De nationale organisatie van HCID-zorg, quarantainebeleid en infectiepreventie naar aanleiding van de hantavirusuitbraak op de MV Hondius |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Dit weten we nu over de hantavirus-uitbraak»1, «Medewerkers Radboudumc in quarantaine vanwege fouten rond hantavirus»2, «Honderden in quarantaine op cruiseschip Ambition door uitbraak norovirus»3 en «Opnieuw norovirus op cruiseschip: een dode, 1.700 mensen in quarantaine»4?
Ja.
Hoeveel personen – passagiers, bemanning, ziekenhuispersoneel en contacten – bevinden zich momenteel op Nederlands grondgebied in (thuis)quarantaine naar aanleiding van de uitbraak op de MV Hondius, en hoe wordt feitelijk gecontroleerd dat deze quarantaine ook wordt nageleefd?
De Nederlandse passagiers en Nederlandse bemanningsleden zonder klachten zijn veilig en professioneel naar hun thuisadres vervoerd en in thuisquarantaine gegaan. De passagiers met andere nationaliteiten, die niet direct naar huis kunnen gaan, zijn in quarantaine gegaan op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, tenzij het thuisland bereid is om gedurende de quarantaineperiode zorg te dragen voor veilig vervoer van hun inwoner(s) naar eigen land. De quarantaineperiode duurt zes weken.
De mensen die thuis in quarantaine zijn, worden begeleid door de GGD van hun woonplaats. Er zijn duidelijke instructies, zoals twee keer per dag temperatuur opmeten en er is dagelijks telefonisch contact. Zo zorgt de GGD ervoor dat zij eventuele symptomen opmerken, zodat snel goede zorg gegeven kan worden.
Momenteel zitten in totaal 85 personen in thuisquarantaine of in een daarvoor ingerichte quarantainelocatie.5
Kunt u bevestigen dat het Radboudumc sinds mei 2022 als enige ziekenhuis in Nederland beschikt over een high-level isolation unit (HLIU) en dat desondanks na internationale afstemming bewust is besloten de hantaviruspatiënt níét in deze HLIU op te nemen, maar op een reguliere verpleegafdeling?
Dit klopt niet. Er zijn meerdere ziekenhuizen met een high-level isolation unit (HLIU). Er is inderdaad besloten, na afstemming met nationale en internationale experts, dat de zorg voor deze patiënt niet in de HLIU geleverd hoeft te worden, maar dat dit ook mogelijk is in een speciale isolatiekamer op de intensive care of verpleegafdeling. Daarbij gaat het om een speciale isolatiekamer, waar de luchtverversing en de afzuiging van de lucht goed geregeld is en er extra beschermende maatregelen gelden voor de medewerkers (FFP2 mondmasker, schort met lange mouwen, handschoenen en bril).
Hoe beoordeelt u het feit dat twee dagen ná deze vakinhoudelijke afweging twaalf medewerkers van het Radboudumc zes weken in quarantaine moesten omdat bloed en urine niet volgens de juiste internationale voorschriften zijn verwerkt, en dat het ziekenhuis stelt dat «het meest actuele internationale voorschrift nog niet beschikbaar was» voor de medewerkers?
Het betrokken ziekenhuis zal eerst zelf zorgvuldig vaststellen wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht.
Bent u bekend met de infectiologische, microbiologische, IC- en Euregio-capaciteiten van het Maastricht UMC+, alsmede met het feit dat Maastricht in 2014 werd genoemd met ebola-bedcapaciteit, en kunt u toelichten waarom Maastricht UMC+ thans niet formeel is aangewezen als VHK/HCID-behandelcentrum voor Zuid-Nederland, mede gezien de geografische spreiding van de huidige aangewezen centra?
Het Platform Preparatie A-ziekten van het RIVM heeft geïnventariseerd bij de UMC’s welke opvang en behandelcapaciteit zij hebben. Vijf van de zeven UMC’s hebben aangegeven dat in principe te kunnen. Maastricht UMC+ heeft aangegeven hierin alleen in een vroeg stadium van het ziektebeeld een rol te kunnen spelen.
Wie is er, in het Nederlandse stelsel, eindverantwoordelijk voor het tijdig beschikbaar stellen van de meest actuele internationale infectiepreventie- en controleprotocollen (IPC-protocollen) aan behandelende ziekenhuizen vóórdat een patiënt met een hoogrisico-infectieziekte wordt opgenomen – het RIVM, de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), of het ziekenhuis zelf? Acht u deze verantwoordelijkheidsverdeling op dit moment sluitend?
De Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) van het RIVM bepaalt welke vorm van isolatie en infectiepreventie bij de betreffende ziekte noodzakelijk is. De ziekenhuizen vertalen dit, vanuit de beroepsverenigingen van inhoudsdeskundigen, waaronder de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, zelf naar protocollen voor op de werkvloer. Zij maken hierbij ook gebruik van de landelijke richtlijnen voor ziekenhuizen van het Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie. De IGJ is de toezichthoudende instantie. Deze verantwoordelijkheidsverdeling werkt goed.
Hoeveel patiënten met een high consequence infectious disease (HCID) heeft de Nederlandse zorg in de afgelopen vijf jaar opgenomen, in welke ziekenhuizen, en in hoeveel van deze gevallen is daadwerkelijk gebruikgemaakt van een HLIU? Bent u bereid dit overzicht aan de Kamer te doen toekomen?
Afgelopen vijf jaar zijn acht personen met een verdenking van virale hemorragische koorts (VHK)6 opgenomen in de Nederlandse zorg. Zeven personen zijn in één van de voor VHK aangewezen ziekenhuizen opgenomen in hun HLIU: vijf keer Radboud MC, één keer LUMC en één keer UMCU.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk Andesvirus formeel is geclassificeerd als «airborne HCID»5, dat behandeling uitsluitend plaatsvindt in een beperkt aantal aangewezen Airborne HCID Treatment Centres6 en dat dwingende, gestandaardiseerde IPC- en PPE-protocollen gelden zodra deze classificatie van toepassing is?
Ja. Het Verenigd Koninkrijk classificeert het andesvirus als een airborne high consequence infectious disease (HCID). Wel geeft het Verenigd Koninkrijk aan dat onduidelijk is hoe de overdracht van mens op mens plaatsvindt. Volgens het Verenigd Koninkrijk lijkt het erop dat nauw contact met een besmet persoon noodzakelijk is, en dat airborne overdracht daarbij in overweging genomen dient te worden. Verder is het kabinet bekend met de bijbehorende protocollen. Ook in Nederland wordt Andesvirusinfectie als HCID geclassificeerd en zijn er bijbehorende richtlijnen en protocollen, die op enkele onderdelen afwijken van de richtlijnen en protocollen in het Verenigd Koninkrijk. De Nederlandse protocollen zijn volledig in lijn met (en zelfs nog wat strikter dan) de WHO-aanbevelingen voor isolatie van personen met Andesvirusinfectie.
Erkent u dat het Britse model – een formele HCID-classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra – risico’s structureel uitsluit die het Nederlandse model, waarin per geval een afweging wordt gemaakt, toelaat? Erkent u dat juist deze week is gebleken dat het Nederlandse «case-by-case»-model in dit geval heeft gefaald?
Ook een model waarin sprake is van formele classificatie met dwingende protocollen en vaste behandelcentra, sluit het risico op menselijke fouten niet uit. Daarnaast zijn de verschillen tussen het Britse en het Nederlandse model marginaal.
Waarom kent Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk, geen formele nationale HCID-lijst conform ECDC-standaard, geen vooraf aangewezen behandelcentra voor HCID-categorieën en geen dwingende virus-specifieke IPC-protocollen? Welke afweging ligt hieraan ten grondslag, en wanneer is deze afweging voor het laatst herzien?
Nederland gebruikt weldegelijk een formele HCID-lijst en deze wordt als uitgangspunt genomen bij het Platform Preparatie A-ziekten.9 Daarnaast is sprake van afspraken met behandelcentra en van protocollen, die op het moment van de uitbraak met landelijke experts nogmaals tegen het licht zijn gehouden.
Bent u bereid toe te zeggen dat u vóór novermber 2026: en de Kamer hierover uiterlijk in novermber 2026 schriftelijk te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds sprake van een 24/7 adviesfunctie vanuit het RIVM, over richtlijnen en protocollen voor onder andere HCID’s. Op 8 mei 2026 heeft de Kamer het advies van het RIVM over het aanwijzen van het andesvirus als A2-infectieziekte ontvangen. Het RIVM adviseert hierin om op grond van artikel 34 van de Wet publieke gezondheid een ziekenhuis aan te wijzen, waar patiënten gedwongen in isolatie kunnen worden geplaatst, indien zij besmet zijn met een infectieziekte.10 Dit sluit aan bij de vraag om ziekenhuizen formeel aan te wijzen. Momenteel wordt dit door het Platform Preparatie A-ziekten, samen met de universitaire medische centra, verder uitgewerkt.
Bent u bereid, als noodzakelijke aanvulling op de in vraag 10 gevraagde HCID-structuur, een verplicht en structureel auditkader op de naleving van HCID- en IPC-protocollen in Nederlandse ziekenhuizen in te voeren, met ten minste de volgende elementen:
Nee, het kabinet is niet voornemens om op dit moment een verplicht en structureel auditkader met de genoemde elementen in te voeren.
Dat laat onverlet dat goede voorbereiding op de opvang van patiënten met een hoog-risico-infectieziekte van groot belang is. Binnen de bestaande systematiek zijn daarvoor al verschillende waarborgen aanwezig. Ziekenhuizen zijn zelf verantwoordelijk voor veilige zorg, waaronder adequate infectiepreventie, voldoende scholing en training van personeel, passende protocollen en het beschikbaar hebben van noodzakelijke voorzieningen en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarnaast zijn er bestaande werkwijzen gericht op kwaliteitsverbetering, waaronder toezicht door de IGJ op de naleving van professionele standaarden en richtlijnen en het lerend vermogen van de betreffende instelling.
Naar aanleiding van de casus waarnaar in deze vragen wordt verwezen, vindt het kabinet het van belang dat het betrokken ziekenhuis eerst zorgvuldig vaststelt wat er precies is gebeurd, welke factoren daaraan hebben bijgedragen en welke lessen daaruit moeten worden getrokken. Het is primair aan het ziekenhuis om, als verantwoordelijke zorgaanbieder, deze analyse uit te voeren en waar nodig verbetermaatregelen te treffen. De IGJ kan deze analyse en de opvolging daarvan betrekken bij haar toezicht. Indien de IGJ op basis van haar toezicht tot de conclusie komt dat sprake is van tekortkomingen, beschikt zij reeds over de gebruikelijke toezicht- en handhavingsinstrumenten om daarop passend te acteren. Daarbij zal ook worden betrokken of de bestaande systematiek rond voorbereiding, oefening, toezicht en borging van infectiepreventie bij HCID-opvang voldoende functioneert, of dat aanvullende maatregelen nodig zijn.
De IGJ is onafhankelijk in de inrichting van haar toezicht en bepaalt zelf haar toezicht- en handhavingssystematiek. De wijze waarop de IGJ invulling geeft aan het toezicht op de naleving van infectiepreventie- en HCID-protocollen in ziekenhuizen – waaronder de frequentie en de inzet van specifieke toezichtsinstrumenten – behoort tot de verantwoordelijkheid van de inspectie zelf.
Wat zijn de totale geraamde kosten van de repatriëringsoperatie van de MV Hondius (evacuatievluchten, ambassade-inzet, SCOT-team, RIVM/GGD-inzet, zes weken thuisquarantaine en de Radboudumc-quarantaine inclusief vervangende inzet), en in hoeverre worden deze kosten verhaald op de rederij, de reisverzekeraars of de individuele passagiers? Bent u bereid een gespecificeerd kostenoverzicht aan de Kamer te sturen?
De totale kosten van de repatriëringsoperatie van de m/v Hondius (waaronder evacuatievluchten, inzet van ambassadepersoneel, het SCOT-team, RIVM- en GGD-inzet, quarantainevoorzieningen en de inzet in het Radboudumc inclusief vervangende capaciteit) worden momenteel nog in kaart gebracht. Een volledig en gespecificeerd kostenoverzicht is op dit moment nog niet beschikbaar.
Het uitgangspunt bij de uitvoering van de operatie was het snel en adequaat handelen in het belang van de veiligheid en gezondheid van alle betrokkenen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal van deze kosten.
Acht u het redelijk dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de kosten van repatriëring en nasleep van een commerciële cruise waarop het besmettingsrisico is opgelopen? Welke wettelijke en verzekeringstechnische instrumenten ziet u om dit principieel anders te regelen voor toekomstige uitbraken?
Bij een situatie als deze staat de bescherming van de gezondheid en veiligheid van passagiers en bemanning voorop. Dat betekent dat noodzakelijke maatregelen ongeacht de uiteindelijke kostenverdeling worden getroffen om verantwoord en snel te kunnen handelen.
De kosten van de operatie worden momenteel in kaart gebracht. Tegelijkertijd wordt bezien in hoeverre het redelijk en juridisch mogelijk is om deze kosten te verhalen op de rederij, reisverzekeraars of andere betrokken partijen. De Kamer zal worden geïnformeerd zodra de kosten zijn vastgesteld en er meer duidelijkheid bestaat over de mogelijkheden tot verhaal.
Kunt u bevestigen dat op het Britse cruiseschip Ambition voor de kust van Bordeaux 1.700 opvarenden in quarantaine zijn geplaatst, dat een 92-jarige Britse passagier vermoedelijk is overleden aan het norovirus en dat ten minste vijftig passagiers ziek zijn geworden? Hoeveel Nederlanders bevinden zich aan boord, en welke ondersteuning krijgen zij op dit moment van de Nederlandse ambassade en het Snel Consulair Ondersteuningsteam (SCOT)?
De regionale gezondheidsautoriteiten van Nouvelle-Aquitaine hebben op 13 mei een persbericht gedeeld over de situatie op het Britse cruiseschip Ambition.11 Zij gaven in het persbericht aan dat het ging om het norovirus. De regionale gezondheidsautoriteiten hebben de rederij geadviseerd over passende maatregelen. Op het cruiseschip is ook een medisch team aanwezig. Er was geen noodzaak om de autoriteiten of de rederij vanuit de Nederlandse ambassade of met inzet van het Snel Consulair Ondersteuningsteam te ondersteunen. Vanuit de Ambition is er ook geen consulair hulpverzoek binnengekomen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Bent u ermee bekend dat in dezelfde week ook op het cruiseschip Caribbean Princess een uitbraak van het norovirus is vastgesteld, waarbij meer dan honderd passagiers en tien bemanningsleden ziek zijn geworden? Hoe beoordeelt u het feit dat in een tijdsbestek van enkele weken drie grote virusuitbraken (Hondius, Ambition, Caribbean Princess) op cruiseschepen plaatsvinden, en is er naar uw oordeel sprake van een structureel falen van de hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken.
Bent u bereid om – gelet op deze opeenvolgende uitbraken – een structurele preventieve informatieplicht in te voeren waarbij Nederlandse burgers die een cruise overwegen vóór boeking actief en eenduidig worden geïnformeerd over recente uitbraken, de uitbraakgeschiedenis per rederij en route, en de gezondheidsrisico’s van langdurig verblijf op cruiseschepen, bijvoorbeeld via een centrale «cruise-risicopagina» op nederlandwereldwijd.nl?
Cruiseschepen zijn gevoelig voor uitbraken, waaronder het norovirus vanwege hoge besmettelijkheid. De sector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Er is op dit moment geen aanleiding om aan structureel falen van hygiëne- en infectiepreventieprotocollen in de cruisesector te denken. Daarom acht het kabinet het invoeren van een structurele preventieve informatieplicht niet nodig.
Bent u bereid om, in samenwerking met het RIVM, de European Maritime Safety Agency (EMSA) en het ECDC, bepaalde cruiseroutes of -regio’s waar zich recent uitbraken hebben voorgedaan tijdelijk als «verhoogd risico» aan te merken, met aanvullende preventieve verplichtingen voor rederijen die deze routes bevaren (zoals verplichte screening bij inscheping, verscherpte hygiëneprotocollen en een meldplicht bij verdachte ziektegevallen)? Zo nee, waarom niet?
De cruisesector beschikt over uitgebreide hygiëneprotocollen. Aanvullende preventieve verplichtingen worden daarom niet nodig geacht.
Bent u bereid een vast protocol «Snelle Repatriëring Nederlanders» vast te stellen voor infectieziekte-uitbraken op cruiseschepen, met heldere afspraken tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Defensie, zodat Nederlanders bij toekomstige uitbraken niet langer dagen of weken hoeven te wachten op evacuatie, zoals bij de MV Hondius het geval was? Bent u bereid dit protocol vóór 1 januari 2027 aan de Kamer voor te leggen?
De evacuatie van de m/v Hondius is uitermate spoedig en zorgvuldig geregeld, in nauwe en goede samenwerking met alle nationale en internationale betrokken partijen. Daarnaast is er een vast protocol «Beleidskader consulaire repatriëringen en evacuaties», die voorziet in een spoedige afhandeling. Een aanvullend vast protocol is om die reden niet nodig.
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Ja.
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
Ja, die zorgen deel ik. Ik sta pal voor de gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen in onze samenleving en maak mij samen met anderen hard voor de veiligheid en vrijheid van vrouwen.
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Ja, professionals zien dat de manosfeer hierbij een rol kan spelen.
Uit een uitvraag onder betrokken organisaties blijkt dat professionals van Politie, Openbaar Ministerie, reclassering en forensische zorg die werken met personen die grensoverschrijdend gedrag vertonen, bekend zijn met online beïnvloeding vanuit onder meer de manosfeer. Zij geven aan dat dit in sommige gevallen een van de risicofactoren kan zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld, en ander geweld tegen vrouwen en meisjes. Tegelijkertijd benadrukken zij dat een direct causaal verband moeilijk is vast te stellen en dat online beïnvloeding moet worden bezien in samenhang met andere persoonlijke, sociale en contextuele factoren.
Bij Slachtofferhulp Nederland, Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld en de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) zijn op dit moment geen structurele signalen bekend. Dat betekent echter niet dat dergelijke online invloeden geen rol kunnen spelen in individuele zaken. Zo betrekt de RvdK het online gedrag van jongeren bij jeugdcriminaliteitszaken in de risicotaxatie, waardoor ook mogelijke invloeden vanuit online omgevingen, waaronder de manosfeer, kunnen worden meegewogen. Ook onderwijsprofessionals geven volgens het onderzoek van Stichting School & Veiligheid aan dat ze de invloed van de manosfeer op school merken. Bijvoorbeeld als het gaat om ideeën over genderverhoudingen, zoals kwaliteiten of rolverdeling van mannen en vrouwen of negatieve uitspraken over en gedragingen richting mensen die transgender, non-binair of homo zijn.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met betrokken organisaties en houdt de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten.
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ja. De aanpak van (seksueel) geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld bevat onder andere specifieke inzet op het bevorderen van gendergelijkheid, het tegengaan van schadelijke genderstereotypen en opvattingen, zowel in de fysieke als in de online leefomgeving. Hierbij is ook specifieke aandacht voor jongens en mannen, bijvoorbeeld via het ondersteunen van de stichting Emancipator4, de publiekscampagne in het kader van het Nationaal Actieprogramma seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld («Man, zeg er wat van») en de ontwikkeling van de Mannenalliantie tegen gendergerelateerd geweld en femicide. Deze inzet draagt bij aan het tegengaan van de invloed van, en weerbaarheid tegen, de manosfeer. Tegelijkertijd zijn er meer en specifiekere maatregelen mogelijk, zowel offline als online.
Bij de ontwikkeling van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en het versterkingsplan lhbtiq+ wordt de invloed van de manosfeer meegenomen. We ontwikkelen dit in coördinatie met andere betrokken departementen. In de Emancipatienota die de Tweede Kamer in september 2026 ontvangt wordt u hier nader over geïnformeerd.
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Na de zomer start de Nationaal Coördinator met de ontwikkeling van een nieuw nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Hierin wordt meegenomen welke behoeften er zijn aan onderzoek bij de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en op welke wijze dit geprioriteerd kan worden binnen de beschikbare middelen. Dit geldt ook voor het versterkingsplan lhbtiq+. Een onderzoek naar de rol van de manosfeer in het ontstaan en voortduren van grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen behoort hierbij tot de mogelijkheden.
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Op dit moment loopt, in opdracht van de Ministeries van VWS en JenV, een traject waarin door Regioplan samen met de VNG en verschillende zorg- en strafpartners wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor het verbeteren van deskundigheid ten aanzien van gendergerelateerd geweld. Hierbij is aandacht voor (onbewuste) gendernormen en stereotypen. Het plan van aanpak wordt voor de zomer met uw Kamer gedeeld via de voortgangsbrief aanpak geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling.
Binnen verschillende sectoren die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag is aandacht voor het herkennen en bespreekbaar maken van risicofactoren, waaronder online beïnvloeding. Professionals van onder andere Halt en de Raad voor de Kinderbescherming worden bijvoorbeeld ondersteund met signalerings- en risicotaxatie instrumenten5, handreikingen, factsheets en andere hulpmiddelen. De kennis over de specifieke invloed van de manosfeer is echter nog in ontwikkeling en verdere deskundigheidsbevordering blijft van belang.
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Het is al langer bekend dat negatieve opvattingen over vrouwen of vrouwelijke autoriteitsfiguren, die ook al vóór de opkomst van de manosfeer voorkwamen, in sommige gevallen een rol kunnen spelen in de hulpverleningsrelatie. Online beïnvloeding, waaronder vanuit de manosfeer, kan dergelijke opvattingen versterken. Tegelijkertijd geven de betrokken organisaties aan geen aanwijzingen te hebben voor een toename van wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners als gevolg van deze beïnvloeding. Dat neemt niet weg dat dergelijke situaties kunnen voorkomen en dat alertheid op signalen hiervan van belang blijft.
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Uit het onderzoek blijkt dat bijna 80% van de professionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door online content over mannelijkheid, genderidentiteit en omgang met vrouwen. Dit benadrukt de mogelijke impact van de manosfeer op het gedrag en de dynamiek in de klas. Dat onderstreept dat de samenleving, de sector en de overheid de taak hebben om te werken aan gelijkwaardigheid en veiligheid voor iedereen.
Ik ben in gesprek met onderwijsprofessionals over dit onderwerp, hun behoefte aan ondersteuning en handvatten om hiermee om te gaan, en manieren om het gesprek in de klas hierover te stimuleren.
