Het bericht 'Weer meer incidenten met verwarde personen' |
|
Ingrid Michon (VVD), Daan de Neef (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Weer meer incidenten met verwarde personen»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
Klopt het dat de politie in de afgelopen jaren al meer dan 100.000 incidenten rondom personen met verward gedrag registreerde? Klopt het dat het merendeel van die gemaakte meldingen niet bestemd zijn voor de politie, maar eigenlijk voor zorghulpverleners?
In het jaar 2020 registreerde de politie 102.253 en in 2021 130.184 meldingen van incidenten van personen met verward gedrag. Er is geen eenduidige verklaring voor de stijging. Een E33 melding is een melding van overlast door een verward of overspannen persoon en wordt door de politie met de code E33 geregistreerd in het registratiesysteem Basisvoorziening Handhaving. De E33-meldingen gaan over een breed scala aan voorvallen. Het aantal meldingen geeft geen beeld van de aard of omvang van de problemen van mensen met verward gedrag. De stijging van het aantal geregistreerde incidenten wil niet per definitie zeggen dat de groep mensen met verward gedrag groeit. Bij één incident kunnen meerdere personen betrokken zijn, en één persoon kan ook zorgen voor meerdere incidenten. Ook blijkt uit navraag bij lopende pilots dat wanneer er via triage inzet plaatsvindt vanuit de GGZ bij een incident er nog steeds een E33 melding wordt gedaan. Hoewel ik de zorgen over het aantal registraties deel, is het op basis van de registratie van E33-meldingen niet mogelijk om in algemene zin aan te geven in welk aandeel van deze gevallen eigenlijk zorg of ondersteuning nodig was.
Welke maatregelen neemt u of heeft u reeds genomen om ervoor te zorgen dat deze meldingen door zorghulpverleners worden opgenomen en niet door de politie?
Het is voorafgaande aan politie-inzet niet altijd goed in te schatten of er eigenlijk inzet van hulpverleners uit de zorg of het sociaal domein nodig is. Eerder is in pilots met wisselend succes gewerkt met (toegang tot) een «ggz-triagist» in de regionale meldkamers. De mogelijkheden voor triage bij de behandeling van een melding maakt onderdeel uit van de uitwerking van het coalitieakkoord. Daarnaast richten de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en ik ons – in relatie tot de inzet van de politie – op het vroegtijdig signaleren van problematiek en het eerder tot stand komen van passende zorg en ondersteuning, om te voorkomen dat de politie moet worden ingeschakeld. Ook richten we ons op een betere samenwerking tussen politie en zorg op het moment van politie-inzet en na afloop hiervan. Zo worden inmiddels in 68 gemeenten wijk-GGD’ers ingezet. Naar aanleiding van de motie «street-triage» zijn in januari 2022 in Amsterdam, Den Haag, Eindhoven en Groningen initiatieven gestart gericht op het verbeteren van de samenwerking tussen politie en zorg op straat.2 In de zomer van 2022 wordt een onderzoeks-, en begeleidingsproject gestart om de eerste inzichten te delen en regio-overstijgende lessen te trekken.3 Ook is er een landelijke uniforme werkwijze ontwikkeld waarmee de politie zorgwekkende signalen kan delen met gemeenten.
In hoeverre hebben landelijke teams als het Aanjaagteam Verwarde Personen, het Schakelteam Verwarde Personen en het Verbindend Landelijk Ondersteuningsteam succes gehad in het stroomlijnen van het aantal meldingen van personen met verward gedrag?
Het Aanjaag- en Schakelteam en het Verbindend Landelijk Ondersteunings Team (VLOT) hebben niet als doel gehad om de meldingen zoals door de politie geregistreerd te stroomlijnen. Hun primaire doel was om te zorgen dat de zorg en ondersteuning voor personen met verward of onbegrepen gedrag verbeterd en dat er op lokaal niveau een werkende aanpak wordt vormgegeven. Het Aanjaag- en Schakelteam hebben de bouwstenen ontwikkeld voor een sluitende aanpak voor personen met verward gedrag.4 Ook hebben zij de samenwerking geïnitieerd tussen de landelijke en regionale ketenpartners. De regioadviseurs vanuit VLOT hebben bij de implementatie van de bouwstenen de lokale en regionale partners (vraaggericht) ondersteund, en in de regio’s geholpen de uitvoeringspraktijk verder te ontwikkelen.5 6 In het huidige actieprogramma «Grip op onbegrip» worden de onderliggende mechanismen van goede voorbeelden van de afgelopen jaren verder onderzocht, ontwikkeld en verspreid en wordt ingezet op domeinoverstijgende initiatieven die ten goede komen aan deze doelgroep.
Klopt het dat de aanpak per gemeente verschilt? Zijn meldpunten bij gemeenten voldoende bekend als de stijgende lijn in het aantal incidenten doorzet? Wat gaat u doen om deze meldpunten beter onder de aandacht te brengen?
Ja, dat klopt. De inzet van de lokale en regionale zorg- en hulpverleningsstructuur is aan gemeenten. Vanuit de rijksoverheid ondersteunen we gemeenten hierbij, via het eerdergenoemde actieprogramma «Grip op onbegrip». Maar ook door op landelijk niveau voorzieningen in te richten, zoals het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, waar mensen een melding kunnen maken wanneer zij zich zorgen maken over een ander. Het Meldpunt Zorgwekkend Gedrag, bereikbaar op telefoonnummer 0800–1205, fungeert als landelijke, eenvoudige toegangspoort naar de lokale meldpunten. Er wordt doorlopend geïnvesteerd in de vindbaarheid en bekendheid van het meldpunt, door middel van (online) communicatiecampagnes. Mede hierdoor wordt het meldpunt tussen de 700–1500 keer per maand gebeld. Daarnaast wordt er gewerkt aan een landelijk uniforme meldwijze tussen politie en gemeenten, veelal via deze lokale of regionale meldpunten zorgwekkend gedrag. Zo kunnen zorgwekkende signalen door de politie op eenvoudige en veilige wijze worden gedeeld met een meldpunt.
Bent u bekend met de lokale aanpak van de gemeente Veldhoven waarbij inwoners specifiek melding kunnen maken indien zij zich zorgen maken over de veiligheid van verwarde buurtgenoten? Vindt u de integrale aanpak die daar gebruikt wordt een goed voorbeeld voor andere gemeenten?
Ja, ik ben bekend met deze aanpak. De ministeries van JenV en VWS ondersteunen deze aanpak, via het genoemde actieprogramma «Grip op onbegrip» en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV).7 Uit onderzoek van het CCV is gebleken dat de inzet van een Wijk-GGD’er, als «verbindingsofficier» tussen zorg en veiligheid en gericht op preventie, veel voordelen oplevert voor zowel de betrokken cliënten als de ketenpartners.8 Het is daarom een goed voorbeeld voor andere gemeenten, al zal hierbij altijd sprake zijn van regionaal maatwerk. Het is goed om dergelijke voorbeelden en de bepalende succesfactoren te delen, om zo een leercyclus tot stand te brengen. Het delen van de werkende mechanismen van een geïntegreerde aanpak en creëren van lerende netwerken is een belangrijk onderdeel van het actieprogramma.
Wat vindt u van de suggestie om E33-meldingen te betrekken bij een regulier overleg tussen wijkagenten en het sociaal domein? Hoe beziet u de suggestie om naast politie, brandweer en ambulance ook een zorgtafel toe te voegen aan de meldkamer?
Ik neem de suggesties mee in het uitwerken van het coalitieakkoord. In dit akkoord staat dat politie, zorg en de gemeenten intensiever gaan samenwerken om ervoor te zorgen dat personen met verward of onbegrepen gedrag op tijd de juiste zorg en/of brede ondersteuning wordt geboden. Daarvoor moet de toeleiding naar passende zorg en ondersteuning worden verbeterd. Zo is het belangrijk dat er actief opvolging kan worden gegeven aan signalen en meldingen bij politie en bij de meldpunten zorgwekkend gedrag. Uw Kamer wordt voor de zomer nader geïnformeerd over de uitwerking van het coalitieakkoord.
Het EU herstelfonds |
|
Senna Maatoug (GL), Laurens Dassen (Volt) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het stiekeme Nederlandse selectieproces voor de EU-herstelmiljarden»?1
Ja.
Hoe leest u de constatering dat achter de schermen de afgelopen maanden al tot in detail door het vorige kabinet werd gewerkt aan de bestedingen van de RRF-gelden, terwijl de Kamer en decentrale overheden hierin niet werden betrokken?
Het is altijd duidelijk geweest dat er aan de formatietafel beslist zou worden over het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP), blijkens ook de naar u verzonden Kamerbrief van 27 november 2020. Begin vorig jaar heeft er een ambtelijke inventarisatie plaatsgevonden van de meest kansrijke reeds begrote en nieuwe maatregelen die voldoen aan de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF)- verordening. Het coalitieakkoord is helder over de kaders van het HVP: de middelen uit de HVF worden ingezet om reeds begrote uitgaven te financieren, al dan niet aangevuld met gefinancierde maatregelen uit het coalitieakkoord. Alle maatregelen zullen bovendien moeten voldoen aan de criteria in de HVF-verordening. Tijdens de totstandkoming van het coalitieakkoord is er ook breed geconsulteerd via de verschillende formatietafels, waaronder de medeoverheden.
Stemt u ermee in dat dit haaks staat op het Brusselse verzoek om een «brede consultatie» te houden? Omdat er in een van de gewobte documenten waar FTM naar verwijst wordt gezegd dat het om «de meest logische externe stakeholders» gaat, en dat die inputfase eerder ook een consultatie is genoemd, vragen wij u of u het ermee eens bent dat alleen «de meest logische externe stakeholders» zijn meegenomen in de door het kabinet genoemde «brede consultatie»? Mocht dit niet het geval zijn: hoe is het kabinet voornemens een gedegen consultatie te houden in 1 maand terwijl eerder (eind 2020) werd gesteld dat het tijdspad juist te krap was?
Het stond de departementen tijdens de ambtelijke inventarisatie vrij om contact te zoeken met belanghebbenden, hetgeen ook is gebeurd. Departementen hebben onder andere input ontvangen van diverse vakbonden, bedrijven, gemeenten, provincies, regio’s en kennisinstellingen. Dat betekent overigens niet dat andere belanghebbenden hun stem niet meer kunnen laten horen. Er wordt momenteel gewerkt aan een eerste conceptversie van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan, die uw Kamer en het bredere publiek zullen ontvangen. Op basis van ontvangen inbreng wordt een tweede conceptversie opgesteld die wederom gedeeld zal worden met uw Kamer. Voorts is voorzien dit conceptplan aan bijvoorbeeld genderorganisaties en medeoverheden voor te leggen en om hen te vragen input te geven op welke wijze de reeds geselecteerde maatregelen in hun ogen het beste uitgevoerd zouden kunnen worden. Hiermee geef ik ook opvolging aan de moties van de leden Gündoğan en Van Dijk. Bovendien hebben belanghebbenden tijdens formatiegesprekken zoals gebruikelijk ook de mogelijkheid om input te leveren op de in het coalitieakkoord te verwerken hervormingen. Op deze manier hebben belanghebbenden dus zowel in het voortraject, als in het komende traject voldoende mogelijkheden tot het leveren van inbreng.
Wat is uw verklaring waarom de Kamer anderhalf jaar in ongewis is gebleven over de besteding van de beschikbare gelden voor Nederland?
Het besluit over de besteding van de beschikbare gelden is, conform de naar u verzonden Kamerbrief van 27 november 2020, genomen bij de totstandkoming van het coalitieakkoord. Uw Kamer is nauw betrokken geweest bij het formatieproces en heeft het coalitieakkoord aanvaard.
Wat vindt u van de door het vorige kabinet gekozen volgorde om eerst naar de Europese Commissie te communiceren aanspraak te willen maken op de gelden alvorens de Kamer, decentrale overheden en andere belanghebbenden hierbij te betrekken?
Een lidstaat kan volgens de HVF-verordening (artikelen 12 en 18) pas aanspraak maken op middelen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit bij de indiening van een HVP. In het proces dat leidt tot indiening van het definitieve plan zullen de Kamer, medeoverheden, en andere belanghebbenden meegenomen worden. Daarnaast zijn de Kamer, medeoverheden en andere belanghebbenden reeds meegenomen in het formatieproces. In het daaruit volgende coalitieakkoord zijn de afspraken vastgelegd die de basis vormen voor het HVP.
Voorts is het gebruikelijk dat Europese lidstaten conceptplannen informeel toetsen bij de Europese Commissie. Daarnaast is de HVF-verordening voor alle Europese lidstaten een nieuw proces, vandaar dat het logisch is om informeel en ambtelijk bij de experts van de Europese Commissie verdere toelichting te ontvangen over de uitvoering van de verordening. Gezien de omvang van de beschikbare middelen (miljarden) en de ernst van de crisis waar Nederland zich in de nasleep van de Covid-19 pandemie in bevond, vind ik het vanzelfsprekend dat in deze informele gesprekken kenbaar is gemaakt dat Nederland aanspraak wil maken op de HVF-gelden.
Kunt u een concreet overzicht geven van het tijdspad met betrekking tot de Nederlandse indiening van het RRP?
De tijdlijn voor het indienen van het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan ziet er als volgt uit: in het eerste kwartaal van 2022 zal het eerste conceptplan uitgewerkt en met uw Kamer gedeeld worden. Hierna start de formele dialoog met de Europese Commissie en de raadpleging van belanghebbenden. Vervolgens is het streven om een tweede, finale conceptversie van het plan in mei 2022 gereed te hebben. In juni 2022 zal ik het finale conceptplan aan uw Kamer presenteren. Uiterlijk 31 augustus 2022 zal Nederland het plan formeel indienen bij de Europese Commissie.
Vanaf het moment van indienen door Nederland heeft de Europese Commissie twee maanden om met een voorstel voor een uitvoeringsbesluit te komen, met daarin de goedkeuring van het plan, de mijlpalen en doelen, alsmede de daaraan gekoppelde bedragen. Hierna heeft de Raad een maand de tijd om het uitvoeringsbesluit goed te keuren. Vervolgens zal een overeenkomst tussen de Commissie en Nederland worden opgesteld, waarmee de middelen formeel worden gecommitteerd. Ten slotte is op 31 december 2022 de deadline voor de Europese Commissie om 70% van alle middelen te hebben gecommitteerd aan de lidstaten.
Kunt u op basis van aanvullende stukken inzicht geven in de interdepartementale stukken ter afstemming en besluitvorming aangaande de besteding? Kunt u een concreet overzicht geven van de huidige stand van zaken met betrekking tot de Nederlandse indiening van het RRP? Wordt het aangaan van nieuwe investeringen als uitgangspunt van de besteding van de gelden genomen, in lijn met de geest van het herstelfonds? Wanneer is het kabinet voornemens de Kamer bij de plannen voor de bestedingen te betrekken?
In het kader van het door u aangehaalde Wob-verzoek zijn de stukken over interdepartementale afstemming aangaande de besteding openbaar gemaakt en terug te vinden via de website van rijksoverheid.nl.2 Het kabinet heeft ervoor gekozen om reeds begrote uitgaven te financieren, al dan niet aangevuld met financieel gedekte maatregelen uit het coalitieakkoord, in het HVP op te nemen. Uw Kamer zal in het eerste kwartaal van 2022 de eerste conceptversie van het HVP ontvangen. Om hier zorgvuldig en gericht invulling aan te kunnen geven is op 1 februari 2022 binnen het Ministerie van Financiën een programmadirectie van start gegaan die de indiening van het Nederlandse HVP zal gaan coördineren. In die rol is deze HVP-directie o.a. verantwoordelijk voor de kwaliteit- en volledigheidschecks op basis van de HVF verordening, en het voeren van de dialoog met de Europese Commissie. Omdat de kennis en verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de maatregelen die uiteindelijk in het Nederlandse HVP opgenomen zullen worden primair bij de departementen ligt, hebben zij ook een cruciale rol bij het voorbereiden, invullen en implementeren van het HVP. Zie vraag 6 voor een toelichting op het verdere proces.
Welke hervormingen is het kabinet voornemens door te voeren om in aanmerking te komen voor de gelden? Wanneer is het kabinet voornemens de Kamer bij de plannen voor de hervormingen te betrekken? Kunt u op basis van aanvullende stukken inzicht geven in de interdepartementale stukken ter afstemming en besluitvorming aangaande de hervormingsplannen? Zo niet, waarom niet?
De hervormingen in het HVP zullen gebaseerd zijn op hervormingen die in gang zijn gezet sinds 1 februari 2020, alsook de hervormingen die in het coalitieakkoord genoemd worden en waar mogelijk samenhang vertonen met de investeringen in het HVP. Zoals vereist in de HVF-verordening zullen de hervormingen ook ingaan op een substantieel deel van de landenspecifieke aanbevelingen die de Europese Commissie heeft opgesteld. Deze aanbevelingen zijn ook meegenomen in het coalitieakkoord. Zie verder het antwoord op vraag 6 en 7.
Kunt u specifiek uitwijden over de concrete punten waar de besluitvorming aangaande de besteding als ook de hervormingen nog niet volledig is afgerond en wat daar de pijnpunten zijn, zoals blijkt uit de WOB-stukken aangehaald in het FTM-artikel?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de HVF-financiering wordt gebruikt voor reeds in de begroting gedekte maatregelen. De verdere besluitvorming over de investeringen en hervormingen in het HVP vindt plaats conform het tijdpad in het antwoord op vraag 6. Dat betekent dat de definitieve besluitvorming volgens de huidige planning zal plaatsvinden in de zomer van 2022.
De groslijst met mogelijk in aanmerking komende projecten voor de besteding van de gelden is op 1 november 2021 met de Kamer gedeeld terwijl deze lijst niet is afgestemd met lagere overheden of de Kamer, ondanks het verzoek van de Europese Commissie om een «brede consultatie» te voeren: wat vindt u van deze constatering? Wat vindt u van de keuze om deze gang van zaken te bestempelen als «een krap tijdspad», zoals ook weergegeven in het FTM-artikel?
De HVF-verordening (artikel 15) schrijft voor dat elk HVP een samenvatting van het consultatieproces moet bevatten dat past binnen de nationale juridische kaders. Lidstaten hebben dan ook op verschillende wijze invulling gegeven aan het consultatieproces. De juridische kaders voor het Nederlandse HVP zijn tijdens de formatie vastgesteld en in het Coalitieakkoord opgenomen. Tijdens de formatie zijn medeoverheden en de Kamer breed geconsulteerd, en uiteindelijk is besloten om het Nederlandse HVP te vullen met bestaande en gefinancierde maatregelen en eventueel financieel gedekte maatregelen uit het Coalitieakkoord. De groslijst die op 1 november met de Kamer is gedeeld is het resultaat van een ambtelijke verkenning, maar staat niet gelijk aan een concept-HVP. Zoals eerder aangegeven is de ambtelijke inventarisatie opgesteld in samenwerking met alle departementen. Het stond de departementen tijdens de ambtelijke inventarisatie vrij om contact te zoeken met belanghebbenden, hetgeen ook is gebeurd. De Kamer en de medeoverheden worden geraadpleegd tijdens het verdere proces. Destijds werd uitgegaan van een vlot formatieproces, waardoor het tijdspad krap geacht werd. Er werd gekozen om de besluitvorming over het HVP aan het nieuwe kabinet over te laten en dit onderdeel te maken van het coalitieakkoord. Het coalitieakkoord is tot stand gekomen middels brede consultatie. Zie verder het antwoord op vraag 2, 3 en 6.
Wat vindt u van de gekozen volgorde door het vorige kabinet dat plannen opgesteld door de ambtenarij eerst informeel werden getoetst bij de Europese Commissie, vervolgens op de formatietafel belandden alvorens de Kamer hierbij betrokken werd? Denkt u dat met deze volgorde de officiële procedure is omzeild? Kunt u dit toelichten?
Het is gebruikelijk dat Europese lidstaten conceptplannen informeel toetsen bij de Europese Commissie. De HVF-verordening is voor alle Europese lidstaten een nieuw proces, vandaar dat informeel en ambtelijk bij de experts van de Europese Commissie getoetst is of bepaalde zaken voldoen aan de eisen van de verordening. Er is hiermee geen officiële procedure omzeild. De officiële procedure met de Europese Commissie gaat van start op het moment dat wij het plan indienen bij de Commissie, cf. preambule lid 38 van de HVF-verordening.
Hoe leest u de constatering uit het FTM-artikel dat «informeel» werd gesproken met ambtenaren op de permanente vertegenwoordiging in Brussel om zo de officiële procedure te kunnen omzeilen? Denkt u dat met deze volgorde de officiële procedure is omzeild? Kunt u dit toelichten?
Er is geen officiële procedure omzeild. Zie verder het antwoord op vraag 11.
Klopt het dat gesprekken met de Commissie voor indiening van plannen inderdaad onderdeel zijn van het beoordelingsproces voor de RRP-plannen, zoals geconstateerd in het artikel van FTM?
Gesprekken met de Europese Commissie zijn nodig vanwege de technische en specifieke eisen van de HVF verordening. De gesprekken vormen echter geen onderdeel van het beoordelingsproces, maar worden ingezet ter voorziening van benodigde informatie ten aanzien van de HVF-verordening. De Commissie velt in deze gesprekken dan ook geen oordeel over de samenhang van het plan, maar geeft slechts toelichting bij de technische vereisten. Dit blijkt ook uit de openbaargemaakte stukken d.d. 1 november 2021.
Wat is uw lezing van de constatering dat uw voorganger Minister Hoekstra in het najaar van 2021 aangaf dat er eerst een plan moet liggen alvorens externen geconsulteerd kunnen worden, terwijl uit het artikel van FTM blijkt dat bepaalde partijen wel degelijk in een vroeg stadium betrokken werden, zoals VNO-NCW?
Ik deel zijn mening dat er eerst een plan moet liggen alvorens externen geconsulteerd kunnen worden over de inhoud van dit plan. Ten aanzien van de gesprekken in de totstandkoming van de ambtelijke groslijst stond het de departementen vrij om in gesprek te gaan met belanghebbenden. Daarnaast is er in de totstandkoming van het coalitieakkoord breed geconsulteerd. Voorts komen er twee conceptversies, waardoor belanghebbenden nog steeds in de gelegenheid zullen zijn hun stem te laten horen.
