaties in de kalfsvleesketen, niet alleen gericht op verbetering en doorontwikkeling van de huidige houderijsystemen, maar ook op een transitie naar nieuwe houderijconcepten.
Hoeveel van de beloofde middelen zijn in de afgelopen zes jaar gerealiseerd?
Er zijn 3 regelingen, te weten een kwaliteitsregeling en twee investeringsregelingen, opengesteld waarmee de eerste € 50 miljoen is beschikt.
1796 kalverhouders hebben een beschikking ontvangen voor deelname aan het kwaliteitssysteem Vitaal Kalf. Inmiddels is € 20.657.066,– subsidie uitgekeerd.
Ik houd rekening met een onderbesteding van ongeveer € 3 mln.
175 kalverhouders hebben een subsidieverlening ontvangen voor de investeringsregeling welzijnsvriendelijke stalvloeren voor vleeskalveren ter waarde van € 13.885.000,–. 161 kalverhouders hebben een subsidieverlening ontvangen voor de investeringsregeling ammoniakreductie die in stallen voor vleeskalveren ter waarde van € 7.500.000,–.
Vanwege een verwachtte onderbenutting hebben al deze kalverhouders op 5 maart 2021 een brief ontvangen waarin werd aangegeven dat ze verlenging konden aanvragen (openstelling 2018) of hun beschikking konden teruggeven als zij niet langer van plan waren het project waarvoor zijn subsidie hadden aangevraagd daadwerkelijk uit te voeren. Bij voldoende teruggegeven beschikkingen zou, met de vrijvallende budgettaire reservering, een extra openstelling worden georganiseerd. 100 kalverhouders hebben verlenging aangevraagd (58 welzijnsvloeren, 42 ammoniakreductie), 11 kalverhouders hebben hun beschikking (€ 484.637,–) teruggegeven en 10 kalverhouders hebben hun beschikking (€ 786.100,–) laten verlopen zonder de beschikking terug te geven of een uitstelverzoek in te dienen. Door het beperkte aantal teruggegeven beschikkingen was er onvoldoende budget om de regeling, rekening houdend met de uitvoeringskosten, voor een derde maal open te stellen. We hebben contact opgenomen met de betreffende 11 kalverhouders waarna een deel van hen alsnog verlenging heeft aangevraagd. Voor alle subsidieverleningen die in het voorjaar 2022 dreigen te verlopen (openstelling 2018 en 2019) kunnen kalverhouders nu verlenging aanvragen.
Tot op heden is € 4.136.199,– uitgekeerd voor de subsidieregeling welzijnsvloeren en € 1.172.458,– voor de subsidieverlening ammoniakreductie. Er zijn op dit moment 13 uitstelverzoeken in behandeling.
Deelt u de mening van Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO) dat de kalverhouderij nog circa € 30 miljoen tegoed heeft van het Ministerie van LNV? En dat de beschikbare gelden mede door onzeker overheidsbeleid nog niet besteed zijn, omdat handelingsperspectief voor ondernemers ontbrak? Zo nee, welk bedrag heeft de sector nog tegoed? Zo ja, hoe gaat u deze belofte inwilligen?
Nee, die mening deel ik niet. Alle middelen van de eerste vijf jaar (€ 50 mln.) zijn beschikt. Voor de laatste € 10 mln. zal binnenkort een nieuwe subsidieregeling worden opengesteld. In een brief van 18 mei 2021 (Kamerstuk 28 973 nr. 242) over de Scenariostudie Kalverketen heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat deze laatste € 10 mln. beschikbaar komen aan initiatieven die duurzamere alternatieven voor de huidige kalverketen ontwikkelen en testen. Ik zal uw Kamer informeren over de contouren van de subsidieregeling en de randvoorwaarden daarbij, wanneer daar meer over bekend is.
Overigens geldt voor alle Europese subsidies uit de tweede pijler van het GLB (ELFPO) een termijn waarbinnen het budget besteed moet worden. De bestedingstermijn van de kalverregelingen is twee of drie jaar zoals vastgelegd in de Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies. Vanwege de coronacrisis hebben alle kalverhouders die bij de eerste openstelling (najaar 2018) een positieve beschikking hebben ontvangen en daartoe een verzoek hebben gedaan een generiek uitstel van één jaar ontvangen. Voor de tweede openstelling (najaar 2019) kunnen veehouders op individuele basis een verzoek voor uitstel indienen. Ook kalverhouders die eerder uitstel hebben ontvangen, kunnen opnieuw een verzoek indienen.
Kunt u toezeggen dat de beloofde middelen op het boerenerf van kalverhouders terecht komen zoals door uw voorganger toegezegd en niet op een andere wijze voor bijvoorbeeld onderzoek worden aangewend of terugvloeien naar de staatskas?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, zijn deze middelen bedoeld voor de verduurzaming van de vleeskalverketen. Van dit budget is geen onderzoek gedaan. Als Europese middelen uit het GLB niet worden uitgegeven, vloeien deze terug naar de Europese Unie, niet naar de algemene (nationale) middelen.
Bent u bereid om de subsidie voor duurzaamheidsinvesteringen voor welzijnsvriendelijke vloeren en ammoniakemissiereductie met een jaar te verlengen?
Dat ben ik niet voornemens. Kalverhouders die een beschikking hebben voor de bestaande kalverregelingen kunnen op individuele basis uitstel aanvragen van de voorwaarde van de subsidieregeling om de installatie en betaling van de welzijnsvriendelijke vloer/ammoniak reducerende investering binnen twee respectievelijk drie jaar na de datum waarop de subsidie aan een kalverhouder is toegekend, gedaan te hebben. Een uitstelaanvraag moet met goede redenen omkleed zijn. Er dient sprake te zijn van overmacht of onvoorziene omstandigheden.
Bent u bereid om met de sector in overleg te gaan om te spreken over de niet bestede middelen en een goede besteding te vinden voor de resterende zesde tranche, welke in lijn ligt met de intenties van de afspraak met de Staatssecretaris in 2014?
Ik ben al geruime tijd met de sector in gesprek over de niet-bestede middelen. Zoals ik in vraag 4 heb uitgelegd voldoe ik bij de uitvoering van dit beleid aan de toezegging van Staatssecretaris Dijksma in 2014.
De Europese coronareispas. |
|
Fleur Agema (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw voornemen om akkoord te gaan met het vervallen van de Europese coronareispas negen maanden na de tweede vaccinatie indien de gebruiker geen derde coronavaccinatie neemt?1
Ja, Nederland heeft op 16 december 2021 ingestemd met de maximale geldigheid van het digitale EU-covidcertificaat (DCC) van 9 maanden na volledige vaccinatie.
Klopt het dat u eerst niet akkoord wilde gaan met dit voornemen van de Europese Unie? Zo ja, waarom draaide u?2
Mijn voorganger heeft zich ingezet voor een uniforme aanpak in de Europese Unie en een geldigheidsduur van de vaccinatiecertificaten die rekening houdt met de beschermende werking van de vaccins. De bescherming van de primaire vaccinatie tegen ernstige ziekte en ziekenhuisopnames, en tegen besmetting en verspreiding, nam bij deltavariant in de loop van de tijd af, met name bij ouderen. De bescherming tegen de nu dominante omikronvariant van de primaire vaccinatie is veel sterker teruggelopen. Hierdoor werd het nodig om een geldigheidsduur af te spreken van de primaire vaccinatie. Daarbij speelde ook een rol dat diverse lidstaten eenzijdig een geldigheidsduur van de vaccinatiecertificaten wilden vaststellen.
Bent u wel op tijd klaar om alle mensen die dat willen hun derde vaccinatie te geven voordat hun Europese coronareispas vervalt?
Ja, alle mensen van 18 jaar en ouder die meer dan drie maanden geleden de primaire vaccinatie hebben afgerond of een besmetting hebben doorgemaakt, hebben de gelegenheid gekregen een afspraak te maken. In het hele land zijn er voldoende mogelijkheden om een afspraak te maken en op steeds meer locaties is het maken van een afspraak niet nodig. Op de site prikkenzonderafspraak.nl kan iedereen zien waar er zonder afspraak geprikt wordt.
Wat is het doel van het laten vervallen van de Europese coronareispas negen maanden na de tweede coronavaccinatie indien de houder geen tweede coronavaccinatie neemt?
Het doel van het DCC is het vergemakkelijken van vrij en veilig verkeer binnen de Europese Unie gedurende de COVID-19-pandemie. Aangezien de effectiviteit van coronavaccins na verloop van tijd afneemt, bestaat hiermee het risico dat reizende personen het virus sneller over zullen kunnen dragen. Om deze reden is het belangrijk dat er in Europees verband een uniforme maximale geldigheidsduur is afgesproken.
Wat is de wetenschappelijke onderbouwing van dit doel?
Het hanteren van een geldigheidsduur van negen maanden is mede gebaseerd op publicaties van het ECDC. Uit wetenschappelijke onderzoeken, waaronder analyses van het RIVM, weten we dat de bescherming van de vaccins na verloop van tijd afneemt, waardoor het risico op infectie en op ernstige ziekte toeneemt. De opkomst van de omikronvariant benadrukt deze urgentie nog eens.
Op basis van eerste gegevens over de effectiviteit van boostervaccinaties lijkt een boostervaccinatie een duidelijke verbetering te geven van de vaccineffectiviteit ten aanzien van besmetting met de omikronvariant en ziekenhuisopname als gevolg van de omikronvariant. Het RIVM geeft aan dat de boostervaccinatie de herkenning van het virus door het immuunsysteem verbetert. De geboden bescherming is weliswaar iets lager dan tegen de deltavariant, maar wel significant beter dan na de basisserie.
De Europese coronareispas zou toch na een jaar helemaal komen te vervallen?
De verordening die het kader voor het Digitaal Corona Certificaat (DCC) vaststelt, kent een looptijd van 12 maanden en is op 1 juli 2021 van kracht geworden. In de verordening is de procedure opgenomen om, indien gewenst, de looptijd te verlengen. De Europese Commissie is verplicht om drie maanden voor het einde van deze toepassingsperiode een verslag in te dienen bij de medewetgevers (Raad en Europees Parlement). Op dat moment kan de Commissie ook voorstellen om de looptijd te verlengen wanneer de epidemiologische situatie daar om vraagt. Deze verordening is tijdelijk maar zal, als de pandemie voortduurt, naar verwachting worden verlengd. Wat het kabinet betreft, is het DCC een nuttig instrument om reizen te faciliteren en kan het worden ingezet zo lang als dat nog nodig is gedurende de pandemie.
Zo ja, hoe legt u uit dat deze toch niet komt te vervallen aan alle mensen die zich dachten eenmalig volledig te laten vaccineren om op vakantie te kunnen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Hoe kan het dat wanneer u mensen die tweemaal gevaccineerd zijn in Kamerstukken aanduidt als «volledig gevaccineerd», deze mensen nu te horen krijgen dat tweemaal toch niet genoeg is?
De vaccins van AstraZeneca, Moderna en Pfizer zijn goedgekeurd op basis van twee doses. Voor het Janssen-vaccin volstond één prik. Met deze doseringen werd het meest optimale niveau van bescherming bereikt. Hierbij hebben de geneesmiddelenautoriteiten zoals het EMA en het CBG, en het RIVM en de Gezondheidsraad, steeds benadrukt dat nog onbekend was hoe lang de vaccins bescherming zouden bieden tegen SARS-CoV-2. Om dit te bepalen is onderzoek over een langere periode nodig. Inmiddels wordt hierover steeds meer bekend. Hoe lang de bescherming aanhoudt, hangt af van verschillende factoren, waaronder de opkomst van nieuwe varianten zoals de omikronvariant. Op basis van de eerste gegevens over de effectiviteit van boostervaccinaties lijkt een boostervaccinatie betere bescherming te bieden tegen zowel besmetting als ziekenhuisopname als gevolg van de omikronvariant, in vergelijking tot de bassiserie van één of twee doses.
Waarom bent u akkoord gegaan met de termijn van negen maanden? U houdt toch vol dat de vaccins helemaal niet zo snel in werking afnemen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Zijn de vaccins toch uitgewerkt na negen maanden? Zo nee, waarom dan de termijn van negen maanden?
Zie de antwoorden op vragen 2 en 5.
Binnen welke termijn zijn de vaccins uitgewerkt? Binnen welke termijn voor mensen boven de 80 jaar? Binnen welke termijn voor mensen tussen de 60–80 jaar? Binnen welke termijn voor mensen tussen de 40–60 jaar?
Het RIVM en de Gezondheidsraad hebben steeds benadrukt dat onderzoek over een langere periode nodig is om gedegen uitspraken te kunnen doen over de beschermingsduur van de vaccins. Hoe lang de bescherming aanhoudt, hangt ook af van verschillende factoren, waaronder de opkomst van nieuwe varianten. Dit is wat we nu zien met de omikronvariant. De schattingen van vaccineffectiviteit tegen ziekenhuis- en IC-opname voor de periode 27 oktober t/m 21 december 2021 waren 89% en 95%, respectievelijk, waarbij deze vanaf het begin lager waren bij oudere dan jongere leeftijdsgroepen. Schattingen van vaccineffectiviteit tegen infectie (circa 73–85%) tijdens de gehele deltaperiode (4 juli t/m 2 december 2021) laten ook een lagere bescherming zien bij ouderen en een afnemende bescherming naarmate de tijd sinds de laatste prik verstrijkt.
