Het bericht dat De Nederlandsche Bank (DNB) een handhavingstraject is gestart tegen de Rabobank. |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «DNB voert druk op bij Rabobank wegens gebrekkige witwascontrole»1?
Ja.
Wanneer werden uw ministerie en u geïnformeerd over de beslissing van het Openbaar Ministerie (OM) om een handhavingstraject te starten tegen de Rabobank?
Het artikel waar in vraag 1 naar wordt verwezen beschrijft een handhavingstraject geïnitieerd door De Nederlandsche Bank (DNB) bij Rabobank, geen handhavingstraject van het OM. Het gaat volgens Rabobank om een voorgenomen aanwijzing en een punitief handhavingstraject waarvan DNB aangekondigd heeft dat het wordt gestart. Hierover ben ik voor het eerst op hoog ambtelijk niveau geïnformeerd op 11 november jl.
Kunt u aangeven welke stappen u heeft gezet – sinds de schikking tussen het OM en ABN AMRO in april van dit jaar vanwege jarenlange en structurele overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) bij haar activiteiten in Nederland – al dan niet richting de Nederlandse Bank, om Nederlandse banken nogmaals op hun plicht te wijzen de Nederlandse wet na te leven?
Sinds de transactie met ING waar in vraag 4 naar wordt verwezen, heeft het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen en het financieren van terrorisme een hoge prioriteit bij de Minister van Justitie en Veiligheid en mij. In 2019 hebben wij daartoe gezamenlijk het plan van aanpak witwassen met verschillende voorgenomen maatregelen gepresenteerd.4 Dat plan is in samenspraak met betrokken publieke en private partijen tot stand gekomen. Sindsdien informeren de Minister van Justitie en Veiligheid en ik uw Kamer periodiek over de voortgang van de uitvoering van voornoemd plan.5 Begin 2022 sturen wij uw Kamer de vierde voortgangsbrief.
Naar aanleiding van de transactie van ABN AMRO met het Openbaar Ministerie van april van dit jaar heb ik, aanvullend op de lopende maatregelen, aan DNB gevraagd hoe het gaat met de naleving van deze regelgeving in de sector en of DNB voldoende toegerust is voor het toezicht. DNB antwoordde in haar brief dat de sector van ver moet komen en dat de problemen omvangrijk en persistent zijn. DNB noemt dat bij 28 banken (ongeveer een derde van alle banken die onder Wwft-toezicht van DNB vallen) herstel- en verbetertrajecten lopen. Een structureel herstel van gebreken uit het verleden vraagt op dit moment extra inzet van de sector. DNB ziet de afgelopen jaren wel dat de sector zich bewuster is geworden van de rol van poortwachter en concreet werk maakt van het op orde brengen en houden van deze verantwoordelijkheid.6
Herinnert u zich uw antwoord op eerdere vragen waarin u aangaf dat u «de tekortkomingen bij de naleving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (…) zeer pijnlijk»2 vond, nadat DNB concludeerde dat «verschillende financiële instellingen hun verantwoordelijkheid voor het beheersen van integriteitrisico’s nog onvoldoende adequaat oppakken»3? Wat heeft u sinds die conclusie gedaan om de naleving van de wet door Nederlandse banken op orde te brengen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Rabobank de derde systeembank is in Nederland die recentelijk door het OM is berispt vanwege de gebrekkige naleving van de Wwft?
Op dit moment is mij alleen bekend dat Rabobank zelf heeft gemeld dat Rabobank een dwangsom van DNB heeft verbeurd en dat Rabobank een voorgenomen aanwijzing van DNB heeft ontvangen. Volgens Rabobank heeft DNB voorts aangekondigd dat een punitief handhavingstraject wordt gestart waarvan de uitkomst op dit moment niet bekend is. Maatregelen vanuit het OM jegens Rabobank zijn mij niet bekend. Desalniettemin is het uiteraard geen goed signaal dat Rabobank, na de transacties van ING en ABN AMRO met het OM, als derde grootbank tekort is geschoten bij het naleven van de Wwft. Private partijen zoals banken hebben als poortwachter een verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hun dienstverlening wordt misbruikt voor witwassen en financieren van terrorisme. Het voorkomen van witwassen en financieren van terrorisme is een belangrijke maatschappelijke en wettelijke taak die banken adequaat behoren te vervullen. De instellingen moeten hiertoe verbeteringen doorvoeren en investeringen doen. Het is daarbij van groot belang dat bestuurders van financiële instellingen hun verantwoordelijkheid nemen en integriteit boven commercie stellen. Ik blijf hiervoor aandacht vragen van bestuurders.
Hoeveel mensen werken er bij Nederlandse banken, en hoeveel van hen zijn belast met de naleving van de Wwft?
Volgens de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) was het aantal (vaste) medewerkers, werkzaam in de bankensector in Nederland 66.701 in 2020. Het aantal mensen dat zich bezighoudt met de naleving van compliance gerelateerde aangelegenheden, waaronder de Wwft, is ongeveer 12.000 volgens de NVB.
Welke kansen voor innovatie om de controle op potentieel frauduleuze betalingen efficiënter en effectiever te maken worden er gesignaleerd en hoe draagt u eraan bij dat financiële instellingen hier voortvarend mee aan de slag kunnen gaan?
Het vergroten van de effectiviteit van de poortwachtersfunctie is een van de pijlers van het plan van aanpak witwassen.7 Door middel van technologische innovatie en verbeterde samenwerking tussen publieke en private partijen alsook tussen private partijen onderling kan de effectiviteit verbeterd worden. Zo bereid ik samen met de Minister van Justitie en Veiligheid het Wetsvoorstel Plan van aanpak witwassen voor ter indiening bij de Tweede Kamer. Dit voorstel bevat onder meer verruiming van de mogelijkheden voor poortwachters om onderling informatie uit te wisselen. Daarnaast zijn er verschillende samenwerkingsverbanden actief waarin publieke en private partijen informatie over risico’s en witwasmethodes met elkaar delen. Een voorbeeld hiervan is de publiek-private samenwerking in het Financieel Expertise Centrum (FEC) en het Anti Money Laundering Centre (AMLC). Dit gebeurt ook in de Fintell Alliance, waarin de Financial Intelligence Unit Nederland informatie over algemene fenomenen en typologieën deelt met de deelnemende banken.8 In algemene zin ben ik van mening dat samenwerking en het delen van informatie in grote mate kunnen bijdragen aan de effectiviteit van de vervulling van de poortwachtersfunctie. Een groot deel van het anti-witwasraamwerk wordt gevormd door Europese wetgeving. Daarom zet ik mij bij de onderhandelingen over de voorstellen van de Europese Commissie voor de nieuwe Europese anti-witwasrichtlijn en -verordening9 in voor duidelijker regels met betrekking tot informatie-uitwisseling en mogelijkheden voor poortwachters om samen te werken.
Kunt u toelichten welke vorderingen er zijn gemaakt bij het adequaat beheersen van integriteitsrisico’s door Nederlandse banken en welke vorderingen er nog gemaakt moeten worden?
Ten aanzien van de bancaire sector constateerde DNB onlangs bij de transactie met ABN AMRO dat deze transactie past in het beeld dat DNB in algemene zin van deze sector heeft over de afgelopen periode.10 DNB zag dat de sector zich de afgelopen jaren bewuster is geworden van haar poortwachtersfunctie en concreet werk maakt van het op orde brengen en houden van deze verantwoordelijkheid. Ook nam DNB waar dat bestuurders meer eigenaarschap tonen voor het naleven van de Wwft. Tegelijk stelt DNB vast dat de sector nog veel te doen heeft. DNB schreef dat zij sinds de transactie van het OM met ING in verband met de Wwft tien formele handhavende maatregelen heeft opgelegd aan banken. Verder meldt DNB dat zij in twee situaties (waaronder de ABN AMRO-zaak) haar bevindingen heeft ingebracht in het tripartite overleg met het OM en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD), waarna het OM heeft besloten tot de start van een strafrechtelijk onderzoek. DNB gaf aan dat in de komende periode de bankensector de tekortkomingen die in het verleden zijn ontstaan moet herstellen om de rol van poortwachter adequaat in te vullen. DNB monitort de vorderingen van de sector en neemt waar nodig aanvullende maatregelen. Het is van doorslaggevend belang dat de verbeterprogramma’s die bij verschillende banken lopen tot structurele verbeteringen leiden. DNB zal mij in haar jaarlijkse zbo-verantwoording blijven informeren over de stand van zaken in de bancaire sector. Daarnaast blijf ik, samen met de Minister van Justitie en Veiligheid, in gesprek met alle betrokken partijen over de voortgang van het reeds ingezette plan van aanpak witwassen en bezien wij doorlopend of aanvullende maatregelen nodig zijn.
De ECB heeft geen directe toezichtbevoegdheid met betrekking tot naleving van de anti-witwasrichtlijn of de Wwft door banken in Nederland. De ECB is verantwoordelijk voor het prudentiële toezicht op de grootbanken. Bij de uitoefening van de prudentiële toezichtstaken kan de ECB optreden, indien kwesties rond witwassen en terrorismefinanciering gevolgen zouden kunnen hebben voor de veiligheid en soliditeit van de instelling. Omdat optreden van de ECB in dit kader toezichtvertrouwelijk is, heb ik geen informatie of dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De ECB is gezien de hierboven beschreven verantwoordelijkheden geen aangewezen partij om een algemeen oordeel te geven over de stand van de naleving van de Wwft door de bancaire sector. De Europese Commissie heeft recent echter voorstellen gedaan om tot een Europese anti-witwastoezichthouder te komen, zodat tot borging van het toezicht op Europees niveau kan worden gekomen. Het kabinet verwelkomt het voorstel voor de oprichting van deze Europese anti-witwasautoriteit (AMLA). Nederland heeft meermaals opgeroepen tot de oprichting van een Europese toezichthouder ter versterking van de effectiviteit van het Europese anti-witwasraamwerk.11
Hoe beoordeelt u de Nederlandse regels ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, die de aanleiding geven voor deze maatregel van DNB, in internationaal perspectief?
Het systeem van poortwachters van het financiële stelsel bestaat al geruime tijd en was ook al onderdeel van de wetten die de voorganger van de Wwft waren. Dit systeem wordt internationaal als het meest effectieve systeem gezien om witwassen te voorkomen en te bestrijden. Het maakt onderdeel uit van de internationale standaarden van de Financial Action Task Force (FATF) en de Europese anti-witwasrichtlijnen. Nederland wordt in internationaal verband periodiek geëvalueerd. Naar verwachting zal de Europese Commissie begin volgend jaar een evaluatie over de implementatie van de anti-witwasrichtlijn door de lidstaten opleveren. Daarnaast evalueert de FATF de effectiviteit van de systemen van de aangesloten landen periodiek. De FATF-evaluatie van Nederland vindt op dit moment plaats. In juni 2022 ligt de definitieve versie van het rapport voor in de plenaire vergadering van de FATF. Tot slot verricht de Algemene Rekenkamer op dit moment onderzoek naar de opbrengsten van de meldketen. Naar verwachting presenteert de Algemene Rekenkamer haar rapport in het voorjaar van 2022. Uiteraard zal ik de resultaten van deze evaluaties met uw Kamer delen en aangeven welke lessen uit deze evaluaties getrokken kunnen worden.
Hoe oordelen DNB en de Europese Centrale Bank (ECB) over de naleving van de Wwft? Zien zij dat de naleving in andere landen beter verloopt? Zo ja, waarom verloopt de naleving daar beter dan in Nederland?
Zie antwoord vraag 8.
Gezien het feit dat het op dit moment vooral grotere exporteurs zijn die gebruik maken van overheidssteun bij internationale projecten, wat betekent deze verklaring voor de kansen voor kleinere ondernemingen om gebruik te maken van overheidssteun?
Zoals gesteld in de kamerbrief «COP26-verklaring Aligning International Public Support for the Clean Energy Transition»1 zal het kabinet in 2022 werken aan nieuw beleid voor het beëindigen van internationale overheidssteun aan de fossiele energiesector. De inzet is dit voor eind 2022 te implementeren.
Het kabinet zal de komende maanden benutten om met de betrokken sectoren tot een zorgvuldige implementatie te komen en zich inspannen de Kamer hierover uiterlijk in het tweede kwartaal van 2022 over te informeren, conform de aangenomen motie Klink c.s. Zoals aangegeven in antwoord op vragen van het lid Hammelburg2 zal het kabinet in het eerste kwartaal over de voortgang rapporteren. De verklaring heeft gevolgen voor zowel grote als kleine ondernemingen. Hiertoe zal met stakeholders, waaronder de bedrijven, gekeken worden wat haalbaar en nodig is voor een groene transitie met behoud van kennis en banen en een duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening in ontwikkelingslanden.
In hoeverre onderscheiden de behoeften van het midden- en kleinbedrijf zich van grote exporteurs als het gaat om de ondersteuning die zij nodig hebben om een succesvolle aanvraag te doen?
De uitvoerder van de exportkredietverzekering (ekv), Atradius Dutch State Business (ADSB), heeft zich afgelopen jaren ingezet op het beter bereiken van het midden- en kleinbedrijf (mkb), onder meer via gerichte out-reach en betere ondersteuning. Dit heeft er mede toe geleid dat in 2021 meer verzekeringsaanvragen van het mkb in behandeling zijn genomen dan in het jaar ervoor. Zie ook het antwoord op vraag 1 ten aanzien van de verdere uitwerking van de COP26-verklaring.
Waar liggen kansen voor Nederlandse exporteurs in zon en wind? Waar loopt Nederland achter ten opzichte van andere landen?
Op het terrein van windenergie zijn Nederlandse bedrijven vooral actief op offshore activiteiten, in het bijzonder de aanleg en het onderhoud van offshore windparken, bodemonderzoek en funderingen.3 De verwachtingen ten aanzien van de ontwikkeling van offshore windparken wereldwijd zijn gunstig. Het Internationaal Energieagentschap verwacht een verdrievoudiging van de totale offshore wind capaciteit in de komende vijf jaar.4 Ten aanzien van zonne-energie bieden Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen innovatieve technologieën voor onder andere het design en materiaal, de fabricage en geïntegreerde oplossingen.5 Het Internationaal Energieagentschap verwacht dat de totale capaciteit zonne-energie over de periode 2021–2026 wereldwijd met bijna 1100GW zal toenemen, waarmee zonne-energie verantwoordelijk is voor bijna 60% van de toename in de capaciteit van duurzame energie.6 Om kansen in duurzame energieprojecten in het buitenland te verzilveren en het Nederlandse marktaandeel daarin te vergroten, zet Nederland in op een optimale ondersteuning van het Nederlands bedrijfsleven, onder meer via de ekv.
In hoeverre onderscheiden de behoeften van ondernemingen in de duurzame sector zich van fossiele bedrijven als het gaat om de ondersteuning die zij nodig hebben om succesvol te exporteren? Hoe kunnen deze ondernemingen worden gestimuleerd?
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat vooral rond de ontwikkeling van innovatieve, duurzame energieprojecten meer onzekerheden spelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor waterstof waarbij de internationale markt zich nog in de ontwikkelfase bevindt. Een actieve overheidsrol is daarbij van belang. Zo heeft het kabinet meerdere ekv-gerelateerde maatregelen aangekondigd om bedrijven te helpen met het vergroenen van hun bedrijfsprocessen.7 ADSB heeft bijvoorbeeld de groendekking ontwikkeld, waardoor bedrijven gemakkelijker financiering voor groene projecten kunnen aantrekken. En zoals aangegeven in de Kamerbrief «Internationaal Financieren in Perspectief»8 vergroent het kabinet het instrumentarium voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, vanuit de ambitie de ontwikkeling van duurzame energie te stimuleren en het gebruik van fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen, in lijn met de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs en de SDG-agenda9. Ook versterkt het kabinet de inzet op de positionering van Nederlandse bedrijven in de duurzame energiesector en CO2-arme industrie in het buitenland, onder andere door het actief signaleren van kansen en de promotie van Nederlandse kennis en technologie op dit terrein.
Hoe gaat u, bijvoorbeeld in samenwerking met uw collega’s van Economische Zaken en Klimaat, ervoor zorgen dat Nederland deze omslag voor fossiel naar 100 procent duurzaam gebruikt om de energietransitie te versnellen?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat u in de omslag van fossiel naar 100 procent duurzaam ook zorg dragen voor een eerlijke energietransitie, met name in ontwikkelingslanden?
Het kabinet is van mening dat de energietransitie eerlijk en rechtvaardig moet zijn en dat ontwikkelingslanden daarin gesteund moeten worden. Nederland heeft zich daartoe in de ontwikkelingssamenwerkingscommissie van de OESO sterk gemaakt voor een gezamenlijke verklaring over het in lijn brengen van ontwikkelingssamenwerking met de Parijsdoelen.10 Tevens heeft Nederland op COP26 de verklaring ondertekend over steun voor eerlijke transitie internationaal.11 Bij de uitwerking van de COP26-verklaring zal ook rekening worden gehouden met een duurzame, betrouwbare en betaalbare energievoorziening in ontwikkelingslanden. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Hoe gaat u zorgen dat zon- en windprojecten die de Nederlandse overheid verzekert geen mensenrechtenschendingen of negatieve milieu-impact hebben?
Alle ekv-aanvragen worden beoordeeld op lokale wet- en regelgeving en internationale standaarden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen, specifiek de OECD Common Approaches en de IFC Performance Standards. Hier wordt ook nadrukkelijk gekeken naar mensenrechten en milieu-impact. Zon- en windprojecten worden – net als alle andere projecten – aan deze standaarden getoetst. Standaard aspecten in een ekv-beoordeling zijn: landenrisico, kredietrisico, regresrisico, buyer due diligence, due diligence op de betrokken agenten, customer due diligence en milieu en sociale aspecten. Als op basis van de uitgevoerde beoordelingen geconcludeerd wordt dat er onacceptabele risico’s zijn, zal het project in kwestie niet in verzekering worden genomen.
Hoe borgt u betaalbare toegang tot duurzame energie voor lokale gemeenschappen?
Het kabinet heeft zich tot doel gesteld om met ontwikkelingssamenwerking tussen 2015 en 2030 in totaal vijftig miljoen mensen toegang te bieden tot hernieuwbare energie in ontwikkelingslanden. Daarmee levert Nederland een bijdrage aan het SDG7 doel van universele energietoegang voor de 760 miljoen mensen die nog geen elektriciteit hebben en de 2,6 miljard mensen die nog zijn aangewezen op open houtvuur en houtskool voor het bereiden van hun maaltijd.
Nederland ondersteunt een portefeuille van projecten die investeren in lokale marktontwikkeling voor hernieuwbare energie oplossingen, zoals decentrale zonne-energiesystemen, schone kooktoestellen en huishoudelijke biogasinstallaties. Ook mobiliseert de portefeuille multilaterale investeringen en private investeringen in deze oplossingen.
De Kamer wordt geïnformeerd over de voortgang via de jaarlijkse resultatenrapportage ontwikkelingssamenwerking. De meest recente resultaten laten zien dat Nederland op schema ligt om het doel te halen.
Dit jaar vroeg Nederland bij de High Level Dialogue on Energy, tijdens de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, specifiek aandacht voor het belang van universele toegang tot elektriciteit en schoon koken in 2030 op het pad naar netto klimaatneutraal in 2050. De Kamer is daarover geïnformeerd per brief van 23 november 2021 (Kamerstuk 26 150, nr. 197). Tijdens de COP26-klimaattop publiceerde de Verenigde Naties een mondiale routekaart voor de versnelling van SDG7, met heldere doelen voor 2025 en 203012.
Wat zijn uw plannen voor het ondersteunen van werknemers die als gevolg van het stopzetten van exportsteun voor fossiele energieprojecten hun baan riskeren te verliezen?
De transitie naar een klimaat neutrale economie is uitdagend, maar biedt ook veel nieuwe kansen voor nieuw duurzaam verdienvermogen en werkgelegenheid. Belangrijke randvoorwaarden voor een dergelijke transitie zijn in Nederland aanwezig, zoals een hoogopgeleide technische beroepsbevolking en een gunstige geografische ligging. Het CBS heeft berekend dat de ekv in de periode 2018–2020 heeft bijgedragen aan 5.900 arbeidsjaren door het verzekeren van fossiele transacties. In die periode heeft de fossiele ekv dus gemiddeld bijgedragen aan circa 2.000 banen per jaar.
Het kabinet is momenteel bezig met de uitwerking van de COP26-verklaring (zie antwoord op vraag 1). Van belang is daarbij dat een transitie vormgegeven kan worden die haalbaar en nodig is, met behoud van kennis en banen, en rekening houdend met de effecten op ontwikkelingslanden. Het komend jaar zal het kabinet benutten om met de betrokken sectoren tot een zorgvuldige implementatie te komen.
Biedt u deze mensen mogelijkheid tot herscholing of andere ondersteuning bij een overstap naar groene banen?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre dienen de bedrijven die nu profiteren van exportsteun voor fossiele brandstoffen projecten hun werknemers te ondersteunen in deze transitie?
Zie antwoord vraag 9.
Het Verenigd Koninkrijk heeft al in december 2020 laten weten te stoppen met overheidssteun voor internationale fossiele projecten. Is u bekend wat de impact hiervan is geweest op de werkgelegenheid aldaar?
Het Verenigd Koninkrijk is per 31 maart 2021 gestopt met het verlenen van overheidssteun aan internationale fossiele projecten met enkele uitzonderingen. De impact op de werkgelegenheid is ons niet bekend.
Eind 2022 gaat de verklaring in. Voor welke projecten die volgens de verklaring na 2022 niet meer mogelijk zijn lopen er reeds aanvragen? Wat is de financiële omvang van deze projecten? Wat betekent de COP 26-verklaring voor deze projecten?
De precieze reikwijdte van projecten die onder de verklaring vallen is nog niet bekend. Zoals aan de Kamer toegezegd13 ontvangt u in het tweede kwartaal een Kamerbrief met daarin de precieze uitwerking van de implementatie van de COP26-verklaring. Ook de financiële omvang is hierdoor nog niet bekend.
Zijn er (juridische) kosten verbonden aan het per direct niet verder in behandeling nemen van deze lopende fossiele aanvragen?
De inzet van het kabinet is beëindiging van de ekv-steun aan de fossiele energiesector per eind 2022. Aanvragen kunnen op dit moment dus nog in behandeling genomen worden. Het kabinet acht het wel van belang om tijdig duidelijkheid te bieden aan de betrokken sectoren, en zal zich daarom conform motie Klink inspannen om uiterlijk in het tweede kwartaal de Kamer en de sectoren te informeren.
Betekent het ondertekenen van de verklaring dat nieuwe aanvragen voor overheidssteun voor fossiele projecten, bijvoorbeeld via een exportkredietverzekering, per direct worden stopgezet?
Nee. Zie ook antwoord op vraag 14.
Kunt u de Kamer gedurende het jaar 2022 transparant en tijdig informeren over de toekenning van overheidssteun voor nieuwe fossiele projecten?
Atradius DSB publiceert op haar website alle afgegeven polissen. Voor 2022 zal ADSB de toekenning van de classificatie fossiel toevoegen. Hierdoor kan iedereen de toekenning van ekv-steun aan nog in 2022 in verzekering genomen fossiele projecten inzien.
Wat is het tijdspad van het kabinet om de afspraken gemaakt in de verklaring uit te werken?
Conform toezegging op de motie van het lid Klink14 zal het kabinet voor het einde van het tweede kwartaal van 2022 een uitwerking van de implementatie naar de Kamer sturen. In het proces zullen bedrijven en het maatschappelijk middenveld geconsulteerd worden. In het eerste kwartaal zal het kabinet de voortgang aan de Kamer rapporteren. Zie ook het antwoord op vraag 1.
In de Kamerbrief «COP26 verklaring Aligning International Public Support for the Clean Energy Transition» (Kamerstuk 31 793, nr. 202)1 wordt gesproken van uitzonderingen voor «activiteiten die indirect een relatie hebben met de fossiele energie sector, maar daar geen deel van uitmaken» Als voorbeeld wordt een haven genoemd waar ook fossiele brandstoffen worden getransporteerd. Hoe maakt het kabinet dit onderscheid? In hoeverre vallen bijvoorbeeld vliegvelden hieronder?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief betreft de COP26-verklaring de «fossiele energie sector». Vliegvelden vallen niet onder de scope van de verklaring. Momenteel wordt gewerkt aan de precieze reikwijdte van de COP26-verklaring. Hierbij wordt ook nader ingegaan op «activiteiten die indirect een relatie hebben met de fossiele energie sector, maar daar geen deel van uitmaken».
Op basis waarvan komt u tot de conclusie dat downstream projecten nog wel ondersteund zouden kunnen worden?
Verschillende downstream activiteiten kunnen ondersteund blijven worden, omdat deze niet vallen onder de fossiele energie sector. Ook is hiervoor nog niet altijd een haalbaar alternatief voor fossiele brandstoffen beschikbaar. De opwekking van elektriciteit met fossiele brandstoffen wordt internationaal soms als downstream aangemerkt, maar deze valt in principe wel onder de reikwijdte van de verklaring.
Bent u het eens met de stelling dat de overheid middels de exportkredietverzekering juist moet inzetten op het gebruik van duurzame brandstoffen in plaats van fossiel?
Het kabinet heeft de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om met de ekv groene export beter te ondersteunen16, onder andere door middel van gunstigere voorwaarden voor groene transacties. Hierbij is Nederland gebonden aan internationale regels zoals de OECD Arrangement. Daarom zet Nederland zich, samen met de landen uit de Export Finance for Future (E3F) coalitie, in op aanpassing van de regels om zo groene transacties beter te kunnen ondersteunen. Het kabinet is van mening dat de ekv een relevante bijdrage kan leveren aan het mobiliseren van de benodigde mondiale groei in investeringen in duurzame energie.
Wat verstaat u onder unabated? Bent u het eens dat het onwenselijk is om projecten met Carbon Capture and Storage (CCS) en Carbon Capture Utilisation and Storage (CCUS) vanuit de exportkredietverzekering te ondersteunen?
Zoals in de Kamerbrief17 over de COP26-verklaring aangegeven worden projecten die CO2 afvangen, benutten en opslaan zoals, CCS en CCUS, in de regel als «abated» aangeduid en maken deel uit van scenario’s om onder de 1,5 graden te blijven.18 Hoewel de reikwijdte van de COP26-verklaring nog nader uitgewerkt moet worden, is het kabinet van mening dat dergelijke projecten conform de verklaring niet uitgesloten zouden hoeven worden. Voor het internationaal gelijkwaardig speelveld is het van belang dat ondertekenaars zo veel mogelijk dezelfde definitie van de uitzonderingen hebben.
Hoe bent u van plan om tot een begrip te komen van wat er onder «uitzonderingen, mits in lijn met 1,5C doelstelling» verstaan moet worden? Hoe gaat u hier met het Verenigd Koninkrijk en de andere ondertekenaars over in gesprek?
Het kabinet is momenteel bezig met het uitwerken van de precieze reikwijdte van de uitzonderingen, en conform motie Klink zal de Kamer hierover uiterlijk in het tweede kwartaal worden geïnformeerd. Voor het internationaal gelijkwaardig speelveld is het van belang dat ondertekenaars zo veel mogelijk dezelfde definitie van de uitzonderingen hebben. Op 24 november jl. heb ik tijdens de E3F-summit met andere landen besproken dat de E3F-coalitie een relevant forum is voor de verdere implementatie van de COP26-verklaring.19 Het Verenigd Koninkrijk is onderdeel van deze coalitie. Verder verzorgt het Verenigd Koninkrijk ook follow-up meetings met de ondertekenaars van de COP26-verklaring.
Wat is momenteel het aandeel exportkredietverzekeringen dat is verstrekt voor transacties die bijdragen aan de opbouw van de veehouderij in het buitenland? Kunt u hiervan een overzicht sturen?
Er zijn afgelopen jaren drie polissen afgegeven voor de levering van vaarzen (eerste kalfskoeien), met een bruto nominaal obligo van EUR 4.735.508. Hiervan kan gesteld worden dat dit bijdraagt aan de opbouw van veehouderij in het buitenland. Er bestaat echter geen compleet overzicht van alle transacties die bijdragen aan de opbouw van de veehouderij in het buitenland, aangezien transacties hier niet op geclassificeerd worden.