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Ik vind het zorgwekkend dat bijna driekwart van de professionals een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosfeer. Het is complex om op basis van dit onderzoek één specifieke oorzaak aan te wijzen, maar de toenemende online blootstelling aan polariserende en antifeministische denkbeelden, zoals uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid blijkt, draagt mogelijk bij aan de toename van dit gedrag.
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Ja. Uit het onderzoek blijkt dat 52% van de meiden en 58% van de lhbtiq+ leerlingen zich minder veilig voelen door uitlatingen en gedragingen die voortkomen uit de manosfeer. Dat geldt in mindere mate, maar nog steeds ook, voor jongens (39%). Ook ervaart 29% van de ondervraagde vrouwelijke onderwijsprofessionals dat hun autoriteit wordt ondermijnd vanwege hun vrouw-zijn. Uit gesprekken met leerkrachten worden deze signalen bevestigd.
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Scholen, overheden en ouders hebben een verantwoordelijkheid en rol in het creëren van gelijkwaardigheid en ondersteunen van veiligheid voor meisjes en vrouwen, jongens en mannen. Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school, en de opdracht om leerlingen de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Gelijkwaardigheid is daar onderdeel van. Ook mediawijsheid en digitale geletterdheid dragen bij aan het herkennen van online beïnvloeding.
Het is nodig om te begrenzen én aandacht te hebben voor gedrag en uitlatingen van jongeren, om hen zo beter te begrijpen, gerichter te kunnen ondersteunen en waar nodig tijdig te kunnen bijsturen. Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ondersteunen we scholen hierbij. Dat gebeurt via Stichting School & Veiligheid, het Expertisepunt Burgerschap en het Netwerk Mediawijsheid.
Ook ouders hebben een belangrijke rol. Zij hebben, hoe moeilijk dat soms ook kan zijn, een taak om thuis het gesprek aan te gaan over waarden als gelijkwaardigheid en respect, en om zicht te hebben op de online invloeden waaraan hun kinderen blootgesteld worden. Het is van belang dat zowel vaders als moeders hier verantwoordelijkheid in nemen. Daarnaast is een goede samenwerking tussen ouders en de school nodig waarbinnen heldere en duidelijke afspraken gelden die ook consequent worden gehandhaafd. Daarmee wordt een positief pedagogisch klimaat gecreëerd waarin iedere leerling en onderwijsprofessional zich veilig kan voelen.
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Het betekent dat de manosfeer bij kan dragen aan een onveilig schoolklimaat, waarbij vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker te maken krijgen met onacceptabel gedrag. Dit ondermijnt hun autoriteit en de kwaliteit van het onderwijs. Het benadrukt de noodzaak om grenzen te stellen en normen te handhaven, zowel op school als in de samenleving.
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Zie het antwoord op vraag 11.
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Op dit moment kunnen scholen en leraren gebruikmaken van ondersteuning via het Expertisepunt Burgerschap, waar subsidie aangevraagd kan worden voor trainingen om schurende gesprekken te voeren. Daarnaast biedt Stichting School & Veiligheid (SSV) ondersteuning bij het bevorderen van een veilig schoolklimaat. Daarnaast vraagt dit van schoolleiders en bestuurders dat zij voor hun medewerkers gaan staan en hen adequate ondersteuning bieden. Ik ben in gesprek met leerkrachten of dit voldoende handvatten biedt.
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Uit het onderzoek en de gesprekken die ik met leerkrachten voer blijkt dat er behoefte is aan ondersteuning. Die is onder andere beschikbaar via het Expertisepunt Burgerschap en Stichting School & Veiligheid. Samen met Stichting School & Veiligheid zijn we voortdurend in contact met leraren om te vernemen wat werkt en of meer nodig is. Dit contact hebben we ook met scholieren.
Het artikel ‘De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel’ |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De pijnlijke spagaat van Bernhoven: zinnige zorg is succesvol, maar niet als verdienmodel» en wat is daarop uw reactie?1
Ja.
Hoe past dit verhaal in de beweging naar passende zorg die dit kabinet propageert?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. Het streven is dat passende zorg lonend moet zijn. Daarom wordt ook bezien in hoeverre de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van partijen vraagt. Waar nodig worden deze aangepast.
Ziet u een afname van onnodige zorg in Bernhoven en hoe kijkt u daar tegenaan?
Op basis van de ingezette beweging en de signalen die ziekenhuis Bernhoven hierover heeft gegeven, lijkt het inderdaad het geval dat er een afname is van onnodige zorg. Wanneer er minder zorg wordt geleverd omdat deze niet noodzakelijk bijdraagt aan de gezondheid of kwaliteit van leven van patiënten, dan beschouwt het kabinet dat als een positieve ontwikkeling die aansluit bij de doelstellingen van passende zorg van dit kabinet.
Bent u van mening dat een beweging van passende zorg en minder onnodige zorg verder uitgerold moet worden, en is Bernhoven daar een voorbeeld in? Zo ja waarom en wat gaat u eraan doen om dit verder uit te rollen? Zo nee, waarom niet?
Ja. De beweging naar passende zorg is een belangrijk speerpunt van dit kabinet. Het kabinet heeft recent in de Beleidsbrief VWS toelichting gegeven op een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken. Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook solidariteit, in de zin van hoeveel we als samenleving met zijn allen (mee)betalen aan de zorgkosten en toekomstbestendigheid van onze zorg.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen daar waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Om dit mogelijk te maken kijkt het kabinet onder andere of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat het kabinet van zorgaanbieders en zorgverzekeraars vraagt.
In hoeverre zijn de financiële problemen van het ziekenhuis ontstaan door de beweging naar passende zorg?
Het kabinet kan geen uitspraken doen over de financiële situatie van ziekenhuis Bernhoven. In algemene zin geldt dat de financiële positie van een ziekenhuis samenhangt met verschillende factoren, waaronder de bedrijfsvoering, de ontwikkeling van de zorgvraag, personeelskosten en contractafspraken met zorgverzekeraars.
Tegelijkertijd laat de beweging naar passende zorg zien dat het soms nodig is om in een overgangssituatie extra ondersteuning te bieden. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar het nodig is, wordt dit aangepast. Daarnaast heeft het kabinet de afgelopen jaren de transformatie ondersteund door aanvullende transformatiemiddelen (nagenoeg 2 miljard) in te zetten. Voor partijen moet het inzetten op passende zorg lonend zijn maar dit betekent ook dat de bedrijfsvoering hierop aangepast moet worden.
Hoe kijkt u aan tegen de prijsprikkels die de spanning tussen passende zorg en minder inkomsten door minder behandelingen veroorzaakt?
Het kabinet vindt het belangrijk dat zorgaanbieders worden gestimuleerd om passende zorg te leveren. Daarom kijkt het kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat er van deze partijen wordt gevraagd. Waar nodig worden deze aangepast. Tegelijkertijd is er in het bilaterale contracteren tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraar al ruimte om afspraken te maken die passende zorg ondersteunen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat zorginstellingen die de beweging naar passende zorg maken daarvoor niet «gestraft» worden?
Het uitgangspunt is dat passende zorg moet lonen. Daarom werkt het kabinet samen met partijen aan bekostiging en contractering die de beweging naar passende zorg ondersteunen. Dit is onderdeel van een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Bent u voornemens dit verdienmodel te doorbreken zodat het collectieve belang en niet het individuele belang van een ziekenhuis centraal komt te staan?
Het kabinet zet zich in voor een zorgstelsel waarin passende zorg de norm is. Daarbij past niet dat financiële prikkels leiden tot meer of andere zorg dan nodig is. Daarom werkt het kabinet aan een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee passende zorg altijd en overal de norm wordt.
Het oplopende medicijntekort |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tekort dreigt op te lopen»?1
Ja.
Klopt het dat steeds meer fabrikanten stoppen met de productie van goedkope medicijnen in Nederland?
Nee, dat klopt niet. Er zijn in Nederland ongeveer 36 geneesmiddelenfabrikanten. Het kabinet heeft geen duidelijke aanwijzingen voor een afnemende trend in het aantal fabrikanten dat generieke geneesmiddelen in Nederland produceert. Wel ontvangt het kabinet signalen dat het bedrijfsmodel van deze fabrikanten onder druk staat. Deze signalen neemt het kabinet zeer serieus.
Het kabinet heeft geen informatie over het totaal aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert. Dit is bedrijfsvertrouwelijke informatie. Een fabrikant is niet hetzelfde als een handelsvergunninghouder. Een fabrikant produceert het geneesmiddel, terwijl de handelsvergunningshouder verantwoordelijk is voor het op de markt brengen en leveren ervan. Het aantal handelsvergunningshouders zegt iets over de verschraling van de markt.
De marktconcentratie van handelsvergunninghouders neemt toe, zoals te lezen in het nieuwsartikel waarnaar verwezen wordt. Onderzoek van de Stichting Farmaceutische Kengetallen2 laat zien dat er per generiek geneesmiddel in 2024 minder handelsvergunninghouders actief zijn op de Nederlandse markt dan in 2014. Ook neemt de marktconcentratie in het algemeen toe: steeds vaker is het marktaandeel van de grootste handelsvergunninghouder veel groter dan het marktaandeel van andere leveranciers.
Verschraling van het aantal handelsvergunninghouders is onwenselijk. Ten eerste kunnen tekorten eerder ontstaan. Het terugtrekken van de handelsvergunningshouders kan namelijk minder goed opgevangen worden door de op de markt overgebleven handelsvergunningshouders. Ook bestaat het risico dat de laatste leverancier stopt. In dat geval is het geregistreerde geneesmiddel niet meer beschikbaar voor Nederlandse patiënten. Bij geneesmiddelen waar geen vraag meer naar is, is dat geen probleem. Maar voor een deel van deze geneesmiddelen bestaat nog wel medische behoefte. In die gevallen is het verdwijnen van het laatste geregistreerde geneesmiddel problematisch.
Het kabinet spant zich in om te stimuleren dat deze geneesmiddelen in Nederland in de handel blijven. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) is hierover een afspraak gemaakt met koepels van zorgaanbieders, zorgprofessionals, zorgverzekeraars en leveranciers. De partijen zetten zich samen in om te voorkomen dat het niet meer op de markt brengen van geneesmiddelen (doorhaling van registraties) leidt tot onwenselijke verschraling van aanbod. Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet maatregelen om in urgente gevallen zelf actie te ondernemen om registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Kunt u een overzicht verstrekken van het aantal gestopte fabrikanten in de afgelopen 10 jaar?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het kabinet interpreteert uw vraag als het aantal handelsvergunninghouders dat de afgelopen tien jaar een geneesmiddel definitief uit de handel heeft genomen.
Het Meldpunt Geneesmiddelentekorten en -defecten rapporteert hier jaarlijks over sinds 2017. Dit aantal is over de tijd redelijk constant gebleven, namelijk rond de driehonderd meldingen per jaar, met uitzonderingen in 2017 (87 meldingen) en 2021 (227 meldingen). Sinds 2017 heeft het Meldpunt 2.488 meldingen ontvangen dat een geneesmiddel definitief uit de handel wordt genomen.3
Zoals eerder vermeld hoeft het verdwijnen van een registratie geen negatieve impact te hebben op patiënten, bijvoorbeeld omdat ondertussen een betere behandeling beschikbaar is. Waar dit wel het geval is, werkt het kabinet binnen het AZWA en met eigen beleid aan oplossingsrichtingen.
Klopt het dat de twintig meest gebruikte medicijnen in veel gevallen maar twee of drie producenten hebben? Zo ja, wat vindt u daar van?
Zoals eerder vermeld, heeft het kabinet heeft geen informatie over het aantal fabrikanten dat een geneesmiddel produceert, omdat dit bedrijfsvertrouwelijke informatie is. Het aantal handelsvergunninghouders per geneesmiddel is wel openbaar. Van de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen hebben er vijf geneesmiddelen drie of minder handelsvergunninghouders. Eén van de twintig geneesmiddelen heeft slechts één handelsvergunningshouder. In veruit de meeste gevallen zijn er drie of meer handelsvergunningshouders voor de twintig meest gebruikte extramurale geneesmiddelen.
Onderschrijft u de woorden van apothekersvereniging LEF dat dit beangstigend is voor de mensen die deze medicijnen nodig hebben?
In het vorige antwoord is gesteld dat in veruit de meeste gevallen er drie of meer handelsvergunningshouders zijn voor de twintig meest gebruikte geneesmiddelen. Desondanks is het begrijpelijk dat patiënten zich ongerust voelen als er wel maar weinig leveranciers zijn die hun geneesmiddel in Nederland leveren. Ik heb hierover gesproken met apothekersvereniging Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en hen gevraagd om data over verschraling van de markt met mij te delen. Daarnaast onderzoekt het kabinet samen met partijen om onwenselijke verschraling van het aanbod te voorkomen en registraties van kritieke geneesmiddelen te behouden.
Wat gaat u doen om het medicijntekort op te lossen?
Het kabinet heeft zich gecommitteerd om tekorten zoveel mogelijk te voorkomen en de leveringszekerheid van geneesmiddelen te verbeteren. Want ondanks dat het aantal geneesmiddeltekorten voor het tweede jaar op rij gedaald, blijft het geneesmiddeltekort een hardnekkig probleem dat veel patiënten raakt.
Op 1 april 2026 is de Kamer geïnformeerd over de kabinetsaanpak.4 Het kabinet zet maatregelen in om tekorten zo veel mogelijk te voorkomen, voorbereid te zijn op leveringsonderbrekingen en tekorten op te lossen als ze er zijn. Het kabinet werkt onder meer met het veld aan de herziening van het prijs- en vergoedingssysteem, het inkoopbeleid en het preferentiebeleid om tekorten te voorkomen. Ook zet het kabinet samen met betrokken partijen zich via het AZWA in op het verbeteren van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van geneesmiddelen. Binnen de Europese Unie wordt gewerkt om de productie binnen Europa te stimuleren en toegang tot kritieke geneesmiddelen te verbeteren. Daar werkt het kabinet langs de hierboven geschetste lijnen aan door.
Het eerlijke verhaal is dat geneesmiddelentekorten geen snelle oplossing kennen. Het kabinet kan niet uitsluiten dat geneesmiddelentekorten ontstaan. Want de geneesmiddelenketen is internationaal verweven en complex. En, net als Nederland, hebben ook andere landen te maken met medicijntekorten. Daarnaast zijn gegevens over tekorten verspreid over de keten en soms commercieel gevoelig en hebben partijen uit de geneesmiddelenketen uiteenlopende belangen. Dat bemoeilijkt het komen tot oplossingen en vraagt dus om een zorgvuldige en volhoudende aanpak.
Heeft u zicht op hoeveel extra zorgkosten ontstaan doordat patiënten moeten overstappen op alternatieve geneesmiddelen, bijvoorbeeld door extra huisartsbezoeken, ziekenhuisopnames of aanvullende behandelingen?
Nee, het kabinet beschikt niet over deze cijfers, maar acht dat wel van belang. Daarom is één van de afspraken binnen het AZWA om te onderzoeken wat de impact is van tekorten op de zorg, waaronder de relatie met de patiënt, de kosten en de werkzaamheden van zorgverleners. Het kabinet neemt hierin het voortouw en pakt dit voortvarend op met alle betrokken partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat generieke geneesmiddelen slechts circa 0,45 procent van de totale zorguitgaven uitmaken, terwijl volgens betrokken partijen juist op deze middelen extreem wordt bezuinigd?
Het kabinet herkent het beeld dat op generieke geneesmiddelen extreem wordt bezuinigd niet. Ook herkent het kabinet het genoemde percentage van 0,45% van het totale zorgbudget niet. Voor de gehele zorgsector geldt wel dat de budgettaire houdbaarheid al geruime tijd de aandacht heeft en voorlopig zal houden. Dit heeft bijvoorbeeld geleid tot taakstellingen van het vorige en het huidige kabinet op zelfzorggeneesmiddelen. Dat zijn doorgaans generieke geneesmiddelen.
Vanwege genoemde budgettaire houdbaarheid hebben zorgverzekeraars de taak geneesmiddelen doelmatig in te kopen, net als zij bij andere verzekerde zorg doen. Het preferentiebeleid maakt het voor zorgverzekeraars mogelijk om rechtstreeks bij leveranciers tenders uit te zetten. De leverancier die voldoet aan de inkoopcriteria en die het beste aanbod doet, wint de tender en daarmee een gegarandeerde afzetmarkt voor de looptijd van de overeenkomst. Kortom, zorgverzekeraars kunnen nooit een lagere prijs bedingen dan leveranciers bereid zijn te bieden. Om beter in kaart te brengen wat de kosten en baten van het preferentiebeleid zijn, bijvoorbeeld voor de beschikbaarheid van geneesmiddelen, laat het kabinet op verzoek van de Kamer een onafhankelijke evaluatie uitvoeren. Deze evaluatie wordt eind van het jaar met de Kamer gedeeld.
Bent u bereid met zorgverzekeraars, apothekersorganisaties en fabrikanten in gesprek te gaan over aanpassing van het preferentiebeleid om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om, in eerste instantie met zorgverzekeraars, in gesprek te gaan om leveringszekerheid zwaarder mee te laten wegen in hun inkoopbeleid. Ook worden de uitkomsten van de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid besproken met betrokken partijen.
De uitbraak van het Hantavirus |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u op dit moment de ernst en het potentiële risico van het Hantavirus voor de volksgezondheid?
Het andesvirus, een hantavirus, kan ernstige ziekte veroorzaken, namelijk het Hantavirus cardiopulmonary syndrome (HCPS). In vergelijking met andere ziektebeelden veroorzaakt door hantavirussen die in Europa en Azië voorkomen, is HCPS een ernstiger ziektebeeld met hoge mortaliteit. Mensen kunnen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige long- en hartproblemen. Het risico voor de volksgezondheid hangt, naast de ernst van de ziekte, ook af van het risico op overdracht. Alhoewel het andesvirus het enige hantavirus is waarbij mens-op-mens overdracht is beschreven, komt infectie van mens op mens zeer weinig voor. Internationaal zijn slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens komt alleen voor als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben. Het risico voor de volksgezondheid wereldwijd wordt daarom door de World Health Organization (WHO) als «laag» ingeschat. Het Europees centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) schat het risico voor specifiek de EU in als «zeer laag». Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) sluit zich voor Nederland bij deze internationale inschatting aan en stelt dat het risico dat het virus zich in Nederland zal verspreiden heel klein is.
Zou u uiteen kunnen zetten hoe momenteel de prevalentie van het Hantavirus in Nederland concreet wordt gemonitord? Welke methodologieën worden daarbij toegepast?
De in Nederland voorkomende hantavirussen vallen onder de meldingsplicht groep C. Dit houdt in dat een patiënt gemeld moet worden aan de GGD. De GGD meldt dit aan het CIb en levert gegevens voor de landelijke surveillance. Bij elk bewezen autochtoon humaan geval wordt bronopsporing geadviseerd. Indien een bron gevonden is, kunnen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Het RIVM monitort via de meldingsplicht de aantallen ziektegevallen door orthohantavirussen in Nederland en brengt hierover onder andere jaarlijks verslag uit in de Staat van Zoönosen.Omdat het andesvirus alleen voorkomt bij een specifiek type rijstrat, een knaagdier dat alleen in Zuid-Amerika voorkomt, zijn er geen patiënten geweest die dit virus in Nederland hebben opgelopen. Het andesvirus is inmiddels aangewezen als meldingsplichtige infectieziekte groep A2, en moet bij vermoeden gemeld worden bij de GGD. Het RIVM houdt op deze wijze landelijk overzicht van eventuele verdere mens-op-mens verspreiding in Nederland.
Heeft u reeds de verschillende mogelijke methodologieën om de besmettingen met en de verspreiding van het Hantavirus te monitoren in kaart gebracht en/of externe expertise ingewonnen om deze methodologieën in kaart te brengen?
De WHO en het ECDC hebben advies uitgebracht over het in kaart brengen van de besmettingen en de verspreiding van het andesvirus naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. In Nederland baseren we ons, voor het beleid ten aanzien van de contacten, op deze adviezen. Ook voor het in kaart brengen van andere hantavirussen, die alleen van dieren op mensen worden overgebracht, handelt Nederland in lijn met internationale richtlijnen.
Welke methodologieën passen andere landen reeds toe?
Andere landen passen dezelfde methodologieën toe om de besmettingen met en de verspreiding van het hantavirus te monitoren. Daarover is in de afgelopen periode zeer intensief overleg geweest binnen de daarvoor bestemde coördinatiestructuren op EU-niveau en met de WHO.
Zijn er op dit moment meerdere varianten van het Hantavirus in omloop? Zo ja, welke varianten betreft het en in welke regio’s of landen worden deze vastgesteld?
Ja, er komen verschillende soorten hantavirussen voor in verschillende regio’s. Er zijn zo’n 60 verschillende hantavirussen bekend, waarvan er zo’n 30 kunnen worden overgedragen van knaagdier naar mens en ziekte kunnen veroorzaken.
In Nederland komen drie soorten hantavirussen voor die ziekte bij mensen kunnen veroorzaken. Deze worden door verschillende soorten knaagdieren overgedragen op mensen. Zo is het Puumalavirus afkomstig van rosse woelmuizen, het Seoulvirus van (tamme) ratten en het Tulavirus van veldmuizen. Van de drie in Nederland voorkomende hantavirussen worden de meeste mensen niet ziek. In 90% van de gevallen krijgt men hier geen klachten van. Als iemand wel ziek wordt, lijken de klachten vaak op griep. Hoe ernstig de klachten zijn, kan verschillen per virus en per individu.
In de rest van Europa komen ook andere hantavirussen voor. Deze geven in de meeste gevallen vergelijkbare klachten. Bij het dobravavirus, een variant die voorkomt in de Balkanlanden, wordt vaker het ernstigere ziekteverloop gezien. De sterfte aan de in Nederland voorkomende hantavirussen is erg laag, namelijk kleiner dan 1%.
Hantavirussen, zoals het andesvirus, die in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen, kunnen zorgen voor ernstigere ziekte. Hierbij kunnen mensen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige longproblemen en hartfalen. Er is sprake van hoge mortaliteit. Buiten Noord- en Zuid-Amerika komen deze hantavirussen niet voor, omdat de betreffende gastheerreservoirs alleen in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen.
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de besmettelijkheid van de verschillende varianten?
Het andesvirus is de enige variant van het hantavirus die van mens op mens overdraagbaar is. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens vindt alleen plaats als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben.
Welke cruciale kennis ontbreekt momenteel nog? Laat u bijkomend onderzoek uitvoeren naar die ontbrekende kennis?