Kan de Minister de correspondentie tussen Den Haag en Brussel alsnog doen toekomen aan de Kamer, nog voor het voorjaarsreces? Kan de Minister een overzicht geven van de inhoud van de gesprekken die Nederland heeft gevoerd met de Commissie, al dan niet in een besloten briefing?
Het is helaas niet haalbaar deze informatie te leveren binnen de gevraagde termijn. Op dit moment wordt in het kader van het door u aangehaalde Wob-verzoek door verschillende departementen gewerkt aan het inventariseren en openbaar maken van documenten die betrekking hebben op contacten met belanghebbenden, waaronder met de Europese Commissie. Voorafgaand aan openbaarmaking worden de verschillende belanghebbenden, waaronder de Europese Commissie, om zienswijzen gevraagd. Indien de Europese Commissie gemotiveerd aangeeft dat de uitgewisselde stukken niet openbaar kunnen worden gemaakt, dan wordt die zienswijze in principe gevolgd. Ik zal de andere departementen verzoeken zo spoedig mogelijk de documenten met uw Kamer te delen (en in ieder geval uiterlijk op het moment dat deze documenten in het kader van het lopende Wob-verzoek openbaargemaakt worden).
Hoe definieert u «de meest logische externe stakeholders»? Op basis van welke criteria bestempelde en bestempelt het kabinet betrokkenheid van stakeholders als «logisch»?
Het is niet aan mij om dit te definiëren, aangezien dit de verantwoordelijkheid is van de betreffende vakdepartementen.
Kunt u een reconstructie maken van de wijze waarop de input van stakeholders als «inspiratie» gebruikt voor het formuleren van de maatregelen die zijn ingediend bij de Europese Commissie, op basis van gespreksverslagen of andere documentatie en deze op korte termijn (binnen 2 weken) aan de Kamer te doen toekomen?
Zie het antwoord op vraag 15.
Welke landen-specifieke aanbevelingen is Nederland voornemens door te voeren en welke aanbevelingen is het kabinet voornemens aan de kant te schuiven? Kunt u toelichten op basis waarvan deze keuzes zijn gemaakt en hoe dit keuzeproces is verlopen?
Op dit moment kan ik hier nog geen antwoord op geven. De voorgestelde keuze van het kabinet ten aanzien van de landenspecifieke aanbevelingen zal blijken uit de eerste conceptversie van het HVP die ook met uw Kamer gedeeld zal worden. Overigens geldt dat veel landenspecifieke aanbevelingen ook zijn meegenomen in de voorgenomen hervormingen in het coalitieakkoord.
Hoe bent u voornemens om te springen met het resterende proces aangaande het indienen van het nationale plan om aanspraak te maken op de RRF-gelden?
Momenteel is mijn ministerie in dialoog met de andere ministeries over de invulling van het eerste concept-HVP. Na het bereiken van ambtelijke en politieke overeenstemming over het eerste conceptplan, zal ik deze conceptversie met uw Kamer delen. Daarop kunnen ook belanghebbenden input leveren op dit conceptplan. Zie verder het antwoord op vraag 6.
In het regeerakkoord van het kabinet leest de Volt-fractie slechts over de besteding van de RRF-gelden: «de middelen uit het Europees herstelfonds ter financiering van de plannen uit onder meer dit coalitieakkoord». Welke plannen uit het coalitieakkoord is het kabinet voornemens aan de RRF-gelden te besteden?
Op dit moment kan ik hier nog geen antwoord op geven. Wel is duidelijk dat reeds begrote en bestaande maatregelen en het coalitieakkoord leidend zijn in de keuzes die gemaakt worden. Op welke wijze deze maatregelen kunnen worden opgenomen in een Nederlands HVP hangt af van de mate waarin deze maatregelen in overeenstemming zijn met de HVF-verordening. De keuze van het kabinet ten aanzien van de plannen uit het coalitieakkoord zal terug te zien zijn in de eerste conceptversie van het HVP die ter raadpleging ook met uw Kamer gedeeld zal worden.
Kunt u zicht bieden op de reactie van de Europese Commissie op de plannen, zoals die tot nu toe gecommuniceerd zijn in overleg met de Commissie?
Zie het antwoord op vraag 15.
Wat is uw verwachting ten aanzien van de beoordeling van de plannen van het kabinet door de Europese Commissie? Zal zij de plannen goedkeuren?
Ik kan niet spreken voor de Europese Commissie. Dit kabinet hecht veel belang aan een stevig en ambitieus HVP. Door in te zetten op structurele hervormingen en investeringen die aansluiten bij de landspecifieke aanbevelingen en de groene en digitale transities, kan naar verwachting gebruik gemaakt worden van de Europese middelen uit de HVF. Een ambitieus plan draagt bij aan een positieve beoordeling van de Commissie.
Kunt u het krappe tijdspad richting mei 2022 voor opstelling van het tweede conceptplan en presentatie van het finale conceptplan aan de Kamer in juni 2022 schetsen?
Zie het antwoord op vraag 6.
In hoeverre zijn de groslijsten bepalend voor de uitvoering van het Nederlandse RRP?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe definieert u «een briljant idee» wat eventueel nog aan de reeds bestaande groslijst kan worden toegevoegd? Kan de Minister een indicatie geven van de reeele kans dat zo’n «briljant idee» inderdaad aanspraak zal kunnen maken op het RRP?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe en wanneer bent u voornemens decentrale overheden en externe partijen te betrekken bij de totstandkoming van de plannen, conform motie Dassen d.d. 4 november 2021, nummer 35925-XIII-51?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Hoe en wanneer bent u voornemens decentrale overheden en externe partijen te betrekken bij de uitwerking van de plannen?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Hoe gaat u garanderen dat hier genoeg ruimte en tijd voor is terwijl het vorige kabinet zelf heeft gezegd niet eerst een consultatie te doen omdat een tijdspad dat toen nog ruimer was dan het tijdspad van aankomend voorjaar, al te krap was?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Hoe bent u voornemens uit te reiken naar die externe partijen en decentrale overheden die hun weg in Den Haag minder makkelijk of niet weten te vinden?
Zie het antwoord op de vragen 2, 3 en 6.
Het bericht dat het leger van Burkina Faso een staatsgreep heeft gepleegd. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van Euractiv over de staatsgreep van het Burkinese leger?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit gewelddadige optreden van het leger waarbij President Roch Kaboré van Burkina Faso is afgezet, de Grondwet is opgeschort, de grenzen zijn gesloten en het parlement is ontbonden?
Het kabinet keurt elke machtsovername met gebruik van geweld af. Een vreedzame machtsoverdracht door middel van een transparant democratisch proces is een kernwaarde van Nederland, de EU en de VN. Nederland roept, net als de ECOWAS en de AU, op tot een politieke transitie gericht op terugkeer naar de constitutionele orde in Burkina Faso.
Kunt u een update verschaffen over de huidige situatie in het land en daarbij ingaan op de situatie van president Roch Kaboré?
Het dagelijkse leven in Burkina Faso is geleidelijk hervat. Hoewel leger en politie, net als voor de staatsgreep, zichtbaar aanwezig zijn in Ouagadougou, heerst er geen spanning op straat. De grenzen zijn weer geopend en de avondklok is opgeheven. De Grondwet is opnieuw ingesteld, zij het met enkele aanpassingen zoals de transitietijd van 3 jaar, de uitsluiting van de president aan de verkiezingen na de transitie, meer nadruk op integriteit en een lager aantal Ministers en parlementsleden.
Op 28 februari jl. werd in een nationaal consultatieproces een transitiehandvest aangenomen, met daarin een transitiepad van 3 jaar. Op 2 maart is Lt. Kol. Damiba geïnaugureerd als transitiepresident van Burkina Faso. Hij kan zich dus niet verkiesbaar stellen bij de verkiezingen aan het einde van de transitieperiode. Er zijn een civiele transitiepremier en 25 Ministers aangesteld, waarvan 3 militairen. Op 4 april is een concreet stappenplan voor de transitieperiode gepresenteerd.
Na veel onduidelijkheid over het lot van voormalig president Kaboré is hij op 24 januari jl. overgedragen aan de nieuwe machthebbers, die hem hebben overgebracht naar een villa en hem daar bewaakten. Op diezelfde dag ondertekende Kaboré een brief waarmee hij zijn ontslag aanbood.
ECOWAS heeft Burkina Faso na de staatsgreep geschorst. Op 25 maart jl. riep ECOWAS op tot de vrijlating van voormalig president Kaboré voor 1 april 2022, anders zouden individuele sancties worden ingesteld. Op 6 april is Kaboré overgebracht naar zijn gezinswoning, waar volgens de transitieautoriteiten zijn veiligheid wordt gegarandeerd. 1 en 2 april jl. was een ECOWAS delegatie in Burkina Faso om met de autoriteiten te spreken over de gevolgen van de oproep op 25 maart jl. Op het moment van schrijven zijn er nog geen individuele sancties ingesteld.
Wat zijn de overwegingen achter het feit dat de kleurcode wat betreft dit reisadvies gedeeltelijk nog steeds oranje en niet rood is?
Het reisadvies stond voor de staatsgreep al deels op rood en deels op oranje. Dit houdt verband met de terroristische dreiging. Reizen naar gebieden buiten de omgeving van Ouagadougou werden afgeraden (rood), terwijl voor reizen naar Ouagadougou en omgeving het advies was alleen essentiële reizen te ondernemen (oranje). Gedurende de dagen van de staatsgreep werd de tekst van het reisadvies aangepast om te waarschuwen voor risico’s van reizen op dat moment. Omdat de rust is teruggekeerd, is de tekst van het reisadvies weer aangepast naar het advies van voor de staatsgreep.
Bent u bekend met het feit dat Amerikaanse burgers actief worden oproepen Burkina Faso te verlaten en Amerikaanse burgers actief worden afraden naar Burkina Faso te reizen?
Net als Nederland raden de VS hun burgers af te reizen naar een groot deel van het land, waaronder het noorden, oosten en de grensgebieden. Er is voor zover bekend geen officiële oproep vanuit de Amerikaanse overheid gedaan aan hun burgers om Burkina Faso te verlaten.
Kunt u lessen trekken uit de checklist voor Amerikaanse burgers die in dit ambtsbericht staan voor het Nederlandse consulaire beleid? Zo ja, welke?
Vergelijkbaar met de Amerikaanse checklist, verwijst ook het Nederlandse reisadvies naar een pagina op www.nederlandwereldwijd.nl met tips voor voorbereidingen die burgers zelf kunnen treffen voor een mogelijke crisissituatie.
Hoe staat het met de veiligheidssituatie van het Nederlandse ambassadepersoneel en hun families?
Het Nederlandse ambassadepersoneel en families zijn veilig. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft in de week na de staatsgreep gesproken met het ambassadepersoneel.
Bent u in contact met Nederlandse staatsburgers en aanwezige bedrijven in Burkina Faso?
Tijdens en na de staatsgreep is het informatiesysteem van het Ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikt om de circa zestig in Burkina Faso verblijvende Nederlanders op de hoogte te stellen van de situatie. Hetzelfde systeem werd de afgelopen maanden gebruikt om Nederlanders te informeren over aangekondigde anti-regeringsdemonstraties.
Hoe oordeelt u over de mogelijke neveneffecten van deze staatsgreep op de stabiliteit van de regio? Wat doet de EU om deze risico’s te mitigeren?
Het kabinet is bezorgd over de instabiliteit en de veiligheidssituatie in Burkina Faso en de bredere Sahelregio alsook de dreiging van spill-over van gewelddadig extremisme naar West-Afrikaanse kustlanden en de effecten hiervan op Europa.
Om de risico’s te mitigeren zet de EU in de Sahel in op het adresseren van de grondoorzaken van instabiliteit en onveiligheid, met een regionale en geïntegreerde aanpak die onder andere ingaat op klimaatverandering, armoedebestrijding en het vergroten van de weerbaarheid van de bevolking. Ook probeert de EU de uitbreiding van instabiliteit tegen te gaan, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de meest kwetsbare regio’s op het gebied van veiligheid, met name de Liptako-Gourma (het grensgebied tussen Mali, Niger en Burkina Faso) en Tsjaadmeer (het grensgebied tussen Tsjaad, Niger, Nigeria en Kameroen) regio’s.
Hoe oordeelt u over het mogelijke risico dat er in coalitieverband te weinig wordt gedaan tegen islamitisch extremisme, waardoor militaire junta’s en andere partijen als de Wagner-groep in dit machtsvacuüm kunnen duiken?
Om extremisme tegen te gaan dient militaire inzet gepaard te gaan met een inzet op preventie. Nederland zet daar zowel bilateraal als in coalitieverband op in. Nederland steunt verschillende projecten gericht op het tegengaan van gewelddadig extremisme (preventing violent extremism, PVE) in Burkina Faso. Daarnaast wordt binnen bilaterale programma’s PVE zoveel mogelijk geïntegreerd. Nederland draagt ook bij aan de capaciteitsopbouw van de veiligheidssector in Burkina Faso. Zo levert Nederland een financiële en trainingsbijdrage aan het Amerikaanse Global Peace Operations Initiative (GPOI), dat eenheden van Afrikaanse troepenmachten, waaronder Burkina Faso, traint ter voorbereiding op inzet in VN- en AU-missies. In het kader van de militaire oefening Flintlock verzorgen Nederlandse militairen al jarenlang trainingen in Burkina Faso. Over de beëindiging van de militaire training in Burkina Faso ter voorbereiding op deelname aan Flintlock in Ivoorkust bent u op 9 februari jl. geïnformeerd. (Kamerbrief «Politieke ontwikkelingen in de Sahelregio» d.d. 9 februari jl., 2022Z02373).
De EU zet in op het aanpakken van de grondoorzaken van gewelddadig extremisme en terrorisme in de Sahel (zie antwoord op vraag 9). Ook ondersteunt de EU de G5-Sahel en de G5-troepenmacht, die gemandateerd is om terrorisme tegen te gaan, en waar Burkina Faso deel van uitmaakt. Nederland levert hieraan in EU-verband een financiële bijdrage (EUR 5 miljoen tussen 2018–2022).
Is er iets bekend over de Wagner-groep in Burkina Faso?
Media berichtten onlangs over pro-Russische demonstraties in Burkina Faso, waarbij betogers de overheid oproepen om militaire steun in Rusland te vragen. Volgens mediaberichten zou de Wagner Group bereid zijn om de strijdkrachten van Burkina Faso bij te staan. Het kabinet kan deze berichten over Burkina Faso niet bevestigen, maar monitort de ontwikkelingen in de Sahel ten aanzien van de Wagner Group nauwlettend.
Betekent de staatsgreep in Burkina Faso dat de mogelijke inzet van Nederlandse militairen via de huidige EU-trainingsmissies onder het huidige vijfde mandaat in dat land tijdelijk niet langer mogelijk is?
Zoals in de Kamerbrief «Politieke ontwikkelingen in de Sahelregio» d.d. 9 februari jl. (2022Z02373) toegelicht, zijn de grenzen tussen Mali en ECOWAS-lidstaten, waaronder Burkina Faso, momenteel gesloten. Dit heeft zijn weerslag op de activiteiten van de EU-trainingsmissie in Burkina Faso. Daarnaast onderneemt de EU-missie tijdelijk geen activiteiten in Burkina Faso vanwege de recente ontwikkelingen in dat land. Gegeven de zorgen over de ontwikkelingen in Mali en de bredere regio volgt de EU de ontwikkelingen op de voet en wordt in EU-verband gesproken over de toekomstige voortzetting van de EU-missies in Mali, zoals tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 april a.s.
Wat voor gevolgen heeft deze staatsgreep voor de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking met Burkina Faso?
De Nederlandse ontwikkelingssamenwerking in Burkina Faso is gericht op het vergroten van de weerbaarheid van de bevolking en het wegnemen van grondoorzaken van armoede en instabiliteit. De Nederlandse programma’s lopen grotendeels via multilaterale organisaties en het maatschappelijk middenveld. Slechts in beperkte mate is sprake van indirecte betrokkenheid van (de)centrale overheidsinstellingen. Het gaat in dit geval om programma’s gericht op het versterken van decentralisatie in zes regio’s, en het verbeteren van toegang tot rechtspraak en anticonceptie.
Het kabinet volgt de ontwikkelingen in Burkina Faso op de voet. Programmatische keuzes met betrekking tot de OS-inzet worden momenteel aan de hand van deze ontwikkelingen tegen het licht gehouden. Dit geldt vooral voor programma’s waarin, via partners, met de overheid wordt gewerkt. Het kan zijn dat hierin aanpassingen nodig zijn, afhankelijk van de mate waarin partners nog inclusief kunnen opereren, impact bereiken en daarover rekenschap afleggen. Dit is geen lineair proces. In sommige gevallen is dan ook een pas op de plaats nodig om te zien hoe e.e.a. zich ontwikkelt. Nederland zal hierin altijd samen optrekken met andere gelijkgezinde donoren waaronder onze Europese partners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Berichten omtrent de ineffectieve besteding van coronagerelateerde opleidingssubsidies. |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Harry Bevers (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over ineffectieve besteding van 200 miljoen euro voor het omscholen van mensen die hun baan kwijt zouden raken door de coronacrisis?1 2
Ja
Waarom is er gekozen voor een constructie waarbij de snelst ingediende aanvragen werden gehonoreerd in plaats van scherper te kijken naar het nut en de noodzaak van (subsidie voor) een opleiding?
Voor de eerste twee aanvraagtijdvakken van de tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing zijn aanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld. Voor het derde tijdvak is de behandelvolgorde door loting bepaald. Loting geeft alle aanvragers een gelijke kans en is niet gevoelig voor vertraging bij het indienen van de aanvraag door mogelijke (ict)-problemen. Loting kost iets meer tijd dan behandeling op volgorde van binnenkomst, maar nog steeds veel minder tijd dan een kwalitatieve beoordeling van de aanvragen zou kosten. Beide methoden zijn gekozen omdat daarmee snel scholingsaanbod beschikbaar kon worden gesteld. Snelheid was belangrijk omdat het om een tijdelijke crisismaatregel ging, die is ingezet om de gevolgen van de coronacrisis zoveel mogelijk te beperken. Zowel aan de opleiders als aan het aanbod zijn overigens wel kwaliteitseisen gesteld, waaronder de eis dat het aanbod relevant moest zijn voor de arbeidsmarkt.
Voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvragen is destijds niet gekozen, omdat de ervaring leert dat dit veel tijd kost. De uitvoeringsorganisatie had daar op dat moment geen capaciteit voor.
Hoe beoordeelt u het feit dat sectoren die kampen met structurele personeelstekorten, zoals de zorg, soms onvoldoende toegang hadden tot de subsidie vanwege de hiervoor benoemde constructie?
De subsidieregelingen die vallen onder NL Leert Door zijn opgezet aan het begin van de coronacrisis, toen nog onduidelijk was wat de mogelijke gevolgen zouden zijn en er grote werkloosheid dreigde te ontstaan. In die omstandigheden is er voor gekozen om iedereen te ondersteunen die als gevolg van de crisis zijn baan had verloren of mogelijk zijn baan dreigde te verliezen. Bij zo’n brede doelstelling past een breed en divers aanbod van scholing, ontwikkeladvies en ondersteuning. De regelingen bieden kansen aan werkenden (inclusief zelfstandigen) en werkzoekenden om zich te heroriënteren op hun loopbaan via ontwikkeladviezen, om zich bij te scholen of om, via de maatregelen NL leert door met inzet van sectoraal maatwerk, meer op maat gemaakte ondersteuning te krijgen voor behoud van werk of het maken van een overstap naar toekomstig werk. De regelingen stonden ook open voor tekortsectoren zoals de zorg, techniek en ICT en worden ook door deze sectoren gebruikt. De regeling voor scholing en de regeling voor sectoraal maatwerk lopen nog door tot einde 2022 (administratieve afhandeling loopt nog door in de eerste maanden van 2023), de regeling voor ontwikkeladvies is afgelopen. Daarnaast is als onderdeel van het sociaal pakket door EZK een omscholingsregeling gemaakt, waarmee werkgevers financiële ondersteuning kunnen krijgen voor nieuwe medewerkers die zich laten omscholen naar een beroep in de techniek of ict. Deze regeling loopt dit jaar nog door.
Constaterende dat ruim de helft van het aanbod niet beschikbaar was voor mensen met mbo 3-niveau en lager, hoe gaat u invulling geven aan de opgave om deze groep om te scholen waar nodig?
De omvang van het aanbod zegt op zich nog niets over het bereik van het aanbod bij specifieke groepen. Bij het aanbod zitten bijvoorbeeld ook cursussen basisvaardigheden. De evaluatie van de regelingen zal leren hoe het bereik is geweest bij mensen met verschillende opleidingsachtergronden. Een eerste tussenrapport zal rond de zomer van 2022 naar de Tweede Kamer worden gestuurd. Op basis van een monitor kan nu wel al iets worden gezegd over de eerste twee tijdvakken, het derde tijdvak loopt dit hele jaar nog. Ongeveer 79 procent van de afgeronde minst omvangrijke scholingstrajecten (categorie A genoemd in de regeling) was op mbo-2 niveau. Van de iets omvangrijker scholing (categorie B) is ruim 44 procent afgerond op mbo-2 niveau. Zie voor meer informatie de Rapportage tweede peiling monitor online scholing3. Voor een verdere invulling van de opgave om praktisch opgeleiden verder te scholen zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe zorgen we ervoor, ook met het oog op bijvoorbeeld het aankomende Stimulering Arbeidsmarktpositie (STAP)-traject, dat toekomstige subsidies wel terecht komen bij de mensen, bedrijven en sectoren die het het hardst nodig hebben?