Bent u het ermee eens dat de recente ondertekening van het Glasgow Statement van grote relevantie is voor de Export Finance for Future (E3F)-groep, en omgekeerd? Bent u het ermee eens dat de Statement een expliciet onderdeel moet zijn van de E3F-bijeenkomst op 24 november aanstaande? Hoe gaat u dat borgen? Welke stappen gaat u tijdens het E3F zetten om tot een uitfaseerplan te komen binnen nu en eind 2022?
Ja, daar ben ik het mee eens. Tijdens de bijeenkomst op 24 november jl. die werd voorgezeten door Nederland is over de COP26-verklaring gesproken en afgesproken dat de E3F-coalitie een relevant forum is voor de uitwerking van de ekv-gerelateerde aspecten van de COP26-verklaring. In de bijlage vindt u de uitkomst van de ministeriële bijeenkomst.
Kunt u deze vragen voor de E3F-bijeenkomst van 24 november beantwoorden, en in elk geval voor het commissiedebat van de vaste Kamercommissie voor Financiën over de exportkredietfinanciering op 25 november aanstaande?
Deze vragen zijn beantwoord voor het verplaatste commissiedebat van de vaste Kamercommissie voor Financiën over de exportkredietverzekering op 9 december 2021.
De bezuinigingen op de brandweer |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat de brandveiligheid in de regio Noord-Holland Noord toeneemt als er 1,4 miljoen euro bezuinigd wordt op de brandweer?1
Binnen de wettelijke kaders bepalen de besturen de ambities en het kwaliteitsniveau van de veiligheidsregio. Dit wordt vastgelegd in het regionale beleidsplan. Zij baseren zich daarbij op een regionaal risicoprofiel, dat onder verantwoordelijkheid van het bestuur in afstemming met de gemeenteraden tot stand komt. Als er minder middelen worden uitgegeven aan de brandweer hoeft dit niet direct invloed te hebben op de brandveiligheid. Middelen kunnen anders worden ingezet omdat er bijvoorbeeld meer risicogericht en informatiegestuurd wordt gewerkt.
Vindt u het acceptabel dat er, ondanks groot protest van de burgemeesters van deelnemende gemeenten, zoveel bezuinigd wordt op de brandweer? Kunt u aangeven of en zo ja waarom u dit democratisch vindt?
Het bestuur van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast conform Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Noord-Holland Noord.2 Het bestuur bepaalt, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Besteding kan af- of juist toenemen afhankelijk van de regionale situatie. Volgens de gemeenschappelijke regeling moeten de leden van het algemeen bestuur (burgemeesters) samen tot eenduidig beleid komen.
Klopt het dat er in de afgelopen jaren, sinds de grote bezuinigingsronde van 2015, in totaal 11 tankautospuiten, 14 personeel/materieelvoertuigen, 17 motorspuitaanhangers en 35 dienstbussen/-auto’s en 150 vrijwilligers uit de sterkte zijn geschrapt in deze regio?
De Veiligheidsregio Noord Holland Noord geeft aan de getallen in deze vraag niet te herkennen.
Snapt u dat brandweervrijwilligers, waar grote onvrede was over de eerdere bezuinigingen, zo het alleen nog maar zwaarder krijgen en eventueel stoppen? Vindt u dit wenselijk?2
Het is onwenselijk als brandweervrijwilligers stoppen vanwege bezuinigingen. De veiligheidsregio Noord-Holland Noord geeft aan dat de bezuinigingsmaatregelen efficiencymaatregelen zijn voor 2022 en niet ingrijpen op de taak van de brandweer.
Bent u het ermee eens dat in een tijd waarin de druk op de brandweer alleen maar toeneemt het wel erg wrang is dat er bezuinigd wordt op de personeelsvereniging van de brandweervrijwilligers, die juist méér waardering zouden verdienen? Zo nee, waarom niet?
Het is zonder twijfel dat vrijwilligers een belangrijke bijdrage leveren aan de brandweerzorg in Nederland. Ik waardeer hun inzet ten zeerste. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord brengt de vergoeding aan de personeelsvereniging meer in lijn met wat gebruikelijk is bij andere veiligheidsregio’s.
Kunt u een overzicht geven, per veiligheidsregio, hoeveel er in de afgelopen tien jaar is bezuinigd op de brandweer?
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Voor informatie over bezuinigingen op de brandweer in de veiligheidsregio’s verwijs ik u naar de begrotingen van de afzonderlijke veiligheidsregio’s. Dit zijn openbare documenten.
Is er volgens u een verband tussen de toenemende financiële problemen bij gemeenten, bijvoorbeeld omdat ze meer taken krijgen maar minder geld, en de keuze om te bezuinigen van veiligheidsregio’s? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u reflecteren op de brief van de vakverenigingen, die stellen dat de kwaliteit van de brandweerzorg steeds verder afneemt?3
Ik heb middels een brief gereageerd op de brief van de Vakvereniging Brandweer vrijwilligers van 1 november jl. een afschrift van deze brief wordt gezamenlijk met deze brief aan de Vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid verzonden.
Kunt u aangeven hoeveel tankautospuiten er per veiligheidsregio zijn verdwenen in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel kazernes er per veiligheidsregio gesloten zijn in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel vrijwilligers er per veiligheidsregio zijn gestopt in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel duikteams er per veiligheidsregio zijn gestopt in de afgelopen tien jaar? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel veiligheidsregio’s er op de minimale wettelijke sterkte opereren qua vrijwilligers en materieel? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel veiligheidsregio’s afwijken van de wettelijke opkomsttijden door experimenten met uitruk op maat?
Waarom duurt het zo lang om eerdere Kamervragen te beantwoorden over de staat van de brandweer? Bent u bereid deze zo snel mogelijk alsnog te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?4
Deze vragen zijn reeds beantwoord in mijn reactie van 19 november jl.7
De zware gasbeving in Garrelsweer |
|
Sandra Beckerman |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Wat vindt u van de reacties van veel Groningers na de aardbeving in Garrelsweer? Begrijpt u de angst, de onrust, de woede, de wanhoop en het wantrouwen? Wilt u uw antwoord toelichten?1
Ja, die begrijp ik. Ik heb de dag na de aardbeving een bezoek gebracht aan Garrelsweer om met bewoners te spreken. In mijn gesprekken kwam inderdaad naar voren dat de beving een forse impact heeft gehad. Het is letterlijk en figuurlijk een zware klap geweest. Ik begrijp daarom goed dat de beving tot gevoelens van angst en onrust kan leiden.
Wat is uw reactie op het bericht van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) dat de grenswaarde van de maximale aardbevingsdichtheid op 8 november is overschreden?2
Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) heeft na de aardbeving bij Garrelsweer op 16 november jl. laten weten dat de huidige aardbevingen het gevolg zijn van drukverschillen die door de jarenlange gaswinning in het veld zijn ontstaan en geeft aan dat er, gelet op de versnelde afbouw van de gaswinning zoals die nu wordt gerealiseerd, geen aanvullende mogelijkheden zijn om de seismiciteit te beperken. Ik heb u hierover in mijn brief van 19 november jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 913) geïnformeerd.
In diezelfde brief leg ik uit welke monitorings- en analyseverplichtingen voor NAM in de Mijnbouwregeling zijn vastgelegd. Zoals SodM aangeeft heeft op 8 november jl., door de aardbeving met magnitude 1,7 bij Westeremden, één van de monitoringsparameters, namelijk de aardbevingsdichtheid, nabij Zeerijp het hoogste niveau bereikt. De monitoringsparameters zijn er om verschillende niveaus te onderscheiden. Ze zijn niet bedoeld als absolute grenswaarden die niet mogen worden overschreden. Het doel van de monitoring is om de ontwikkeling van seismiciteit in de gaten te houden: de monitoring en analyses zijn erop gericht om na te gaan of de ontwikkeling van de seismiciteit past bij de verwachtingen. Hiervoor wordt een vergelijking gemaakt met de resultaten van de seismische dreigings- en risicoanalyse die ik gebruik bij het vaststellen van de operationele strategie. Een dergelijke vergelijking geeft inzicht in de betrouwbaarheid van de modellen. Betrouwbare modellen zijn nodig om een inschatting te kunnen maken van het aantal aardbevingen in de toekomst.
NAM moet nu dus onderzoek doen en SodM stuurt mij daarvan een duiding. SodM verwacht enkele weken nodig te hebben om de analyses te beoordelen. Ik zal uw Kamer informeren zodra ik die duiding heb ontvangen.
Erkent u de conclusie van toezichthouder SodM, waarin zij stelt dat door drukvereffening aardbevingen, ook zware, nog tientallen jaren kunnen duren?
Het klopt dat er ook na sluiting van het Groningenveld aardbevingen zullen plaatsvinden. De frequentie en magnitude van de aardbevingen zullen de komende jaren naar verwachting afnemen. In de jaarlijkse seismische dreigings- en risicoanalyse wordt de kans op aardbevingen onderzocht. Ik verwijs naar de resultaten van de meest recente analyse (Kamerstuk 33 529, nr. 868) voor de huidige inzichten.
Erkent u dat tienduizenden woningen al jarenlang klappen krijgen en verzwakt zijn, nog tientallen jaren klappen zullen krijgen?
De gaswinning uit het Groningenveld veroorzaakt al vele jaren bevingen en de verwachting is dat de bevingen ook na de sluiting van het Groningenveld zullen voorkomen. Door bevingen ontstaat schade aan woningen. Dit kan ook constructieve schade betreffen. Ik verwacht daarom dat schade aan woningen kan blijven ontstaan in de komende jaren.
Erkent u de conclusie van SodM dat er «meer aardbevingen zijn dan verwacht»? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Ik ben in afwachting van de analyses die op dit moment door NAM worden gedaan, en de conclusies die SodM aan deze analyses verbindt. Zoals in het antwoord op vraag 2 genoemd, zal ik uw Kamer over de analyses en de duiding daarbij informeren.
Heeft u kennis genomen van de uitspraken van Koninklijk Nederlands Metereologisch Instituut (KNMI)-seismoloog Läslo Evers naar aanleiding van de aardbeving bij Garrelsweer? Welke conclusie verbindt u aan de uitspraak van het KNMI die stellen «hoe minder gaswinning, hoe beter»?4
Ja, ik heb het bericht gelezen waarin de heer Evers wordt geciteerd. De uitspraak van het KNMI is in overeenstemming met de inzet van het kabinet om de gaswinning zo snel mogelijk volledig te beëindigen om daarmee de seismische dreiging te beperken. Overigens stelt SodM dat het nóg sneller stoppen dan de afbouw van de winning zoals die reeds wordt gerealiseerd geen beperkend effect zal hebben op de seismiciteit (zie onder andere de bijlage bij Kamerstuk 33 529, nr. 913).
Wat betekenen de uitspraken van SodM en KNMI voor uw beleid?
Ik zet mijn beleid voort om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk definitief en volledig te beëindigen en ik blijf de ontwikkelingen in seismiciteit onderzoeken om een zo goed mogelijke verwachting te kunnen geven van de aardbevingen die zich in de toekomst kunnen voordoen.
Deelt u de mening dat het huidige systeem van schadeafhandeling en versterking, dit niet aan kan? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het IMG is ingericht op het afhandelen van grote aantallen schademeldingen. Sinds de oprichting van het IMG zijn circa 100.000 meldingen van fysieke schade en 100.000 aanvragen voor waardedaling afgehandeld. Dat zijn grote aantallen. Voorts is het IMG onlangs gestart met een regeling voor immateriële schade. Ook daar verwacht het IMG tienduizenden schademeldingen af te zullen handelen. Dit geldt ook voor de afdeling die zich bezighoudt met de meldingen van acuut onveilige situaties. Zie vraag 9 voor het antwoord op de vraag waarom de doorlooptijd van de schademeldingen bij het IMG op dit moment te hoog is.
De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) voert de versterkingsoperatie uit en heeft als doel de huizen in Groningen zo snel mogelijk aan de veiligheidsnormen te laten voldoen. Om de uitvoering van de resterende versterkingsoperatie in goede banen te leiden is het meerjarenversterkingsplan (MJVP) vastgesteld. Rijk, NCG en Regio hebben de gezamenlijke ambitie om de laatste adressen in 2023 te beoordelen en in 2028 de gehele versterkingsoperatie af te ronden. Het MJVP geeft inzicht in de planning om die ambitie te kunnen halen en maakt het mogelijk effectief sturing te geven aan de operatie.
Deelt u de mening dat met meer dan 30.000 openstaande schademeldingen het schadeafhandelingssysteem vastloopt?
Nee. Zoals ik in het antwoord op vraag 8 heb aangegeven, is het IMG een organisatie die er op ingericht is te werken met een grote werkvoorraad. Voor de individuele bewoner is van belang om snel geholpen te worden en als dat niet mogelijk is te weten wanneer zij aan de beurt zijn en een besluit kunnen verwachten. De totale werkvoorraad is minder relevant. Omdat deze doorlooptijd momenteel te hoog is, heb ik hiervoor aandacht gevraagd bij het IMG. Het huidige aantal openstaande schademeldingen is naar de verwachting van het IMG een tijdelijke situatie. Deze situatie wordt grotendeels veroorzaakt door de circa 12.000 meldingen die het IMG sinds dit voorjaar in overleg met de bewoners aanhoudt, zodat deze bewoners mee kunnen doen aan de nieuwe regeling voor een vaste vergoeding. Deze bewoners kunnen vanaf 8 december een keuze maken voor de vaste vergoeding en krijgen dan naar verwachting binnen 8 tot 16 weken uitsluitsel. Het IMG verwacht dat de gemiddelde doorlooptijd vanaf half januari weer afneemt.
Klopt het dat we met ruim 30.000 niet afgehandelde schademeldingen nu op een tragisch record zitten?
Momenteel heeft het IMG 35.245 schademeldingen in behandeling. Dit is inderdaad het hoogste aantal openstaande meldingen sinds de start van het IMG. Voor een reactie hierop verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 9.
Klopt het dat voor ruim de helft van de gemelde schades de afhandeling niet binnen de gewenste termijn van een half jaar plaatsvindt? Zijn er patronen (bijvoorbeeld type schade, type gebouw, geografische ligging etc) te zien in de wachttijden? Wat is uw oordeel hierover?
Ja. Het aantal schademeldingen dat binnen de gewenste termijn van een half jaar wordt afgehandeld, ligt ver onder het doel dat het IMG zichzelf heeft gesteld. Ik deel het oordeel van het IMG dat dit niet wenselijk is. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 9 heb aangegeven, heb ik hier met het IMG over gesproken. Het IMG verwacht dat de gemiddelde doorlooptijd de komende periode afneemt. Ik blijf dit monitoren.
Het IMG houdt geen specifieke gegevens bij over mogelijke patronen tussen type gebouwen of de geografische locatie en de wachttijden. In algemene zin is te zeggen dat met name dossiers met erfgoed en agrarische panden meer tijd in beslag nemen.
Kunt u een inschatting maken hoe lang het duurt voor alle schades die gemeld worden na de aardbeving bij Garrelsweer zijn opgelost? Hoe lang zal het gemiddeld duren voordat een gedupeerde die kiest voor de maatwerkprocedure de schade vergoed heeft gekregen?
De verwachte doorlooptijd voor fysieke schademeldingen is momenteel 231 dagen. Bewoners die kiezen voor de regeling voor vaste vergoeding (VES-regeling) zullen naar verwachting een kortere doorlooptijd hebben van 8 tot 16 weken. Daardoor neemt ook de gemiddelde doorlooptijd naar verwachting vanaf half januari af.
Deelt u de conclusie van ingenieur Meiborg dat een woning die eerder is beschadigd door aardbevingen, gevoeliger is voor meer schade bij volgende bevingen? Ook wanneer dit relatief lichte bevingen zijn?5
Voor aanvragen voor fysieke schade hanteert het IMG een effectgebied, waarbinnen criteria ten aanzien van bodembeweging zijn meegenomen. Eerdere bevingen – ongeacht de intensiteit van de beving – worden door het IMG betrokken bij zijn werkwijze. Overigens kan het per type pand verschillen of het effect van eerdere trillingen substantieel is: bij kwetsbare objecten zoals kerken is dit vaker het geval dan bij reguliere woonhuizen.
Herkent u ook zijn conclusie dat huiseigenaren geconfronteerd worden met na-ijleffecten, omdat de grond onder een woning zich anders gaat zetten? En dat dat langere tijd na een aardbeving nog kan gebeuren?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 13.
Herkent u dat gedupeerden na de aardbeving bij Garrelsweer zeggen schade niet meer te melden omdat ze nog wachten op de afhandeling van schades van 1,5 jaar geleden? Welke boodschap heeft u voor deze en andere gedupeerden?
Er zijn momenteel circa 6.000 openstaande schademeldingen ouder dan 1,5 jaar. Het aantal schademeldingen ouder dan 2 jaar is circa 700. Met in totaal bijna 100.000 afgehandelde schademeldingen betreft dit een klein deel van het totaal aantal meldingen. Desondanks vind ik dat een doorlooptijd van 1,5 jaar onwenselijk lang is. Soms ligt de oorzaak van de trage afhandeling aan de complexiteit van het pand. Ik ben met het IMG doorlopend in gesprek om te bezien hoe de afhandeling, juist voor complexe gevallen, versneld en verbeterd kan worden.
Welke stappen gaat u zetten om te zorgen voor een rechtvaardige, goede en snelle schadeafhandeling? Welke stappen gaat u zetten om nieuwe schades te voorkomen?
Het IMG is onafhankelijk en binnen de kaders van de wet verantwoordelijk voor de schadeafhandeling. Het IMG blijft zich inzetten om alle bestaande en nieuwe schademeldingen rechtvaardig en snel af te handelen. Dit doet het instituut onder andere door zijn werkwijze te analyseren en aan te passen waar nodig. Een voorbeeld van aanpassing van de werkwijze met als doel sneller schades af te kunnen handelen is de regeling voor een vaste vergoeding voor fysieke schade die onlangs is gestart. Deze regeling zorgt er voor dat kleinere schades sneller afgehandeld kunnen worden, zodat het IMG de hiermee vrijkomende capaciteit in kan zetten op de afhandeling van de complexere schades die al langer openstaan.
Het ontstaan van nieuwe schades kan ik helaas niet voorkomen. Dat er ook na de sluiting van het Groningenveld nog aardbevingen zullen plaatsvinden, is zeker. Het duurt vele jaren voordat de drukverschillen in het veld zijn vereffend (zie het antwoord op vraag 2). Alles wijst er wel op dat de frequentie en de magnitude van de aardbevingen zullen afnemen. Ik zal blijven nagaan of de verwachtingen kloppen met wat in het veld gemeten wordt.
Begrijpt u de irritatie van de Ombudsman die concludeert dat u weinig doet met zijn aanbevelingen?6
Voor een ieder, inclusief mijzelf, is het frustrerend om te zien dat het tijd kost voordat verbeteringen in Groningen effect hebben. Dat beeld rijst ook uit het rapport van de Nationale ombudsman: er zijn verbeteringen, maar om het vertrouwen van de Groningers terug te winnen, is er ook nog heel veel werk te verzetten. Het kabinet zet zich daar voor in, zoals ook toegelicht in de reactie op het rapport van de Nationale ombudsman (kenmerk Reactie op het rapport «Verscheurd vertrouwen» van de Nationale Ombudsman | Tweede Kamer der Staten-Generaal)
Gaat u nu eindelijk de crisis ook als crisis aanpakken zoals uw toezichthouder en de Ombudsman inmiddels jaren adviseert? Dus stoppen met die versnippering, één loket, stoppen met het steeds de spelregels veranderen?
Bij een crisisaanpak geven de ombudsman en SodM aan dat zij ruim mandaat, financiële middelen voor de versterkingsprocedure en één organisatie voor zowel schade als versterking voor zich zien. De ombudsman gaf aan zich hierbij daarnaast één bewindspersoon voor te stellen. Met betrekking tot dit laatste punt moet ik het antwoord aan een volgend kabinet laten. Over de eerste punten kan ik zeggen dat het kabinet van mening is dat bewoners van Groningen recht hebben op een woning zonder schade die aan de veiligheidsnorm voldoet. Om dit op een snelle en adequate wijze tot stand te brengen, heeft de overheid de schade- en versterkingsoperatie in publieke handen genomen. Daarbij wordt op meerdere manieren ingezet op versnelling om tegemoet te komen aan het gevoel van urgentie. Daarbij komt dat de NCG reeds ruim mandaat en financiële armslag heeft. Op basis van de bestuurlijke afspraken van 6 november 2020 heeft het kabinet bijvoorbeeld een knelpuntenpot ter beschikking van de NCG gesteld, zodat de uitvoering niet op kleine punten gepauzeerd hoeft te worden.
Daarbij komt dat bij de circa 27.000 adressen in de versterkingsprocedure ook sprake van schade aan de woning kan zijn. Deze bewoners zijn gebaat bij het overbruggen van de verschillende processen en kunnen behoefte hebben aan een intensieve samenwerking tussen het IMG en de NCG. De samenwerking tussen het IMG en de NCG wordt geïntensiveerd en op hoofdlijnen vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur, zoals staat beschreven in de Kamerbrief en bijlagen van 24 november jl. Hierdoor wordt steeds vaker samengewerkt als ware het IMG en de NCG één loket en wordt het «no wrong door» principe gehanteerd. Volledige samenvoeging van beide organisaties zou veel energie vragen van de medewerkers daarvan, die niet gelijktijdig ook ten behoeve van een snelle en voortvarende versterking en schadeafhandeling kan worden ingezet.
Klopt het dat uw voorganger in 2017 zei dat de versterkingsoperatie binnen vijf jaar gerealiseerd zou zijn?7
Ja.
Erkent u dat er inmiddels ruim vier jaar van om zijn en dat er slechts 8 procent is versterkt?
Uit het meest recente dashboard van de NCG8 blijkt dat tot en met 31 oktober 2021 in totaal 2.400 adressen zijn afgerond. Dat is 9 procent van de totale werkvoorraad. Niet alle adressen uit die werkvoorraad hebben een bouwkundige versterking nodig. De huidige verwachting is dat van de circa 27.000 adressen in de versterkingsoperatie 15.700 adressen versterking nodig hebben. Op dit moment zijn van deze 15.700 adressen 1.915 adressen, dus 12% procent, bouwkundig versterkt en zitten er ook ruim 1.600 adressen in de uitvoeringsfase. Daarnaast is voor circa 500 adressen het versterkingstraject afgerond omdat met de beoordeling is vastgesteld dat het gebouw voldoet aan de veiligheidsnorm.
Welke oorzaken ziet u voor dit overheidsfalen?
Het besluit van dit kabinet uit 2018 om de gaswinning in Groningen zo snel mogelijk volledig af te bouwen was mede ingegeven door de constatering dat het eerder beoogde tempo van de versterkingsoperatie niet zou worden gerealiseerd (Kamerstuk 33 529, nr. 457). De versterkingsoperatie is in relatie tot dit besluit herijkt en in 2020 is de uitvoering definitief in publieke handen gekomen. De Minister van BKZ heeft zich de afgelopen jaren als verantwoordelijk Minister ingezet voor continuïteit in het beleid en duidelijkheid en perspectief voor de getroffen bewoners. Met de bestuurlijke afspraken van 6 november 2020 en het recente meerjarenversterkingsplan zijn daar met de vijf aardbevingsgemeenten, de provincie Groningen en NCG belangrijke stappen in gezet.
Het Rijk, regionale overheden en de NCG spannen zich gezamenlijk in om de versterkingsoperatie in 2028 af te ronden. Dit is ook in lijn met het belang dat het (SodM) aan deze termijn hecht. De eerste versterkte adressen betroffen veelal adressen waar sloop-nieuwbouw of ingrijpende versterking nodig was. Dit zijn complexe projecten die gekenmerkt worden door een lange doorlooptijd. Door de afbouw van de gaswinning zijn inmiddels voor de meeste te versterken adressen minder vergaande versterkingsmaatregelen nodig, waardoor de verwachting is dat uitvoering sneller kan gaan.
Waarom gaat de aanpak uit het meerjarenplan nu wel werken?
Met het MJVP beschikt de NCG over een instrument waarmee de gehele versterkingsoperatie meerjarig gepland en gestuurd kan worden. Het MJVP creëert samenhang in de versterkingsoperatie, maakt de benodigde capaciteit voor de komende jaren inzichtelijk en biedt continuïteit richting aannemers. Voor een toelichting op de werking van het MJVP verwijs ik voorts naar mijn brief van 16 november 2021 (Kamerstuk 33 529, nr. 911).
Hoe kan het dat nu u toezichthouder concludeert dat er meer aardbevingen zijn dan verwacht uzelf stelt dat er minder versterking nodig is?
Het doel van de versterkingsoperatie is om de gebouwen in Groningen te laten voldoen aan de Meijdamnorm. De norm beschrijft de maximaal aanvaardbare kans dat een individu overlijdt in of bij een gebouw door een aardbeving en is gesteld op een kans van 1 op de 100.000 per jaar. Er is een kleine kans op een zware aardbeving waartegen een deel van de gebouwen niet bestand is. Door de afbouw van de gaswinning wordt de kans op een dergelijke aardbeving steeds kleiner. In combinatie met betere bouwkundige inzichten leidt dit ertoe dat minder versterking nodig is.
Herkent u dat het hanteren van weer nieuwe normen juist ook voor vertraging zorgen?
Of gebouwen moeten worden versterkt, wordt beoordeeld met de veiligheidsnorm, de zogenoemde Meijdamnorm. Deze norm beschrijft de maximaal aanvaardbare kans dat een individu overlijdt in of bij een gebouw door een aardbeving en is gesteld op een kans van 1 op de 100.000 per jaar. De norm is wettelijk vastgelegd en is nooit aangepast. Het is de verwachting dat een groot deel van de gebouwen die in de scope van het versterkingsprogramma zitten aan de veiligheidsnorm voldoet. Om zeker te zijn krijgt elk gebouw in de scope een individuele beoordeling. Bij een beoordeling wordt getoetst of een woning aan de veiligheidsnorm voldoet. Om dit te doen zijn er twee beoordelingsmethoden, de Nederlandse Praktijkrichtlijn 9998 (NPR) en de typologieaanpak. Bij de NPR wordt sinds dit jaar rekening gehouden met nieuwste inzichten, zowel wat betreft de seismische dreiging als de constructieve sterkte van gebouwen.
De typologieaanpak is een nieuwe beoordelingsmethode om aan de (onveranderde) norm te toetsen. De typologie-aanpak zet NCG in voor nog uit te voeren beoordelingen en voor de herbeoordelingen die NCG heeft aangeboden. Aan eigenaren die al een versterkingsadvies hadden ontvangen, is de mogelijkheid geboden om hun woning volgens die nieuwste inzichten te laten beoordelen.
De mogelijkheid voor herbeoordeling leidde inderdaad in eerste instantie tot vertraging. We willen bewoners de ruimte geven hiervoor een weloverwogen keuze te maken. De mogelijkheid van herbeoordeling zal naar verwachting vanaf het komende jaar echter voor een versnelling zorgen, omdat de verwachting is dat de meeste huizen veilig zullen blijken na herbeoordeling met de nieuwste inzichten.
Herkent u dat bewoners de afgelopen jaren soms wel 40 bedrijven in huis hebben gehad voor inspecties maar nog steeds niet weten waar ze aan toe zijn?8
Zowel voor een versterkingsopname als bij een beoordeling van schade komt in principe één inspectiebureau bij de bewoner langs. Het streven is onderzoeken en eventueel schadeherstel als gevolg van de inspectie op dezelfde dag te laten plaatsvinden. Ondanks dit streven zijn er veel bewoners in het bevingsgebied bij wie inderdaad reeds talloze gezichten langs geweest zijn. Dit geldt zeker voor bewoners die al vanaf de beginfase last hebben van de gevolgen van de gaswinning en dus ook met de NAM en het CVW te maken hebben gehad. Het IMG en de NCG hebben hun werkwijze zo ingericht dat meerdere bezoeken zoveel mogelijk wordt voorkomen, en hebben de afgelopen tijd stappen gezet om de processen zo in te richten dat bewoners een zaakbegeleider als vast aanspreekpunt hebben.