Voor de aanpak van deze uitbraak is de huidige kennis afdoende. Eerdere uitbraken in Zuid-Amerika hebben laten zien dat met case opsporing en contact tracing een uitbraak snel onder controle gebracht kan worden. Daarnaast zijn, toen het schip voor anker lag bij de Kaapverdische eilanden op 4 en 5 mei 2026, epidemiologen van de WHO en het ECDC aan boord gegaan om de uitbraak te onderzoeken en meer inzicht te verkrijgen. Via monitoring en onderzoek wordt aanvullende kennis opgebouwd.
Bent u bekend met de casus van een Italiaanse man die in het ziekenhuis opgenomen werd met symptomen van het Hantavirus?1
Het mediabericht is bekend. Via officiële kanalen is hierover niets gemeld.
Beschikt u over meer informatie of deze man in contact is gekomen met de Nederlandse vrouw die met eenzelfde KLM-vlucht wilde meereizen en even later aan de gevolgen van het Hantavirus overleed? Wordt hier nader onderzoek naar gevoerd?
Deze informatie is niet bekend. Uit het feit dat er in het overzicht van ECDC geen informatie is opgenomen over een persoon uit Italië kan worden opgemaakt dat deze persoon niet besmet was.
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde varianten van mens op mens overdraagbaar zouden kunnen zijn? Zo ja, wat is hierover bekend? Welke acties onderneemt u om hierover meer kennis te vergaren?
Het andesvirus is het enige soort hantavirus, waarbij aanwijzingen zijn voor overdracht van mens op mens. Overdracht vindt waarschijnlijk plaats via direct speekselcontact, en mogelijk ook via druppels uit de neuskeelholte. De kans dat mensen elkaar besmetten, is klein. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van het andesvirus van mens op mens kan alleen gebeuren bij intensief en langdurig contact met een besmet persoon.
Hoe verloopt momenteel het bron- en contactonderzoek indien sprake is van een vermoedelijke of bevestigde besmetting?
Er loopt bron- en contactopsporing in relatie tot de uitbraak op het schip m/v Hondius. Hiervoor heeft het RIVM een speciale richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Beschikt Nederland momenteel over voldoende capaciteit om, indien noodzakelijk, snel en effectief bron- en contactonderzoek uit te voeren en op te schalen?
Ja, het andesvirus beschikt niet over de eigenschappen die kunnen leiden tot grote uitbraken. Het andesvirus verspreidt alleen van mens tot mens bij intensief en langdurig contact. Uitbraken die bekend zijn, zijn klein in aantallen en altijd gelinkt aan een specifieke setting zoals huishouden, ziekenhuis, verjaardag of zoals nu een cruiseschip. Daarnaast zijn maatregelen uit voorzorg genomen naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius. Alle opvarenden van de m/v Hondius zijn ofwel in isolatie in het ziekenhuis, ofwel in quarantaine op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, ofwel in thuisquarantaine. Zij worden strikt gemonitord: de GGD is in direct, dagelijks contact met deze personen.
Kunt u stap voor stap toelichten welke procedures in werking treden wanneer iemand besmet blijkt te zijn? Welke stappen moeten besmette mensen en hun omgeving doorlopen?
Als iemand besmet blijkt te zijn met het andesvirus en voor de infectie kenmerkende klachten ontwikkelt, wordt de desbetreffende persoon opgenomen in een academisch ziekenhuis. De GGD voert bron- en contactopsporing uit bij de besmette persoon en plaatst diens hoogrisicocontacten zo nodig uit voorzorg in thuisquarantaine. Diagnose van de besmette persoon wordt vastgesteld binnen een paar uur bij het RIVM dan wel het Erasmus MC. Bij bevestiging van de diagnose wordt de quarantaine tot zes weken na het laatste onbeschermde contact gecontinueerd.
Tijdens thuisquarantaine gaat iemand thuis (of ergens anders) in quarantaine: bij gezondheidsklachten moet men meteen de GGD bellen. De GGD begeleidt de personen in thuisquarantaine en geeft advies op maat. Het doel van thuisquarantaine is het bewaken van de gezondheid van de mensen in quarantaine en hun naasten, en het voorkomen van verspreiding van infectieziekten.
Welke behandelmogelijkheden zijn momenteel beschikbaar of in ontwikkeling voor besmette patiënten? Zijn die van toepassing op verschillende varianten van het virus?
Er is geen geregistreerde behandeling of (internationale) richtlijn voor andesvirus-infecties. Bij mensen die met ernstige ziekte door het andesvirus in het ziekenhuis worden opgenomen, is de behandeling vooral gericht op het ondersteunen van de ademhaling en het voorkomen van andere complicaties. Er zijn meerdere antivirale middelen die werkzaam zouden kunnen zijn. Voor sommige middelen zijn er data over in vitro gevoeligheid of uit dierproeven. Wat dat betekent voor behandeling van mensen is nog niet bekend. Er zijn echter zeer weinig data over het effect van antivirale middelen bij andesvirus-infecties bij mensen, omdat deze variant zelden voorkomt.
Wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins of andere preventieve maatregelen om besmetting met het Hantavirus te voorkomen? Zo ja, welke rol speelt Nederland hierin?
Er zijn meerdere vaccins in ontwikkeling tegen hantavirussen. Deze vaccins zijn allemaal nog in een premature ontwikkelingsfase, zodat er geen vaccins zijn, behoudens vaccins in China en Zuid-Korea tegen de daar circulerende hantavirussen. Deze worden daar bij risicogroepen ingezet en werken niet tegen het andesvirus.
In Nederland gelden algemene preventieve maatregelen tegen besmetting met de in Nederland voorkomende varianten van het hantavirus. Voor het andesvirus heeft het RIVM een richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Werkt Nederland op het vlak van vaccins samen met andere Europese landen en Europese instellingen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit?
Op EU-niveau wordt informatie uitgewisseld over welke medische tegenmaatregelen ingezet kunnen worden om de verspreiding van andesvirus tegen te gaan. Het gaat dan om onder meer persoonlijke beschermingsmiddelen, in combinatie met protocollen rondom het gebruik ervan. Ook wordt geïnventariseerd welke geneesmiddelen eventueel van meerwaarde zouden kunnen zijn voor bijvoorbeeld de behandeling van symptomen. Er zijn nog geen concrete stappen gezet op het gebied van vaccinontwikkeling.
Indien Nederland onderzoek naar vaccins mee financiert of faciliteert, welke voorwaarden zullen gesteld worden naar betaalbaarheid en beschikbaarheid van eventuele ontwikkelde vaccins?
Op dit moment is er geen specifiek onderzoek geïdentificeerd naar vaccins tegen het andesvirus waar vanuit Nederland of op EU-niveau financiering voor beschikbaar gesteld kan worden.
Welke internationale maatregelen worden genomen naar aanleiding van de huidige uitbraak van het Hantavirus en op welke manier draagt Nederland daaraan bij?
Nederland ondersteunt bij internationale uitbraken als die van het Hantavirus met het uitwisselen van kennis en informatie en het delen van ervaringen via de Health Security Committee, de ECDC en de WHO.
De bilaterale, Europese en internationale samenwerking is goed verlopen. Nederland is ook tevreden met de wijze waarop de WHO en de Europese Commissie de coördinatie hebben opgepakt. Nederland heeft via bilaterale samenwerking nauw samengewerkt met andere lidstaten, en dan met name Spanje. Dit gebeurde zowel via het postennetwerk als ook via het netwerk van het Health Security Committee (HSC). Op Europees niveau vonden bijna dagelijks bijeenkomsten plaats van dit comité onder voorzitterschap van de Europese Commissie. Ook zijn door de Europese Commissie bijeenkomsten georganiseerd met landen buiten de EU, die passagiers aan boord van de m/v Hondius hadden, om hen op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen en eventuele vragen te beantwoorden. Het Europese Uniemechanisme voor civiele bescherming, en in het bijzonder het Emergency Response Coordination Centre van de Europese Commissie, organiseerde daarnaast diverse overleggen om overzicht te creëren in de verschillende repatriëringsacties van de EU-lidstaten.
Daarnaast heeft het RIVM het Europese Unie referentielaboratorium voor de publieke gezondheid op het gebied van knaagdier-overdraagbare infectieziekten gesteund met adviezen en materialen, zodat zij centraal weer laboratoria in andere EU-landen kunnen steunen en heeft het RIVM laboratoria in andere landen voorzien van protocollen.
Kunt u reflecteren op de huidige positie van het kabinet ten aanzien van het internationale pandemieverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? In hoeverre verschilt de positie van dit kabinet ten aanzien van het pandemieverdrag van die van het vorige kabinet?
Het pandemieverdrag, waarover de onderhandelingen nog steeds gaande zijn, kan een belangrijke bijdrage leveren ten aanzien van het voorkomen van, en het vergroten van de paraatheid ten aanzien van uitbraken, ook die van virussen zoals het andesvirus. Het verdrag richt zich onder meer op het sneller delen van virusmateriaal en informatie tussen landen wereldwijd. Bij een situatie zoals die zich voordeed op het m/v Hondius, waarbij meerdere landen in Afrika en Europa betrokken zijn, kan dat bijdragen aan een beter begrip van de situatie. De bevestiging dat het hier ging om de andesvariant van het hantavirus werd al snel geleverd via een Zuid-Afrikaans laboratorium.
Het kabinet is van mening dat het pandemieverdrag een zinvolle bijdrage kan leveren aan pandemische paraatheid en hoopt daarom dat de definitieve tekst van het verdrag spoedig wordt afgerond. Deze virusuitbraak toont aan dat pandemische paraatheid onverminderd aandacht blijft vereisen.
In welke mate monitort Nederland virusuitbraken en opkomende infectieziekten in andere landen om vroeg geïnformeerd te zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s door ziektes die zich naar Nederland zouden kunnen verspreiden?
De internationale samenwerking rond surveillance is door de COVID-19-pandemie versneld en afspraken over het leveren van data hebben ook hier een meer verplichtend karakter gekregen. Nederland is nauw aangesloten op het internationale systeem van monitoring en surveillance van infectieziekten. Het RIVM is nationaal contactpunt voor het ECDC en neemt deel aan Europese surveillanceprogramma’s voor infectieziekten, zoals surveillance van antimicrobiële resistentie (EARS-Net), influenza (griep) en voedsel-gerelateerde infecties. Het RIVM staat, mede via de programma’s en systemen van het ECDC en de WHO, in nauw contact met volksgezondheidsinstituten in het buitenland. Bij het RIVM worden infectieziektesignalen uit binnen- en buitenland wekelijks besproken tijdens het Signaleringsoverleg, waaraan ook GGD’en deelnemen. De signalen vormen de basis van de opschalingsstructuur om waar nodig bestrijdingsmaatregelen te nemen om verdere verspreiding te voorkomen.
Voor bepaalde ziekteverwekkers, die worden overgedragen door vectoren zoals teken, muggen, knutten en zandvliegen of via voedsel (zoals Salmonella), is het RIVM door de Europese Commissie benoemd tot Europees referentie laboratorium (EURL) voor publieke gezondheid. Binnen deze referentienetwerken vindt veel uitwisseling plaats van kennis en nieuwe ontwikkelingen.
Ook neemt het RIVM deel aan Europese projecten betreffende gezamenlijke versterking van diagnostiek, surveillance/uitbraakdetectie, het delen van data en pandemische paraatheid. Dit gebeurt vaak vanuit de One Health-benadering. De WHO heeft binnen het RIVM meerdere zogenaamde samenwerkingscentra (Collaborating Centres) aangewezen die verschillende WHO-activiteiten ondersteunen. Hierin werken internationale partijen samen op het gebied van onder meer pokken, ziekteverwekkers in voedsel, antimicrobiële resistentie en water. Daarnaast is het RIVM WHO Collaborating Centre op het gebied van «laboratory preparedness and response to high risk pathogens and biorisk» en heeft het in die hoedanigheid de benodigde netwerken voor laboratorium signalering, expertise uitwisseling en ondersteunt het bij internationale uitbraken, bijvoorbeeld door referentiebepalingen, confirmatie van diagnostiek of het aanleveren van monsters. Tevens ondersteunt het RIVM de WHO bij de implementatie van de Internationale Gezondheidsregeling (IHR).
Welke bijdrage levert Nederland aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises en om behandelingen of preventieve maatregelen voor dergelijke gezondheidsrisico’s te ontwikkelen?
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises. De kern daarvan is dat Nederland internationale samenwerking, surveillance, kennisuitwisseling en financiering inzet om gezondheidscrises beter te voorkomen en te beheersen. Nederland heeft een kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie vastgesteld waarin extra nadruk ligt op versterking van gezondheidssystemen wereldwijd en voorbereiding op toekomstige pandemieën. Er gaat extra aandacht naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering, omdat die nieuwe infectie- en gezondheidsrisico’s kunnen vergroten. Het RIVM is betrokken bij Europese partnerschapsprogramma's en internationale onderzoeksprojecten, dat zich richt op pandemische paraatheid, en faciliteert daarnaast ook onderzoek naar infectieziekten en deelt kennis met andere partijen om effectieve preventie en behandeling te waarborgen. Het RIVM verzamelt en deelt tevens data over infectieziekten om deel te nemen aan internationale «datasharing» initiatieven die ook voor onderzoeksdoeleinden gebruikt worden. Deze initiatieven zijn cruciaal voor het voorkomen van uitbraken en het verbeteren van de gezondheidssamenwerking wereldwijd.
Ook heeft Nederland in de afgelopen jaren financieel bijgedragen aan het internationale pandemiefonds, dat zich richt op het versterken van preventie en paraatheid in met name ontwikkelingslanden, en aan CEPI, het internationale onderzoekcollectief dat onder meer vaccinontwikkeling bevordert rondom ernstige infectieziekten.
Kunt u reflecteren op de staat van de wereldwijde pandemische paraatheid en de gevolgen daarvan voor gezondheidsrisico’s in Nederland, inclusief Caraïbisch Nederland?
De COVID-19-pandemie heeft geleid tot een versterking van de nationale en internationale surveillance en samenwerkingsstructuren, die ervoor moeten zorgen dat grootschalige uitbraken voorkomen worden, en als ze voorkomen, dat ze snel gesignaleerd worden en dat de wereld beter voorbereid is ze in gezamenlijkheid te bestrijden. Nederland heeft daarin een actieve rol en stelt expertise beschikbaar.
De EU heeft de afgelopen jaren in de wetgeving, samenwerkingsverbanden en coördinatie versterkt op het gebied van pandemische paraatheid en respons en er is meer samenwerking en informatie- en data-uitwisseling op het gebied van hoogrisicopathogenen en bioriskmanagement. Op WHO-niveau is in 2024 naar aanleiding van de COVID-19-pandemie de Internationale gezondheidsregeling gewijzigd, die binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Ook de onderhandelingen over een specifieke bijlage bij het WHO-pandemieverdrag bevinden zich in een vergevorderd stadium.
Door deze versterkingen en initiatieven zijn de mondiale structuren op het vlak van pandemische paraatheid robuuster geworden. Dat neemt niet weg dat lidstaten individueel verantwoordelijk zijn en blijven voor het op peil houden van hun pandemische preventie, paraatheid en respons.
Met betrekking tot de pandemische paraatheid en de bestrijding van infectieziekten hebben in Caribisch Nederland de vier landen overeenstemming bereikt over de verdere ontwikkeling van de Dutch Caribbean Public Health Expertise Network (DuCaPHEN). Daarmee wordt de gezamenlijke inzet voor kennisuitwisseling en regionale coördinatie op het gebied van volksgezondheid versterkt. De landen hebben bovendien herbevestigd dat zij blijven streven naar geharmoniseerde wet- en regelgeving op het gebied van volksgezondheid in het Caribische deel van het Koninkrijk. De vier landen nemen stappen om de crisisparaatheid te verbeteren, wat cruciaal is om het Koninkrijk effectief en gecoördineerd op gezondheidscrises te laten reageren.
Welke rol ziet deze regering voor zichzelf in de versterking van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid?
De regering zet zich onverminderd in voor het versterken van mondiale samenwerking op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid. Dit doet zij door een actieve opstelling in de onderhandelingen rondom het pandemieverdrag alsook door actief bij te dragen aan verdere versterking en verbetering van de EU-samenwerking op het vlak van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Ook voert Nederland de Mondiale Gezondheidsstrategie uit, waar onder meer pandemische paraatheid en het versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur kernthema’s zijn, en draagt zij in multilaterale fora actief bij aan de verbetering van de mondiale gezondheidsarchitectuur, waarbij de samenwerking tussen overheidsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties, fondsen en andere partners beter op elkaar afgestemd moet worden.
Het bericht dat minima noodzakelijke mondzorg mijden vanwege de kosten |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandarts Ruud ziet wanhoop bij minima, maar straks kunnen zij bij hem terecht: «Iedereen heeft zelfde verhaal»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat Nederlanders met een smalle beurs noodzakelijke mondzorg uitstellen omdat zij bang zijn de rekening van de tandarts niet te kunnen betalen?
Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts, 82% bezoekt minimaal een keer per jaar de tandarts. Daar zitten dus ook mensen met een smalle beurs tussen. Voor veel mensen, en ook mensen met een smalle beurs, is mondzorg financieel toegankelijk. Bijvoorbeeld via aanvullende verzekeringen of, specifiek voor minima, een gemeentepolis. Tegelijkertijd is er een groep van naar schatting 640.000 volwassenen die om financiële redenen afzien van mondzorg. Het kabinet vindt dat een pijnlijke situatie.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat mensen in Nederland met tandpijn rondlopen en uit financiële wanhoop hun toevlucht nemen tot onverantwoorde noodoplossingen, zoals het smeren van sambal op het tandvlees, in plaats van tijdig naar de tandarts te kunnen gaan?
Het is zeer pijnlijk als mensen hun toevlucht nemen tot dergelijke noodoplossingen. Er is helaas geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning2 naar gerichte regelingen voor minima blijkt namelijk dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, dan ook andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 keer 5,5 miljoen euro gereserveerd.
Klopt het dat in 2024 64% van de volwassen verzekerden aanvullend verzekerd was voor mondzorg, maar dat daarmee nog niet duidelijk is hoeveel mensen geen aanvullende tandartsverzekering hebben omdat zij deze niet kunnen betalen? Kunt u dit beter in kaart brengen?
Het klopt dat in 2024 64% van de volwassenen een aanvullende verzekering voor mondzorg had. Dat wil niet zeggen dat de overige 36% van de volwassenen deze verzekering niet kunnen betalen. Er zijn ook mensen die bewust geen aanvullende tandartsverzekering afsluiten, bijvoorbeeld omdat zij weinig mondzorgkosten verwachten en/of de kosten zelf kunnen dragen. Het is niet bekend waarom mensen géén tandartsverzekering afsluiten en in hoeverre betaalbaarheid daar de reden van is. Naar schatting mijden 640.000 volwassenen mondzorg vanwege financiële redenen. Het kabinet ziet geen aanleiding dit verder in kaart te brengen.
Deelt u de mening dat noodzakelijke mondzorg geen luxe is, maar onderdeel is van zorg die voor Nederlanders betaalbaar en toegankelijk moet zijn?
Uiteraard deelt het kabinet het belang van noodzakelijke mondzorg. Over het algemeen gaan mensen in Nederland vaak naar de tandarts en veel mensen kunnen de mondzorg zelf financieren of zich aanvullend hiervoor verzekeren. Voor veel mensen is mondzorg, gelukkig, toegankelijk. Er is helaas ook een groep voor wie dat niet geldt. Voor mensen met een lager inkomen kan de gemeentepolis, een zorgverzekering voor minima die altijd mondzorgdekking biedt, een optie zijn. Niet alle deelnemers van een gemeentepolis weten dat er een vergoeding voor mondzorgdekking in hun verzekerd pakket zit, dat biedt wellicht nog aanknopingspunten om de toegankelijkheid van mondzorg te verbeteren. Ook zijn er verschillende andere lokale regelingen of initiatieven. Deze initiatieven leveren een bijdrage aan het terugdringen van mondzorgmijding en het kabinet is deze partijen dus erkentelijk voor deze initiatieven. Tegelijkertijd ziet het kabinet dat deze initiatieven geen volledige oplossing kunnen bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Ridderkerk een lokale regeling nodig is waarbij minima met acute of urgente mondzorg terechtkunnen bij minimatandartsen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Vindt u het wenselijk dat noodzakelijke mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven, vrijwilligers, donaties, kerken, ondernemers en een beperkte gemeentelijke subsidie?
Alhoewel het kabinet deelt dat er een groep mensen is die om financiële redenen afzien van mondzorg, wordt de vermeende strekking dat mondzorg voor minima afhankelijk wordt van lokale initiatieven niet gedeeld. Via aanvullende verzekeringen of voor minima via een gemeentepolis is mondzorg voor een grote groep mensen financieel toegankelijk. Een gemeentepolis biedt altijd dekking voor mondzorg, al is dat niet altijd bij alle deelnemers bekend. Tegelijkertijd is er inderdaad een groep volwassenen voor wie mondzorg niet toegankelijk is en het kabinet is de diverse partijen zeer erkentelijk voor hun inspanningen om mondzorg voor deze groep verder toegankelijk te maken.
Wat doet u om te voorkomen dat kleine gebitsproblemen bij mensen met een laag inkomen uitgroeien tot ernstige pijnklachten, ontstekingen of abcessen?
Er is geen eenvoudige oplossing voor deze weerbarstige problematiek. Uit een verkenning3 naar gerichte regelingen voor minima blijkt dat deze allen de nodige uitdagingen kennen in het op een doelmatige manier bereiken van de beoogde doelgroep en ook dat deze regelingen de nodige financiële dekking vragen. Het kabinet heeft, gegeven de beschikbare financiële middelen, andere beleidskeuzes gemaakt.
Alhoewel het geen structurele en volledige oplossing is, is het kabinet wel voornemens om via de ontwikkelagenda van het AZWA een pilot rondom mondzorg voor minima uit te voeren. Hiervoor is 2 maal 5,5 miljoen euro beschikbaar. De invulling van de pilot behoeft nog nadere uitwerking.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel (incl. Pakketbeheer) van 10 juni 2026, zodat de antwoorden bij het debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het artikel 'Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy' |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Freedom of scientific inquiry: reclaiming space for controversy» van professor Akiko Iwasaki in Nature Reviews Immunology (1 mei 2026), waarin zij pleit voor een open wetenschappelijk debat over vaccinatieschade en expliciet verwijst naar nieuw onderzoek naar het Post-Vaccinatie Syndroom (PVS)?
Ja.
Hoe weegt u de oproep van deze vooraanstaande immunoloog om «onhandige vragen» over vaccinatie-bijwerkingen met wetenschappelijke integriteit te behandelen, in het licht van het huidige Nederlandse beleid waarin de specifieke ondersteuning voor deze groep (C-support) juist wordt afgebouwd?