Met het STAP-budget worden drempels weggenomen waardoor het voor mensen toegankelijker wordt om scholing te financieren. Ten opzichte van de recent afgeschafte fiscale aftrek scholingskosten, hoeven scholingskosten met het STAP-budget niet langer te worden voorgeschoten, is er tot € 1.000 geen eigen bijdrage nodig en is voor scholing boven de € 1.000 direct duidelijk wat de eigen bijdrage is. Ook kunnen praktisch geschoolden ontwikkeladviezen aanvragen en is er hulp beschikbaar bij het aanvragen van STAP via de telefoon of fysieke locaties (UWV-kantoren, bibliotheken en regionale leerwerkloketten).
De beschikbaarheid van toegankelijke financiering via het STAP-budget is van groot belang, maar op zichzelf niet voldoende om alle groepen in staat te stellen om met scholing en ontwikkeling aan de slag te gaan. Het is bekend dat de meeste mensen leren op en van het werk. Dat geldt met name voor meer kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Dit vraagt om een gezamenlijke aanpak, met inzet van werkgevers, sectoren, vakbonden, opleiders en publiek-private samenwerkingsverbanden in de regio’s. Het kabinet zet voortbouwend op de Routekaart voor leren en ontwikkelen4 in op een breed palet aan maatregelen om mensen te ondersteunen en bedrijven – onder meer via de SLIM-regeling – te stimuleren om te investeren in een sterke leercultuur op het werk. Daarbij komt ook de in het coalitieakkoord aangekondigde uitbreiding van de publieke financiering van scholing en ontwikkeling via het principe van leerrechten aan de orde. Dit principe houdt in dat er meer scholingsbudget beschikbaar komt voor mensen die minder initieel onderwijs hebben genoten.
Na inwerkingtreding van het STAP-budget start ook de monitoring en evaluatie van de regeling. Op deze manier verzamelt SZW inzichten over wie de regeling gebruikt en waaraan het STAP-budget wordt besteed, zodat waar wenselijk het STAP-budget zo nodig verder kan worden gericht.
Is er nu, na twee jaar leven met corona, meer zicht op waar de tekorten in de arbeidsmarkt het grootst zijn en waar omscholing zou kunnen helpen?
De economie trekt aan, waardoor de arbeidsmarkttekorten weer oplopen. Op basis van onderzoek van ROA en UWV zijn de tekorten met name groot in de zorg, het onderwijs en de techniek, maar ook in de horeca5. Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt staan er nog veel mensen aan de kant.
Bij het oplossen van krapte zijn de werkgevers en sectoren als eerste zelf aan zet. De werkgever kan het beste bepalen welke oplossingsrichting voor zijn of haar bedrijf het meest passend is om personeel te werven en te selecteren. De werkgever kan hierbij in gesprek treden met werknemers, onderwijsinstellingen en andere betrokkenen. Daar bovenop kunnen werkgevers gebruik maken van de dienstverlening in de 35 arbeidsmarktregio’s via de Werkgeversservicepunten. Een werkgeversservicepunt geeft werkgevers kosteloos advies en ondersteunt bij de werving en selectie van personeel.
Werkzoekenden en werkenden die met ontslag bedreigd worden kunnen daarnaast dienstverlening ontvangen vanuit 35 regionale mobiliteitsteams. Binnen deze teams gebruiken werkgevers, werknemers, onderwijs, gemeenten en UWV elkaars expertise en dienstverlening bij het bieden van gerichte ondersteuning naar nieuw werk, ook richting krapteberoepen. Gemeenten ontvangen daarnaast jaarlijks een budget van circa 675 miljoen ten behoeve van de re-integratie van mensen in de bijstand. Met de inzet van deze middelen kunnen gemeenten toekomstperspectief bieden aan de bijstandscliënt.
Het kabinet zet aanvullend in op (om)scholing om mensen in staat te stellen om zich aan te passen aan de veranderende arbeidsmarkt via een leven lang ontwikkelen (LLO). Zie ook de kamerbrief Routekaart leren en ontwikkelen waarnaar bij vraag 5 is verwezen.
De plannen tot halvering van de jonggehandicaptenkorting |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Is het kabinet nog steeds voornemens de jonggehandicaptenkorting te halveren tot 415 euro in 2025? Zo ja: waarom kiest u ervoor om te bezuinigen op mensen met een beperking die al te weinig geld hebben om van rond te komen?
Het kabinet neemt een definitief besluit over de jonggehandicaptenkorting tijdens de voorjaarsbesluitvorming. Dat doet het kabinet op basis van de ramingen uit het Centraal Economisch Plan (CEP) van het CPB die halverwege maart beschikbaar komen. Er wordt dan gekeken naar het hele pakket lastenverlichting waar de jonggehandicaptenkorting ook onder valt. Het kabinet vindt het belangrijk dat er over de hele kabinetsperiode een evenwichtig en gemiddeld positief koopkrachtbeeld is voor alle groepen.
Realiseert u zich dat deze maatregel de ongelijkheid doet toenemen en dat jonggehandicapten er 1,4% op achteruitgaan en zo verder de armoede worden ingejaagd? Zo ja: is het vergroten van de armoede onder jonggehandicapten en het doen toenemen van ongelijkheid een doel van het beleid?
We verhogen het wettelijk minimumloon en laten de verhoging doorwerken in de sociale minimumuitkeringen zodat die uitkeringen mee omhoog gaan2. Dat is gunstig voor Wajongers, omdat de Wajong-uitkering ook omhoog gaat. Vanwege de bruto koppeling stijgt de Wajonguitkering harder dan andere uitkeringen, dus ook als de jonggehandicaptenkorting wordt aangepast, ligt de koopkrachtontwikkeling van Wajongers in lijn met die van andere groepen uitkeringsgerechtigden.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 wordt over het lastenverlichtingspakket door het kabinet in de voorjaarsbesluitvorming besloten. Op dat moment is ook de CPB-raming beschikbaar zodat gekeken kan worden naar de koopkrachtraming voor de hele kabinetsperiode.
Anne Houtsma schrijft in haar blogs over haar ervaringen als Wajong-gerechtigde. Daarbij vertelt zij over de onzekerheid die met de Wet vereenvoudiging Wajong en ook met de wijziging van de jonggehandicaptenkorting gepaard gaat. Ik vind het zeer waardevol dat zij haar ervaringen deelt en het is cruciaal om bij het maken van beleid inzichten van ervaringsdeskundigen mee te nemen. Op die manier zorgen we ervoor dat er niet over hen maar met hen gepraat wordt. Ik heb mevrouw Houtsma daarom uitgenodigd om met het ministerie over haar ervaringen in gesprek te gaan.
Wat is uw reactie op de opinie van wajonger Anne Houtsma1 die aangeeft dat haar zelfstandigheid en financiële zelfredzaamheid in gevaar komt bij halvering van de jonggehandicaptenkorting?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid af te zien van de halvering van de jonggehandicaptenkorting?
Zie antwoord bij vraag 1.
Het nieuwsbericht over harde kritiek op politieonderdeel dat voor geheime operaties verantwoordelijk is |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Harde kritiek op politieonderdeel dat voor geheime operaties verantwoordelijk is»?1 Zo ja, hoe duidt u het feit dat een dergelijke gang van zaken mogelijk blijkt binnen de politieorganisatie?
Ja. Zoals toegelicht in mijn beleidsreactie op het Inspectieonderzoek naar de Dienst Specialistische Operaties (DSO) d.d. 25 januari 20222 zijn er forse knelpunten in de organisatie, sturing en cultuur ontstaan. Deze knelpunten vloeien voort uit onderliggende oorzaken, die samenhangen met de vorming van de nationale politie en de forse uitbreiding van het takenpakket van de Landelijke Eenheid (LE).
Voor mij is duidelijk dat er structurele verbeteringen nodig zijn bij de LE. De korpschef heeft opdracht gegeven tot een verbeterprogramma dat tot structurele verbetering moet leiden op het vlak van de organisatie, leiderschap en cultuur, en sturing en monitoring. Daarbij is ook aandacht voor het creëren van een sociaal veilige werksfeer en het doorbreken van weerbarstige negatieve patronen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat binnen de organisatie sprake was van onder andere een onveilige werksfeer, vriendjespolitiek en onderlinge strijd, zoals geschetst in het nieuwsbericht, en dat een dergelijke situatie om consequenties vraagt? Zo ja, welke consequenties vindt u dat aan deze gang van zaken verbonden moeten worden? Zo nee, waarom vindt u dat hier geen consequenties aan verbonden dienen te worden?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de uitkomst van het door uw voorganger aangekondigde onderzoek door de heer Brouwer naar eerdere, vergelijkbare rapporten? Deelt u de mening dat er sprake is van een patroon binnen de organisatie? Zo ja, welke concrete stappen gaat u nemen ter bestrijding hiervan? Zo nee, kunt u verklaren op basis van welke feiten u die conclusie nog altijd niet trekt?
Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer per brief d.d. 17 november 2021 geïnformeerd over de bevindingen van de commissie Brouwer.4 De commissie Brouwer heeft de conclusie getrokken dat er een relatie is tussen het overlijden van een medewerker van het team Werken Onder Dekmantel (WOD) en zijn werk. Tevens heeft de commissie vastgesteld dat de professionaliteit van de organisatie als geheel ernstig te wensen overlaat. Ook heeft de commissie Brouwer vastgesteld dat het stelsel van waarborgen voor heimelijk werken niet sluitend is. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft geconstateerd dat haar bevindingen ten aanzien van het team WOD naadloos aansluiten op de bevindingen van de commissie Brouwer.
Evenals mijn ambtsvoorganger vind ik de bevindingen van de commissie Brouwer ontluisterend. De gang van zaken bij het team WOD was de afgelopen periode niet op niveau. De korpschef treft derhalve urgente maatregelen om het team WOD te professionaliseren, zoals toegelicht in de brief d.d. 17 november5. De eenheidsleiding van de LE heeft inmiddels enkele organisatorische ingrepen gedaan om omstandigheden te creëren waarin kan worden gewerkt aan de structurele professionalisering van het team WOD, op basis van de aanbevelingen van de commissie Brouwer. Daarnaast zal een commissie onder voorzitterschap van mevrouw mr. W. Sorgdrager adviseren over een sluitend stelsel voor waarborgen in het heimelijke domein.
Is er, op basis van de verschillende ernstige bevindingen die de tot dusver uitgevoerde onderzoeken aan het licht hebben gebracht, concrete ambitie om dergelijke onderzoek vaker en breder binnen de gehele organisatie uit te voeren?
De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft naar aanleiding van zorgwekkende signalen drie deelonderzoeken uitgevoerd bij de LE. Deze deelonderzoeken hebben gezamenlijk een beeld opgeleverd van patronen en onderliggende problematiek. Het is nu zaak om verbeteringen in te zetten gericht op de onderliggende problematiek. Daartoe heeft de korpschef opdracht gegeven voor een verbeterprogramma. Tevens verwacht ik in maart 2022 een advies te ontvangen van de commissie Schneiders over de verbeteringen die nodig zijn om de grondoorzaken van de problematiek bij de LE aan te pakken.
Hoe kijkt u naar de rol die de korpsleiding in dergelijke situaties moet spelen? Bent u van mening dat zij in deze, evenals de eerder gerapporteerde misstanden, deze taak adequaat uitvoeren?
De korpschef is belast met de leiding en het beheer van de politie. De korpschef heeft na het verschijnen van het eerste deelonderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid bij de Dienst Landelijke Informatieorganisatie6 opdracht gegeven tot een verbeterprogramma bij de LE. Tevens heeft de korpschef urgente maatregelen getroffen in het licht van de bevindingen van de commissie Brouwer. Ik heb er vertrouwen in dat de korpschef de maatregelen treft die noodzakelijk zijn om verbeteringen teweeg te brengen bij de LE.
Welke concrete evaluatie wordt ingezet op het moment dat dergelijke rapporten verschijnen? Wie word(t)(den) ter verantwoording geroepen? Op welke wijze wordt dit gedaan? Welke consequenties worden voor welke specifieke functies en/of teams binnen de organisatie gehandhaafd bij dergelijke misstanden? Welke effecten hebben deze consequenties tot dusver gehad?
Afhankelijk van de uitkomst van een specifiek onderzoek bepaalt de politie in overleg met mijn departement welke maatregelen passend zijn om de constateringen te adresseren. De uitvoering hiervan wordt gemonitord door mijn departement.
Binnen de LE in het algemeen, en DSO in het bijzonder, constateert de Inspectie dat er sprake is van een combinatie van factoren die hebben geleid tot de huidige problematiek. Zoals ik in mijn beleidsreactie heb aangegeven, vraagt dit om het aanpakken van de grondoorzaken die raken aan de organisatorische basis, de sturing en de (leiderschaps)cultuur. De korpschef zet hierop in met een verbeterprogramma.
Het is aan de leiding van de LE, en uiteindelijk aan de korpschef, om een oordeel te vellen over het functioneren van medewerkers en/of leidinggevenden en, indien opportuun, daar consequenties aan te verbinden. Het past mij als Minister van Justitie en Veiligheid niet om uitspraken te doen over het functioneren van individuele politiemedewerkers.
Hoe duidt u het bredere vraagstuk rondom verantwoording binnen de organisatie op basis van de misstanden uit de verschillende recente rapporten?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat dergelijke cultuur binnen de organisatie ongewenst is? Zo ja, welke stappen onderneemt u om een grondige cultuuromslag te bewerkstelligen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dergelijke misstanden waarin teams hun eigen koers varen, zonder gemeenschappelijk doel of sturing (elders) binnen de organisatie concrete gevolgen (kunnen) hebben voor de veiligheid op de werkvloer, alsmede de veiligheid van mensen op straat?
Ja, dit geldt in het bijzonder voor teams die werkzaam zijn in het heimelijke domein. Zoals toegelicht in mijn beleidsreactie op het Inspectieonderzoek naar de DSO d.d. 25 januari 2022 realiseert de eenheidsleiding van de LE daarom op korte termijn noodzakelijk organisatorische versterkingen. Het betreft o.a. het aanstellen van een extra sectorhoofd. Vervolgens zal er worden gewerkt aan kleinere werkverbanden, waarin leidinggevenden nauwer betrokken zijn bij het dagelijkse werk.
Hoe duidt u het verband met de bevinding van de inspectie waarin gewezen wordt naar het feit dat dat de zelfdoding van een agent vorig jaar een direct gevolg was van dergelijke misstanden, en welke urgentie vraagt dit volgens u voor een omslag in de interne cultuur bij de politieorganisatie?2
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u toezien op de uitvoering van de aanbevelingen uit het onderzoek? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover voortgangsrapportages verwachten?
Ja. Ik zal uw Kamer bij de halfjaarberichten politie blijven informeren over de verbeteringen bij de LE.
Het eerder afschaffen van de Jubelton |
|
Senna Maatoug (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IT’ers: Jubelton kan eerder dan 2024 worden afgeschaft. «Zet die 100.000 in je systemen op 0, en klaar is Kees»»?1
Ja.
Klopt het dat de belastingvrije schenking op een koopwoning jaarlijks wordt geïndexeerd, waardoor het drempelbedrag voor belastingvrij schenken elk jaar wijzigt, in 2022 106.671 euro is en in 2021 105.302 euro was?
Ja.
Klopt het dat bij deze indexering sprake is van een zogenaamde wijziging van de parameters, omdat het hier gaat om wijziging van de bedragen (en percentages) van heffingskortingen?
Ja.
Klopt de informatie uit de meest recente Parameterbrief (Belastingplan 2022) nog steeds, waarin staat dat parameters onder andere bedragen en percentages zijn van heffingskortingen (zoals de Jubelton) «waarvan de waarden zich eenvoudig laten aanpassen»?
Ja.
Klopt ook de informatie nog steeds dat parameters in de erf- en schenkbelasting, waaronder de Jubelton, uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging nog aangepast kunnen worden?
Ja.
Klopt het dat bij het verlagen van de heffingsvrije grens (het «Jubelton-bedrag») naar nul euro, één euro of een ander symbolisch laag bedrag, dit onderdeel niet uit de aangifte verwijderd hoeft te worden?
Een verlaging naar nul euro, betekent dat de jubelton ofwel de schenkingsvrijstelling eigen woning is afgeschaft. Deze zou dan uit de aangifte moeten worden verwijderd. Bij verlaging naar een ander bedrag blijft de vrijstelling onderdeel van het aangiftebiljet.
Klopt het ook dat het procesmatig niet ingewikkelder is om de Jubelton van bijvoorbeeld 106.671 euro naar één euro te wijzigen, dan van 105.302 euro naar 106.671 euro te indexeren?
Ja.
Volgt uit het voorgaande dat het maximale bedrag van de belastingvrije schenking voor een koopwoning tot 1 december van dit jaar «eenvoudig» aangepast kan worden naar nul euro,één euro of een ander symbolisch laag bedrag, zodat de Jubelton vanaf 2023 de facto op nihil staat?
Het is automatiseringstechnisch mogelijk om de schenkingsvrijstelling voor de eigen woning voor schenkingen van ouders aan kinderen te verlagen tot één euro of een ander bedrag, maar niet tot 0 euro. Een verlaging tot 0 euro betekent namelijk de facto een afschaffing en daarvoor is een structuuraanpassing nodig.
Bij verlaging van de vrijstelling EW tot € 1 zou deze lager zijn dan de eenmalige verhoogde vrijstelling voor schenkingen van ouders aan kinderen zonder bestedingsvoorwaarden van € 27.231. Te verwachten is dat dit tot vragen en verwarring gaat leiden: het doel schenking voor de eigen woning wordt herkend in de aangifte waarna bij aanvinken alles boven € 1 wordt belast. Elders in het aangifteformulier kan in de ouder-kindrelatie zonder bestedingsvoorwaarde aanspraak worden gemaakt op een bedrag van € 27.231. Dit komt de begrijpelijkheid voor de burger niet ten goede.
Bijkomend risico is druk op de uitvoering als gevolg van vragen over de uitwerking van de regeling en noodzakelijk herstel waar verkeerde keuzes gemaakt blijken te zijn. Vanuit dat perspectief is het het meest logisch bij een eventuele verlaging van de vrijstelling EW een bedrag van € 27.231 als ondergrens te hanteren.
De schenkingsvrijstelling EW is niet alleen van toepassing op schenkingen in ouder-kindrelaties, maar ook op schenkingen tussen derden. In beide situaties bedraagt de vrijstelling naar de huidige stand maximaal € 106.671. Dit bedrag is voor beide situaties als één parameter in de systemen geprogrammeerd. Als gevolg daarvan moet bij verlaging voor beide situaties opnieuw eenzelfde maximumbedrag gelden.
Erkent u daarmee dat het op nihil stellen van de Jubelton feitelijk al eerder mogelijk is dan per 2024? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
Waarom kiest u er, als u de Jubelton wilt afschaffen om de groeiende ongelijkheid in de volkshuisvesting tegen te gaan, niet voor dit de facto al per 1 januari 2023 te doen door voor 1 december 2022 het heffingsvrije bedrag op nihil te zetten?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
Bent u het ermee eens dat u zo nog onnodig een jaar extra bijdraagt aan grotere ongelijkheid op de woningmarkt?
Uit de evaluatie van de verruimde schenkingsvrijstelling eigen woning door SEO2 komt ook onder meer naar voren dat de financiële uitgangspositie van huishoudens die een schenking ontvangen relatief gunstig is ten opzichte van huishoudens zonder schenking. Dit vergroot de vermogensongelijkheid binnen generaties. Uit de evaluatie blijkt ook dat starters op de woningmarkt de schenking deels gebruiken om minder te lenen dan op basis van hun inkomen had gekund, maar ook om een duurdere woning te kopen dan starters zonder schenking. Dit kan ten koste gaan van andere starters die om dezelfde starterswoningen concurreren en draagt daarmee bij aan de ongelijkheid op de woningmarkt.
Bent u alsnog bereid de Jubelton per 2023 op nihil te stellen? Waarom wel, dan wel waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
Klopt het dat op het moment dat de Jubelton per 1 januari 2024 wordt afgeschaft ontvangers van de belastingvrije schenking dit geld nog tot 1 januari 2027 belastingvrij voor de koop van een woning kunnen aanwenden? Wat doet dit volgens u met de ongelijkheid in de volkshuisvesting?
Dit hangt af van de precieze vormgeving van de wetgeving inzake de afschaffing van de vrijstelling eigen woning die deel zal uitmaken van het Belastingplan 2023.
Uit het onderzoek van SEO blijkt dat de financiële uitgangspositie van huishoudens die een schenking ontvangen relatief gunstig is ten opzichte van huishoudens zonder schenking, en dat starters op de woningmarkt de schenking deels gebruiken om minder te lenen dan op basis van hun inkomen had gekund, maar ook om een duurdere woning te kopen dan starters zonder schenking. Dit kan ten koste gaan van andere starters die om dezelfde starterswoningen concurreren en draagt daarmee bij aan de ongelijkheid op de woningmarkt. Afschaffen van de schenkingsvrijstelling verkleint zodoende de ongelijkheid. Dit effect zal gradueler optreden naarmate de wijze waarop afschaffing wordt vormgegeven per saldo meer ruimte laat voor schenkingen.
Hoe kan het, dat in antwoord op feitelijke vragen die afgelopen Prinsjesdag werden gesteld, werd aangegeven dat «afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning [...] op zijn vroegst mogelijk [is] per 2023», terwijl ook ten tijde dat dit antwoord werd gegeven al bekend was dat in 2022 de afronding plaats zou vinden van het sinds 1 juli 2021 in werking getreden nieuwe systeem voor schenk- en erfbelasting? Wat is er sinds dit kleine half jaar veranderd dat het nu pas sinds 2024 zou kunnen?
Voorstellen voor aanpassing van wet- en regelgeving die aanpassingen in de systemen van de Belastingdienst vergen, moeten worden ingepast in het IV-portfolio van de Belastingdienst. Dat is het totaal van werkzaamheden dat aan de systemen moet worden uitgevoerd: beheer en onderhoud, modernisering en vernieuwing, en wetgeving en jaaraanpassingen. In de praktijk is de vraag daarbij groter dan met de beschikbare capaciteit realiseerbaar is, zodat voortdurend keuzes moeten worden gemaakt. In het najaar kunnen daarbij nieuwe voorstellen opkomen vanuit (onder meer) het pakket Belastingplan, terwijl ook de vraag naar en verdeling van portfoliocapaciteit doorlopend in beweging is. In dat traject probeert de Belastingdienst binnen de mogelijkheden rekening te houden met nog opkomende wetgevingswensen.
