Het artikel 'Baanbrekende technologie kan CO2-uitstoot met 99 procent verminderen' |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Baanbrekende technologie kan CO2-uitstoot met 99 procent verminderen» door Wetenschap in Beeld?1
Ja.
Hoe apprecieert u de nieuwe techniek om door middel van een elektrochemisch systeem op basis van waterstof, CO2 uit de lucht te onttrekken? Welke mogelijkheden ziet u voor Nederland om aan te sluiten bij dit onderzoek? Bent u ook voornemens om dit te gaan doen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het betreft een interessant onderzoek naar een nieuwe technologie om CO2 uit de lucht te filteren door het gebruik van waterstof. De technologie legt de CO2 niet definitief vast zodat het niet direct een oplossing biedt voor het klimaatvraagstuk. Zoals aangeven bij het antwoord op vraag 4 loopt er een verkennend onderzoek naar de mogelijkheden van technieken die negatieve emissies veroorzaken. In de kabinetsreactie op dat onderzoek wordt de kabinetsinzet toegelicht.
Wat is het huidige kabinetsbeleid ten opzichte van het onttrekken van CO2 uit de lucht door bijvoorbeeld de toepassing van Carbon capture and utilization (CCU) of andere vormen van negatieve emissies? Welke rol en potentie ziet u hiervoor weggelegd in de energietransitie?
Het huidige beleid richt zich met name op het faciliteren van CCUS voor vermijding van fossiele CO2-uitstoot, zoals via de SDE++, maar het kabinet onderkent de mogelijke bijdrage van CCU op basis van biogene CO2 en atmosferische CO2 (Direct Air Capture (DAC). Met die technieken kan gekomen worden tot negatieve emissies, mits de CO2 daarbij permanent wordt vastgelegd. Negatieve emissies kunnen nodig zijn ter compensatie van lastig te mitigeren emissies. Het kabinet zal hier aandacht aan besteden in de update van de langetermijnstrategie die in 2019 bij het Klimaatplan is aangeboden aan uw Kamer en ingediend bij de Europese Commissie. Het kabinet wil deze visie als onderdeel van het nieuwe Klimaatplan op basis van de Klimaatwet (eind 2023/begin 2024) gereed hebben.
Wat is de huidige stand van zaken in Nederland op het gebied van technieken die bijdragen aan het afvangen en verwijderen van CO2 uit de lucht? Welke technieken zijn er beschikbaar en welk onderzoek loopt er? Wat doet de overheid om dit te stimuleren en wat is hier het afwegingskader?
Naar aanleiding van de motie van 8 juli 2021 van de leden Henri Bontenbal (CDA) en Mustafa Amhaouch (CDA) is een verkennend onderzoek gestart naar de mogelijkheden van technieken die negatieve emissies veroorzaken. De resultaten van dit onderzoek verwacht ik u voor de zomer met een kabinetsreactie toe te sturen.
Wat is er nodig om technieken voor het afvangen en verwijderen van CO2 uit de lucht verder op te schalen in Nederland? Welke knelpunten ervaren de verschillende technieken en wat kan de overheid hieraan doen?
In de brief waarmee ik het onderzoek, waar in het antwoord op vraag 4 naar verwezen wordt, aan de Tweede Kamer aanbiedt zal ik ook ingaan op het beantwoorden van deze vraag.
De berichten 'Banken weren contant geld, bedrijven radeloos' en 'Hoe een metaalhandelaar tot wanhoop wordt gedreven door de bank' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Banken weren contant geld, bedrijven radeloos» en «Hoe een metaalhandelaar tot wanhoop wordt gedreven door de bank»?1 2
Ja.
Is het u bekend dat banken vanuit hun poortwachtersfunctie streng beleid voeren op ondernemers die veel contant geld gebruiken en banken van daaruit ondernemers proberen te bewegen op korte termijn geen grote contante transacties meer uit te voeren, op straffe van het sluiten van hun bankrekening?
Ik heb vernomen dat er banken zijn die klanten, waarbij sprake is van excessief gebruik van contant geld, vragen om het aantal contante transacties terug te brengen naar een niveau dat meer aansluit bij het gemiddelde gebruik van contant geld in de betreffende sector. Contant geld is een van de indicatoren voor een verhoogd risico op witwassen. Het uitvragen van additionele informatie over bepaalde chartale transacties kan onderdeel zijn van het cliëntenonderzoek. Een mitigerende maatregel kan zijn dat het aantal cashtransacties dat de klant kan uitvoeren wordt verlaagd, om zo het risico op witwassen te mitigeren. Ik vind het hierbij wel belangrijk dat de genomen maatregelen cliëntspecifiek en proportioneel zijn en genomen worden na gedegen cliëntonderzoek en in overleg met de klant in kwestie, zodat voorkomen wordt dat het legitiem gebruik van contant geld bemoeilijkt wordt zonder aantoonbare reden.
Is het u bekend dat bepaalde sectoren afhankelijk zijn van contant geld en zich vanwege dit beleid van banken in hun onderneming bedreigd voelen, zoals de metaalsector die veel handelt in Duitsland waar contant geld meer de norm is dan in Nederland?
Ja.
Is het u bekend dat banken hoge administratieve lasten aan ondernemingen opleggen voor de controle op gebruik van grote bedragen contant geld?
Zie antwoord vraag 2.
Van welke sectoren zijn dergelijke signalen zoals genoemd in vragen 2, 3 en 4 u bekend?
Ik beschik niet over een volledig overzicht van de banken die mitigerende maatregelen nemen op het gebied van contant geld en hoe die mitigerende maatregelen er precies uit zien. Wel heb ik signalen ontvangen dat er banken zijn die bepaalde klanten vragen om het gebruik van contant geld te beperken. Dit zijn met name klanten die actief zijn in sectoren waar een verhoogd risico op witwassen is en contant geld relatief veel gebruikt wordt, zoals de metaal- en schrootsector, autosector, coffeeshopsector, en de agrarische sector.
Ziet u voor deze sectoren reële alternatieve opties voor het gebruik van contant geld, waarmee zij niet in het voortbestaan van hun onderneming beperkt worden? Ziet u voor deze sectoren nog andere mogelijkheden voor het geven van waarborgen op legitiem gebruik van contant geld?
Zoals ik ook heb aangegeven in de beantwoording van de voorgaande vragen, vind ik het belangrijk dat banken hun verplichtingen uit de Wwft nakomen, maar vind ik het ook belangrijk dat zij bij het nemen van mitigerende maatregelen oog hebben voor proportionaliteit en het legitiem gebruik van contant geld. Ik vind het belangrijk dat eventuele maatregelen genomen worden na gedegen cliëntonderzoek en overleg met de klant in kwestie, en dat maatregelen klantspecifiek en proportioneel zijn. Naar ik begrijp passen banken deze maatregelen toe voor handelaren waar sprake is van excessief gebruik ten opzichte van andere handelaren in de sector. Er zal een zekere mate van beperking zijn om de hoeveelheid contant geld terug te brengen naar vergelijkbare hoeveelheden, maar ik verwacht niet dat dit het voortbestaan van het bedrijf schaadt, omdat bedrijven grotendeels kunnen overstappen op girale betalingen. Mocht dit wel het geval zijn, dan is het belangrijk dat deze ondernemingen (opnieuw) met hun bank in gesprek kunnen gaan en aantonen waarom de hoeveelheid contant geldtransacties in hun geval valide en noodzakelijk is.
Wat vindt u van de signalen dat vooral het korte tijdspad waarmee bedrijven van het gebruik van contante geld moeten afstappen en de kosten voor zakelijke girale transacties op weerstand stuiten bij ondernemers? Ziet u in die richting oplossingen om ondernemers tegemoet te komen?
Zoals ik ook heb aangegeven in de vorige antwoorden vind ik het belangrijk dat een maatregel genomen wordt in overleg met de klant in kwestie. Het opstellen van een realistisch tijdpad zou mijns inziens onderdeel moeten zijn van dit overleg. Wanneer dit niet het geval is zou ik de klant adviseren om nogmaals in gesprek te gaan met de bank en gezamenlijk alternatieven te verkennen.
Wat vindt u van het spanningsveld tussen (1) banken die streng beleid voeren richting ondernemers vanwege vrees voor het toezicht van De Nederlandsche Bank (DNB) met mogelijk miljoenenboetes tot gevolg, en (2) DNB die enerzijds streng toezicht op banken voert waar een witwasaanpak tekortschiet, maar anderzijds ook vindt dat de inspanningen van banken om witwassen en fraude op te sporen niet het legitieme gebruik van contant geld mogen bemoeilijken?
Ik zie het spanningsveld. De afgelopen maanden heeft De Nederlandsche Bank gesprekken gevoerd met de belangrijkste partijen uit het betalingsverkeer, zoals de banken, vertegenwoordigers van verschillende typen consumenten en toonbankinstellingen en chartale dienstverleners, over een Convenant Contant Geld. Mijn ministerie is zelf geen partij bij het convenant, maar is wel betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan. In het Convenant Contant Geld, dat ik op 8 april heb aangeboden aan uw Kamer3, biedt DNB richtlijnen over hoe banken hun verplichtingen uit anti-witwasregelgeving kunnen naleven in relatie tot (de toegang tot) chartale dienstverlening. Zo is onder andere afgesproken dat banken de medewerking van toonbankinstellingen kunnen vragen, binnen de grenzen van de geldende wetgeving, om mogelijke witwas- of andere criminele transacties te achterhalen. Waarbij banken toezeggen dat de gevraagde medewerking proportioneel is. Ook is afgesproken dat banken zich ertoe verbinden de anti-witwas- en anti-terrorismefinancieringsmaatregelen die het gebruik van contant geld kunnen beïnvloeden, proportioneel in te zetten en toe te spitsen op de specifieke risico’s per cliënt zodat het legitieme gebruik van contant geld niet wordt gehinderd.
Hoe kan er volgens u in een gevoelige maatschappelijke en politieke context een eerlijke balans worden gevonden tussen legitiem gebruik van contant geld door ondernemers en een stevige poortwachtersfunctie van banken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u betrokken bij de overleggen van DNB, banken en belangenclubs die hierover met elkaar proberen afspraken te maken en kunt u ons op de hoogte brengen van de status en uitkomsten van deze overleggen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is volgens u een gebalanceerde aanpak met betrekking tot het gebruik van contant geld door ondernemers voor hun legitieme onderneming en het beteugelen van criminaliteit door bankenvanuit hun poortwachtersfunctie?
Ik vind het belangrijk dat er sprake is van een toegankelijk betalingsverkeer, zowel giraal als chartaal, en dat contant geld ook geaccepteerd wordt door bedrijven als betaalmiddel. Er worden verschillende initiatieven ondernomen om dit te garanderen, zoals het eerder aangehaalde Convenant Contant Geld en het Actieplan Toegankelijk Betalingsverkeer. Tegelijkertijd levert contant geld in grote getallen wel een verhoogd integriteitsrisico op. Ik vind het belangrijk dat banken bij het cliëntenonderzoek daar oog voor hebben. Een mitigerende maatregel in het kader van een witwasrisico bij een klant is de mogelijkheid tot het beperken van contant geld. Dit kan betekenen dat een bedrijf een tot nu toe lopend betaalmodel moet aanpassen. Gelet op de opgave voor de samenleving om criminele geldstromen te stoppen, is het onvermijdelijk dat ook burgers en ondernemers in aanraking komen met de gevolgen van de eisen die horen bij de poortwachtersfunctie. Ik vind het wel belangrijk dat via bijvoorbeeld contact met de branchevereniging wordt gekeken hoe bank en sector gezamenlijk tot mitigerende maatregelen kunnen komen indien er een sector is met een inherent hoog witwasrisico.
Het direct of indirect volgen van politiek geëngageerde burgers op de social media en het mogelijk plegen van censuur |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Kuipers , Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Uit wob documenten blijkt dat het Rijk massale controle uitvoert op media en burgers» en «NCTV bespioneerde influencers en politici tijdens coronapandemie»?1 2
Ja.
Klopt het dat Hans van Tellingen, bestuurslid van de politieke partij BVNL, door de rijksoverheid direct of indirect is gevolgd voor zijn kritische uitingen op de social media over het coronabeleid? Zo ja, op welke manier? Welke overheidsinstellingen, bedrijven en/of individuen waren hierbij betrokken?
Nee, dit klopt niet. Zoals toegelicht tijdens het vragenuur op 15 maart 2022 en in de Kamerbrief3, zijn er tijdens de coronacrisis omgevingsbeelden opgesteld door het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie Covid-19 (NKC-C19) en de directie Communicatie van het Ministerie van VWS. Deze werden gedeeld met meerdere departementen (die samenwerkten in het NKC-C19) en met de veiligheidsregio’s. Bij het opstellen van omgevingsbeelden wordt gebruik gemaakt van een online tool waarmee zoekopdrachten kunnen worden uitgevoerd op sociale media. Daarbij worden zoektermen zoals: «corona» of «afstand houden» gebruikt. In dit soort programma’s is het gemakkelijk om sociale mediaposts met een groot bereik in beeld te krijgen. Een groot bereik houdt in dat veel mensen zo’n post gezien of geliked of gedeeld hebben. De opstellers van de omgevingsbeelden zijn op zoek naar sociale mediapost met een hoog bereik omdat dat een goede indicatie is voor wat er speelt in het maatschappelijk debat en wat voor vragen er in de samenleving zijn. Dit is ook de reden dat mensen zoals opiniemakers, journalisten en Kamerleden in de omgevingsbeelden naar voren komen. De analisten nemen in de omgevingsbeelden niet alleen sociale media-posts op waarin kritiek staat op het Kabinetsbeleid, maar ook posts die de aanpak of ontwikkelingen ondersteunen. De posts dienen als illustratie van verschillende geluiden in het politieke en maatschappelijke debat. In die context zijn de omgevingsbeelden niet meer dan een hedendaagse vorm van de klassieke knipselkrant. De mensen die dit soort online tools gebruiken mogen niet zoeken op individuen. Dit betekent dus ook dat er geen monitoring gericht op personen plaats vindt.
Welke departementen waren betrokken bij het «Debunken wanneer het bereik en effect groot is»?3 Op welke manier hebben deze departementen actie ondernomen en met welk resultaat? Zijn de betrokken departementen tevreden met het bereikte resultaat? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Is hier sprake van censuur? Indien nee, hoe omschrijft u deze acties?
Het kabinet hecht het grootste belang aan een open debat. De vrijheid van meningsuiting staat daarbij altijd voorop. Verscheidenheid aan opvattingen en kritische debatten geven zuurstof aan onze democratie. Dit dient ook altijd beschermd te worden door het kabinet. Wel acht het kabinet het van belang, om bij ondermijnende desinformatie op te kunnen treden. Het «debunken», oftewel ontkrachten van desinformatie, houdt in dat de overheid zelf misleidende informatie tegenspreekt. Zoals aangegeven in de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie, ligt er voor de overheid een rol in het weerspreken van desinformatie bij een dreiging voor de politieke, economische stabiliteit, volksgezondheid of nationale veiligheid5.
In principe heeft elk departement de mogelijkheid om dit te doen via de eigen sociale mediakanalen. Dit zijn kleine communicatie-acties (in het algemeen niet meer dan het plaatsen van een post op sociale media, die soms gedeeld wordt door andere ministeries). Een voorbeeld daarvan is de respons op een bericht in de campagnestijl van de vaccinatiecampagne waarin stond dat het kabinet ondernemers verplichtte om zich te laten vaccineren. Dat is door het Ministerie van EZK in een sociale media post ontkracht. Het kabinet is en blijft wel terughoudend in het tegenspreken van misleidende berichten, het ontkrachten van desinformatie blijft primair een taak van onafhankelijke media en wetenschap. Er is geen sprake van censuur, het plaatsen van berichten wordt niet verboden of vooraf inhoud gecontroleerd en er worden achteraf ook geen berichten van anderen verwijderd. Er wordt niet gemonitord wat het effect is. We kunnen dus ook niet zeggen of we wel of niet tevreden zijn met het resultaat.
Kunt u aangeven met welke techbedrijven afspraken zijn gemaakt over het verwijderen van bepaalde berichten?4 Wat houden deze afspraken in? Welke berichten zijn verwijderd op grond van deze afspraken? Op grond van welke regelgeving werden deze afspraken gemaakt? Is hier sprake van censuur? Indien nee, hoe omschrijft u deze acties?
Met online platformen worden geen afspraken gemaakt om berichten te verwijderen, alleen op grond dat deze desinformatie zouden zijn. Daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag en het kabinet is niet voornemens om die grondslag te maken. Desinformatie als fenomeen valt binnen de vrijheid van meningsuiting. Het juridisch verbieden van bepaalde informatie, alleen op de grond dat de informatie onjuist of misleidend is, zonder aanvullende eisen, zoals het schaden van iemands reputatie of de rechten van een ander, valt moeilijk te rijmen met het recht op vrijheid van meningsuiting.
Een algemeen verbod op de verspreiding van desinformatie of niet-objectieve informatie is niet verenigbaar met de internationale normen voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting. Dit onderstrepen de juristen van het Instituut voor Informatierecht (IViR) van de Universiteit van Amsterdam in hun rapport over het huidige juridisch kader voor de verspreiding van desinformatie ook.7 Het juridische kader rondom online content is uiteengezet in de brief over content moderatie en vrijheid van meningsuiting op online platformen8. Rondom Covid-19 desinformatie hebben de grote online platformen zoals Meta en Google wel zelf specifieke regels opgesteld in hun gebruikersvoorwaarden. De Europese Commissie heeft online platformen opgeroepen om maandelijks rapporten te publiceren over hun beleid en maatregelen om de verspreiding van Covid-19-gerelateerde desinformatie tegen te gaan. Het kabinet heeft deze oproep verwelkomd in een kabinetsreactie op de mededeling van de Europese Commissie9. Deze maandelijkse rapportages met acties van de online platformen zijn openbaar toegankelijk op de website van de Europese Commissie10.
Klopt het dat er sprake is van een georganiseerde aanpak van de rijksoverheid om burgers met een kritische mening over het coronabeleid in diskrediet te brengen? Zijn er «trollen» ingezet die snel en consequent reageerden op negatieve berichten over het coronabeleid? Door wie werd er opdracht gegeven voor deze activiteiten?
Dit klopt niet. De rijksoverheid brengt burgers met een kritische mening niet in diskrediet. De rijksoverheid zet geen trollen in.
Kunt u ontkrachten dan wel bevestigen dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) tijdens de coronacrisis betrokken was bij het persoonlijk benaderen van twitteraars om minder te twitteren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een inspectie-reactie richting een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar is gebaseerd op de overweging dat een ieder in beginsel vrij is zich te uiten over welk onderwerp dan ook, maar dat dit niet onbeperkt geldt voor BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaren. In gevallen waarin een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar in strijd handelt met richtlijnen en professionele normen, kan de inspectie handhavend optreden.
Er zijn ook situaties waarin een BIG-geregistreerde beroepsbeoefenaar zich zodanig uit of handelt dat niet direct duidelijk is of dit wel of niet in strijd is met richtlijnen en professionele normen, maar waarin de inspectie het nodig vindt de beroepsbeoefenaar te wijzen op de mogelijke effecten van (onjuiste) uitspraken of berichtgeving. Deze uitingen kunnen immers risicovolle verwarring met zich brengen voor patiënten en het vertrouwen in de zorgverlener of de geneeskundige zorg schaden. IGJ heeft in dit kader tijdens de coronacrisis een aantal individuele zorgverleners waarover meldingen zijn ontvangen, aangesproken op hun activiteiten. IGJ heeft brieven gestuurd om deze zorgverleners te wijzen op de mogelijke effecten van (onjuiste) uitspraken of berichtgeving omdat deze uitingen risicovolle verwarring met zich kan brengen voor patiënten en het vertrouwen in de zorgverlener of de geneeskundige zorg kan schaden. Zie ook de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer.11
IGJ bespreekt individuele casuïstiek met degenen die betrokken zijn. Het op sociale media inhoudelijk ingaan op casuïstiek is dan ook niet passend; waar relevant meldt IGJ dit ook via haar sociale media kanalen. Het individuen oproepen minder te twitteren maakt geen onderdeel uit van deze werkwijze. Daarnaast is het goed om op te merken dat IGJ burgers op sociale media actief uitnodigt om contact op te nemen met het Landelijk Meldpunt Zorg om een situatie te bespreken, omdat de inspectie waarde hecht aan signalen van burgers over de zorg.