Op basis van de eerste Nederlandse data lijkt de vaccineffectiviteit tegen infectie beduidend lager te zijn bij de omikronvariant, vergeleken met de deltavariant; verder onderzoek moet dit preciseren. Dit is in lijn met internationale gegevens. Dit sterkt mij in de overtuiging dat boosterprikken belangrijk zijn om te zorgen dat mensen voldoende beschermd zijn tegen de omikronvariant.
Als twee vaccinaties niet genoeg zijn, dan zijn drie vaccinaties toch ook niet genoeg? Als u denkt van wel, heeft u daar dan een wetenschappelijke onderbouwing voor?
Op basis van eerste gegevens over de effectiviteit van boostervaccinaties lijkt een boostervaccinatie significante verbetering te geven van vaccineffectiviteit. Verschillende internationale wetenschappelijke studies, onder andere uit het Verenigd Koninkrijk3 en Israël4, ondersteunen dit. Eerste gegevens laten zien dat de boostervaccinatie betere bescherming biedt tegen besmetting met de omikronvariant en ziekenhuisopname als gevolg van de omikronvariant. Het is niet bekend hoe lang een boostervaccinatie zal beschermen. Het RIVM houdt deze bescherming nauwlettend in de gaten. Het kabinet houdt er rekening mee dat de bescherming van de boostvaccinatie ook afneemt in de tijd en er later dit jaar opnieuw een vaccinatie nodig is.
Bent u bekend met het besmet raken van 70 verpleegkundigen en artsen op een kerstfeest met 173 personen die allemaal driemaal waren gevaccineerd én getest?3
Ja.
Zo ja, wat is uw reactie op het feit dat drie vaccinaties en een test deze 70 mensen (40% van de aanwezigen) niet beschermden tegen besmetting?
Zie mijn antwoord op vraag 15.
Vindt u het niet onverstandig om privileges te hangen aan vaccinatie omdat u daarmee schijnveiligheid creëert die tot meer besmettingen en ziekenhuisopnames kan leiden? Zo nee, waarom niet?
Met het coronatoegangsbewijs wordt een bijdrage geleverd aan het reduceren van het risico op besmettingen met het virus op plekken waar mensen samenkomen. Daarmee is het een belangrijke maatregel om het risico op een toename van het aantal besmettingen te mitigeren. Hiermee kan de kans op besmetting echter niet geheel uitgesloten worden: ook mensen die volledig gevaccineerd, hersteld of getest zijn kunnen het virus overdragen. Uit het 126e OMT-advies blijkt dat vaccinatie grote bescherming biedt tegen infectie met de toen dominante deltavariant en dat dit eveneens bijdraagt aan het tegengaan van overdracht van het virus en opname in het ziekenhuis. Er is de afgelopen periode aanvullend onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het coronatoegangsbewijs, mede in het licht van de omikronvariant. Dit bestaat uit het verfijnen van de modelberekeningen door de TU Delft in samenwerking met andere partijen en deze uitbreiden met gedragscomponenten. Daarnaast wordt een internationale vergelijking uitgevoerd. Over de uitkomsten is de Tweede Kamer separaat geïnformeerd.
Vindt u het niet wat vreemd als u spreekt over «vrij reizen» met de Europese coronareispas voor mensen die drie coronavaccinaties hebben gehad? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 17.
Konden we niet allemaal ooit vrij reizen? Was de mensen die zich volledig (dus tweemaal) lieten vaccineren niet beloofd dat ze vrij konden reizen?
Ten tijde van de adoptie van de Europese Verordening Digitaal Corona Certificaat en Raadsaanbeveling 2020/1475 waren nog geen Europese afspraken over de geldigheidsduur van vaccinatiecertificaten. Diverse landen hebben zelf het initiatief genomen tot het vaststellen van een geldigheidsduur voor vaccinatiecertificaten. Om een lappendeken aan maatregelen rondom reizen binnen de EU te voorkomen en naar aanleiding van advies van het ECDC heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor de Europese vaststelling van een geldigheidsduur van het vaccinatiebewijs van 9 maanden. Het kabinet is van mening dat de voorgestelde 9 maanden voldoende onderbouwd is. Het maakt vrij en veilig reizen binnen de Europese Unie mogelijk. Daarom steunt het kabinet dit voorstel. Daarbij blijft vrij reizen met een DCC op basis van een testbewijs mogelijk.
Wat is de juridische onderbouwing van dit onderscheid tussen driemaal gevaccineerden en ongevaccineerden als driemaal vaccineren verspreiding van het virus niet voorkomt?
Zoals ook in het antwoord op vraag 15 is aangegeven blijkt uit het 126e OMT-advies dat vaccinatie bescherming biedt tegen infectie met het virus en dat dit eveneens bijdraagt aan het tegengaan van overdracht van het virus en opname in het ziekenhuis.
Uit verschillende wetenschappelijke onderzoeken komt naar voren dat een boostervaccinatie significante verbetering geeft van vaccineffectiviteit. Daarmee levert het opnemen van de boostervaccinatie in het Digitaal Corona Certificaat (DCC) een belangrijke bijdrage aan het reduceren van het risico op besmettingen met het virus op plekken waar mensen samenkomen. Hierbij moet worden opgemerkt dat vrij reizen ook voor mensen die niet zijn gevaccineerd mogelijk blijft met een testbewijs.
Over het Janssen-vaccin zei u toch: «Een ideaal vaccin voor als je met één prik klaar wilt zijn»? Wat vindt u ervan dat mensen die u geloofden zich vanaf 15 december 2021 toch alsnog moeten laten testen om naar Frankrijk te mogen reizen?4
Het Janssen-vaccin, dat bestaat uit 1 dosis, is beoordeeld op werkzaamheid, veiligheid en kwaliteit door het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA) en na toelating ook in Nederland ingezet. Nederland vindt het belangrijk dat de regels met betrekking tot de inzet van het Digitaal Corona Certificaat (DCC) door lidstaten zo veel mogelijk gelijk worden gehanteerd. Deze afspraken zijn vastgelegd in Raadsaanbeveling 2020/1475 over een gecoördineerde aanpak van de beperking van het vrije personenverkeer, in reactie op de COVID-19-pandemie. In deze afspraken is vastgelegd dat, waar dat verantwoord kan, vrij reizen binnen de Unie mogelijk moet zijn met een DCC, dat kan bestaan uit een vaccinatiebewijs, een herstelbewijs of een testbewijs. In het licht van de omikronvariant hebben verschillende lidstaten additionele reismaatregelen genomen, ook voor reizen binnen de Unie. Nederland is hier geen voorstander van omdat dit het vrij verkeer van personen binnen de Unie schaadt en dringt, zoals eerder toegelicht in vragen 2 en 6, aan op het gelijkmatig toepassen van de regels rondom het DCC.
Wat vindt u er zelf van als u als vertolker van de betrouwbare overheid allemaal beloftes doet die u niet nakomt?
In deze coronapandemie is het helaas zo dat op basis van voortschrijdende inzichten en nieuwe ontwikkelingen, zoals de intrede van nieuwe virusvarianten, steeds opnieuw afwegingen moeten worden gemaakt en beslissingen genomen. Dit kan soms betekenen dat beleid moet worden heroverwogen. Dit wordt in samenspraak met de Tweede Kamer gedaan.
Op welke wijze neemt de Nederlandse overheid haar verantwoordelijkheid om de risico’s van weeshuistoerisme te beperken? Welke concrete stappen zijn er gezet binnen EU-verband en vanuit het postennetwerk om de aanbevelingen uit de VN-Resolutie te implementeren en welke concrete stappen zijn er gepland voor de toekomst?
Het kabinet ontmoedigt actief dit soort vrijwilligersreizen door gerichte informatievoorziening, zoals reisadviezen en een specifieke informatiepagina op rijksoverheid.nl over vrijwilligerswerk in het buitenland. In het najaar van 2021 zijn de reisadviezen op dit punt geactualiseerd en uitgebreid naar meer landen.
Op politiek en diplomatiek niveau heeft Nederland zich in EU-verband actief ingezet voor kinderrechten en voor de VN-Resolutie voor de Rechten van het Kind 2019, gericht op kinderen zonder adequate zorg. Nederland steunt de actieve inzet van de EU op dit thema, zoals aangegeven in de beantwoording van Kamervragen door de leden Ceder (CU), Stoffer (SGP), Kuik (CDA) en Van Haga (Groep van Haga) op 19 augustus 2021.
Navraag bij relevante posten3 leverde het volgende algemene beeld op. De posten zijn bekend met de problematiek van weeshuistoerisme en geven daarbij aan dat in de afgelopen twee jaar toerisme in het algemeen sterk is afgenomen door de COVID-19 pandemie. Posten zijn op het thema kinderrechten werkzaam als onderdeel van de brede mensenrechtenagenda. Zo heeft de ambassade in Bangkok samen met de organisatie ECPAT eind 2020 een web-conferentie georganiseerd over «Seksuele uitbuiting van kinderen in Azië in het kader van COVID-19».
Vindt u dat naar aanleiding van de conclusies in het Ecorys onderzoek3 naar de effecten van het opgroeien in tehuizen op kinderen, het thema weeshuizen ook onderwerp moet zijn van de bredere discussie over algemeen nut (ANBI status)? Zo ja, kunt u dit faciliteren en kan de sector aan deze discussie bijdragen? Zo nee, waarom niet?
Het onderzoeken van de juridische mogelijkheden om in te grijpen bij ANBI’s die in de ogen van het kabinet niet in het algemeen belang handelen ligt primair bij de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingen. Hij heeft in zijn brief van 3 december 2021 aangegeven dat hij een commissie van deskundigen heeft ingesteld met expertise op het gebied van fiscaliteit, grondrechten en filantropie. De opdracht aan deze commissie is om vanuit verschillende visies en deskundigheden te beoordelen welke mogelijkheden er zijn, al dan niet door aanpassing van ANBI-regelgeving, om het begrip van algemeen nut beter tot uitdrukking te laten komen. De bevindingen van de commissie worden naar opgave van het Ministerie van Financien binnenkort verwacht.
Wanneer gaat u in dit kwartaal – zoals aangegeven in de kamerbrief van 14 januari j.l. – informatie verstrekken over de conclusies van het onderzoek naar aanpassing van bestaande regelgeving met betrekking tot vrijwilligerswerk in weeshuizen? Wat gaat u concreet doen? En welke acties gaan door de verschillende ministeries uitgevoerd worden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal in de komende periode samen met betrokken ministeries in kaart te brengen welke van de opties tot regulering die zijn genoemd in de Kamerbrief van 14 januari 2021 effectief, haalbaar en wenselijk zijn. Zoals aangegeven in de antwoorden op de schriftelijke vragen over de BHOS-begrotingsbehandeling van 24 november jl. vergt de voortgang op het gebied van aanpassing van wet- en regelgeving helaas meer tijd en interdepartementale afstemming dan aanvankelijk voorzien. Inzet is om de Kamer voor het zomerreces te informeren.
Bent u bereid een portefeuillehouder aan te stellen vanuit bijvoorbeeld de Rijksbrede projectenpool om de aanbevelingen uit het Ecorys onderzoek op een effectieve wijze interdepartementaal op te pakken? Zo nee, waarom niet?
Binnen de Directie Sociale Ontwikkeling zijn een projectleider en dossierbeheerder op het onderwerp werkzaam. Deze pakken de aanbevelingen zoals gesteld in de Kamerbrief op. Ook geven zij op dit onderwerp de interdepartementale samenwerking en -afstemming verder vorm.
Welke andere vormen van informatievoorziening onderneemt u naast de inmiddels gerealiseerde aanpassing van het reisadvies? Zou het gezien de conclusies uit het Ecorys onderzoek niet aan te bevelen zijn vanuit de overheid in de toekomst campagnes op te zetten of te stimuleren?
De sector van (maatschappelijke) organisaties die betrokken zijn bij het aanbieden of tegengaan van vrijwilligersreizen naar semi-residentiële instellingen voor kinderen heeft een eigenstandige functie en verantwoordelijkheid bij het ontwikkelen en uitvoeren van campagnes ter ontmoediging van vrijwilligersreizen naar residentiële zorginstellingen voor kinderen. De overheid is met hen in gesprek en blijft dit stimuleren.
Vanuit de sector zijn de afgelopen jaren meerdere campagnes gevoerd, waarvan recent de #WeesWijs-campagne van Better Care Network Netherlands, die door het ministerie via meerdere sociale mediakanalen is gedeeld. Deze campagne, die ook door brancheorganisatie van particuliere initiatieven Partin werd onderschreven, alsook de media-aandacht die er op volgde, laat zien dat aandacht voor en het gesprek over deze problematiek volop gaande is. Bovendien is het ministerie als netwerkpartner in gesprek met Family Power, een samenwerkingsverband van negen particuliere initiatieven en hun internationale partnerorganisaties die werken met familiegerichte zorg voor kwetsbare kinderen en aan de ontwikkeling van een bewustwordingscampagne.
Bent u bereid om partijen, waaronder de aanbieders van de reizen naar weeshuizen, bij elkaar te roepen en een dialoog te faciliteren over de negatieve aspecten van het faciliteren van vrijwilligersreizen naar weeshuizen? Zo nee, waarom niet?