In Nederland worden klachten na vaccinatie en vaccinatiebijwerkingen met wetenschappelijke integriteit behandeld en het belang hiervan wordt dan ook onderschreven. Onderzoek naar bijwerkingen wordt verricht door bijwerkingencentrum Lareb, wat door het Ministerie van VWS wordt gefinancierd. C-support doet geen onderzoek naar bijwerkingen.
Deelt u de visie van professor Iwasaki dat het ontkennen van de noodzaak voor gespecialiseerd onderzoek en debat de wetenschappelijke vooruitgang en het publieke vertrouwen schaadt, zeker nu preprints van onder andere de Yale LISTEN-studie duiden op unieke symptoomprofielen bij PVS-patiënten?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de transitie van PVS-zorg naar het «reguliere veld» indruist tegen de internationale roep om juist meer specialistische aandacht en onderzoek naar de pathofysiologie van deze aandoening, zoals bepleit in Nature Reviews Immunology?
Van een dergelijke transitie is geen sprake. C-support ondersteunt post-COVID patiënten maar is geen zorgverlener. De inzet van het kabinet is dat alle PAIS-patiënten, waaronder patiënten met post-COVID klachten, passende zorg en ondersteuning ontvangen binnen de reguliere structuren van zorg en welzijn.
Bent u bereid om, in de geest van «vrijheid van wetenschappelijk onderzoek», de subsidie voor C-support te handhaven als de centrale plek waar in Nederland deze internationale nog volop in ontwikkeling zijnde kennis wordt verzameld en vertaald naar de Nederlandse patiëntenzorg?
Wat betreft de subsidie aan C-support verwijst het kabinet naar de antwoorden van 22 april jl. op Kamervragen hierover van het lid Bushoff (Pro)1 en van het lid Bikker (CU).2 In deze antwoorden is o.a. aangegeven dat, ook na 2026, middelen beschikbaar blijven voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven.
Welke acties onderneemt u om te waarborgen dat Nederlandse zorgverleners niet vervallen in wat professor Iwasaki beschrijft als «politiek gekleurde evaluaties», maar patiënten met klachten na vaccinatie serieus nemen op basis van de meest recente, onafhankelijke internationale data?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 worden klachten na vaccinatie in Nederland serieus genomen en bijgehouden door Bijwerkingencentrum Lareb. Lareb analyseert aan de hand van Europese farmacovigilantieregels deze meldingen en stuurt deze geanalyseerde informatie door naar het Europese meldsysteem EudraVigilance. Dit Europese meldsysteem is een centrale Europese databank die beheerd wordt door het Europees Medicijnagentschap (EMA) en waarin bijwerkingen uit alle EU-landen worden verzameld zodat deze gebruikt kunnen worden voor geneesmiddelenbewaking. De meldingen worden met klinische en farmaco-epidemiologische gegevens, meldingen uit andere EU-lidstaten en wereldwijde gegevens geëvalueerd om het bijwerkingenprofiel van geneesmiddelen, inclusief vaccins, te bepalen.
Kunt u toezeggen dat u, conform de aanbevelingen in het genoemde artikel, ruimte creëert voor een structureel expertisecentrum waar ook «controversiële» post-acute aandoeningen zoals PVS zonder vooroordelen onderzocht en behandeld kunnen worden?
De organisatie van de zorg is aan het zorgveld zelf. Het zorgveld is zelf het beste in staat om te bepalen op welke wijze aandoeningen onderzocht en behandeld kunnen worden en welke organisatievorm daarvoor nodig is. Het kabinet heeft hierin geen sturingsmogelijkheid.
Toezeggingen over omzetplafonds in de GGZ. |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 waarin de toenmalig Staatssecretaris stelde dat er een scenario zou worden verkend waarin het gebruik van omzetplafonds voor het deel van de cliëntenpopulatie die cruciale ggz nodig heeft, door zorgverzekeraars op termijn volledig of gedeeltelijk kan worden beëindigd en dat de Kamer hierover in voorjaar 2026 over zou worden geïnformeerd?1
Er wordt momenteel verkend op welke wijze de afhankelijkheid van omzetplafonds in de ggz kan worden verminderd. Deze verkenning wordt uitgewerkt in een routekaart voor passende ggz, waarbij de afbouw van omzetplafonds in samenhang wordt bezien met het ontwikkelen en verbeteren van alternatieve sturingsinstrumenten.
De routekaart moet daarmee de afhankelijkheid van omzetplafonds verkleinen en de sturing van zorgverzekeraars op de beweging van lichte naar zwaardere ggz versterken. Dit gebeurt onder andere door het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit en aanspraken. In aansluiting op de afspraken uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) moet dit er uiteindelijk toe bijdragen dat het zorgaanbod beter aansluit op de zorgvraag. Voor de zomer zal het kabinet de Kamer informeren over de stand van zaken.
Wat is de voortgang van de gedane toezegging in de Kamerbrief van 15 december 2025 met betrekking tot het actief toetsen door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) wat de effecten van omzetplafonds zijn op zorgaanbieders die er mogelijk toe leiden dat beschikbare behandelcapaciteit in de cruciale ggz onbenut blijft en hier cijfermatige duiding bij te geven?
VWS en de NZa kiezen ervoor het toegezegde onderzoek naar de effecten van omzetplafonds in de ggz breed en grondig vorm te geven, zodat inzicht wordt verkregen in de samenhang tussen bijcontractering, zorgbemiddeling, behandelcapaciteit en wachtlijsten. Ook wordt hierbij gekeken of er sprake is van eventuele signalen over beschikbare maar mogelijk onbenutte capaciteit bij zorgaanbieders, bijvoorbeeld wanneer aanbieders via bijcontractering aangeven meer patiënten te kunnen behandelen. Wanneer een verzoek tot bijcontractering wordt afgewezen, moet immers aannemelijk zijn dat de zorgverzekeraar van oordeel is dat binnen de regio al voldoende passende zorg is ingekocht of beschikbaar is via zorgbemiddeling.
Juist omdat het onderzoek ziet op de feitelijke werking van bijcontractering en zorgbemiddeling in de praktijk, vraagt dit om een zorgvuldige analyse van data en processen bij alle zorgverzekeraars. Deze bredere aanpak vraagt aanvullende inzet en capaciteit, waarover VWS en de NZa momenteel in gesprek zijn. Het onderzoek zal naar verwachting binnenkort van start gaan.
Hebt u een overzicht bij welke aanbieders van GGZ-zorg er op dit moment voor 2026 reeds een opnamestop is of op korte termijn zal zijn voor verzekerden bij een of meer verzekeraars, omdat het omzetplafond reeds is bereikt? Kunt u aangeven welke verzekeraars, aanbieders en regio’s dit betreft?
Nee, het kabinet beschikt niet over een dergelijk landelijk overzicht van ggz-aanbieders met (dreigende) opnamestops in 2026 als gevolg van bereikte omzetplafonds, uitgesplitst naar verzekeraars, aanbieders en regio’s. Contractering en afspraken over omzetplafonds vinden plaats tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders, waarbij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) toeziet op de naleving van de zorgplicht. Het kabinet merkt hierbij op dat zorgverzekeraars, indien de door hen gecontracteerde capaciteit onvoldoende blijkt om aan hun zorgplicht te voldoen, verplicht zijn om aanvullende capaciteit te contracteren om alsnog aan deze zorgplicht te voldoen, voor zover dit mogelijk is gegeven de schaarste in de ggz. Daarnaast is de betreffende aanbieder verplicht de patiënt te wijzen op mogelijkheid van zorgbemiddeling in het geval dat een omzetplafond is bereik. De zorgverzekeraar kan de patiënt dan een alternatieve plek binnen de treeknorm aanbieden. Kan de zorgverzekeraar dat alternatief niet bieden, dan moet er worden bijgecontracteerd bij de oorspronkelijke aanbieder. Als het alternatief buiten het gecontracteerde aanbod van de polis valt, is de zorgverzekeraar verplicht volledige vergoeding te geven en geen eigen bijdrage voor de ongecontracteerde zorg in rekening te brengen.
Batchnummers van de coronavaccins |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Waarom zijn (alleen) de batchnummers van de coronavaccins in dit overzicht1 niet opgenomen?
De Google Spreadsheet waarnaar wordt verwezen is géén publicatie van het Ministerie van VWS, maar is door een X-gebruiker opgesteld op basis van een document dat in het kader van de Wet open overheid (Woo) openbaar is gemaakt.2 Dit originele document bevat ook batchnummergegevens van coronavaccins.
Kunnen deze batchnummers alsnog worden toegevoegd aan dit overzicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht dat mensen in Dordrecht-West vaker longkanker krijgen |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het rapport «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» van de GGD Zuid-Holland Zuid?1
Het kabinet vindt het zorgelijk dat uit het rapport van de GGD Zuid-Holland Zuid «Het optreden van longkanker in postcodegebied 3317» blijkt dat in meerdere buurten van Dordrecht-West meer longkanker voorkomt dan het landelijke gemiddelde. Het kabinet begrijpt daarom de zorgen van de bewoners over hun gezondheid. Gezondheidsschade door schadelijke emissies in de leefomgeving moet zo veel mogelijk worden voorkomen.
Deelt u de mening dat het alarmerend is dat bij bewoners van Dordrecht-West longkanker zo vaak voorkomt?
Het rapport bevat een belangrijk signaal. Het is ernstig dat longkanker bij bewoners van Dordrecht-West vaker voorkomt dan het landelijk gemiddelde. Het is goed dat de GGD hier aandacht voor vraagt. Het kabinet neemt dit signaal serieus. Het onderzoek wijst op blootstelling aan schadelijke stoffen in het verleden, waaronder op het werk, en op schadelijke emissies in het heden en op leefstijlfactoren, waaronder roken. Gelukkig is de situatie op het werk en in de leefomgeving sterk verbeterd ten opzichte van het verleden en is er breed ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken. Het kabinet werkt aan een gezonde leefomgeving en stuurt zoveel mogelijk op een verbetering van de leefstijl, onder meer door het ontmoedigingsbeleid ten aanzien van roken.
Op hoeveel andere plekken in Nederland lopen bewoners gezondheidsrisico door luchtvervuiling door onder meer industrie?
Het is niet precies te zeggen op hoeveel plaatsen in Nederland de situatie vergelijkbaar is met die in Dordrecht-West. Het RIVM meet in samenwerking met GGD’en en Omgevingsdiensten op een aantal plekken verspreid door Nederland de luchtkwaliteit. Informatie uit de metingen en uit berekeningen zijn openbaar te vinden op de websites van het luchtmeetnet2 en de Atlas Leefomgeving3. Het is bekend dat luchtvervuiling de belangrijkste van alle milieufactoren is die de gezondheid negatief beïnvloedt. Naast milieufactoren dragen ook persoonsgebonden factoren en gedrag bij. Volgens berekeningen van het RIVM veroorzaakt luchtverontreiniging ongeveer 3,4% van de ziektelast in Nederland4.
Overal is de situatie anders en is die in het verleden ook anders geweest. De invloed van luchtverontreiniging is groter op plaatsen met veel verkeer en industrie in Nederland en waar emissies uit verschillende bronnen, onder meer uit de industrie, samenkomen. Voorbeelden zijn de IJmond en de regio Rotterdam.
De luchtkwaliteit in Nederland voldoet aan de op dit moment geldende EU-normen, en is daarmee op veel plekken op een goed niveau. Deze normen liggen momenteel nog boven het gezondheidskundig meest wenselijke niveau, zoals deze zijn vastgelegd in de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)5. Vanaf 2030 gelden dan ook nieuwe, aangescherpte grenswaarden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht, als gevolg van de in 2024 herziene richtlijn Luchtkwaliteit. Deze normen liggen een stuk dichter bij de advieswaarden van de WHO. Het is de inzet van het kabinet om in 2030 overal in Nederland aan deze nieuwe grenswaarden te voldoen. Daardoor zullen de gezondheidsrisico’s van luchtvervuiling verder afnemen.
Binnen Nederland werken sinds 2020 152 overheden (139 gemeenten, alle provincies en het Rijk) samen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Doel is om 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016 te bewerkstelligen, met name door het verlagen van emissies van luchtvervuilende stoffen, ook als al aan de huidige grenswaarden wordt voldaan. Elke twee jaar wordt door het RIVM gemonitord of de doelen van het Schone Lucht Akkoord binnen bereik liggen. Uit de laatste «voortgangsmeting», uit 20246, blijkt dat Nederland op koers ligt om de meeste doelen van het SLA te bereiken (met uitzondering van enkele sectorspecifieke doelen). Belangrijke voorwaarde bij deze resultaten is dat hierbij wel ervan uit wordt gegaan dat het beleid dat zowel in het SLA als in de klimaat- en stikstofaanpak is geformuleerd, doorgang vindt7. In 2026 komt er weer een nieuwe voortgangsmeting uit.
Hoe gaat u de aanbevelingen van de GGD Zuid-Holland Zuid opvolgen, graag specificeren per aanbeveling?
De GGD Zuid-Holland Zuid doet aanbevelingen, gericht op a) het verder verlagen van de emissies van vervuilende stoffen rond Dordrecht-West, b) aanvullende maatregelen in de woningen, zoals filters in ventilatiesystemen, c) maatregelen gericht op een prettige, gezonde en verkoelende leefomgeving, en d) maatregelen om roken te ontmoedigen. De gezamenlijke overheden geven hier op de volgende wijze invulling aan:
Deze aanpak richt zich op het meer houvast bieden voor het Rijk, provincies en gemeenten voor het treffen van maatregelen voor een gezonde luchtkwaliteit in zwaarder belaste gebieden, zoals omwonenden bij industrie.
Een door de GGD geopperde verlaging van de maximumsnelheid naar 80 kilometer per uur op de A16 en de N3, zal waarschijnlijk slechts een zeer beperkte invloed hebben op de luchtkwaliteit in Dordrecht-West. Emissies van personenauto's en vrachtverkeer op wegen met een maximumsnelheid van 100 km/u, zoals de A16 en de N3, verschillen niet of nauwelijks van emissies op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/u8. Emissies van het wegverkeer zijn de afgelopen jaren flink gedaald, en met name emissies van NOx zullen in de komende jaren nog verder dalen. De concentraties van NO2 en fijnstof rond de A16 en N3 voldoen aan de huidige grenswaarden.
In 2030 zullen er op grond van de in 2024 herziene EU-richtlijn Luchtkwaliteit strengere grenswaarden gelden voor de concentraties van de belangrijkste luchtvervuilende stoffen in de buitenlucht. Overheden nemen continu maatregelen om de luchtkwaliteit verder te verbeteren. Om overal in Nederland aan deze nieuwe normen te kunnen voldoen, is richting 2030 nog extra inzet nodig. Dit zal ook ten goede komen aan de gezonde leefomgeving. Op dit moment wordt bekeken welke maatregelen dat kunnen zijn.
In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden9, wordt via de verkenning positieve financiële prikkels in algemene zin onderzocht of het mogelijk is om bovenwettelijke maatregelen te nemen voor het terugdringen van negatieve gezondheidseffecten door de industrie financieel te ondersteunen. Het feit dat de GGD Zuid-Holland Zuid deze maatregelen als effectief aanwijst, zal in dit onderzoek worden meegenomen.
Welke stappen worden er gezet om ervoor te zorgen dat de kans op longkanker in Dordrecht niet langer boven het landelijke gemiddelde blijft?
De maatregelen die genomen worden in het kader van het Schone Lucht Akkoord en het halen van de aangescherpte grenswaarden uit de herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit zullen de ziektelast van luchtverontreiniging in de nabije toekomst laten dalen. Dankzij die aanpak zullen mensen in Nederland, ook in Dordrecht-West, uiteindelijk langer en langer gezond leven.
Het is verder belangrijk te constateren dat mensen in lagere leefomgevingskwaliteit meer kans hebben op gezondheidsschade. Het is alle overheden er veel aan gelegen de gemiddelde leefomgevingskwaliteit in Nederland te verbeteren. De Omgevingswet is met deze insteek vormgegeven en dwingt alle overheden om expliciet rekening te houden met de gezondheid van hun inwoners. Ook in Dordrecht-West zal een verbetering van de leefomgevingskwaliteit gezondheidswinst opleveren.
Daarnaast zet het kabinet zich actief in om roken en vapen onder jongeren terug te dringen via voorlichting, normcampagnes, rook -en reclameverboden en beperking van verkooppunten. In algemene zin daalt het aantal rokers in Nederland al jaarlijks, helaas is het effect daarvan op het aantal mensen met longkanker pas na vele jaren merkbaar.
Het onderzoek van de GGD Zuid-Holland Zuid in Dordrecht-West, uitgevoerd in het kader van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) past in deze inzet. De thema’s waaraan het programma NPLV werkt in Dordrecht-West zijn het verkleinen van gezondheidsachterstanden en het investeren in goede woningen en een verbetering van de fysieke leefomgeving. Zowel landelijk als lokaal wordt aan deze uitdagingen gewerkt.
Als laatst heeft de gemeente Dordrecht de verantwoordelijkheid om onder de Wet Publieke Gezondheid elke vier jaar een nota gezondheidsbeleid op te stellen waarin de gezondheid van de inwoners wordt bevorderd.
Welke stappen gaat u zetten om in het algemeen de kans op kanker in dit soort wijken, met veel luchtverontreiniging, te verlagen?
Zie het antwoord op vraag 4a en 5.
De overname van jeugdgezondheidszorg aan kinderen van asielzoekers door een commerciële zorgaanbieder. |
|
Julian Bushoff (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in Medisch Contact over het verlies van de jeugdgezondheidszorg voor asielzoekerskinderen door GGD’en aan een commerciële zorgpartij en herkent u de daarin geuite zorgen over de continuïteit van zorg?1
Hoe rechtvaardigt u dat via aanbestedingen publieke gezondheidszorgtaken bij marktpartijen worden belegd, terwijl het uitgangspunt van het Nederlandse publieke gezondheidsstelsel juist is dat deze taken publiek, samenhangend en preventief worden georganiseerd, en hoe voorkomt u dat dit in de praktijk leidt tot uitholling van het publieke gezondheidsstelsel?
Is de gunning van de aanbesteding voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen inmiddels definitief en, zo ja, welke concrete randvoorwaarden zijn gesteld om te waarborgen dat de overgang van de huidige naar de nieuwe situatie zorgvuldig verloopt, in het bijzonder in de periode tussen het einde van de huidige uitvoering en de start van het nieuwe contract?
Op welke wijze is voorafgaand aan de gunning geverifieerd dat de nieuwe aanbieder daadwerkelijk kan voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van kwaliteit, personele capaciteit, landelijke dekking en continuïteit van zorg, en kunt u toelichten hoe dit wordt beoordeeld? Hoe beoordeelt u de zorgen van de GGD en experts, mede gezien de eerdere ervaringen met dit bedrijf?2
Klopt het dat de Arts en Zorg Groep de aanbesteding vooral won vanwege het «forse prijsverschil»? Hoe kan het dat de prijs die het bedrijf op de zorg plakt, ongeveer een kwart lager zijn dan die van de GGD. Waarin zit precies dit prijsverschil?
Welke maatregelen worden genomen om het behoud van ervaren en deskundig personeel voor de jeugdgezondheidszorg aan asielzoekerskinderen te waarborgen, gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de (jeugdgezondheid)zorg, en hoe voorkomt u dat verlies van personeel leidt tot discontinuïteit en kwaliteitsverlies van zorg, zowel voor asielzoekerskinderen als in de jeugdgezondheidszorg in bredere zin, en dat dit doorwerkt in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe waarborgt u dat de kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit van zorg voor asielzoekerskinderen niet alleen gedurende de overgang, maar ook structureel na implementatie op peil blijven, mede gelet op het feit dat het gaat om kinderen met een vluchtachtergrond die te maken hebben gehad met oorlog, geweld, vervolging of ontwrichting en vaak kampen met trauma’s en complexe gezondheidsproblematiek? Hoe wordt gewaarborgd dat de zorg in de periode tussen 1 oktober 2026 (waarin het contract met de GGD stopt) en juni 2027 (waarin het contract met de Arts en Zorg Groep aanvangt) geleverd blijft worden en van kwalitatief goed niveau is?
Hoe wordt toezicht gehouden op de kwaliteit van de geleverde zorg en welke concrete interventiemogelijkheden heeft u indien blijkt dat de zorg niet aan de gestelde eisen voldoet, en hoe voorkomt u dat tekortkomingen in deze zorg doorwerken in de continuïteit en kwaliteit van het publieke gezondheidsstelsel als geheel?
Hoe reflecteert u op het feit dat de aanbesteding wordt gegund aan een partij, waarbij eerder op één van hun locaties is vastgesteld dat kinderen kampten met ondergewicht, angstklachten en gebrek aan privacy?
Hoe wordt er toezicht gehouden op (de kwaliteit van) de zorg die geleverd zal worden, zeker gelet op het feit dat de zorg verleend wordt aan kinderen die niet altijd de Nederlandse taal machtig zijn, evenals hun ouders? Kunt u beschrijven hoe het toezicht er in de praktijk uitziet? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Wat wordt er gedaan als blijkt dat deze zorg (ernstig) tekortschiet?
Het bericht 'Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode' |
|
Etkin Armut (CDA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Is de toename van het aantal besneden vrouwen nog te stoppen? – zomervakantie is risicoperiode»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat er in Nederland duizenden vrouwen en meisjes slachtoffer zijn van vrouwelijke genitale verminking?
Iedere vrouw en ieder meisje heeft recht op veiligheid en gezondheid. Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige schending van de mensenrechten en geen enkele vrouw of meisje zou hier slachtoffer van mogen worden. Uit het onderzoek van Pharos2 blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Hoe wordt vrouwelijke genitale verminking momenteel geregistreerd in Nederland, en acht u deze registratie volledig en betrouwbaar?
De registratie van signalen of meldingen vindt plaats bij diverse organisaties. Zo kan de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) signalen van VGV of het risico daarop registreren. De nieuw ontwikkelde richtlijnmodule voor de JGZ kan professionals daarbij ondersteunen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op de afronding en implementatie van deze module. Daarnaast kunnen adviesvragen en/of meldingen van VGV worden gedaan en geregistreerd bij Veilig Thuis. Iedere professional die vermoedens heeft van (risico op) VGV moet hiervan een melding doen bij Veilig Thuis. Bekend is dat (zorg)professionals die in Nederland een slachtoffer zien van VGV, niet altijd een melding doen bij Veilig Thuis omdat dit de mogelijke ondersteuning van en hulp voor het slachtoffer in de weg staat, bijvoorbeeld door (verwachte) aantasting van de vertrouwensband tussen de professional en het slachtoffer als de professional melding doet. Registraties geven dan ook niet een totaalbeeld van de omvang van de problematiek weer. Het is echter belangrijk dat er altijd een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis.
