De risico’s van CFDs |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitzending «Meldpunt» op 8 oktober van Omroep Max?
Ja.
Bent u bekend met het beleggingsproduct Contract for Difference (CFD)?
Ja, daar ben ik mee bekend. Een CFD is een overeenkomst tussen twee partijen over de betaling van het verschil tussen de prijs van een onderliggende waarde (zoals een aandeel, grondstof, valuta of index) bij opening en beëindiging van het contract. CFD’s zijn complexe producten die zeer risicovol kunnen zijn omdat er met een financiële hefboom wordt belegd. Een belegger speculeert dan met geleend geld op de waardestijging of -daling van de onderliggende waarde. Dat de tijdspanne waarbinnen de prijsschommeling moet optreden bij een CFD erg kort kan zijn (minuten) draagt bij aan de complexe en risicovolle aard van dit product.
CFD’s worden meestal op basis van execution only – zonder beleggingsadvies of individueel vermogensbeheer – verkocht. Aanbieders moeten in dat geval steeds beoordelen of de dienst of het product dat wordt aangeboden passend is voor de klant.1 Indien de aanbieder oordeelt dat de dienst of het product niet passend is, dan dient hij de klant te waarschuwen. Klanten kunnen dan nog steeds zelf beslissen om de dienst of het product te kopen.
Om retailbeleggers te beschermen moeten (zowel Nederlandse als in een andere lidstaat gevestigde) beleggingsondernemingen die CFD’s aanbieden aan niet-professionele beleggers in Nederland ook aan een aantal aanvullende voorwaarden voldoen. Deze aanvullende voorwaarden, die de AFM heeft neergelegd in de door haar in 2019 vastgestelde CFD-productinterventiemaatregel, hebben tot doel het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele cliënten in Nederland te beperken.2 Zo geldt er een maximum aan de financiële hefboom van een CFD, moeten verlieslatende posities tijdig worden afgesloten en worden beleggers beschermd tegen restschuld. Ook moeten aanbieders als onderdeel van de verplichte risicowaarschuwing het verliespercentage aan (potentiële) klanten melden3. Dit verliespercentage, dat aan consumenten wordt getoond voordat zij het product aanschaffen, bedraagt gemiddeld 76%. Het gebruik van bonussen en andere beloningen om tot deelname aan CFD-handel aan te zetten is verboden.
Kunt u aangeven hoeveel mensen een CFD-belegging hebben?
De meest recente data van de AFM over het aantal in CFD’s handelende beleggers in Nederland komen uit 2018. De AFM schatte destijds in dat er tussen 55 en 65 duizend retailbeleggers in Nederland actief in CFD’s handelden, of ongeveer 5% van het totale aantal retailbeleggers in Nederland. Het aantal in CFD’s handelende beleggers was in 2018 naar schatting ongeveer dertig tot veertig procent hoger dan in 2017. Deze data zijn van voor de productinterventiemaatregelen die ESMA en AFM in 2018 en 2019 hebben getroffen (zie antwoord hierboven en antwoord op de volgende vraag).
Heeft u cijfers over wat de gemiddelde CFD-belegging voor verliezen kent en welk deel van de deelnemers hun investering volledig verliezen? Klopt het dat dit 80 procent bedraagt?
Aanbieders van CFD’s zijn verplicht een gestandaardiseerde risicowaarschuwing te publiceren op hun website en in iedere afzonderlijke communicatie-uiting. Daarin moet onder meer staan welk percentage van de personen die in de door hun aangeboden CFD’s beleggen een verlies lijdt. Deze waarschuwingsverplichting heeft de Europese toezichthouder ESMA in 2018 door middel van een tijdelijke productinterventiemaatregel geïntroduceerd. De AFM heeft deze verplichting vervolgens ook opgenomen in de door haar in 2019 daaropvolgende vastgestelde productinterventiemaatregel die nu nog van toepassing is. De toezichthouder beoogt met deze waarschuwingsverplichting tegenwicht te bieden aan de neiging van CFD-aanbieders om de potentiële winsten te benadrukken en de potentiële verliezen onder te belichten.
De AFM heeft op basis van de risicowaarschuwingen van aanbieders van CFD’s die zich (mede) richten op retailbeleggers in Nederland, geconstateerd dat het gemiddeld getoonde verliespercentage 76% bedraagt. Naar schatting van de AFM lijdt de gemiddelde retailbelegger 1.201 euro verlies. De AFM ontvangt de laatste jaren een stijgend aantal meldingen over de handelwijze van aanbieders van CFD’s. Tussen 2018 en 2020 nam de AFM een vertienvoudiging van het aantal meldingen over 22 aanbieders van CFD’s waar, van 29 tot bijna 300. De schade die door retailbeleggers in CFD’s wordt gemeld varieert van 250 euro tot uitschieters van meer dan 1 miljoen euro. Omdat niet alle door het handelen van deze partijen benadeelde beleggers zich bij de AFM melden brengen deze cijfers waarschijnlijk maar een deel van het probleem in beeld.
Klopt het dat het verlies van de deelnemer de winst van de organisator is en daarmee oplichting snel op de loer ligt?
De aard van het product maakt dat er bij het afsluiten van CFD’s altijd twee partijen zijn, waarvan na afloop van de overeenkomst over het algemeen de ene partij verlies lijdt en de andere partij winst maakt. Het antwoord op deze vraag is daarom afhankelijk van wie als tegenpartij van de belegger in de CFD’s optreedt. Als de aanbieder ook de tegenpartij van die belegger is, kan het verlies van de retailbelegger inderdaad de winst van de aanbieder zijn. Wanneer de aanbieder orders van zijn klanten om CFD’s te kopen of te verkopen doorgeeft aan een handelsplatform om die daar te laten uitvoeren is er meestal geen directe relatie tussen het verlies van de belegger en de winst van de aanbieder. Echter, sommige aanbieders van CFD’s geven de orders door aan handelsplatformen die tot dezelfde bedrijfsgroep behoren. Als daarvan sprake is heeft de aanbieder wel belang bij het verlies van de beleggers, vaak zonder dat dit voor die belegger duidelijk is. Dat vind ik erg onwenselijk.
Belangenverstrengeling kan leiden tot ongewenste sturing van de aanbieder naar duurdere en meer risicovolle en complexe producten. Dit schaadt het functioneren van financiële markten, omdat (retail)beleggers het vertrouwen moeten hebben dat zij op basis van eerlijke en transparante informatie van een eerlijke tegenpartij een voor hen passend financieel product kunnen kopen. Daarom zet ik mij, onder meer in Europees verband, in om belangenverstrengeling aan te pakken. Door de Europese Commissie wordt gewerkt aan een Retail Investment Strategy (RIS), gericht op het bevorderen van de toegang van retailbeleggers tot de Europese kapitaalmarkt. Mijn inzet, waarover ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd4, is erop gericht dat een adequate beleggersbescherming centraal moet staan bij de uitwerking van deze strategie en de in dat kader wijziging van onder meer de Europese richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (MiFID II). Zo benadruk ik het belang van betere informatievoorziening, onder meer door toepassing van gedragsinzichten, zodat beleggers beter begrijpen wat de kenmerken, risico’s en kosten zijn van de producten die zij kopen. Versterking van de product oversight and governance (POG)-regels en de samenwerking tussen nationale toezichthoudende instanties zijn voor mij ook belangrijke prioriteiten. In mijn antwoord op vraag 17 licht ik mijn inzet nader toe.
Acht u de risico’s die gepaard gaan met CFD’s redelijk? Zo ja, waarom?
Of de met CFD’s gepaard gaande risico’s redelijk zijn is afhankelijk van de kennis, ervaring en financiële doelstelling van de belegger. Door de financiële hefboom die deze producten kennen kunnen verliezen snel oplopen, tot zelfs meer dan de inleg. Beleggers moeten in dat geval de restschuld bij de CFD-aanbieder aflossen. Het is ook mogelijk dat beleggers voor de beëindiging van het contract additioneel geld moeten inleggen vanwege een zogenoemde marginverplichting. Verder is het relevant dat de duur van een CFD – de tijdspanne voor de prijsontwikkeling van de onderliggende waarde – zeer kort kan zijn, vaak niet meer dan enkele minuten. CFD’s zijn daarom minder geschikt voor retailbeleggers die bijvoorbeeld vermogensopbouw voor de lange termijn als doel hebben, of voor jonge en/of onervaren beleggers. Voor professionele beleggers kunnen deze instrumenten in een gediversifieerde portefeuille wel een functie vervullen, onder meer om kortstondig risico’s af te dekken.
Hoe kan het dat een Nederlandse gepensioneerde 494 duizend euro kan verliezen?
Alhoewel CFD’s meestal op execution-only basis worden aangeboden, wat betekent dat daarbij geen beleggingsadvies wordt gegeven of vermogensbeheer plaatsvindt, is bekend dat aanbieders als onderdeel van hun marketing- en salespraktijken (potentiële) beleggers telefonisch benaderen, waarbij sprake kan zijn van misleiding. Vooral onervaren beleggers zijn vatbaar voor deze praktijken. Vanwege de financiële hefboom op deze producten kunnen verliezen snel oplopen. Retailbeleggers wordt daarom geadviseerd om altijd na te gaan of een aanbod niet te mooi wordt voorgespiegeld, om de aanbieder te checken, en om de waarschuwingen van onder meer de AFM en de Fraudehelpdesk in acht te nemen. De AFM treedt op tegen aanbieders van CFD’s met misleidende en oneerlijke handelspraktijken. Dat licht ik in mijn antwoord op vraag 11 verder toe.
Deelt u de opvatting dat CFD’s eerder aan kansspel zijn dan een fatsoenlijke belegging?
CFD’s zijn vanwege hun complexe en risicovolle aard niet voor iedere investeerder een passende belegging. Of er sprake is van een kansspel, wordt door de Kansspelautoriteit beoordeeld
Waarom zijn CFD’s dan niet op die wijze gereguleerd?
CFD’s kwalificeren als een financieel instrument in de zin van MiFID II en de Wet op het financieel toezicht. De voorschriften die in aanmerkingen moeten worden genomen bij het in de Unie verspreiden, distribueren en verkopen van CFD’s zijn dan ook in de voor financiële markten geldende Europese en nationale wet- en regelgeving opgenomen.
Bent u ermee bekend dat de Autoriteit Financiële Markten (AFM) het aanbod van CFD’s vanuit Cyprus frauduleus vond? Waarom blijft dit dan toch voortbestaan?
Deze uitspraak is mij bekend. De AFM ging hier met name in op de wijze waarop de verkoop van CFD’s aan niet-professionele cliënten door bepaalde in die lidstaat gevestigde aanbieders plaatsvindt. De AFM constateert daarbij dat sommige van de aanbieders gebruik maken van persoonsgegevens die zijn verzameld door middel van nepadvertenties. Daarnaast halen bepaalde aanbieders met misleidende telefoongesprekken dergelijke cliënten over om CFD’s te kopen.
De toezichthouders kunnen op grond van Europese wet- en regelgeving productinterventiemaatregelen treffen om het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van bepaalde financiële producten te beperken of verbieden. Ik kan daar geen aanwijzingen voor geven. Het is vervolgens aan de toezichthoudende instanties van de lidstaat van herkomst van een aanbieder van CFD’s om toezicht te houden op de activiteiten van de binnen haar jurisdictie gevestigde aanbieders. Ook op de activiteiten van die aanbieder in een andere lidstaat. De AFM heeft in 2019 een productinterventiemaatregel vastgesteld om het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele beleggers in Nederland te beperken. Dit was een opvolging van een vergelijkbare door ESMA vastgestelde productinterventiemaatregel. Deze beperkingen worden in mijn antwoord op vraag 2 beschreven. De AFM heeft tot op heden niet besloten de verkoop van CFD’s aan niet-professionele cliënten in Nederland volledig te verbieden. Omdat veel aanbieders van CFD’s in andere Europese lidstaten gevestigd zijn is een aanpak in Europees verband waarschijnlijk effectiever dan een alleenstaand nationaal productverbod.
Is er sprake van oplichting met CFD’s? Als dat zo is, waarom wordt er dan in die gevallen niet tegen opgetreden?
De AFM heeft aangegeven dat bepaalde aanbieders van CFD’s zich niet eerlijk, billijk en professioneel inzetten voor de belangen voor hun klanten. De AFM heeft in het verleden opgetreden tegen aanbieders met dergelijke handelspraktijken. Zo heeft de toezichthouder bestuurlijke boetes opgelegd5 en een toezichthoudende instantie van een andere lidstaat aangesproken over het gedrag van een in die andere lidstaat gevestigde marktpartij. Dat heeft in die andere lidstaat geleid tot het intrekken van vergunningen en het opleggen van bestuurlijke boetes door die toezichthoudende instantie.
Hoe kan het dat ASN weigerde de bedragen over te maken en de Rabobank wel meewerkte?
In algemene zin geldt dat alle in Nederland actieve banken in het kader van hun zorgplicht transacties controleren om fraude en oplichting te voorkomen. De transacties worden gescreend via real time fraudedetectiesystemen en de screening vindt plaats op basis van verschillende indicatoren. Een transactie wordt automatisch geparkeerd of tegengehouden als uit de fraudedetectie het vermoeden voortkomt dat een transactie frauduleus kan zijn. De indicatoren die de banken gebruiken worden continu aangescherpt om nieuwe fraudetrends te identificeren en te stoppen. Desalniettemin is het systeem niet waterdicht. Normale transacties kunnen ten onrechte als frauduleus worden bestempeld en frauduleuze transacties kunnen ten onrechte als normaal worden gezien, waardoor de betaling doorgang vindt. Banken nemen, vaak in samenwerking met andere partijen (waaronder andere banken, andere sectoren en de politie), doorlopend maatregelen om fraude en oplichting te bemoeilijken. Desalniettemin blijven de systemen en de indicatoren uniek aan de banken, en is het daardoor mogelijk dat er verschillen zijn in welke transacties worden tegengehouden.
Bent u het ermee eens dat consumenten in bescherming moeten worden genomen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het van groot belang dat consumenten voldoende worden beschermd. Daar is de wetgeving met betrekking tot de handel in financiële instrumenten dan ook op toegespitst en het gedragstoezicht van de AFM op ingericht. Daarom zet ik mij op Europees niveau in voor betere bescherming van retailbeleggers. Zie ook mijn antwoorden op vraag 2 en vraag 17.
Bent u bereid om, in lijn met de risico’s die de AFM ziet, CFD’s te verbieden? Zo nee, waarom niet?
De Minister van Financiën beschikt niet over een wettelijke bevoegdheid om een productinterventiemaatregel vast te stellen teneinde het op de markt brengen, verspreiden of verkopen van CFD’s aan niet-professionele cliënten in Nederland te verbieden. Een daartoe strekkende bevoegdheid is neergelegd in de verordening markten voor financiële instrumenten (Market in Financial Instruments Regulation,MiFIR). Op grond van deze rechtstreeks werkende Europese verordening komt die bevoegdheid toe aan de Europese toezichthouders, waaronder de ESMA, en aan de nationale toezichthoudende instanties6. Ik noemde in mijn antwoorden op vragen 6 en 10 dat de AFM op basis van die bevoegdheid in 2019 reeds een productinterventiemaatregel met betrekking tot CFD’s heeft vastgesteld7.
Kunt u aangeven of u eigenstandig CFD-beleggingsproducten kunt verbieden of dat dit in Europees verband moet gebeuren?
Zie ook mijn antwoord op vraag 14. Op basis van bestaande Europese wet- en regelgeving is een bevoegdheid aan de nationale toezichthoudende instanties, zoals de AFM, toebedeeld om productinterventiemaatregelen te treffen gericht op bepaalde financiële producten. Omdat het probleem een grensoverschrijdend karakter heeft zou een Europese aanpak waarschijnlijk effectiever zijn dan een nationaal productverbod. In mijn antwoord op vraag 17 licht ik nader toe dat ik mij om die reden in Europees verband inzet om retailbeleggers beter te beschermen.
Waarom vertrouwt u erop dat andere Europese landen zoals Cyprus Nederlandse consumenten goed zullen beschermen?
Nederland heeft samen met andere Europese lidstaten afspraken gemaakt over consumentenbeschermingsnormen. Voor de handel in financiële instrumenten, zoals CFD’s, worden de beschermingsnormen in de MiFID II- en MiFIR-wetgeving beschreven. Europese lidstaten moeten deze regels in hun eigen wetgeving transponeren en er toezicht op houden. Soms kunnen lidstaten verder gaan in hun bescherming middels een lidstaatoptie of een productinterventiemaatregel. Dat heeft de AFM op gebied van CFD’s ook gedaan. Wanneer de AFM problemen constateert in de handhaving van Europese wetgeving in andere lidstaten kan dit zowel bilateraal (met de lokale toezichthouder) als multilateraal (in ESMA-verband) worden geagendeerd.
Wilt u zich inzetten om ook in Europees verband CFD’s aan banden te leggen om zo het aantal gedupeerden consumenten te beperken? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie zal naar verwachting in 2022 haar Retail Investment Strategy (RIS) publiceren. De te publiceren RIS maakt deel uit van het initiatief om de kapitaalmarktunie te versterken. Mijn prioriteiten, die ik samen met de AFM heb geformuleerd en in een non-paper8 heb beschreven, zijn gericht op betere beleggersbescherming mede gerelateerd aan de problemen met betrekking tot de verkoop van CFD’s aan retailbeleggers. Zo vind ik het bijvoorbeeld belangrijk dat er beter wordt gekeken welke financiële producten geschikt zijn voor verschillende klantdoelgroepen. Een versterking van de product oversight and governance (POG)-regels zou hieraan kunnen bijdragen, net als een verdere Europese toezichtconvergentie (onder meer om toezichtarbitrage tegen te gaan). Effectieve samenwerking tussen nationale toezichthoudende instanties is cruciaal voor het goed functioneren van de Europese kapitaalmarkten. Ook vind ik het wenselijk dat bij de verlening van financiële diensten het risico op belangenverstrengeling wordt beperkt. Retailbeleggers moeten eerlijke en onpartijdige dienstverlening kunnen genieten. Verder wil ik, onder meer middels gebruik van gedragsinzichten, de informatieverstrekking over financiële instrumenten aan beleggers verbeteren. De kenmerken van het product, waaronder begrepen de daaraan verbonden kosten en risico’s, moeten duidelijk zijn voor retailbeleggers.