Specifiek voor wetgeving waarvoor structuuraanpassingen nodig zijn in de systemen voor de schenk- en erfbelasting geldt daarbij dat de specificaties uiterlijk op 1 maart van jaar t-1 moeten vaststaan voor inwerkingtreding per 1 januari van jaar t. De lopende systeemvernieuwing kan daarbij nog van invloed zijn op de werkelijke doorlooptijd van gewenste wijzigingen.3 De specificaties zijn de ICT-technische uitwerking van de (aanpassing van) wet- en regelgeving die in de systemen moet worden verwerkt. Voorgestelde maatregelen moeten worden beoordeeld op inpasbaarheid met andere aanpassingen die in de systemen moeten worden doorgevoerd.4
Bij de beantwoording van de feitelijke vragen van afgelopen Prinsjesdag was de inschatting dat de noodzakelijke werkzaamheden voor afschaffing van de schenkingsvrijstelling eigen woning nog konden worden ingepast in het portfolio van 2022 met een inwerkingtredingsdatum 1 januari 2023. Dit was gebaseerd op de stand van de portfoliobesluitvorming van dat moment en een eerder gemaakte eerste inschatting van de impact van het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning op de systemen. De woorden «op zijn vroegst» brachten tot uitdrukking dat dit een voorlopig oordeel was: er was geen wetsvoorstel en er was dus ook geen afgeronde uitvoeringstoets.
Ook toen vraag en aanbod voor aanpassingen aan de systemen later in het najaar van 2021 verder op elkaar moesten worden gepast, maakte het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning geen onderdeel uit van het pakket Belastingplan 2022. Bij de toedeling en verdeling van portfoliocapaciteit is gestuurd op een effectieve inzet op het aanbod van projecten in het portfolio met voor de schenk- en erfbelasting de afronding van de overgang naar het nieuwe systeem als belangrijke prioriteit. Het venster voor het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning sloot verder met het ontbreken van wetgeving per 1 januari 2022.
Het afschaffen van de schenkingsvrijstelling eigen woning wordt in wetgeving uitgewerkt en door de Belastingdienst met een uitvoeringstoets beoordeeld. Bij de portfolioplanning voor 2023 wordt er nu reeds van uitgegaan dat het voorstel eind dit jaar in het Staatsblad zal staan, met inwerkingtredingsmoment 1 januari 2024.
Kunt u deze vragen binnen drie weken beantwoorden?
Beantwoording binnen drie weken is helaas niet gelukt.
Risicoselectie op basis van uiterlijk voorkomen |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de brief van de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst van 25 januari jl. over twee PwC-onderzoeken inzake de FSV-lijst (ook wel: de zwarte lijst) van de Belastingdienst?1
Dat zijn wij.
Klopt het dat PwC communicatie heeft aangetroffen binnen en met de Belastingdienst waarin risico’s op fraude werd gebaseerd op persoonskenmerken, zoals nationaliteit en uiterlijk voorkomen?
Op 25 januari 2022 heeft de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst het rapport van PwC over de effecten van FSV-registraties gemaakt door de directie Particulieren met uw Kamer gedeeld2. Hierin constateert PwC dat het voorbeelden heeft aangetroffen in communicatie over de signalering van risico’s waarbij het risico werd gebaseerd op zulke persoonskenmerken. De Staatssecretaris heeft PwC om toelichting bij de gedane constatering gevraagd. Op 10 februari 20223 heeft hij de reactie van PwC met uw Kamer gedeeld. PwC schrijft dat de voorbeelden die het heeft aangetroffen voor het merendeel analyses betreffen waarbij (tweede) nationaliteit een criterium was. Verder zijn er voorbeelden van individuele gevallen waarin door expliciete referenties volgens PwC de indruk wordt gewekt dat nationaliteit, herkomst, of uiterlijk voorkomen een risicosignaleringsfactor is geweest.
Welke soorten van uiterlijk voorkomen wordt hier bedoeld? Kunt u een uitputtende lijst hiervan aan de Kamer aanleveren?
De Belastingdienst heeft op 8 februari 2022 de aangetroffen communicatie ontvangen, die uw Kamer als bijlage treft. In de begeleidende brief bij deze vragen is ingegaan op de voorbeelden. Hieronder bevindt zich ook een email uit 2016 waarin naar uiterlijk voorkomen werd verwezen: een medewerker schreef dat hij een «opvallende» auto had gezien met daarin «een aantal opvallende personen» die «nogal showend» op en neer reden. Uit de met de Belastingdienst gedeelde documentatie blijken verder geen verwijzingen naar uiterlijk als zodanig, maar wel naar migratieachtergrond of buitenlandse afkomst.
Valt onder uiterlijk voorkomen ook huidskleur, geslacht, religieuze kenmerken, een bepaalde haardracht, het dragen van een baard, een bepaald soort kleding en/of het dragen van een hoofddoek? Kunt u dit uitsluiten?
De Belastingdienst heeft op 8 februari 2022 de aangetroffen communicatie ontvangen, die uw Kamer in de bijlage treft. Huidskleur, haardracht, baarddracht, kledij of hoofddoek komen er niet in voor. In een handleiding uit 2016 en een memo uit 2017 worden specifiek giften aan respectievelijk moskeeën en kerkelijke instellingen genoemd. Deze voorbeelden lijken voort te zijn gekomen uit een onderzoek uit 2015 naar grootschalige fraude waarbij vervalste kwitanties werden opgevoerd om gefingeerde giften aan Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) af te trekken. Mijn voorganger heeft uw Kamer op 15 november 20194 citaten uit het betreffende onderzoek gegeven. In één voorbeeld wordt naar geslacht verwezen (man). Het gaat om een daderprofiel uit een presentatie.
Op basis van welk protocol en/of werkinstructie werden deze selecties uitgevoerd?
Onder de door PwC aangetroffen documenten bevinden zich drie documenten uit 2008 en 2009 van regionale kantoren over beleid rondom startende ondernemers, waarin herkomst/buitenland als factor wordt genoemd. In de handleidingen voor het proces «analyse aan de Poort» van 2016 en 2018 wordt nationaliteit of afkomst genoemd in combinatie met aftrek van giften of opvallend patroon van hoge medicijnkosten.
Tot welk leidinggevend niveau was men hiervan op de hoogte?
De Belastingdienst heeft op 8 februari 2022 de aangetroffen communicatie ontvangen, die uw Kamer als bijlage treft. Op basis van dit document is niet direct te herleiden in welke context de bestanden gemaakt en gebruikt zijn, waardoor nog niet kon worden herleid welke personen destijds van welk voorbeeld op de hoogte waren. In veel gevallen is dit ook niet te achterhalen, onder andere omdat bij sommige applicaties of schijven niet gelogd wordt wie ze heeft ingezien.
Op basis van welke andere persoonskenmerken werd er nog meer geselecteerd, afgezien van nationaliteit en uiterlijk voorkomen? Kunt u hiervan een uitputtende lijst gegeven?
Zoals vermeld onder antwoord 4 wordt in een daderprofiel uit een presentatie naar het mannelijk geslacht verwezen. Hierin wordt ook leeftijd (18–35 jaar) genoemd. Of hierop daadwerkelijk is geselecteerd valt niet uit het document af te leiden. In een analyse uit het jaar 2015 wordt geboortedatum (1-1-1960) genoemd en in een startersbeleidsdocument wordt een generatieverschil in belastingaangiftebereidheid beschreven. In één handleiding voor het proces «analyse aan de Poort» wordt onder verwijzing naar mogelijke intoetsfouten onderscheid gemaakt tussen «bejaarden» en jongeren, aan wie betere PC-deskundigheid wordt toegeschreven. In deze handleiding worden tevens achternamen eindigend op -ic genoemd in combinatie met hoge medicijnkosten als voorbeeld van een opvallend uitgavenpatroon. Of hier daadwerkelijk op is geselecteerd valt uit het bestand niet af te leiden.
Enkele eerder aangekondigde onderzoeken kunnen helpen om het reeds ontstane beeld te verscherpen. Zoals op 16 december 20215 aangegeven doet PwC momenteel nog onderzoek naar de gevolgen van FSV-registraties bij de directie MKB en naar de gebruikte «query’s aan de poort». Op basis van een enigszins bijgestelde planning is de verwachting nu dat beide rapporten in maart met uw Kamer gedeeld kunnen worden.
Kunt u uitsluiten dat hierbij ook op basis van onderbuikgevoelens is geselecteerd?
Helaas valt nooit uit te sluiten dat in individuele gevallen medewerkers subjectieve overwegingen een rol hebben laten spelen. Wij zijn er echter van overtuigd dat de overgrote meerderheid van de medewerkers van de Belastingdienst werkt op basis van professionele, objectieve inschattingen en dat zij beoordelingen op basis van uiterlijk net zo afkeuren als uw Kamer en wij. Onder antwoord 10 gaan wij in op de versterking van de waarborgen in de risicoselectie.
Klopt het dat het gevolg van selectie kon en kan zijn dat iemand strenger dan anderen wordt gecontroleerd die niet deze persoonskenmerken heeft?
Op 10 februari 20226 heeft de Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdienst een brief van PwC met uw Kamer gedeeld met toelichting op de bevindingen uit het rapport. De onderzoekers schrijven dat zij de consequenties voor de betrokken burgers niet hebben kunnen onderzoeken. Zo hebben ze geen onderzoek gedaan naar de mate waarin de aangetroffen communicatie de selectie en beoordeling daadwerkelijk heeft beïnvloed. Het onder antwoord 7 genoemde onderzoek naar query’s aan de poort kan hier hopelijk meer over duidelijkheid verschaffen.
Deelt u de mening dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1 van de Grondwet en de Wet gelijke behandeling? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u doen om deze verwerpelijke en discriminerende selectiemethodes zo spoedig mogelijk definitief buiten werking te stellen?
Het gebruik van een (risico)methode door de overheid mag nooit in strijd zijn met het in de Grondwet en mensenrechtenverdragen neergelegde discriminatieverbod.
Artikel 1 van de Grondwet verbiedt discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook. Niet elk verschil in behandeling is discriminatie. In sommige gevallen kan onderscheid toch gerechtvaardigd zijn. Deze objectieve rechtvaardiging moet echter wel voldoen aan een strenge toets. Aan het onderscheid moet een legitieme doelstelling ten grondslag liggen, het onderscheid moet proportioneel zijn en er moeten geen minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om hetzelfde doel te bereiken. Rechtvaardiging is dus niet de norm, maar uitzondering in een specifieke situatie waarin voldaan is aan alle genoemde eisen. De Algemene wet gelijke behandeling schrijft een vergelijkbaar toetsingskader voor, en hoewel deze wet specifiek ziet op situaties als het aanbieden van werk, huisvesting, goederen en diensten, spant het kabinet zich tot het uiterste in om iedere vorm van discriminatie in de heffing van belastingen te voorkomen.
Bij brief van 14 december 20217 is uw Kamer geïnformeerd over het mensenrechtelijke toetsingskader «discriminatie door risicoprofielen» van het College voor de Rechten van de Mens (het College). In haar reactie op dit toetsingskader heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onder andere mede namens de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, ten aanzien van afkomstgerelateerde kenmerken aangegeven dat onderscheid op deze grond niet, of slechts in uitzonderlijke situaties, gebruikt mag worden en alleen als er zeer zwaarwegende redenen ter rechtvaardiging van het onderscheid zijn. Voor zover risicoselectie naar uiterlijk voorkomen betrekking heeft op afkomstgerelateerde kenmerken, zoals een niet-westers voorkomen van de betrokkene, geldt dus dat dit alleen in zeer uitzonderlijke gevallen is toegestaan.
Het voorkomen en bestrijden van discriminatie is prioriteit voor het kabinet. Er zijn belangrijke stappen gezet sinds het verschijnen van het rapport Ongekend onrecht over de fraudeaanpak toeslagen. Voor het definitief buiten werking stellen van discriminatoire risico(selectie)modellen en -methoden is het kabinet bezig met de uitvoering van twee moties die hier aan raken: de moties van het lid Marijnissen c.s. en van het lid Klaver c.s.8. Deze moties gaan over het inventariseren waar (persoons)gegevens in risico(selectie)modellen worden gebruikt die gerelateerd zijn aan iemands afkomst. Als een overheidsinstelling die gegevens onrechtmatig en oneigenlijk gebruikt, wordt dat beëindigd en de zogenaamde «vervuilde data» opgeruimd. Het toetsingskader van het College zal worden betrokken bij de nog lopende inventarisatie en toetsing bij uitvoeringsorganisaties. In eerder genoemde brief van 14 december 20219 is naast bovengenoemde inventarisatie ook aandacht voor de stappen die zijn gezet om etnisch profileren in risicoprofielen te voorkomen en het belang zicht te houden op het burgerperspectief.
Op 10 februari 202210 heeft de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst een brief van PwC met uw Kamer gedeeld met toelichting op de bevindingen uit het rapport. De onderzoekers schrijven dat zij de consequenties voor de betrokken burgers niet hebben kunnen onderzoeken. Zo hebben ze geen onderzoek gedaan naar de mate waarin de aangetroffen communicatie de selectie en beoordeling daadwerkelijk heeft beïnvloed.
De Belastingdienst heeft verschillende stappen gezet om discriminatie in de risicoselectie te voorkomen. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft in november 201911 besloten dat, bovenop de eisen uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), nationaliteit alleen gebruikt mag worden in de handhaving als daarvoor een expliciete wettelijke grondslag bestaat. De Belastingdienst is daarop een inventarisatie van meer dan negenhonderd applicaties en meer dan tweehonderd door medewerkers aangeleverde bestanden gestart. Met de eerstvolgende kwartaalrapportage Herstellen, Verbeteren, Borgen (HVB) wordt uw Kamer hierover verder geïnformeerd. Daarnaast werkt de Belastingdienst samen met Toeslagen en de Douane aan een nieuw waarborgenkader, waarmee de rechtmatigheid en de transparantie van selectie-instrumenten (beter) gegarandeerd kan worden. De verwachting is dat dit kader in het eerste kwartaal van dit jaar vastgesteld kan worden. Op 31 maart 202112 hebben de Staatssecretarissen van Financiën uw Kamer geïnformeerd over de versterkte waarborgen rondom het proces «analyse aan de Poort». Intensief toezicht op aangiften die in dit proces geselecteerd zijn is stilgezet en wordt pas hervat indien uit de gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) op het proces blijkt dat de privacy voldoende gewaarborgd is. Daarnaast kunnen vragen en dilemma’s over data-analyse, risicomodellen, algoritmen en kunstmatige intelligentie in de toekomst ook voorgelegd worden aan Adviescommissie Analytics13. Tot slot is per 1 februari jl. de inspecteur-generaal van de nieuwe Inspectie belastingen, toeslagen en douane begonnen. De inspecteur-generaal toetst of de overheid mensen en bedrijven rechtvaardig behandelt wanneer zij te maken hebben met belastingzaken, toeslagen of de douane.
Op welke plekken binnen de overheid, zijn uitvoeringsorganisaties, dan wel door de overheid gesubsidieerde organisaties, dan wel al dan niet via aanbesteding met overheidsgeld werkende organisaties werd of wordt de genoemde methode van risicoselectie gehanteerd?
Begin dit jaar is uw Kamer per brief geïnformeerd door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de plannen van aanpak en planningen voor de uitvoering van eerdergenoemde moties Marijnissen c.s. en Klaver c.s.14. De plannen van aanpak van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Economische Zaken en Klimaat en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Justitie en Veiligheid, Infrastructuur en Waterstaat, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volksgezondheid, Welzijn en Sport geven uw Kamer een realistisch beeld van de omvang, complexiteit en reikwijdte van de uitvoering, en de termijn waarop uw Kamer de resultaten kan verwachten.
Deze ministeries zullen gezamenlijk de komende periode hun onderzoeken die zij vorig jaar zijn gestart onverminderd voortzetten, met als doel uw Kamer in 2022 volledig te informeren over waar in de organisatie eventuele onrechtmatigheden met gebruikte persoonskenmerken zijn aangetroffen.
Kunt u hiervan een uitputtende lijst aan de Kamer sturen?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u de daarbij gebruikte persoonskenmerken uitsplitsen per organisatie?
Zie antwoord vraag 11.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Het is helaas niet mogelijk gebleken de vragen binnen de door het lid gestelde termijn te beantwoorden.
De aanvankelijke goedkeuring voor het aanblijven van de demissionair minister Infrastructuur en Waterstaat terwijl zij een lobbyfunctie voor de energiesector had aanvaard |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe u tot de «nadere politieke duiding» kwam dat Minister van Nieuwenhuizen niet aan kon blijven als Minister tot het einde van de bewindsperiode, nadat zij een lobbyfunctie had aanvaard?1 2
Zoals ik reeds uiteen heb gezet in antwoord op de Kamervragen van de leden Arib en De Hoop (beiden PvdA) en de leden Marijnissen en Leijten (beiden SP), heeft voormalig Minister van Nieuwenhuizen mij op 23 juli 2021 ingelicht dat zij een nieuwe functie zou bekleden. Op 28 juli 2021 heeft zij in aanloop naar haar benoeming een verklaring geaccordeerd waarin zij de secretaris-generaal van het Ministerie van I&W vraagt haar vanaf dat moment te attenderen op aangelegenheden die tot haar taak behoren en mogelijk direct of indirect kunnen raken aan een nieuwe functie, waarvoor zij benoeming verwacht in september 2021 en die zij na afloop van deze kabinetsperiode zou willen vervullen. Indien er raakvlakken zouden zijn met haar functie als Minister, zou zij de Minister van EZK vragen deze aangelegenheden af te doen. Deze afspraak is gemaakt om elke schijn of potentiële schijn van belangenverstrengeling te vermijden. Op 26 augustus 2021 ben ik na nadere politieke weging tot het inzicht gekomen dat de benoeming niet goed samen gaat met het ambt van bewindspersoon. Dit betreft een weging van alle omstandigheden van het geval. Mevrouw van Nieuwenhuizen is op 31 augustus 2021 door de algemene ledenvergadering van de Vereniging Energie-Nederland benoemd in haar nieuwe functie. Per diezelfde datum is haar tevens ontslag verleend.
Kunt u aangeven met wie u heeft gesproken om tot deze «nadere politieke duiding» te komen?
In zijn algemeenheid word ik bij mijn werkzaamheden ondersteund door ambtenaren van het Ministerie van Algemene Zaken. Uiteindelijk ben ik als Minister-President aanspreekbaar op de genomen besluiten en onderliggende afwegingen.
Kunt u aangeven waar deze «nadere politieke duiding» precies uit bestond, naast de eindconclusie dat de Minister niet aan kon blijven en welke (politieke) overwegingen lagen daar aan ten grondslag?
Zie het antwoord op vraag 1.
Kunt u eventuele notities of memo’s over de positie van de Minister die hebben bijgedragen tot de «nadere politieke duiding» naar de Kamer sturen?
Er zijn hierover geen notities of memo’s opgesteld.
Kunt u aangeven met welke functionarissen u dit soort kwesties bespreekt op uw ministerie of in uw politieke omgeving?
Zie het antwoord op vraag 2.
Staat u nog altijd achter de uitspraak dat niemand van het demissionaire kabinet – buiten uzelf en de demissionair Minister – wist van de toekomstige lobbyfunctie, zoals u suggereerde tijdens de begrotingsbehandeling van Algemene Zaken 2022?3
Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik in reactie op een specifieke vraag van het lid Leijten gezegd dat er niet is gesproken over het vertrek van Minister van Nieuwenhuizen in de ministerraad.
Erkent u dat het ondertekenen van de brief dat de voormalig Minister zou kunnen aanblijven tot het einde van de demissionaire fase van het kabinet, maakt dat meerdere mensen op de hoogte moeten zijn geweest van uw standpunt dat er geen schijn van belangenverstrengeling bestond of dat er sprake was van een mogelijke integriteitsschending en kunt u aangeven wie welke functionarissen wisten van de ondertekende brief?
Het is mij niet bekend op welke brief u doelt. Ik heb geen brief ondertekend dat de voormalig Minister zou kunnen aanblijven tot het einde van de demissionaire fase van het kabinet. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Bent u het ermee eens dat het aanblijven van een Minister die al een lobbyfunctie heeft aanvaard en die desondanks bij geheime ministerraden over rijksbegrotingen aanwezig is vanuit het oogpunt van (de schijn van) belangenverstrengeling moreel onjuist is? Zo nee, waarom kon zij deze functies dan toch niet verenigen?
Zoals ik in het debat in de Tweede Kamer over de begroting van Algemene Zaken en de Koning heb gezegd is er geen sprake van een integriteitskwestie. Zie verder over de feitelijke gang van zaken het antwoord op vraag 1.
Kunt u zich voorstellen dat het aanblijven van een Minister die al een lobbyfunctie heeft aanvaard en die desondanks bij geheime ministerraden over rijksbegrotingen aanwezig is het vertrouwen van mensen in de integriteit van het openbaar bestuur aantast? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u uitleggen hoe de verwijzing naar de niet-bindendheid van «het Blauwe Boek» en het niet naleven van afspraken die tot doel hebben de integriteit van het ambt van Minister te beschermen («Dat is helemaal niet verboden, want het Blauwe Boek is, zoals iemand net naar voren bracht, inderdaad een dringend verzoek en niet een harde wetmatigheid.») te rijmen is met uw dringende adviezen op bijvoorbeeld het naleven van coronaregels?
Er is geen relatie tussen de adviezen die met het oog op het bestrijden van het coronavirus worden gegeven en het Blauwe Boek.
Erkent u dat het niet handhaven van integriteitsregels – omdat ze «niet een harde wetmatigheid» zijn – ondermijnend werkt en het vertrouwen in de overheid schaadt? Zo nee, waarom niet?
