Het bericht ‘Grenzen van baggeren in Waddenzee nabij’ |
|
Aukje de Vries (VVD), Rudmer Heerema (VVD) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grenzen van baggeren in Waddenzee nabij»? Wat vindt u van dit bericht? Kunt u aangeven wat de exacte situatie is met betrekking tot het baggeren?1
Ja. De ambitie om te komen tot duurzame bereikbaarheid is vastgelegd in de Agenda voor het Waddengebied 2050 (Kamerstuk 29 684, nr. 210). Aan het bijbehorende Uitvoeringsprogramma dat deze ambitie concreet in moet invullen wordt momenteel gewerkt.
Voor baggeractiviteiten in de Waddenzee zijn de voorwaarden vastgelegd in het Natura2000 Beheerplan Waddenzee dat in 2016 is vastgesteld. In dit plan is een maximaal baggervolume van 7,037 miljoen m3/jaar bepaald. Het deel van Rijkswaterstaat is ook vastgelegd in het Beheerplan en bedraagt 3,672 miljoen m3/jaar. Gemeenten, het Ministerie van Defensie en derden, zoals havenbedrijven zijn verantwoordelijk voor het overige baggervolume.
Hoe groot is het probleem? Wat kunnen de gevolgen zijn voor de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens als de grens in 2023 zou zijn bereikt? Wat moet er gebeuren om dat te voorkomen cq. vermijden?
De bereikbaarheid van de Waddeneilanden en havens is vastgelegd in de Agenda voor het Waddengebied 2050. Vastgelegd is dat de opgave met betrekking tot bereikbaarheid is om de mobiliteit te verduurzamen en de bereikbaarheid ook op de lange termijn te blijven garanderen. Tegelijkertijd is de opgave ook om de baggerinspanningen te verminderen en de impact op natuur en milieu zo gering mogelijk te laten zijn.
Met het oog op deze opgave monitort Rijkwaterstaat de ontwikkelingen door het uitvoeren van metingen en het bijhouden van de baggercijfers. In de Jaarrapportage van Rijkswaterstaat over het vaargeulonderhoud 2016–2019 (zie Waddenzee.nl) is een prognose opgenomen op basis van de trends van afgelopen decennia. Op grond daarvan zou het in het Beheerplan opgenomen baggervolume in 2023 kunnen worden overschreden. De prognoses zijn echter onzeker. In 2020 heeft Rijkswaterstaat 3,19 miljoen m3 gebaggerd van de toegestane 3,672 miljoen m3/jaar. Op de langere termijn is echter een doorgaande stijgende trend te verwachten door het verondiepen van de Waddenzee. Medio 2022 kunnen conclusies worden getrokken over de hoeveelheden van 2021. Op basis van monitoring wordt geprobeerd een structurele overschrijding te voorkomen.
Het Natura2000 beheerplan heeft in ieder geval als voorwaarde dat bij structurele overschrijding van het totaal gemiddelde baggervolume een nieuwe beoordeling plaatsvindt van de effecten van het baggerwerk op de N2000 instandhoudingsdoelstellingen. Doordat er wordt gemonitord zal een structurele overschrijding dus voorzienbaar zijn. Dergelijke afwijkingen van het N2000 beheerplan kunnen leiden tot vergunningplicht (van een deel) van het baggerwerk gekoppeld aan voorwaarden omtrent de wijze van baggeren en verspreiding, dit ter beoordeling van het Ministerie van LNV als bevoegd gezag.
Welk overleg is hierover met de betrokken bestuurders in het gebied? Wat is daaruit gekomen dan wel welk overleg gaat hierover plaatsvinden?
In de Agenda voor het Waddengebied 2050 wordt een ambitie uitgesproken om minder te baggeren, en tegelijkertijd de vaargeulen op orde te houden. De Agenda is een gezamenlijke agenda van het Rijk (OCW, Defensie, LNV en IenW), Waddenprovincies, eiland- en kustgemeenten, waterschappen, natuur- en milieuorganisaties, visserij organisaties, organisaties voor recreatie en toerisme, en de samenwerkende havens. Momenteel wordt er aan een Uitvoeringsprogramma 2021–2026 van de Agenda voor het Waddengebied gewerkt waarover ook op bestuurlijk niveau afstemming plaatsvindt in het Bestuurlijk Overleg Waddengebied. Dit Uitvoeringsprogramma zal het komende jaar worden vastgesteld. Daarnaast vindt er op bestuurlijk niveau overleg plaats met de regio in het kader van het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 (VBA 2030). Afronding van dit onderzoek vindt in 2023 plaats, zie ook vraag 6.
Welke oplossingen zijn er als de grens voor het baggeren bereikt is en welke acties moeten dan worden ondernomen? In hoeverre gaan de betrokken ministeries deze acties ook daadwerkelijk tijdig ondernemen en wat is daarvan dan de planning?
Indien in de toekomst het totale gemiddelde baggervolume is bereikt zullen alle mogelijke oplossingen op tafel moeten komen om de havens en eilanden bereikbaar te houden, zie ook vraag 2. Er zal, met alle betrokken partijen, zoals het Ministerie van LNV, provincies, gemeenten, rederijen en havens, gekeken worden welke andere oplossingen er zijn om de havens en eilanden bereikbaar te houden. Te denken valt aan het anders varen (bijvoorbeeld meer op getij, kleinere schepen, scheiden van vervoersstromen) en andere vervoersoplossingen. Met het Ministerie van LNV zal het gesprek moeten worden aangegaan omtrent de kaders met betrekking tot het baggeren. Zie ook het antwoord op de vragen 6 en 9. Alle mogelijke oplossingen zullen integraal en met alle betrokken partijen moeten worden bekeken om zo uiteindelijk een keuze te kunnen maken die recht doet aan enerzijds de natuurbelangen in het Waddengebied en anderzijds er voor zorgt dat de bereikbaarheid van de havens en eilanden gegarandeerd blijft. Deze afweging zal de komende jaren met alle betrokken partijen in het kader van het Uitvoeringsprogramma 2021–2026 van de Agenda voor het Waddengebied worden gemaakt.
Bent u het eens met de stelling dat de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens van maatschappelijk en economisch belang is? Zo nee, waarom niet, aangezien de motie Aukje de Vries c.s. (Kamerstuk 29 684, nr. 198) hierover is aangenomen?
In de Agenda voor het Waddengebied 2050 wordt onderkend dat bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens van groot belang is. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid De Vries c.s. (Kamerstuk 29 684, nr. 198) waarin de regering wordt verzocht de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en Waddenhavens in beleidsstukken aan te merken als van maatschappelijk en economisch belang.
Bent u het met de stelling eens dat het varen op getij geen acceptabele optie is in het kader van de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens? Zo nee, waarom niet?
In de Agenda voor de Wadden 2050 is de afspraak vastgelegd om eilanden en havens bereikbaar te houden. Een bijdrage hieraan is de Transitieschets «Duurzame Bereikbaarheid» Waddengebied 2050 van Programma naar een Rijke Waddenzee (PRW) dat oplossingsrichtingen schetst voor bereikbaarheid op de lange termijn. De verwachting is dat deze Transitieschets in de eerste helft van 2022 verschijnt.
In januari 2020 is het onderzoek naar de Lange Termijn Oplossingsrichtingen bereikbaarheid Ameland na 2030 (LTOA) aan uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 23 645, nr. 711). In dit onderzoek zijn toentertijd drie oplossingsrichtingen geïdentificeerd. In de Kamerbrief over de LTOA is uw Kamer geïnformeerd over de keuze om één oplossing (de tunnelvariant) niet verder te onderzoeken. Dit gezien de zeer forse investerings- en instandhoudingskosten en de impact van deze oplossing op de sociaaleconomische structuur van het Waddengebied. De overige twee geïdentificeerde oplossingsrichtingen uit de LTOA worden in het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 (VBA 2030) uitgewerkt: 1) optimalisatie van de bestaande situatie en 2) verplaatsen van de vertrek- en aankomstlocatie op het vaste land van Holwerd naar Ferwert. Bij de oplossingsrichting gericht op de optimalisatie van de huidige situatie wordt met name gekeken naar andere vervoersoplossingen richting Ameland, zoals bijvoorbeeld het varen met kleinere schepen waardoor er minder diep gebaggerd hoeft te worden, zie vraag 4. De oplossingsrichting gericht op het verplaatsen van de vertrek-en aankomst locatie zal zich o.a. richten op het inzichtelijk maken wat er in Ferwert aangelegd moet om het tot een geschikte vertrek-aankomstlocatie te maken. Voor beide oplossingsrichtingen zullen ook effectonderzoeken worden uitgevoerd naar bijvoorbeeld natuur, ecologie, geluid, functionaliteit (waaronder betrouwbaarheid en frequentie van de veerverbinding) en sociaaleconomische gevolgen in het Waddengebied. Op basis van deze effectonderzoeken en een wegingskader wat binnen de VBA wordt vormgegeven, kunnen uiteindelijk de beide oplossingsrichtingen met elkaar worden vergeleken en zal er, in afstemming met de betrokken provincie Fryslân en diverse gemeenten, een keuze door mij gemaakt kunnen worden. Deze keuze over de voorkeursvariant vindt naar verwachting in 2023 plaats. Uw Kamer zal hierover dan worden geïnformeerd.
Wat gaat u eraan doen om de Waddeneilanden en -havens op een vergelijkbare manier als op dit moment goed bereikbaar te houden in de nabije en verdere toekomst?
Zoals bij antwoord 6 beschreven lopen er meerdere processen rondom de bereikbaarheid van de Waddeneilanden en -havens. De uitkomsten daarvan kunnen op een positieve manier bijdragen aan het bereikbaar houden van de Waddeneilanden en -havens in de toekomst.
Kunt u aangeven hoe Duitsland en Denemarken in het Waddengebied ervoor zorgen dat de eilanden en havens goed bereikbaar zijn en blijven en hoe ze concreet omgaan met het op diepte en breedte houden van de vaargeulen?
Een onderdeel van het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030 is een internationale vergelijking. De internationale vergelijking richt zich op vergelijkbare varende verbindingen van eilanden in het Waddengebied (Nederland, Duitsland en Denemarken). Aan de Duitse en Deense autoriteiten die zich met vaargeulonderhoud in het Waddengebied bezighouden, zal de vraag worden gesteld hoe zij hiermee omgaan.
Klopt het dat bij Ameland dit najaar wordt gezocht naar een efficiëntere manier van baggeren, het anders verspreiden van de baggerspecie en de bagger verder weg brengen? Wanneer kunnen hiervan de uitkomsten worden verwacht en kan de Kamer daarover worden geïnformeerd?
Het antwoord onder vraag 6 schetst de meerdere acties die er voor de langere termijn lopen om de bereikbaarheid van de Waddeneilanden-en havens te blijven garanderen. Eerder is uw Kamer al geïnformeerd over het voornemen om te experimenteren met het structureel verder weg brengen van baggerspecie binnen het toen nog nieuw aan te besteden baggercontract (Kamerstuk 23 645, nr. 711). In november 2021 is het nieuwe contract voor Vaargeulonderhoud Waddenzee gestart. Hierbij gaat – specifiek op het traject Holwerd-Ameland – Rijkswaterstaat al op zeer korte termijn met de nieuwe aannemer proeven uitvoeren om te proberen het baggerwerk te reduceren. Daartoe wordt onder andere een proef voorbereid waarbij baggerspecie structureel verder weg wordt gebracht. Door het verder wegbrengen binnen de Waddenzee (naar verder van de vaargeul gelegen verspreidingslocaties) zal het terugstromen van slib naar de vaargeul naar verwachting afnemen, wat een gunstig effect zal hebben op de jaarlijkse baggervolumes. De eerste resultaten van deze proeven zijn eind 2023 bekend.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de korte- en langetermijnoplossingen die zijn afgesproken met betrekking tot de bereikbaarheid van Ameland? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de vertragingen bij de veerboot Holwerd-Nes (Ameland)?
Het Open Plan Proces heeft in 2016 meerdere kortetermijnoplossingen aangedragen (Kamerstuk 31 409, nr. 108). Om de betrouwbaarheid van de veerverbinding te verbeteren, hebben rederij Wagenborg en Rijkswaterstaat de kortetermijnmaatregelen uit het Open Plan Proces uitgevoerd. De uitgevoerde maatregelen betreffen de bochtafsnijding Vloedgeul, het aanbrengen van een knip in de dienstregeling, het doorvoeren van optimalisaties in het laad-en losregime, het realiseren van een sneldienst en het optimaliseren van het baggerregime. Na het uitvoeren van deze kortetermijnmaatregelen is het aantal vertragingen vanaf 2019 afgenomen. Uw Kamer is hierover eerder geïnformeerd in het verslag van een schriftelijk overleg met de vaste commissie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerstuk 23 635, nr. 71) en de beantwoording van vragen van de leden De Vries, Dijkstra en Ziengs (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2019–2020, nr. 3778).
Daarnaast worden voor de lange termijn, zoals genoemd in de beantwoording van vraag 6, twee oplossingsrichtingen verder uitgewerkt in de VBA 2030. En verschijnt volgend jaar de Transitieschets Bereikbaarheid Waddengebied 2050, die handen en voeten krijgt in het kader van het Uitvoeringsprogramma Agenda voor het Waddengebied 2050. Deze stukken worden uiteraard ook met uw Kamer gedeeld.
Klopt het dat de eenmalige actie bij de vaargeul Westgat (tussen Ameland en Schiermonnikoog en van belang voor de haven van Lauwersoog) van een paar jaar terug ervoor heeft gezorgd dat deze goed op diepte blijft, ondanks de eerdere scepsis? Is er een evaluatie beschikbaar? Zo ja, kan de Kamer die krijgen? En wat leert Rijkswaterstaat uit deze casus voor de toekomst, ook voor andere situaties?
Het Westgat is in 2018 op verzoek van de regio, onder aanvoering van de provincie Groningen, als pilot eenmalig uitgebaggerd in opdracht van het Havenbedrijf Lauwersoog. Vanuit de verantwoordelijkheid als beheerder heeft Rijkswaterstaat inhoudelijke expertise aan de regionale partijen geleverd. Zoals gemeld in de antwoorden op Kamervragen van de leden De Vries en Dijkstra van 14 oktober 2020 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 651)) zal de eindevaluatie van de pilot de betrokken regionale partijen inzicht geven in de kosten en baten van de eenmalige verdieping van het Westgat. Door de provincie Groningen is in september 2020 namens de betrokken partijen een tussenevaluatie van de pilot uitgebracht. In die tussenevaluatie staat dat de baggeringreep bij het Westgat een versterkend effect heeft (gehad) op de economische betekenis van de haven. De eindevaluatie van de pilot wordt eind dit jaar afgerond. De resultaten zullen dan door de betrokken regionale partijen openbaar worden gemaakt.
Klopt het dat de vaargeul naar Ameland gebaggerd wordt volgens een vaste route en er dus niet wordt «meebewogen» met de veranderende vaargeul? Zo ja, waarom gebeurt dit op deze wijze en wordt niet aangesloten bij de veranderende vaargeul? Welke gevolgen heeft dit voor de hoeveelheid baggerwerk daar?
Nee, dat klopt niet. Bij het baggeren van de vaargeul wordt steeds gestreefd naar minimalisatie van de hoeveelheid baggerwerk, onder andere door bij het vaargeulonderhoud zoveel mogelijk de natuurlijke morfologische ontwikkelingen van de geulen te volgen.
Wat is de situatie met betrekking tot het diepte houden van de vaargeul Boontjes (IJsselmeer-Harlingen)? In hoeverre klopt het dat hier, ondanks de eerder genoemde aangenomen motie, het pact van Marrum en de Gebiedsagenda toch gesteggel over is? Wanneer kan hierover duidelijkheid worden gegeven?
Het Omgevingsberaad Waddengebied (OBW) heeft het Ministerie van IenW geadviseerd de passage over de vaarweg Kornwerderzand-Harlingen (Boontjes) in het ontwerp Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022–2027 in lijn te brengen met de tekst hierover in de Agenda voor het Waddengebied 2050. Voor de vaarweg Boontjes zou dit betekenen dit dat de huidige dimensies (diepte -3.80 m. NAP en breedte 100 m.) zou worden gegarandeerd gedurende de looptijd van het NWP (2022–2027).
Diverse stakeholders van het Omgevingsberaad Waddengebied zijn, naar aanleiding van informatie hierover in de verzamelbrief Wadden (Kamerstuk 29 684, nr. 220) van 6 oktober 2021, met elkaar in overleg gegaan of dit de juiste vertaling was van het Pact van Marrum en de Agenda voor het Waddengebied 2050.
In het Pact van Marrum dat in 2018 door de Waddenzeehavens en de Coalitie Wadden Natuurlijk (CWN) is ondertekend, zijn partijen overeengekomen dat natuur en havens van wereldklasse een gezamenlijke stip op de horizon vormen, die ze in nauwe onderlinge afstemming willen bereiken. Daarvoor onderschrijven partijen verschillende leidende principes. Een daarvan is dat bereikbaarheid van havens gegarandeerd blijft op de huidige afmetingen (diepgang en breedte) en dat ontwikkeling is gericht op vermindering van de impact van baggeren op de natuurwaar de in zee.
Inmiddels is er overleg geweest tussen stakeholders van het OBW over de doorvertaling. Dit heeft duidelijkheid gebracht omtrent bovenbedoelde passage in het NWP en het in lijn brengen van de Agenda.
Voor de vaarweg Boontjes betekent dit dat de huidige dimensies ten aanzien van diepte -3.80 m. NAP en breedte 100 m. in principe worden gegarandeerd gedurende de looptijd van het NWP (2022 tot en met 2027). De eerder met de regio afgesproken evaluatie van de onderhoudspilot van vaarweg Boontjes kan daarin echter nog wijziging brengen.
De evaluatie van de vaarweg Boontjes in 2022 zal worden uitgevoerd op de wijze zoals aangegeven door de voormalige Minister aan de hand van Kamervragen op 20 juli 2020 (Kamerstuk 3568). Bij deze evaluatie zullen niet alleen de overheden worden betrokken, maar ook de belanghebbende stakeholders, namelijk de havens en de Coalitie Wadden Natuurlijk (CWN). Op basis van de evaluatie, waarbij wordt gekeken naar de periode tot en met 2022 met een doorkijk naar de periode daarna, wordt bepaald hoe de situatie rond de Boontjes er vanaf 2023 tot en met 2027 (looptijd NWP) precies uit zal zien.
Het OBW zal schriftelijk worden geïnformeerd over, de hierboven aangegeven wijze waarop het NWP 2022–2027 in lijn wordt gebracht met de tekst in de Agenda voor het Waddengebied 2050.
De Waddenzeehavens, CWN en andere leden van het OBW geven aan de uitkomsten van deze evaluatie serieus te nemen. Bij de afweging van belangen zullen twee zaken tegelijkertijd meegewogen moeten worden, namelijk het verminderen van de impact van baggeren op de natuurwaarden en de het op orde houden van de bereikbaarheid van de haven van Harlingen via vaargeul Boontjes.
Het afschuwelijke recordafschot van wilde zwijnen op de Veluwe |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Recordafschot wilde zwijnen door voedseltekort in Veluwse bossen» en «Een zware winter zorgt niet voor sterfte bij zwijnen, dat doet de jacht»?1, 2
Ja.
Klopt het dat u geen nationaal overzicht heeft van de afschotcijfers, de vergeven afschotvergunningen en hoeveel zwijnen en/of herten er zijn geteld? Zo ja, hoe kunt u dan inhoud geven aan uw eindverantwoordelijkheid voor de natuur? Zo nee, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Dat klopt, dit overzicht heb ik niet. Toezicht op afschotcijfers is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van provincies. Faunabeheereenheden rapporten aan de desbetreffende gedeputeerde staten. Faunabeheereenheden publiceren deze vervolgens op hun website en deze is voor eenieder te raadplegen.