De sector neemt haar verantwoordelijkheid om door dialoog te komen tot verbetering van informatie-uitwisseling, alsmede door maatregelen te nemen om de rechten van het kind en het kinderwelzijn te beschermen. Een goed voorbeeld van dergelijk dialoog is het samenwerkingsverband van een aantal particuliere initiatieven, Family Power, dat in overleg met netwerkpartners als Wilde Ganzen, Better Care Network Netherlands en Partin werkt aan verdere bewustwording. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken moedigt dergelijke initiatieven tot dialoog vanuit de sector aan en heeft de partners uitgenodigd een volgend overleg te organiseren op het ministerie.
Bent u gezien de conclusies van het Ecorys onderzoek dat wijst op het gevaar van (seksueel) misbruik, bereid om de standaard van een VOG-verklaring ook verplicht te stellen voor vrijwilligers die in het buitenland met kwetsbare kinderen willen gaan werken? En voor bestuursleden van stichtingen die zich in vanuit Nederland inzetten voor deze kwetsbare kinderen? Zo nee, waarom niet?
Inderdaad is (seksueel) misbruik een gevaar in dit soort situaties. Uiteraard wil het kabinet alles doen wat binnen haar mogelijkheden ligt om dit soort misbruik onmogelijk te maken. Op korte termijn zal (interdepartementaal) een beter beeld worden verkregen van de effectiviteit, wenselijkheid en haalbaarheid van het gebruik van de VOG voor vrijwilligers en/of bestuursleden. In aanvulling daarop en zoals door mij is toegezegd in het debat inzake noodhulp op 14 april j.l., zal ik uw Kamer voor de zomer schriftelijk informeren over de inspanningen om seksueel misbruik door hulporganisaties te voorkomen, in het bijzonder de mogelijke introductie van een VOG+ en een humanitair paspoort voor noodhulporganisaties.
Het bericht ‘Studenten hekelen ‘prikkel’ om maatregelen niet na te leven rond tentamens’ |
|
Aukje de Vries (VVD), Hatte van der Woude (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (D66), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studenten hekelen «prikkel» om maatregelen niet na te leven rond tentamens»?1
Ja.
Bij hoeveel onderwijsinstellingen wordt momenteel het «normale» herkansingsbeleid gehanteerd? Wat betekent dit voor een student die een tentamen niet kan maken door ziekte of door het geval van quarantaine?
Er bestaat geen eenduidig beeld van het herkansingsbeleid op instellingen, aangezien instellingen vrij zijn hoe zij hier in coronatijd vorm aan geven. Van alle instellingen wordt verwacht dat zij adequaat en in redelijkheid meedenken met studenten en medewerkers die gebonden zijn aan quarantaineregels of ziekte en daardoor niet fysiek aanwezig kunnen zijn bij onderwijs- of examenonderdelen. Dit is ook in de meest recente servicedocumenten mbo en ho opgenomen.2 Het is aan de instelling om het herkansingsbeleid in de praktijk vorm te geven en in dergelijke gevallen maatwerk te bieden. Hierbij is aandacht voor het voorkomen van negatieve consequenties voor studenten en medewerkers (bijvoorbeeld verhoogde onderwijslast en studievertraging) als gevolg van quarantaine. Indien een student een tentamen niet kan maken door ziekte of quarantaine, geldt ook in het geval van het «normale» herkansingsbeleid, dat de instelling in overleg met de student tot een passende oplossing komt.
Klopt het dat studenten die een tentamen missen door ziekte of quarantaine onder een «normaal» herkansingsbeleid een toetsmoment kwijtraken?
Zie het antwoord op vraag 2. In de servicedocumenten ho en mbo zijn afspraken gemaakt over dat instelling maatwerk bieden voor studenten die ziek zijn of in quarantaine zitten. Daar is aandacht voor voorkomen van negatieve consequenties voor studenten.
Deelt u de mening dat studenten thuis moeten blijven in het geval van ziekte, corona-gerelateerde klachten of quarantaine? Zo ja, waarom wordt er dan een toetsmoment van deze studenten afgepakt wanneer zij zich aan deze maatregelen proberen te houden?
Studenten moeten zich inderdaad aan de quarantaineplicht houden en wanneer dit nodig is thuis blijven. Van onderwijsinstellingen wordt gevraagd het test- en quarantainebeleid onder de aandacht te brengen bij medewerkers en studenten en hen te stimuleren zich daaraan te houden. Er wordt van de instelling verwacht dat zij in redelijkheid meedenkt met studenten die in quarantaine zitten en ervoor zorgt dat zij toch zoveel mogelijk hun studie kunnen vervolgen, zonder hierbij vertraging op te lopen. Het is aan de instelling om bij het missen van een toetsmoment maatwerk te bieden. Aan studenten vraag ik zich zo snel mogelijk te melden bij hun eigen instelling, als er sprake is ziekte, corona-gerelateerde klachten of quarantaine, zodat de instelling samen met de student tot passende oplossingen kan komen.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat studenten zich aan de coronamaatregelen houden en dat dit niet ten koste mag gaan van een toetsmoment? Zo ja, hoe gaat u dit borgen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uiteraard de mening dat studenten zich aan de coronamaatregelen dienen te houden. Het niet kunnen bijwonen van een toetsmoment zou geen reden moeten zijn om de coronaregels niet op te volgen. Bij het opstellen van de meest recente servicedocumenten mbo en ho zijn afspraken gemaakt over hoe onderwijsinstellingen hier rekening mee houden en in goed overleg met de student tot passende oplossingen komen. Zie daarbij het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met onderwijsinstellingen, die momenteel nog het «normale» herkansingsbeleid hanteren, om ervoor te zorgen dat studenten in het geval van ziekte, corona-gerelateerde klachten of quarantaine toch een extra toetsmoment krijgen? Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de uitkomsten van dit overleg?
Bij het opstellen van de nieuwe mbo en ho servicedocumenten is er rekening gehouden met studenten in quarantaine en de mogelijke gevolgen van deze quarantaine. De onderwijskoepels en studentenorganisaties zijn betrokken bij het vormen van deze documenten, welke op 17 december 2021 gepubliceerd zijn.
Ik krijg signalen dat er vrijwel altijd oplossingen zijn, maar dat het van belang is dat studenten actief aangeven dat zij vanwege corona of quarantaineplicht een tentamenkans missen. Daarbij geldt dat het niet altijd mogelijk is een oplossing te organiseren op zeer korte termijn die exact aansluit bij de wensen van de student. Sommige alternatieven – (extra) herkansingen bijvoorbeeld – vinden plaats op een ander moment. Instellingen doen een beroep op de verantwoordelijkheid van studenten om in dat geval toch te wachten op het alternatief, en niet naar de campus te komen omdat ze zich al op het tentamen hebben voorbereid.
Kunt u aangeven waarom u in de beoordeling van de motie-Van Raan (Kamerstuk 35 925-XII, nr. 51) aangaf: «het herzien van een verdrag met meer dan 190 landen, waar ieder land vetorecht heeft, is bijna onmogelijk»?1
Op grond van artikel 94 van het Verdrag van Chicago voor de internationale burgerluchtvaart moeten wijzigingen van dat verdrag met ten minste twee derde meerderheid van het aantal stemmen worden aangenomen. Elke verdragsstaat bepaalt vervolgens zelf of de verdragswijziging daadwerkelijk kan worden geratificeerd. Ratificatie is de officiële bekrachtiging van een verdrag door een bepaald land, die nodig is voordat het desbetreffende land uitvoering aan het verdrag zal geven. In Nederland is hiervoor bijvoorbeeld goedkeuring door het parlement noodzakelijk.
De verwijzing naar het vetorecht had betrekking op het feit dat het ieder van de 193 verdragspartijen vrij staat om een aangenomen wijziging van het verdrag niet te ratificeren. Als een groot deel van de verdragspartijen ervoor kiest om de wijziging niet te ratificeren, kan het doel of effect van die wijziging uiteindelijk niet gehaald worden. Er wordt dan namelijk onvoldoende uitvoering aan de wijziging gegeven. Dit is, zoals in antwoord 4 is toegelicht, anders dan het vetorecht om het aannemen van de wijziging tegen te houden, maar heeft in de praktijk wel een vergelijkbaar effect.
Het Verdrag van Chicago kent weliswaar de mogelijkheid om Staten die niet tot bekrachtiging overgaan, te ontzetten uit het lidmaatschap van de Organisatie maar dat is een zwaar middel dat alleen wordt toegepast indien de driejaarlijkse Algemene Vergadering van de ICAO (Assembly) oordeelt dat sprake is van een zodanige wijziging dat dat gerechtvaardigd is.
Kunt u bevestigen dat in het Verdrag van Chicago bij Artikel 94 «Amendment of Convention» staat dat bij tweederdemeerderheid besloten kan worden het verdrag te wijzigen?2 Zo nee, hoe zit het dan?
Zie antwoord op vraag 1.
Waarom sprak u van een vetorecht?
Zie antwoord op vraag 1.
Kunt u bevestigen dat een mogelijkheid die landen hebben om een wijziging niet te ratificeren iets anders is dan het vetorecht om die wijziging tegen te houden?
De mogelijkheid die landen hebben om een wijziging niet te ratificeren is inderdaad iets anders is dan het vetorecht om die wijziging tegen te houden. Mijn verwijzing naar een vetorecht was er op gericht aan te geven dat de daadwerkelijke toepassing van inhoudelijke aanpassingen van het verdrag uiteindelijk afhangt van de soevereine bevoegdheid van de verdragspartijen om die wijziging nationaal te ratificeren en dus ook uit te voeren. Het feit dat één of enkele verdragspartijen een voorgenomen wijziging niet zullen ratificeren, kan de doelstelling van de wijziging teniet doen. Zie tevens antwoord op vraag 1.
Kunt u verder bevestigen dat het recht om als deelnemende staat af te wijken van het verdrag (of een wijziging daarvan) hier niet bijzonder relevant is, aangezien het een verandering is die de organisatie aangaat en niet de deelnemende staten?
In de motie Van Raan werd de regering verzocht de ICAO bij de komende triënnale (Assembly) voor te stellen om de ongeclausuleerde groei uit haar statuten te schrappen en in de voorbereiding daarvoor actief bij andere landen steun te zoeken. Het daadwerkelijk bereiken van een dergelijk doel zal uiteindelijk juist van de deelnemende staten en hun afwijkingsmogelijkheden afhangen omdat de effectuering daarvan hun instemming en uitvoering vergt.
Kunt u bevestigen dat in de «Standing Rules of Procedure of the Assembly of the International Civil Aviation Organization» bij «Rule 43» staat dat elke staat één stem heeft?
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij «Rule 53» staat dat bij stemmingen over het amenderen van het verdrag niet twee derde van het totaal aantal deelnemende staten nodig is, maar slechts twee derde van de bij de Assembly aanwezige en stemgerechtigde staten?
Rule 53 bepaalt onder andere dat de twee derde meerderheid die op grond van artikel 94, onderdeel a, nodig is om verdragswijzigingen goed te keuren betekent twee derde van het totale aantal Verdragsstaten dat ten tijde van de stemming is vertegenwoordigd bij de Assemblee en bevoegd is te stemmen.
Kunt u bevestigen dat het aantal aanwezige en stemgerechtigde landen bij de meest recente Assembly enkele tientallen lager lag dan de door u gestelde «meer dan 190»? Waarom sprak u dan toch over meer dan 190 landen?
Deelname aan de ICAO Assembly staat vanzelfsprekend open voor alle 193 Verdragsstaten. Het aantal staten dat daadwerkelijk afreist naar Montreal varieert per Assembly. Bij de laatste Assembly in 2019 waren dat er 184. De verwachting is dat dit aantal in de toekomst zal toenemen, nu er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een hybride vergadermodel, waarmee staten ook op afstand kunnen participeren.
Kunt u bevestigen dat het verdrag in het verleden al veelvuldig is geamendeerd? Was dat toen ook bijna onmogelijk?
Wijziging van de tekst van Verdrag van Chicago is in het verleden niet onmogelijk gebleken. Wel duurt de wijziging van de verdragsteksten erg lang. De meest recente wijzigingen hadden daarbij vooral betrekking op de besturing van de organisatie en betroffen aanpassing van de officiële verdragstalen (1998) en uitbreiding van het lidmaatschap van de Council en de Air Navigation Committee (2016). De laatste meer inhoudelijke wijziging van de verdragstekst vond plaats in 1984, waarbij de verdragstekst werd uitgebreid met een verbod op het gebruiken van geweld tegen de burgerluchtvaart (artikel 3bis).
Zelfs als dan een wijziging van het verdrag wordt aangenomen, blijkt dat ook de ratificatie van de verdragswijzigingen moeizaam verloopt. Zo laat de ratificatie van de wijzigingsprotocollen van 2016 door diverse landen nog steeds op zich wachten.
Wijziging van de verdragstekst moet niet verward worden met de wijziging van de technische luchtvaartveiligheidsnormen en aanbevelingen in de bijlagen bij het verdrag. Hiervoor worden jaarlijks aanpassingen vastgesteld door de ICAO Council.
Kunt u aangeven wanneer het verdrag voor het laatst geamendeerd is?