Een onlangs verschenen pro-vaccin campagnefilmpje van de minister van VWS |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de campagnevideo van het Ministerie van VWS om het belang van vaccineren bij jongeren onder de aandacht te brengen?1
Ja.
Kunt u laten weten hoeveel deze video en de promotie ervan heeft gekost? Hoeveel kostte de productie van het filmpje? Hoeveel kregen de acteurs betaald? Hoeveel geld is er ingezet om het filmpje (bijvoorbeeld via Facebook en YouTube) te promoten?
De productiekosten van drie filmpjes – dat zijn de filmpjes: Sta niet stil strijder, RAAK! en Actie!, met de GGD-arts in de hoofdrol, bedroegen in totaal 159.228 euro inclusief BTW. De mediakosten bedragen vooralsnog 205.004 euro inclusief BTW (Bioscoop, Facebook/Instagram en YouTube).
De GGD-arts heeft voor zijn bijdrage niet betaald gekregen. De acteurs in de drie video’s hebben in totaal € 6.640,– (exclusief BTW) betaald gekregen. Dit is onderdeel van de genoemde productiekosten.
Heeft u wellicht een verklaring voor het feit dat op het moment van schrijven de video maar liefst zes keer (!) meer dislikes dan likes heeft? Hebben Russische trollen het misschien op uw filmpje gemunt? Zit de Rusissche president Poetin hier achter? Zou dat het zijn? Heeft u hiervoor dan ook bewijzen of is het slechts een «complottheorie»?
We hebben hiervoor geen nader onderzochte verklaring. Het betreft een relatief beperkt aantal dislikes: op het moment van schrijven zijn dit er 6.926, terwijl het filmpje op dit moment al ruim 368.000 keer bekeken is.
Zou het enorme aantal dislikes misschien iets te maken kunnen hebben met het hallucinant kinderlijk-stupide karakter van dit filmpje? Denkt u wellicht dat u met kleuters te maken heeft? Of neemt u misschien zélf dit filmpje wél serieus?
De filmpjes zijn gericht op jongeren (17–25 jarigen). Het doel is informatieve inhoud voor hen aantrekkelijk in beeld te brengen. In de filmpjes wordt inhoudelijk antwoord gegeven op vragen die leven onder jongeren. Overigens zie ik dat de filmpjes in de informatiebehoefte voorzien. De drie filmpjes samen zijn bijna een miljoen keer bekeken.
Waarom wordt nergens vermeld dat de risico’s van de «vaccins» op lange termijn voor jongeren nog volkomen onbekend zijn? Waarom worden de bekende bijwerkingen niet genoemd? Hebben jongeren niet het recht om hierover geïnformeerd te worden?
Er is gekozen om verschillende filmpjes te maken. Het filmpje ACTIE! met dezelfde GGD-arts gaat over bijwerkingen. In dit filmpje worden de bijwerkingen ook genoemd, wordt nog meer uitleg gegeven over zeldzame bijwerkingen en wordt ook iets gezegd over langetermijneffecten.
Omdat het steeds om relatief korte filmpjes gaat, en er veel valt te zeggen over veel onderwerpen, waaronder bijwerkingen, wordt voor meer informatie verwezen naar een webpagina speciaal voor jongeren (www.coronavaccinatie.nl/jongeren). Hier is ook informatie te vinden over bijwerkingen.
Waarom wordt nergens aangegeven dat de beschermingsduur van vaccins zeer beperkt is, terwijl natuurlijke immuniteit daarentegen jongeren misschien wel levenslang immuun maakt?
De vaccins doen hun werk en bieden goede bescherming. De precieze beschermingsduur van de coronavaccins is vooralsnog niet bekend en wordt gemonitord door het RIVM.
Om het risico op COVID-19 en mogelijk Long COVID zo veel mogelijk te beperken, adviseer ik iedereen van 12 jaar en ouder zich te laten vaccineren. Een vaccin biedt goede bescherming en zo lopen ook jongeren de minste kans om ernstig ziek te worden of lang last te houden van ernstige klachten.
Kortom, waarom verspreidt u eenzijdige desinformatie van belastinggeld?
Ik schets een zo goed mogelijk beeld van de effecten van corona en de redenen om je te laten vaccineren. In de filmpjes worden alleen zaken benoemd die wetenschappelijk zijn onderbouwd.
Bent u het eens dat, ook in het kader van de effectiviteit van dit soort overheidscampagnes, feedback zeer wenselijk is? Sterker nog, is dergelijke feedback niet noodzakelijk om de effectiviteit van de besteding van overheidsgeld (door de Algemene Rekenkamer bijvoorbeeld) te kunnen vaststellen?
Wij testen vooraf onze campagnemiddelen. Twee filmpjes zijn ge-pretest onder zowel gevaccineerde als ongevaccineerde respondenten. De uitkomsten waren goed:
Filmpje «Sta niet stil strijder»:
Filmpje «Actie»;
Waarom heeft u het (dan) bewust onmogelijk gemaakt voor gebruikers om bij deze video op YouTube reacties achter te laten? Bent u soms bang voor kritiek? Stelt u wellicht kritiek gelijk aan «desinformatie»? Wil u de verspreiding van «desinformatie» voorkomen door bij voorbaat het onmogelijk te maken een kritische reactie achter te laten? Is dat het?
Ons YouTube-kanaal wordt door ons vooral gebruikt als landingspagina. Dit betekent dat gebruikers hier vanuit andere sociale platforms terecht komen. Gebruikers hebben bij onze berichten met deze filmpjes op de sociale platforms de mogelijkheid om te reageren. We hebben verschillende berichten gemaakt op Facebook, Instagram en Twitter. Het staat iedereen vrij om onder die posts een reactie achter te laten. Daar wordt dan ook veelvuldig gebruik van gemaakt.
Bent u bereid het voor kijkers alsnog mogelijk te maken op YouTube een reactie bij uw pro-vaccinatie campagnefilmpje te plaatsen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij vraag 9 aangegeven is YouTube voor ons vooral een landingspagina voor andere sociale platforms (Facebook, Instagram, Twitter). Via deze sociale platforms bestaat de mogelijkheid om te reageren. Voor nu acht ik het daarom niet noodzakelijk van deze lijn af te wijken. Mochten wij er in de toekomst voor kiezen om bepaalde content bewust alleen op YouTube te delen of YouTube als primair communicatiekanaal (en niet alleen als landingspagina) in te zetten, dan zal ik dit opnieuw bekijken.
De Nederlandse bijdrage aan het plan van het World Economic Forum voor een wereldwijde voedseltransitie |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
de Th. Bruijn , Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Beschouwt u het World Economic Forum (hierna: WEF) als een entiteit met enig gezag? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe beschouwt u het WEF dan wel? Erkent u dat het WEF op geen enkele wijze democratisch gelegitimeerd is?
Het World Economic Forum is een organisatie die perspectieven uit de wetenschap, de publieke en de private sector bij elkaar brengt. Het WEF is geen democratisch gekozen entiteit.
Hoe zien de onderlinge verhoudingen of samenwerkingen tussen de Nederlandse staat en het WEF (op welk gebied en in welke vorm dan ook) er precies uit? Kunt u een overzicht geven van alle overeenkomsten (mondeling en schriftelijk) die er bestaan tussen (vertegenwoordigers van) de Nederlandse staat en (vertegenwoordigers van) het WEF? In hoeverre zijn de gemaakte afspraken (juridisch) bindend?
Nederlandse bewindspersonen nemen regelmatig op uitnodiging deel aan door het WEF georganiseerde bijeenkomsten. Daarnaast is sprake van samenwerkingsverbanden met het WEF die zijn vastgelegd in overeenkomsten op de volgende terreinen:
De in deze overeenkomsten vastgelegde verplichtingen zijn juridisch bindend.
Kunt u zich herinneren dat u tijdens de bijeenkomst van het WEF op 27 januari jl. uw steun heeft uitgesproken voor het plan van het WEF om een «wereldwijde voedseltransitie» te realiseren?1
Er is bij het kabinet geen plan van het WEF voor een wereldwijde voedseltransitie bekend.
Wat zijn de verwachte gevolgen van de beoogde wereldwijde voedseltransitie voor de voedselvoorziening in Nederland? Wat zijn de verwachte gevolgen voor onze agrarische sector?
De Nederlandse agrifood, tuinbouw en veredeling sectoren zijn wereldspelers als het gaat om kennis en technieken voor het duurzaam produceren en verwerken van voedsel. Die kennis en innovatie gaat al de wereld over, denk bijvoorbeeld aan het bedrijf East-West Seed van Simon Groot dat miljoenen kleine boeren voorziet van goed zaaigoed. Met FoodValley als Europese Food Innovation Hub en het Global Coordinating Secretariat in Nederland kunnen we die kennis en kunde nog veel meer delen met de wereld. Daarmee blijft de Nederlandse agrarische sector van groot belang voor mondiale voedselzekerheid.
Kan het plan voor een wereldwijde voedseltransitie tot gevolg hebben dat Nederland direct of indirect in enige mate controle verliest over de eigen voedselvoorziening? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, hoe kunt u dat uitsluiten?
Er is bij het kabinet geen plan van het WEF voor een wereldwijde voedseltransitie bekend.
De VN Duurzame Ontwikkelingsdoelen, en meer in het bijzonder SDG 2, bestaan uit een set streefwaarden, te realiseren op basis van vrijwilligheid en nationale soevereiniteit.
Wanneer is besloten dat Nederland een actieve bijdrage zal leveren aan dit plan uit de koker van Klaus Schwab? Hoe is dit besluit tot stand gekomen? Welke overwegingen hebben hierbij een rol gespeeld? Sinds wanneer bent u hierover in contact met Klaus Schwab (of zijn medewerker(s))? Heeft het WEF u over deze samenwerking benaderd of heeft u zelf contact gezocht met het WEF? Bent u bereid om alle documenten (inclusief brieven, beleidsnota’s, adviezen, e-mails, gespreksverslagen, enz.) die hierop betrekking hebben, openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bekend met een plan van Klaus Schwab voor een wereldwijde voedseltransitie. Er is in Nederland geen besluit genomen over het bijdragen aan een dergelijk plan.
Voor de overweging om bij te dragen aan het Global Coordinating Secretariat wil ik u verwijzen naar het antwoord op vraag 11 en naar de stukken die u middels de bijlagen2 bij deze brief heeft ontvangen in reactie op vraag 10 van het lid Van Houwelingen (FvD) aan de Minister-President over het karakter van, en de relaties van kabinetsleden met, het World Economic Forum.
Erkent u het fundamentele belang van parlementaire betrokkenheid bij besluiten die raken aan de Nederlandse voedselvoorziening? Zo nee, waarom niet? Wanneer en op welke wijze heeft u het parlement geïnformeerd of anderszins betrokken bij het besluit dat Nederland een actieve bijdrage gaat leveren aan het plan van het WEF voor een wereldwijde voedseltransitie? Bent u tevreden over deze gang van zaken?
Ik erken dit belang. Zoals bij vraag 6 aangegeven is het kabinet niet bekend met een plan van het WEF voor een wereldwijde voedseltransitie.
Zijn bij het nemen van het besluit (belangenbehartigers van) boeren geconsulteerd? Zo ja, wie? Zo nee, waarom niet? Zijn bij het nemen van dit besluit anderen geconsulteerd? Zo ja, wie? Zo nee, waarom niet? Wat zijn de reacties uit de consultatie? Wat is daarmee gebeurd?
Zoals bij vraag 6 aangegeven is het kabinet niet bekend met een plan van het WEF voor een wereldwijde voedseltransitie.
Wat wordt in de beoogde wereldwijde voedseltransitie precies de functie van de zogenaamde «Food Innovation Hubs»?
Voor de Food Innovation Hubs verwijs ik u naar de bijlagen die ik u met deze brief heb meegestuurd.
Hoeveel bedraagt de (directe of indirecte) financiële bijdrage van de Nederlandse staat aan (initiatieven van) het WEF?
Voor de bijdrage aan het Global Coordination Secretariat voor de Food Innovation Hubs verwijs ik u naar de bijlagen die ik u met deze brief heb meegestuurd.
Waarom is ervoor gekozen het zogenaamde «Global Coordinating Secretariat» in Nederland op te zetten en niet in een ander land? Waren er andere landen kandidaat? Zo ja, welke?
Nederland is een wereldspeler als het gaat om kennis en technieken voor het duurzaam produceren en verwerken van voedsel. Om de positie van Nederland in het internationale kennis- en innovatiesysteem te versterken heeft Nederland ingezet op het opzetten van het Global Coordinating Secretariat in Nederland als een neutrale entiteit die ook open staat voor andere landen en stakeholders om een rol in te spelen. Het Global Coordinating Secretariat brengt belangrijke (internationale) partijen in de sector bij elkaar, waardoor Nederland kan investeren in zijn positie als wereldspeler in het agrofooddomein.
Er waren ons geen formele kandidaturen van andere landen bekend.
Met ingang van wanneer treedt het Global Coordinating Secretariat in werking? Wat worden de taken van het Global Coordinating Secretariat? Hoeveel medewerkers zijn er in dienst of zullen er in dienst zijn van het Global Coordinating Secretariat?
Hiervoor verwijs ik u naar de bijlagen die ik u met deze brief heb meegestuurd.
Op hoeveel jaar doelde u toen u aankondigde dat de Nederlandse overheid «multi-year funding» zal verzorgen ten aanzien van het Global Coordinating Secretariat?2
Hiervoor verwijs ik u naar de bijlagen die ik u met deze brief heb meegestuurd.
Wat zijn de (financiële) voordelen voor Nederland van deze samenwerking met het WEF en het opzetten van een Global Coordinating Secretariat?
De Nederlandse agrifood- en tuinbouw sectoren zijn wereldspelers als het gaat om kennis en technieken voor het duurzaam produceren en verwerken van voedsel. Die kennis en innovatie gaat de wereld over. Met FoodValley als Europese Food Innovation Hub en het Global Coordinating Secretariat in Nederland kunnen we die kennis en kunde nog veel meer delen met de wereld en daarmee onze koppositie versterken.
Welk belang heeft het WEF bij het opzetten van Food Innovation Hubs en een Global Coordinating Secretariat? Kunt u dit toelichten? Krijgt het WEF op enigerlei wijze vergoeding van Nederland voor deze samenwerking?
Hiervoor verwijs ik u naar de bijlagen die ik u met deze brief heb meegestuurd.
Aan wie is het Global Coordinating Secretariat (eind)verantwoording verschuldigd?
Hiervoor verwijs ik u naar de bijlagen die ik u met deze brief heb meegestuurd.
Klopt het dat u op donderdag 23 september jl. aanwezig was bij de Food Systems Summit van de Verenigde Naties? Zo ja, wie waren er precies als Nederlandse afgevaardigden aanwezig?
Op donderdag 23 september jl. was de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking namens het kabinet (digitaal) aanwezig bij de Food Systems Summit van de Verenigde Naties. Voor de inbreng van Minister
De Bruijn verwijs ik graag naar de website van de Food Systems Summit4.
Kunt u toelichten wat de uitkomst van deze bijeenkomst is en wat de gevolgen zijn voor Nederland in het algemeen en de Nederlandse landbouw in het bijzonder? Zo nee, waarom niet? Zijn er bindende afspraken gemaakt tijdens de bijeenkomst?
Uitkomsten van deze VN top zijn o.a. de consolidatie van vrijwillige nationale strategieën naar duurzame voedselsystemen, de opzet binnen de VN van een mechanisme voor coördinatie daarvan en de lancering van internationale actie-coalities om met name ontwikkelingslanden daarbij te ondersteunen. De top had vooral een inspirerend karakter. Er zijn geen bindende afspraken gemaakt. Daarmee hebben de uitkomsten geen directe gevolgen voor Nederland in het algemeen, noch voor de Nederlandse landbouw.
Kunt u toelichten wat het streven naar «changing the practices of more than 500 million smallholder farmers»3 in de praktijk betekent? Zo nee, waarom niet?
In lijn met SDG 2 betekent dit het bevorderen van inclusieve en duurzame groei, met een duurzame verhoging van productiviteit en inkomen voor kleinschalig producerende boeren in ontwikkelingslanden. In het kader van het Nederlandse voedselzekerheidsbeleid is de inzet om de productiviteit en het inkomen van 8 miljoen kleinschalig producerende boeren te verdubbelen op een manier dat dit ecologische grenzen van onze planeet respecteert en het de kleinschalig producerende boeren weerbaarder maakt tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Welke verplichtingen brengt dit «changing the practices» met zich mee voor de Nederlandse boeren? Kunnen zij er geheel vrijblijvend voor kiezen om zich aan te sluiten bij de Food Innovation Hubs of worden zij hiertoe aangemoedigd of verplicht?
De ondersteuning vanuit de Food Innovation Hubs van kleinschalige voedselproducenten in ontwikkelingslanden brengt geen enkele verplichting mee voor Nederlandse boeren. Nederlandse boeren of vertegenwoordigers van boeren kunnen vrijblijvend kiezen om zich aan te sluiten bij de Food Innovation Hubs.
Wat bedoelt u met «food systems transformation»?4 Kunt u toelichten welke gevolgen deze transformatie heeft voor de Nederlandse landbouw in het algemeen en de dagelijkse praktijk van Nederlandse boeren in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
In het kader van de VN Duurzame Ontwikkelingsdoelen voor 2030 (SDG’s) wordt wereldwijd gewerkt aan een transitie naar een duurzaam voedselsysteem waarin voeding op zodanige wijze geproduceerd en geconsumeerd wordt, dat het voorziet in het gezond en voldoende voeden van de wereldbevolking en boeren een leefbaar inkomen hebben, zonder negatieve sociale, ecologische en economische gevolgen.
Kunt u toelichten welke gevolgen deze transformatie heeft voor de Nederlandse voedselketen in het algemeen en de dagelijkse consumptie door Nederlandse burgers in het bijzonder? Zo nee, waarom niet?
In vraag 21 heb ik aangegeven wat volgens het Nederlandse kabinet de gevolgen van de wereldwijde voedseltransitie voor de Nederlandse voedselketen in het algemeen en de consumptie door Nederlandse burgers in het bijzonder.