Waarom duurt het tot 2023 – 11 jaar na de aardbeving bij Huizinge – voordat alle gedupeerden weten waar ze aan toe zijn?
Er moesten in totaal 26.900 gebouwen beoordeeld worden. Tot het beschikbaar komen van de typologie-aanpak moest dat voor elk gebouw met een individuele berekening. Door de jaren heen is de expertise op dit gebied aanzienlijk groter geworden en kunnen opnames en beoordelingen sneller worden gedaan. De typologieaanpak speelt hierin ook een belangrijke rol.
Erkent u dat alle beloften die keer op keer werden gebroken hebben geleid tot een enorme emotionele schade?
De psychische en sociale gevolgen van de aardbevingen door gaswinning voor de inwoners van Groningen zijn groot. Dit is deels een gevolg van het feit dat mensen vaak lang moeten wachten op duidelijkheid over de veiligheid van hun woning en wat er eventueel moet gebeuren om die te verbeteren. De beloofde inspanning om bewoners die duidelijkheid eind 2023 te kunnen geven, staat overeind. Dat neemt niet weg dat bewoners te lang het gevoel hebben gehad niet gehoord te worden, en vervolgens te lang in onzekerheid hebben verkeerd. Dat betreur ik. Om die reden wordt ook ingezet op emotionele en sociale ondersteuning, alsmede op geestelijke verzorging van die bewoners. Ik verwijs u in dit verband ook naar de Kamerbrief van 19 november jl. (Reactie op het rapport «Verscheurd vertrouwen» van de Nationale Ombudsman | Tweede Kamer der Staten-Generaal) waarin uitgebreider wordt ingaan op de verschillende maatregelen om bewoners te ondersteunen en het vertrouwen van bewoners te herstellen. Ook heeft het IMG sinds 5 november jl. een regeling voor immateriële schade.
Erkent u dat de huidige situatie, met meer aardbevingen, gebroken beloftes, een traag lopende versterking en schadeafhandeling en de dreiging van meer gaswinning, zorgen voor extra schade aan de gezondheid van Groningers?
De afgelopen tijd is Groningen opgeschrikt door een flink aantal bevingen, waarvan sommige met een aanzienlijke intensiteit. Het behoeft geen verdere uitleg dat zulke gebeurtenissen schokkend en zwaar zijn voor bewoners. Het afbouwen van de gaswinning neemt de oorzaak van de bevingen weg, maar de vervelende waarheid is dat de bodem in Groningen naar verwachting voorlopig niet zal stoppen met beven. Daarom zet het kabinet naast afbouw van de gaswinning vol in op het versnellen van zowel de versterkingsoperatie als een robuuste schadeafhandeling.
Snapt u de conclusie van de Groninger Bodembeweging (GBB) dat de bedragen die uitgekeerd worden voor immateriële schade te laag zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Leed is niet in geld uit te drukken. Wat sommige Groningers hebben meegemaakt zal hen waarschijnlijk nog lange tijd bij blijven. Het doel van de vergoeding van immateriële schade is erkenning te bieden voor het leed en verdriet als gevolg van bevingen door gaswinning en dit leed en verdriet enigszins te verzachten. Het IMG heeft de wettelijke taak om immateriële schade te vergoeden. Het IMG heeft inhoudelijk gereageerd op de conclusies van de GBB. Het IMG geeft onder andere aan dat de ontwikkeling van de werkwijze voor de vergoeding van immateriële schade een lastige opgave is geweest. Er moesten veel keuzes gemaakt worden waarbij zowel recht moest worden gedaan aan persoonlijke omstandigheden, aan uitvoerbaarheid (gelet op het grote aantal aanvragen dat wordt verwacht) en de juridische houdbaarheid van de werkwijze. Het IMG is naar mijn oordeel zorgvuldig te werk gegaan en hanteert bedragen die in lijn zijn met de laatste jurisprudentie van de Nederlandse rechter en met de uitgangspunten van de Tijdelijke wet Groningen.
Kunt u zich voorstellen dat de aankondiging van het kabinet dat de gaswinning mogelijk toch weer moet worden verhoogd voor veel gedupeerden voelde als een mokerslag?
De gaswinning komt naar verwachting ook dit gasjaar lager uit dan het afgelopen jaar. Het klopt dat ten opzichte van de voor dit jaar verwachte gaswinning deze wellicht naar boven moeten worden bijgesteld. Ik kan mij de teleurstelling en frustratie daarover voorstellen. De mogelijke verhoging van de gaswinning ten opzichte van de raming is het gevolg van de vertraging van de ingebruikname van de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek. Deze vertraging is het gevolg van overmacht. Door de corona-uitbraak zijn mondiale logistieke ketens verstoord en konden niet alle bouwmaterialen tijdig geleverd worden. GTS heeft aangegeven dat zij er alles aan heeft gedaan om vertraging te voorkomen. Zoals aangegeven in mijn brief aan uw Kamer van 9 november jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 910) pas ik het niveau van de gaswinning alleen aan als het echt niet anders kan. Een dergelijk besluit neem ik niet zonder de risico’s in kaart te brengen. Overigens blijft de verwachting nog steeds dat dit het laatste gasjaar is met reguliere winning en dat het Groningenveld vanaf het volgende gasjaar alleen nodig is als reservemiddel.
Bent u, gezien de huidige situatie, bereid dit plan terug te trekken?
Zoals ik heb aangeven in mijn antwoord op vraag 30, neem ik pas een besluit over additionele gaswinning nadat GTS haar berekeningen heeft afgerond. Mocht additionele winning noodzakelijk blijken, dan is mijn inzet deze tot het minimum te beperken.
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat de gaskraan in 2022 gesloten moet zijn, zodat gedupeerden zekerheid hebben?
Het Groningenveld gaat zo spoedig mogelijk definitief dicht. Ik bereid daartoe een wetsvoorstel voor, waarmee de laatste inzet van het Groningenveld en het einde van de gaswinning wettelijk worden vastgelegd. In dat wetsvoorstel wordt allereerst geregeld op welke manier het Groningenveld nog enige tijd kan dienen als reservemiddel ten behoeve van de leveringszekerheid in uitzonderlijke situaties, zoals extreme kou of uitval van installaties. Ondanks de vertraging bij de stikstofinstallatie van Zuidbroek is de verwachting dat deze fase in de zomer van 2022 kan starten. Nadat duidelijk is geworden dat ook de laatste productielocaties niet meer operationeel gehouden moeten worden, treedt een wettelijk verbod op gaswinning uit het Groningenveld in werking. Het veld is dan volledig en definitief gesloten. Het is niet de verwachting dat dat al in 2022 zal zijn. Echter, het kabinet wil de periode waarin het Groningenveld nog nodig is als reservemiddel zo kort mogelijk houden.
Deelt u de mening dat de mogelijke tegenvallers in de afbouw van de gaswinning ook kunnen worden opgevangen door het Bescherm- en Herstelplan Gas?
Nee. Het Bescherm- en Herstelplan (Kamerstuk 29 023, nr. 252) is opgesteld ingevolge Verordening (EU) 2017/1938 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid. Conform deze verordening treedt dit plan in werking wanneer zich een uitzonderlijk hoge gasvraag, een aanzienlijke verstoring van de gaslevering of een andere aanzienlijke verslechtering van de gasleveringssituatie voordoet, waarbij alle relevante marktgebaseerde maatregelen zijn toegepast, maar de gaslevering niet volstaat om aan de resterende gasvraag te voldoen. In zo’n geval moeten er dus bijkomend ook niet-marktgebaseerde maatregelen worden genomen, met name om gasleveringen aan beschermde afnemers zeker te stellen. Onder beschermde afnemers vallen huishoudens maar bijvoorbeeld ook zorginstellingen en veiligheidsinstellingen. Hieruit volgt dat het plan is bestemd voor het opvangen van acute noodsituaties waarin sprake is van een (groot) fysiek tekort aan aardgas. Het opvangen van een mogelijke tegenvaller in de afbouw van de gaswinning als gevolg van vertraging in de oplevering van de stikstofinstallatie Zuidbroek valt daar niet onder. Dat zou haaks staan op de intenties van de EU-verordening en het Bescherm- en Herstelplan want die zijn gericht op het zo goed mogelijk in stand houden van de gasvoorziening en niet op het reduceren daarvan. Voorgaande neemt niet weg dat het kabinet alle mogelijk maatregelen neemt om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen, zoals het ombouwen van grootverbruikers, afbouwen van de export en vergroten van de stikstofcapaciteit.
Deelt u de mening dat inzet van dit Bescherm- en Herstelplan verkozen dient te worden boven het in verdere onveiligheid brengen van Groningers door het opvoeren en/of verlengen van de gaswinning?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 33. Overigens geeft SodM aan dat het sneller beëindigen van de winning dan nu wordt voorzien geen effect heeft op de seismiciteit, zie wat dit betreft ook het antwoord op vraag 6.
Deelt u de mening dat met het Bescherm- en Herstelplan Gas een verslechtering van de gaslevering kunnen worden opgevangen zonder dat huishoudens hierdoor geraakt hoeven te worden?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 33.
Hoe garandeert u dat Shell hun deel van de rekening zal betalen nu zij als een dief in de nacht uit Nederland vertrekken?
Het is in de eerste plaats aan NAM om de rekening te betalen van de aardbevingskosten. Pas op het moment dat NAM niet aan deze verplichting kan voldoen kunnen haar aandeelhouders, Shell en ExxonMobil, aangesproken worden. Vooralsnog heb ik geen aanwijzingen dat NAM niet aan deze verplichting kan voldoen. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 2 november jl. (Kamerstuk 33 529, nr. 909) en ook in antwoorden op de vragen van het lid Nijboer (PvdA) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 874), en het lid Bromet (GroenLinks) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 875) over de herstructurering van de NAM hebben Shell en ExxonMobil op grond van het Akkoord op Hoofdlijnen garanties verstrekt voor het aandeel van de NAM in de verplichtingen ten aanzien van betalingen voor de schadeafhandeling en de versterkingsopgave. De verplaatsing van het hoofdkantoor van Shell naar Londen heeft geen invloed op deze garanties. De garanties gelden tot het beëindigen van de gaswinning uit het Groningenveld. In het Akkoord op Hoofdlijnen is verder vastgelegd dat, voorafgaand aan het vervallen van deze garanties, door Shell en ExxonMobil passende zekerheden zullen worden verstrekt voor de periode na beëindiging van de gaswinning. Shell en ExxonMobil zijn contractueel verplicht om passende zekerheden te bieden.
Hoe gaat u er voor zorgen dat gedupeerden in Groningen daar niets van merken?
Voor zowel de schadeafhandeling als de versterking en de overige regelingen geldt dat bewoners en bedrijven in Groningen terecht kunnen bij de overheid. NAM is geen onderdeel meer van dit systeem. Het verhaal van de kosten op NAM is een zaak van het kabinet waar bewoners in Groningen niks van merken.
Erkent u dat gedupeerden nu wel geraakt worden door de strijd tussen de staat en NAM, Shell en Exxon zoals aangetoond door de Algemene Rekenkamer?
Nee. De Algemene Rekenkamer heeft geschreven dat «het verhalen van kosten op de NAM diverse gevolgen heeft voor de «achterkant» van de herstel- en versterkingsoperatie». Door het op afstand zetten van NAM hebben de bewoners en bedrijven van het aardbevingsgebied geen last meer van deze «achterkant». De vormgeving van de afhandeling van schade en van de versterkingsoperatie wordt niet beïnvloed door de wijze waarop ik de kosten verhaal op NAM. De kosten worden bovendien achteraf op NAM verhaald, als individuele besluiten door NCG en IMG al zijn genomen. De discussie met NAM over de kosten vindt daarom ook pas plaats nadat de uitgaven ten behoeve van bewoners zijn gedaan. Deze discussie kan en zal dus geen rol spelen bij de schadeafhandeling of de versterking.
Kunt u deze vragen één voor één en ten minste voor het Wetgevingsoverleg Groningen op 29 november beantwoorden?
Ik heb deze vragen binnen de reguliere termijn, maar niet voorafgaand aan het debat, beantwoord; wel heb ik uw Kamer op 19 november jl. een brief gestuurd met een toelichting op de seismiciteit en de monitoring daarvan naar aanleiding van de aardbeving in Garrelsweer (Kamerstuk 33 529, nr. 913).
Het bericht ‘Kritiek op hoofddoek bij boa’s barst los: ‘Het vlaggenschip van politieke islam’’ |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de ene na de andere gemeente zich inmiddels uitspreekt voor het toestaan van religieuze uitingen (waaronder hoofddoeken) bij buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) en agenten?1
Ik ben ermee bekend dat een aantal gemeenten aan het onderzoeken is of een uiting van geloof of overtuiging onderdeel mag zijn van het uniform van de boa. Ik heb begrepen dat de komende tijd hierover overleg zal plaatsvinden tussen een aantal gemeenten en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Klopt het dat u het toestaan van hoofddoeken voor boa’s afdoet als een «lokale kwestie» en dat u hiermee dus geen problemen heeft? Zo nee, wat is dan wel uw standpunt? Zo ja, hoe is het mogelijk dat u als eindverantwoordelijke voor de openbare orde in Nederland geen mening heeft over de neutraliteit van handhavers die, al dan niet in de vorm van pilots, over bewapening kunnen beschikken en daarmee namens de overheid geweld mogen uitoefenen?
Er is, buiten een model voor het insigne dat de boa zichtbaar draagt, geen landelijke wet- en regelgeving die voorschriften geeft over het uniform van de boa. Gemeenten gaan in de hoedanigheid van werkgever over het uniform van boa’s domein I (Openbare ruimte). Dit past ook bij het uitgangspunt van lokaal maatwerk. Dit is derhalve anders dan bij de politie, waar ik een beheersmatige verantwoordelijkheid over draag.
De VNG heeft in 2014 een ontwerp voor een modeluniform voor de boa’s domein I laten ontwikkelen, met een aantal specifieke (combinaties van) kenmerken. Dit is bedoeld om de herkenbaarheid, zichtbaarheid en bekendheid van boa’s te vergroten en meer uniformiteit tussen gemeenten te krijgen. Het merendeel van de gemeenten maakt gebruik van het modeluniform, dit is echter niet verplicht. Uitingen van levensbeschouwelijke overtuiging of geloof zijn geen onderdeel van het modeluniform van de VNG. Een gemeente kan er echter zelf voor kiezen hun handhavers een ander uniform dan het modeluniform te laten dragen. De VNG evalueert de komende periode met haar leden het gebruik en uiterlijk van het beschermde modeluniform met de leden.
Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid sta ik, samen met de werkgevers, in voor het gezag en de veilige taakuitvoering van de boa. Tegelijkertijd speelt hier ook het lokale gezag en de verantwoordelijkheid. Ik hecht er daarom aan om eerst de gesprekken tussen gemeenten onderling en met de VNG af te wachten en de uitkomsten te volgen, als ook de evaluatie van de VNG inzake het modeluniform. Als daartoe aanleiding bestaat zal ik verkennen of landelijke regelgeving opportuun is.
Deelt u de mening dat de geloofwaardigheid van ordehandhavers staat of valt bij een neutrale uitstraling en dat het toestaan van zichtbare religieuze uitingen, in de praktijk vaak hoofddoeken, hier in ernstige mate afbreuk aan doet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord bij vraag 4.
Vindt u nog steeds dat hoofddoeken bij politieagentes niet toegestaan moeten zijn, dat de politie «onverminderd neutraal in haar publiekscontacten» moet zijn en dat «de neutrale uitstraling van een politieambtenaar in het belang van diens veiligheid en gezag in het optreden is», zoals u op 20 november 2017 aan de Kamer schreef?2
Functies waarbij de overheid zich in de samenleving manifesteert met behulp van de sterke arm, en gebruik maakt van dwangmiddelen, oefenen een bijzondere overheidstaak uit. Bij de politie is afgesproken dat uitingen van geloof of overtuiging geen onderdeel zijn van het uniform en dat daar dus van af moet worden gezien. Dit is in het belang van het gezag, de neutraliteit en de veiligheid van de politie op straat. De politie vertegenwoordigt immers de staat. De positie van politieambtenaren is echter daarmee niet zonder meer vergelijkbaar met die van andere werknemers, zoals boa’s. Daarnaast geldt dat in geval van boa’s sprake is van lokaal gezag en werkgeverschap. Dit is anders dan bij de politie.
Is het voor boa’s níét van belang om neutraal te zijn in hun publiekscontacten en is het voor hun veiligheid en gezag níét van belang om een neutrale uitstraling te hebben? Indien u dit inderdaad niet van belang vindt, waarom dan niet? Indien u dit wél van belang acht, vindt u dan louter om procedurele redenen (namelijk dat zij in dienst zijn van de gemeente) dat zij alsnog een hoofddoek mogen dragen?
Ik hecht sterk aan de veilige taakuitvoering van de boa’s, dat is een gemeenschappelijk belang van mij en de werkgevers. De functie van de boa is volop in ontwikkeling. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid van JenV voor het boa-bestel past het te kijken naar ontwikkelingen die centraal beleid vergen. Ik hecht er aan om eerst de gesprekken tussen gemeenten onderling en met de VNG af te wachten en de uitkomsten te volgen, als ook de evaluatie van de VNG inzake het modeluniform. Als daartoe aanleiding bestaat zal ik verkennen of landelijke regelgeving opportuun is. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid ben ik momenteel bezig met de herijking van de boa-functie en het boa-stelsel. Ik zal dit onderwerp hierbij betrekken en uw Kamer hierover in het voorjaar van 2022 informeren.
Waarom laat u in dat geval een procedurele afweging prevaleren boven fundamentele principes en, in uw eigen woorden, de veiligheid van boa’s?
Zie antwoord op vraag 5.
Bent u bereid los te breken uit uw procedurele werkelijkheid, pal te gaan staan voor de neutraliteit van de Nederlandse overheid en gemeenten op te dragen geen hoofddoeken (of andere zichtbare religieuze uitingen) bij handhavers toe te staan?
Zie antwoord op vraag 5.
Het artikel ‘Clash Hoekstra en Wiebes over plan Europees noodfonds’. |
|
Laurens Dassen (Volt), Nilüfer Gündoğan (Volt) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Clash ministeries Hoekstra en Wiebes over plan Europees noodfonds», van RTL Nieuws van 18 november j.l.?
Ja.
Welk contact is er vanuit het vorige en het huidige demissionaire kabinet geweest met de Europese Commissie over de besteding van de voor Nederland beschikbare gelden? Waarover is reeds met de Europese Commissie gesproken is en zijn daarbij de landenspecifieke aanbevelingen van Nederland, de nodige hervormingen en de combinatie van gewenste plannen door het volgende kabinet aan de orde geweest?
Er is, zoals ook aangegeven in antwoord op eerdere Kamervragen, zes keer door ambtenaren gesproken met de Commissie over de inventarisatie van mogelijke investeringen en hervormingen. Dergelijk ambtelijk contact is gebruikelijk, ook in het kader van het Europees Semester, en past bij de dialoog tussen de Commissie en lidstaat in de aanloop naar een RRP. Daarbij is ook de aansluiting op de landenspecifieke aanbevelingen van Nederland aan de orde gekomen.
Welke factoren hanteren het demissionaire kabinet en het volgende kabinet bij het maken van de keuze omtrent de combinatie aan plannen die bij de Commissie zullen worden ingediend?
Dit demissionaire kabinet hecht veel belang aan een stevig en ambitieus RRP. Bij de keuze omtrent de combinatie aan maatregelen die invulling zullen geven aan het Nederlandse RRP zal het nieuwe kabinet voornamelijk de criteria uit de RRF-verordening hanteren.
Zo dient het plan een coherent geheel te zijn van investeringen en structurele hervormingen en moet het plan een bijdrage leveren aan elk van de zes pilaren uit de RRF-verordening: 1. de groene transitie; 2. de digitale transformatie; 3. slimme, houdbare en inclusieve groei; 4. sociale en territoriale cohesie; 5. gezondheid en economische, sociale en institutionele veerkracht; 6. beleid voor de volgende generaties.
Om voldoende in te zetten op de groene en digitale transitie, dient het plan voor ten minste 37 procent besteed te worden aan klimaat en voor 20 procent aan digitalisering. Volgens de RRF-verordening kan het alleen gaan om projecten die na 1 februari 2020 van start zijn gegaan en die voor 31 augustus 2026 afgerond kunnen worden, zonder dat dit tot structurele kosten zal leiden. Daarnaast schrijft de verordening voor dat een RRP bijdraagt tot de doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landenspecifieke aanbevelingen (uit met name 2019 en 2020). Sinds februari 2020 zijn al diverse hervormingen overeengekomen die aansluiten op verschillende aanbevelingen. De Commissie heeft aangegeven bij de beoordeling van het Nederlandse plan met name kritisch mee te kijken naar hervormingen die invulling geven aan de uitdagingen op de Nederlandse woning- en arbeidsmarkt. Het is aan het nieuwe kabinet om te bepalen welke hervormingen die aansluiten op de landenspecifieke aanbevelingen een plaats zullen krijgen in het RRP.
Op welke momenten kan de Kamer mede-inspraak met het demissionaire kabinet en het volgende kabinet verwachten, gezien het feit dat er nog besloten zal moeten worden over de uiteindelijke combinatie van de in te dienen plannen?
Dit demissionaire kabinet heeft besloten dat besluitvorming over het Nederlandse RRP aan het nieuwe kabinet wordt gelaten. Uw Kamer is hier op 27 november 2020 over geïnformeerd middels een brief (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1626). Nadat er vanuit de formatie besluitvorming heeft plaatsgevonden zal door de programmadirectie een concept-RRP worden opgesteld. Keuzes die hieromtrent op hoofdlijnen in de formatie worden gemaakt zullen als onderdeel van een akkoord aan uw Kamer worden voorgelegd. Na informele toetsing door de Europese Commissie zal het concept van een RRP worden voorgelegd aan uw Kamer alvorens een definitief RRP zal worden ingediend bij de Commissie.
Worden de gelden uit het Europees herstelfonds ingezet om de overheidsfinanciën op orde te brengen of om nieuwe investeringen te doen?
Volgens de RRF-verordening kan het plan ingevuld worden met maatregelen (hervormingen en investeringen) die na 1 februari 2020 van start zijn gegaan. Dit betekent dat maatregelen kunnen worden opgenomen waartoe reeds is besloten, of aanvullende maatregelen. Voor alle maatregelen zijn ook de geldende Europese staatsteunregels van toepassing. Voor zover in het Nederlandse plan gekozen wordt voor investeringen waartoe al is besloten en die reeds gedekt zijn in de nationale begroting, zorgt de bijdrage uit de RRF voor het vrijspelen van incidentele middelen uit de nationale begroting die vrij kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld om het invoeren van hervormingen te faciliteren of voor incidentele uitgaven buiten de reikwijdte van de RRF. Als gekozen wordt voor nieuwe investeringen dan kan daarmee een aanvullende impuls worden gegeven aan het adresseren van de uitdagingen die bijvoorbeeld de groene en digitale transitie met zich meebrengen. Het is aan een volgend kabinet om invulling te geven aan het plan en een beslissing te nemen over maatregelen waartoe al is besloten, nieuwe maatregelen, of een combinatie van beide.
Welke rol zal het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat spelen in de verdere coördinatie en de uitvoering van de plannen? Heeft het ministerie inspraak bij de directie die wordt opgetogen onder het Ministerie van Financiën?
De ambtelijke coördinatie van het opstellen van een RRP zal in handen zijn van een programmadirectie die valt onder het Ministerie van Financiën. Dit is in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat besloten. Zowel ambtenaren van het Ministerie van Financiën als van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat zullen deel uitmaken van de programmadirectie. Ook ambtenaren van andere departementen kunnen naar de programmadirectie gedetacheerd worden. De programmadirectie houdt zich voornamelijk bezig met het opstellen (schrijven) van het plan en de afstemming met de Europese Commissie en nationale stakeholders. Hier zullen, waar nodig, andere departementen goed bij worden aangehaakt. Het uiteindelijke besluit over de vormgeving is aan het gehele kabinet.
Hoe is het demissionaire en het volgende kabinet voornemens de Kamer en regionale overheden mee te nemen in besluitvorming omtrent het indienen van de plannen bij de Europese Commissie, als ook omtrent de uitvoering van de goedgekeurde plannen?
Nadat er vanuit de formatie besluitvorming heeft plaatsgevonden zal door de programmadirectie een concept-RRP worden opgesteld. Keuzes die hieromtrent op hoofdlijnen in de formatie worden gemaakt zullen als onderdeel van een akkoord aan uw Kamer worden voorgelegd. Na informele toetsing door de Europese Commissie zal het concept van een RRP worden voorgelegd aan uw Kamer alvorens een definitief RRP zal worden ingediend bij de Commissie.
Wat betreft het betrekken van regionale overheden schrijft de RRF-verordening voor dat een RRP de volgende informatie bevat: «Voor de voorbereiding, en indien beschikbaar, voor de invoering van de herstel- en veerkrachtplannen, een samenvatting van het raadplegingsproces, uitgevoerd in overeenstemming met het nationale rechtskader, van lokale en regionale autoriteiten, sociale partners, maatschappelijke organisaties, jongeren organisaties en andere relevante belanghebbenden, alsook een samenvatting van de wijze waarop de inbreng van de belanghebbenden in het herstel- en veerkrachtplan terugkomt.» Dit houdt in dat een RRP een beschrijving moet bevatten van het consultatieproces en hoe de lessen die hieruit zijn getrokken meegenomen zijn in een RRP. Het staat lidstaten vrij om invulling te geven aan het betrekken van stakeholders. Het is aan het nieuwe kabinet om hier een besluit over te nemen, waarbij de programmadirectie in oprichting een belangrijke rol zal spelen bij de inrichting en uitvoering van de consulatie.1
Op basis van de RRF-verordening moeten lidstaten tweemaal per jaar rapporteren aan de Europese over de voortgang bij de uitvoering van de plannen. De Tweede Kamer zal over deze rapportage worden geïnformeerd.
Kunt u onderstrepen dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat de gelden die beschikbaar zijn voor Nederland uit het herstelfonds wil gebruiken om de economie te laten herstellen en hiervoor additionaliteiten wil inzetten?
Zoals blijkt uit de openbaar gemaakte stukken voor het verzoek van Follow the Money in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur, is er een ambtelijke inventarisatie gedaan van reeds voorgenomen en additionele maatregelen voor het RRP. Tijdens de inventarisatie had het Ministerie van Financiën het voortouw voor de eerste maatregelen en het Ministerie van EZK voor de laatste maatregelen. Conform het kabinetsbesluit van 27 november 2020 is het aan de formatie om invulling te geven aan het plan en een beslissing te nemen over maatregelen waartoe al is besloten, nieuwe maatregelen, of een combinatie van beide.
Bent u van mening dat het Ministerie van Financiën geen inspraak van andere ministeries dan wel de ministerraad verlangt omtrent de indiening van het herstelplan, terwijl in de zomer van 2020 is afgesproken dat het Ministerie van EZK dit zou doen?
