Investeringen bij Tata naar aanleiding van het plan Groen Staal van FNV en andere plannen voor waterstof |
|
Pieter Omtzigt |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
Kunt u aangeven welke afspraken topambtenaren en ministers het afgelopen jaar met Tata steel (Raad van Bestuur en Raad van commissarissen van zowel Tata Steel Nederland, Tata Steel Europe en natuurlijk Tata steel) gehad hebben? Wat was het onderwerp van die overleggen? Kunt u daarvan een overzicht geven?
In 2021 en 2022 hebben verschillende topambtenaren en bewindspersonen gesprekken gevoerd met de Raad van Bestuur van Tata Steel Limited (TSL, India), Raad van Bestuur van Tata Steel Europe (TSE), Raad van Bestuur van Tata Steel Nederland (TSN) en de Raad van Commissarissen van Tata Steel Nederland (RvC TSN). In onderstaand tabel is een overzicht van deze overleggen gepresenteerd. In aanvulling op dit overzicht vindt er regulier contact plaatsgevonden op laag- en soms op hoog-ambtelijk niveau vanuit EZK en IenW met TSN over onder andere de verduurzaming en milieuaanpak van het bedrijf en/of ter voorbereiding van onderstaande overleggen. Alleen in de formele gesprekken (de gesprekken die hieronder zijn weergegeven) zijn afspraken met het bedrijf gemaakt.
Toenmalig Minister EZK + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
25/02/2021
Expression of Principles (EoP), verduurzaming staalfabriek IJmuiden
Topambtenaar EZK + ambtenaren EZK
CEO TSN, voorzitter RvC TSN
15/06/2021
Opsplitsing TSE, onafhankelijk onderzoek verduurzamingsopties over CCS/DRI
Toenmalig Minister EZK + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
05/07/2021
Opsplitsing TSE, onafhankelijk onderzoek verduurzamingsopties TSN over CCS/DRI
Topambtenaar EZK + ambtenaren EZK
CEO TSN, Voorzitter RvC TSn
14/07/2021
Opsplitsing TSE, onafhankelijk onderzoek verduurzamingsopties TSN
Toenmalig Minister EZK + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
15/09/2021
Keuze voor DRI-route i.p.v. grootschalige CCS
Toenmalig Minister EZK + Toenmalig Staatssecretaris IenW + ambtenaren EZK en IenW
CEO TSN, gedeputeerde provincie Noord-Holland
15/09/2021
RIVM rapport stofdepositie IJmond, Roadmap+ maatregelen, tussenrapportage Roland Berger, omgeving
Toenmalig Minister EZK+ Toenmalig Staatssecretaris IenW + topambtenaren EZK en IenW
CEO TSN, gedeputeerden Provincie Noord-Holland, Wethouders Beverwijk en Velsen
23/11/2021
Opvolging gesprek 15/09/2021, verduurzaming van TSN o.b.v. DRI, Roland Berger rapport, Roadmap+ maatregelen
Toenmalig Minister EZK + topambtenaren EZK
CEO TSN
23/11/2021
Opvolging gesprek 15/09/2021, verduurzaming van TSN o.b.v. DRI, Roadmap+ en het Roland Berger rapport
Staatssecretaris I&W
CEO TSN, Gedeputeerde Provincie Noord-Holland, vertegenwoordigers provincie en OD, wethouder gemeente Velsen
14/02/2022
Kennismaking, Roadmap+, milieu en omgeving, verduurzaming
Minister EZK + Minister KE + ambtenaren EZK
CEO TSL en CEO TSN
28/03/2022
Investeringscommitment en vervolgstappen verduurzamingstraject
Ambtenaren EZK & IenW
CEO TSN, ambtenaren van Provincie Noord-Holland en omliggende gemeenten
maandelijks
Voortgang van de verduurzamingsactiviteiten en implementatie van de Roadmap+ projecten
Zijn er bij die bijeenkomsten plannen op tafel gelegd voor verduurzaming (bv: groene waterstof of minder vervuiling)? Zo ja, kunt u die plannen dan aan de Kamer doen toekomen?
Ja, in 2020 en 2021 zijn in eerste instantie de plannen voor verduurzaming door middel van grootschalig CO2-afvang en opslag (CCS) en daarna de Direct Reduced Iron (DRI)-route besproken. Beide rapporten zijn al eerder openbaar gemaakt. (https://www.fnv.nl/getmedia/91110cd9-b455-4025-96e6-5387dbb8f98d/Eindrapport-klimaatneutrale-paden-Tata-Steel-Nederland-211118.pdf) en (https://www.metaalnieuws.nl/wp-content/uploads/2021/09/tata-steel-rapport-fnv.pdf).
Momenteel werkt TSN het DRI-verduurzamingstraject nader uit. Hierover zal de komende periode bedrijfsvertrouwelijk gesproken worden met TSN door RVO en EZK. Op 23 maart jl. heeft TSN tijdens een technische briefing aan de Kamer een toelichting gegeven op de huidige stand van zaken in het uitwerken van de DRI-verduurzamingsroute en het Roland Berger rapport.
Over de verduurzamingsplannen van TSN en het op korte termijn verminderen van de overlast voor de leefomgeving van de staalfabriek in IJmuiden is uw Kamer de afgelopen periode op de hoogte gebracht in de volgende brieven:
Om zo transparant mogelijk te zijn zal ik eind Q2 2022, conform aangegeven in de Kamerbrief van 1 december 2021, uw Kamer weer op de hoogte stellen van de stand van zaken in het verduurzamingstraject van TSN.
Zijn er bij de overleggen verwachtingen gewekt of toezeggingen gedaan over subsidies om over te stappen op groene waterstof?
Er zijn geen specifieke toezeggingen gedaan aan TSN over subsidies om over te stappen op groene waterstof. Er is toegezegd om de mogelijkheden te onderzoeken om ondersteuning te bieden voor de verduurzaming, ook bij het overstappen op groene waterstof. Ik ben hiertoe ook opgeroepen door uw Kamer.1 In de Kamerbrief van december 2021 is aangegeven aan welke voorwaarden TSN zou moeten voldoen om voor financiële ondersteuning in aanmerking te komen.
Kunt u aangeven met welke bedrijven bewindspersonen en/of topambtenaren in de afgelopen negen maanden gesproken hebben over grote investeringen in (groene) waterstof?
Vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat is er door bewindspersonen en/of topambtenaren gesproken met de volgende bedrijven: Air Products, BP, DOW, Exxon Mobil, Gasunie, Nobian, Onyx, Ørsted, RWE, Shell, TSN, Total, Uniper en Yara. Daarnaast zijn er gesprekken gevoerd met verschillende provincies en havenautoriteiten, zoals het Havenbedrijf Rotterdam en Groningen Seaports.
Zijn er reeds overeenkomsten of afspraken gemaakt vanuit de Minister en/of de Minister-President met Tata Steel naar aanleiding van het plan Groen Staal van FNV – of andere vergelijkbare plannen -? Zo ja, wanneer zijn deze afspraken gemaakt, wat houden ze in en tot welke (nieuwe) investeringen/subsidies vanuit de Staat leidt dit?
Er is toegezegd aan uw Kamer dat het kabinet de mogelijkheden zal onderzoeken om de verduurzaming van de staalfabriek in IJmuiden te ondersteunen. Deze toezegging is door de toenmalig Minister van Economische Zaken en Klimaat op 9 september 2021 gedaan tijdens het Commissiedebat over de toekomst van TSN (Kamerstuk 32 813, nr. 865). Over de stand van zaken ten aanzien van de aangenomen moties is in december 2021 een Kamerbrief gestuurd (Kamerstuk 32 813, nr. 969). Of er financiële ondersteuning komt en hoe hoog dit bedrag zal zijn en hoe dit gedekt zal moeten worden is op dit moment nog niet duidelijk. Hiervoor is concrete financiële informatie over de projecten nodig en Tata Steel is momenteel nog druk bezig met het verder concretiseren van de DRI-plannen en de business case. Ook dient TSN aan te tonen dat de business case bijdraagt aan klimaat en milieudoelstellingen. Dit is vervolgens ook zo uitgesproken richting TSN.
Wilt u toelichten of bestaande en/of toekomstige investeringen specifiek voor waterstof ontwikkeling binnen Tata Steel wordt gebruikt of ook nog het gebruik van aardgas faciliteert? Indien er afspraken liggen met betrekking tot toekomstig investeringen in waterstof, hoelang zal de fase van aardgas dat nog duren?
De investeringen zijn bedoeld om de huidige twee hoogovens met de daarbij behorende installaties zoals o.a. de kooksgasfabrieken en het merendeel van de sinterlijnen te vervangen door Direct Reduced Iron (DRI)-installaties met elektrische ovens. Deze installaties kunnen zowel op aardgas als waterstof draaien. Het gebruik van kolen zal daarmee uitgefaseerd worden. De inzet van TSN is om bij uitfasering van de eerste hoogoven, de DRI-installatie gelijk te laten beginnen met waterstof maar dat zal afhankelijk zijn van de beschikbaarheid en de betaalbaarheid van waterstof. Er ligt hierbij ook een belangrijke rol voor de overheid weggelegd om ervoor te zorgen dat een waterstofinfrastructuur in Nederland opgezet wordt, niet specifiek voor TSN alleen maar voor de gehele industrie die op basis van waterstof wil verduurzamen. De intentie vanuit de overheid en ook TSN is om zo snel mogelijk over te gaan op maximaal waterstofgebruik, maar aardgas zal zeker in het begin nog wel nodig zijn.
Het plan Groen Staal geeft aan dat de nodige investering van 3 miljard enkel een tijdelijke oplossing is, aangezien er uiteindelijk toch over gestapt moet worden naar volledig CO2-vrije manier van staal produceren1. Zou het verantwoord zijn om zonder bindende voorwaarden vanuit Tata om subsidie te gebruiken om langdurige vergroening te faciliteren?
De 3 miljard euro waar de FNV het over heeft in het plan Groen Staal betreft het CCS-project Everest. Aangezien TSN vorig jaar september definitief gekozen heeft voor verduurzaming op basis van de DRI-route, zoals ook voorgesteld door FNV, is het Everest project direct stopgezet. Van subsidiëring van dit project is dan ook geen sprake.
Momenteel onderzoekt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hoe het de Direct Reduced Iron (DRI)-route voor vergroening van het staalbedrijf in IJmuiden kan ondersteunen.
Er wordt onderzocht of EZK door middel van wederkerige bindende maatwerkafspraken deze verduurzamingsplannen kan ondersteunen. Mogelijke onderdelen van deze afspraken zijn het faciliteren van infrastructuur voor duurzame energiedragers, financiële ondersteuning van de verduurzamingsplannen en facilitering van vergunningverlening. In ruil voor deze ondersteuning zullen we dan afspraken maken met het bedrijf over o.a. CO2-reductie, verbetering van de leefomgeving, maatschappelijk verantwoord ondernemen en investeringen in opleiding van mensen. Er kunnen wel andere subsidies worden verstrekt (generiek).
In lijn met aangenomen motie van de leden Van der Lee en Thijssen (Kamerstuk 32 813, nr. 829) wordt de regering verzocht geen subsidiebeschikking af te geven die kan leiden tot een bestendiging of verslechtering van ernstige stade aan de volksgezondheid. Welke voorwaarden voor gezondheid, milieu en leefomgeving worden er gesteld aan het beschikbare bedrag die de regering beschikbaar heeft voor Tata steel?
TSN kan financieel ondersteund worden via generieke ondersteunings- instrumenten of via een financiële maatwerkregeling, bestaande uit bijvoorbeeld leningen en garanties. Voor beide routes geldt dat TSN aan de geldende milieueisen moet voldoen, zoals opgenomen in de bestaande vergunningsvoorwaarden, voordat financiële steun verleend kan worden.
Op het moment dat de overheid besluit via maatwerk steun te verlenen aan een individueel bedrijf, kunnen additionele voorwaarden gesteld worden. Bijvoorbeeld: verbetering van gezondheid, milieu, klimaat, het behoud van economische activiteiten in Nederland en zoveel mogelijk van de bijhorende werkgelegenheid. TSN dient nu eerst de verduurzamingsroute in detail verder uit te werken voordat er überhaupt sprake kan zijn van financiële ondersteuning. Er is momenteel geen bedrag beschikbaar gesteld aan TSN. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 5.
Wanneer Tata Steel opnieuw haar hand ophoudt voor subsidies voor CO2 opslag op het moment dat de waterstof infrastructuur niet op tijd beschikbaar is, bent u van plan deze subsidie toe te kennen. Zo ja, onder welke voorwaarden?
Subsidies voor CO2-opslag worden verleend door middel van het generiek instrument SDE++. Alle bedrijven, dus ook TSN, die voor deze subsidie in aanmerking willen komen zullen moeten voldoen aan de subsidievoorwaarden die bij dit instrument hoort. Het is niet mogelijk om aan TSN extra voorwaarden op te leggen waar andere bedrijven niet aan hoeven te voldoen of hen zelfs helemaal uitsluiten. Kortom, mocht TSN een aanvraag doen dan zal deze via de reguliere route voor de SDE-aanvragen in behandeling worden genomen.
Meerdere deskundigen uiten twijfel of het Tata Steel zal lukken om in 2030 compleet te runnen op waterstof, en er is ook twijfel of de huidige eigenaar deze investering wil doen2. Acht de regering het haalbaar dat er genoeg groene stroom in Nederland beschikbaar is om überhaupt Tata Steel volledig «groen» te maken? Zo ja, op basis van welke plannen is dat dan haalbaar of tot op welke hoogte is het wel haalbaar?
Het compleet op waterstof draaien van de DRI-installaties in 2030 is technologisch waarschijnlijk nog niet haalbaar op commerciële schaal. Deze technologie wordt nog ontwikkeld en is slechts op pilot-schaal (Hybritt, in Zweden) gedemonstreerd. Een mix van 80% waterstof en 20% aardgas is technisch haalbaar maar ook dat behoeft de import van grote hoeveelheden groene waterstof, waarvoor ook de groene stroom wel verkrijgbaar moet zijn. De installaties kunnen echter ook geopereerd worden op basis van aardgas. De flexibiliteit van de installaties in de keuze van aardgas en waterstof geeft kansen voor optimalisatie voor TSN én voor de opschaling van een duurzame waterstofindustrie in Nederland.
Op weg naar CO2-neutraliteit in 2050 zal de waterstofconsumptie van TSN verder toenemen. Volledig «groen» is hier reëel zoals ook in de rapporten van Ronald Berger wordt aangegeven. De verhoudingen van de oorsprong van de waterstof (productie op site, in de regio, elders in Nederland op land of ter zee, of via import) kan nog niet met zekerheid worden ingevuld. Juist over de tijdigheid van het op groene waterstof opereren van de DRI-installaties en de aanleg van de infrastructuur hiertoe, is TSN met EZK in gesprek.
De verhouding tussen import en productie wordt mede bepaald door mogelijkheden van nog meer aanlanding in het NZKG en/of elders in NL, hoeveel ruimte er is op terrein van TSN in IJmuiden of in het NZKG voor elektrolysers, en/of de productie van waterstof op zee.
Zijn grote investeringen in «vergroening» van Tata Steel uitvoerbaar en haalbaar?
Op dit moment is TSN nog volop bezig met het vaststellen van het ontwerp en het ontwikkelen van hun business case. Hieruit zal moeten blijken of de verduurzaming van de staalfabriek in IJmuiden uitvoerbaar en haalbaar is.
Voor de vergroening is ook nodig dat een faciliterende infrastructuur op orde dient te zijn. Daar wordt nu hard aan gewerkt door de betrokken overheden om bijvoorbeeld een waterstof backbone op te zetten, om te faciliteren dat er meer groene stroom opgewekt en aangeland wordt en dat er voldoende aardgas beschikbaar komt. De overheid zal zich ook inspannen ten behoeve van het tijdig verlenen van alle benodigde vergunningen voor de bouw van de DRI-installaties.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Conform gevraagd, zijn de vragen een voor een beantwoord. Helaas is dit niet binnen de reactietermijn van drie weken gelukt.
Het bericht ‘Ondernemers sneller in problemen door uitzondering in faillissementswet’ |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hawre Rahimi (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Ja.
Hoe beoordeelt u tot nu toe de uitwerking in de praktijk van de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA)? Hoeveel akkoorden zijn er reeds gesloten op basis van de WHOA?
Op 1 januari 2021 is de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) in werking getreden. De WHOA helpt ondernemingen die in zwaar weer verkeren, een faillissement te voorkomen door een akkoord met hun schuldeisers tot stand te brengen waarbij de financiële problemen worden opgelost door bijvoorbeeld een uitstel van betaling of een (gedeeltelijke) kwijtschelding van schulden.2 Enerzijds kunnen ondernemingen die toekomstperspectief hebben op deze manier weer financieel gezond worden. Anderzijds kan de WHOA ook gebruikt worden om ondernemingen die geen overlevingskansen hebben, buiten faillissement af te wikkelen met een beter resultaat voor de schuldeisers dan in faillissement. De rechter kan een akkoord bevestigen (homologeren) als de besluitvorming over en de inhoud van het akkoord aan de in de WHOA-regeling gestelde eisen voldoen. Het akkoord geldt dan voor alle bij het akkoord betrokken schuldeisers en dus ook voor schuldeisers die niet vrijwillig met het akkoord hebben ingestemd. De WHOA heeft bovendien nadrukkelijk als doel de buitengerechtelijke totstandkoming van akkoorden te faciliteren. De verwachting is dat, doordat schuldeisers weten dat een rechter een redelijk akkoord verbindend kan verklaren, zij sneller geneigd zijn om aan een herstructureringstraject mee te werken. De WHOA-regeling fungeert dan als een stok achter de deur waarmee de totstandkoming van minnelijke akkoorden wordt gestimuleerd, waardoor een daadwerkelijke gang naar de rechter om een akkoord te laten homologeren, niet nodig is.3
Navraag bij de rechtspraak leert dat er in de periode tussen 1 januari 2021 en 1 maart 2022 rond de 200 verklaringen bij de griffie van de rechtbank zijn gedeponeerd, waarin ondernemingen kenbaar hebben gemaakt dat zij een traject zijn gestart om een akkoord tot stand te brengen. Ook zijn er in die periode rond de 65 beslissingen door de rechtbank genomen in het kader van verzoeken tot het treffen van voorzieningen om een lopend WHOA-traject te faciliteren. Verder zijn er in de genoemde periode 23 beslissingen door de rechtbank genomen over de homologatie van een akkoord, waarbij het homologatieverzoek in 17 gevallen is toegewezen en in 6 gevallen is afgewezen (bijvoorbeeld omdat de ondernemer zijn schuldeisers onvoldoende informatie had gegeven bij de aanbieding van het akkoord).4 Hoe vaak een WHOA-traject heeft geresulteerd in een akkoord nog voordat de rechter daarbij aan te pas kwam, is niet bekend omdat veruit de meeste van deze trajecten in beslotenheid plaatsvinden. Er is daarom nader onderzoek nodig om de effectiviteit van de WHOA-regeling goed te kunnen beoordelen. De WHOA voorziet in een evaluatiebepaling op basis waarvan uw Kamer uiterlijk eind 2023 door middel van een verslag geïnformeerd dient te worden over de doeltreffendheid en de effecten van de WHOA-regeling in de praktijk. Ik ben voornemens om eind dit jaar al een start te maken met de voorbereiding van het evaluatieonderzoek.