Het is allereerst aan de betrokken oud-bewindspersoon zelf om op integere wijze vorm te geven aan een vervolgfunctie, binnen de grenzen van het recht, zoals de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties uiteen heeft gezet in haar brief van 29 november 2021. In de brief van 29 november 2021 van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Eén daarvan is het verbrede lobbyverbod, dat per direct inging. Voor de andere maatregelen (draaideurverbod en een afkoelperiode van 2 jaar met verplichte advisering door een onafhankelijke commissie) is eerst wetgeving nodig. De voorbereiding daarvan is ter hand genomen. De verwachting is dat de Tweede Kamer eind 2022 het wetsvoorstel tegemoet kan zien.
Op welke wijze bent u voornemens in de toekomst om te gaan met solliciterende bewindspersonen en bewindspersonen die denken aan te kunnen blijven ook al is er al een nieuwe -conflicterende- functie aanvaard? Kunt u uw antwoord toelichten?
Voor de toekomst zou ik een bewindspersoon in een dergelijke situatie eerder adviseren om onmiddellijk af te treden. In de brief van 29 november 2021 van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Zie tevens het antwoord op vraag 11.
Acht u het verstandig om in toekomstige situaties niet zelfstandig dit soort goedkeuringen te verlenen maar hierbij altijd in overeenstemming op te treden met bijvoorbeeld de Minister van Binnenlandse Zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet aan de Minister-President, noch aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om al dan niet goedkeuring te verlenen voor het aanvaarden van een vervolgfunctie door een Minister of het aanblijven van een Minister nadien. In de brief van 29 november 2021 van de toenmalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn drie nieuwe maatregelen aangekondigd ten aanzien van het integriteitsbeleid voor gewezen bewindspersonen. Zie tevens het antwoord op vraag 11.
Ziet u in dat als een dergelijke (soortgelijke) casus zich voordoet u direct de afweging moet maken dat het onhoudbaar is dat betreffende Minister aanblijft? Zo ja, waardoor?
Zie het antwoord op vraag 12.
Het bericht ‘De digitale knokploeg van Forum voor Democratie’ |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De digitale knokploeg van Forum voor Democratie»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het, dat aanhangers van Forum voor Democratie via de chatapp Telegram bedreigingen uiten richting politieke tegenstanders en adresgegevens delen?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om mij uit te spreken over dit specifieke geval. Het vaststellen of sprake is van strafbare gedragingen en het daarbij behorende feitencomplex is immers voorbehouden aan de rechter.
In algemene zin geldt dat het uiten van bedreigingen richting anderen die een andere (politieke) mening zijn toegedaan onacceptabel is in een democratische rechtsstaat, en daarom ook strafbaar is gesteld. Het delen van adresgegevens voor intimiderende doeleinden, ook wel «doxing» genoemd, is een betrekkelijk nieuw fenomeen, waarvoor een strafbaarstelling in voorbereiding is (zie ook de beantwoording van vraag2 omdat ook dit niet past in een democratische samenleving als de onze.
Klopt het, dat enkele prominente leden en politici van Forum voor Democratie zichtbaar actief zijn in de chatgroep «FvD Geluiden»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, dat de bedoelde acties van FvD(’ers) «levensgevaarlijk en ondermijnend voor onze democratische rechtstaat» zijn?
Het uiten van bedreigingen richting politici, bestuurders en ambtenaren en het ondermijnen van democratische instituties door het verspreiden van desinformatie en het aanwakkeren van sentimenten die de fundamentele rol van democratische instituties, de overheid, de journalistiek, het onderwijs, de zorg en de wetenschap in onze samenleving ter discussie stellen zijn volstrekt onacceptabel, zorgelijk en ontwrichtend. Door in te zetten op preventie, signalering, normering, opsporing, vervolging en stevig te straffen waar de grens van het betamelijke wordt overschreden pakken we dit aan. Dit vraagt om een weerbare samenleving. Dat begint op scholen, op de voetbalclub, in het dorpshuis en in het gezin. Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt daarbij ingezet op normeren, reguleren en handhaven, zowel fysiek als online. Dat doen we zoveel mogelijk gezamenlijk met burgers en ondernemers: de bescherming van onze democratische rechtsstaat is een actieve opdracht aan ons allen.
Welke mogelijkheden heeft de politie om dit soort groepen te observeren en hierop actie te ondernemen?
De mogelijkheden die de politie heeft om online groepen te observeren waarbij een vermoeden bestaat dat sprake is van handelingen of uitingen die mogelijk strafbaar zijn, zijn afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Op grond van de algemene taakstellende bepalingen (art. 3 Politiewet en art. 141 Wetboek van Strafvordering (Sv)) kunnen opsporingsambtenaren zonder nadere uitdrukkelijke wettelijke grondslag in de digitale wereld kennisnemen van voor een ieder raadpleegbare informatie, dus ook van berichtenwisseling in publiek toegankelijke groepen. Ook kunnen opsporingsambtenaren, in geval van verdenking van een strafbaar feit, op basis van de algemene taakstellende bepalingen tot op zekere hoogte persoonsgegevens overnemen die kunnen worden verkregen uit publiek toegankelijke bronnen. Dit is in de rechtspraak bevestigd (zie ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0684). Dit kan zolang de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die daarmee wordt gemaakt, beperkt is.
Zodra met het overnemen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van betrokkene ontstaat, is een uitdrukkelijke wettelijke grondslag vereist. Daar ligt het ingewikkelder, omdat de huidige bijzondere opsporingsbevoegdheden met betrekking tot stelselmatige observatie (126g Sv) en stelselmatige informatie-inwinning (126j Sv) niet op deze situatie zijn toegesneden. Stelselmatige observatie houdt in het waarnemen van de aanwezigheid of het gedrag van een persoon. Hoewel publiek toegankelijke bronnen indicaties kunnen bevatten voor de aanwezigheid of het gedrag van een persoon (bijvoorbeeld met foto’s of berichten op sociale media), neemt de opsporingsambtenaar niet zelf het gedrag of de aanwezigheid van de persoon waar.
In het kader van het moderniseren van het Wetboek van Strafvordering wordt een bepaling geïntroduceerd die hierop beter is toegesneden, namelijk de bevoegdheid van het stelselmatig overnemen persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Binnenkort ontvang ik het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel.
Wat betreft online besloten groepen biedt het (huidige) Wetboek van Strafvordering in onder meer artikel 126j de wettelijke basis om, bij voldoende signalen dat sprake is van (de dreiging van) strafbare feiten, opsporingsonderzoek te doen naar die groepen. Het is daarom belangrijk dat burgers signalen over online groepen die strafbare feiten plegen of beramen met de politie delen. Verder verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 6.
Treden beheerders en/of providers en/of socialemediaplatforms hier ook daadwerkelijk tegen op c.q. kunnen die hierop worden aangesproken hun verantwoordelijkheid te nemen voor het feit dat politici op de Telegramgroep «FvD Geluiden» met de dood worden bedreigd?
Veel online platformen treden op grond van hun gebruikersvoorwaarden op tegen de verspreiding van illegale inhoud via hun diensten, en geven op hun platform geen ruimte aan handelingen die als strafbaar of onrechtmatig kunnen worden geclassificeerd, zoals bedreigingen. Zowel in nationaal als in Europees verband bestaan er gedragscodes waarbij platformen en andere internet tussenpersonen zich aan kunnen sluiten. Op grond van de bestaande richtlijn inzake elektronische handel, en de aanstaande herziening daarvan via de Digital Services Act, zijn platformen verplicht om actie te ondernemen wanneer zij kennis hebben van illegale inhoud in die openbare groepen. Die kennis kan bijvoorbeeld ontstaan door eigen onderzoek, of wanneer platformen een melding van illegale inhoud krijgen van een gebruiker, toezichthouder, of opsporingsinstantie.
Telegram is primair een interpersoonlijke communicatiedienst en geen platform; het bedrijf is op dit moment niet aangesloten bij een Europese of nationale gedragscode. De uitdagingen rond de rechtmatige toegang tot dit soort diensten is eerder met uw Kamer gedeeld.3 Tegelijkertijd biedt Telegram ook ondersteuning van openbare groepen die onderling berichten uit kunnen wisselen. Ten aanzien van deze dienst lijkt Telegram wèl aanspreekbaar als platform, en valt het onder de verplichtingen in het kader van de DSA.
Op welke wijze worden ondernemers gesteund die worden bedreigd als gevolg van berichten op «FvD Geluiden»?
Indien ondernemers slachtoffer zijn van bedreiging, dan kunnen zij daarvan aangifte of melding doen bij de politie. Bij de individuele beoordeling van de aangifte of de melding, wordt tevens beoordeeld of er sprake is van kwetsbaarheden die tot aanvullende beschermingsmaatregelen nopen.
Welke maatregelen neemt u om verspreiding van adressen van politici met foute bedoelingen tegen te gaan? Wanneer kan de Kamer het wetsvoorstel «doxing» tegemoet zien?
Met het Wetsvoorstel strafbaarstelling gebruik persoonsgegevens voor intimiderende doeleinden, ook wel aangeduid als «doxing» geeft het kabinet invulling aan het voornemen om stelling te nemen tegen de verspreiding van adressen met het doel om anderen vrees aan te jagen of te intimideren. Dit wetsvoorstel wordt binnenkort ter beoordeling aangeboden bij de Raad van State.
Hoe beoordeelt u de verhouding tussen de Telegramgroep en de partijtop van Forum voor Democratie?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om mij daarover uit te spreken.
Op welke wijze wordt in andere landen opgetreden tegen het gebruik van Telegram door criminelen en extremisten?
Met mijn collega’s in diverse andere EU-landen deel ik de zorgen over het gebruik van Telegram en andere online-diensten voor het verspreiden van extremistische uitingen. Recent (d.d. 12 januari 2022) heeft de Minister van Binnenlandse Zaken van Duitsland een discussie aangezwengeld over het verbieden van Telegram. Voor mij is een dergelijk verbod – in ieder geval op dit moment – een stap te ver.
Optreden tegen IT-bedrijven als Telegram heeft vooral zin in Europees verband. Zo kunnen op Europees niveau bepaalde diensten onder de werking van de Verordening Terroristische Online Inhoud worden gebracht die regels stelt om verspreiding van terroristische content tegen te gaan door onder andere het uitvaardigen van verwijderbevelen. Ook biedt het EU-internetforum, waarin ook Telegram participeert, een podium om in gesprek te komen. Binnen het EU-internetforum werken de Europese Commissie, EU-lidstaten en internetbedrijven vrijwillig samen om de verspreiding van onder meer extremistische en terroristische content op internet tegen te gaan.
Het rapport van de Europese Rekenkamer over de ineffectiviteit van Europese bestedingen richting de Balkan betreffende de rechtsstaat |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer over de effectiviteit van Europese middelen richting kandidaat-lidstaten betreffende de rechtsstaat?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusie dat de zevenhonderd miljoen euro die vanuit de Europese Unie aan deze landen is gespendeerd voor de rechtsstaat, amper effect heeft gehad?
De bevindingen van de Europese Rekenkamer (ERK) zijn zorgwekkend. Het kabinet is van mening dat een goed functionerende rechtsstaat essentieel is voor welvaart en stabiliteit op lange termijn. De aanbevelingen van de ERK adresseren de belangrijkste tekortkomingen t.a.v. de huidige inzet en sluiten goed aan bij de reeds bestaande Nederlandse inzet op het versterken van de rechtsstaat in kandidaat-lidstaten, met aandacht voor de rol van maatschappelijk middenveld en media en gebruikmakend van conditionaliteit. Het kabinet neemt de conclusies en aanbevelingen van de ERK zeer serieus en zal hier actief gebruik van maken bij de huidige en toekomstige EU- en bilaterale inzet op rechtsstaatshervormingen in de Westelijke Balkan.
Hoe leest u de kritiek dat vooral de risico’s op een duurzame verbetering van de rechtsstaat niet zijn uitgebannen?
In het ERK-rapport wordt geconcludeerd dat de meeste projecten uitgevoerd i.h.k.v. het Instrument voor Pretoetredingssteun (IPA) zich primair richten op operationele zaken. Trainingen, nieuwe reglementen en betere coördinatie hebben de justitiële efficiëntie en corruptiebestrijding wel degelijk op onderdelen verbeterd, zoals ook door de Nederlandse ambassades ter plaatse en het Nederlandse rechtsstatelijkheidsnetwerk wordt gemeld. Dit alles leidt echter niet direct tot een meer onafhankelijke rechtspraak of een versterking van de rechtsstaat. Hiervoor is politieke wil essentieel, zoals ook de ERK concludeert. Het kabinet vindt de conclusies zorgwekkend en zal de aankomende periode de conclusies en aanbevelingen van de ERK actief benutten om de belangrijkste tekortkomingen van de EU-inzet op rechtsstaatsterrein in de regio te adresseren.
Wat vindt u ervan dat sprake is van een grote willekeur in het handhaven van de voorwaarden voor financiële steun?
In het algemeen is het kabinet voorstander van consistente toepassing van conditionaliteit bij de toekenning van EU-fondsen. Het kabinet streeft dan ook naar het frequenter en consistenter inzetten van conditionaliteit bij de toekenning en tijdens de uitvoering van EU-fondsen ter bevordering van rechtsstaatshervormingen in de Westelijke Balkan, in lijn met de aanbevelingen van de ERK. De herziene uitbreidingsmethodologie biedt hier ook mogelijkheden toe.
Bent u het eens dat dit voornamelijk betekent dat de Europese Commissie helemaal niet goed controleert wat er met vele honderden miljoenen euro’s gebeurt?
Idealiter vindt een beoordeling van de doelmatigheid plaats voordat een project wordt uitgevoerd en zou een doelmatigheidscontrole dus onderdeel moeten zijn van de criteria voor goedkeuring van een project. Controles zoals de ERK die uitvoert op dit gebied zijn dan ook wenselijk om lidstaten en de Commissie kritischer te laten kijken naar de doelmatigheid voordat projecten worden goedgekeurd, zoals de ERK ook in zijn aanbevelingen noemt.
Waarom maakt de Europese Commissie zo weinig gebruik van de mogelijkheid om bijstand op te schorten op het moment dat er niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan?
Het opschorten of het in mindering brengen van IPA-steun kan zowel door de Commissie als door individuele lidstaten worden geopperd wanneer er sprake is van significante regressie of bij het aanhoudend uitblijven van voortgang. Hoe de besluitvorming tot stand komt is afhankelijk van het specifieke programma. Bij de inwerkingtreding van IPA III in 2021 zijn prestaties van de (potentiële) kandidaat-lidstaten centraler komen te staan. Dit ziet het kabinet als een positieve ontwikkeling. De toegang tot fondsen wordt nu gebaseerd op criteria zoals de verwachte impact en voortgang op het gebied van rechtsstaat, fundamentele rechten en openbaar bestuur. Dit is onder meer mogelijk door de focus te verleggen van landenenveloppen naar het behalen van thematische doelen. Op deze wijze kunnen (potentiële) kandidaat-lidstaten die goede resultaten boeken beloond worden met extra EU-steun en de landen die minder voortgang tonen juist minder EU-steun krijgen; het more for more, less for less principe. Het kabinet zal bij de discussie over de toekenning en/of continuering van deze fondsen inzetten op het verlenen van steun aan landen die hervormen en daarbij duurzame resultaten boeken. Wanneer gerechtvaardigd zal het kabinet tevens aandringen op opschorting/mindering van deze fondsen.
Kunt u zich voorstellen dat veel mensen dit rapport wederom als een bevestiging zien dat er veel geld wordt verspild in de Europese Unie?
Het kabinet vindt het belangrijk dat er strengere voorwaarden worden gesteld aan het ontvangen en uitgeven van middelen uit de EU-begroting. Op basis van dit rapport kan worden geconcludeerd dat de inzet van de EU heeft gezorgd voor operationele verbeteringen, zoals efficiëntere werkprocessen binnen de rechterlijke macht, of de ontwikkeling van nieuwe wetgeving. Deze verbeteringen hebben echter niet geleid tot een fundamentele versterking van de rechtsstaat, concludeert de ERK. Het kabinet zal zich er hard voor maken dat de EU zich in de toekomst meer richt op deze fundamentele versterking van de rechtsstaat, mede op basis van de aanbevelingen van de ERK.
Gaat u dit rapport en de bevindingen bespreken bij de eerstvolgende vergadering waar ook de rechtsstaat op de agenda staat? Zo nee, waarom niet?
Ja. De aanbevelingen van de ERK adresseren de belangrijkste tekortkomingen t.a.v. de huidige inzet en sluiten goed aan bij de reeds bestaande Nederlandse inzet op het versterken van de rechtsstaat, met aandacht voor de rol van maatschappelijk middenveld en media en gebruikmakend van conditionaliteit. Het kabinet kan zich ook goed vinden in de aanbeveling om de verslaglegging over en de monitoring van de projecten door de Commissie te verbeteren. Het kabinet zal daarom, mede op basis van het ERK rapport, bij zowel Commissie, EDEO als andere EU-lidstaten bepleiten dat prioriteit wordt gegeven aan de implementatie van de aanbevelingen.
Soumaya Sahla |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft de wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie de Hofstadgroep en wegens illegaal wapenbezit veroordeelde Soumaya Sahla wel eens adviezen gegeven aan de AIVD, de directeur-generaal AIVD, medewerkers van de AIVD en/of de NCTV?
De AIVD voert haar taakstelling uit op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv 2017). De AIVD kan in het openbaar niet ingaan op concrete vragen over haar handelen.
De NCTV doet als nationaal coördinator terrorismebestrijding kennis op bij veel relevante organisaties en personen. Persoonlijke ervaringen kunnen waardevolle inzichten bieden over het radicaliseringsproces en over de gang van zaken binnen extremistische groepen.
Tegen deze achtergrond is er door experts van de NCTV enkele keren gesproken met mevrouw S. Sahla. Er is geen betrokkenheid geweest van mevrouw S. Sahla bij het maken van analyses van de NCTV of het vormgeven van beleid.
Kunt u deze vragen over uw partijgenoot nog heden beantwoorden?
Nee, de vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De invoering van een snelheidsbegrenzer in nieuwe personenauto’s |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is de Nederlandse regering betrokken geweest bij de invoering van een wettelijk verplichte «intelligente snelheidsassistent» (ISA) voor nieuwe auto’s en zo ja, welke inbreng heeft Nederland gehad over de doordenking van de gevolgen hiervan voor de wijze waarop het Nederlandse wegverkeer wordt gereguleerd en voor de privacy?1 2
Ja, Nederland is hierbij betrokken geweest. De inbreng van Nederland betrof vooral de eis dat het systeem betrouwbaar en veilig moet zijn zodat bestuurders er in voldoende mate op kunnen vertrouwen en het ook zullen gebruiken. Het is een systeem dat de bestuurder informeert over de lokale limiet en waarschuwt wanneer deze overschreden dreigt te worden. Deze staat standaard aan bij iedere rit maar kan ook uitgezet worden voor die rit. Met het gebruik van de ISA wordt het aantal bestuurders dat (ongemerkt) te hard rijdt vermindert en dit is daarmee gunstig voor de verkeersveiligheid. Wat betreft de privacy worden er geen gegevens vastgelegd, noch van de persoon, noch van de rit.
Garandeert u dat (enige vorm van) een ISA niet verplicht wordt voor auto’s die nu nog niet van dit systeem zijn voorzien?
Het ligt niet voor de hand dat ISA in de toekomst verplicht zal worden op voertuigen die nu niet van dit systeem zijn voorzien.
Bent u het met de stelling eens dat een snelheidsbegrenzer voor ongelukken kan zorgen doordat tijdelijke tempoversnelling, wat nodig kan zijn in onvoorziene situaties, moeilijker wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, niet met deze variant omdat deze ISA alleen waarschuwt en niet fysiek begrenst. De bestuurder bepaalt zelf de snelheid. Als een fabrikant ervoor kiest om een stap verder te gaan, en bijvoorbeeld een gaspedaal te gebruiken dat tegendruk geeft bij het bereiken van de limiet, dan moet de bestuurder altijd zelf kunnen ingrijpen.
Kunt u reageren op bezwaren van de overkoepelende organisatie van autofabrikanten Acea die een groot risico in verkeersborden ziet die ISA niet goed herkennen, bijvoorbeeld doordat ze slecht afleesbaar zijn, waardoor het systeem de plank kan misslaan?
Samen met de industrie is gesteld dat ISA voor tenminste 90% van de tijd de juiste limiet moet hanteren. Het is aan de industrie om te bepalen of zij dit realiseren met camera’s en softwarematige bordenherkenning, een digitale snelhedenkaart of een combinatie daarvan. Wegbeheerders zijn verplicht actuele snelheidslimieten per wegvak beschikbaar te stellen in een nationale snelhedenkaart. Producenten kunnen deze gebruiken of kaarten van derden gebruiken. In Nederland werken we aan het verbeteren van de digitale snelhedenkaart als onderdeel van het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitsdata.
Bent u het eens met de stelling dat een foutmarge van 5 procent als het gaat om bijvoorbeeld de «leesbaarheid» van de verkeersborden (naar inschatting van de EU) een onaanvaardbaar risico betekent voor de veiligheid, zodat moet worden geconstateerd dat ISA pas verantwoord kan worden ingevoerd zodra het totaalplaatje (dus ook de herkenning door verkeersborden) in orde is, wat nu nog niet het geval is?
Omdat het systeem de snelheid niet fysiek begrenst, zijn de risico’s gering. De bestuurder kan harder rijden en is altijd zelf verantwoordelijk voor de keuze van de snelheid. Deze ISA geen begrenzer maar een hulpmiddel voor de bestuurder.
Welke consequenties heeft de invoering van ISA voor de wijze waarop in Nederland verkeersstromen met (elektronische) bebording worden gereguleerd?
De invoering van ISA heeft geen consequenties voor de regulering omdat het ISA-systeem informatie geeft over de snelheidslimiet en waarschuwt bij overschrijding, de beslissingen voor de rijtaak worden door de bestuurder genomen. Om de digitalisering van verkeersmanagement, ADAS en ADS functies en navigatiesystemen in goede banen te leiden is het wel nodig om goede digitale reisinformatie op orde te hebben. Om dat te ondersteunen wordt het Nationaal Toegangspunt Mobiliteistdata opgericht en maken we in EU-verband afspraken over de digitale ontsluiting van verkeersinformatie.