In 2016 heeft de meest recente wijziging van het Verdrag plaats gevonden, nog niet alle verdragspartijen hebben deze wijziging geratificeerd.
Waarom lijkt het u beter om «te pleiten op de inhoud» dan «in te zetten op een herziening van het statuut» als die inhoudelijke inzet getoetst zal gaan worden aan de doelstellingen van het statuut?
Het is beter om de beschikbare menskracht en middelen in te zetten om in internationaal verband concreet beleid te maken dat bijdraagt aan het tegengaan van klimaatverandering door luchtvaart, in plaats van deze menskracht en middelen in te zetten voor een zeer langdurig proces om de Verdragstekst te wijzigen, zonder dat daarbij zeker is dat dit materieel ook leidt tot vermindering van uitstoot door de luchtvaart.
Acht u het zinvol om in te zetten op het verminderen van de groei van de CO2-uitstoot, terwijl het overige beleid erop stuurt de sector (en daarmee nog altijd de CO2-uitstoot) te laten groeien? Is het niet verstandiger het systeem te wijzigen dan binnen het systeem tegen de stroming in te roeien?
De inzet op het verminderen van de CO2-uitstoot is noodzakelijk en verloopt in samenhang met de inzet op de energietransitie, die uiteindelijk in alle sectoren zal moeten plaatsvinden, ook in de luchtvaart. Groei van de sector is niet een vooraf vastgestelde uitkomst. Ik verwijs in dit verband naar de Luchtvaartnota waarbij vier publieke doelstellingen worden genoemd en die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
Kunt u bevestigen dat in Artikel 44 lid a staat beschreven dat het doel van de International Civil Aviation Organization (ICAO) is om zeker te stellen dat de internationale burgerluchtvaart over de hele wereld veilig en ordentelijk kan groeien? Zo nee, wat staat er dan?
Ja, bij de oprichting van ICAO in 1947, was er behoefte aan internationale afspraken en standaarden ten behoeve van een veilige ontwikkeling van het vliegverkeer. Artikel 44 van het Verdrag van Chicago luidt:
Kunt u bevestigen dat de Council (het dagelijks bestuur) en de Assembly (de algemene vergadering) zich hebben te houden aan de doelstellingen van de organisatie, zoals vastgelegd in het verdrag? Zo nee, hoe zit het dan?
Ja. De ICAO Council leden zijn te allen tijde gehouden aan de beginselen zoals neergelegd in het Verdrag van Chicago en aan de «Rules of Procedure» van de organisatie.
Klopt het dat daarmee alle inzet van ICAO op de een of andere manier zal moeten bijdragen aan het behalen van de doelstellingen (dus groei van de sector) of deze in ieder geval niet mag tegenwerken? Zo nee, hoe zit het wel?
De doelstellingen van de organisatie kunnen niet afzonderlijk of los van elkaar worden gezien. Er zal altijd een afweging moeten plaats vinden van verschillende doelstellingen en belangen.
Klopt het dat u regelmatig aangeeft de verduurzaming van de luchtvaart vooral in internationaal verband te willen regelen?
Het verduurzamen van een sector als de internationale luchtvaart is gebaat bij een internationale aanpak. Dit wordt mede ingegeven doordat het luchtverkeer een mondiale vervoersmodaliteit is, waarbij reeds veel op internationaal niveau is geregeld en is vastgelegd in verdragen.
Kunt u bevestigen dat het internationale samenwerkingsverband nu nog gebonden is aan de doelstelling om bij te dragen aan de groei van de sector?
De groei van de sector is geen doel op zich, maar moet steeds in het licht worden gezien van economische ontwikkeling en bijdragen aan de verbindingen en connectiviteit van landen en regio’s wereldwijd.
Waarom moet de groei van de internationale luchtvaartsector wat u betreft een vooraf vastgestelde uitkomst moet zijn? Zou het niet beter zijn om groei dan wel krimp van de sector een uitkomst te laten zijn van het gehele beleidsproces?
Zoals ik bij vraag 12 heb aangegeven is groei van de sector niet een vooraf vastgestelde uitkomst. Ik verwijs u in dit verband naar de Luchtvaartnota waarbij vier publieke doelstellingen worden genoemd en die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
Vindt u groei van de sector voor alle plekken op de wereld nog een logische vanzelfsprekendheid? En als dat het geval is, wanneer zou u dat niet langer een goed idee vinden?
Zie het antwoord op vraag 18.
Bent u bereid om bij de triënnale van ICAO in 2022 een voorstel in te dienen om de automatische groeidoelstelling uit het verdrag van Chicago te schrappen? Zo nee, waarom niet?
De ICAO-Assembly van 2022 zal vooral in het teken staan van twee hoofdthema’s. Het eerste hoofdthema is de weerbaarheid van de sector tijdens huidige en toekomstige crises, zoals de Covid-19 pandemie. De sector verkeert de afgelopen jaren in zwaar economisch weer en overheden en stakeholders zijn druk bezig om de sector overeind te houden. Het tweede belangrijk thema zal duurzaamheid zijn. Naast het weerbaarder maken van de sector zal wereldwijd steeds meer inzet moeten worden gepleegd op een duurzame en milieuvriendelijke ontwikkeling van de sector. De Nederlandse regering zal daarbij in Europees verband inzetten op een aantal concrete doelstellingen voor de korte- en de lange termijn.
Zoals aangegeven in de voorgaande antwoorden verwachten we dat een concrete inzet op deze thema’s meer effect heeft dan in te zetten op verandering van artikel 44 van het Verdrag van Chicago.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Voor zover mogelijk is dat gebeurd.
Het bericht ‘Schiphol en KLM al 15 jaar op de hoogte van gezondheidsrisico’s medewerkers’. |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Schiphol en KLM al 15 jaar op de hoogte van gezondheidsrisico’s medewerkers»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat KLM en Schiphol al 15 jaar op de hoogte waren van verhoogde gezondheidsrisico’s op hartproblemen en longkanker?
Het uitgangspunt van het Rijk is dat werknemers recht hebben op een veilige en gezonde werkomgeving. Dat heeft de hoogste prioriteit en daar zetten wij ons ook voor in, samen met alle relevante partijen.
In de zomer van 2006 is op Schiphol een onderzoek naar de blootstelling aan (diesel)motoremissie (DME) uitgevoerd. Dit onderzoek ligt ten grondslag aan het intern rapport van 2007, waarin wordt gewezen op de mogelijke gezondheidsrisico’s van emissies op de platforms van de luchthaven. Dat rapport ging niet over de emissies van ultrafijn stof.
Als gevolg van het onderzoek in 2006 zijn er op de luchthaven maatregelen genomen om de concentraties van DME te verlagen.
Voor de toegestane concentratie is destijds door Schiphol, conform geldende regelgeving, een bedrijfsgrenswaarde opgesteld. Deze is door Schiphol vastgesteld en op de luchthaven ingevoerd toen er voor DME nog geen publieke grenswaarde bestond. Deze bedrijfsgrenswaarde is in 2020 vervangen door de toen vastgestelde wettelijke grenswaarde.
De metingen naar DME-concentraties worden twee keer per jaar door de Arbodienst uitgevoerd en laten een duidelijke dalende trend zien. Schiphol heeft mij geïnformeerd dat de laatste metingen ruim onder de sinds 2020 geldende wettelijke grenswaarde zijn.
Voorbeelden van maatregelen die zijn genomen en in uitvoering zijn, zijn het vervangen van diesel aangedreven passagiersbussen door elektrische bussen, het aanleggen van zogeheten walstroom op de meeste pieren en het aanleggen van stroomaansluitingen voor apparaten die zorgen voor de levering van pre-conditioned air (PCA). De apparatuur hiervoor is door de afhandelaren beschikbaar gesteld.
Schiphol heeft verder voor elektrische laadpunten gezorgd, zodat elektrisch aangedreven wegvoertuigen konden worden ingezet. De voertuigen die op Schiphol rijden en die nog diesel nodig hebben, rijden op GTL-diesel, een schonere vorm van diesel. Ook zijn op plaatsen met de hoogste concentraties DME, ventilatoren opgehangen die sensor-gestuurd in werking gaan om de lucht te verdunnen (emissies verspreiden).
Voor de grondoperatie heeft KLM het doel om in 2030 volledig emissievrij te opereren, waardoor de hoeveelheid ultrafijn stof drastisch wordt gereduceerd. Inmiddels is 64% van de grondoperatie elektrisch.
In 2014/2015 werd door TNO en het RIVM aangetoond dat het vliegverkeer naast de stoffen waar het tot dan toe voornamelijk om ging (zoals PAK’s, fijnstof en NOx), ook een bron is van ultrafijn stof. Dit ultrafijn stof was tot op dat moment geen aandachtspunt als het gaat om luchtkwaliteit.
Vanaf dat moment zijn onderzoeken in gang gezet om meer zicht te krijgen op de niveaus van ultrafijn stof in de omgeving van Schiphol en op het luchthaventerrein. Daarnaast is onderzoek gestart dat is gericht op de mogelijke gezondheidseffecten van blootstelling aan ultrafijn stof uit de luchtvaart. De Kamer is hierover sinds 2015 geïnformeerd. In het eerste kwartaal van 2022 zal het RIVM rapporteren over het onderzoekprogramma dat in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in de periode 2017–2022 is uitgevoerd.
Vindt u het ook zeer zorgwekkend dat medewerkers in het bovenstaande bericht aangeven dat ze geen collega of werknemer op Schiphol kennen met een andere doodsoorzaak dan kanker, en dit allemaal kregen voordat ze de pensioenleeftijd bereikten?
Ik heb deze uitspraak ook gehoord in de uitzending van Zembla en die uitspraak is inderdaad zorgwekkend.
Het Ministerie van IenW heeft na het publiceren de rapporten van het RIVM en TNO in september 2021 er bij de sector op aangedrongen om aan te geven hoe invulling kan worden gegeven aan de aanbevelingen in die rapporten en heeft het belang van onafhankelijkheid benadrukt bij het besluiten over die invulling. Ik heb de sector gevraagd om dit snel en grondig op te pakken.
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden. Daarom is het goed dat de sector aan de slag gaat met de aanbevelingen van het RIVM voor een gezondheidsonderzoek onder de werknemers en van TNO voor individuele blootstellingsmetingen. Ik heb de sector gevraagd om dit snel en grondig op te pakken, gezien de onzekerheid die dit voor werkenden met zich meebrengt over de gevolgen voor hun gezondheid.
De sector is op dit moment bezig met het oprichten van een sectorbrede taskforce ultrafijn stof en een onafhankelijke begeleidingscommissie, die zich zullen richten op de uitvoering van de aanbevelingen van RIVM en TNO en op te nemen maatregelen om de blootstelling van werknemers aan ultrafijn stof terug te dringen. Voor de begeleidingscommissie wordt een onafhankelijk voorzitter aangetrokken, om de onafhankelijkheid te borgen, zoals door de Kamer is aangedragen en waarop door mijn voorganger is aangedrongen. Ook wordt voorzien in betrokkenheid vanuit de zijde van het personeel, bijvoorbeeld via deelname van vakbonden.
Daarnaast doet het RIVM onderzoek naar de gezondheidseffecten van ultrafijn stof (gezondheidseffecten van ultrafijn stof op omwonenden). Ook loopt op dit moment het onderzoek van de Nederlandse Arbeidsinspectie, dit naar aanleiding van klachten over arbeidsomstandigheden.
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat in de 15 jaar dat Schiphol en KLM op de hoogte waren van deze gezondheidsrisico’s, zij geen of onvoldoende actie hebben ondernomen om deze te verbeteren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe staat u tegenover het feit dat de arbodiensten van Schiphol en KLM al 15 jaar geleden zijn begonnen met waarschuwen dat de blootstelling aan de uitlaatgassen zo ver mogelijk moet worden teruggedrongen en dat zij herhaaldelijk genegeerd zijn?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat vindt u ervan dat ook de werknemers zelf soms zelfs meerdere malen per dag meldingen maken van onveilige «jetblast»-situaties bij het meldingssysteem van KLM en dat hier vervolgens niets mee wordt gedaan?
Het is uiteraard van groot belang dat meldingen van werknemers over onveilige situaties door de werkgever zeer serieus worden genomen.
Volgens KLM hebben de meldingen die tot en met 2018 zijn gedaan over onveilige jetblast-situaties grotendeels betrekking op voorwerpen die door de krachtige luchtstromen uit de motoren in beweging kunnen komen en letsel bij het personeel kunnen veroorzaken. Dat heeft er onder meer toe geleid dat KLM hiernaar in 2019 een onderzoek heeft uitgevoerd (SIRA DS-45 Jet Blast hazardous VOPs at SPL centre).
Vanaf 2019 gaat het merendeel van de meldingen volgens KLM over luchtkwaliteit. Als vervolg op die meldingen hebben gesprekken plaatsgevonden met een aantal melders in het bijzijn van deskundigen, om vragen te beantwoorden en uitleg te geven over dit onderwerp.
Verder geeft KLM aan dat op basis van alle meldingen analyses worden uitgevoerd, onder meer om te zien of er bepaalde trends in de meldingen zijn.
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Vindt u niet ook dat het hier over levensbedreigende situaties gaat die niet zomaar genegeerd moeten kunnen worden?