Kunt u ontkrachten dan wel bevestigen dat de IGJ in 2018 individuen persoonlijk benaderde om minder te twitteren over specifieke zaken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Is er sprake van structureel beleid om burgers direct of indirect te benaderen over hun berichten op social media die in de ogen van de overheid onwelgevallig zijn? Zo ja, wat houdt dat beleid in? Zo nee, hoe verklaart u al deze voorvallen? Bent u bereid hier afstand van te nemen?
Nee, dat beleid is er niet. Zoals in bovenstaand antwoord toegelicht heeft de IGJ een aantal zorgverleners over wie meldingen zijn ontvangen aangesproken op de effecten van hun uitspraken. Verder zijn er zijn geen voorvallen bekend waarbij dit gebeurd is.
Mogelijke transnationale kieslijsten in de EU |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vier grootste groepen in het Europees Parlement een akkoord hebben bereikt op 9 maart over transnationale kieslijsten voor de Europese verkiezingen van 2024?
Klopt het dat de intentie is om in 2024 achtentwintig Europarlementariërs via transnationale kieslijsten te verkiezen, met een kiesdrempel van 3,5 procent?
Klopt het dat er in dit akkoord ook gesproken wordt over het verlagen van de stemgerechtigde leeftijd naar zestien voor de Europese verkiezingen?
Wat vindt u van dit akkoord? Steunt u de inzet om de stemgerechtigde leeftijd naar zestien te brengen voor de Europese verkiezingen? Steunt u de totstandkoming van transnationale kieslijsten?
Hoe verhoudt deze deal zich tot de uitkomsten van de Conferentie over de Toekomst van Europa, waar ook expliciet uit is gekomen dat Europeanen transnationale kieslijsten willen?
De EP-rapporteur en (een aantal van de) schaduw-rapporteurs zijn ook betrokken bij de discussies die plaatsvinden in de context van de Conferentie over de Toekomst van Europa. Zij hebben binnen de werkgroep Europese democratie bijvoorbeeld veel nadruk gelegd op aanbeveling 16.2 De betrokken rapporteur en schaduw-rapporteurs zien in deze aanbeveling een duidelijke bevestiging van voorgestelde aanpassingen in de Europese Kiesakte. Of deze aanbeveling uiteindelijk wordt meegenomen in het eindrapport van de Conferentie, wat naar verwachting op 9 mei a.s. zal verschijnen, is nu nog niet duidelijk. Het Europees Parlement heeft initiatiefrecht voor de Europese Kiesakte en kan zelf met een voorstel komen. Het Europees Parlement is daarbij niet afhankelijk van de uitkomsten van de Conferentie, al kunnen de uitkomsten van de Conferentie wel bijdragen aan het draagvlak voor het wijzigen van de Europese Kiesakte.
Naast de Europese burgeraanbevelingen zijn de transnationale kieslijsten ook teruggekomen in de nationale burgerdialogen van Kijk op Europa.3 Wat betreft de Nederlandse burgers komt daar een minder uitgesproken beeld naar voren: een derde vindt stemmen op ook niet-nationale kandidaten bij EP-verkiezingen via transnationale kieslijsten een goed idee, een derde vindt dat niet en een derde heeft geen mening over dit onderwerp.
Hoe verhoudt deze deal en de uitkomt van de conferentie zich tot het coalitieakkoord?
Met het oog op het coalitieakkoord4 is het van belang om vanuit het oogpunt van het versterken van democratische legitimiteit een positie te bepalen op de verschillende onderwerpen die raken aan de Europese Kiesakte. Als het voorstel door het EP wordt aangeboden aan de Raad, zal uw Kamer op de gebruikelijke manier geïnformeerd worden over de kabinetspositie.
Zal u zich in Brussel positief uitspreken over dit akkoord?
Met het oog op de nadere standpuntbepaling die nog plaats moet vinden van zowel het Europees Parlement als het kabinet, acht ik het voortijdig om een uitspraak te doen over een voorstel. Als het voorstel door het EP wordt aangeboden aan de Raad, zal uw Kamer zoals hierboven aangegeven op de gebruikelijke manier geïnformeerd worden over de kabinetspositie.
Welke stappen moeten er nog gezet worden om dit akkoord te implementeren?
Het vervolgproces om tot een definitief initiatiefvoorstel vanuit het Europees Parlement te komen is gaande. Verwachting is dat het EP tijdens de plenaire vergadering van 2-5 mei zal stemmen over het voorstel. In de plenaire is een meerderheid van stemmen noodzakelijk. Pas daarna zal het EP het voorstel formeel indienen bij de Raad om het te behandelen.
Een wijziging van de Europese Kiesakte moet met unanimiteit worden vastgesteld door de Raad en vervolgens worden goedgekeurd volgens de grondwettelijke procedures in elk van de lidstaten.5
Welke stappen gaat u zetten om ervoor te zorgen dat in 2024 de eerste Europarlementariërs gekozen worden van transnationale kieslijsten?
Als het initiatiefvoorstel door het EP aan de Raad wordt aangeboden, zal het kabinet een standpunt bepalen en op basis van dat standpunt deelnemen aan de besprekingen over het voorstel in de Raad. Of en wanneer de nieuwe Europese Kiesakte vervolgens wordt aangenomen is niet op voorhand in te schatten. Dit is afhankelijk van meerdere factoren, zoals de onderhandelingen in de Raad en tussen Raad en EP en het vereiste ratificatieproces binnen elk van de lidstaten.
Kan u de Kamer informeren over uw inzet op dit thema in Brussel?
Uw Kamer zal conform de bestaande informatie-afspraken geïnformeerd blijven over de verdere ontwikkelingen in dit dossier.
Het bericht dat steeds meer zorgverzekeraars tweelingpolissen aanbieden |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de schriftelijke Kamervragen van 12 januari 2022 over het bericht dat steeds meer zorgverzekeraars tweelingpolissen aanbieden?1
Ja, deze antwoorden herinner ik me.
Deelt u de mening dat de huidige «Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten» niet effectief is in het tegengaan van tweelingpolissen (dat wil zeggen, twee polissen die op kleine punten verschillen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vergoedingspercentage voor niet-gecontracteerde zorg)?2
Het doel van de «Regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten» is niet het tegengaan van (nagenoeg) gelijke polissen. Doel van de regeling is het borgen dat de informatie die zorgverzekeraars verstrekken bruikbaar is voor verzekerden en dat deze informatie het keuzeproces daadwerkelijk ondersteunt.
Deelt u de mening dat verbetering van de risicoverevening een zeer effectieve maatregel is om tweelingpolissen tegen te gaan, onder andere zodat ongezonde mensen niet langer voorspelbaar verliesgevend zijn, en er dan geen reden meer is voor zorgverzekeraars om tweelingpolissen aan te bieden?
Het doel van de risicoverevening is het wegnemen van voorspelbare winsten en verliezen voor verzekeraars die het gevolg zijn van gezondheidsverschillen in hun verzekerdenpopulatie. De risicoverevening zorgt voor een gelijk speelveld tussen zorgverzekeraars, neemt prikkels tot risicoselectie weg en zorgt ervoor dat zorgverzekeraars gestimuleerd worden om zich te richten op doelmatige zorginkoop. Het terugdringen van het aantal (nagenoeg) gelijke polissen is dus geen specifiek doel van de risicoverevening. Het zou wel zo kunnen zijn dat het voor zorgverzekeraars minder aantrekkelijk is om (nagenoeg) gelijke polissen aan te bieden als bepaalde groepen verzekerden niet langer over- of ondergecompenseerd worden.
Alleen het verder verbeteren van de risicoverevening is echter geen oplossing van het probleem. Het aantal (nagenoeg) gelijke polissen op de markt wordt uiteindelijk bepaald door het gedrag van zorgverzekeraars. Ik roep zorgverzekeraars daarom op hun polisaanbod kritisch tegen het licht te houden en ik ga het gesprek met hen hierover aan. Nagenoeg gelijke polissen bemoeilijken het keuzeproces voor verzekerden en dit kan ertoe leiden dat verzekerden bij een klein verschil onnodig voor een duurdere polis kiezen. En waar het gaat om de risicoverevening pak ik mijn rol: het verder verbeteren van de risicoverevening heeft mijn voortdurende aandacht. Hierin is het thema restrisico’s, het adequater compenseren van groepen verzekerden waar nu nog sprake is van over- of ondercompensatie, prioritair.
Bent u bekend met de technische mogelijkheden om ervoor te zorgen dat ongezonde verzekerden niet langer voorspelbaar verliesgevend zijn, bijvoorbeeld door bij de schatting van de gewichten van de vereveningsformule, de restrictie toe te voegen dat het gemiddeld resultaat op de ongezonden gelijk aan nul is (de zogenaamde «constrained regression»-methode)?
Ik ben bekend met de constrained regression-methode. Zoals ik in het antwoord op vraag 3 opmerkte, werk ik continue aan het verder verbeteren van de risicoverevening. De constrained regression methode is inderdaad een optie om de compensatie voor chronisch zieken te verbeteren. Het is alleen niet de enige optie om deze compensatie te verbeteren en wellicht ook niet de meest wenselijke. De constrained regression-methode kent namelijk ook nadelen.
Ik licht dit graag toe. Met een constrained regression worden er «aanvullende restricties» op het model toegepast. Dit kan bijvoorbeeld door bepaalde groepen verzekerden gemiddeld op een bepaald (verevenings)resultaat te laten uitkomen. Het resultaat voor bepaalde groepen ongezonde verzekerden hoeft dan niet langer negatief te zijn. Het opleggen van zulke aanvullende restricties heeft echter negatieve gevolgen voor andere groepen verzekerden in het model. Voor andere groepen verzekerden zal de verevende werking namelijk achteruitgaan. Daarom vergt het een zorgvuldige afweging of constrained regression de meest wenselijke oplossing is.
Deelt u de mening dat als ongezonde verzekerden gemiddeld niet langer voorspelbaar verliesgevend zijn, zorgverzekeraars niet langer terughoudend hoeven te zijn in het investeren in zorginkoop en innovatie voor chronisch zieken en zij eindelijk in hun marketing duidelijk kunnen maken dat zij de beste zorg voor chronisch zieken hebben ingekocht?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 aangaf, zorgt de risicoverbetering voor een gelijk speelveld tussen zorgverzekeraars, neemt prikkels tot risicoselectie weg en zorgt ervoor dat zorgverzekeraars gestimuleerd worden om zich te richten op doelmatige zorginkoop. Het Nederlandse vereveningsysteem wordt als een van de beste ter wereld gezien en werkt over het algemeen goed. Voor veel groepen chronisch zieke verzekerden compenseert de verevening al goed en worden zorgverzekeraars hier dus niet belemmerd in het investeren in doelmatige zorginkoop of bij het doen van reclame-uitingen gericht op bepaalde groepen verzekerden. Ook is het gedrag van zorgverzekeraars op de zorginkoopmarkt slechts ten dele afhankelijk van de risicoverevening. Zorgverzekeraars zijn dus ook zelf aan zet.
Tegelijkertijd is er ruimte voor verdere verbetering van de risicoverevening. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat verdere verbetering te behalen valt bij bepaalde groepen van chronische zieken. Daarom werkt het Ministerie van VWS in samenwerking met het Zorginstituut, onderzoekers en zorgverzekeraars continue aan de verbetering van het vereveningsmodel. Deze verbeteringen richten zich niet alleen direct op de compensatie voor chronisch zieken, maar hier wordt breder gekeken. De risicoverevening is namelijk een verdeelmodel waardoor een verbetering in de compensatie voor gezonde verzekerden vaak ook een verbetering in de compensatie voor chronische zieke verzekerden geeft.
De komende maanden zullen in het kader van het Onderzoeksprogramma Risicoverevening 2021–2022 verschillende onderzoeken worden afgerond met daarin naar verwachting voorstellen voor verbeteringen in het model. Ik verwacht uw Kamer in juli – na het Bestuurlijk Overleg Risicoverevening – te informeren over de geplande modelwijzigingen voor 2023.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zorgverzekeraars zich in hun marketing de afgelopen decennia vrijwel uitsluitend hebben gericht op gezonde (dus winstgevende) verzekerden, en niet op ongezonde (dus verliesgevende) verzekerden en dat het een ongekend gunstige ontwikkeling zou zijn als zorgverzekeraars eindelijk kunnen gaan adverteren met: «Chronisch zieken, kom bij ons!», zonder dat zij bang hoeven te zijn dat ze hiermee onevenredig veel voorspelbaar verliesgevende verzekerden zullen aantrekken?
Een belangrijke pijler in de Zorgverzekeringswet is risicosolidariteit. Voor de basisverzekering geldt een acceptatieplicht en een verbod op premiedifferentiatie. Zorgverzekeraars mogen verzekerden dus niet weigeren en ook geen hogere premie vragen aan verzekerden met bijvoorbeeld een slechtere gezondheid of een hogere leeftijd. Op die manier wordt de risicosolidariteit geborgd. De NZa houdt toezicht op het naleven van de acceptatieplicht door zorgverzekeraars.
Verzekerden dienen zich ook daadwerkelijk vrij te voelen om iedere basisverzekering te kiezen. Het zou daarom inderdaad mooi zijn als álle groepen verzekerden zich aangesproken voelen door de communicatie en marketing van zorgverzekeraars. Het Nivel heeft onlangs een monitor uitgevoerd naar het overstapseizoen van 2021–2022. Hierin zijn onder andere de reclame-uitingen van zorgverzekeraars geanalyseerd. Het Nivel stelt dat de reclames van zorgverzekeraars zich op een brede doelgroep richten. Er zijn verschillende vergelijkingssites of zorgverzekeraars die cadeaus aanbieden bij het afsluiten van een zorgverzekering. Bij het aanbieden van zulke cadeaus wordt niet op een specifieke doelgroep gericht.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk te realiseren dat ongezonde verzekerden gemiddeld niet langer voorspelbaar verliesgevend zijn, bijvoorbeeld door toepassing van de zogenaamde «constrained regression»-methode? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 aangaf heeft het verder verbeteren van de risicoverevening mijn voortdurende aandacht. Hierin is het thema restrisico’s, het adequater compenseren van groepen verzekerden waar nu nog sprake is van over- of ondercompensatie, prioritair.
De afgelopen jaren zijn er diverse stappen gezet en verbeteringen in het model doorgevoerd om de compensatie voor chronisch zieken te verbeteren. Hiermee gaan we door. Het Ministerie van VWS werkt namelijk continue aan de verbetering van het vereveningsmodel, in samenwerking met het Zorginstituut, onderzoekers en zorgverzekeraars. Jaarlijks wordt hiervoor een onderzoeksprogramma opgesteld waarin de geplande onderzoeken voor het komende jaar zijn opgenomen. Dit programma wordt opgesteld in overleg met de eerdergenoemde partijen.
Met dit onderzoeksprogramma wordt beoogd het risicovereveningsmodel zoveel mogelijk te verbeteren en zo voorspelbare winstgevendheid en verliesgevendheid van groepen verzekerden te minimaliseren. In september wordt uw Kamer over het onderzoeksprogramma voor het komende onderzoeksjaar geïnformeerd.
Zwembaden die door hoge energieprijzen tot wanhoop gedreven worden |
|
Inge van Dijk (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat vele sporthallen en zwembaden in heel Nederland financieel in zwaar weer komen door de snel stijgende energieprijzen?1 2 3 4
Ja.
Deelt u de mening dat deze voorzieningen zo veel als mogelijk open en behouden moeten blijven omdat sport en bewegen van essentieel belang is en deelt u de mening dat de rekening van de sterk stijgende energieprijzen doorgaans niet volledig doorgeschoven kan worden naar de gebruikers?
Sport en bewegen is van groot belang voor de samenleving. Daarom is het belangrijk dat de rijke en fijnmazige sportinfrastructuur toegankelijk blijft voor alle (potentiële) sporters.
Zijn er bij u meer voorbeelden van sportaccommodaties bekend die momenteel bovengemiddeld onder druk staan omdat ze hoog in energieverbruik zitten?
Zoals in veel sectoren zien ook sportaccommodaties de stijgende kosten terug op de energierekening. In het bijzonder de sportaccommodaties die veel energie gebruiken zijn bij uitstek accommodatietypes die direct de gevolgen van de stijgende energieprijzen ondervinden. Hierbij valt uiteraard te denken aan zwembaden, maar ook bijvoorbeeld aan ijsbanen en skihallen. Daarnaast geldt dit probleem mogelijk ook voor sportclubs die te maken hebben met aflopende energiecontracten en daardoor geconfronteerd worden met hogere tarieven.
Het Mulier Instituut onderzoekt momenteel de huidige en te verwachten impact van de stijgende energieprijzen op sportaanbieders. De uitkomsten van dit onderzoek worden verwacht in mei.
Welke mogelijkheden ziet u voor deze sportaccommodaties om op korte termijn te zorgen voor een lagere energierekening? Welke regelingen zijn er die hierin kunnen ondersteunen?
De stijgende energieprijzen zijn voor veel huishoudens en bedrijven vanzelfsprekend een onwenselijke ontwikkeling. Dat geldt ook voor het maatschappelijk vastgoed, waaronder de sportaccommodaties. Het Kabinet heeft enkele generieke maatregelen voorgenomen om de gevolgen van deze prijsstijging te dempen waaronder verlaging van de btw op energie van 21 naar 9 procent per 1 juli 2022.5
Aanvullend op deze voorgenomen generieke maatregelen kunnen gemeenten via de Specifieke Uitkering Stimulering Sport 17,5 procent van de energiekosten met betrekking tot sport declareren. Gemeenten kunnen hierin onder voorwaarden ook de energiekosten meenemen van aan de gemeente gelieerde sportbedrijven voor de sportaccommodaties die zij in beheer hebben. Dit kan op korte termijn bijdragen aan een lagere energierekening.
Naast deze mogelijkheden op de korte termijn, wil ik wijzen op de mogelijkheden op de middellange termijn. Sportaccommodaties zijn bij uitstek locaties waar duurzaam energie opgewekt kan worden zodat de energierekening sterk daalt.
Amateursportorganisaties kunnen bovendien een beroep doen op de BOSA-subsidieregeling voor het verduurzamen van de sportaccommodatie. Daarmee kan dertig procent van het in duurzaamheidsmaatregelen geïnvesteerde bedrag gesubsidieerd worden.
Via het online platform SportNLGroen kunnen beheerders en exploitanten van sportaccommodaties laagdrempelig informatie inwinnen over de verduurzamingsmogelijkheden van de sportaccommodatie. Via dit platform kunnen ook ontzorgingstrajecten worden aangevraagd waarbij adviespartijen de accommodatie door het verduurzamingstraject heen begeleiden. Er wordt hard gewerkt om het ontzorgingsprogramma vanaf 1 juli ook beschikbaar te maken voor grote accommodaties als zwembaden en ijsbanen.
Met deze inspanningen beoogt het kabinet zowel om bij te dragen aan het behalen van de klimaatdoelen als aan het verlagen van de energierekening van de gebruiker. Daarmee zijn de inspanningen gericht op het bevorderen van een financieel duurzame sport, die betaalbaar en toegankelijk is voor alle Nederlanders.
Welke mogelijkheden ziet u om deze gemeenschapsvoorzieningen betaalbaar te houden voor gemeenten en daarmee voor de gebruikers?
Zie antwoord vraag 4.
Het artikel ‘De Atletiekunie is succesvol, maar zit in nijpende geldnood.’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Atletiekunie is succesvol, maar zit in nijpende geldnood»?1
Ja.
Klopt het dat juist de Atletiekunie met goed beleid en structurele ontwikkeling een bijzonder talentvolle groep topatleten en talenten heeft opgeleid die bezig is alle trainingsinspanningen te verzilveren met internationaal aansprekende resultaten en eremetaal?
Het klopt dat de Nederlandse atletiek de afgelopen jaren veel internationale successen heeft gekend. Net als bij de prestaties van veel andere topsporters, ligt daar een meerjarig investeringsprogramma van de sportbond onder. Met financiële steun van onder meer NOC*NSF zetten kansrijke topsportbonden structurele opleidings- en topsportprogramma’s op, die erop gericht zijn om de talentvolle sporters en de topsporters zo optimaal mogelijk te ondersteunen in het bereiken van hun doelen.