Wat verstaat u onder het opzetten van een «multistakeholder platform»?5 Hoe verhoudt het opzetten van een dergelijk platform zich tot uw recent uitgelekte plannen om boeren te onteigenen?6 Spreken deze plannen elkaar tegen of versterken zij elkaar juist? Kunt u dit toelichten?
De regionale Food Innovation hubs vormen «multistakeholder platforms» om boeren, bedrijven, wetenschappers en (andere) partijen uit de voedselketen bij elkaar te brengen om innovaties en bedrijfs- en verdienmodellen te ontwikkelen die bijdragen aan een duurzaam en toekomstbestendig voedselsysteem.
Er is geen link tussen beide, waardoor ze elkaar noch versterken, noch tegenspreken.
Bent u bekend met de termen «stakeholder capitalism», «shareholder capitalism» en «state capitalism»?7 Wat verstaat u onder deze termen? Bent u voorstander van het nastreven van «stakeholder capitalism» in Nederland? Zo ja, waarom? Hoe ziet u dit voor zich? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het door de heer Schwab en de heer Vanham geschreven boek over «Stakeholder Capitalism», waarin deze termen worden beschreven. In het boek wordt de visie van de auteurs over deze termen en de verschillende vormen van economische systemen weergegeven. Het WEF biedt een platform voor de uitwisseling van ideeën en kennis. Het kabinet steunt de inzet van het WEF om verschillende ideeën over onderwerpen uit te wisselen en inzichten en kennis te delen. Dat betekent echter niet automatisch dat de thema’s die worden besproken, zoals «stakeholder capitalism», doelstellingen van het kabinet zijn.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Vanwege noodzakelijke afstemming tussen verschillende departementen lukte het niet om de vragen binnen het gestelde termijn te beantwoorden.
Opgepakte journalisten bij demonstraties |
|
Peter Kwint , Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat er drie journalisten zijn opgepakt in de afgelopen week bij demonstraties voor een beter klimaatbeleid?1, 2
Ja.
Wat is de toegevoegde waarde van een perskaart als journalisten alsnog opgepakt worden als ze verslag doen van een demonstratie?
Het beschikken over een (politie-)perskaart kent een journalist extra rechten en vrijheden toe. De journalist is echter ook aan (gedrags-)regels gebonden.
Kunt u aangeven welke regels en protocollen er zijn als journalisten kenbaar maken tijdens een aanhouding dat zij journalist zijn? Zijn die in deze gevallen voldoende in acht genomen?
De politie hanteert interne aanwijzingen om de vrijheden en rechten van journalisten te borgen. In gevallen dat de openbare orde verstoord wordt of dreigt te worden verstoord kan de politie overgaan tot aanhouding van de aanwezigen op een bepaalde plaats. Bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of dreigingen hiertoe, kan het zijn dat de journalistieke status van een aanwezige pas later kan worden uitgezocht dan op het moment van aanhouding, waarbij er naderhand een beoordeling plaatsvindt van de aanhouding. In de voornoemde zaken is gebleken dat de aanhouding rechtmatig was. Bij de beoordeling tot vervolging zal de journalistieke status altijd worden meegewogen. In voornoemde zaken is besloten géén verdere vervolging in te stellen.
Bent u het ermee eens dat het belangrijk is in een vrije democratie dat journalisten niet belemmerd worden in een goede uitvoering van hun werk? Hoe beoordeelt u in dat licht deze incidenten?
De journalistieke vrijheid is een groot goed, hier zetten wij ons met volle toewijding voor in. Dit laat onverlet dat er ook grenzen zitten aan de vrijheid van een journalist bij de uitoefening van zijn vak.
Bent u het ermee eens dat het op z’n minst ongelukkig is dat, zeker in een tijd waarin de bedreiging tegen journalisten toeneemt, er in korte tijd journalisten worden opgepakt door de overheid bij de uitvoering van hun werk?
Zie de antwoorden op vraag 2, 3 en 4.
Bent u bereid deze incidenten met onder andere de politie te bespreken in het kader van PersVeilig? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u ons hierover informeren?
De Nederlandse Vereniging van Journalisten, het Genootschap van Hoofdredacteuren, de politie en het openbaar ministerie werken samen in de stuurgroep PersVeilig. In die stuurgroep wordt onder andere gesproken over veiligheidsvraagstukken met betrekking tot journalisten. Ik ga ervan uit dat dit onderwerp daar ook geagendeerd wordt, en dat betrokken daar met elkaar van gedachten wisselen hoe dergelijke situaties op een goede manier aangepakt kunnen worden.
De kwetsbaarheid van bruggen en riolen voor hackers |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Barbara Visser (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het gepubliceerde artikel in Het Financieele Dagblad en het onderzoek dat op 14 oktober 2021 is gepubliceerd door de vakbladen Binnenlands Bestuur en AG Connect?1, 2
Ja.
Zijn er bruggen en rioleringssystemen die op dit moment kwetsbaar zijn en geen update kunnen krijgen met de laatste beveiligingsmaatregelen? Zo ja, welke zijn dit?
Bruggen en rioleringssystemen zijn veelal in beheer bij decentrale overheden. Decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk om op basis van risicoanalyse en risicoafweging beveiligingsmaatregelen te nemen. Ik heb geen signalen van de sector of koepelorganisaties VNG, UvW of IPO ontvangen dat Industriële Controle Systemen (ICS) van bruggen en rioleringen bij decentrale overheden op grote schaal kwetsbaar zouden zijn en dat het ontbreken van updates benodigde beveiligingsmaatregelen zou belemmeren, zie ook de beantwoording van vraag 3.
Welke risico’s lopen de controlesystemen bij onder andere rioleringen, sluizen en verkeerslichten op dit moment op?
Risico’s van controlesystemen zijn in het algemeen systeem-, organisatie-, locatie- en tijdsspecifiek en hangen samen met beveiligingsmaatregelen die door een organisatie zijn getroffen. Iedere organisatie opereert binnen haar eigen organisatie-specifieke context en maakt op basis van een risicoanalyse een risicoafweging. Risico’s die bij ICS systemen kunnen ontstaan, worden vooral veroorzaakt door koppelingen aan het internet waardoor systemen op afstand kunnen worden gemanipuleerd, overgenomen of onklaar worden gemaakt. Om uitval te voorkomen zijn er veelal terugval opties aanwezig, zoals bijvoorbeeld de handbediening van bruggen en sluizen.
Welke acties heeft u getroffen naar aanleiding van het kritische rapport van de Algemene Rekenkamer vanaf 2019?3
Sinds publicatie van het rapport van de Algemene Rekenkamer «Digitale Dijkverzwaring: cybersecurity en vitale waterwerken» uit 20194 heeft er bij Rijkswaterstaat (RWS) een flinke verbeterslag plaatsgevonden. Ik heb uw Kamer in 20205 geïnformeerd over mijn inzet in deze. Op 2 juni 20216 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken via mijn brief «Update Versterken Cyberweerbaarheid in de Watersector».
RWS investeert in verbetering van de digitale beveiliging, via het RWS-versterkingsprogramma. Één van de prioritaire maatregelen betreft de aansluiting van extra objecten op het Security Operations Centre (SOC7). In 2019 zijn alle vitale objectenl aangesloten. Van de overige niet-vitale objecten zijn momenteel 12 van de 60 aangesloten. Het betreft daarbij objecten zoals bijvoorbeeld bruggen en sluizen, van het Hoofdwatersysteem (HWS), het Hoofdwegennet (HWN) en het Hoofdvaarwegennet (HVWN). De verwachting is dat in 2023 alle 60 objecten zijn aangesloten.
Kunt u de kamer informeren over de huidige stand van zaken en wat het plan van aanpak is om onze infrastructuur te beschermen tegen hackers?
Binnen de overheid lopen er meerdere initiatieven om de vitale infrastructuur te beschermen en de digitale weerbaarheid te verhogen. Voor de stand van zaken van de Nationale Cybersecurity Agenda verwijs ik naar de beleidsreactie Cyber Security Beeld Nederland 2021 en voortgangsrapportage NCSA die op 28 juni 2021 door de Minister van Justitie en Veiligheid met uw Kamer is gedeeld8.
Samen met de drinkwaterbedrijven, waterschappen, gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het Programma Versterken Cyberweerbaarheid in de Watersector 2019–2022 (PVCW9) opgezet. Binnen het programma zijn vijftien projecten geformuleerd die moeten bijdragen aan de versterking van de cyberweerbaarheid in de watersector. De projecten richten zich met name op de cybersecurity van de operationele technologie. Meer informatie kunt u vinden in de eerder genoemde brief10.
Bent u al in gesprek getreden met gemeenten, provincies en de waterschappen inzake de beveiligingsrisico’s?
Ja, bijvoorbeeld in het programma «Versterken Cyberweerbaarheid in de Watersector» vindt regelmatig overleg plaats met en tussen de decentrale overheden en betrokken organisaties, zie ook antwoord op vraag 5.
Zijn er al casussen aangetroffen waarbij er daadwerkelijk problemen zijn ontstaan in het verkeer of de waterkwaliteit doordat er een controlesysteem gehackt is geweest? Zo ja, welke casussen zijn dit?
Nee, dergelijk casussen in Nederland zijn nog mij niet bekend. De Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) verplicht vitale aanbieders en aanbieders van essentiële diensten incidenten of inbreuken met aanzienlijke gevolgen voor de continuïteit van de verleende dienst te melden bij het Nationaal Cyber Security Centrum.
Bent u bereid om bijvoorbeeld bij aanbestedingen en inkooptrajecten strengere eisen te stellen inzake beveiligingsupdates en de controle daarop?
Het is sinds de aanscherping van de nationale veiligheidsrisico’s voor inkoop en aanbesteding in 2018 staand beleid vanuit de rijksoverheid dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen. Een overheidsorganisatie die ICT-producten en -diensten inkoopt moet de eisen uit de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) vertalen naar inkoopcontracten en afspraken maken over de naleving van die contracteisen. Bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur wordt rekening gehouden met eventuele risico’s in relatie tot de leverancier en met het concrete gebruik van de systemen.
Waarom is er in het Deltaprogramma 2022 geen aandacht geschonken aan deze bevolkingsproblematiek?
Samenwerkingsafspraken over cybersecurity, met thema’s zoals de door u genoemde beveiligingsproblematiek, verlopen via het Bestuursakkoord Water en een apart ingericht programma voor de implementatie daarvan (zie ook antwoord op vraag 6). Op pagina 22 van het Deltafonds 202211 wordt de aanpak van cyberweerbaarheid beschreven.
De bescherming van de privacy en het gebruik van een front-facing camera op de zelfscanner van de Albert Heijn |
|
Lammert van Raan (PvdD), Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er zelfscanners van de Albert Heijn zijn uitgerust met een front-facing camera?
Ja, Albert Heijn heeft laten weten dat het sinds 2019 een model handscanner gebruikt met aan de voorkant een cameralens. Deze camera staat uit. Naast dit model handscanner staan klanten als alternatief ter beschikking de eigen telefoon, de zelfscankassa’s of het reguliere afrekenen bij een kassamedewerker.
Kunt u bevestigen dat het bedrijf dat deze scanners verkoopt deze scanners aanbeveelt omdat ze gezichtsherkenning mogelijk maken waarmee klanten geïdentificeerd kunnen worden?1
Uit informatie op de website van de fabrikant blijkt dat bij de productspecificaties de technische mogelijkheden worden beschreven. Gezichtsherkenning wordt vermeld als een van de toepassingen waarvoor de camera aan de voorkant van deze handscanner kan worden gebruikt.2
Is u bekend of er op enige wijze gebruik gemaakt wordt van gezichtsherkenning binnen de winkels van Albert Heijn of enige andere supermarkt (structureel dan wel experimenteel)? Bent u bereid na te gaan of dit gebeurd? Indien het gebeurd kun u aangeven waar en waarom?
Bij brief van 5 juni 2020 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de supermarkten gewezen op de regels voor gezichtsherkenning in de winkels.3 Er zijn mij geen signalen bekend dat supermarkten sindsdien, in weerwil van deze regels, gebruik maken van gezichtsherkenningstechnologie.
Op welke rechtsgrond kan Albert Heijn of enige andere supermarkt zich baseren als zij besluiten gezichtsherkenning in te zetten?
Het is juist dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) de verwerking van biometrische gegevens alleen toestaat in gevallen waarin onomwonden vrijelijke expliciete toestemming wordt verleend òf wanneer er redenen van zwaarwegend algemeen belang zijn om gezichtsherkenning toe te passen voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden. Bij dat laatste kan inderdaad worden gedacht aan het beveiligen van een kerncentrale. In reactie op het rapport «Op het eerste gezicht» van 5 februari jl.4 heb ik uw Kamer aangekondigd dat deze voorwaarden ook in de Uitvoeringswet AVG (UAVG) duidelijker zullen worden verwoord. Dit gebeurt in het wetsvoorstel tot wijziging van de UAVG, dat voorziet in een wijziging van artikel 29 van de UAVG. In de wettekst wordt expliciet opgenomen dat de uitzonderingsgrond van artikel 29 alleen kan worden toegepast wanneer dat nodig is voor een zwaarwegend algemeen belang. Met deze dubbele noodzakelijkheidstoets (noodzakelijk voor de authenticatie of beveiligingsdoeleinden én noodzakelijk omwille van een zwaarwegend algemeen belang), geeft de UAVG beter invulling aan artikel 9, tweede lid, onderdeel g, van de AVG. Het is de planning om het wetsvoorstel dit jaar nog aan te bieden aan de Raad van State.
Kunt u bevestigen dat gezichtsherkenning alleen mag worden ingezet voor authenticatie bij zwaarwegende belangen (bijvoorbeeld de beveiliging van een kerncentrale) of wanneer daar «uitdrukkelijke toestemming» voor gegeven wordt?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het onwenselijk zou zijn wanneer er gezichtsherkenning wordt gebruikt voor het doen van boodschappen? Deelt u de mening dat dit zonder de uitdrukkelijke toestemming van de gebruiker verboden is?
Het wettelijk kader staat niet toe dat zonder uitdrukkelijke toestemming gezichtsherkenning op deze manier wordt gebruikt.
Hoe waarschijnlijk acht u het dat een externe (kwaadwillende) partij toegang zou kunnen krijgen tot de zelfscanners met gezichtsherkenning?
Het is niet aan mij als bewindspersoon om, bij de inzet door bedrijven van apparaten die over technische mogelijkheden beschikken tot het verwerken van biometrische gegevens, inschattingen te maken over de mogelijkheden van toegang door derden. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de veiligheid te waarborgen, waartoe onder meer artikel 32 van de AVG verplicht.
Deelt u de mening dat het beter zou zijn wanneer er, voor het doen van boodschappen, apparaten gekozen worden die niet in staat zijn tot dit soort analyses van biometrische persoonsgegevens?
Er kunnen verschillende redenen zijn geweest waarom Albert Heijn, maar ook andere supermarktketens, zoals Jumbo, zijn overgegaan tot de aanschaf van dit type handscanner voor het doen van boodschappen.5 Het simpele feit dat apparatuur, zoals in dit geval apparaten voor het doen van boodschappen, over technische mogelijkheden beschikt tot het verwerken van biometrische gegevens maakt het gebruik van deze apparatuur nog niet per definitie ongewenst. In ieder geval zoals beschreven in antwoord op vraag 4 en 5 is de verwerking van biometrische gegevens alleen toegestaan in die gevallen waarin onomwonden expliciete toestemming wordt verleend of wanneer er redenen van zwaarwegend algemeen belang zijn om gezichtsherkenning toe te passen voor authenticatie of beveiligingsdoeleinden. Ook voor de verwerking van andere persoonsgegevens is de AVG onverkort van toepassing.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat supermarkten nu of in de toekomst gebruik maken van gezichtsherkenning?
Met de in antwoord 3 genoemde voorlichting door de AP meen ik dat de supermarkten voldoende duidelijk is welke kaders gelden voor de toepassing van gezichtsherkenning. De in antwoord 5 vermelde voorgenomen verduidelijking van de UAVG zal naar mijn verwachting zo nodig bijdragen aan verdere bewustwording.
Het bericht dat driekwart van de huisartsen de werkdruk te hoog vindt |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat driekwart van de huisartsen de werkdruk te hoog vindt?1
Ik heb ook de signalen gehoord dat het erg druk is bij de huisartsen(posten). Mensen zijn lang terughoudend geweest met het benaderen van de huisarts en de huisartsenpost. Nu lijken mensen zich toch meer te gaan melden. Dat is op zich goed nieuws. Ik ben doorlopend met de partijen van het hoofdlijnakkoord huisartsenzorg, waaronder de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), in gesprek over de werkdruk bij huisartsen en over personele tekorten in de huisartsenzorg.
Hoe reageert u op de uitspraken van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV)-voorzitter dat langere consulttijden aantoonbaar leiden tot «betere zorg, minder verwijzingen naar het ziekenhuis, lager medicijngebruik en ook tot meer voldoening in het werk»? Bent u het met haar eens dat de mogelijkheid tot een langere consultduur goed geregeld moet worden?2
Ik vind het ook belangrijk dat huisartsen voldoende tijd hebben voor de consulten met hun patiënten. Er zijn in samenwerking tussen zorgverzekeraars en huisartsen verschillende pilots gerealiseerd die het mogelijk maken om te werken met een langere consultduur. Momenteel worden een aantal van deze pilots geëvalueerd om de geleerde lessen te verspreiden en mee te kunnen nemen in het landelijke vervolgtraject «versnellingsimpuls Meer Tijd voor de Patiënt», dat deze maand start. Ik werk daarin samen met de partijen uit het hoofdlijnenakkoord, waaronder de LHV.
Daarnaast zal ik de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) vragen om verdere differentiatie van de consultduur naar 15 minuten mee te nemen in de doorontwikkeling van de huisartsenbekostiging.
Hoe kunnen de administratieve lasten voor huisartsenpraktijken verminderd worden, zodat zij meer tijd hebben om aan hun patiënten te besteden?