Systeemverantwoordelijkheid neem ik door toe te zien of het systeem functioneert en of een ieder in staat is zijn eigen rol te vervullen. Het Rijk is verantwoordelijk voor de kaders en ambities en de provincies zijn verantwoordelijk voor het invullen en uitvoeren van dit beleid. De keuze of de provincies maatregelen nemen die daarvoor zijn benoemd of andere – vergelijkbare of betere – maatregelen, is de verantwoordelijkheid van de provincies. Desgewenst kunnen Rijk en provincies hierover in overleg treden.
Controleert u de faunabeheerplannen van de provincies om invulling te geven aan uw eindverantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak controleert u deze plannen en hoe?
Nee, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangeef wordt door de gedeputeerde staten van de provincies toezicht gehouden op de faunabeheerplannen. Ik zie dit niet als mijn verantwoordelijkheid.
Kunt u aangeven hoe u invulling geeft aan uw eindverantwoordelijkheid met betrekking tot de staat van de natuur, wanneer u geen overzicht heeft van de draagkracht van leefgebieden en hoe deze zich tot elkaar verhouden?3
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u het inzicht dat u, als eindverantwoordelijke, een overzicht zou moeten hebben van de getelde dieren, de afschotcijfers en de omvang van de populaties in alle Nederlandse leef- en natuurgebieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dit opstellen?
Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven zie ik het niet als onderdeel van mijn systeemverantwoordelijkheid om overzichten en cijfers bij te houden. Provincies zijn hierin bevoegd gezag.
Klopt het dat er landbouwenclaves zijn op de Veluwe? Kunt u aangeven hoeveel hectare deze omvatten en wat er wordt verbouwd? Welk gedeelte van de gebieden is deugdelijk afgeschermd om schade van in het wild levende dieren te voorkomen?
Ja, er zijn landbouwenclaves op de Veluwe aanwezig. In totaal wordt 7.524 hectare (ha) (GDI, 2021) geheel omsloten door Natura 2000-gebied; daarvan is 3.006 ha in agrarisch gebruik en dus aan te merken als landbouwenclave. In volgorde van afnemende oppervlakte gaat het met name om grasland, snijmaïs, granen en aardappelen. Daarnaast vindt er ook agrarisch gebruik plaats binnen het Natura 2000-gebied Veluwe; het gaat daarbij om kleine locaties die mede van belang zijn voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. De omvang hiervan is 2.190 ha akker- en grasland. Deze oppervlakte is dus Natura 2000-gebied.
Op veel plekken zijn maatregelen getroffen om de gebieden af te schermen, bijvoorbeeld zwijn-kerende rasters rond de agrarische enclave Uddel Elspeet. Om welk deel van de landbouwenclaves het gaat, is niet exact bekend.
Hoeveel hectare van deze landbouwgebieden wordt meegerekend als Natura 2000-gebied?
2.190 ha akker- en grasland, zie mijn antwoord op vraag 6.
Hoeveel hectare van deze landbouwgebieden is ingetekend als nog niet gerealiseerde natuur?
Dit is terug te vinden in het Natuurbeheerplan (NBP) van de provincie4. In het NBP begrenzen en beschrijven provincies de gebieden waar beheerders subsidie kunnen krijgen voor het beheer en de ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen. De begrenzing is aangeduid op twee kaarten, de beheertypenkaart en de ambitiekaart. Op de beheertypenkaart staat de actuele natuursituatie voor het (agrarisch) natuurbeheer. Op de ambitiekaart staat de ambitie van de provincies voor de (agrarische) natuur. Het NBP wordt vastgesteld en gewijzigd bij besluit van gedeputeerde staten van de provincies.
Is er onderzoek gedaan naar de gevolgen voor trek- en zwerfgedrag van wolven wanneer hun leefgebied verstoord wordt door jacht op hun prooidieren en wat de effecten kunnen zijn voor hun foerageergedrag met betrekking tot landbouwhuisdieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn daarvan de resultaten?
Tot op heden is niet gebleken dat wolven verstoord worden door het beheer van grote hoefdieren. Wanneer wolven in gebieden komen met meerdere prooisoorten (dam-, edelhert, ree en wild zwijn) die in voldoende omvang aanwezig zijn, is het risico op predatie van landbouwhuisdieren laag. Wolven hebben een duidelijke voorkeur voor wilde dieren.
Is het u bekend dat jagers met name mannelijke dieren schieten en daarmee de natuurlijke populatiedynamiek kunstmatig beïnvloeden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid daar nader onderzoek naar te verrichten? Zo ja, hoe beoordeelt u het kunstmatig beïnvloeden van de natuurlijke populatiedynamiek en bent u bereid hier paal en perk aan te stellen?
Navraag bij de provincie Gelderland leert mij dat er in absolute aantallen meer vrouwelijke dieren worden geschoten dan mannelijke. Interpretatie en aansturing is aan gedeputeerde staten. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie hierbij neemt.
Kunt u aangeven of er nog gejaagd mag worden in delen van de Veluwe die mogelijk afgesloten worden vanwege toeristische drukte?4
Faunabeheer vindt uit oogpunt van veiligheid bij voorkeur plaats op rustige plekken. De precieze locatie is een afweging die de jachthouder maakt.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'Wij geven passende zorg zonder dat de gemeente iets hoeft te doen' |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wij geven passende zorg zonder dat de gemeente iets hoeft te doen?»1
Ja.
Wat vindt u van de wettelijke mogelijkheid om iemand vergunningsvrij een huis te laten bouwen op het terrein van zijn of haar mantelzorger, om zo het verlenen van mantelzorg te vergemakkelijken zoals in het geval van de in het artikel genoemde zoon en zijn moeder?
Ik vind dat een goede mogelijkheid. Mantelzorgvoorzieningen bij woningen zorgen ervoor dat mensen langer thuis kunnen blijven wonen als zij dit willen. Dat is een van de doelstellingen van dit (demissionair) kabinet. Mijn ambtsvoorganger heeft deze bouw- en gebruiksmogelijkheden voor huisvesting in verband met mantelzorg in 2014 in het Besluit omgevingsrecht opgenomen. Hiermee is destijds uitvoering gegeven aan de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XI, nr. 34), die opriep de mogelijkheden voor de plaatsing van mantelzorgwoningen te vereenvoudigen.
Deelt u ook de zorg dat met de komst van de nieuwe Omgevingswet en daarmee het verdwijnen van landelijke wetgeving op dit punt, dit soort woonzorgarrangementen mogelijk zullen verdwijnen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met de Omgevingswet krijgen gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk te leveren. Die mogelijkheid ontstaat ook bij bouwmogelijkheden voor uit- en aanbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), die gemeenten straks in het omgevingsplan reguleren. De mogelijkheden voor huisvesting in verband met mantelzorg zijn in deze regeling verweven. Het is niet uit te sluiten dat gemeenten bij bepaalde woningen beperkingen zullen opleggen voor bouwmogelijkheden, waaronder mantelzorgvoorzieningen, vanwege bijvoorbeeld afstandsnormen voor geluid, geur en trilling nabij bedrijfsmatige activiteiten. De huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het Besluit omgevingsrecht worden als onderdeel van de zogenoemde bruidsschat ongewijzigd overgeheveld naar het gemeentelijke omgevingsplan. Als de Omgevingswet in werking treedt kunnen gemeenten de op deze manier uit het huidig recht overgehevelde bouw- en gebruiksmogelijkheden weliswaar veranderen, maar dat kan alleen bij een wijziging van het omgevingsplan. Dat is een besluit waarbij voorzien moet zijn in participatiemogelijkheden en waartegen beroep kan worden ingesteld. De Omgevingswet kan hiermee leiden tot aan de ene kant een inperking voor de bouw van mantelzorgvoorzieningen, maar aan de andere kant biedt het gemeenten ook ruimte voor versoepelingen. Een voorbeeld hiervan is de bouw van bijvoorbeeld premantelzorgwoningen. In toenemende mate zijn er gemeenten die deze mogelijkheid (willen) bieden, ook als er nog geen duidelijke zorgindicatie is.
Het is dus niet precies duidelijk hoe de gemeenten zullen omgaan met de komst van de nieuwe Omgevingswet en de impact hiervan op woonzorgarrangementen. Mijn verwachting is echter niet dat veel gemeenten de mogelijkheden gaan inperken. In bestuurlijk overleg met de koepels is de intentie afgesproken dat er een lastenluwe uitvoering wordt gegeven aan de nieuwe beleidsruimte. Verwacht mag dus worden dat er niet op grote schaal belemmerende regels en vergunningplichten worden geherintroduceerd. Gemeenten hebben er ook belang bij om geen onnodige regels op te stellen voor huisvesting in verband met mantelzorg. Mantelzorgers nemen zorg uit handen waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Mede gelet op die verantwoordelijkheid deel ik niet de zorg dat gemeenten bouw- en gebruiksmogelijkheden voor mantelzorg lichtvaardig zullen inperken.
Zijn er nu al gemeenten bekend die ertoe hebben besloten of die overwegen het vergunningsvrij bouwen van mantelzorgwoningen stop te zetten of in te perken?
Nee, die zijn mij niet bekend.
Staat deze ontwikkeling als gevolg van de nieuwe Omgevingswet niet op gespannen voet met het streven van het kabinet om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen en daartoe het verlenen van mantelzorg te stimuleren en te ondersteunen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben deze mening niet toegedaan. Zoals ik onder 3 aangeef verwacht ik niet dat gemeenten extra regels zullen gaan stellen. De mogelijkheid om bouw- en gebruiksregels beter op een concrete locatie af te stemmen, staat op zichzelf niet op gespannen voet met het streven ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Zoals bij het antwoord op vraag 3 al aangegeven hebben gemeenten in het kader van de Wmo 2015 immers ook een verantwoordelijkheid op dat punt.
Bent u het ermee eens dat inperking van de mogelijkheid tot vergunningsvrije bouw van mantelzorgwoningen tevens haaks staat op de gedachte achter de nieuwe Omgevingswet, namelijk minder regels en meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan initiatiefnemers voor het maken van ruimtelijke plannen?
Ik ben het hier niet mee eens. Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Zou de suggestie van KBO-PCOB, MantelzorgNl en de Patiëntenfederatie om een instructieregel type 3 toe te voegen aan de Omgevingswet waarmee gemeenten worden verplicht om voldoende mogelijkheden tot vergunningsvrije mantelzorgwoningen toe te staan, een oplossing zijn?
Ik sta op zichzelf niet afwijzend tegen een instructieregel op dit punt maar de vraag is of op voorhand al een instructieregel moet worden gesteld. Het heeft mijn voorkeur de ontwikkelingen in de gemeentelijke praktijk af te wachten en later te bezien of er op dit punt van rijkswege sturing nodig is. Bedacht moet worden dat bij het opstellen van een instructieregel de nodige vragen zullen spelen. Een instructieregel waarbij louter wordt opgedragen om te voorzien in «voldoende» mogelijkheden voor vergunningvrije mantelzorgwoningen, roept direct de vraag op wat voldoende is. Verder brengt het (her)introduceren van een vergunningplicht nog niet direct met zich dat bouwmogelijkheden voor mantelzorgvoorzieningen worden ingeperkt.
Indien u dit niet wenselijk acht, welke (andere) oplossingen ziet u – zeker in het licht van de huidige wooncrisis en het tekort aan ouderenwoningen – om mantelzorgers op dit punt beter te ondersteunen? Hoe gaat u gemeenten ertoe bewegen vergunningsvrije mantelzorgwoningbouw te stimuleren?
Voor het stimuleren van vergunningsvrije mantelzorgvoorzieningen zie ik nu geen aanleiding. Wel zie ik mogelijkheden om mantelzorgers beter te ondersteunen in het organiseren van de toegang tot regelingen en voorzieningen die voor hen beschikbaar zijn. Veel mantelzorgers lopen tegen drempels bij het realiseren van een mantelzorgwoning. Één van deze drempels betreft het verstrekken van een «bewijs tot mantelzorger zijn», een mantelzorgverklaring. Op 2 december jl. is tijdens de begrotingsbehandeling het amendement (35 570 XVI, nr. 69) van de leden van Otterloo en Sazias aangenomen, waarin verzocht wordt te komen tot een gedragen mantelzorgverklaring (mantelzorgpaspoort). Hier is 4 miljoen euro voor vrijgemaakt. Uit een uitgevoerde verkenning2 met stakeholders zoals de VNG, Aedes en gemeenten blijkt dat er nog vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd om te komen tot een meer uniforme verklaring en dat er met name lokaal moet worden geëxperimenteerd om te onderzoeken hoe de toegang tot (mantelzorg)regelingen, zoals een vergunningvrije mantelzorgvoorziening, kan worden verbeterd. Het Ministerie van VWS stelt hiertoe ruim 80 gemeenten in staat door middel van de organisatie van lokale pilots. Uitkomsten en opbrengsten van deze pilots zullen breed worden verspreid.
Hoewel kort dag, lukt het om deze vragen te beantwoorden voor het notaoverleg over de initiatiefnota van de leden Ellemeet en Smeulders over een «Eigen thuis, voor nu en morgen; wonen en ouderenzorg, de impasse voorbij» dat gepland staat op 25 oktober 2021?
Hoewel ik heb getracht de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden is dat niet gelukt vóór het genoemde notaoverleg.
Partijdigheid van de UNHRC-onderzoekscommissie naar eventuele oorlogsmisdaden door Israël en de Palestijnen |
|
Gert-Jan Segers (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israel critics comprise UNHRC’s permanent war-crimes probe»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de samenstelling, het mandaat en de werkwijze van deze permanente commissie is?
De onderzoekscommissie (commission of inquiry) doet onderzoek naar alle vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden en Israël in aanloop naar en sinds 13 april 2021. Conform resolutie S-30/1 van de Mensenrechtenraad, bestaat de commissie uit drie deskundige leden, van wie er één als voorzitter fungeert, benoemd door de voorzitter van de Mensenrechtenraad. De commissie richt zich op het onderzoeken, verzamelen en analyseren van alle onderliggende oorzaken van terugkerende spanningen, instabiliteit en aanhoudende conflicten, inclusief systematische discriminatie en repressie op basis van nationale, etnische, raciale of religieuze identiteit. Daarbij identificeert de commissie, waar mogelijk, de verantwoordelijken van deze schendingen en doet de commissie aanbevelingen over te nemen maatregelen m.b.t de strijd tegen straffeloosheid. De commissie rapporteert twee keer per jaar, eenmaal aan de Mensenrechtenraad en eenmaal aan de Algemene Vergadering van de VN.
Erkent u dat de commissieleden zich in het verleden fel, en soms op ronduit discutabele wijze, tegen Israël hebben uitgesproken of opgesteld?2
De commissieleden zijn conform het mandaat van de onderzoekscommissie door de voorzitter van de Mensenrechtenraad benoemd. De voorzitter dient hierbij zorg te dragen voor het waarborgen van de onpartijdigheid, objectiviteit en kunde van de leden. Nederland heeft vertrouwen in de professionaliteit van de voorzitter van de Mensenrechtenraad om hiervoor zorg te dragen en bemoeit zich niet inhoudelijk met de aanstelling van de afzonderlijke leden.
Het onderzoek van de commissie moet worden uitgevoerd volgens internationale standaarden voor bewijsvergaring, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en expertise. Met deze maatstaf zal het kabinet de rapporten van de commissie beoordelen.
Beaamt u dat deze leden hiermee op zijn minst de schijn van partijdigheid hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dergelijke partijdigheid onwenselijk is en voorkomen moet worden met het oog op een zuiver, objectief en geloofwaardig onderzoeksresultaat?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u tevens de mening dat het mandaat van deze onderzoekscommissie te algemeen en onbepaald is, en dat van dit mandaat misbruik kan worden gemaakt?
Zoals gesteld in de beantwoording van Kamervragen van het Lid Van Dijk (nr. 3437, Vergaderjaar 2020–2021), omvat het mandaat van de onderzoekscommissie gedragingen van alle partijen, is het niet specifiek gericht op de gebeurtenissen van mei jl., en heeft het een permanent karakter. Dit is niet in lijn met vergelijkbare onderzoekscommissies van de Mensenrechtenraad en riep bij Nederland ook zorgen op over overlap met het mandaat van de VN-Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden en met het in maart 2021 door het Internationaal Strafhof (ICC) geopende strafrechtelijke onderzoek. Nederland heeft zich vanwege deze redenen samen met 13 andere leden van de Mensenrechtenraad3 onthouden van stemming en dit tijdens de Mensenrechtenraad toegelicht in een Explanation of Vote. Nederland heeft op dit moment evenwel geen redenen om aan te nemen dat misbruik zal worden gemaakt van het mandaat.
Erkent u daarom dat de huidige samenstelling en het mandaat van de onderzoekscommissie gewijzigd dient te worden, en dat de commissie zou moeten bestaan uit mensen zonder een bewezen geschiedenis in het bekritiseren van Israël?
Met een meerderheid van stemmen voor de resolutie is het mandaat van de onderzoekscommissie aangenomen en definitief. Hoewel Nederland zich heeft onthouden van stemmen worden besluiten van de Mensenrechtenraad gevolgd en geaccepteerd. Zie het antwoord op vragen 3, 4 en 5 betreffende de samenstelling van de commissie.
Zo ja, bent u bereid de partijdigheid van de commissieleden en het problematische mandaat van de commissie publiekelijk kenbaar te maken in VN-verband, waaronder jegens de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad?
Zie antwoord vraag 7.
Zo niet, hoe groot acht u de kans dat er een volledig objectief en op feiten gebaseerd onderzoek geproduceerd zal worden dat niet gebruikt zal worden om Israël nog verder tot een internationale paria te maken?
Nederland kan niet vooruit lopen op de rapportages van de onderzoekscommissie. Alle onderzoeksrapporten, ook die van deze commissie, zullen met grote zorgvuldigheid worden gelezen en beoordeeld; bij twijfel wordt ook op basis van andere bronnen beoordeeld hoe de mensenrechtensituatie in een land is.
Wilt u ook rondom de in deze vragen geschetste problematiek uw afwegingen verantwoorden in het licht van de aangenomen motie van het Eerste Kamerlid Schalk (Kamerstuk 35 403, J) en de aangenomen motie-Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374), zoals ook uiteengezet in uw brief «Nederlandse inzet MOVP-resoluties in VN-fora» van 5 oktober 2021?
Nederland zet zich in VN-verband in tegen disproportionele aandacht voor Israël, zoals ook uiteengezet in de brief aan uw Kamer van 5 oktober jl. (Kamerstuk 23 432, nr. 85). Ook bij de beoordeling van toekomstige rapportages van de onderzoekscommissie zal het kabinet een scherp oog houden voor mogelijk eenzijdige anti-Israëlische standpunten, conform de motie Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374). Daarbij geldt ook dat er in VN-verband ruimte moet zijn voor gefundeerde kritiek op alle VN-lidstaten.
Het bericht dat de bank voortaan je studieschuld kan opzoeken. |
|
Hatte van der Woude (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hypotheek nodig? Bank kan voortaan je studieschuld opzoeken»?1
Ja.
Deelt u de analyse dat starters het nu al heel moeilijk hebben op de woningmarkt en het daarom heel vreemd is juist voor starters extra belemmeringen op te werpen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel uw mening dat starters het niet makkelijk hebben op de woningmarkt. Het woningaanbod is beperkt en de concurrentie is groot. De bouw van extra woningen is daarom topprioriteit voor dit kabinet. Die woningen staan er echter niet meteen. Daarom nemen we ook maatregelen om starters op korte termijn te helpen om een woning te kopen. Bijvoorbeeld door meerderjarige starters tot 35 jaar vrij te stellen van overdrachtsbelasting (bij een woning tot € 400.000) en door het verbeteren van de informatievoorziening voor starters op de woningmarkt.