Klopt het dat de Atletiekunie een flinke bijdrage levert aan de top tien ambitie van Nederland?
Ja.
Waarom is de financiële ondersteuning die de Atletiekunie vanuit NOC*NSF ontvangt de afgelopen jaren gedaald ondanks de successen die zij behalen? Hoe verhouden prestaties die geleverd worden zich tot de financieringssystematiek?
De verdeling van de beschikbare financiële middelen over kansrijke topsportprogramma’s is de verantwoordelijkheid van de NOC*NSF. De systematiek die daarbij wordt gehanteerd, is in gezamenlijkheid bepaald door de sportbonden en NOC*NSF.
Betere prestaties leiden niet automatisch tot een hogere toekenning. Er is sprake van een gesloten budget, dus wanneer de toekenning aan het ene programma wordt verhoogd, zou dat ten koste gaan van een ander programma. Over de hele linie presteren (talentvolle) topsporters uit de centrale programma’s goed en komen meer sporters en sporten in aanmerking voor topsportfinanciering. Dit betekent dat het beschikbare topsportbudget van NOC*NSF over meer programma’s verdeeld moet worden en de kosten per programma over het algemeen hoger zijn geworden. Dit maakt dat de investeringsplannen van de bonden niet voor 100% toegekend worden door NOC*NSF.
NOC*NSF geeft aan dat de totale toekenning ter ondersteuning van de centrale opleidings- en topsportprogramma’s van de Atletiekunie in de afgelopen jaren niet is gedaald. Hier speelt mee dat naast de directe toekenning aan de Atletiekunie zelf, de TeamNL centra jaarlijks een bijdrage ontvangen van NOC*NSF voor expertinzet en accommodatiekosten om de centrale opleidings- en topsportprogramma’s te faciliteren. De wijze van verdeling van de bijdrage aan de TeamNL centra heeft NOC*NSF recent gewijzigd. In sommige gevallen zou dit tot een verschuiving hebben geleid tussen de begroting van een bond, een TeamNL centrum of NOC*NSF waardoor de indruk gewekt kan worden van een teruggang in middelen.
Erkent u dat het van belang is dat topsporters voldoende ondersteuning krijgen van specialisten, zoals bijvoorbeeld voedingsdeskundigen, sportpsychologen en fysiotherapeuten?
Ja. Deze expertinzet wordt daarom ook al jarenlang gefinancierd vanuit het totale topsportbudget van NOC*NSF.
Heeft u zicht op andere sportbonden waarbij soortgelijke financiële tekorten spelen? Zo ja, welke sportbonden zijn dit en hoe groot zijn deze tekorten?
Bij een nagenoeg gelijkblijvend topsportbudget van NOC*NSF, meer sporters en sporten die presteren, kostenstijgingen en sponsorinkomsten die onder druk staan, zijn zowel bonden, TeamNL centra als NOC*NSF genoodzaakt om keuzes te maken. Zorgen over de toekomstbestendigheid van de financiering van de opleidings- en topsportprogramma’s zijn door enkele partijen informeel kenbaar gemaakt bij NOC*NSF.
Deze uitdaging wordt al langer herkend. Daarom ben ik vanuit Deelakkoord 6 «Topsport inspireert» met de sportsector en gemeenten in gesprek over een gezamenlijke strategie om de topsport toekomstbestendig en betaalbaar te houden.
Welke acties worden er binnen deze sportbonden, eventueel met hulp van NOC*NSF, ondernomen om deze tekorten op te lossen?
Sportbonden en NOC*NSF maken op basis van de beschikbare middelen continu een nauwkeurige afweging in welke kosten en inzet absoluut noodzakelijk zijn en zullen op basis hiervan prioriteiten stellen. Bijvoorbeeld als het gaat om het aantal geselecteerde sporters, expertinzet en trainingsstages. Dit is bij iedere bond maatwerk en de keuzes die hierin gemaakt worden, lopen dan ook uiteen.
Exportsteun uit Nederlands belastinggeld voor een omstreden project op de Filipijnen (deel 2) |
|
Christine Teunissen (PvdD), Lammert van Raan (PvdD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse «Maasvlakte» in de baai van Manilla staat haaks op bescherming natuur»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op de schriftelijke vragen van 27 augustus 2021 over exportsteun uit Nederlands belastinggeld voor een omstreden project op de Filipijnen?2
Ja.
Hoe ziet u het New Manilla International Airport project (NMIA) in het kader van beleidscoherentie met duurzame ontwikkeling, bijvoorbeeld als het gaat om Strategic Development Goal (SDG) 17.14 «Beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling versterken»?
Het project NMIA betreft de ontwikkeling, bouw en exploitatie van een nieuw vliegveld en bijgelegen economische zaken nabij de Filipijnse hoofdstad Manilla. Het project draagt bij aan het vergroten van de bereikbaarheid van de regio rond Manilla en de Filipijnen als geheel. De verwachting is dat het project bijdraagt aan de werkgelegenheid en economie in de Filipijnen. Daarmee draagt het project bij aan SDG 8 (eerlijk werk en economische groei) en SDG 9 (industrie, innovatie en infrastructuur). Het project is zorgvuldig getoetst aan de relevante nationale wet- en regelgeving en internationale beleidskaders op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarmee is invulling gegeven aan SDG 17.14, die toeziet op de versterking van beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling.
Kunt u hierbij ingaan op de door Deltares met financiële steun door de Nederlandse overheid ontwikkelde Manilla Bay Sustainable Development Masterplan (MBSDMP), waaruit blijkt dat de omgeving Bulacan aanmerkt als «strict protection zone» en de ontwikkeling in het desbetreffende gebied ontraadt vanwege het negatieve effect op biodiversiteit, overstromingsgevaar en bodemdaling?
Het MBSDMP is een advies aan de overheid van de Filipijnen. Het is een plan voor de duurzame ontwikkeling van de baai van Manilla. De ontwikkeling van de luchthaven maakt formeel geen onderdeel uit van het masterplan. In het masterplan worden desalniettemin een aantal aanbevelingen gedaan gericht op mitigatie, preventie en compensatie van nadelige effecten in de baai van Manilla nu de Filipijnse overheid heeft besloten op deze locatie een vliegveld te realiseren.
Vallen de huidige werkzaamheden van Boskalis in het gebied onder de exportkredietverzekering (ekv)-aanvraag en de bijbehorende MVO-beoordeling? Zo nee, waarom niet?
Ja, tot het moment van afgifte van de ekv-polis waren de werkzaamheden echter voor eigen risico van Boskalis.
Hoe waardeert u de betrokkenheid van Boskalis als aannemer van San Miguel Corporation (SMC), een bedrijf dat een geschiedenis heeft van negatieve impact op mens en milieu?3
De staat beslist niet over de buitenlandse samenwerkingspartners van Nederlandse bedrijven. Voor afgifte van de ekv heeft echter een reputatiebeoordeling van betrokken partijen plaatsgevonden, waaronder het moederbedrijf van de hoofdaannemer, San Miguel Corporation (SMC). Hieruit is niet gebleken dat SMC een onaanvaardbare reputatie heeft.
Waarom is de Commissie Milieu Effect Rapportage (MER) die onafhankelijk adviseert over milieueffectrapportages en die nauw bij het MBSDMP betrokken is geweest, niet benaderd voor een onafhankelijke beoordeling van de Environmental and Social Impact Assessment (ESIA) van het NMIA project?
Atradius DSB toetst de ESIA als onderdeel van het mvo-beleid van de ekv. De internationale groep financiers van dit project heeft een onafhankelijke consultant ingeschakeld die ondersteunt bij de beoordeling van de ESIA en het Environmental Social Action Plan (ESAP). Daarmee is voorzien in een uitgebreide en onafhankelijke beoordeling van de ESIA en acht ik de inschakeling van een tweede onafhankelijke beoordelaar niet nodig.
Bent u bereid om Atradius DSB alsnog de opdracht te geven om de Commissie MER te betrekken? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 7.
Hoe vallen de activiteiten van Boskalis in de baai van Manilla en de mogelijke steun vanuit de ekv te rijmen met de Nederlandse ambities ten aanzien van klimaatadaptatie zoals onder andere is beschreven in de Nederlands Internationaal Waterambitie (NIWA)?
De Nederlandse baggersector staat internationaal goed aangeschreven op basis van hun kennis en expertise in waterbouw, kustbescherming en landaanwinning. Deze kennis en expertise worden in onderhavig project door Boskalis toegepast bij het uitbaggeren van rivieren rond de geplande luchthaven, om het water de ruimte te geven en de kans op overstromingen te verkleinen. Dit draagt bij aan de doelstellingen van de NIWA waarin de Nederlandse overheid en watersector de krachten verenigen om de waterzekerheid en waterveiligheid van mens, plant en dier wereldwijd te vergroten en tegelijkertijd het Nederlandse verdienvermogen te optimaliseren.
Bent u bekend met de 2018 studie van Wetlands International en IUCN die de omgeving van het NMIA-project in Bulacan aanmerkt als een «internationally important waterbird site» en het recent verschenen Birdlife magazine waar het gevaar van het NMIA voor vogelhabitaten en wetlands in de baai van Manilla wordt beschreven? Hoe ziet u het NMIA-project in het licht van deze studies?
Het rapport van de International Union for Conservation of Nature (IUCN) benadrukt de aanwezigheid van internationaal belangrijke locaties voor watervogels in het projectgebied van NMIA. De projecteigenaar heeft een aantal mitigerende en compenserende maatregelen genomen om de impact van het project op de biodiversiteit te vermijden en te compenseren. Deze maatregelen omvatten het toekennen van 480 hectare grond als tijdelijk gebied om de vogels tijdens de landaanwinning te laten foerageren en het ontwikkelen van een permanent gebied waar vogels zich duurzaam kunnen vestigen.
Herinnert u zich het antwoord op vraag 5 uit onze schriftelijke vragen over exportsteun uit Nederlands belastinggeld voor een omstreden project op de Filipijnen: «Op dit moment kan ik niet bevestigen of de aantijgingen van gedwongen verhuizingen en van vernietiging van mangroven kloppen.»? Kunt u dit inmiddels wel bevestigen? Zo ja, wat betekent dit voor de ekv? Zo nee, hoe kan het dat dit wel bekend is bij de coalitie van Filipijnse en Nederlandse maatschappelijke organisaties en wetenschappers, maar niet bij het kabinet en Atradius DSB, zoals ook weer bevestigd in het artikel «Nederlandse «Maasvlakte» in de baai van Manilla staat haaks op bescherming natuur»?
Ja, dat kan ik inmiddels bevestigen. Bij grote landaanwinningsprojecten vinden er in sommige gevallen negatieve milieu en sociale effecten plaats, waaronder het verdwijnen van mangroven en gedwongen herhuisvestingen. Voor de ekv betekent dit concreet dat de Staat, conform het mvo-beleid voor de ekv, alleen als verzekeraar kan optreden indien deze negatieve effecten volgens de internationale standaarden gemitigeerd en zo nodig gecompenseerd worden. Dat is in onderhavig project het geval.
Klopt het dat er geen milieueffectrapportage is gemaakt voor de bouw van het vliegveld en dat de effecten van het nieuwe vliegveld op onder andere vogeltrekroutes en bodemdaling daardoor onbekend zijn? Zo ja, bent u het ermee eens dat het uitvoeren van een dergelijke effectrapportage noodzakelijk is om een zorgvuldige afweging te kunnen maken met betrekking tot de effecten van het project op mens en natuur?
Nee, dat klopt niet. Er zijn meerdere milieu en sociale effectrapportages (ESIA’s) gemaakt. De eerste is volgens de Filipijnse wet- en regelgeving opgesteld. Daarna hebben Atradius DSB en de betrokken banken het project verzocht om nog een ESIA volgens internationale standaarden op te stellen. Dat document is eind 2021 op de websites van Atradius DSB en de Filipijnse projecteigenaar gepubliceerd. Ook zijn er nog deel-ESIA’s uitgevoerd voor specifieke projectonderdelen zoals de aanleg van een toegangskanaal en de zandwinning. Voor toekomstige fasen van het project zullen verdere deel-ESIAs opgesteld worden.
Bent u van mening dat er alles aan gedaan wordt om de effecten van deze mogelijke ekv op mens, dier, natuur en milieu in kaart te brengen?
Ik ben van mening dat de IMVO-beoordeling en toetsing aan de IMVO-standaarden voor de ekv zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Indien dat niet het geval was zou ik geen ekv verstrekt hebben.
De nieuwe cao-afspraken voor personeel in de Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) |
|
Liane den Haan (GOUD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over het feit dat de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA)-indexatieafspraken maken dat zorgmedewerkers nog niet de helft van de voorziene inflatie in dit jaar gecompenseerd krijgen?
De ova-systematiek is erop gericht dat de loonontwikkeling in de zorg gelijke tred kan houden met die in de markt. De afgelopen jaren hebben laten zien dat deze systematiek werkt.
Inflatie is een fenomeen dat niet beperkt blijft tot de zorg, dit treft de gehele samenleving en is onderwerp van kabinetsbreed koopkrachtbeleid. Met oog op de stijgende energieprijzen en de aanhouden inflatie heeft het kabinet hiervoor in de Kamerbrief «Aanvullende koopkrachtmaatregelen 2022» van 11 maart 2022 een maatregelenpakket aangekondigd.
Hoe oordeelt u over het feit dat lonen in de zorg zes tot negen procent achterblijven bij de publieke sector en het bedrijfsleven?
Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op het SER-advies «Aan de slag voor de zorg» uit mei 2021. Hierin wordt gerefereerd aan onderzoek van de AWVN waaruit blijkt dat voor vier van de vijf in het onderzoek betrokken branches de eindsalarissen in de salarisschalen in het middengebied van het loongebouw gemiddeld 9% achterblijven bij die in de markt en 6% bij die in de publieke sector.
Hierbij zij opgemerkt dat het heel lastig is om salarissen te vergelijken. Zo zorgen toeslagen als de onregelmatigheidstoeslag juist in de zorg voor een aanzienlijke verhoging van het verdiende salaris. Andere sectoren kennen toeslagen veel minder.
Desalniettemin heeft het vorige kabinet een extra stap gezet door met ingang van 2022 een structureel bedrag van 675 miljoen euro beschikbaar te stellen voor de middengroepen, waarmee circa 1,5% extra salarisverhoging voor deze groep mogelijk is. Inmiddels zien we extra stappen ook terug in nieuwe cao-akkoorden, waaronder het in maart overeengekomen onderhandelaarsakkoord voor de nieuwe cao VVT waarin een salarisverhoging is afgesproken die kan oplopen tot circa 6,25%.
De komende jaren zal het kabinet jaarlijks de ova ter beschikking blijven stellen waarmee de salarissen in de zorg kunnen blijven stijgen.
Daarnaast zal dit kabinet de komende jaren inzetten op zaken die zeker zo belangrijk zijn voor zorgverleners om zich gewaardeerd te voelen, zoals werkplezier dat bijdraagt aan hun behoud voor de zorg. Denk hierbij aan het vergroten van zeggenschap voor zorgmedewerkers, eigen regie en vermindering administratieve lasten. Over de voorgenomen plannen zal ik u voor het commissiedebat arbeidsmarkt van 11 mei aanstaande informeren.
Bent u het ermee eens dat het achterblijven van de lonen in de Verpleging, Verzorging en Thuiszorg (VVT) de kans vergroot dat personeel in de VVT-sector vertrekt en dat het minder aantrekkelijk is om aan de slag te gaan in die sector? Zo nee, waarom niet? Bent u ook van mening dat dit zeer onwenselijk is, gezien het grote tekort aan personeel dat er nu al is? Zo nee, waarom niet?
De lonen in de VVT verhouden zich goed tot de lonen in andere zorgsectoren en zijn daarmee geen reden tot vertrek uit de VVT-sector. Daarbij komt dat uit het uitstroomonderzoek van RegioPlus blijkt dat salaris niet tot de top 5 redenen behoort om de sector te verlaten. Daarvoor zijn uitdaging in de werkzaamheden, loopbaanmogelijkheden, de manier van werken en aansturing belangrijker. Het is ook daarom dat we de komende jaren nadrukkelijker gaan kijken naar goed werkgeverschap. In het onderhandelaarsakkoord over de cao VVT zie ik verschillende afspraken waarin de branche hierin ook zijn verantwoordelijkheid pakt.
Klopt het dat de cao van ziekenhuizen hoger uitpakt dan de cao van de VVT? Zo ja, bent u van mening dat het voor zorgpersoneel in de VVT aantrekkelijker is om te gaan werken in ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
Cao’s zijn niet eenvoudig met elkaar te vergelijken. Cao’s behelzen veel meer dan alleen salarisschalen en procentuele loonstijgingen. Ook niet direct salaris gerelateerde zaken zijn profijtelijk voor medewerkers en kosten werkgevers geld. Daarbij verschillen de looptijden van cao’s. Over de jaren heen zien we dat de salarisontwikkeling in de meeste branches zich gelijksoortig ontwikkeld en dat er voor vergelijkbare functies een vergelijkbaar salaris wordt betaald.
Salaris blijkt ook niet tot de belangrijkste reden voor uitstroom. Uit het uitstroomonderzoek van Regioplus blijken er belangrijker vertrekredenen te zijn dan salaris. Het gaat hierbij om zaken als uitdaging in de werkzaamheden, de manier van werken en aansturing, loopbaanmogelijkheden, werksfeer en samenwerking en inhoud werk / type cliënten.
Vindt u dat zorgverzekeraars moeten meehelpen om de door de SER geconstateerde kloof van zes tot negen procent in de tarieven te compenseren zodat het loongebouw in de langdurige zorg weer marktconform wordt?
Cao’s worden door werkgevers en vakbonden gesloten aan de cao-tafel. Zorginkopers onderhandelen met zorgaanbieders, de werkgevers, over tarieven. Beide onderhandelingen zijn aan de private partijen in de zorg. Daarbij geldt dat zorgverzekeraars zich via de hoofdlijnakkoorden (waaronder wijkverpleging) hebben gecommitteerd om de ova door te vertalen in de tarieven. Binnen de Wlz wordt het ova-percentage gebruikt om de maximumtarieven vast te stellen waarbinnen zorgkantoren en zorgaanbieders onderhandelen over de tarieven.
Bent u voornemens om naast de 675 miljoen euro die is vrijgemaakt, dat maar zorgt voor 1,13 procent loonruimte, de jaarlijkse onderuitputting van de ramingen in de wijkverpleging te gebruiken voor een gedegen salarisverhoging in de VVT? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben niet voornemens om – naast de al vrijgemaakte 675 miljoen euro – een eventuele onderuitputting in te zetten voor een extra salarisverhoging binnen de VVT of wijkverpleging.
Met de jaarlijkse overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (ova) kent de zorg een bewezen werkzame systematiek die een concurrerende salarisontwikkeling voor de zorgmedewerkers mogelijk maakt.
Daarbij komt dat het huidige ova-convenant geen ruimte laat voor differentiatie in het ova-percentage tussen sectoren. Dit zou alleen kunnen via aanvullende afspraken met een representatie meerderheid van de werkgevers. Het is zeer de vraag of een meerderheid van de werkgevers hiermee akkoord zou gaan.
Tot slot zou het inzetten van een eventuele onderuitputting (op termijn) leiden tot een stijging van de zvw-premie.
Risico’s op zinkgaten en milieuschade in Twente. |
|
Faissal Boulakjar (D66) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Is er een caverne «aan de wandel» onder afvalverwerker Twence?»1
Ja, ik ken het artikel.
Wat kunnen de gevolgen zijn als blijkt dat deze caverne op instorten staat en zich richting het aardoppervlak met de vuilnisbelt verplaatst?
Uit het onderzoek is tot nu toe gebleken dat de caverne is ingestort. Wat er daarna is gebeurd wordt nu verder onderzocht. Het onderzoek van Nobian zal in mei 2022 gereed zijn en worden ingediend bij SodM. SodM zal het onderzoek daarna beoordelen en publiceren. Het onderzoek is gericht op drie mogelijk scenario’s. Hieronder volgt een opsomming daarvan en een korte duiding:
Deelt u de zorgen van het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) dat een risico op een zinkgat onder een vuilstort forse milieuconsequenties kan hebben, namelijk ernstige vervuiling van bodem en grondwater door afvalstoffen uit de opslag?