Vanuit het programma [Ont]regel de Zorg zet ik in om administratieve lasten in verschillende zorgsectoren te verminderen, waaronder in de huisartsenzorg. Ook in het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2018–2022 is het verminderen van administratieve lasten een speerpunt. Het aanpakken van regeldruk doe ik samen met partijen, waaronder de LHV, Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen (VPH), NZa en Zorgverzekeraars Nederland (ZN). In samenwerking met elkaar hebben wij de afgelopen jaren al verschillende administratieve lasten voor de huisartsen verminderd. Voorbeelden hiervan zijn dat de VOG-plicht is afgeschaft voor huisartsen die in incidentele gevallen in de ANW-uren in een Wlz-instelling of ggz-instelling zorg verlenen, er is verhelderd dat uitvoeringsverzoeken alleen noodzakelijk zijn bij voorbehouden handelingen en niet noodzakelijk zijn bij risicovolle handelingen en de frequentie van de NHG-praktijkaccreditering is teruggebracht van eens per jaar naar eens per drie jaar. Voor een volledig en actueel overzicht van de resultaten van het programma [Ont]Regel de Zorg verwijs ik u naar de website www.ordz.nl. Ik constateer ook dat er nog een flinke weg te gaan is. Daarom blijft dit vraagstuk ook de komende jaren de aandacht vragen van alle betrokken partijen; zorgorganisaties, zorgverleners, de overheid en van de toezichthouders. De precieze invulling van een vervolgaanpak om de administratieve regeldruk verder te verminderen is aan het volgende kabinet.
Hoe bent u van plan huisartsen te ondersteunen zodat ze voldoende kunnen herstellen, nu er te weinig waarnemend huisartsen zijn?
Werkdruk en tekorten in de huisartsenzorg zijn een van de belangrijkste thema’s in het hoofdlijnenakkoord huisartsenzorg 2018–2022. Hierover zijn meerdere afspraken gemaakt. Denk aan extra opleidingsplekken voor huisartsen, mits er voldoende opleiders en praktijkopleiders beschikbaar zijn, investeringen in ICT/digitalisering, het inzetten op het beperken van de administratieve lasten en meer tijd voor de patiënt.
Ook ben ik met de LHV een arbeidsmarktaanpak gestart, waarin in 9 regio’s ondersteuning wordt geboden om arbeidsmarktknelpunten in de huisartsenzorg duurzaam aan te pakken. Zo wordt momenteel in een regio ondersteuning geboden bij het realiseren van inzet van Verpleegkundig Specialisten op de huisartsenpost. De structurele inzet van Verpleegkundig Specialisten op de huisartsenpost heeft als doel de diensten te verlichten en de regio aantrekkelijker te maken voor nieuwe huisartsen. De lessen die worden geleerd uit de arbeidsmarktaanpak worden gedeeld met alle regio’s, zodat ook zij hiervan gebruik kunnen maken als zij dat willen.
Daarnaast zijn er aanvullende trajecten opgezet: het versnellen van «Organisatie & Infrastructuur», «Meer Tijd voor de Patiënt» en «Digitalisering». Binnen deze trajecten wordt er gewerkt aan het bevorderen van de organisatiegraad in de regio, het implementeren van Meer Tijd Voor De Patiënt-projecten en het stimuleren van digitaliseringsplannen in de regio. Deze versnellingstrajecten kunnen onder andere helpen bij het realiseren van efficiëntere werkvormen, het stroomlijnen van werkprocessen en kennisdeling.
Welke acties onderneemt u om de werkdruk onder huisartsen op korte termijn omlaag te brengen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het ermee eens dat het opleiden van meer huisartsen in grote mate bij kan dragen aan zowel het verlagen van de werkdruk, als aan de mogelijkheden om consulttijden te verlengen en het oplossen van het tekort aan waarnemend huisartsen op langere termijn? Zo ja, bent u bereid om het aantal opleidingsplekken voor huisartsen uit te breiden?
Het opleiden van huisartsen kost tijd, waardoor dit niet direct leidt tot het verlagen van de werkdruk. Het Capaciteitsorgaan heeft in het laatste Capaciteitsplan geadviseerd om het aantal instroomplaatsen voor de opleiding tot huisarts flink bij te stellen. Om de stijging in aantallen opleidingsplaatsen te kunnen realiseren, zijn naast beschikbare kandidaten ook meer opleiders en praktijkopleiders (opleidingsinstellingen) nodig. Deze zijn niet in voldoende mate beschikbaar om het advies van het Capaciteitsorgaan te volgen. Alle inzet is er nu op gericht om het aantal opleidingsplaatsen te verhogen, waarbij wordt bezien in welk tempo toegewerkt kan worden naar het aantal opleidingsplaatsen conform het advies van het Capaciteitsorgaan. Voor 2021 zijn 820 plaatsen beschikbaar gesteld, voor 2022 zijn dat 850 plaatsen.
Het strafontslag van een agente die grensoverschrijdend gedrag van een leidinggevende aankaartte |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u uiteenzetten wat de meldprocedure is voor grensoverschrijdend gedrag binnen een politieteam?1
De procedure voor het melden van een misstand is vastgelegd in paragraaf 2.2 van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP). Een werknemer doet in principe eerst een interne melding bij zijn werkgever, tenzij dit niet in redelijkheid van hem kan worden gevraagd. De korpschef en ik hechten veel waarde aan een veilige en inclusieve politieorganisatie waarin zoveel als mogelijk wordt gedaan om ongewenst gedrag door medewerkers te voorkomen en misstanden worden gemeld. Door een misstand te melden draagt de medewerker bij aan het onthullen of voorkomen van dergelijke inbreuken, waardoor deze een belangrijke bijdrage levert aan het maatschappelijk welzijn van alle medewerkers.
Politiemedewerkers die op de hoogte zijn van gedragingen of activiteiten binnen de organisatie die het algemeen belang kunnen schaden of bedreigen, worden beschermd als zij dit melden. Dit zogenaamde «benadelingsverbod» is opgenomen in artikel 47 van de Politiewet 2012. Als de gedane melding niet of niet naar tevredenheid is afgehandeld, kan de werknemer een melding doen bij een externe instantie zoals de afdeling Onderzoek van het Huis voor klokkenluiders en een verzoek tot het doen van onderzoek indienen. Daarnaast kan er een klacht worden ingediend of aangifte worden gedaan. Klachten en aangiften met betrekking tot de politie worden onderzocht door een onafhankelijke klachtencommissie en indien nodig door het OM. Zij beoordelen het gedrag en optreden van de politie.
Hoeveel klokkenluiders binnen de politie zijn er in de afgelopen vijf jaar overgeplaatst naar een ander team?
Er hebben in de afgelopen 5 jaar totaal 14 klokkenluiders die voldoen aan de definitie, aandacht gevraagd voor een casus.
Er kunnen tal van redenen zijn waarom politiemedewerkers zich verplaatsen binnen de organisatie (bijvoorbeeld door een carrièrestap te maken of in geval van een gedwongen overplaatsing). Er is in één casus sprake geweest van een gedwongen overplaatsing. Ik kan over deze casus echter geen uitspraken doen omdat het hier een aangelegenheid tussen werkgever en werknemer betreft.
Hoeveel klokkenluiders zijn er binnen de politie geweest in de afgelopen vijf jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wanneer contact met de media een schending is van de ambtseed en de geheimhoudingsplicht? Is dat bijvoorbeeld ook het geval als iedere stap doorlopen is in het meldproces en er geen of onvoldoende stappen zijn ondernomen? Is dat ook het geval wanneer er voldoende reden is om te twijfelen aan de bereidheid van de organisatie deze klacht serieus te behandelen of als er gevreesd moet worden voor repercussies als er gemeld wordt?
In de Ambtenarenwet zijn de verplichtingen van de ambtenaar opgenomen. Hierin staat dat de ambtenaar is gehouden de bij of krachtens de wet op hem rustende en uit zijn functie voortvloeiende verplichtingen te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. De ambtenaar legt hiervoor een eed of belofte af. In de Beroepscode politie zijn daarnaast de vier kernwaarden integer, betrouwbaar, moedig en verbinden verwoord. De vier kernwaarden vormen een toetssteen voor hetgeen van de politie als goed ambtenaar wordt verwacht. In de ambtseed zweert of verklaart de aspirant of de ambtenaar die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak onder meer de kennis die hij/zij vanuit de ambt kennis draagt en die als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan hij/zij het vertrouwelijk karakter moet begrijpen niet zal openbaren aan anderen dan aan hen aan wie hij/zij volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht is. In de beroepscode is opgenomen dat zorgvuldig met (vertrouwelijke) informatie moet worden omgegaan. Het delen van vertrouwelijke politie-informatie (als ook met de media) kan, afhankelijk van de omstandigheden een schending van de ambtseed/belofte en de geheimhoudingsplicht opleveren.
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 1 doet een medewerker in principe intern melding van een misstand bij de werkgever (direct leidinggevende of andere leidinggevende), tenzij dit niet in redelijkheid van hem of haar kan worden gevraagd. Daarnaast heeft de politie een uitgebreid stelsel van vertrouwenspersonen in de eenheden, waarmee geborgd is dat eenieder die een melding van omgangsvormen aan de orde wil stellen dat altijd veilig en beschermd kan doen. Ook heeft de politie een ombudsfunctionaris waar mensen terecht kunnen die zich niet gehoord voelen. Als de gedane melding niet of niet naar tevredenheid is afgehandeld, kan de werknemer besluiten om melding doen bij een externe instantie zoals de afdeling Onderzoek van het Huis voor klokkenluiders of door het indienen van een klacht of aangifte.
Zijn er – gezien het feit dat zowel in Den Haag als in Noord-Holland meerdere problemen spelen, zoals blijkt uit onder andere de rechterlijke uitspraken, en gezien dit al eerder bleek in Rotterdam2 – meer lokale teams waarbij problemen van deze omvang spelen? Zo ja, hoeveel zijn dat er schat u in? Zo nee, waar baseert u dit op?
Goed politiewerk vraagt om een veilige en inclusieve werkomgeving waar verschillen worden erkend en gewaardeerd. Waar mensen werken zullen ook fouten gemaakt worden waarvan moet worden geleerd. De medewerkerstevredenheidsmonitor vormt daarbij een waardevol hulpmiddel. Zoals ik meermalen aan uw Kamer heb medegedeeld, laatstelijk nog in mijn brief van 20 mei 20213, is de korpsleiding daarnaast zeer alert op relevante signalen. Ik heb daarbij aangegeven dat het onderwerp regelmatig aan de orde komt in mijn gesprekken met de politie en met burgemeesters. In deze brief is tevens ingegaan op de maatregelen die de politie in dat verband neemt. Centraal hierin staat het programma Politie voor Iedereen, dat is gericht op een korps dat divers is opgebouwd en goed met diversiteit kan omgaan, waarin oog is voor de verschillende culturen, leefstijlen en aandachtsgebieden in onze samenleving en geen ruimte is voor discriminatie en grensoverschrijdend gedrag. Alleen zo kunnen teams samen sterk staan en in verbinding blijven met elkaar en met burgers in de samenleving.
Hoeveel adviesaanvragen zijn er in de afgelopen drie jaar binnengekomen bij de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening politieambtenaren? Hoeveel van deze adviezen zijn rechtstreeks opgevolgd?3
De Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren (AGFA) publiceert al haar adviezen op de website en in haar jaarverslagen. Vanaf 2018 tot heden zijn er 15 zaken voorgelegd aan de AGFA-commissie. De adviezen t.a.v. 14 van deze zaken zijn gepubliceerd op de website van de AGFA. In één zaak is nog geen besluit genomen. Pas daarna zal publicatie plaatsvinden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat Politie op 3 november?
De beantwoording van deze vragen kan niet binnen de gevraagde termijn worden gematerialiseerd.
De situatie van arbeidsmigranten in Boskoop |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van de heer Frank van Gool tijdens een rondetafelgesprek «uitzendbureaus» op 28 juni 2021 waarin hij op antwoord tegen de heer Van Kent zei: «U bent altijd welkom. U mag zeker uitzoeken waar u naartoe wilt. Daar heb ik verder geen problemen mee»?
Ja, deze uitspraak is mij bekend.
Hoe rijmt u deze uitspraak met het feit dat de heer Van Kent op 11 oktober tijdens een bezoek aan een huisvestingslocatie voor arbeidsmigranten in Boskoop, dat onder beheer staat van de heer van Gool, werd aangesproken door de door verhuurder ingeschakelde politie toen hij deze locatie op uitnodiging van een bewoner bezocht?
Ik kan geen uitspraak doen over deze specifieke situatie. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 3 en 4.
Deelt u de mening dat arbeidsmigranten te allen tijde gasten zouden moeten kunnen ontvangen in hun gehuurde huisvesting, zeker als deze gasten medewerkers van de vakbond zijn die op afspraak hun betalende leden willen bezoeken? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Bewoners hebben het recht om bezoek te ontvangen. Dat geldt voor iedereen, dus ook voor arbeidsmigranten. Het gaat immers om de plek waar je woont en daar mag je dat zelf beslissen. Uiteraard moet daarbij wel rekening worden gehouden met omwonenden en medebewoners. Bovendien mag het bezoek niet leiden tot schade aan het gehuurde. In de huurovereenkomst tussen een bewoner en de eigenaar/beheerder kunnen ook bepaalde voorwaarden worden opgenomen omtrent het ontvangen van bezoek. Dit soort voorwaarden moeten wel redelijk zijn en mogen geen inbreuk zijn op de persoonlijke levenssfeer van de bewoner. Uiteindelijk is het aan de rechter om te beoordelen of de verhuurder hier juist mee omgaat. Ik kan de individuele situatie op deze locatie niet beoordelen en ken de beweegredenen van de verhuurder niet. Ik ben wel van mening dat als bezoekers niet welkom zijn, de verhuurder dit duidelijk moet kunnen beredeneren.
Op welke grond zou een huisbaas een huurder dit recht kunnen ontzeggen? In hoeverre is dit in strijd met de hiervoor geschetste situatie?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is de hierboven geschetste situatie in strijd met het Stichting Normering Flexwonen (SNF)-keurmerk waarin staat dat een inwoner zonder afspraak bezoek moet kunnen ontvangen?
Het mogen ontvangen van bezoek is ook onderdeel van het keurmerk. Die zijn in lijn met wat ik hierboven al schetste. Deze norm is te vinden onder het kopje «toezicht en beheer». Dit is terug te vinden in de norm onder de kop: «9.2 Bewoners zijn vrij om ook onaangekondigd bezoek te ontvangen op de locatie. De onderneming mag voorwaarden aan bezoek stellen in het kader van veiligheid (zoals het melden of inschrijven bij een receptie ten behoeve evt. ontruiming) en om overlast voor andere bewoners te voorkomen (door bv ’s nachts geen bezoek toe te laten of maximumaantal bezoekers te bepalen).»
Op alle locaties, dus ook op de locatie in Boskoop, mag een bewoner dus bezoek ontvangen. Indien een eigenaar of beheerder zich niet aan die normen houdt kan dat gemeld worden bij het keurmerk, of kan een bewoner naar de rechter stappen. Op de website workinnl.nl is zo duidelijk mogelijk aangegeven waar arbeidsmigranten met vragen of problemen terecht kunnen.
In de aangetroffen woningen zijn ook piepkleine kamers zonder ramen en dus zonder direct daglicht, in deze ruimte slapen twee arbeidsmigranten die samen 800 euro huur betalen. In hoeverre is dit in strijd met het SNF-keurmerk? Wat gaat u hieraan doen? In hoeverre kan er hier nog van privacy voor arbeidsmigranten worden gesproken?
De verhuurder in kwestie is SNF-gecertificeerd en zou dus aan de kwaliteitseisen van SNF moeten voldoen. Vanuit het keurmerk vinden controles plaats om dit na te gaan.
Voor zover ik kan beoordelen voldoet de locatie aan de normen van SNF. Een slaapkamer delen is toegestaan. Slaapruimtes zonder daglicht zijn volgens de norm van SNF niet toegestaan. In alle verblijfsruimte dient daglicht te komen. Dit hoeft echter geen direct daglicht te zijn. Voor gebouwen met bestemming logies is dat ófwel direct daglicht (waarbij geen minimum-maat geldt) ofwel 0,5 m2 (indirect) daglicht. Helemaal geen daglicht leidt altijd tot een grotere tekortkoming.
Tijdens een inspectie kan een grote of een kleine tekortkoming in het voldoen aan deze normen worden geconstateerd. Een grotere tekortkoming dient binnen zes weken na constatering aantoonbaar te zijn opgelost. De inspecteur en het aantal grotere tekortkomingen bepaalt of er een herinspectie moet plaatsvinden of dat de onderneming administratief kan aantonen dat de tekortkoming is opgelost. Indien grotere tekortkomingen niet of niet tijdig zijn hersteld en in het reglement registratie zijn beschreven, kan de stichting overgaan tot schorsing en doorhaling uit het SNF-register conform het reglement registratie.
Het keurmerk zelf gaat verder niet over de huurprijzen. Wel is sinds 1 januari 2017 het verbod op inhoudingen en verrekeningen op het Wettelijk minimumloon van kracht. Daarin is bepaald dat voor huisvesting maximaal 25% ingehouden mag worden op het wettelijk minimumloon. Het moet dan wel om gecertificeerde huisvesting gaan, zoals het SNF keurmerk. Hiermee is de huurprijs dus gemaximeerd. Dit is ingesteld om te voorkomen dat huisvesting een verdienmodel vormt. Iedereen heeft immers recht op degelijke huisvesting tegen een redelijke prijs. Dit is niet anders wanneer sprake is van tijdelijk verblijf in Nederland.
Het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten heeft aanbevelingen gedaan om de kwaliteit van de huisvesting te verbeteren. Specifiek voor de keurmerken doet zij aanbevelingen om de normen te verbeteren. Met de keurmerken worden ook gesprekken gevoerd over het voldoen aan die normen. Verder geef ik met het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap gemeenten de mogelijkheid een vergunningsplicht voor de verhuur aan arbeidsmigranten in te stellen. Daarbij krijgen gemeente de mogelijkheid om bij het introduceren van die vergunningsplicht een aantal kwaliteitseisen op te nemen. Het gaat daarbij om het eisen van een eigen af te sluiten verblijfsruimte en eisen gericht op het bewaren en bereiden van voedsel en was-voorzieningen. Op deze punten is het goed als gemeenten zoveel mogelijk aansluiten bij de inhoud van de keurmerken en bij de normen uit het advies van het Aanjaagteam.
Tot slot wordt in het advies van het Aanjaagteam ook aanbevolen de huisvestingskeurmerken onderdeel te maken van de certificeringsplicht van uitzendbureaus, waarmee een groter aandeel van de huisvesting van arbeidsmigranten aan één van de keurmerken zal moeten voldoen. Op dit moment verken ik met de Minister van SZW hoe we dit gaan vormgeven.