Het meewegen van de studieschuld bij het aanvragen van een hypotheek is al langdurig staand beleid en niet specifiek gericht op starters. Voor verantwoorde kredietverlening is het verplicht om bij het bepalen van de maximale financieringslast rekening te houden met financiële verplichtingen zoals een studieschuld. De (oud-)student is daarnaast verplicht om bij een hypotheekaanvraag eventuele studieschulden op te geven. De terugbetaling van een studieschuld drukt namelijk op het besteedbaar inkomen van een (oud-)student. Het is daarom ook in het belang van de consument om bij een hypotheekaanvraag een eventuele studieschuld eerlijk op te geven. Daarmee voorkomt de aanvrager dat de hypotheeklasten te hoog worden, met mogelijke betalingsproblemen als gevolg. Het delen van gegevens via een app kan juist leiden tot meer gebruiksgemak en zie ik niet als een extra belemmering voor starters.
Bent u het ermee eens dat dit haaks staat op de belofte bij invoering van het leenstelsel dat de studieschuld niet geregistreerd zou worden voor hypotheekverstrekking?
Daar ben ik het niet mee eens. De studieschulden worden door DUO bijgehouden ten behoeve van de uitvoering van de studiefinanciering. Dit gebeurde ook al voor de invoering van het leenstelsel. Daar horen ook gegevens bij over opgebouwde schuld door leningen en aflossingen hierop. Burgers hebben het recht op hun persoonlijke gegevens bij de overheid in te zien en te gebruiken voor hun eigen doeleinden. Dat is precies wat de nieuwe mogelijkheid beoogt. De keuze om deze gegevens te delen met derden, is geheel aan de burger.
Was u al op de hoogte van de koppeling van de studieschuld voor hypotheekverstrekking door DUO toen u uw tweet uitstuurde en u onze vragen beantwoordde? Zo ja, hoe lang was u dan al op de hoogte en waarom heeft u dan niets ondernomen tegen de koppeling door DUO?2, 3
De desbetreffende tweet gaat over een registratie van studieschulden bij het Bureau Kredietregistratie (BKR). Dat is in deze situatie niet het geval, daarom koppel ik deze tweet ook niet aan deze ontwikkeling. Het kabinet gaat ook niet over tot een BKR-registratie voor studieschulden. In deze casus gaat het om gegevens die door DUO worden bijgehouden ten behoeve van de uitvoering van de studiefinanciering. (Oud-)studenten kunnen hun persoonlijke gegevens hierover inzien via Mijn DUO. De (oud)-student kan bepalen om zelf zijn gegevens te delen met de hypotheekverstrekker via een app door toestemming te geven. Deze ontwikkeling zorgt voor meer gebruiksgemak, er zijn minder handelingen nodig van de (oud-)student.
Deelt u de mening dat het registreren van de studieschuld in het BKR feitelijk dezelfde gevolgen voor starters heeft als het registreren van de studieschuld voor hypotheekverstrekking door DUO?
Daar ben ik het niet mee eens. Een burger heeft op basis van de AVG het recht om zijn eigen persoonsgegevens bij de overheid digitaal in te zien. Hij hoeft niet nader te motiveren met welk doel hij de gegevens wil inzien. Een (oud-)student heeft daarom de mogelijkheid om gegevens over zijn studieschuld via Mijn DUO in te zien. Hij kan vervolgens zelf besluiten om deze gegevens te gebruiken. Bijvoorbeeld om extra af te lossen, het maandbedrag aan te passen of om de gegevens te delen met derden, zoals de apps van Ockto of iWiZe. Het delen van gegevens vindt in de meeste gevallen plaats buiten medeweten van de overheid. Het registreren van de studieschuld bij DUO is dus niet bedoeld voor hypotheekverstrekking. De gegevens die bij DUO geregistreerd staan kunnen alleen daarvoor worden gebruikt indien de (oud-)student daar toestemming voor geeft. Naast de hoogte van de oorspronkelijke studieschuld kan de (oud-)student via mijn DUO ook informatie vinden over eventuele extra aflossingen, de resterende looptijd en welk leenstelsel er van toepassing is.
Met een toetsing bij het BKR kunnen banken en kredietverstrekkers zien of een consument ergens anders geld heeft geleend. En of er betalingsproblemen zijn of zijn geweest. De uitkomsten van de toets kunnen zij meewegen bij de hypotheekaanvraag. Een toetsing bij het BKR is voor kredietverstrekkers essentieel in het voorkomen van overkreditering. De gegevens in het BKR worden aangeleverd door kredietverstrekkers zelf. Met het registreren van verstrekte kredieten en eventuele betalingsachterstanden vervult het BKR een andere rol dan DUO die gegevens bijhoudt ten behoeve van de uitvoering van de studiefinanciering.
Kunt u huidige en oud-studenten verzekeren dat u de belofte om studieschulden niet te registreren voor hypotheekverstrekking nakomt?
Het kabinet gaat niet over tot een BKR-registratie voor studieschulden. Wel zijn (oud-) studenten gehouden hun studieschulden kenbaar te maken bij het aanvragen van een hypotheek.
Bent u bereid in gesprek te gaan met DUO en aan te geven dat deze belofte in stand blijft?
Ik acht een gesprek met DUO niet noodzakelijk. Het kabinet gaat niet over tot een registratie van studieschulden, enkel voor hypotheekverstrekking. DUO dient de studieschulden natuurlijk wel bij te houden voor de uitvoering van de studiefinanciering.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor de behandeling van het Wetgevingsoverleg inzake het begrotingsonderdeel wonen en ruimte (hoofdstuk VII) op 15-11-2021?
Ja.
Een GSM-paraplu voor penitentiaire inrichtingen |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politiechef is vrijheden zware criminelen in gevangenis beu: «Hoe humaan moet het zijn»?»?1
Ja.
In hoeverre onderschrijft u het standpunt van politiechef Ekelmans dat zware criminelen teveel vrijheid hebben in de gevangenis?
Het geschetste dilemma, namelijk dat van de veiligheid van de samenleving versus de grondrechten van gedetineerden, herken ik. De aanpak van georganiseerde criminaliteit leidt tot een toename van arrestaties van een «buitencategorie» van personen verdacht van zware criminaliteit. Deze personen realiseren zich dat lange gevangenisstraffen in het verschiet liggen en hebben er veel voor over om hun straf te ontlopen of om tijdens detentie door te kunnen gaan met criminele activiteiten. Met de macht en middelen waarover ze beschikken lukt ze dit op dit moment te vaak. In mijn brief van 22 november jl. heb ik uiteengezet welke maatregelen ik hierop ga treffen.2
Deelt u de mening dat het uitgangspunt moet zijn dat communicatie door gedetineerden via een mobiele telefoon met de buitenwereld in beginsel niet mogelijk moet zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom?
Ja, die mening deel ik. Mobiele telefoons mogen niet in bezit van gedetineerden zijn, omdat ze dan ongecontroleerd met de buitenwereld kunnen communiceren en zo door kunnen gaan met crimineel handelen.
Welke mogelijkheden heeft u om communicatie met de buitenwereld door gedetineerden te beperken?
Gedetineerden hebben recht op communicatie met de buitenwereld, dat is belangrijk voor hun re-integratie. Bij gedetineerden met een hoog risicoprofiel houdt DJI intensief toezicht op deze contacten. Zo worden telefoongesprekken standaard opgenomen en luistert DJI deze uit ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten of om de veiligheid in de inrichting te handhaven.3
De invoer en het gebruik van mobiele telefoons door gedetineerden wordt op diverse manieren beperkt. Er is een toegangscontrole voor gedetineerden en bezoekers. Luchtplaatsen worden voor gebruik geïnspecteerd op contrabande. En er zijn periodieke celinspecties. Ook worden zogenaamde mobifinders en honden ingezet die telefoons kunnen opsporen. Sinds eind 2019 zijn personen die verboden voorwerpen zoals een telefoon een gevangenis binnensmokkelen strafbaar. En om de aanpak van contrabande te intensiveren heb ik eerder structureel € 3 miljoen per jaar beschikbaar gesteld.
Wat is de status van de «GSM-paraplu» waarmee telefoonverkeer vanuit een penitentiaire inrichting verstoord kan worden?
DJI heeft onderzoek gedaan naar de toepassing van een GSM paraplu in de penitentiaire inrichtingen. Daarna hebben diverse marktpartijen oplossingen gepresenteerd en er is een offerte uitgebracht. Zoals toegelicht in eerdere Kamervragen van het lid Van Haga hebben de technische complexiteit, de beperkte effectiviteit en de hoge kosten die gemoeid gaan met de GSM-paraplu ertoe geleid dat de opdracht niet is gegund en daarmee is stopgezet.4 Dit is een teleurstellend resultaat. Het versterken van het tegengaan van telefoongebruik is en blijft een belangrijk onderdeel van de aanpak om crimineel handelen in detentie tegen te gaan. Daarom doet DJI nu verder onderzoek naar de mogelijkheden van GSM-detectie binnen het gevangeniswezen. Hierbij wordt samengewerkt met de politie. In de volgende voortgangsbrief over het gevangeniswezen zal ik de stand van zaken opnemen.
Is de «GSM-paraplu» volgens u een waardevol instrument om telefoonverkeer vanuit een penitentiaire inrichting te verstoren? Zo ja, wat is ervoor nodig om dit instrument zo snel mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt de GSM paraplu niet als juiste oplossing voor het tegengaan van mobiele telefoons in gevangenissen gezien. Aan een alternatief wordt gewerkt, zie ook antwoord 5.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat gevangeniswezen en tbs van 2 december a.s. beantwoorden?
Ja.
Het in Singaporese handen vallen van de High Tech Campus Eindhoven |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «High Tech Campus niet naar Amerikanen, maar in handen van Singaporese staat»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat deze vitale kennisinfrastructuur in de handen komt van een buitenlandse eigenaar?
Ik hecht er waarde aan een duidelijk onderscheid te maken tussen de verkoop van het vastgoed en de bijbehorende vastgoedmanagementdiensten enerzijds en het kennisecosysteem op en rondom de High Tech Campus waar veel hoogwaardig technologisch en innovatieve bedrijven gevestigd zijn anderzijds. Het gaat hier om een vastgoedtransactie tussen twee marktpartijen, waarbij de koper een Amerikaanse asset manager is die onder andere fondsen van GIC beheert. Beide partijen zijn al langer in Nederland actief op het gebied van investeringen in commercieel vastgoed, waaronder zorgvastgoed en hotels.
Hoe beoordeelt u het grote belang van de Singaporese staat in het beleggingsfonds van Oaktree?
GIC is een beleggingsfonds dat in eigendom is van de Singaporese Staat. GIC belegt de deviezenreserves van de Singaporese Staat en hanteert een beleggingsbeleid gericht op langetermijninvesteringen met een stabiel rendement.2 Het betreft hier een commercieel gedreven fonds. Het is niet aan de Nederlandse overheid om in te gaan op welke commerciële belangen ten grondslag liggen aan de investering. Wel heeft de Nederlandse overheid zich een beeld gevormd van eventuele risico’s voor de nationale veiligheid verbonden aan een dergelijke transactie. Deze acht ik afwezig, gelet op de aard en inhoud van de transactie en de betrokken partijen.
Wat is het gevoerde beleid van dit demissionaire kabinet ten aanzien van onze kennisinfrastructuur? Acht u het van belang dat dit soort infrastructuur in Nederlandse dan wel Europese handen blijft? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 aangeef is het van belang onderscheid te maken tussen het vastgoed enerzijds en het kennisecosysteem, of kennisinfrastructuur anderzijds. Het Nederlandse beleid ten aanzien van onze kennisinfrastructuur richt zich op het realiseren van de groeistrategie voor Nederland, door het duurzame verdienvermogen op de lange termijn te versterken. Dat vergt onderwijs, onderzoek, innovatie, inzet op sleuteltechnologieën met bedrijvigheid daar weer omheen. Het verbinden van bedrijven, kennisinstellingen, overheid – zoals rond de High Tech Campus – is daarbij van groot belang. Hier ontstaan bij gevestigde bedrijven en innovatieve startups en scale-ups de technologische oplossingen die we nodig hebben om groeistrategie te realiseren. Samen met Brainport Eindhoven en alle verbonden publieke en private partijen zullen wij ons hiervoor blijven inzetten, zodat deze regio zijn internationale koploperspositie behoudt. De wijziging van het eigendom van het vastgoed van de campus verandert daar niets aan.
Naast de inzet op de groeistrategie, kijkt de rijksoverheid in den brede ook naar waarborgen om de risico’s op ongewenste overdracht van sensitieve kennis en technologie binnen de Nederlandse kennisinfrastructuur te verkleinen. De bescherming van intellectueel eigendom en bedrijfsgevoelige informatie is hierbij primair de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven, waarbij het National Cyber Security Center en het Digital Trust Center een adviserende en informerende rol spelen. Het is aan HTCE Site Management B.V. en de huurders van de campus om de (digitale) informatiebeveiliging op orde te hebben. Ik zie – op basis van de thans beschikbare informatie – geen aanleiding om hierin anders op te treden. Enkel als mogelijk sprake is van risico’s voor de nationale veiligheid door ongewenste overdracht van bepaalde sensitieve kennis en technologie, is het aan de overheid om proportionele en passende maatregelen te treffen om deze risico’s te verkleinen. Over de informatiebeveiliging en risico's voor de nationale veiligheid bij directe toegang tot de locaties waar sensitieve technologie gebruikt of ontwikkeld wordt, verkent mijn ministerie of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
In hoeverre denkt u dat de overname van de High Tech Campus Eindhoven door een buitenlandse partij een nadeel vorm voor het Nederlandse belang?
In de regel zijn investeringen en overnames een private aangelegenheid, waarbij de overheid slechts een rol heeft wanneer mogelijk zwaarwegende publieke belangen, zoals de nationale veiligheid, in het geding komen.
In het kader van economische veiligheid heeft het Ministerie van EZK gekeken naar de aard van de transactie en of deze gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid. Het betreft hier een wijziging in zeggenschap over het vastgoed en het vastgoedmanagement van de HTCE. Vanwege deze aard valt de transactie buiten het bereik van bestaande investeringstoetsen zoals opgenomen in de energiewetgeving en de Telecommunicatiewet. Ook het wetsvoorstel Veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames biedt geen aanknopingspunten. Ramphastos Investments en de beheer- en exploitatiemaatschappijen HTCE Development B.V. en HTCE Site Management B.V. zijn geen van allen aanbieders van een vitaal proces in de zin van het wetsvoorstel. Ook zijn zij geen eigenaar noch hebben zij controle over of directe toegang tot sensitieve technologie.
Wat vindt u ervan dat er ook in Eindhoven bedenkingen zijn bij deze participatie? Weegt dat op enigerlei wijze mee in uw opstelling of beleid in dezen?
Bij mijn ministerie zijn geen signalen binnengekomen van bedrijven uit Eindhoven die bedenkingen hebben bij deze participatie. Zoals bekend was Philips tot 2012 zelf eigenaar van de High Tech Campus en heeft indertijd ervoor gekozen het vastgoed en het beheer hiervan te verkopen. Voor wat betreft het gemeentebestuur hebben wij in ons contact met hen gewezen op de rolverdeling zoals die ook in deze en eerdere Kamervragen is toegelicht.
Serologische tests |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Serologische test: de nog onbekende coronatest» in Elsevier Weekblad (EW) over serologische tests?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het volgende citaat uit een Europese non-paper genoemd in dit artikel: «Gebruik van Digital Green Certificates die zijn afgegeven op basis van positieve serologie kunnen impact hebben op de publieke houding ten opzichte van het relatieve belang van vaccinatie»?
Ik vind het niet passend om te reageren op een citaat uit een non-paper dat ik niet gezien heb, zeker omdat in dit citaat de context ontbreekt.
Is het zo dat de EU afwijzend staat tegenover serologische tests omdat dit de vaccinatiebereidheid kan doen afnemen?
Op 18 oktober heeft de Europese Commissie2 een aantal punten ter overweging samengevat over het gebruik van serologische testen voor toegang, gebaseerd op een rapport van de ECDC (European Centre for Disease Prevention and Control). Een aantal voorname overwegingen zijn:
Het Outbreak Management Team (OMT) heeft daar in het 127e advies ook over geadviseerd. Zij geven aan dat het tijdstip van infectie niet vast te stellen is met een serologische test, en dat er daarom geen termijn kan worden gekoppeld aan het CTB. Ook geven zij aan dat er nog geen internationaal geaccepteerde afkapwaarde bekend is.
Zoals ik bij diverse gelegenheden heb aangeven ben ik geïnteresseerd in het gebruik van serologie. Op basis van bovenstaande argumenten is het kabinet echter nog niet tot de conclusie gekomen dat serologie nu al een rol kan spelen bij het coronatoegangsbewijs. Het wel of niet inzetten van serologische testen voor toegang wordt niet beïnvloed door een mogelijke invloed op de vaccinatiebereidheid.
Sluit u uit dat de vaccinatiebereidheid ook maar in enig opzicht een rol speelt in het wel of niet toelaten van serologische tests door het kabinet in Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de Kamer het in EW-artikel genoemde non-paper sturen?
Op basis van het artikel in Elsevier, kan ik niet opmaken om welk non-paper het gaat. Overigens zijn de genoemde argumenten in antwoord op vraag 3 en 4 leidend in de keuze om op dit moment geen serologische tests in te zetten.
Erkent u inmiddels dat natuurlijke immuniteit betere bescherming biedt op de lange termijn dan een vaccin? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de uitspraken van Pfizer wetenschappers waarin Pfizer wetenschappers zelf toegeven dat natuurlijke immuniteit inderdaad betere bescherming biedt?2
Zowel vaccinatie als een doorgemaakte infectie biedt een goede bescherming. Dat immuniteit op basis van een besmetting betere bescherming biedt dan immuniteit op basis van vaccinatie wordt bijvoorbeeld weersproken door recent onderzoek in de VS4. Het grote voordeel van vaccinatie ten opzichte van immuniteit door een besmetting is dat bij een besmetting na vaccinatie er een veel kleinere kans is op een ernstig ziektebeloop, ziekenhuisopname en IC-opname. Bovendien vermindert vaccinatie ook de kans op besmetting en de kans op virusoverdracht als een gevaccineerde toch het virus oploopt.
Is Nederland afhankelijk van de EU voor het invoeren van de serologische test?
Voor de eventuele invoering van serologische tests voor het coronatoegangsbewijs (binnenlands gebruik) is Nederland niet afhankelijk van de EU. Voor de invoering van serologische tests voor het EU Digitaal Corona Certificaat (voor reizen), is wel overeenstemming op EU-niveau nodig.
Het aantal evacuaties vanuit de ambassade in Kaboel |
|
Jasper van Dijk , Pieter Omtzigt |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de mail van 12 augustus 20.17 uur waarin staat: «Ons team is dringend verzocht uitvoering te geven aan een besluit van het BWO om de lijst van hardheidsclausule gevallen terug te brengen van 60 naar 3. Waarop dit getal is gebaseerd is niet duidelijk. De post moet die keuze maken en vandaag voorleggen aan de ambtelijke leiding»?1
Ja.
Herinnert u zich dat meerdere Ministers in het plenaire debat over de evacuatie uit Afghanistan ontkenden dat er sprake was van het cijfer 3 in het bewindspersonenoverleg?
De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in het debat van 15 september jl. een toelichting gegeven op de gesprekken die hierover in het bewindsliedenoverleg van 11 augustus plaatsvonden. Daarbij heeft zij aangegeven: «Er is in de ministerraad gekeken en er is overleg geweest, om af te ronden dat het lokale personeel met een kerngezin kon komen. Er is een discussie geweest over de vraag hoeveel anderen konden meekomen. Er zijn op ambtelijk niveau gesprekken geweest met de IND over de vraag of de IND kon kijken wie vanuit de 60 personen ook afhankelijk inwonend waren. Gelijke monniken, gelijke kappen: kan het precies hetzelfde zijn als bij de tolkenregeling?» Ook heeft zij aangegeven dat in de terugkoppeling aan de ambassade «niet [is] gesteld: het moeten er drie worden» en dat zij «... weet ... dat niet de instructie is gegeven: «het moeten slechts drie mensen zijn».» Zoals aangegeven, is het getal drie in de terugkoppeling uiteindelijk gebruikt ter illustratie om een orde van grootte aan te geven.