In hoeverre heeft u zicht op het aantal meisjes en vrouwen dat het risico loopt op vrouwelijke genitale verminking, in het bijzonder in relatie tot (gedwongen) uitreizen naar het buitenland?
Het onderzoek van Pharos laat zien dat het aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV 2.606 (2023) is. Dit aantal is gedaald ten opzichte van 2018 (4.190). De daling van het risico hangt volgens de onderzoekers samen met factoren zoals veranderende normen en opvattingen onder de tweede generatie, veranderingen in normen en opvattingen na migratie en verfijning in het rekenmodel van het onderzoek. Dit duidt erop dat bewustwording en preventie effect hebben. Verder zijn er geen signalen van meisjes die na migratie naar Nederland slachtoffer zijn geworden van VGV (bijvoorbeeld tijdens verblijf in het land van herkomst). Met preventieve maatregelen, zoals voorlichting door de JGZ of de verklaring tegen meisjesbesnijdenis, wordt ingezet op het wegnemen van dit risico.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken levert consulaire bijstand aan Nederlandse slachtoffers in het buitenland. Er zijn enkele gevallen in 2024 (2) en in 2025 (1) bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend waarbij sprake was van achterlating in het buitenland in combinatie met (een vermoeden van) VGV, waarbij hulp werd geboden aan het slachtoffer om terug te keren naar Nederland.
Deelt u de opvatting dat de periode voorafgaand aan de zomervakantie een verhoogd risico met zich meebrengt en daarom een cruciaal moment is voor preventieve maatregelen in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, hoe wordt hierop ingezet?
De zomerperiode kan potentieel een verhoogd risico met zich meebrengen voor slachtofferschap van VGV. Het kabinet zet diverse preventieve maatregelen in om dit slachtofferschap (het gehele jaar door) te voorkomen. Zo werkt het kabinet in overleg met Schiphol aan een campagne op de luchthaven gericht op potentiële slachtoffers van VGV, huwelijksdwang, achterlating en mensenhandel. Het doel is om potentiële slachtoffers die op het punt staan uit te reizen, te wijzen op de mogelijkheid van spoedhulp bij dreiging van bovengenoemde risico’s. De afgelopen maanden is samen met veldorganisaties gekeken naar de opvolging door de Koninklijke Marechaussee, de inzet van beschermingsmaatregelen en eventuele opvang en zorg (via Veilig Thuis). Op dit moment wordt de campagne verder uitgewerkt. De campagne is gereed voor de zomervakantie.
Daarnaast worden er voor de schoolvakanties, waaronder de zomervakantie, nieuwsbrieven verstuurd naar onderwijsprofessionals om hen te attenderen op het risico, signalen en de meldroute in geval van signalen van VGV, huwelijksdwang of achterlating. De JGZ kan ouders die willen afreizen naar het land van herkomst de verklaring tegen meisjesbesnijdenis meegeven. In deze verklaring staan de risico’s en consequenties van VGV vermeld en is opgenomen dat VGV in Nederland als vorm van mishandeling strafbaar is. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen.
Welke concrete preventieve maatregelen worden ingezet om vrouwelijke genitale verminking te voorkomen, potentiële slachtoffers te beschermen en risicovol uitreizen tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW en SZW ondersteunen de Alliantie Verandering van Binnenuit 2.0 waarin Movisie, het consortium zelfbeschikking en LCC+ werken aan voorlichting en dialoogbijeenkomsten binnen christelijke en migrantengemeenschappen om mentaliteitsverandering te bereiken richting acceptatie van gendergelijkheid, seksuele- en genderdiversiteit en persoonlijke vrijheid in het algemeen. Middels deze primaire preventie wordt beoogd om de grondoorzaken van gendergerelateerd geweld – waaronder VGV – weg te nemen. Ook binnen de inburgeringstrajecten wordt aan preventie gewerkt, door voorlichting over onder andere het recht op zelfbeschikking en het feit dat VGV in Nederland verboden is en informatie over waar men terecht kan voor hulp of advies.
De JGZ voert gesprekken met ouders over de risico’s en gevolgen van VGV. In dit gesprek kan de JGZ voorlichting geven, ook over de Nederlandse wetgeving en de verklaring tegen meisjesbesnijdenis overhandigen. Bij concrete vermoedens of dreiging van VGV wordt gehandeld conform de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarbij Veilig Thuis wordt ingeschakeld.
Op dit moment is het al mogelijk om voor minderjarige meisjes als sprake is van een hoog risico en acuut gevaar op VGV het uitreizen te voorkomen via de rechter door middel van een (spoed)kinderbeschermingsmaatregel, al dan niet in combinatie met een schriftelijke aanwijzing die het reizen met de minderjarige verbiedt. Daarnaast kunnen er in voorkomende gevallen contact- en gebiedsverboden worden opgelegd om het (potentiële) slachtoffer te beschermen.
Verder hebben de grenswachters een belangrijke radarfunctie ter voorkoming dat meisjes en/of vrouwen uitreizen naar het buitenland en daar slachtoffer worden van VGV. Momenteel wordt een applicatie voor de mobiele (dienst)telefoon ontwikkeld die grenswachters snel toegang geeft tot de indicatoren van (onder meer) VGV. Verder wordt in samenwerking met de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens gewerkt aan een uitbreiding van de gezagsinformatie, waaronder de gezinssamenstelling. Dit inzicht kan bijdragen aan het onderkennen van de indicatoren van onder andere VGV.
Verder is in het coalitieakkoord de mogelijkheid voor een uitreisverbod bij onder meer het risico op VGV opgenomen. In de beleidsverkenning naar preventieve beschermingsbevelen die op dit moment wordt uitgevoerd, wordt dit meegenomen. De Minister van Justitie en Veiligheid verwacht de opbrengst van deze verkenning begin 2027 met uw Kamer te kunnen delen.
Welke concrete resultaten zijn sinds de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking van 30 jaar geleden geboekt in de preventie en strafrechtelijke aanpak van deze praktijk?
In het kader van preventie van VGV wordt ingezet op bewustwording en normverandering binnen (gesloten) gemeenschappen door de inzet van sleutelpersonen en worden door professionals (bijvoorbeeld in de JGZ) gesprekken gevoerd met ouders over de risico’s en consequenties van VGV voor de gezondheid van hun kinderen. Verder is de verklaring tegen meisjesbesnijdenis een middel dat preventief kan werken. Deze verklaring wordt uitgereikt aan ouders die van plan zijn af te reizen naar het land van herkomst. In de verklaring is onder andere opgenomen welke consequenties VGV heeft en dat dit strafbaar is in Nederland. De verklaring is beschikbaar in acht talen. Verder draagt Nederland bij aan projecten die VGV tegengaan in landen van herkomst, bijvoorbeeld in Afrika.
Zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 4 wordt in het recente onderzoek van Pharos gewezen op het kleinere aantal meisjes dat reëel risico loopt om de komende twintig jaar slachtoffer te worden van VGV dan in 2018. De onderzoekers wijzen erop dat het verminderde risico op VGV voor de tweede generatie migranten onder andere het gevolg is van de verandering van normen en opvattingen in landen waar VGV voorkomt. Dit hangt onder meer samen met migratie en invloeden van onderwijs, wetgeving en preventie. Dit kan er op wijzen dat inspanningen gericht op bewustwording en preventie effect hebben.
Het strafrecht biedt een duidelijke norm en maakt opsporing, vervolging en bestraffing juridisch mogelijk. Dat neemt niet weg dat slechts heel weinig zaken een weg vinden naar de politie of het Openbaar Ministerie. Er zijn tot op heden geen veroordelingen bekend. Dit komt onder meer omdat er geen aangifte wordt gedaan. Het strafrecht is een belangrijk onderdeel binnen een integrale aanpak, en draagt met name bij aan normstelling, maar is op zichzelf onvoldoende voor een effectieve aanpak van VGV.
Acht u de huidige strafbaarstelling voldoende effectief? Hoe vaak heeft dit in de afgelopen 5 jaar geleid tot vervolging en veroordeling?
Zie antwoord vraag 7.
In hoeverre is het herkennen en signaleren van vrouwelijke genitale verminking onderdeel van de opleiding en nascholing van huisartsen en andere zorgprofessionals? Ziet u ruimte om deze deskundigheid en bewustwording te versterken en zo ja, hoe?
Het is belangrijk dat professionals de signalen van VGV vroegtijdig herkennen. Dit geldt ook voor zorgprofessionals. Voortdurende inzet op deskundigheidsbevordering blijft daarmee van belang. Er zijn diverse trainingen en e-learnings beschikbaar voor professionals. Specifiek gericht op huisartsen en verloskundigen is door Pharos opleidingsmateriaal ontwikkeld dat kan worden gebruikt in de opleidingen. Met subsidie van VWS wordt ingezet op verdere doorontwikkeling en verspreiding van dit opleidingsmateriaal.
Op welke manier en binnen welke termijn gaat u het mogelijk maken om een uitreisverbod op te kunnen leggen bij het risico op genitale verminking?
Zie het antwoord op vraag 6.
Welke aanvullende maatregelen kunnen worden genomen om (potentiële) slachtoffers beter in beeld te krijgen en hun bescherming te versterken?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie zet in op het versterken van de primaire preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen, waaronder VGV. Primaire preventie richt zich op het bevorderen van gendergelijkheid, het respecteren van wensen en grenzen, en het tegengaan van schadelijke opvattingen en stereotypen om daarmee gender weg te nemen als oorzaak van het ontstaan en voortduren van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen. Een onderdeel is een op te richten mannenalliantie gericht op het versterken van de rol van mannen in het tegengaan van gendergerelateerd geweld. En er wordt toegewerkt naar de uitvoering van primaire preventiemaatregelen op gemeentelijk niveau om te zorgen voor een landelijk dekkende aanpak. Verder wordt door het kabinet op dit moment gewerkt aan een campagne op Schiphol, zoals in vraag 5 benoemd en worden de mogelijkheden voor preventieve beschermingsbevelen verder onderzocht.
Bent u bereid de inzet van sleutelpersonen en gemeenschapsgerichte aanpakken te intensiveren, zodat (potentiële) slachtoffers beter worden bereikt en hulp laagdrempeliger beschikbaar komt?
De subsidies aan organisaties die gemeenschapsgerichte aanpakken vormgeven en sleutelpersonen inzetten, zoals de alliantie Verandering van binnenuit 2.0 en de subsidies aan Movisie en FSAN, lopen tot eind 2027. Bij het opstellen van het nieuwe Nationaal Actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld zal worden bezien hoe deze aanpak wordt vervolgd.
Wat is er concreet verbeterd in de aanpak van vrouwelijke genitale verminking sinds de beleidsreactie op het WODC-onderzoek «Over Grenzen» (over preventieve beschermingsbevelen bij onder andere vrouwelijke genitale verminking)?2
De beleidsverkenning naar de preventieve beschermingsbevelen (en het uitreisverbod) wordt momenteel uitgevoerd. Uw Kamer wordt hier begin 2027 nader over geïnformeerd.
In hoeverre wordt de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toegepast bij signalen van vrouwelijke genitale verminking?
VGV is een vorm van huiselijk geweld of kindermishandeling en valt onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Professionals die onder de meldcode vallen zijn verplicht de stappen van de meldcode te doorlopen. Bij signalen of vermoedens van VGV is het de professionele norm dat er altijd contact wordt gezocht met Veilig Thuis.
Het artikel ‘Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: ‘Verzekeraars hebben te veel macht’ |
|
Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ziekenhuis Bernhoven onder hoogspanning: «Verzekeraars hebben te veel macht»»?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Bent u het eens met de stelling dat het zorgverzekeringsstelsel de manier waarop Bernhoven passende zorg levert juist zou moeten stimuleren? Zo ja, waarom lukt dit nu niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. De keuze van Bernhoven om de organisatiefocus volledig te richten op het implementeren van passende zorg is de weg die dit kabinet wil inslaan. We moeten leren van de lessen die zijn geleerd bij Bernhoven en veldpartijen aanmoedigen deze lessen te benutten.
Dit kabinet gaat voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak en bijsturen waar men nog niet zover is. Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan.
Ik heb uw Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel dat passende zorg de norm wordt wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over zowel de zorginhoud, het zorglandschap, de rol van zorgverzekeraars als ook over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Wat vindt u ervan dat het Bernhoven door deze financiële crisis nu financieel afhankelijk wordt van onder andere meer patiënten en goed moet kijken naar welke behandelingen of afdelingen meer geld opleveren? En wat zegt dit over ons zorgverzekeringsstelsel?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en kosten die de zorginstelling maakt. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren (kpi’s), die bijvoorbeeld gericht zijn op afspraken over passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Op welke manieren kan passende zorg worden gerealiseerd, zonder dat het systeem van betaling per patiënt op de schop gaat?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit, met passende zorg nu en in de toekomst. Zoals beschreven in voorgaande vragen kan in sommige gevallen de bekostiging knellen bij het leveren van passende zorg. De NZa onderzoekt daarom samen met veldpartijen welke verbeteringen er nodig zijn. Ook kijken de partijen hoe de huidige bekostiging van de medische-specialistische zorg de beweging naar passende zorg beter kan ondersteunen. Tegelijkertijd biedt de contractering veel ruimte om afspraken te maken over passende zorg, door bijvoorbeeld in te zetten op meerjarenafspraken, waarbij er uitgebreidere en meer inhoudelijke afspraken worden gemaakt dan alleen afspraken over de productie. Deze afspraken in de inkoop van zorg kunnen nu al met de huidige manier van bekostigen worden gemaakt en toegepast.
Deelt u de opvatting dat ziekenhuizen te afhankelijk zijn van zorgverzekeraars voor het maken van langetermijnafspraken? Zo nee, waarom niet?
Ziekenhuizen zijn voor hun inkomsten afhankelijk van zorgverzekeraars. Tegelijk hebben ze ook eigen beleidsruimte en andere vormen van financiering.
Het kabinet vindt het wenselijk dat zorgaanbieders zich zo in een regio organiseren dat inwoners de best passende zorg op de beste plek krijgen en wanneer dat nodig is. Daarom gaat het kabinet actiever sturen op de organisatie van zorg in de regio. De regionale plannen over het zorglandschap moeten daadwerkelijk richting geven aan alle zorgaanbieders in de regio en moeten worden door vertaald in het inkoopbeleid. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat ze sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg. Daarvoor gaan we de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Wat kunt u doen om lange-termijnafspraken met ziekenhuizen te bevorderen?
Om lange-termijn afspraken te bevorderen zet het kabinet enerzijds in op een passend zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio. Anderzijds zet het kabinet in op de versterking van de rol van de zorgverzekeraars. Van zorgverzekeraars verwacht het kabinet dat zij sterker gaan sturen op de beschikbaarheid van passende zorg.
Wanneer er een gezamenlijke visie is over de toekomstige inrichting van het regionale zorglandschap en welke aanpak nodig is om dit toekomstbeeld te bereiken, dan is het uitgangspunt dat hier regionale afspraken over worden gemaakt vanuit een meerjarig perspectief.
De doorvertaling van deze regionale afspraken naar de zorginkoop is hierbij van groot belang en is een van de afspraken waar zorgverzekeraars en gemeenten zich in het IZA al aan hebben gecommitteerd.
Wat betekent het dat de financiële positie van het ziekenhuis Bernhoven van BDO een 2 uit 10 krijgt, voor het rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel?
De financiering van de werving en selectie als ook het opleiden en scholen van personeel is een integraal onderdeel van de bedrijfsvoering in ziekenhuizen. Daar waar er sprake is van marktfalen bij opleiden, pakt het kabinet zijn rol op. Via het instrument van de beschikbaarheidsbijdrage stelt het kabinet opleidingsplaatsen beschikbaar voor een groot aantal (medische) vervolgopleidingen voor artsen, gespecialiseerd verpleegkundige en medisch ondersteunend personeel in het ziekenhuis (CZO opleidingen). Daarnaast stelt het kabinet via subsidieregelingen middelen beschikbaar voor het opleiden en ontwikkelen van zorgpersoneel in ziekenhuizen. Het betreft de middelen van de Subsidieregeling Strategisch Opleiden MSZ, en het Stagefonds tot en met schooljaar 2026/2027.
In reactie op deze vraag heeft Bernhoven bij het Ministerie van VWS aangegeven dat zij op dit moment geen knelpunten ervaren als het gaat om rekruteren, aannemen, opleiden en omscholen van personeel. Zij kunnen vacatures bovengemiddeld goed invullen, er zijn weinig moeilijk invulbare vacatures en de uitstroom ligt op jaarbasis lager dan het gemiddelde op regionaal en landelijk niveau. Waar het gaat om opleiden en scholen van personeel geeft het ziekenhuis aan binnen de FZO-regio conform de regionale ramingen op te leiden en recent een jarenlange verlenging te hebben gekregen van de accreditatie van de CZO-opleidingen. Het ziekenhuis laat tot slot weten dat veel van de medewerkers aangeven dat zij heel bewust voor Bernhoven hebben gekozen vanwege de sterke focus op passende zorg, waarbij de patiënt en de mens achter de patiënt centraal staan.
Bent u het eens met de quote van de bestuursvoorzitter van Bernhoven: «De zorg wordt ook niet goedkoper van een fusie?»? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat fusies zowel positieve als negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Zo kunnen fusies schaalvoordelen met zich meebrengen en daarmee de doelmatigheid van zorg vergroten. Soms is een fusie ook noodzakelijk om de continuïteit van zorg te borgen, waardoor de toegankelijkheid van zorg beter geborgd, terwijl hier mogelijk hogere kosten mee gemoeid zijn. Tegelijkertijd kunnen fusies ook risico’s met zich meebrengen. Zo kunnen er door een fusie onvoldoende keuzemogelijkheden overblijven voor de patiënt of kan een ziekenhuis een te sterke economische machtpositie verkrijgen.
Het is niet aan het kabinet om fusies te beoordelen, maar aan de NZa en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als onafhankelijk toezichthouders. De NZa beoordeelt fusies op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) via de zorgspecifieke fusietoets (zft). Daarbij toetst de NZa een voorgenomen fusie op de continuïteit van cruciale zorg en de zorgvuldige betrokkenheid van cliënten, medewerkers en andere stakeholders. De ACM beoordeelt een voorgenomen fusie op grond van de Mededingingswet (Mw). Daarbij toetst de ACM op mogelijk concurrentiebeperkende effecten, zoals een vermindering van de keuzemogelijkheden en potentiële prijsstijgingen.
Het kabinet verwacht dat fuserende partijen – gegeven de beoordeling door beide toezichthouders – eerst zorgvuldig afwegen wat de gevolgen van een fusie zijn voor de kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van zorg. Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 22 april jl.4 is het kabinet daarnaast voornemens het fusietoezicht in de zorg en economie-breed aan te passen. Daarmee worden de toezichthouders beter in staat gesteld evident onwenselijke concentraties in de zorg tegen te houden (NZa) en eerlijke concurrentie economie-breed te bevorderen (ACM).
Bent u bereid de relevante scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting bij de lijst met ombuigingen 2026 (begroting 2027) aan te passen aan de huidige stand van onderzoek of hier het gesprek over aan te gaan met Minister van Financiën? Zo nee, waarom niet?
De lijst met ombuigingen is een ambtelijk product van het Ministerie van Financiën dat jaarlijks wordt geactualiseerd en een overzicht biedt van technische mogelijkheden om de overheidsuitgaven te verlagen (bezuinigingsmaatregelen). De ombuigingslijst is bedoeld ter ondersteuning van goed geïnformeerde besluitvorming en bevat geen oordeel over de politieke (on)wenselijkheid. De ombuigingslijst van 2026 is nog niet gepubliceerd, en ombuigingslijsten uit eerdere jaren bevatten geen algemene scenario’s rondom fusie, sluiting en schaalvergroting. Wel zijn in ombuigingslijsten in eerdere jaren potentiële maatregelen opgenomen over concentratie en sluiting van SEH’s. Deze maatregelen worden beschreven op een hoog abstractieniveau. Wanneer daartoe aanleiding is, worden ombuigingsmaatregelen uit eerdere jaren als vanzelfsprekend geactualiseerd op basis van de meest recente inzichten.
Kunt u voorafgaand aan het commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel aangeven op welke manieren het Nederlandse zorgverzekeringsstelsel impliciet en expliciet stuurt op volume, concentratie en schaalvergroting van basis of reguliere zorg, onder andere aan de poort of via normen bij de ambulance?
Binnen het Nederlandse zorgstelsel wordt op verschillende manieren, zowel impliciet als expliciet, en door verschillende partijen (ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid), gestuurd om te komen tot een inrichting van een zorglandschap waarin de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van zorg worden geborgd. Voor dit kabinet is passende zorg daarbij nadrukkelijk het uitgangspunt en de norm. Een belangrijke rol bij de inrichting van het zorglandschap en de beweging naar passende zorg is weggelegd voor zorgverzekeraars, bij wie de zorgplicht is belegd. Via de contractering sturen zij op doelmatigheid, kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. Het kabinet wil deze rol versterken door zorgverzekeraars meer mogelijkheden te geven om niet-passende zorg niet langer te contracteren of te vergoeden, zodat zij gerichter kunnen sturen op passende zorg en toekomstbestendige toegankelijkheid. Het kabinet gaat de zorgplicht van zorgverzekeraars (inclusief hun rol bij transformaties in de regio) verduidelijken, zodat duidelijk is dat die niet alleen ziet op vandaag maar ook gaat over de toekomst.
Naast zorgverzekeraars hebben ook de medische beroepsgroepen een belangrijke verantwoordelijkheid. Zij bepalen via richtlijnen en kwaliteitsnormen wat goede en passende zorg is. Dit resulteert vervolgens in regionale werkafspraken (onder andere op ROAZ-niveau), waardoor bijvoorbeeld een ambulance weet bij welke poort zij een patiënt met een specifieke ingangsklacht het beste kunnen presenteren, zodat betreffende patiënt meteen de juiste zorg ontvangt. Het kabinet stelt daarbij scherpere eisen aan de totstandkoming en actualisatie van deze normen, zodat duidelijker wordt welke zorg wel en niet passend is.
De beweging naar passende zorg vertaalt zich verder in de inrichting van het medisch zorglandschap, waarbij het kabinet actiever gaat sturen op de organisatie van zorg in de regio:
Voor partijen moet de samenwerking aan passende zorg lonend zijn. Daarom kijken we tegelijkertijd of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen.