Daarnaast werd er in meerdere ruimtes schimmelvorming aangetroffen, in hoeverre is dit in strijd met het SNF-keurmerk? Welke sanctie rust daar op?
SNF hanteert ook regels voor schimmelvorming. Er zijn verschillende gradaties in schimmel en bij het aantreffen van weinig schimmel wordt er een kleinere tekortkoming gegeven, bij het aantreffen van veel schimmelvorming een grotere tekortkoming. Er is een hygiënescorekaart die handvatten geeft voor de bepaling.
In het antwoord op vraag 6 omschreef ik al hoe omgegaan wordt met grotere tekortkomingen. Kleinere tekortkomingen moeten eveneens binnen de door de inspecteur vastgestelde periode zijn opgelost. Een kleinere tekortkoming die bij een volgende inspectie wederom blijkt, wordt bij die inspectie aangemerkt als een grotere tekortkoming. Meldingen van dit soort tekortkomingen kunnen het beste bij SNF worden gedaan, omdat SNF dan hierop kan controleren. In het geval van ernstige tekortkomingen kan een bewoner ook naar de rechter gaan.
Van de gemeente heb ik bovendien begrepen dat medewerkers van Team Inspectie op de locatie een onaangekondigde controle hebben gedaan op de naleving van de eisen uit het Bouwbesluit 2021 (onder andere hygiëne, ventilatie en veiligheid). De algemene ruimten bleken toen hygiënisch in gebruik en schoon. Willekeurig zijn ook een aantal kamers gecontroleerd. In die kamers is geen schimmelvorming aangetroffen.
Bent u bereid bij de SNF erop aan te dringen deze locatie extra en onaangekondigd te controleren omdat het overtreden van het keurmerk wordt vermoed?
Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten adviseert meer onaangekondigde controles uit te voeren. Fysieke locaties zouden ook onaangekondigd moeten worden geïnspecteerd, ook als dat betekent dat niet alle privéruimtes kunnen worden gecheckt. Een onaangekondigde inspectie geeft volgens het advies meer informatie over de daadwerkelijke situatie dan alleen aangekondigde inspecties.
Allereerst verdient het opmerking dat SNF geen volledig onaangekondigde controles kan en mag uitvoeren. Het betreft huisvestingslocaties, waardoor de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dit tegenhoudt. Bewoners hebben immers ook recht op privacy en het niet zomaar binnendringen van hun woonplek. SNF heeft wel aangegeven binnen de ruimte van de wettelijke kaders de specifiek te controleren locatie zo kort mogelijk van tevoren bekend te maken. Daarbij wordt een afweging gemaakt of een gerichte aanvullende inspectie gerechtvaardigd is. Dat doet SNF op basis van de meest recente inspectie-resultaten en de klacht. Het is verder aan SNF om te beslissen welke locaties extra aandacht vragen. SNF heeft aangegeven daartoe open te staan voor klachten van derden, ook de FNV. FNV kan dus al van deze mogelijkheid gebruikmaken.
Deelt u de mening dat de SNF geen aangekondigde bezoeken zou moeten brengen en eventueel in samenspraak met de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) gericht locaties zou moeten uitzoeken voor controle?
Zie antwoord vraag 8.
Kunt u bij de SNF nagaan wanneer de laatste inspectie van de SNF op de locatie Boskoop heeft plaatsgevonden, voordat het bezoek van de heer van Kent (11 oktober 2021) plaatsvond, wat de bevinding was en of er verbeter/herstel punten liepen?
SNF heeft in haar voorwaarden staan dat gegevens over individuele ondernemingen of specifieke locaties, anders dan die op de website zijn te vinden, niet met derden gedeeld mogen worden. Dit heeft te maken met de privacy van de ondernemingen. Het past bij een vrijwillig keurmerk dat als doel heeft zo veel mogelijk bedrijven te inspecteren op de kwaliteit van de huisvesting (en daarmee het verbeteren van die kwaliteit) dat gedetailleerde informatie over tekortkomingen niet openbaar worden gemaakt.
SNF heeft wat betreft dit specifieke geval aangegeven de signalen ook gezien te hebben en heeft aangegeven deze te onderzoeken en indien nodig maatregelen te nemen.
Als de SNF de locatie heeft gecontroleerd, hoe is het mogelijk dat er nog steeds zo veel tekortkomingen zijn aangetroffen, wat is dan de waarde van SNF-certificering? Staat het SNF-certificaat garant dat de accommodatie aan de eisen voldoet? Is het iets waarmee de uitzenders hun imago hoog houden?
SNF controleert door middel van periodieke inspecties en indien nodig gerichte aanvullende inspecties of locaties aan de gestelde eisen voldoen. Dat zijn constateringen op dat moment. Over het algemeen geeft dat een goed beeld van hoe de locatie is ingericht en wordt onderhouden. Grotere tekortkomingen moeten binnen 6 weken aantoonbaar worden hersteld. Indien de tekortkomingen niet binnen de gestelde termijn zijn opgelost, kan de onderneming worden geschorst. Het jaarverslag van SNF vermeldt hoeveel ondernemingen geregistreerd zijn en hoe vaak er schorsing plaatsvindt in een jaar. In 2020 ging het om 30 schorsingen vanwege niet tijdig beëindigde tekortkomingen.
Ik ben het met u eens dat de kwaliteitsvereisten van de keurmerken voor verbetering vatbaar zijn. Zoals ik hierboven heb aangegeven vormt dit ook onderdeel van het advies van het Aanjaagteam. Met de keurmerken worden ook gesprekken gevoerd over het voldoen aan die normen.
Zoals ik al aangaf geef ik gemeenten met het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap de mogelijkheid om een verhuurdervergunning te introduceren. Gemeenten kunnen bij het instellen van die vergunningsplicht een aantal kwaliteitseisen op te nemen. Het gaat daarbij om het eisen van een eigen af te sluiten verblijfsruimte en eisen gericht op het bewaren en bereiden van voedsel en was-voorzieningen. Op deze punten is het goed als gemeenten zoveel mogelijk aansluiten bij de inhoud van de keurmerken.
Indien er geen opmerkingen waren, waar gaat het naar uw mening dan verkeerd en hoe is dat op te lossen als bij een onaangekondigd bezoek van de heer van Kent meerdere SNF-normovertredingen vastgesteld worden?
SNF inspecteert periodiek. Zij staat daarnaast open voor klachten van bewoners, buren en van derden. De FNV of de heer Van Kent kunnen hun klachten dus ook bij SNF melden. De klacht wordt dan onderzocht en indien nodig volgen maatregelen. Juist voor situaties waar de locaties tussentijds niet (meer) voldoen, is de klachtenfunctie beschikbaar.
Als er wel herstel/verbeterpunten liepen, wat vindt u dan een redelijk termijn om tijd voor herstel te geven? Deelt u de mening dat tijdens de herstelperiode de arbeidsmigranten een substantiële korting op de wekelijkse «huur-prijs» behoren te krijgen?
De huurprijs die arbeidsmigranten betalen is afgesproken met de verhuurder. SNF staat daar los van. Wel geldt de koppeling dat wanneer men de huur wil inhouden op het minimumloon, dit voor maximaal 25% van het minimumloon mag en dat het om gecertificeerde huisvesting moet gaan. Indien de verhuurder het keurmerk verliest zal de huur dus niet meer mogen worden ingehouden op het minimumloon.
Huurders van woonruimte kunnen in dit soort situaties vaak met klachten naar de Huurcommissie. Dat geldt voor arbeidsmigranten ook indien zij een huurcontract voor woonruimte hebben. Zij huren echter ook vaak op basis van logies. Dan is de huurcommissie niet toegankelijk.
Wel kunnen arbeidsmigranten dus een melding doen bij SNF in het geval van tekortkomingen. SNF zal dan een inspecteur langs sturen. De hersteltijd bij het constateren van een tekort is dan zes weken
Op welke termijn gaat u de aanbeveling van de commissie Roemer, aangaande de minimale aantal beschikbare vierkante meters per persoon en het hebben van een eigen slaapkamer, uitvoeren? Hoe gaat u de uitvoering van deze aanbeveling vorm geven?
De bedoelde aanbeveling heeft ook geleid tot de motie Van Dijk, waarin het kabinet gevraagd werd de 15 vierkante meter per persoon voor arbeidsmigranten om te zetten in beleid. Met de heer Van Dijk is toen ook besproken dat ik uitvoering aan de motie zou geven door gemeenten actief te wijzen op de ruimte die zij hierin met de Omgevingswet krijgen en ze te stimuleren die om te zetten in lokaal beleid en bijpassende regels.
In de handreiking huisvesting arbeidsmigranten die deze zomer is uitgebracht zijn gemeenten bekend gemaakt met de mogelijkheden. Ook is er op het VNG-forum aandacht aan besteed. Gezien de wet per 1 juli 2022 in werking treedt kunnen we nu nog niet zeggen wat de gevolgen daarvan zijn.
Zoals ik al eerder aangaf wordt met de verhuurdervergunning gezorgd dat gemeenten straks ook kunnen eisen dat bij de verhuur aan arbeidsmigranten een eigen verblijfsruimte per huishouden aangeboden wordt.
Op welke termijn gaat u de aanbeveling van de commissie Roemer aangaande het aparte huurcontract voor arbeidsmigranten, een huurcontract met opzegtermijn wat arbeidsmigranten behoedt tegen directe uithuiszettingen wanneer zij hun werk kwijt raken, uitvoeren? Hoe gaat u de uitvoering van deze aanbeveling vorm geven?
Het scheiden van baas en bed kan op meerdere manieren worden aangevlogen. Het kabinet kiest voor een aanpak die past bij het doel dat we willen bereiken: namelijk het versterken van de positie van de arbeidsmigrant en het verminderen van de afhankelijkheid van de werkgever. Arbeidsmigranten moeten niet zomaar op straat belanden wanneer het werk plotseling ophoudt.
Het wetsvoorstel Goed Verhuurderschap helpt daarbij. Gemeenten kunnen straks een vergunningsplicht instellen voor de verhuur aan arbeidsmigranten. Onderdeel van de algemene regels uit het wetsvoorstel is dat bij de verhuur aan arbeidsmigranten een zelfstandig schriftelijk contract voor de verhuur wordt aangeboden. Daarmee worden het huur- en arbeidscontract losgekoppeld.
Een tweede stap in het verminderen van de afhankelijke positie is het zorgen voor huurbescherming, waar de heer Van Kent ook naar vraagt. Wat betreft het aanbieden van een huurcontract met opzegtermijn is de inzet van het kabinet in eerste instantie geweest om het gebruik van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten te stimuleren. Uit de evaluatie van den Wet doorstroming huurmarkt 2015 is gebleken dat deze contractsvorm onvoldoende voor dit soort situaties wordt gebruikt in de praktijk. Daarnaast wordt deze als niet-passend ervaren. Op dit moment wordt verkend welke mogelijkheden er zijn om een contractvorm te ontwerpen waarbij de huurpositie van arbeidsmigranten wordt verbeterd.
Over het invoeren van een volledig verbod voor het zijn van werkgever en tevens huisvester heeft het kabinet al vaker aangegeven dit een stap te ver te vinden. Allereerst kan de werkgever op deze manier juist ook hulp bieden bij het vinden van passende huisvesting. Dat is, zeker op deze krappe woningmarkt, alleen maar behulpzaam. Ook zien wij een verantwoordelijkheid voor de werkgevers, nu zij deze mensen vaak zelf naar Nederland halen. Door een verbod in te voeren worden werkgevers ook van deze verantwoordelijkheid ontslagen.
Vaccindonatie |
|
Alexander Hammelburg (D66), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief over vaccindonatie?1
Ja.
Deelt u de mening dat het doneren van COVID-19-vaccins aan de vele landen waar de vaccinatiegraad nog tussen de één en vijf procent ligt, zeer urgent en van levensbelang is?
Ja, een eerlijke wereldwijde verdeling van coronavaccins is belangrijk, zowel vanuit een moreel als een gezondheids- en economisch perspectief.
Deelt u tevens de mening dat vaccindonatie essentieel is om de opkomst van mutaties van het COVID-19-virus tegen te gaan, en daarmee essentieel is voor het beschermen van de Nederlandse volksgezondheid?
Het tegengaan van nieuwe «gevaarlijke» mutaties is van groot belang. Daar kan het vaccineren van de gehele wereldbevolking een bijdrage aan leveren. Ik ben dan ook voornemens net zoveel vaccins te doneren als in Nederland zijn toegediend.
Kunt u aangeven of u nog steeds «goede hoop [heeft] dat de eerste Nederlandse vaccins in de loop van oktober door Global Alliance for Vaccines and Immunizations (GAVI) ontvangen kunnen worden»? Kunt u daarbij concretiseren wanneer u verwacht dat de donaties formeel voldaan worden en wanneer u verwacht dat die donaties ook daadwerkelijk geleverd worden aan ontvangende landen?
Nederland heeft inmiddels de donatiemandaten ondertekend waarmee alle nog te ontvangen doses van het AstraZeneca vaccin (circa 7,9 miljoen doses) en alle nog te ontvangen doses uit de contracten met BioNTech/Pfizer voor 2021 (circa 2,8 miljoen doses) aan Covax zullen worden gedoneerd. De leveringen zijn in week 43 op gang gekomen. Op zeer korte termijn zal ook de toezegging voor Janssen (circa 8,8 miljoen doses) gestalte krijgen. De EU brede donatie overeenkomst voor Moderna is deze week tot stand gekomen en door Nederland ontvangen. Verwachting is dat op basis hiervan op korte termijn ook het doneren van Moderna vaccins mogelijk wordt. Hiernaast doneert Nederland bilateraal; naast Suriname, Kaapverdië en Namibië vinden nog leveringen plaats aan Indonesië.
Kunt u nader toelichten welke juridische belemmeringen u op dit moment nog ziet om aan GAVI te doneren en hoe u van plan bent deze belemmeringen te overkomen?
Het doneren van vaccins is juridisch gecompliceerd, onder andere op het vlak van aansprakelijkheid. Nederland heeft de door de faciliterende lidstaten uitonderhandelde contracten zorgvuldig bestudeerd, in het belang van zowel Nederland als de ontvangende landen. Donatie van AstraZeneca en BioNTech/Pfizer vaccins is inmiddels mogelijk. Ook het donatie mandaat voor Janssen zal op zeer korte termijn worden ondertekend. De zojuist tot stand gekomen donatieovereenkomst met Moderna wordt op dit moment bestudeerd.
Klopt het dat de set voorwaarden waar GAVI mee werkt, waar u in uw brief aan refereert, voor andere lidstaten uit Team Europe wel acceptabel was? Wat is de verklaring dat Nederland hier, als enige land in de EU, terughoudender in is?
Ik ga er vanuit dat elk land haar eigen juridische afwegingen maakt ten aanzien van de condities waaronder donatie acceptabel is.
Wat houdt de middenweg via faciliterende EU-lidstaten in en hoe ver bent u daarmee?
De faciliterende EU-lidstaat sluit een overeenkomst met GAVI en de desbetreffende producent, waarna de donerende lidstaat kan besluiten om haar vaccins te doneren via de faciliterende lidstaat. Dit is een administratieve handeling waarbij het donerende land als het ware meelift op de donatieovereenkomst die is afgesloten tussen de faciliterende lidstaat, de desbetreffende producent en GAVI. Voor deze constructie wordt gekozen om de administratieve lasten voor met name GAVI zo laag mogelijk te maken.
Voor de huidige stand van zaken zie antwoord op vraag 4.
Kunt u aan de hand van concrete cijfers nader onderbouwen dat Nederland voornemens is verhoudingsgewijs net zoveel te doneren als de Duitsland en de VS? Kunt u in die onderbouwing tevens een vergelijking maken met Zweden en Noorwegen?
Zoals aangegeven in mijn brief van 30 september jl.2 gaat Nederland uit van het motto: «Get One – Give One». We willen ten minste net zoveel vaccins doneren als we zelf gebruiken. Voor het moment streven we naar een donatievolume tussen de 25 en 27 miljoen doses, waarbij we zowel bilateraal als via Covax doneren.
Duitsland heeft aangegeven 100 miljoen dosis beschikbaar te stellen waarbij zij net zo veel willen doneren als ze in hun land gebruikt hebben.3 De Verenigde Staten hebben toegezegd 1,1 miljard doses te doneren4, Noorwegen 5 miljoen en Zweden 6 miljoen doses.5
Kunt u nader toelichten hoe de zogenaamde lening-donatie aan Zweden, waarmee 500.000 vaccins aan Covax zouden zijn geleverd, precies in zijn werk ging? Betekent dit dat Covax daadwerkelijk 500.000 vaccins heeft gekregen van Zweden namens Nederland?
Middels een «leen-constructie» kon Nederland via Zweden 500.000 AstraZeneca-vaccins doneren aan Covax. Nederland krijgt deze doses later van Zweden terug, waarna deze doses alsnog door Nederland aan GAVI kunnen worden gedoneerd.
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen een week beantwoorden?
Ik heb uw vragen zo snel mogelijk beantwoord.
Het artikel 'Wij geven passende zorg zonder dat de gemeente iets hoeft te doen' |
|
Ockje Tellegen (VVD) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Wij geven passende zorg zonder dat de gemeente iets hoeft te doen?»1
Ja.
Wat vindt u van de wettelijke mogelijkheid om iemand vergunningsvrij een huis te laten bouwen op het terrein van zijn of haar mantelzorger, om zo het verlenen van mantelzorg te vergemakkelijken zoals in het geval van de in het artikel genoemde zoon en zijn moeder?
Ik vind dat een goede mogelijkheid. Mantelzorgvoorzieningen bij woningen zorgen ervoor dat mensen langer thuis kunnen blijven wonen als zij dit willen. Dat is een van de doelstellingen van dit (demissionair) kabinet. Mijn ambtsvoorganger heeft deze bouw- en gebruiksmogelijkheden voor huisvesting in verband met mantelzorg in 2014 in het Besluit omgevingsrecht opgenomen. Hiermee is destijds uitvoering gegeven aan de motie Pieper c.s. (Kamerstukken II 2009/10, 32 123 XI, nr. 34), die opriep de mogelijkheden voor de plaatsing van mantelzorgwoningen te vereenvoudigen.