Nee. Op 27 november 2020 is in de ministerraad een besluit genomen dat een nieuw kabinet gaat over de invulling van het Nederlandse Herstelplan. Dit is nu onderdeel van de formatie. In september 2021 is in samenspraak met de Minister van Economische Zaken en Klimaat besloten dat een programmadirectie die valt onder het Ministerie van Financiën het opstellen van het Nederlandse herstelplan gaat coördineren. Dit is mede ingegeven door de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën voor het Nederlandse plan in Europees verband en de onafhankelijke rol die het Ministerie van Financiën speelt in het reguliere begrotingsproces. De programmadirectie houdt zich voornamelijk bezig met het opstellen (schrijven) van het plan en de afstemming met de Europese Commissie en nationale stakeholders. Hier zullen, waar nodig, andere departementen goed bij worden aangehaakt. Het uiteindelijke besluit over de vormgeving is aan het gehele kabinet, inclusief de Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Ten aanzien van de verwijzing in het RTL-artikel naar «de clash» tussen de twee ministeries wil ik graag nog het volgende toevoegen. Tijdens de totstandkoming van besluiten spelen ministeries hun respectievelijke rollen. Daarbij wordt geadviseerd vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid, met verschillende perspectieven en accenten in de ambtelijke advisering tot gevolg. De uiteenlopende posities komen samen in een uiteindelijk besluit, waarna er één lijn vanuit het kabinet, of in dit geval de ambtelijke top, resulteert. Ik zie het als een waardevol proces dat er vanuit verschillende perspectieven wordt geadviseerd, zodat verschillende aspecten worden meegenomen in het nemen van een (kabinets-)besluit. Het besluitvormingsproces rondom de RRF was en is hier geen uitzondering op.
Bent u bereid om te schikken naar het plegen van de nodige hervormingen zoals door de Europese Commissie vastgesteld in de landenspecifieke aanbevelingen?
Een van de voorwaarden in de RRF-verordening is dat de hervormingen en investeringen in het plan bijdragen tot de doeltreffende aanpak van alle of een significant deel van de uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen. De Commissie maakt daarbij een integrale beoordeling, die we ook zien we bij de plannen van andere landen. Nederland heeft actief bepleit dat landen de landspecifieke aanbevelingen van de Raad in hun herstelplan adresseren. Dit legt de lat ook hoog voor ons eigen RRP. Het is aan het nieuwe kabinet om te bepalen welke hervormingen die aansluiten op de landenspecifieke aanbevelingen een plaats zullen krijgen in het RRP.
Bent u bereid de herstelplannen voor 30 april 2022 in te dienen, opdat de Europese Commissie tijdig de plannen kan beoordelen en hierbij ook nog ruimte bestaat voor de Kamer en regionale overheden om de plannen te beoordelen?
Volgens de RRF-verordening wordt het door de lidstaat voorgelegde herstel- en veerkrachtplan in de regel uiterlijk 30 april van een jaar officieel ingediend. Deze formulering biedt ruimte om af te wijken van deze deadline. Juist omdat het kabinet de Kamer, decentrale overheden en stakeholders, zal consulteren voorafgaand aan de formele indiening, is het belangrijk deze flexibiliteit te hebben. De zomer van 2022 geldt daarbij als uiterste moment voor formele indiening. Dit is gebaseerd op het uiterste moment waarop de Commissie 70% van de RRF-middelen moet committeren aan lidstaten, namelijk 31 december 2022, en de termijn die voorafgaand daaraan nodig is voor de beoordeling en goedkeuring van een plan. Nadat een plan formeel is ingediend door een lidstaat heeft de Commissie volgens de RRF-verordening twee maanden om dit te beoordelen en een voorstel te doen voor een uitvoeringsbesluit van de Raad. De Raad heeft vervolgens in de regel een maand de tijd om dit uitvoeringsbesluit aan te nemen. Dit gezegd hebbende zal het kabinet streven naar het tijdig indienen van een plan.
De afschaling van reguliere zorg en de extra wachttijdproblematiek |
|
Mirjam Bikker (CU), Aukje de Vries (VVD), Attje Kuiken (PvdA), Joba van den Berg-Jansen (CDA), Wieke Paulusma (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van 15 november jl.: «Kuipers: winst covidzorg kleiner dan schade voor reguliere patiënten» en de recente berichten van ziekenhuizen dat reguliere zorg verder moet worden afgeschaald?1
Ja.
Wat zijn de laatste signalen van de Nederlandse Zorgautoriteit en de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd? Is er verbetering opgetreden na hun laatste brief van 5 november jl?2
Het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) geeft aan dat, sinds de brief van de toezichthouders van 5 november jl., de COVID-druk op de IC steeds gelijkmatiger kan worden verdeeld tussen de regio’s, gewogen naar de afgesproken fair share.
Bent u bereid, naast de spreiding van coronapatiënten, ook regie te nemen op een evenredige en eerlijke afschaling van reguliere zorg in Nederland zodat voorkomen wordt dat in het ene ziekenhuis meer zorg wordt afgeschaald dan in het andere ziekenhuis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe geeft u daaraan uitvoering?
Voor het afschalen van de reguliere zorg zijn landelijke afspraken gemaakt. Deze zijn vastgelegd in het «Tijdelijk beleidskader voor het waarborgen acute zorg in de COVID-19 pandemie»3 en in het Opschalingsplan COVID-19 van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ)4. Op 19 november 2021 is een aanvulling op dit tijdelijk beleidskader aan uw Kamer gestuurd, waarin aanvullend is afgesproken dat binnen elke regio bij het spreiden van COVID-patiënten rekening wordt gehouden met het borgen van IC-afhankelijke kritiek planbare zorg5. Het doel van deze afspraken is een evenwichtige spreiding van COVID-patiënten, zodat ook de druk op de reguliere zorg overal in Nederland vergelijkbaar is.
Op 26 november 2021 heb ik op verzoek van het LNAZ bekrachtigd dat fase 2d van het opschalingsplan van kracht is. Dat betekent dat de planbare zorg in alle ziekenhuizen in Nederland wordt gestopt. Dat is zorg met «enig/geen risico op gezondheidsschade» bij uitstel langer dan 6 weken, zoals heupoperaties of sterilisaties. Ook zal, indien nodig, de kritiek planbare zorg (verder) af worden geschaald waar dit verantwoord is. Dat is zorg met een «aanmerkelijk risico op permanente gezondheidsschade dan wel verlies van levensjaren» als het langer dan 6 weken wordt uitgesteld, zoals hartoperaties of grote oncologische operaties. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zien er op toe dat de afspraken worden nagekomen.
Bemerkt u dat ziekenhuizen, net als tijdens de coronacrisis in het voorjaar van 2020, bereid zijn om reguliere zorg zo eerlijk als mogelijk af te schalen en te verdelen? Zo ja, waar blijkt dat uit, is dit te kwantificeren? Zo nee, welke individuele belangen spelen er bij ziekenhuizen?
Het is natuurlijk een vervelende situatie voor ziekenhuizen om de planbare zorg opnieuw af te schalen. Geen enkele arts wil een patiënt moeten afbellen omdat er geen plek is. De ziekenhuizen hebben dan ook geprobeerd om de reguliere planbare zorg zo lang mogelijk door te laten gaan, naast het bieden van de zorg voor COVID-patiënten. De les uit de eerste golf in het voorjaar van 2020 was ook, dat alle partijen er met elkaar voor moesten zorgen dat de reguliere zorg zo lang mogelijk doorgang zou vinden en dat er afspraken nodig waren over welke zorg er eerst moest worden afgeschaald. Dit alles om blijvende gezondheidsschade en verlies van levensjaren zoveel mogelijk te voorkomen. Daarom is in het najaar van 2020 ook het tijdelijk beleidskader opgesteld, dat op 19 november jl. nog is aangevuld. De NZa gaf op 25 november jl. aan dat alle ziekenhuizen in Nederland de planbare zorg gedeeltelijk of helemaal hebben moeten afschalen.6 De NZa blijft de afschaling van de zorg monitoren en publiceert daar wekelijks over in de «Informatiekaart Druk op de Zorg».
Klopt het beeld dat zelfstandige behandelklinieken (ZBC’s) niet maximaal benut worden om uitgestelde reguliere zorg van ziekenhuizen over te nemen? Zo ja, wat gaat u doen om deze capaciteit in te zetten? Zo nee, kunt u kwantificeren waaruit dat blijkt?
Zorgaanbieders en zorgverzekeraars moeten samenwerken om de capaciteit die er is, optimaal beschikbaar te maken. Dit hebben partijen ook met elkaar afgesproken in het kader passende inhaalzorg. De NZa ziet er op toe dat het kader wordt uitgevoerd.
In 2020 bedroeg het aandeel van de zorg van zbc’s ruim 5%7 van de totale medisch-specialistische zorg in Nederland. Uit de monitor «Toegankelijkheid van zorg» van de NZa blijkt de zelfstandige klinieken inmiddels meer zorg leveren dan voor de coronacrisis en de verwijzingen naar deze klinieken zijn gestegen8. Van de operaties die tijdens de coronacrisis in de ziekenhuizen zijn uitgesteld, is circa 10% inmiddels in een zbc ingehaald. Een groter deel van alle patiënten die verwezen worden door de huisarts voor medisch specialistische zorg wordt nu verwezen naar zelfstandige klinieken.
Ik ben bekend met de signalen van zbc’s dat ze onvoldoende een rol zouden spelen bij de afspraken over de inhaalzorg. De NZa doet naar aanleiding van deze signalen een uitvraag bij de zorgverzekeraars over de manier waarop zorg bij de zelfstandige klinieken wordt ingekocht. Ik beschik nog niet over de resultaten. Ik merk wel alvast op dat zbc’s voor een groot aantal specialismen voornamelijk planbare zorg leveren en dat de (inhaal)zorgvraag niet altijd aansluit bij het aanbod van klinieken. Ook zijn er mensen die liever willen wachten op hun eigen dokter. De planbare zorg is immers over het algemeen niet urgent.
Hoe zet u zich actief in om wederom meer gebruik te gaan maken van digitale zorg nu reguliere zorg weer wordt afgeschaald en digitale zorg de wachtlijst ook kan verkleinen?
Het Ministerie van VWS moedigt zorgaanbieders aan om zo veel mogelijk gebruik te maken van alle mogelijkheden om digitale zorg te verlenen. Digitale zorg biedt veel waardevolle veilige en efficiënte mogelijkheden die nog beter benut kunnen worden. Tijdens de eerste golf van de coronacrisis werd een digitale versnelling gecreëerd om goede zorg te blijven verlenen. VWS heeft in het najaar van 2020 partijen in de ziekenhuiszorg via verschillende kanalen opgeroepen tot een extra intensivering van hun inzet op dit terrein. Dit werd de versnellingsimpuls genoemd. Ik verwijs hierbij naar mijn brief van 25 oktober 20219 waarin ik uitgebreid inga op de ontwikkelingen en acties rondom digitale en hybride zorg.
Hoe beoordeelt u het bericht van 16 november jl: «Hartpatiënten UMCG mogelijk snel geopereerd in Duisburg»?3
Het is mooi dat het UMCG Groningen proactief de samenwerking heeft opgezocht met ziekenhuizen in Duitsland om er zo voor te zorgen dat ook patiënten die niet in aanmerking komen voor een (spoed)operatie in Nederland sneller geholpen kunnen worden. Veel ziekenhuizen (met name in de grensstreek) hebben lang bestaande samenwerkingsrelaties met ziekenhuizen in Duitsland of België.
Is er bij het telkens uitstellen van (reguliere) kritiek planbare zorg of electieve zorg ook sprake van het overschrijden van de treeknorm als het aantal weken van uitstel de treeknorm overschrijdt?
De Treeknormen zijn afspraken die aangeven wat de maximaal aanvaardbare wachttijd is voor patiënten. Op dit moment wordt juist van ziekenhuizen en zelfstandige behandelcentra gevraagd om hun reguliere zorg (verder) af te schalen. De Treeknorm wordt op dat moment dan ook niet gehaald.
Klopt het dat indien verzekeraars niet kunnen voldoen aan hun zorgplicht, in dit geval het niet halen van de treeknorm bij kritieke of electieve planbare zorg, dat zij operaties elders in Europa dienen te vergoeden? Zo ja, welke belemmeringen zijn er volgens u voorts om reguliere zorg ook in het buitenland te laten doen?
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht wat inhoudt dat zij voor verzekerden met een naturapolis moeten zorgen dat zij tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg krijgen. Bij een restitutiepolis betreft de zorgplicht de vergoeding van de kosten van zorg die de verzekerde nodig heeft en waar hij wettelijk aanspraak op heeft, en zorgbemiddeling als de verzekerde daarom verzoekt.
Zorgverzekeraars wijzen zorgaanbieders erop dat als zij een verzekerde niet (tijdig) in zorg kunnen nemen, zij de verzekerde doorverwijzen naar de zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling. Ook informeren zij hun verzekerden over de mogelijkheid van zorgbemiddeling. Als de verzekerde daarom vraagt dan bemiddelt de zorgverzekeraar hen naar een zorgaanbieder die de zorg tijdig levert, voldoende bereikbaar is en kwalitatief goede zorg levert.
In het geval dat de cliënt naar een zorgaanbieder wil in het buitenland en die aanbieder de zorg binnen de gewenste tijd kan bieden, is (gedeeltelijke) vergoeding van die zorg in beginsel mogelijk.
Het gaat dan om geplande zorg waarvoor in bepaalde gevallen, maar niet altijd, voorafgaande toestemming van de zorgverzekeraar nodig is. Het is raadzaam dat verzekerden altijd vooraf contact opnemen met hun zorgverzekeraars om te weten of en zo ja, welke vergoeding aan de orde is. Ook is van belang dat zorgverzekeraars hun verzekerden erop wijzen dat er problemen kunnen ontstaan als een verzekerde in Nederland vervolgzorg nodig heeft nadat die in het buitenland behandeld is geweest. Omdat in Nederland de reguliere zorg afgeschaald wordt is er namelijk een gerede kans dat eventuele vervolgzorg voorlopig niet geleverd kan worden.
De cliënt doet er goed aan om zich bij de zorgverzekeraar te laten informeren over de toepasselijke polisvoorwaarden en EU-regelgeving, zodat hij niet voor (financiële) verrassingen komt te staan. Ter voorbereiding op dit gesprek kan de cliënt alle relevante informatie vinden op de website van het Nationaal Contactpunt grensoverschrijdende zorg.11 De NZa ziet er op toe dat zorgverzekeraars aan de zorgplicht voldoen.
Bent u bekend met het artikel van vrijdag 12 november jl: «De wachtlijsten voor ziekenhuizen in Groningen en Drenthe groeien hard. Hoe vind ik als patiënt de kortste wachttijd. Dit moet je weten»?4
Ja.
Worden patiënten beter en actiever benaderd voor wachtlijstbemiddeling en hun mogelijkheid om zorg in het buitenland, in een zelfstandig behandelkliniek of in een ander ziekenhuis te krijgen nu er meer reguliere zorg wordt afgeschaald?
Het Ministerie van VWS heeft met de NZa, de Patiëntenfederatie en andere partijen communicatiemateriaal opgesteld gericht op patiënten, waarin onder andere de mogelijkheid tot zorgbemiddeling via de zorgverzekeraar wordt toegelicht. Dit communicatiemateriaal wordt geactualiseerd en eind november opnieuw breed met veldpartijen gedeeld. Zorgaanbieders kunnen met deze materialen patiënten informeren.
Wat is de status van het actueler maken van de wachtlijstinformatie, een belofte die werd gedaan door Nederlandse Zorgautoriteit en de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen naar aanleiding van het bericht van het programma «Kassa»?5
De NZa heeft mij laten weten dat de wachttijden nu vaker vernieuwd worden op de site van Zorgkaart Nederland. Eerst was dit eens in de twee weken, nu is dat twee keer per week. Daarnaast bekijkt de NZa de mogelijkheid om op korte termijn real time de wachttijden door te kunnen geven.
Welke stappen worden er gezet om de wachtlijstgegevens op de complete doorlooptijd te baseren in plaats van op wachttijd tot diagnose of eerste afspraak in de polikliniek?
Als een methode gebruikt wordt om de gehele doorlooptijd te gebruiken, gebeurt dit achteraf. Dat betekent dat de wachttijden minder actueel zijn dan de methode die nu gebruikt wordt en dat is onwenselijk.
Bent u het ermee eens dat patiënten een afweging moeten kunnen maken tussen fysieke reistijd en wachttijd, met andere woorden: eerder zorg verder weg, of later zorg dichtbij? Zo nee, waarom niet?
Het is altijd een afweging van de patiënt zelf waar hij of zij uiteindelijk behandeld wil worden als het planbare zorg betreft. Dat is nu niet anders.
Bent u bereid om stappen te ondernemen om landelijke weergave van de wachttijden ook op ziekenhuischeck.nl te bewerkstelligen zodat mensen, net als bij zorgkaartnederland.nl, beter een afweging kunnen? Zo nee, waarom niet?
Dit is al mogelijk. Op de website van de NZa staat software (API) waar partijen op kunnen aansluiten om zelf de wachttijden te ontsluiten.14 Volgens de NZa is Ziekenhuischeck van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen ook van plan dit te doen.
Bent u ook bereid om in deze weergave van beschikbaarheid ook de beschikbaarheid van ZBC's mee te nemen? Zo ja, bent u ook bereid hierover het gesprek met de zorgverzekeraars, als inkoper van zorg, aan te gaan? Zo nee, waarom niet?
De NZa vindt het met mij belangrijk dat een volledig overzicht van de wachttijden beschikbaar komt. Daarom staan ook alle zorgaanbieders, zowel zelfstandige klinieken als ziekenhuizen, op Zorgkaart Nederland. De gegevens die de NZa beschikbaar stelt gaan over beide typen instelling, en is dus ook te gebruiken door ziekenhuischeck.nl.
Kunt u deze vragen, gezien de snelheid waarmee reguliere zorg nu wordt afgeschaald, zo spoedig als mogelijk beantwoorden?
Ja.
De rechtsbescherming bij de NCTV |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een schikking is getroffen tussen de NCTV en de imam over het verwijderen van gegevens en om geen verdere informatie meer te verstrekken over deze man?1
Ja.
In hoeverre verhoudt deze moeizame procedure zich tot uw antwoord op mijn vraag hoe mensen hun recht zouden kunnen halen als zij ten onrechte op de radar staan van de NCTV, «Iedere betrokkene heeft op grond van de AVG het recht om persoonsgegevens in te zien die van hem zijn verzameld, behoudens het geval waarin het gaat om de in de AVG en de UAVG opgenomen weigeringsgronden. Voor de beoordeling en afhandeling van een verzoek ter uitoefening van het recht van inzage is er een vaste procedure bij de NCTV, conform de vereisten van de AVG. Die procedure is ook al meerdere keren in de praktijk getoetst en die werkt.»?2
Op individuele zaken wordt niet ingegaan en dus ook niet op de inhoudelijke afhandeling van het onderhavige geval. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 22 november jl.3 kunnen mensen die willen weten of hun gegevens door de NCTV zijn verwerkt bij het ministerie terecht. Elk van deze verzoeken wordt zorgvuldig afgehandeld conform het gestelde in de AVG en dit mondt uit in een aan de verzoeker gericht besluit op zijn verzoek. Indien een betrokkene het niet eens is met het genomen besluit, staat de mogelijkheid van bezwaar en beroep open. Tevens kan een betrokkene ook de andere rechten inroepen die in de AVG zijn opgenomen zoals onder andere een verzoek doen tot wissen of rectificatie. Sinds het verschijnen van de Kamerbrieven van 12 april 20214 en 21 mei 20215 en het Kamerdebat van 15 juni 2021 heeft de NCTV een groot aantal inzageverzoeken op grond van de AVG ontvangen. Vanwege de vele inzageverzoeken die zijn ingediend en het werk dat nodig is om zorgvuldig op al die verzoeken te kunnen ingaan, is er helaas meer tijd mee gemoeid dan ik graag zou zien.
Waarom heeft de NCTV pas besloten tot een schikking toen er twee rechtszaken dreigden?
Op individuele zaken wordt niet ingegaan en dus ook niet op de afhandeling van het onderhavige geval. Verzoeken om inzage in dan wel verwijdering van persoonsgegevens worden van geval tot geval beoordeeld. De conclusie van het project «taken en grondslagen van de NCTV» luidde dat het identificeren en analyseren van dreigingen en risico’s op het gebied van terrorisme en nationale veiligheid, juridisch kwetsbaar is en versterking behoeft indien daarbij (bijzondere) persoonsgegevens worden verwerkt op basis van eigen openbare bronnenonderzoek. Naar aanleiding daarvan is het wetsvoorstel Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid bij de Tweede Kamer ingediend. Bovengenoemde ontwikkelingen maken dat inzage- en verwijderingsverzoeken met inachtneming van de nieuwe inzichten beoordeeld worden. Dat kan in bepaalde gevallen tot een herbeoordeling leiden. Die beoordeling wordt steeds toegespitst op het individuele geval.
Klopt het dat de NCTV deze gegevens al veel eerder had kunnen of misschien wel moeten vernietigen? Zo ja, waarom is daartoe niet overgegaan?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de strekking van de uitspraak dat sommige mensen kennelijk bij de NCTV als een soort verdachte te boek staat, terwijl er voor deze mensen niet dezelfde rechten gelden voor inzage in hun gegevens zoals bij de politie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom gelden daar niet minimaal dezelfde waarborgen?
Nee, die strekking deel ik niet. Zoals ik ook in mijn brief van 12 april 2021 heb aangegeven, is aan het monitoren van uitingen ten behoeve van het duiden van trends en fenomenen die in potentie de stabiliteit van Nederland kunnen ontwrichten soms bepaalde informatie over personen verbonden; uitingen worden door personen gedaan. Bij deze taak hoort daarmee dat bepaalde informatie wordt verwerkt, in sommige gevallen ook persoonsgegevens, maar alleen voor zover die noodzakelijk zijn voor het maken van de fenomeenanalyse en ook alleen daarvoor gebruikt worden.
De NCTV is geen opsporingsdienst zoals de politie en de NCTV onderzoekt ook niet of iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. Wanneer de politie persoonsgegevens verwerkt in het kader van de politietaak («politiegegevens») is de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. De NCTV verwerkt geen persoonsgegevens in het kader van de politietaak. Op de verwerking van persoonsgegevens door de NCTV is de AVG van toepassing. De AVG bevat waarborgen voor een zorgvuldige verwerking van en inzage in persoonsgegevens.
Kunt u reflecteren op de uitspraken van het hoofd van de CTIVD, die stelt dat de NCTV onder toezicht moet komen te staan, omdat ze zich gedragen als veiligheidsdienst?3
Zoals ik in de kamerbrieven van 12 april en 21 mei jl. heb aangegeven, is of wordt de NCTV geen inlichtingendienst. De NCTV heeft een andere taak en valt niet onder de WIV. Om die reden is het onderscheid met de taken van de AIVD in het wetsvoorstel verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid ook expliciet gemaakt.
Voor het wetsvoorstel is, zoals gebruikelijk bij dit soort belangrijke wetsvoorstellen, er een consultatieronde geweest, is de Autoriteit Persoonsgegevens om advies is gevraagd, en daarna heeft de Raad van State geadviseerd. Met het verwerken van deze adviezen zijn extra waarborgen in het wetsvoorstel opgenomen, dat op 9 november aan de Tweede Kamer is verzonden. Bij de behandeling van dit wetsvoorstel kan hierover nader met de Tweede Kamer worden gesproken. Het wetsvoorstel is op 23 november jl. door de Tweede Kamer controversieel verklaard.
Kunt u reflecteren op de uitspraken van de oprichter van het Centre for Counter Terrorism en een universitair hoofddocent conflictstudies en internationale betrekkingen over de bevoegdheden van de NCTV en waarom deze beperkt zouden moeten zijn?4
De kritiek van de AP waar in het artikel aan gerefereerd wordt, heeft betrekking op een verouderde versie van het wetsvoorstel: de versie die in juni werd gebruikt in de consultatiefase. Voor het wetsvoorstel verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid is, zoals gebruikelijk bij dit soort belangrijke wetsvoorstellen, een consultatieronde geweest, is de Autoriteit Persoonsgegevens om advies is gevraagd, en daarna heeft de Raad van State geadviseerd. Met het verwerken van deze adviezen zijn extra waarborgen in het wetsvoorstel opgenomen, dat op 9 november aan de Tweede Kamer is verzonden. Bij de behandeling van dit wetsvoorstel kan hierover nader met de Tweede Kamer worden gesproken.
Kunt u reflecteren op de uitspraken van een advocaat die onder andere stelt dat de rechter moeilijk grip krijgt op de NCTV?5
Zie antwoord vraag 7.
Bent u het ermee eens dat alle berichten rondom de NCTV van de afgelopen tijd een zeer zorgwekkend beeld afgeven van deze dienst? Zo nee, waarom niet?6, 7, 8
Nee, de NCTV heeft mijn volste vertrouwen. Zoals ik heb aangegeven in de brieven van 12 april 2021, 21 mei 2021 en 2 november 202112 aan de Tweede Kamer over de werkzaamheden bij de NCTV kwam door het project «taken en grondslagen van de NCTV» de NCTV zelf tot het inzicht dat de algemene rechtsgrondslag gezien de rechtsontwikkeling naar huidige maatstaven als juridisch kwetsbaar moet worden bestempeld en dat de tot dan toe gehanteerde juridische grondslag verstevigd zou moeten worden door de introductie van een grondslag in een wet in formele zin. Op grond van de conclusies van dit project zijn bepaalde werkzaamheden gestaakt13 en is het wetsvoorstel Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid is naar uw Kamer verzonden ter behandeling. Vervolgens is, daarin gesterkt door de aangenomen motie van het lid Michon-Derkzen tijdens het debat van 15 juni 2021 om met spoed met een bijzondere wettelijke grondslag te komen voor de NCTV om persoonsgegevens te verwerken voor de uitvoering van zijn bestaande analyse- en coördinatietaken, de hoogste prioriteit gegeven aan het aangekondigde voorstel voor een Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid, dat op 9 november aan de Tweede Kamer is verzonden.
Kunt u precies uiteenzetten hoe een klachtenprocedure bij de NCTV werkt en welke waarborgen er zijn? Zo nee, waarom niet?
Naast het doen van inzageverzoeken op grond van de AVG kan iedere burger een klacht indienen over het handelen van de overheid. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. De regels inzake de klachtbehandeling zijn neergelegd in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de overheid is zorgvuldige klachtbehandeling een vereiste dat voortvloeit uit de beginselen van behoorlijk bestuur en een kwestie van bestuurlijke betamelijkheid. De NCTV handelt klachten op overeenkomstige wijze en met inachtneming van de bepalingen in hoofdstuk 9 van de Awb af. Indien betrokkene niet tevreden is over de afhandeling van de klacht kan deze de klacht door middel een verzoekschrift voorleggen aan de Nationale ombudsman.
Hoe vaak is door de NCTV op verzoek van een betrokkene tot gegevensverwijdering overgegaan, al dan niet na een schikking?
Zoals gemeld in het antwoord van vraag 2 heeft de NCTV sinds het verschijnen van de Kamerbrieven van 12 april 2021 en 21 mei 2021 en het Kamerdebat van 15 juni 2021 een groot aantal inzageverzoeken op grond van de AVG ontvangen. Zoals gemeld in het antwoord op vraag 3 en 4 wordt op individuele zaken niet ingegaan.
In algemene zin kan ik zeggen dat de NCTV, functionerend onder de ministeriële verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid, in zeer uiteenlopende situaties betrokken kan raken bij gerechtelijke procedures. Zo kunnen op basis van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding of de Paspoortwet maatregelen opgelegd worden waartegen beroep in kan worden gesteld. Daarnaast kan de NCTV procespartij zijn bij procedures op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB), civielrechtelijke procedures zoals bijvoorbeeld repatriëringsverzoeken van uitreizigers naar strijdgebieden en procedures vanuit de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Gelet op de aard van de zaken en de verwevenheid met individuele gevallen, worden geen uitspraken gedaan over de aantallen en worden die ook niet afzonderlijk bijgehouden.
Kunt een overzicht geven van de rechtszaken waarbij de NCTV de afgelopen jaren betrokken is geweest als partij? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
De schrijnende huisvesting van arbeidsmigranten |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reportage van RTL nieuws d.d. 18 november over de huisvesting van arbeidsmigranten?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Wat vindt u ervan dat arbeidsmigranten in vaak erbarmelijke omstandigheden moeten wonen terwijl ze de hoofdprijs betalen aan huur?