Hoe wordt «overheidsregie op spreiding», afkomstig uit het regeerakkoord, vormgegeven, zowel voor de acute of de planbare zorg? Welke nieuwe instrumenten worden hiervoor ingezet en hoe dragen die bij aan spreiding van reguliere zorg?
Zie antwoord vraag 10.
Ex-kankerpatiënten die geen of een extreem dure overlijdensrisicoverzekering krijgen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Radar-uitzending van 13 april 2026 over de schone-lei-regeling bij ex-kankerpatiënten, die nu vaak nog geen overlijdensrisicoverzekering kunnen krijgen of daar extreem hoge premies voor moeten betalen?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat nog steeds 1 op de 3 ex-kankerpatiënten wordt afgewezen voor een overlijdensrisicoverzekering vanwege hun ziekteverleden, waardoor het afsluiten van een hypotheek veel lastiger of financieel risicovoller wordt?
Kanker is een ingrijpende en nare ziekte. Het is belangrijk dat ex-kankerpatiënten niet onnodig lang met deze nare periode uit hun leven worden geconfronteerd. Zij moeten die periode kunnen afsluiten, ook bij het aangaan van een verzekering. Daarom heeft het Ministerie van Financiën in 2021 de schone-lei regeling geïntroduceerd, zodat ex-kankerpatiënten na verloop van tijd geen last meer hebben van hun medische verleden bij het aanvragen van verzekeringen. Het ministerie zet zich er hiermee voor in dat zoveel mogelijk ex-kankerpatiënten toegang krijgen tot overlijdensrisicoverzekeringen en dat hun ziektegeschiedenis ook de voorwaarden van die verzekering zo kort mogelijk beïnvloedt.
Bent u inmiddels in overleg getreden met patiëntenorganisaties, verzekeraars en andere betrokkenen om te bespreken welke nieuwe wetenschappelijke inzichten er zijn waardoor verdere differentiatie van de leeftijdstermijnen wenselijk en passend is, zoals u heeft toegezegd in de beantwoording op eerdere schriftelijke vragen van ondergetekende?2 Zo ja, wat zijn de uitkomsten van deze gesprekken en welke vervolgstappen vloeien hieruit voort? Zo nee, wanneer vinden deze gesprekken plaats?
Er vindt momenteel overleg plaats tussen artsen en onderzoekers, patiëntorganisaties en verzekeraars. De betrokken partijen zijn de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK), Integraal Kankercentrum Nederland, Nederlands Kankerinstituut/Erasmus MC/Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis, het AYA Zorgnetwerk, Stichting Jongeren en Kanker en het Verbond van Verzekeraars. Zij bekijken gezamenlijk of nieuw onderzoek aanleiding geeft tot wijziging van de termijnen uit de schone-lei-regeling. Mijn ministerie wordt op de hoogte gehouden van hun overleg en monitort de voortgang.
Indien uit de gesprekken blijkt dat de schone-lei-regeling moet worden aangepast, dan zal ik daar het initiatief toe nemen.
Binnen welk tijdsbestek kunnen de termijnen die nu worden gehanteerd binnen de schone-lei-regeling worden aangepast als uit de gesprekken met betrokkenen en wetenschappers blijkt dat dit wenselijk is en volgt uit de laatste wetenschappelijke inzichten?
Op basis van de schone-lei-regeling is het mogelijk om voor specifieke vormen van kanker een kortere termijn dan de standaard tien jaar te hanteren waarna de ex-kankerpatiënt zijn of haar doorgemaakte kanker niet hoeft te vermelden. De exacte duur van die termijnen volgt uit afspraken tussen representatieve organisaties van patiënten (NFK) en verzekeraars (Verbond van Verzekeraars). Het wijzigen daarvan gaat niet via herziening van de wettelijke regeling maar door aanpassen van de afspraken tussen deze partijen zelf. Zij hanteren daarbij als uitgangspunt dat een herziening plaatsvindt eens in de drie jaar, of zoveel sneller als de nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding toe geven.
Zodra deze partijen overeenstemming bereiken over eventuele wijzigingen dan kan daar praktische uitvoering aan worden gegeven binnen zes tot negen maanden. Deze tijd is nodig processen en beleid van verzekeraars hierop aan te laten passen.
Komen in deze gesprekken ook kankersoorten aan bod waarbij de overlevingskans vanaf het begin al heel hoog is en waarbij nauwelijks sprake is van extra sterfte ten opzichte van leeftijdsgenoten, zoals huidkanker, schildklierkanker en zaadbal- of eierstokkanker? Is de schone-lei-regeling wat u betreft passend voor deze kankersoorten?
Er zijn onder de schone-lei-regeling verschillende type kanker aangewezen waarvoor een kortere termijn dan tien jaar geldt, waaronder ook huid-, schildklier- en zaadbalkanker. De vraag is nu of op basis van nieuw wetenschappelijk onderzoek de lengte van die termijnen voor deze kankersoorten mogelijk moet worden aangepast en of nieuwe kankersoorten kunnen worden toegevoegd. Deze typen kanker komen dus zeker aan bod in de gesprekken tussen de verschillende experts.
Kunt u nader ingaan op uw uitspraak in de beantwoording op de schriftelijke vragen dat er een balans moet zijn tussen de toegankelijkheid van verzekeringen voor ex-kankerpatiënten enerzijds en de prudentiële verantwoordelijkheid van verzekeraars om passende premies te vragen anderzijds? Hoe verhoudt zich dit wat u betreft tot het solidariteitsbeginsel in ons verzekeringssysteem, zeker in het geval van jonge ex-kankerpatiënten die hun leven weer proberen op te bouwen?
Het is voor ex-kankerpatiënten van groot belang om weer toegang te krijgen tot betaalbare verzekeringen. Op die manier kunnen zij hun ziekteperiode volledig achter zich laten. Juist dat is de reden dat het Ministerie van Financiën de schone-lei-regeling heeft geïntroduceerd. Voor het goed functioneren van het stelsel van verzekeringen, is het echter ook nodig dat verzekeraars een inschatting maken van de waarschijnlijkheid dat schade optreedt en zij als gevolg daarvan een uitbetaling moeten doen. Wanneer zij bepaalde feiten of omstandigheden niet kunnen meewegen in hun acceptatieproces dan hebben zij een minder compleet beeld van de risico’s die zijzelf lopen en zijn dus minder goed in staat om een gezonde en stabiele financiële positie te waarborgen, die nodig is om zoveel mogelijk Nederlanders een goede verzekering te kunnen bieden.
Solidariteit is een belangrijke pijler van het verzekeringsstelsel. Daarbij is het uitgangspunt dat iedereen vooraf een relatief gelijk risico heeft. Als er sprake is van hogere risico’s is het in het verzekeringsstelsel gebruikelijk dat daar hogere premies tegenover staan.
De schone-lei-regeling borgt dat ook ex-kankerpatiënten kunnen rekenen op de solidariteit van het verzekeringsstelsel, op het moment dat voor hen geen hoger risico meer geldt. Op basis van de schone-lei-regeling is het definitief verboden voor verzekeraars om na een bepaalde periode de doorgemaakte kanker in hun risicobeoordeling te betrekken. Dat is een belangrijke mijlpaal in de zekerheid voor deze ex-kankerpatiënten.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat meer ex-kankerpatiënten op de hoogte zijn van het bestaan van de schone-lei-regeling?
Op dit moment kunnen ex-kankerpatiënten onder meer informatie inwinnen via de website van kanker.nl3, de website van NFK4 en de website van het Verbond van Verzekeraars5. Hier kunnen zij bijvoorbeeld een checklist invullen om te bepalen of het in hun situatie nodig is om te melden dat zij kanker hadden.
De NFK en het Verbond van Verzekeraars hebben beide te kennen gegeven dat zij bereid zijn om, waar mogelijk samen, te kijken of er mogelijkheden zijn om de bekendheid van de regeling vergroten.
Deelt u de mening dat verzekeraars bij het afsluiten van een verzekering automatisch zouden moeten wijzen op het bestaan van de schone-lei-regeling (indien van toepassing) en de bijbehorende termijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hierover met verzekeraars in gesprek te gaan om te bespreken hoe en wanneer dit onderdeel kan worden van het aanvraagproces?
Ja, daar ben ik het mee eens. Bij het afsluiten van een verzekering waar een medische keuring voor nodig is, wordt van de verzekeringsnemer gevraagd om een gezondheidsverklaring in te vullen. Dit gebeurt via een standaardmodel gezondheidsverklaring waarin ook wordt genoemd dat een doorgemaakte kanker niet in alle gevallen gemeld hoeft te worden. In de standaardtoelichting worden daarbij zowel de algemene termijnen van tien en vijf jaar als de verkorte termijnen per type kanker uit de schone-lei-regeling weergegeven.
Deelt u de mening dat eventuele hogere premies bij het aflopen van de gestelde termijn binnen de schone-lei-regeling automatisch zouden moeten worden bijgesteld naar beneden? Zo ja, bent u bereid met verzekeraars in gesprek te gaan over de implementatie hiervan? Zo nee, waarom niet?
Ex-kankerpatiënten zouden hierbij gebaat zijn. Het Verbond van Verzekeraars gaat hierover de komende tijd in gesprek met haar leden om te kijken of dit mogelijk is. Het doel is om te bezien in hoeverre verzekerden geholpen kunnen worden die bij afsluiting van hun verzekering nog niet onder de regeling vielen.
Wat vindt u ervan dat hypotheekverstrekkers verschillend beleid voeren op het gebied van het verplichten van het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering voor het verkrijgen van een hypotheek? Zou dit wat u betreft geharmoniseerd moeten worden? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Ik kan mij voorstellen dat het voor ex-kankerpatiënten frustrerend is dat zij met hun ziekteverleden worden geconfronteerd indien een overlijdensrisicoverzekering moet worden afgesloten. Doel van de schone-lei-regeling is om dit tot een minimum te beperken. Ex-kankerpatiënten kunnen gelukkig bij een deel van de hypotheekverstrekkers terecht zonder een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. Ik zie op dit moment daarom onvoldoende aanleiding om dergelijke nieuwe regels te introduceren.
Het bericht ‘Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro’: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Als we een patiënt langer laten liggen, verdienen we 12.000 euro»: waarom Bernhoven dat niet doet en daar de prijs voor betaalt»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vindt u het onwenselijk dat als een ziekenhuis om niet-medisch noodzakelijke redenen een patiënt een nacht langer laat liggen en daarmee 12.000 euro extra kan declareren terwijl de nacht in werkelijkheid maar een paar honderd euro kost? Zo nee, waarom niet?
Iedereen moet kunnen rekenen op zorg die hij of zij nodig heeft, nu en in de toekomst. Dit kabinet wil dat bereiken door passende zorg altijd en overal de norm te maken. We willen de voorlopers op passende zorg verder ondersteunen in hun aanpak. We willen bijsturen waar dat nog niet zover is. De ruimte om niet mee te doen aan passende zorg wordt verkleind. Het kabinet vindt het dan ook onwenselijk als er niet-passende zorg wordt geboden, om welke reden dan ook. Niet-passende zorg is niet alleen niet wenselijk voor de patiënt en zorgprofessional, het leidt ook tot hogere zorgkosten en daarmee een hogere zorgpremie.
Daarom heeft het kabinet de Kamer onlangs geïnformeerd over een samenhangend pakket aan maatregelen, waarin staat beschreven hoe dit kabinet het doel van het passende zorg als norm maken wil bereiken.2 Dit pakket aan maatregelen gaat over de zorginhoud van passende zorg, de rol van zorgaanbieders, de rol van zorgverzekeraars en over solidariteit in de zin van hoeveel we (mee)betalen aan de zorgkosten.
Staat u achter het principe van «passende zorg»? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet staat achter dat principe, zoals ook toegelicht in het vorige antwoord.
Deelt u de mening dat de manier waarop ziekenhuizen worden gefinancierd slecht aansluit op het principe «passende zorg» en leidt tot perverse prikkels? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Het streven is dat de inzet op passende zorg lonend moet zijn. We zien dat in de situatie van Bernhoven er lessen te leren zijn, waar aanbieders en verzekeraars nu al mee aan de slag kunnen en waar het kabinet bij het verbeteren van de randvoorwaarden voor partijen ook goed rekening mee zal houden.
In algemene zin geldt dat het financiële resultaat van een zorginstelling met diverse factoren kan samenhangen, zoals de individuele bedrijfsvoering en de kosten van de zorginstelling. Specifiek in relatie tot de financiering door zorgverzekeraars in het zorgverzekeringsstelsel, gelden in de medisch-specialistische zorg voor het grootste gedeelte vrije tarieven. Dat betekent dat de tarieven in dit specifieke geval worden vastgesteld in contractbesprekingen tussen het ziekenhuis Bernhoven en zorgverzekeraars. Daarbij is veel ruimte voor partijen om verschillende soorten afspraken te maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van aanneemsommen en kritieke prestatie indicatoren(kpi’s), die gericht kunnen zijn op passende zorg.
Daarnaast kijkt dit kabinet of de bekostiging en andere randvoorwaarden voldoende aansluiten bij wat we van partijen vragen. Waar nodig passen we deze aan. Zo heeft ook de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) eerder geconcludeerd dat de huidige bekostiging van de medisch-specialistische zorg de beweging naar passende zorg onvoldoende ondersteunt.3 Daarom onderzoekt de NZa samen met veldpartijen welke verbeteringen nodig zijn. Dit doet de NZa aan de hand van een aantal thema’s die aansluiten bij de afspraken in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA).
Bent u van mening dat de financiële zekerheid voor de regionale ziekenhuizen vergroot moet worden? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland, ongeacht woon- of verblijfplaats, toegang heeft tot goede zorg. Toegankelijke medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Regionale ziekenhuizen vervullen een belangrijke rol in het zorglandschap. In het AZWA is afgesproken dat aanbieders in een regio samenwerken in netwerken, waarbij de ziekenhuizen hun aanbod en hun huidig en toekomstig portfolio op elkaar afstemmen, zodat het regionale zorgaanbod ook in de toekomst aansluit op de zorgbehoefte in de regio en optimaal gebruik wordt gemaakt van regionaal beschikbare kennis, capaciteit en infrastructuur. Het is aan verzekeraars en aanbieders om via de contractering onder meer passende financiële afspraken te maken.
Staat het doel van de invoering van de budgetbekostiging seh nog overeind, namelijk meer financiële zekerheid voor regionale ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de invoering van budgetbekostiging SEH is een bijdrage leveren aan de transitie van de organisatie van acute zorg die nodig is om de acute zorg ook in de toekomst voor patiënten toegankelijk en van goede kwaliteit te houden. De invoering van budgetbekostiging voor de SEH gebeurt in stappen. Per 1 januari 2027 wordt de eerste stap gezet, waarna de bekostiging verder zal worden doorontwikkeld. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat de invoering macro budgetneutraal plaatsvindt.
Doordat ziekenhuizen bij de huidige bekostiging een directer financieel belang kunnen hebben bij het behandelen van patiënten op de SEH, kan het moeilijker zijn om regionale afspraken te maken over samenwerking en bijvoorbeeld het verplaatsen van zorg naar een beter passende plek in de spoedzorgketen zoals van de SEH naar de huisartsenspoed-post. Binnen de acute zorg worden de ambulancezorg en de huisartsenspoedposten al op basis van een budget bekostigd. Budgetbekostiging voor de SEH kan de productieprikkel verminderen, de ketensamenwerking bevorderen en daarmee een doelmatige inzet van schaarse capaciteit beter ondersteunen. En vanwege de garantie van een budget, biedt budgetbekostiging meer financiële zekerheid voor ziekenhuizen om in een passend zorgaanbod op de SEH te kunnen voorzien.
De verkoop van niet-preferente geneesmiddelen |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Op welke wettelijke bepaling, regelgeving of contractuele afspraak baseerde u uw uitspraak tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 dat apotheken gedurende zes weken een niet-preferent middel mogen blijven afleveren nadat het preferente middel na een tekort weer beschikbaar is?
Tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 heb ik aangegeven dat alternatieve geneesmiddelen nog enkele weken, maximaal zes, ter hand gesteld kunnen worden nadat het preferente geneesmiddel weer beschikbaar is. De termijn die ik noemde, kwam destijds voort uit navraag bij één van de grote zorgverzekeraars die bij een nalevingscontrole op preferentiebeleid een termijn hanteerde van twee weken vóór en vier weken na een door de zorgverzekeraar vastgesteld tekort waarin apothekers vrij waren om óók niet preferente middelen vergoed aan hun patiënten mee te geven. Mijn beantwoording was dus niet gestoeld op een wettelijke bepaling of regelgeving, maar ging in op een contractuele afspraak tussen een van de grote zorgverzekeraars en apothekers.
Naar aanleiding van de vraag van lid Bushoff (PRO) tijdens het tweeminutendebat Eerstelijnszorg en deze set Kamervragen heeft het kabinet aanvullend navraag gedaan bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en haar achterban. Ten algemene geldt dat de vergoeding van alternatieve middelen tijdens een tekort van een preferent middel individueel beleid van de zorgverzekeraar is. Er bestaat dus variatie tussen zorgverzekeraars, maar zij geven aan altijd te handelen vanuit redelijkheid en billijkheid. De afspraken hierover liggen vast in de contracten tussen zorgverzekeraars en apothekers. Ook blijkt uit de navraag dat de termijn van zes weken die ik tijdens het debat noemde ook bij enkele andere grote zorgverzekeraars wordt gehanteerd, en soms ruimer is.
In het antwoord op vraag 3 gaat het kabinet op basis van deze aanvullende navraag nader in op de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn en hoe de zorgverzekeraars hiermee omgaan.
Wat zijn de huidige regels en wettelijke bepalingen voor de vergoedingen en verstrekkingen van geneesmiddelen binnen het preferentiebeleid?
De huidige regels ten aanzien van het preferentiebeleid zijn vastgelegd in artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering.1 Daarnaast gelden er veldafspraken, zoals de afspraken die zijn vastgelegd in de Leidraad Verantwoord Wisselen Medicijnen2, de afspraken van de Taakgroep Preferentiebeleid3 en de afspraken in het AZWA om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. Binnen de kaders die regelgeving en veldafspraken bieden, hebben zorgverzekeraars de ruimte om naar eigen inzicht invulling te geven aan het preferentiebeleid. Hierbij geldt uiteraard de zorgplicht die zorgverzekeraars voor hun verzekerden hebben.
Wat zijn daarbij specifiek de regels voor verkoop en vergoedingen wanneer preferente middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn? Wat betekent dit voor de verkoop en vergoedingen van niet-preferente middelen?
Zolang zorgverzekeraars zich houden aan artikel 2.8 van het Besluit Zorgverzekering en genoemde veldafspraken, kunnen zorgverzekeraars naar eigen inzicht invulling geven aan het preferentiebeleid. Dit geldt ook voor de afspraken die zij in de zorgcontractering met apotheken maken over de verkoop en vergoedingen wanneer preferent aangewezen middelen na een periode van tekorten weer leverbaar zijn.
Zoals bij het antwoord op vraag 1 aangegeven heeft het kabinet ZN gevraagd om bij haar achterban na te gaan hoe zorgverzekeraars hier in de praktijk mee omgaan. Wanneer er sprake is van een tekort aan een preferent aangewezen middel passen zorgverzekeraars in de praktijk twee mogelijkheden toe. Een zorgverzekeraar kan ervoor kiezen een ander middel als preferent aan te wijzen of een cluster van geneesmiddelen volledig open te zetten. In die laatste situatie zijn apothekers (tijdelijk) vrij om andere producten uit dat cluster vergoed af te leveren aan hun patiënten. Hoe zorgverzekeraars binnen deze twee mogelijkheden de middelen vergoeden aan apothekers verschilt per zorgverzekeraar. De afspraken hierover zijn onderdeel van de contractering tussen zorgverzekeraars en apothekers.
ZN laat weten dat zorgverzekeraars ernaar streven om redelijk en billijk om te gaan met apothekers wanneer een preferent aangewezen middel niet beschikbaar is. Het kabinet constateert echter wel dat er geen uniformiteit is in deze aanpak en dat niet iedere aanpak vanuit de ervaring van de apotheek even goed werkt. Koepels van apothekers, apotheekhoudende huisartsen, zorgverzekeraars, groothandels en leveranciers werken binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent middel. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze afspraken gemaakt worden.
Klopt het dat niet-preferente middelen niet meer verstrekt mogen worden wanneer het preferente middel weer beschikbaar is of slechts tegen de laagste prijsgarantie (LPG) worden vergoed?
Het verschilt per zorgverzekeraar en per situatie of dit klopt. Hoe de afrekening tussen apotheek en zorgverzekeraar tijdens en na een tekort van een preferent geneesmiddel verloopt, is opgenomen in de contractafspraken tussen zorgverzekeraars en apotheken. Uit de navraag die ZN bij haar leden heeft gedaan blijkt dat dit per situatie en per zorgverzekeraar verschilt. Allereerst geldt ten algemene dat zorgverzekeraars naast LPG vaak LPG + bandbreedte hanteren, waarin boven de «laagste prijs» een bandbreedte wordt gehanteerd. Bij tekorten wordt vaak helemaal geen (vorm van) LPG gehanteerd. Daarnaast zijn er zorgverzekeraars die een coulanceperiode hanteren, gedurende welke periode niet-preferente middelen nog verstrekt mogen worden. Tot slot speelt nog mee dat in artikel 2.8 Besluit Zorgverzekering de uitzondering van medische noodzaak is opgenomen. In het geval van medische noodzaak wordt ook een niet-aangewezen middel volledig door de zorgverzekeraar vergoed.
Klopt het dat aflevering van niet-preferentie middelen negatief meetelt in de preferentiegraad van apotheken en invloed heeft op de contractonderhandelingen voor het volgende jaar?
Zorgverzekeraars maken tijdens de zorgcontractering afspraken met apotheken over het preferentiebeleid. Hoe de preferentiegraad daarin wordt meegenomen verschilt per zorgverzekeraar. De zorgverzekeraars die reageerden op de navraag van ZN gaven aan rekening te houden met de marktomstandigheden bij het beoordelen van de zogenaamde preferentie-compliance van apotheken – de periode rondom een tekort werd door hen niet meegenomen bij het bepalen van de preferentiegraad. Ook wordt er door zorgverzekeraars gekeken naar het marktgemiddelde, met andere woorden, hoe is de preferentie-compliance van een apotheek ten opzichte van een benchmark. Tot slot gaven de twee zorgverzekeraars aan de preferentiegraad niet te betrekken bij de zorginkoop voor het volgende jaar, danwel als onderdeel van een bredere set indicatoren. Overigens geldt ook hier dat het aan iedere zorgverzekeraar is om hier eigen beleid op te maken.