Deelt u ook de zorg dat met de komst van de nieuwe Omgevingswet en daarmee het verdwijnen van landelijke wetgeving op dit punt, dit soort woonzorgarrangementen mogelijk zullen verdwijnen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met de Omgevingswet krijgen gemeenten meer mogelijkheden om maatwerk te leveren. Die mogelijkheid ontstaat ook bij bouwmogelijkheden voor uit- en aanbouwen en bijgebouwen (bijbehorende bouwwerken), die gemeenten straks in het omgevingsplan reguleren. De mogelijkheden voor huisvesting in verband met mantelzorg zijn in deze regeling verweven. Het is niet uit te sluiten dat gemeenten bij bepaalde woningen beperkingen zullen opleggen voor bouwmogelijkheden, waaronder mantelzorgvoorzieningen, vanwege bijvoorbeeld afstandsnormen voor geluid, geur en trilling nabij bedrijfsmatige activiteiten. De huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het Besluit omgevingsrecht worden als onderdeel van de zogenoemde bruidsschat ongewijzigd overgeheveld naar het gemeentelijke omgevingsplan. Als de Omgevingswet in werking treedt kunnen gemeenten de op deze manier uit het huidig recht overgehevelde bouw- en gebruiksmogelijkheden weliswaar veranderen, maar dat kan alleen bij een wijziging van het omgevingsplan. Dat is een besluit waarbij voorzien moet zijn in participatiemogelijkheden en waartegen beroep kan worden ingesteld. De Omgevingswet kan hiermee leiden tot aan de ene kant een inperking voor de bouw van mantelzorgvoorzieningen, maar aan de andere kant biedt het gemeenten ook ruimte voor versoepelingen. Een voorbeeld hiervan is de bouw van bijvoorbeeld premantelzorgwoningen. In toenemende mate zijn er gemeenten die deze mogelijkheid (willen) bieden, ook als er nog geen duidelijke zorgindicatie is.
Het is dus niet precies duidelijk hoe de gemeenten zullen omgaan met de komst van de nieuwe Omgevingswet en de impact hiervan op woonzorgarrangementen. Mijn verwachting is echter niet dat veel gemeenten de mogelijkheden gaan inperken. In bestuurlijk overleg met de koepels is de intentie afgesproken dat er een lastenluwe uitvoering wordt gegeven aan de nieuwe beleidsruimte. Verwacht mag dus worden dat er niet op grote schaal belemmerende regels en vergunningplichten worden geherintroduceerd. Gemeenten hebben er ook belang bij om geen onnodige regels op te stellen voor huisvesting in verband met mantelzorg. Mantelzorgers nemen zorg uit handen waar gemeenten verantwoordelijk voor zijn vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015). Mede gelet op die verantwoordelijkheid deel ik niet de zorg dat gemeenten bouw- en gebruiksmogelijkheden voor mantelzorg lichtvaardig zullen inperken.
Zijn er nu al gemeenten bekend die ertoe hebben besloten of die overwegen het vergunningsvrij bouwen van mantelzorgwoningen stop te zetten of in te perken?
Nee, die zijn mij niet bekend.
Staat deze ontwikkeling als gevolg van de nieuwe Omgevingswet niet op gespannen voet met het streven van het kabinet om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen en daartoe het verlenen van mantelzorg te stimuleren en te ondersteunen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben deze mening niet toegedaan. Zoals ik onder 3 aangeef verwacht ik niet dat gemeenten extra regels zullen gaan stellen. De mogelijkheid om bouw- en gebruiksregels beter op een concrete locatie af te stemmen, staat op zichzelf niet op gespannen voet met het streven ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen. Zoals bij het antwoord op vraag 3 al aangegeven hebben gemeenten in het kader van de Wmo 2015 immers ook een verantwoordelijkheid op dat punt.
Bent u het ermee eens dat inperking van de mogelijkheid tot vergunningsvrije bouw van mantelzorgwoningen tevens haaks staat op de gedachte achter de nieuwe Omgevingswet, namelijk minder regels en meer vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan initiatiefnemers voor het maken van ruimtelijke plannen?
Ik ben het hier niet mee eens. Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Zou de suggestie van KBO-PCOB, MantelzorgNl en de Patiëntenfederatie om een instructieregel type 3 toe te voegen aan de Omgevingswet waarmee gemeenten worden verplicht om voldoende mogelijkheden tot vergunningsvrije mantelzorgwoningen toe te staan, een oplossing zijn?
Ik sta op zichzelf niet afwijzend tegen een instructieregel op dit punt maar de vraag is of op voorhand al een instructieregel moet worden gesteld. Het heeft mijn voorkeur de ontwikkelingen in de gemeentelijke praktijk af te wachten en later te bezien of er op dit punt van rijkswege sturing nodig is. Bedacht moet worden dat bij het opstellen van een instructieregel de nodige vragen zullen spelen. Een instructieregel waarbij louter wordt opgedragen om te voorzien in «voldoende» mogelijkheden voor vergunningvrije mantelzorgwoningen, roept direct de vraag op wat voldoende is. Verder brengt het (her)introduceren van een vergunningplicht nog niet direct met zich dat bouwmogelijkheden voor mantelzorgvoorzieningen worden ingeperkt.
Indien u dit niet wenselijk acht, welke (andere) oplossingen ziet u – zeker in het licht van de huidige wooncrisis en het tekort aan ouderenwoningen – om mantelzorgers op dit punt beter te ondersteunen? Hoe gaat u gemeenten ertoe bewegen vergunningsvrije mantelzorgwoningbouw te stimuleren?
Voor het stimuleren van vergunningsvrije mantelzorgvoorzieningen zie ik nu geen aanleiding. Wel zie ik mogelijkheden om mantelzorgers beter te ondersteunen in het organiseren van de toegang tot regelingen en voorzieningen die voor hen beschikbaar zijn. Veel mantelzorgers lopen tegen drempels bij het realiseren van een mantelzorgwoning. Één van deze drempels betreft het verstrekken van een «bewijs tot mantelzorger zijn», een mantelzorgverklaring. Op 2 december jl. is tijdens de begrotingsbehandeling het amendement (35 570 XVI, nr. 69) van de leden van Otterloo en Sazias aangenomen, waarin verzocht wordt te komen tot een gedragen mantelzorgverklaring (mantelzorgpaspoort). Hier is 4 miljoen euro voor vrijgemaakt. Uit een uitgevoerde verkenning2 met stakeholders zoals de VNG, Aedes en gemeenten blijkt dat er nog vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd om te komen tot een meer uniforme verklaring en dat er met name lokaal moet worden geëxperimenteerd om te onderzoeken hoe de toegang tot (mantelzorg)regelingen, zoals een vergunningvrije mantelzorgvoorziening, kan worden verbeterd. Het Ministerie van VWS stelt hiertoe ruim 80 gemeenten in staat door middel van de organisatie van lokale pilots. Uitkomsten en opbrengsten van deze pilots zullen breed worden verspreid.
Hoewel kort dag, lukt het om deze vragen te beantwoorden voor het notaoverleg over de initiatiefnota van de leden Ellemeet en Smeulders over een «Eigen thuis, voor nu en morgen; wonen en ouderenzorg, de impasse voorbij» dat gepland staat op 25 oktober 2021?
Hoewel ik heb getracht de vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden is dat niet gelukt vóór het genoemde notaoverleg.
Het artikel ‘Nederlandse overheid moet doen wat ze belooft’ |
|
Tom van der Lee (GL), Laura Bromet (GL) |
|
de Th. Bruijn , Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse overheid moet doen wat ze belooft»?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid op het congres van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) niet voor de motie over ontbossing in de Amazone heeft gestemd?
Op het congres van de International Union for Conservation of Nature and Natural Resources (IUCN) werden verschillende moties in stemming gebracht met betrekking tot het voorkomen van ontbossing, waaronder in de Amazone. De Nederlandse overheid heeft zijn steun uitgesproken voor een aantal moties die oproepen tot het stoppen van ontbossing en de bescherming van inheemse volkeren, lokale gemeenschappen en mensenrechtenverdedigers. Het klopt dat Nederland niet voor de motie specifiek over ontbossing in de Amazone heeft gestemd waaraan in het genoemde artikel wordt gerefereerd. Ik verwijs u daarvoor verder naar mijn antwoord op vraag 6.
Onderschrijft u de constatering dat de motie een mooie aanleiding was om uitvoering te geven aan het beleid zoals uiteengezet in de Kamerbrief van 2020 hierover en recentelijk bevestigd in de gepubliceerde begroting van het Ministerie van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor 2022?2, 3
Ja.
Onderschrijft u de constatering dat, om de doelstelling in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen te halen, de doelstelling om 80% van de Amazone in 2025 te beschermen noodzakelijk is?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan de doelstelling om uiterlijk in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen en zich in Europees verband in te zetten om volledig duurzame en ontbossingsvrije waardeketens te realiseren (Kamerstuk 30 196, nr. 708). De doelstelling om 80% van de Amazone in 2025 te beschermen is één van de mogelijke tussenstappen die noodzakelijk zijn om de doelstelling, uiterlijk in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen, te behalen.
Bent u het met de motie eens dat de inheemse bevolking essentieel is voor een succesvolle bescherming van de Amazone?
Ja, inheemse volkeren vervullen een cruciale rol in de bescherming van de Amazone en andere bosgebieden. De ondersteuning van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen is daarom een belangrijke pijler van het internationale bossenbeleid. Tijdens de klimaattop ondersteunde Nederland in dat kader de Glasgow Leaders Declaration on Forest and Land Use en de Global Forest Finance Pledge, evenals twee sub-pledges over de bescherming van het Congobekken en de ondersteuning van inheemse groepen en lokale gemeenschappen.
Kunt u toelichten waarom dan niet voor de motie gestemd is?
Nederland heeft als stemgerechtigde, evenals verscheidene andere landen, een terughoudend beleid ten aanzien van het stemmen op resoluties vanwege de samenstelling van IUCN waarbij zowel natuurorganisaties als landen vertegenwoordigd zijn. In dat kader is voor aanvang van het IUCN congres bepaald welke moties zouden worden gesteund waaronder een aantal moties die oproepen tot het stoppen van ontbossing. De motie waaraan in het genoemde artikel wordt gerefereerd, was destijds nog niet bekend. Dit heeft er mede toe geleid dat de Nederlandse delegatie niet heeft gestemd voor deze motie. Was deze wel bekend geweest, dan had Nederland voorgestemd, omdat de motie inhoudelijk in lijn is met de Nederlandse doelstelling om uiterlijk in 2030 alle mondiale ontbossing te stoppen. Daarnaast was de inzet van de Nederlandse delegatie en klimaat- en watergezanten in het bijzonder gericht op een inhoudelijke bijdrage aan het programma van het IUCN congres vanwege de lopende onderhandelingen over het Global Biodiversity Framework in de context van de Convention on Biological Diversity.
Mogelijke ontwijking van het statiegeldsysteem |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Steven van Weyenberg (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u de huidige stand van zaken schetsen, naar aanleiding van de uitspraak van uw voorganger op 19 november 2020 om «de vinger aan de pols te houden» omtrent het functioneren van het statiegeldsysteem en mogelijke ontwijking daarvan?
Sinds 1 juli jl. is statiegeld verplicht op alle kunststof drankflessen voor water en frisdrank tot en met 3 liter. Het kabinet heeft toegezegd te monitoren of producenten, in reactie op de statiegeldverplichting, uitwijken naar verpakkingen waar geen statiegeldverplichting voor geldt. Daarbij is ook toegezegd om aanvullende beleidsmaatregelen te nemen indien er sprake is van een verschuiving.
Zoals in deze brief uiteengezet ben ik voornemens de toezegging om de verschuivingen te monitoren op twee manieren na te komen. Ten eerste door te kijken naar ontwikkelingen in de hoeveelheid drankverpakkingen in het zwerfafval door middel van de monitoring door Rijkswaterstaat. Ten tweede door op basis van marktgegevens in beeld te brengen welke drankverpakkingen zijn verkocht en te bezien of de verkoop van drankverpakkingen zonder statiegeld toeneemt.
Bent u bekend met de recente ontwikkeling dat als vervanger van plastic statiegeldflesjes kartonnen drankverpakkingen op de markt worden gebracht waarover geen statiegeld betaald wordt en dat deze verpakkingen bijna net zo veel plastic bevatten?1
Ja, daarmee ben ik bekend en deze ontwikkelingen baren ook mij zorgen.
Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is? Zo ja, hoe kan dit tegengegaan worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat een dergelijke ontwikkeling onwenselijk is en de signalen baren mij dan ook zorgen. Statiegeld zorgt voor een hoogwaardige inzameling en kunststof flessen die via statiegeld worden ingezameld kunnen daarom gerecycled worden tot nieuwe flessen. Ook gaat inzameling via statiegeld het ontstaan van zwerfafval tegen. Wanneer producenten kiezen voor andere drankverpakkingen zonder statiegeld, worden deze positieve effecten van statiegeld ondermijnd.
Zoals ik tijdens de Begrotingsbehandeling al heb aangekondigd, heb ik de verschuiving naar drankenkartons besproken met het bedrijfsleven. Daarbij heb ik aangegeven dat ik van het bedrijfsleven verwacht dat de ontwikkeling stopt.
Is sprake van een toename van producten met kartonnen drankverpakkingen ten opzichte van de situatie voor de invoering van statiegeld op kleine plastic flessen?
Zoals in deze brief uiteengezet kan ik in april 2022 in kaart brengen in hoeverre er sprake is van een toename van het gebruik van drankenkartons ten opzichte van de situatie voor de invoering van statiegeld.
Bent u bekend met het feit dat de Albert Heijn water in kartonnen verpakkingen verkoopt en daarbij adverteert met de zin «zonder statiegeld»?2 Wat is uw oordeel hierbij?
Ja, dat voorbeeld heb ik gezien. Ik vind het een zeer ongelukkig gekozen wijze om waren aan te prijzen. Wel heb ik de indruk dat het een uiting van een individuele supermarktondernemer betreft en niet breder door de supermarktketen wordt gebruikt. Dat heeft het concern ook aan mij bevestigd.
Deelt u de mening dat dit ontwijking van het statiegeldsysteem is? Zo ja, op welke manier gaat u deze ontwijking tegen? Zo nee, waarom niet?
Een ongelukkig advertentie is mijn inziens nog niet direct ontwijking. Ik ontvang echter ook signalen van producenten of supermarktketens die structureel lijken te kiezen voor het verpakken van water of ijsthee in een drankenkarton. Daar richt mijn zorg zich meer op. Zoals in de brief uiteengezet heb ik besloten om een recyclingdoelstelling voor drankenkartons in te voeren. Deze doelstelling zorgt voor een gelijk speelveld voor alle soorten drankverpakkingen.
Daarnaast heb ik richting het bedrijfsleven gecommuniceerd dat als uit de bovengenoemde zwerfafvalmonitor of monitor van de marktgegevens in 2022 blijkt dat de hoeveelheid drankenkartons toeneemt, aanvullende maatregelen worden genomen. Daarbij verken ik in ieder geval de mogelijkheden van het verplichten van statiegeld op drankenkartons en het verbieden van het gebruik van drankenkartons voor het verpakken van water en frisdrank.
Zijn al gesprekken gestart met supermarkten en drankproducenten over deze ontwikkelingen? Zo ja, welke boodschap geeft u hier af?
Ja, ik heb gesproken met het bedrijfsleven. In deze brief ben ik hierop ingegaan.
Daarnaast heeft ook de ILT contact gezocht met de betreffende producenten en onderzoekt of het gebruik van drankenkartons voor het verpakken van water in strijd is met geldende wettelijke eisen voor verpakkingen.
In hoeverre denkt u dat supermarkten en producenten de genoemde verpakkingen zullen toepassen op producten die nu in blikjes worden verpakt, als eind 2022 ook op blikjes statiegeld geheven zal worden? Hoe kan dit voorkomen worden?
Drankenkartons worden in Nederland voornamelijk gebruikt voor het verpakken van zuivel en sap. Drankenkartons zijn niet geschikt voor het verpakken van koolzuurhoudende dranken. Bij de voorbeelden die naar voren worden gebracht, is er dan ook sprake van het toenemend gebruik van drankenkartons voor het verpakken van koolzuurvrij water of het verpakken van koolzuurvrije ijsthee. Metalen drankblikjes worden voornamelijk gebruikt voor het verpakken van koolzuurhoudend bier en koolzuurhoudende frisdranken. Het is niet mogelijk drankenkartons hiervoor te gebruiken. Een klein deel van de metalen drankblikjes wordt gebruikt voor water, sappen, zuivel en andere (alcoholische) drankjes. Beleidsmaatregelen voor het voorkomen van een verschuiving van deze drankblikjes naar drankenkartons zijn mijn inziens gelijk aan de genoemde maatregelen om verschuiving van flesjes naar drankenkartons tegen te gaan.
Welke andere alternatieve drankverpakkingen om statiegeld te ontlopen zijn sinds de verruiming van het statiegeldsysteem in opkomst? Op welke schaal is vindt deze ontwikkeling plaats?
Naast de verschuiving rond drankenkartons, ben ik bekend met een voorbeeld van een producent die water verkoopt in een herbruikbare fles en daarover geen statiegeld in rekening brengt. Ondanks dat een overstap naar herbruikbare flessen wenselijk is, hecht ik eraan te benadrukken dat alle kunststof flessen die gevuld met water of frisdrank worden verkocht onder de statiegeldverplichting vallen. De ILT heeft contact gezocht met de betreffende producent.
Is het huidige ontwijkingsgedrag reden om de huidige en aangekondigde regelgeving aan te scherpen?
Ik ben in deze brief nader ingegaan op mijn inzet en de (mogelijke) maatregelen die ik voorzie.
Is het mogelijk om deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Circulaire economie op 18 november 2021?
Bij deze heb ik aan uw verzoek voldaan.
Het gebruik van de deeltijd-WW nu werk afneemt door de stijgende energieprijzen |
|
Bart van Kent |
|
Dennis Wiersma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kan de deeltijd-Werkloosheidswet (WW) gebruikt worden door bedrijven voor werknemers die door de stijgende energieprijzen werkzaamheden stil hebben gelegd? Zo nee, waarom niet?