Ik vind dat iedereen recht heeft op goede huisvesting tegen een redelijke prijs. Dat is niet anders wanneer het gaat om tijdelijk verblijf in Nederland voor het werk. Ik ben het met u eens dat de omstandigheden zoals de reportage van RTL nieuws laat zien onwenselijk en ook niet toegestaan zijn. Gemeenten hebben mogelijkheden om hiertegen op te treden (zie ook het antwoord op vraag 5). Maar die zijn nog niet toereikend. De afgelopen tijd hebben we stappen gezet in de uitvoering van het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten (zie het antwoord op vraag 11). Belangrijke mijlpaal daarin is het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap. Met dit wetsvoorstel krijgen gemeenten straks een instrument in handen waarmee ze beter kunnen optreden tegen misstanden. Verhuurders moeten dan voldoen aan een aantal algemene regels. Daarnaast kunnen gemeenten een verhuurdervergunning instellen. Dit kan voor zowel reguliere verhuur als specifiek voor de verhuur aan arbeidsmigranten. Bij de vergunningsplicht voor verhuur aan arbeidsmigranten kunnen gemeenten een aantal voorwaarden stellen. Zo kunnen zij eisen dat per huishouden een eigen af te sluiten verblijfsruimte beschikbaar wordt gesteld en kunnen zij een aantal kwaliteitseisen stellen gerelateerd aan voorzieningen die redelijkerwijs nodig zijn voor hygiëne en het bewaren en bereiden van voedsel.
Door het instellen van een verhuurdervergunning hebben gemeenten straks ook beter zicht op waar verhuurd wordt, waardoor zij gerichter kunnen controleren op bijvoorbeeld overbewoning.
Onderschrijft u de observaties van de Haagse Pandjesbrigade dat door de hoge huurprijzen er steeds meer mensen in een woning verblijven om de huur te kunnen blijven betalen?
Ik kan mij goed voorstellen dat steeds meer personen een woning delen een gevolg is van de hoge huurprijzen. In het Bouwbesluit staan regels over overbewoning. Een overschrijding van het maximale aantal personen per woning is dan ook niet toegestaan. Gemeenten kunnen hier al tegen optreden op grond van het Bouwbesluit.
Vindt u, net als de PvdA, dat dit niet alleen zorgt voor slechte en ontoelaatbare woonomstandigheden voor de bewoners, maar dat dit ook de leefbaarheid van de wijken onder druk zet? Zo nee, waarom niet?
Dit ben ik met u eens. Wanneer een woning door meer personen wordt bewoond dan de bedoeling is, zijn de voorzieningen in de woning hier vaak niet op gemaakt. Ook de ruimte in de woning is daar dan niet voldoende voor, waardoor de kwaliteit voor de bewoners afneemt. Hetzelfde geldt voor de voorzieningen in de omgeving. Zoals ik al aangaf, kunnen gemeenten al tegen overbewoning optreden en doen zij dit ook.
Is het niet belachelijk dat mensen in een beschaafd land als Nederland in schuurtjes moeten slapen en hun behoefte moeten doen in emmers? Welke stappen gaat u ondernemen om deze problematiek snel en voortvarend aan te pakken?
De situaties die u beschrijft zijn niet toegestaan en vind ik bovendien, net als u, niet acceptabel. Gemeenten hebben instrumenten in handen om tegen dit soort situaties op te treden. Zij hebben de bevoegdheid om te controleren op naleving van het Bouwbesluit en verschillende andere wetten en regelgeving. Daarnaast zetten we met het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap een goede stap. Gemeenten krijgen straks een extra instrument in handen waarmee ze beter kunnen optreden tegen misstanden.
De hoge huren worden aangedragen als een reden om steeds meer mensen in een woning te huisvesten. Ziet u daarin een reden om slagvaardiger de hoge huurprijzen aan te pakken, bijvoorbeeld door het doortrekken van het woningwaarderingsstelsel (WWS)? En het beboeten van foute pandjesbazen? Zo nee, waarom niet?
Op Prinsjesdag heb ik in de brief «Uitkomsten onderzoeken naar huurprijsregulering»2 aangegeven te gaan testen hoe de uitvoering van een regulerende maatregel in de vrije huursector eruit kan komen te zien. In de reeds gedane onderzoeken is het reguleren van de aanvangshuurprijs door het WWS door te trekken als een van de mogelijke reguleringsvarianten uitgewerkt. Uit de onderzoeken blijkt verder dat er een complexe afruil plaatsvindt tussen betaalbaarheid en beschikbaarheid bij regulering. Daarom ga ik met partijen nu «botsproeven» doen om te zien hoe een regulerende maatregel in de praktijk zou uitwerken en wat daar verder voor nodig zou zijn.
Het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap introduceert verder de bevoegdheid voor gemeenten om een gebiedsgerichte verhuurvergunning in te stellen. Hiermee kunnen naast de landelijke algemene regels aanvullende voorwaarden gesteld worden aan verhuurders in dergelijke gebieden, ook inzake de maximale huurprijs van gereguleerde huurwoningen (gekoppeld aan het WWS). Bij overtreding van de vergunningsvoorwaarden krijgen gemeenten de bevoegdheid om handhavend op te treden, ook in de vorm van bestuurlijke boetes.
Het blijkt nog steeds aantrekkelijk voor verhuurders om regels over fatsoenlijke huisvesting en eerlijke huurprijzen aan hun laars te lappen. Wanneer krijgen gemeenten meer mogelijkheden om malafide verhuurders te kunnen aanpakken?
Zoals ik al aangaf in de beantwoording op vraag 2, vraag 5 en vraag 6, werk ik aan een wetsvoorstel Goed Verhuurderschap. Dit wetsvoorstel biedt gemeenten een instrumentarium om malafide verhuurders aan te pakken. Op dit moment ligt het wetsvoorstel bij de Raad van State voor advies en naar verwachting wordt het voorstel in het voorjaar van 2022 bij het parlement aangeboden ter behandeling. Ik hoop snel tot invoering van deze wet te kunnen komen, zodat we misstanden beter kunnen tegengaan.
Hoe beziet u de rol van de uitzendbranche bij het huisvesten van arbeidsmigranten? Vindt u ook niet dat zij allereerst voldoende en kwalitatief goede huisvesting moeten garanderen voordat zij arbeidsmigranten laten werken in Nederland?
Werkgevers, dus ook uitzendbureaus, zijn niet verplicht om personen die via hen werkzaamheden verrichten huisvesting te bieden. Wel vind ik het logisch dat werkgevers die actief arbeidsmigranten naar Nederland halen zich ook inzetten om huisvesting voor deze mensen te regelen. Dat is des te meer behulpzaam nu er een groot woningtekort bestaat. Zonder de hulp van de werkgever is een arbeidsmigrant die hier voor het eerst en voor korte termijn komt, aangewezen op die woningmarkt, waar hij of zij moet concurreren met alle andere woningzoekenden.
Wanneer een uitzendbureau ervoor kiest om huisvesting aan te bieden aan een arbeidsmigrant die hier op verzoek van de werkgever is, mag in elk geval verwacht worden dat zij zorgt voor huisvesting die voldoet aan de geldende wet – en regelgeving voor woonruimte. Verder ligt het in de rede voor gemeenten, uitzendbureaus en huisvesters om in den brede zorg te dragen voor goede huisvesting en andere voorzieningen voorafgaand aan de komst van nieuwe werkgelegenheid waarbij naar verwachting veel arbeidsmigranten gaan werken. De aanbevelingen uit het advies «Geen tweederangsburgers» van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten over eisen aan huisvesting die door uitzendbureaus wordt aangeboden, worden meegenomen in de uitwerking van het stelsel van verplichte certificering van uitzendbureaus (zie vraag 9).
Hoe zit het met een vergunningsstelsel voor uitzendbureaus om zo rotte appels die stelselmatig arbeidsmigranten aan hun lot overlaten de vergunning ontnemen?
In de kabinetsreactie3 bij het advies «Geen tweederangsburgers» van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten is ingegaan op het uitwerken van de aanbevelingen over verplichte certificering van uitzendbureaus. Het kabinet werkt deze aanbevelingen nu uit in samenwerking met sociale partners, zodat een nieuw stelsel van verplichte certificering zo spoedig mogelijk kan worden ingevoerd. Het streven is om de uitwerking van een verplicht certificeringsstelsel medio 2022 gereed te hebben.
Wat vindt u van het feit dat omringende gemeenten van Den Haag weigeren voldoende huisvesting te creëren voor arbeidsmigranten waardoor de problematiek in Den Haag veel groter wordt? Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun plicht om voldoende huisvesting te garanderen wanneer zij ook veel arbeidsmigranten aan het werk hebben binnen hun gemeentegrens? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 8 al aangaf, ligt het in de rede dat gemeenten, werkgevers en huisvesters in den brede zorg dragen voor goede huisvestingen en andere voorzieningen voorafgaand aan de komst van nieuwe werkgelegenheid waarbij de verwachting is dat daar veel arbeidsmigranten gaan werken. Bovendien is het wenselijk dat arbeidsmigranten dicht bij het werk wonen. Dit scheelt hen zelf niet alleen veel reistijd, maar vermindert ook de algehele verkeersbewegingen door het land. Het verdient daarbij aanbeveling de huisvesting wel in regionaal verband op te pakken.
Het is primair aan gemeenten om voldoende goede huisvesting voor arbeidsmigranten en de locaties waar deze gerealiseerd worden, mogelijk te maken. Wel heb ik gemerkt dat de huisvesting voor arbeidsmigranten en andere aandachtsgroepen vaak lastig van de grond komt. Bovendien concurreren deze groepen met elkaar om dezelfde schaarse ruimte en soms ook om dezelfde woningen. Om die reden is deze zomer een Interbestuurlijke Werkgroep onder leiding van Bernard Ter Haar met een adviesrapport gekomen om de huisvesting van aandachtsgroepen te verbeteren en meer integraal aan te pakken.
Onderdeel van de aanbevelingen vormt ook het vraagstuk hoe meer regie kan worden gevoerd op huisvesting, bijvoorbeeld door een ondergrens van 30% sociale huur te eisen per gemeente. De komende maanden worden de aanbevelingen uitgewerkt. Daarbij is het ook aan een nieuw kabinet hier een keuze in te maken en samen met provincies en gemeenten afspraken te maken over het realiseren van voldoende woningen voor aandachtsgroepen zoals arbeidsmigranten.
Ook stimuleer ik gemeenten om te voorzien in voldoende goede huisvesting voor arbeidsmigranten. Afgelopen twee jaar heb ik daarom twee keer geld beschikbaar gesteld voor de huisvesting van aandachtsgroepen via de Regeling specifieke uitkering voor huisvesting aandachtsgroepen. Daaruit konden ook projecten voor de huisvesting van arbeidsmigranten worden gefinancierd. In 2020 betrof het aanvragen voor 4.700 plekken voor arbeidsmigranten. De tweede tranche van de Regeling is onlangs gesloten en op dit moment worden de aanvragen van gemeenten beoordeeld. Ik informeer uw Kamer begin 2022 over de toekenningen.
Kunt u aangeven wanneer u, zoals toegezegd aan de Kamer, de aanbevelingen van de commissie Roemer versneld door gaat voeren om zulke schrijnende situaties volledig tot het verleden te laten behoren? Kunnen we vanaf januari de eerste acties verwachten?
In december 2021 wordt uw Kamer de eerste Jaarrapportage Arbeidsmigranten van het Interdepartementaal Projectteam Arbeidsmigranten (IPA) toegezonden. Deze rapportage kent twee doelen: breed inzicht geven in de ontwikkelingen rondom arbeidsmigratie en inzicht geven in de voortgang van de van de implementatie van de aanbevelingen van het advies van het Aanjaagteam.
De uitwerking van de aanbevelingen bevindt zich in de verschillende fasen. Waar de implementatie van aanbevelingen noodzaakt tot de aanpassing van wetgeving, worden die wetswijzigingen technisch voorbereid. Maar er zijn ook voorstellen die mee konden lopen op al reeds ingezette trajecten, waardoor wetgeving sneller gerealiseerd kon worden. Dit geldt bijvoorbeeld voor de wijzigingen in relatie tot de Basisregistratie Personen en het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap, waarmee gemeenten onder andere de mogelijkheid geboden wordt om een verhuurdersvergunning voor de verhuur aan arbeidsmigranten in te voeren.
Andere aanbevelingen konden het afgelopen jaar direct in uitvoering worden gebracht. Zo worden sinds het begin van 2021 op vrijwillige basis contactgegevens van personen geregistreerd die zich in de Basisregistratie Personen als niet-ingezetene inschrijven. Hierdoor is het onder meer mogelijk gebleken om een grote groep arbeidsmigranten een oproep tot vaccinatie te sturen. Ook is het onderzoek naar gegevensuitwisseling tussen publieke en private toezichthouders uitgevoerd, waarvan de resultaten door de verschillende toezichthouders in de aankomende tijd geïmplementeerd zullen worden.4
Zoals eerder aangegeven is zowel in 2020 als in 2021 geld uitgetrokken (bij elkaar ruim 80 miljoen euro) voor de huisvesting van kwetsbare groepen, waaronder arbeidsmigranten. Tevens is een handreiking huisvesting van arbeidsmigranten opgesteld door het Ministerie van BZK.
De berichtgeving in de media t.a.v. het tekort aan behandelaren waardoor er lange wachtlijsten zijn in de GGZ en instellingen zich genoodzaakt voelen tot een patiëntenstop |
|
Bart Smals (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer informeren over het resultaat van het gesprek over de totstandkoming van de ramingen door het Capaciteitsorgaan? Zo nee, waarom niet?1
Ja. Het gesprek d.d. 22 november ging over de waarde van de ramingen van het GGZ domein die het Capaciteitsorgaan met de veldpartijen maakt. In het genoemde gesprek was brede overeenstemming over de onwenselijkheid van de situatie in de afgelopen 3 jaar, waarin na vaststelling van de raming op basis van consensus, veldpartijen met enige regelmaat via media en richting de Tweede Kamer hebben gepleit voor ophoging van het aantal opleidingsplaatsen voor GZ-psychologen boven deze raming.
We zijn er allemaal bij gebaat dat de ramingen goed onderbouwd zijn, zich blijven richten op de middellange termijn en dat ze onderbouwd zijn met juiste cijfers.
In de Kamer GG van het Capaciteitsorgaan worden ramingen gemaakt van het aantal mensen dat opgeleid moet worden om aan de toekomstige zorgvraag te kunnen voldoen. Het tussentijds ophogen van de ramingen om op korte termijn tekorten op te vangen, ondermijnt de waarde en werking van de ramingen, die gericht zijn op een middellange termijn evenwicht tussen vraag en aanbod. Dat is de kern van opleiden, dat doe je voor de toekomst. Wanneer we herhaaldelijk boven de ramingen gaan opleiden voor de vacatures van nu, is de kans groot dat we over een paar jaar een overschot hebben.
In genoemd bestuurlijk overleg is afgesproken dat diverse wensen en argumenten om de raming bij te stellen door partijen besproken worden in de Kamer GG van het Capaciteitsorgaan en dat daar samengewerkt wordt aan een stevige onderbouwing van deze wensen en consensus. Alleen dan kunnen wensen op een verantwoorde wijze meegenomen worden in de toekomstige raming. De eerstvolgende raming wordt eind 2022 vastgesteld.
Tot slot is afgesproken dat als het partijen niet lukt om er met elkaar uit te komen in de Kamer GG van het Capaciteitsorgaan, de deur van het Ministerie van VWS altijd open staat voor overleg.
Kunt u de constructie uit 2020 uiteenzetten waarbij u de toen vrijgevallen middelen uit de niet ingevulde opleidingsplaatsen voor klinisch psychologen hebt gebruikt om 119 extra GZ-psychologen op te leiden?2
In 2019 hebben we de niet ingevulde opleidingsplaatsen voor klinisch psychologen (KP) «overgeheveld» naar opleidingsplaatsen voor GZ-psychologen, om versneld regie behandelaren op te leiden in 2020. Het is niet logisch en wenselijk dit jaarlijks te herhalen, want dan wordt er meerjarig boven het advies van het Capaciteitsorgaan opgeleid met het risico dat er straks teveel GZ-psychologen op de arbeidsmarkt komen.
Hierbij dienen we scherp te hebben dat de extra opleidingsplaatsen voor de opleiding tot GZ-psycholoog (zowel de 30 tot 50% die we structureel meer opleiden als de «ge-substitutie-eerde» opleidingsplaatsen) vanaf 2019 zijn ingestroomd en dus pas dit jaar en volgende jaren op de arbeidsmarkt komen: we gaan de effecten van de fors hogere ramingen en incidentele verhogingen van het aantal opleidingsplaatsen nu pas ervaren.
Zoals aangegeven bij vraag 1 is het een wens van mij en van het veld dat de ramingen het richtsnoer blijven. Ik wil daarom zowel bij KP als bij GZ-psychologen zo weinig mogelijk van de ramingen afwijken.
Om misverstanden in de toekomst te voorkomen geef ik graag aan dat het technisch ook niet klopt dat er «vrijgevallen middelen overgeheveld» kunnen worden. Dat er in 2019 extra geld is vrijgemaakt voor opleidingsplaatsen voor GZ-psychologen was een keuze die gevolgen had. Het geld komt ofwel van opleidingsplaatsen die al waren toegekend aan anderen (zoals medisch specialisten) ofwel het betekent een verhoging van de inkomensafhankelijke zorgpremies. Die politieke keuze is toen gemaakt. Er was geen sprake van vrijgevallen middelen en hoewel we met elkaar zijn gaan spreken over het «overhevelen» van «vrijgevallen middelen» of «opleidingsplaatsen KP» is dat niet hoe de techniek aan de achterkant werkt(e). Het totale budget voor opleidingen was al ten goede gekomen aan de zorgopleidingen, zoals dat ook nu het geval is. Een verhoging zal consequenties hebben voor de inkomensafhankelijke zorgpremie.
Wat ík zorgelijk vind is dat veldpartijen meermaals aangeven dat zij de KP opleidingsplaatsen moeilijk ingevuld krijgen, terwijl de vraag naar KP onveranderd blijft. Ook als het gaat om KP opleidingsplekken wil ik vasthouden aan de ramingen. De sector stelt voor om het aantal opleidingsplaatsen voor GZ-psychologen te verhogen, met de aanname dat een deel daarvan zal doorstromen naar de KP plaatsen. Wij hebben echter ook uit de sector vernomen dat er andere barrières zijn die eerst geslecht moeten worden om de instroom op de opleiding echt te verhogen. Ik zou de partijen willen uitnodigen om te laten onderzoeken en onderbouwen hoe de opleiding tot KP aantrekkelijker gemaakt kan worden en hoe de instroom in de KP opleidingsplaatsen het beste kan worden gestimuleerd.
Op welke wijze kunnen master-psychologen in afwachting van een eventuele toelating tot een vervolgopleiding tot gz-psycholoog op dit moment werkzaam zijn in de zorg? Kunnen deze masterstudenten een bijdrage leveren aan het oplossen van de wachtlijstproblematiek?
Masterpsychologen werken reeds in de zorg en functioneren prima. Masterpsychologen doen onder andere intakes, diagnostisch onderzoek en behandelingen en hebben daarmee een belangrijke rol in het voorkomen en oplossen van wachtlijstproblematiek. Niet alle master-psychologen zijn in afwachting van een toelating tot een vervolgopleiding. Zij hebben een volwaardige opleiding afgerond. Het is voorts aan het veld om kwaliteitsafspraken te maken en te bepalen hoe zij de zorg organiseren. Ik ben het eens dat het veld hiermee invloed heeft op de wachtlijstproblematiek; door de kwaliteitsafspraken die ze maken en hoe ze de zorg organiseren. Het is niet aan de overheid om te bepalen welke patiënt door welke zorgverlener wordt gezien, maar ik vind wel dat, gezien de arbeidsproblematiek in de zorgsector en de vragen rondom de financiële houdbaarheid van de zorg, ik, waar dat de overheid wordt gevraagd, in moet zetten op subsidiariteit en brede inzetbaarheid en benutting van beschikbare professionals. Basis waar het kan, gespecialiseerd waar het moet.
Op welke wijze wordt de wachtlijstproblematiek meegenomen in de ramingen van het Capaciteitsorgaan?
Wachtlijsten en wachttijd is niet direct te koppelen aan een concrete vacaturegraad. Het is bij grove benadering wel mogelijk om aan diagnoses beroepsgroepen te koppelen maar dan nog is niet vast te stellen hoeveel extra professionals er precies nodig zijn om dit tekort op te lossen. Wel kunnen wachttijden als richtinggevende indicatie gebruikt worden. Een hoge vacaturegraad en tegelijkertijd geen enkele of lage wachtlijst, of andersom, roept bijvoorbeeld vragen op.
Wachtlijstproblematiek kan ontstaan door een tekort aan (het benodigde) personeel. Indien er sprake is van onvervulde vraag door een tekort aan personeel zou dat te zien moeten zijn in de uitgezette vacatures. In het rekenmodel voor de raming neemt het CO in dat kader de vacaturegraad mee. Dit is het percentage vacatures in fte’s ten opzichte van het totaal aantal fte’s aan werkzamen. De verwachting is dat zorgaanbieders bij te hoge wachttijd (hoger dan de treek-norm3) extra personeel nodig hebben en dan vacatures plaatsen.
Het CO achterhaalt voor de komende raming voor Beroepen in de Geestelijke Gezondheidszorg (BGG) het aantal vacatures via een nieuwe applicatie. Naast de vacaturegraad zijn er drie bronnen die aanvullend onderbouwing kunnen leveren:
Deze drie aanvullende bronnen geven waarschijnlijk alle een andere absolute uitkomst, maar zullen als het goed is elkaar ondersteunen. In de vorige raming is ongeveer dezelfde aanpak gebruikt met twee grote verschillen. Zo gebruikt het CO nu een nieuwe applicatie met aangepaste vraagstelling en wordt de wachttijdeninformatie een stuk gedetailleerder uitgevraagd sinds 2018. We gaan ervan uit dat het CO hiermee de onvervulde vraag nog scherper kan vaststellen.
Overigens kunnen wachtlijsten en -tijden, zoals u weet, ook door andere oorzaken ontstaan, bijvoorbeeld wanneer de betreffende organisatie een omzetplafond heeft bereikt en de zorgvrager niet naar een andere zorgaanbieder gaat.
Het weren van buitenlanders in een huurwoning |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van een advertentie die online staat waarin wordt aangegeven dat buitenlanders er niet kunnen wonen, omdat er een «anti-migrantenbeleid» geldt?1
Ja.
Deelt u de mening dat dergelijke discriminerende voorwaarden stellen aan een potentiële huurder volstrekt onacceptabel is?
Ja, die mening deel ik. Discriminatie is niet toegestaan en wordt niet getolereerd, ook niet op de woningmarkt. Iedereen in Nederland heeft recht op een prettige woning en een gelijke kans om een goed bestaan op te bouwen. Afkomst, seksuele gerichtheid, geloof of welke grond dan ook mogen hier niet van invloed op zijn.
Kunt u bevestigen dat met de Wet Goed Verhuurderschap die in voorbereiding is dergelijke discriminerende verzoeken kunnen worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Ja. In het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap ben ik voornemens landelijke algemene regels te introduceren voor verhuurders en verhuurbemiddelaars, die onder meer zien op het tegengaan van discriminatie. Concreet ben ik voornemens voor te schrijven dat zowel verhuurders als verhuurbemiddelaars tijdens alle verhuurfases een helder en transparant selectieproces moeten hanteren, waarbij zij verplicht gebruik maken van objectieve en niet-discriminerende selectiecriteria en de keuze voor de uiteindelijke huurder motiveren. Die regels kunnen vervolgens door gemeenten bestuursrechtelijk gehandhaafd worden bijvoorbeeld via een last onder dwangsom of bestuurlijke boete. Hiermee kunnen deze discriminerende verzoeken worden aangepakt.
Wat kunt u naast de Wet Goed Verhuurderschap doen om dergelijke discriminerende verzoeken aan te pakken en tegen te gaan? Op welke wijze kunt u met de aangenomen motie Jetten cs.2 over een meldplicht bij dergelijke verzoeken hiertegen optreden?
Naast de maatregelen in het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap ben ik aan het onderzoeken of een meldplicht een aanvullend instrument kan zijn om discriminatie aan te pakken. Hiervoor wil ik eerst een goed beeld krijgen hoe een meldplicht voor verhuurbemiddelaars zou kunnen werken in de praktijk. Daarom heb ik de gemeente Utrecht bereid gevonden om daar in een pilot onderzoek naar te doen. Hiermee hoop ik in de zomer van 2022 inzicht te krijgen in de uitvoerbaarheid, effectiviteit en handhaafbaarheid van dit instrument. Dit onderzoek heb ik nodig om te bepalen in hoeverre de aanpak van discriminatie door middel van een meldplicht doeltreffend kan zijn en welke rol gemeenten kunnen spelen.
Daarbij vind ik het ook belangrijk te investeren in voorlichting en monitoring van discriminatie op de woningmarkt. Op 8 november jl.3 heb ik de Kamer geïnformeerd over het vervolgonderzoek op de Monitor discriminatie bij woningverhuur. Uit het onderzoek bleek onder meer dat gesprekken door brancheorganisaties en lokale antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) met aanbieders van huurwoningen de bewustwording over discriminatie kunnen vergroten. Naar aanleiding van het onderzoek heb ik aangegeven te zullen bezien of dit past bij het takenpakket van ADV’s. Daarnaast intensiveren we vanuit het Ministerie de informatievoorziening voor een bredere bewustwording. Tot slot kondigde ik in bovengenoemde brief aan de landelijke Monitor jaarlijks te willen herhalen.
Bent u bereid om samen met makelaarsorganisaties en woningplatforms te bezien hoe dergelijke advertenties kunnen worden geweerd?
De afgelopen jaren heb ik in de aanpak van discriminatie voortdurend samengewerkt met partijen uit het veld waaronder organisaties van makelaars. Discriminatie staat bij hen op het netvlies en zij nemen eigen maatregelen. Ook de platforms zijn hier alert op. Met het eerdergenoemd wetsvoorstel goed verhuurderschap en eventueel aanvullend een meldplicht ga ik nog een stap verder door landelijk afdwingbare maatregelen voor te schrijven. In voorbereiding hierop overleg ik ook met deze partijen: het ophalen van signalen uit de praktijk vind ik essentieel om tot een effectieve aanpak te komen.
Kunt u deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
De berichten ‘Wereldwijzer: carrouselmodel voor lessen levensbeschouwing – PO’ en ‘Levensbeschouwing, maar dan anders’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Wereldwijzer: carrouselmodel voor lessen levensbeschouwing – PO» en «Levensbeschouwing, maar dan anders»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Kunt u bevestigen dat bij de ontwikkeling van het godsdienstig en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs vanouds het verzoek van de ouders centraal staat om hun kinderen binnen de openbare school ook onderwijs in een specifieke godsdienstige of levensbeschouwelijke richting te laten ontvangen? Bent u van mening dat dit uitgangspunt voldoende tot gelding komt wanneer de school voor alle leerlingen een standaardprogramma als vast onderdeel van het curriculum inzet?
Ja, ouders moeten zich uitspreken over de vraag naar het onderwijs dat krachtens artikel 50 van de wet op het primair onderwijs (WPO) wordt aangeboden. Het gaat hierbij om godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs op openbare scholen. De school faciliteert dit onderwijs, maar verzorgt het niet. Het vormingsonderwijs is daarmee geen vast onderdeel van het curriculum.
Hoe verhoudt de aanpak om met hulp van het Centrum voor vormingsonderwijs alle leerlingen onderwijs te geven over alle godsdiensten en levensbeschouwingen zich tot de eigenstandige opdracht van openbare scholen om in het curriculum aandacht te besteden aan de diversiteit van godsdiensten en levensbeschouwingen? In hoeverre kan de subsidie voor het godsdienstig en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs ingezet worden voor activiteiten die onder het reguliere curriculum vallen en waarvoor de lumpsum beschikbaar is?
Het gaat hier om twee verschillende soorten onderwijs. Enerzijds bepaalt de wet (artikel 9 WPO) dat elke school in het reguliere curriculum aandacht besteedt aan het kennisgebied «geestelijke stromingen». Openbare scholen zijn en blijven inderdaad zelf verantwoordelijk voor het onderwijs over dat kennisgebied. Daarvoor is de lumpsum bedoeld.