Zo lang niet vast staat wat de gezondheidseffecten zijn van blootstelling aan ultrafijn stof, is het voorbarig om conclusies te trekken. Los van de specifieke kwalificatie van de situaties, is duidelijk dat de situaties die in de Zembla reportage werden getoond zorgwekkend zijn. Actie vanuit de sector is noodzakelijk en het Rijk is daarover ook in overleg met de sector. Zie daarvoor onder meer het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat er nu pas een onderzoek gaande is van de Inspectie SZW om te onderzoeken of werknemers daar wel veilig werken?
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om te voldoen aan de Arbowet. De arbeidsomstandighedenregelgeving kent doelvoorschriften die in de praktijk door de werkgever worden ingevuld met maatregelen en middelen. De Nederlandse Arbeidsinspectie is de toezichthouder op de naleving van deze regelgeving. De Arbeidsinspectie werkt programmatisch en risicogericht. Hiermee wordt ingezet op het aanpakken van de grootste risico’s en het behalen van een zo groot mogelijk maatschappelijk effect. Daarnaast doet de Arbeidsinspectie onderzoek op grond van meldingen, klachten of andere signalen die binnenkomen.
De Arbeidsinspectie is naar aanleiding van twee meldingen in 2021, sinds eind 2021 bezig met een onderzoek op Schiphol, waarin het specifiek gaat over dieselmotoremissie (DME) en vliegtuiguitstoot. Deze onderzoeken lopen nog.
Schiphol, KLM en de luchtvaart in algemene zin zijn grote werkgevers en daarmee regelmatig onderwerp van toezicht. Dat kan gaan om zowel arbeidsvoorwaarden als arbeidsomstandigheden. Bij KLM is sinds 2007 breed geïnspecteerd op de verplichtingen met betrekking tot het werken met gevaarlijke stoffen, maar deze inspecties hadden geen betrekking op DME in de buitenruimte of vliegtuiguitstoot. Deze inspecties hebben zich in het bijzonder gericht op carcinogene, mutagene en reprotoxische stoffen (CMR-stoffen). Sinds 2006 zijn inspectieprojecten uitgevoerd met betrekking tot blootstelling aan DME in omsloten situaties (binnenruimten). In deze situaties worden de grootste risico’s voor werknemers verwacht.
Hoe kan het dat in Denemarken het gevaar van ultrafijnstof voor platformmedewerkers al jarenlang is onderkend door de overheid en in Nederland nog geen enkele maatregel is genomen?
In het antwoord op vraag 2 is aangegeven dat op Schiphol vanaf 2006 diverse maatregelen zijn uitgevoerd en in gang zijn gezet om de dieselmotoremissies te verminderen. De maatregelen waren en zijn erop gericht om minder fossiele brandstoffen te verbranden, omdat daarbij de betreffende emissies vrijkomen. Die maatregelen leiden er tevens toe dat minder ultrafijn stof wordt uitgestoten, omdat ook ultrafijn stof vrijkomt bij het verbranden van fossiele brandstof.
Toen bekend werd dat op de luchthaven van Kopenhagen maatregelen werden getroffen om de blootstelling van werknemers aan ultrafijn stof te verminderen, heeft Schiphol daar destijds naar gekeken. Het bleek dat bepaalde «Deense» maatregelen op Schiphol al uitgevoerd of in uitvoering waren, zoals elektrificatie van bepaalde activiteiten. Bepaalde andere maatregelen zijn toen om operationele redenen niet op Schiphol overgenomen. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, neemt de sector momenteel initiatieven om te bezien hoe de blootstelling van werknemers aan emissies, met name ultrafijn stof, verder kan worden verminderd.
Klopt het dat het onderzoek dat in 2019 door de Tweede Kamer werd aangevraagd over de gezondheidssituatie van platformmedewerkers op Schiphol niet zoals toegezegd door een onafhankelijke partij wordt gedaan, maar door Schiphol zelf?
De motie uit 2019 vraagt «het RIVM opdracht te geven werknemers op Schiphol mee te nemen in het lopende onderzoek naar effecten van langdurige blootstelling aan ultrafijnstof op de gezondheid van omwonenden van Schiphol».
Het RIVM heeft in zijn rapport van september 2021 gezegd dat dat niet kan, maar dat wel een onderzoek mogelijk is naar de actuele gezondheidssituatie van de huidige platformmedewerkers. Hiermee is invulling gegeven aan de vraag in de motie.
Het door het RIVM voorgestelde onderzoek valt op grond van de arboregelgeving onder de verantwoordelijkheid van de werkgever, dus in dit geval onder de verantwoordelijkheid van alle bedrijven die mensen werkzaam hebben op de platforms van Schiphol. Vanuit het Rijk is aangedrongen op onafhankelijkheid bij een dergelijk onderzoek, mede om invulling te geven aan de geest van de motie.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven, is de sector bezig met het oprichten van een sectorbrede taskforce ultrafijn stof en een onafhankelijke begeleidingscommissie met een onafhankelijk voorzitter, om de problematiek in samenhang en zorgvuldig aan te pakken. Ook wordt voorzien in betrokkenheid vanuit het personeel, bijvoorbeeld via deelname van vakbonden.
Overigens zijn de mensen die werkzaam zijn op de platforms op Schiphol voor meer dan 90% niet bij Schiphol, maar bij andere bedrijven in dienst.
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bedrijven bedrijfsartsen en arbodiensten inschakelen als het gaat om de gezondheidsaspecten van werknemers. Het behoort tot de taken van bedrijfsartsen en arbodiensten om een onafhankelijke positie in te nemen in de advisering naar zowel werkgever als werknemer. Dat betekent dat in de normale gang van zaken bij gezondheid in relatie tot arbeidsomstandigheden, onafhankelijkheid is ingebouwd via de rol van de bedrijfsarts of arbodienst.
Wat gaat u doen om de gezondheidssituatie van de platformmedewerkers nu te verbeteren en wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de gezondheidsrisico’s in de toekomst permanent worden teruggedrongen?
Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever(s) om de gezondheidssituatie van platformmedewerkers inzichtelijk te maken en indien nodig te verbeteren. Het is daarom aan de bedrijven die werknemers in dienst hebben op de platforms om, indien nodig, maatregelen te nemen om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven is de sector bezig met het oprichten van een sectorbrede taskforce ultrafijn stof en een onafhankelijke begeleidingscommissie met een onafhankelijk voorzitter, om de problematiek in samenhang en zorgvuldig aan te pakken.
Vindt u ook dat de 20.000 medewerkers die 15 jaar lang onnodig dagelijks zijn blootgesteld aan te grote hoeveelheden uitlaatgassen op het platform van Schiphol recht hebben op compensatie? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Dit is in eerste instantie een zaak tussen werknemers en werkgevers. Werkgevers en werknemers op Schiphol zullen hierover met elkaar in gesprek moeten gaan. Het schadeverhaal bij beroepsziekten loopt via het aansprakelijkheidsrecht.
Omdat het schadeverhaal bij beroepsziekten complex is (het vaststellen van de oorzaak van de schade is vaak ingewikkeld en de schadeafhandeling is daardoor tijdrovend en kostbaar) heeft het Ministerie van SZW de commissie Heerts gevraagd advies uit te brengen over een betere organisatie van het proces van schadeafhandeling bij beroepsziekten door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Naar aanleiding daarvan werkt het Ministerie van SZW aan een tegemoetkomingsregeling voor slachtoffers van ernstige beroepsziekten veroorzaakt door blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Het streven is erop gericht dat de regeling op 1 juli 2022 in werking treedt. Op 10 december 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze regeling2. Deze tegemoetkoming komt niet in de plaats van een eventuele schadeloosstelling door de werkgever; de weg naar schadeverhaal door de werkende blijft bestaan.
Code zwart |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC), de heer Gommers, gedaan tijdens de expertmeeting in de Tweede Kamer van 23 november jl. dat 1.200 tot 1.250 bezette IC-bedden het maximum aantal beschikbare bedden en bemensing is en er nu 1.210 bezet zijn? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja. Met betrekking tot het maximum aantal beschikbare bedden op de Intensive Care (IC) in Nederland hanteer ik het geactualiseerde Opschalingsplan COVID-19 van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ)1. Dit opschalingsplan is opgesteld in nauwe samenwerking met verschillende zorgorganisaties, waaronder het NVIC. Hierin is vastgesteld dat er kortdurend opgeschaald kan worden naar een capaciteit van 1.350 bedden. Volgens de dagrapportage van het Landelijk Coördinatiecentrum Patiëntenspreiding van 20 december is de huidige IC-bezetting 1.037.
Bent u bekend met de uitspraken van IC-hoofd, de heer Van der Voort, gedaan tijdens het televisieprogramma BEAU van 2 december jl. dat er nu al sprake is van een strengere selectie op basis van medische criteria, dat dit fase 3a is, dat fase 3 code zwart is en dat de praktijk is dat ze nu al strenger selecteren en feitelijk al in code zwart zitten? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben met deze uitspraken bekend. De heer Van der Voort geeft in het door u genoemde programma aan dat bij beoordeling of een patiënt wel of niet op de IC opgenomen moeten worden nu andere afwegingen worden gemaakt, maar ook dat er nog wel IC-bedden beschikbaar zijn. Daarmee geldt dat er nog geen sprake kan zijn van (afkondiging van) fase 3, want van (afkondiging van) fase 3 is pas sprake als alle zorgcapaciteit volledig is benut, alle zorgverlening maximaal opgeschaald en afgeschaald is en de samenwerking tussen zorgaanbieders zorgbreed volledig en maximaal is benut. Er zijn op dat moment geen lokale of regionale oplossingen meer mogelijk om de continuïteit van zorg te waarborgen. Dit is op dit moment nog niet het geval, zoals ook uit de opmerkingen van de heer Van der Voort blijkt.
Het feit dat er nu in de zorg andere afwegingen worden gemaakt is ook logisch en verdedigbaar, gegeven het feit dat de druk op de zorg op dit moment zeer hoog is. In dat kader heb ik uw Kamer op 26 november geïnformeerd over de afkondiging van fase 2d van het geactualiseerde Opschalingsplan COVID-19 van het LNAZ. Met deze afkondiging zijn maatregelen genomen die moeten zorgen dat de (semi-)acute zorg toegankelijk blijft en dat ook de kritiek planbare zorg zoveel mogelijk door kan gaan om daarmee fase 3 te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn onder andere het afschalen van planbare zorg, de opschaling van het aantal IC-bedden en het spreiden van COVID-patiënten, onder andere naar Duitsland.
In het genoemde fragment wordt ook verwezen naar code zwart. Zoals ik eerder heb aangegeven is dat de situatie waarin bij de opname op de IC’s keuzen tussen patiënten gemaakt moeten worden op basis van niet-medische gronden, dit is vastgesteld als fase 3 stap C, de laatste stap van fase 3. Dit scenario is ook nader uitgewerkt in het «Draaiboek Triage op basis van niet-medische overwegingen voor ic-opname ten tijde van Fase 3 stap C in de COVID-19 pandemie»2. Deze definitie is in een recente brief aan het veld ook nogmaals toegelicht, om te zorgen dat eenieder eenzelfde definitie hanteert in de communicatie.
In het licht van de onduidelijkheid die er klaarblijkelijk is over (de afkondiging van) fase 3 heb ik de bestaande afspraken met alle betrokken partijen, die gevat zijn in het tijdelijke verdiepend beleidskader «Continuïteit en kwaliteit van zorg in fase 3 van de COVID-19 pandemie»3 (hierna: beleidskader fase 3) uit maart 2021, nogmaals onder de aandacht gebracht van zorgpartijen.4
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding, de heer Kuipers, gedaan tijdens een radiointerview bij Sven op 1 op 8 december jl. waarin hij op de vraag of er op dit moment een IC-bed is voor iedereen die dat nodig heeft, «nee' antwoordde? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met deze uitspraken. Wat betreft de beschikbaarheid van IC-bedden geeft de heer Kuipers aan dat het kan zijn dat sommige kritiek planbare zorg nu geen doorgang vindt. Verder geeft de heer Kuijpers in het interview aan dat er uitvoerig is nagedacht over de protocollen met betrekking tot (afkondiging van) fase 3 en de definiëring van code zwart. Hij legt uit dat code zwart betekent dat er op basis van niet medische-gronden besloten moet worden wie op een IC-bed opgenomen kan worden, omdat er in heel Nederland geen enkel IC-bed meer beschikbaar is. Dit is in lijn met het «Draaiboek Triage op basis van niet-medische overwegingen voor IC-opname ten tijde van Fase 3 stap C in de COVID-19 pandemie'» zoals benoemd in antwoord 2.
Als er sprake is van een strengere selectie voor opname op de IC op basis van medische criteria, is er dan sprake van fase 3a uit het Draaiboek triage op basis van niet-medische overwegingen voor ic-opname ten tijde van fase 3 in de COVID-19 pandemie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom bevestigt u dat niet? Zo nee, in welke fase verkeren onze IC's dan? Waar baseert u dat op?