Er is geen deeltijd-Werkloosheidswet. Bedrijven hebben wel de mogelijkheid bij de Minister van SZW ontheffing aan te vragen van het verbod op werktijdverkorting. In de Beleidsregels ontheffing verbod op werktijdverkorting 2004 is neergelegd op welke wijze de Minister gebruikmaakt van de bevoegdheid om ontheffing te verlenen. Indien de Minister een verzoek goedkeurt, hebben de werknemers die bij dat bedrijf werken en te maken krijgen met werktijdverkorting, recht op een uitkering op grond van de werkloosheidswet.
Aanvragen voor ontheffing van het verbod op werktijdverkorting op basis van de onlangs gestegen energieprijzen zullen in de regel niet gemakkelijk worden toegekend. De ontheffing van het verbod op werktijdverkorting wordt verleend in situaties waarbij er sprake is van een buitengewone omstandigheid die niet tot het normale ondernemingsrisico kan worden gerekend (calamiteit), die tot gevolg heeft dat er een kortdurende periode van werkvermindering is. Een (veel) hogere prijs van een grondstof is daarbij op zichzelf geen buitengewone omstandigheid. Een hogere prijs ontstaat doorgaans door reguliere marktomstandigheden, zoals een hogere vraag naar het eindproduct. Bijvoorbeeld een overstroming of een brand zijn wél buitengewone omstandigheden.
Het is aan het aanvragende bedrijf aan te tonen dat de prijsstijging het gevolg is van een buitengewone omstandigheid, én dat die omstandigheid leidt tot een werkvermindering van meer dan twintig procent. Bovendien zal het bedrijf moeten laten zien dat er geen sprake was van een normaal ondernemersrisico. Daarbij is de vraag van belang of de werkvermindering redelijkerwijs niet door goed ondernemerschap had kunnen worden voorkomen. Een ondernemer had wellicht kunnen kiezen voor voorraadvorming of het sluiten van langetermijncontracten.
Voor zover nu kan worden overzien lijkt de huidige stijging van de energieprijzen veroorzaakt door reguliere marktomstandigheden, zoals een hogere vraag. Bovendien lijken veel bedrijven het risico op energieprijsstijgingen te hebben afgedekt of door te berekenen aan hun klanten, wat er op duidt dat hier sprake is van een normaal ondernemersrisico, waarvan van ondernemers verwacht kan worden hierop te anticiperen.
Welke bedrijven maken door de stijgende energieprijzen op dit moment al gebruik van de deeltijd-WW?
Er zijn geen bedrijven die onder verwijzing naar de stijgende energieprijzen een ontheffing hebben van het verbod op werktijdverkorting.
Zijn er aanpassingen van de deeltijd-WW nodig teneinde ontslagen door stijgende energieprijzen te voorkomen? Zo ja, welke?
Diverse Nederlandse bedrijven zijn geraakt door de hoge energieprijzen. Dat er kan toe leiden dat zij moeten inkrimpen, en soms werknemers moeten laten gaan. Dat is voor iedereen die betrokken is bij het bedrijf een hard gelag. Het heeft een grote impact als iemand haar bedrijf ziet krimpen, of moet ervaren dat het bedrijf waar iemand zich jaren voor hebt ingezet zich genoodzaakt ziet hem te ontslaan.
Tegelijkertijd heeft Nederland een dynamische economie, en willen we dat ook hebben. Het risico op krimp is een onderdeel van zo’n economie. Bedrijven zijn daarin zelf verantwoordelijk voor hun bedrijfsvoering, en kunnen innoveren en inspelen op omstandigheden. Daardoor leveren zij een steeds betere prijs-kwaliteitverhouding aan consumenten en andere afnemers, waar Nederland als geheel baat bij heeft. Als de overheid garant zou gaan staan voor marktrisico’s, dan vermindert of verdwijnt deze dynamiek, wat een nadelig effect heeft op de welvaart van alle Nederlanders. Hierom staan bedrijven in Nederland in eerste instantie zelf aan de lat in hun bedrijfsvoering rekening te houden met veranderende inkoopprijzen van bijvoorbeeld energie.
Daarbij is het van belang dat ook de overheid zijn rol vervult. Het kabinet zet zich daarvoor in. Door zorg te dragen voor een goed draaiende economie. Door ondernemers bij te staan die te maken krijgen met buitengewone omstandigheden die niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend. En door werknemers met bijvoorbeeld scholingsmogelijkheden de mogelijkheid te bieden na ontslag zo snel mogelijk weer elders aan de slag te komen, en waar dat niet het geval is een vangnet te bieden door het stelsel van sociale zekerheid.
Wat doet het kabinet om ervoor te zorgen dat werkende mensen zo min mogelijk hun werk verliezen als gevolg van de stijgende energieprijzen?
Zoals in vraag 3 toegelicht is de Nederlandse economie gebaat bij economische dynamiek. Het hebben van een goede bedrijfsvoering, waarbij mensen niet hoeven te worden ontslagen, is daarbinnen primair een verantwoordelijkheid van bedrijven zelf. Daarbij is het van belang dat mensen die wél te maken krijgen met ontslag, elders weer aan de slag kunnen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
In de vierde nota van wijziging op het Belastingplan 2022 heeft het kabinet de oorspronkelijke compensatiemaatregelen via de energiebelasting (Kamerstuk, 29 023, nr. 271) aangepast om uitvoering te geven aan de motie van de leden Grinwis en Stoffer (Kamerstuk 35 925, nr. 133). Hierdoor stelt het kabinet 125 mln. euro ter beschikking om meer lastenverlichting te bieden aan het mkb met een hoger energiegebruik. Als gevolg van het geheel aan maatregelen treedt er voor bedrijven een lastenverlichting van circa 600 miljoen euro op.
Welke middelen zijn er beschikbaar voor (om)scholing indien bedrijven werknemers willen scholen in de periode waarin werkzaamheden stil liggen?
Scholing van werknemers is in beginsel aan werkgevers en werknemers zelf. Werkgevers kunnen de opleiding van een werknemer betalen of een werknemer betaald verlof geven voor studiedagen. Voor sommige opleidingen hebben werkgevers via collectieve arbeidsovereenkomsten (cao's) afspraken gemaakt met Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fondsen).
De overheid stimuleert scholing. Er zijn daarbij verschillende middelen beschikbaar waar werknemers gebruik van kunnen maken in een periode waarin werkzaamheden stil liggen. In het kader van de Coronacrisis is vorig jaar de Tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing geïntroduceerd. Via de regeling kan iedereen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt gratis online scholing volgen via hoewerktnederland.nl. Deze regeling is vorig jaar van start gegaan en loopt nog door tot eind volgend jaar. Begin volgend jaar zal nieuw aanbod worden toegevoegd aan het huidige aanbod. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het dan om ongeveer 50.000 tot 80.000 nieuwe scholingstrajecten. Daarnaast kunnen werknemers vanaf maart 2022 gebruik maken van een individuele tegemoetkoming van maximaal € 1.000 waarmee arbeidsmarktrelevante scholingsactiviteiten (mede)gefinancierd kunnen worden (het STAP-budget). Het STAP-budget kan niet ingezet worden voor scholingsactiviteiten die tevens bekostigd worden door private scholingsbudgetten.
Het afschuwelijke recordafschot van wilde zwijnen op de Veluwe |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Recordafschot wilde zwijnen door voedseltekort in Veluwse bossen» en «Een zware winter zorgt niet voor sterfte bij zwijnen, dat doet de jacht»?1, 2
Ja.
Klopt het dat u geen nationaal overzicht heeft van de afschotcijfers, de vergeven afschotvergunningen en hoeveel zwijnen en/of herten er zijn geteld? Zo ja, hoe kunt u dan inhoud geven aan uw eindverantwoordelijkheid voor de natuur? Zo nee, kunt u deze cijfers met de Kamer delen?
Dat klopt, dit overzicht heb ik niet. Toezicht op afschotcijfers is een gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van provincies. Faunabeheereenheden rapporten aan de desbetreffende gedeputeerde staten. Faunabeheereenheden publiceren deze vervolgens op hun website en deze is voor eenieder te raadplegen.
Systeemverantwoordelijkheid neem ik door toe te zien of het systeem functioneert en of een ieder in staat is zijn eigen rol te vervullen. Het Rijk is verantwoordelijk voor de kaders en ambities en de provincies zijn verantwoordelijk voor het invullen en uitvoeren van dit beleid. De keuze of de provincies maatregelen nemen die daarvoor zijn benoemd of andere – vergelijkbare of betere – maatregelen, is de verantwoordelijkheid van de provincies. Desgewenst kunnen Rijk en provincies hierover in overleg treden.
Controleert u de faunabeheerplannen van de provincies om invulling te geven aan uw eindverantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak controleert u deze plannen en hoe?
Nee, zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangeef wordt door de gedeputeerde staten van de provincies toezicht gehouden op de faunabeheerplannen. Ik zie dit niet als mijn verantwoordelijkheid.
Kunt u aangeven hoe u invulling geeft aan uw eindverantwoordelijkheid met betrekking tot de staat van de natuur, wanneer u geen overzicht heeft van de draagkracht van leefgebieden en hoe deze zich tot elkaar verhouden?3
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u het inzicht dat u, als eindverantwoordelijke, een overzicht zou moeten hebben van de getelde dieren, de afschotcijfers en de omvang van de populaties in alle Nederlandse leef- en natuurgebieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat u dit opstellen?
Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven zie ik het niet als onderdeel van mijn systeemverantwoordelijkheid om overzichten en cijfers bij te houden. Provincies zijn hierin bevoegd gezag.
Klopt het dat er landbouwenclaves zijn op de Veluwe? Kunt u aangeven hoeveel hectare deze omvatten en wat er wordt verbouwd? Welk gedeelte van de gebieden is deugdelijk afgeschermd om schade van in het wild levende dieren te voorkomen?
Ja, er zijn landbouwenclaves op de Veluwe aanwezig. In totaal wordt 7.524 hectare (ha) (GDI, 2021) geheel omsloten door Natura 2000-gebied; daarvan is 3.006 ha in agrarisch gebruik en dus aan te merken als landbouwenclave. In volgorde van afnemende oppervlakte gaat het met name om grasland, snijmaïs, granen en aardappelen. Daarnaast vindt er ook agrarisch gebruik plaats binnen het Natura 2000-gebied Veluwe; het gaat daarbij om kleine locaties die mede van belang zijn voor de vogelsoorten waarvoor het gebied is aangewezen. De omvang hiervan is 2.190 ha akker- en grasland. Deze oppervlakte is dus Natura 2000-gebied.
Op veel plekken zijn maatregelen getroffen om de gebieden af te schermen, bijvoorbeeld zwijn-kerende rasters rond de agrarische enclave Uddel Elspeet. Om welk deel van de landbouwenclaves het gaat, is niet exact bekend.
Hoeveel hectare van deze landbouwgebieden wordt meegerekend als Natura 2000-gebied?
2.190 ha akker- en grasland, zie mijn antwoord op vraag 6.
Hoeveel hectare van deze landbouwgebieden is ingetekend als nog niet gerealiseerde natuur?
Dit is terug te vinden in het Natuurbeheerplan (NBP) van de provincie4. In het NBP begrenzen en beschrijven provincies de gebieden waar beheerders subsidie kunnen krijgen voor het beheer en de ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen. De begrenzing is aangeduid op twee kaarten, de beheertypenkaart en de ambitiekaart. Op de beheertypenkaart staat de actuele natuursituatie voor het (agrarisch) natuurbeheer. Op de ambitiekaart staat de ambitie van de provincies voor de (agrarische) natuur. Het NBP wordt vastgesteld en gewijzigd bij besluit van gedeputeerde staten van de provincies.
Is er onderzoek gedaan naar de gevolgen voor trek- en zwerfgedrag van wolven wanneer hun leefgebied verstoord wordt door jacht op hun prooidieren en wat de effecten kunnen zijn voor hun foerageergedrag met betrekking tot landbouwhuisdieren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn daarvan de resultaten?
Tot op heden is niet gebleken dat wolven verstoord worden door het beheer van grote hoefdieren. Wanneer wolven in gebieden komen met meerdere prooisoorten (dam-, edelhert, ree en wild zwijn) die in voldoende omvang aanwezig zijn, is het risico op predatie van landbouwhuisdieren laag. Wolven hebben een duidelijke voorkeur voor wilde dieren.
Is het u bekend dat jagers met name mannelijke dieren schieten en daarmee de natuurlijke populatiedynamiek kunstmatig beïnvloeden? Zo nee, waarom niet en bent u bereid daar nader onderzoek naar te verrichten? Zo ja, hoe beoordeelt u het kunstmatig beïnvloeden van de natuurlijke populatiedynamiek en bent u bereid hier paal en perk aan te stellen?
Navraag bij de provincie Gelderland leert mij dat er in absolute aantallen meer vrouwelijke dieren worden geschoten dan mannelijke. Interpretatie en aansturing is aan gedeputeerde staten. Het is niet aan mij om te treden in de afwegingen en besluiten die de provincie hierbij neemt.
Kunt u aangeven of er nog gejaagd mag worden in delen van de Veluwe die mogelijk afgesloten worden vanwege toeristische drukte?4
Faunabeheer vindt uit oogpunt van veiligheid bij voorkeur plaats op rustige plekken. De precieze locatie is een afweging die de jachthouder maakt.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Ja.
Een GSM-paraplu voor penitentiaire inrichtingen |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politiechef is vrijheden zware criminelen in gevangenis beu: «Hoe humaan moet het zijn»?»?1
Ja.
In hoeverre onderschrijft u het standpunt van politiechef Ekelmans dat zware criminelen teveel vrijheid hebben in de gevangenis?
Het geschetste dilemma, namelijk dat van de veiligheid van de samenleving versus de grondrechten van gedetineerden, herken ik. De aanpak van georganiseerde criminaliteit leidt tot een toename van arrestaties van een «buitencategorie» van personen verdacht van zware criminaliteit. Deze personen realiseren zich dat lange gevangenisstraffen in het verschiet liggen en hebben er veel voor over om hun straf te ontlopen of om tijdens detentie door te kunnen gaan met criminele activiteiten. Met de macht en middelen waarover ze beschikken lukt ze dit op dit moment te vaak. In mijn brief van 22 november jl. heb ik uiteengezet welke maatregelen ik hierop ga treffen.2
Deelt u de mening dat het uitgangspunt moet zijn dat communicatie door gedetineerden via een mobiele telefoon met de buitenwereld in beginsel niet mogelijk moet zijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom?
Ja, die mening deel ik. Mobiele telefoons mogen niet in bezit van gedetineerden zijn, omdat ze dan ongecontroleerd met de buitenwereld kunnen communiceren en zo door kunnen gaan met crimineel handelen.
Welke mogelijkheden heeft u om communicatie met de buitenwereld door gedetineerden te beperken?
Gedetineerden hebben recht op communicatie met de buitenwereld, dat is belangrijk voor hun re-integratie. Bij gedetineerden met een hoog risicoprofiel houdt DJI intensief toezicht op deze contacten. Zo worden telefoongesprekken standaard opgenomen en luistert DJI deze uit ter voorkoming of opsporing van strafbare feiten of om de veiligheid in de inrichting te handhaven.3
De invoer en het gebruik van mobiele telefoons door gedetineerden wordt op diverse manieren beperkt. Er is een toegangscontrole voor gedetineerden en bezoekers. Luchtplaatsen worden voor gebruik geïnspecteerd op contrabande. En er zijn periodieke celinspecties. Ook worden zogenaamde mobifinders en honden ingezet die telefoons kunnen opsporen. Sinds eind 2019 zijn personen die verboden voorwerpen zoals een telefoon een gevangenis binnensmokkelen strafbaar. En om de aanpak van contrabande te intensiveren heb ik eerder structureel € 3 miljoen per jaar beschikbaar gesteld.
Wat is de status van de «GSM-paraplu» waarmee telefoonverkeer vanuit een penitentiaire inrichting verstoord kan worden?
DJI heeft onderzoek gedaan naar de toepassing van een GSM paraplu in de penitentiaire inrichtingen. Daarna hebben diverse marktpartijen oplossingen gepresenteerd en er is een offerte uitgebracht. Zoals toegelicht in eerdere Kamervragen van het lid Van Haga hebben de technische complexiteit, de beperkte effectiviteit en de hoge kosten die gemoeid gaan met de GSM-paraplu ertoe geleid dat de opdracht niet is gegund en daarmee is stopgezet.4 Dit is een teleurstellend resultaat. Het versterken van het tegengaan van telefoongebruik is en blijft een belangrijk onderdeel van de aanpak om crimineel handelen in detentie tegen te gaan. Daarom doet DJI nu verder onderzoek naar de mogelijkheden van GSM-detectie binnen het gevangeniswezen. Hierbij wordt samengewerkt met de politie. In de volgende voortgangsbrief over het gevangeniswezen zal ik de stand van zaken opnemen.
Is de «GSM-paraplu» volgens u een waardevol instrument om telefoonverkeer vanuit een penitentiaire inrichting te verstoren? Zo ja, wat is ervoor nodig om dit instrument zo snel mogelijk in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt de GSM paraplu niet als juiste oplossing voor het tegengaan van mobiele telefoons in gevangenissen gezien. Aan een alternatief wordt gewerkt, zie ook antwoord 5.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat gevangeniswezen en tbs van 2 december a.s. beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat veel mensen die langjarig medicijnen gebruiken geen tussentijdse beoordelingen aangeboden krijgen |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de enquête van Radar waaruit blijkt dat er bij een groot deel van de respondenten die medicijnen langjarig gebruiken, nooit een tussentijdse controle heeft plaatsgevonden?1
Ja, ik heb daar kennis van genomen.
Wat vindt u ervan dat 39 procent van de respondenten aangeeft dat met hen niet over medicijngebruik wordt gesproken terwijl die medicijnen al langer dan vijf jaar worden gebruikt?
Passende zorg en maatwerk zijn van groot belang om patiënten de zorg te bieden die zij nodig hebben. Zorgverleners zetten zich hier actief voor in. Voorschrijvers, apothekers en (wijk)verpleging houden in de gaten dat patiënten hun medicijnen goed en veilig gebruiken en als deze niet langer nodig zijn, tijdig stoppen. Voor bepaalde patiënten, bijvoorbeeld kwetsbare ouderen, is meer intensieve zorg wenselijk dan voor andere patiënten. Voor patiënten die aangeven begeleiding bij hun medicatiegebruik nodig te hebben, vind ik het belangrijk dat zij deze zorg ook krijgen. Daar ligt een verantwoordelijkheid van de zorgverleners. Daarnaast is het ook van belang dat wanneer patiënten behoefte hebben aan meer contact zij zich duidelijk uitspreken, zodat de zorgbehoefte zichtbaar wordt voor zorgverleners.