Wel valt nu al op dat veel van de beslissingen die tot nog toe door de rechtbank zijn genomen, betrekking hebben op ondernemingen behorend tot het mkb. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de WHOA was juist de verwachting dat in eerste instantie vooral grotere bedrijven voor een WHOA-traject in aanmerking zouden komen, omdat de WHOA een vrij complexe regeling is.5 Om ook mkb-ondernemingen te informeren over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA-regeling als zij schulden hebben, heeft mijn voorganger, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, zorg gedragen voor voorlichting (zie nader het antwoord op vraag 7).6 Het is goed om te merken dat de mkb-ondernemingen er nu al in slagen van de WHOA-regeling gebruik te maken.
Sluit het aantal akkoorden dat tot nu toe is bereikt aan bij het aantal akkoorden dat van tevoren werd verwacht in de rechtspraktijk?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen heeft dit arrest voor ondernemers die een doorstart proberen te maken?
De WHOA is bedoeld voor ondernemingen die vanwege een te zware schuldenlast insolvent dreigen te raken, maar na een herstructurering van de schulden weer financieel gezond kunnen worden of buiten faillissement afgewikkeld kunnen worden met een beter resultaat voor de schuldeisers dan in faillissement. Een akkoord hierover komt bij voorkeur buitengerechtelijk tot stand. Indien nodig kan de rechter een akkoord homologeren. Schuldeisers die niet met het akkoord hebben ingestemd, worden dan toch aan het akkoord gebonden. Bij de totstandkoming van de WHOA is er bewust voor gekozen om in deze wet een uitzondering te maken voor rechten van werknemers die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Werknemers kunnen niet tegen hun wil gebonden raken aan een akkoord waarbij zij bijvoorbeeld loon moeten inleveren. De Hoge Raad heeft nu geoordeeld dat pensioenpremies, die ten behoeve van de werknemer worden afgedragen, ook onder deze uitzondering vallen omdat dit een recht is dat voortvloeit uit een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW.7 Daarmee wordt verzekerd dat de pensioenopbouw van werknemers niet in gevaar komt als gevolg van een WHOA-akkoord. Ik heb vernomen dat in de praktijk de vrees bestaat dat de uitspraak van de Hoge Raad het moeilijker kan maken voor ondernemers om een akkoord te bereiken. Ik heb echter vooralsnog geen concrete signalen dat dit effect ook is opgetreden. De uitspraak biedt aan ondernemingen die gebruik willen maken van de WHOA-regeling in ieder geval duidelijkheid over het toepassingsbereik van de bestaande uitzonderingsregel betreffende de rechten van werknemers. Als ondernemers op grond van de WHOA-regeling een akkoord aan hun schuldeisers willen aanbieden, zullen zij over voldoende financiële middelen moeten beschikken om de achterstallige pensioenpremies ten behoeve van hun werknemers in te lopen. Dit is iets om rekening mee te houden bij de voorbereiding van een akkoord, door bijvoorbeeld dit traject tijdig te starten.
Bent u het eens met de stelling dat de WHOA het juist makkelijker moet maken voor ondernemers om een doorstart te maken? Zo ja, bent u het ook eens met de stelling dat het arrest van de Hoge Raad potentieel zeer zorgelijke gevolgen kan hebben voor een grote groep ondernemers, aangezien het arrest ertoe leidt dat de WHOA in de praktijk minder effectief kan worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kan in overleg met betrokken stakeholders een inschatting worden gemaakt hoeveel noodlijdende bedrijven tot nu toe zijn geraakt en zullen worden geraakt door deze uitspraak? Kunt u in dat kader een inschatting maken van het aantal ondernemingen dat faillissement heeft moeten aanvragen doordat de WHOA in het geheel niet van toepassing is op vorderingen van bedrijfstakpensioenfondsen voor achterstallige pensioenpremies?
Zoals ik eerder in het antwoord op vraag 5 heb opgemerkt, heb ik vooralsnog geen concrete signalen ontvangen dat trajecten om een akkoord tot stand te brengen, zijn stukgelopen naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad. Dit is overigens ook niet gebeurd in de zaak waarop de uitspraak van de Hoge Raad betrekking heeft. De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan naar aanleiding van een prejudiciële vraag die de rechtbank Amsterdam had gesteld in een zaak waarin zij verzocht was een akkoord te homologeren. In afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad hebben de betrokken partijen alvast een voorziening getroffen voor het geval uit de uitspraak van de Hoge Raad zou blijken dat de achterstallige pensioenpremies niet meegenomen konden worden in het akkoord. Hierdoor kon de rechtbank het akkoord toch homologeren ook al had de Hoge Raad nog geen beslissing genomen.8
In het kader van de evaluatie van de WHOA zal de effectiviteit van de WHOA-regeling worden onderzocht, waarbij expliciet aandacht zal worden besteed aan de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad.
Bent u het eens met de stelling dat voorkomen moet worden dat noodlijdende bedrijven die door corona al flinke klappen hebben gehad nu moeten overgaan tot het aanvragen van faillissement in plaats van het succesvol doorlopen van een WHOA-traject? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om dit te voorkomen en om noodlijdende ondernemers hier meer perspectief te bieden? Zo nee, waarom niet?
Sinds de uitbraak van het COVID-19 virus is het beleid van het kabinet er op gericht om zoveel mogelijk te voorkomen dat ondernemingen uitsluitend door de pandemie failliet gaan. De WHOA-regeling is daarbij onderkend als een behulpzaam instrument. Mijn voorganger heeft, samen met de Minister van Economische Zaken en Klimaat, zorg gedragen voor flankerend beleid om ondernemingen te informeren over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA-regeling.9 De Kamer van Koophandel biedt in het kader van het «Programma Zwaar Weer» hulp in de vorm van informatie, advies en doorverwijzing aan ondernemingen in financiële moeilijkheden.10 Vanaf 2021 is deze dienstverlening van de Kamer van Koophandel uitgebreid met ondersteunende online content en tools over het gebruik en de mogelijkheden van de WHOA, zoals een WHOA-routekaart die ondernemers stapsgewijs informeert over hoe een akkoord voorbereid kan worden. Daarnaast is er een Time Out Arrangement (TOA)-krediet via Qredits beschikbaar gesteld om mkb-ondernemingen in staat te stellen een doorstart vanuit een WHOA-traject te maken.11 Het TOA-krediet kan door ondernemers bij uitvoerder Qredits worden aangevraagd van 1 juni 2021 tot en met 31 mei 2024.
Bent u bereid, vooruitlopend op de evaluatie van de WHOA, de gevolgen van het arrest van de Hoge Raad voor de effectiviteit van de WHOA nader in kaart te brengen en de Kamer over de uitkomsten te informeren voor het zomerreces?
Per 15 maart 2022 is de consultatie afgerond over een document over het insolventierecht met als doel de praktijk te betrekken bij de toekomstige ontwikkelingen op dit terrein.12 Over de uitkomsten van deze consultatie ga ik voor de zomer in gesprek met vertegenwoordigers uit de faillissementspraktijk (waaronder INSOLAD13, RECOFA14, NEVOA15, JIRA16, NOvA17, NVB18) en van de vakbonden CNV en FNV, alsmede van werkgeversorganisatie VNO/NCW en MKB-Nederland. Deze vertegenwoordigers vormen samen een klankbord in het kader van het wetgevingsprogramma «herijking faillissementsrecht» (hierna: de klankbordgroep). In dit overleg zal ik, ter voorbereiding op de evaluatie van de WHOA, alvast de eerste ervaringen van de deelnemers aan de klankbordgroep met de WHOA-regeling bespreken. Daarbij zal ik de gevolgen van de uitspraak van de Hoge Raad betrekken, in relatie tot de effectiviteit van de regeling. Ik ben voornemens om uw Kamer zo spoedig mogelijk in het najaar te informeren over de uitkomsten van de consultatie en de gesprekken met de klankbordgroep.
Het bericht 'Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht' |
|
Inge van Dijk (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zuidaskantoren oefenden invloed uit op publicaties medewerkers belastingrecht»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de meeste hoogleraren belastingrecht aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) een nevenfunctie hebben bij een groot advocaten- of belastingadvieskantoor?
Het staat hoogleraren vrij om nevenfuncties te hebben, met inachtneming van de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit en de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden van de universiteiten. Hoeveel hoogleraren bij een afdeling een bepaalde nevenfunctie bekleden, is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit. De decaan van de Faculteit Rechtsgeleerdheid heeft in de betreffende publicatie laten weten dat de balans bij de sectie Belastingrecht in de afgelopen twintig jaar, wat betreft het soort nevenfuncties, is scheefgegroeid.
Vindt u dat meer balans moet worden gezocht in diversiteit van nevenfuncties van hoogleraren, maar ook van andere medewerkers, bijvoorbeeld door meer hoogleraren en medewerkers uit de rechtspraak, belastingdienst of elders aan te trekken?
Een diversiteit van nevenfuncties kan verschillende invalshoeken bevorderen en kan daardoor bijdragen aan een klimaat waarin integriteit en academische vrijheid beter geborgd zijn. In die zin onderschrijf ik het belang van diversiteit van nevenfuncties van hoogleraren en andere medewerkers. De Universiteit van Amsterdam streeft naar meer diversiteit bij de sectie Belastingrecht en dat lijkt me een goede zaak.
Is er volgens u voldoende balans tussen fulltime en parttime wetenschappelijke aanstellingen bij fiscale studies aan universiteiten?
Volgens gegevens van de Universiteiten van Nederland (UNL) heeft ca. 70% van de hoogleraren een voltijdse aanstelling. Er zijn geen gegevens beschikbaar die specifiek betrekking hebben op fiscale studies noch over andere disciplines. Over de balans tussen fulltime en parttime wetenschappelijke aanstellingen bij fiscale studies aan universiteiten kan ik daarom geen uitspraken doen.
Ziet u mogelijkheden om tot meer diversiteit in nevenfuncties en aanstellingen bij fiscale opleidingen te komen?
De diversiteit in nevenfuncties en aanstellingen bij fiscale opleidingen betreft in eerste instantie een personele aangelegenheid. Dit is een verantwoordelijkheid van het bestuur van de universiteit of de faculteit. De universiteiten zouden hierop kunnen sturen bij de werving en aanstelling van academisch personeel. Een belangrijke voorwaarde is dat hoogleraren en andere medewerkers transparantie betrachten over nevenfuncties. Ik ben hierover in gesprek met UNL.
Met begrip voor «dubbele petten» om waardevolle kennis en praktijkervaring het onderwijs in te brengen – hoe wordt volgens u geborgd dat studenten belastingrecht aan de UvA, maar ook in fiscale studies aan andere universiteiten, voldoende verschillende «waardevolle inzichten» uit de praktijk krijgen?
De mate waarin studenten verschillende inzichten uit de praktijk opdoen, is een aspect van de kwaliteit van een opleiding. De externe borging daarvan is geregeld met accreditatie. Een commissie van onafhankelijke deskundigen vormt zich hierover een oordeel. Van opleidingen wordt verwacht dat de beoogde leerresultaten passen bij het niveau en de oriëntatie van de opleiding en zijn afgestemd op de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Dit betekent onder andere dat afgestudeerden inzicht hebben in verschillende theorieën en concepten van een beroep of wetenschapsgebied en zich daar kritisch toe kunnen verhouden.
Hoe wordt volgens u in de fiscale opleidingen geborgd dat aan studenten voldoende verschillende invalshoeken worden meegegeven?
Of er voldoende verschillende invalshoeken aan bod komen bij een opleiding zal tot uitdrukking komen in verschillende aspecten van de opleiding. Daarbij valt te denken aan de diversiteit van de docenten en de studenten, de variatie in literatuur en onderwerpkeuze, beschikbare stageplekken, keuzevakken en minoren, werkvormen en samenwerkingen die de opleiding heeft met andere organisaties. Opleidingen besteden bovendien aandacht aan een brede, academische vorming van de studenten. Hoe en in welke mate zij dat doen, kan verschillen en niet elke opleiding doet dit even expliciet. Uiteindelijk betreft dit de kwaliteit van individuele opleidingen. Voor de borging daarvan verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6.
Welke rol speelt volgens u voldoende aandacht voor ethiek in het curriculum, en is dat volgens u voldoende geborgd in de fiscale opleidingen aan de UvA en andere Nederlandse universiteiten?
Het hoger onderwijs heeft mede tot doel studenten op te leiden tot zelfstandige, kritische mensen die in staat zijn om maatschappelijke omstandigheden en ethische overwegingen mee te laten wegen in hun oordeelsvorming. Aandacht voor ethiek in de opleiding, al dan niet expliciet in het curriculum verankerd, kan daar zeker een bijdrage aan leveren. Of er voldoende aandacht wordt besteed aan de academische vorming van studenten wordt voor elke opleiding beoordeeld bij de accreditatie van de opleiding. Ik heb geen specifiek beeld hiervan ten aanzien van de fiscale opleidingen in Nederland. Wel heeft de Inspectie van het Onderwijs een algemeen beeld opgehaald.2 Zo spreekt ruim de helft van de studenten zich positief uit over de aandacht die de opleiding volgens hen geeft aan maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Wel heeft de inspectie de instellingen opgeroepen om de activiteiten en resultaten ten aanzien van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef meer transparant te maken. Die oproep ondersteun ik.
Kunt u een overzicht geven op welke universiteiten ethiek of bijvoorbeeld filosofie in het curriculum van fiscale studies zit, en bij welke universiteiten dit minder of niet aanwezig is?
Ik heb dit overzicht opgevraagd bij UNL. Er zijn vijf bacheloropleidingen Fiscaal recht bij de veertien Nederlandse universiteiten. Drie van de vijf bieden een of meerdere cursussen ethiek of filosofie aan. Voor de masteropleidingen geldt dat er slechts een opleiding is die specifiek het vak ethiek aanbiedt. Voor de meeste masterstudenten geldt echter dat zij ethiek/filosofie al in de bachelor hebben gehad; fiscaal recht is vaak een specialisatie in de master, volgend op de bachelor Rechtsgeleerdheid.
Wat zijn volgens u de waarborgen voor integriteit ten grondslag aan wetenschappelijk onderzoek die aan universiteiten gelden, en hoe beoordeelt u in dat licht de meldingen van de anonieme bronnen in het artikel?
Bij universiteiten gelden verschillende waarborgen voor wetenschappelijke integriteit. Allereerst de door alle universiteiten onderschreven Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. In deze code staan normen voor goede onderzoekspraktijken waaraan een onderzoeker zich in zijn of haar onderzoek moet houden. Deze normen gaan uit van principes, zoals onafhankelijkheid en eerlijkheid. In de gedragscode staan ook zorgplichten voor de kennisinstelling. Die moet bevorderen dat onderzoekers zich aan de normen houden. In deze gedragscode staan verder de maatregelen en sancties in het geval deze normen niet worden nageleefd.
Een andere belangrijke waarborg is de Sectorale regeling nevenwerkzaamheden van de universiteiten. In artikel 11 van deze regeling is onder meer bepaald dat geen toestemming voor werkzaamheden wordt verleend voor nevenwerkzaamheden die de wetenschappelijke, organisatorische of zakelijke belangen van de universiteit schaden dan wel waarbij (de schijn van) belangenverstrengeling aanwezig is.
Gelet hierop en meer in het algemeen moeten nevenwerkzaamheden, en de context waarin deze worden verricht, passen bij de rol van wetenschapper. In artikel 1.6 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is bepaald dat wetenschappers academische vrijheid genieten. Die academische vrijheid is een hoog goed dat gekoesterd moet worden. Inherent verbonden hieraan is dat (de schijn van) belangenverstrengeling voorkomen moet worden; van wetenschappers mag verwacht worden dat zij varen op een sterk moreel kompas. De meldingen van anonieme bronnen vind ik in dit licht zorgwekkend, maar ik vind het ook van belang dat eerst het door de Universiteit van Amsterdam aangekondigde onafhankelijke onderzoek wordt afgewacht.
De zorgelijke toestand van etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers in Nederland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Jeanet van der Laan (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgelijke toestand van etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers in Nederland op dit moment?
Ja.
Bent u verder bekend met het feit dat door de genomen sancties de financiële steun via de ouders van de groep studenten is opgedroogd?
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat deze studenten in combinatie met het feit dat zij volgens de Nederlandse wet maximaal 16 uur per week mogen werken in acute geldproblemen kunnen komen? Hoe oordeelt het u over deze situatie? Welke versnelde maatregelen neemt u om deze studenten uit deze geld- en andere problemen te helpen? Is het bijvoorbeeld mogelijk het aantal uren dat zij mogen werken uit te breiden?
Tijdens de studie mag een student met een verblijfsvergunning «studie» arbeid van bijkomende aard verrichten. De werkgever moet dan wel in het bezit zijn van een tewerkstellingsvergunning. Deze tewerkstellingsvergunning wordt afgegeven zonder dat UWV toetst of er voor de vacature prioriteit genietend arbeidsaanbod is. Het is de student slechts toegestaan om 16 uur per week te werken. In plaats daarvan mag de student ook fulltime werken gedurende de zomermaanden (juni, juli en augustus). De arbeid is beperkt tot arbeid van bijkomende aard omdat het hoofddoel in Nederland de studie moet betreffen en niet het werken in loondienst. Het aanpassen van het aantal uren dat studenten mogen werken wordt niet als oplossing gezien gelet op de risico’s die dit met zich meebrengt op het oneigenlijk gebruik van de verblijfsvergunning voor studie. Het is bovendien niet mogelijk dit enkel voor (Wit)Russische studenten aan te passen, aangezien er geen onderscheid naar nationaliteit gemaakt kan worden.
Wel is het belangrijk om iets voor deze groep te doen. Daarom heb ik de instellingen voor hoger onderwijs opgeroepen deze studenten zoveel mogelijk op te vangen en (financieel) te ondersteunen.
Bent u het eens met de stelling dat etnisch-Russische studenten, docenten en onderzoekers op het moment negatieve gevolgen ondervinden waar zij niks aan kunnen doen?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat er veel onduidelijkheid bestaat over de mogelijkheden voor deze groep om hun studie of werk voort te zetten en over hun visa, terwijl zij niet terug kunnen vliegen naar Rusland of Belarus?
Ja, ik ben bekend met deze onduidelijkheden. Met behulp van de koepels werk ik hard aan het scheppen van meer duidelijkheid en heb ik de belangrijkste hoofdvragen kunnen beantwoorden of het proces om te komen tot beantwoording in gang gezet. Voor zover de sancties dat niet verhinderen, is het wenselijk dat de studenten, onderzoekers en docenten uit (Wit-)Rusland hun studie, onderzoek c.q. werk zoveel mogelijk voortzetten. Hun dienstverband als onderzoeker of docent of hun inschrijving als student wordt dan niet beëindigd en de verblijfsvergunning of het visum wordt niet ingetrokken. Daarnaast heb ik, zoals in antwoord 3 al aangegeven, de onderwijsinstellingen het dringende advies gegeven zowel Oekraïense als (Wit-)Russische studenten zoveel mogelijk op te vangen en waar mogelijk (financieel) te ondersteunen. Zolang aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan behouden de (Wit)Russen hun verblijfsrecht in Nederland en is er geen sprake dat zij Nederland worden uitgezet.
Hoe oordeelt u over deze situatie? Hoe weegt u hierbij het feit dat veel van deze mensen uitgesproken anti-Poetin zijn?
Zoals in antwoord 5 is aangegeven, vind ik het belangrijk dat studenten, onderzoekers en docenten uit (Wit-)Rusland zoveel mogelijk hun werkzaamheden voortzetten. De sancties richten zich immers primair op formele samenwerkingsverbanden met Rusland en Wit-Rusland en niet op individuele burgers uit deze landen die in Nederland verblijven. Dat geldt ongeacht of het gaat om burgers uit (Wit-)Rusland die wel of niet kritisch zijn op het beleid van president Poetin.
Bent u bereid, dit alles overwegende, zorgvuldig te kijken naar de verblijfsstatus van deze studenten en het zo nodig mogelijk te maken dat zij zo lang als nodig in Nederland kunnen blijven?
Zolang de studenten blijven studeren en aan de voorwaarden voor de verblijfsvergunningen voldoen kunnen zij de verblijfsvergunning behouden. Bezien zal nog worden op welke wijze de desbetreffende studenten die niet meer aan de verblijfsvoorwaarden voldoen en ook niet terug kunnen keren naar (Wit-)Rusland, hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten.
Welke mogelijkheden hebben universiteiten en hogescholen om studenten uit Oekraïne, Belarus en Rusland die het collegegeld niet (meer) kunnen betalen tegemoet te komen?
Universiteiten en hogescholen kunnen studenten bij acute financiële problemen ondersteunen. Ik zie dat de instellingen ruimhartig doen en ik juich dit toe. Voor de langere termijn zullen we in samenspraak met de onderwijsinstellingen nationaal moeten bezien of, en zo ja hoe we deze studenten financieel kunnen ondersteunen.
Bent u bekend met het feit dat er ook groepen studenten zijn die niet uit Rusland of Belarus komen, maar wel ouders in deze landen hebben en dus ook met deze problemen te maken hebben? Zijn er mogelijkheden ook voor deze studenten te komen tot oplossingen?
Ja. Ook deze studenten kunnen zich melden bij hun onderwijsinstelling.
In hoeverre heeft deze situatie verder invloed op het weglekken van belangrijke wetenschappelijke kennis uit Nederland? Kunt u verder uitweiden over de mogelijke risico’s wat betreft dit thema en welke maatregelen er genomen worden om deze risico’s te mitigeren?
Ik heb de Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs- en wetenschap dringend geadviseerd hun formele en institutionele samenwerkingsverbanden met kennisinstellingen in Rusland en Belarus te bevriezen. Het is van belang dat Nederlandse kennisinstellingen daarnaast extra waakzaamheid betrachten ten aanzien van cyberveiligheid en kennisveiligheid, in het bijzonder in strategisch gevoelige domeinen. Over de kabinetsaanpak m.b.t. kennisveiligheid1 is uw Kamer laatstelijk geïnformeerd op 31 januari jl. Ook werd op die dag de Nationale Leidraad Kennisveiligheid2 gepubliceerd en werd het Rijksbrede Loket Kennisveiligheid3 geopend, waar kennisinstellingen in voorkomende gevallen terecht kunnen voor informatie en advies vanuit alle relevante ministeries en diensten.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en met spoed beantwoorden?
Het lerarentekort in Nederland |
|
René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Surinaamse leerkrachten kunnen ons lerarentekort opvangen, maar ze mogen niet komen»1 en de uitzending van het tv-programma Kassa d.d. 5 maart 2022?2
Ja.
Bent u bekend met het enorme lerarentekort in met name de grote steden en aandachtswijken?
Ja.
Deelt u de mening dat een tekort aan leraren, kinderen hindert in hun ontwikkeling en de kansenongelijkheid bevordert?
Voldoende bevoegde en bekwame leraren zijn essentieel voor de kwaliteit, kansengelijkheid en continuïteit van het onderwijs en daarmee voor een optimale ontwikkeling van kinderen. Een tekort aan leraren is een risico daarvoor.
Deelt u de mening dat om het lerarentekort op te lossen, creatief gedacht moet worden en grenzen van wet- en regelgeving moeten worden opgezocht?
We zien dat steeds meer scholen zoeken naar creatieve oplossingen om de kwaliteit en continuïteit van het onderwijs te borgen, bijvoorbeeld door functiedifferentiatie en specialisatie. Ik vind het zeker wenselijk dat scholen, vanuit het belang van goed onderwijs voor leerlingen, verkennen welke mogelijkheden er zijn en daar waar nodig ook gebruik van maken.
Bent u bekend met het feit dat Nederlands sprekende geschikte, bekwame en beschikbare leraren uit Suriname niet in Nederland mogen werken, omdat ze niet uit de Europese Unie komen?
Ik ben ermee bekend dat leraren uit Suriname die een Surinaamse pabo hebben gevolgd, niet als leraar in Nederland aan de slag kunnen. Oorzaak hiervoor is tweeledig. In de eerste plaats zijn deze leraren meestal nog niet bevoegd: de Surinaamse pabo heeft lagere eindtermen dan de Nederlandse pabo. Dat betekent dat deze leraren hier pas als leraar kunnen werken als zij voldoen aan alle bekwaamheidseisen voor de lesbevoegdheid primair onderwijs. Bijscholing door een Nederlandse lerarenopleiding is dan nodig om een bevoegdheid te halen.
Ten tweede moet een leraar van buiten Europa, de EER en Zwitserland beschikken over een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: gvva) om in Nederland te kunnen werken. De werkgever vraagt deze gvva aan bij de IND, die op haar beurt als onderdeel van de procedure advies vraagt aan het UWV. Het UWV beoordeelt of de aanvraag past binnen de voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Er wordt bijvoorbeeld een arbeidsmarkttoets gedaan, waarbij onderzocht wordt of er voor de betreffende functie al arbeidsaanbod aanwezig is in Nederland, de EER en Zwitserland – het zogenaamde «prioriteitgenietend aanbod» – en of de werkgever voldoende inspanningen heeft gedaan om aanbod te werven. Verder wordt getoetst of de werkgever een passend salaris aanbiedt en of de vreemdeling over de juiste beroepskwalificaties beschikt.
Kunt u aangeven uit welk Europees land Nederlands sprekende geschikte en bekwame leraren kunnen komen?
Een voorbeeld van een land waar vaker leraren op Nederlandse scholen aan het werk gaan, is (Nederlandstalig) België. Ook vanuit de Duitstalige lidstaten komen er soms leraren over naar Nederland (dit kan ook zijn om het vak Duits te geven in het voortgezet onderwijs).
Kunt u aangeven welke beschikbare en geschikte Nederlandse ongediplomeerde doelgroep aangeboord kan worden, die met relatief weinig moeite een Pabo-diploma kan halen?
Elk jaar stromen er professionals vanuit andere beroepssectoren het onderwijs in. In 2021 is er voor 767 zij-instroomtrajecten in het beroep van leraar in het primair onderwijs subsidie toegekend aan de werkgever (een schoolbestuur) om een zij-instromer tot leraar te kunnen laten opleiden. Dit is slechts een klein deel van de volledige groep zij-instromers: naast deze groep zijn in 2021 meer dan 2.000 professionals met een vooropleiding in het hoger onderwijs, gestart met de (meestal deeltijd) pabo om een lesbevoegdheid te halen.
Daarnaast kan ook onderwijsondersteunend personeel, zoals onderwijsassistenten of leraar-ondersteuners, een verticale overstap maken naar het leraarschap. In 2021 is voor meer dan 350 onderwijsassistenten door de werkgever subsidie aangevraagd om de pabo te kunnen volgen.
Deelt u de mening dat maatwerk mogelijk zou moeten zijn voor een geschikte, bekwame en beschikbare doelgroep leraren?
Met de Kamer ben ik van mening dat maatwerk van belang voor geschikte, potentiële leraren. In het Regeerakkoord hebben we dan ook afgesproken om de lerarenopleidingen verder te verstreken en ook de opleiding voor zij-instromers te verbeteren en te flexibiliseren. Voor de zomer sturen mijn collega, Minister Dijkgraaf van OCW en ik u een brief over de aanpak van de tekorten, waar zij-instroom deel van uitmaakt.
Lerarenopleidingen kunnen maatwerk bieden en doen dit ook steeds vaker, bijvoorbeeld voor kandidaten die de capaciteit hebben om (versneld) een lerarenopleiding met succes te doorlopen, zoals zij-instromers. Lerarenopleidingen hebben in het aanbod van verkorte maatwerkopleidingen de afgelopen jaren ook al stappen in gezet: met het sluiten van het Bestuursakkoord flexibilisering lerarenopleidingen in oktober 2020 werken zij aan het (nog) beter aan te laten sluiten van het opleidingsaanbod op de behoeften van aankomende leraren.
Surinaamse leraren kunnen, als zij voldoende bekwaam en (in Nederland) bevoegd zijn, ook bijdragen aan de aanpak van het lerarentekort. Voorwaarde is dat voldaan wordt aan de voorwaarden van de Wav. Een werkgever (schoolbestuur) kan bij de IND een aanvraag indienen om een openstaande vacature op te vullen met mensen die afkomstig zijn uit landen van buiten Nederland, de EER of Zwitserland. Indien een werkgever kan aantonen dat er voldoende wervingsinspanningen zijn verricht, er een passend salaris wordt geboden, de kandidaat beschikt over door DUO erkende kwalificaties voor het beroep van leraar en er geen ander prioriteit genietend aanbod is, is aan de belangrijkste voorwaarden voor het verkrijgen van een gvva voldaan.
Wat gaat u doen om maatwerk mogelijk te maken, zodat het lerarentekort (een klein beetje) verkleind kan worden?
Zie antwoord vraag 8.
Negen ernstig zieke MS-patiënten die voor een stamceltransplantatie vast zitten in een kliniek in Moskou |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «MS-patient Peter vast in kliniek Rusland, geen uitweg om terug te komen»?1
Ja.
Hoe gaat u bewerkstelligen dat deze negen ernstig zieke MS-patienten weer veilig thuiskomen?
Volgens het bericht waar u aan refereert heeft de betrokkene inmiddels zelfstandig via Turkije naar Nederland kunnen terugreizen. Personen die al in Rusland zijn en daar weg willen maar tegen problemen aanlopen om dat zelfstandig te organiseren kunnen zich richten tot de ambassade in Moskou met hun consulaire hulpvraag. Volgens mijn informatie zijn daar tot op heden daar geen hulpverzoeken van deze groep bekend.
Hoe kan het dat deze ernstig zieke MS-patienten voor deze stamceltherapie moeten uitwijken naar Rusland?
Gaat u bewerkstelligen dat deze stamceltherapie voortaan wordt vergoed vanuit het basispakket? Zo nee, waarom niet?
Ziet u nu in waar verkeerde zuinigheid toe leidt?
De schades aan huizen na werkzaamheden aan het kanaal Almelo-De Haandrik |
|
Henk Nijboer (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ellende die de werkzaamheden aan het kanaal Almelo-De Haandrik hebben veroorzaakt?
Ja. Het kanaal Almelo-De Haandrik is echter een provinciale vaarweg. Het beheer daarvan is in handen van de provincie Overijssel.
Bent u ermee bekend dat er ruim 400 huizen schade hebben ondervonden?
De provincie Overijssel meldt dat er 404 schademeldingen zijn.
Wat vindt u ervan dat mensen soms gedwongen moeten verhuizen omdat hun huizen niet meer veilig zijn?
Ik kan mij de zorgen en problemen van bewoners van de beschadigde huizen aan het kanaal Almelo-De Haandrik goed voorstellen. Schade aan woonhuizen is altijd ongewenst en ik begrijp dat de bewoners het proces een zware mentale belasting vinden en dit zo snel mogelijk achter de rug willen hebben. Helaas kost het proces van behandeling van de schademeldingen door de provincie en het adequaat herstellen van de getroffen woningen veel tijd. Dit komt ook door de aard van de problematiek en het grote aantal beschadigde woningen.
Wat vindt u ervan dat mensen in compleet kapotte woningen zitten, die lekkages vertonen, waar vloeren helemaal scheef lopen, die gestut zijn en geen enkele kwaliteit van leven meer bieden?
Zie antwoord 3.
Wat vindt u van de gemaakte fouten bij de werkzaamheden aan het kanaal? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Zie antwoord 3.
Vindt u het acceptabel dat mensen helemaal vast komen te zitten in de procedures en hier mentaal aan onder doorgaan?
Zie antwoord 3.
Hoelang vindt u het acceptabel dat mensen kunnen wachten, zonder perspectief te hebben dat het «goed komt» met hun woning? Bent u het ermee eens dat de drie tot vier jaar die het nu al duurt in ieder geval veel en veel te lang is?
Het kanaal Almelo-De Haandrik is een provinciale vaarweg. Het beheer daarvan is in handen van de provincie Overijssel. Mijn ministerie heeft hierin geen rol, maar houdt wel contact met de provincie. Daaruit blijkt dat door het aantal beschadigde woningen, de aard van de problematiek en de ontwikkelingen in de markt het de provincie helaas tijd kost om alle schademeldingen te behandelen en de getroffen woningen adequaat te laten herstellen. Inmiddels is er aan 288 meldingen schadevergoeding of subsidie toegekend die het mogelijk maakt schade te herstellen.
Hoeveel experts zijn er nodig om tot het inzicht te komen dat ook funderingen hersteld moeten worden? Wat vindt u van de mededeling van gedupeerden dat zij meer vreemden (deskundigen, experts, et cetera) op bezoek krijgen de laatste maanden dan familie en vrienden? Snijdt u dat niet ook door de ziel?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid persoonlijk actie te ondernemen, zodat deze mensen uit de ellende worden geholpen en voorkomen wordt dat zij definitief door de hoeven zakken? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Een luchtbrug voor zieke kinderen in Oekraïne |
|
Alexander Hammelburg (D66) |
|
Kuipers , Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er zich onder de enorme aantallen Oekraïense vluchtelingen ook zieke kinderen bevinden, waaronder kinderen met kanker van wie de behandeling niet voortgezet kan worden?
Ja, dit is mij bekend.
Is het uw prioriteit om de zieke kinderen die zich nog in Oekraïne begeven zo snel mogelijk te evacueren?
Evacuatie van Oekraïense patiënten met een urgente medisch specialistische zorgvraag, waaronder kinderen, wordt vanuit de Europese Commissie (EC) gecoördineerd voor de Europese Unie (EU). De EC heeft haar lidstaten gevraagd te inventariseren hoeveel capaciteit er in iedere lidstaat is om deze zorg te bieden aan Oekraïense patiënten. Hierop heb ik aangegeven dat we als Nederland bereid zijn te ondersteunen in de opvang van patiënten. Het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS), dat onderdeel uit maakt van het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ), heb ik vervolgens gevraagd een inventarisatie te doen van de beschikbare ziekenhuiscapaciteit die Nederland kan bieden. Hieruit is naar voren gekomen dat er grote bereidheid is bij de Nederlandse zorgpartijen om een bijdrage te leveren aan de zorg voor deze patiënten, maar dat dit ook met de benodigde aandachtspunten en mogelijk randvoorwaarden gepaard gaat. Het LCPS werkt samen met het veld aan de verdere uitwerking hiervan. Op basis daarvan zal ik een besluit nemen over de coördinatie en organisatie aan Nederlandse zijde.
Het transport naar de lidstaten wordt gecoördineerd en gefaciliteerd door de EC. De EC staat in contact met de nationale autoriteiten. Het betreft geen transfer van patiënten rechtstreeks uit Oekraïne, maar van patiënten die zelfstandig toevlucht hebben gezocht in – of door de eigen overheid op georganiseerde wijze geëvacueerd zijn naar – één van de EU-buurlanden, vanuit waar de evacuaties plaats zullen vinden.
Overigens zijn er reeds 25 kinderen met een oncologische zorgvraag vanuit Polen overgeplaatst naar het Prinses Máxima Centrum in Nederland. Dit is op eigen initiatief geweest van dit kinderoncologisch centrum in Nederland. Ook via andere (Europese) samenwerkingsverbanden in de zorg, zijn Oekraïense patiënten al naar Nederland overgebracht. Ik ben mij bewust van deze andere directe lijnen en zal naar de benodigde verbinding kijken bij de opvang van patiënten vanuit de Europese coördinatie.
Bent u bereid om de zieke kinderen middels een luchtbrug met de grootste spoed te vervoeren naar ziekenhuizen met de benodigde expertise en capaciteit om hun behandelingen voort te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toezeggen om plaatsen beschikbaar te stellen in Nederlandse ziekenhuizen om behandelingen van Oekraïense zieke kinderen voort te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om eveneens bij uw Europese counterparts te bepleiten dat zij plaatsen in ziekenhuizen beschikbaar stellen om de behandelingen van Oekraïense zieke kinderen voort te zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen te beantwoorden voor donderdag 10 maart?
Dit is helaas niet gelukt.
Het artikel ‘VVD-handelsminister hielp bedrijfslobby tegen aanpak kinderarbeid en milieuschade’ |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VVD-handelsminister hielp bedrijfslobby tegen aanpak kinderarbeid en milieuschade»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel?
Ik heb kennisgenomen van het artikel.
Kunt u bevestigen dat VNO-NCW in Nederland een ander standpunt uitdraagt of uitgedragen heeft dan in Brussel?
Zoals aangegeven in de beantwoording op de vragen van lid Van Dijk van 31 augustus 2021 (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3857) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de vernieuwing en uitwerking van het IMVO-beleid herhaaldelijk inbreng ontvangen van o.a. VNO-NCW, bijvoorbeeld tijdens stakeholderconsultaties.
VNO-NCW heeft constructieve bijdragen geleverd aan deze consultaties. Er zijn geen concrete aanwijzingen ontvangen voor een andere opstelling van
VNO-NCW in Europa.
Kunt u bevestigen dat de richtlijnen voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking Ontwikkeling (OESO), en daarmee een zorgplicht voor alle bedrijven voor hun gehele toeleveringsketen, leidend zullen zijn in de Nederlandse inzet op het Europese voorstel op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemenn (IMVO)?
Als lidstaat onderschrijft Nederland de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en zal het kabinet bedrijven aansporen te handelen in lijn met de OESO-richtlijnen.
Momenteel bestudeert het kabinet het recent gepubliceerde Commissievoorstel inzake IMVO. Effectiviteit, proportionaliteit en het gelijke speelveld zijn daarbij belangrijke overwegingen. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk middels een BNC-fiche geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van het Commissievoorstel.
Zal u, net als uw voorganger, parallel aan het Europese voorstel werken aan een ambitieus Nederlands voorstel, teneinde de druk in Brussel op te voeren een ambitieuzer voorstel overeen te komen?
Zoals aangegeven in het coalitieakkoord 2021–2025 zal het kabinet in de EU IMVO-wetgeving bevorderen en nationale IMVO-wetgeving invoeren die rekening houdt met een gelijk speelveld met omringende landen en implementatie van mogelijke EU-regelgeving.
Welke status heeft het rapport van de Sociaal Economische Raad (SER) voor de Europese onderhandelingen omtrent IMVO-wetgeving?
Het SER-advies «Effectieve Europese gepaste zorgvuldigheidwetgeving voor duurzame ketens» is positief ontvangen en is meegenomen in de totstandkoming van de bouwstenen voor IMVO-wetgeving (Kamerstuk 26 485, nr. 377). Op basis van de Kamerbrief over de bouwstenen voor IMVO-wetgeving is een non-paper opgesteld en verspreid onder stakeholders in de Europese Unie. In het Commissievoorstel is een groot aantal onderdelen van het non-paper terug te vinden.
Nu de Europese Commissie haar conceptrichtlijn voor verplichte gepaste zorgvuldigheid heeft gepubliceerd, is een nieuw hoofdstuk gestart om tot een dwingende Europese maatregel te komen. Momenteel bestudeert het kabinet het recent gepubliceerde Commissievoorstel. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk geïnformeerd over de Nederlandse positie ten aanzien van het Commissievoorstel middels een BNC-fiche.
Met welke stakeholders heeft u gesproken ter consultatie voor het bepalen van het Nederlandse standpunt omtrent IMVO-wetgeving? Zijn er daarnaast nog andere stakeholders geconsulteerd en zo ja, welke?
Momenteel wordt het kabinetsstandpunt bepaald ten aanzien van het gepubliceerde Commissievoorstel inzake IMVO. Ik heb hiertoe gesproken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld. Uw Kamer zal zoals gebruikelijk een BNC-fiche hierover ontvangen.
Bij de totstandkoming en uitwerking van de beleidsinzet op gebied van IMVO2, waarvan IMVO-wetgeving onderdeel uitmaakt, is uitgebreid met vele verschillende stakeholders gesproken. Op de IMVO-webpagina op rijksoverheid.nl is verslag gedaan van de stakeholderconsultaties.3 In de beantwoording op vragen van het lid Van Dijk (Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 3857) heeft mijn voorganger reeds een overzicht gedeeld van de gesprekken die gevoerd zijn.
Bent u bereid de Kamer een overzicht te geven, waarin uiteengezet wordt hoe het Nederlandse standpunt tot stand is gekomen, welke input van stakeholders daarin meegenomen is en hoe deze heeft doorgewerkt in de Nederlandse inzet, zowel op Europees niveau als de mogelijke nationale wetgeving?
Zie antwoord vraag 7.
De berichten ‘Miljoenen Oekrainers op de vlucht’ en ‘Noodopvang zonder plan’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de laatste stand van zaken schetsen over de vluchtelingenstroom uit de Oekraïne naar Nederland?1 2
Voor een overzicht van de laatste stand van zaken omtrent alle inspanningen die verricht worden naar aanleiding van de vluchtelingenstroom uit Oekraïne, waaronder de realisatie van 50.000 opvangplekken onder coördinatie van de veiligheidsregio’s, verwijs ik u naar de Kamerbrieven van 8 maart en 17 maart jl.
Kunt u aangeven welke ruimte er in de huidige asielopvang is?
Zie antwoord vraag 1.
UNHCR vreest voor de grootste vluchtelingencrisis van deze eeuw in Europa, hoe gaat u Nederland hierop voorbereiden? Welke voorbereidingen zijn al getroffen?3
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzitter van de Europese Commissie dat met alle EU-landen expliciete plannen zijn gemaakt vluchtelingen te kunnen verwelkomen en te herbergen? Om welke plannen gaat het? Hoe ziet de spreiding eruit?4
De voorzitter van de Europese Commissie gaf op 24 februari aan dat de EU klaar is voor de komst van Oekraïners en met alle EU-lidstaten in de frontlinie noodplannen zijn gemaakt om deze vluchtelingen te kunnen verwelkomen en herbergen. Ook de Commissie en haar agentschappen hebben inderdaad noodplannen voorbereid. Zoals aangegeven in de brief van 17 maart jl. heeft de EU een aantal instrumenten tot haar beschikking die snel ingezet kunnen worden voor o.a. het delen van informatie, het coördineren van noodhulp en het coördineren van steunverzoeken aan EU Civil Protection Mechanism (UCPM), het Europees Asiel Agentschap en Frontex. Deze mechanismes zijn momenteel actief en werken naar behoren. Frontex en het EUAA geven aan klaar te staan om lidstaten te ondersteunen die dat nodig achten.
Deelt u de mening dat er een noodplan moet komen om de hulp en opvang in goede banen te leiden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de noodzaak tot coördinatie bij het organiseren van de opvanglocaties en voorzieningen. Zoals omschreven in de Kamerbrief van 8 maart jl., is met ingang van 9 maart een crisisstructuur in werking getreden, waarbinnen de veiligheidsregio’s de realisatie van opvangplekken coördineren.
Deelt u de oproep een speciale opvangambassadeur aan te stellen, die in deze crisis snel met partijen kan schakelen zoals gemeenten, kerken en maatschappelijke organisaties om zo opvanglocaties en voorzieningen te organiseren?
Zie antwoord vraag 5.
We zien dat heel Nederland helpt, bent u bekend met de vele particuliere initiatieven uit de samenleving om hulp te bieden aan de Oekraïense vluchtelingen? Herkent u ook de vragen van mensen die willen helpen maar niet weten hoe ze het moeten organiseren? Deelt u de mening dat coördinatie wenselijk is?
Ik herken de wenselijkheid van een landelijk coördinatiepunt voor alle particuliere initiatieven. Voor de laatste stand van zaken hieromtrent verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart jl.
Hoe wilt u ervoor zorgen dat hulp uit de samenleving snel wordt gekoppeld aan de vraag voor huisvesting, begeleiding, hulpmiddelen etc. die nodig zijn voor de Oekraïense vluchtelingen?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u ook het belang van een landelijk coördinatiepunt zodat de kracht en hulp uit de samenleving ook daadwerkelijk benut kan worden?
Zie antwoord vraag 7.
De verblijfstermijn voor inwoners van Oekraïne wordt verlengd, kunt u aangeven welke andere rechten de inwoners in Nederland hebben dan wanneer ze in een asielprocedure terechtkomen? Wat betekent het bijvoorbeeld voor scholing voor de kinderen die gevlucht zijn?
Voor de laatste stand van zaken over de voorzieningen waarvoor vluchtelingen uit Oekraïne in aanmerking komen, waaronder toegang tot onderwijs, verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart jl.
Het artikel 'Mogelijke betalingen aan IS, corruptie en fraude door telecomgigant Ericsson in Irak' |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mogelijke betalingen aan IS, corruptie en fraude door telecomgigant Ericsson in Irak»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat een bedrijf dat in Nederland actief is en waarmee KPN zaken doet, mogelijk terrorisme financiert?
Het financieren van terrorisme is zorgelijk, onaanvaardbaar en strafbaar. Ter signalering, voorkoming en bestrijding van terrorismefinanciering trekt Nederland nauw op met andere (Europese) landen, de private sector en maatschappelijke organisaties. Terrorisme bestrijden is een gedeelde verantwoordelijkheid en de betrokken partijen nemen het onderwerp zeer serieus. Het feit dat KPN aan Ericsson om opheldering heeft gevraagd is hier een voorbeeld van. Ericsson heeft desgevraagd aangegeven dat de kwestie onderzocht wordt en dat in vervolg hierop maatregelen worden getroffen.
Deelt u de mening dat door nationale IMVO-wetgeving die bedrijven verplicht onderzoek te doen naar misstanden in hun productieketen, dit soort misstanden, waarbij Nederland indirect bijdraagt aan terrorisme, voorkomen kunnen worden?
Als bedrijven aan IMVO-wetgeving (Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) moeten voldoen, betekent dit dat zij verplicht zijn gepaste zorgvuldigheid toe te passen in lijn met de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen). Onderdeel van die gepaste zorgvuldigheid is dat ondernemingen negatieve gevolgen voor mens en milieu van hun activiteiten, of die van hun zakelijke relaties in de waardeketen, in kaart brengen, zoveel mogelijk voorkomen en aanpakken.
Op het moment is het financieren van terrorisme evenwel al strafbaar, en dienen bedrijven hiertegen actie te ondernemen. Wetgeving helpt, maar kan niet alle misstanden voorkomen.
Kunt u, gezien het feit dat zakendoen met Huawei niet wenselijk is door de vrees voor spionage van Chinese veiligheidsdiensten, aangeven wat naast Huawei en Ericsson alternatieve bedrijven zouden kunnen zijn om technologie voor 5G te leveren aan onze telecomproviders in Nederland?
De kwestie rond Ericsson staat los van de maatregelen die zijn getroffen om de veiligheid en integriteit van mobiele telecomnetwerken beter te beschermen tegen actuele statelijke dreigingen. Bij de beoordeling van risico’s ten aanzien van spionage, beïnvloeding of sabotage door statelijke actoren hanteert het kabinet de overwegingen zoals vermeld in de brief aan de Tweede Kamer over C2000 (Kamerstukken II 2018/19, 25 124, nr. 96)2. De daar genoemde overwegingen zijn in het geval van het Zweedse bedrijf Ericsson niet aan de orde.
De markt van leveranciers voor netwerktechnologie en −apparatuur voor mobiele netwerken kent een beperkt aantal spelers. Wereldwijd zijn de belangrijkste leveranciers van technologie voor 5G: Ericsson, Huawei, Nokia, Samsung en ZTE, waarbij de eerste drie leveranciers wereldwijd veruit het grootste marktaandeel hebben. Technologische ontwikkelingen kunnen er voor zorgen dat op termijn nieuwe bedrijven toetreden als leverancier van (delen van) mobiele netwerken. Open RAN (Radio Access Network) is een van die mogelijke ontwikkelingen.3 Over de uitvoering van de motie van de leden Van der Lee (GL) en Van Ginneken (D66) over Open RAN4 zal de Kamer voor de zomer worden bericht.
Welke consequenties zullen er voor KPN gelden vanuit het Ministerie van Economische Zaken naar aanleiding van het genoemde artikel? Bent u bereid om KPN op te roepen duidelijke voorwaarden te stellen aan de verdere toekomstige samenwerking met Ericsson?
Mijn ministerie heeft contact opgenomen met zowel KPN als Ericsson. KPN heeft naar aanleiding van de berichtgeving reeds zelf actie ondernomen. KPN heeft aangegeven Ericsson om opheldering te hebben gevraagd en in gesprek te zijn over wat Ericsson doet om de in het artikel genoemde gedragingen waarvan zij beschuldigd wordt te voorkomen. Dat lijkt mij een gepaste actie. Ericsson heeft laten weten dat de kwestie onderzocht is in samenwerking met een external legal counsel en dat er naar aanleiding daarvan remediërende maatregelen zijn getroffen. Met deze counsel wordt nog gekeken welke vervolgmaatregelen kunnen worden genomen. Ericsson committeert zich voorts aan vervolgacties en −onderzoek indien daar aanleiding voor is. Deze acties van Ericsson lijken mij eveneens gepast.
Heeft de Minister van Buitenlandse Zaken reeds contact gehad met de Zweedse Minister van Buitenlandse zaken en de Minister van Economische Zaken om met hen te bespreken wat zij gaan doen om te zorgen dat Ericsson zijn zaken op orde krijgt en dit soort praktijken in de toekomst voorkomen kunnen worden?
Nee. Het is aan de Zweedse autoriteiten om op te treden richting hun ondernemingen indien wet- en regelgeving overtreden wordt. Medewerkers van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat hebben contact gehad met KPN en Ericsson over de kwestie. Daaruit bleek dat beide partijen de eerste benodigde stappen van onderzoek en remediëring toepassen. Dat lijkt gepast.
De landsadvocaat en fraude-onderzoeken |
|
Pieter Omtzigt , Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het kantoor van de landsadvocaat Pels Rijcken, weigert om het intern verrichte fraudeonderzoek openbaar te maken en/of te delen met het openbaar ministerie (OM)?1
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving in de NRC van 21 februari jl. waarin wordt gesteld dat Pels Rijcken weigert interne fraudeonderzoeken met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) te delen.
Het OM en Pels Rijcken doorlopen momenteel de geëigende wettelijke procedure die bestaat voor verstrekking van gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust. Pels Rijcken heeft volgens het OM de globale onderzoeksresultaten van de in opdracht van Pels Rijcken uitgevoerde onderzoeken beschikbaar gesteld aan het OM. Voor zover de verzochte informatie gegevens betreft waarop een geheimhoudingsplicht rust, voorziet de wet in een procedure waarbij de rechter-commissaris bepaalt of de informatie kan worden vrijgegeven ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Ik licht dat nader toe.
De gegevens over individuele zaken vallen onder de wettelijke geheimhoudingsplicht die advocaten en notarissen hebben jegens hun cliënten. Het Wetboek van Strafvordering geeft de geheimhouder (in dit geval de advocaten en notarissen van Pels Rijcken) een weigeringsgrond in het geval van het leggen van beslag (art. 98 jo art. 218 Sv), in geval van een bevel tot uitlevering van voor in beslagneming vatbare voorwerpen (art. 96a lid 3 sub jo. art. 218 Sv), of in geval van een vordering tot het verstrekken van gegevens (art. 126nd lid 2 jo. art. 96a lid 3 sub b jo. art. 218 Sv). Pels Rijcken heeft aangegeven dat deze informatie onder de geheimhoudingsplicht valt en dat de rechter-commissaris via een toetsingsprocedure dient te bepalen welke informatie kan worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek. Hierbij is van belang te vermelden dat Pels Rijcken niet exclusief voor de Staat werkt en door (andere) cliënten zowel tuchtrechtelijk als civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor schending van de geheimhoudingsplicht. Het OM heeft ook belang bij een zorgvuldige procedure zodat over de bruikbaarheid van het bewijs later geen discussie kan ontstaan. Het OM heeft inmiddels meerdere vorderingen ingediend bij de rechter-commissaris. Een aantal van die vorderingen is reeds (deels) gehonoreerd door de rechter-commissaris. In die gevallen is geoordeeld dat vanwege de uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak het verschoningsrecht diende te wijken voor de waarheidsvinding. Tegen deze beslissing staat beklag open bij de rechtbank. Van die beklagprocedure is door Pels Rijcken geen gebruik gemaakt.
Wanneer bent u ervan op de hoogte gesteld dat het fraudeonderzoek niet gedeeld wordt met het OM? Welke actie heeft u toen ondernomen?
Het artikel waarin de stelling wordt ingenomen dat Pels Rijcken weigert het onderzoek dat door Deloitte is uitgevoerd te delen met het OM is gebaseerd op een mailwisseling die ik op 17 februari jl. in het kader van een verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar heb gemaakt. In die mailwisseling is te lezen dat op 15 juli 2021 door een medewerker van het OM aan mijn departement werd gemeld dat Pels Rijcken zich op het standpunt stelde dat verstrekking van de desbetreffende gegevens pas kon plaatsvinden na toetsing door de rechter-commissaris. Dit is een gebruikelijke procedure als het gaat om informatie waarop een geheimhoudingsplicht rust. Mijn voorganger heeft uw Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 16 juli 2021.2
Kunt u de uitkomsten van dit fraudeonderzoek, die u kent, delen met de Kamer?
Bij brief van 17 september 2021 heeft de VKC mij gevraagd het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. aan de Kamer te doen toekomen. Bij brief van 17 november 2021 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer gemeld dat dit onderzoek niet bij hem berust, maar uitsluitend bij het kantoor van de Landsadvocaat en de instanties die het onderzoek hebben uitgevoerd.
De eindresultaten van het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. zijn neergelegd in een overkoepelend verslag van handelingen en bevindingen. Gelet op het belang om uw Kamer zo volledig mogelijk te informeren, is het onderzoek uitgevoerd door Van Doorne N.V. en Deloitte Forensic & Dispute Services B.V. via het kantoor van de Landsadvocaat aan uw Kamer tot medio maart 2022 ter vertrouwelijke inzage gelegd. Het rapport is inmiddels geretourneerd aan het kantoor van de Landsadvocaat.
Zijn er door uw ministerie of het OM afspraken gemaakt met Pels Rijcken over het openbaar maken van dit interne onderzoek of het delen van het interne onderzoek met het OM (en/of het Ministerie van J&V)? Zo ja, kunt u dan aangeven welke afspraken daarover gemaakt zijn en wanneer die gemaakt zijn?
Nee. Zoals ik mijn antwoord op vraag 1 heb beschreven, heeft Pels Rijcken aan het OM aangegeven dat voor informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt (van de advocaten en notarissen van Pels Rijcken) de rechter-commissaris via een toetsingsprocedure dient te bepalen welke informatie kan worden vrijgegeven voor het strafrechtelijk onderzoek.
Is deze weigering transparant te zijn tegenover uw ministerie en/of het OM voor u een reden om de zakelijke relatie met Pels Rijcken als landsadvocaat zo spoedig mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het OM en Pels Rijcken doorlopen momenteel de geëigende wettelijke procedure die bestaat voor verstrekking van gegevens waarop een geheimhoudingsplicht rust.
Wie is de externe deskundige op het gebied van governance en integriteit, die samen met de Haagse deken Arjen van Rijn en de Rotterdamse deken Peter Hanenberg onderzoek gedaan heeft?2
Uit het persbericht van de Haagse deken van 12 augustus 2021 naar aanleiding van de afronding van zijn onderzoek maak ik op dat de externe deskundige is prof. Dr. Rob van Eijbergen, hoogleraar Kwaliteit en integriteit van organisaties aan de VU.4
Hoe luidde de onderzoeksopdracht aan deze onderzoekscommissie en welk(e) persoon/personen heeft/hebben de reikwijdte van die opdracht opgesteld en/of verstrekt?
Net als de Minister voor Rechtsbescherming5 ben ik, gelet op de onafhankelijkheid van de advocatuur en het toezicht daarop, terughoudend met het reageren op een individuele casus. De deken in het arrondissement Den Haag is de bevoegde toezichthouder op de advocaten van het kantoor Pels Rijcken. Het is aan de deken als toezichthouder om bij het doen van onderzoek naar mogelijke misstanden bij advocaten, de opzet en omvang van het onderzoek te bepalen. Uit het in antwoord op vraag 6 genoemde persbericht van de Haagse deken maak ik op dat het onderzoek was gericht op de mogelijke betrokkenheid van de advocaten bij de omvangrijke notariële fraude en naar de kantoororganisatie.
Is er overleg geweest met de Minister of het Ministerie van J&V met betrekking tot dit onderzoek? Zo ja, welke informatie is gedeeld?
Nee. Het is aan de toezichthouder om te bepalen of onderzoek nodig is en wat de opzet van dat onderzoek is. Wel heeft mijn ambtsvoorganger na afronding van het onderzoek, zoals is gemeld in zijn brief van 19 november jl., vanuit de hoedanigheid als cliënt contact gezocht met de Haagse deken om aandacht te vragen voor de berichtgeving over de sociale veiligheid in de NRC van 3 november 2021, als signaal ten behoeve van het lopende toezichttraject.
Klopt het dat de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) een spil is in het afhandelen van miljardenclaims tegen beursgenoteerde bedrijven?3
De Vereniging van Effectenbezitters (VEB) start juridische acties wanneer beleggers naar inzicht van de vereniging collectief gedupeerd zijn en men aanleiding ziet om een schadevergoeding te bewerkstelligen. Of dat om miljarden gaat zal afhangen van de casus.
Bent u ermee bekend dat gerechtigden niet altijd een claim indienen en dat er dus geld overblijft van die claims?
Ja, het is aan gerechtigden zelf om uiteindelijk daadwerkelijk aanspraak te maken op toegekende compensatie. Voor verbindend verklaarde schikkingen bepaalt de rechter hoe de gedupeerde gerechtigden bericht hierover moeten worden, zodat zoveel mogelijk gerechtigden worden bereikt.
Bent u ermee bekend dat er met de claims gefraudeerd wordt?4
Ja, dat is mij bekend.
Is de VEB zelf ook onderwerp van onderzoek in de fraudezaak?
Over lopende onderzoeken doe ik zoals bekend, in het belang van de lopende onderzoeken, geen uitspraken.
Heeft u of uw ministerie onderzoek laten doen naar de vraag waarom de volledige Raad van Commissaren van de VEB in juli 2021 is opgestapt en of het opstappen gerelateerd is aan het onderzoek naar de fraude door Frank O.? Zo ja, wat was de uitkomst van dit onderzoek? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om dat alsnog te doen?5
Nee, we hebben geen onderzoek daarnaar laten doen. Voor zover uw vraag ziet op het strafrechtelijk onderzoek zoals dat door het OM wordt uitgevoerd, kan ik daarover geen mededelingen doen.
Klopt het dat een voormalig partner van Pels Rijcken en advocaat van de VEB de is executeur-testamentair van Frank O. is en zijn nalatenschap beheert?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Is het privé vermogen van Frank O. ook onderdeel van het onderzoek naar de fraude bij Pels Rijcken? Zo nee, waarom niet?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Hoe is geborgd dat belangenconflicten zijn uitgesloten, zoals deze advocaat die ook de VEB vertegenwoordigt en voormalig partner bij Pels Rijcken is geweest?
In het algemeen geldt het volgende. Gelet op Gedragsregel 15, eerste lid, is het voor advocaten niet toegestaan tegen een voormalige of bestaande cliënt of die van zijn of haar kantoorgenoten op te treden, behoudens bijzondere omstandigheden. Leden 3 en 4 van Gedragsregel 15 geven invulling aan die bijzondere omstandigheden. Een advocaat kan afwijken van de norm indien, kort gezegd, het niet om dezelfde zaak gaat, de advocaat niet beschikt over vertrouwelijke of zaaksgebonden informatie over de voormalige of bestaande cliënt en niet is gebleken van redelijke bezwaren van de voormalige of bestaande cliënt (lid 3). Ook indien de voormalig of bestaande cliënt vooraf toestemming heeft gegeven kan worden afgeweken van de algemene norm (lid 4). Het is aan de advocaat zelf om een afweging te maken of er sprake is van (mogelijke) belangenverstrengeling, waarbij hij zo nodig advies kan inwinnen bij de lokale deken.
Klopt het dat uw voorganger al veel eerder op de hoogte was een grote fraudezaak bij Pels Rijcken van het kantoor zelf? Welke fraudezaak betrof dat?6
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer hierover het volgende gemeld:
Dit betrof het onderzoek naar een omvangrijke fraude door een notaris/bestuursvoorzitter van het kantoor van de Landsadvocaat Pels Rijcken.
Was er een claimstichting onderdeel van deze fraudezaak? Zo ja, was er een band met de VEB?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Wie heeft uw voorganger op de hoogte gesteld en welke informatie is hem toen verstrekt?
Bij brief van 1 oktober 2021 heeft mijn voorganger uw Kamer hierover het volgende gemeld:
Welke informatie met betrekking tot strafbare feiten en/of strafzaken inzake malversaties bij het indienen van claims bij claimstichtingen is sinds 2010 gedeeld met de bewindspersonen en met (de medewerkers) van uw ministerie (en de rechtsvoorgangers)? Kunt u een uitputtende lijst geven?
Dergelijke overzichten zijn er niet. In het algemeen kan het volgende worden aangegeven. Collectieve schikkingen hebben in de afgelopen jaren ertoe bijgedragen dat veel rechtzoekenden een vergoeding hebben gekregen van hun schade, zonder dat zij hiervoor een individuele procedure bij de rechter hebben hoeven voeren. Het is denkbaar dat een rechtszoekende ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op een vergoeding. Om die reden zijn waarborgen ingebouwd voor de daadwerkelijke uitkeringen onder een schikking. Indien achteraf blijkt dat ten onrechte een uitkering is gedaan aan iemand die daarop geen recht heeft, dan kan dit worden teruggevorderd.
Had Frank O. een rol bij de afwikkeling van de betreffende claim(s) ter zake waarvan de (straf)zaak over vermeende malversaties diende?
Zoals u weet kan ik geen mededelingen doen over lopende onderzoeken.
Is er jurisprudentie over civiele en/of strafzaken met betrekking tot (malversaties bij) het indienen van (valse) claims? Kunt u een volledige lijst geven?
Voor een overzicht van gepubliceerde rechterlijke uitspraken verwijs ik u naar de website www.rechtspraak.nl.
Zo ja, kunt u de ECLI-nummers noemen waaronder deze zaken openbaar gemaakt zijn?
Zie het antwoord op vraag 22.
Kunt u bevorderen dat de uitspraak van deze zaak bij de rechtbank Rotterdam in zijn geheel gepubliceerd wordt? Kunt u ook aangeven waarom deze zaak tot nu toe niet openbaar geworden is?7
De beslissing om rechterlijke uitspraken al dan niet te publiceren, is aan de onafhankelijke rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak hanteert selectiecriteria voor het publiek toegankelijk maken van uitspraken door middel van opname in een databank op de website www.rechtspraak.nl. Het gaat om uitspraken die maatschappelijk en/of juridisch in het bijzonder en op zichzelf staand relevant worden geacht.13 Uw Kamer is op 24 maart jl. nader geïnformeerd over de publicatie van rechterlijke uitspraken.14
Wilt u een overzicht geven van alles wat er de afgelopen drie jaar bekend geworden is over het kantoor van de landsadvocaat of waarin dat kantoor een rol speelt? Wilt u daarvan een overzicht verstrekken (geen verwijzingen) waarin alle bewezen fraude, malversaties, verdenkingen, onderzoeken en strafzaken punt-voor-punt worden genoemd?
Dergelijke overzichten zijn er niet. Er is mij overigens geen andere fraudekwestie bij het kantoor van de Landsadvocaat bekend dan de aan het licht gekomen en reeds aan uw Kamer gemelde fraude door de voormalige bestuursvoorzitter van het kantoor.
Wilt u het antwoord op de vorige vraag voorleggen aan de ministerraad en aan de ministerraad vragen of zo’n kantoor nog geschikt is om de rol van landsadvocaat te hebben?
Zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven zijn dergelijke overzichten er niet.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn een voor een en zo spoedig als mogelijk beantwoord.
Het stimuleren van het gebruik van wasbare luiers en incontinentiematerialen |
|
Kiki Hagen (D66), Eva van Esch (PvdD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht ««Luierschaamte» na aangescherpte regels in Noordoostpolder»»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Klopt het dat in sommige gemeentes luiers bij het groente- fruit- en tuinafval (gft) mogen, of dat dit in de afgelopen jaren was toegestaan? Waarom is dit zo? Bij hoeveel gemeentes is dit nu nog steeds het geval?
In juni 2020 is de landelijke wel/niet lijst voor gft-afval gepubliceerd waarbij luiers aan de niet-kant staan, daarmee behoren luiers niet met gft-afval ingezameld te worden. In een zeer beperkt aantal gemeenten wordt met het gft-afval ook luiers ingezameld. Dat wordt afgebouwd.
Klopt het dat ongeveer 8% van het huishoudelijk restafval bestaat uit luiers en incontinentiemateriaal? Wat is uw reactie hierop? Vindt u dit veel of weinig?
Dat klopt. Uit het meest recente rapport over de samenstelling van huishoudelijk restafval blijkt dat het 3-jaarlijkse gemiddelde percentage van luier- en incontinentiemateriaal op 7,9% ligt. Dit is een aanzienlijke hoeveelheid en ook mede de reden dat in het kader van het VANG-programma 2015–2020 begonnen is met het luierketenproject. Ook het nieuwe VANG-programma 2021–2025 dat op 10 maart jl. met uw Kamer is gedeeld richt zich onder andere op luierafval (Kamerstuk 32 852, nr. 184).
Klopt het dat wegwerpluiers en -incontinentiematerialen die worden ingezameld via speciale inzamelingsbakken niet tot het ongescheiden huishoudelijk restafval worden gerekend, waardoor gemeenten op papier beter voldoen aan de gestelde VANG-doelstellingen (Van Afval Naar Grondstof)? Is dit ongeacht of de inhoud daadwerkelijk gerecycled wordt? Kunt u uitleggen op welke manier dit bijdraagt aan de circulaire economie?
Aparte inzameling van luiers en incontinentiemateriaal draagt met ingang van het nieuwe VANG-programma 2021–2025 alleen bij aan de VANG-doelstellingen indien het gescheiden ingezamelde luier- en incontinentiemateriaal ook daadwerkelijk voor recycling wordt aangeboden en daarmee een bijdrage levert aan het bereiken van de circulaire economie. Dit is in lijn met de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Klopt het dat slechts een klein deel van de wegwerpluiers en -incontinentiematerialen die via speciale inzamelingsbakken worden ingezameld, wordt gerecycled en dat het overgrote deel alsnog wordt verbrand? Wat is uw reactie hierop?
De recyclingcapaciteit van luier- en incontinentiemateriaal in Nederland is nog beperkt. In het rapport «Knelpunten en oplossingen voor het sluiten van de keten voor luiers en incontinentiemateriaal» wordt geconstateerd dat door een combinatie van factoren er tot nu toe nog geen grootschalige recycling van luiers en incontinentiemateriaal plaatsvindt. Momenteel bezie ik welke instrumenten ingezet kunnen worden om de luierketen meer sluitend te krijgen. In afwachting van het opschalen van de recyclingcapaciteit is het van belang om de bestaande inzamelinfrastructuur in stand te houden.
Hoeveel procent van de wegwerpluiers en -incontinentiematerialen die via speciale inzamelingsbakken worden ingezameld, wordt alsnog verbrand? Wat is uw reactie hierop?
Dit is onbekend. Er is geen totaaloverzicht van gemeenten en zorginstellingen die luiers en incontinentiemateriaal gescheiden inzamelen en wel of geen contract hebben voor de recycling hiervan. Gemeenten en zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de keuze om luier- en incontinentiemateriaal gescheiden in te zamelen en contracten af te sluiten voor de recycling hiervan.
Kunt u aangeven, in het geval dat de luiers wel gerecycled worden, wat er daadwerkelijk met het recyclaat gebeurt, en of dit hoogwaardige recycling betreft of downcycling?
In Nederland bestaat één luierrecyclinginstallatie bij ARN B.V., te Weurt. De recycling resulteert in een herbruikbare kunststoffenstroom (recyclaat). Het kunststof recyclaat wordt o.a. ingezet voor de productie van auto-onderdelen en bloempotten. Er is geen eenduidige systematiek om hoogwaardige recycling te onderscheiden van downcycling. Wel kan gezegd worden dat voor de kwaliteit van het recyclaat wordt uitgegaan van de eis uit het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) dat het materiaal meerdere cycli in de keten gehouden kan worden en dat er geen resten van medicijnen, pathogenen en dergelijke meer aanwezig zijn. De recyclingmethode die ARN B.V. toepast is getoetst aan de hand van het RIVM-protocol voor veilige recycling. Hieruit blijkt dat het kunststof recyclaat veilig met recycling in de keten teruggebracht kan worden, m.u.v. kunststoftoepassingen die met voedsel in aanraking komen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat op de inzamelingsbakken voor wegwerpluiers en -incontinentiematerialen komt te staan wat er vervolgens met de inhoud gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Nee, het communiceren met inwoners of medewerkers van zorginstellingen over het afvalbeleid en wat er met het afval gebeurt is een verantwoordelijkheid van gemeenten of de zorginstellingen die dergelijke inzamelingsbakken ter beschikking stellen aan hun inwoners of werknemers.
Bent u het ermee eens dat het bestaan van deze speciale bakken voor consumenten misleidend kan zijn, omdat zij daarmee vaak ten onrechte denken dat de ingezamelde luiers gerecycled worden terwijl dat in werkelijkheid niet (altijd) zo is? Zo nee, waarom niet?
Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen is een verantwoordelijkheid van gemeenten. Bedrijven zoals zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de inzameling van hun afvalstoffen. Gemeenten en bedrijven zijn ook verantwoordelijk voor de informatieverstrekking aan hun inwoners en medewerkers over het doel van speciale inzamelingsbakken. Het advies aan gemeenten die al luiers gescheiden inzamelen is om in contact te blijven met initiatiefnemers voor recycling en de bestaande infrastructuur te handhaven.
Klopt het dat het fabrikanten van wegwerpluiers en -incontinentiemateriaal is toegestaan eigen luierinzamelbakken te plaatsen? Vindt u dit wenselijk? Hoeveel controle en transparantie is er over wat er vervolgens met die materialen gebeurt?
Gemeenten en zorginstellingen gaan over het toestaan van luierinzamelbakken van fabrikanten en over de controle en transparantie op de verdere verwerking van de ingezamelde luiers en incontinentiemateriaal. Dat past bij de verantwoordelijkheden die gemeenten en zorginstellingen op het gebied van afvalinzameling en verwerking hebben.
Klopt het dat wegwerpincontinentiemateriaal wordt vergoed in het basisverzekeringspakket, maar dat wasbaar incontinentiemateriaal niet standaard wordt vergoed? Zo ja, kunt u uitleggen waarom dat zo is? Zo nee, bent u bereid informatie hieromtrent richting verzekeraars en verzekerden toegankelijker te maken? Zo ja, hoe bent u dat van plan?
Het Ministerie van VWS geeft aan dat de Zorgverzekeringswet voorschrijft dat zorgverzekeraars moeten zorgen voor goede, betaalbare en toegankelijke zorg voor alle verzekerden. Daarbij heeft de wetgever op hoofdlijnen vastgesteld wat de inhoud van het basispakket is. Daarna is het aan zorgverzekeraars om voldoende zorg van goede kwaliteit in te kopen voor verzekerden, waarbij ze wel rekening moeten houden met geldende kwaliteitsnormen en medische richtlijnen. In het geval van incontinentiemateriaal betekent dat zorgverzekeraars zelf mogen kiezen voor wegwerpincontinentiemateriaal of wasbaar incontinentiemateriaal, zolang de geleverde zorg maar voldoet aan de normen en richtlijnen.
In de informatieverplichtingen die zorgverzekeraars aan hun verzekerden hebben is opgenomen dat verzekerden goed geïnformeerd moeten worden over wat wel en niet in de zorgpolis zit. Dat betekent dat in de polis goed vindbaar moet zijn welk type incontinentiemateriaal vergoed wordt. Bovendien is Zorgverzekeraars Nederland namens alle zorgverzekeraars ondertekenaar van de Green Deal Duurzame Zorg. Daarin hebben zorgaanbieders, verzekeraars, banken en de rijksoverheid (o.a. het Ministerie van VWS en IenW) afgesproken zich in te spannen om te zorg te verduurzamen. Duurzaamheid van zorg is in toenemende mate een aandachtspunt voor zorgverzekeraars, zoals ook blijkt uit het Inkoopkader langdurige zorg 2021–2023, waarin duurzaamheid een van de 4 kernelementen is bij de zorginkoop door zorgkantoren.
Hoe is het beleid rondom wegwerpluiers en -incontinentiematerialen volgens u te verenigen met de doelstellingen van de circulaire economie (50% minder grondstoffen in 2030 en een volledig circulaire economie in 2050)?
Het beleid rondom wegwerpluiers en incontinentiemateriaal maakt onderdeel uit van het uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval 2021–2025. Door in te zetten op meerdere R-strategieën draagt dit bij aan de doelstellingen van de circulaire economie.
Wat is uw reactie op het feit dat er in Nederland slechts één luierrecyclinginstallatie staat en dat recent onderzoek concludeert dat een combinatie van factoren ertoe leidt dat geen grootschalige recycling van luiers en incontinentiemateriaal plaatsvindt?
Nederland is een van de weinige Europese landen waar daadwerkelijk luiers worden gerecycled. De recyclingcapaciteit van luier- en incontinentiemateriaal in Nederland is 15 Kton. RVO Nederland heeft onlangs in opdracht van het Ministerie van EZK subsidies verstrekt voor twee extra luierrecyclinginstallaties in Nederland. Hierdoor wordt de beoogde recyclingcapaciteit in Nederland 66 Kton. In het rapport «Knelpunten en oplossingen voor het sluiten van de keten voor luiers en incontinentiemateriaal» wordt geconstateerd dat door een combinatie van factoren er tot nu toe nog geen grootschalige recycling van luier- en incontinentiemateriaal plaatsvindt. Er is niet één doorslaggevende reden waardoor de recyclingcapaciteit achterblijft op de verwachtingen. Dit maakt dat er meerdere opties mogelijk zijn om hier een impuls aan te geven. Momenteel bezie ik welke instrumenten ingezet kunnen worden om de luierketen meer sluitend te krijgen.
Bent u het ermee eens dat, om de doelstellingen van de circulaire economie te halen, niet enkel moet worden ingezet op de recycling van wegwerpluiers en -incontinentiematerialen, maar dat juist hergebruik en wasbare alternatieven de norm moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Een productketen kan circulair gemaakt worden door in te zetten op meerdere R-strategieën. In het beleid wordt ingezet op zowel het stimuleren van het gebruik van wasbare luiers als op de recycling van luier- en incontinentiemateriaal.
Gaat u wasbare luiers en incontinentiematerialen opnemen in de uitvoeringsagenda van de circulaire economie? Zo nee, waarom niet?
In het uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval 2021–2025 dat ik uw Kamer op 10 maart jl. heb toegezonden (Kamerstuk 32 852, nr. 184), zijn diverse maatregelen op dit punt opgenomen. Het programma maakt onderdeel uit van de uitvoeringsagenda voor circulaire economie.
Wat wordt er tot nu toe gedaan vanuit de landelijke overheid om het gebruik van wasbare luiers en incontinentiematerialen te stimuleren ten opzichte van de wegwerpvariant? Is dit volgens u succesvol? Zo ja, waar blijkt dat uit?
RVO Nederland heeft in opdracht van mijn ministerie meerdere subsidies verstrekt aan bedrijven die circulaire ketenprojecten uitvoeren op het gebied van wasbare luiers en incontinentiematerialen. Daarnaast is informatiemateriaal ter beschikking gesteld aan professionals in de kinderzorg over het gebruik van wasbare luiers. Dit informatiemateriaal is bij gemeenten onder de aandacht gebracht. Verder geeft Milieu Centraal voorlichting over het gebruik van wasbare luiers.2 In bijeenkomsten met gemeenten wordt gewezen op de mogelijkheden op het gebied van wasbare luiers en incontinentiemateriaal om daarmee afval te voorkomen. Ook is Rijkswaterstaat samen met een aantal gemeenten bezig om een pilot op te zetten voor het gebruik van wasbare luiers in kinderdagverblijven. Het is nog te vroeg om over al deze acties een conclusie te trekken.
In het kader van Green Deal Duurzame Zorg werkt de zorg aan het verduurzamen van de zorgverlening vanuit de ambitie het circulair werken te bevorderen. Het Ministerie van VWS faciliteert de zorgsector hierbij. Op dit moment werkt Kennisinstelling Vilans in opdracht van VWS aan een e-handboek om het gebruik van slim incontinentiemateriaal in de langdurige zorg te bevorderen. Slim incontinentiemateriaal is een verzamelterm voor incontinentiemateriaal waarbij medewerkers op afstand kunnen zien in hoeverre het materiaal verzadigd is en dus vervangen moet worden. Het doel is minder onnodige verschoningen en daarmee een hogere kwaliteit van leven van cliënten, tijdsbesparing, minder belasting van medewerkers, lagere zorgkosten en minder afval van incontinentiemateriaal. De Minister van VWS stuurde uw Kamer hierover op 12 juli jl. een brief (Kamerstuk 27 529, nr. 266).
Klopt het dat het rijksprogramma «Uit de Luiers» gericht is op het sluiten van de luierketen? Bent u het ermee eens dat dit weinig succesvol is in het voorkomen van luierafval? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe bent u van plan dit te verbeteren?
Het project «Uit de luiers» is erop gericht om te komen tot een fysiek en financieel gesloten circulaire keten van preventie, productie, gebruik en recycling. Hiervoor wordt samenwerking gezocht met partners uit de hele luierketen. Het project heeft ertoe geleidt dat de recycling van luiers en incontinentiemateriaal in Nederland is opgestart en nu aan het groeien is. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het voorkomen van luierafval en de stimulering van het gebruik van wasbare luiers. In het uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval 2021–2025 is aangegeven welke stappen de komende jaren worden ondernomen.
Klopt het dat de informatievoorziening rondom wasbare luiers vanuit het rijksprogramma is uitbesteed aan Milieu Centraal, maar dat dit hiervoor geen budget beschikbaar heeft? Zo nee, hoe zit dit dan? Zo ja, waarom is dat zo?
Het klopt dat de voorlichting rond wasbare luiers is uitbesteed aan Milieu Centraal. Op de website van Milieu Centraal is alle informatie te vinden over het gebruik van wasbare luiers, met handige tips. Meer informatievoorziening via Milieu Centraal is op dit moment niet nodig. Daarnaast wordt ook informatie gedeeld over wasbare luiers op de website van het programma VANG – Huishoudelijk Afval: vang-hha.nl.
Welke andere mogelijkheden ziet u om het gebruik van wasbare luiers en incontinentiematerialen te stimuleren, bijvoorbeeld via overheidscampagnes?
Zie antwoord op vraag 16.
Bent u bereid een landelijke stimuleringsregeling voor wasbare luiers te onderzoeken en te ontwikkelen, zoals bijvoorbeeld in België al gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat een stimuleringsregeling voor circulaire ketenprojecten waarmee onderwerpen zoals een wasbare luier onderzocht en ontwikkeld kunnen worden. De regeling wordt in opdracht van mijn ministerie uitgevoerd door RVO Nederland. In 2021 is 4,5 miljoen euro subsidie verleend aan 255 MKB-bedrijven die in ketens circulair samenwerken en CO2 besparen. Voor 2022 is opnieuw een bedrag van 6 miljoen euro beschikbaar voor nieuwe circulaire ketenprojecten. Het gaat hierbij om zogenoemde «moonshot» projecten. Het Versnellingshuis Nederland Circulair brengt dit actief onder de aandacht van ondernemers. Bij het antwoord op vraag 16 is aangegeven dat RVO Nederland al meerdere subsidies op dit vlak heeft verleend.
Bent u bereid een belastingverlaging op wasbare luiers en incontinentiematerialen te onderzoeken, zoals in Ierland en Engeland al het geval is? Zo nee, waarom niet?
Het Verenigd Koninkrijk is geen onderdeel meer van de EU. In Ierland vallen zowel wegwerpluiers als wasbare luiers onder het btw nultarief, dus niet alleen wasbare luiers. Incontinentiemateriaal voor volwassenen is in Ierland onder het algemene btw-tarief gebracht.
Incontinentiemateriaal valt in Nederland onder het verlaagde btw-tarief van 9%. Bij incontinentie die niet het gevolg is van ziekte (zoals in het algemeen het geval is bij baby’s en kleine kinderen) vindt het verlaagde btw-tarief geen toepassing.
Bij incontinentiemateriaal wordt geen onderscheid gemaakt naar wasbare en niet-wasbare producten. Binnenkort vindt er vanuit het Ministerie van Financiën een evaluatie rond het verlaagde btw-tarief plaats. Gezien voorgaande ziet het kabinet geen aanleiding om separaat onderzoek te doen naar een belastingverlaging op wasbare luiers of incontinentiemateriaal. Dit antwoord is afgestemd met mijn collega van Financiën, voor verdere btw-gerelateerde vragen is de Vaste commissie voor Financiën het geëigende gremium.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat het schildpadlogo «dit product bevat plastic» ook wordt vermeld op wegwerpluiers en -incontinentiematerialen, zoals ook bij wegwerpmaandverband en wegwerp vochtige doekjes verplicht is? Zo nee, waarom niet? Kunt u dan uitleggen wat het verschil is tussen wegwerpmaandverband en wegwerpluiers en -incontinentiematerialen als het gaat om het al dan niet toepassen van dit logo, aangezien de gebruikte grondstoffen in deze producten grotendeels gelijk zijn?
Het schildpadlogo dient op bepaalde producten te worden aangebracht. De basis hiervoor is de Europese richtlijn voor Single use plastics. De Europese richtlijn is via het Besluit kunststof producten voor eenmalig gebruik in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Verbreding van toepassing van het schildpadlogo is alleen mogelijk indien de EU regelgeving wordt aangepast. Het is dus niet mogelijk als land eigenstandig te beslissen het logo ook op andere producten te zetten. De basis voor de Europese richtlijn was een onderzoek dat vaststelde welke 10 producten het vaakst op EU stranden worden gevonden. Bij deze 10 producten zaten tampons en maandverband. Luiers en incontinentiemateriaal zaten niet bij de 10 meest gevonden kunststof producten op Europese stranden. Ik ben bereid om bij een herziening van de Europese richtlijn te pleiten voor een logo op wegwerpluiers- en incontinentiemateriaal waar plastic in zit.
Klopt het dat kinderdagverblijven, gastouders en peuterspeelzalen wasbare luiers van klanten kunnen weigeren? Zo ja, is dit volgens u wenselijk? Zo nee, wat kunt u doen tegen organisaties die wasbare luiers weigeren?
Kinderdagverblijven, gastouders en peuterspeelzalen stellen hun eigen voorwaarden voor acceptatie van kinderen. Het staat deze organisaties vrij wasbare luiers al dan niet te accepteren. Er is dan ook geen rol voor de overheid in de acceptatievoorwaarden tussen kinderopvangbedrijven en ouders.
Klopt het dat het in België verboden is voor kinderdagverblijven om wasbare luiers van klanten te weigeren? Zo ja, bent u bereid uit te zoeken hoe België dit heeft gedaan, opdat we dit in Nederland ook kunnen invoeren?
Nee. Bij navraag bij de Vlaamse overheid blijkt er geen verbod te zijn voor kinderdagverblijven om wasbare luiers van klanten te weigeren.
Bevatten in Nederland wegwerpluiers ook gifitge stoffen, zoals uit Frans onderzoek2 is gebleken? Zo ja, bent u van mening dat ouders hierover voldoende geïnformeerd zijn?
Het Europese Chemicals Agency (ECHA) heeft in 2021 geconcludeerd dat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is dat er in wegwerpluiers chemicaliën zitten in concentraties die een risico zouden kunnen vormen. Deze Europese evaluatie was een vervolg op het Franse onderzoek. Het ECHA ziet daarom geen aanleiding om regelgeving voor stoffen in wegwerpluiers aan te passen. Via de website waarzitwatin.nl kunnen consumenten zien welke stoffen in welk product zijn verwerkt. Luiers zijn ook als productgroep op deze website meegenomen.
Bent u het ermee eens dat de vermelding dat bepaalde luiers composteerbaar zouden zijn, misleidend is voor de consument, aangezien in de wel/niet lijst van de NVRD (organisatie voor schone en afvalvrije gemeenten), de Vereniging Nederlandse Gemeenten en afvalverwerkers vermeld wordt dat het ontdoen van luiers via het gft-afval in geen geval toegestaan is? Zo ja, bent u bereid de producenten daarop aan te spreken en hen te verbieden deze aanduidingen (in tekst of logo) te gebruiken?
Als onderdeel van het landelijk afvalbeheerplan is onder sectorplan 6 «Gescheiden ingezameld/afgegeven groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens» een lijst opgenomen welke items wel of niet bij het gft-afval mogen. Op de wel/niet lijst voor gft-afval staan luiers duidelijk aan de niet-kant. Luiers in gft-afval zijn niet wenselijk en bedreigen de kwaliteit van gft-compost. Er is geen wettelijke verplichting om een bepaald afvalinstructie-logo te voeren, maar ik ben bereid producenten erop aan te spreken als zij afvalinstructies op luiers zetten waarop ten onrechte staat dat die bij het gft-afval zouden horen.
Misbruik van coronasteun door Bert’s Animal Verhuur |
|
Frank Wassenberg (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u de aflevering over Bert’s Animal Verhuur van het televisieprogramma BOOS gezien?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat Bert’s Animal Verhuur tijdens de coronapandemie 154.875 euro aan ontvangen steun uit de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW), bedoeld om loonkosten van personeel door te betalen, heeft gebruikt om onder andere stallen te verbouwen? Vindt u dit te billijken? Zo niet, gaat u de NOW-steun terugvorderen?
Ik heb het bericht vernomen. In de vaststellingsfase van de NOW, die volgt op een eerder aan een werkgever uitgekeerd voorschot, wordt de definitieve subsidiehoogte gebaseerd op de loonkosten in de subsidieperiode en het definitieve omzetverliespercentage. Als in de vaststellingsfase uit de bij UWV beschikbare gegevens over de loonsom van een werkgever blijkt dat de loonsom is gedaald, dan zal de NOW-subsidie, afhankelijk van de omvang van de mutatie, geheel of gedeeltelijk terugbetaald moeten worden. De NOW-subsidie is immers bedoeld voor het ondersteunen van werkgevers in het doorbetalen van hun personeel in het geval van een omzetdaling groter dan 20% tijdens de beperkende maatregelen vanwege de Coronacrisis. Eventuele dalingen van de loonsom worden dus betrokken in de reguliere controles binnen het vaststellingsproces van de NOW en de subsidie wordt hier als nodig op aangepast. Indien geen sprake is van een gedaalde loonsom en een werkgever voldoet aan de overige aan de NOW-subsidie gestelde voorwaarden (waaronder een omzetverlies van minimaal 20%), dan zal de subsidie worden vastgesteld op basis van deze loonsom en het definitieve omzetdalingspercentage.
Bent u er van op de hoogte dat dit bedrijf illegale bouwwerken op het terrein heeft staan?
Voor informatie over bouwwerken die eventueel strijdig zijn met het bestemmingsplan of andere bouwvergunningen verwijs ik u naar gemeente West Maas en Waal.
Bent u er van op de hoogte dat dit bedrijf illegaal honden te koop aanbiedt en meer honden houdt dan is toegestaan?
Ik ben ervan op de hoogte dat tijdens de inspecties door de NVWA ook overtredingen zijn vastgesteld in verband met het bedrijfsmatig houden en verhandelen van honden door deze houder. Er zijn overtredingen geconstateerd met betrekking tot identificatie en registratie van honden en benodigde herhalingsinentingen. Het bedrijf is correct geregistreerd voor het bedrijfsmatig verkopen van honden. De controle op of er meer honden worden gehouden dan toegestaan, ligt bij de gemeente.
Hoe beoordeelt u het feit dat dit bedrijf al sinds 1998 bij de gemeente, omgevingsdienst en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op de radar staat vanwege diverse zaken zoals slechte verzorging van dieren, het houden van meer dieren dan volgens de vergunning is toegestaan en het illegaal verhuren van dieren, maar dat de overtredingen nog altijd doorgaan?
De NVWA heeft de afgelopen vijf jaar zeer regelmatig zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk handhavend opgetreden tegen dit bedrijf. Sinds 2021 staat het bedrijf onder verscherpt toezicht en wordt het nog frequenter geïnspecteerd. Ik ben van mening dat de NVWA adequaat handhavend tegen dit bedrijf optreedt. In mijn antwoord beperk ik mij tot de handhaving door NVWA aangezien deze onder mijn verantwoordelijkheid valt.
Hoe vaak heeft u signalen gekregen over de slechte verzorging van dieren en andere misstanden bij dit bedrijf? Wat is er met deze signalen gedaan?
De NVWA heeft sinds 1 januari 2017 tot heden 39 meldingen ontvangen. Na beoordeling van deze signalen heeft de NVWA in 2017 driemaal handhavend opgetreden na constatering van dierwelzijnsovertredingen. In 2018 gebeurde dit twee keer, en in 2019 ook twee keer. In 2020 is eenmaal handhavend opgetreden. In alle gevallen ging het om overtredingen met betrekking tot dierwelzijn. Uiteindelijk heeft dit in 2021 geleid tot het onder verscherpt toezicht plaatsen van dit bedrijf. Daarnaast heeft ook de politie de afgelopen jaren enkele meldingen en aangiftes met betrekking tot Bert Animals Verhuur ontvangen.
Deelt u de mening dat de rapportage van BOOS aantoont dat handhaving enorm tekort heeft geschoten? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 5.
Hoe gaat u zorgen dat handhaving niet weer tekort schiet? Hoe gaat u zorgen dat er wordt opgetreden tegen de geconstateerde misstanden?
Bij maatregelen die worden opgelegd aan het bedrijf wordt de opvolging van de verbeterpunten geïnspecteerd tijdens herinspecties. Omdat het bedrijf onder verscherpt toezicht staat worden die herinspecties frequent uitgevoerd. Als ultimum remedium kunnen dieren elders worden ondergebracht om daar passende verzorging te krijgen.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Gezien de benodigde interdepartementale afstemming en afstemming met de toezichthouder lukte het niet de vragen binnen de termijn van drie weken te beantwoorden. Daarom is er een uitstelbrief aan de Kamer, met kenmerk 2022D10614, gestuurd.
De consul van Rusland in Maastricht die weigert de inval van Rusland in Oekraïne te veroordelen |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse consul Rusland in Maastricht blijft pal achter Poetin staan» dat op 28 februari in De Limburger verscheen?1
Ja.
Wat is uw appreciatie van het feit dat deze consul in Nederland zijn werk kan blijven doen, de militaire invasie van Rusland in Oekraïne en de agressie van Poetin niet veroordeelt, en het frame van het Kremlin ook in Nederlandse kranten kan verspreiden?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken keurt het standpunt van de honorair consul ten zeerste af. Naar aanleiding van het genoemde interview heeft het college van de burgemeester en Wethouders van de gemeente Maastricht in overleg met het ministerie een brief met deze strekking aan de honorair consul verstuurd.
Bent u bereid om de consul te ontbieden op het ministerie voor een gesprek over de uitspraken die hij in dit interview doet?
Uw Kamer is bekend met de verschillende maatregelen die er de afgelopen weken in reactie op de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne zijn genomen. Deze maatregelen moeten in samenhang worden bezien. Geen enkele stap in reactie op het Russische handelen wordt uitgesloten.
Ook op diplomatiek vlak zijn er stappen genomen. Zo zijn de ambassadeur van Rusland en van Belarus ontboden. Zij hebben duidelijk te horen gekregen dat Nederland de inval onacceptabel vindt en Oekraïne steunt. Daarbij draagt de ambassadeur van Rusland in beginsel verantwoordelijkheid voor de uitspraken van de honorair consul.
Overigens laat de gemeente Maastricht weten dat er al enige tijd geen sprake meer is van een huurovereenkomst en dat het consulaat als zodanig dus niet meer in Maastricht is gevestigd.
Steunt u het initiatief van een petitie die pleit voor het sluiten van het Russische consulaat in Maastricht?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met uw uitspraken, gedaan tijdens het plenaire debat van 24 februari jl. over de gelijktijdige opnamestops of time outs in de spoedeisendehulpposten in vier noordelijke ziekenhuizen, dat u niet wist en niet bereid was te achterhalen hoeveel opnamestops of time outs er zijn geweest bij alle spoedeisendehulpposten vorig jaar en het jaar ervoor?1
In aanvulling op de reactie die ik tijdens het debat op uw vragen hierover heb gegeven bericht ik u als volgt.
Niet alle ROAZ-regio’s registreren consequent stops of hanteren hiervoor dezelfde definities. Daarom vinden alleen analyses door de NZa plaats op de regio’s die consequent registreren in het Acute Zorgportaal. Dit betreft op dit moment vier ROAZ-regio’s.2 Hieronder staat het totaal aantal SEH-stops van deze vier regio’s weergegeven in een tabel voor de jaren 2015 tot en met 2021.
De NZa geeft aan dat de spoedeisende hulpposten (SEH’s) in de vier onderzochte regio’s in de periode 2018 – begin 2019 in gemiddeld 97% van de tijd geen SEH-stop hadden.
2015
987
3 regio’s
2016
1.889
3 regio’s
2017
2.283
3 regio’s
2018
2.926
4 regio’s
2019
2.962
4 regio’s
2020
2.573
4 regio’s
2021
2.961
4 regio’s
De aantallen die in deze tabel zijn weergegeven betreffen alleen stops waarvan de betreffende regio’s hebben aangegeven dat het de SEH betrof. Van drie regio’s zijn vanaf 2015 gegevens beschikbaar, van de vierde regio zijn er sinds 2018 betrouwbare gegevens. De periode 2015–2017 bevat dus de gegevens van drie ROAZ-regio’s, vanaf 2018 van vier regio’s. In de tabel is te zien dat er in 2015 minder SEH stops waren ten opzichte van andere jaren. Dit kan mogelijk komen door een registratiefout of het gevolg van nog niet volledige registratie.
Vanaf 2018 is te zien dat er een redelijk stabiel beeld ontstaat, met een duidelijke impact van covid-19 in 2020 (minder stops tijdens lockdownperiode).
Op korte termijn komt de NZa met de informatiekaart acute zorg, daarin staat nieuwe informatie over SEH-stops van vier ROAZ-regio’s. Ik zal u deze informatiekaart toesturen.
Hoeveel opnamestops of time outs waren er in al onze spoedeisendehulpposten in de jaren 2015 tot en met 2021? Kunt u dit weergeven in een tabel?
Zie antwoord vraag 1.
Het uitkeren van een schadevergoeding aan de Groesbeekse kopschoppers |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de Groesbeekse kopschoppers een schadevergoeding van het Openbaar Ministerie (OM) ontvingen?1 Herinnert u zich nog eerdere Kamervragen over deze unieke zaak?2
Als een strafzaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel kan de rechter, zo is bepaald in het Wetboek van Strafvordering, op verzoek van de gewezen verdachte een vergoeding toekennen voor – onder meer – de tijd die door de voormalig verdachte is doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis en kosten van rechtsbijstand in de strafzaak. Toekenning van de vergoeding mag dan – ook ingevolge de rechtspraak van het EHRM – niet worden geweigerd op de grond van het vermoeden dat de verdachte toch schuldig zou zijn aan de strafbare feiten waarvan hij werd verdacht. De rechter beoordeelt op grond van billijkheid of en welke vergoeding passend is. Dat is ook in deze zaak gebeurd. Het past mij niet om een oordeel te geven over de beslissingen van de rechter in individuele zaken.
Kunt u uitleggen waarom het OM schadevergoedingen aan de drie verdachten heeft overgemaakt?
Het is niet het OM dat een eventuele schadevergoeding toekent aan een gewezen verdachte, maar de rechter. Zie verder het antwoord op vraag 1.
Waarom meent het OM dat hier sprake is van «onterecht vastzitten» ondanks het feit dat het zich uit de zaak heeft teruggetrokken en dus nooit in hoger beroep is vastgesteld of de verdachten schuldig konden zijn, terwijl de rechtbank de verdachten wel schuldig heeft bevonden?
Zoals ook in het antwoord op vraag 1 aangegeven, is voor het toekennen van een schadevergoeding niet van belang of er sprake is van «onterecht vastzitten».
Kunt u ten slotte aangeven waarom het OM zich eigenlijk tijdens het hoger beroep heeft teruggetrokken? Wat waren de zogenaamde «zwaarwegende belangen»? Deelt u de mening dat het zeer onbevredigend blijft, voor de samenleving als geheel maar voor het slachtoffer in het bijzonder, dat totaal onduidelijk en geheim blijft wat er nu precies in deze strafzaak is gebeurd?
Zoals eerder in antwoorden op Kamervragen aan uw Kamer aangegeven heeft het OM zich genoodzaakt gevoeld in deze zaak te verzoeken het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging vanwege een probleem, dat in de strafzaak was gerezen.3 Het OM moest door het probleem dat was ontstaan een afweging maken tussen verschillende belangen waaronder die van het slachtoffer. Uitkomst van deze belangenafweging is geweest dat de rechtszaak niet kon worden doorgezet om de zwaarwegende belangen te beschermen. Het OM en ik beseffen terdege dat dit onbevredigend is voor natuurlijk in de eerste plaats het slachtoffer, maar ook voor de samenleving als geheel. Het OM noch ik kunnen echter openheid geven over de zwaarwegende belangen. Als ik hier wel openheid over zou geven, zouden deze zwaarwegende belangen – die nog steeds spelen – ernstig kunnen worden geschaad. Het OM heeft materiële en immateriële schade veroorzaakt door de strafbare feiten aan het slachtoffer vergoed.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft vanwege zijn toezichthoudende taak op het OM een oriënterend onderzoek gedaan waar mijn voorganger uw Kamer bij brief van 21 april 2021 over heeft geïnformeerd.4 De procureur-generaal komt in zijn onderzoek tot de conclusie dat het OM in redelijkheid bovengenoemde belangenafweging kon maken.
Het bericht ‘Raadsleden worstelen met werkdruk’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Raadsleden worstelen met werkdruk»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat veel gemeenteraadsleden die het ambt combineren met een baan, chronisch tijdgebrek ervaren?
Dit beeld herken ik. Het is een knelpunt voor volksvertegenwoordigers dat uit meerdere onderzoeken naar voren komt. Uit de basismonitor politieke ambtsdragers, dat in opdracht van mijn ministerie in 2020 is verschenen, blijkt onder andere dat raadsleden gemiddeld 19 uur per week aan hun ambtsuitoefening besteden.2
Uit het Nationaal Raadsledenonderzoek 2021 blijkt dat raadsleden in 2021 16,75 uur besteden aan het raadswerk. In 2014 was dit 15,91 uur. Uit beide onderzoeken blijkt dat naar mate een gemeente groter is, raadsleden meer tijd besteden aan hun ambt.3
Uit het Nationaal Raadsledenonderzoek (pag. 27) blijkt dat er meerdere redenen kunnen zijn om te stoppen als raadslid. Zes van de veertien redenen hebben te maken met tijdbesteding. De vaakst genoemde reden om te stoppen is dat raadsleden ruimte willen maken voor vernieuwing. 33,3% van de raadsleden noemt deze reden. 5,7% van de raadsleden noemt ook als reden om te stoppen dat de werkdruk voor het raadswerk te hoog is en te veel tijd kost. Andere genoemde redenen die met tijdbesteding te maken hebben zijn dat men meer tijd aan gezin/familie wil besteden, meer vrije tijd wil of meer tijd wil besteden aan andere hobby’s.
Er is in opdracht van mijn ministerie ook onderzoek gedaan naar raadsleden die gedurende hun ambtstermijn stoppen. In 2019 vertrok 3,4% van het totale aantal raadsleden tussentijds. De meest voorkomende reden van vertrek onder deze raadsleden blijkt desgevraagd dat het ambt niet langer te combineren is met werk of privéleven (45%). 43% van de vertrokken raadsleden is ontevreden met het tijdsbeslag van hun ambt en 41% van hen is ontevreden met de werk- privébalans.
Ik constateer uit deze onderzoeken dat tijdbesteding een belangrijke reden is voor raadsleden om te stoppen, maar dat er ook andere redenen kunnen zijn.
Deelt u de mening dat het voor de lokale politiek van belang is dat ook mensen met een baan gemeenteraadslid kunnen zijn?
Die mening deel ik. Het raadslidmaatschap is een vorm van lekenbestuur. Ik vind het van groot belang dat volksvertegenwoordigers ook een functie kunnen hebben naast het raadswerk, zodat zij voeling hebben met de samenleving die zij in de raad vertegenwoordigen. Het raadswerk moet wel behapbaar zijn voor raadsleden. Het is daarom van belang dat gemeenteraden niet schromen om te investeren in een goede ondersteuning van de griffie, rekenkamer, fractieondersteuning, ambtelijke bijstand en scholing. Er blijkt bij gemeenteraden vaak handelingsverlegenheid te bestaan om te investeren in deze raadsondersteuning.4 Dit is niet goed voor de kwaliteit van de democratische besluitvorming. Ook is het van belang dat de raad en het college goede afspraken maken over de informatievoorziening aan de raad en dat er een goede duale politieke cultuur wordt nagestreefd, die uitnodigt tot een open debat.
Klopt het dat de meeste redenen die gemeenteraadsleden aanvoeren om te stoppen met het raadswerk, te maken hebben met de tijdbesteding?
Zie antwoord op vraag 2.
Welk effect hebben de decentralisaties in het sociaal domein op de werkdruk van gemeenteraadsleden?
Door de decentralisaties in het sociaal domein zijn de verantwoordelijkheden van gemeenten toegenomen. Dit kan het raadswerk betekenisvoller maken en bijdragen aan de tevredenheid van het werk dat raadsleden doen. Een veelgehoord signaal is dat decentralisaties hebben geleid tot een verzwaring van de taken van de gemeenteraad, al zijn er over de effecten van de decentralisaties op de tijdbesteding van raadsleden geen (kwantitatieve) onderzoeken bekend. Wel is bekend dat de tijdbesteding van raadsleden al geruime tijd zowel voor als na de decentralisaties rond hetzelfde niveau schommelt (zie antwoord op vraag 2).
Klopt het dat het raadswerk zelf ingewikkelder is geworden doordat gemeenten meer moeten werken in samenwerkingsverbanden?
Hoewel samenwerking tussen gemeenten van alle tijden is, is het belang van samenwerking de afgelopen jaren toegenomen. Dat er meer wordt samengewerkt betekent op zichzelf niet dat de verhoudingen tussen raad en een gemeenschappelijke regeling ingewikkelder zijn geworden. Wel kan het geheel aan samenwerkingsverbanden het werk van raadsleden ingewikkelder maken. Via de uitvoering van de motie-Van Dijk, aangenomen bij de behandeling van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen in de Tweede Kamer, wordt met medeoverheden gesproken over de ontwikkelrichting van het binnenlands bestuur, waarbij het stelsel van regionale samenwerkingsverbanden een belangrijk onderwerp is.5
Het overgrote deel van samenwerkingsverbanden vindt op vrijwillige basis plaats. Wanneer de samenwerking op grond van de Wgr plaatsvindt, heeft de raad zich over het aangaan van die samenwerking kunnen uitspreken. De Wgr biedt handvatten voor de gemeenteraad om hun afgevaardigde, veelal de wethouder, ter verantwoording te roepen over het functioneren van het samenwerkingsverband. De afgelopen jaren is het instrumentarium voor raadsleden om een GR te sturen en controleren uitgebreid. Binnenkort treedt de laatste wijziging van de Wgr in werking, met als doel de mogelijkheden van raadsleden om een gemeenschappelijke regeling te controleren te versterken. Daarnaast is er een aantal handreikingen verschenen die gemeenteraden en raadsleden kunnen gebruiken bij het vormgeven van de controle op samenwerkingsverbanden. Het is immers niet zo dat elke gemeenschappelijke regeling dezelfde aandacht van de raad nodig heeft.
Daarnaast is de lokale rekenkamer een belangrijke hulp voor gemeenteraden om zicht te krijgen op de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden van gemeenten. In het wetsvoorstel versterking decentrale rekenkamers, dat naar verwachting binnenkort plenair zal worden behandeld in uw Kamer, wordt onder andere voorgesteld om de bevoegdheden van rekenkamers ten aanzien van privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden waar de gemeente bij betrokken is, uit te breiden.
Hoe beoordeelt u de conclusie van het Nationaal Raadsledenonderzoek 2021, dat gemeenteraadsleden 70% van de tijd kwijt zijn aan bestuurlijke taken en 25,4% aan volksvertegenwoordigende taken?
Raadsleden zijn voor 100% van hun tijd volksvertegenwoordiger en vervullen die rol ook als zij het college scherp controleren en de kaders stellen van nieuw beleid. Daarnaast is het uiteraard ook van groot belang dat raadsleden buiten het raadhuis actief zijn om van inwoners te horen wat er leeft zodat zij die informatie vervolgens kunnen vertalen naar hun kaderstellende en controlerende taken.
Onderschrijft u de aanbeveling van de Stuurgroep Evaluatie Dualisering Gemeentebestuur om minimaal 50% van de tijd te besteden aan volksvertegenwoordigende werkzaamheden?
Sinds de dualisering geldt dat volksvertegenwoordigers kaders stellen en controleren en het college van B&W bestuurt en beleid uitvoert. Ik onderschrijf dan ook niet de in het Nationaal Raadsledenonderzoek gemaakte onderscheid tussen volksvertegenwoordigende taken en bestuurlijke taken en de in dit onderzoek gestelde norm van 50% van de tijd besteden aan volksvertegenwoordigende taken.
De uitoefening van de volksvertegenwoordigende rol is niet hetzelfde als tijd besteden buiten het stadhuis, wat lijkt te worden gesuggereerd in het Nationaal Raadsledenonderzoek. In het rapport «Aangelegd om in vrijheid samen te werken» uit 2004 van de Stuurgroep Evaluatie Dualisering Gemeentebestuur -de commissie-Leemhuis-, een tussenevaluatie van de dualiseringsoperatie, staat dat het mogelijk moet zijn om in een kleine gemeente niet meer dan acht uur en in een grote gemeente niet meer dan vijftien uur per week te besteden aan het raadswerk en bovendien de helft van deze tijd buiten het stadhuis door te brengen.6 Het rapport bevat geen norm om minstens 50% van de tijd te besteden aan de volksvertegenwoordigende rol.
Bent u bereid in overleg met de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden te werken aan verbetering van de toerusting voor het ambt van gemeenteraadslid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u concreet zetten?