Wat kunt u nog ondernemen om ervoor te zorgen dat ISA pas actief wordt wanneer de foutmarge met betrekking tot het herkennen van verkeersborden is teruggebracht tot een minimum, dat in ieder geval een stuk lager is dan de 5 procent die de EU nu nog inschat?
Zie antwoord 5.
Welke stappen gaat u ondernemen om de anonimiteit van gebruikersgegevens van ISA in alle omstandigheden te garanderen?
Hiervoor zijn geen stappen nodig. ISA legt geen gegevens vast over de rit danwel over de bestuurder. Door positiebepaling weet het systeem hoe snel je rijdt en waar je rijdt.
Als u niet van plan bent om anonimiteit van gebruikersgegevens te garanderen, wat zijn a) de randvoorwaarden waaronder b) welke diensten inzage mogen krijgen in ISA-data?
Zie antwoord 8.
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht sturen welke gegevens de EU krijgt (en welke instanties of diensten het betreft) en welke gegevens de Nederlandse overheid krijgt (en welke instanties of diensten het betreft) uit installaties die verbruiksgegevens van auto’s opslaan en doorsturen?
Deze «Onboard Fuel Consumption Monitoring» systemen registreren het verbruik van het voertuig in de praktijk. Het doel hiervan is om afwijkingen van uitstoot in praktijk ten opzichte van de waarden bij de typegoedkeuring te monitoren. Hiervoor worden het Voertuig Identificatie Nummer (VIN), brandstofverbruik en aantal gereden kilometers geregistreerd. Deze moeten door de fabrikant of erkende handelaar of reparateur regelmatig worden uitgelezen en aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder aangeven dat hij/zij niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Kunt u de garantie geven dat ISA alleen wordt ingezet voor veiligheid tijdens het autorijden en niet voor andere doelen, zoals bijvoorbeeld een vorm van belastingheffing op grond van meetgegevens die mede aan de hand van dit systeem worden aangeleverd?
De ISA inzetten voor belasting is niet aan de orde. ISA legt geen data vast dus leent zich ook niet voor.
Het bericht dat ieder jaar 3 miljard euro zorggeld verdwijnt in de zakken van mensen die mensen leveren die zorg leveren |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat ieder jaar 3 miljard euro zorggeld verdwijnt in de zakken van mensen die mensen leveren die zorg leveren?1
In de aangehaalde column in de Volkskrant van 19 januari staat dat zorginstellingen jaarlijks een bedrag van € 3 miljard overmaken naar de verschillende typen bureaus (verder: bemiddelings- en uitzendbureaus). Uit gegevens van het CBS blijkt voor 2019 voor de vier grootste zorgsectoren cumulatief eenzelfde bedrag aan kosten voor personeel niet in loondienst.2 Daaruit volgt dat ongeveer 8,5% van de totale loonkosten in de zorg wordt besteed aan personeel niet in loondienst.
Het is zeker niet zo dat dit volledige bedrag een jaarlijkse winstmarge is voor de bemiddelings- en uitzendbureaus. Deze bemiddelings- en uitzendbureaus hebben medewerkers in de zorg in loondienst. Het bedrag van € 3 miljard is voor verreweg het grootste deel om de salarissen, loonbelasting, sociale verzekeringen en onkosten van personeel niet in loondienst bij zorginstellingen (maar dus wel in loondienst bij deze bureaus, dan wel bemiddeld via hen) te betalen.
Klopt het dat er jaarlijks 3 miljard euro aan zorggeld gaat naar bemiddelaars, recruiters, uitzend- en detacheringsbureaus?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat er voor elke 100 procent die een ingehuurde zorgprofessional verdient, een zorginstelling 250 procent moet betalen?
De ingehuurde medewerker in de zorg verdient zijn brutosalaris. Net zoals zorginstellingen hebben de bemiddelings- en uitzendbureaus bovenop dit brutosalaris aanvullende werkgeverslasten voor hun personeel in loondienst. Ook voor zorgmedewerkers die in dienst zijn van een bemiddelings- of uitzendbureau dient de werkgever de diverse werkgeverslasten (o.a. bijdrage werknemersverzekeringen, zorgverzekeringswet, bijdrage premie voor pensioen en arbeidsongeschiktheid, doorbetaling bij vakantie en ziekte etc.) te betalen.
Naast deze «standaard werkgeverslasten» berekenen de bemiddelings- en uitzendbureaus een opslag op het totaaltarief van bemiddelde medewerkers. Deze opslag is ter dekking van hun eigen overhead en winstmarge, en tevens ter dekking van het eventuele risico van non-declarabele uren van te bemiddelen of uit te zenden werknemers. Tot slot dient het bemiddelings- of uitzendbureau, indien de betreffende medewerker bij hen in loondienst is, over het geheel 21% btw in rekening te brengen en af te dragen aan de Belastingdienst. Dit deel van de kosten is dus ook geen opbrengst voor het bureau.
Rekening houdend met deze aspecten is bij een te betalen totaaltarief bij bemiddeling of uitzending tot ongeveer 200 procent ten opzichte van het bruto uurloon nog geen sprake van een winstmarge. Waarschijnlijk ligt dit zelfs iets hoger. Een exact antwoord is hierin niet te geven, daar dit afhankelijk is van hoe bemiddelings- en uitzendbureaus hun interne processen hebben vormgegeven.
Het aanvullende percentage tot 250 ten opzichte van het brutoloon dient overigens gerelateerd te worden aan de totale kosten om een daadwerkelijke winstmarge te berekenen. Dit impliceert een winstmarge van ongeveer 10 tot 20%. De uiteindelijke winst van het bemiddelings- of uitzendbureau is overigens nog belast met vennootschapsbelasting of inkomstenbelasting.
Wat vindt u ervan dat commerciële bedrijven zoveel winst maken met zorggeld?
Het gaat hier vooral om de vraag in hoeverre bemiddelings- of uitzendbureaus, gegeven de krapte op de arbeidsmarkt in de zorg, hun winstmarge kunnen verhogen boven de reguliere marges voor de totale bemiddelings- en uitzendbranche. Zoals in antwoord op vraag 2 en 3 beschreven, is slechts een beperkt deel van de totale loonkosten voor medewerkers niet in loondienst bij zorginstellingen te betitelen als winstmarge voor commerciële bemiddelings- en uitzendbureaus.
Het beeld dat de betaling van kosten voor personeel niet in loondienst voor de bemiddelings- en uitzendbureaus resulteert in een jaarlijkse winst van € 3 miljard, is in ieder geval onjuist.
Verder is relevant in welke mate de medewerkers in de zorg, die in loondienst zijn bij bemiddelings- of uitzendbureaus, vanwege de krapte op de arbeidsmarkt een hoger salaris krijgen dan op grond van de relevante zorg-CAO gangbaar zou zijn. Dit aanvullende bedrag komt overigens volledig ten goede aan de betrokken medewerkers in de zorg. Hier geldt dat op dit moment geen betrouwbare inschatting is te maken hoeveel flexwerkers in de zorg meer verdienen dan medewerkers die in dienst zijn bij een zorginstelling.
Bent u bereid om deze enorme verspilling van zorggeld aan te pakken? Zo ja, welke acties gaat u hiertoe ondernemen?
In de brief aan de Tweede Kamer van februari 2020 zijn de belangrijkste oorzaken van de flexibilisering van de arbeidsmarkt in de zorg beschreven.3 In deze zelfde brief is een aantal acties opgenomen, die inmiddels voor een belangrijk deel zijn omgezet in concrete projecten.
Zorginstellingen hebben zelf de verantwoordelijkheid om «piek en ziek» op te kunnen vangen via een flexibele schil. Dit kan met interne flexibel inzetbare medewerkers, maar ook met bijvoorbeeld zzp’ers. Vanwege de krapte en het verzuimpercentage moeten zorginstellingen meer en eerder externe flexibele krachten inzetten. De laatste tijd zijn er steeds meer signalen dat de kosten van de inhuur stijgen.
Vanuit het Ministerie van VWS worden zorginstellingen daarom al enkele jaren gestimuleerd om in samenwerking hun (interne) flexibele schil te vergroten en de afhankelijkheid van intermediairs te verminderen.
Dit varieert per regio in omvang en verschijningsvorm. Voorbeelden (soms ook in combinatie) zijn een gezamenlijke flexibele pool (van eigen medewerkers), gezamenlijke roostering, gezamenlijk werkgeverschap, het gebruik van een flex-app, het delen van elkaars netwerk, het opzetten van een platform waar vraag en aanbod samen komen. Uitgangspunten zijn de waarden en drijfveren van de medewerkers om zo de bestaande onvrede over het werken in loondienst te verminderen.
Een voorbeeld van een dergelijke regionale samenwerking is de pilot «Op weg naar FLEXplus». De wens is om via ondernemend werknemerschap flexibel te kunnen werken bij alle acht ziekenhuizen in de regio Rotterdam-Rijnmond. Er zijn nu veel zzp’ers actief bij deze ziekenhuizen. Met deze hybride vorm van werknemerschap wil men een aantrekkelijk alternatief voor het zzp-schap bieden.
In de brief van 16 december 20214 heeft de toenmalig Staatssecretaris van VWS beschreven dat in januari 2022 binnen de ggz een traject is gestart gericht op gezamenlijke werkafspraken. Dat gebeurt door de zorgprofessionals, medewerkers in loondienst en zzp’ers, met elkaar in gesprek te laten gaan over ervaren knelpunten rondom de organisatie van zorg. Hen wordt gevraagd om, vanuit het perspectief van duurzame kwaliteit en continuïteit van zorg, te komen tot gezamenlijke werkafspraken.
Tevens is in relatie tot modern werkgeverschap recent een werkgroep gestart die vijf regionale initiatieven vergelijkt. Deze vijf initiatieven hebben tot doel bij te dragen aan een flexibelere invulling van het loondienstverband.
Belangrijk sluitstuk bij de inzet van zzp’ers is de gewenste duidelijkheid in het kader van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (wet DBA). Deze wet heeft betrekking op de voorwaarden waaronder zzp’ers ingezet kunnen worden. De door de Belastingdienst ingezette sectorspecifieke benadering ziekenhuizen en zelfstandige klinieken zal meer duidelijkheid kunnen verschaffen over wanneer de inzet van zzp’ers past binnen het wettelijke kader. Die duidelijkheid is essentieel bij de uitwerking van (branchespecifieke) werkafspraken en regionale initiatieven gericht op samenwerking.
Gezien de toename van het aantal flexwerkers (uitzendkrachten, gedetacheerden en zzp’ers) en de signalen over de ontwikkeling van de tarieven zal ik binnenkort in gesprek gaan met de koepels van de bemiddelings- en uitzendbureaus over de vraag hoe zij strategisch kunnen blijven bijdragen aan een duurzame kwaliteit, continuïteit en betaalbaarheid van de zorg.
Bent u bereid om te kijken naar betere bestedingen van dit geld? Hoeveel procent extra salarisverhoging zouden we zorgverleners bijvoorbeeld kunnen bieden als we deze 3 miljard euro aan hen zouden besteden? Welke bezuinigingen op de zorg zou u kunnen schrappen als deze verspilling zou stoppen?
Uit de antwoorden op de vragen 2, 3 en 4 volgt dat het bedrag van € 3 miljard niet vrijvalt als bemiddelings- en uitzendbureaus in de zorg geen rol zouden hebben. Zoals in deze antwoorden beschreven komt het overgrote deel van dit bedrag ten goede aan medewerkers in de zorg. Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat medewerkers in de zorg er om uiteenlopende redenen voor hebben gekozen om niet langer in loondienst te willen zijn bij een zorginstelling, maar bij een bemiddelings- of uitzendbureau. Via een vervolg op het programma Werken in de zorg blijven we aandacht besteden aan deze redenen voor onvrede.
In het antwoord op vraag 5 is uitvoerig beschreven welke acties lopen om de balans te verbeteren omtrent de flexibilisering van de arbeidsmarkt in de zorg.
Het verplichten van een snelheidsbegrenzer in nieuwe auto’s. |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel dat verschenen is in onder andere het AD?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de kritische reacties van Acea en de Vereniging Zakelijke Rijders in het artikel?
De ACEA geeft terecht aan dat de systemen betrouwbaar genoeg moeten zijn zodat bestuurders ze ook aan laten staan. Daarom is in Europees verband afgesproken dat deze Intelligente Snelheidsassistent (ISA) tenminste in 90% van de tijd een juiste snelheid aan moet geven en bij de juiste snelheid waarschuwt bij overschrijding (het systeem begrenst dus niet de snelheid van het voertuig). Het is aan de industrie om te bepalen of zij dit realiseren met camera’s en softwarematige bordenherkenning, een digitale snelhedenkaart of een combinatie van beiden. Wegbeheerders in Nederland zijn verplicht actuele snelheidslimieten per wegvak beschikbaar te stellen in een nationale snelhedenkaart. Nederland werkt daarom aan een verdere verbetering van digitale reisinformatie via het Nationaal Toegangspunt Mobiliteitdata. Producenten kunnen deze gebruiken of kaarten van derden gebruiken. Deze waarschuwende ISA zit al in veel auto’s en in navigatiesystemen.
Wat eventuele vervolgstappen worden als het om ISA gaat zal afhangen van de ervaringen met deze verplichting. De producenten zijn goed vertegenwoordigd bij de discussies over dergelijke systemen en daar is ACEA een belangrijke partij bij.
De Verenging Zakelijke Rijders (VZR) heeft gelijk dat mensen aan nieuwe systemen moeten wennen. Dat geldt voor alle nieuwe Advanced Driver Assistance Systems (ADAS) en Automatic Driving Systemen (ADS) in voertuigen. Binnenkort start er daarom een ADAS campagne om kopers en verkopers van voertuigen bewust te maken van deze nieuwe toepassingen.
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de privacy voor het verwerken van onder andere GPS data in nieuwe voertuigen?
Op 9 maart 2021 bracht de European Data Protection Board (EDPB) richtsnoeren uit, onder andere om te zorgen voor een consequente toepassing van de AVG specifiek in relatie tot voertuigdata. Er is specifieke aandacht voor individuele locatiegegevens.
Voor de Snelheidsassistent geldt dat er geen data worden opgeslagen. De snelheid van het voertuig wordt vergeleken met de snelheid die je volgens de assistent daar mag rijden. Er is geen derde partij die data krijgt en er wordt niks opgeslagen in het voertuig.
In de Event Data Recorder (EDR) die in Europa wordt ingevoerd, worden geen GPS data of andere identificerende gegevens opgeslagen. Wel technische zaken zoals snelheid, remkracht, activering van de airbags en toestand van de veiligheidssystemen bij een botsing. De geanonimiseerde EDR-gegevens zullen worden gebruikt voor ongevallenonderzoek en -analyse. Het «Onboard Fuel Consumption Monitoring» systeem registreert het Voertuigidentificatienummer (VIN), brandstofverbruik en gereden kilometers. Deze moeten door fabrikanten, of zijn erkende handelaar of erkende reparateur, regelmatig worden uitgelezen en vervolgens aan de Europese Commissie worden geleverd. Deze informatie moet zodanig worden geaggregeerd dat deze niet te herleiden is naar een persoon. In alle gevallen kan de bestuurder altijd aangeven dat hij/zij niet wil dat deze gegevens worden uitgelezen.
Wie krijgt straks al deze voertuigdata en wat gaat daarmee gebeuren?
Zie antwoord op vraag 3.
Kunnen verzekeraars straks hun premie baseren op de verzamelde data en is dat een wenselijke situatie?
Dat is op basis van dit ISA-systeem niet mogelijk. Wel zijn er diverse verzekeraars die een zogenaamde dongel aanbieden die het rijgedrag monitoren. Die dongel dient achteraf gemonteerd te worden in de auto en verzekerden kunnen daarmee een korting op hun premie of aanbiedingen krijgen. Verzekerden kiezen hier expliciet voor.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens geconsulteerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hun oordeel?
Alle regelgeving in Europa moet voldoen aan de horizontale General Data Protection Regulation, zo ook betreffende regelgeving over ISA en EDR. De Europese Commissie heeft hiervoor de EDPB (European Data Protection Board) geconsulteerd, de Europese moederpartij van de Autoriteit Persoonsgegevens.
Kan het systeem permanent uitgeschakeld worden? Zo nee, waarom niet?
Voor de ISA geldt dat het systeem bij iedere keer starten van de auto, aan staat. Het kan dan wel uitgezet worden voor de rest van die rit. Door het systeem standaard aan te zetten, wordt de kans vergroot dat mensen het systeem gebruiken. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.
De EDR kan niet worden uitgeschakeld omdat deze bijdraagt aan het kunnen uitvoeren van ongevalsanalyses of verkeersveiligheidsanalyses.
Kan de GPS-tracker permanent uitgeschakeld worden? Zo nee, waarom niet?
Een GPS tracker is geen verplicht onderdeel van een voertuig, en er is geen aparte regelgeving voor. Wel moet iedere partij die de GPS data wil gebruiken een goede doelbinding hebben (conform de General Data Protection Regulation).
Bent u van mening dat het excessief verzamelen van data, door de overheid, een beangstigend gevoel bij de automobilist kan opwekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u garanderen dat er geen systeem wordt ingevoerd waarbij er belasting betaald gaat worden per uitgestoten gram CO2?
Zoals bij het antwoord op vraag 3 aangegeven, wordt er bij ISA of EDR geen informatie vastgelegd die belastingheffing mogelijk maakt. Dit is dus niet aan de orde.
De politieke gevangenen in Turkije |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het aantal politieke gevangenen dat momenteel in de gevangenis in Turkije zit? Heeft u informatie dat het aantal politieke gevangenen afneemt? Wat is uw beleid ten aanzien van politieke gevangenen in Turkije?
Nederland blijft zich grote zorgen maken over de rechtsstaat en de mensenrechtensituatie in Turkije. Het kabinet kan echter niet met zekerheid vaststellen hoeveel personen om politieke redenen vastzitten en wat hierbij de trend is. Betrouwbare cijfers daarover zijn niet beschikbaar. Mensenrechten, waaronder het recht op vrijheid van meningsuiting en recht op een eerlijke rechtsgang, vormen de hoeksteen van het Nederlands buitenlandbeleid. Dit draagt Nederland internationaal uit, in multilaterale fora en in bilaterale gesprekken, zo ook in gesprekken met de Turkse autoriteiten, op ambtelijk en politiek niveau.
Heeft de Nederlandse regering in het geval van de bekende politieke gevangene Osman Kavala bezwaar gemaakt bij de Turkse autoriteiten vanwege de verlenging van zijn gevangenschap? Zo nee, waarom niet?1
Nederland hecht er sterk aan dat lidstaten van de Raad van Europa, ook Turkije, hun verplichting nakomen om uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) na te leven. In de zaak van dhr. Kavala ligt er een duidelijke uitspraak waarin het Hof Turkije oproept dhr. Kavala onmiddellijk vrij te laten. In de Raad van Europa (RvE), die toeziet op naleving van deze uitspraak, is hier consequent door Nederland met gelijkstemden landen toe opgeroepen. Op 2 februari 2022 besloot het Comité van Ministers van de RvE tot het starten van een inbreukprocedure tegen Turkije vanwege de detentie van dhr. Kavala. Nederland steunt de verklaring van de EU-woordvoerder van de Hoge Vertegenwoordiger, Joseph Borrell, waarin wordt betreurd dat de Turkse autoriteiten zich niet houden aan de uitspraak van het EHRM.2 In de verklaring worden ook de verplichtingen onderstreept die Turkije heeft als verdragspartij van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarnaast woont Nederland, met gelijkgestemde landen, zittingen bij in de rechtszaak tegen dhr. Kavala, en stelt NL deze zorgen regelmatig aan de orde in bilateraal en multilateraal verband.
Klopt het dat er zo’n 1600 gevangenen (waaronder politieke gevangenen) in Turkije ziek zijn en niet adequaat verzorgd worden? Zo nee, wat zijn dan de cijfers?
Gelijkluidend aan de beantwoording op vraag 1 kan het kabinet niet met zekerheid vaststellen hoeveel gedetineerden in Turkije ziek zijn en mogelijkerwijs niet adequaat verzorgd worden. Eigenstandige, onafhankelijke cijfers hierover zijn niet beschikbaar.
Klopt het dat doodzieke gevangenen ook niet de gelegenheid krijgen naar huis te gaan om daar te sterven? Zo nee, wat is dan de situatie volgens uw informatie?
Zoals aangegeven in het algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021 is het kabinet er mee bekend dat gevangenen beperkte toegang hebben tot gezondheidszorg en persoonlijke hygiëne. Het kabinet beschikt niet over eigenstandige dan wel onafhankelijke, betrouwbare informatie waaruit blijkt dat zieke gedetineerden geen gelegenheid krijgen om thuis te sterven.
Bent u op de hoogte van het feit dat oud-parlementslid Aysel Tuğluk, ziek en gevangen is, sinds december 2016, en niet wordt vrijgelaten, zelfs niet ondanks haar ernstige ziekte?2
Het kabinet is bekend met de situatie van mevr. Tuğluk en deze wordt door de ambassade in Ankara gemonitord. Volgens de laatste berichtgeving die bekend is bij het kabinet, wordt haar gezondheidssituatie onderzocht door de relevante instituties, en is door advocaten van mevr. Tuğluk verzocht om een aanvullend gezondheidsonderzoek door een derde partij. Nederland kaart zorgen over de mensenrechtensituatie in Turkije regelmatig en op alle niveaus aan en zal dit blijven doen, ook in Europees en internationaal verband. Zoals aangegeven in antwoord 4 is het kabinet er bekend mee dat gevangenen beperkte toegang hebben tot gezondheidszorg in Turkije. Nederland onderschrijft de doelstellingen uit het EU actieplan Mensenrechten en Democratie uit 2020 waarin expliciet de verbetering van de omstandigheden voor gedetineerden in derde landen wordt genoemd. In dat kader zet Nederland in op het verbeteren van detentieomstandigheden in Turkije middels een project van de Raad van Europa dat zich richt op de versterking van extern toezicht op penitentiaire inrichtingen.