Kunt u aangeven hoeveel procent van de totale uitgaven aan medicijnen worden uitgegeven aan medicijnen die langer dan twaalf maanden gebruikt worden?
De totale uitgaven aan farmaceutische zorg via openbare apotheken bedroegen in 2020 ongeveer € 5 miljard. Dit zijn de kosten voor medicijnen en de kosten voor de door apothekers verleende zorg. Het is niet gemakkelijk een percentage te koppelen aan medicijnen die langer dan twaalf maanden worden gebruikt. Deze berekening is lastig en een snelle en beperkte analyse kan niet zonder een aantal aannames te doen.
Je zou patiënten kunnen indelen in drie groepen: incidentele apotheekbezoekers, chronische gebruikers van geneesmiddelen en zorgintensieve patiënten. Chronische gebruikers gebruiken jaarlijks doorlopend tussen de één en vier geneesmiddelen en zorgintensieve tenminste vijf geneesmiddelen. Als deze personen (chronische en zorgintensieve) daarnaast een middel incidenteel gebruiken, wordt dit gebruik in analyses toch toegerekend aan chronische resp. zorgintensieve gebruikers. Op basis van deze analyse wordt ongeveer 95% van de totale uitgaven aan farmaceutische zorg in Nederland uitgegeven aan de zorg voor chronische en zorgintensieve patiënten en 5% aan incidentele patiënten.
Het is ook mogelijk om dit te benaderen vanuit het verschil tussen eerste uitgiftes en vervolguitgiftes. Eerste uitgiftes zijn alle verstrekkingen van geneesmiddelen die een patiënt voor het eerst gaat gebruiken.
Deze zijn op dat moment dus per definitie nog niet chronisch, maar kunnen dat later wel worden. Uit deze analyse blijkt dat 13% wordt uitgegeven aan patiënten die een middel voor de eerste keer gebruiken en de overige 87% betreft zorgverlening en geneesmiddelkosten voor vervolguitgiftes.
Hoewel er met bovenstaande beperkte analyses geen exact cijfer aan te koppelen is, kun je wel concluderen dat het overgrote deel van de medicijnen wordt gebruikt door chronische en zorgintensieve gebruikers.
Wat kan er volgens u aan gedaan worden om meer bekendheid aan de behandelduur van antidepressiva te geven, aangezien uit de enquête blijkt dat vooral mensen die antidepressiva slikken niet weten wat de voorgeschreven behandelduur is?
De voorgeschreven behandelduur is niet voor alle patiënten gelijk. Richtlijnen gaan uit van gemiddelden. Voor goede zorg is het noodzakelijk om samen met de patiënt afwegingen te maken. Minderen en stoppen van medicatie kan risico’s met zich mee brengen. Apothekers en huisartsen werken samen met specialisten en andere zorgverleners om minderen en stoppen van geneesmiddelgebruik te begeleiden. Daarvoor hebben het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) en de Federatie Medisch Specialisten (FMS) een module «Minderen en Stoppen van Medicatie» als onderdeel van de Multidisciplinaire Richtlijn «Polyfarmacie bij Ouderen» ontwikkeld.2
Het minderen en stoppen bij mensen die antidepressiva slikken is maatwerk. Niet voor al deze patiënten is minderen of stoppen gewenst. Naast medische risico’s kunnen er patiëntgebonden factoren meespelen, zoals pijnervaring en gemoedstoestand, waardoor patiënten niet in staat kunnen zijn te minderen of stoppen met medicatie.
Klopt het dat aan de apotheek terhandstellingskosten worden betaald, iedere keer als zij een medicijn uitgeven en dat deze kosten bijvoorbeeld bedoeld zijn voor het controleren of de patiënt de juiste medicijnen krijgt en of het medicijn geschikt is voor de patiënt?
Ja, de kosten zijn onder andere daarvoor bedoeld.
Bent u van mening dat dit betekent dat de apotheker periodiek – bijvoorbeeld jaarlijks – een tussentijdse beoordeling van de medicatie zou moeten uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Het doel van de farmacotherapeutische begeleiding is om veilig, effectief en passend gebruik van geneesmiddelen voor patiënten met chronische aandoeningen te borgen. Voorschrijver, apotheker, (wijk)verpleging en patiënt hebben een verantwoordelijkheid zich uit te spreken wanneer er meer begeleiding nodig is, zodat de zorgbehoefte zichtbaar is voor alle zorgverleners.
Wanneer een zorgverlener of patiënt een probleem signaleert, stemmen de apotheker en voorschrijver af en vinden zij in samenspraak met de patiënt een passende oplossing. Huisartsen, apothekers en wijkverpleging hebben landelijke eerstelijns samenwerkingsafspraken (LESA) samengebracht in de LESA «Organisatie van zorg bij chronische medicatie». Organisaties voor huisartsen en apothekers, NHG en de KNMP, geven aan dat de meeste winst te behalen is door het doen van tussentijdse checks. Achter de schermen houden apothekers en artsen de medicamenteuze behandeling van patiënten nauwgezet in de gaten, de medicatiebewaking. Voorbeelden hiervan zijn medicatiebeoordelingen, en eerste en tweede uitgifte begeleiding. Daarna nemen ze zo nodig contact op met de patiënt, ook hier is maatwerk van belang.
Een jaarlijkse controle bij alle patiënten die langdurig medicijnen gebruiken is daarom niet voor iedereen noodzakelijk. Bovendien zou, vanwege de gelimiteerde capaciteit van de zorg, een jaarlijkse APK bij alle langdurige gebruikers kunnen leiden tot minder goede begeleiding van patiënten met een sterkere zorgbehoefte en patiënten met een hoger risico op farmacotherapeutische problemen.
Het bericht dat de waanzin op de woningmarkt overslaat op de huursector |
|
Jaco Geurts (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Eenmaal, andermaal: verhuurd aan de hoogste bieder?»1 en «Waanzin woningmarkt slaat over op huursector»2?
Ja.
Onderschrijft u de constatering van de Woonbond dat onderhands bieden op huurwoningen steeds vaker voorkomt? Zo ja, beschikt u over cijfers om dit te onderbouwen? Zo nee, bent u bereid een methode te ontwikkelen om dit inzichtelijk te maken?
Er zijn bij mij geen cijfers bekend over het onderhands bieden op huurwoningen. Het is bovendien lastig om dit inzichtelijk te maken, omdat verhuurders en huurders zelf een huurprijs overeenkomen waarbij de overheid geen rol heeft. Derhalve zie ik geen reden een methode te ontwikkelen om dit inzichtelijk te maken.
Wat vindt u ervan dat potentiele huurders van vrijesectorwoningen in toenemende mate geconfronteerd worden met het opbieden bij huurwoningen? Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is?
Kortheidshalve verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 5 van het lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 598).
Wat vindt u ervan dat er online platforms opkomen die het opbieden bij huurwoningen faciliteren?
Zie antwoord vraag 3.
In welke mate leidt het biedingsmechanisme in de huurmarkt tot hogere huurprijzen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat, door de woningkrapte en de terugkeer van expats naar Nederland, de normalisatie van het bieden op huurwoningen een prijsopdrijvend effect gaat hebben op de huurprijzen?
Ik deel deze zorg. Echter is het voor zover mij bekend niet het geval dat bieden op huurwoningen genormaliseerd is. IVBN en Vastgoed Belang geven ook aan dit fenomeen niet wenselijk te vinden.
Bestaat er regelgeving omtrent het verhuren per opbod?
Zie het antwoord op vraag 2 van het lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 598).
Welke maatregelen zijn uws inziens noodzakelijk om het bieden op huurwoningen tegen te gaan?
Ik zet al langer in op het versterken van de uitgangspositie van huurders op de woningmarkt, bijvoorbeeld door hen te informeren over hun rechten of door prijsregulerende maatregelen te nemen (zoals het maximeren van de jaarlijkse huurstijging in de vrije sector). Bovendien heb ik in antwoord op vraag 7 van het lid Nijboer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 598) aangegeven dat ik met partijen nu «botsproeven» ga doen om te zien hoe verdere prijsregulerende maatregel in de vrije sector de praktijk zouden uitwerken, waarbij ook wordt gekeken of prijsregulering (of flankerend beleid) kan helpen bij het tegengaan van bieden op huurwoningen. Een mogelijk verbod op verhuren per opbod valt buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel goed verhuurderschap.
Voorts ben ik van mening dat de huidige schaarste aan (betaalbare) huurwoningen waarschijnlijk de belangrijkste drijfveer is voor woningzoekenden om te bieden op een huurwoning. Ik zet mij er echter al langer voor in deze schaarste tegen te gaan, bijvoorbeeld door de bouw van meer woningen te stimuleren. Het tegengaan van schaarste biedt woningzoekenden meer keuzevrijheid, waarmee het bieden op huurwoningen naar verwachting voor veel woningzoekenden geen noodzakelijke optie meer is.
Wat vindt u van het voorstel van de Woonbond dat in de Wet Goed Verhuurderschap een bepaling wordt opgenomen die gemeenten de mogelijkheid biedt om het verhuren per opbod te verbieden?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om het bieden bij huurwoningen tegen te gaan?
Wilt u de antwoorden op deze vragen aan de Kamer doen toekomen voor het Wetgevingsoverleg inzake het begrotingsonderdeel wonen en ruimte van 15 november 2021?
Ja.
Partijdigheid van de UNHRC-onderzoekscommissie naar eventuele oorlogsmisdaden door Israël en de Palestijnen |
|
Gert-Jan Segers (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Israel critics comprise UNHRC’s permanent war-crimes probe»?1
Ja.
Kunt u toelichten wat de samenstelling, het mandaat en de werkwijze van deze permanente commissie is?
De onderzoekscommissie (commission of inquiry) doet onderzoek naar alle vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden en Israël in aanloop naar en sinds 13 april 2021. Conform resolutie S-30/1 van de Mensenrechtenraad, bestaat de commissie uit drie deskundige leden, van wie er één als voorzitter fungeert, benoemd door de voorzitter van de Mensenrechtenraad. De commissie richt zich op het onderzoeken, verzamelen en analyseren van alle onderliggende oorzaken van terugkerende spanningen, instabiliteit en aanhoudende conflicten, inclusief systematische discriminatie en repressie op basis van nationale, etnische, raciale of religieuze identiteit. Daarbij identificeert de commissie, waar mogelijk, de verantwoordelijken van deze schendingen en doet de commissie aanbevelingen over te nemen maatregelen m.b.t de strijd tegen straffeloosheid. De commissie rapporteert twee keer per jaar, eenmaal aan de Mensenrechtenraad en eenmaal aan de Algemene Vergadering van de VN.
Erkent u dat de commissieleden zich in het verleden fel, en soms op ronduit discutabele wijze, tegen Israël hebben uitgesproken of opgesteld?2
De commissieleden zijn conform het mandaat van de onderzoekscommissie door de voorzitter van de Mensenrechtenraad benoemd. De voorzitter dient hierbij zorg te dragen voor het waarborgen van de onpartijdigheid, objectiviteit en kunde van de leden. Nederland heeft vertrouwen in de professionaliteit van de voorzitter van de Mensenrechtenraad om hiervoor zorg te dragen en bemoeit zich niet inhoudelijk met de aanstelling van de afzonderlijke leden.
Het onderzoek van de commissie moet worden uitgevoerd volgens internationale standaarden voor bewijsvergaring, onafhankelijkheid, onpartijdigheid en expertise. Met deze maatstaf zal het kabinet de rapporten van de commissie beoordelen.
Beaamt u dat deze leden hiermee op zijn minst de schijn van partijdigheid hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat dergelijke partijdigheid onwenselijk is en voorkomen moet worden met het oog op een zuiver, objectief en geloofwaardig onderzoeksresultaat?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u tevens de mening dat het mandaat van deze onderzoekscommissie te algemeen en onbepaald is, en dat van dit mandaat misbruik kan worden gemaakt?
Zoals gesteld in de beantwoording van Kamervragen van het Lid Van Dijk (nr. 3437, Vergaderjaar 2020–2021), omvat het mandaat van de onderzoekscommissie gedragingen van alle partijen, is het niet specifiek gericht op de gebeurtenissen van mei jl., en heeft het een permanent karakter. Dit is niet in lijn met vergelijkbare onderzoekscommissies van de Mensenrechtenraad en riep bij Nederland ook zorgen op over overlap met het mandaat van de VN-Rapporteur voor de Palestijnse Gebieden en met het in maart 2021 door het Internationaal Strafhof (ICC) geopende strafrechtelijke onderzoek. Nederland heeft zich vanwege deze redenen samen met 13 andere leden van de Mensenrechtenraad3 onthouden van stemming en dit tijdens de Mensenrechtenraad toegelicht in een Explanation of Vote. Nederland heeft op dit moment evenwel geen redenen om aan te nemen dat misbruik zal worden gemaakt van het mandaat.
Erkent u daarom dat de huidige samenstelling en het mandaat van de onderzoekscommissie gewijzigd dient te worden, en dat de commissie zou moeten bestaan uit mensen zonder een bewezen geschiedenis in het bekritiseren van Israël?
Met een meerderheid van stemmen voor de resolutie is het mandaat van de onderzoekscommissie aangenomen en definitief. Hoewel Nederland zich heeft onthouden van stemmen worden besluiten van de Mensenrechtenraad gevolgd en geaccepteerd. Zie het antwoord op vragen 3, 4 en 5 betreffende de samenstelling van de commissie.
Zo ja, bent u bereid de partijdigheid van de commissieleden en het problematische mandaat van de commissie publiekelijk kenbaar te maken in VN-verband, waaronder jegens de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad?
Zie antwoord vraag 7.
Zo niet, hoe groot acht u de kans dat er een volledig objectief en op feiten gebaseerd onderzoek geproduceerd zal worden dat niet gebruikt zal worden om Israël nog verder tot een internationale paria te maken?
Nederland kan niet vooruit lopen op de rapportages van de onderzoekscommissie. Alle onderzoeksrapporten, ook die van deze commissie, zullen met grote zorgvuldigheid worden gelezen en beoordeeld; bij twijfel wordt ook op basis van andere bronnen beoordeeld hoe de mensenrechtensituatie in een land is.
Wilt u ook rondom de in deze vragen geschetste problematiek uw afwegingen verantwoorden in het licht van de aangenomen motie van het Eerste Kamerlid Schalk (Kamerstuk 35 403, J) en de aangenomen motie-Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374), zoals ook uiteengezet in uw brief «Nederlandse inzet MOVP-resoluties in VN-fora» van 5 oktober 2021?
Nederland zet zich in VN-verband in tegen disproportionele aandacht voor Israël, zoals ook uiteengezet in de brief aan uw Kamer van 5 oktober jl. (Kamerstuk 23 432, nr. 85). Ook bij de beoordeling van toekomstige rapportages van de onderzoekscommissie zal het kabinet een scherp oog houden voor mogelijk eenzijdige anti-Israëlische standpunten, conform de motie Van der Staaij (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2374). Daarbij geldt ook dat er in VN-verband ruimte moet zijn voor gefundeerde kritiek op alle VN-lidstaten.
Het verzoek van de ambassade in Kabul om militaire bijstand |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Ben Knapen (minister buitenlandse zaken) (CDA), Henk Kamp (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom heeft u het verzoek van de ambassade in Kabul tot militaire bijstand afgewezen? Op welke datum «in de aanloop naar de val van Kabul» is dat verzoek aan «Den Haag» gedaan? Is dat verzoek nader omschreven in de vorm van grootte en kwaliteit van die inzet?1
Zoals in het feitenrelaas (Kamerstuk 27 925, nr. 806) gemeld, werd de evacuatieplanning in mei 2021 verder ontwikkeld en uitgewerkt tot een concreet en uitvoerbaar plan voor een non-combattant evacuation operation(NEO) of extractie. Bij de debriefing van de verkenningsmissie die van 19 april tot 24 april 2021 plaatsvond voor de uitwerking van deze plannen is door de ambassade gesignaleerd dat eventuele militaire extractie waarschijnlijk niet zonder force protection uitgevoerd zou kunnen worden.
Op 16 augustus heeft de ambassade in Kaboel aangeraden om militaire capaciteit in de vorm van een team militairen van speciale eenheden beschikbaar te stellen voor extra bescherming (force protection), in aanvulling op de reeds aanwezige beveiligers van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). Van afwijzing van een verzoek tot militaire bijstand is geen sprake geweest. Zoals in het feitenrelaas is aangegeven, vertrok dit team daags daarna (17 augustus) via Islamabad richting Kaboel. Binnen de ministeries van Defensie en Buitenlandse Zaken is in aanloop naar de val van Kaboel geen ander verzoek om force protection vanuit de ambassade bekend dan dat van 16 augustus.
Waarom heeft u dit verzoek en uw afwijzing niet opgenomen in het feitenrelaas dat half september aan de Kamer is toegestuurd?
Zie het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de «ambassade pas op maandag 16 augustus, dus nadat Kabul was gevallen, heeft «aangeraden om militaire capaciteit beschikbaar te stellen voor extra bescherming»»? Wat waren de argumenten om dat wel te doen op 16 augustus en niet voor de val van Kabul op 15 augustus?
Ja. Zoals eerder aan de Kamer gemeld (Kamerstuk 27 925, nr. 807) heeft de snelheid van de inname van Kaboel door de Taliban de hele internationale gemeenschap, inclusief Nederland, overvallen. Tot aan de val van Kaboel was de inschatting niet dat de stad op een dergelijk korte termijn zou vallen.
Klopt de suggestie dat de verantwoordelijke bewindslieden in het weekend van 14 augustus geen tijd hadden om tot een beslissing te komen? Zo nee, wat waren dan de redenen?
Gedurende het weekend van 14 augustus vond over de ontwikkelingen in Afghanistan intensief overleg plaats binnen en tussen de verschillende ministeries, inclusief tussen de betrokken bewindspersonen. In het betreffende weekend was een beslissing over het al dan niet sturen van militaire capaciteit voor extra bescherming niet aan de orde.