Anderzijds bestaat het godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs dat ouders kunnen aanvragen in het kader van artikel 50 van de WPO. Het Centrum voor Vormingsonderwijs krijgt vanuit OCW subsidie om het onderwijs in dat kader te verzorgen. De subsidie is alleen bedoeld voor het ontwikkelen en verzorgen van godsdienstig en levensbeschouwelijk vormingsonderwijs zoals bedoeld in artikel 50 WPO en mag dus niet voor iets anders worden gebruikt. Dit betekent dat scholen die gebruik maken van het aanbod van het Centrum voor Vormingsonderwijs, ook als dit onderwijs via het carrouselmodel betreft, daarnaast zelf aandacht moeten besteden aan geestelijke stromingen in het reguliere curriculum, zoals voorgeschreven is in artikel 9 van de WPO.
Dit is ook aan de orde gesteld in het gesprek dat jaarlijks met het Centrum voor Vormingsonderwijs wordt gevoerd. Ik blijf over dit onderwerp met het Centrum voor Vormingsonderwijs in gesprek.
Hoe wordt in de voorlichting voldoende duidelijk gemaakt dat ouders het recht hebben om te vragen om godsdienstig of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs in een specifieke richting, gegeven door mensen uit die specifieke richting?
In artikel 50, derde lid, van de WPO is bepaald dat ouders over deze mogelijkheid moeten worden geïnformeerd in de schoolgids. Ouders kunnen zich op die manier uitspreken over of zij willen dat hun kind dit aanbod wel of niet volgt.
Het bericht dat de dure betalingsregeling van Infomedics de tandarts onbetaalbaar maakt |
|
Maarten Hijink |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de dure betalingsregeling van Infomedics de tandarts onbetaalbaar maakt?1
Het staat een ondernemer, en dus ook een tandarts, vrij om gebruik te maken van deze dienstverlening. De voordelen ervan worden ook genoemd in de kabinetsbrief van 25 november 20192. Schuldeisers hebben er baat bij dat vorderingen door geregistreerde incassodienstverleners op een economische renderende wijze worden verhandeld en dat die op een innovatieve, doelmatige en klantvriendelijke wijze worden geïnd. Zo geeft de mogelijkheid om vorderingen (gedeeltelijk) te verkopen een zorgverlener de gelegenheid zich volledig te richten op zijn of haar werk in de zorg en kan dus efficiënt zijn.
Voor wat betreft de kosten voor de patiënt constateer ik dat direct bij het ontvangen van de factuur gekozen kan worden voor een betalingsregeling en dat hiervoor servicekosten kunnen worden gerekend. Ik wil hierover opmerken dat het doel van dit kabinet is om incassokosten zoveel mogelijk te voorkomen en snel te acteren bij beginnende betalingsachterstanden. Dat doet het kabinet samen met gemeenten, publieke en private (incasso)partijen.
Hoe reageert u op de twijfels van de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) over de juridische houdbaarheid van de administratiekosten die Infomedics rekent? Hoe beoordeelt u die juridische houdbaarheid?
Laat ik vooropstellen dat het niet aan het kabinet is om een oordeel te geven over de juridische houdbaarheid in individuele casuïstiek.
Reguliere incassokosten zijn redelijke kosten die schuldeisers in rekening mogen brengen zonder een gerechtelijke procedure als mensen niet of te laat betalen.
Uit de casus maak ik op dat Infomedics ervoor kiest om niet af te wachten of mensen (op tijd) de factuur in een keer zullen betalen en de kosten die zij daarvoor maximaal in rekening mogen brengen – te weten 40 euro – aanwendt ter dekking van operationele kosten voor het aanbieden en uitvoeren van een betalingsregeling. Mensen krijgen de mogelijkheid om de factuur in maximaal 8 delen te betalen, waarbij per termijn € 5,– servicekosten wordt gerekend.
Infomedics laat weten dat bij een betalingsachterstand de procedure en kosten, zoals opgenomen in de Wet Incassokosten, worden gevolgd, en in dat geval de servicekosten komen te vervallen.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat mensen die vanwege hun kwetsbare financiële positie een betalingsregeling nodig hebben, hier vervolgens nog flinke extra kosten voor moeten maken?
Ja, ik ben het ermee eens dat excessieve (incasso)kosten voor mensen met een kleine portemonnee dienen te worden voorkomen. Tegelijk bestaat het dilemma waar de operationele kosten voor deze dienstverlening dan moeten vallen. Het is daarom zoeken naar een balans en mogelijkheden om deze kosten zoveel mogelijk te voorkomen. Ik ga er daarbij vanuit dat de kosten voor de betalingsregelingen niet boven op de reguliere buitengerechtelijke kosten komen.
Infomedics, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) en NVVK hebben laten weten dat zij ieder vanuit hun eigen rol willen meedenken in concrete en uitvoerbare oplossingen in het belang van de financieel kwetsbare patiënt. De betrokken departementen gaan hierover met deze partijen in gesprek.
Hoe beoordeelt u het verschil tussen betalingsregelingen voor het eigen risico zonder administratiekosten, en de betalingsregeling van Infomedics, waar per termijn 5 euro moet worden betaald? Ziet u hier een fundamenteel verschil tussen dat de administratiekosten van Infomedics legitimeert?
Zorgverzekeraars hebben de keuze gemaakt om geen kosten in rekening te brengen aan hun klanten voor het treffen van een betalingsregeling. Dit kost zorgverzekeraars extra geld aan beheerskosten, maar daar staan weer extra inkomsten tegenover, omdat klanten in de gelegenheid worden gesteld om makkelijker aan hun financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Het incassopercentage is dus hoger. Private partijen maken daarin hun eigen afweging op basis van de kosten die zij maken (deze kosten kunnen verschillen), de mate waarin de kosten kunnen worden doorgerekend aan andere klanten, maar ook maken private partijen een keuze hoe zij willen omgaan met sociaal incasseren.
Kent u meer voorbeelden waarbij mensen extra administratiekosten moeten betalen als zij een betalingsregeling nodig hebben om hun zorgkosten te kunnen betalen? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, bent u bereid om dit verder te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Bij het achterwege blijven van betaling in het algemeen wordt de Wet Incassokosten (WIK) toegepast. Het minimumbedrag aan wettelijke incassokosten is 40 euro en het maximumbedrag is 6.775 euro. Ik ken geen voorbeelden en heb ook geen aanwijzingen dat extra kosten in rekening worden gebracht voor een betalingsregeling.
Hoe beoordeelt u het dat Infomedics afgelopen jaar 25 miljoen euro brutowinst maakte, op een omzet van slechts 59 miljoen euro? Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat een bedrijf met zorggeld zulke winsten kan maken?
Dit valt niet te beoordelen. Ik heb namelijk geen inzage in de volledige boekhouding van Infomedics. Zoals ik heb geantwoord bij vraag 1 staat het een ondernemer, en dus ook een tandarts, vrij om gebruik te maken van deze dienstverlening.
Welke maatregelen kunnen er worden getroffen om te voorkomen dat mensen die noodzakelijke zorgkosten maken en hiervoor een betalingsregeling nodig hebben daarvoor beboet worden?
De incassokosten zijn bij wet vastgelegd in de Wet Incassokosten (WIK). Het minimumbedrag aan wettelijke incassokosten is 40 euro en het maximumbedrag is 6.775 euro.
Het kabinet spant zich in om schuldenproblematiek te voorkomen dan wel vroegtijdig op te sporen, zodat mensen niet in de situatie komen dat betalingsachterstanden en incassokosten zich opstapelen. Specifiek voor de mondzorg geldt de mogelijkheid tot het afsluiten van een aanvullende zorgverzekering en in noodsituaties kan een beroep worden gedaan op regelingen bij de gemeente. Rijk, zorgverzekeraars, VNG en de Mondzorgalliantie zijn met elkaar in gesprek welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden om de toegang tot de mondzorg te verbeteren.
Bent u bereid om het onmogelijk te maken om mensen die noodzakelijke zorgkosten maken en hiervoor een betalingsregeling nodig hebben daarvoor te beboeten?
Nee, ik ben niet bereid om het onmogelijk te maken om mensen die noodzakelijke zorgkosten maken en hiervoor een betalingsregeling nodig hebben daarvoor te laten betalen. Dit kabinet heeft wel als doel gesteld om zoveel mogelijk te voorkomen en snel te acteren bij beginnende betalingsachterstanden. Dat doet het kabinet samen met gemeenten, publieke en private (incasso)partijen.
Het vernietigen van interne correspondentie door de Europese commissie |
|
Mustafa Amhaouch (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel: «Brussel vernietigt op grote schaal interne correspondentie»?1
Ja.
Klopt de aantijging die gedaan wordt in het artikel, namelijk dat de Europese Commissie op grote schaal correspondentie verwijdert waardoor onder meer notulen van besloten vergaderingen en interne documenten verdwijnen?
Het is niet aan het kabinet om te treden in de vraag of de Europese Commissie in strijd heeft gehandeld met eigen EU-regels. Als er twijfels bestaan of de Europese Commissie de verzoeken tot toegang correct heeft afgehandeld kan een verzoeker zich richten tot de EU Ombudsman of het Gerecht (onderdeel EU Hof van Justitie). Daarnaast heeft ook het Europees Parlement (EP) een rol. Het EP controleert de Europese Commissie en EP-leden kunnen de Europese Commissie hierover vragen stellen, zoals bijvoorbeeld de gestelde vragen door de Europarlementariër in ’t Veld (Renew).2
Klopt het dat de Europese Commissie hiermee in strijd handelt met de eigen EU-regels, zoals bijvoorbeeld opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uit 2001? Kunt u de passages tonen waarmee in strijd wordt gehandeld?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er nog andere regels waarmee in strijd gehandeld wordt die van toepassing zijn op de archiveringsmethodiek van de Europese Commissie of de manier waarop correspondentie intern en extern bewaard dient te worden?
De Eurowob-verordening is de algemene wetgeving waarin alle regels vastgelegd zijn wat betreft toegang tot documenten van de drie EU-instellingen. In Commissiebesluit (2020) 4482 heeft de Europese Commissie vervolgens specifieker uitgewerkt wat de interne regels zijn omtrent het beheren en archiveren van documenten en hoe deze rekening houden met de uitgangspunten van de Eurowob-verordening. Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2 en 3, is het niet aan het kabinet om te treden in de vraag of de Europese Commissie hiermee in strijd heeft gehandeld.
De Europese Commissie stelt in een reactie dat zij met haar archiveringsbeleid aansluit op internationale kwaliteitsstandaarden, deelt u dat de Europese Commissie aan internationale kwaliteitsstandaarden voldoet? Kunt u deze standaarden definiëren?
Binnen de Europese Commissie is het Directoraat-Generaal Informatica (DIGIT) verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van de technologische infrastructuur om documenten te archiveren en beheren.3 Het Secretariaat-Generaal is ervoor verantwoordelijk om te zorgen dat de implementatieregels worden toegepast,4 en elke Directeur-Generaal is ervoor verantwoordelijk dat binnen ieder Directoraat-Generaal de benodigde organisatie, administratieve en fysieke structuur en de juiste capaciteit aanwezig zijn om het archiveringsbeleid van de Europese Commissie uit te voeren.5 Elk Directoraat-Generaal heeft een document management officer aangesteld om ervoor te zorgen dat de implementatieregels correct en uniform worden toegepast binnen de Directoraten-Generaal.6 Ook worden trainingen aangeboden om personeel te ondersteunen bij het archiveren.7 De Europese Commissie heeft hiervoor ook interne richtlijnen opgesteld waaraan medewerkers zich dienen te houden.8
De Europese Commissie zorgt ervoor dat de interne werkwijze conform het eigen archiveringsbeleid is en doet zo nodig onderzoek. Dergelijk onderzoek kan ook weer een aanleiding zijn voor de Europese Commissie om kritisch te kijken naar de eigen werkprocessen en de ondersteunende ICT-systemen.
Geldt dergelijke mate van slechte archivering ook voor andere Europese instituties (namelijk de Raad voor de Europese Unie, het Europees Parlement, de Europese Centrale Bank en het Hof van Justitie)?
Iedere EU-instelling draagt zelfstandig zorg voor de interne werkwijze als het gaat om het archiveren van documenten.
Kunt u aangeven welke afdeling bij de Europese Commissie verantwoordelijk is voor archiveren? En welke Eurocommissaris hiervoor verantwoordelijk is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om en gaat u deze verantwoordelijke Eurocommissaris om opheldering vragen?
Zoals aangeven in de antwoorden op vragen 2 en 3 kan een verzoeker, als er twijfels bestaan of de Europese Commissie de verzoeken tot toegang correct heeft afgehandeld, zich richten tot de EU Ombudsman of het Gerecht. Daarnaast heeft ook het EP een rol, omdat het EP de Europese Commissie controleert en EP-leden de Europese Commissie vragen kunnen stellen.
Overigens dringt het kabinet meer in algemene zin aan op transparantie en het afleggen van rekenschap vanuit de EU-instellingen, waaronder de Europese Commissie. Goede informatievoorziening draagt hieraan bij. Uw Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de Nederlandse inzet om het transparantiebeleid van de EU te moderniseren. Zo initieerde Nederland gezamenlijk met 9 andere lidstaten het non-paper «Increasing transparency and accountability of the EU»,9 en initieerde onder andere Nederland met Duitsland en Denemarken de transparency pledgewaarin betrokkenen vanuit het EP, de Raad en de Commissie toezegden om zich in te zetten voor meer transparantie in de EU.10
Kunt u aangeven of en op welke Wob-verzoeken sinds 2001 de Europese Commissie geen antwoord heeft kunnen geven vanwege het niet archiveren van correspondentie?
De Europese Commissie legt jaarlijks verantwoording af in een rapport over de toepassing van de Eurowob-verordening.11 Uw Kamer ontving een appreciatie van het kabinet over dat rapport van de Europese Commissie.12 In de annex van het rapport uit 2020 van de Europese Commissie staan gedetailleerde statistieken over het aantal verzoeken dat de Europese Commissie heeft ontvangen en de antwoorden van de Europese Commissie op die verzoeken (waaronder het aantal keren dat de Europese Commissie als antwoord heeft gegeven dat er geen documenten waren).13
Kunt u aangeven of navraag doen over correspondentie welke door de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging is gedaan bij de Europese Commissie waarop niet geleverd kon worden? Klopt het dat e-mails en andere documenten alleen gearchiveerd worden als ambtenaren in Brussel een apart vinkje zetten voor registratie? Geldt dat ook voor Nederlandse vertegenwoordigers bij de Permanente Vertegenwoordiging en voor Nederlandse inhoudelijke specialisten welke werken in de werkgroepen van de Europese Commissie?
Het kabinet heeft geen zicht op verdere details van het informatiesysteem dat de Europese Commissie intern gebruikt voor de archivering van correspondentie. Nederlandse vertegenwoordigers bij de Permanente Vertegenwoordiging werken met eigen informatiesystemen.
Klopt het dat deze werkwijze ertoe leidt dat publieke controle op gevoelige en omstreden belastingafspraken tussen EU-landen onmogelijk wordt zoals in het artikel wordt gesteld? En welke gevolgen heeft dit voor die belastingafspraken?
Specifiek met betrekking tot de transparantie van de groep Gedragscode, die ziet op de evaluatie van belastingmaatregelen die mogelijk onder de Gedragscode vallen, pleit het kabinet waar mogelijk voor verbetering van transparantie van deze groep. Hierover heeft het kabinet uw kamer ook recentelijk geïnformeerd via de geannoteerde agenda van de Eurogroep en Ecofinraad van 6 en 7 december 2021.14 Zo pleit het kabinet in de groep Gedragscode voor verdergaande transparantie en bepleit daarbij dat er meer documenten, zoals zogenaamde steering en follow-up notes, en verslagen op hoofdlijnen, moeten worden vrijgegeven. Nederland zal de komende periode zich onverkort blijven inzetten voor de verdere uitwerking van de te nemen maatregelen om de transparantie van de groep Gedragscode te verbeteren.
Lidstaten mailen regelmatig met Brussel om hun omstreden belastingregimes te verdedigen, is dergelijke correspondentie nog wel op te vragen bij de betreffende lidstaten? Kunt u aangeven of een Europees Wob-verzoek ook betrekking heeft op deze communicatie welke wordt opgeslagen in de archieven van lidstaten? En is deze communicatie dus via de weg van lidstaten te achterhalen?
Onder de Eurowob-verordening kan alleen een verzoek tot toegang tot documenten ingediend worden voor documenten in het bezit van een van de drie instellingen. Voor zowel een Wob- als een Eurowob-verzoek geldt dat alle documenten getoetst worden. Vrijgave van documenten kan geweigerd worden op basis van een aantal bij wet geregelde uitzonderingsgronden.
De door de lidstaten zelf gearchiveerde correspondentie tussen lidstaten en EU-instellingen, valt niet onder het toepassingsgebied van de Eurowob-verordening.15
Wanneer lidstaten zelf correspondentie met EU-instellingen hebben gearchiveerd, kan toegang tot die documenten opgevraagd worden via een daartoe bestemde nationale procedure. Iedere lidstaat is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van deze nationale procedures. In Nederland bestaat de mogelijkheid om een verzoek in te dienen op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Heeft de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging of dienstdoende ministerie de Nederlandse communicatie met de Europese Commissie over belastingregimes opgeslagen?
Communicatie van de Permanente Vertegenwoordiging en dienstdoende ministeries met de Europese Commissie wordt opgeslagen conform de regels die daarvoor zijn vastgelegd in de Archiefwet, het Archiefbesluit en in de Archiefregeling.16 Documenten van de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging en de dienstdoende ministeries vallen onder de Wob.
Kunt u duiden wat deze gang van zaken betekent voor de democratische legitimiteit van de Europese Unie? Ziet u dit praktische deficit als een appèl op u als nestor regeringsleider om dit te agenderen binnen het Europese ambtelijk apparaat?
Het kabinet onderschrijft de werking van de Eurowob-verordening als instrument tot toegang tot documenten. Binnen de Raad spant Nederland zich in om de EU- besluitvormingsprocedures inzichtelijker en toegankelijker te maken. Bijvoorbeeld door in te blijven zetten op de herziening van de limité-richtsnoeren van de Raad, zodat de limité-markering van Raadsdocumenten eerder wordt opgeheven.
De juiste toepassing van de Eurowob-verordening maakt het mogelijk dat volksvertegenwoordigers en media hun controlerende taak naar behoren kunnen uitvoeren. Zo was het onderzoek van NRC gebaseerd op zo’n 2500 documenten die publiek toegankelijk waren of die zijn verkregen op basis van een verzoek tot toegang onder de Eurowob-verordening.
Als er twijfels bestaan of de Europese Commissie de verzoeken tot toegang correct heeft afgehandeld kan een verzoeker zich richten tot de EU Ombudsman of het Gerecht. Daarnaast heeft ook het EP een rol, omdat het EP de Europese Commissie controleert en EP-leden de Europese Commissie vragen over kunnen stellen. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn er bijvoorbeeld door de Europarlementariër in ’t Veld (Renew) vragen gesteld aan de Europese Commissie.17
In algemene zin geldt dat transparantie over het besluitvormingsproces van de instellingen bijdraagt aan het vertrouwen van de burgers in deze instellingen.
Kunt u duiden wat dit bericht doet met het vertrouwen dat mensen hebben in de Europese instellingen en het Europese besluitvormingsproces?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u aangeven wat dit doet met de controlerende taak van volksvertegenwoordigers en media over het besluitvormingsproces binnen de Europese Unie?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u aangeven welke opvolging deze constatering wat u betreft heeft?
Nederland dringt bij alle EU-instellingen, met inbegrip van de Raad, aan op transparantie van de EU-instellingen en het afleggen van rekenschap. Goede informatievoorziening draagt hieraan bij. Met betrekking tot de transparantie van de groep Gedragscode pleit het kabinet waar mogelijk voor de verbetering van transparantie van deze groep. Hierover heeft het kabinet uw kamer ook recentelijk geïnformeerd via de Geannoteerde agenda van de Eurogroep en Ecofinraad van 6 en 7 december 2021.18 Zo pleit het kabinet in de groep Gedragscode voor verdergaande transparantie en bepleit daarbij dat er meer documenten, zoals zogenaamde steering en follow-up notes, en verslagen op hoofdlijnen, moeten worden vrijgegeven. Nederland zal de komende periode zich onverkort blijven inzetten voor de verdere uitwerking van de te nemen maatregelen om de transparantie van de groep Gedragscode te verbeteren.
Kunt een officiële brief sturen namens de Nederlandse regering naar de Europese Commissie waarin u aangeeft dat de archivering van de Europese Commissie op orde moet zijn en dat een Europees Wob-verzoek moet leiden tot openheid van zaken, met het verzoek de huidige methodiek aan te passen? Kunt u de Kamer over dergelijke brief die u gaat sturen informeren?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u dit tevens aankaarten in de Raad via de Minister in de daarvoor verantwoordelijke Raadsvergadering met het verzoek van de lidstaten dat de Europese Commissie zijn archiveringssysteem op orde brengt?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over EU-informatievoorziening op 9 december?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Bent u bekend met de verklaring1 zoals die is ondertekend door Nederland2 tijdens de COP26-bijeenkomst in Glasgow over het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de groene energietransitie?
Ja.
Wat wordt de inzet van Nederland op de bijeenkomst van de Export Finance for Future (E3F)-landen in Nederland op 24 november 2021, nu alle deelnemende landen van deze coalitie zich hebben aangesloten bij de verklaring over overheidssteun van de COP26-conferentie in Glasgow?
In de E3F coalitie was reeds afgesproken te onderzoeken hoe steun voor fossiele transacties in de exportkredietverzekering (ekv) het beste uitgefaseerd kan worden.3 Verschillende landen uit de coalitie hadden op dit punt al verdere stappen gezet. Nu alle landen van E3F coalitie de COP26 verklaring hebben getekend, is het de inzet van het kabinet om E3F mede te benutten als forum voor de implementatie van deze verklaring voor zover het de ekv-gerelateerde aspecten ervan betreft. Daarnaast werkt de E3F coalitie aan het stimuleren van groene transacties (incentives), gezamenlijke reporting (transparantie) en inzet in internationale fora. Verder spant Nederland zich in om meer landen bij de E3F coalitie te betrekken met het oog op een gelijk speelveld.4
Kunt u uiterlijk begin 2022 een strategie naar de Kamer sturen over de stappen die Nederland zet om concreet invulling te geven aan de verklaring die is ondertekend in Glasgow? Kunt u daarin ook terugkomen op de vraag hoe ervoor wordt gezorgd dat het gebruik van fossiele brandstoffen wordt uitgefaseerd om zo de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5 graad en zodat Nederland klimaatkoploper kan gaan worden?
Zoals in de Kamerbrief aangegeven zal het kabinet in 2022 werken aan nieuw beleid voor het beëindigen van internationale overheidssteun aan de fossiele energiesector, in het bijzonder voor wat betreft de exportkredietverzekering. De inzet is om dit beleid voor eind 2022 te implementeren. Het komende jaar zal benut worden om met de betrokken sectoren tot een zorgvuldige implementatie te komen. De gesprekken hierover zijn, gezien de ambitieuze deadline van eind 2022, reeds gestart en zullen zo snel mogelijk worden verdiept en voortgezet. De Kamer zal over de uitkomsten hiervan worden geïnformeerd.
Het kabinet zal conform de aangenomen motie van de leden Hammelburg c.s. begin 2022 rapporteren over het streven om in internationaal verband afspraken te maken om vervuilende activiteiten in de ekv uit te faseren.5 Hierin zal ook ingegaan worden op de voortgang rond de implementatie van de verklaring.
Kunt u deze vragen uiterlijk 23 november 2021, voor de E3F-bijeenkomst op 24 november 2021, beantwoorden?
Ja.
Energieleverancier Enstroga dat omvalt door de hoge gasprijs |
|
Joris Thijssen (PvdA), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ook energieleverancier Enstroga valt om door hoge gasprijs»?1
Vindt u het ook zorgwekkend dat er opnieuw een energieleverancier omvalt, waardoor tientallen huishoudens met stijgende energieprijzen te maken krijgen?
Laat ik vooropstellen dat ik het uitermate vervelend vind wanneer huishoudens te maken krijgen met faillissement van hun energieleverancier, zowel wat betreft de onzekerheid die hen dit geeft ten aanzien van de energielevering als ten aanzien van de onzekerheid over eventuele financiële gevolgen. De uitzonderlijke situatie op de gasmarkt met de hoge prijzen levert onzekerheid op omdat huishoudens en ondernemers zich zorgen maken of de prijzen blijven stijgen en of ze hun energierekening nog kunnen betalen. Het kabinet erkent deze zorgen en heeft daarom besloten om dit jaar, eenmalig, de energiebelastingen aan te passen om een lastenverlichting te realiseren. Dit helpt afnemers wiens leverancier is weggevallen en nu hogere prijzen moeten gaan betalen op korte termijn, net als de vele andere huishoudens in Nederland die te maken hebben of krijgen met een verhoging van de energierekening.
Ik heb in de brief naar aanleiding van motie Omtzigt c.s. bij de derde termijn van de Algemene Financiële Beschouwingen inzake energieleveranciers (Kamerstuk 34 552, nr. 38) uiteengezet waarom een gerichte aanpak van compensatie vanwege de grote verschillen in de gevolgen voor specifieke huishoudens op korte termijn niet mogelijk was. Dat geldt niet alleen in het geval van Welkom Energie, maar ook in het geval van Enstroga.
Ook in het geval van Enstroga zou individuele compensatie zeer ingewikkeld zijn en veel tijd kosten, met als gevolg dat ook de klanten van Enstroga maanden of jaren zouden moeten wachten op enige compensatie. Dat is niet in het belang van de consument en juist daarom heeft het kabinet gekozen voor de generieke en snelle ingreep op de energierekening door het verlagen van de belastingen voor iedereen.
De door het kabinet voorgestelde aanpassing van de energiebelastingen gaat per 1 januari 2022 in. De energieleveranciers hebben aangeboden deze verlaging al te verwerken in de voorschotten van de resterende maanden van dit jaar. Daarmee wordt uiteraard niet de gehele stijging voor deze huishoudens gecompenseerd, ook niet voor de klanten die gedwongen moeten overstappen wegens faillissement van Enstroga, maar het is wel een substantiële compensatie.
Verder heeft het kabinet 150 miljoen euro gereserveerd om kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening en/of een slechte energetische staat van hun woning te ondersteunen via gemeenten (Kamerstuk 29 023, nr. 272). Daarnaast is het kabinet in gesprek gegaan met VNG en gemeenten over of en hoe huishoudens met een laag inkomen een extra tegemoetkoming kunnen ontvangen voor de stijgende energieprijzen (Kamerstuk 35 927, nr. 29). De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft u recent over de uitkomsten geïnformeerd. In overleg met de betrokken partijen is besloten tot een generieke oplossing om huishoudens met de laagste inkomens een eenmalige tegemoetkoming als compensatie voor de gestegen energierekening te geven. Het kabinet en gemeenten willen de gekozen oplossing zo praktisch mogelijk vormgeven opdat gemeenten alvast hiermee aan de slag kunnen.
Voor informatie over het aangaan en opzeggen van contracten kunnen consumenten terecht bij ACM Consuwijzer. Met de recente verhoging van de energieprijzen ziet de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de informatiebehoefte van consumenten veranderen. Daarom geeft de ACM onder andere via het loket van ACM ConsuWijzer meer voorlichting over leveringszekerheid en de rechten die consumenten hebben bij het aangaan en opzeggen van hun contract, ook in geval hun leverancier is weggevallen vanwege een faillissement. Verder geldt wettelijk geregeld is dat, ingeval de ACM de leveringsvergunning van een energieleverancier intrekt, bijvoorbeeld wegens faillissement, de consument niet zonder stroom of gas komt te zitten.
Bent u het eens dat deze mensen geholpen dienen te worden? Welke steun kunt u bieden aan de getroffen consumenten en bedrijven voor wie er geen energieleverancier meer is?