De Minister-President heeft in het debat van 15 september aangegeven dat op 11 augustus «is ... afgesproken dat we vasthouden aan het besprokene dat ook in de ministerraad van 9 juli aan de orde was over lokale medewerkers en hun kerngezin en ... dat wordt gekeken naar enkele uitzonderingen op humanitaire gronden voor andere familieleden, vergelijkbaar met wat ook bij de tolken gebeurt» en «[of we] dat cijfer kunnen terugvinden in de verslagen van de bwo's en de ministerraden. Dat is niet zo.».
Kunt u aangeven of in de verslagen van de bewindspersonen ergens sprake is van (ongeveer) 3 mensen, die – ook al behoren zij niet tot het kerngezin – geëvacueerd kunnen worden? Kunt u de precieze zinnen die in de verslagen van de bewindspersonenoverleggen tussen 10 en 12 augustus die aan die selectie refereren, openbaar maken?
In het verslag van het bewindsliedenoverleg van 11 augustus 2021 worden geen aantallen genoemd. Het getal van (ongeveer) drie komt niet in de verslagen voor. In het verslag worden de woorden «zeer restrictief» gebruikt, analoog aan de tolkenregeling voor wat betreft familieleden buiten het kerngezin.
Klopt het dat er geen enkele regeling is die de verslagen van bewindspersonenoverleggen (staats)geheim maakt? Kunt u dit heel precies toelichten?
Ministers leggen verantwoording af voor de besluiten die zij nemen, het kabinet legt verantwoording af voor het gevoerde beleid. Uit artikel 45, derde lid, van de Grondwet volgt dat de ministerraad de eenheid van het kabinetsbeleid bevordert. Het openbaar maken van de opvattingen van ministers, kan de eenheid van het kabinetsbeleid in gevaar brengen. Aantasting van de eenheid van het kabinetsbeleid is daarom in het algemeen in strijd met het belang van de staat. Om deze reden wordt informatie over de opvattingen binnen het kabinet niet openbaar, zoals bijvoorbeeld verslagen van de (Rijks)ministerraad en voorbereiding voor onderraden, andere overleggen van bewindslieden en ambtelijke voorportalen. De besluiten die ten tijde van de Afghanistancrisis door de individuele bewindspersonen zijn genomen, al dan niet in overleg met een of meer collega’s, zijn de Tweede Kamer gemeld in Kamerbrieven en het feitenrelaas.
Kunt u de verslagen van de bewindspersonenoverleggen over Afghanistan die tussen 10 en 12 augustus gehouden zijn aan de Kamer sturen?
Nee. Zie het antwoord op vraag 4.
Indien u de verslagen niet wilt sturen, kunt u dan aangeven welk belang van de staat (onder artikel 68 van de Grondwet) gediend is met het niet verstrekken van deze verslagen?
Zie het antwoord op vraag 4.
In antwoord op Kamervragen schrijft de Minister van Buitenlandse Zaken dat het getal van 3 wel genoemd is in de uitwisseling; kan de Minister van Buitenlandse Zaken aangeven in welke uitwisseling dit getal van 3 genoemd is? Was dat een vergadering, een telefoongesprek, wanneer vond het plaats en wie waren de deelnemers?2
Zoals uiteengezet in de antwoorden op de eerdere Kamervragen van het lid Van Dijk, zijn de conclusies van het bewindsliedenoverleg telefonisch overgebracht aan de Nederlandse ambassadeur. Om de conclusie van het bewindsliedenoverleg te illustreren dat «zeer restrictief» met uitzonderingen bovenop de kerngezinsleden moest worden omgegaan, is in de loop van dat telefoongesprek het getal drie als orde van grootte genoemd, zonder dat dat als een absoluut aantal is bedoeld.
Herinnert u zich dat de indieners van deze vragen vroegen om alle vragen ten minste 72 uur voor het debat over Afghanistan te beantwoorden? Waarom lukt dat niet?
Het kabinet zet zich maximaal in om alle Kamervragen binnen de reguliere termijn van drie weken te beantwoorden. Naast de continue inzet die wordt gepleegd om alle mensen die nog in aanmerking komen voor overkomst naar Nederland uit Afghanistan in veiligheid te brengen. Het kabinet hecht eraan te wijzen op de bijzonder grote werklast die dit met zich meebrengt.
Kunt u deze vragen voor woensdag 13 oktober 12.30 uur en een voor een beantwoorden?
Nee, we hebben ons best gedaan maar het is helaas net niet gelukt.
Het nieuwsartikel ‘Raad van Europa: Nederlandse rechter normaliseert discriminatie door marechaussee’ |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of u bekend bent met de onderstaande artikelen?
Ja, ik ben bekend met de betreffende artikelen.
Klopt het dat u een brief heeft ontvangen van de Raad van Europa waarin de Raad van Europa aangeeft ernstig bezorgd te zijn over etnisch profileren door de Marechaussee? Kunt u een toelichting geven?
Het klopt dat Momodou Malcolm Jallow, de General Rapporteur on Combatting Racism and Intolerance van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, op 5 oktober jl. een brief heeft gestuurd aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De rapporteur vraagt aandacht van het kabinet inzake de uitspraak van de rechtbank van 22 september 2021 over de wijze waarop de Koninklijke Marechaussee (KMar) Mobiel Toezicht Veiligheid-controles uitvoert. Op 8 november 2021 heeft de Minister van BZK uw Kamer geïnformeerd over het juridische toetsingskader dat het College voor de rechten van de mens opstelt ten aanzien van het gebruik van etniciteit in risicoprofielen. Zij zal u na het verschijnen daarvan begin december informeren over dit kader en dit vergezellen van een standpunt van het kabinet met betrekking tot etnisch profileren. Hierin worden ook de gedane toezegging van de Minister van JenV uit het 30-ledendebat over etnisch profileren van 9 september 20214, de brief van de rapporteur van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa inzake de bestrijding van racisme en intolerantie en nog openstaande moties5 op dit onderwerp meegenomen.
Kunt u aangeven op welke wijze bij de Koninklijke Marechaussee aandacht wordt besteed aan het voorkomen van (on)bewuste vooroordelen en etnisch profileren? Kunt u een toelichting geven?
De Koninklijke Marechaussee is een integere organisatie die op een professionele wijze selecteert, controleert, bejegent en reflecteert. Het is daarom belangrijk dat controles op zorgvuldige wijze worden uitgevoerd waarbij voorop staat dat de controle altijd uitgelegd kan worden aan de gecontroleerde persoon. De KMar zet in op het borgen en ontwikkelen van een professionele wijze van controleren en heeft hiervoor een handelingskader opgesteld dat in begin september van dit jaar nog is geactualiseerd.
Dit handelingskader heeft tot doel om elke controle te voorzien van een informatieopdracht die uitlegbaar is. Daarnaast wordt ingezet op bewustwording in de operatie, met name op het gebied van bejegening en predictive profiling (herkenning normafwijkend gedrag). Conform de in het handelingskader beschreven systematiek wordt etniciteit niet afzonderlijk gebruikt als enkele indicator bij de uitvoering van MTV-controles.
Kunt u aangeven of er bij de opleidingen en trainingen bij de Koninklijke Marechaussee aandacht wordt besteed aan het voorkomen van etnisch profileren, en aan de juiste wijze van professioneel controleren, bij het selecteren van reizigers voor extra controle? Kunt u een toelichting geven?
Non-discriminatoir handelen is het uitgangspunt bij alle uitvoeringshandelingen van de KMar. In opleidingen, trainingen en dagelijkse briefings wordt hieraan aandacht besteed. Daarnaast zijn informatie en e-learning modules beschikbaar via de (mobiele) digitale werkplek en worden marechaussees getraind om elkaar aan te spreken op onjuist gedrag. Het voorkomen van etnisch profileren is van belang voor het legitiem optreden van de KMar en het maatschappelijk vertrouwen in het effectief optreden van de KMar. De KMar beschikt tevens over een toegankelijke en transparante klachtenprocedure waarin de onafhankelijke beoordeling van een klacht is geborgd.
Kunt u zich voorstellen dat het feit dat de Marechaussee etnische kenmerken en huidskleur mag meewegen bij het selecteren van reizigers voor extra controle, als discriminatoir ervaren wordt door mensen van kleur? Kunt u een toelichting geven?
Het is zeer begrijpelijk dat reizigers het zeer onaangenaam vinden als zij uit de groep reizigers geselecteerd worden voor een controle en daarbij vermoeden dat hun huidskleur doorslaggevend is geweest. Het is daarom belangrijk dat controles zorgvuldig worden uitgevoerd waarbij altijd kan worden uitgelegd waarom een controle heeft plaatsgevonden. Desondanks kan het voorkomen dat een persoon zich onheus bejegend voelt door de KMar. Dan kan een klacht worden ingediend. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. Een klacht wordt binnen de KMar conform de Klachtenregeling Politietaken Koninklijke Marechaussee afgehandeld. Indien een persoon uiteindelijk ontevreden blijft over de afhandeling van de klacht, kan er contact opgenomen worden met de Nationale ombudsman.
Bent u bereid om de brief van de Raad van Europa te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ja, de brief van de rapporteur doe ik u als bijlage bij deze beantwoording toekomen.
Bent u tevens bereid om op korte termijn een inhoudelijke reactie te sturen aan de Raad van Europa en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Er zal een reactie worden opgesteld naar aanleiding van de brief van de rapporteur. Ik zal uw Kamer een afschrift doen toekomen van deze reactie.
Kunt u reageren op het feit dat Momodou Malcolm Jallow, rapporteur van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, in zijn brief aan u niet alleen schrijft dat de recente uitspraak aantoont dat etnisch profileren nog steeds gebeurt in Nederland, maar ook dat deze laat zien dat het rechtssysteem het ondersteunt en rechtvaardigt? Kunt u een toelichting geven?
In het kabinetsstandpunt over het gebruik van etniciteit in risicoprofielen zal op de brief van de heer Momodou Malcolm Jallow nader worden ingegaan. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de rechtszaak die aanleiding gaf tot de kritiek van de rapporteur van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa expliciet ziet op het Mobiel Toezicht Veiligheidscontroles (MTV). Een ruimere reikwijdte heeft het vonnis van de rechtbank niet. Uit de uitspraak van de rechtbank blijkt dat er in het kader van het MTV geen sprake is van etnisch profileren. Tegen deze uitspraak is hoger beroep aangekondigd.
Bent u het met mij en de rapporteur van de Raad van Europa eens dat de recente uitspraak problematisch is, aangezien een duidelijke uiting van discriminatie op grond van etniciteit en/of huidskleur genormaliseerd wordt? Zo nee, waarom niet? Kunt u een toelichting geven?
Allereerst hecht ik eraan te benadrukken dat het kabinet pal achter het discriminatieverbod staat en actief uitdraagt dat alle mensen in alle gevallen gelijk worden behandeld. Een verschil in behandeling levert discriminatie op als daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is. Die rechtvaardiging is er niet wanneer met het onderscheid geen legitiem doel is gediend, dan wel indien het een niet met dat doel evenredig middel is.
Zoals in de beantwoording van de voorgaande vraag is aangegeven, heeft de rechtbank aangegeven dat het vonnis expliciet ziet op het MTV. Het vonnis is dan ook alleen daartoe beperkt.
Het doel van het MTV is de bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding waarbij personen staande kunnen worden gehouden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Hierbij is onderscheid naar nationaliteit (en verblijfsrecht) inherent aan het doel van het MTV. De rechtbank heeft geoordeeld dat etniciteit onder omstandigheden een rol mag spelen in profielen en selectiebeslissingen bij het uitvoeren van het MTV. Dat onder omstandigheden naast andere indicatoren, ook etniciteit een rol mag spelen in selectiebeslissingen, betekent volgens de rechtbank niet dat er sprake is van ongeoorloofd «onderscheid naar etniciteit» ofwel van discriminatie.
Kunt u aangeven wat uw zienswijze is op het feit dat dit de eerste keer sinds zijn aantreden twee jaar geleden is, dat rapporteur Malcolm Jallow zich direct wendt tot een regering van een lidstaat? Kunt u een toelichting geven?
Etnisch profileren heeft een grote impact op het leven van mensen. Het is een onderwerp dat terecht de aandacht heeft van velen, waaronder de Raad van Europa. Het kabinet acht het van belang helderheid te bieden over de juridische kaders die van toepassing zijn en in Nederland worden toegepast ten aanzien van het gebruik van etniciteit en nationaliteit in risicomodellen. Dit zal na het verschijnen van het toetsingskader van het College voor de rechten van de mens gebeuren, zoals toegezegd in de brief van de Minister van BZK van 8 november 2021.
Kunt aangeven hoe volgens u een Nederlander anno 2021 eruitziet? Bent u het ermee eens dat Nederland inmiddels een superdiverse maatschappij is? Kunt u een toelichting geven?
Ja. Daar ben ik het mee eens. Volgens de bevolkingsteller van het CBS telt Nederland 17.582150 inwoners. Op 1 oktober 2021 had 25,1 procent van de bevolking een migratieachtergrond.6
Bent u het eens met rapporteur Malcolm Jallow dat de Nederlandse regering verplicht is personen te beschermen tegen discriminatie? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Ja. Internationale mensenrechtenverdragen, Europese wet- en regelgeving en nationale wet- en regelgeving, waaronder artikel 1 van de Grondwet, bepalen dat discriminatie verboden is. Deze normen verplichten het kabinet tot bescherming daarvan.
Bent u het met de Raad van Europa eens dat etnisch profileren in al z’n vormen moet worden bestreden? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Ja.
Bent u het ermee eens dat huidskleur en etnische kenmerken niet thuis horen in risicoprofielen die de Marechaussee gebruikt? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Zie antwoord 8. Daarnaast zal de Minister van BZK voor het einde van het jaar in reactie op het toetsingskader van het College voor de rechten van de mens ingaan op de (on)rechtmatigheid van het gebruik van etniciteit (waaronder huidskleur) en nationaliteit in risicoprofielen.
Bent u bereid om een verbod in te stellen op het opstellen van, en het gebruik van huidskleur en etnische kenmerken in, risicoprofielen? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
In het kabinetsstandpunt dat de Minister van BZK heeft aangekondigd en waarnaar verwezen wordt in het antwoord op vraag 2 en 14, zal worden ingegaan op de juridische kaders voor het gebruik van etniciteit (waaronder huidskleur) en nationaliteit.
Begrijpt u dat rapporteur Malcolm Jallow zijn pijlen naar eigen zeggen niet richt op de Nederlandse rechtsgang, maar op de regering? Bent u het met de rapporteur eens dat etnisch profileren bestaat in Europa, en Nederland geen uitzondering is? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
De regering is gehouden aan de naleving van internationale mensenrechtenverdragen en Europese wet- en regelgeving, zoals het EVRM. Gelet hierop is het passend dat de rapporteur Malcolm Jallow zich richt tot het kabinet. Op de inhoudelijke kritiek van de heer Jallow zal ingegaan worden in het kabinetsstandpunt over het gebruik van etniciteit en nationaliteit in risicoprofielen, voor zover mogelijk vanwege de lopende rechtsgang, zoals genoemd onder vraag 2.
Bent u het eens met rapporteur Malcolm Jallow dat elk land de taak heeft ervoor te zorgen dat iedereen zich vrijelijk kan bewegen? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Een staat moet inderdaad het recht eerbiedigen van een ieder, die wettig op het grondgebied van die staat verblijft, zich vrijelijk te verplaatsen en vrijelijk verblijfplaats te kiezen. Daaraan kunnen onder voorwaarden beperkingen worden gesteld. Voorwaarde is onder meer dat beperkingen worden gerechtvaardigd door het algemeen belang in een democratische samenleving en dat beperkingen evenredig zijn. Personen die de nationaliteit hebben van een lidstaat (Unieburgers) hebben daarnaast het recht om zich vrijelijk te verplaatsen op het grondgebied van alle lidstaten en daar te verblijven. Nadere regulering van dit recht is met name opgenomen in Richtlijn 2004/38/EG.
Kunt u zich voorstellen wat het met een individu doet, als hij op basis van zijn kleur of etniciteit uit een rij wordt gepikt en onderworpen wordt aan een extra controle? Begrijpt u dat dit vernederend kan zijn? Begrijpt u dat het voor een Nederlandse staatsburger extra pijnlijk is als hij vanwege zijn huidskleur, dan wel etniciteit, ten onrechte wordt aangezien voor een «Nigeriaanse geldsmokkelaar»?4 Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Het is zeer begrijpelijk dat reizigers het zeer onaangenaam vinden als zij uit de groep reizigers geselecteerd worden voor een controle en daarbij vermoeden dat hun huidskleur of etniciteit daarbij doorslaggevend is geweest.
Bent u, gelet op de kritiek van de Raad van Europa, Sinan Cankaya (assistent professor aan de VU) en Ashley Terlouw (hoogleraar rechtssociologie van de Radboud Universiteit) bereid om «predictive profiling» door de Marechaussee opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Predictive profiling is onderdeel van de basisopleiding van de KMar, waarmee medewerkers worden opgeleid om afwijkend gedrag te detecteren binnen de verschillende taken en werkprocessen. De methode wordt onder andere geoefend door middel van rollenspellen. Hierbij wordt voortdurend aandacht besteed dat non-discriminatoir handelen altijd het uitgangspunt is.
Kunt u uw zienswijze geven op het feit dat Sinan Cankaya, assistent professor aan de VU en voormalig onderzoeker van etnisch profileren bij de politie Amsterdam, stelt dat de rechter ten onrechte Nederlanderschap aan witheid koppelt? Kunt u een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Discriminatie op grond van huidskleur valt onder discriminatie op grond van ras en is verboden en ontoelaatbaar. De toelaatbaarheid van het gebruik van etniciteit en nationaliteit bij risicoprofielen zal, in reactie op het juridische toetsingskader van het College voor de rechten van de mens, worden meegenomen in het eerder genoemde kabinetsstandpunt waarnaar verwezen wordt in het antwoord op vraag 2.l
Kunt u uw zienswijze en reactie geven op de volgende uitspraak van Sinan Cankaya: Zo nee, waarom niet? Kunt een toelichting geven?
Zie antwoord op vraag 8 en 9.
Begrijpt u dat Sinan Cankaya stelt dat de uitspraak van de rechter de facto een vrijbrief geeft aan nog troebelere vormen van etnisch profileren? Bent u het ermee eens dat we dit dienen te voorkomen? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 8 en 9.
Bent u het met mij en hoogleraar rechtssociologie Ashley Terlouw van de Radboud Universiteit eens dat Europese rechters niet snel van mening zijn dat er voor rassendiscriminatie een objectieve rechtvaardiging bestaat?
Ja. Hierop zal ik nader ingaan in het kabinetsstandpunt over het gebruik van etniciteit en nationaliteit bij risicoprofielen, in reactie op het juridische toetsingskader van het College voor de rechten van de mens.
Bent u het met mij en hoogleraar rechtssociologie Ashley Terlouw van de Radboud Universiteit eens dat het niet rechtvaardig is om structureel donkere mensen uit de rij te halen, mede gelet op het feit dat er heel veel EU-burgers zijn met een donkere huid? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
In de MTV-controles worden niet structureel personen met een donkere huidskleur uit de rij gehaald. Zoals in vraag 9 is aangegeven levert een verschil in behandeling alleen discriminatie op als daarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is. Die rechtvaardiging is er niet wanneer met het onderscheid geen legitiem doel is gediend, dan wel indien het een niet met dat doel evenredig middel is. De rechter toetst dit in individuele gevallen, zoals momenteel het MTV wordt getoetst.
Zoals in de beantwoording van de voorgaande vraag 8 en 9 is aangegeven is het doel van het MTV de bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding waarbij personen staande kunnen worden gehouden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Dit doel kan alleen worden bereikt op een wijze die geen discriminatoir effect heeft. Daar is nadrukkelijk aandacht voor.