Bent u bereid er bij de Turkse autoriteiten op aan te dringen zieke gevangenen, waaronder politieke gevangene Aysel Tuğluk, over te brengen voor verdere verpleging in een ziekenhuis of de gelegenheid te geven thuis te overlijden?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat de ouders van Gio (4) het stilzwijgen verbreken na een dodelijk ongeluk met voetballer Vloet |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ouders overleden Gio (4) verbreken stilzwijgen: We hebben nooit iets gehoord van voetballer Vloet»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Ik leef zeer mee met het verlies van de familie. Verder ga ik niet in op deze specifieke situatie gezien de zaak nog in onderzoek is.
Deelt u de mening dat een voetbalclub een maatschappelijke rol heeft?
Voetbalclubs hebben zeker een maatschappelijke rol. De KNVB ziet voetbal als een bindmiddel om samen te werken aan een gezonde, sociale en duurzame samenleving. Van kleins af aan worden kinderen meegenomen in de spelregels en sportief gedrag.
Verder leveren veel clubs in het (betaalde) voetbal een bijdrage aan verschillende maatschappelijke projecten op gebied van participatie, educatie, gezondheid en re-integratie op de arbeidsmarkt.
Hoe vindt u dat Heracles Almelo zijn maatschappelijk rol voor verkeersveiligheid heeft opgepakt na het dodelijk ongeluk met voetballer Vloet?
Heracles Almelo heeft zelf keuzes gemaakt na het dodelijk ongeluk. Het is niet aan mij om die te beoordelen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met voetbalclubs om hun maatschappelijke rol op te pakken voor verkeersveiligheid?
De wijze waarop voetbalclubs omgaan met hun maatschappelijke rol is aan de clubs zelf. Zij maken een afweging in hun rol als werkgever, als bedrijf en als club als het gaat om de wijze waarop zij hun maatschappelijke rol invullen. Vanuit het Rijk worden met diverse stakeholders campagnes geïnitieerd om aandacht te vragen voor verkeersveiligheid, zoals de BOB-campagne tegen rijden onder invloed van alcohol. Er is ook een BOB-campagne die is gericht is op sportkantines en sportevenementen waar ook professionele voetbalclubs aandacht voor hebben gevraagd.
Deelt u de mening dat een voetballer een publieke voorbeeldfunctie heeft?
Iedere verkeersdeelnemer heeft een voorbeeldfunctie en verantwoordelijkheid in het verkeer. Iedereen, ook voetballers, moet zich aan de verkeersregels houden om weer veilig thuis te (laten-) komen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met voetballers om hun publieke voorbeeldfunctie op te pakken voor verkeersveiligheid?
Ik verwijs u hiervoor naar antwoord 5.
Welke publieke campagnes lopen er nu tegen extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer? In hoeverre zijn deze campagnes succesvol? In hoeverre zorgen deze campagnes voor een daling van extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer?
Met betrekking tot alcohol in het verkeer loopt al lange tijd de eerdergenoemde BOB-campagne. Inmiddels weet 99% van de automobilisten dat de BOB nuchter blijft en vindt 84% dat je geen alcohol moet drinken als je nog moet autorijden. Daarnaast is er een campagne tegen te hard rijden: «Hou je aan de snelheidslimiet». Deze campagne is erop gericht dat bestuurders zich aan de snelheid houden. IenW plaatst tijdens de campagneperiode (mei-juni) borden langs de snelwegen en biedt een toolkit aan met diverse middelen aan medeoverheden en maatschappelijke partners.
Als het gaat om gedragsverandering bij zware overtreders zijn campagnes niet voldoende. Voor deze groep zijn handhaving en gedragsinterventies, zoals de bestuursrechtelijke Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) of Educatieve Maatregel Alcohol (EMA), het meest passend. Ongewenst verkeersgedrag dient integraal te worden aangepakt (infrastructurele aanpassingen, gedragsbeïnvloeding en handhaving). Dit voorjaar wordt de Kamer geïnformeerd over mijn plannen voor een verbeterde integrale aanpak van rijden onder invloed.
Wat is de strafmaat nu voor extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer? In hoeverre is deze strafmaat voldoende? In hoeverre zorgt deze strafmaat voor een daling van extreem te hard rijden en alcohol in het verkeer?
Onder extreem te hard rijden versta ik in het kader van de beantwoording van deze vraag het zodanig boven de geldende maximumsnelheid rijden dat deze onder het strafrecht wordt afgedaan. Snelheidsovertredingen tot 30 km/u te hard in het algemeen en tot 40 km/u op de snelweg vallen onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Grovere snelheidsovertredingen vallen onder het strafrecht.
De maximumstraf voor te hard rijden op de autosnelweg is een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van € 4.500 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 2 jaren worden opgelegd (art 177 lid 2 onder d van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994)). De maximumstraf voor rijden onder invloed is een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van € 22.500 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 5 jaren worden opgelegd (artikel 8 jo. 176, lid 2 WVW 1994).
Naast de specifieke strafbaarstellingen voor te hard rijden of rijden onder invloed van alcohol, kunnen deze feiten ook op basis van andere artikelen uit de Wegenverkeerswet worden afgedaan. Dit kan op basis van artikel 5 WVW 1994 (veroorzaken gevaar op de weg), artikel 5a WVW 1994 (roekeloos rijden zonder gevolgen) of artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken van een ongeval door schuld/roekeloosheid met letsel of de dood tot gevolg). De maximumstraf voor het veroorzaken van een dodelijk ongeval in het verkeer, is een gevangenisstraf van ten hoogste 9 jaren of een geldboete van ten hoogste € 90.000 en daarbij kan een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van ten hoogste 5 jaren worden opgelegd (artikel 6 jo. 175 WVW1994).
In 2017 is wetenschappelijk onderzocht in hoeverre de bestraffing van ernstige verkeersdelicten afdoende is. Hieruit bleek dat in zijn algemeenheid kan worden geconcludeerd dat naarmate de ernst van de verkeersfout toeneemt en de mate van letsel toeneemt, ook de duur van de straf en de zwaarte van de gekozen strafmodaliteit toeneemt. Het algemene strafbeeld komt dus overeen met hetgeen de wetgever heeft beoogd met het stelsel van sancties. Verder was de conclusie in het onderzoek dat het strafniveau voor ernstige verkeersdelicten over het geheel adequaat is. Wel was er draagvlak voor onder andere een verhoging van de strafmaat voor een aantal specifieke feiten zoals het rijden onder invloed. Met inwerkingtreding van de wet aanscherping strafrechtelijke afdoening ernstige verkeersdelicten op 1 januari 2020 is aan de aanbevelingen uit dit onderzoek uitvoering gegeven. Zo is bijvoorbeeld de maximumstraf voor rijden onder invloed verhoogd van drie maanden naar één jaar.
In hoeverre de strafmaat zorgt voor een daling van (extreem) te hard rijden en rijden onder invloed van alcohol is niet specifiek te bepalen. Dit hangt samen met een veelheid aan andere factoren. In algemene zin kan wel worden gezegd dat een adequate strafmaat zowel een specifieke als algemene preventieve werking heeft.
Welke profielen zijn er van iemand die extreem te hard rijdt? In hoeverre voelt zo’n iemand zich onaantastbaar en boven de wet staan? Welke gerichte aanpakken op deze profielen zijn er mogelijk?
Bestuurders die extreem hard rijden kunnen zowel via het strafrecht (strafvervolging) als via het bestuursrecht (gedragsinterventie/onderzoek) worden aangepakt. Volgens de wet moet de politie een melding bij het CBR doen. Het CBR kan vervolgens de bestuurder een Educatieve Maatregel Gedrag (EMG) opleggen. Uit het recidive-onderzoek van het WODC blijkt dat veel van de EMG-deelnemers bekend zijn bij justitie en dat zij vaak ook op andere terreinen moeite hebben met verantwoord gedrag.2 Uit dit rapport blijkt dat meer dan driekwart van de EMG-deelnemers één of meer eerdere strafzaken op hun naam heeft staan (gemiddeld 5 strafzaken, op meerdere terreinen). Dat maakt het ingewikkeld om deze groep aan te pakken onder de noemer van uitsluitend verkeersveiligheid. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Justitie en Veiligheid verkennen met een expertgroep de mogelijkheden om deze groep beter aan te kunnen pakken. Eén van de richtingen die op dit moment wordt onderzocht betreft de inzet van technische middelen.
Op welke autosnelwegen rijdt iemand relatief vaak extreem te hard? Welke gerichte flitscontroles op autosnelwegen en extreem te hard rijden zijn er mogelijk?
Er wordt niet specifiek geregistreerd op welke snelwegen vaak extreem te hard wordt gereden. De inzet is gericht op het voorkomen van te hard rijden in het algemeen. Snelheidshandhaving is een belangrijke pijler van de Nederlandse verkeershandhaving. Er zijn dan ook relatief veel handhavingsmiddelen beschikbaar als het gaat om het tegengaan van (extreem) te hard rijden op snelwegen. Het betreft dan trajectcontroles, mobiele radarcontrole en videoauto’s. Bij de meeste handhavingsvarianten gebeurt het verbaliseringsproces op kenteken, terwijl bij de inzet van videoauto’s bij voorkeur staandehoudingen plaatsvinden. De handhavingsinzet van de politie wordt risicogericht bepaald zodat deze inzet zoveel mogelijk bijdraagt aan het voorkomen van ongevallen. Dit betekent dat meer inzet wordt gepleegd op wegvakken met een hoog overtredingsgedrag en een hoog risico op ongevallen en slachtoffers. De risicogestuurde inzet van de handhavingsmiddelen wordt in samenwerking tussen het OM, de politie en de wegbeheerder bepaald.
Wapenleveranties aan Oekraïne |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Wat heeft Kiëv aan Nederlands materieel»?1
Ik heb kennisgenomen van dit bericht. Zoals in het commissiedebat Raad Buitenlandse Zaken (20 januari 2022) aangegeven, wordt zorgvuldig beoordeeld of de eventueel te leveren militaire goederen voldoen aan de EU wapenexportcriteria.
Wat voor verzoek voor militaire ondersteuning heeft Oekraïne aan u gedaan? Deelt u de mening dat hierover in het kader van parlementaire controle absolute transparantie moet bestaan?
Over de aard van het Oekraïense ondersteuningsverzoek kan ik geen uitspraken doen. Het is niet aan de Nederlandse overheid om de specifieke behoeften van Oekraïne openbaar te maken. Dergelijke openbaarheid voorafgaand aan eventuele ondersteuning geeft immers ook informatie over eventuele kwetsbaarheden die van strategisch belang kunnen zijn.
Mocht Nederland overgaan tot het leveren van militaire goederen aan Oekraïne dan is het kabinet graag bereid om de Kamer hierover versneld per brief te informeren. Dat doen we normaliter conform bestaande afspraken met de Kamer wanneer er sprake is van nieuwe, definitieve uitvoer van volledige systemen met een waarde van meer dan 2 miljoen euro.2 In deze uitzonderlijke situatie is het kabinet bereid eerder dan gebruikelijk transparantie over de eventuele Nederlandse militaire uitvoer te bieden.
Gaat het tijdens uw bezoek volgende week (1-2 februari) aan Kiëv over wapenleveranties? Zo nee, wat staat er op de agenda? Kunt u de Kamer hierover nauwgezet informeren?
Het Oekraïense verzoek tot levering van militaire goederen was een van de onderwerpen die aan bod zijn gekomen tijdens het bezoek van de Minister-President en mijzelf.
Erkent u dat Nederland betrokken kan raken bij een militair conflict als u wapens en/of militair personeel aan Oekraïne gaat leveren?
Het Oekraïense verzoek betreft geen troepensteun, maar omvat de eventuele levering van militaire goederen. Het kabinet hecht er aan te benadrukken dat het Oekraïense steunverzoek voortkomt uit een snel toenemende dreiging als gevolg van Russische troepenopbouw aan de Oekraïens-Russische grens. Eventuele bilaterale steun zal erop gericht zijn Oekraïne in staat te stellen invulling te kunnen geven aan het legitieme recht op zelfverdediging. Daarbij zullen de eventuele transacties zorgvuldig worden getoetst aan de EU wapenexportcriteria en alleen doorgang vinden wanneer ze die toetsing doorstaan.
Deelt u de mening dat de levering van wapens aan Oekraïne in strijd zou zijn met de criteria voor wapenexport (geen wapens naar conflictgebieden, etc)?
Over de toepassing van dit beleid specifiek ten aanzien van Oekraïne is de Tweede Kamer in antwoorden op schriftelijke vragen al eerder (oktober 2018) geïnformeerd (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 409.
Er geldt geen wapenembargo voor Oekraïne op basis waarvan export van militaire goederen naar Oekraïne per definitie uitgesloten is. Alle vergunningaanvragen voor uitvoer van militaire goederen worden op individuele basis zorgvuldig getoetst aan de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Dit beleid verbiedt niet bij voorbaat alle militaire uitvoer naar instabiele regio’s, maar vereist per transactie een zorgvuldige analyse van de mogelijke effecten op de regionale stabiliteit. Op basis van, onder meer, de aard van de goederen, de beoogde inzet, en de actuele context wordt een eindafweging gemaakt over de risico’s en het al dan niet verlenen van een vergunning voor de desbetreffende transactie. Vanwege het conflict in het oosten van het land en de actuele spanningen aan de Oekraïens-Russische grens wordt bij de toetsing van aanvragen die betrekking hebben op Oekraïne extra aandacht besteed aan criteria 3 en 4, die respectievelijk gaan over interne conflicten en het effect op de regionale stabiliteit. Zie overigens ook het antwoord op vraag 7.
Bent u het ermee eens dat het onderscheid tussen defensieve en offensieve wapens zeer betrekkelijk is? Zo nee, hoe maakt u het onderscheid?
Het onderscheid tussen defensief en offensief is in een aantal gevallen wel, maar niet in alle gevallen helder te maken. Zo sluit een defensieve taakstelling van een militair goed het offensief gebruik ervan niet per se uit (en vice versa). Nederland maakt in het wapenexportcontrolebeleid geen onderscheid tussen offensieve en defensieve goederen. Alle transacties worden op individuele basis getoetst op basis van de acht criteria uit het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Hierbij wordt gekeken naar de aard van de goederen, de eindgebruiker en het (beoogd) eindgebruik in de op dat moment geldende context.
Waarom bent u van standpunt veranderd, aangezien het kabinet in december nog van mening was dat wapenleveranties niet bijdragen aan een vreedzame oplossing?
Het kabinet blijft zich internationaal in de eerste plaats inzetten voor een diplomatieke oplossing en schaart zich achter de vele initiatieven die daartoe via de NAVO, EU, OVSE, het Normandië-format en de bilaterale initiatieven van individuele landen lopen.
Tegelijkertijd heeft Oekraïne een legitieme veiligheidsbehoefte en het recht zijn territoriale integriteit te beschermen. Dit werd ook in antwoord op schriftelijke vragen in oktober 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2018–2019, nr. 409) al met de Tweede Kamer gedeeld. In deze beantwoording stelde het kabinet ook dat verscherpte tegenstellingen op het Europese continent eerst en vooral veroorzaakt worden door Russisch optreden ten aanzien van Oekraïne. Deze situatie duurt tot op heden voort en heeft zich sinds december 2021 in hoog tempo in negatieve zin ontwikkeld. Aan herhaaldelijke oproepen tot meer transparantie over en afschaling van zijn militaire presentie in het grensgebied heeft Moskou vooralsnog geen gehoor gegeven. Integendeel, er is in toenemende mate sprake van een serieuze dreiging van Russische militaire inzet tegen Oekraïne in enige vorm.
In deze context wil het kabinet parallel aan eerder genoemde diplomatieke inspanningen bijdragen aan de Oekraïense capaciteit om zich te kunnen verdedigen, waarbij vooropstaat dat dergelijke steun niet moet bijdragen aan verdere escalatie. Nu er binnen deze gewijzigde veiligheidscontext een Oekraïens verzoek tot bilaterale steun van militaire aard is gedaan, staat het kabinet daar in de huidige, substantieel gewijzigde situatie welwillend tegenover.
Waarom trekt u niet samen op met Duitsland, een land dat ook geen wapens levert aan Oekraïne?
Er is grote eensgezindheid tussen Nederland en Duitsland op dit dossier, zoals andermaal bleek tijdens mijn gesprek met mijn Duitse ambtgenoot Baerbock in Berlijn woensdag 26 januari jl. evenals uit de contacten die de Minister van Defensie en de Minister-President in de afgelopen periode met hun Duitse ambtsgenoten hebben gehad. Voorts is het niet aan het kabinet om een appreciatie te geven van de details van het Duitse wapenexportbeleid ten aanzien van Oekraïne.
In de meest recente vergadering (24 januari 2022) van de Raad Buitenlandse Zaken is ook uitgebreid gesproken over de situatie ten aanzien van Oekraïne om zo te komen tot een gezamenlijke politieke lijn. Tijdens deze vergadering zijn raadsconclusies aangenomen die het belang van dialoog nogmaals benoemen.3
Bent u het ermee eens dat de Russische agressie richting Oekraïne onacceptabel is, maar dat een kostbare wapenwedloop geen oplossing biedt?
Zoals in het antwoord op vraag 7 genoemd, blijft het kabinet zich internationaal, via verschillende gremia, inzetten voor een diplomatieke oplossing. Parallel aan eerder genoemde diplomatieke inspanningen, is het kabinet bereid bij te dragen aan de Oekraïense capaciteit om zich te kunnen verdedigen en staat het kabinet daarom in de huidige situatie welwillend tegenover het leveren van militaire goederen aan Oekraïne, mits beschikbaar en passend binnen de criteria.
Geeft u met mij ten allen tijde de voorkeur aan een politieke oplossing in plaats van escalatie, bewapening en een nieuwe (koude) oorlog? Zo ja, wilt u afzien van wapenleveranties aan Oekraïne?
Zie antwoorden op vragen 7 en 9 en mijn eerdere brief van 20 januari jl. (Kamerstuk 35 925-V, nr. 65).
Bent u bereid om in Europees verband te werken aan afspraken (in lijn met eerdere verdragen zoals de Helsinki Akkoorden en het Handvest van Parijs) over wapen- en conflictbeheersing? Zo nee, hoe wordt volgens u een duurzame oplossing bereikt?
Nederland benadrukt in NAVO-, EU- en OVSE-verband dat afschrikking en verdediging hand-in-hand moeten gaan met wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie. Dit sluit aan bij het huidige kabinetsbeleid, dat de lopende diplomatieke initiatieven in deze fora ondersteunt.
Zo hebben de Verenigde Staten en NAVO voorstellen gedaan voor het bespreken van onder andere wapenbeheersing, conflictpreventie en risicovermindering in de zogeheten Strategic Stability Dialogue tussen de VS en Rusland, en in de NAVO-Rusland Raad.
In EU-verband zijn tijdens de meest recente Raad Buitenlandse Zaken (24/1 jl.)
raadsconclusies aangenomen die het belang van dialoog nogmaals benoemen en stellen dat de EU actief en substantieel bijdraagt aan discussies in bestaande formats.4
De huidige voorzitter van de OVSE, Polen, heeft een voorstel gedaan voor een informele dialoog over Europese veiligheid. Het idee kan op brede steun rekenen, ook van Nederland. De invulling van het proces behoeft nog nadere uitwerking. De Russische delegatie heeft nog niet op het voorstel gereageerd.
Wilt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over Oekraïne op 3 februari?
Ja
Het Nederlandse vestigingsklimaat |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u van mening dat het vestigingsklimaat in Nederland de afgelopen jaren is bevorderd of verslechterd ten opzichte van andere landen?
Uit een onderzoek van Dialogic, dat in mei 2021 met uw Kamer is gedeeld1, komt naar voren dat het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat er in algemene zin relatief goed voor staat. Zoals ook in de begeleidende Kamerbrief aangegeven, is dit onderzoek voornamelijk gebaseerd op verschillende internationale ranglijsten. Deze ranglijsten komen tot stand op basis van metingen uit het verleden en kijken dus per definitie terug en niet vooruit. Recente ontwikkelingen en de impact daarvan op het toekomstige vestigingsklimaat zijn dan ook niet meegenomen in dit onderzoek.
Daarvoor zijn er natuurlijk wel indicatoren. Zo zie ik enerzijds dat nog steeds veel internationale bedrijven kiezen voor een investering in Nederland. Anderzijds hoor ik ook signalen van partijen uit het veld dat zij zich in toenemende mate zorgen maken over hoe het vestigingsklimaat zich ontwikkelt.2 Zoals in het Coalitieakkoord is aangegeven hecht het kabinet aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en dus neem ik deze signalen serieus. Ik zal uw Kamer nog in het eerste kwartaal van dit jaar verder informeren over hoe ik werk wil maken van het vestigingsklimaat.
Hoe bent u voornemens het Nederlandse vestigingsklimaat deze kabinetsperiode te verbeteren?
In de brief met de hoofdlijnen van mijn beleid heb ik aangegeven een aantrekkelijk vestigings- en investeringsklimaat van belang te vinden.3 Daarbij heb ik enkele factoren genoemd die ik belangrijk vind, zoals de stabiliteit en voorspelbaarheid van beleid, de beschikbaarheid van talent, het fiscale stelsel en de randvoorwaarden voor specifieke investeringen die bijdragen aan maatschappelijke transities. Zoals reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven zal ik uw Kamer in dit kwartaal hierover verder informeren. Ook streef ik ernaar om in het derde kwartaal van dit jaar een meer concrete aanpak met uw Kamer te delen.
Hoe verklaart u het vertrek van het hoofdkantoor van Shell uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk?
Het is primair aan Shell zelf om te communiceren over de redenen waarom ervoor is gekozen om het hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk te verplaatsen. Shell heeft aangegeven dat deze verplaatsing voortkomt uit de wens van het bedrijf om zijn structuur te versimpelen. Het was al langer bekend dat Shell haar aandelenstructuur wilde versimpelen, omdat deze vereenvoudiging onder meer het uitgeven en inkopen van aandelen en het doen van overnames vergemakkelijkt. Shell heeft daarbij aangegeven dat de extra snelheid en flexibiliteit die deze vereenvoudiging oplevert nodig is met het oog op de opgave in de energietransitie, ook in Nederland. Als onderdeel van deze vereenvoudiging is de fiscale thuisbasis van Shell samengevoegd met de juridische thuisbasis in het Verenigd Koninkrijk en is het hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk verplaatst.