Klopt het dat de enige coulanceregelingen rondom het preferentiebeleid gelden rondom de jaarwisseling en bij geplande grote preferentiewissels, en dat dit slechts bij een beperkt aantal zorgverzekeraars geldt?
Dat klopt niet volledig. Er zijn ook (coulance)regelingen specifiek voor geneesmiddelen die uit het buitenland geïmporteerd zijn onder een vrijstelling van de IGJ en er zijn zorgverzekeraars die (vormen van) coulance geven rondom tekorten, ook gedurende het jaar. Wat wel klopt is dat apotheken aangeven dat het ontbreken van uniforme afspraken hierover voor hen een groot knelpunt is, zeker in het geval van een tekort aan een preferent middel. Het kabinet hecht dan ook veel belang aan de inzet van partijen om tot goede afspraken te komen.
Deelt u de opvatting dat dit beleid leidt tot medicijnenverspilling in tijden van schaarste en financiële risico’s voor apothekers, die niet-preferente middelen op de plank (moeten) laten liggen?
Er zijn op dit moment geen goede, onafhankelijke gegevens over de effecten van het preferentiebeleid op medicijnverspilling of de financiële situatie van apothekers op basis waarvan het kabinet daar een oordeel over te geven. Op verzoek van de Kamer laat het kabinet een onafhankelijke evaluatie van het
preferentiebeleid uitvoeren. In deze kosten-baten analyse worden ook de effecten van het preferentiebeleid op de apotheek meegenomen. Het kabinet verwacht de Kamer dit najaar het rapport vergezeld van een beleidsreactie toe te zenden.
Deelt u de mening dat de huidige situatie meer ruimte vraagt om de risico’s en verspilling aan te pakken?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een onafhankelijke evaluatie van het huidige preferentiebeleid en de toepassing daarvan, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het kabinet wacht deze evaluatie af voordat eventuele maatregelen worden genomen.
Hoe kijkt u naar de mogelijkheid om apotheken bij de (terug)komst van een preferent aangewezen geneesmiddel meer tijd te geven om de bestaande voorraad van het niet-preferente middel uit te verkopen? Hoe beziet u hierbij de mogelijkheid tot het invoeren van een uitverkooptermijn van niet-preferente middelen na een tekortperiode?
Het staat zorgverzekeraars en apothekers vrij om in de contractering of in de vorm van veldafspraken afspraken hierover te maken. Vanuit de overheid zijn daar geen belemmeringen voor. Daarnaast werken veldpartijen, waaronder zorgverzekeraars en apotheken, in het kader van het AZWA bijvoorbeeld aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en/of vergoedingstermijn van producten bij wisseling van preferent product. Het kabinet juicht dat toe, net als alle andere initiatieven van stakeholders om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te bevorderen en de negatieve effecten van geneesmiddelentekorten te minimaliseren.
Het bericht dat steeds meer dak- en thuisloze kinderen in de klas zitten als gevolg van woningnood |
|
Nicole Moinat (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat leraren steeds vaker dak- en thuisloze kinderen in de klas zien en dat scholen hiervoor steeds vaker hulp moeten inschakelen?1
Ja.
Deelt u de constatering dat woningnood directe en ernstige gevolgen heeft voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Ja, woningnood kan directe en ernstige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en onderwijskansen van kinderen. Ieder kind verdient (passend) onderwijs. Het moet vanzelfsprekend zijn dat alle kinderen deel kunnen nemen aan het onderwijs, zich optimaal kunnen ontwikkelen en zich kunnen voorbereiden op vervolgonderwijs en deelname aan de maatschappij. De schrijnende situaties die worden beschreven in het artikel, waarbij kinderen geen stabiele en veilige thuisbasis hebben, belemmeren de mogelijkheden voor de kinderen. Ik deel de zorgen rondom deze signalen.
Door de schaarste op de woningmarkt is het voor veel gezinnen moeilijk om een passende woning te vinden. Soms lukt het helemaal niet om een eigen woonplek te vinden en komen zij noodgedwongen terecht bij vrienden of familie, in vakantieparken of in de maatschappelijke opvang. Geen enkel kind zou een verwoestende en vaak traumatische periode van dakloosheid in hun leven mee moeten maken. Juist in gevallen van dakloosheid waar kinderen bij betrokken zijn, moet een gemeente er alles aan doen om het gezin te helpen.
Hoeveel minderjarige kinderen in Nederland verkeren momenteel in een situatie van dak- of thuisloosheid? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar leeftijd, regio en type onderwijsdeelname?
Er zijn geen landelijke cijfers bekend hoeveel minderjarige kinderen verkeren in een situatie van dakloosheid. De regionale Ethos-tellingen waarnaar verwezen wordt in het bericht, geven voor een aantal regio’s een duidelijk beeld. De aantallen uit het bericht zijn een weergave van het aantal dakloze kinderen (totaal 4.062) dat op 8 april 2025 in 9 regio’s (totaal 57 gemeenten) geteld is. Deze Ethos-telingen zijn de afgelopen jaren in 124 gemeenten uitgevoerd en in 2026 volgen nog eens 96 gemeenten. Zodoende hebben deze regio’s goed zicht op het aantal dakloze, minderjarige kinderen en hun verblijfsituatie. Het is onbekend welk type onderwijs deze kinderen volgen.
In hoeverre is er zicht op «verborgen dakloosheid», zoals kinderen die tijdelijk bij familie of kennissen verblijven? Acht u de huidige registratie toereikend?
Zie ook het antwoord op vraag 3. De Ethos-tellingen zijn gebaseerd op een brede definitie, waar verborgen dakloosheid (verblijven bij vrienden/familie, verblijf op een vakantiepark, etc.) onderdeel van is. Met een telling krijgt een regio goed zicht op het aantal dakloze kinderen én de wijze van hun verblijf. Op basis van deze informatie kan een regio zorgen dat beleid en uitvoering beter aansluit op de behoefte van dakloze mensen. VWS wil de aankomende jaren faciliteren dat in alle regio’s periodiek tellingen worden uitgevoerd. Zodoende krijgen gemeenten en regio’s goed zicht op verborgen dakloosheid én dakloosheid onder minderjarigen.
Welke ondersteuning ontvangen scholen momenteel om deze kwetsbare groep leerlingen te begeleiden, zowel op sociaal als medisch vlak?
Scholen zijn er in de eerste plaats om goed onderwijs te verzorgen voor alle leerlingen, ook voor kwetsbare leerlingen. School moet daarvoor een veilige omgeving zijn waarin alle kinderen zich kunnen ontwikkelen. Zo’n schoolklimaat leidt behalve tot betere leerprestaties en een hogere motivatie, ook tot een sterker welbevinden van kinderen. Scholen met veel kwetsbare leerlingen ontvangen extra bekostiging om hierin te voorzien. School speelt verder een centrale rol in de pedagogische basis als plek voor ontwikkeling en ontmoeting. School kan samen met partners bijdragen aan het versterken van sociale netwerken, de zelfredzaamheid en de veerkracht van gezinnen, bijvoorbeeld door ouders met elkaar in contact te brengen of door hen te betrekken bij schoolactiviteiten. Waar nodig kan de school ondersteuning bieden om te kunnen leren, zoals een gevulde maag met een schoolmaaltijd, een plek om huiswerk te maken of naschoolse activiteiten. Het kabinet werkt aan het verstevigen van het schoolklimaat en de pedagogische basis op iedere school. Ook verbeteren we de samenwerking tussen de school en de partners rondom de school zoals kinderopvang, jeugdgezondheidszorg, welzijn en jeugdhulp. Vanaf 2027 investeert het Ministerie van OCW 650 miljoen euro per jaar in de verduurzaming van programma’s School & Omgeving, Brugfunctionaris en Schoolmaaltijden.
Deelt u de opvatting dat het niet de kerntaak van het onderwijs is om structurele maatschappelijke problemen zoals dakloosheid op te vangen? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze verantwoordelijkheid alsnog bij scholen terechtkomt?
De problemen die gepaard gaan bij een situatie van dakloosheid, worden door veel partijen gevoeld, maar iedere partij heeft een andere verantwoordelijkheid. De gemeente heeft een regierol als het gaat om het voorkomen van dakloosheid. Ik deel de opvatting dat het niet de kerntaak is van het onderwijs om het probleem van dakloosheid op te vangen. Het onderwijs is immers bedoeld om kinderen te ontwikkelen, zodat ze kunnen meedoen in de maatschappij. School is wel een plaats waar zorgelijke situaties aan het licht kunnen komen, zoals ook in het artikel wordt geïllustreerd. Vanuit school kan daarna contact gelegd worden met de bredere ondersteuningsstructuur rondom de school. Hierbij kan gedacht worden aan jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk of lokale teams.
Welke rol spelen jeugdzorg, gemeenten en de publieke gezondheidszorg bij de ondersteuning van deze kinderen, en is deze inzet naar uw oordeel voldoende?
Gemeenten zijn op basis van de Jeugdwet en de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning en zorg aan volwassenen en kinderen die kampen met sociale en/of psychische problematiek. Zij kopen verschillende vormen van ondersteuning en (maatschappelijke) opvang in waar inwoners gebruik van kunnen maken. Slechts een deel van de dakloze gezinnen heeft te maken met sociale of psychische problemen. Vaak is het gezin in de eerste plaats geholpen met het vinden van passende woonplek. Hoe langer de periode van dakloosheid duurt, hoe groter de kans dat sociale en/of psychische problemenontstaan of verergeren. Daarom werkt het kabinet samen met provincies, gemeenten, corporaties en ontwikkelaars aan het tegengaan van de wooncrisis door het versnellen van de woningbouw en het beter benutten van bestaande woonruimte. Gemeenten doen er alles aan om dakloze gezinnen zo goed mogelijk te helpen. De schaarste op de woningmarkt en in de opvang, maakt dat er niet altijd op korte termijn een passende plek beschikbaar is.
Hoe wordt voorkomen dat deze kinderen onderwijsachterstanden oplopen als gevolg van instabiele woonomstandigheden, stress en verzuim?
De basis om goed onderwijs te kunnen volgen, is een veilige leeromgeving waar een leerling zich gezien weet. Toch is het niet volledig te voorkomen dat leerlingen met stress, door bijvoorbeeld dakloosheid, het risico op achterstanden lopen. Door programma’s als Schoolmaaltijden, Brugfunctionaris en School en Omgeving en het onderwijsachterstandenbeleid wordt ingezet op het verminderen van de effecten van stress en het vergroten van de leer- en ontwikkelmogelijkheden van de meest kwetsbare leerlingen. Scholen met een hoge populatie kwetsbare leerlingen kunnen aanvullende middelen ontvangen om het negatieve effect dat omgevingsfactoren kunnen hebben op de leerkansen te verminderen. Dit stelt scholen in staat om aanvullende ondersteuning te bieden die het risico op achterstanden verkleinen in de vorm van bijvoorbeeld een schoolmaaltijd of ontwikkelactiviteiten, zodat ook deze leerlingen beter kunnen deelnemen aan het onderwijs. Brugfunctionarissen kunnen daarbij een voor de leerkrachten ontlastende rol vervullen.
Hoeveel gezinnen met minderjarige kinderen vallen momenteel buiten de reguliere opvang of hulpverlening, en wat zijn daarvan de oorzaken?
Het is niet bekend hoeveel dakloze gezinnen met minderjarige kinderen buiten de opvang of hulpverlening vallen. Om te bepalen of een gezin überhaupt in aanmerking komt voor gemeentelijke jeugdhulp of Wmo-ondersteuning (waaronder maatschappelijke opvang), voert de gemeente een onderzoek uit. Het niet beschikken over passende woonruimte is op zichzelf geen reden om in aanmerking te komen voor opvang. Op het moment dat het gezin zelfredzaam wordt bevonden, is een gemeente niet verplicht een voorziening te verstrekken. De gemeente mag een zelfredzaam gezin wel toegang geven tot de opvang, al zijn de gezinnen vooral gebaat bij passende huisvesting. Ik begrijp de complexiteit daarvan vanwege de schaarse woningmarkt, maar ik roep lokale partijen wel op om passende oplossingen te vinden.
Welke concrete maatregelen neemt u om dakloosheid onder minderjarigen terug te dringen en verdere toename te voorkomen?
Sinds de start van de ETHOS-tellingen zijn dakloze vrouwen en kinderen beter in beeld, waarbij opvalt dat de groep groter is dan eerder werd gedacht. Steeds meer regio’s nemen deze groepen daardoor beter mee in besluiten rondom woningbouw, tijdelijke huisvesting / flexwonen en het organiseren van kleinschalige opvang. Daarnaast werkt de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting. Met het aangenomen amendement Grinwis2 worden (dreigend) dakloze mensen met minderjarige kinderen aangemerkt als een urgentiecategorie. Dit betekent dat deze gezinnen onder bepaalde voorwaarden met voorrang recht krijgen op een woning. Aanvullend hierop zetten we in op de uitvoering van de «Actie-agenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar)»3, waarmee we het aantal dakloze jongeren willen reduceren en een verdere toename willen voorkomen.
De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Ik ben bekend met de zorgen van een deel van de beroepsgroep K&J-psychologen en de wijze waarop zij de communicatie rondom het conceptwetsvoorstel heeft ervaren. Zij zijn van mening dat gedurende beleidsvoorbereiding van een mogelijk wetsvoorstel verwachtingen zijn gewekt over het reguleren van één nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» (een samenvoeging van de K&J-psycholoog NIP en de gz-psycholoog). De stelling dat hierbij vanuit het kabinet verwachtingen zijn gewekt over de doorgang van het wetsvoorstel, deel ik niet.
In het wetgevingsproces is het gebruikelijk dat over voorgenomen beleid en concepten voor wetsvoorstellen wordt gecommuniceerd, zoals via nieuwsberichten, brieven aan uw Kamer en tijdens de internetconsultatie.
De communicatie vanuit het Ministerie van VWS over het conceptwetsvoorstel had betrekking op een beleidsvoornemen dat nog in voorbereiding was en nog in consultatie moest gaan. Er was geen sprake van een ingediend voorstel of aangenomen wet. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom nieuwsberichten over dit conceptwetsvoorstel zich beperken tot hoofdlijnen en waarom er nog geen details over de verdere uitwerking en voorwaarden konden worden verstrekt. Uiteraard is VWS niet verantwoordelijk voor communicatie of verwachtingen die door derden in het veld worden geuit.
Na een analyse van de ruim 2.300 overwegend negatieve reacties op de internetconsultatie bleek dat het voorstel onvoldoende bijdraagt aan de beoogde doelstellingen, zoals het vereenvoudigen van de beroepenstructuur en het verbeteren van transparantie. Onder meer bleek uit de reacties dat het voorstel juist tot meer verwarring kan leiden, zowel bij zorgprofessionals als bij cliënten. Bovendien was er voor het voorstel onvoldoende draagvlak onder BIG-geregistreerde en niet-BIG geregistreerde beroepsgroepen. Hiernaast kan omzetting van K&J- psychologen naar een BIG-beroep leiden tot onnodige hoge zorgkosten, is dit niet proportioneel, en niet nodig voor het borgen van de kwaliteit van zorg, de patiëntveiligheid en continuïteit van jeugdhulp. Om voornoemde redenen is de Tweede Kamer op 21 november 2024 via de Verzamelbrief Wet BIG 2024 geïnformeerd over het besluit om het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur in de psychologische zorg niet door te zetten.2
Zoals mijn voorganger in het tweeminutendebat op 26 november 20253 heeft aangegeven, heeft een groep K&J-psychologen vooruitlopend op politieke besluitvorming, geheel op eigen initiatief geanticipeerd op het conceptwetsvoorstel door te kiezen voor bepaalde opleidingen met het oog op de mogelijk toekomstige situatie.4 Tijdens een wetgevingsproces kunnen plannen regelmatig wijzigen of worden ingetrokken. Een wetsvoorstel is pas definitief nadat het door beide Kamers is aanvaard en vervolgens tot wet is verheven. Tot dat moment zijn conceptwetsvoorstellen uitsluitend beleidsvoornemens waarop geen aanspraken kunnen worden gebaseerd. Het zorgvuldigheidsbeginsel is in acht genomen door het conceptwetsvoorstel in consultatie te brengen en de reacties zorgvuldig te analyseren voordat een besluit werd genomen over het al dan niet voortzetten van het voorstel. De internetconsultatie liet zien dat het voorstel de beoogde doelen niet zou realiseren, zelfs negatieve effecten met zich mee zou brengen, en op onvoldoende draagvlak kon rekenen, hetgeen het besluit om het conceptwetsvoorstel niet door te zetten rechtvaardigt. In dat licht deel ik niet de conclusie dat door het Ministerie van VWS duidelijke verwachtingen zijn gewekt over dat de in het conceptvoorstel voorgestelde beroepenstructuur ongewijzigd zou worden ingevoerd of dat een overgangsregeling zou volgen. Ik ben daarom van mening dat is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.
Overigens staat het zorgverleners vrij om op basis van een beleidsvoornemen keuzes te maken in opleiding of loopbaan, maar deze keuzes worden dan gemaakt in een context waarin het wetgevingsproces nog niet is afgerond en uitkomsten kunnen wijzigen of niet doorgaan. Net als bij andere conceptwetsvoorstellen en beleidsvoornemens die uiteindelijk niet worden doorgezet, leidt het niet doorzetten van dit conceptwetsvoorstel en de communicatie hierover niet tot een overgangs- of coulanceregeling voor K&J-psychologen die zich hebben omgeschoold.
Zoals in mijn brief op 18 maart 2026 aan uw Kamer5 gemeld is dit op 4 februari 2026 door mijn ambtsvoorganger in het rondetafelgesprek met veldpartijen uit de ggz6 nogmaals toelicht. Veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen. Bovendien is tijdens het rondetafelgesprek afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken hoe K&J-psychologen breed ingezet kunnen worden.
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Met het organiseren van een rondetafelgesprek met relevante veldpartijen heb ik uitvoering gegeven aan de motie Bushoff/Van den Hil.7 Zoals ook in mijn brief van 18 maart 20268 aan uw Kamer gemeld, had het rondetafelgesprek van 4 februari 2026 als doel om vanuit een faciliterende rol veldpartijen met elkaar in gesprek te brengen over knelpunten in de praktijk rond de inzet van K&J-psychologen, in het bijzonder in relatie tot het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en het regiebehandelaarschap, en om ruimte te bieden voor het bespreken van mogelijke verbeteringen in de inzet en benutting van deze beroepsgroep.
De agenda voor dit rondetafelgesprek is in overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, waaronder zowel K&J-psychologen als gz-psychologen, opgesteld. Voor dit rondetafelgesprek zijn de partijen uitgenodigd die betrokken zijn bij de betreffende veldnormen en kaders. Het NIP heeft aangegeven de belangen van K&J-psychologen te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan het collectief van K&J-psychologen kenbaar gemaakt dat zij hun inbreng via het NIP konden aanleveren.
In reactie op de motie is uw Kamer ook geïnformeerd over het feit dat aan beleidsvoornemens bij een conceptwetsvoorstel geen rechten kunnen worden ontleend en dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen niet aan de orde is.9 Ik ben continu in overleg met vertegenwoordigers van beroepsverenigingen, brancheorganisaties en cliëntenorganisaties en verwijs hierbij ook graag naar mijn antwoord op uw tweede vraag en het feit dat veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen.
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Ik herken die conclusie niet, aangezien uit de analyse van de internetconsultatie door KPMG niet blijkt dat de kritiek zich vrijwel uitsluitend richtte op de voorgestelde samenvoeging van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut.11
Uit de analyse blijkt dat in totaal 2.295 reactie op het conceptwetsvoorstel inhoudelijk zijn geanalyseerd. KPMG concludeert dat circa 85% van de respondenten negatief stond tegenover het wetsvoorstel in de voorgestelde vorm. Daarbij hadden de reacties betrekking op meerdere onderdelen van het voorstel en niet uitsluitend op één specifieke samenvoeging. In de analyse wordt onder meer gewezen op zorgen over de nieuwe beroepenstructuur, de gehanteerde terminologie, de uitvoerbaarheid van het voorstel, het draagvlak binnen de sector en de mogelijke gevolgen voor verschillende beroepsgroepen. Ook zijn afzonderlijke reacties van K&J-psychologen in de analyse betrokken. Daarnaast liepen de reacties uiteen ten aanzien van het deskundigheidsgebied van de nieuwe gz-psycholoog-generalist, waaronder de samenvoeging van gz-psychologen en K&J-psychologen, en de gevolgen daarvan voor de afbakening en herkenbaarheid van verschillende beroepsgroepen. Ook blijkt uit deze analyse dat veel respondenten van mening waren dat het conceptwetsvoorstel onvoldoende zou bijdragen aan de beoogde doelstellingen, waaronder het vereenvoudigen van de beroepenstructuur in de psychologische zorg en het vergroten van de transparantie voor patiënten en verwijzers en juist zou leiden tot meer onduidelijkheid.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 12 november 202412 toegelicht is mede op basis van de zorgvuldige analyse van de reacties uit de internetconsultatie geconcludeerd om het gehele conceptwetsvoorstel niet door te zetten.
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Ik deel de veronderstelling niet dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz. De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment toereikend geacht om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel heeft geen effect op de capaciteit van de betrokken zorgmedewerkers. De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment toereikend geacht om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Zoals aan uw Kamer op 22 mei 2026 gemeld, stel ik voor de gz-psycholoog opleidingsplaatsen beschikbaar conform het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan verminderd met het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie jaar.13 Ik verwacht dat dit aantal gecombineerd met de reeds 21.451 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen14 voor wat betreft deze beroepsgroep voldoende zal bijdragen aan de zorg in de ggz. Het is belangrijk dat er niet meer wordt opgeleid dan door het Capaciteitsorgaan geadviseerd om een zogenoemde varkenscyclus te voorkomen.