Zoals hierboven aangegeven is er geen sprake van (afkondiging van) fase 3, noch van fase 3c (welke ook wel code zwart genoemd wordt). Sinds 26 november is sprake van fase 2d5, waarmee we alles in het werk stellen om afkondiging van fase 3 te voorkomen. Zoals eerder aangegeven is er van (afkondiging van) fase 3 pas sprake als alle zorgcapaciteit volledig is benut, alle zorgverlening maximaal opgeschaald en afgeschaald is en de samenwerking tussen zorgaanbieders zorgbreed volledig en maximaal is benut. Er zijn op dat moment geen lokale of regionale oplossingen meer mogelijk om de continuïteit van zorg te waarborgen. Vooralsnog is dit niet het geval en is er geen sprake van fase 3a. Dat er nu in de zorg andere afwegingen worden gemaakt is logisch en verdedigbaar gegeven het feit dat de druk op de zorg op dit moment zeer hoog is.
Als er op dit moment niet voor iedereen die dat nodig heeft een IC-bed beschikbaar is, is er dan sprake van fase 3a uit het Draaiboek triage op basis van niet-medische overwegingen voor ic-opname ten tijde van fase 3 in de COVID-19 pandemie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom bevestigt u dat niet? Zo nee, in welke fase verkeren onze IC’s dan? Waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt u deze vragen alstublieft beantwoorden voor dinsdagmiddag aanstaande?
Ik heb uw vragen zo spoedig mogelijk te beantwoord.
De puinhoop op het spoor tussen Delfzijl en Groningen |
|
Henk Nijboer (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten over de puinhoop op het spoor tussen Delfzijl en Groningen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichten in de media.
Wat vindt u ervan dat reizigers op stations staan te blauwbekken en treinen doorrijden?
Het is belangrijk dat vervoerders en OV-autoriteiten zich inspannen om reizigers zo goed mogelijk te helpen. De verantwoordelijkheid voor het regionale OV-aanbod ligt primair bij de regionale OV-autoriteiten en de vervoerders. Volgens de verantwoordelijke OV-autoriteit, de provincie Groningen, gaat het hier om vervelende incidenten, maar geen structureel probleem. In het antwoord op vraag 5, 6 en 7 ga ik daar nader op in.
Waarom komt dit de laatste tijd zo vaak voor op dit traject?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u dat goed openbaar vervoer een cruciale voorziening is in heel Nederland, dus ook in de regio?
Ja, iedereen in Nederland moet snel, gemakkelijk, betrouwbaar en betaalbaar met het openbaar vervoer kunnen reizen.
Snapt u dat het, zeker gezien het toenemende aantal coronabesmettingen, uiterst ongewenst is reizigers als haringen in een ton te vervoeren?
Het is belangrijk dat iedereen zich veilig voelt in het openbaar vervoer. Dankzij de beschikbaarheidsvergoeding (BVOV) is het voor vervoerders mogelijk om ook tijdens de pandemie het OV-aanbod op peil te houden. Met alle partijen in de OV-sector is afgesproken dat er beperkte optimalisaties van de dienstregeling mogen plaatsvinden, met als randvoorwaarde dat de basisprincipes van beschikbaarheid en veiligheid van het OV niet in het geding komen. Er is een stevige afname van het aantal reizigers te zien als gevolg van de coronamaatregelen, zoals het thuiswerkadvies en de winkelsluitingen. Dat neemt niet weg dat de beschikbaarheid van het materieel zorgvuldig afgewogen moet worden tegen de reizigersaantallen, waarbij het risico op te volle treinen voorkomen dient te worden, zoals ik ook heb aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 16 december jl.2 De afwegingen die daarbij worden gemaakt behoren tot de verantwoordelijkheid van de concessieverlener (in dit geval de provincie Groningen) in afstemming met de vervoerder. Aanpassingen in het aanbod stemmen zij vervolgens af met de gemeenten in het concessiegebied, waarbij de (regionale) reizigersorganisaties adviesrecht hebben. Deze manier van werken past bij de decentralisatie van het stads- en streekvervoer.
De provincie Groningen heeft mij laten weten dat, om drukte te voorkomen, Arriva de reizigersaantallen continu analyseert om de juiste inzet van materiaal te bepalen. De provincie geeft daarbij aan de recente incidenten te betreuren. De vervoerder heeft de provincie geïnformeerd dat er beide keren sprake was van overmacht. Door een defect treinstel was de trein korter dan gepland en hierdoor is drukte in de trein ontstaan. Dit is uiteraard zeer vervelend voor de reizigers, maar het alternatief was dat de gehele rit zou uitvallen. Incidenten als deze zullen nooit volledig voorkomen kunnen worden. De provincie Groningen heeft laten weten achter de keuze van de vervoerder te staan.
Waarom worden er niet juist langere in plaats van kortere treinstellen ingezet? Dan kan toch meer afstand worden gehouden en neemt het besmettingsgevaar toch af?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid Arriva per ommegaande aan te spreken en ervoor te zorgen dat er vanaf volgende week weer gewone treinen rijden?
Zie antwoord vraag 5.
Mogelijke scenario’s voor een evacuatie uit Oekraïne |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Henk Kamp (minister defensie) (VVD), Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de nieuwsberichten1 dat de regering van de Verenigde Staten opties voor een mogelijke evacuatie van haar burgers uit Oekraïne overweegt?
Ja.
Hebben Amerikaanse autoriteiten contact gehad met uw ministeries over het uitwerken van deze plannen?
Met de Amerikaanse autoriteiten is in bilateraal, EU- en NAVO-verband intensief contact over de situatie aan de Oekraïens-Russische grens, waarbij ook aandacht voor evacuatie is opgekomen.
Hoe groot beoordelen de ministers de kans dat er een escalatie plaatsvindt tussen Rusland en Oekraïne op een korte termijn?
De exacte intenties van Rusland zijn niet duidelijk. De opbouw van troepen past in ieder geval niet in het reguliere beeld. De opbouw leidt tot onrust en brengt een risico van incidenten met zich mee. Het kabinet blijft de ontwikkelingen nauwlettend volgen via de sporen van EU, NAVO, OVSE, en via bilaterale contacten. Op dit moment is er geen sprake van een dreigende situatie voor Nederlanders.
Hoe groot achten de ministers de kans dat dit tot een dreigende situatie voor Nederlanders zou leiden?
Zie antwoord vraag 3.
Is Nederland ook begonnen met het plannen van mogelijke evacuaties van onze staatsburgers uit Oekraïne?
Het evacueren van staatsburgers door Nederland vindt slechts in zeer uitzonderlijke situaties plaats, t.w. wanneer er geen enkele andere mogelijkheid is om een bepaald gebied veilig te verlaten en Nederland daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om staatsburgers uit het gebied te evacueren. Nederlanders in Oekraïne hebben op dit moment verschillende opties om het land te verlaten, bijvoorbeeld met een lijnvlucht van een commerciële luchtvaartmaatschappij. Vanzelfsprekend zijn verschillende opties om het land te verlaten in kaart gebracht. Op dit moment is er echter geen reden voor Nederland om over te gaan tot het daadwerkelijk organiseren van evacuatie van staatsburgers uit Oekraïne.
Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Zo niet, bent u bereid om opdracht te geven tot voorbereiding van deze scenario’s?
Zie antwoord vraag 5.
Binnen welke termijn kan Nederland, na de escalatie van geweld, overgaan tot het evacueren van Nederlanders uit Oekraïne?
Het reisadvies voor Oekraïne is voor het grootste deel oranje vanwege de COVID-situatie, en is rood voor de provincies Donetsk, Loegansk (Donbas regio) en de Krim om veiligheidsredenen. Daarmee is aan Nederlandse burgers het advies gegeven alleen strikt noodzakelijke reizen te maken naar de «oranje» gebieden in Oekraïne. T.a.v. de provincies waarvoor het rode reisadvies geldt, is het advies niet naar die gebieden te reizen omdat het er te gevaarlijk is. Dit rode reisadvies geldt al sinds de illegale annexatie van de Krim in 2014. Nederlanders die daar nu nog zijn hebben daar zelf voor gekozen. Zij kunnen deze gebieden nog steeds zelfstandig verlaten.
Het reisadvies voor Rusland is voor het grootste gedeelte oranje vanwege de COVID-situatie, en is rood voor Tsjetsjenië en overige gebieden van de Noord-Kaukasus, zoals Dagestan en Ingoesjetië. Het advies om niet naar deze gebieden te reizen is omdat het er te gevaarlijk is. Dit rode advies geldt sinds geruime tijd.
In de reisadviezen voor Oekraïne en Rusland is overigens expliciet opgenomen dat aan Nederlanders in gebieden waarvoor een rood reisadvies geldt, beperkt of helemaal geen hulp kan worden geboden.
In welk stadium van escalatie zou u overgaan tot een advies aan Nederlandse burgers om Oekraïne vrijwillig te verlaten? In welk stadium zou u hetzelfde doen voor de Russische Federatie?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om de dreiging van een gewapende escalatie op te nemen in het reisadvies van Oekraïne en de Russische Federatie op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Reisadviezen worden bijgewerkt wanneer de actuele ontwikkelingen daartoe aanleiding geven.
Kunt u er verhoogde zorg voor dragen dat de Nederlandse ambassade de komende maanden een actuele administratie van de Nederlanders in Oekraïne bijhoudt?
Nederlanders worden herhaaldelijk opgeroepen zich aan te melden bij de informatieservice van Buitenlandse Zaken. Zo heeft BZ een beeld van welke Nederlanders in Oekraïne zijn, waar ze precies zijn en hoe we hen kunnen bereiken als dat nodig is. Op dit moment hebben zich ongeveer 60 Nederlanders aangemeld. Dat getal hoeft niet per se representatief te zijn voor het daadwerkelijke aantal Nederlanders in Oekraïne, omdat er geen registratieplicht is voor Nederlanders in het buitenland.
Zijn er naar uw mening aparte scenario’s voor de steden Kiev, Kharkov, Dnipro, Odessa en Lviv nodig als het gaat om evacuatie?
Of aparte scenario’s voor verschillende steden nodig zijn, wordt thans onderzocht en zal afhankelijk zijn van de aannemelijkheid dat in die steden ook Nederlanders aanwezig zijn.
Is er op Europese Unie of NATO-niveau overleg over evacuatiescenario's bij een gewapende escalatie in Oekraïne?
Nee, op dit moment is dit niet aan de orde in EU- of NAVO- verband. Er ligt voor de NAVO niet direct een taak op dit vlak in Oekraïne, waar geen sprake is van een NAVO-missie.
Leiden deze gesprekken tot een gezamenlijke aanpak op dit vlak?
Zie antwoord vraag 13.
Zou u deze vragen een voor een willen beantwoorden?
Een aantal vragen wordt samengevoegd beantwoord.
Zou u deze vragen voor 9 januari willen beantwoorden?
Vragen zijn beantwoord voor 9 januari.
De recente mediabriefing van de Wereld Gezondheidsorganisatie. |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de meest recente mediabriefing van de Wereld Gezondheidsorganisatie?1
De informatie uit de mediabriefing van de Wereld Gezondheidsorganisatie van begin december is herkenbaar. Het RIVM maakt deel uit van internationale expertgroepen die de evolutie van dit virus monitoren. Zo kunnen experts bij onderzoeksinstituten en internationale organisaties, zoals bijvoorbeeld het ECDC en de Wereld Gezondheidsorganisatie over de hele wereld over dezelfde gegevens beschikken. Het RIVM krijgt informatie uit dit internationale netwerk over varianten van het virus die nog niet in Nederland geconstateerd zijn, maar mogelijk wel kunnen opduiken.
Wat betekent de oproep om meer te monitoren, te testen en te sequencen voor het Nederlandse beleid?
Er wordt in Nederland heel veel getest in een fijnmazig netwerk. Met betrekking tot sequencen doet we meer dan de ECDC norm.
Welk percentage van de afgenomen tests wordt er op dit moment gesequencet, wat is de ontwikkeling daarvan geweest de afgelopen drie maanden en wat zijn de plannen ervoor de komende drie maanden?
Het RIVM houdt op de website precies bij hoe het staat met varianten in Nederland, voor de meest actuele informatie wil ik daar dan ook naar verwijzen2. Het RIVM vaart op wetenschappelijke adviezen van het ECDC en op eigen inhoudelijke kennis en inzichten om het minimaal aantal testen te bepalen, waarmee met voldoende zekerheid en voldoende «aanlooptijd» de circulatie van bepaalde varianten van het virus «SARS-CoV-2» kunnen worden gemonitord. Het RIVM volgt de ECDC-norm voor kiemsurveillance, haalt deze ruimschoots en kan, indien noodzakelijk, opschalen. Het ECDC adviseert om minimaal een aselecte steekproef van 500 monsters per week te sequencen om inzicht te krijgen in circulerende varianten (kiemsurveillance). Om daar inzicht in te verkrijgen is er een absoluut aantal sequenties nodig en niet een percentage. In de afgelopen maanden zijn er ruim 1500 monsters per week gesequenced in het kader van kiemsurveillance. In aanvulling hierop worden ook nog ca. 500 sequenties bepaald in het kader van BCO en andere onderzoeken.
Hoe representatief is het beeld van de in Nederland aanwezige virussoorten met de hoeveelheid sequencing die nu plaatsvindt? In hoeverre zijn de locaties waar sequencing plaatsvindt representatief voor alle locaties waar polymerase chain reaction (PCR)-testen worden afgenomen?