Ik werk in samenwerking met de beroeps- en belangenverenigingen van het decentraal bestuur, waaronder ook de Nederlandse vereniging voor Raadsleden aan de versterking van de positie van de decentrale volksvertegenwoordigingen, langs een aantal lijnen. Dit heeft ook tot doel om het raadswerk behapbaar te houden. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer per brief van 26 oktober 2021 geïnformeerd over deze lijnen en de concrete acties die in dat kader worden uitgevoerd.7
Een goede rechtspositie van gemeenteraadsleden is ook van belang voor de aantrekkelijkheid van het ambt. Sinds 2019 geldt een geharmoniseerd en gemoderniseerd rechtspositiebesluit voor alle decentrale politieke ambtsdragers waaronder raadsleden. Dit is tot stand gekomen in nauw overleg met de bestuurlijke koepels en de beroepsgroepen. Bij de totstandkoming van het nieuwe besluit is onder andere de vergoeding voor de werkzaamheden voor raadsleden in kleine gemeenten substantieel verhoogd, de onkostenvergoeding gelijk getrokken voor alle raadsleden, is een vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van vergaderingen geregeld, zijn voorzieningen geïntroduceerd voor politieke ambtsdragers met een structurele functionele beperking, en zijn er vastgestelde vergoedingsbedragen geïntroduceerd voor fractievoorzitters en commissieleden.
Tevens wil ik in overleg met het decentraal bestuur bezien of aanvullende maatregelen ter versterking van het decentraal bestuur en de decentrale volksvertegenwoordigingen nodig en wenselijk zijn.
De energieleveringszekerheid voor aankomende winter |
|
Pieter Grinwis (CU), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het feit dat de Title Transfer Facility (TTF)-gasprijzen van nu, komende zomer en het derde kwartaal 2022 nagenoeg gelijk blijven? Wat betekent dat voor de vulling van de gasopslagen voor komende winter, waarvan het vulseizoen rond 1 april begint?
De prijzen voor gas worden bepaald op de interne gasmarkt van de Europese Unie, waarbij de Nederlandse marktplaats (de TTF) een belangrijke rol speelt. Ik kan verder geen oordeel geven over de prijsvorming als zodanig die eerst en vooral is ingegeven door aanbod en vraag naar gas, en verwachtingen daaromtrent.
Wat de huidige gasprijzen betekenen voor het vullen van de gasopslagen is benoemd in de brief over gasleveringszekerheid die de Staatssecretaris voor Economische Zaken en Klimaat en ik op 14 maart jl. aan de Tweede Kamer hebben toegestuurd (Kamerstuk 29 023, nr. 283). In de brief van 22 april jl. (Kamerstuk 29 023, nr. 302) hebben de Staatssecretaris en ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen die worden genomen om de gasopslagen voor de komende winter te vullen.
In hoeverre ziet u mogelijkheden om de productie van aardgas op de Noordzee te vergroten? Hoe snel kan dat? Om hoeveel gaswinning zou dat gaan?
De afgelopen tien jaar is de productie uit Nederlandse kleine velden gedaald, onder meer door uitputting van bestaande reserves en een lage gasprijs. De verwachting is dat de productie uit Nederlandse kleine velden op de Noordzee richting 2030 verder afneemt. Om opsporing en winning van aardgas op de Noordzee te stimuleren is per 1 januari 2020 de investeringsaftrek verruimd van 25 naar 40%. Zoals beschreven in voornoemde Kamerbrieven van 14 maart en 22 april jl. wil ik voorkomen dat de productie uit Nederlandse kleine velden sneller daalt dan de Nederlandse vraag naar aardgas, want daardoor zou de importafhankelijkheid verder toenemen. Ik werk samen met de sector aan een versnellingsplan om projecten naar voren te halen en extra gaswinning te stimuleren. Dit versnellingsplan zal uiterlijk in juli 2022 naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
Hoe ver bent u met het invulling geven aan de afspraak in het coalitieakkoord dat er verplichte vulgraden voor onze gasopslagen komen? Welke methoden ziet u om tot de verplichte vulgraden te komen? Bent u bereid om vóór 1 april via een aanwijzing de gasopslagen te gaan laten vullen?
In voornoemde brieven van 14 maart jl. over gasleveringszekerheid komende winter en verder, en van 22 april jl. zijn de Staatssecretaris van Economische Zaken en ik uitgebreid ingegaan op de maatregelen die er onder meer voor moeten zorgen dat de gasopslagen aan het begin van de winter adequaat zijn gevuld. In de brief van 22 april jl. is bovendien concreet beschreven welke maatregelen worden genomen om te verzekeren dat de gasopslag Bergermeer wordt gevuld.
Welke opties ziet u om langetermijncontracten voor Liquid Natural Gas (LNG) af te sluiten voor komende winter? Deelt u daarbij de mening dat langetermijncontracten het risico op mogelijke schaarste en extreme prijspieken voor de volgende winter verminderen?
Zie wat betreft de acties om LNG-importcapaciteit te vergroten voornoemde brieven van 14 maart en 22 april jl. Daarnaast heeft de Europese Raad op 25 maart jl. geconcludeerd dat er binnen de EU gewerkt moet worden aan samenwerking voor de vrijwillige gemeenschappelijke aankoop van gas, LNG en waterstof. De Europese Commissie werkt in samenwerking met de lidstaten de opties uit. Het zijn uiteindelijk primair de marktpartijen, en niet overheden, die gas inkopen. Inkoopcontracten kunnen daarbij voor meerdere jaren worden afgesloten.
Hoe staat het met de concrete invulling van het Bescherm- en Herstelplan Gas? Wanneer denkt u de Kamer daarover te kunnen informeren?
De Kamer is hierover geïnformeerd met de brief over gasleveringszekerheid van 14 maart jl.
Ziet u nog ruimte om een of meerdere grootverbruikers van gas per direct op een duurzame optie over te laten schakelen?
Ik zie geen ruimte om meerdere grootverbruikers van gas per direct over te laten schakelen op duurzame alternatieven. Het volledige overschakelen van gas naar een duurzame optie is veelal een zeer ingrijpend proces dat zorgvuldig moet worden voorbereid en uitgevoerd. Daarbij kan de overheid een dergelijk overschakeling naar duurzame opties bij een of meerdere grootverbruikers niet zomaar juridisch afdwingen. Dat neemt niet weg dat het kabinet zich inzet voor energiebesparing en verduurzaming. Dit is uitgebreid toegelicht in de brief aan de uw Kamer van 22 april jl.
Hoeveel ruimte is al gebruikt in relatie tot de 35%-limiet die nu tijdelijk ingesteld is voor Nederlandse kolencentrales? Hoeveel ruimte resteert er naar uw inschatting voor de komende winter?
De productiebeperking is erop gericht de CO2-uitstoot van kolencentrales op jaarbasis te beperken. Het staat de eigenaren van de centrales daarbij vrij om zelf te beslissen hoe zij hun eenheden inzetten over het jaar. Het is dus mogelijk dat de exploitanten soms op een hoog vermogen draaien en soms op een laag vermogen, zolang zij op jaarbasis maar onder het maximum blijven. De centrale van Uniper heeft minder vrijheid bij het bepalen van de inzet, doordat zij contractuele verplichtingen heeft om het hele jaar door reststromen te verbranden. De centrales van Onyx en RWE verbranden geen reststromen en zijn daarmee flexibeler in te zetten.
Op basis van openbare bronnen1 is te zien dat de centrale van Onyx dit jaar relatief veel heeft gedraaid, waardoor zij relatief veel ruimte heeft gebruikt in relatie tot het maximum onder de productiebeperking. De centrale van RWE op de Eemshaven en de centrale van Uniper hebben ten opzichte van Onyx minder gedraaid, waardoor zij meer ruimte hebben in relatie tot het maximum onder de productiebeperking. De Amercentrale van RWE draait ook relatief veel, maar deze centrale wordt niet door de productiebeperking geraakt omdat deze centrale relatief veel biomassa verbrandt en relatief weinig kolenstook heeft.
Hoe snel denkt u te kunnen beginnen met de opschaling van het isoleren van huizen en het installeren van hybride warmtepompen? Bent u bereid daar een concreet doel voor komende winter aan te koppelen, gericht op de huizen waar de maatregelen het meeste effect hebben? Bent u bereid hiertoe een maximale inspanning te leveren, samen met de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en dat tot uitdrukking te brengen in het aangescherpte en opgeschaalde Nationaal Isolatieprogramma, dat conform de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 35 925-VII, nr. 121) binnenkort naar de Kamer komt?
Zie wat dit betreft de brief van 14 maart jl. Wat betreft de vraagreductie in de gebouwde omgeving heeft de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening uw Kamer op 4 april jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 787) geïnformeerd over het nationaal isolatieprogramma.
Hoe apprecieert u het actieplan van de VVD en ChristenUnie voor thuis- en buurtbatterijen? Wanneer denkt u met de uitvoering daarvan te kunnen beginnen?
Ik waardeer het initiatief van de VVD en de ChristenUnie om opslag door middel van thuis- en buurtbatterijen onder de aandacht te brengen. Het actieplan past bij de ambities van het kabinet voor opslag door batterijen; waar mogelijk grijp ik de aanknopingspunten uit het plan aan om deze ambities verder uit te werken. Over het gebruik van thuis- en buurtbatterijen en hoe de inzet hiervan bij kan dragen aan een efficiënt energiesysteem bestaat echter nog veel onduidelijkheid. Ik ben daarom in het proces van analyseren van de mogelijke toegevoegde waarde van deze batterijen en de eventuele wenselijkheid en mogelijkheden van stimulering hiervan. Ik neem hierbij de voorgestelde actiepunten van VVD en ChristenUnie mee.
Welke andere manieren ziet u nog om snel het gasverbruik in Nederland naar beneden te brengen, bijvoorbeeld door besparing en handhaving daarvan in de industrie, het bevorderen van het beter inregelen van installaties en duurzame opwek in de elektriciteitssector?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 maart 2022 beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Noodvisa voor journalisten door de situatie in Oekraïne |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er in Oekraïne ook Russische en Wit-Russische journalisten wonen, die uit angst voor repressies al eerder hun thuislanden zijn ontvlucht naar Oekraïne?
Ja.
Erkent u dat deze journalisten dreigen gevaar te lopen nu Oekraïne is binnengevallen door Russische en Wit-Russische gevechtstroepen? Hoe beoordeelt u het gevaar dat deze journalisten in handen komen van het Russische en Wit-Russische regime en worden gearresteerd?
Iedereen die momenteel in Oekraïne verblijft loopt gevaar. Het kabinet heeft reden aan te nemen dat deze groep in het bijzonder gevaar loopt in de gebieden in handen van het Russische leger. Journalisten in deze gebieden kunnen mogelijk gearresteerd worden.
Erkent u dat Russische en Wit-Russische journalisten die verblijven in Oekraïne geen aanspraak kunnen doen op een automatische verblijfsvergunning in de Schengen-unie, zoals Oekraïense burgers?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij ervan uit dat wordt gedoeld op de EU-Tijdelijke beschermingsrichtlijn. Op 4 maart 2022 is deze richtlijn ten aanzien van ontheemden uit Oekraïne geactiveerd, ook om als EU gezamenlijk een veilige haven te bieden aan hen die het conflict ontvluchten. In artikel 2 lid 1 onder b van het uitvoeringsbesluit van de Raad (no. 2022/382) is neergelegd dat de tijdelijk bescherming (onder meer ook) van toepassing is op onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming genoten. Een nagenoeg gelijksoortige bepaling is in het besluit opgenomen ten aanzien van staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning die overeenkomstig Oekraïens recht is afgegeven, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren. Aanvullend biedt de richtlijn de lidstaten de mogelijkheid om de groep waarop de richtlijn van toepassing is, uit te breiden. Het kabinet zal u hierover op korte termijn nader informeren.
Bent u bekend met het beleid van Kosovo, dat heeft toegezegd om aan 20 journalisten uit Oekraïne een 6 maanden-verblijfsvergunning en onderdak te bieden?
Ja.
Is Nederland, als voorzitter van de Media Freedom Coalition en voortrekker op het gebied van persvrijheid, bereid om het voorbeeld van Kosovo te volgen en 20 noodvisa aan te bieden aan Wit-Russische en Russische journalisten die in Oekraïne wonen?
Vrijheid van meningsuiting, met een focus op persvrijheid, is het fundament voor een goed functionerende democratie. De veiligheid van journalisten is voor groot belang voor een vrije pers. Zoals in de beantwoording van vraag 3 aangegeven, heeft de EU op 4 maart jl. de Tijdelijke beschermingsrichtlijn ingesteld ten aanzien van Oekraïners die het conflict zijn ontvlucht, en kunnen ook specifieke groepen derdelanders onder de reikwijdte van deze richtlijn vallen. Op deze wijze biedt de EU een veilige haven voor iedereen die het conflict ontvlucht. Voor mensenrechtenverdedigers en journalisten die niet onder deze richtlijn vallen geldt dat Nederland in het kader van het Shelter City-programma jaarlijks ongeveer 30 mensenrechtenverdedigers (waaronder journalisten) tijdelijke opvang, training en veiligheid biedt. Ook draagt Nederland EUR 2 miljoen bij aan een fonds gericht op de bescherming van journalisten in nood. In specifieke situaties beziet het kabinet of specifieke oplossingen mogelijk zijn. Daarnaast werkt Nederland aan het steunen van Russischtalige onafhankelijke media en journalisten buiten Rusland, o.a. door verblijfmogelijkheden in Nederland. Vanwege de veiligheid van deze personen kan het kabinet hierover geen nadere mededelingen doen.
Kan dit via de ambassade in Polen georganiseerd worden, aangezien Wit-Russische en Russische journalisten uit Oekraïne zelf Polen kunnen bereiken?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u daarbij aangeven op welke termijn dit gerealiseerd zou kunnen worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met het artikel ««Ukrainians go first»: How black and brown people are struggling to escape the Russian invasion» van Euronews?1
Ja.
Erkent u dat naast Oekraïners ook mensen met een andere nationaliteit in Oekraïne verblijven, waaronder veel Afrikaanse studenten, die gevaar dreigen te lopen nu Oekraïne is binnengevallen?
Ja, het kabinet erkent dat naast Oekraïners ook mensen met een andere nationaliteit dan de Oekraïense nationaliteit gevaar dreigen te lopen.
Kunt u bevestigen dat mensen zonder EU-visum, dus zonder Oekraïense of EU-paspoort, geweigerd worden aan de Europese buitengrenzen?
De EU-Lidstaten die grenzen aan Oekraïne- Polen, Slowakije, Hongarije en Roemenië- hebben aangegeven dat iedereen die uit Oekraïne vlucht ongeacht de nationaliteit de grens over mag steken en zo toegelaten wordt tot de EU.
Klopt het dat de richtlijn tijdelijke bescherming (2001) ook opgaat voor vluchtelingen uit Oekraïne zonder EU-visum?
Zoals ook reeds aangehaald in het antwoord op vraag 3 is in artikel 2 lid 1 onder b van het uitvoeringsbesluit van de Raad van 4 maart 2022 neergelegd dat de tijdelijk bescherming van toepassing is op onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming genoten. Voor uitgebreidere toelichting over de toepassing van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, verwijs het kabinet u naar de Kamerbrief over aanpak opvang vluchtelingen uit Oekraïne van 17 maart jl.
Is Nederland bereid er in woord en daad voor te zorgen dat alle mensen die Oekraïne ontvluchten, ongeacht nationaliteit, gender en religieuze overtuiging in Europa een veilig heenkomen kunnen vinden? Welke stappen zal Nederland daarvoor nemen?
Ter beantwoording van deze vraag verwijzen wij naar de Kamerbrief van 8 maart 2022 over de bespreking en activering van de Richtlijn tijdelijke bescherming op de JBZ-Raad van 3 en 4 maart 2022. Oekraïense onderdanen en derdelanders die internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genieten in Oekraïne, komen in aanmerking voor tijdelijke bescherming, net als hun familieleden. Voor derdelanders of staatlozen die kunnen aantonen dat ze legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning en die niet in staat zijn om terug te keren naar hun land of regio van herkomst, hebben de lidstaten de keuze om tijdelijke bescherming of een passende nationale status toe te kennen. Het staat lidstaten vrij om de richtlijn ook op andere derdelanders toe te passen. Over de implementatie van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming verwijst het kabinet uw Kamer naar de Kamerbrief van 17 maart jl. over de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne.
Zal Nederland daarom in Raadsverband pleiten tijdelijke bescherming te bieden aan alle mensen die Oekraïne ontvluchten en dit ook afdwingbaar te maken?
Zie antwoord vraag 12.
Is Nederland bereid extra mankracht naar de Europese buitengrenzen te sturen om 1) te ondersteunen bij het verwerken van de grote groepen vluchtelingen uit Oekraïne en 2) ter controle dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mensen die Oekraïne ontvluchten op basis van nationaliteit, gender en religieuze overtuiging, in samenwerking met andere Europese lidstaten en het EU Asylum Agency?
Lidstaten van de Europese Unie zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbewaking. Voor het kabinet staat echter buiten kijf dat bij grensbeheer van zowel onze eigen grenzen als de gemeenschappelijke Europese buitengrenzen internationaal en Europees recht gerespecteerd dient te worden. De Commissie ziet, als hoedster van de verdragen, toe op de naleving van Europees recht door de lidstaten. De Europese Agentschappen Frontex en het EU Asielagentschap (EUAA) staan paraat om lidstaten die grenzen aan Oekraïne te ondersteunen, waar zij aangeven dat nodig te hebben. Het kabinet staat er voor open om bijdragen te leveren aan deze agentschappen als zij om ondersteuning vragen. Zoals uw Kamer bekend kan inzet van de agentschappen alleen plaatsvinden als een lidstaat hierom verzoekt.
Zal Nederland in Raadsverband pleiten voor verplichte relocatie van alle vluchtelingen uit Oekraïne en daarbij zelf ook de daad bij het woord voegen?
De Richtlijn Tijdelijke bescherming voorziet niet in dwingende feitelijke verdeling van de tijdelijk beschermden over de lidstaten. De richtlijn biedt wel de mogelijkheid om tijdelijk beschermden uit andere EU-lidstaten te laten overkomen. Voor toelichting t.a.v. herverdeling in het kader van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming verwijst het kabinet naar de Geannoteerde Agenda voor de ingelaste JBZ die uw Kamer 21 maart jl. toeging. Het kabinet is nu volop bezig om het aantal opvangplekken op te schalen om de autonome stroom naar NL op te kunnen vangen.