Ja, ik deel deze zorg. Deze zorg was voor SodM de reden om Nobian aan te spreken om duidelijkheid te geven over de stabiliteit van de cavernes onder de vuilstort Twence. Nobian heeft vervolgens de cavernes aangeboord en metingen uitgevoerd.
De caverne bevindt zich onder de vuilstort van Twence. Het betreft een deel van de vuilstort waar geen gevaarlijk afval is gestort. De gedeputeerde staten van de provincie Overijssel zijn in de brief2 van 29 maart 2022 verder ingegaan op de samenstelling van het gestorte afval. Uit het lopende onderzoek zal blijken of het instorten van de caverne heeft geleid tot bodemverontreiniging (scenario 3 volgens het antwoord vraag 2).
Deelt u ook de mening dat ernstige vervuiling van de bodem en het grondwater door afvalstoffen uit een opslag altijd voorkomen moeten worden? Zo ja, hoe gaat dat ook in dit geval worden voorkomen?
Ja, ik ben het daarmee eens. De verontreiniging van de bodem en het grondwater moet altijd worden voorkomen.
Uit het lopende onderzoek zal blijken of er verontreiniging is opgetreden. Als dit het geval is dan zullen er maatregelen moeten worden genomen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken en de verontreiniging te saneren. SodM en de Omgevingsdienst Twente houden hier toezicht op.
Welke actie wordt er ondernomen om het risico op forse milieuconsequenties te verkleinen nu blijkt dat een van de zoutcavernes niet te traceren is? Op welke termijn zijn hiervan de resultaten te zien?
SodM heeft Nobian gevraagd om vast stellen welke van de drie hierboven genoemde scenario’s van toepassing is. Nobian en Twence hebben aangegeven dat het onderzoek in mei 2022 gereed zal zijn. Daarna zal SodM besluiten of er maatregelen moeten worden genomen.
Hoe wordt gezorgd dat de bestuurlijke spaghetti waarbij de verantwoordelijkheid voor milieuschade en veiligheid verdeeld is tussen Nobian, Twence, het SodM en overheden niet zorgt voor problemen?
De verdeling van verantwoordelijkheden is helder. Nobian is verantwoordelijk voor de effecten van de zoutwinning. Twence moet er voor zorgen dat er geen stoffen uit de stortplaats in de bodem terecht kunnen komen. Nobian werkt samen met Twence aan het onderzoek. SodM is als toezichthouder betrokken (toezicht op Nobian) en trekt samen op met de Omgevingsdienst Twente (toezicht op Twence). De toezichthouders hebben afgesproken om het verloop gezamenlijk op te pakken.
Deelt u de mening dat een vuilstortplaats niet bovenop twee zoutcavernes aangelegd zou moeten worden? Waarom is hier toch voor gekozen?
Ja, ik deel die mening, op basis van de kennis die er nu is. De afvalinrichting Twence is eind jaren ’80 door de provincie Overijssel vergund en boven de desbetreffende cavernes aangelegd. Sinds die tijd zijn de inzichten over de stabiliteit van deze cavernes veranderd.
Na het ontstaan van een zinkgat in Hengelo in 1991 is er een gedetailleerd onderzoek gestart naar de stabiliteit van cavernes. Uit dit onderzoek bleek dat er circa 60 potentieel instabiele cavernes zijn. De potentieel instabiele cavernes worden gemonitord. SodM houdt hier toezicht op. Nobian heeft met SodM een prioritering gemaakt op basis waarvan de cavernes deels worden opgevuld. De gedeeltelijke opvulling zorgt ervoor dat er geen zinkgat kan ontstaan op het moment dat de caverne instabiel is geworden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Maatwerkafspraken voor woningbouw |
|
Raoul Boucke (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de uitspraak van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in haar brief van 5 juli 2019 dat in overleg met betrokken partijen wordt gekeken of er vooruitlopend daarop (aanpassing van het luchthavenindelingsbesluit, LIB) in specifieke gevallen mogelijkheden zijn om te komen tot maatwerkafspraken voor beperkte ontwikkeling waar dit nu niet is toegestaan en afspraken voor locaties waar dit nu wel is toegestaan, maar dat het bij wijziging van de contouren later mogelijk niet meer gewenst is?1
Ja.
Kunt u aangeven in hoeveel situaties sprake is geweest van maatwerkafspraken om woningbouw mogelijk te maken? Om hoeveel woningen gaat dat?
Het LIB kent 5 beperkingengebieden: LIB 1 tot en met 5. LIB 1 ligt het dichtst bij de luchthaven en LIB 5 het verst van de luchthaven af. Hoe dichter bij de luchthaven, hoe meer beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen er gelden. In LIB 1 tot en met 3 zijn de bouwmogelijkheden niet of zeer beperkt. In het LIB 4 gebied heeft de gemeente een eigen afwegingsruimte, die beperkt is tot 25 woningen per bouwplan, binnen bestaand stedelijk gebied. Als het om meer woningen gaat, dan kan ik in bijzondere omstandigheden desgevraagd besluiten om een verklaring van geen bezwaar (vvgb) af te geven. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) beoordeelt deze aanvragen in mandaat namens mij. Uit de toelichting op het LIB blijkt dat de beoordeling van een vvgb aanvraag integraal is, waarbij de hinder en het risico afgewogen worden tegen leefbaarheid, maatschappelijk belang of zwaarwegend individueel belang. In LIB 5 is de afweging tussen woningbouw en geluidhinder volledig aan het lokale bestuur, mits het gaat om bouwplannen binnen het bestaand stedelijk gebied. In 2019 tot en met 2021 zijn door de decentrale overheden in de regio in totaal zes aanvragen gedaan voor een vvgb, waarvan er vier zijn toegekend. Het gaat om de bouw van een bedrijfswoning (LIB 3), de verplaatsing van een woning (LIB 4), de bouw van 60 flexwoningen (LIB 4) en de bouw van 77 woningen buiten bestaand stedelijk gebied (LIB 5).
Buiten de lokale afwegingsruimte en de vvgb’s van de ILT kan vanuit het LIB geen maatwerk worden toegepast. Op dit moment ben ik samen met de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) bezig met het vernieuwen van het ruimtelijk beleid rond Schiphol en binnen dat kader wil ik kijken of er meer ruimte geboden kan worden voor maatwerk, zoals aangekondigd in de Luchtvaartnota 2020–20502. Dit speelt binnen de context van het dilemma tussen de woningbouwopgave waar de regio voor staat en het belang van de bescherming van de gezondheid van omwonenden van de luchthaven.
Bent u van mening dat de bouw van studentenwoningen in Kronenburg in aanmerking komt voor dergelijke maatwerkafspraken?
Kronenburg ligt direct onder de aanvliegroute van de Buitenveldertbaan, in LIB 4 gebied. Het LIB legt beperkingen op aan het toevoegen van woningen in de nabijheid van Schiphol om te voorkomen dat gezondheids- en veiligheidsrisico’s toenemen. Het toevoegen van grote aantallen woningen op deze locatie botst hiermee. Op dit moment loopt de beroepsprocedure tegen het in strijd met het huidige LIB vastgestelde bestemmingsplan.
Hoe weegt u het feit dat op dit moment duizenden studenten onder een aanvliegroute wonen en geen geluidsoverlast ervaren, maar dat dit als bezwaar wordt opgevoerd tegen het aanvullend bouwen van 2.500 studentenwoningen meters verder?
In het LIB is vastgelegd dat in het LIB 4 gebied, waar Kronenburg in ligt, een zeer zorgvuldige afweging moet worden gemaakt tussen het toevoegen van nieuwe woningen en de gevolgen voor de gezondheid in termen van geluidbelasting. Daarnaast is in het LIB vastgelegd dat woningen die voor de inwerkingtreding van het LIB in 2003 reeds in het LIB 4 gebied aanwezig waren, zoals het studentencomplex Uilenstede, hun woonfunctie mogen behouden. Op basis van gezondheidsonderzoek3 is vastgesteld bij welke geluidbelasting er bij een aanzienlijk deel van de bewoners ernstige hinder en slaapverstoring optreedt. In het LIB 4 gebied is de geluidbelasting dusdanig dat er terughoudend moet worden omgegaan met het toevoegen van woningen. Bovendien worden ook relevante veiligheidsaspecten meegewogen in de integrale toetsing bij vvgb-aanvragen.
Is de huidige vliegoperatie (conform het vigerend luchthavenverkeerbesluit (LVB)), 500.000 vliegtuigbewegingen, Nieuwe Normen- en Handhavingsstelsel en huidige vlootmix) en daaruit volgende geluidbelasting in overeenstemming met de zonering die volgt uit het Luchthavenindelingsbesluit (LIB)?
In het systeem van de Wet luchtvaart worden in het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) de grenswaarden en regels vastgelegd omtrent het luchthavenverkeer voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting. Het betreft de ruimte voor en de wijze van het gebruik van de luchthaven. Het LIB bevat het beperkingengebied en de voor het beperkingengebied geldende regels, waarbij beperkingen zijn gesteld ten aanzien van de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting (gezondheid) in verband met de nabijheid van de luchthaven. De inhoud van het LIB volgt hetgeen is vastgelegd in het LVB. Nadat het LVB in verband met het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol is aangepast, zullen ook de beperkingengebieden in het LIB worden herzien.
Hoeveel woningbouw wordt eventueel mogelijk bij het in overeenstemming brengen van het LIB met het LVB of anderszins een actualisatie van het LIB?
Een aanpassing van het LIB op basis van een aangepast LVB kan lokaal als effect hebben dat er in sommige gebieden meer woningbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden. De contouren in het concept-LVB4 beslaan een kleiner gebied dan de huidige beperkingengebieden die in het LIB zijn vastgelegd. Een actualisatie van de LIB-beperkingengebieden op basis van het concept-LVB zou op een beperkt aantal plekken leiden tot een afname van de beperkingen voor woningbouw. Het is moeilijk in te schatten om hoeveel woningen dit gaat, omdat het afhankelijk is van de locatie in welke dichtheden er gebouwd kan worden. Bovendien is bij het opstellen van de plancapaciteit voor de Metropoolregio Amsterdam (MRA) uitgegaan van de beperkingengebieden die zijn vastgelegd in het huidige LIB en zijn de gebieden waar de mogelijkheden voor woningbouw mogelijk toenemen niet meegenomen in de huidige afweging over waar te bouwen. Grofweg kan gedacht worden aan enkele duizenden woningen. Lang niet alle plekken waar de contour verschuift, zijn geschikt voor woningbouw, omdat het bijvoorbeeld natuurgebieden betreft, er een snelweg ligt of het gebied al een recreatieve functie heeft. Bovendien betekenen krimpende contouren niet dat hinder volledig verdwijnt. Het vraagt om een zorgvuldige afweging of vrijgekomen ruimte moet worden benut voor woningbouw. Immers, per saldo zal daarmee het aantal gehinderden toe kunnen nemen ondanks een lagere geluidbelasting. Het is binnen de regels van het LIB een lokale bestuurlijke afweging of de gebieden geschikt zijn voor woningbouw.
Bent u van mening dat, gezien de aanzienlijke vertraging die verwacht wordt met betrekking tot het vastleggen van het luchthavenverkeersbesluit, er stappen moeten worden gezet in het actualiseren van het LIB?
Omdat de omvang van het beperkingengebied in het LIB wordt vastgesteld op basis van het toegestane gebruik van de luchthaven in het LVB, is het niet mogelijk het beperkingengebied aan te passen als de inhoud van de LVB-wijziging voor het nieuwe normen- en handhavingsstelsel nog niet vaststaat.
Hoe weegt u de uitspraak van de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS) (zienswijze actualisatie LIB naar aanleiding van de taxibaan «Quebec») dat blijkt uit het Milieueffectrapport van het LVB «dat er tal van locaties zijn waar de begrenzing van de beperkingengebieden niet op de goede plek liggen»? Om hoeveel woningen gaat het daarbij?
De BRS doelt hier op het feit dat de beperkingengebieden in het LIB niet volledig overeenkomen met de contouren die berekend zijn in het kader van het eerdergenoemde concept-LVB in verband met het nieuwe normen- en handhavingsstelsel voor Schiphol. Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, volgt de inhoud van het LIB hetgeen is vastgelegd in het LVB. Als gevolg van de voorgenomen wijziging van het LVB zal ook het LIB worden herzien.
Bent u bereid de in deze zienswijze genoemde quick wins in samenwerking met de BRS voortvarend op te pakken om zo woningbouw mogelijk te maken?
IenW en BZK zijn samen met de BRS in overleg over aanpassingen in het LIB. In dit overleg worden ook de genoemde quick wins meegenomen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat miljoenen klanten van Vattenfall met een variabel contract per 1 april 2022 te maken krijgen met een tussentijdse verhoging van de prijzen voor gas en elektra?
Het is niet mogelijk gebleken om binnen de gevraagde termijn deze vragen te beantwoorden.
Bent u ervan op de hoogte dat deze verhoging voor een gemiddelde gebruiker ongeveer evenveel bedraagt als het gemiddelde voordeel dat de verlaging van btw op stroom en gas per 1 juli oplevert, namelijk ongeveer 11 euro per maand?
De btw-verlaging gaat naar verwachting in per 1 juli 2022 en geldt voor een periode van zes maanden. De tegemoetkoming die hiermee geboden wordt aan een huishouden met gemiddeld energieverbruik1 wordt ingeschat op ongeveer 140 euro in 2022 (circa 20 euro per maand). In het kader van het wetsvoorstel wordt deze inschatting nog herijkt en gecertificeerd door het Centraal Planbureau (CPB).
De tariefverhoging van Vattenfall vanaf 1 april bedraagt ongeveer 11 euro per maand en 100 euro voor de resterende maanden in 2022 voor een huishouden, echter wordt door Vattenfall met een specifiek verbruik gerekend (1.200 m3 aardgas en 2.250 kWh stroom), dat afwijkt van het gemiddelde verbruik zoals berekend door Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Klopt het dat deze verhoging mensen met een flexibel contract betreft en dat de prijzen voor deze huishoudens juist al fors gestegen zijn op 1 januari? Kunt u aangeven hoeveel Vattenfall de prijzen verhoogd heeft voor deze mensen per 1 januari?
Het klopt dat deze verhoging geldt voor huishoudens met een variabel contract. In de regel worden de tarieven voor deze contracten op 1 januari en 1 juli aangepast, maar tussentijdse aanpassingen zijn mogelijk indien dit is afgesproken in de algemene voorwaarden. Het is mogelijk dat een aanzienlijk deel van de huishoudens die per 1 april met een tariefverhoging worden geconfronteerd ook op 1 januari een tariefverhoging hebben meegemaakt. De mate waarin dit het geval is geweest, is afhankelijk van het specifieke contracttype per huishouden.
Het is daardoor ook niet mogelijk om aan te geven hoezeer de tarieven zijn gestegen voor ieder huishouden dat per 1 januari 2022 een variabel contract bij Vattenfall had.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is wanneer energiemaatschappijen gebruik maken van deze ruimte die de verlaging van btw op stroom en gas oplevert, om zelf meer winst te maken, in plaats van dat de maatregelen ten gunste komt van huishoudens die al hard geraakt zijn door prijsstijgingen?
De aangekondigde compensatiemaatregelen voor huishoudens zijn ter ondersteuning van de koopkracht van huishoudens en niet ter ondersteuning van de financiële positie van energieleveranciers. Zowel de timing als de communicatie van Vattenfall waren ongelukkig en zorgden voor extra onrust bij consumenten.
In het najaar heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie contact gehad met de energieleveranciers om te bespreken hoe de in het najaar aangekondigde maatregelen zo snel mogelijk bij de huishoudens terecht komen om de stijging van de energierekening te dempen. Ook ik heb de energieleveranciers op 7 maart jl. gesproken. Tijdens dit gesprek heb ik ook stevig de maatschappelijke rol die energieleveranciers hebben om huishoudens te ondersteunen bij de hoge energierekening besproken, bijvoorbeeld middels informatievoorziening, energiecoaches en vroegsignalering van betalingsproblemen.
Naar aanleiding van het aanvullende pakket van koopkrachtmaatregelen dat op 11 maart jongstleden is aangekondigd, zijn er vanuit het kabinet gesprekken gestart met de energieleveranciers over de uitvoering van de maatregelen. In deze gesprekken wordt ook met de energieleveranciers besproken hoe de maatregelen in de btw op aardgas, elektriciteit en stadswarmte zo snel mogelijk bij huishoudens terecht komen.
Hoe verklaart u het zeer uitzonderlijke feit dat er nu per 1 april aanpasssingen zijn, aangezien het gebruikelijk is dat de prijzen twee keer per jaar worden aangepast door energiemaatschappijen, namelijk op 1 januari en 1 juli? Wilt u zich inzetten om te voorkomen dat deze prijsstijging per 1 april gaat plaatsvinden en huishoudens de dupe worden door met Vattenfall in gesprek te gaan?
Antwoord 5 De groothandelsmarkt voor aardgas en elektriciteit kenmerkt zich sinds afgelopen zomer door hoge en volatiele prijzen. De inval van Rusland in Oekraïne heeft deze trend versterkt. Dit kan gevolgen hebben voor de inkoopprijzen voor energieleveranciers, afhankelijk van de specifieke inkoopstrategie van het bedrijf. Het is betreurenswaardig dat verscheidene energieleveranciers sinds de zomer ervoor gekozen hebben om tussentijds de variabele tarieven te verhogen. Daarnaast mogen energieleveranciers de tarieven alleen tussentijds verhogen wanneer hiervoor een clausule is opgenomen in de algemene voorwaarden van het energiecontract. Ook is het niet toegestaan om tussentijds contracten met vaste tarieven aan te passen.
Na de berichtgeving over de tussentijdse tariefsverhoging van Vattenfall is op mijn verzoek ambtelijk hierover meteen contact geweest met het bedrijf. In reactie gaf Vattenfall aan dat het zich genoodzaakt voelt haar variabele tarieven per 1 april a.s. aan te passen als direct gevolg van de sterk gestegen inkoopprijzen van energie gedurende de eerste maanden van 2022. Hoewel er sprake is geweest van een zeer ongelukkige communicatie vanuit Vattenfall, staat deze tariefsverhoging los van de recente aankondiging van het kabinet om de btw op energie te verlagen. Op woensdag 9 maart 2022 is voor het eerst contact geweest tussen het Ministerie van Financiën en Energie–Nederland om de uitvoering van een eventuele btw-verlaging op energie te bespreken. Deze prijswijziging is op maandag 14 maart 2022 aangekondigd door Vattenfall en volgens het bedrijf al weken van te voren voorbereid zodat klanten tijdig geïnformeerd konden worden.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 4 lopen er gesprekken vanuit het kabinet met de energieleveranciers over de uitvoering van de btw verlaging op energie. Het kabinet blijft in gesprek met de energieleveranciers om ervoor te zorgen dat de koopkrachtmaatregelen terecht komen bij huishoudens en niet bij de energieleveranciers blijven liggen ter ondersteuning van hun financiële positie. Daarnaast is het de taak van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om de energieleveranciers te controleren op het nakomen van de wettelijke verplichtingen en om te beoordelen of energieleveranciers redelijke tarieven hanteren.
In de Kamerbrief over de aangekondigde maatregelen van afgelopen vrijdag werd aangegeven dat het kabinet in gesprek is met de branche om het effect van de verlaging zo snel mogelijk bij huishoudens terecht te laten komen; is tijdens deze gesprekken met de branche al duidelijk geworden dat er werd nagedacht over het verhogen van prijzen op gas en elektra? Is het mogelijk om eisen of voorwaarden te stellen in deze gesprekken met de branche, bij de genomen maatregelen, zodat huishoudens zélf demping op de hoge energieprijzen gaan ervaren?
Ik heb mede namens de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen op 7 maart 2022 een gesprek gevoerd met de energieleveranciers. Tijdens dit gesprek hebben energieleveranciers in het algemeen hun zorgen geuit over verdere prijsstijgingen, de gevolgen hiervan voor consumenten en het belang om goed voorbereid de volgende winter in te gaan met het oog op de leveringszekerheid.