Bent u het met hoogleraar rechtssociologie Ashley Terlouw van de Radboud Universiteit eens dat de werkwijze van de Marechaussee stigmatiserend werkt op mensen met een donkere huidskleur? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Begrijpt u de zorgen van hoogleraar rechtssociologie Ashley Terlouw van de Radboud Universiteit over de effectiviteit van de huidige werkwijze en begrijpt u de zorg dat mensen met een niet-donkere huidskleur die over onjuiste papieren beschikken, er nu mogelijk makkelijker doorheen glippen? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp het standpunt van hoogleraar Terlouw waarmee ze haar zorgen naar voren brengt. Het voorkomen van discriminatie waaronder etnisch profileren is prioriteit van het kabinet. Zoals aangegeven verschijnt hierover voor het einde van het jaar een kabinetsstandpunt. Het is van groot belang dat de rechtmatigheid van gemaakt onderscheid wordt gewaarborgd terwijl tegelijkertijd het doel en de taken van opsporingsdiensten gerealiseerd kunnen worden. Maar nooit op discriminatoire wijze. MTV heeft als doel illegaal verblijf, migratiecriminaliteit en grensoverschrijdende criminaliteit in een zo vroeg mogelijk stadium tegen te gaan. Bij de selectiebeslissingen in MTV-controles worden verschillende selectie indicatoren gebruikt zoals modus operandi en routes van personen met valse of vervalste documenten.
Kunt u een overzicht aan de Kamer sturen van alle overheidsdiensten die selectie-indicatoren etniciteit dan wel huidskleur hanteren als selectiecriterium? Zo nee, waarom niet?
In het debat van 19 januari 2021 (Handelingen II 2020/21, nr. 45, item 4) over het rapport «Ongekend Onrecht» van de Parlementaire Ondervragings-commissie Kinderopvangtoeslag is bij motie van het lid Marijnissen (SP) c.s. verzocht om «voor 1 maart een voorstel te doen hoe overal binnen overheidsinstellingen vervuilde data, risicomodellen en het gebruik van nationaliteit worden opgeruimd».9 Uitvoering van deze motie vindt plaats met inachtneming van het verzoek van lid Klaver (GroenLinks) c.s. om hierbij niet alleen te kijken naar nationaliteit, maar ook naar etniciteit en geboorteplaats.10 Alle bewindspersonen zijn voor hun beleidsterreinen gestart met het voorbereiden van onderzoeken naar het onrechtmatig of oneigenlijk gebruik van afkomst gerelateerde indicatoren in risicomodellen. Hierbij wordt nadrukkelijk breder gekeken dan alleen naar de drie in de moties genoemde indicatoren. In 2021 heeft de Minister van SZW zijn eindrapportage reeds aan uw Kamer gestuurd (Handelingen II 2020/21, Kamerstuk 26 448, nr. 653). Eind van dit jaar zal de Staatssecretaris van BZK uw Kamer informeren over de plannen van aanpak van de departementen en hun planningen.
Begrijpt u waarom eisende partijen in de rechtszaak aangeven dat het hanteren van etniciteit als selectiecriterium in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en het discriminatieverbod? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Op deze juridische vraag zal de Minister van BZK nader ingaan in het kabinetsstandpunt over het gebruik van etniciteit en nationaliteit in risicoprofielen. Daarbij moet aangetekend worden dat in deze vraag wordt verzocht om een oordeel over een zaak die momenteel nog onder de rechter is. In een dergelijk geval is terughoudendheid bij een reactie vanuit het kabinet geboden.
Vindt u dat etniciteit, ondanks andere selectiecriteria, de doorslag mag geven bij het kiezen van iemand voor een controle? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Het is wenselijk om het juridische toetsingskader in z’n geheel te bezien. Dit zal het College voor de rechten van de mens begin december doen. Het kabinet zal hierop reageren.
Bent u het ermee eens dat etniciteit en huidskleur structureel meewegen, in strijd is met het VN-verdrag tegen rassendiscriminatie en alle daaruit voortvloeiende wetgeving en jurisprudentie? Kunt een toelichting geven? Zo nee, waarom niet?
Het College voor de rechten van de mens zal alle relevante internationale mensenrechtenverdragen meenemen in het juridisch toetsingskader over het gebruik van etniciteit en nationaliteit in risicoprofielen.
Bent u bereid om een verbod in te stellen op het gebruik van etniciteit dan wel huidskleur als indicator in risicoprofielen voor alle overheidsinstanties?
De Minister van BZK zal uw Kamer informeren over het juridische toetsingskader en dit doen vergezellen van een standpunt van het kabinet met betrekking tot etnisch profileren. Hierin zal ik ook de gedane toezegging van de Minister van JenV uit het 30-ledendebat over etnisch profileren van 9 september 202111, de brief van de rapporteur van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa inzake de bestrijding van racisme en intolerantie en nog openstaande moties op dit onderwerp meenemen, zoals de motie Belhaj12 die vraagt om een verbod op het gebruik van etniciteit bij de fraudebestrijding.
Bent u het ermee eens dat «wit» en «zwart» geen objectieve in het lichaam gegraveerde gegevens zijn? Hoe zwart moet iemands huidskleur zijn om zwart te zijn? Hoe wit moet iemands huidskleur zijn om wit te zijn?
Ja. Discriminatie op grond van huidskleur valt onder discriminatie op grond van ras en is verboden en ontoelaatbaar.
Kunt u uitsluiten dat burgers door de Marechaussee niet geselecteerd worden op basis van indicatoren, maar op basis van onderbuikgevoelens? Kunt u aangeven of hier toezicht op wordt gehouden en, zo ja, door wie?
Ja. Zie antwoord 5, 6, 8 en 9.
Kunt u toelichten waarom de Marechaussee stelt dat etniciteit geen rol speelt in algemene risicoprofielen?
Zie antwoord 8 en 9.
Begrijpt u dat de profielindicatoren die gebruikt worden vaak ook geracialiseerd zijn en geen neutrale begrippen zijn? Bent u het ermee eens dat de selectiecriteria los van elkaar ogenschijnlijk neutraal lijken, maar opgeteld bedoeld en onbedoeld kunnen verwijzen naar een ras of etniciteit?
De profielen die de KMar op dit moment gebruikt, zijn samengesteld op basis van cijfers, informatie, inlichtingen en indicatoren. Onder indicatoren wordt bijvoorbeeld verstaan de afgelegde reisroute en de samenstelling van het reisgezelschap maar ook etniciteit kan een selectie -indicator zijn. Op basis van de indicatoren wordt onder andere bepaald wie wordt gecontroleerd. De selectiebeslissing voor de MTV-controle is daarmee gebaseerd op objectiveerbare criteria zoals cijfers en trends, modus operandi, ervaringsgegevens en informatie van (inter)nationale partners. Ook wordt gekeken naar afwijkingen van het normaal beeld, risico-indicatoren en specifieke signaleringen van personen. Etniciteit kan hier onderdeel van uitmaken, maar altijd in combinatie met andere objectiveerbare indicatoren of informatie ten behoeve van de selectiebeslissingen zoals hierboven genoemd.
Bent u het ermee eens dat de huidige techniek van werken, met selectiecriteria, niet per se neutraal of kleurenblind is? Zo nee, waarom niet? Kunt u een toelichting geven?
Zie antwoord, 5,6 8 en 9.
Bent u het ermee eens dat het argument dat er nu sprake is van een effectief toezicht op vreemdelingen een onbewezen claim is? Zo nee, waarom niet? Kunt u een toelichting geven?
Het is onduidelijk wat precies met deze vraag wordt bedoeld. In het algemeen geldt dat -discriminatoir handelen verboden en ontoelaatbaar is, ook bij de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen.
Bent u ermee eens dat het argument dat er nu sprake is van een effectief toezicht op vreemdelingen niet zwaarder mag wegen dan de principes van non-discriminatie? Zo nee, waarom niet? Kunt u een toelichting geven?
Discriminatoir handelen is altijd verboden en ontoelaatbaar, ook bij de uitvoering van het toezicht op vreemdelingen.
Kunt u aangeven welke lessen u heeft getrokken uit de toeslagenaffaire en het recente rapport van de Raad van Rechtspraak dat ook rechters fouten kunnen maken door te veel te kijken naar de letter van de wet?6
Voor de algemene lessen die het kabinet getrokken heeft uit de toeslagenaffaire verwijs ik naar de diverse aan uw Kamer gezonden brieven en de daarover sindsdien met uw Kamer gevoerde debatten.
Ik ben blij dat ook de verschillende geledingen binnen de bestuursrechtspraak, die toeslagen zaken behandeld hebben – rechtbanken en de afdeling bestuursrechtspraak bij de Raad van State – indringend zelf in de spiegel kijken en de eigen werkwijzen daarbij analyseren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een programma van reflectie opgezet. Het doel van het programma is te leren van het verleden, daaruit lessen te trekken en aanbevelingen te doen voor de toekomst. Het programma is gestart in februari 2021. Het eindrapport met aanbevelingen van de Raad van State is op 19 november jl. gepubliceerd.
Bestuursrechters in de rechtbanken hebben met het rapport «Recht vinden bij de Rechtbank», al verslag gedaan van hun zelfreflectie. Voor de openheid en eerlijkheid, die uit het rapport spreekt heb ik veel respect en waardering. Ik sluit me aan bij de woorden van de voorzitter van de Raad voor de rechtspraak die in zijn reactie op het rapport, stelde: «Een eerlijke kijk naar het eigen handelen maakt het onrecht niet ongedaan, maar kan het mogelijk wel in de toekomst voorkomen». Met de conclusies uit het rapport gaat in de eerste plaats de rechtspraak zelf aan de slag. De inhoud van het rechterlijk werk is immers de verantwoordelijkheid van de onafhankelijke rechter zelf. Ik ga daar niet over. Daarom is het zo belangrijk dat de Raad voor de rechtspraak de verbeterpunten ondersteunt door in de toekomst meer rechterlijke uitspraken online te publiceren en in gesprek te treden met andere staatsmachten als sprake is van onwenselijke of onrechtvaardige uitwerking van wetgeving of beleid.
Bent u het met de Raad voor de rechtspraak eens dat het belang van rechtsbescherming voor het individu zwaarder moet wegen dan de vaste lijn van jurisprudentie?7
Zie antwoord vraag 39.
Kunt u aangeven of huidskleur dan wel etniciteit een rol spelen in de algoritmische risicoanalyses die de Marachaussee gebruikt bij het toezicht houden op vreemdelingen bij grenscontroles?
Op basis van de Schengengrenscode wordt een ieder die de buitengrens van Nederland passeert onderworpen aan een grenscontrole. Bij deze grenscontrole, niet zijnde een MTV controle wordt gecheckt of een persoon geen gevaar is voor de openbare orde, nationale veiligheid of volksgezondheid.
Bent u bereid iedere vraag separaat te beantwoorden en te voorzien van een toelichting, en in geen enkel geval de beantwoording te bundelen?
De vragen zijn zoveel en waar mogelijk separaat beantwoord.
Bent u bereid om deze vragen te beantwoorden voor de begrotingsdebatten Binnenlandse Zaken en Justitie & Veiligheid?
Het bericht 'Energiebedrijf loost klanten vanwege hoge gasprijs' |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Joris Thijssen (PvdA), Tom van der Lee (GL) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met artikel «Energiebedrijf loost klanten vanwege hoge gasprijs»?1
Ja.
Vindt u het ook zorgwekkend dat een energiebedrijf het contract eenzijdig opzegt bij klanten vanwege de hoge prijzen voor gas en stroom?
Ja.
Is het überhaupt juridisch toegestaan dat een energiebedrijf een energiecontract vanwege stijgende of dalende prijzen eenzijdig opzegt?
Nee, dat is niet toegestaan. Het uitgangspunt in het contractenrecht is dat een rechtsgeldige aangegane overeenkomst de betrokken partijen over en weer verbindt. Dit betekent dat gemaakte afspraken door beide partijen moeten worden nagekomen (pacta sunt servanda). Het eenzijdig wijzigen van de gemaakte afspraken is niet toegestaan, tenzij partijen dit expliciet zijn overeengekomen, bijvoorbeeld in het contract of in de algemene voorwaarden bij het contract, dan wel hiervoor een wettelijke grondslag is. Dit geldt ook voor energiecontracten. Het is daarom voor een energieleverancier niet toegestaan om, bijvoorbeeld bij een stijging in de energieprijzen – het energiecontract eenzijdig te beëindigen. De ACM heeft zich hier eerder over uitgesproken en heeft te kennen gegeven dat de ACM optreedt tegen energieleveranciers die dit wel doen.2
Wanneer een consument een energiecontract heeft gesloten met een vast leveringstarief, mag de energieleverancier de tarieven niet aanpassen gedurende de looptijd van het contract. Als een consument een energiecontract heeft gesloten met een variabel leveringstarief, mag de energieleverancier de tarieven tussentijds aanpassen conform de algemene voorwaarden. De leverancier kan de tarieven aanpassen op 1 januari en 1 juli van elk jaar. Bij onvoorziene wijzigingen in de marktomstandigheden kunnen de leveringstarieven ook op andere momenten worden aangepast, mits partijen dit schriftelijk zijn overeengekomen. De energieleverancier moet de consument hiervan tijdig op de hoogte brengen, zodat de consument eventueel kan overstappen naar een andere energieleverancier.
Zijn deze consumenten en bedrijven, na opzegging van het energiecontract, nog zeker van stroom en gas?
Laat ik het volgende voorop stellen: ik vind het zorgelijk en onwenselijk als energiebedrijven ten onrechte eenzijdig energiecontracten met consumenten opzeggen en daarmee de energielevering willen beëindigen.
Wanneer een energieleverancier een energiecontract onrechtmatig opzegt, kan de consument een viertal stappen ondernemen. Ten eerste is het verstandig als de consument de energieleverancier schriftelijk laat weten dat de energieleverancier het energiecontract niet eenzijdig mag opzeggen. Dit is ook het advies van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Op de website van de ACM kunnen burgers een voorbeeldbrief vinden die zij kunnen gebruiken.3 Ten tweede adviseert de ACM de consument met klem om een melding te doen bij de ACM via www.ConsuWijzer.nl. De ACM is de onafhankelijke toezichthouder en ziet toe op de naleving van de regels door (energie)bedrijven. De ACM kan bij niet-naleving van de regels juridische instrumenten inzetten, zoals het opleggen van een last onder bestuursdwang of het intrekken van de leveringsvergunning wanneer de energieleverancier zich (bijvoorbeeld) niet houdt aan de vergunningsvoorwaarden. Ten derde kan de consument een klacht indienen bij de (buitengerechtelijke) Geschillencommissie Energie.4 Deze commissie behandelt klachten van consumenten tegen een energieleverancier over afsluiten, levering of tarieven van gas, elektriciteit en warmte. De consument kan tot slot ook naar de rechter stappen en via de rechter naleving van het energiecontract door de leverancier afdwingen.
Een consument heeft tijd om deze stappen te zetten, de consument komt niet meteen zonder elektriciteit of gas, nadat hij een brief heeft ontvangen van de energieleverancier waarin staat dat de energieleverancier het energiecontract opzegt. De daadwerkelijke afsluiting wordt uitgevoerd door de netbeheerder. Het ministerie heeft contact gehad met Netbeheer Nederland. Uit dit contact is gebleken dat netbeheerders terughoudend zijn met het afsluiten van energie bij consumenten na een verzoek tot einde-levering van een leverancier en hier dus ook niet zomaar toe overgaan. Deze procedure neemt, afhankelijk van de netbeheerder en de omstandigheden, tussen de drie en ongeveer zes weken in beslag. De netbeheerder zal – alvorens de beëindiging wordt gerealiseerd – de consument altijd meerdere zogenoemde afsluitbrieven sturen met deze aankondiging en daarbij het advies om zo snel mogelijk een andere energieleverancier te zoeken.
Zoals gezegd is het aan de ACM om in te grijpen en energiebedrijven aan te spreken indien uit onderzoek blijkt dat het bedrijf zich niet aan de wet houdt. De ACM treedt onafhankelijk op en heeft de ruimte om, binnen de kaders van de wet, te beoordelen welk (handhavings)instrument er wordt ingezet. Het ministerie heeft geen enkele bemoeienis in de besluiten die de ACM hier in neemt. De wet biedt de ACM hiertoe vergaande instrumenten. De ACM kan bestuursrechtelijk handhaven door bijvoorbeeld een last onder dwangsom op te leggen. Dat zij dit in de praktijk ook doet, blijkt uit haar besluit tot het opleggen van een dwangsom aan een energieleverancier op 22 oktober jl. wegens het ongeoorloofd eenzijdig beëindigen van energiecontracten (zie ook het antwoord op vraag 10).5
Met een last onder dwangsom wordt getracht een overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen. Indien de betreffende energieleverancier binnen de door de ACM gestelde termijn de situatie herstelt, door bijvoorbeeld zijn klanten weer terug te nemen en het contract na te leven, voorkomt de leverancier dat de dwangsom moet worden betaald. Hierdoor kunnen de consumenten, zoals is afgesproken in het contract, weer energie afnemen tegen de tarieven zoals is overeengekomen in het energiecontract. Indien de energieleverancier desondanks toch de wet blijft overtreden, dan is het aan de ACM om vervolgstappen te ondernemen, zoals, eerder aangehaald, het intrekken van de leveringsvergunning. Als een energieleverancier zijn verplichtingen niet langer kan nakomen en de ACM om die reden de leveringsvergunning intrekt, is wettelijk gegarandeerd dat de klanten van de wegvallende leverancier voorzien zijn van energie. Hierbij kan het wel zo zijn dat zij uiteindelijk een hoger (mogelijk flexibel) tarief gaan betalen. Dit geldt ook voor de situatie als een consument – wanneer uit de brief van de netbeheerder aan de consument blijkt dat er een energieleverancier ontbreekt – zelf kiest voor een nieuwe energieleverancier. De verlaging van de energierekening die het kabinet heeft toegezegd (kenmerk 2021Z18173, zie ook het antwoord op vraag 7 en 8) in de vorm van belastingverlaging komt de genoemde groep consumenten ook ten goede.
Op deze wijze worden consumenten beschermd tegen het zomaar afgesloten worden van gas en elektriciteit als een energieleverancier het leveringscontract eenzijdig opzegt.
Vreest u ook niet dat door het opzeggen van het contract consumenten hierdoor geen stroom of gas meer krijgen of enorm hoge, flexibele, tarieven moeten gaan betalen?
Zie antwoord vraag 4.
Heeft u zelf contact gezocht met DGB Energie om aan te geven dat het onwenselijk dat zij eenzijdig contracten, vanwege stijgende prijzen, opzeggen?
Nee. Het is aan de ACM om als onafhankelijke toezichthouder onderzoek te doen naar het functioneren van de energiemarkt en de gedragingen van energieleveranciers in dat verband. Over lopende onderzoeken naar DGB Energie of andere onderzoeken kan de ACM geen uitspraken doen. Uit eerder signalen aan de ACM is gebleken dat DGB Energie aan een groep klanten het voornemen heeft laten weten om energielevering eenzijdig te beëindigen per 1 november 2021. DGB Energie heeft hier tijdig van afgezien, met als gevolg dat de levering wordt voortgezet. Dit betekent dat de leveringszekerheid van gas en elektriciteit aan klanten van DGB Energie is gewaarborgd.
Welke steun kunt u bieden aan de getroffen consumenten en bedrijven van wie het contract is opgezegd?