Zie antwoord vraag 2.
Bent bereid om in samenspraak met andere energiebedrijven deze consumenten en bedrijven te helpen met het vinden van een gelijkwaardig alternatief of in ieder geval er voor te zorgen dat consumenten gecompenseerd worden vanwege de hogere flexibelere tarieven die zij nu moeten gaan betalen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u ook dat de gehele sector zou moeten bijdragen, net zoals bijvoorbeeld het waarborgfonds in de reisbranche, om consumenten te beschermen?
Een waarborgfonds heeft voordelen en nadelen. Het belangrijkste voordeel van een waarborgfonds is dat consumenten zekerheid hebben dat zij voorschotten terugkrijgen die zij aan hun energieleveranciers hebben betaald die failliet gaan. Naast dit voordeel zie ik ook de volgende risico’s en bezwaren.
Allereerst de hoge kosten. Het fonds moet van grote omvang zijn als het alle financiële gevolgen van huishoudens bij het omvallen van ook grote leveranciers zou moeten dekken. De vraag is dan ook door wie dit fonds financieel gevuld zou moeten worden. Indien het fonds wordt gefinancierd door de sector, is het onvermijdelijk dat die kosten uiteindelijk worden neergelegd bij de huishoudens en de energierekening nog verder zal stijgen. Een garantie is niet gratis.
Ten tweede kan er risicoverplaatsing optreden. Als het fonds alleen door de sector wordt gefinancierd, draagt de gehele sector het financiële risico van commerciële partijen die risicovol gedrag vertonen op de markt. Hierdoor worden betrouwbare energieleveranciers als het ware «beboet» voor faillissementen van energieleveranciers die risicovol gedrag vertonen dan wel hebben vertoond. Dit kan er toe leiden dat energieleveranciers die risicovol gedrag vertonen, risicovol gedrag blijven vertonen, omdat zij zelf de negatieve gevolgen niet zullen ondervinden.
Aan een waarborgfonds kleven dus niet alleen voordelen, maar ook de nodige risico’s en negatieve gevolgen voor consumenten en de sector. Niettemin vind ik het van belang dat het kabinet blijft zoeken naar mogelijkheden om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers te verbeteren. Bij deze zoektocht neem ik de vraag mee of er een uitvoerbare en doelmatige uitwerking van een fonds mogelijk is. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid om zo’n waarborgfonds met de sector te bespreken en hen aan te sporen zo’n waarborgfonds te realiseren?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er bij u meer energieleveranciers bekend die op dit moment op omvallen staan vanwege de hoge gasprijs?
De ACM kan vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid van gegevens geen informatie verstrekken of er meer energieleveranciers in de acute financiële problemen verkeren. Wanneer zij daadwerkelijk over moet gaan tot intrekking van de vergunning van een leverancier, neemt zij hiertoe een besluit dat zij openbaar maakt. Het meest recente intrekkingsbesluit dateert van 2 december jl., en betreft het intrekken van de vergunning van energieleverancier Kleinverbruik Energie der Nederlanden (KEN; bekend onder de handelsnaam Anode Energie.2 Op 8 december jl. is de vergunning ingetrokken van SEPA met circa 20.000 klanten.
Bent u bereid de gehele sector door te lichten om zo te voorkomen dat nog meer energieleveranciers gaan omvallen?
De ACM is toezichthouder voor gedragingen van marktpartijen en maakt zich onder meer sterk voor een goed werkende energiemarkt voor consumenten en bedrijven. De ACM let erop of alle marktdeelnemers zich houden aan de regels voor concurrentie en marktwerking. Bij haar toezichtsrol controleert de ACM of energiebedrijven kunnen voldoen aan de eisen voor leveringszekerheid en monitort in dat kader de financiële positie van energieleveranciers. Zij doet dit jaarlijks in oktober en vanwege de huidige marktomstandigheden dit jaar al in september, en kijkt daarbij een jaar vooruit. Deze rol oefent zij uit als zelfstandig bestuursorgaan waarmee de onafhankelijkheid wettelijk geborgd is. Ik kan dan ook geen opdracht geven aan de ACM om de op de energiemarkt betrokken partijen «door te lichten». Het is aan de ACM om als onafhankelijke toezichthouder onderzoek te doen naar het functioneren van de energiemarkt en de gedragingen van energieleveranciers in dat verband. Wel werk ik, zoals ik heb aangegeven in de brief naar aanleiding van motie Omtzigt c.s. bij de derde termijn van de Algemene Financiële Beschouwingen inzake energieleveranciers (Kamerstuk 34 552, nr. 38) aan een aangescherpt wettelijk kader voor het toezicht door de ACM en scherpere eisen aan energieleveranciers. Dit is opgenomen in het voorstel voor een nieuwe Energiewet, welk wetsvoorstel momenteel voorligt bij betrokken toezichthouders voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets en zal na advisering door de Raad van State in 2022 naar uw Kamer worden gestuurd.
In aanvulling hierop nog het volgende. Deze periode van hoge prijzen voor gas en elektriciteit vormt een grote opgave voor alle leveranciers en voor het systeem van Nederland. We zien dat meerdere energieleveranciers failliet zijn gegaan en dat dit grote nadelige gevolgen voor consumenten heeft. Naar aanleiding van de ontwikkelingen op de markt ben ik in gesprek met ACM en leveranciers om te kijken of het wettelijk kader voor toezicht van ACM robuust genoeg is. Het is een gezamenlijke opdracht om te zorgen dat de energieleveranciers voldoende kwaliteit, klantgerichtheid en risicomanagement hebben om de verwachtingen van consumenten te kunnen waarmaken. Klanten moeten er vanuit kunnen gaan dat hun leverancier voldoende financiële middelen heeft om de inkoop voor energie ook bij hogere marktprijzen te kunnen garanderen.
Ik wil onderzoeken of het wenselijk en mogelijk is om hier nadere eisen aan te stellen en zo ja, welke eisen het doel het beste bereiken en goed uitvoerbaar zijn voor zowel energieleveranciers als de ACM. Daarbij moet ook onderzocht worden wat de gevolgen zouden kunnen zijn op de prijsvorming en op de mogelijkheid voor nieuwe leveranciers om tot de markt toe te treden. Bij dit onderzoek wil ik tevens de mogelijkheden onderzoeken om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers te verbeteren, Ik zal dit door een externe partij laten onderzoeken, in goed overleg met de ACM en de leveranciers. Indien dit leidt tot wijzigingen in de wetgeving, zal ik uw Kamer informeren.
Hoe gaat u ervoor zorg dragen dat consumenten beschermd worden en zij niet opnieuw de dupe worden dat nog meer energiebedrijven gaan omvallen?
De energiebedrijven zijn in Nederland actief op een vrije markt, waarin zij onderling met elkaar concurreren. Inherent aan deze concurrerende omgeving is de toetreding- en uittreding van energiebedrijven, waarbij de uittreding onder meer kan worden veroorzaakt door een faillissement. Bij het opstellen van de nieuwe Energiewet is gekeken op welke wijze strengere eisen gesteld kunnen worden aan leveranciers en op welke wijze het handhavingsinstrumentarium kan worden uitgebreid. Deze maatregelen zorgen ervoor dat het (financiële) toezicht op en eisen aan energieleveranciers worden verscherpt. Bij de uitwerking van de aangescherpte eisen en toezichtmogelijkheden zoals beschreven in vraag 7, is het belang van consumentenbescherming primair. De aangescherpte eisen zorgen ervoor dat consumenten worden beleverd door leveranciers die aan strengere eisen zijn onderworpen en die ook gedurende de looptijd van de leveringsvergunning aan meer verplichtingen moeten voldoen. Hiermee wordt de consument beter beschermd.
Naar aanleiding van de faillissementen dit jaar en de nadelige financiële gevolgen voor consumenten, vind ik het belangrijk om nader te onderzoeken of het wenselijk en mogelijk is nadere eisen te stellen aan de financiële positie van de energieleveranciers om zo de kans te verkleinen dat faillissementen zich voordoen, zoals aangekondigd bij het antwoord op vraag 8. Bij dit onderzoek wil ik tevens de mogelijkheden onderzoeken om de positie van consumenten bij faillissementen van energieleveranciers te verbeteren.
Kunt u aangeven wanneer u antwoord geeft op de door ons eerder gestelde vragen over energiebedrijf loost klanten vanwege hoge gasprijs?2
De beantwoording is op 25 november 2021 aan de Kamer gezonden.4
De afhandeling van de schade van de wateroverlast in Limburg en Noord- Brabant van juli 2021 |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Stef Blok (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Staat u nog steeds achter de uitspraken van voormalig Staatssecretaris Van Veldhoven: «We willen als signaal geven: Limburg staat er niet alleen voor, ook financieel niet.» en achter de uitspraak van demissionair Minister-President Rutte: «Eigenlijk zijn er nu drie rampen. Eerst was er corona, nu deze overstromingen, en straks moeten alle mensen aan de slag met het opruimen en herstellen. Het is ramp, na ramp, na ramp. Maar we zullen Limburg niet in de steek laten.»?1
Ja.
Is het correct dat er nog geen enkel bedrag in het kader van de Wet Tegemoetkoming schade (Wts) is uitbetaald?
Nee, dit is niet correct. Eind oktober zijn de eerste betalingen gedaan. Op 14 december heeft RVO 2.325 meldingen ontvangen. Er zijn al 1.513 schade expertises gepland of (deels) uitgevoerd. Inmiddels zijn 438 aanvragen beoordeeld. Er is ondertussen 5.232.370 euro uitbetaald aan 234 gedupeerden. Naar verwachting zullen deze aantallen de komende weken verder oplopen.
Zo ja, wat is de reden dat er nog geen enkel bedrag in het kader van de Wts is uitbetaald?
Zie antwoord vraag 2.
Welke acties onderneemt u om dit te bespoedigen?
Zoals ik in mijn beantwoording op vragen van de leden Amahouch, Boswijk en Van Dijk heb gesteld2 is alles in het werk gezet om de doorlooptijden zo kort mogelijk te houden. RVO heeft het Wts-loket, voorafgaand aan de inwerkingtreding van de regeling, op 9 augustus 2021 opengesteld. Vanaf die datum konden Wts-meldingen worden ingediend. Voorts heeft RVO afspraken gemaakt met de schade-experts van Stichting Nederlands Instituut van Register-Experts (NIVRE) die ter plekke bij de gedupeerden de schade inventariseren zodat direct met taxaties begonnen kon worden bij de inwerkingtreding van de regeling. Hierbij is ook aandacht gegeven aan de spreiding van de uit te voeren schade-expertises. In clusters, verspreid over het getroffen gebied, worden de schade-expertises uitgevoerd. De schade-expertise leidt tot een schaderapport. De schade-rapporten worden teruggelegd bij de gedupeerden, die vervolgens twee weken de tijd hebben om hierop te reageren. Vervolgens wordt het schade-rapport als Wts-aanvraag bij RVO ingediend. RVO spant zich in om de retour ontvangen Wts-aanvragen binnen 4 tot 6 weken uit te betalen. Alle aanvragen worden individueel beoordeeld, niet door een geautomatiseerd systeem, waarbij zorg wordt gedragen voor de menselijke maat. Hierin geeft RVO prioriteit aan gedupeerden met (dreigende) financiële problemen.
Kunt u pro forma uitbetalingen verrichten om de getroffenen in ieder geval tegemoet te komen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb aangegeven, verricht RVO kort na de schade-expertise de daadwerkelijke uitbetaling. Het is daarom niet nodig om een voorschot uit te betalen. Bovendien veroorzaakt bevoorschotting extra administratieve voor zowel de gedupeerden als voor RVO en daarmee het risico van vertraging.
Deelt u de mening van de heer Daan Prevoo, burgemeester van Valkenburg, dat de meldingstermijn voor de Wts verlengd moet worden omdat de inhuur van schade experts voor vertraging zorgt?
Allereerst merk ik op dat de beschikbaarheid van schade-experts niet zorgt voor vertraging. Verder merk ik op dat een gedupeerde kan volstaan met uiterlijk 15 december melding te doen van mogelijke schade. Het is niet nodig om dan al een compleet beeld te hebben van de schade. Na de genoemde datum kan de melding namelijk nog worden aangevuld. Het opnemen van de schade en de taxatie gebeurt na de melding en kan ook op een later moment als de schade eerder nog niet zichtbaar of taxeerbaar is.
Vanaf half november heeft RVO in samenwerking met de regio ingezet op nog meer bewustwording met de «meld je schade aan» campagne. Denk hierbij o.a. aan advertenties in regionale bladen. Gemeenten hebben met behulp van een door RVO beschikbaar gestelde gereedschapskist zelf aanvullend actie ondernomen. Dit heeft geresulteerd in een toename van het aantal meldingen. De Wet tegemoetkoming schade bij rampen bevat overigens een hardheidsclausule waarvan ik, indien een individueel geval daartoe aanleiding geeft, gebruik kan maken. Gelet op het vorenstaande zie ik geen aanleiding de termijn te verlengen.
Bent u bereid deze termijn met minimaal vier maanden te verlengen naar 15 april 2022?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u op de hoogte van de zogenaamde «Beurspolissen» (verzekeringsvorm) waarbij er niet wordt uitbetaald en de verzekeraar probeert de kosten door te schuiven naar de Wts?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat sommige verzekeraars met een beroep op de polisvoorwaarden de schade niet vergoeden.
Verzekeraars die geen dekking bieden voor een risico dat bij andere verzekeraars wel gedekt kan worden, kunnen die kosten overigens niet doorschuiven naar de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts). De Wts stelt immers de eis dat er uitsluitend een tegemoetkoming wordt verstrekt als een risico redelijkerwijs niet verzekerbaar is. Hiervan is geen sprake als andere verzekeraars het risico wel dekken. Overigens heb ik begrepen dat overstromingsrisico’s als maatwerk en onder voorwaarden ook aan beurspolissen kunnen worden toegevoegd.
Zo ja, heeft u de mogelijkheid om hierop in te grijpen?
Beurspolissen zijn onderdeel van privaatrechtelijke overeenkomsten. Als de polisvoorwaarden inderdaad overstromingsschade uitsluiten, kan de verzekeraar besluiten niet uit te keren. Ik heb geen mogelijkheid hierop in te grijpen. Als de verzekerde van mening is dat de verzekeraar zich ten onrechte beroept op de polisvoorwaarden staat gang naar de rechter open. Ik heb geen mogelijkheid om in dergelijke civielrechtelijke verhoudingen in te grijpen. Dit acht ik ook niet wenselijk. Het is aan de getroffen ondernemers, ondernemers die in gebied met grotere kans tot overstromingen wonen of hun verzekeringsagent om te onderzoeken welke dekking zij nodig hebben en of zij die moeten aanpassen, al dan niet bij een andere verzekeraar. Wel heb ik vernomen dat verschillende zakelijke verzekeraars en verzekeringsmakelaars overwegen hun dekking standaard uit te breiden. Het Verbond van Verzekeraars en de Nederlandse Vereniging Assurantie Beurs laten daarom onderzoek uitvoeren naar de risico’s van niet-primaire waterkeringen zodat marktpartijen hierin hun eigen afweging kunnen maken.
Zo nee, kunt u hier onderzoek naar doen?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening van de heer Prevoo dat er sprake is van een sterke juridisering van de Wts en dat dit ten koste gaat van de gedupeerden?
Ik deel de mening van de heer Prevoo niet. Ik acht het van groot belang dat gedupeerden adequaat en zo snel mogelijk worden geholpen. Tot op heden zijn al ruim 1.513 schade expertises gepland of (deels) uitgevoerd. Dit betekent dat schade experts bij mensen thuis of op de locatie van een bedrijf zijn langs geweest om de schade in kaart te brengen en een rapport op te stellen. Dit rapport wordt voorgelegd aan de gedupeerde en deze heeft vervolgens twee weken de tijd om met akkoord of niet-akkoord een aanvraag bij RVO in te dienen. Alle aanvragen worden individueel beoordeeld, niet door een geautomatiseerd systeem, dus met oog voor de menselijke maat. Ik ben dan ook van mening dat een meer coulante manier van omgaan met de afhandelingen van meldingen niet nodig is.
Zo ja, kan er een meer coulante manier van omgaan met de afhandeling van de meldingen worden gevonden?
Zie antwoord vraag 11.
Zo nee, kan er desalniettemin een meer coulante manier van omgaan met de afhandeling van de meldingen worden gevonden?
Zie antwoord vraag 11.
Welke eisen stelt u aan de kennis en ervaring van taxateurs en volgens welk protocol moeten zij werken aangezien blijkt dat de taxateurs verschillend te werk gaan bij de taxatie en het merendeel niet goed is ingevoerd in de sector waardoor veel zaken onduidelijk zijn, zo gaat de ene taxateur wel actief het veld in om te kijken terwijl de ander vanaf de keukentafel de zaken beoordeeld?
De RVO maakt gebruik van schade-experts van de Stichting Nederlands Instituut Van Register Experts (NIVRE). Door middel van een Europese aanbesteding is het NIVRE de opdracht nemende partij geworden die RVO voorziet van onafhankelijke schade-experts. Het NIVRE voorziet in schade-experts die gespecialiseerd zijn in verschillende soorten schade en kennis hebben van verschillende bedrijfssectoren. De schade-experts werken volgens de taxatierichtlijnen die hen door RVO zijn verstrekt waarbij de taxatie door de schade-expert in goed overleg met de schademelder uitgevoerd dient te worden. Indien een schademelder vragen heeft tijdens de taxatie dan kan deze te allen tijde de schade-expert hierover bevragen. Vragen en opmerkingen over de schade-experts kunnen ook gemeld worden bij RVO. De procedure van de Wts biedt daarnaast gelegenheid tot het niet akkoord gaan met de taxatie, waarop een hertaxatie plaatsvindt door een andere schade-expert van het NIVRE.
Vindt u het acceptabel dat de termijn van afhandeling van de schades lang is – na taxatie komt na dertien weken een reactie van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en daarna duurt het nog eens zeven weken voordat er wat uitbetaald wordt – en wat gaat u er aan doen om deze periode te verkorten?
De Wts is een vangnetregeling die ingezet kan worden na een ramp. Naast het kader dat de wet biedt, biedt de wet ruimte om invulling te geven aan de specifieke gebeurtenis die tot ramp wordt verklaard. Dat betekent altijd een zekere mate van maatwerk binnen de kaders van de Wts en het levert helaas vaak ook specifieke vraagstukken op waardoor de afhandeling gefrustreerd kan worden. De 13 weken termijn is dan ook een ruime termijn waarmee rekening wordt gehouden met mogelijke knelpunten in de complexe werkelijkheid van de ramp die schuurt met het kader van de vangnetregeling. Voor dossiers die compleet zijn, geldt dat over het algemeen de 13 weken termijn niet volledig benut hoeft te worden. Hetzelfde geldt voor de betaaltermijn. De indicatie is 4 tot 6 weken maar RVO streeft ernaar zo snel als mogelijk na een definitieve beoordeling de betaling te doen. Zie het antwoord op vraag 4.
Waarom is gekozen voor de omslachtige manier van melden op basis van kadastraal nummer in plaats van via de al bij u aanwezige gegevens voor de Landbouwtelling?
Hiervoor is gekozen met het oog op het snel openzetten van het digitale meldingsformulier en de complexiteit van het bouwen van de koppeling aan de gecombineerde opgave.
Kunt u aangeven wat de spelregels zijn met betrekking tot de vergoeding van meerjarige teelten, aangezien er nog veel onduidelijk is, en/of kunt u zorgen dat de RVO vragen hierover wel beantwoordt en dan met een klip en klare reactie?
Bij teeltplanschade aan meerjarige teelten gaat het om maatwerk. Een schade-expert van het NIVRE maakt in deze gevallen gebruik van bedrijfsspecifieke gegevens waarbij een zo goed mogelijke indicatie wordt gegeven van de schade die op het moment van de ramp is aangericht. Dit zal, veelal in overleg met de gedupeerde, door het NIVRE opgepakt worden.
Wat is volgens u de correcte toepassing van de drempel uit de Wts – de Wts kent een drempel van 20% schade maar het is bij RVO niet helder te krijgen of dit geldt per perceel, per gewas, per gewasgroep of per bedrijf – en kunt u ervoor zorgen dat de RVO vragen hierover wel beantwoordt en dan met een klip en klare reactie?
Voor de bepaling van de teeltplanschade wordt per bedrijf per productierichting gekeken naar het productieverlies. In de praktijk betekent dit dat per gewas per bedrijf het productieverlies wordt bepaald.
Hoe moeten getroffenen zonder Kamer van Koophandel (KVK) en/of BTW-nummer, die geen melding kunnen doen, zoals een burger die geen kadastrale nummer kan opgeven terwijl zij soms wel een gecombineerde opgave voor landbouw indienen, hun schade verhalen?
De taxateur neemt, na een schademelding, alle schade bij een gedupeerde op. De taxateur maakt daarbij gebruik van alle beschikbare informatie. Ook als er een gecombineerde opgave aanwezig is.
Kunt u op de kortst mogelijke termijn beter leesbare kaarten in hogere resolutie verstrekken, aangezien de gehanteerde kaarten om te bepalen welke percelen in de regeling vallen zeer onduidelijk zijn, zodat getroffenen kunnen bepalen of hun perceel binnen de regeling valt? Zo ja, per wanneer?
RVO gaat het schadegebied beter zichtbaar maken door middel van detailkaarten, gebaseerd op de huidige basiskaart. Hierdoor moet het makkelijker worden om het schadegebied te bepalen. Zodra deze kaarten beschikbaar zijn zal RVO deze op de website voor de Wts plaatsen en deze aan de taxateurs beschikbaar stellen.
Bent u op de hoogte van de geluiden dat taxaties uitgevoerd zijn om in beeld te brengen wat de schade was na de ramp, maar dat deze onvoldoende dan wel niet worden meegenomen in de beoordeling door de taxateurs die hiervan op de hoogte zijn? En wat vindt u er van als dit aan de orde zou zijn?
Vrij kort na de wateroverlast in Limburg is er in opdracht van RVO een bureautaxatie, een zogenaamde «Quick Scan», uitgevoerd teneinde een inschatting te kunnen maken van de mogelijke schadelast in het kader van een eventuele inwerking stellen van de WTS.
Een aantal gedupeerden i.c. aanvragers dat teeltplanschade heeft opgelopen heeft er voor gekozen om al snel voor eigen rekening en risico door een deskundige een rapportage te laten opstellen van de situatie kort na de gebeurtenis.
Deze gegevens worden door de experts van het NIVRE gebruikt als basis en leidraad voor de definitieve schadevaststelling.
Is extreme schade door regenval nu wel of niet gedekt nu het regenwater onvoldoende kon afstromen waardoor schades zijn ontstaan die de facto veroorzaakt zijn door de overstromingen?
De Regeling tegemoetkoming waterschade in Limburg en het onbedijkte gebied langs de Maas in Noord-Brabant in juli 2021 dekt zowel materiële schade die is ontstaan als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg van de overstromingen als schade door afstromend water veroorzaakt door extreem zware regenval in heuvelachtig terrein. De regeling dekt geen schade die door directe regenval is ontstaan, want dit is verzekerbare schade.
Kunt u aangeven waarheen het gemaaid gras, wat vervuild was en op een hoop is gezet op het perceel om een nieuwe snede voor het vee geschikt te maken, naartoe afgevoerd moet worden, aangezien aannemers deze opdracht van het waterschap krijgen? Wie draagt hiervoor de kosten? Worden deze kosten binnen de regelingen vergoed. Zo ja, binnen welke regeling worden deze vergoed?
Vervuild gemaaid gras moet worden afgevoerd naar een erkende afvalverwerker. Als de kosten van het opruimen verband houden met schade die het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een overstroming of afstromend water, kunnen deze kosten onder de Wts voor een tegemoetkoming in aanmerking komen. Of de in de vraag geschetste opruimkosten hieronder vallen hangt af van de specifieke omstandigheden die beoordeeld worden door de taxateur.
Is het ook toegestaan om vervuild gemaaid gras op een hoop te laten staan en in het voorjaar te verspreiden over het land en onder te werken?
Dit is in uiterwaarden niet toegestaan op basis van de Waterwet. Als Rijkswaterstaat bij inspectie grashopen aantreft en het risico op opstuwing en/of verontreiniging onaanvaardbaar acht, dan geeft Rijkswaterstaat de eigenaar of pachter van het perceel opdracht om de grashopen te verwijderen, eventueel gevolgd door een waarschuwingsbrief of een ander passend handhavingsinstrument.
Het bericht 'Belastingdienst gaf advies over omgaan met klagers in Jeugdzorg' |
|
René Peters (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat jeugdzorg aan de Belastingdienst advies heeft gevraagd over de vraag hoe om te gaan met klachten van ouders?1
Ja.
Klopt dit bericht en zo ja, wanneer is dat advies gevraagd en wat was hiervoor de (directe) aanleiding?
Het klopt dat de Belastingdienst om advies is gevraagd. De directe aanleiding daarvoor was de door uw Kamer aangenomen motie Tielen/Peters waarnaar in vraag zes wordt verwezen. In deze motie wordt de regering verzocht te onderzoeken hoe de verschillende procedures met betrekking tot klachtbemiddeling en/of geschilbeslechting bij elkaar te voegen en te stroomlijnen zijn met als doel de zorgprofessional zo veel mogelijk te ontlasten. Op 7 maart 2019 hebben de Ministeries van JenV en VWS ter uitvoering van deze motie een rondetafelbijeenkomst georganiseerd waarbij naar verschillende aspecten van klachten is gekeken. Een van die aspecten betrof de vraag hoe een organisatie zou kunnen omgaan met situaties waarin sprake is van een zwaar verstoorde verhouding tussen organisatie en cliënt. De Belastingdienst is om advies gevraagd, omdat deze hiervoor destijds een gespecialiseerde aanpak had ontwikkeld met als doel om ook bij zwaar verstoorde verhoudingen zo goed mogelijk op klachten te kunnen reageren en daarmee de rechtsbescherming van de cliënten te verbeteren. Op het moment van de bijeenkomst was het rapport «Ongekend Onrecht» van de in juli 2020 ingestelde parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag nog niet uitgebracht. Dit is in december 2020 gepresenteerd.
Waarom is uitgerekend aan de Belastingdienst, die in de toeslagenaffaire heeft laten zien niet of slecht met klachten van ouders om te gaan, om advies gevraagd?
Zie antwoord vraag 2.
Is het juist dat het advies van de Belastingdienst ertoe heeft geleid dat de regels voor het indienen van klachten over professionals zijn aangescherpt?
De presentatie van de Belastingdienst over hun aanpak heeft er niet toe geleid dat de regels voor het indienen van (tucht)klachten zijn aangescherpt. De jeugdbescherming is met eigen oplossingsrichtingen aan de slag gegaan bij het verbeteren van de klachtafhandeling.
Zo ja, hoe zien deze regels er precies uit?
Zie antwoord vraag 4.
Herinnert u zich de ingediende en aangenomen motie Tielen/Peters van 21 juni 2018 bij de evaluatie van de Jeugdwet, waarin de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de verschillende procedures met betrekking tot klachtbemiddeling en/of geschilbeslechting bij elkaar gevoegd en gestroomlijnd kunnen worden?2
Ja.
Hoe staat het met de uitvoering van deze motie, waarin tevens wordt aangegeven dat «het indienen van een klacht en het voeren van hoger beroep altijd mogelijk moet zijn en blijven»?