Net als het kabinet nemen de energieleveranciers de situatie zeer serieus. De energieleveranciers benaderen actief consumenten over de problematiek, signaleren vroegtijdig wanneer er betalingsproblemen kunnen ontstaan en werken samen met o.a. gemeenten om oplossingen te bieden. Het is belangrijk dat energieleveranciers goede voorlichting geven over prijzen en contracten. Zoals aangegeven zal het kabinet regelmatig in gesprek met de energieleveranciers blijven over de gevolgen voor huishoudens en de hoge prijzen en wat zij hierin kunnen betekenen. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Verwacht u dat er nog meer energiemaatschappijen zijn die tussentijds en op korte termijn de prijzen verhogen? Hebben zij dat bij u aangekondigd?
De situatie op de energiemarkt is sinds de zomer uitzonderlijk en het is zeer onzeker hoe deze zich verder zal ontwikkelen. Duidelijk is dat ook energieleveranciers geraakt worden door de hoge en volatiele energieprijzen, wat zich al geuit heeft in het faillissement van een aantal leveranciers en meerdere tussentijdse tariefsverhogingen. De huidige energietarieven die energieleveranciers aanbieden, worden dan ook bepaald door de marktomstandigheden. Een voorbeeld daarvan is de aankondiging van Vattenfall. Ook Eneco heeft recent aangekondigd dat zij maandelijks de variabele tarieven zullen aanpassen.2 Daarnaast hebben ook energieleveranciers Budget Thuis en NLE eerder aangekondigd de tarieven maandelijks te zullen aanpassen.3 Energieleveranciers zijn daarbij wel verplicht om de tarievenwijzigingen van te voren bij hun klanten bekend te maken. De consument kan bij contracten voor onbepaalde tijd met variabele tarieven overstappen naar een andere leverancier.
Ik heb geen zicht op de posities van individuele bedrijven, maar ik sluit niet uit dat, zolang deze uitzonderlijke situatie op de energiemarkt voortduurt, energieleveranciers mogelijk zullen besluiten tot tussentijdse tariefswijzigingen. Aanpassingen in variabele energietarieven worden niet door de energieleveranciers vooraf aangekondigd bij het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK). Leveranciers zijn bij aanpassingen in de tarieven wel verplicht om deze door te geven aan de ACM. De ACM houdt toezicht op de hoogte van de tarieven.
Welke stappen zet u naast de huidige maatregelen voor een eerlijkere demping van hoge prijzen op gas en elektra voor huishoudens?
Met de in het najaar aangekondigde maatregelen en de recent aangekondigde aanvullende koopkrachtmaatregelen is er in 2022 al circa 5,4 miljard euro aan compenserende maatregelen aangekondigd. Van dit pakket wordt ongeveer 3,3 miljard euro ingezet voor directe compensatie via de energierekening door de verlaging van de energiebelasting en de btw op aardgas, elektriciteit en stadsverwarming. Dit merkt ieder huishouden op de energierekening. Daarnaast is 680 miljoen euro gereserveerd voor de eenmalige energietoelage waardoor gemeenten een richtbedrag van 800 euro compensatie kunnen bieden aan ongeveer 800.000 huishoudens met lage inkomens. De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regeling en zij heeft de Tweede Kamer daar recent per brief nader over geïnformeerd (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 112). Ten slotte is er 310 miljoen euro gereserveerd voor energiebesparende maatregelen, waarmee kwetsbare huishoudens ondersteund worden om structureel minder blootgesteld te worden aan hoge en volatiele energieprijzen, door het energieverbruik te verlagen. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal Uw Kamer nog voor het commissiedebat Klimaatakkoord Gebouwde Omgeving op 6 april a.s. een brief sturen over de uitwerking van het nationaal isolatieprogramma en de middelen die het kabinet hiervoor heeft vrijgemaakt in het coalitieakkoord.
Voor meer informatie over bovenstaande maatregelen verwijs ik u graag naar de brief hoge gasprijzen (Kamerstuk 29 023, nr. 272), de brief aanvullende koopkrachtmaatregelen 2022 (Kamerstuk 35 925 XV, nr. 111) en de brief over gasleveringszekerheid (Kamerstuk 29 023, nr. 283).
Het kabinet blijft de komende tijd de actuele situatie en de impact hiervan op de koopkracht van huishoudens nauwlettend in de gaten houden, maar benadrukt tegelijkertijd dat het de gevolgen van langdurig hogere energieprijzen niet volledig zal kunnen compenseren.
Wilt u deze vragen binnen afzonderlijk binnen een week beantwoorden?
Concept vonnissen en inloopkamers |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het publiceren van een concept vonnis door de Raad voor de Rechtspraak?1
Het concept-vonnis is op dinsdag 8 maart 2022 per abuis op www.rechtspraak.nl gepubliceerd. De rechtbank Rotterdam heeft op haar website uitgelegd wat er is gebeurd.2 De organisatie van de rechtspraak is goed op orde, maar een ongeluk is niet helemaal uit te sluiten. Daarbij wil ik benadrukken dat de publicatie van het vonnis geen betekenis heeft voor de rechtsgeldigheid van het vonnis, omdat het vonnis niet was ondertekend en niet was uitgesproken. Dat het toch gepubliceerd werd onder het nummer van de wel uitgesproken zaak, is een betreurenswaardige vergissing geweest.
Kunt u nagaan hoe een concept vonnis op de website van de Rechtspraak is beland?
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 vermeld, heeft de rechtbank Rotterdam op haar website uitleg gegeven: Op 8 maart is er uitspraak gedaan tegen twee verdachten in de zaak-Sherwood en is per abuis een vonnis van de derde verdachte online verschenen, terwijl dat vonnis niet was getekend of was uitgesproken. Het ging om het vonnis van een verdachte die nog gehoord moest worden, maar waarvan in eerste instantie ook op 8 maart een uitspraak zou volgen. Op 2 februari 2022 zijn de zaken tegen de drie verdachten in de zaak-Sherwood behandeld. De feiten zijn besproken, de officier heeft het requisitoir gehouden en er is door een van de advocaten gepleit. De advocaat van de verdachte M., die aan het begin van de zitting gemachtigd was, heeft de rechtbank aan het eind van de zitting laten weten dat hij niet langer gemachtigd was. De rechtbank heeft toen bepaald dat het onderzoek in alle drie de zaken op 8 maart zou worden gesloten en dat de vonnissen direct daarna zouden worden uitgesproken. Na de zitting op 2 februari zijn in alle drie de zaken vonnissen gemaakt. In de aanloop naar de zitting van 8 maart heeft de advocaat van de verdachte M. de rechtbank laten weten dat hij de verdachte weer bijstond en heeft gevraagd of hij alsnog kon pleiten op 8 maart. De rechtbank heeft hiermee ingestemd. De zaken van de twee medeverdachten zijn op 8 maart gesloten en er is meteen uitspraak gedaan. In de zaak van verdachte M. zou nog gepleit worden, waarna de uitspraak zou worden bepaald. De zaak van verdachte M. is op 8 maart aangehouden op verzoek van zijn raadsman. Het oordeel van de rechtbank dat was opgeschreven in het vonnis dat in die zaak al gemaakt was naar aanleiding van de afgeronde behandeling van de zaak op 2 februari was niet definitief, omdat er in die zaak nog gepleit zou worden.
Kunt u toelichten waarom de Rechtspraak met concept vonnissen werkt, aangezien dit de suggestie wekt dat de rechter zijn oordeel al klaar heeft voordat beide partijen voldoende gehoord zijn?
Navraag bij de Raad voor de Rechtspraak leert dat er in het strafrecht voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling standaard niet met concept-vonnissen wordt gewerkt. Het oordeel van een rechter staat pas vast als de uitspraak is ondertekend en in het openbaar is uitgesproken. In de Rotterdamse zaak is men ervan uit gegaan dat de inhoudelijke behandeling was afgerond en is begonnen met het opstellen van het vonnis (in concept). Dat document (niet het rechterlijk oordeel) is per abuis samen met de uitspraken in de zaken van de medeverdachten (de inhoudelijke behandeling in die zaken was wel afgerond) gepubliceerd op rechtspraak.nl.
Hoeveel vaker komt het voor dat rechtbanken en gerechtshoven in strafzaken conceptvonnissen opstellen nog voor de behandeling ter terechtzitting, waarbij het concept dan dient als toetssteen voor de inhoudelijke behandeling? Is dat niet de verkeerde volgorde?
Hiervoor verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3.
Was hier sprake van een zaak die is behandeld door een inloopkamer?
Nee. De Rotterdamse zaak is behandeld door een reguliere meervoudige strafkamer van dat gerecht.
Wat is uw reactie op het artikel «Wie is uw rechter anno 2022?»?2
De auteur gaat in haar artikel in op wie de rechter is in een geschil en focust zich daarbij in de eerste plaats op de positionering van de juridisch medewerker in het te wijzen vonnis. De auteur vraagt zich af waar je de grens kan leggen, wil de samenwerking tussen de rechter en de juridisch medewerker tot uitdrukking gebracht kunnen worden, zonder daar een antwoord op te willen formuleren. Mijn reactie op de uiteenzetting van de auteur is dat het een gegeven is – gelet op de Wet op de rechterlijke organisatie – dat in ieder geval geen sprake is van gelijkwaardigheid tussen de rechter en de juridisch medewerker. Het antwoord op de vraag wie nu de beslissing neemt in een geschil is dus eenvoudig te beantwoorden: dat is de rechter. Daarnaast maakt de auteur verschillende (kritische) opmerkingen over de werkwijze van de inloopkamers, die de zaaktoedeling en het onmiddellijkheidsbeginsel betreffen. Hiervoor verwijs ik u naar mijn antwoorden op vraag 7 en 8.
Vindt u dat het onmiddellijkheidsbeginsel voldoende is gewaarborgd bij het werken met de inloopkamers en dat die werkwijze voldoende transparant is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het onmiddellijkheidsbeginsel houdt in dat vonnissen in beginsel moeten worden gewezen door de rechter(s) ten overstaan van wie partijen op de mondelinge behandeling zijn gehoord. Mijn antwoord op uw vraag is dan ook bevestigend. Immers, nadat het dossier aan de inloopkamer is overgedragen, wordt het hele dossier gelezen en vindt overleg plaats tussen de juridisch medewerker uit de inloopkamer en de betreffende zittingsrechter. In het proces van het opstellen van het vonnis vindt, waar nodig, eveneens overleg plaats tussen de juridisch medewerker uit de inloopkamer en de zittingsrechter. Ondanks dat in zogenaamde gebonden zaken (die aan de inloopkamer worden overgedragen) het vonnis weliswaar wordt voorbereid door medewerkers uit de inloopkamer, wordt het vonnis te allen tijde gewezen door de zittingsrechter. De verantwoordelijkheid voor het vonnis ligt dan ook bij de zittingsrechter, zoals het onmiddellijkheidsbeginsel dat vereist.
Kunt u uitleggen hoe de toewijzing van inloopzaken verloopt? Gebeurt dit ook willekeurig zoals de Code zaakstoedeling voorschrijft? Zo nee, waarom niet?
Sinds maart 2021 is een nieuw initiatief van start gegaan. Gerechten die daar behoefte aan hebben kunnen ondersteund worden door de zogenoemde inloopkamer. De inloopkamer kan werkvoorraden die (te lang) op de plank liggen voor deze gerechten afhandelen. Doordat de inloopkamer met meer focus kan werken, kan er versnelling komen in de afhandeling van zaken en krijgen rechtszoekenden sneller duidelijkheid.
De inloopkamer bestaat uit verschillende inloopteams. Het gaat in eerste instantie om vijf inloopteams. Voor de rechtbanken (eerste aanleg) gaat dit om bestuursrecht, familierecht, strafrecht en civiel recht. Voor de gerechtshoven (hoger beroep) gaat dit om civiele zaken. De toewijzing van zaken aan de inloopteams geschiedt willekeurig, tenzij het gebonden civiele zaken betreft (zie het antwoord op vraag 7). In dat geval blijft de zaak op naam staan van de zittingsrechter.
Het bericht dat banken contant geld van bedrijven weren |
|
Teun van Dijck (PVV) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Banken weren contant geld, bedrijven radeloos»?1
Ja.
Klopt het dat banken, om witwasrisico’s te beperken, contante transacties sterk willen terugdringen of zelfs verbieden? Zo ja, om welke banken gaat het hier?
Banken zijn op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) verplicht om cliëntenonderzoek uit te voeren en mitigerende maatregelen te nemen bij verhoogde witwasrisico’s. Door de toenemende aandacht voor de uitvoering van de Wwft door poortwachters, in het bijzonder financiële instellingen, zie ik dat bedrijven vaker geconfronteerd worden met de gevolgen van de uitvoering van de Wwft en bijvoorbeeld gevraagd worden meer informatie en documentatie aan te leveren dan voorheen. Ik heb geen volledig overzicht van de banken die mitigerende maatregelen nemen op het gebied van contant geld en hoe die mitigerende maatregelen er precies uit zien. Uit navraag bij de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), begrijp ik dat er geen algemeen maximumpercentage voor cashtransacties is bij hun leden. Wel heb ik signalen ontvangen dat er banken zijn die klanten, waarbij sprake is van excessief gebruik van contant geld, vragen om het aantal contante transacties terug te brengen naar een niveau dat meer aansluit bij het gemiddelde gebruik van contant geld in de sector. Ik kan mij voorstellen dat het ingrijpend kan zijn wanneer een bank, vooral na een lange zakelijke relatie, om uitvoerige documentatie verzoekt of vraagt om het gebruik van contant geld terug te dringen. Gelet op de opgave voor de samenleving om criminele geldstromen te stoppen, is het onvermijdelijk dat ook ondernemers in aanraking komen met de gevolgen van de eisen die horen bij de poortwachtersfunctie. Ik verwacht van banken en andere instellingen dat zij daarbij redelijk te werk gaan en transparant hun klanten informeren over de verplichtingen die op hen rusten. Ik verwacht daarbij ook dat dit in overleg tussen de bank en de cliënt plaatsvindt en er zo nodig tot maatwerk gekomen kan worden indien de contantgeldbehoefte groter is dan wat de bank wenselijk vindt. Dit hangt af van het risicoprofiel van de klant.
Met welke obstakels hebben bedrijven precies te maken en in welke sectoren willen (bepaalde) banken het gebruik van contant geld helemaal verbieden? Klopt het bijvoorbeeld dat bedrijven een limiet van tien procent contante transacties krijgen opgelegd, met een bepaalde snelheid contante betalingen moeten afbouwen en dat zelfs bankrekeningen van bedrijven worden opgezegd?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan voorkomen worden dat de inspanning van banken om witwassen en fraude op te sporen doorslaat?
Zoals ik eerder heb aangegeven2 ben ik voornemens om de Algemene leidraad Wwft zo aan te passen dat duidelijk wordt dat het feit dat bepaalde typen cliënten of producten een inherent verhoogd risico met zich meebrengen geen reden kan zijn om dit type cliënten categoraal te weigeren. Dat blijkt al uit de Leidraad van DNB3. Deze verduidelijking komt tegemoet aan de motie van het lid Azarkan4. Ook in het Convenant Contant Geld, dat ik op 8 april heb aangeboden aan uw Kamer5, biedt DNB richtlijnen over hoe banken hun verplichtingen uit anti-witwasregelgeving kunnen naleven in relatie tot (de toegang tot) chartale dienstverlening. Zo is onder andere afgesproken dat banken de medewerking van toonbankinstellingen kunnen vragen, binnen de grenzen van de geldende wetgeving, om mogelijke witwas- of andere criminele transacties te achterhalen. Waarbij banken toezeggen dat de gevraagde medewerking proportioneel is. Ook is afgesproken dat banken zich ertoe verbinden de anti-witwas- en anti-terrorismemaatregelen die het gebruik van contant geld kunnen beïnvloeden, proportioneel in te zetten en toe te spitsen op de specifieke risico’s per cliënt zodat het legitieme gebruik van contant geld niet wordt gehinderd.
Met de wijziging van de Algemene leidraad Wwft en de verschillende richtlijnen vanuit DNB ga ik ervan uit dat banken blijven bij de reeds geldende individuele risicobeoordeling, zodat hele sectoren toegang blijven houden tot het betalingsverkeer. Bij het stellen van beperkende maatregelen vind ik het belangrijk dat de bank kijkt naar de behoefte van de klant in relatie tot het risicoprofiel. Hierbij dient een afweging te worden gemaakt in de noodzaak en gerichtheid van de beperking, bijvoorbeeld voor contant geld. Daarnaast vind ik het belangrijk dat eventuele maatregelen genomen worden na gedegen cliëntonderzoek en overleg met de klant in kwestie.
Bent u het eens met de stelling dat contant geld een wettig betaalmiddel is en hoort te blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u bereid te treffen om dit te bewerkstelligen en om de obstakels die bedrijven ervaren weg te nemen?
Ik ben het eens met de stelling dat contant geld een wettig betaalmiddel is en blijft. Gelet op de status van contant geld als wettig betaalmiddel is bijvoorbeeld in de Europese strategie voor retailbetalingen6 opgenomen dat lidstaten de acceptatie en bereikbaarheid van contant geld als publiek goed dienen te waarborgen, zodat het als betaalmiddel bruikbaar blijft. Met ditzelfde doel zijn afspraken gemaakt door de belangrijkste partijen uit het betalingsverkeer, die zijn vastgelegd in het eerder aangehaalde Convenant Contant Geld. In dit convenant wordt onder meer onderkend dat naarmate het feitelijke gebruik van contant geld verder afneemt, de vraag nadrukkelijker aan de orde komt hoe het publieke belang van contant geld het beste geborgd kan worden. Daarom zal ik in samenwerking met DNB het komende jaar een onafhankelijk onderzoek uit laten voeren om uit te werken op welke manier het publieke belang het beste geborgd kan worden. Hierbij zullen alle varianten worden onderzocht, variërend van meer publieke tot meer private oplossingen.
Het bericht 'Banken weren contant geld, bedrijven radeloos' |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Banken weren contant geld, bedrijven radeloos»?1
Ja.
Klopt het dat het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer, waar de banken bij zijn aangesloten, geconcludeerd heeft dat maatschappelijke ontwikkelingen zoals digitaal betalen niet afgedwongen mogen worden? Deelt u de zorg dat die dwang er nu toch is?
De afgelopen jaren is er sprake van toenemende digitalisering in het betalingsverkeer. Dit is terug te zien in het toenemend aandeel elektronische betalingen ten opzichte van betalingen met contant geld, maar ook in de dienstverlening door banken. Enerzijds brengt dit voordelen met zich mee, zoals een verhoogd betaalgemak voor veel mensen. Aan de andere kant zorgt dit onder andere voor toenemende druk op de chartale infrastructuur en een lagere toegankelijkheid van het betalingsverkeer voor sommige groepen mensen.
Het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) is een overlegplatform waarin organisaties die zijn betrokken bij het aanbieden en afnemen van betaaldiensten zich inzetten voor een veilig, betrouwbaar, toegankelijk en efficiënt betalingsverkeer voor iedereen. Om ervoor te zorgen dat het betalingsverkeer toegankelijk blijft heeft het MOB het «Actieplan Toegankelijk Betalingsverkeer» opgesteld. Daarnaast heeft De Nederlandsche Bank (DNB) de afgelopen maanden gesprekken gevoerd met de belangrijkste partijen uit het betalingsverkeer over een Convenant Contant Geld. Dit Convenant heb ik op 8 april aan uw Kamer aangeboden2. In het Convenant staan afspraken om ervoor te zorgen dat contant geld goed blijft functioneren als toonbankbetaalmiddel, ook als geleidelijk steeds meer elektronisch wordt betaald. Er is in het Convenant onder andere opgenomen dat banken hun prijsbeleid bevriezen en geen nieuwe maatregelen treffen, zoals tariefsverhogingen of volumebeperkingen, waardoor het opnemen of storten van contant geld voor particuliere en zakelijke klanten duurder, of anderszins ontmoedigd of belemmerd wordt. In artikel 5 van het Convenant is afgesproken dat banken zich ertoe verbinden de anti-witwas- en anti-terrorismefinancieringsmaatregelen die het gebruik van contant geld kunnen beïnvloeden, proportioneel in te zetten en toe te spitsen op de specifieke risico’s per cliënt zodat het legitieme gebruik van contant geld niet wordt gehinderd.
Kunt u een overzicht geven van de wettelijke eisen aan banken om contant geld te beperken? Klopt het dat banken eisen aan kleine ondernemers opleggen die veel verder gaan dan de wettelijke verplichtingen?
Er zijn geen wettelijke eisen die banken verplichten om contant geld te beperken. Banken zijn vanuit hun poortwachtersfunctie verplicht op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (Wwft) om cliëntenonderzoek uit te voeren en zo nodig mitigerende maatregelen te nemen om de risico’s op witwassen te voorkomen. Contant geld is een van de indicatoren voor een verhoogd risico op witwassen. Het uitvragen van additionele informatie over bepaalde chartale transacties kan onderdeel zijn van het cliëntenonderzoek. Als er risico’s gesignaleerd worden, dan dient de bank deze te mitigeren. Een bank bepaalt diens eigen beheerskader ten aanzien van risico’s. Ook bepaalt de bank zelf diens beheersmaatregelen. Dit kan onder andere een beperking van contant geld zijn. Ik heb vernomen dat er banken zijn die klanten, waarbij sprake is van excessief gebruik van contant geld, vragen om het aantal contante transacties terug te brengen naar een niveau dat meer aansluit bij het gemiddelde gebruik van contant geld in de sector.
Ik vind het belangrijk dat banken hun poortwachtersrol goed vervullen en mitigerende maatregelen nemen. Tegelijkertijd vind ik het ook belangrijk dat de genomen maatregelen cliëntspecifiek en proportioneel zijn en genomen worden na gedegen cliëntonderzoek en zo nodig in overleg met de klant in kwestie, zodat voorkomen wordt dat het legitiem gebruik van contant geld bemoeilijkt wordt zonder aantoonbare reden. Deze richtlijn is ook opgenomen in het Convenant Contant Geld.
Wat vindt u ervan dat banken het gebruik van contant geld voor bedrijven moeilijk maken door dit te maximeren op een percentage van de transacties, terwijl de toezichthouder stelt dat banken het legitieme gebruik van contant geld niet mogen bemoeilijken?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat maatregelen zoals een maximum van tien procent cashtransacties bedrijven met veel kleine betalingen raken en niet noodzakelijk meer risicovolle aankopen als luxe horloges en dure auto’s?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ervan op de hoogte dat banken dreigen rekeningen van mkb’ers op te zeggen als zij voor een bepaalde deadline het aantal cashtransacties niet hebben teruggebracht? Vindt u dit in lijn met de afspraak dat legitiem gebruik van contant geld niet bemoeilijkt mag worden?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich dat De Nederlandsche Bank (DNB) vorig jaar vaststelde dat het afstortnetwerk van banken voor contant geld niet op orde is?2 Welke afspraken zijn er nu met banken om dit te verbeteren en om legitiem gebruik van contant geld te faciliteren?
Uit de Bereikbaarheidsmonitor 2021 ondernemers kwam naar voren dat de toegankelijkheid en bereikbaarheid van betaaldiensten in de perceptie van ondernemers sterk was afgenomen in vergelijking met de Bereikbaarheidsmonitor 2016, waaronder de bereikbaarheid van afstortfaciliteiten4. Dit had onder andere te maken met het (tijdelijk) sluiten van een deel van de sealbagautomaten vanwege een reeks plofkraken, de sluiting van bankkantoren, de capaciteitstekorten in het waardetransport en de Geldmaattransitie. In het Convenant Contant Geld zijn onder andere afspraken gemaakt over het minimumaantal sealbagautomaten5 en het aantal recyclers6 en de minimum-bereikbaarheid van deze automaten. Ook zijn er afspraken opgenomen over de kwaliteit van de chartale dienstverlening (Convenant, artikel 1) door Geldmaat en de continuïteit van het waardevervoer (Convenant, artikel 7). Zo is bijvoorbeeld in artikel 1 afgesproken dat Geldmaat minimaal 450 sealbagautomaten zal realiseren en handhaven en dat daarmee 98% van de toonbankinstellingen binnen 20 autominuten rijden van een sealbagautomaat gevestigd is. Bovendien is afgesproken dat banken zich aantoonbaar zullen inzetten om een veilige maatwerkoplossing beschikbaar te stellen voor het afstorten van contant geld voor iedere toonbankinstelling die binnen 20 autorijminuten geen sealbagautomaat tot haar beschikking heeft. Een dergelijke maatwerkoplossing moet proportioneel en redelijk zijn en kan bijvoorbeeld bestaan uit het plaatsen van een extra sealbagautomaat, het assisteren bij het gebruik van een recycler, of het assisteren bij het aangaan van een contract voor waardevervoer.
Herkent u de kritiek dat transactiekosten voor girale betalingen in Europa erg hoog zijn? Kunt u een overzicht geven van de gemiddelde transactiekosten voor betalingen binnen Europa?
Ik herken deze kritiek gedeeltelijk. In dit verband is van belang of sprake is van een internationale overboeking die wordt uitgevoerd via de Single Euro Payments Area (SEPA). Met de wijziging verordening grensoverschrijdende betalingen is geregeld dat de transactiekosten bij grensoverschrijdende betalingen binnen de Europese Unie even hoog zijn als die bij binnenlandse betalingen. Een nadeel van deze overboekingen is dat het bedrag weliswaar binnen een werkdag wordt bijgeschreven, maar niet direct. Er zijn wel mogelijkheden om het bedrag meteen over te boeken, de zogenoemde instant payments. In Nederland vinden de meeste betalingen al via instant payments plaats en worden er geen extra kosten gerekend voor deze methode, maar in andere landen wordt dit soms nog als premiumdienst, tegen additionele kosten, aangeboden of bieden banken instant payments in zijn geheel niet aan. Ik beschik helaas niet over een overzicht met de kosten die gerekend worden voor instant payments in andere EU-landen. De Europese Commissie werkt aan het normaliseren van instant payments en heeft aangekondigd in de tweede helft van dit jaar met een wetgevend voorstel te komen.
Bent u bereid de zorgen over de opstelling van banken ten aanzien van contant geld richting kleine ondernemers op korte termijn bij de banken onder de aandacht te brengen?
Ja. Ik zal in het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer benadrukken dat ik van banken verwacht dat zij proportionaliteit toepassen bij het implementeren van mitigerende maatregelen in het kader van de Wwft, in overeenstemming met de afspraken uit het Convenant Contant Geld.
De prijzen van het openbaar vervoer |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de prijs van treinkaartjes van de NS jaarlijks meestijgt met de inflatie?
In de concessie voor het hoofdrailnet is opgenomen dat NS de tarieven voor de beschermde kaartsoorten1 kan corrigeren voor inflatie (zoals weergegeven in de consumentenprijsindex (CPI) in de Macro Economische Verkenningen MEV) en met een eventuele wijziging van de gebruiksvergoeding voor het spoor.
Kunt u een algemeen beeld geven van de manier waarop prijsstijgingen geregeld zijn in de openbaar vervoersconcessies van provincies en vervoerregio’s in relatie tot inflatie?
In het decentrale OV is een manier van indexeren afgesproken voor zowel hun OV tarieven als voor de subsidiebijdrage van decentrale OV autoriteiten aan vervoerders. De indexatiewijze is gebaseerd op de algemene kostenverandering in het decentraal OV gemeten via de lonen, de energieprijzen en overige kosten, waarbij de overige kosten de inflatie volgen. Deze drie componenten worden afgeleid uit de door CBS en CPB gepubliceerde cijfers. De componenten worden met verschillende wegingsfactoren in een mandje gecombineerd tot een Landelijke Tarieven Index (LTI) voor landelijke kaartjes en een Landelijke Bijdrage Index (LBI) voor de subsidiebijdragen van decentrale overheden. In de mandjes wegen de lonen het zwaarst (ca 65%) en op dit moment wegen de energiekosten voor ongeveer 10% mee.
De wegingen verschillen per modaliteit (bus, tram en trein) en naar energiesoort (diesel, gas, elektriciteit). Elke 3 jaar wordt de weging van de verschillende componenten in het mandje opnieuw bepaald. En jaarlijks wordt een jaarprognose bepaald van de indexen, die in de volgende jaarlijkse berekening eventueel worden gecorrigeerd voor de realisatie in het afgelopen jaar. Dus voor de tarieven wordt de gerealiseerde inflatie over 2021 gecorrigeerd in de LTI 2023 en die van 2022 wordt gecorrigeerd in de LTI 2024.
Zou u het ook onacceptabel vinden als kaartjes voor de trein, tram of bus in een jaar met 5% of meer stijgen?
Wanneer als gevolg van de inflatie de prijzen in Nederland stijgen, dan geldt dat logischerwijs ook voor het OV. Immers ook de vervoerders worden geconfronteerd met hogere kosten die gecompenseerd moeten worden om financieel gezond te blijven. Ik begrijp dat een stijging van de tarieven geen aantrekkelijk perspectief is, maar zoals in de antwoorden op vraag 1 en 2 beschreven zijn de prijzen wel verbonden met de inflatie. Net als in andere sectoren kunnen deze kosten worden doorberekend.
Bent u het eens dat voorkomen moet worden dat de prijzen van ov-kaartjes volledig geïndexeerd worden bij de huidige exceptioneel hoge inflatie?
Zie ook het antwoord op vraag 2, waarin de spelregels voor het bepalen van de prijs van OV-kaartjes is toegelicht. De tariefvoorstellen moeten voor advies per concessie worden voorgelegd aan de consumentenplatforms. Na reactie op dat advies worden de tarieven definitief vastgesteld.
Bent u bereid om met de NS om de tafel te gaan zitten om ervoor te zorgen dat treinkaartjes niet veel duurder worden?
Het tariefbeleid van NS is, binnen de spelregels van de concessie, een eigen verantwoordelijkheid van NS. Op grond van de concessie mag NS de tarieven corrigeren voor de inflatie. Zie ook mijn antwoord op vraag 1. NS zal haar binnenlandse tarieven overigens pas weer per 1 januari 2023 aanpassen. De procedure hiervoor zal rond augustus 2022 starten met een adviesaanvraag aan de consumentenorganisaties vertegenwoordigd in het LOCOV.
Bent u bereid om er samen met provincies en vervoerregio’s voor te zorgen dat ook de bussen, trams, metro’s en de regionale treinen niet veel duurder worden?
Zoals uit voorgaande antwoorden blijkt, heb ik geen bevoegdheid ten aanzien van de regionale OV tarieven. Ik kan dus niet voorkomen dat die tarieven duurder worden per 1 januari 2023.
Klimaatbanen |
|
Senna Maatoug (GL), Bouchallikh , Suzanne Kröger (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest van GroenLinks Eindhoven «Groene Banen, Gouden Toekomst»?1
Ja.
Erkent u dat het klimaatprobleem en sociale ongelijkheid direct aan elkaar gekoppeld zijn, en de energietransitie alleen kan slagen als deze sociaal gebeurt?
Het kabinet onderschrijft het belang van een eerlijke transitie met aandacht voor de sociaaleconomische gevolgen en het behoud van breed maatschappelijk draagvlak. Het kabinet houdt dan ook rekening met de uitvoerbaarheid, de gevolgen voor koopkracht van huishoudens en de lasten voor verschillende bedrijven en maatschappelijke organisaties. Om te zorgen dat zoveel mogelijk bedrijven, maatschappelijke organisaties en huishoudens de nodige investeringen kunnen doen, wordt er daarnaast vanuit het Rijk op verschillende wijzen ondersteuning geboden.
Zou een klimaatbanencoalitie, zoals voorgesteld in Eindhoven, ook landelijk opgezet kunnen worden als onderdeel van het Actieplan Groene Banen? Bent u bereid landelijke meetbare doelstellingen te formuleren waar bedrijven, opleidingen en overheden zich aan committeren?
Het idee voor een klimaatbanencoalitie zoals voorgesteld in Eindhoven gaat uit van een gezamenlijke inspanning van bedrijven, opleidingen, overheden en maatschappelijke partners. Dit sluit goed aan bij het kabinetsbeleid om samen met alle relevante partijen actie te ondernemen tegen krapte op de arbeidsmarkt. De komende tijd brengt het kabinet in kaart welke aanvullende (beleids)inzet kan helpen het tekort aan technische vakmensen kunnen terug te dringen. Het kabinet zal met een open blik kijken naar de verschillende opties uit het veld, waaronder het idee van een klimaatbanencoalitie.
Het Actieplan Groene Banen wordt geïntegreerd met het aanvalsplan dat het kabinet ontwikkelt in reactie op motie Amhaouch.2 De ambitie van het aanvalsplan is om de huidige ruim 100.000 openstaande vacatures in de technieksector substantieel terug te dringen. Het kabinet wil meer datagedreven en resultaatgericht werken. Het is daarom belangrijk om de acties die vanuit de overheid worden ingezet meetbaar te maken. Dit betekent dat het kabinet zo concreet mogelijke doelstellingen formuleert, zodat gemeten kan worden of de doelstellingen zijn behaald. In overleg met stakeholders wordt bekeken wat de doelstellingen kunnen zijn.
Bent u bereid werkzoekenden actief te ondersteunen in de omscholing naar een baan in de energietransitie, bijvoorbeeld in de vorm van extra begeleidingsbudget aan gemeenten?
Vanuit het kabinet worden werkenden en werkzoekenden gestimuleerd om eigen regie te voeren en zelf keuzes te maken in hun leer- en loopbaan. Het is belangrijk dat werkgevers daartoe investeren in een leercultuur en werkenden in staat stellen om te leren en te ontwikkelen.
De overheid ondersteunt dat, met regelingen vanuit het Rijk en door ondersteuning – voor werkzoekenden – vanuit UWV en gemeenten. Voor wie wil bijscholen of omscholen zijn diverse subsidies beschikbaar, zoals het STAP-budget, de tijdelijke subsidieregeling NL leert door met inzet van scholing, en de omscholingsregeling naar kansrijke beroepen in de ict en techniek. Via de SLIM-regeling stimuleert de overheid daarnaast bedrijven om te investeren in een sterke leercultuur op het werk. Gemeenten hebben reguliere middelen in het kader van het Participatiebudget om mensen te ondersteunen richting werk. Deze middelen kunnen zij inzetten voor begeleiding en omscholing richting de banen in de energietransitie. Voor 2022 is door het kabinet € 60 miljoen extra beschikbaar gesteld aan gemeenten voor ondersteuning naar werk in het kader van het aanvullend sociaal pakket.
Ook is er aanvullende ondersteuning mogelijk via de Regionale Mobiliteitsteams (RMT), onder andere via praktijkleren in het mbo. Vooral een combinatie van werken en leren kan helpen om de overstap te maken naar banen in tekortberoepen, onder andere in de energiesector. Hierbij speelt ook de vraag of en in hoeverre de kwaliteiten van de werkzoekende aansluiten bij de gevraagde competenties, dan wel dat om- en bijscholing mogelijk is, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de constatering dat het een belemmering is voor werkzoekenden en de energietransitie dat scholing nu vanuit verschillende potten (gemeente, STAP-budget, UWV) gefinancierd wordt? Bent u bereid in het kader van het Actieplan Groene Banen deze belemmeringen in kaart te brengen en de rijksoverheid een sturende rol te geven, gezien het belang van deze transitie?
Dat scholing via verscheidene wegen gefinancierd wordt, beschouwt het kabinet op zichzelf niet als een belemmering. Achter deze financieringsroutes gaan verschillende private en publieke eigenaren en verschillende doelen schuil. Dit vraagt echter wel om samenhangende en vindbare («no-wrong-door»-)dienstverlening voor zowel werkenden als werkzoekenden, zodat zij snel inzicht krijgen in de verschillende regelingen waar zij gebruik van kunnen maken. Omdat niet iedereen altijd toegang heeft tot de budgetten die aansluiten bij hun persoonlijke situatie is daarnaast ontschotting van belang. Met de RMT’s en de Leerwerkloketten bestaat er een aanpak die hierin voorziet. In het coalitieakkoord is aangekondigd de arbeidsmarktinfrastructuur uit te breiden. Het kabinet komt hier later uitgebreider op terug.
Krapte op de arbeidsmarkt kan impact hebben op grote maatschappelijke opgaven van deze tijd. Er is goed opgeleid en genoeg personeel nodig om te werken aan de energie- en klimaattransitie. Dat vraagt om breed te kijken wat er nodig is om deze problematiek te verhelpen. Op verzoek van uw Kamer3 werkt het kabinet samen aan een aanvalsplan waarbij wordt ingezet om mogelijke belemmeringen weg te nemen.
Welke initiatieven lopen op dit moment om aspirant-mbo-studenten te stimuleren om een techniekopleiding te doen? Wat zijn de meetbare doelen van deze initiatieven, en hoe wordt ervoor gezorgd dat deze doelen ook worden gehaald?
Mbo-technici zijn hard nodig in onze maatschappij en hebben een centrale rol binnen de energietransitie. Om aspirant mbo-studenten te stimuleren om een techniekopleiding te doen zijn er diverse initiatieven. In de regio lopen initiatieven die passen bij de regionale uitdagingen en de instellingen, met eigen doelen, streefcijfers en monitoring. Naast initiële studenten zijn deze initiatieven ook regelmatig gericht op om- en bijscholing zoals het Transitiehuis Gelderland.4 Daarin werken werkgevers uit de bouw, elektrotechniek en installatiebranche, brancheorganisaties werkgevers- en werknemersorganisaties, kennisinstellingen, onderwijs, provincie en gemeente samen aan skills-ontwikkeling voor zijinstroom voor woningen en gebouwen, met aandacht voor maatwerk. Vanuit het Techniekpact worden good practices vanuit de regio gedeeld.
Daarnaast wordt er met het programma Sterk Techniekonderwijs gewerkt aan duurzaam, dekkend en kwalitatief sterk technisch onderwijs. Middelen zijn beschikbaar gesteld voor de regionale plannen van vmbo-scholen, mbo-instellingen, het bedrijfsleven en regionale overheid. Binnen Sterk Techniekonderwijs is er aandacht voor het kiezen voor techniek. Sterk Techniekonderwijs wordt actief gemonitord.5
Landelijke initiatieven zijn bijvoorbeeld de Girls Day van de VHTO, die zich inzet in voor meer meisjes en vrouwen in de techniek. Jet-Net & TechNet is een groot landelijk netwerk waarbinnen bedrijven en scholen samenwerken om jongeren in het onderwijs zelf de wereld van techniek te laten ervaren. Verder is er op nationaal niveau de Techniekpactmonitor. Daarin worden instroomcijfers binnen technische opleidingen in het mbo, alsmede het vo en ho, gemonitord worden en wordt gemeten of de doelen uit het Techniekpact worden behaald.
Worden met de bestaande initiatieven, waaronder het Techniekpact, alle sectoren en tekortberoepen gedekt die nodig zijn voor de energietransitie? Zo nee, voor welke klimaatbanen is nog geen beleid ontwikkeld en is dat in de maak?
De bestaande initiatieven zoals het Techniekpact en de Taakgroep Arbeidsmarkt en Scholing dekken de sectoren en de bij het kabinet bekende klimaatbanen die nodig zijn voor de energietransitie.6 Hierbij moet de kanttekening worden geplaatst dat door innovatie en keuzes in de transitie banen verloren kunnen gaan of juist nieuwe banen gecreëerd kunnen worden. De arbeidsmarkt is continu in beweging. Daarom worden de arbeidsmarktontwikkelingen nauw gevolgd om te bezien wat benodigd is.
Kunt u een overzicht geven van de initiatieven om hbo-studenten te stimuleren een techniekopleiding te doen? Wat zijn de meetbare doelen van deze initiatieven?
Ook hbo-technici hebben een belangrijke rol binnen de klimaatopgave. Door het land zijn er uiteenlopende regionale initiatieven met eigen doelen en monitoring die passen bij de unieke situatie van de regio en instelling. Zo zijn er vo-ho netwerken die op het gebied van bèta en techniek verschillende activiteiten door heel Nederland organiseren voor leerlingen, docenten en schoolleiders. Dit met het doel om te zorgen voor een betere aansluiting tussen het voortgezet onderwijs en hoger onderwijs. Een voorbeeld hiervan zijn masterclasses en pre-university colleges.
Daarnaast worden door het bedrijfsleven verschillende evenementen georganiseerd om jongeren te interesseren voor de techniek. Een voorbeeld zijn de Career Days die in samenwerking met het voortgezet onderwijs georganiseerd waarin leerlingen in het voortgezet onderwijs de grote variatie aan technische beroepen en bedrijven ontdekken. Ook zijn er initiatieven van hogescholen zoals het zogenoemde Tech-plein van de Hogeschool Rotterdam. Daar kunnen studiekiezers zien aan welke maatschappelijke vraagstukken ze kunnen meewerken en welke techniekopleidingen hierin een rol (kunnen) spelen. Vanuit het Techniekpact worden good practices uit de regio gedeeld.
Een voorbeeld van een landelijk initiatief is Fastswitch; een landelijk platform dat de hogescholen hebben opgericht voor innovatieve omscholingstrajecten. Elke publieke hogeschool kan deelnemen aan de co-creatie «werkplaatsen» om tot nieuwe FastSwitch omscholingstrajecten te komen. Daarnaast wordt actief gezocht naar samenwerking en co-creatie met werkgevers, de overheid en andere relevante partners. Het FastSwitch label staat voor flexibele, hbo omscholingsprogramma’s met een Match & Go ketenaanpak, waarbij zowel de switcher, de opleider als de werkgever nauw zijn betrokken. Voor technisch talent is er het omscholingstraject «Be an Engineer».
OCW subsidieert de samenwerkende technische hogescholen (verenigd in het Expertise Centrum Professionalisering Beroepsonderwijs) om hun opleidingen beter op elkaar, hun studenten, de arbeidsmarkt en het aanleverend (en afnemend) onderwijs af te stemmen. Hiervoor ontvangt het ECPB tussen 2020 en 2023 € 3,8 miljoen.
Daarnaast bestaat op nationaal niveau het Techniekpact. Middels de Techniekpactmonitor wordt gemeten of de doelen uit het Techniekpact worden behaald.
Zijn de bestaande initiatieven volgens u voldoende om het tekort aan technische vakmensen op te lossen? Zo nee, welke aanvullende middelen bent u voornemens in te zetten?
Het tekort aan technische vakmensen is urgent terwijl technische vakmensen essentieel zijn voor het slagen van de klimaatambities. Dit vraagt om actie van veel verschillende partijen; werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en overheid. Alleen gezamenlijk lukt het om een antwoord te geven op deze tekorten. Het valt op dat afzonderlijke initiatieven veel impact kunnen hebben, maar opgeteld niet de slagkracht hebben die nodig is voor de omvang van het probleem. Mede op verzoek van uw Kamer werkt het kabinet in reactie op de motie Amhaouch7 daarom aan een aanvalsplan om de inzet op dit onderwerp uit te breiden. Voor de zomer ontvangt u een brief met de inhoudelijke uitwerking van het aanvalsplan. Hoe reeds succesvolle initiatieven verder kunnen worden opgeschaald zal daarin een belangrijk aandachtspunt zijn.
Hoe kijkt u aan tegen de oproep van de voorzitter van Techniek Nederland om een actieplan techniekonderwijs op te zetten?2 Wat vindt u van de oproep van de voorzitter van de MBO Raad om een nationaal noodplan in te richten?3 Hoe wordt er samengewerkt met deze en andere betrokken partijen uit het veld?
Het kabinet deelt met de voorzitter van Techniek Nederland dat het oplopende tekort aan technisch personeel zorgelijk is. De opgaven waar Nederland voor staat op het gebied van klimaat vragen om voldoende en goed opgeleide vakmensen.
Het oplossen van dit tekort op de arbeidsmarkt vraagt om actie van veel verschillende partijen: van de overheid, technische bedrijven en branches, en het onderwijs samen. Op dit moment wordt er al samengewerkt in het Techniekpact en is er met het programma Sterk Techniekonderwijs structureel geld beschikbaar voor het versterken van het techniekonderwijs. Daarnaast zijn er verschillende regionale actieplannen.
De MBO Raad heeft eerder gereageerd op het artikel in Het Financieel Dagblad met de correctie dat zij geen nationaal noodplan voor het mbo hebben bedoeld. Wel vindt de MBO Raad het nodig om te komen tot een nationale aanpak voor de maatschappelijke transities in onder andere de techniek. Het mbo kan hier een belangrijke bijdrage aan leveren.
De urgentie wordt sterk gevoeld en daarom wil het kabinet de uitdagingen op de arbeidsmarkt samen met betrokken partijen uit het veld actiever oppakken. De mbo-sector en Techniek Nederland zijn belangrijke partijen, die vanuit hun rol en kennis kunnen bijdragen aan het te ontwikkelen aanvalsplan voor de techniek ten behoeve van de klimaat- en energietransitie en digitale transitie.10 Voor de zomer zal het kabinet de contouren van het aanvalsplan aan de Kamer sturen.
Kunt u in kaart brengen op welke wijze en bij welke initiatieven de drie ministeries op dit moment samenwerken om de tekorten voor de energietransitie op te lossen? Bij welk ministerie ligt op dit moment de regie?
Het oplossen van de tekorten voor de energietransitie is complex. Door de energietransitie loopt de vraag naar technici verder op, bovenop de breed gevoelde krapte. Dit komt bovenop de breed gevoelde krapte in uiteenlopende sectoren. De opgave vereist samenwerking vanuit verschillende perspectieven.
De Ministeries van EZK, SZW en OCW werken al langer samen bij verschillende initiatieven zoals het Techniekpact, van waaruit werken in de techniek wordt gestimuleerd en gemonitord. Ook relevant is de samenwerking op het terrein van leven lang ontwikkelen en de brede aanpak van krapte op de arbeidsmarkt in reactie motie Paternotte/Heerma.11
Het Ministerie van EZK heeft de regie voor de klimaat- en energietransitie en digitale transitie. Om de tekorten voor de energietransitie effectief aan te pakken is meer actie benodigd. De departementen kijken ieder vanuit hun rol wat zij kunnen betekenen binnen een actieplan voor de techniek gericht op de klimaat- en digitale transitie in reactie op de motie Amhaouch.12
Hoe kijkt u aan tegen maatregelen, zoals extra geld voor beroepsopleidingen in een tekortsector, lager collegegeld en/of een afstudeerbonus voor techniekopleidingen?
Het kabinet ziet de grote tekorten aan personeel in de technieksector. Dit vraagt om actie van veel verschillende partijen; werkgevers, werknemers, onderwijsinstellingen en overheid. Alleen gezamenlijk lukt het om een antwoord te geven op deze tekorten. Gezien de grote tekorten op de arbeidsmarkt verkent het kabinet welke maatregelen eventueel extra nodig zijn om te werken aan beroepsonderwijs dat zo goed mogelijk aansluit bij de behoeftes op de arbeidsmarkt. Uiteraard betrekt het kabinet hierbij ook ervaringen met eerdere maatregelen. Conform de motie Paternotte/Heerma,13 aangenomen bij het debat over de regeringsverklaring, wordt uw Kamer voor de zomer geïnformeerd over de generiek aanpak van arbeidsmarkttekorten. In reactie op de motie Amhaouch14 zal de Kamer specifiek geïnformeerd worden over de maatregelen die genomen worden voor de technische sector door werkgevers, overheid en het onderwijs. Het kabinet kijkt met een open blik kijken naar de verschillende opties die bijdragen aan het oplossen van tekorten in de technieksector, met oog voor de klimaatopgave.
Op welke wijze kunt u studenten meer ruimte geven voor het herzien van een initiële studiekeuze naar een opleiding in de technieksector?
Het herzien van een studiekeuze is altijd aan de student. Het is aan de onderwijsinstelling om te bepalen in hoeverre zij studenten willen faciliteren om na aanvang van een opleiding te switchen. Het switchen van opleiding vraagt om maatwerk: de instelling beoordeelt welke deficiënties de student nog heeft en of het realistisch is dat deze in korte termijn weggewerkt kunnen worden (zoals nadere vooropleidingseisen). Dit hangt sterk samen of de student switcht vanuit een verwante opleiding of uit een geheel andere sector komt. Zo dient bepaald te worden welk deel van het onderwijsprogramma nog gevolgd moet worden en of instroom gedurende het studiejaar mogelijk is.
Specifiek voor het mbo is er na de initiële opleidingskeuze de mogelijkheid tot drie maanden heroriëntatie voor studenten die van opleiding willen wisselen. Op dit moment zijn we daarnaast de mogelijkheden van een experiment gericht op een oriëntatieprogramma in het mbo aan het verkennen voor studenten die behoefte hebben aan een bredere opleidingsoriëntatie voorafgaand aan de definitieve studiekeuze. Een oriëntatieprogramma kan een verkeerde initiële studiekeuze wellicht voorkomen. Bij de verkenning naar het experiment wordt ook bekeken hoe de bestaande mogelijkheid van heroriëntatie kan worden gekoppeld aan een dergelijk oriëntatieprogramma, waarbij ook aandacht is voor opleidingen in de techniek.
Daarnaast wordt in het hoger onderwijs door OCW ingezet op het behoud van studenten voor de technieksector middels het financieren van initiatieven rondom wisselstroom. Deze initiatieven hebben onder andere tot doel om het voor studenten die net gestart zijn met een (techniek)opleiding en niet op de juiste plek zitten het gemakkelijker te maken om binnen dezelfde sector te wisselen van een wo-opleiding naar een hbo-opleiding.
Hoe staat het met de uitvoering van motie van het lid Westerveld waarin wordt gevraagd naar het ontwikkelen van een langetermijnvisie voor het vervolgonderwijs, met meer waardering voor het beroepsonderwijs en praktische vaardigheden?4
Over de uitwerking van de motie Westerveld wordt u geïnformeerd via de Kamerbrief met de visie op de doorstroom in de beroepskolom beginnend bij het primair onderwijs, via het voortgezet onderwijs tot aan het mbo en het hbo. Uw Kamer ontvangt deze brief na de zomer.
Het ontwikkelen van een Europese digitale identiteit in het algemeen en in het bijzonder in relatie tot het coronatoegangsbewijs |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Sinds wanneer is de Europese Unie (EU) bezig met de ontwikkeling van een Europese digitale identiteit?
De Europese Commissie heeft op 3 juni 2021 een wetsvoorstel ingediend voor een «raamwerk voor een Europese Digitale Identiteit», dat de huidige eIDAS-verordening herziet.1 Dit voorstel heeft de Commissie ingediend conform het verzoek daartoe van de Europese Raad.2
Klopt het dat de EU in juni 2021 constateert dat de implementatie van de Europese digitale identiteit niet goed loopt, getuige de passage: «Vanaf de inwerkingtreding van het e-ID-deel van de verordening in september 2018 hebben slechts 14 lidstaten ten minste één e-ID-regeling aangemeld (...). Er zijn maar 7 regelingen die volledig mobiel zijn (...).»1
Dit klopt niet, omdat de Commissie het in uw quote heeft over de eIDAS verordening van 2014 en niet over het wetsvoorstel van 3 juni 2021 voor een «raamwerk voor een Europese Digitale Identiteit» dat die eerdere eIDAS verordening herziet.
De Commissie heeft geconstateerd, evenals het kabinet, dat de implementatie van de eIDAS-verordening uit 2014 onvoldoende resultaten opgeleverd heeft. De digitale interne markt is nog steeds te versnipperd om als burger en bedrijf eenvoudig en veilig online diensten af te kunnen nemen in een ander Europees land. Het aantal elektronische transacties in andere lidstaten is laag, het aantal erkende eID's is beperkt tot 14 lidstaten en 59% van de EU-populatie, en het aantal online diensten dat beschikbaar is voor grensoverschrijdend gebruik is te beperkt. Dit pakt het nieuwe wetsvoorstel aan.
Ook hebben we te maken met een veranderende maatschappelijke context waarin steeds meer digitaal gedaan wordt en is de technologische ontwikkeling zich meer gaan richten op oplossingen waarbij eID's (inlogmiddelen) gelinkt kunnen worden aan attributen. Online (social media) platformen bieden accounts aan en worden steeds dominanter in Europa, terwijl deze accounts en de online transacties ermee, onvoldoende zekerheid bieden voor betrouwbaar en veilig gebruik en bescherming van gegevens van gebruikers.
Het voorstel van de Commissie beoogt de werking van de eIDAS-verordening te bevorderen door lidstaten te verplichten eID's te erkennen voor Europees gebruik én de functionaliteiten van eID-middelen te vergroten in de vorm van een nationaal te introduceren digitale identiteit wallet. De wallet kunnen lidstaten in eigen beheer of onder mandaat uitgeven of ze kunnen een onafhankelijk uitgegeven wallet erkennen. Deze wallet dient burgers en bedrijven die dit willen, de mogelijkheid te bieden om onder een hoog beveiligingsniveau hun elektronische identiteit én daaraan gelinkte attributen, zoals kwalificaties, bevoegdheden en digitale documenten, zelf ter beschikking te stellen.4
Klopt het dat de EU in oktober 2021 stelt dat: «… het digitale EU-COVID-certificaat [heeft] aangetoond dat het mogelijk is op een toegankelijke manier een veilig en beveiligd systeem te ontwikkelen dat privacy en persoonsgegevens beschermt. Het is een belangrijke testcase voor de ontwikkeling van een «toolbox voor digitale identiteit» van de EU.»?2
Het klopt dat de Commissie dit gesteld heeft over de technologie die het EU Digitaal COVID certificaat mogelijk maakt. Het EU Digitaal COVID Certificaat staat inhoudelijk los van de ontwikkeling van de «toolbox voor een digitale identiteit». De lessen die we geleerd hebben door in Nederland op een privacybeschermende manier om te gaan met digitale middelen in de bestrijding van de COVID-19 pandemie, nemen wij mee in de uitwerking van het Europese digitale identiteit raamwerk. Ook het risico op overbevraging van de wallet, waarbij burgers onnodig gevraagd worden gegevens uit een digitale wallet te bewijzen, nemen wij zeer serieus.
Op welke manier is het EU-COVID-certificaat een testcase voor de ontwikkeling van de «toolbox voor een digitale identiteit» van de EU?
Zoals ook in het commissiedebat van 9 maart jl. is benoemd, wordt het EU DCC enkel ingezet in het kader van de huidige COVID-19 pandemie. De inrichting van het «raamwerk voor een Europese Digitale Identiteit», dat de huidige eIDAS-verordening herziet, en de ontwikkeling van de «toolbox voor een digitale identiteit» van de EU staan hier dan ook los van. Als vanzelfsprekend zullen de lessen die we geleerd hebben tijdens het gebruik van het digitale COVID-certificaat wel meegenomen worden in de ontwikkeling van deze toolbox.
Is de techniek en de software voor de corona-app en voor de scanner voor het controleren van de vaccinatiestatus, te gebruiken voor de verdere ontwikkeling van de Europese digitale identiteit? Wordt de techniek voor de corona-app en de scanner op enige manier doorontwikkeld ten behoeve van de bredere Europese digitale identiteit? Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de technische mogelijkheden en onmogelijkheden voor deze doorontwikkeling?
CoronaCheck (zowel de app voor de burger als de app voor de controleur) is ontwikkeld met als doel om een betrouwbaar bewijs te kunnen verstrekken van een testresultaat en/of een vaccinatie, waarbij eenieder dat bewijs kan controleren zonder dat er meer persoonsgegevens worden overlegd dan strikt noodzakelijk. Deze privacy-by-design filosofie heeft geleid tot diverse keuzes in de architectuur, en de gebruikte software en cryptografie. Deze staan open beschreven op de GitHub van het Ministerie van VWS.6 Iedereen die dat wil kan deze technologie checken en hergebruiken, omdat het open inzichtelijk is. De specifieke software voor de CoronaCheck app wordt door de overheid niet doorontwikkeld tot een breder inzetbare EU digitale identiteit wallet.
Kunt u een nadere toelichting geven op de uitspraken van u en van de Minister van Buitenlandse Zaken dat Nederland al is aangesloten op de Europese infrastructuur voor grensoverschrijdend gebruik van e-ID’s? Kunt u een gedetailleerde beschrijving geven van wat deze Europese infrastructuur inhoudt en hoe en door wie die momenteel gebruikt wordt? Wat houdt de aansluiting van Nederland concreet in?3, 4
Zoals in de beantwoording van vraag 2 is benoemd, betreft deze aansluiting de eIDAS verordening uit 2014. De huidige verordening beoogt te zorgen voor een goede werking van de digitale interne markt door met wederzijdse erkenning van elektronische identificatiemiddelen (eID's) en met harmonisatie van vertrouwensdiensten veilige en betrouwbare elektronische transacties tussen burgers, bedrijven en overheden te bevorderen. De eIDAS-verordening stelt de voorwaarden vast waaronder lidstaten elkaars eID's voor burgers en bedrijven wederzijds moeten erkennen. «Openbare instanties» (overheden en organisaties met publiekrechtelijke taken) dienen erkende eID's op betrouwbaarheidsniveaus «substantieel» en «hoog» kosteloos toe te laten bij grensoverschrijdende transacties in het publieke domein. Om grensoverschrijdend gebruik van elektronische identificatie en authenticatie mogelijk te maken, is Nederland aangesloten op het Europese eIDAS-netwerk. Daarnaast heeft Nederland zowel het publieke middel DigiD voor burgers als het publiek-private stelsel eHerkenning voor bedrijven, doen erkennen voor gebruik over de grens.
Een overzicht van de Europees aangemelde eID stelsels kunt u vinden op de openbare website van de Europese eID User Community.9 Ik ontvang maandelijks een overzicht van het huidige gebruik van Europese eID's bij Nederlandse dienstverleners met een publiekrechtelijke taak. Het betreft op dit moment maandelijks ongeveer 10.000 authenticaties met eID-middelen uit andere EU-landen met als koplopers België, Duitsland, Italië, Spanje en Portugal. De dienstverleners met de meeste bevragingen zijn de Belastingdienst, de SVB, het UWV, DUO en het pensioenregister.10
Kunt u aangeven of en hoe het parlement betrokken werd bij de besluitvorming over de aansluiting van Nederland op de Europese infrastructuur voor grensoverschrijdend gebruik van e-ID’s?
De Kamer heeft in 2016 ingestemd met Wijziging van de Telecommunicatiewet, de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht alsmede daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten in verband met de uitvoering van EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten (uitvoering EU-verordening elektronische identiteiten en vertrouwensdiensten, eIDAS).11
Is de software die gebruikt is voor het EU-COVID-certificaat te gebruiken binnen de Europese infrastructuur voor grensoverschrijdend gebruik van e-ID’s?
Ja. De CoronaCheck en CoronaCheck Scanner apps zijn beide ontwikkeld ter ondersteuning van zowel het reizen met een DCC als het binnenlands gebruik van het coronatoegangsbewijs (CTB). De CoronaCheck-app is niet meer dan een digitaal ondertekend certificaat inzake de test-, vaccinatie-, en/of herstelstatus van de burger. Met de CoronaCheck Scanner app kan vervolgens de geldigheid van dit certificaat of bewijs gecontroleerd worden. Het checken van de geldigheid van ondertekende certificaten is standaard technologie die opnieuw te gebruiken valt.
Bent u ervan op de hoogte dat de Nederlandse zorgsector sinds 2016 een «voorloper en kwartiermaker» is voor het e-ID-stelsel van de EU?5
Medische persoonsgegevens zijn gevoelige gegevens. Daarom is het belangrijk dat patiënten veilig kunnen inloggen om hun eigen gegevens te raadplegen en dat professionals veilig kunnen inloggen om gegevens van hun patiënten te raadplegen. Een goed werkend e-ID-stelsel is daarom belangrijk voor de zorg. Het Ministerie van VWS heeft daarom voor de invoering van het e-ID-stelsel in de zorg intensief overleg met zowel het Ministerie van BZK als het zorgveld. De afgelopen jaren heeft het Ministerie van VWS daarin ook geïnvesteerd; denk aan de ontwikkeling van de benodigde technische infrastructuur zoals de Toegangsverleningsservice (voor de efficiënte afhandeling van de verschillende inlogmiddelen) en de ondersteuning bij het aansluiten hierop. Dit kan als vooroplopen gekwalificeerd worden.
Is er een relatie tussen de zorgsector als «voorloper en kwartiermaker» voor het e-ID en de persoonlijke gezondheidsomgevingen (PGO’s)? Zo ja, welke?
Nee. Wel is het belangrijk dat mensen op een veilige manier kunnen inloggen om hun medische gegevens in hun PGO op te halen. Daarom volgt de ontwikkeling van PGO’s de door het Ministerie van BZK toegelaten eID middelen om patiënten veilig te laten inloggen.
Is de techniek die gebruikt wordt voor PGO’s, zoals websites en apps voor online toegang tot medische gegevens, waarop Nederlandse huisartsen via het Huisarts Informatie Systeem (HIS) zijn aangesloten en waarmee patiënten hun gegevens kunnen delen met zorginstellingen, afgestemd op de (bestaande c.q. door te ontwikkelen) Europese infrastructuur voor grensoverschrijdend gebruik van e-ID’s?
Nee. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Zijn er behalve de zorgsector nog meer sectoren in Nederland die nu en/of in het recente verleden een rol hebben bij de ontwikkeling van de Europese digitale identiteit? Welke sectoren zijn/waren dat en wat waren de resultaten?
Voor de ontwikkeling van het Europese digitale identiteit raamwerk is het noodzakelijk om verschillende sectoren te betrekken. De Europese Commissie heeft voorzieningen beschikbaar gesteld voor een open consultatie waarbij alle partijen hun positie ten opzichte van dit voorstel en de uitwerking kunnen uiten. Dit gebeurt op een zo open mogelijke wijze. In antwoorden op vragen van het lid Jansen (FvD) gaf ik reeds aan dat het Kabinet zich zo breed mogelijk laat adviseren voor de invulling van het de Nederlandse implementatie van het Europese digitale identiteit raamwerk.13 Hierbij zijn diverse sectoren betrokken zoals het onderwijs, de mobiliteit sector, werkgelegenheid, de financiële sector en de zorg.
Is de proef in de Tweede Kamer met gezichtsherkenning bij de toegangspoorten met behulp van een camera en de toegangspas op de een of andere manier een onderdeel van de (bestaande c.q. door te ontwikkelen) Europese infrastructuur voor grensoverschrijdend gebruik van e-ID’s? Is de techniek die daarbij wordt gebruikt afgestemd op de (bestaande c.q. door te ontwikkelen) Europese infrastructuur voor grensoverschrijdend gebruik van e-ID’s? Zo ja hoe? Zo nee, waarom niet?
Deze proef is bij mij niet bekend, dus hier is geen afstemming tussen.
Kunt u bevestigen dat het opslaan van de persoonskenmerken adres, leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, gezinssamenstelling, nationaliteit, onderwijskwalificaties, -titels en -diploma’s, beroepskwalificaties, -titels en -licenties, openbare vergunningen en licenties en financiële en bedrijfsgegevens door de EU alsminimale eis is gesteld voor de Europese digitale identiteit? Zo ja, onderschrijft u het verplicht toegankelijk maken van minimaal al deze persoonsgegevens via de Europese digitale identiteit? Wat gaat er mis als één van deze persoonsgegevens niet verplicht toegankelijk is via de Europese digitale identiteit?6
Ja, dat kan ik bevestigen. Annex VI van de voorgestelde verordening voor het Europese digitale identiteit raamwerk (revisie van de eIDAS verordening) omschrijft de minimale set van attributen die lidstaten uit authentieke bronnen ter beschikking moeten stellen voor gebruik in wallets.15
Deze gegevens worden echter nooit «door de EU» ergens opgeslagen. De burger kiest er altijd zelf in vrijwilligheid voor om attributen (geverifieerde gegevens) in een zelf gekozen wallet op te nemen. Het zal aan de burgers zelf zijn welke attributen ze in hun wallet willen opnemen en vervolgens onder eigen regie deze gegevens te gebruiken om gemakkelijk en met behoud van privacy zaken te doen.
Dit voorstel geeft mensen juist meer autonomie en regie over eigen gegevens dan de huidige situatie waarin de burger niet over deze attributen kan beschikken en deze vaak op onveilige wijze overgedragen worden. Denk hierbij aan kopietjes paspoort, gescande handtekeningen of minder veilige cloud of sociale media platformen.
Ik onderschrijf de noodzaak om Europees af te spreken welke gegevens of liever attributen op welk moment in Europees verband minimaal uitgewisseld moeten kunnen worden. Daarbij merk ik op dat het kabinet op dit moment in de onderhandelingen nog geen positie ingenomen heeft ten aanzien van de definitieve invulling van Annex VI. U weet dat ik gemandateerd ben in het BNC-fiche, waaraan ik me ook voor Annex VI houdt, en ik u geen antwoord kan geven ten aanzien van de onderhandelingen. Het parlement, zoals u weet, beoordeelt voorstellen van de Commissie niet inhoudelijk en heeft tegen de subsidiariteit en proportionaliteit van het voorstel geen bezwaren geuit.16
Wel merk ik op dat het kabinet terughoudend is wat betreft de reikwijdte, impact en uitvoerbaarheid van het voorstel en het voorgestelde tijdspad. De hoge ambitie kan alleen gerealiseerd worden met een daarbij passend, realistisch tijdspad. Het voorstel vraagt om een beheersbare, gefaseerde implementatie op basis van gezamenlijke prioritering door de lidstaten, vooral op het terrein van de verplicht op te nemen attributen. Er moet daarbij ook voldoende ruimte zijn om de nodige maatregelen en regelgeving tijdig door te voeren binnen de context van nationale uitvoeringsagenda's en beleidsontwikkelingen en van beheersbare implementatie en realistische effectuering in de uitvoering. Zo staat dit ook in het BNC-fiche.17
Kan het kabinet zich nog uitspreken tegen deze minimale eis van de EU? Zo ja, bent u daartoe bereid?
Zie antwoord vraag 14.
Kan het parlement zich nog uitspreken tegen deze minimale eis van de EU? Zo ja, hoe?
Zie antwoord vraag 14.
Klopt het dat de EU alle lidstaten wil verplichten tot het erkennen van een Europese digitale identiteit? Klopt het dat het kabinet hier een groot voorstander van is? Heeft het parlement de mogelijkheid deze verplichting tegen te houden? Zo ja, hoe?
Zie antwoorden op vraag 2 en 14–16. Het klopt dat de herziening van de eIDAS-verordening lidstaten verplicht tot het ontwikkelen van minstens één digitale identiteit wallet. Zoals in het coalitieakkoord is benoemd krijgen burgers een eigen «online» identiteit. Centraal hierin is de regie op eigen data.
Kunt u een toelichting geven op de passage «Voor een ruime beschikbaarheid en bruikbaarheid van Europese portemonnees voor digitale identiteit is aanvaarding door particuliere dienstverleners vereist. Particuliere vertrouwende partijen die diensten verlenen op het gebied van vervoer, energie, financiële dienstverlening, sociale zekerheid, gezondheidszorg, drinkwatervoorziening, postdiensten, digitale infrastructuur, onderwijs of telecommunicatie moeten het gebruik van Europese portemonnees voor digitale identiteit aanvaarden voor de verlening van diensten waarvoor op grond van nationale of Uniewetgeving of contractuele verbintenis sterke gebruikersauthenticatie voor online-identificatie vereist is.»?7
Dit is een overweging die ten grondslag ligt aan de voorgestelde verordening. Geen onderdeel van de wettekst.
Gebruikers moeten niet verplicht worden de portemonnee of wallet te gebruiken, zoals de overweging die u aanhaalt enkele zinnen later stelt.19 In het voorstel is aangegeven dat de beoogde middelen ook gebruikt zouden kunnen worden in de gezondheidszorg; bijvoorbeeld voor de identificatie en authenticatie van zorgverleners én patiënten. In het voorstel is een minimale lijst opgenomen van attributen die in de wallet (kunnen) zitten wanneer de gebruiker deze wil toevoegen. Deze minimale lijst bevat op dit moment geen attributen met medische gegevens en dus ook geen COVID-certificaten en/of bewijzen.
Klopt het dat er behalve de genoemde minimale eisen (zie vraag 14) het in de bedoeling ligt dat ook gegevens op bovengenoemde terreinen (zie vraag 18), dus inclusief gezondheidszorg, toegankelijk worden via de Europese digitale identiteit? Is het denkbaar dat de door te ontwikkelen Europese digitale identiteit op termijn ook gebruikt gaat worden om de vaccinatiestatus op te slaan en te controleren? Kunt u dit toekomstig gebruik uitsluiten?
Zie antwoord vraag 18.
Is het document EU 2016/679, d.d. 27 april 2016 nog steeds de vigerende verordening voor gegevensbescherming? Zo ja, hoe verhoudt zich het doel van gegevensminimalisatie uit deze verordening tot de voorgenomen opeenstapeling van persoonsgegevens en andere gegevens in de Europese digitale identiteit? Zo nee, wat is de huidige verordening van de EU over gegevensbescherming en wat is daarin geregeld over gegevensminimalisatie?8
Leidend is inderdaad de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).21 Het concept «dataminimalisatie» omschrijft dat wanneer persoonsgegevens worden verwerkt, er niet meer persoonsgegevens mogen worden verwerkt dan strikt noodzakelijk voor het omschreven doel. De Europese Digitale Identiteit wallet zal deze gegevens niet «stapelen», maar de burger de mogelijkheid bieden om deze vanuit diens eigen omgeving te ontsluiten aan publieke of private partijen waarmee de burger zaken wil doen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 22 maart 2022 in verband met het geplande commissiedebat Digitale overheid, datagebruik en algoritmen, digitale identiteit?
Nee. Vanwege de noodzakelijke interdepartementale afstemming was het helaas niet mogelijk om uw vragen te beantwoorden vóór 22 maart 2022.
Het ontbreken van een nationaal zwemdiploma en garanties voor veiligheid en kwaliteit van het zwemonderwijs |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de bevindingen van Radar «Zwemonderwijs in Nederland onder de maat»? Deelt u de mening dat het een slechte zaak is dat heel veel ouders niet weten dat er geen regels zijn voor de eisen en uitgiftes van zwemdiploma’s? Kunt u uw antwoord toelichten?1
Het is zorgwekkend dat bijna een kwart van de ouders vindt dat zijn of haar kind niet goed heeft leren zwemmen op de zwemlocatie. Kwalitatief goede zwemles is van groot belang voor ieder kind.
Echter, wanneer de zwemvaardigheid bij uitgifte van een diploma gegarandeerd is, is het in de kern geen probleem wanneer ouders niet op de hoogte zijn van de regelgeving rondom zwemdiploma’s.
Begrijpt u de grote zorgen van ouders over de kwaliteit van de zwemlessen en de zwemvaardigheid van hun kinderen?
Ik vind dat ouders mogen verwachten dat hun kind kan zwemmen wanneer het een zwemdiploma heeft behaald. Daarom kan ik mij goed voorstellen dat ouders bezorgd zijn als ze merken dat dit niet het geval is. Zelfredzaamheid in en om het water is een belangrijke vaardigheid voor opgroeiende kinderen.
Vindt u het verantwoord dat er geen regels zijn voor het uitgeven van zwemdiploma’s, iedereen dus zelf de eisen mag bedenken en diploma’s mag printen, dat zwemonderwijzers zelf niet gediplomeerd hoeven te zijn om zwemles te geven en kinderen die nog niet goed genoeg kunnen zwemmen toch een diploma uitgereikt kunnen krijgen?
Dat bijna een kwart van de ouders zich zorgen maakt over de kwaliteit van de zwemles is een signaal dat ik serieus neem. Op dit moment ligt een hoge mate van verantwoordelijkheid bij de branche zelf om op een verantwoorde wijze zwemles te geven. Mede om die reden trek ik samen met de branche op om na te denken over manieren waarop de kwaliteit van zwemles in de toekomst geborgd kan worden.
Deelt u de mening dat ouders er op moeten kunnen vertrouwen dat zwemlessen veilig zijn en kwalitatief goed zijn, en het zwemonderwijs er in ieder geval toe leidt dat kinderen zich goed kunnen redden in het water, zeker als er een diploma is afgegeven (bij welke aanbieder dan ook)?
Ja.
Wat is uw visie op het zwemonderwijs in Nederland en welke stappen gaat u op dit dossier zetten in deze kabinetsperiode? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de verzamelbrief zwemvaardigheid en zwemveiligheid van 19 april 2022 schreef ik aan de Kamer dat zwemvaardigheid een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse (sport)cultuur. Daarbij ga ik mij inzetten om ieder kind in Nederland in de basisschoolleeftijd in aanraking te laten komen met zwemles. Waar mogelijk ondersteun ik de branche bij eventuele drempels die ouders en kinderen ervaren om na die kennismaking zwemles te blijven volgen.
Naar welke mogelijkheden kijkt u samen met de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) om de kwaliteit van zwemonderwijs in de toekomst te garanderen, zoals u stelt in uw reactie aan Radar? Kunt u uw antwoord toelichten?2
De NRZ verkent wat de voor- en nadelen zijn van verschillende scenario’s van regulering van zwemonderwijs, te weten:
Het eindproduct van deze exercitie is een afwegingskader waarbij de NRZ beschrijft wat opbrengsten maar ook de eisen van de verschillende scenario’s zijn. Ook zal bekeken worden wat overheden en andere (veld)partijen zouden kunnen bijdragen.
Om input voor deze scenario’s op te halen zijn alle zwemlesaanbieders uitgenodigd om mee te denken, ook de aanbieders die niet zijn aangesloten bij de NRZ.
Onderzoekt u ook de mogelijkheden om wetgeving op te stellen omtrent het zwemonderwijs, zodat kinderen en ouders altijd kunnen vertrouwen op goede zwemlessen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de verdiepingsslag van het sportstelsel van de toekomst verken ik diverse governance-vormen, inclusief (eventuele) wettelijke verankering daarvan. Zwemles is onderdeel van deze verdiepingsslag. Deze inspanning loopt parallel aan de brancheconsultatie van de NRZ (zie antwoord 6).
Bent u bereid om één Nationaal Zwemdiploma in te voeren, waarbij verschillen in methoden van zwemlessen mogelijk blijven maar er wel nadrukkelijk eisen aan zwemlesaanbieders worden gesteld, zodat ouders erop kunnen vertrouwen dat veiligheids- en kwaliteitseisen in het zwemonderwijs zijn gegarandeerd? Zo niet, waarom niet?
Als uit de brancheconsultatie en de verdiepingsslag blijkt dat één Nationaal Zwemdiploma benodigd is om de kwaliteit van het zwemonderwijs te garanderen dan ben ik bereid te onderzoeken op welke wijze dit te realiseren is.
Bent u bereid om de voorstellen die gedaan zijn in het «Actieplan Zwemvaardigheid en zwemveiligheid in Nederland, hoe het risico op verdrinkingen te verkleinen» over te nemen? Zo niet, welke niet, en waarom niet?3
Veel van de voorstellen uit «Actieplan Zwemvaardigheid en zwemveiligheid in Nederland, hoe het risico op verdrinkingen te verkleinen» worden op dit moment ten uitvoer gebracht of hebben een plek in het Nationaal Plan Zwemveiligheid 2021–2024 van de NRZ. Dit betreft:
Het voorstel tot herinvoering van schoolzwemmen neem ik niet over. Schoolzwemmen is geen wettelijke taak voor het onderwijs en daarmee blijft het in de vrije keuzeruimte van scholen. Als scholen of gemeenten de wens hebben deze vrije ruimte te gebruiken voor schoolzwemmen juich ik dat toe. Schoolzwemmen is een mooie manier om kinderen te bereiken die niet vanzelfsprekend in aanraking komen met zwemles.
Om drempels te verlagen voor scholen en gemeenten die graag schoolzwemmen willen aanbieden, stel ik bestedingsbudget van het sportakkoord beschikbaar en ben ik met de collega van OCW in overleg of we gemeenten kunnen stimuleren om zwemles onderdeel te laten zijn van het aanbod van Rijke Schooldag.
Tot slot zal ik op basis van de brede brancheconsultatie van de NRZ en de resultaten van de verdiepingsslag toekomstig sportstelsel bezien of ik het voorstel om te komen tot een Nationaal Zwemdiploma al dan niet overneem. Zie ook antwoord 8.
Het bericht 'Recordjaar overnames in de zorg met grote rol voor private equity' |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Recordjaar overnames in de zorg met grote rol voor private equity»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de rol van private equity-bedrijven in het zorgveld?
Financiering door investeerders en private equity-partijen kan positieve effecten hebben op de zorg, doordat dit meer mogelijkheden geeft voor het financieren van bijvoorbeeld investeringen in innovatie. Er kunnen echter ook risico’s zijn, bijvoorbeeld het risico dat het realiseren van winst een groter belang gaat krijgen dan de kwaliteit van zorg. Dat is uiteraard onwenselijk. Daarom is van belang dat iedere zorgaanbieder die in Nederland zorg levert, moet voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat geldt onder andere voor de eisen rond kwaliteit van zorg door zorgaanbieders zoals vastgelegd in de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz), de bepalingen rond het winstuitkeringsverbod in de Wet toelating zorginstellingen (WTZi) en de bepalingen over bestuursstructuur zoals vastgelegd in de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Daarnaast is door brancheorganisaties de Governancecode Zorg 2022 opgesteld.
Heeft u een goed beeld van de omvang van private equity-investeringen in de zorg? Zo ja, wat is dat beeld?
Mij is geen recent onderzoek bekend naar de omvang van private equity-investeringen in de zorg. Wel heeft de NZa in haar informatiekaart «Concentraties in de zorg 2020» aangegeven bij hoeveel concentraties sprake was van betrokkenheid van een private equity partij, op basis van de gegevens die bekend zijn via de zorgspecifieke concentratietoets. Dit was in 50% van de gevallen het geval.2 Onbekend is de omvang van de investeringen. Er is een nieuwe informatiekaart van de NZa in de maak, die betrekking zal hebben op de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2022. Zodra deze later dit jaar gereed is zal deze ook worden gepubliceerd.
Deelt u de mening dat private equity-bedrijven in de zorg investeren om hoge winsten te maken en daarmee geld uit de zorg laten vloeien dat beter aan de zorg besteed had kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat de beschikbaarheid van kwalitatief goede, toegankelijke en betaalbare zorg aan patiënten voorop moet staan. Daarom moeten zorginstellingen zich, ongeacht de vorm van financiering of het eigenaarschap, houden aan de geldende wet- en regelgeving, onder andere op het gebied van kwaliteit. Daarnaast geldt er een winstuitkeringsverbod voor delen van de zorg, en is in het coalitieakkoord
«Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst»3 ook aangekondigd dat het kabinet (nadere) voorwaarden zal stellen aan winstuitkering om excessieve winstuitkering door zorgaanbieders tegen te gaan, dan wel te voorkomen.
In hoeverre belet de huidige normering van winstuitkeringen, private equity-bedrijven om te sturen op winst in plaats van op de kwaliteit van zorg?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u van plan in het aangekondigde wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) specifieke regels te gaan stellen voor de normering van winstuitkering als het gaat om zorginstellingen die in het bezit zijn van private equity-bedrijven?
Ik ben voornemens om in het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz) de mogelijkheid te introduceren om voorwaarden te stellen aan winstuitkering als er zich excessen voordoen in een sector, of om deze te voorkomen. De aard van de voorwaarden kan verschillend zijn per sector, en de risico’s die zich voordoen waarbij winstuitkeringen een risico vormen voor de betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Voor wat betreft de voorwaarden, valt te denken aan de financiële gezondheid (solvabiliteit), de kwaliteit van zorg of de termijn waarop winst mag worden uitgekeerd. Met deze laatste voorwaarde wordt geborgd dat het langetermijnperspectief van de zorgaanbieder voorop wordt gesteld, boven het belang van korte termijn-investeerders.
Hoe borgt u de kwaliteit van zorg en goed werkgeverschap voor zorginstellingen waar private equity-bedrijven aan de touwtjes trekken?
Alle zorgaanbieders die in Nederland zorg leveren moeten, ongeacht het eigenaarschap, voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat geldt onder andere voor de eisen rond kwaliteit van zorg en de bestuursstructuur zoals wettelijk vastgelegd in respectievelijk de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Wet toelating zorgaanbieders (WTZa). Daarnaast is er de Wet BIG, die eisen stelt aan bepaalde groepen van beroepsbeoefenaren. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet erop toe dat de verplichtingen in deze wet- en regelgeving, zoals de verplichting om goede zorg te leveren, wordt nageleefd. Wanneer de geleverde zorg ondermaats is, heeft de IGJ de bevoegdheid om te handhaven.
Wat betekent de inmenging van internationale investeringsbedrijven voor het Nederlandse zorgveld? Is dit wenselijk? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.