Het kabinet deelt de zorgen rondom de huidige hogere energieprijzen. Als tegemoetkoming voor de stijgende energierekening op de korte termijn als gevolg van de hoge gasprijzen doet het kabinet incidenteel en alleen voor 2022 een tweetal aanpassingen in de energiebelastingen. Het kabinet verhoogt ten eerste in 2022 incidenteel de belastingvermindering met ongeveer 265 euro (inclusief btw). Ten tweede wordt in de energiebelasting in 2022 incidenteel het tarief op de eerste (en de tweede en derde) schijf elektriciteit verlaagd. Een huishouden met een gemiddeld verbruik ontvangt dus in totaal een tegemoetkoming van ruim 400 euro (inclusief btw) ten opzichte van waarvan is uitgegaan bij het Belastingplan 2022.6 Ook stelt het kabinet 150 miljoen euro extra beschikbaar om kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening en/of een slecht geïsoleerde woning via de gemeenten te helpen met de verduurzaming van hun (huur)woning. Voor meer toelichting over dit besluit verwijs ik u naar de Kamerbrief.7
Het kabinet zal de komende periode de ontwikkeling van de leveringstarieven blijven monitoren. Daarnaast werkt het kabinet aan het blijven borgen van een betaalbare energievoorziening voor de lange termijn. Om deze reden heb ik periodiek overleg met de energieleveranciers over de ontwikkelingen op de markt en de mogelijke effecten voor consumenten.
Bent bereid om in samenspraak met andere energiebedrijven deze consumenten en bedrijven te helpen met het vinden van een gelijkwaardig alternatief of in ieder geval te zorgen dat consumenten gecompenseerd worden vanwege de hogere flexibelere tarieven die zij nu mogelijk moeten gaan betalen?
Zie antwoord vraag 7.
Zijn er bij u meer energieleveranciers bekend die op dit moment energiecontracten opzeggen vanwege de hoge gasprijs?
Er zijn signalen bekend bij de ACM dat meerdere energieleveranciers energiecontracten eenzijdig opzeggen.8 De ACM onderzoekt deze signalen. De ACM is de onafhankelijke toezichthouder en kan in het belang van een goed functionerende energiemarkt handhavend optreden om ervoor te zorgen dat energieleveranciers de wet naleven. De ACM kan bijvoorbeeld ingrijpen als energieleveranciers eenzijdig energiecontracten opzeggen of als zij consumenten binden aan algemene voorwaarden die conform de wet onredelijk kunnen zijn, maar ook ingeval een energieleverancier onrechtmatig handelt, kan de ACM handhavend optreden.
Hoe gaat u ervoor zorg dragen dat consumenten beschermd worden en niet nog meer energiebedrijven eenzijdig hun contracten op gaan zeggen?
Eerder heeft de ACM het signaal afgegeven dat hoge energietarieven geen geldige reden zijn om energiecontracten eenzijdig op te zeggen en daarmee levering van energie te (laten) beëindiging. Dit is en blijft de lijn. De ACM adviseert consumenten contact op te nemen met hun energieleverancier en deze te houden aan het contract en dit ook te melden bij de ACM. De ACM ziet hier op toe en kan handhavend optreden bij niet naleving hiervan.9
Uit onderzoek van de ACM blijkt nu dat één energieleverancier de levering aan consumenten, die niet akkoord zijn met een prijsverhoging van het vaste leveringstarief, daadwerkelijk laat beëindigen in de winterperiode. Dit heeft de ACM op 22 oktober 2021 laten weten.10 De ACM heeft deze energieleverancier een last onder dwangsom opgelegd teneinde de levering van gas en elektriciteit aan consumenten voort te zetten volgens het afgesproken tarief. Doet deze energieleverancier dit niet, dan moet het bedrijf een dwangsom van 15.000 euro per week betalen, met een maximum van 45.000 euro. Vervolgens is gebleken dat de betreffende energieleverancier, ondanks ingrijpen door de ACM, door is gegaan met het beëindigen van de levering bij klanten die niet akkoord zijn gegaan met het aanpassen van hun vaste energiecontract.11 Het gevolg hiervan is dat deze leverancier de opgelegde boete dient te betalen. De ACM heeft, op verzoek van de energieleverancier, de leveringsvergunning inmiddels ingetrokken.12
Naast het toezicht van de ACM zal ik, zoals toegezegd in mijn brief aan uw Kamer (Kamerstuk 29023–275) de komende tijd periodiek met de energieleveranciers in overleg gaan over de ontwikkelingen op de markt en de mogelijke effecten voor consumenten.
De uitvoering van de motie Van Berge c.s. over de uitzondering op een vergoeding voor video on demand wegnemen. |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe ver bent u met de uitvoering van de motie Van Berge c.s. over de uitzondering op een vergoeding voor video on demand wegnemen (35 454; 35 317, nr. 9) en wanneer mag de Kamer een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 45d lid 2 Auteurswet verwachten?
Scenarioschrijvers, hoofdregisseurs, en hoofdrolacteurs hebben recht op een uit hoofde van de wet collectief te innen en verdelen proportionele billijke vergoeding voor het mededelen aan het publiek van hun filmwerken, te betalen door degene die het filmwerk op die wijze openbaar maakt. De beschikbaarstelling van het filmwerk op zodanige wijze dat het filmwerk voor de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijdstip toegankelijk is (hierna kortheidshalve video on demand of VOD genoemd), is van die vergoedingsaanspraak uitgezonderd.
In lijn met de motie Van den Berge c.s. (Kamerstuk 35 454 en 35 317, nr. 9) en de standpuntbepaling met betrekking tot de evaluatie van de Wet auteurscontractenrecht (Kamerstuk 29 838, nr. 102) is een wetsvoorstel in ambtelijke voorbereiding waarbij die uitzondering wordt geschrapt. Gelet op de uitkomst van de evaluatie van de Wet auteurscontractenrecht (bijlage bij Kamerstuk 29 838, nr. 102) en de Implementatiewet richtlijn online omroepdiensten (Stb. 2021, 248) wordt daarbij overwogen om de vergoedingsaanspraak naar alle filmmakers (dus niet alleen scenarioschrijvers en hoofdregisseurs) en alle acteurs (dus niet alleen hoofdrolacteurs) uit te breiden. Tevens wordt overeenkomstig de suggestie van de opstellers van het evaluatieonderzoek overwogen om de aanspraak op een vergoeding te laten gelden voor video on demand diensten die worden aangeboden tegen een geldelijke vergoeding van de gebruikers. Ik streef ernaar een voorontwerp van wet nog dit jaar aan het veld voor te leggen. Het wetsvoorstel kan dan in 2022 bij de Tweede Kamer aanhangig worden gemaakt.
Deelt u de mening dat enige spoed wel geboden is, gelet op de slechte en ongereguleerde positie van de film- en programmamakers zoals regisseurs, acteurs en scenarioschrijvers op dit moment bij video on demand diensten? Zo ja, waarom, en zo nee, waarom?
Uit de evaluatie van de Wet auteurscontractenrecht is gebleken dat het door partijen bij de introductie van de voornoemde wet afgesproken vrijwillige collectieve beheer van de vergoeding voor het openbaar maken van Nederlandse films middels video on demand niet heeft gebracht wat daarvan bij de inwerkingtreding van de Wet auteurscontractenrecht werd verwacht. Daarom streef ik ernaar nog dit jaar een voorontwerp van wet met het veld te bespreken waarin de positie van filmmakers en filmacteurs wordt verbeterd langs de lijnen van het antwoord op de vorige vraag. Door wettelijk voor te schrijven dat het recht op een proportionele billijke vergoeding collectief moet worden uitgeoefend, krijgen in ieder geval ook EU (en dus niet alleen Nederlandse) filmmakers en filmacteurs daarop recht. Dit is vanwege het unitaire verbod onderscheid te maken op grond van nationaliteit. Amerikaanse filmmakers en filmacteurs, daarentegen, zouden daarop bij de huidige stand van het recht naar het zich laat aanzien geen aanspraak kunnen maken, aldus: S.J. van Gompel, P.B. Hugenholtz, J.P. Poort, L.D. Schumacher en D.J.G. Visser, Evaluatie Wet Auteurscontractenrecht, WODC rapport 3025, 2020, p. 77–81. Het is aan de exploitanten van de VOD-diensten om te beslissen of zij de kostenstijging die van de wetswijziging mogelijk het geval is, willen doorberekenen aan de gebruikers van hun diensten.
Hoe beoordeelt u de verhouding tussen grote ondernemingen die video on demand diensten aanbieden, waarvan sommigen in Nederland gevestigd zijn en sommigen zich in Nederland gaan vestigen, enerzijds en de hoofdmakers anderzijds?
Exploitanten van VOD-diensten beschikken, ongeacht hun plaats van vestiging, vaak over een machtspositie vis-à-vis Nederlandse filmproducenten. Die producenten slagen er daarom onvoldoende in contractueel te bedingen dat de scenarioschrijvers, hoofdregisseurs en hoofdrolacteurs recht hebben op een aanvullende vergoeding voor de exploitatie middels video on demand. Dit was de basis waarop de afspraken inzake vrijwillig collectief beheer was gestoeld. Dientengevolge profiteren scenarioschrijvers, hoofdregisseurs en hoofdrolacteurs op dit moment onvoldoende mee, wanneer filmwerken via video on demand worden geëxploiteerd. Dit kan worden verholpen door filmmakers en filmacteurs ook bij video on demand-diensten die tegen betaling worden aangeboden, bij wet het recht te geven op een proportionele billijke vergoeding die verplicht collectief moet worden uitgeoefend.
Hoe beoordeelt u de huidige marktontwikkelingen waarbij vooral grote, veelal buitenlandse aanbieders van video on demand zoals Disney, Amazon en Netflix hun positie verstevigen en de gevolgen daarvan voor de positie van de Nederlands film- en programmamakers?
Door de huidige marktontwikkelingen waarbij vooral grote, veelal buitenlandse, aanbieders van video on demand diensten hun positie verstevigen, kan de positie van Nederlandse films en series en daarmee van de makers van die audiovisuele producties onder druk komen te staan. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft daarom een wetsvoorstel voorbereid waarin onder andere aanbieders van de voornoemde diensten worden verplicht te investeren in Nederlandse films, series en documentaires. Het wetsvoorstel brengt met zich mee dat de positie van voornoemde Nederlandse makers wordt verbeterd. Een voorontwerp van wet is in 2020 voorgelegd aan het veld ter consultatie (zie https://www.internetconsultatie.nl/investeringsverplichting). Het is aan het volgend kabinet om een besluit te nemen over de verdere stappen ten aanzien van het voorstel.
Deelt u de mening dat bij video on demand op dit moment het unieke karakter van de prestatie van een hoofdmaker, onvoldoende in de wet tot uiting komt? Zo ja, waarom, en zo nee, waarom?
In de beantwoording van de eerste drie vragen is er al op gewezen dat uit de evaluatie van de Wet auteurscontractenrecht is gebleken dat scenarioschrijvers, hoofdregisseurs en hoofdrolacteurs op basis van de afspraken inzake vrijwillig collectief beheer onvoldoende meeprofiteren van de exploitatie van hun filmwerken bij video on demand. Daarom is er een wetsvoorstel in voorbereiding waarin wordt voorzien in een verplicht collectief beheerde vergoedingsaanspraak voor video on demand exploitatie voor alle filmmakers en filmacteurs.
Het bericht PUR-cowboys hebben vrij spel |
|
Sandra Beckerman |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Kent u het bericht PUR-cowboys hebben vrij spel?1 Zo ja, wat is hierop uw reactie?
Ja, ik ken het artikel.
Volgens het advies van de Gezondheidsraad is bij een juiste toepassing van gespoten PUR-schuim de blootstelling aan gevaarlijke stoffen zeer laag. De Gezondheidsraad acht bij juiste toepassing nadelige gezondheidseffecten voor bewoners onwaarschijnlijk. Maar dan is het natuurlijk van essentieel belang dat de isoleerders zich houden aan deze regels. Ik vind het daarom zorgelijk als bedrijven zich bij het toepassen van gespoten PUR-schuimisolatie niet zouden houden aan de regels die hiervoor in het Bouwbesluit zijn opgenomen, de veiligheidsvoorschriften van de fabrikanten en indien van toepassing de richtlijnen van de certificering. Met de evaluatie van de werkpraktijk wil ik meer inzicht krijgen hoe de regelgeving, voorschriften en private certificering in de praktijk worden toegepast. Daarna zal ik bezien welke nadere maatregelen genomen kunnen worden.
Bij wie ligt de exacte verantwoordelijkheid om zorgvuldig met dit materiaal om te gaan volgens u? Kunt u dit toelichten?
In mijn reactie op vragen van uw Commissie in het schriftelijk overleg over gespoten PUR-isolatieschuim en gezondheid die ik 5 november jl. aan u heb toegezonden, ben ik uitgebreid op dit vraagstuk in gegaan. Ik verwijs u daarom graag naar mijn antwoorden 8, 10, 11, 12, 16, 17 en 38 in het betreffende verslag.2
Heeft u zicht op het aantal meldingen waar het aanbrengen van PUR-schuim materiaal onzorgvuldig of niet goed is gebeurd? Hoeveel meldingen heeft de GGD Nederland gehad over misstanden met purschuim materialen?
Zoals het kabinet u heeft laten weten in de kabinetsreactie d.d. 30 juni 2021 op het advies van de Gezondheidsraad over PUR-schuim, is er geen volledige registratie van mensen die klachten hebben gekregen van een onjuiste toepassing van gespoten PUR-schuimisolatie.3 Voor de reactie van het kabinet op het advies van de Gezondheidsraad over de registratie van die klachten, verwijs ik naar dat Kamerstuk.
Het RIVM publiceert elke twee jaar een overzicht van milieu gerelateerde klachten die bij GGD’en zijn behandeld, waaronder klachten als gevolg van gevaarlijke stoffen uit PUR-schuim. Dit is zoals gezegd geen volledige registratie, maar de ontwikkeling van meldingen over milieugerelateerde klachten wordt door het RIVM en de GGD’en gebruikt als signaal om een toe- of afname eventueel nader te onderzoeken. Het RIVM en de GGD’en bespreken de ontwikkeling van de gegevens elke twee jaar om te beoordelen of een verandering van de aanpak op een bepaald onderwerp nodig is. Er is een expertteam beschikbaar dat wordt ingezet voor de beoordeling van individuele klachten. In de afgelopen jaren registreerde het RIVM de volgende aantallen door de GGD’en behandelde meldingen gerelateerd aan gevaarlijke stoffen uit gespoten PUR-isolatieschuim:
2011–2012
1
2013–2014
19
2015–2016
4
2017–2018
12
2019–2020
14
Wat is volgens u de reden dat de GGD in sommige gevallen adviseert om het reeds aangebrachte purschuim te laten verwijderen? Kunt u dit toelichten?
Het kabinet kan niets zeggen over de afwegingen bij individuele casussen, maar in het algemeen geldt dat het een van de taken van de GGD is om onderzoek te doen naar externe bronnen die de publieke gezondheid schade kunnen toebrengen, zoals blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Als een GGD aanwijzingen heeft dat gezondheidsklachten gerelateerd zijn aan verkeerd aangebracht PUR-schuim, kan zij adviseren om dat PUR-schuim te verwijderen. De GGD zou dat ook kunnen doen vanuit een voorzorgsprincipe; als het oorzakelijk verband onduidelijk is, kan zij ter overweging geven om het zekere voor het onzekere te nemen.
Wat zijn op dit moment de controlemechanismen op het aanbrengen van purschuim? Hoe kan voorkomen worden dat bedrijven de fabrikanten de schuld geven van verkeerd geleverd materiaal en fabrikanten de bedrijven van verkeerd aanbrengen? Heeft u hiervoor suggesties?
In mijn inbreng in het schriftelijk overleg, die ik 5 november jongstleden aan u heb aangeboden, heb ik aangegeven dat een isoleerder zich moet houden aan de Europese en nationale regelgeving. De overheid houdt toezicht op de naleving van wet- en regelgeving. Daarnaast dienen bedrijven zich te houden aan de voorschriften van de fabrikant/leverancier van het PUR-schuimisolatie. Gecertificeerde isoleerders moeten zich aan de richtlijn van de certificering houden en worden hier periodiek op gecontroleerd door de certificerende instelling.
Verder geven fabrikanten/leveranciers voorlichting over de juiste toepassing van hun producten. Voor fabrikanten/leveranciers die zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging van Polyurethaan Hardschuim-fabrikanten (NVPU) geldt de afspraak dat er alleen materiaal geleverd wordt aan gecertificeerde isoleerders.
In de evaluatie van de werkpraktijk zal ik ook aandacht besteden aan de rol van de fabrikant/leverancier in de juiste toepassing van gespoten PUR-schuimisolatie.
Hoeveel procent van de gespoten purschuimbranche is gecertificeerd? Volgens de NPVU is dit negentig procent, maar is dit te controleren?
Het cijfer van negentig procent geeft de ordegrootte aan van het deel van de omvang van gespoten PUR-isolatieschuim dat wordt toegepast door gecertificeerde bedrijven. De NVPU is tot dit cijfer gekomen op basis van eigen kennis van de markt en door gesprekken met haar leden, de certificerende instellingen en leveranciers. Ik zie het cijfer als een «expert judgement». Er is geen andere manier om te komen tot een schatting van dit cijfer, omdat een volledige registratie van bedrijven die in deze branche werkt, niet beschikbaar is.
Hoe denkt u over verplichte certificering zoals ook de brancheverenging wil? Kunt u dit antwoord toelichten?
Ik herhaal hier hetgeen ik heb geantwoord in het schriftelijk overleg over PUR-schuimisolatie en gezondheid van 5 november jongstleden.
Ik ben bezig met de voorbereiding van de evaluatie van de werkpraktijk, die is geadviseerd door de Gezondheidsraad en die het kabinet aan uw Kamer heeft toegezegd. De evaluatie zal naar verwachting leiden tot een voorstel voor aanpassing van beleidsmaatregelen dat ik in de zomer van 2022 aan uw Kamer aan zal bieden.
In deze evaluatie zal ik ook onderzoeken wat in dit geval de voor- en nadelen van verplichte certificering zijn. Verplichte certificering is echter niet het enige instrument dat kan worden ingezet. Met de evaluatie van de werkpraktijk wil ik meer inzicht krijgen hoe regelgeving, voorschriften en private certificering in de praktijk worden toegepast en pas daarna bezien of een verplichte certificering – naast mogelijke andere maatregelen – een oplossing kan zijn voor in de werkpraktijk geconstateerde problemen.
Hoe kan het gebruik van valse en misleidende namen, die suggereren dat het om een groen en duurzaam product gaat, worden tegengehouden? Kunt u dit toelichten? Bent u van mening dat dit bij een eventuele verplichte certificering kan worden meegenomen?
De Reclame Code Commissie is in Nederland hét orgaan om klachten te doen over misleidende reclame en informatie. In de ogen van het kabinet is er hierop geen aanvullende actie van het kabinet nodig.
Op welke manieren worden werknemers die het materiaal aanbrengen op dit moment beschermd? Is deze bescherming volgens u voldoende? Kunt u dit toelichten?
Het uitgangspunt in het Arbostelsel is dat de werkgever primair verantwoordelijk is voor gezonde en veilige arbeidsomstandigheden van de werknemers (hier de isoleerders). Zo dient de werkgever de risico’s op de werkplek te inventariseren, te evalueren en te beheersen (middels een Risico Inventarisatie en Evaluatie RI&E) en werknemers adequaat voor te lichten en te instrueren. Daarbij moet deze van iedere stof waaraan de isoleerder kan worden blootgesteld de gevaren bepalen, een grenswaarde vaststellen en bepalen of deze grenswaarde overschreden wordt. Als er een wettelijke grenswaarde is voor een stof, dient de werkgever ervoor te zorgen dat de blootstelling van de isoleerder niet wordt overschreden. Voor isocyanaten wordt gewerkt aan zo’n wettelijke grenswaarde.
Verder moet ook de blootstelling via de huid worden beoordeeld. Indien de blootstelling boven de grenswaarde ligt of de huidblootstelling risicovol is (volgens de RI&E) is het aan de werkgever om adequate beheersmaatregelen te nemen. Daarbij is de juiste keuze van de persoonlijke beschermingsmiddelen essentieel (zoals type ademhalingsbescherming en beschermende kleding en handschoenen), die goed moet zijn aangepast aan de stoffen waaraan de isoleerders blootgesteld worden.