Het RIVM onderzoekt in de Nationale Kiemsurveillance, met 15 laboratoria verspreid over het hele land wekelijks een steekproef van ruim 1500 monsters van positieve PCR-testen die verspreid over het land zijn afgenomen.
In Amsterdam wordt sinds de opkomst van omikron continu met een specifieke PCR3-systematiek gemonitord op een breder palet van virussen, inclusief alle mogelijke nieuwe varianten van het virus «SARS-CoV-2». Op deze wijze weet men al 48 uur na het afnemen van een test al of er sprake is van mogelijk nieuwe variant. Vergelijkbare gegevens worden aan het RIVM geleverd door Synlab en Saltro, die hiervoor een speciale PCR-analysemethode gebruiken.
Daarnaast doet de PCR-werkgroep van het netwerk «SeqNeth Sars2» een wekelijkse uitvraag bij de laboratoria om data te delen. Recent heeft het RIVM voor de regio Noord-Nederland, die niet in de analyse van Synlab en Saltro zitten, additionele analyses uit laten voeren. Uit deze data is ook naar voren gekomen dat de trend in toename van het aandeel van de omikronvariant vergelijkbaar is met de trend zoals vastgesteld op basis van data van Synlab en Saltro. Voor meer informatie over de kiemsurveillance en over omikron verwijs ik naar het 137ste OMT-advies4 en de website van het RIVM.5
Op bovenstaande wijze wordt met meerdere methoden breed inzicht verkregen over de opkomst van nieuwe varianten van het virus «SARS-CoV-2».
Wat is het effect van het nieuwe Nederlandse beleid – zelftesten bij klachten – op het beeld dat sequencing geeft van de Nederlandse situatie? Klopt het dat door de inzet van meer zelftesten het zicht op het virus en het snel kunnen opsporen van nieuwe varianten juist wordt bemoeilijkt?
Uit onderzoek6 blijkt dat antigeentesten, en dus zelftesten, goed de omikronvariant kunnen vaststellen. De uitkomst van een antigeentest geeft inzicht of men het virus op dat moment bij zich draagt. Een positieve uitslag van de test geeft geen inzicht in de virusvariant waarmee iemand is besmet. Om dat te kunnen bepalen, moet een PCR-test worden afgenomen waarna het sequentieonderzoek volgt. Het advies is om een positieve zelftest te bevestigen met een PCR bij de GGD. Op deze monsters kunnen ook nadere analyses, zoals sequentieanalyse, gedaan worden.
De PCR-testcapaciteit die in te zetten is voor grootschalig testen |
|
Lisa Westerveld (GL), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de loop-mediated isothermal amplification (LAMP)-testlijnen die bij de GGD Amsterdam zijn gebruikt en succesvol waren niet verder zijn uitgerold over het land omdat de GGD'en het destijds wel weer aan konden?
De LAMP testlijnen zijn gekocht om aanvullende testcapaciteit mogelijk te maken. De gedachte was dat met de LAMP-testlijnen op meerdere locaties in het land hoog sensitieve en snelle methodes ingezet konden worden.
Echter, voor gebruik van de LAMP-testlijnen is relatief veel hooggekwalificeerd personeel nodig. Daarnaast is de ervaring dat bij grote volumes meer fouten worden gemaakt en storingen ontstaan bij gebruik van de LAMP-testlijnen. Deze fouten en storingen dienen bekeken te worden, waardoor de eerder gewonnen snelheid van deze methode (deels) verloren gaat. Onder andere om die reden zijn de XL-teststraten overgezet op antigeentesten of reguliere PCR-testen.
Bij de GGD Amsterdam was een pilot gestart om de inzetbaarheid van de LAMP-testlijnen bij de GGD’en te testen. De GGD Amsterdam heeft de LAMP-testlijnen tot eind 2021 ingezet en zij zijn nu overgestapt naar PCR-testen. Deze LAMP-testlijnen zijn nog operationeel als back-up voor Covid-19-diagnostiek. Omdat de GGD Amsterdam de LAMP-testlijnen zelf gevalideerd heeft, kunnen zij goed overweg met het (complexe) gebruik ervan. Op dit moment is de GGD Amsterdam voor het testen voor Covid-19 om doelmatigheidsoverwegingen volledig overgestapt naar een ander testplatform waar, in vergelijking met de LAMP-lijnen, met minder (hoog gekwalificeerde) mensen meer volume gedraaid kan worden.
Om bovenstaande redenen zijn de LAMP-testlijnen niet in gebruik genomen bij andere GGD’en. Voor de LAMP-testlijnen wordt gezocht naar alternatieve specifieke toepassingen. Zo worden enkele van de LAMP-testlijnen door de GGD Amsterdam ingezet voor het detecteren van andere respiratoire ziekten.
Waar zijn de LAMP-testlijnen nu en zijn ze op korte termijn weer herbruikbaar en inzetbaar?
Er zijn vijftien LAMP-testlijnen gekocht door het Ministerie van VWS. Hiervan zijn er vier momenteel bij GGD Amsterdam, en de rest is in opslag. Voordat de testlijnen weer kunnen worden ingezet, moet eerst een onderzoekstraject worden uitgevoerd. Dit onderzoek wordt uitgevoerd om de LAMP-testlijnen door te ontwikkelen om deze inzetbaar te krijgen en de nodige documentatie in orde te stellen. Daarnaast dient dit onderzoek om de bredere inzetbaarheid van de LAMP-testlijnen te onderzoeken en te kijken voor welke toepassingen de testlijnen geschikt zijn. Er wordt momenteel gekeken naar de mogelijkheden om TNO het onderzoek te laten uitvoeren.
Dit onderzoek, dat enkele fasen kent, gaat ongeveer een 3 tot 4 maanden duren. TNO zal ook de protocollen gaan schrijven over het gebruik van de LAMP-testlijnen. Na afloop van het onderzoek wordt bekeken waar de apparaten van de LAMP-testlijnen het beste te plaatsen en gebruiken. Ik besluit binnenkort over dit onderzoek.
Wat was de vergoeding per test die nodig en toegezegd was voor de LAMP-testen?
Over de vergoeding van analyses met de LAMP-lijn is met GGD Amsterdam een vergoeding afgesproken van € 6.433,- per shift van 8 uur. In een shift worden minimaal 161 testen en maximaal 800 monsters geanalyseerd.
Hoeveel had het qua kosten naar schatting gescheeld als de LAMP-testen verder waren uitgerold over het land?
Dit is niet te zeggen, omdat zowel de haalbare testvolumes als de reële tariefstelling nog onbekend zijn. Beide factoren worden nader bepaald in de pilot met TNO.
Wat is de huidige kostprijs van de polymerase chain reaction (PCR)-testen en hoe verhoudt die zich tot de vergoeding die de laboratoria per test krijgen?
De maximale totale kosten die worden vergoed voor een PCR-test die afgenomen is bij een GGD-teststraat bedroeg in 2021 € 68,50. Hiervan is € 50,– per PCR-test voor de laboratoriumkosten. Bij de aanbesteding van de NAAT (PCR)-analysecapaciteit in 2022 geldt een gemiddeld tarief van € 32,–. De kostprijs per afname en analyse van een PCR-test verschilt per GGD en per laboratorium, waarbij de kostprijs van de laboratoria bedrijfsgevoelige informatie is.
Is het voor grootschalig testen, met als doel monitoring, nodig om de ISO 15189-standaard te hanteren (die voor diagnostiek wordt gehanteerd)? Waarom (niet)?
Beide ISO-accreditaties (15 189 en 17 025) voldoen op het moment voor Testen voor Toegang, mits het laboratorium dat de ISO-17025 certificering heeft de overige vigerende wet- en regelgeving hanteert. GGD GHOR NL wil graag vasthouden aan een eis van de ISO accreditatie 15189 voor Testen bij Klachten, omdat hierbij een arts-microbioloog betrokken is.
Wat zou de kostprijs zijn van de LAMP-testen en andere hoge doorvoer PCR-testen wanneer deze zouden worden ingezet? Hoe verhoudt zich dat tot de kostprijs van de huidige PCR-testen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Hoeveel testen kan een hoge doorvoer PCR-testlijn (met een waterbad in plaats van een hitteblok) per dag verwerken? Klopt het dat dit rond de 100.000 ligt?
De geschiktheid van een hoge doorvoer PCR-testlijn met een waterbad voor SARS-CoV-2-diagnostiek is op dit moment niet bekend. Het is daarom niet te zeggen wat de capaciteit per dag voor SARS-CoV-2-diagnostiek is.
Klopt het dat de industrie, kennisinstellingen en de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) sinds jaar en dag hoge doorvoer PCR-testlijnen gebruiken en dat verhitting via een waterbad al jaren standaard-praktijk is? Klopt het dat Q-koorts al jaren op deze manier gemonitord wordt?
TNO heeft dit systeem niet en is niet betrokken bij Q-koorts monitoring. Voor experimenteel onderzoek bij researchlaboratoria wordt wel gebruik gemaakt van verhitting via een waterbad. Bij de grote laboratoria waar bulkanalyses gedaan worden, wordt geen gebruik gemaakt van verhitting via waterbad.
Het gebruik van waterbaden voor bulk-analyses is vorig jaar onderzocht in opdracht van het Ministerie van VWS. Er waren inderdaad voordelen bij het gebruik van waterbaden; de snelheid van de analyses werd erdoor verhoogd en er kunnen aanzienlijk meer monsters tegelijk worden behandeld. Het nadeel was dat de logistiek rondom de monsters veel complexer werd, waardoor er meer fouten zouden kunnen ontstaan. Na beoordeling van het gehele proces waarbij waterbaden gebruikt worden is besloten hier niet verder mee te gaan.
Bent u ervan op de hoogte dat er hoge doorvoer waterbad-PCR-testlijnen in bedrijf zijn bij onder andere HZPC (Metslawier), VHL Genetics (Wageningen), RijkZwaan (De Lier), Wageningen Universiteit (WBVR) en TNO?
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Hoeveel waterbad-PCR-testlijnen zijn er in bedrijf in Nederland op dit moment? Hoeveel PCR-testen kunnen daar per dag mee gedaan worden?
Het totaalaantal van deze testlijnen in Nederland is mij niet bekend. Dat geldt eveneens voor de maximale volumes die met dergelijke testlijnen kunnen worden gedraaid, mede omdat de geschiktheid voor SARS-CoV-2-diagnostiek niet bekend is.
Hoeveel hoge doorvoer PCR-testlijnen met 100.000 testen per dag zijn nodig om in Nederland het Deense model te kopiëren, waarbij iedereen 2 keer per week zou worden getest door het inleveren van een spit cup?
Dat is op basis van de huidige data niet goed in te schatten. Gedrag zal hierbij een belangrijke factor zijn en daar zijn geen goede gegevens over. Zo is ook de ervaring dat de testbereidheid niet evenredig verdeeld is over de week. Daardoor zal de testvraag op bepaalde dagen van de week dus hoger zal liggen en zouden daarvoor ook meer PCR-testlijnen nodig zijn. Onderstaande rekensom heeft dus een hoog theoretisch gehalte. Verder zijn naast het aantal hoge doorvoer testlijnen nog verschillende andere factoren in de testketen die invloed hebben op de haalbaarheid in de praktijk. Zoals bijvoorbeeld de in te richten logistieke ketens, de beschikbare personele capaciteit met de juiste kennis en vaardigheden en de beschikbaarheid van voldoende consumables.
Om in Nederland 17,5 miljoen (2020) inwoners (alle leeftijden) 2 keer per week te laten testen zijn 35 miljoen testen per week nodig. Dit gedeeld door de 7 dagen van de week zijn bijna 5 miljoen testen per dag. Deze 5 miljoen gedeeld door 100.000 testen per dag voor 1 PCR-testlijn resulteert in afgerond 50 PCR-testlijnen die minimaal stabiel 100.000 testen per dag kunnen draaien. Zoals gezegd zal het werkelijke aantal hoger liggen door ongelijkmatige verdeling over de weekdagen, het rekening moeten houden met niet optimale prestaties van 50 testlijnen, beperkingen in de logistiek enzovoort.
Bent u van mening dat LAMP-testlijnen en andere hoge doorvoer PCR-testlijnen ingezet moeten worden voor grootschalige coronatestfaciliteiten? Zo ja, op welke manier gaat u dat vormgeven? Zo nee, wanneer acht u dit wel passend?
Op dit moment is er nog geen uitspraak te doen of de LAMP-testlijnen inzetbaar zijn voor grootschalige coronatestfaciliteiten. De conclusies van het onderzoek met TNO bieden hier in de toekomst meer duidelijkheid over. Wel is duidelijk dat zowel de LAMP als de STRIP geen CE merk hebben, en dus uitsluitend bij onderzoekslaboratoria geplaatst mogen worden.
Wat we tot nu toe weten over de LAMP-testlijnen is dat deze methode veel minder geschikt is voor het draaien van grote volumes. Dit in tegenstelling tot testen met bijvoorbeeld de STRIP-apparaten, waarvoor minder menskracht nodig is en er per tijdseenheid veel meer samples geanalyseerd kunnen worden. Voor de LAMP-testlijnen is veel hoog gekwalificeerd personeel nodig en de ervaring bij GGD Amsterdam was dat bij grote volumes meer fouten worden gemaakt en storingen ontstaan. Deze fouten en storingen dienen bekeken te worden, waardoor de eerder gewonnen snelheid van deze methode (deels) verloren gaat. De LAMP-testlijnen waren primair bedoeld om met een gevoelige testmethode snel een uitslag te kunnen krijgen.
Hoeveel gevalideerde antigeentesten en gevalideerde zelftesten zou de Dienst Testen op korte termijn (vier weken) kunnen inkopen?
Ten aanzien van (gevalideerde) antigeensneltesten geldt dat er momenteel geen krapte is op de wereldmarkt, hiernaast zijn nog ongeveer 15 miljoen antigeensneltesten op voorraad onder verantwoordelijkheid van de Dienst Testen. Indien de huidige voorraad uitgeput is en een nieuwe inkoop wenselijk is, dan zal er een aanbesteding gestart moeten worden. Een aanbesteding kost ongeveer 4–6 maanden tijd.
Op de wereldmarkt voor zelftesten en de markt voor goederenvervoer heerst momenteel wel enige krapte. Onder de huidige aanbesteding is het maximum van 53,5 miljoen zelftesten ingekocht. Deze worden momenteel uitgeleverd en in de komende maanden ingezet in het onderwijs en voor kwetsbare groepen. De verwachting is dat de beschikbare voorraad zelftesten voldoende is tot medio april. In januari is een nieuwe aanbesteding gestart voor maximaal 150 miljoen aanvullende zelftesten. Onder de uitgeputte aanbesteding én de nieuwe aanbesteding was en is het mogelijk om binnen vier weken na opdrachtverstrekking tot uitlevering te komen, naar schatting tot ongeveer 10 miljoen stuks. Hierbij teken ik aan dat de nieuwe aanbesteding zelftesten nog niet geeffectueerd is; totdat dit gebeurt is er geen mogelijkheid voor Dienst Testen om aanvullende zelftesten in te kopen binnen het reguliere proces.
Klopt het dat u in uw brief concludeert dat actieve provisietransparantie goed uitvoerbaar is, maar uit het onderliggende AFM-advies blijkt dat partijen aangeven dat het voorstel niet goed uitvoerbaar is? Kunt u aangeven waaruit blijkt dat de voorgenomen actieve provisietransparantie in deze vorm goed uitvoerbaar is? Zo ja, kunt u aangeven waarom u die conclusie heeft getrokken ondanks de negatieve adviezen? Zo nee, hoe moet de conclusie in uw brief dan worden gelezen?1 2 3.
Op basis van de huidige passieve provisietransparantie krijgt een consument pas inzicht in de door hem of haar betaalde provisie als diegene daar naar vraagt. Doordat niet alle consumenten bekend zijn met provisie, wordt deze vraag veelal niet gesteld. Dat staat mogelijk in de weg aan een goed gesprek tussen consument en dienstverlener over diens dienstverlening met als risico dat de consument niet vraagt naar de dienstverlening waar hij of zij wel voor betaald heeft. Om die reden heb ik in 2019 aangekondigd dat ik zou komen met een voorstel voor actieve provisietransparantie. Sindsdien heb ik veelvuldig met uw Kamer gesproken over een goede vormgeving van actieve provisietransparantie. Ook zijn gesprekken gevoerd met de brancheverenigingen, consumentenpartijen en de toezichthouder.
In mijn brief van 7 juni 2021 informeerde ik u over de verschillende overwegingen die een rol spelen bij de vormgeving van actieve provisietransparantie, alsmede welke afwegingen ik daarbij had gemaakt. Ook kondigde ik in die brief aan dat ik de AFM zou vragen om in gesprek te gaan met betrokken partijen over een wijze van invoering die zo praktisch mogelijk uitvoerbaar is. De AFM heeft vervolgens, zoals ik u per brief van 25 november 2021 liet weten, gesproken met diverse betrokken partijen, te weten Adfiz (branchevereniging van financieel adviseurs), Organisatie van Financiële Dienstverleners (brancheorganisatie voor onafhankelijke hypotheekadviseurs, hypotheekketens en serviceproviders), Keurmerk Objectief Vergelijken (met als deelnemende partijen Geld.nl, Independer en Zorgkiezer.nl) en het Verbond van Verzekeraars. Ik begrijp van de AFM dat de marktpartijen tijdens die gesprekken allereerst verschillende argumenten hebben aangedragen waarom het Wijzigingsbesluit Financiële Markten 2021 (hierna: het Wijzigingsbesluit) onwenselijk en/of lastig zou zijn. Daarnaast hebben de marktpartijen ook enkele argumenten aangedragen die zagen op de (niet) uitvoerbaarheid van het Wijzigingsbesluit. Om tegemoet te komen aan de genoemde bezwaren over uitvoerbaarheid, heeft de AFM drie aanbevelingen aan mij gedaan. Ik heb deze alle drie overgenomen zoals ik u heb gemeld in mijn brief van 25 november jl. Op basis van deze gesprekken, en op basis van haar eigen kennis en inzichten, heeft de AFM uiteindelijk geconcludeerd dat het Wijzigingsbesluit met inachtneming van haar aanbevelingen zoals dat nu bij u voorligt uitvoerbaar is.
Ik heb de conclusie van de AFM over uitvoerbaarheid overgenomen. Daarbij nam ik ook in overweging dat bemiddelaars en adviseurs nu al onder de van toepassing zijnde passieve provisietransparantie in staat moeten zijn om desgevraagd (passief) het exacte provisiebedrag aan een cliënt te verstrekken. Dit zou – al dan niet met een wijziging van systemen – ook op grotere schaal (actief) mogelijk moeten zijn. Voor het doorvoeren van de benodigde wijzigingen in de systemen vind ik, zoals eerder genoemd, een implementatietermijn van twee jaar redelijk. Bovendien is de wijze van communiceren van het provisiebedrag bewust laagdrempelig gekozen: een mondelinge mededeling is daarbij toegestaan. Ook is het zo dat wanneer het exacte bedrag niet kan worden berekend, volstaan kan worden met het mededelen van de wijze van berekening van dit bedrag. Om deze redenen acht ik het voorstel uitvoerbaar, ondanks dat het noemen van exacte nominale bedragen ook enkele uitdagingen kent, zoals ook kan worden opgemaakt uit de onderliggende stukken bij het advies van de AFM.
Klopt het dat uit de onderliggende stukken die u heeft gestuurd blijkt dat er vraagtekens gezet worden bij de juridische houdbaarheid van een actieve provisietransparantie zoals die wordt voorgesteld in lijn met Europese regelgeving op het gebied van verzekeringsdistributie en platformregulering? Zo ja, hoe heeft u dit advies verwerkt in uw besluit? Zo nee, kunt u onderbouwen waarom de voorgestelde actieve provisietransparantie wel voldoet aan Europese regelgeving op het gebied van verzekeringsdistributie en platformregulering?
De belangenorganisatie Adfiz en het Keurmerk Objectief Vergelijken hebben voor zichzelf juridisch advies ingewonnen omdat zij bezwaren zien bij het voorstel voor actieve provisietransparantie. Deze in opdracht van Adfiz en Keurmerk Objectief Vergelijken opgestelde adviezen zijn met de AFM en mijn ministerie gedeeld. In deze adviezen wordt gesteld dat het voorstel in strijd is met het Unierecht en de Insurance Distribution Directive (IDD). Ook wordt er aandacht gevraagd voor proportionaliteit en subsidiariteit.
Ik ben van mening dat het Wijzigingsbesluit wel in lijn is met de IDD. De IDD gaat immers uit van minimumharmonisatie, wat inhoudt dat het voor lidstaten mogelijk is om strengere voorschriften te hanteren. Uitgangspunt bij de IDD is verder dat alle distribuerende partijen, in het bijzonder het directe kanaal en indirecte kanaal, gelijk worden behandeld. Dat is mijns inziens het geval bij het Wijzigingsbesluit, doordat geregeld wordt dat zowel tussenpersonen als schadeverzekeraars transparant dienen te zijn over hun dienstverlening en de vergoeding die ze daarvoor krijgen. Adviseurs ontvangen provisie, en in ruil daarvoor ontvangt de consument een extra dienst, zoals aanvullende hulp bij afhandeling van schade. Schadeverzekeraars ontvangen geen provisie, maar consumenten ontvangen in dat geval ook geen extra diensten op de standaard service.
Verder beoordeel ik het Wijzigingsbesluit als proportioneel. Ik vind het belangrijk dat het voor een consument inzichtelijk is welke diensten hij of zij mag verwachten van de adviseur of aanbieder, en welke kosten hieraan verbonden zijn. Als een consument weet wat hij of zij voor de dienstverlening van de adviseur betaalt, krijgt de consument ook inzicht in de mate van dienstverlening die hij of zij van de adviseur mag verwachten. Ik ben het met de AFM en de Consumentenbond eens dat exacte bedragen het meest effectief voor de consument zijn om het gesprek over de dienstverlening aan te gaan.
Klopt het dat uit de onderliggende stukken blijkt dat actieve provisietransparantie tot een onwenselijk informatieoverschot voor consumenten op de verzekeringsmarkt kan leiden? Zo ja, hoe heeft u die verwachting meegewogen in de door u voorgestelde vormgeving van actieve provisietransparantie? Zo nee, kunt u toelichten hoe de door u voorgestelde actieve provisietransparantie niet tot een dergelijk informatie-overschot zou leiden?
In mijn brief van 7 juni 2021 schreef ik over de optimale omvang van de hoeveelheid informatie die een consument tot zich moet en kan nemen om een goede keuze te (kunnen) maken. Meer informatie kan inzichten voor een consument vergroten, maar ook tot zoveel – extra – informatie leiden dat keuzes worden uitgesteld. Het is van belang om te voorkomen dat de aandacht van de consument te veel wordt afgeleid van andere belangrijke elementen van zijn productaanschaf, zoals de verzekeringswaarde, dekking, looptijd, uitkering etc. Dat neemt niet weg dat inzicht in provisie voor de consument belangrijk is om het gesprek over de dienstverlening van de adviseur of bemiddelaar goed te kunnen voeren. Ik vind deze informatie dan ook essentieel voor de keuze van het distributiekanaal en aanschaf van het product. Uit de genoemde stukken blijkt dat sommige belanghebbende partijen daar een andere mening over hebben. Op verzoek van uw Kamer heb ik juist over dit punt met de AFM en de Consumentenbond verder gepraat. Zij denken niet dat in het voorstel sprake is van een informatieoverschot voor de consument. Ik laat het bovendien aan de adviseur en/of bemiddelaar om te bepalen wat de beste vorm van informeren is. Dit kan zowel via een mondelinge als een schriftelijke mededeling.
Klopt het dat uit de onderliggende stukken blijkt dat actieve provisietransparantie tot minder concurrentie op de verzekeringsmarkt kan leiden? Zo ja, hoe heeft u die rationale meegewogen in de door u voorgestelde vormgeving van actieve provisietransparantie? Zo nee, kunt u toelichten hoe de door u voorgestelde actieve provisietransparantie niet tot verminderde concurrentie op de verzekeringsmarkt zou leiden?
Hier wordt gedoeld op het position paper dat in opdracht van Keurmerk Objectief Vergelijken is opgesteld door advocatenkantoor Maverick en adviesbureau Radicand Economics. Deze bureaus schrijven dat zij een marktverschuiving ten koste van intermediairs verwachten, wat tot een meer geconcentreerde markt voor verzekeringen zou kunnen leiden met als mogelijk nadelig effect dat de prikkels om te concurreren afnemen.
Zoals ik u eerder schreef (7 juni 2021), zijn er bij tussenpersonen zorgen dat het actief transparant maken van het provisiebedrag leidt tot het beeld dat tussenpersonen duurder zijn dan directe aanbieders, waardoor er een marktverschuiving optreedt. Daarnaast is er ook een zorg dat wanneer consumenten wel naar een tussenpersoon gaan, deze alsnog voor het directe kanaal kiezen op het moment dat de consument de mededeling over het provisiebedrag ontvangt. Juist daarom vind ik het belangrijk dat de consument tijdig en goed over zowel de provisie als over de dienstverlening wordt geïnformeerd. Daarbij is het aan de tussenpersoon om de meerwaarde van zijn dienstverlening, ook na afsluiting van de verzekering, bij de consument goed over het voetlicht te brengen. Tegelijkertijd moet een directe aanbieder ook transparant zijn over de kenmerken van zijn of haar dienstverlening en moet dus ook inzicht bieden in zijn «self service» model. In dat model bij de directe aanbieder is er geen aanvullende ondersteuning na het afsluiten van het product, bijvoorbeeld bij het afhandelen van een schade.
In het Wijzigingsbesluit heb ik een evaluatiebepaling opgenomen. Binnen drie jaar na inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit zal ik aan de Kamer een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de regels met betrekking tot actieve provisietransparantie bij schadeverzekeringen sturen, waarbij expliciet ook gekeken wordt naar het gelijke speelveld.
Wil u toezeggen dat u geen vervolgstappen zet voordat u deze vragen heeft beantwoord en de Kamer daarover eventueel heeft kunnen debatteren?
Ja.
Kunt u deze vragen individueel en uiterlijk dinsdag 14 december 2021 beantwoorden?
Ja.