Met de in de Voortgangsbrief Jeugd van 17 juni 2021 onder «Klacht en tucht» beschreven acties is aan deze motie tegemoetgekomen.3 De inhoud van de motie blijft evenwel onze voortdurende aandacht hebben. Te weten de vraag hoe de verschillende procedures met betrekking tot klachtbemiddeling en/of geschilbeslechting bij elkaar te voegen en te stroomlijnen zijn met als doel de zorgprofessional zo veel mogelijk te ontlasten. En daarbij wel voor ogen te houden dat het indienen van een klacht en het voeren van hoger beroep altijd mogelijk moet zijn en blijven. Zoals ik in de meest recente Voortgangsbrief Jeugd van 22 november jl.4 heb aangegeven, wordt er hard gewerkt aan het verbeteren en stroomlijnen van klacht en tuchtrecht, dit met het oog op zowel het belang van de cliënt als van de professional. Zo werkt het Advies en Klachtenbureau (AKJ) in samenwerking met de partners uit het Actieplan Verbetering Feitenonderzoek (RvdK, VT en GI) een aantal actielijnen uit die moeten leiden tot beter voorgelichte cliënten en beter voorbereide (toekomstige) jeugdprofessionals. Om het «stapelen» van klachten te voorkomen kan een klager bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) vanaf 1 oktober jl. (uitzonderingen daargelaten) niet-ontvankelijk worden verklaard in het geval de klacht is ingediend over het individueel handelen van de beklaagde en datzelfde handelen van de beklaagde al aanhangig is gemaakt of is beoordeeld door een andere klachtinstantie. Daarbij is wel aandacht voor het feit dat het ingewikkeld kan zijn om een klacht helder te formuleren en met feiten te onderbouwen.
Deelt u de mening dat ouders met klachten niet gezien en afgedaan moeten worden als «klagers», maar dat zij serieus moeten worden genomen in de door hen ervaren zorgen over het welzijn van hun kinderen?
Ja, die mening deel ik. In de jeugdbescherming is een belangrijk uitgangspunt dat ieder kind en iedere ouder het recht heeft een klacht in te dienen, waarbij zij recht hebben op ondersteuning van een vertrouwenspersoon via bijvoorbeeld het Advies en Klachtenbureau (AKJ). Het AKJ biedt ondersteuning bij het verwoorden, indienen en afhandelen van klachten over de jeugdhulp. Ook organisaties binnen de jeugdbeschermingsketen zijn zich bewust van het feit dat klachten serieus moeten worden genomen. Zo loopt bij Jeugdbescherming west het project «Klacht als Waardewerk», dat als doel heeft om effectiever te reageren op onvrede en beter in staat te zijn om te leren van klachten. Dit kan en wordt als goed voorbeeld gedeeld met andere gecertificeerde instellingen. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is bezig met een traject gericht op verbetering van zijn klachtenprocedure, waarbij men het lerend effect van klachten wil vergroten.
Waar kunnen ouders met hun zorgen en/of klachten terecht? Moeten zij nog steeds de voor zowel ouders als zorgprofessionals te lange route bewandelen door eerst bij de jeugdbeschermer zelf hun zorgen en/of klachten neer te leggen, dan bij de interne klachtencommissie en dan bij de SKJ (Stichting Kwaliteitsregister Jeugd)?
Als een ouder of kind niet tevreden is over het handelen van een instelling, kan hij of zij daarover direct een formele klacht indienen bij de klachtencommissie van die instantie. De ervaring leert dat het goed is een klacht eerst te bespreken met bijvoorbeeld de gezinsvoogd om samen naar een oplossing te zoeken, maar dat hoeft niet. Als de klager niet tevreden is over de wijze waarop de formele klacht is afgehandeld, dan kan deze zich wenden tot de Nationale ombudsman.
Als een ouder of kind een klacht heeft over het individueel beroepsmatig handelen van een professional kan hij of zij rechtstreeks een tuchtklacht indienen bij het College van Toezicht van SKJ. Daarbij moet het wel gaan om ernstige beroepsfouten of het overschrijden van ethische grenzen.
Het is niet het geval (geweest), zoals het bericht van het Algemeen Dagblad van 13 november 2021 vermeldt, dat een cliënt eerst elders een klachtenprocedure moet doorlopen, voordat deze met een klacht over het handelen van een professional bij het SKJ terecht kan.
Wat is uw reactie op de mening van ervaringsdeskundigen dat de SKJ er meer lijkt te zijn voor de bescherming van de professional dan voor de zorgen van de ouder?
Die mening deel ik niet. Het SKJ is er voor ouders die een klacht hebben over het handelen van een professional. Het SKJ heeft veel oog voor de bescherming van klagers. Omdat het ingewikkeld kan zijn om een klacht helder te formuleren en met feiten te onderbouwen, wordt een klager vaak benaderd door het SKJ met advies om de klacht beter te formuleren. Als dit klager zelf niet lukt, wordt die doorverwezen naar professionele, en doorgaans kosteloze, ondersteuning, bijvoorbeeld van het AKJ. Ook bijvoorbeeld het terugbrengen van het aantal klachtonderdelen waarover in het bericht van het Algemeen Dagblad van 13 november 2021 wordt gesproken is niet bedoeld om de positie van de klager te beperken. De verwachting is dat dit ontlastend is voor zowel klager als beklaagde. Ook de pilot die in januari 2022 start waarbij klachten over het handelen van SKJ-geregistreerde professionals niet meer per definitie worden behandeld door het tuchtcollege, maar vooral in de vorm van professionele consultatie waar het lerend vermogen – zowel individueel als van de hele beroepsgroep – voorop staat, is in het belang van zowel cliënten als professionals. Immers, deze pilot moet leiden tot het hogere doel: betere zorg. Ook als een klacht wordt afgehandeld door de zogenoemde commissie van consultatie wordt de klager gehoord. Het gesprek zal evenwel een andere insteek hebben dan bij behandeling door het tuchtcollege. De tuchtcolleges tot slot zijn onafhankelijk en toetsen aan de hand van de beroepscodes en de richtlijnen of een SKJ-geregistreerde professional volgens deze professionele standaarden juist gehandeld heeft.
Wat is uw reactie op het beeld dat het indienen van een klacht ertoe kan leiden dat een ouder bestempeld wordt als een strijdende ouder die niet meewerkt met jeugdzorg?
Uitgangspunt is, zoals hierboven al aangegeven, dat iedere cliënt het recht heeft een klacht in te dienen. Iedere klager dient serieus te worden genomen. Tegelijkertijd bestaat het risico dat door de ruime mogelijkheden voor het indienen hiervan een stapeling van klacht- en tuchtprocedures ontstaat die professionals onnodig zwaar belast. Ook dit belang dient goed voor ogen te worden gehouden. Uw Kamer heeft hier onder meer in bovengenoemde motie Tielen/Peters terecht aandacht voor gevraagd. Bij het verbeteren van klacht- en tuchtrecht zullen dan ook steeds beide belangen moeten worden gewogen. Wat overigens niet wil zeggen dat een maatregel niet beide belangen kan dienen. Dat een cliënt zo goed mogelijk wordt geholpen de juiste weg van een procedure te bewandelen, komt zowel de cliënt als de jeugdprofessional ten goede.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat ouders snel en adequaat geholpen worden met het melden en behandelen van zorgen en/of klachten over jeugdzorg en «hun verhaal» kunnen doen, zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit tegen hen gebruikt wordt door jeugdzorg?
Organisaties binnen de jeugdbeschermingsketen willen graag leren van klachten. Een klager heeft, als deze een klacht wil indienen, recht op ondersteuning van een vertrouwenspersoon. Kinderen en ouders kunnen als ze vragen hebben over het indienen van een klacht of als ze ontevreden zijn over de afhandeling ervan ook terecht bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Ik verwijs voor het antwoord op deze vraag verder naar het antwoord op vraag 8.
Het artikel 'Vogelgriep bij pluimveebedrijf in Tzum, ruim 122.000 kuikens afgemaakt' |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft de deskundigengroep in september geen beoordeling gemaakt op risico's, gezien het feit dat u in uw Kamerbrief van 29 oktober 2021 (Kamerstuk 28 807, nr. 240) aangeeft dat u de deskundigengroep op 26 oktober 2021 opnieuw een risicobeoordeling heeft gevraagd en gezien het feit dat we in het verslag van 24 augustus 2021 lezen dat de deskundigen verhoogde alertheid adviseren?1
In augustus heeft de deskundigengroep dierziekten een risicobeoordeling gemaakt en de kans op besmetting van een pluimveebedrijf met hoogpathogene vogelgriep beoordeeld als matig. Eind september schatten deskundigen van Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) het risico van besmetting van een pluimveebedrijf in Nederland ook in als matig (WBVR, september 20212). In september heeft de deskundigengroep geen (aanvullende) risicobeoordeling gemaakt voor hoogpathogene vogelgriep. Daar was op dat moment ook geen aanleiding toe, mede gezien de beschikbare deskundigeninschatting van WBVR. In oktober heb ik de deskundigengroep om een nieuwe risicobeoordeling gevraagd, naar aanleiding van de uitbraak op een pluimveebedrijf in Nederland, de vondsten van dode vogels in het noorden van Nederland en recente ontwikkelingen in Europa.
Kunt u de Kamer rapporteren over het verloop van de vogelmonitoring vanaf juli 2021 tot heden, inclusief het aantal dode vogels per week en de diagnose van de juiste indicatie/doodsoorzaak? Kan de Kamer hier een overzicht van ontvangen?
Een kaart met de locaties van de dood gevonden vogels die positief zijn getest zijn voor hoogpathogene vogelgriep wordt door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) geactualiseerd en op de website van de NVWA gepubliceerd.3 Er wordt door de NVWA niet structureel onderzoek gedaan naar andere doodsoorzaken bij wilde vogels.
Wanneer is er vogelgriep aangetoond bij gevonden/ingezonden vogels?
In de periode van 3 augustus 2021 tot en met 11 november 2021 is er vogelgriep aangetoond bij dode wilde vogels afkomstig van 29 locaties in Nederland. Op de website van de NVWA wordt een kaart bijgehouden met besmettingen van wilde vogels.
Welke H en N varianten zijn er aangetroffen?
Sinds oktober dit jaar is alleen serotype H5N1 gevonden op besmette commerciële pluimveebedrijven en besmette niet-commerciële locaties waar meer dan 50 vogels worden gehouden. Het H5N1 serotype dat nu wordt gevonden is genetisch anders dan het virus dat in 2020 en begin 2021 werd gevonden. De genetische code van het huidige serotype is het meest verwant aan dat van een virus dat in september in het zuidwesten van Rusland is aangetroffen. Het is heel waarschijnlijk dat dit virus met trekvogels vanuit Rusland naar Nederland is gekomen. Zoals ik in mijn brief van 30 oktober jl. heb aangegeven, heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) een risico-inschatting gemaakt van de mogelijke zoönotische transmissie van deze vogelgriepstam. Het RIVM heeft aangegeven dat de genen van de gevonden H5N1 geen reden geven voor zoönose-risico (Kamerstuk 28 807, nr. 241).
Wat is het reproductiegetal bij de meest gevonden wilde watervogels?
Het reproductiegetal van het vogelgriepvirus bij wilde watervogels is niet bepaald. Het is niet vast te stellen hoe groot het reproductiegetal exact is. Wanneer grote aantallen zieke en dode vogels worden gevonden is het wel aannemelijk dat het reproductiegetal in de periode ervoor groter dan 1 was. Zie ook de antwoorden op vragen van de leden Van Esch en Vestering van 16 november jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 763).
Kunt u de evaluatie van het vorige vogelgriepseizoen (2020–2021) delen met de Kamer, nu we kunnen stellen dat het vogelgriepseizoen 2021–2022 is aangebroken, gezien het feit dat de uitbraken nog aanhouden?
Het is gebruikelijk om een dierziektecrisis na afloop te evalueren. Hoewel er nu sprake is van de introductie van een nieuw serotype (H5N1) ten opzichte van de eerste uitbraken in 2020, zijn het hele jaar uitbraken met vogelgriep geweest. Er is dit jaar geen hele duidelijke markering waar het ene vogelgriepseizoen is geëindigd en het volgende is begonnen. Ik heb daarom besloten om volgend jaar zomer de aanpak van de uitbraken van vogelgriep vanaf oktober 2020 tot en met de zomer van 2022 in één keer, in zijn geheel, te evalueren.
Wilt u een compleet kostenoverzicht tot en met 30 juli 2021 leveren aan de Kamer?
In bijlage 1 is een kostenoverzicht voor vogelgriepbestrijding van 1 januari 2021 tot en met 31 oktober 2021 opgenomen.
Gaat u hobbydierhouders nog registreren of in beeld brengen, aangezien dit nog niet is gebeurd?
Op 21 april 2021 is de nieuwe Europese Diergezondheidsverordening van toepassing geworden. In deze verordening staat vermeld dat elke inrichting met landdieren, zoals pluimvee, zich moet registreren. Dit zou dus ook gelden voor inrichtingen met kleine aantallen dieren en zowel voor inrichtingen die dieren commercieel als niet-commercieel houden.
Zoals ik in de brief van 6 april jl. heb aangegeven (Kamerstuk 28 286, nr. 1174), zal ik geen uitvoering geven aan deze nieuwe registratieverplichtingen totdat er duidelijkheid is over derogatiemogelijkheden die deze verordening zal gaan bieden. Hier is voor gekozen om te voorkomen dat er nieuwe registratieverplichtingen worden ingesteld voor inrichtingen met bepaalde diersoorten of met geringe aantallen, als voor hen op een later moment alsnog een uitzonderingsmogelijkheid komt te gelden.
In afwachting van de nieuwe regelgeving van de Europese Commissie hanteren we in de praktijk dus nog de regelgeving dat een houder van een pluimveelocatie met meer dan 250 stuks pluimvee zich moet registreren, ongeacht met welk doel pluimvee werd gehouden (commercieel of niet-commercieel).
Hoe gaat u dit inregelen in het Diergezondheidsfonds (DGF) waar de Pluimveesector voor verantwoordelijk is via de jaarlijkse DGF-heffingen?
De kosten van de dierziektebestrijding bij vogelgriep die geen betrekking hebben op hobbymatig gehouden dieren en wilde dieren worden, na aftrek van EU-subsidie en tot het bestrijdingsplafond, betaald uit de sectorbijdrage aan het Diergezondheidsfonds (DGF). Deze kosten worden betaald uit de crisisreserve in het DGF. De reserve wordt aangevuld middels de diergezondheidsheffing. De tarieven voor de diergezondheidsheffing 2022 zijn op 11 oktober 2021 vastgesteld (Staatsblad 2021, 492). De uitgaven voor de huidige volgelgriepuitbraak, en de gevolgen hiervan voor de hoogte van de crisisreserve, zullen invloed hebben op de hoogte van de diergezondheidsheffing van 2023.
Bent u het eens met de stelling dat alle directe en indirecte gemaakte kosten met betrekking tot vogelgriepbestrijding van hobbydierhouders buiten het DGF-convenant vallen?
De kosten van vogelgriepbestrijding bij locaties met minder dan 250 stuks pluimvee en bij wilde dieren worden betaald uit de rijksbijdrage aan het DGF.
Kunt u de Kamer per kwartaal een kostenoverzicht sturen met betrekking tot de vogelgriep?
Tijdens een dierziektecrisis wordt uw Kamer regelmatig geïnformeerd over de actuele situatie. Hierin worden de kosten van de uitbraken niet meegenomen omdat de effectiviteit van de bestrijding leidend is en de kosten volgend. Daarnaast kunnen de kosten van de bestrijding tijdens een uitbraak nog veranderen, veehouders kunnen bijvoorbeeld om hertaxatie vragen.
In het jaarverslag van het DGF worden de kosten van monitoring, verdenking en bestrijding opgenomen. Uw Kamer wordt hiermee jaarlijks geïnformeerd over de bestrijdingskosten van een dierziektecrisis in het betreffende jaar. De verdeling van de kosten tussen sector en overheid wordt elke 5 jaar vastgelegd in het convenant bestrijding besmettelijke dierziekten.
Gaat u nog iets doen aan de steeds groter worden wilde vogelpopulatie?
Ik ga er vanuit dat het lid Van der Plas doelt op de grote populaties overwinterende watervogels in ons land. Er komt inderdaad een groot aantal soorten watervogels in Nederland voor in aantallen die van groot internationaal belang zijn. Dit is vooral te verklaren vanwege het relatief grote oppervlakteaandeel riviermondingen en omliggende waterrijke gebieden, waaronder getijdegebieden zoals de Waddenzee en de zuidwestelijke delta. De laatste 10 jaar nemen watervogels, waaronder overwinterende ganzen, gemiddeld niet meer toe in Nederland. Verschillende soorten nemen zelfs sterk af, zodanig zelfs dat op langere termijn voor het duurzaam voortbestaan in Nederland moet worden gevreesd.
Nederland ligt op de trekroute van veel watervogels en andere vogels en is een waterrijk land met een gematigd klimaat, waardoor hier veel vogels en vogelsoorten overwinteren. Dat is een hele mooie natuurwaarde van Nederland, die ik bijzonder koester.
Binnen de Roadmap «Strategische Aanpak Vogelgriep» werk ik samen met AVINED aan een plan van aanpak om de kans op insleep van vogelgriep op pluimveebedrijven via wilde vogels te verkleinen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan bioveiligheidsmaatregelen in en om het pluimveebedrijf. Het verkleinen van de «wilde vogelpopulatie» maakt geen onderdeel uit van de adviezen uit de Roadmap, noch van mijn beleid.
Hoe gaat u na 16 weken ophokplicht de groep pluimveehouders die hierdoor getroffen worden hun bestaansgrond laten behouden, aangezien vorig seizoen de ophokplicht zelfs 36 weken duurde?
Als de ophokplicht langer duurt dan 16 weken, kunnen houders van uitloopkippen de eieren niet verkopen als vrije-uitloopeieren, maar alleen als scharreleieren. Dat is vastgelegd in Europese regelgeving. Ik realiseer me de gevolgen voor de legpluimveesector goed. De eieren kunnen in dat geval niet meer als vrije-uitloopeieren worden verhandeld, hetgeen leidt tot verlies van inkomen. Het staande Nederlandse beleid is dat er geen compensatie wordt gegeven in deze gevallen. Dit is het geval, omdat de bedrijfseconomische gevolgen van overheidsmaatregelen die zijn gericht op preventie en bestrijding van besmettelijke dierziekten («gevolgschade») tot het normale bedrijfsrisico behoren en dus door de houder zelf gedragen horen te worden. Ik heb echter oog voor deze specifieke problematiek. Daarom ga ik met de pluimveesector in gesprek over de aanpak van dit probleem. Van de pluimveesector heb ik begrepen dat een aantal retailbedrijven het afgelopen seizoen bereid is geweest om de eieren tegen de oorspronkelijke (vrije-uitloop)prijs af te nemen. Ik spreek mijn waardering hiervoor uit. Het is belangrijk dat ketenpartners elkaar ondersteunen in dit soort situaties.
Kunt uitleggen wat de onderbouwing is van de regeling naar aanleiding van de uitbraak in Tzum waar u een verbod heeft ingesteld op het transporteren van broedeieren vanuit buiten het beperkingsgebied naar inrichtingen (pluimveebedrijven) binnen het gebied, ondanks dat dit in de Europese regelgeving niet expliciet is verboden? Bent u ermee bekend dat dit in feite gaat over broedeieren die bestemd zijn voor «uitkomen in de stal» in het gebied en vindt u dit nog steeds proportioneel?
Ik ben bekend met deze nieuwe ontwikkeling in de pluimveehouderij, waarbij bebroede eieren niet uitkomen in een broederij, maar in de stal waar de kuikens na uitkomst vervolgens worden gehouden voor de productie van vlees. Het is onwenselijk om in de beschermings- of bewakingszone (Bw-zone) nieuwe kuikens op te zetten, omdat in dat gebied een verhoogde kans is op besmetting met vogelgriep. Als er kuikens worden opgezet, neemt het aantal gevoelige dieren in een gebied toe en daarmee de kans op uitbraken van vogelgriep. Er geldt daarom een verbod op het vervoer van eendagskuikens. De kans op een uitbraak in een Bw-zone is groter dan elders in Nederland, daarom worden in dit gebied extra maatregelen getroffen. Ook vanuit dit oogpunt is het onwenselijk om extra pluimvee op te zetten in dit gebied, die in geval van een mogelijke uitbraak geruimd zouden moeten worden.
Het verplaatsen van broedeieren naar een broederij in een beschermings- of bewakingszone is wel toegestaan, mits een hygiëneprotocol wordt gevolgd. Het verplaatsen van broedeieren naar een broederij in een beperkingszone levert geen aanvullend risico op vogelgriepuitbraken op, omdat deze broedeieren gedurende drie weken in een incubator worden gehouden en vervolgens naar locaties buiten het Bw-gebied worden vervoerd (waarbij een hygiëneprotocol wordt gevolgd). Het aantal gevoelige dieren in een gebied neemt daarom niet toe.
Welke veterinaire onderbouwing ligt aan dit besluit ten grondslag en weet u dat deze beperkingen in andere Europese landen niet worden gehanteerd?
Zie antwoord vraag 14.
Kunt u aangeven waarom het beleidsdraaiboek Aviaire Influenza uit 2013 ondanks toezeggingen vorig jaar en wettelijke verplichting nog steeds niet is gepubliceerd?
In de tweede helft van 2020 was het draaiboek grotendeels geactualiseerd op basis van de meest actuele kennis en ervaring uit de voorgaande crises. Met de inwerkingtreding van de nieuwe Europese diergezondheidsregelgeving (AHR) op 21 april 2021 in zicht is echter besloten om voorafgaand aan publicatie eerst de nieuwe Europese regelgeving in het draaiboek te verwerken. Dit vergde meer tijd dan verwacht, mede gezien de bestrijding van de uitbraken in 2021. Overigens werken we (ongeacht publicatie) in de vogelgriepbestrijding altijd volgens de actuele inzichten en geldende Europese en nationale regelgeving. De maatregelen van de verordening zijn verwerkt in de regelingen en bij de extra, nationale, maatregelen hebben we in de regelingen een toelichting geschreven. Over deze bestrijdingsaanpak en de laatste stand van informatie en kennis hebben we regelmatig overleg met sectorpartijen. Het conceptdraaiboek is gedeeld met de sectorpartijen. Het streven is om de definitieve versie in het begin van 2022 te publiceren.
De aanpak zoals die nu wordt toegepast is gebaseerd op de nieuwe verordeningen en aangevuld met nationale maatregelen, in lijn met de regels die werden toegepast voordat de nieuwe Europese diergezondheidsregelgeving van toepassing werd.
Werksfeer en problemen bij de verkeersleiding van ProRail. |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de verziekte werksfeer bij de verkeersleiders van ProRail?1
Ik ben op de hoogte van het feit dat ProRail erkent dat er sprake is van onvrede en onrust onder verkeersleiders van ProRail.
Bent u van mening dat de arbeidsvoorwaarden voor verkeersleiders voldoende aansluiten bij de cruciale rol die zij vervullen in de instandhouding van de spoorinfrastructuur? Zo nee, wat gaat u doen om de arbeidsvoorwaarden te verbeteren? Zo ja, waarom lukt het niet om nieuwe medewerkers aan te trekken?
Vanuit mijn rol als aandeelhouder vraag ik in het algemeen aandacht voor het strategische personeelsbeleid. De salariëring en arbeidsomstandigheden van personeel zijn onderdeel van dat gesprek. ProRail heeft overigens begin november besloten de bestaande groep verkeersleiders een tijdelijke compensatietoeslag te geven als blijk van erkenning en waardering voor de extra inzet en flexibiliteit. In 2020 heeft ProRail de medewerkers van de verkeersleiding een eenmalige toeslag gegeven voor hun inzet tijdens de Coronapandemie. ProRail gaat daarnaast onderzoeken hoe de toekomstige invulling van de functie van treindienstleider en verkeersleider zich gaat ontwikkelen (o.a. de functiewaardering) en hoe dit past als onderdeel van een integraal loopbaanpad. ProRail gaat dit vormgeven in gesprek met de medezeggenschap en de vakbonden. Het aantrekken van voldoende medewerkers is overigens niet alleen afhankelijk van de arbeidsvoorwaarden, maar ook van de mate waarin mensen bekend zijn met het beroep en het aantal opleidingsplaatsen, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om persoonlijk in te grijpen bij ProRail en er zorg voor te dragen dat de problemen bij de verkeersleiding niet in 2023 pas opgelost zijn, maar veel eerder? Zo nee, waarom niet?
Ik heb intensief contact met ProRail over de situatie en de mogelijke oplossingen voor de ontstane problematiek. Er zijn diverse maatregelen die op korte en (middel)lange termijn moeten bijdragen aan structurele oplossing van het probleem en de borging van de verbeterde situatie. Alle maatregelen moeten eraan bijdragen dat de problematiek de komende weken en maanden minder acuut wordt, maar daarmee is het risico op het ontstaan van niet in te vullen roosterplaatsen niet meteen opgeheven. Er zijn momenteel ca. 60 vacatures en het duurt ca. 8 maanden om mensen op te leiden (dat is een maand korter dan eerder het geval was). Niet iedereen die de opleiding volgt slaagt voor de opleiding (al is het slagingspercentage inmiddels wel gestegen van 50% naar 70%). Door natuurlijk verloop zullen ook steeds nieuwe vacatures ontstaan, die ook weer opgevuld moeten worden. Hoopgevend is dat de opleidingsklassen tot en met februari 2022 vol zitten dankzij de extra inzet van ProRail op werving. Bovendien is het ProRail gelukt om het aantal geplande opleidingsplaatsen in 2022 verder te verhogen naar 140 (was 106 in 2021). Het opleiden van voldoende nieuwe mensen is een proces van lange adem en zal volgens ProRail tot medio 2023 duren. Tot die tijd kunnen verstoringen zich, zeker op korte termijn, blijven voordoen. Er vindt nu een externe toets op de maatregelen plaats.
Beseft u dat door deze berichtgeving het voor potentiële medewerkers niet aantrekkelijker wordt om voor ProRail te gaan werken? Wat gaat u doen om van ProRail een aantrekkelijker werkgever te maken?
De berichtgeving is inderdaad niet positief, maar zorgt tegelijkertijd voor veel meer bewustwording over het bestaan van dit belangrijke en mooie werk. In november heeft ProRail een piek aan bezoekers op de vacature pagina’s gehad. De problemen bij verkeersleiding zijn al langer bekend. Daarom heeft ProRail al eerder verschillende maatregelen genomen om het tekort bij verkeersleiding tegen te gaan. Dit richt zich op het vergroten van de instroom van nieuw personeel en op het verbeteren arbeidsverhoudingen en medewerkerstevredenheid om huidige personeel te behouden.
Voor instroom van nieuwe mensen geldt:
Voor behoud van mensen geldt:
Waarom is de continuïteit van onze spoorinfrastructuur afhankelijk van de beschikbaarheid van verkeersleiders? Bent u het eens met de stelling dat de dienstverlening op onze spoorinfrastructuur niet onderbroken mag worden zodra er een personeelstekort is? Zo nee, waarom niet?
Treindienstleiders zijn nodig voor de veilige uitvoering van het spoorvervoer in Nederland. Als een roosterdienst echt niet kan worden opgevuld, dan leidt dit ertoe dat lokaal op een of enkele lijnen een tijd geen treinen kunnen rijden, omdat anders de veiligheid niet kan worden geborgd. Zowel ProRail als ik vinden het ontstaan van dergelijke situaties erg vervelend, daarom wordt er ook hard aan gewerkt om de kans van optreden van zo’n situatie zo snel mogelijk te verminderen.
Kunt u verklaren waarom de uitval van treindiensten naar aanleiding van het tekort aan verkeersleiders vooral in het oosten van Nederland plaatsvindt?
De problematiek is momenteel het grootst op de verkeersleidingspost Utrecht, waar onder andere een aantal baanvakken in het midden en oosten van Nederland worden bediend. Treindienstleiders zijn opgeleid voor specifieke baanvakken en kunnen elkaar niet zomaar op ieder baanvak vervangen. Als een dienst van een treindienstleider niet ingevuld kan worden, heeft dit dus gevolgen voor specifieke trajecten over die baanvakken. Het is helaas vaak het geval geweest dat diensten van treindienstleiders op trajecten tussen Utrecht-Arnhem en op de Valleilijn niet ingevuld konden worden. Boven op alle landelijke maatregelen neemt ProRail extra maatregelen voor de post Utrecht, waaronder een extra pool bestaande uit medewerkers van andere posten die tijdelijk fulltime bijspringen op post Utrecht.