Voor een uitgebreidere toelichting op dit punt verwijs ik u naar de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad onder punt 5.4
Ten slotte houdt de Inspectie SZW toezicht op de naleving van de Arboregelgeving en heeft daarbij al bijzondere aandacht voor de blootstelling aan gevaarlijke stoffen. De Inspectie SZW volgt daarom de diverse adviezen en aangekondigde onderzoeken en de initiatieven vanuit deze branche op de voet en betrekt deze bij haar risico- en informatie-gestuurd toezicht.
Hoe kan het dat, nadat de certificerende instantie SKG IKOB op de hoogte werd gesteld van het verkeerd aanbrengen van het materiaal door ThermoSolutions, niet ingreep? Of als volgens u wel werd ingegrepen, is dat in voldoende mate gebeurd?
Ik heb hierover contact gehad met SKG-IKOB. SKG-IKOB kan niet zeggen of en hoe het contact heeft gehad met ThermoSolutions omdat contact tussen SKG-IKOB en bij de instelling gecertificeerde bedrijven onder contractuele geheimhouding valt.
SKG-IKOB voert jaarlijks een bedrijfsaudit uit bij bedrijven die het heeft gecertificeerd. Daarbij wordt ook gekeken naar communicatie-uitingen. Als het bedrijf daarbij afwijkt van de richtlijn en het certificatie reglement, dan moet het bedrijf dit corrigeren om sancties zoals schorsing te voorkomen. Dus als een bedrijf de suggestie wekt te zijn gecertificeerd voor iets waarvoor het geen certificaat heeft, dan zal SKG-IKOB ingrijpen om te zorgen dat het bedrijf dit corrigeert.
Neemt u de suggesties van de Gezondheidsraad over dat er duidelijke grenswaarden moeten worden gesteld bij het gebruik van gespoten purschuim?
Zoals ik in het antwoord op vraag 9 al heb aangegeven hebben werkgevers een eigen verantwoordelijkheid in het bepalen van grenswaarden voor hun medewerkers om zo gezondheidsrisico’s te voorkomen. Voor wat betreft isocyanaten wordt inmiddels gewerkt aan een wettelijke grenswaarde, tot die tijd moeten werkgevers zelf een veilige grenswaarde bepalen. Ik heb dit uitgebreid toegelicht in mijn inbreng van 5 november jongstleden in het schriftelijk overleg over gespoten PUR-schuimisolatie (antwoorden 3, 13, 20 en 41).
Is het bestaande protocol dat onder andere door de GGD wordt gebruikt om te controleren of slachtoffers ziek zijn geworden door pur, volgens u betrouwbaar? Is het waar dat dit protocol grotendeels gefinancierd is door de purindustrie zelf? Vindt u dit wenselijk? Kunt u dit toelichten?
Ik herhaal hier hetgeen ik eerder heb geantwoord op vragen hierover van uw Kamer.5 Het protocol is opgesteld door artsen van het Vumc, AMC en GGD Groningen en met betrokkenheid van diverse andere medisch deskundigen. Alle belangenorganisaties mochten input leveren die vervolgens werd beoordeeld door medisch inhoudelijke experts. Ook de branche mocht dus input leveren over bijvoorbeeld het productieproces van gespoten PUR-schuim, ook die inbreng is beoordeeld door medisch inhoudelijke experts. De projectgroep heeft in hoofdstuk 4 van het protocol uitvoerig beschreven op welke wijze alle betrokkenen, waaronder het Kennisplatform Gespoten PURschuim en het Ministerie van BZK, zijn geconsulteerd en op welke momenten en welke wijze zij hebben kunnen reageren op de inhoud van het protocol. Ik heb daarom geen redenen om te twijfelen aan de medische inhoud van het protocol.
De kosten van het project zijn voor de helft gefinancierd door het Ministerie van BZK en voor de helft door de branche.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en niet clusteren alstublieft?
Ja.
De verbreding van de A4 |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Stad in greep van filespook»?1, «Extra rijstroken en nieuw aquaduct moeten verkeersproblemen A4 oplossen»2 en «Den Haag twijfelt aan verbreding snelweg A4»?3
Ja.
Kunt u de garantie geven dat er uiterlijk in 2026 wordt aangevangen met het verbreden van de A4 en de komst van een nieuw aquaduct bij Roelofarendsveen? Kunt u een toelichting geven, met daarbij de status van de inloop- en inspraakavonden, alsmede de verdere technische uitwerking van de concrete plannen?
Op dit moment kunnen er helaas nog geen garanties gegeven worden over de planning van het aanlegprogramma snelwegen. Uw Kamer is in de MIRT voortgangsbrief van 9 juni 2021 geïnformeerd, dat onder coördinatie van het Ministerie van LNV onderzoek wordt gedaan naar maximale rekenafstanden voor verschillende emissiebronnen in alle sectoren en dat in afwachting van de resultaten geen Tracébesluiten worden genomen.
Op 9 juli heeft het Kabinet op basis van technisch-modelmatige argumenten besloten om voor alle emissiebronnen een maximale rekenafstand van 25 kilometer te hanteren. Nu de maximale rekenafstand bekend is wordt in beeld gebracht wat de gevolgen hiervan zijn voor de planning van dit project en andere projecten. Vanzelfsprekend zal uw Kamer via de gebruikelijke lijnen over de aanpassing van planningen worden geïnformeerd.
In het kader van deze en andere wegenprojecten blijven we de omgeving (betrokkenen en belanghebbenden) informeren over de voortgang van de projecten. Voorop staat dat de te nemen besluiten zullen worden uitgewerkt en onderbouwd conform de vigerende wet- en regelgeving (onder meer de Tracéwet, de Wet natuurbescherming en de Wet milieubeheer) en de omgeving hierbij zal worden betrokken.
Is het, gezien het feit dat het nu al dagelijks muurvast staat, mogelijk om de verbreding van de A4 in de tijd naar voren te halen?
In 2018 is op verzoek van de regio het budget voor het project A4 knooppunt Burgerveen-N14 twee jaar naar voren gehaald, zodat er twee jaar eerder gestart zou kunnen worden met de uitvoering. De verbreding van de A4 nog verder naar voren halen is niet mogelijk, onder meer door de te doorlopen procedures die in wetgeving zijn vastgelegd en de aanbesteding van het werk.
Kunt u garanderen dat we, na uitspraken van de Haagse wethouder Van Asten, niet gaan terugroeien bij de verbreding van de snelweg A4?
Verbreding van de A4 is noodzakelijk. Het project A4 Haaglanden-N14 levert een bijdrage aan het oplossen van diverse knelpunten uit de File Top 50 (zie hiervoor ook het MIRT Overzicht 2022). Het ontwerpTracébesluit van 2020 is gebaseerd op de destijds vigerende verkeercijfers met zichtjaar 2030. Het blijkt dat door de extra rijstroken het verkeer beter zal doorstromen en de voertuigverliesuren aanzienlijk zullen afnemen. Ook de meest actuele verkeersberekeningen met het vigerende verkeersmodel NRM 2021 laten dit zien. Uit deze verkeersberekeningen blijkt dat het verkeer verder zal gaan toenemen richting 2040.
Wat gaat u doen met de data van TomTom, waaruit blijkt dat het filespook zich verder uitbreidt? Kunt u in uw beantwoording duiden welke oplossingen u gaat bieden voor het bumper aan bumper rijden op snelwegen, alsmede het feit dat automobilisten in de rij staan om de stad in en uit te komen?
Niet alleen uit de data van TomTom blijkt dat de files weer toenemen. Ook de langetermijnprognoses van de IMA-2021 wijzen op een groei van het totaal aantal reizigerskilometers (bandbreedte van –1% tot +31%). Deze groei is niet gelijkmatig over het land verdeeld. Op veel plekken in Nederland zal de mobiliteit op de langere termijn blijven groeien.
We werken weliswaar meer thuis, maar daartegenover staan ontwikkelingen die zorgen voor een sterke toename van mobiliteit, zoals de groei van de bevolking en de welvaart. Daarom wordt gewerkt aan een breed pallet van maatregelen om de toenemende files aan te pakken. Het ministerie investeert in de capaciteitsuitbreiding van wegen, maar bijvoorbeeld ook in openbaar vervoer en fietsinfrastructuur. Daarnaast zet het Ministerie van IenW, samen met de andere ministeries, in op het ondersteunen en faciliteren van hybride werken.
Het bericht dat woningverhuurders met een miljardenclaim dreigen richting de staat. |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Woningverhuurders dreigen met miljardenclaim tegen staat»?1
Ja.
Bent u bereid om voor de voorgenomen invoering om het aantal WOZ-punten in het woningwaarderingsstelsel te maximeren op 33% per ommegaande de interne adviezen over het eigendomsrecht naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Gelet op voornoemd artikel, de eerdere aankondiging dat een gerechtelijke procedure wordt gestart als de maatregel ongewijzigd in werking treedt en het feit dat het Ministerie van BZK een concept-dagvaarding heeft ontvangen, ligt het in de rede dat ten aanzien van deze maatregel mogelijk een gerechtelijke procedure wordt gestart. In het licht van die mogelijke procedure ben ik niet bereid om de interne adviezen met betrekking tot het eigendomsrecht openbaar te maken.
Bent u bereid om voor de voorgenomen invoering om het aantal WOZ-punten in het woningwaarderingsstelsel te maximeren op 33% per ommegaande de formele en informele adviezen van de Landsadvocaat over het eigendomsrecht naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Mijn verantwoordelijkheid als Minister brengt mee dat ik telkens een eigen afweging maak voor welke gevallen ik de Landsadvocaat inschakel. Voor de bovengenoemde maatregel heb ik, gelet op de aankondiging dat een gerechtelijke procedure wordt gestart als de maatregel ongewijzigd in werking treedt en de binnengekomen concept-dagvaarding, aanleiding gezien om in overleg te treden met de Landsadvocaat. Voor adviezen van de Landsadvocaat die zijn opgesteld na 1 juli 2021 geldt dat deze in beginsel openbaar gemaakt kunnen worden, als het gaat om adviezen over beleid en het procesbelang van de Staat zich niet verzet tegen openbaarmaking. Ook dit is overeenkomstig de eerdergenoemde kabinetsreactie.2 De hier bedoelde advisering van de Landsadvocaat dateert echter van april 2021, dus van voor de datum waarop de nieuwe beleidslijn van kracht is geworden. De Landsadvocaat hoefde destijds nog geen rekening te houden met mogelijke openbaarmaking van de adviezen. Daarom wil ik deze adviezen niet verstrekken aan de Kamer. Ook indien de adviezen van na 1 juli 2021 zouden dateren, zouden deze op dit moment in de tijd niet worden verstrekt gelet op de aangekondigde gerechtelijke procedure.
Bent u bereid voor de voorgenomen invoering om het aantal WOZ-punten in het woningwaarderingsstelsel te maximeren op 33% te zijner tijd het advies van de Raad van State over het eigendomsrecht naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Adviezen van de Raad van State over algemene maatregelen van bestuur worden altijd openbaar gemaakt gelijktijdig met de bekendmaking van de algemene maatregel van bestuur. Ik kan de toezegging doen de Tweede Kamer erop te wijzen als het advies gepubliceerd is.
Onafhankelijk onderzoek van Indufor waarin de bewering van natuur- en milieuorganisaties wordt weerlegd dat biomassa uit Estland niet aan de duurzaamheidseisen zou voldoen. |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Peer review of the Wood Pellet Damage Report in Estonia by SOMO» van Indufor?1
Ja.
Klopt het dat uit het onderzoek van Indufor blijkt dat de conclusies uit het op 6 juli 2021 gepresenteerde SOMO rapport niet kunnen worden hard gemaakt, dat er geen sprake is van schendingen van de Nederlandse criteria voor duurzame biomassa, dat er in geen enkel geval sprake is bosbeheer dat niet voldoet aan de duurzaamheidseisen, en dat er in het overgrote deel van de in het SOMO rapport gepresenteerde gevallen geen sprake is van een misstand?
Zoals ik heb aangegeven tijdens het notaoverleg Klimaat en Energie van 7 juli jl. neem ik signalen rondom misstanden bij biogrondstoffenstromen zeer serieus. Ik heb daarom de Nederlandse emissieautoriteit (NEa) – als bestuursrechtelijk toezichthouder – gevraagd de zaak te onderzoeken. Ik heb de NEA gevraagd hiervoor contact te zoeken met de Estse autoriteiten en andere relevante partijen, waaronder de milieuorganisaties uit Estland, conform het verzoek van de motie-Thijssen en Van der Lee (Kamerstuk 32 813 nr. 802). Tevens heb ik de NEa verzocht ook het recent uitgekomen Indufor-rapport in hun onderzoek mee te nemen.
Zodra het onderzoek van de NEa is afgerond zal ik uw Kamer hierover informeren. Dit is een complexe kwestie, waardoor dit onderzoek waarschijnlijk enkele maanden in beslag neemt. Om de onafhankelijkheid van dit onderzoek niet in het geding te brengen, doe ik nu nog geen uitspraken over de inhoud van beide rapporten.
Kunt u een uitgebreide appreciatie geven van zowel het onderzoek door Indufor als het SOMO rapport en daarbij aangeven of er volgens u al dan niet schendingen van de Nederlandse criteria voor duurzame biomassa hebben plaatsgevonden bij de productie van biomassa uit Estland?
Zie antwoord vraag 2.
Is het juist dat SOMO en Greenpeace niet bereid zijn om de onderliggende stukken bij het SOMO-rapport ter beschikking te stellen, zodat de beweringen uit het SOMO rapport kunnen worden gecontroleerd?
Ik heb vernomen dat Energie-Nederland in een begeleidende brief bij het Indufor-rapport heeft aangegeven dat zij geen toegang hadden tot de onderliggende stukken van het SOMO-rapport, maar dat SOMO zelf heeft laten weten dat zij zich dienstbaar hebben opgesteld en in hun ogen niet goed in staat zijn gesteld om gericht informatie te delen. Ik ken de onderliggende overwegingen van beide partijen hierbij niet. In zijn algemeenheid deel ik de mening dat het helpt om het debat op basis van controleerbare feiten te voeren.
Deelt u de mening dat deze opstelling van zowel SOMO als Greenpeace de zuiverheid van het debat over biomassa geen goed doet en dat dit debat zou moeten worden gevoerd op basis van controleerbare feiten? Wat vindt u ervan dat dit laatste nu niet goed mogelijk is, omdat onderliggende stukken bij het SOMO-rapport worden achtergehouden?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u tevens de mening dat het onverstandig is om opties voor de verduurzaming van de Nederlandse energiemix vroegtijdig uit te sluiten, zeker als dat gebeurt op basis van niet controleerbare beweringen?
Ik deel de mening dat het onverstandig is om opties voor verduurzaming vroegtijdig uit te sluiten. We hebben deze luxe simpelweg niet als we onze doelen op een betaalbare wijze willen halen. Het kabinet is ervan overtuigd dat de inzet van biogrondstoffen noodzakelijk is in de transitie naar een klimaatneutrale en circulaire energiemix in 2030 en 2050. Daarbij geldt voor het kabinet het uitgangspunt dat alleen duurzame biomassa een bijdrage aan die transitie kan leveren en dat duurzame biogrondstoffen uiteindelijk zo hoogwaardig mogelijk moeten worden ingezet. Het gaat daarbij om hoogwaardige toepassingen waar nu en op de lange termijn geen duurzaam alternatief voor handen is, zoals duurzame brandstoffen voor zwaar transport en wegverkeer (geavanceerde biobrandstoffen), duurzame energie voor de industrie (hoge temperatuurwarmte) en groen gas (ter vervanging van aardgas).
Deelt u de constatering dat de Nederlandse criteria voor duurzame biomassa de strengste ter wereld zijn?
De Nederlandse duurzaamheidscriteria voor biogrondstoffen behoren inderdaad tot de strengste ter wereld. Het kabinet zet erop in dat een zo hoogwaardig mogelijke toepassing van biogrondstoffen gewaarborgd blijft.
Klopt het dat deze duurzaamheidscriteria in nauw overleg met natuur- en milieuorganisaties zijn opgesteld, binnen het Convenant Duurzaamheid Biomassa, en dat de onafhankelijk rapporteur onder het Convenant (CE Delft) heeft vastgesteld dat de in Nederland meegestookte biomassa zowel in 2019 als in 2020 voldeed aan de in het Convenant afgesproken criteria?
De criteria zijn in nauw overleg tussen de genoemde partijen vastgesteld. Volgens de onafhankelijke rapporteur is in 2020 voor 100% voldaan aan de wettelijke en bovenwettelijke duurzaamheidseisen. In 2019 is volgens de rapporteur voor 94,8% van de biomassa voldaan, waarbij aangegeven wordt dat voor de overige 5,2% niet geconcludeerd kan worden dat deze niet duurzaam zou zijn.
Hoe beoordeelt u in deze context het besluit van de natuur- en milieuorganisaties (Greenpeace, Milieudefensie, Natuur & Milieu, het Wereld Natuur Fonds en de Natuur- en Milieufederaties) om binnen één dag na publicatie van het SOMO-rapport uit het Convenant Duurzaamheid Biomassa te stappen? Draagt deze opstelling volgens u bij aan het open en zuiver voeren van het debat over biomassa?
Ik betreur de keuze van de NGO’s om uit het convenant te stappen. Het convenant betreft juist een mooi voorbeeld hoe marktpartijen en milieuorganisaties kunnen samenwerken in de transitie naar een klimaatneutrale samenleving. Over de mogelijk juridisch aspecten van het besluit van de NGOs kan ik geen uitspraken doen, de Nederlandse overheid is geen partij in het Convenant Duurzaamheid Biomassa.
Kunnen deze organisaties überhaupt zomaar uit dit convenant stappen en besluiten dat zij de daarin gemaakte afspraken niet langer na willen komen als de andere partijen uit het convenant de gemaakte afspraken wel na blijven komen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u aangeven wat het betekent voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving wanneer houtachtige biomassa voor de warmteproductie bij warmtenetten niet meer toegepast mag worden en niet meer gesubsidieerd wordt? Wat betekent dit voor de realisatie van de in het Klimaatakkoord afgesproken doelstellingen en wat zouden de meerkosten zijn om het gat in de doelstelling op andere wijze in te vullen?
Het kabinet heeft in het kader van de uitvoering van de moties Sienot c.s. (Kamerstuk 32 813 nr. 537) en Van Esch c.s. (Kamerstuk 30 175 nr. 372) PBL en TNO onderzoek laten doen naar de consequenties zijn van het (versneld) stoppen van het afgeven van nieuwe subsidiebeschikkingen ten bate van lagetemperatuurwarmte uit houtige biogrondstoffen. Deze studies zijn op 9 juni jl. met uw Kamer gedeeld (Kamerstuk 32 813 nr. 723).
PBL constateert in haar studie dat, doordat alternatieve duurzame warmtebronnen (geothermie, aquathermie, e.v.) nog in de kinderschoenen staan, het niet aannemelijk is dat deze bronnen de rol van houtige biogrondstoffen voor 2030 kunnen overnemen, wanneer op korte termijn gestopt wordt met het toekennen van beschikkingen aan houtige biogrondstoffen. PBL stelt vast dat dan «de verduurzamingsambitie voor warmtenetten uit het Klimaatakkoord vermoedelijk moet worden losgelaten en die voor de hele gebouwde omgeving onzekerder wordt.»
TNO stelt, in lijn met PBL, vast dat de grootschalige toepassing van alternatieven nog uitdagingen kent, waardoor de toepassing van deze alternatieven onzeker is met het oog op het realiseren van de Klimaatakkoorddoelen. Ervan uitgaande dat alternatieven opschaalbaar zijn (waarvan ook PBL aangeeft dat dat tot 2030 niet het geval is), zullen de kosten van het Rijk in de periode tot 2045 naar verwachting stijgen met ca. 2,7 en 1,5 miljard euro wanneer in respectievelijk 2020 en 2025 gestopt wordt met de subsidiëring van deze bronnen (ten opzichte van een situatie waarin nieuwe subsidie-afgifte doorgaat tot 2030). Omdat de SDE++ via de ODE op de energierekening gefinancierd wordt, zullen stijgende SDE++-uitgaven een stijgend effect hebben op de energierekening. Vanuit nationale kosten bestaat een diffuser beeld: gezien de grote onzekerheidsmarge kan TNO geen significante verandering vaststellen in de nationale kosten bij het vervangen van houtige biogrondstoffen door alternatieve technieken voor warmtenetten (geothermie, aquathermie, restwarmte). Wel blijken warmtenetten voor een aanzienlijk deel van Nederland de goedkoopste verduurzamingsstrategie. Wanneer een beperktere inzet van biogrondstoffen ertoe leidt dat meer huizen via andere verduurzamingsroutes aardgasvrij gemaakt moeten worden, zal dit tot aanvullende nationale kosten leiden.
Berichten dat op meerdere plaatsen in Nederland, maar in ieder geval in de Achterhoek, West-Brabant en in Zeeland, het momenteel niet mogelijk is om binnen 30 minuten een testlocatie voor Testen voor Toegang te bereiken |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u er mee bekend dat de Testen voor Toegang-locaties in Zeeuws-Vlaanderen gesloten zijn en dat Testen voor Toegang nu betekent dat burgers 10 euro tol voor de Westerscheldetunnel en vaak meer dan een uur in de auto kwijt zijn om getest te kunnen worden?1
Dit is niet (meer) noodzakelijk. Op 14 oktober is er een testlocatie op Terneuzen geopend.
Bent u er mee bekend dat de Testen voor Toegang-locaties in de Achterhoek gesloten zijn en dat Testen voor Toegang nu betekent dat burgers vaak ruim meer dan een half uur in de auto kwijt zijn om getest te kunnen worden?2
Dit is niet (meer) noodzakelijk. Op 14 oktober is er een testlocatie op Winterswijk geopend.
Bent u er mee bekend dat de Testen voor Toegang-locaties in Roosendaal gesloten zijn en dat Testen voor Toegang nu betekent dat burgers meer dan een half uur in de auto kwijt zijn om getest te kunnen worden?3
Dit is niet (meer) noodzakelijk. Op 14 oktober is er een testlocatie op Roosendaal geopend.
Bent u er mee bekend dat de Stichting Open Nederland, die het systeem voor Testen voor Toegang beheerd, op 11 oktober 2021 is overgestapt op een nieuw systeem waarbij testaanbieders per test worden betaald en zijzelf kunnen aangeven waar ze testlocaties openen?4
Ja, dat is in opdracht van mijn ministerie gebeurd.
Kunt u aangeven op welke plekken in Nederland het nog meer niet meer mogelijk is om binnen 30 minuten een Testen voor Toegang-locatie te bereiken?
Er is momenteel een landelijke dekking van 99% waarin burgers binnen 30 minuten reizen bij een testlocatie aanwezig kunnen zijn. In Zeeland lukt dat nog niet voor iedereen. Daar opent deze week nog een teststraat in Renesse en zijn mijn ministerie en SON in gesprek met de veiligheidsregio, de provincie en gemeenten om ook in west Zeeuws-Vlaanderen een oplossing te vinden. Ook in Stadskanaal opent deze week een testlocatie net als in Dokkum. Waarbij voor de openingstijden voor de locatie in Dokkum geldt dat deze op vrijdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en zaterdag van 11.00 tot 18.00 uur open is.
Hoe gaat u per direct uitvoering geven aan het door de Kamer opgelegde besluit om er zorg voor te dragen dat mensen minstens binnen een halfuur reistijd een test kunnen laten afnemen en het aantal locaties daarop aan te passen?
Er wordt op dit moment al uitvoering gegeven aan de motie door middel van verschillende acties om de plekken te minimaliseren waar niet binnen 30 minuten reistijd een testlocatie beschikbaar is. Stichting Open Nederland is samen met mijn ministerie, gemeentes, veiligheidsregio’s en testaanbieders in gesprek die testlocaties hebben in regio’s waar momenteel geen testlocatie beschikbaar is.
De Open House is een systeem waar marktwerking geldt. De markt heeft de tijd nodig om optimaal aan te sluiten bij de vraag. Daar is een actieve marktmeester voor nodig en SON heeft die rol ook op zich genomen. Daarbij is het van belang dat de testaanbieders inzicht hebben in de verwachte vraag; SON geeft daarom inzicht en brengt waar nodig gemeenten en aanbieders bij elkaar. Daarnaast blijft het mogelijk voor ingeschreven testaanbieders om dagelijks locaties te openen of te sluiten. Ook kunnen nieuwe testaanbieders zich elke 20e van de maand aanmelden voor de Open House.
Hoe gaat u per direct uitvoering geven aan de door u zelf gedane belofte om ervoor te zorgen dat 90 procent van de bevolking binnen 20 minuten bij een testlocatie zou kunnen komen?
Ik geef uitvoering aan de motie van de Kamer om iedereen binnen 30 minuten rijafstand te kunnen laten testen door SON de opdracht te geven om geïnteresseerde testaanbieders die voldoen aan de kwaliteitsnormen toe te laten tot de markt en door SON opdracht te geven de rol van marktmeester te vervullen. Dit heeft er toe geleid dat op dit moment 99% van de burgers zich kan laten testen binnen 30 minuten op één van de ruim 400 locaties. Hiermee is het aantal testlocaties al meer dan verdrievoudigd ten opzichte van de situatie van voor 11 oktober 2021.
Wilt u de veiligheidsregio’s informeren waar niet aan de genoemde maximum reistijd voor het bereiken van een testlocatie kan worden voldaan, om zolang dit niet geregeld is terstond alle handhaving van het gebruik van de CoranaCheck-app op te schorten?
Er kan geen sprake zijn van het opschorten van de handhaving op het gebruik van de CoronaCheck-app. De inzet van coronatoegangsbewijzen is er voor bedoeld om de risico’s op verspreiding van het virus te verlagen. Het opschorten van de handhaving zou ertoe leiden dat we in die regio’s een grotere kans op besmetting zouden toestaan, wat knelt met het principe dat we de kwetsbaren willen beschermen en de druk op de zorg willen beperken.
Het bieden op huurwoningen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u verhuursites (zoals Rebid) waar potentiële huurders moeten bieden op de huurprijs om een woning te krijgen?1
Ja ik ben bekend met Rebid.
Wat vindt u van deze praktijk waarbij huurders tegen elkaar uitgespeeld worden in deze wooncrisis?
In antwoord op eerdere vragen van u en het lid Smeulders2 over het per opbod verhuren van woningen heb ik aangegeven dat in de vrije huursector contractvrijheid geldt, wat betekent dat het de verhuurder en huurder vrijstaat om zelf een huurprijs overeen te komen. Hierbij heb ik tevens aangegeven dat het tegen elkaar op laten bieden van huurders niet verboden is, maar niet past in goed verhuurderschap. Ik ben nog steeds van mening dat dit fenomeen onwenselijk is, doordat huurders wellicht onverantwoorde risico’s nemen bij het bepalen van hun huur. Ook IVBN en Vastgoed Belang hebben naar aanleiding van de recente berichtgeving aangegeven het bieden op vrije sector huurwoningen als een ongewenste ontwikkeling te zien, mede doordat dit gezien de huidige schaarse op de huurmarkt tot hogere huren leidt waardoor de bereikbaarheid voor woningzoekenden verder afneemt.
Is het toegestaan om door middel van betaalde credits mensen toegang te geven tot het bekijken van en het bieden op te huren woningen? Valt dit niet onder bemiddelingskosten die niet meer zijn toegestaan?
Als op het platform Rebid sprake is van dubbele bemiddelingskosten is dit wettelijk niet toegestaan3. Woningzoekenden kunnen in dergelijke gevallen een (anonieme) melding doen bij het platform ACM ConsuWijzer. Op de website van ConsuWijzer worden woningzoekenden bovendien voorgelicht over bemiddelingskosten, waarbij ook een voorbeeldbrief te vinden is voor het terugvragen van onterechte bemiddelingskosten. De ACM heeft overigens eerder aangekondigd dat bedrijven die nog steeds verboden bemiddelingskosten rekenen een boete kunnen verwachten. Dat heeft dit voorjaar geleid tot het beboeten van drie huurbemiddelaars die onterechte bemiddelingskosten hebben gerekend aan consumenten4.
Bent u bereid de ACM te attenderen op deze praktijken en te vragen op te treden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dit soort biedingssystemen een opwaarts effect zullen hebben op de huurprijzen? Zo nee, waarom niet?
Op 1 juli j.l. heeft er een rondetafelgesprek plaatsgevonden over transparantie bij bieden. Ten behoeve hiervan zijn een aantal position papers opgesteld5. In het paper van prof. Francke van de UvA is aangegeven dat uit onderzoek blijkt dat in krappe woningmarkten een «bieden-vanaf-prijsstrategie» tot een snellere verkoop van een woning en een hogere verkoopprijs leidt. Ik kan mij voorstellen dat een dergelijke conclusie ook toepasbaar is op de huurwoningmarkt.
Vindt u ook dat dit soort platforms huurders tegen elkaar opzet door ze te laten bieden voor een huurprijs? Is dit in het belang van huurders?
In antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat ik bieden op huurwoningen onwenselijk vind. Wel is het zo dat het hoogste bod geen garantie is om ook daadwerkelijk huurder te worden, omdat een verhuurder zelf mag bepalen aan wie hij zijn woning verhuurt (mits hij niet discrimineert). Ik hoor in ieder geval regelmatig terug dat de verhuurder hierbij ook kijkt naar het inkomen van de huurder, waardoor betalingsrisico’s zo veel mogelijk worden vermeden.
Bent u bereid over te gaan tot regulering van de vrije huursector om dit soort praktijken tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Op Prinsjesdag heb ik in de brief «Uitkomsten onderzoeken naar huurprijsregulering»6 aangegeven te gaan testen hoe de uitvoering van een regulerende maatregel in de vrije huursector eruit kan komen te zien. Tevens heb ik in deze brief aangegeven te onderzoeken welk flankerend beleid kan of moet worden vormgegeven. De reeds gedane onderzoeken laten zien dat er een complexe afruil plaatsvindt tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid bij regulering. Daarom ga ik met partijen nu «botsproeven» doen om te zien hoe een regulerende maatregel in de praktijk zou uitwerken en wat daar verder voor nodig zou zijn. Of prijsregulering (of flankerend beleid) kan helpen bij het tegengaan van bieden op huurwoningen is een van de aspecten die in de botsproeven wordt meegenomen.
Het bericht dat Ter Apel overvol is |
|
Jasper van Dijk |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat vindt u van de drukte in Ter Apel waar mensen in tenten op stoelen moeten slapen en vechtpartijen zijn uitgebroken vanwege de toename van het aantal asielzoekers?1
Het tekort aan opvangplekken is vooral zichtbaar aan het begin van het asielproces in Ter Apel. Nieuw binnenkomende asielzoekers kunnen niet meer worden opvangen op andere locaties, waardoor zij de nacht moeten doorbrengen in paviljoens buiten het azc. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de opvang en zorgt voor inhumane en onveilige situaties. Ik besef dat het een zeer onwenselijke situatie is, zowel voor nieuw binnenkomende asielzoekers, het betrokken personeel en inwoners van de gemeente Westerwolde. Dat betreur ik zeer. Met de betrokken partijen doe ik er alles aan om deze situatie in de toekomst te voorkomen.
Wat is uw reactie op de noodpreek uit de gemeente Westerwolde?
Op 20 oktober jl. heeft de voorzitter van de veiligheidsregio Groningen een bijstandsverzoek gedaan op grond van artikel 51 Wet veiligheidsregio’s. In reactie hierop heeft het kabinet de commissarissen van de Koning op 22 oktober jl. verzocht om op korte termijn per provincie 100 extra opvangplekken te realiseren en te exploiteren om Ter Apel te ontlasten. Dit verzoek heeft geresulteerd in bijna 700 extra opvangplekken. Vanuit het kabinet is veel waardering voor de provincies die aan deze oproep gehoor hebben gegeven. Dit heeft de druk op Ter Apel al aanzienlijk verminderd. Daarnaast zijn er de afgelopen periode veel nieuwe noodlocaties geopend. De verwachting is dat hierdoor de druk op aanmeldcentrum Ter Apel ook de komende periode zal afnemen.
Op 26 oktober jl. is met de commissarissen van de Koning in hun rol als Rijksheer geconcludeerd dat, ondanks dat de problematiek niet volledig is opgelost, de reguliere governance van Landelijke en Provinciale Regietafels weer aan zet is om deze opgave aan te pakken. Dit is tijdens de Landelijke Regietafel van 3 november jl. bevestigd. Daarmee is het bijstandsverzoek van 20 oktober jl. afgehandeld. Wel blijft de situatie ten aanzien van de asielopvang in het algemeen, en Ter Apel in het bijzonder, grote aandacht van het kabinet behouden, omdat de opvangcapaciteit onder druk blijft staan. Door veel partijen wordt hard gewerkt om de opvangproblematiek het hoofd te bieden en de situatie ten aanzien van aanmeldcentrum Ter Apel structureel te verbeteren.
Wat gaat u op korte termijn doen om de tekorten aan slaapplekken en de bijbehorende onrust weg te nemen?
Het COA heeft sinds eind augustus jl. ruim 6.500 extra opvangplekken in gebruik genomen. Dit zijn met name tijdelijke opvangplekken die voor vier weken tot zes maanden inzetbaar zijn.
Daarnaast worden door de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid, het COA en het Rijksvastgoedbedrijf verschillen maatregelen genomen om de achterstand op het realiseren van de taakstelling uitplaatsing vergunninghouders in te lopen. Op dit moment is ongeveer een derde van de bewoners van de COA-opvang vergunninghouder. In totaal zijn dat bijna 12.000 vergunninghouders, waarvan meer dan de helft langer dan veertien weken wacht op huisvesting in een gemeente.
Waarom zag u deze piek niet aankomen en heeft u niet de tijd genomen om het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) hierop voor te bereiden?2
Het COA heeft onder andere extra opvangcapaciteit nodig door de stijgende asielinstroom en het toenemende aantal nareizigers dat in het kader van gezinshereniging naar Nederland komt met het afnemen van de reisbeperkingen als gevolg van COVID-19. Ook zijn door de komst van Afghaanse evacués in korte tijd meer opvangplekken nodig. Daarnaast verblijven er nu bijna 12.000 vergunninghouders in de COA-opvang, waarvan ruim de helft langer dan de afgesproken 14 weken na vergunningverlening. Dit komt voor een belangrijk deel door de landelijke krapte op de woningmarkt. Dat deze factoren zich tegelijk in deze mate zouden voortdoen, was niet voorzien. In de eerste helft van 2021 nam de bezetting bij het COA zelfs af.
Het COA heeft de afgelopen jaren veelvuldig geprobeerd om met het aantal beschikbare opvangplekken aan te laten sluiten bij de capaciteitsprognose. Met dat doel zijn de leden van de Landelijke Regietafel Migratie en Integratie (LRT) in november 2019 al gevraagd om extra opvanglocaties en het verlengen van aflopende locaties. Dit laatste is goed gelukt, het eerste niet.
De afgelopen maanden zijn deze gesprekken geïntensiveerd en hebben de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ikzelf provincies en gemeenten met klem gevraagd om op zeer korte termijn locaties aan te dragen voor (tijdelijke) asielopvang of (tijdelijke) huisvesting van vergunninghouders. Naar aanleiding van deze oproep zijn een groot aantal, veelal tijdelijke, (nood)opvanglocaties al geopend.
Hebben het COA en de gemeente wel voldoende middelen om de overlast aan te kunnen pakken?
Onder de groep asielzoekers bevindt zich een kleine groep die binnen en buiten de opvanglocaties overlast veroorzaakt of zich schuldig maakt aan criminaliteit. Het draagvlak voor de opvang van mensen die vluchten voor oorlog, geweld of vervolging wordt hiermee ondermijnd. Ik zet mij er enorm voor in om de overlast daar waar mogelijk te voorkomen en stevig te pakken. Hiertoe is een breed palet aan maatregelen beschikbaar, die gebundeld zijn in de zogenoemde toolbox3. Zo kan het COA haar bewoners op basis van de aard en omvang van de overlast tijdelijk overplaatsen naar een sobere time-outplek of de Handhaving- en Toezichtlocatie in Hoogeveen. In geval van crimineel gedrag wordt aangifte gedaan en kunnen strafrechtelijke maatregelen worden getroffen. Voor de aanpak van overlast buiten de opvanglocatie werk ik samen met de gemeente en de andere partners uit de driehoek.
Ik heb de gemeente Westerwolde dit jaar een specifieke uitkering van 150.000 euro toegekend om overlast buiten de opvanglocatie aan te pakken. Ondanks deze maatregelen zullen incidenten nooit geheel voorkomen kunnen worden. Ik blijf samen met de ketenmariniers en alle betrokken partijen continu kijken welke extra maatregelen ingezet kunnen worden om overlast en criminaliteit van asielzoekers aan te pakken.
Het bericht dat kaartverkoop theaters ver achter blijft bij 2019 |
|
Peter Kwint |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «Meer optredens, minder publiek: kaartverkoop theaters blijft ver achter bij 2019»?1
Ik heb het bericht met belangstelling gelezen.
Welke mogelijke gevolgen heeft dit voor bioscopen, theaters, poppodia, producenten, musea, monumenten, festivals, evenementen en hun personeel? Bent u bereid de negatieve gevolgen nauwlettend te volgen en waar nodig bij te springen?
Het artikel stelt dat het theaterpubliek minder in de voorverkoop en meer last-minute koopt. Wat dit uiteindelijk precies betekent, moet nog blijken. Ik wil op dit moment niet vooruit lopen op mogelijke gevolgen. Ik hoop er met de theaterdirecteuren uit het artikel op dat het publiek snel terugkomt en zal, samen met de Taskforce Culturele en Creatieve sector en in overleg met mijn mede-bestuurders bij de gemeenten, de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Wat betekenen de woorden «we laten niemand vallen»? Hoe gaat u ervoor zorgdragen dat ze inderdaad niemand laat vallen?
Voor de door mij gesubsidieerde instellingen draag ik een directe verantwoordelijkheid. Met de Minister van Financiën heb ik afgesproken dat ik met hem op zoek ga naar een oplossing als één van die instellingen dreigt om te vallen.
Bent u bereid, indien er gekort wordt op de gages van artiesten, ervoor zorg te dragen dat makers niet de dupe worden van kaartverkoop die achter blijft?
Het is de verantwoordelijkheid van podia om te handelen volgens de principes van de uit de sector zelf voortgekomen fair practice code. Makers dienen een eerlijke vergoeding te krijgen voor het werk dat zij verrichten. De meeste podia in Nederland worden door de gemeente gesubsidieerd. Veel gemeenten hanteren de fair practice code als subsidievoorwaarde.
Welke invloed hebben de invoering van de coronapas en de capaciteitsbeperkingen van 75% op de achterblijvende kaartverkoop?
Op dit moment is het nog te vroeg om conclusies te kunnen trekken over een invloed van de invoering van de coronapas op de kaartverkoop. Zoals ik in antwoord 2 al aangaf zal ik de ontwikkelingen op dit punt nauwgezet blijven volgen met de Taskforce Culturele en Creatieve sector en mijn mede-bestuurders. Om podia en festivals die te maken hebben met de capaciteitsbeperking van 75% een tegemoetkoming te bieden, werk ik nu aan een subsidieregeling die uitgevoerd zal worden door het Fonds Podiumkunsten. Voor de periode tot en met 13 november is hier € 15 miljoen voor beschikbaar2.