De oorzaken van de oplopende wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg zijn divers en niet zonder meer terug te voeren op uitsluitend het aantal BIG-geregistreerde gz-psychologen. Zoals in mijn brief aan uw Kamer op 22 mei 202615 gemeld zie ik dat het ophogen van het aantal opleidingsplekken van gz-psychologen in algemene zin16, niet bijdraagt aan meer capaciteit in de gespecialiseerde ggz omdat – zoals ook in diverse rapporten17 geconstateerd – de uitstroom van gz-psychologen uit de ggz-instellingen naar de vrijgevestigde praktijken hoog is. Het moge duidelijk zijn dat met het meer opleiden van gz-psychologen de verschuiving naar complexere zorg niet zomaar te realiseren valt. Om de verschuiving naar complexere zorg te bevorderen zal ik een verkenning starten naar alternatieven voor de huidige financiering, die middels een beschikbaarheidsbijdrage loopt, van opleidingsplekken voor gz-psychologen. Daarbij zal ik nadrukkelijk de mogelijkheden verkennen om de acute en complexe ggz beter in staat te stellen om prikkels in te bouwen zodat de door hen opgeleide gz-psychologen langer voor de acute en complexe ggz blijven behouden. Tegelijkertijd kan het bestaande proces, dat zorgvuldig is vormgegeven, niet zomaar worden vervangen. Ook dat zal ik meenemen in de verkenning.
Hiernaast spelen ook organisatorische factoren een rol. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) signaleert dat een gebrek aan samenwerking tussen zorgaanbieders leidt tot langere wachttijden en dat er nog onvoldoende afspraken zijn gemaakt over de verdeling van verantwoordelijkheden voor cliënten die op een wachtlijst staan. Hierdoor kent het terugdringen van de wachttijden in de ggz geen simpele oplossing, maar is een brede aanpak en een lange adem nodig. Met het IZA, het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), de Aanpak Mentale gezondheid van ons allemaal en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord zetten we samen met aanbieders en verzekeraars belangrijke stappen.18
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
De overgang van 18- naar 18+ vraagt om goede samenwerking en afstemming tussen zorgprofessionals in de jeugd- en volwassen-ggz, maar daarvoor is een specifieke overgang van K&J-psychologen naar registratie als GZ-psycholoog niet noodzakelijk.
K&J-psychologen kunnen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext en kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Daarnaast bestaat er een overgangsregeling19 voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden: zij kunnen hun behandeling tijdelijk voortzetten onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis/vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap. De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Zoals in de brief van 18 maart 202620 aan uw Kamer gemeld, is hierover, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.21 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
Het uitgangspunt van de Wet BIG is dat beroepen alleen worden gereguleerd indien dat noodzakelijk is voor het bewaken van de patiëntveiligheid en kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar.22 Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022 aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is, omdat de kwaliteit van de zorg reeds voldoende wordt gewaarborgd, onder meer via het Kwaliteitsregister Jeugd.23 K&J-psychologen kunnen al werken in de jeugdhulp en kunnen dat blijven doen, aangezien voor deze groep de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing is.
Verzoeken tot regulering van beroepen komen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit van de individuele zorgverlener, maar hangen samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning of declaratiemogelijkheden.24 Dit acht ik onwenselijk. Onnodige regulering kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit. Daarom is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en patiëntveiligheid.
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Zoals ik in mijn brief van 18 maart 202625 aan uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing. De hierin opgenomen overgangsregeling26 van jeugd-ggz naar volwassen-ggz is sinds 1 januari 2017 van toepassing en is opgesteld in samenwerking tussen zorgaanbieders, beroepsgroepen, zorgverzekeraars en andere relevante betrokkenen.27
De periode rond het achttiende levensjaar is een kwetsbare fase voor jongeren met psychische problematiek. Het is daarom van belang om de continuïteit van zorg te waarborgen bij de overgang van jeugdhulp naar zorg op grond van de zorgverzekeringswet (Zvw). De overgangsregeling dient hierin ter ondersteuning door behoud van de opgebouwde behandelrelatie voor een periode van één jaar mogelijk te maken.
De overgangsregeling in het LKS kent een maximale duur van 365 dagen en is erop gericht de continuïteit van zorg te waarborgen, door afronding van de behandeling of een zorgvuldige overdracht naar de volwassen-ggz mogelijk te maken. Het is de bedoeling dat de overgangsregeling in het LKS wordt benut als overbruggingsperiode om een soepele overgang zonder abrupte beëindiging van zorg te realiseren. Dit betekent dat deze periode gebruikt wordt als overbrugging van de jeugd-ggz naar de volwassen-ggz in het geval dat de behandeling niet in deze periode kan worden afgerond. Binnen deze periode staat een zorgvuldige voorbereiding op de overgang centraal.
Samen met gemeenten, jeugdhulpaanbieders en zorgverzekeraars wordt ingezet op verdere verbetering van de overgang van jeugdhulp naar de volwassen-ggz als geheel. Dit onderwerp maakt daarom onderdeel uit van de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ.
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Die conclusie deel ik niet. Zoals eerder aan uw Kamer is toegelicht, is geconcludeerd dat omzetting van K&J-psychologen naar een BIG-beroep kan leiden tot hogere zorgkosten. Deze hogere zorgkosten vormden één van de redenen voor het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel en is gebaseerd op de impactanalyse van SIRM.28 In dit rapport is expliciet berekend dat de opname van K&J-psychologen in artikel 3 Wet BIG zou leiden tot een stijging van loonkosten met circa € 6 miljoen per jaar, uitgaande van ongeveer 460 fte K&J psychologen en een gemiddeld loonverschil van € 12.000 per fte. Wanneer deze berekening wordt doorgetrokken naar een groep van bijvoorbeeld 1.000 K&J-psychologen zal dit naar verwachting naar rato hoger uitkomen.
De beschikbaarheid van opleidingsplaatsen en de daaraan verbonden publieke bekostiging is gebaseerd op de instroombehoefte op basis van de raming door het Capaciteitsorgaan. Daar bovenop heeft het Zorginstituut Nederland in 2022 geconcludeerd dat er geen sprake is van een eenduidige opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP die voldoet aan de criteria voor opname in artikel 3 van de Wet BIG. Daarbij heeft het Zorginstituut vastgesteld dat meerdere routes kunnen leiden tot registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.29 Dit onderscheidt zich van de opleiding tot gz-psycholoog, die is vormgegeven als een wettelijk gereguleerde BIG-opleiding met een landelijk vastgesteld curriculum, uniforme opleidingseisen en publiekrechtelijke kwaliteitsborging. Voor de instroom in de opleiding tot gz-psycholoog is daarbij niet alleen de eerdere opleiding van betrokkenen relevant, maar ook de eisen die specifiek verbonden zijn aan het BIG-beroep gz-psycholoog en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden.
Dat in het veld wordt gesproken over overlap of inhoudelijke verwantschap tussen opleidingen, doet niet af aan het feit dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheidende kaders en eindtermen. Dat K&J-psychologen en gz-psychologen in de praktijk vergelijkbare werkzaamheden kunnen verrichten in het jeugddomein, laat dit onverlet. De keuze om al dan niet te starten met de opleiding tot gz-psycholoog blijft een individuele keuze binnen deze bestaande structuur.
Ten slotte, zoals genoemd in de kabinetsreactie van 22 mei 2026 op de raming van het Capaciteitsorgaan, ben ik voornemens om vanaf 2028 voor een beperkt aantal psychologen een verkort opleidingstraject te realiseren.30 Dit om perspectief te bieden aan psychologen die al langere tijd wachten op een vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben. Hierbij zal de randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Het doel van de Wet BIG is om de patiëntveiligheid te bewaken en de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar te bevorderen. Zoals ik op 18 maart 2026 aan uw Kamer heb gemeld komen verzoeken tot regulering van beroepen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit van zorg, maar hangen deze samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning of declaratiemogelijkheden.31 Dit acht ik onwenselijk. Onnodige regulering kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit en onnodige administratieve lasten. Daarom is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en patiëntveiligheid.
Daarnaast wordt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) juist ingezet op het beter benutten van de beschikbare zorgcapaciteit door middel van taakdifferentiatie en taakherschikking, waarbij taken worden verdeeld op basis van competenties en bekwaamheid. In dat kader wordt ook gewerkt aan een betere en doelmatigere invulling van opleidings- en instroomcapaciteit binnen de ggz, waaronder voor het specialisme klinisch psycholoog, zodat schaarse capaciteit zo effectief mogelijk wordt ingezet binnen het bestaande stelsel.
Daarmee wordt binnen het bestaande stelsel beoogd de inzet van professionals te optimaliseren en de schaarse capaciteit zo doelmatig mogelijk in te zetten.
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
K&J-psychologen kunnen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext en kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Daarnaast bestaat er een overgangsregeling32 voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden: zij kunnen hun behandeling tijdelijk voortzetten onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis/vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap. De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Binnen het LKS is het zogenoemde «comply or explain»-principe van toepassing.33 Dit principe houdt in dat zorgaanbieders zich in beginsel aan het LKS houden, maar daar incidenteel en gemotiveerd van kunnen afwijken in hun eigen kwaliteitsstatuut. Zorgverzekeraars, IGJ en NZa houden hier toezicht op.
Partijen kunnen in beginsel zelf afspraken maken over de invulling van dit principe binnen het LKS. Daarbij geldt wel dat eventuele uitzonderingen zeer specifiek moeten worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar type zorgsetting en doelgroep. Het Ministerie van VWS heeft hierbij geen inhoudelijke rol.
Het onderwerp van de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen binnen het LKS is ook aan de orde geweest tijdens het rondetafelgesprek dat op 4 februari 2026 met veldpartijen uit de ggz heeft plaatsgevonden.34 In dat gesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken hoe K&J-psychologen breder kunnen worden ingezet, onder andere door te kijken naar de mogelijkheden binnen de veldafspraken in LKS. Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welk eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de zorg dat kinder- en jeugdpsychologen (hierna: K&J-psychologen) na het 18e levensjaar geen zorg meer zouden kunnen leveren aan deze patiënten in de geestelijke gezondheidszorg. K&J-psychologen geven in het artikel ook aan van mening te zijn dat gedurende de beleidsvoorbereiding van een mogelijk conceptwetsvoorstel al verwachtingen zijn gewekt over het reguleren van één nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» (een samenvoeging van de K&J-psycholoog NIP en de gz-psycholoog), waardoor zij een BIG-registratie zouden krijgen.
De zorgen van deze K&J-psychologen deel ik niet. K&J-psychologen leveren een waardevolle bijdrage aan de geestelijke gezondheidszorg in het jeugddomein en kunnen daarnaast ook een belangrijke bijdrage leveren aan zorg voor patiënten van 18 jaar en ouder. Zoals ik in mijn brief van 18 maart 20262 aan uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Ze kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn.
Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing. Een hierin opgenomen overgangsregeling3 van jeugd-ggz naar volwassen-ggz is sinds 1 januari 2017 van toepassing en is opgesteld in samenwerking tussen zorgaanbieders, beroepsgroepen, zorgverzekeraars en andere relevante betrokkenen.4 Deze regeling houdt in dat de behandeling tijdelijk kan worden voortgezet onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis of vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In meer complexe en hoogspecialistische zorg is, conform de veldafspraken in het LKS, het regiebehandelaarschap voorbehouden aan andere BIG-geregistreerde specialisten, zoals de psychiater, klinisch psycholoog of psychotherapeut. Het LKS maakt hierin een expliciet onderscheid naar zorgzwaarte en verantwoordelijkheidsniveau, waardoor de invulling van het regiebehandelaarschap per setting verschilt. Deze systematiek beoogt te borgen dat in elke zorgsetting een regiebehandelaar wordt ingezet met passende kennis, ervaring en verantwoordelijkheid. Daarbij kunnen onder voorwaarden ook niet-BIG-geregistreerde professionals een rol vervullen in de behandeling, afhankelijk van de afspraken in het veld. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt géén eisen aan het regiebehandelaarschap. Ik deel dan ook niet de veronderstelling dat een BIG-registratie voor K&J-psychologen noodzakelijk zou zijn voor de patiëntveiligheid. De invulling van het regiebehandelaarschap en eventuele aanscherpingen daarvan zijn onderdeel van het LKS en daarmee veldafspraken tussen betrokken partijen. Voor zover deze eis uit het LKS als beperkend wordt ervaren, ligt het dus in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Zoals in de brief van 18 maart 20265 aan uw Kamer gemeld, is hierover, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.6 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken. Samen met gemeenten, jeugdhulpaanbieders en zorgverzekeraars wordt ingezet op verdere verbetering van de overgang van jeugdhulp naar de volwassen-ggz als geheel. Dit onderwerp maakt daarom onderdeel uit van de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ.
Overigens deel ik de stelling niet dat bij de beleidsvoorbereiding rondom het genoemde conceptwetsvoorstel vanuit het kabinet verwachtingen zijn gewekt. De communicatie vanuit het Ministerie van VWS over het conceptwetsvoorstel had betrekking op een beleidsvoornemen dat nog in voorbereiding was en nog in consultatie moest gaan. Er was geen sprake van een ingediend voorstel of aangenomen wet. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom nieuwsberichten over dit conceptwetsvoorstel zich beperken tot hoofdlijnen en waarom er nog geen details over de verdere uitwerking en voorwaarden konden worden verstrekt. Hierbij wil ik expliciet benadrukken dat VWS niet verantwoordelijk is voor communicatie of verwachtingen die door derden in het veld worden geuit.
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog is op dit moment toereikend om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Zoals aan uw Kamer op 22 mei 2026 gemeld stel ik voor de gz-psycholoog opleidingsplaatsen beschikbaar conform het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan verminderd met het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie jaar7. Ik verwacht dat dit aantal gecombineerd met de reeds 21.451 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen8 voor wat betreft deze beroepsgroep voldoende zal bijdragen aan de zorg in de ggz. Het is belangrijk dat er niet meer wordt opgeleid dan door het Capaciteitsorgaan geadviseerd om een zogenoemde varkenscyclus te voorkomen en aanbod en vraag dus op elkaar aan te laten sluiten.
Overigens reguleert de Wet BIG alleen (titels en bevoegdheden van) beroepen wanneer dit noodzakelijk is voor patiëntveiligheid en het behoud van de kwaliteit van de individuele zorgverlening door een beroepsgroep. Het Zorginstituut Nederland heeft in mei 2022 aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is en dat de kwaliteit van de zorg al voldoende wordt gewaarborgd door het Kwaliteitsregister Jeugd.9 K&J-psychologen kunnen (blijven) werken in de jeugdhulp, ook zonder registratie als gz-psycholoog.
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Zoals aan uw Kamer gemeld10 vormden de hogere zorgkosten één van de redenen voor het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur van de psychologische beroepen. Dit is rechtstreeks gebaseerd op de impactanalyse van SiRM11 en de reacties uit de internetconsultatie. Deze stijging is onder andere het gevolg van de herinschaling van K&J-psychologen en psychotherapeuten die nodig zou zijn als het conceptwetsvoorstel was doorgezet.
In het genoemde rapport wordt expliciet berekend dat de opname van K&J-psychologen in artikel 3 Wet BIG zou leiden tot een stijging van loonkosten met circa € 6 miljoen per jaar, uitgaande van ongeveer 460 fte K&J psychologen en een gemiddeld loonverschil van € 12.000 per fte. Wanneer deze berekening wordt doorgetrokken naar een groep van bijvoorbeeld 1.000 K&J-psychologen zal dit naar verwachting naar rato hoger uitkomen. Dit sluit dan ook niet aan dat uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als gz-psychologen.
Hiernaast is in de reacties uit de internetconsultatie van onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse GGZ en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd, gewezen op onvoldoende uitgewerkte financiële gevolgen en een mogelijke kostenstijging van € 10–20 miljoen per jaar binnen het jeugddomein, die niet binnen de bestaande financiële kaders kunnen worden opgevangen.
Echter, de afweging om geen overgangsregeling te treffen berust niet uitsluitend op kostenoverwegingen. Uit de verkenning naar een omzetting, zoals toegelicht in mijn brief van 23 september 202512, blijkt dat een BIG-registratie voor K&J-psychologen niet noodzakelijk is om kwaliteit en patiëntveiligheid te waarborgen. Dit sluit aan bij de conclusie van het Zorginstituut uit 2022 dat wettelijke regulering niet noodzakelijk is en de continuïteit van de zorg in de jeugd-ggz voldoende is geborgd. Hiernaast heeft het Zorginstituut Nederland geconcludeerd dat er geen sprake is van een eenduidige opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP die voldoet aan de criteria voor opname in artikel 3 van de Wet BIG. Daarbij is vastgesteld dat er meerdere routes bestaan naar registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.13 Dit staat tegenover de opleiding tot gz-psycholoog, die een vast, landelijk vastgesteld curriculum en uniforme opleidingseisen kent.
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Ik acht het van belang dat publieke middelen doelmatig worden ingezet voor opleidingen die nodig zijn om te voorzien in de benodigde capaciteit en kwaliteit van zorg. De opleiding tot gz-psycholoog is een wettelijk geregelde postmasteropleiding die opleidt tot een BIG-geregistreerd beroep met eigenstandige verantwoordelijkheden in de zorg. De opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP is daarentegen geen eenduidig en wettelijk gereguleerd opleidingstraject. Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022 vastgesteld dat meerdere routes kunnen leiden tot registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.14 Dit onderscheidt zich van de opleiding tot gz-psycholoog, die is vormgegeven als een wettelijk gereguleerde BIG-opleiding met een landelijk vastgesteld curriculum, uniforme opleidingseisen en publiekrechtelijke kwaliteitsborging.
Dat in het veld wordt gesproken over overlap of inhoudelijke verwantschap tussen opleidingen, doet niet af aan het feit dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheiden kaders en eindtermen. Dat K&J-psychologen en gz-psychologen in de praktijk vergelijkbare werkzaamheden kunnen verrichten in het jeugddomein, laat dit onverlet.
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Er hebben mij signalen bereikt dat kandidaten met een K&J-opleiding niet tot de opleiding tot gz-psycholoog worden toegelaten omdat zij overgekwalificeerd zouden zijn. De keuze voor de toelating tot de opleiding tot gz-psycholoog wordt gemaakt door de praktijkopleider van de praktijkopleidingsinstelling waar de kandidaat na toelating werkzaam zal zijn, én de hoofdopleider van de opleidingsinstelling. Zij hebben samen goed zicht op de kwaliteiten en geschiktheid van de kandidaat om opgeleid tot worden tot gezondheidszorgpsycholoog. Overkwalificatie is bij de selectie geen relevante afwijzingsgrond.
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Ik heb deze variant niet overwogen om de bij het antwoord op vraag 6 genoemde reden dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheiden kaders en eindtermen.
Daar bovenop geldt dat het stelsel van opleidingsplaatsen voor de gz-psycholoog is gebaseerd op de meerjarige raming van het Capaciteitsorgaan, waarin de verwachte zorgvraag en benodigde instroom voor de zorgsector als geheel worden betrokken. De jaarlijkse vaststelling van het aantal opleidingsplaatsen is hierop gebaseerd en gericht op continuïteit en kwaliteit van zorg. De keuze om al dan niet te starten met de opleiding tot gz-psycholoog blijft een individuele keuze binnen deze bestaande structuur. De verschillen in instroomprofiel, zoals eerdere opleiding, hebben daarbij geen invloed op de omvang van de beschikbare opleidingsplaatsen of de bekostigingssystematiek van de beschikbaarheidbijdrage. Daarmee is de inzet van publieke middelen voor de opleiding doelmatig, omdat deze niet is gericht op individuele leerpaden of (veronderstelde) gelijkwaardigheid van eerdere opleidingen, maar op het waarborgen van voldoende instroom.
Zoals genoemd in de kabinetsreactie van 22 mei 2026 op de raming van het Capaciteitsorgaan ben ik voornemens om vanaf 2028 voor een beperkt aantal psychologen een verkort opleidingstraject te realiseren.15 Dit om perspectief te bieden aan psychologen die al langere tijd wachten op een vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben. Hierbij zal de randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Ik hecht eraan om te benadrukken dat ik uitvoering heb gegeven aan de motie Bushoff/Van den Hil door het organiseren van een rondetafelgesprek met relevante veldpartijen.16 Zoals ook in mijn brief van 18 maart 202617 aan uw Kamer gemeld had het rondetafelgesprek van 4 februari 2026 als doel om vanuit een faciliterende rol veldpartijen met elkaar in gesprek te brengen over knelpunten in de praktijk rond de inzet van K&J-psychologen, in het bijzonder in relatie tot het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en het regiebehandelaarschap, en om ruimte te bieden voor het bespreken van mogelijke verbeteringen in de inzet en benutting van deze beroepsgroep.
De agenda voor dit rondetafelgesprek is in overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, waaronder zowel K&J-psychologen als gz-psychologen, opgesteld. Voor dit rondetafelgesprek zijn de partijen uitgenodigd die betrokken zijn bij de betreffende veldnormen en kaders. Het NIP heeft aangegeven de belangen van K&J-psychologen te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan het collectief van K&J-psychologen kenbaar gemaakt dat zij hun inbreng via het NIP konden aanleveren.
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Aerdts , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Ja.
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Ja.
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Ja.
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Ja.
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Het is zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste informatie van influencers, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen en geldzaken. Dit kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen als resultaat. Tegelijkertijd is het belangrijk om de vrijheid van meningsuiting ook online te bewaken.
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk dat inhoud van kwaliteitsmedia zichtbaarder wordt gesteld. Het kabinet werkt dan ook, binnen het kader van de Audiovisuele Mediadienstenrichtlijn (AVMSD), aan het invoeren van prominentiemaatregelen om de zichtbaarheid en vindbaarheid van aanbod van algemeen belang te vergroten.
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de AVMSD. Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. In zowel het non-paper over de Digital Fairness Act6, als in het non-paper over de herziening van de AVMSD7, is opgenomen dat het noodzakelijk is de toepasselijke regels goed af te stemmen, zodat de regels voor influencers duidelijk en handhaafbaar zijn.
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Zie het antwoord op vraag 6 en 7. Het kabinet heeft recent de Europese Commissie opgeroepen om regels voor influencers te verduidelijken. Het kabinet kijkt met interesse naar de voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. Daarnaast wijst het kabinet op het belang van co- en zelfregulering, hiermee wordt de sector aangespoord om (binnen de wettelijke kaders) zelf normen te stellen en te handhaven. De ervaringen met de Nederlandse Reclame Code zijn positief. Deze vorm van co-regulering draagt bij aan verantwoorde en betrouwbare reclame-uitingen8.
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 7 en 8 zet het kabinet op Europees niveau in op betere regulering van influencers. In welk wetgevingsinitiatief dit het beste past, wordt nog onderzocht. De uiteindelijke keuze hierin ligt bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft zijn standpunt over influencers wel reeds kenbaar gemaakt via een non-paper in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA) voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Daarnaast stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers9. Tot slot stelt het kabinet in hetzelfde non-paper risico’s te zien bij finfluencing, met name natuurlijk wanneer illegale financiële producten en diensten worden gepromoot. Het kabinet verzoekt de Europese Commissie daarom om dit soort handelspraktijken te verbieden via een aanpassing van het EU-consumentenrecht10.