CEO Van Beurden heeft aangegeven dat dit besluit geen vestigingsklimaataangelegenheid is, maar dat met de versimpeling van de aandelenstructuur wel het nadeel van het risico voor de aandeelhouders op dubbele belastingheffing wordt opgelost.4 De Nederlandse dividendbelasting vormde namelijk een (extra) last voor (buitenlandse) aandeelhouders indien zij de dividendbelasting niet geheel kunnen verrekenen, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn in het Verenigd Koninkrijk.
Bent u van mening dat de Milieudefensie-uitspraak enig effect heeft gehad op het besluit van Shell om diens hoofdkantoor naar het Verenigd Koninkrijk te verhuizen?
Het is niet aan mij om hierover te speculeren. Shell CEO Van Beurden heeft in het eerder genoemde interview5, vlak na de aankondiging dat Shell voornemens was haar hoofdkantoor te verhuizen, aangegeven dat deze beslissing niet is beïnvloed door het vonnis omdat Shell nog steeds een uitvoeringsverplichting heeft.
Bent u van mening dat de Milieudefensie-uitspraak het Nederlandse vestigingsklimaat heeft bevorderd of verslechterd?
De uitspraak van de rechter heeft alleen betrekking op het bedrijf Shell en raakt dus niet direct andere bedrijven. Wel ontvang ik signalen van bedrijven die zich afvragen of dit vonnis naar de toekomst toe ook mogelijke opvolging zal krijgen voor meer Nederlandse bedrijven. Zoals aangegeven in een Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger met een analyse van het Shell-vonnis6, zijn er mondiaal diverse klimaatzaken tegen bedrijven. Het Shell-vonnis is wel uniek omdat, voor zover mij bekend, dit de eerste uitspraak is waarbij een bedrijf een specifieke CO2-reductieverplichting krijgt opgelegd door een rechter. Zie verder ook het antwoord op vraag 9.
Kunt u uiteenzetten wat het bedrag is dat Milieudefensie aan inkomsten heeft gekregen van de overheid?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die de Vereniging Milieudefensie (hierna: Milieudefensie) de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om de Ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Buitenlandse Zaken (BuZa). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele rijksoverheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Vereniging Milieudefensie
Subsidieverlening project Houdbare Melk1vs 2018
EZK/LNV
72.500
2018
Vereniging Milieudefensie
DSO Protection of the Atewa Forest Ghana
BuZa
498.563
2018–2019
Vereniging Milieudefensie
Subsidie en coördinatiekosten Milieudefensie als coördinerend partner van de Green Livelihoods Alliance voor de uitvoering van het «Forest for Equity» programma in landen met tropisch regenwoud gedurende de periode 2016–2020.
BuZa
15.381.501
2016–2020
Vereniging Milieudefensie
Subsidie en coördinatiekosten Milieudefensie als coördinerend partner van de Green Livelihoods Alliance voor de uitvoering van het «Forest for a Just Future» programma in landen met tropisch regenwoud voor de periode 2021–2025. Dit betreft een nog lopend programma. Bedragen zijn daarom onder voorbehoud.
BuZa
11.332.502
2021–2025
Kunt u hetzelfde voor Urgenda uiteenzetten?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die Urgenda de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om het Ministerie van LNV en de uitvoeringsorganisatie Rijksinstituut voor Ondernemend Nederland (RVO). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele overheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Stichting Urgenda
Jong Leren Eten-Duurzaam Door2
LNV (RVO)
7.500
2018
Stichting Urgenda
Opdrachtverlening grote boerenverplantactie
LNV
21.780
2021
Stichting Urgenda
Subsidie LNV hectare verdubbelaar, 1.001 hectare kruidenrijk/grasland bij melkveehouders
LNV
120.120
2021
Kunt u hetzelfde voor Natuurmonumenten uiteenzetten?
Onderstaande tabel geeft een zo compleet mogelijk overzicht van de bedragen die de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland (hierna: Natuurmonumenten) de afgelopen vijf jaar heeft ontvangen van onderdelen van de rijksoverheid die inhoudelijk de sterkste link hebben met deze organisatie. Het gaat hierbij om de Ministeries van EZK, LNV en Infrastructuur en Waterstaat (IenW), en uitvoeringsorganisaties RVO en Rijkswaterstaat (RWS). In de meeste gevallen gaat het om verstrekte subsidies. Een compleet overzicht van de verstrekte bedragen door de gehele overheid is gezien de separate administraties en de gewenste beantwoordingstermijn onhaalbaar.
Natuurmonumenten
Gebruik vergaderboerderij Ackerdijkse Plassen
EZK/LNV
3.438
2018
Natuurmonumenten
Directieuitje N&B van Economische Zaken in Kraggenburg
EZK/LNV
5.281
2018
Natuurmonumenten
Bezoek aan natuurgebied de wieden 12-9-2017
EZK/LNV
300
2018
Natuurmonumenten
Lunch Marker Wadden d.d. 07 maart 2019
LNV
203
2019
Natuurmonumenten
LNV AGRO Convenant
LNV (RVO)
249.100
2019
Natuurmonumenten
Subsidie New life for Dutch fens
EZK/LNV
642.632
2019
Natuurmonumenten
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) kunnen zakelijke gebruikers in aanmerking komen voor subsidie voor een zonneboiler, een warmtepomp, aansluiting op een warmtenet en voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen
EZK (RVO)
24.960
2020
Natuurmonumenten
Met de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) kunnen zakelijke gebruikers in aanmerking komen voor subsidie voor een zonneboiler, een warmtepomp, aansluiting op een warmtenet en voor kleinschalige windturbines en zonnepanelen
EZK (RVO)
24.960
2021
Natuurmonumenten
Tijdelijke Ondersteuning Nationale Parken
LNV (RVO)
87.200
2021
Natuurmonumenten
Regeling Versneld Natuurherstel
LNV (RVO)
4.465.319
2021
Natuurmonumenten
Inzet voor het programma Natuur
LNV
20.674
2021
Natuurmonumenten
Diverse beheerwerkzaamheden (o.a. vegetatiebeheer, overgangsbeheer en onderhoud), planvoorbereiding, excursies met gids en teamdagen
IenW (RWS)
233.917
2021
Natuurmonumenten
Subsidie voor het project Waddenmozaïek, voor het in kaart brengen van de onderwaternatuur van de Waddenzee en onderzoek naar duurzame herstelmaatregelen
IenW
125.000
2021
Natuurmonumenten
Excursie Afdeling Waterveiligheid
IenW
500
2021
Bent u van mening dat het ultimatum van Milieudefensie het Nederlandse vestigingsklimaat zal bevorderen of verslechteren?1
Bedrijven hechten bij het doen van investeringen aan voorspelbaarheid en betrouwbaarheid, omdat dit hen meer investeringszekerheid geeft. Daarom heb ik in mijn hoofdlijnenbrief ook aangegeven dat de stabiliteit en voorspelbaarheid van beleid een belangrijke factor is voor het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat.
Vanuit bedrijven ontvang ik verschillende signalen dat zij zich zorgen maken over deze voorspelbaarheid. Daarbij wordt soms ook verwezen naar de klimaatzaak tegen Shell en mogelijke volgende zaken tegen andere bedrijven. De overheid is geen partij in dergelijke zaken, daarom is het ook niet aan mij om daar een inhoudelijke uitspraak over te doen. Tegelijkertijd is het wel aan de overheid om de signalen over ervaren onzekerheid mee te nemen en te zorgen voor stabiel en betrouwbaar beleid, zodat bedrijven met zo veel mogelijk zekerheid kunnen investeren. Dit is ook een belangrijk uitgangspunt voor onder andere hoe om te gaan met de verduurzaming van de industrie. Ik zal u voor het zomerreces verder informeren over de invulling van dit strategisch industriebeleid.
Kunt u elke vraag afzonderlijk beantwoorden en binnen de gebruikelijke beantwoordingstermijn van drie weken?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Op 22 februari jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd dat beantwoording binnen drie weken niet haalbaar bleek omdat het verzamelen van informatie en de benodigde interdepartementale afstemming ten behoeve van de beantwoording meer tijd kostte. Ik heb deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht 'Vandalen coronarellen ontlopen betalen van aangerichte schade' |
|
Hilde Palland (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Vandalen coronarellen ontlopen betalen van aangerichte schade»?1
De rellen in januari 2021 gingen gepaard met volstrekt onacceptabel en strafbaar gedrag, zoals vandalisme, plunderingen en geweld tegen de politie. Dat was niet alleen een grove aantasting van de rechtsorde, maar maakte ook moedwillig medeburgers tot slachtoffer waaronder reeds door corona zwaar getroffen ondernemers. Voor slachtoffers is het verhalen van schade van groot belang. Niet alleen omdat dit zorgt voor materieel herstel, maar ook omdat dit zorgt een vorm van erkenning van het aangedane leed. Dat de dader de door hem aangerichte schade moet betalen, staat hierbij uiteraard voorop. Iedereen is in beginsel verantwoordelijk voor de gevolgen van zijn of haar handelen en dus ook voor het vergoeden van veroorzaakte schade.
Na de betreffende rellen stond in de eerste plaats het opsporen en berechten van de daders centraal. Ten aanzien van de toegebrachte schade heeft mijn ambtsvoorganger in debat met uw Kamer2 toegezegd dat de getroffen ondernemers schadeloos gesteld zouden worden voor de schade die zij hebben geleden als gevolg van de rellen voor zover dit niet door een verzekering of anderszins gedekt wordt. Het algemene beeld is dat de daarvoor in aanmerking komende ondernemers inderdaad zijn gecompenseerd voor hun schade.
Daarnaast heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat het de inzet was dat de daders van de rellen zoveel als mogelijk zouden opdraaien voor de schade die zij hebben veroorzaakt. Het verhalen van de schade op de daders verloopt via verschillende routes, namelijk via het strafproces en via het vorderen op daders van vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen uitgekeerde schade. Dit is ten dele en met name via het strafproces succesvol geweest. De afwikkeling daarvan is nog niet afgerond, zodat het nog te vroeg is voor een eindoordeel over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Is het correct dat gemeenten, de overheid en verzekeraars opdraaien voor de miljoenenschade die vandalen een jaar geleden hebben aangericht bij de avondklokrellen in plaats van de vandalen zelf?
Het merendeel van de ondernemers was, zoals mijn voorganger in zijn brief van 9 februari 2021 heeft aangegeven3, verzekerd tegen dit soort schade en verzekeraars keren in de regel snel uit bij meldingen van materiële schade.
De totale verzekerde schade als gevolg van de rellen wordt door het Verbond van Verzekeraars geschat op € 1 mln. Verzekeraars kunnen vervolgens via subrogatie in de rechten van het slachtoffer treden, waarbij zij in een civiele procedure de schade kunnen verhalen op de daders. In hoeverre verzekeraars van deze mogelijkheid gebruik maken is een keuze die aan de verzekeraars is. Ik sta in contact met het Verbond van Verzekeraars om te vernemen hoe dit verloopt.
Bij rellen zoals deze gaat het in de regel om onoverzichtelijke, chaotische situaties. Het vergt daardoor uitvoerig onderzoek om te kunnen achterhalen of veroorzaakte schade aan een dader kan worden toegerekend. Politie en Openbaar Ministerie hebben hier veel tijd in gestoken. Als uit camerabeelden, getuigenverklaringen of processen-verbaal van aanwezige politieambtenaren niet kan worden vastgesteld of een relschopper bepaalde schade heeft veroorzaakt, is het eisen en opleggen van het vergoeden van deze schade niet mogelijk.
Op basis van cijfers van het OM, de Rechtspraak en het CJIB kan ik u het volgende meedelen over hetgeen tot nu toe is verhaald aan schade op daders.4 Wat betreft verhaal via het strafproces heeft het OM 404 verdachten van de betreffende rellen geregistreerd, waarvan 312 verdachten zijn gedagvaard of opgeroepen. Hierbij ging het om diverse strafbare gedragingen, ook om delicten waarbij geen sprake was van schade. In een aantal zaken heeft zich een benadeelde partij gevoegd. Bij het CJIB zijn van 55 daders vonnissen bekend waarbij een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Hiermee is een totaal schadebedrag van ruim € 551.000,– gemoeid. Deze schadevergoedingen komen ten goede aan 70 benadeelde partijen. Op het moment dat de vonnissen bij het CJIB binnenkomen, begint het CJIB direct met het innen van de schadevergoedingsmaatregelen. Op 19 januari 2022 was ruim € 36.700,– geïnd. Aan de inning van het resterende geld wordt volop gewerkt. Daarnaast zijn er nog 180 strafzaken waarin door de rechter een straf is opgelegd, maar die nog moeten worden aangeleverd aan het CJIB. Hierbij zitten mogelijk ook vonnissen waarin een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.
Gelet op het bedrag van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en de strafzaken die nog moeten worden aangeleverd bij het CJIB, kan nog geen eindoordeel kan worden gegeven over de mate waarin het verhaal op daders is gelukt. Ik kan u echter verzekeren dat het mijn ambitie is om daders zoveel als mogelijk te laten betalen voor de aangerichte schade.
Vanuit de Regeling bedrijvenschade coronarellen is aan 36 ondernemers in totaal een bedrag van € 228.150,– aan schade vergoed. Op dit moment wordt onderzocht of en op welke wijze de uit de Regeling vergoede schade op de daders kan worden verhaald. Ik verwijs u op dit punt verder naar de beantwoording op vraag 5.
In welke mate is dit (het gestelde onder vraag2 te wijten aan fouten van justitie en het gebrek aan prioriteit?
Graag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2, waarin duidelijk wordt hoezeer de politie, het OM en de Rechtspraak hebben ingezet op het opsporen, vervolgen en berechten van geweldplegers en het vorderen van schadevergoedingen. Ik heb geen aanwijzingen dat het niet kunnen verhalen van schade op de dader te wijten is aan het tekortschieten van het justitiële apparaat.
Is het correct dat diverse relschoppers veroordeeld zijn tot het storten van geldbedragen in een schadefonds en dat dit schadefonds (bijvoorbeeld voor Amsterdam n.a.v. Museumpleinrellen), zou niet zijn opgericht vanwege wettelijke drempels? Welke wettelijke drempels liggen in de weg aan het oprichten van een schadefonds? Waarom is de Kamer daar niet eerder op gewezen dat er wettelijke drempels te slechten zijn voor het oprichten van een schadefonds? Bent u bezig met een wetsvoorstel om deze wettelijke drempels te slechten? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze verwachten? Zo nee, waarom niet?
Specifiek voor de betreffende rellen heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd te komen met zoiets als een fonds om getroffen ondernemers schadeloos te stellen voor de schade die zij niet vergoed krijgen van de verzekering. Deze toezegging heeft uiteindelijk vorm gekregen in een Regeling die is uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zoals bij brief aan Uw Kamer is gemeld6 en in de Staatscourant is gepubliceerd7. Er zijn in het kader van de rellen waarvoor de regeling gold, voor zover mij bekend, geen strafzaken waarbij een rechter tot veroordeling van storting van een geldbedrag in een fonds is overgegaan.
In antwoord op het geweld tijdens de Museumpleinrellen in Amsterdam, die over een langere periode hebben plaatsgevonden, heeft de rechter als bijzondere voorwaarde opgelegd dat de veroordeelde een geldbedrag moet betalen op het moment dat er een fonds wordt opgericht ter vergoeding van schade aan gedupeerden/de gemeente Amsterdam. Anders dan bij de rellen waarvoor de regeling gold ging het hier niet zozeer om schade aan ondernemingen, maar om schade aan bijvoorbeeld wegdek van de gemeente en politievoertuigen. Van deze 37 zaken waren er op 19 januari 2022 13 zaken bij het CJIB aangeleverd met een totaalbedrag van € 5.200,–. Inmiddels is gebleken dat in twee zaken daarvan de bijzondere voorwaarde tot storting in een op te richten fonds in hoger beroep niet meer is opgelegd. Momenteel wordt in overleg met het OM, het CJIIB en de gemeente Amsterdam bekeken op welke wijze deze bijzondere voorwaarde het beste ten uitvoer gelegd kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van een lokaal fonds.
Hoe groot acht u de kans dat het geld dat door de overheid is uitbetaald via de «Regeling bedrijvenschade coronarellen» nog via civiele procedures op daders kan worden verhaald? Welke stappen onderneemt u hiertoe?
Bij de vormgeving van de Regeling Bedrijvenschade is opgenomen dat de ondernemers die via de RVO een beroep doen op deze regeling daarmee automatisch hun vordering op een (eventuele) dader overdragen aan de overheid. Dit is gebeurd via een zogenaamde akte van cessie. De achterliggende gedachte was dat zodoende de schade waarvoor een uitkering was verstrekt alsnog op de daders kan worden verhaald. Het is mijn intentie om dit ook zoveel mogelijk te doen, vanuit de gedachte dat als iemand schade veroorzaakt deze er ook voor moet opdraaien. Tegelijkertijd ben ik mij ervan bewust dat dit een complexe aangelegenheid is, onder meer vanwege de privacywetgeving. Op dit moment bekijk ik daarom samen met het OM of en zo ja op welke wijze de schade waarvoor een tegemoetkoming is gegeven gekoppeld kan worden aan een dader. Ik verwacht uw Kamer hierover voor de zomer nader te kunnen berichten.
Hoe beoordeelt u de uitspraken over het verhalen van schade op daders in Nederland van onderzoeker Arlette Schijns aan de VU Amsterdam «Het is eigenlijk het vijfde wiel aan de wagen bij strafzaken» en «Er wordt gewoon te weinig aandacht aan besteed»? Waarom is dat zo?
Bij een strafzaak staat de vervolging van de verdachte voor een strafbaar feit centraal. De afgelopen jaren hebben de rechten van slachtoffers, waaronder het verhalen van schade van het slachtoffer, een steeds belangrijker plek in het strafproces gekregen. Als voorbeeld wijs ik op de OM-Aanwijzing Slachtofferrechten8 waarin het beleid van het OM ten aanzien van schadeverhaal is opgenomen en dat inhoudt dat het OM het slachtoffer zo goed als mogelijk ondersteunt bij het verkrijgen van een vergoeding van diens materiële en immateriële schade. Tegelijkertijd heb ik ervaren dat de mogelijkheden om de schade op de daders te verhalen in de praktijk begrensd blijken te zijn en dat hier nog verbeteringen in mogelijk zijn, zoals ook de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten» in haar rapport9 concludeert. De Commissie benadrukt hierin het uitgangspunt dat de dader aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer lijdt. In het verlengde daarvan doet de commissie voorstellen om de mogelijkheden om de dader te verplichten tot een financiële schadevergoeding te bevorderen en te verruimen. Op dit moment wordt samen met de betrokken ketenpartners gesproken over de inhoud van het rapport. De voorstellen worden gezamenlijk uitgewerkt, waarbij de consequenties, uitvoerbaarheid en kosten in kaart worden gebracht. De Minister voor Rechtsbescherming zal uw Kamer voor het einde van het jaar middels een inhoudelijke beleidsreactie op het advies nader informeren.
Is het ook uw beeld dat er grote regionale verschillen zijn in het verhalen van schade op relschoppers, zoals in het onderzoek van RTL Nieuws? Kunt u ons nader informeren over die regionale verschillen en eventuele onderliggende oorzaken van die verschillen?
Cijfers rondom het strafrechtelijk vorderen van de schademaatregelen worden niet geregistreerd. Hierdoor kan niet inzichtelijk worden gemaakt of er grote verschillen zijn tussen de regio’s.
In meer algemene zin is bij de aanpak na de rellen ervaren dat het grote aantal personen dat kon worden berecht en bestraft, behaald is door nauwe samenwerking tussen OM en politie en het direct na de rellen inrichten van gezamenlijke werkprocessen.
Is er een mogelijkheid dat het CJIB alsnog de geldbedragen waartoe relschoppers zijn of worden veroordeeld int en deze «parkeert» op een G-rekening om deze bedragen alsnog later uit te kunnen keren waar ze voor bedoeld zijn?
Graag verwijs ik u naar mijn beantwoording op vraag 4. Momenteel wordt in overleg met het OM, het CJIB en de gemeente Amsterdam bekeken op welke wijze deze bijzondere voorwaarde het beste geëxecuteerd kan worden.
Welke motivering ligt eraan ten grondslag dat in veel gevallen door het Openbaar Ministerie (OM) geen schadevergoeding geëist is van de relschoppers? Kan dit worden verholpen?
Graag verwijs ik u naar mijn beantwoording van vraag 2. Mijn Ministerie staat doorlopend in contact met het OM teneinde te bezien hoe eventuele praktische knelpunten kunnen worden opgelost.
Daarnaast heeft de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten» in haar rapport ook voorstellen gedaan voor de situatie waarin de verantwoordelijkheid voor specifieke schade van een slachtoffer niet aan een dader kan worden toegerekend. In de beleidsreactie zal hierop nader worden ingegaan.
Welke motivering heeft de rechter erbij om in veel gevallen het opleggen van schadevergoeding af te wijzen?
De strafeis van de officier van justitie kan niet (geautomatiseerd) uit de informatiesystemen van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie worden afgeleid. Het is daarom niet mogelijk om na te gaan in welke strafzaken de rechter een van de strafeis afwijkende beslissing heeft genomen ten aanzien van de vordering benadeelde partij en welke motivering daaraan ten grondslag lag.
Ben u in gesprek of bent u bereid om in gesprek te gaan met OM en de rechterlijke macht om te verkennen of er praktische knelpunten liggen in het verhalen van schade op relschoppers en welke oplossingsmogelijkheden vanuit de praktijk van OM en rechterlijke macht daarin worden gezien?
Zie antwoord vraag 9.
Is het mogelijk en bent u voornemens om een «script» klaar te hebben liggen, zoals de suggestie van deskundige Arlette Schijns, hoe om te gaan met verhaal van schade na rellen op de relschoppers voor onverhoopte toekomstige situaties?
Wij zullen deze suggesties betrekken bij de in het antwoord op vraag 6 aangegeven gezamenlijke uitwerking van de voorstellen van de Commissie «Onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten».