De aanwezigheid dit jaar bij de Bilderbergconferentie |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Waren de heer Rutte en de heer Hoekstra aanwezig bij de Bilderberg conferentie georganiseerd van 2 tot en met 5 juni 2022 in Washington?1
Ja.
Op welke conferentiedagen waren zij aanwezig?
Beide bewindspersonen hebben de gehele conferentie bijgewoond.
Waarom zijn de premier en Minister van Buitenlandse Zaken aanwezig bij deze conferentie?
Ik verwijs naar het secretariaat van de Bilderberg Conferentie. Zij zijn verantwoordelijk voor het uitnodigingsbeleid. De Bilderberg Conferentie biedt de gelegenheid om in een meer informele setting inhoudelijk stil te staan bij belangrijke actuele, geopolitieke, maatschappelijke en economische thema’s, samen met vertegenwoordigers uit onder meer de politiek, de wetenschap, journalistiek en het bedrijfsleven zonder dat hier besluitvorming over voorzien is.
Bij welke sessies (of gespreksonderwerpen)2 waren de premier en/of Minister van Buitenlandse Zaken aanwezig en waarom?
Voor het overzicht van gespreksonderwerpen verwijs ik naar de website van de Bilderberg conferentie.3
Welke onderwerpen werden bij deze sessies besproken? Kunt u een beschrijving geven van de verschillende meningen die bij die sessies zoal ter tafel kwamen? Of was er sprake van een (breed gedeelde) consensus? Zo ja, wat was die consensus?
De besprekingen tijdens de conferentie worden gevoerd onder de Chatham House Rules om zo een open uitwisseling van ideeën en meningen te bevorderen. Door deel te nemen heb ik dat aanvaard. Voor een verdere verslaglegging verwijs ik graag naar de website van de Bilderbergconferentie. Op de website van de Bilderberg Conferentie valt te lezen over welke veertien onderwerpen o.m. gesproken werd op deze bijeenkomst: Geopolitieke herschikkingen, NAVO-uitdagingen, China, Indo-Pacifische herschikking, Chinees-Amerikaanse technische competitie, Rusland, Continuïteit van overheid en economie, Verstoring van het wereldwijde financiële systeem, Desinformatie, Energiezekerheid en duurzaamheid, Gezondheid na pandemie, Fragmentatie van democratische samenlevingen, Handel en Globalisering en tot slot Oekraïne.4
Wat was bij de sessies waar de premier en/of Minister van Buitenlandse Zaken aanwezig waren de (eventuele) inbreng van Nederlandse zijde?
De besprekingen tijdens de conferentie worden gevoerd onder de Chatham House Rules om zo een open uitwisseling van ideeën en meningen te bevorderen. Door deel te nemen heb ik dat aanvaard.
Kunnen we de notulen en (gespreks)verslagen ontvangen van de sessies en gesprekken waar de Nederlandse premier en/of Minister van Buitenlandse Zaken bij aanwezig waren? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 6.
Kunt u de bovenstaande zeven vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Vandalisme bij het Leidse Indië-monument en oproep tot beeldenstorm |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Doorbraak roept op tot Leidse beeldenstorm» en «Nieuwe beeldenstorm dreigt na oproep actiegroep»?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat vandalisme en het oproepen daartoe strafbaar zijn? Zo ja, heeft u de bereidheid te onderzoeken of links-radicale actiegroepen die zich hier schuldig aan maken, zoals Doorbraak, verboden kunnen worden? Graag een gedetailleerd antwoord.
De wet biedt voldoende mogelijkheden voor de aanpak van vandalisme en oproepen daartoe als de omstandigheden daartoe nopen. Het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen, onbruikbaar maken of wegmaken van een goed dat (geheel of ten dele) van iemand ander is, is strafbaar gesteld in artikel 350 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Het aanzetten daartoe, in de zin van opruiing, is strafbaar gesteld in artikel 131 Sr. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of sprake is van een dergelijk misdrijf en of het Openbaar Ministerie zal overgaan tot vervolging.
De vrijheid van vereniging en vergadering is een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat. Gelijkgestemde burgers moeten zich in vrijheid kunnen organiseren om politieke partijen, vakbonden en andere organisaties op te richten. Dat recht is onder andere verankerd in artikel 8 van de Grondwet en artikel 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Dit recht is echter niet absoluut. Het kan worden beperkt in het belang van de openbare orde. Het EVRM noemt in dit verband onder meer de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. In de Nederlandse wetgeving is beperking van het recht tot vereniging mogelijk gemaakt in artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 2:20 BW, eerste lid, bepaalt dat een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde, door de rechtbank op verzoek van het OM verboden wordt verklaard en ontbonden.
Het is aan het Openbaar Ministerie om een eventueel onderzoek te starten naar een mogelijk verbod op het in de vraag aangehaalde type organisaties.
Wat vindt u van het feit dat beelden, herdenkingsmonumenten, grafmonumenten, namen van straten en pleinen en ornamenten op gebouwen niet veilig meer zijn nu woke-fanaten oproepen tot een beeldenstorm?
Ik veroordeel elke vorm van vernieling of oproepen om daartoe over te gaan. Deze oproepen hebben wat mij betreft niets met een maatschappelijke discussie te maken.
Hoe gaat u beelden, herdenkingsmonumenten, grafmonumenten, namen van straten en pleinen en ornamenten op gebouwen beschermen nu vernielzucht de nieuwe mores is bij doorgeslagen woke-fanaten? Graag een gedetailleerd antwoord.
De bescherming van dergelijke objecten is de verantwoordelijkheid van lokale autoriteiten.
Wat laat u politie en justitie verder ondernemen om wetsovertredende woke-fanaten aan banden te leggen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoord op vraag 2.
‘Digitale vervolging’ door in elk geval China en Rusland, en over de arrestatie van een 90-jarige priester door de Chinese autoriteiten |
|
Don Ceder (CU), Kees van der Staaij (SGP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat geschetst wordt in het rapport «The Worldwide Web of Chinese and Russian Information Controls»1 en dat ook blijkt uit rapporten van Christian Solidarity Worldwide (CSW), Kerk in Nood, Open Doors en anderen2 dat informatietechnologie in landen als China, Rusland, maar ook in talloze andere landen gebruikt wordt om grondrechten op ingrijpende wijze te beperken?
Ja, het kabinet deelt de zorgen over de vergaande toepassing van (cyber)surveillance en de negatieve gevolgen die dat kan hebben voor de grondrechten van burgers wereldwijd.
Herkent u dat technologie die primair ingezet wordt voor bijvoorbeeld een pandemie, ook wordt ingezet voor andere doeleinden zoals het monitoren van mensen?
Ja, die risico’s zijn er zeker. Naar de mening van het kabinet bieden de in China geldende regelgeving omtrent het verzamelen van persoonsgegevens als onderdeel van de Cyber Security wetgeving, en een specifieke richtlijn hoe om te gaan met data in tijden van Covid-19, onvoldoende waarborgen voor de gebruiker. Het is bekend dat (cyber)surveillance in China wordt ingezet voor het monitoren van onder andere religieuze en etnische minderheden en dissidenten. Ook de applicaties die voor pandemiebestrijding zijn ontworpen kunnen voor dergelijke doeleinden worden ingezet. Recente berichtgeving3 over Chinese demonstranten waarvan de gezondheidsapp op rood werd gezet wijst erop dat misbruik in de praktijk voorkomt.
Welke mogelijkheden ziet u om landen als China, Rusland maar ook andere autoritair geleide staten aan te spreken op het gebruik van technische middelen om religieuze minderheden, mensenrechtenverdedigers, journalisten en anderen te volgen, te intimideren, uit te sluiten en te vervolgen?
Nederland spreekt zich zowel in bilateraal als in multilateraal verband uit tegen dergelijk misbruik. Deze problematiek werd ook genoemd in de gezamenlijke verklaring over de mensenrechtensituatie in China die Nederland op 14 juni namens 47 landen heeft voorgelezen in de VN Mensenrechtenraad.4 In deze verklaring uiten Nederland en de grote groep landen die zich bij de verklaring heeft aangesloten hun ernstige zorgen over de mensenrechtensituatie in China, in het bijzonder in Xinjiang. Mede gezien de recente publicatie van de Xinjiang Police Files en het bezoek van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten aan China en Xinjiang afgelopen maand acht het kabinet het van groot belang dat hiervoor internationale aandacht wordt gevraagd en heeft het deze voortrekkersrol op zich genomen.
Hoe werkt het «sociaal kredietsysteem» in China? Heeft u zorgen over a) het systeem en b) de huidige toepassing ervan?
Op dit moment is er (nog) geen sprake van één centraal sociaal kredietsysteem in China. Er zijn privébedrijven die via apps (financiële) diensten aanbieden waarbij gebruikers een individuele kredietscore krijgen. Daarnaast bouwen de Chinese centrale overheid en lokale overheden verschillende systemen om het gedrag van bedrijven maar ook burgers te beïnvloeden, onder andere met strafmaatregelen zoals het niet kunnen boeken van trein- en vliegtickets en hotels, weigering van bepaalde banen of exclusieve scholen, of weigering van leningen. De mogelijkheid bestaat dat de Chinese overheid op termijn al deze systemen en informatie in één centrale databank verenigt die gebruikt kan worden om het gedrag van burgers in de gaten te houden, te belonen en te bestraffen. Wat de toepassing van sociaal krediet en surveillance in China betreft, ziet het kabinet risico’s voor de fundamentele vrijheden, privacy en mensenrechten van Chinese burgers en buitenlandse personen die zich in China bevinden.
De Nederlandse ambassade en de consulaten-generaal in China staan in nauw contact met Nederlandse burgers en bedrijven in China. Hierdoor kunnen zij tijdig eventuele negatieve gevolgen van het Chinese beleid en regelgeving, zoals het sociaal kredietsysteem, signaleren.
Welke conclusies trekt u uit de gegevens die zijn verkregen uit een inbraak in computersystemen van de politie in Xinjiang over de inzet van technologie om de Oeigoerse bevolking te controleren op geloofs- of culturele uitingen?3
De nieuwe beelden van de onderdrukking van de Oeigoerse gemeenschap in Xinjiang in de Xinjiang Police Files zijn schokkend en bevestigen de reeds bestaande ernstige zorgen bij het kabinet over de mensenrechtensituatie in Xinjiang. Het kabinet heeft direct na publicatie van deze nieuwe informatie publiekelijk deze zorgen kenbaar gemaakt.6
Hoe beoordeelt u de aanwijzingen uit het onderzoek naar deze gegevens, waaruit blijkt dat mensen gevangenisstraf krijgen op grond van het feit dat ze hun telefoon niet meer gebruiken en daardoor niet meer te volgen zijn?4
Ook deze ontwikkelingen acht het kabinet schokkend en ziet daarin een bevestiging van de bestaande zorgen.
Zijn de huidige mechanismen afdoende om bedrijven en hun waardeketens te controleren en waar nodig actie te ondernemen als techniek gebruikt wordt voor inbreuk op mensenrechten?
Een belangrijk mechanisme om ongewenst gebruik van techniek tegen te gaan is exportcontrole. Daarbij is in dit geval met name exportcontrole op cybersurveillancegoederen relevant. In het geval van cybersurveillancegoederen wordt gebruik in verband gebracht met binnenlandse repressie of het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht. De export van bepaalde cybersurveillancegoederen wordt om die reden reeds gecontroleerd in de herziene Dual-use Verordening (EU) 2021/821. Daarnaast biedt de verordening EU-lidstaten de mogelijkheid om een ad hoc exportvergunningplicht in te stellen wanneer er een reëel risico bestaat dat nog niet gecontroleerde technologie van in de EU gevestigde bedrijven bijdraagt aan ongewenst gebruik. Momenteel wordt in EU-verband de implementatie en toepassing van deze wettelijke mogelijkheid uitgewerkt.
Daarnaast verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk om risico’s voor mens en milieu in hun internationale ketens te identificeren, prioriteren en aan te pakken. Aangezien er geen sprake is van een wettelijke verplichting, kan hierop geen toezicht worden gehouden.
Nederlandse bedrijven die gebruik maken van ondersteuning van het handelsinstrumentarium van het Ministerie van Buitenlandse Zaken moeten de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen onderschrijven. Ook worden bedrijven die steun krijgen (in de vorm van financiering/subsidies, exportkredietverzekering of deelname aan handelsmissies) getoetst aan de hand van een set van IMVO-criteria, gebaseerd op de OESO-richtlijnen.
Welke mogelijkheden ziet u voor de speciaal gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging om eenexpertmeeting over digitale vervolging te organiseren met Europese en andere collega’s om zo tot beleidsafstemming te komen?
Nederland zal ter gelegenheid van de ministeriële conferentie ter bevordering van «International Freedom of Religion and Belief» (juli 2022) voor deze problematiek aandacht vragen. Het thema «technologie» krijgt daar al aandacht.
Welke gevolgen moet de kennis uit genoemde bronnen hebben voor het beleid ten aanzien van China, of het nu gaat om handels- of om politieke relaties? Hoe dienen Nederland en de EU zich tot deze feiten te verhouden?
Zoals omschreven in de Strategic Outlook van de EU van maart 2019 beschouwt de EU China tegelijkertijd als samenwerkingspartner voor mondiale uitdagingen, als concurrent voor ons verdienvermogen op de lange termijn en als systeemrivaal voor onze (economische) veiligheid en waarden. Het kabinet hanteert in het beleid ten aanzien van China dezelfde drieslag. Als gevolg van de ontwikkelingen sindsdien, is de balans in de betrekkingen aan het verschuiven. Zowel binnen de EU als in Nederland wordt meer nadruk gelegd op het beschermen van onze waarden, belangen en veiligheid en op statelijke dreigingsaspecten. Daarnaast vraagt de verslechterende mensenrechtensituatie in China om meer aandacht. Op Europees en op nationaal niveau zijn daarom maatregelen genomen om de weerbaarheid te vergroten, maar ook om mensenrechten beter mee te laten wegen in de economische betrekkingen. Voorbeelden zijn het recente wetgevende voorstel van de Europese Commissie inzake de corporate sustainability due diligence directive (CSDDD) en de voorbereiding van wetgeving om producten die gemaakt zijn met dwangarbeid te weren van de Europese markt.
Dat neemt niet weg dat China een belangrijke handelspartner en concurrent blijft, met wie samenwerking op basis van gedeelde belangen leidt tot economische groei en welvaart. De wederzijdse afhankelijkheid biedt, naast de risico’s, ook de mogelijkheid om de dialoog aan te gaan en te blijven zoeken naar wederzijds engagement. Daarnaast is samenwerken met China van groot belang om mondiale uitdagingen aan te gaan, zoals op het gebied van klimaat en het realiseren van de UN Sustainable Development Goals.
Bent u overigens bereid om opheldering te vragen bij de Chinese autoriteiten over de arrestatie van de katholieke priester Joseph Zen?5 Bent u er ook toe bereid om dit bij uw collega’s binnen de Raad Buitenlandse Zaken aan te kaarten? Zo nee, waarom niet?
Kardinaal Zen werd op 11 mei jl. gearresteerd door de politie van Hongkong, tegelijk met vijf andere oud-bestuursleden van een inmiddels opgeheven fonds dat was opgericht om bijstand te verlenen aan opgepakte en veroordeelde demonstranten uit de protestbeweging van 2019. Tijdens een rechtszitting op 24 mei werd Zen op borgtocht vrijgelaten. Nederland en de EU volgen de zaak nauwgezet. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU voor buitenland en veiligheidsbeleid, Josep Borrell, sprak namens de EU zijn grote zorgen uit over de arrestatie en riep op de fundamentele rechten te beschermen. Een vertegenwoordiger van het Nederlandse consulaat-generaal in Hongkong was aanwezig bij de zitting, samen met vertegenwoordigers van andere consulaten-generaal in Hongkong, in lijn met de raadsconclusies van juli 2020. Op 9 augustus worden Zen en overige betrokkenen weer voorgeleid voor een «pre-trial review». Naar verwachting vindt het eigenlijke proces plaats tussen 19 en 23 september. Nederland en de EU zullen deze rechtszittingen aandachtig blijven volgen en wanneer nodig in de Raad Buitenlandse Zaken opbrengen.
De Bilderberg-conferentie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Willem-Alexander met Rutte en Hoekstra bij Bilderberg-conferentie»1 en het wel «zeer openhartige» optreden van de Minister-President over deze bijeenkomst2?
Ja.
Klopt het dat de Koning, de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken naar Washington zijn afgereisd voor de 68e editie van de Bilderberg-conferentie? Zo ja, met welk mandaat zijn zij naar Washington gevlogen?
Ja. De uitnodigingen zijn verstuurd aan de Minister-President van Nederland, de Minister van Buitenlandse Zaken van Nederland en Zijne Majesteit de Koning.
Wat is er op de Bilderberg-conferentie besproken? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording op de vragen van het lid van Houwelingen vallen de besprekingen tijdens de conferentie onder de Chatham House Rules om zo een open uitwisseling van ideeën en meningen te bevorderen. Door deel te nemen heb ik dat aanvaard.
Welke beslissingen zijn er op de Bilderberg-conferentie genomen? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Zie het antwoord op vraag 3. Op de Bilderberg-conferentie worden geen besluiten genomen.
Heeft de Nederlandse belastingbetaler meebetaald aan de trip van de Nederlandse delegatie? Kunt u in uw beantwoording een totaal kostenplaatje van uw geheimzinnige reis opnemen?
De kosten voor reis- en/of verblijf komen voor leden van de regering voor Rijksrekening. De totale kosten van mijn deelname betroffen € 8.837,99. Deze kosten vormen ook onderdeel van de regeling «Openbaarmaking Bestuurskosten» en worden altijd openbaar gemaakt.
Op welke wijze heeft de Nederlandse kiezer invloed bij deze ondemocratische politieke bijeenkomst? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
De kiezer heeft de leden van de Tweede Kamer gekozen. De leden van de Tweede Kamer mandateren de leden van het kabinet, om ze vervolgens ook ter verantwoording te kunnen roepen.
Deelt u de mening dat het niet meer van deze tijd is dat een klein groepje welgestelden uit het bedrijfsleven, politiek, wetenschap, media en de financiële wereld over ons denkt te kunnen beslissen? Zo neen, waarom niet?
Ik herken mij niet in het door u geschetste beeld van deze conferentie.
Heeft u de bereidheid om volledige transparantie te verschaffen over de Bilderberg-conferentie? Zo neen, dan de klemmende oproep om geen Nederlandse delegaties af te vaardigen.
Zie het antwoord op vraag 3.
De relatie van het kabinet met het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Uit het antwoord op vraag 101 blijkt dat het World Economic Forum (WEF) uitnodigingen voor bijeenkomsten verstuurt naar de werkadressen van leden van het kabinet, namens het WEF: betekent dit ook dat kabinetsleden namens het kabinet en niet als privaat persoon deelnemen?
Ja dat klopt.
Kunt u uitsluiten dat het WEF suggesties krijgt vanuit het kabinet betreffende welke personen uitgenodigd moeten worden? Indien ja, op basis waarvan kan het WEF dan weten wie uit te nodigen?
Nee, dat kan ik niet uitsluiten. Het WEF nodigt bewindslieden uit die verantwoordelijkheid dragen voor thema’s die relevant zijn voor de jaarvergadering.
Uit de antwoorden op deze vragen en andere vragen doemt een beeld op van een kabinet dat veelvuldig op velerlei niveaus in contact staat met het WEF, klopt dit?
Naast een goede vertegenwoordiging vanuit het kabinet bij de jaarvergaderingen van het WEF is dat is niet het geval.
Is het kabinet bereid alle communicatie tussen het WEF en het kabinet in één keer geheel vrij te geven voor nader onderzoek, geordend per Minister, in chronologische volgorde? Zo nee, waarom niet?
In de bijlagen bij het antwoord op vraag 10 van de Kamervragen die werden ingezonden op 12 augustus 2021 met kenmerk 2021Z14231 heb ik u de schriftelijke communicatie tussen het WEF en het Nederlandse kabinet over de afgelopen 5 jaar gestuurd.
Kunt u deze vragen alle afzonderlijk beantwoorden, zonder er een over te slaan en zonder antwoorden op verschillende vragen samen te voegen?
Ja.
Juridisch bindende overeenkomsten tussen het kabinet en het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kan het kabinet een lijst verschaffen van alle juridisch bindende afspraken, die zo blijkt worden gemaakt tussen het World Economic Forum (WEF) en de Nederlandse overheid1? Zo nee, waarom niet?
Deze vraag is reeds beantwoord in eerdere set vragen (15 feb 2022, kenmerk 2021Z24046). Naast de genoemde juridische afspraken (Sustainable Investement Policy; Tropical Forest Alliance; Food Systems Initiative; Food Innovation Hubs) zijn er geen andere juridisch bindende afspraken gemaakt met het WEF.
Kan de Kamer de volledige documentatie met betrekking tot deze juridisch bindende contracten (waaronder uiteraard de contracten zelf) toegestuurd krijgen?
Deze vraag is reeds beantwoord in een eerdere set Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1699) waar ook een bijlage is gevoegd van de aan het WEF verstrekte subsidiebeschikkingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De uitvoeringsovereenkomst met betrekking tot de subsidie voor het Global Coordinating Secretariat van de Food Innovation Hubs is reeds openbaar gemaakt als bijlage bij de beantwoording van Kamervragen, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 1464.
Kan het kabinet een lijst verschaffen van alle bijeenkomsten waaraan Nederlandse ministers of ambtenaren deelnamen, die hebben geleid tot juridisch bindende afspraken met het WEF? Zo nee, waarom niet?
Deze juridisch bindende afspraken zijn niet door kabinetsleden of ambtenaren op een bijeenkomst gesloten.
Kunt u deze vragen alle afzonderlijk beantwoorden, zonder er een over te slaan en zonder antwoorden op verschillende vragen samen te voegen?
Ja.
Het WEF-tasje van de premier |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In antwoord op vraag 51 stelt u dat de Minister-President geen kandidaat is om Klaus Schwab op te volgen als leider van het World Economic Forum (WEF): Kunt u dan ten minste bevestigen of ontkennen dat uw naam als opvolger van Klaus Schwab wordt genoemd?
Daar ben ik me niet van bewust.
In antwoord op vraag 6 naar de reden waarom de Minister-President al jaren met een WEF-tasje rondloopt antwoordt u laconiek dat hij deze tas gebruikt om spullen mee naar zijn werk te nemen: Hoe komt de Minister-President aan deze WEF-tas?
De Minister-President heeft deze gekregen toen hij deelnam aan een activiteit van het WEF.
Waarom gebruikt hij speciaal deze tas om spullen mee naar zijn werk te kunnen nemen? Hij zou immers ook een tasje van de Albert Heijn kunnen gebruiken of Shell of Unilever, of van zijn favoriete sportclub?
De door u genoemde tas bevalt de Minister-President goed.
Is de Minister-President het ermee eens dat het ongepast zou zijn voor hem in zijn ambt om met een tasje van Shell of Unilever rond te lopen? Zo ja, waarom is het dan niet ongepast om een tasje van een andere private organisatie zoals het WEF te gebruiken?
Het WEF wil een inspirerend platform bieden voor de uitwisseling van ideeën over de oplossing van wereldwijde vraagstukken, en kan niet vergeleken worden met de door u genoemde bedrijven.
Is de Minister-President zich ervan bewust dat hij door zo’n tas te gebruiken een bepaald signaal afzendt naar de Nederlandse bevolking, en wellicht ook naar prof. Klaus Schwab?
Dat is niet het geval.
Kunt u deze vragen alle afzonderlijk beantwoorden, zonder er een over te slaan en zonder antwoorden op verschillende vragen samen te voegen?
Ja.
De behandeling van een klokkenluider door een topambtenaar bij het ministerie van OCW |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het BNR nieuwsbericht «Topambtenaar zet klokkenluider NPO in de kou, Kamerleden willen opheldering»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van inhoud van de podcast Koster en van Dijk «NPO klokkenluider valt in doofpot» van BNR?2
Ja.
Klopt het dat er in 2020 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen een klokkenluider die «misstanden» bij de NPO heeft gemeld en de secretaris-generaal van OCW?
Naar de feitelijke gang van zaken rond deze melding wordt door de Auditdienst Rijk (hierna: ADR) onderzoek gedaan, zoals aangekondigd in de brief van de Minister van OCW van 16 juni 2022.3 Op de uitkomsten van dit onderzoek wens ik derhalve nog niet vooruit te lopen.
Is het juist dat dit gesprek plaatsvond op verzoek van toenmalig Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, Arie Slob?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat de klokkenluider door twee Kamerleden van VVD en CDA was doorverwezen naar de Minister?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe vaak komt het voor dat klokkenluiders op deze wijze bij een Minister onder de aandacht worden gebracht?
Het komt op incidentele basis voor dat Kamerleden klokkenluiders onder de aandacht van een Minister brengen. Zo heeft de heer Omtzigt tijdens het commissiedebat van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van 21 april jl. de zaak van de heer Kitchen onder de aandacht gebracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.4 Voormalig Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Guusje ter Horst, heeft verder in het verleden op verzoek van een Kamerlid bij enkele bekende klokkenluiderskwesties actief geïntervenieerd.5 Als een klokkenluiderszaak onder de aandacht wordt gebracht van een Minister, wordt een andere weg doorlopen dan de Wet Huis voor klokkenluiders voorschrijft. Het uitgangspunt is dat een melder eerst intern een melding doet bij zijn werkgever. De werkgever moet op schriftelijke of elektronische wijze informatie verstrekken over de interne meldprocedure en daarbij ook informatie verstrekken over de omstandigheden waaronder een vermoeden van een misstand buiten de organisatie kan worden gemeld. Dat kan bijvoorbeeld bij een bevoegde autoriteit zoals een inspectie of bij het Huis voor klokkenluiders. Kamerleden en ministers zijn volgens de Wet Huis voor klokkenluiders geen extern meldpunt en meldingen komen hier niet op een gesystematiseerde wijze binnen. Derhalve vindt er geen systematische registratie plaats hoe vaak het voorkomt dat Kamerleden klokkenluiderszaken onder de aandacht brengen bij een Minister. Om die reden kan ik niet aangeven hoe vaak dit voorkomt.
Is het juist dat de toenmalig Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media de Kamerleden persoonlijk garanties heeft gegeven voor de bescherming van de identiteit van de klokkenluider en de inhoud van de betreffende melding?
Naar de feitelijke gang van zaken rond deze melding wordt door de ADR onderzoek gedaan, zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 3.
Was de toenmalig Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media ten tijde van het gesprek met de klokkenluider op de hoogte van het feit dat de betreffende topambtenaar «innig bevriend» was – zij sliepen volgens de mediaberichten in 2021 samen in een hotelkamer – met de toenmalige voorzitter van het bestuur van de NPO, mevrouw Shula Rijxman? Zo ja, sinds wanneer was hij op de hoogte van deze vriendschap?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het passend dat een melder van een misstand bij een mediaorganisatie wordt doorverwezen naar een topambtenaar die privé banden onderhoudt met de voorzitter van de NPO, waar – volgens de Klokkenluider in de podcast – de melding mede op betrekking had?
Klopt het dat bijna alle bazen van mediaorganisaties (tot aan John de Mol toe) zijn opgeroepen om zorgvuldig om te gaan met meldingen over misstanden binnen mediabedrijven? Hoe beoordeelt u in dat verband de wijze waarop de topambtenaar is omgegaan met de betrokken klokkenluider, die na geconfronteerd te zijn met de privérelatie tussen de topambtenaar en de voorzitter van de NPO, aan de podcastmakers heeft laten weten «ontdaan» te zijn en het gesprek nooit gevoerd te hebben, met de kennis vooraf van deze «vriendschap»?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u met mij van mening dat de topambtenaar haar privérelatie kenbaar had moeten maken aan zowel de toenmalig Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media als de klokkenluider?
Als er sprake is van een melding van een vermoeden van een misstand dient deze altijd uiterst serieus en zorgvuldig behandeld te worden. Naar de feitelijke gang van zaken rond deze melding wordt door de ADR onderzoek gedaan, zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 3.
Bent u met mij van mening dat de topambtenaar gezien de persoonlijke omstandigheden had moeten afzien van het gesprek met de klokkenluider?
Naar de feitelijke gang van zaken rond deze melding wordt door de ADR onderzoek gedaan zoals genoemd in mijn antwoord op vraag 3. Zoals gesteld door de Minister van OCW in zijn brief van 16 juni 2022, zal hij de Kamer verder informeren als het onderzoek is afgerond.
Nu dit kennelijk niet is gebeurd, kan de topambtenaar nog wel geloofwaardig functioneren nu het duidelijk is dat zij op een cruciaal punt van integriteit niet voldaan heeft aan datgene wat van een secretaris-generaal mag worden verwacht?
Zie antwoord vraag 12.
Wordt de melding van de klokkenluider over misstanden bij de NPO alsnog opgepakt en onderzocht? Zo ja, kunt u de Kamer op de hoogte houden van de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Het toezenden van adviezen van de Landsadvocaat met betrekking tot de WOZ-cap en de middenhuur |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat op grond van artikel 68 van de Grondwet, het kabinet de Tweede Kamer alles moet vertellen, behalve als de informatievoorziening tegen het belang van de Staat ingaat?
Ja
Bent u het ermee eens dat het «belang van de Staat» kwesties als de nationale veiligheid of terreur betreffen, en niet mogelijke gerechtelijke procedures tegen de Staat in verband met voorgenomen beleid over de volkshuisvesting?
Nee. Het belang van de staat omvat inderdaad mede de veiligheid van de staat, maar is breder dan dat. In welke gevallen het belang van de staat in de weg staat aan openbaarmaking, is niet in theorie en ook niet aan de hand van voorbeelden volledig of exact te beantwoorden. Wel is een aantal aspecten te noemen dat algemeen wordt aanvaard als redenen die kunnen leiden tot de conclusie dat het belang van de staat in een concreet geval in de weg staat aan verstrekking van bepaalde informatie. Naast de reeds genoemde veiligheid van de staat zijn dat bijvoorbeeld internationale en diplomatieke belangen, wettelijke geheimhoudingsplichten, lopende onderhandelingen en ook de bescherming van het procesbelang van de staat. Het procesbelang van de staat wordt geschaad wanneer door het verstrekken van de gevraagde informatie inzicht wordt geboden in de procespositie van de staat in een (mogelijk toekomstige) gerechtelijke procedure.
Kunt u uitleggen op welke manier het openbaar maken van de adviezen van de Landsadvocaat over de WOZ-cap en de middenhuur het belang van de Staat zou schenden? Welke staatsbelangen spelen er om de informatievraag hierover te weigeren? Graag een gedetailleerde reactie.
Inzake de WOZ-cap is in februari 2021 een conceptdagvaarding ontvangen. Ook is 29 september 2021 een artikel verschenen over een mogelijke miljardenclaim bij ongewijzigde invoering van de WOZ-cap.1 Het openbaar maken van het advies van de Landsadvocaat zou de processuele positie van de staat kunnen verzwakken en daarmee het belang van de staat kunnen schaden. Voor meer gedetailleerde informatie verwijs ik u naar het afschrift van de brief van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie aan van Warners van Otterloo Sandberg Advocaten te Amsterdam d.d. 12 februari 2021. Dat afschrift is toegezonden bij brief van 17 mei 2021.2
Wat betreft adviezen van de Landsadvocaat over de middenhuur kan ik u mededelen dat daarover op dit moment geen advies is uitgebracht.
Hoe beoordeelt u de argumentatie van de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om de adviezen niet naar de Kamer te sturen, omdat de adviezen dateren van vóór het besluit (d.d. 1 juli 2021) waarin werd geregeld dat ze in beginsel openbaar zijn? Bent u het ermee eens dat ook voordat genoemd besluit in werking trad, het kabinet uit moest gaan van het zeer vergaande recht op informatie op grond van artikel 68 van de Grondwet?
Het antwoord van mijn ambtsvoorganger is geheel in lijn met de kabinetsreactie op het rapport «Ongekend onrecht»3. In die kabinetsreactie is de nieuwe beleidslijn voor openbaarmaking van adviezen van de Landsadvocaat geschetst: per 1 juli 2021 worden adviezen van de Landsadvocaat openbaar gemaakt voor zover die niet zien op procedures, maar het karakter hebben van algemeen juridische beleidsadviezen. Adviezen die de Landsadvocaat geeft in het licht van lopende of mogelijke procedures zullen niet openbaar worden gemaakt, omdat het procesbelang van de staat daaraan in de weg staat. De hier bedoelde advisering van de Landsadvocaat dateerde echter van april 2021, dus van voor de datum waarop de nieuwe beleidslijn van kracht is geworden. De Landsadvocaat hoefde destijds nog geen rekening te houden met mogelijke openbaarmaking van de adviezen. Mijn ambtsvoorganger gaf daarbij tevens aan dat ook indien de adviezen van na 1 juli 2021 zouden dateren, deze op dat moment in de tijd niet zouden worden verstrekt gelet op de aangekondigde procedure. Dit zou immers in strijd zijn met het procesbelang van de staat en daarmee met het belang van de staat, zoals genoemd in artikel 68 van de Grondwet. Zie hierover ook mijn antwoord op vraag 2.
Bent u bereid de betreffende adviezen van de Landsadvocaat vertrouwelijk naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te doen voorafgaand aan het debat over de Staat van de Volkshuisvesting op 30 juni a.s.?
Nee. Het procesbelang – en daarmee het belang van de staat – verzet zich ook tegen het vertrouwelijk bij de Kamer ter inzage leggen van het advies van de Landsadvocaat. De staat moet – net zoals iedere deelnemer aan het maatschappelijk verkeer – de gelegenheid hebben om zich vertrouwelijk voor bijstand en advies te wenden tot een advocaat.4
Bent u bereid tenminste de adviesvraag (d.d. april 2021) van het kabinet aan de Landsadvocaat – al dan niet vertrouwelijk – naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te doen voorafgaand aan het debat over de Staat van de Volkshuisvesting?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over de Staat van de Volkshuisvesting?
Ik heb mij ingespannen om deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
Koningin Maxima en het WEF |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In uw antwoord op vraag 261 stelt u dat in de regel geen notulen worden gemaakt van bijeenkomsten van het World Economic Forum (WEF), maar uit de door u vrijgegeven correspondentie met het WEF blijkt dat dit wel degelijk het geval is: is het kabinet nu alsnog bereid om deze notulen van alle bijeenkomsten waaraan bewindspersonen of ambtenaren deelnamen vrij te geven? Zo nee, waarom niet?
Er worden in de regel geen notulen gemaakt van bijeenkomsten van het World Economic Forum. Wel zijn veel bijeenkomsten live gestreamd en terug te zien via Programme > World Economic Forum Annual Meeting | World Economic Forum (weforum.org).
In uw antwoord op vraag 33 beweert u dat er geen transcript is van het gesprek tussen de Koningin, de Minister-President en Minister Kaag met Klaus Schwab en zijn vrouw, ondanks het feit dat er sprake was van een gedachtewisseling over de thema’s van de jaarvergadering van de VN Speciale Gezant voor Inclusieve Financiering voor Ontwikkeling (UNSGSA): is er wellicht wel sprake van een agenda, notulen of andere notities? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u die dan delen? Zo nee, waarom wilt u dat niet?
Nee, er is geen sprake van een agenda, notulen of andere notities. Doel van het gesprek was een gedachtewisseling over de hoofdthema’s van de jaarvergadering van het WEF, niet het maken van afspraken.
Vindt u ook niet dat het Nederlandse volk recht heeft op openheid over gesprekken tussen de Minister-President, Minister Kaag en de Koningin met Klaus Schwab en zijn vrouw? Zo nee waarom niet?
In dit geval ging het om een gedachtewisseling over de hoofdthema’s van de jaarvergadering van het WEF, niet om het maken van afspraken. Vanwege de aard van het gesprek is hiervan geen verslag gemaakt.
Kan de Minister-President een lijst overleggen van alle personen die aan dit gesprek deelnamen? Zo nee, waarom niet?
Aan dit gesprek op 23 januari 2020 namen de Koningin, de Minister-President, de toenmalig Minister van Financiën, de toenmalig Minister voor Medische Zorg en Sport, de toenmalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en dhr. Schwab deel.
Waarom moet er überhaupt met Klaus Schwab en zijn vrouw over deze jaarvergadering gesproken worden? Heeft Klaus Schwab daarin een coördinerende rol?
Klaus Schwab heeft bij de jaarvergaderingen van het WEF de rol van gastheer.
Uit uw antwoord op vraag 34 valt op te maken dat de Koningin vanuit haar functie als lid van het UNSGSA lid is van de Stewardship Board van hetWEF initiative on shaping the future of financial and monetary systems: bent u bekend met de onrust in de samenleving over de toekomst van het financiële systeem? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Valt de rol van de Koningin in dit Stewardship onder de ministeriele verantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wordt er volgens u dan van dergelijke gesprekken geen transcript gemaakt?
Ja. In kamerstuk 32 791, nr. 2 van 19 september 2019 is beschreven hoe de ministeriële verantwoordelijkheid voor nevenfuncties van leden van het Koninklijk Huis op een adequate wijze is geborgd.
Vindt het kabinet het constitutioneel juist dat de Koningin deel uitmaakt van een dergelijk politiek gremium? Zo ja, waarom?
Ja. De aanwezigheid van de Koningin vloeit voort uit haar functies als UNSGSA, erevoorzitter van het «Global Partnership for Financial Inclusion» (GPFI) van de G20 evenals lid van de «Stewardship Board of the World Economic Forum System Initiative on Shaping the Future of Financial and Monetary Systems» en het «Steering Committee of the Digital Currency Governance Consortium» van het WEF.
Heeft de Koningin vaker overleg met Klaus Schwab of andere WEF-leden? Zo ja, hoe vaak en wanneer?
De Koningin heeft de heer Schwab tijdens meerdere jaarvergaderingen van het WEF gesproken, steeds op zijn uitnodiging.
In uw antwoorden op vragen 39 en 40 beweert u dat het Great Reset initiative bedoeld is om inzichten en informatie te delen: betekent dit dat het kabinet expliciet ontkent dat de Great Reset een door het WEF gecoördineerd programma is waaraan Nederlandse bewindspersonen zich hebben gecommitteerd?
Dat is juist.
Kunt u deze vragen alle afzonderlijk beantwoorden, zonder er een over te slaan en zonder antwoorden op verschillende vragen samen te voegen?
Ja.
Het koninklijk huis en het WEF Young Global Leader programma |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
In uw antwoord op vraag 41 weigert u in te gaan op de rol van leden van het Koninklijk Huis en de Koninklijke Familie bij het World Economic Forum (WEF): is het u inmiddels bekend dat enkele leden daarvan zelfs deel uitmaakten van het Young Global Leader programma van het WEF2?
Ja.
Kunt u op eigen initiatief openheid verschaffen over welke leden van het Koninklijk Huis en de Koninklijke Familie aan dat programma deelnamen, ook voordat ze door huwelijk toetraden tot de koninklijke familie of het koninklijk huis?
Een overzicht van leden van The Forum of Young Global Leaders treft u aan op www.younggloballeaders.org.
Wat is de reden dat leden van het Koninklijk Huis en de Koninklijke Familie deelnemen (of deel hebben genomen) aan het Young Global Leader programma? Indien u deze reden niet kan geven, waarom kunt u dat niet?
Het Young Global Leader programma van het World Economic Forum is een netwerk van personen die betrokken zijn bij wetenschap, bedrijfsleven en politiek, met als doel om kennis te maken met elkaars inzichten en meningen. Deelname van het programma kan voor iedereen die werkt aan oplossingen voor wereldwijde vraagstukken interessant zijn, ook voor leden van het Koninklijk Huis en van de Koninklijke Familie.
Wie beslist welke leden van het Koninklijk Huis en de Koninklijke Familie door het WEF kunnen worden uitgenodigd voor het Young Global Leader programma of andere activiteiten en projecten van het WEF?
Dat beslist de organisatie van het WEF en The Forum of Young Global Leaders.
Vallen deze WEF-activiteiten van leden van het Koninklijk Huis of de Koninklijke Familie onder de verantwoordelijkheid van de premier? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft de premier daarover nooit verantwoording hoeven afleggen in het parlement?
Zie Kamerstuk 32 791, nr. 3 HERDRUK van 15 oktober 2019, antwoord op de vragen 16 en 17: «De Minister-President heeft de algemene ministeriële verantwoordelijkheid voor het Koninklijk Huis. De Minister van Buitenlandse Zaken is ministerieel verantwoordelijk voor de activiteiten van Koningin Máxima in het kader van haar VN-mandaat. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is ministerieel verantwoordelijk voor de raakvlakken van het UNSGSA-mandaat met het BHOS-beleid.» Voor leden van de Koninklijke Familie, niet tevens lid van het Koninklijk Huis, geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid als zodanig.
Kunt u aangeven of jonge leden van het Koninklijk Huis of de Koninklijke Familie in de komende jaren deel zullen gaan nemen aan het Young Global Leader programma? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie dan en wanneer?
Nee. Ik kan geen inzicht bieden in toekomstige deelname aan dit programma.
In antwoord op dezelfde vraag 4 beweert u dat Minister Hugo de Jonge nog nooit betrokken is geweest bij activiteiten van het WEF, maar uit de door u gerefereerde webpagina3 blijkt dat hij wel degelijk een rol bij het WEF moet hebben gehad, of vergissen we ons? Kunt u die rol toelichten of kunt u toelichten waarom hij op de webpagina is beland? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit de beantwoording op eerdere Kamervragen 10 en 12 van het lid Van Houwelingen (FvD) aan de Minister-President over het karakter van, en de relaties van kabinetsleden met het World Economic Forum naar aanleiding van antwoorden op eerdere vragen (ingezonden 12 augustus 2021) blijkt, is Minister De Jonge niet betrokken geweest bij activiteiten van het WEF. Hij wordt op de door u bedoelde website als Nederlandse Minister genoemd, zonder nadere specificatie van zijn verhouding met het WEF.
Kunt u deze vragen alle afzonderlijk beantwoorden, zonder er een over te slaan en zonder antwoorden op verschillende vragen samen te voegen
Ja.
Het bericht ‘Medewerkers op Schiphol krijgen deze zomer 840 euro per maand extra’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Medewerkers op Schiphol krijgen deze zomer 840 euro per maand extra»1 en «Schiphol en vakbonden bereiken «akkoord op hoofdlijnen», stakingsdreiging afgewend»?2
Ja.
Klopt het dat in dit akkoord geen sprake is van de verhoging van het CAO-loon, maar dat een loonsverhoging wordt uitgekeerd in de vorm van onder andere een brutouitkering van een hogere toeslag (€ 1,40 bruto per uur extra) en een «zomerbonus» (€ 5,25 bruto per uur extra)?
Ja.
Kunt u aangeven wat het gemiddelde bruto maandloon is voor verschillende groepen medewerkers waarop dit akkoord ziet, zoals beveiligers, sjouwers, begeleiders van invalide reizigers, schoonmakers, incheckers en chauffeurs?
Op basis van informatie ontvangen van ondernemingen werkzaam op Schiphol is onderstaand overzicht opgesteld.
Beveiligers (o.b.v. minimumuurloon in cao)
€ 2.278
Sjouwers (bagagemedewerkers)
€ 2.140
Begeleiders van invalide reizigers1
€ 2.428
Incheckers (o.b.v. bodem salarisschaal)
€ 2.231
Chauffeurs
€ 3.016
Schoonmakers
€ 2.150
Voor begeleiders van invalide reizigers geldt dat sprake is van loon per vier weken. Dit is omgerekend naar loon per maand.
Bovenstaande bedragen zijn exclusief vakantiegeld, onregelmatigheidstoeslag of winstuitkering.
Kunt u per groep aangeven hoeveel deze medewerkers met dit akkoord er gemiddeld bruto per maand op vooruitgaan?
In het sociaal akkoord wordt de arbeidsmarkttoeslag toegelicht voor een fulltime werkweek van 38 uur. Op basis hiervan komt de arbeidsmarkttoeslag neer op € 230 per maand. De zomertoeslag komt in dat geval neer op € 864,50 per maand.
Zowel voor de zomertoeslag als de arbeidsmarkttoeslag geldt dat deze alleen betaald worden over daadwerkelijk gewerkte uren en dus niet over vakantie-uren, opleidingsuren of ziekte-uren.
Kunt u een inschatting geven van de gemiddelde marginale druk voor deze groepen medewerkers?
De zomertoeslag van € 5,25 bruto per uur gold twee weken in de meivakantie en 13 weken vanaf 1 juni tot begin september. Daarnaast was de arbeidsmarkttoeslag € 230 per maand gedurende een kleine 4 maanden. In totaal komt dat neer op € 3.882 bruto extra op jaarbasis voor een full-time medewerker, dat is gemiddeld € 323 bruto per maand.
Onderstaande tabel toont voor de gevraagde voorbeelden wat zij gemiddeld netto per maand overhouden en hoe hoog de marginale druk op het extra inkomen is. Daarbij is uitgegaan van het maandbedrag aan brutoloon uit het antwoord op vraag 3 met erbovenop 8% vakantiegeld. Daarnaast is uitgesplitst door welke regelingen het extra maandelijkse netto-inkomen lager is dan het maandelijkse bruto-inkomen. In de berekeningen is er verder van uitgegaan dat iedereen woont in een huurwoning van € 750 per maand en dat de Schiphol-medewerkers alleenstaand zijn zonder kinderen. Er is geen rekening gehouden met pensioen. Bij het gezin met kinderen is aangenomen dat het om jonge kinderen gaat (jonger dan 6 jaar) die niet naar de kinderopvang gaan. Ook met de andere uitgangspunten van de vraagsteller is rekening gehouden.
Een belangrijke nuance is dat de gevraagde voorbeelden niet per se een representatief beeld geven van het totaal aan werknemers. In heel Nederland is in 2023 bij slechts 4% van de werknemers de marginale druk hoger dan 70%.
Categorie
Extra per maand bruto
Extra per maand netto2
Marg. druk extra
inkomen
Alleenstaande zonder kinderen met bruto-inkomen van € 22.400
€ 323
€ 44
87%
Alleenverdiener zonder kinderen met bruto-inkomen van € 22.400
€ 323
€ 77
76%
Alleenverdiener met 2 jonge kinderen en bruto-inkomen € 22.400
€ 323
€ 77
76%
Beveiligers (bruto-inkomen € 29.523)
€ 323
€ 98
70%
Sjouwers (bruto-inkomen € 27.734)
€ 323
€ 67
79%
Begeleiders (bruto-inkomen € 31.467)
€ 323
€ 157
51%
Incheckers (bruto-inkomen € 28.914)
€ 323
€ 82
75%
Chauffeurs (bruto-inkomen € 39.087)
€ 323
€ 165
49%
Schoonmakers (bruto-inkomen € 27.846)
€ 323
€ 68
79%
De belasting wordt hoger. Er staat een minteken omdat de extra belasting in mindering komt op het bruto-inkomen.
Dit is de som van de voorgaande kolommen (kan licht afwijken vanwege afronding op hele euro’s). Bij de alleenverdiener met 2 jonge kinderen is er ook recht op kindgebonden budget, maar het verschil is bij het gegeven inkomen € 0.
Gemiddeld genomen gaan de medewerkers er € 67 tot € 165 per maand op vooruit in 2022. Dat is € 804 tot € 1.980 op jaarbasis. De marginale belastingdruk voor sommige van deze medewerkers hoog is, tot 79%. Voor de voorbeeldhuishoudens is de maximale marginale belastingdruk 87% (zie tabel).
In de voorbeelden wordt de afruil tussen gerichte inkomensondersteuning en marginale druk duidelijk. In dergelijke gevallen is sprake van stapeling van afbouw van inkomensafhankelijke regelingen zoals toeslagen. Deze inkomensafhankelijke regelingen geven huishoudens met een laag of middeninkomen een tegemoetkoming in de kosten van bijvoorbeeld huur of kinderen en zorgen daarmee weer juist voor een lagere gemiddelde druk (wat levert werken op). In de berekening van de gemiddelde druk is rekening gehouden met huurkosten van € 750 per maand.
Kunt u per groep aangeven hoeveel deze medewerkers er per groep gemiddeld netto per maand op vooruitgaan?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u in het antwoord op vraag 4, 5 en 6 twee praktische voorbeelden voor 2 twee specifieke situaties uitwerken (situatie 1: alleenstaande zonder kinderen en situatie 2: alleenverdiener zonder kinderen met voor beide situaties de uitgangspunten: een bruto loon van € 22.400,– (minimumloon), een huur van € 750,– per maand, eventuele partner geboren na 1963, geen substantieel vermogen en geen rekening gehouden met pensioen, met verwijzing naar de overeenkomstige voorbeelden in deze bron3), waarin wordt ingegaan op de stijging van het brutoloon, de invloed op toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen en de gevolgen voor het netto-inkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u in het antwoord op vraag 4, 5 en 6 ook een praktisch voorbeeld uitwerken voor de situatie: alleenverdiener met 2 kinderen met als uitgangspunten: een bruto loon van € 22.400,– (minimumloon), een huur van € 750,– p/maand, eventuele partner geboren na 1963, geen substantieel vermogen en geen rekening gehouden met pensioen, met verwijzing naar het overeenkomstige voorbeeld in deze bron4), waarin wordt ingegaan op de stijging van het brutoloon, de invloed op toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen en de gevolgen voor het netto-inkomen?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre bestaat het risico dat medewerkers er netto nauwelijks op vooruitgaan, vanwege een negatief effect op het recht op toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen? Zijn hier voorbeelden van te geven en zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre bestaat het risico dat medewerkers in 2023 te veel ontvangen toeslagen moeten terugbetalen omdat hun inkomen in 2022 is gestegen, terwijl zij dit bij het aanvragen van toeslagen op voorhand niet konden inschatten? Zo ja, acht u dit wenselijk?
Toeslagen bieden financiële ondersteuning voor noodzakelijke kosten van levensonderhoud voor burgers die dit het hardste nodig hebben. Bij een hoger inkomen is minder ondersteuning nodig. Toeslagen bouwen dan ook af naar mate het inkomen hoger is. De hoogte van het voorschot dat de burger ontvangt van Dienst Toeslagen wordt onder andere bepaald door het geschatte jaarinkomen dat een burger binnen een toeslagjaar verdient. Wanneer er gedurende het jaar aanvullende inkomsten zijn, dan worden deze bij het definitief vaststellen van de toeslag meegerekend. Om de voorschotten zoveel mogelijk aan te laten sluiten op de definitieve vaststelling, is het van belang dat aanvragers tussentijdse verhogingen (of verlagingen) tijdig aan Dienst Toeslagen doorgeven. Via onder meer campagnes wijst Toeslagen burgers erop om haar of zijn gegevens regelmatig te controleren en eventueel aan te passen. De recent gestarte campagne «Check. Pas aan. En door.» is hier een voorbeeld van. Daarnaast attendeert Toeslagen burgers proactief indien zij verschillen constateert tussen de aanvraag en tussentijds bekend geworden gegevens. Desondanks bestaat er een risico dat burgers toeslagen moeten terugbetalen, dit is inherent aan de voorschotssystematiek die de basis vormt van het huidige toeslagensysteem. Als de burger de terugvordering niet in één keer kan terugbetalen, dan is het mogelijk om een betalingsregeling te treffen voor het terugbetalen van de toeslag. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden in een specifieke situatie waarbij de terugvordering van het gehele bedrag onevenredig zou zijn, heeft Dienst Toeslagen de mogelijkheid de terugvordering te matigen.
Bent u van mening dat werknemers actief op dit risico dienen te worden gewezen door de werkgever en ziet u hierin voor uzelf een rol weggelegd?
Ik heb Schiphol gevraagd of hier oog voor is. De onderneming heeft aangegeven dat dat het geval is en dat onderaannemers van Schiphol hun medewerkers hier actief op wijzen.
Deelt u de mening dat akkoorden over loonsverhoging, waarover inmiddels breder wordt gesproken in verschillende sectoren (bijvoorbeeld bij personeel van Defensie), positief zijn in het licht van de inflatie en het versterken van de koopkracht, maar dat mensen hier ook voldoende van moeten merken in hun netto-inkomen?
Ja. Structureel herstel van de koopkracht zal primair voort moeten komen uit loonsverhogingen, dus akkoorden daarover zijn positief. Ik deel ook de mening dat mensen hier voldoende van moeten merken in het netto-inkomen en gelukkig is dat voor het overgrote deel van de huishoudens ook het geval. Het kabinet heeft dan ook maatregelen genomen om de lasten op arbeid structureel te verlagen. Zo wordt de arbeidskorting verhoogd en het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting verlaagd.
Welke mogelijkheden zijn er om incidentele loonsverhogingen in de vorm van toeslagen of bonussen zodanig vorm te geven dat de ontvangers hier netto het meeste aan overhouden? Kunt u hierbij ingaan op het voorbeeld van de corona-zorgbonus, die kon worden aangewezen als eindheffingsloon en daardoor bijvoorbeeld niet van invloed was op toeslagen en andere inkomensafhankelijke regelingen? Kan deze mogelijkheid van meerwaarde zijn bij incidentele nabetalingen aan werknemers, ook in andere sectoren?
Dergelijke vergoedingen kunnen door een werkgever worden aangewezen als eindheffingsloon conform artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 (de werkkostenregeling). Voor het aanwijzen van een vergoeding van een bepaalde omvang geldt dat deze vergoeding niet meer dan 30% mag afwijken van wat in vergelijkbare omstandigheden gebruikelijk is.5 Dit is de gebruikelijkheidstoets. Het deel dat boven die 30%-grens uitkomt, is loon van de werknemer waarover loonheffingen zijn verschuldigd. Door het aanwijzen komt de vergoeding ten laste van de vrije ruimte. Deze vrije ruimte is een forfaitaire vrijstelling voor door de werkgever aan te wijzen vergoedingen en verstrekkingen aan eigen werknemers, zoals een personeelsfeest of een kerstpakket. De omvang van de vrije ruimte bedraagt een percentage van de totale fiscale loonsom. Voor zover de aangewezen vergoedingen de vrije ruimte overschrijden, dient de werkgever een eindheffing af te dragen van 80% over de overschrijding. Daarbij hoeft de werkgever geen premies werknemersverzekeringen af te dragen. Het zal per situatie verschillen of het toepassen van deze eindheffing voor de werkgever voordeliger is dan het bruteren van het loon van de werknemer.
Het aanwijzen van de vergoeding als eindheffingsbestanddeel leidt er bovendien toe dat deze vergoeding geen gevolgen heeft voor de heffing bij de werknemer van inkomstenbelasting, de premie volksverzekeringen, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en voor het inkomen dat relevant is voor inkomensafhankelijke regelingen.
Bij de zorgbonus dienden de zorgaanbieders deze bonus verplicht aan te wijzen als eindheffingsloon via de werkkostenregeling voor zowel werknemers als derden. De zorgbonus kwam hiermee ten laste van de vrije ruimte en is doorgaans (deels) als eindheffingsloon belast bij de werkgever. Het was niet de bedoeling dat het ten laste brengen van de zorgbonus op de vrije ruimte invloed zou hebben op overige vergoedingen en verstrekkingen die een zorgaanbieder aan haar personeel wenste te verstrekken. Gelet hierop ontvingen werkgevers ook een subsidiebedrag ten behoeve van de verschuldigde eindheffing veroorzaakt door de zorgbonussen.
In hoeverre vormt ons huidige belasting- en toeslagenstelsel, dat voor sommige groepen een hoge marginale druk meebrengt, een belemmering voor het versterken van de koopkracht van werknemers, als loonsverhogingen van acute en incidentele aard zijn?
Er bestaat geen directe relatie tussen marginale druk en koopkrachtverbetering. Beleidsmaatregelen kunnen bijvoorbeeld tegelijkertijd de koopkracht verbeteren en de marginale druk verhogen. De marginale druk is wel van belang voor het netto-effect van loonsverhogingen. Er is een kleine groep Nederlanders die als gevolg van het belasting- en toeslagenstelsel relatief weinig overhoudt van een loonsverhoging. Ongeveer 4% van de werknemers houdt van een loonsverhoging per saldo 30% of minder over. Dit is een belangrijk probleem dat de volledige aandacht van het kabinet heeft, maar niet eenvoudig op te lossen is. Tegelijkertijd houdt dus 96% van de werknemers (ruim) meer dan 30% over van een loonstijging.
Bent u bereid om Schiphol erop te wijzen dat structureel werk ook gewoon in (meer) vaste arbeidscontracten dient plaats te vinden onder goede arbeidsvoorwaarden?
Het kabinet zet in op het stimuleren van duurzame arbeidsrelaties door de wendbaarheid voor ondernemingen te vergroten en flexibele arbeid te reguleren. Daarbij vormen arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd in beginsel de werkvorm voor het organiseren van structureel werk. Dat geldt ook voor Schiphol. Verder is het aan werkgevers(organisaties) en werknemersorganisaties om over de arbeidsvoorwaarden, waaronder het loon en contractvormen, te onderhandelen. Het is goed om te zien dat partijen nu een akkoord hebben bereikt. Daarnaast hebben de Ministers van I&W en van SZW op 8 juli jl. conform de toezegging aan uw Kamer een gesprek gevoerd met KLM en Schiphol over arbeidsomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden. In dit gesprek hebben beide Ministers nogmaals benadrukt dat ze van Schiphol en KLM een voorbeeldrol verwachten op beide gebieden. Op 2 november jl. zijn beide bewindspersonen ook op werkbezoek geweest op Schiphol. De Kamer is hier apart over geïnformeerd middels de brief die vanuit I&W naar de Kamer verzonden is.6 Daarnaast heeft op 21 december 2022 nogmaals een bestuurlijk overleg plaatsgevonden tussen deze Ministers, de FNV en de directie van Schiphol om de voortgang van de genomen maatregelen te bespreken.
Waarom is gekozen voor tijdelijkheid van de zomertoeslag, die loopt tot begin september (daarna komt er voor een deel van de werknemers een bruto toeslag van 1,40 euro per uur; die geldt voor een jaar) en waarom is gekozen voor een selectieve groep (en niet voor medewerkers die de grondafhandeling doen)?
Van Schiphol begrijp ik dat hierbij de volgende overwegingen een rol hebben gespeeld:
Wat betekent het voor de gemaakte afspraken, indien Schiphol, de bonden en de werknemers er niet voor 1 september uitkomen om een structurele oplossing te vinden?
Schiphol en de vakbonden hebben in eerste instantie overeenstemming bereikt over een zomerbonus (welke liep tot 1 september 2022) en een Schipholtoeslag die loopt tot 1 september 2023.
Begin oktober hebben Schiphol en de vakbonden bekend gemaakt dat er ook een structurele afspraak is gemaakt over een hoger loon, aanpassing van roosters en betere rustruimtes voor beveiligers op Schiphol. De beveiligers op Schiphol krijgen vanaf november 2022 € 2,50 per uur extra boven op het bruto cao-loon.
Het jaarverslag van de AIVD |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2021 van de AIVD?1
Ja.
Erkent u dat de AIVD «rechts-extremisme» en «rechts terrorisme» in het jaarverslag 2021 een (veel) grotere bedreiging vindt voor de rechtsorde dan «links-extremisme»? Indien dat niet het geval is, waarom besteedt de AIVD hier in het jaarverslag ongeveer vijf keer meer aandacht aan in vergelijking met «links-extremisme»? En waarom heeft de AIVD het in de alineakoppen dan over «meer aanhangers rechts-extremisme» en «groeiend probleem rechts terrorisme» terwijl er nergens wordt gesproken over «groeiend links-extremisme»?
Alle vormen van extremisme zijn een potentiele bedreiging voor onze democratische rechtsorde. Door het gebruik van zowel gewelddadige als niet-gewelddadige middelen kan extremistisch gedachtegoed worden aangejaagd en/of verspreid. Een dergelijke groei van extremistisch gedachtegoed is zorgwekkend, aangezien het actief nastreven en/of ondersteunen van diepingrijpende veranderingen een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) onze democratische rechtsorde.
De AIVD heeft het afgelopen jaar een groei waargenomen van het rechts-extremisme in Nederland. Ook ziet de AIVD vanuit de stroming van het accelerationisme een dreiging voortkomen van terroristisch geweld. De AIVD heeft in 2021 eenzelfde groei of ontwikkeling niet waargenomen binnen het links-extremisme.
Bent u, net zoals de AIVD, van mening dat «rechts-extremisme» een grotere bedreiging is voor onze veiligheid dan «links-extremisme»? Indien dit niet het geval is, waarom niet. Bent u bereid hierover met de AIVD in gesprek te gaan?
De AIVD doet onderzoek naar alle vormen van extremisme. Rechts-extremisme is geen grotere bedreiging dan links-extremisme, maar op dit moment gaat er door de genoemde ontwikkelingen een dreiging uit van rechts-extremisme. Volgens de AIVD is er in 2021 een groei zichtbaar van rechts-extremisme.
Binnen rechts-extremistische kringen wordt (online) taalgebruik agressiever en opruiender, wordt door sommigen terroristisch geweld toegejuicht en heerst er in deze kringen een grote fascinatie voor vuurwapens. De combinatie van een fascinatie voor wapens en opruiend taalgebruik is zorgwekkend voor de groeiende groep (kwetsbare) personen die in aanraking komen met gewelddadig rechts-extremistisch gedachtegoed.
Binnen de linkse actiescene zag de AIVD activiteiten die ernstig, hinderlijk of heftig waren, maar niet vaak van extremistische aard. De AIVD onderzoekt links-extremisme vanwege de risico’s die uit kunnen gaan van dit extremisme en daarom is dienst ook waakzaam voor radicalisering binnen deze scene.
Erkent u dat de grote gewelddadige politieke aanslagen van de afgelopen decennia in ons land, zoals de aanslag op de Centrumdemocraten in 1986 waarbij de vriendin van Janmaat haar been verloor, de aanslag die de woning van Aad Kosto in 1991 grotendeels verwoestte en de brute moord op Pim Fortuyn, twintig jaar geleden, niet zijn verricht door «extreemrechts» maar juist kwamen vanuit de «extreemlinkse» kant van het politieke spectrum? Zo nee, waarom niet?
Iedere vorm van gewelddadig extremisme veroordeel ik in de meest sterke bewoordingen.
Kunt u drie voorbeelden geven van vergelijkbaar gewelddadige politieke aanslagen in Nederland verricht door «extreemrechts»? Zo ja, wat zijn deze voorbeelden? Indien dit niet het geval is, waarom is de AIVD dan zo geobsedeerd door «extreemrechts» terwijl het politieke geweld tot nu toe overduidelijk en vrijwel uitsluitend vanuit de «extreemlinkse» hoek afkomstig is?
De AIVD heeft zorgen over het accelerationistisch gedachtegoed en de online
verspreiding hiervan. Dit gedachtegoed heeft wereldwijd al geleid tot terroristisch geweld. In Nederland heeft dit in 2021 niet geleid tot terroristisch geweld. Wel zijn er, zoals vermeld in het Jaarverslag, in 2021 door de AIVD zes ambtsberichten verzonden over accelerationisten, op basis waarvan het Openbaar Ministerie (OM) en de Nationale Politie konden optreden. Naar aanleiding van een ambtsbericht van de AIVD zijn in december 2021 twee Nederlanders veroordeeld voor opruiing tot een terroristisch misdrijf, en voor deelname aan de rechts-extremistische en terroristische organisatie «The Base».
In het jaarverslag van de AIVD wordt gesproken over «anti-overheidsextremisten» en «anti-overheidsactivisten», wanneer is iemand volgens u een «anti-overheidsactivist» of «anti-overheidsextremist»? Hoeveel procent van de Nederlandse bevolking is (inmiddels) bij benadering «anti-overheidsactivist» of «anti-overheidsextremist»? Zijn «anti-overheidsactivisten» of «anti-overheidsextremisten» volgens u een gevaar voor de rechtsstaat? Zo ja, waarom?
Activisme vindt plaats binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Activisten die radicaliseren tot extremisten kunnen bij de AIVD in beeld komen. Extremisme vormt een bedreiging voor de democratische rechtsorde. Extremisme is het actief nastreven en/of het ondersteunen van diepingrijpende veranderingen in de samenleving die een gevaar kunnen opleveren voor (het voortbestaan van) de democratische rechtsorde, eventueel door middel van het hanteren van ondemocratische methoden die afbreuk kunnen doen aan het functioneren van de democratische rechtsorde.
Hierbij kunnen niet-gewelddadige extremistische middelen zijn: systematisch
haatzaaien, verspreiden van angst, verspreiden van desinformatie, demoniseren en intimideren. Gewelddadige extremistische middelen kunnen zijn: geweldplegingen, mishandelingen of ernstiger vormen van geweld. De AIVD houdt geen percentages bij van anti-overheidsactivisten en -extremisten binnen de Nederlandse bevolking.
Er wordt op pagina 4 van het jaarverslag gesproken over «complottheorieën van anti-overheidsextremisten», kunt u een paar voorbeelden van dergelijke «complottheorieën» geven?
De AIVD verstaat onder een complottheorie een onbewezen verklaring voor bepaalde gebeurtenissen, situaties en ontwikkelingen in de wereld, welke wordt voorgesteld als het doelbewuste resultaat van een samenzwering van een groep mensen met kwade bedoelingen.
De AIVD doet in het openbaar geen uitspraken over specifieke complottheorieën.
Op pagina 8 van het jaarverslag wordt gesproken over «aansprekende complotdenkers en critici van onder meer het coronabeleid van de regering, met eigen mediakanalen», kunt u een aantal voorbeelden geven van deze «aansprekende complotdenkers» en hun «eigen mediakanalen»? Zo nee, waarom niet?
De AIVD doet hier in het openbaar geen uitspraken over.
Op pagina 8 staat dat anti-overheidsextremisten structureel desinformatie en verhalen verspreiden «waarvan ze vaak weten dat die niet kloppen», kunt u hier een paar voorbeelden van geven? En kunt u heel nauwkeurig en precies de bewijsvoering geven op basis waarvan blijkbaar geconcludeerd wordt dat er door deze «anti-overheidsextremisten» bewust en ter kwade trouw leugens worden verspreid? Zo nee, waarom niet?
De AIVD doet hier in het openbaar geen uitspraken over.
Als deze voorbeelden en/of het bewijs van kwader trouw door de AIVD en u niet geleverd kunnen worden, mogen we dan concluderen dat dit een onbewezen «complottheorie» van de veiligheidsdienst en de staat zelf is? Zo nee, waarom niet?
Nee. De AIVD heeft als wettelijke taak om de democratische rechtsorde en nationale veiligheid te beschermen. De AIVD doet dit door onderzoek te verrichten naar personen en organisaties waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
De AIVD voert onderzoek uit op een divers aantal terreinen, zoals cyberdreiging, spionage en heimelijke beïnvloeding, contraproliferatie en economische veiligheid. Naast deze internationale dreigingen en de daarmee gepaard gaande politieke veiligheidsbelangen, verricht de AIVD op nationaal niveau onderzoek naar onder meer extremisme, terrorisme en radicale groeperingen. Bij de uitvoering van deze taak zet de AIVD verschillende bevoegdheden in om achter de intenties van personen en organisaties te komen. Inlichtingen kunnen worden verstrekt door de AIVD aan afnemers om hen tijdig van relevante informatie en kennis te voorzien over dreigingen, risico’s en ontwikkelingen.
Dit gebeurt via een inlichtingenbericht of en inlichtingenanalyse. Daarnaast brengt de AIVD ook ambtsberichten uit aan personen en instanties die bevoegd zijn naar aanleiding van de verstrekte gegevens maatregelen te treffen tegen bepaalde personen of instanties. Ambtsberichten zijn (doorgaans) niet staatsgeheim gerubriceerd, zodat zij in het verdere proces buiten het inlichtingendomein kunnen worden gebruikt.
De samenleving mag erop vertrouwen dat de AIVD waakt over de nationale veiligheid van Nederland. Daarbij hoort dat er een openbaar jaarverslag wordt gemaakt van wat de AIVD heeft onderzocht om op bovenstaande terreinen de nationale belangen te beschermen en daarmee te waken over de nationale veiligheid.
Op pagina 9 wordt gesteld dat «het zo gewoon wordt om vijandig te denken over politici, wetenschappers, journalisten, politie, rechters en mensen die anders denken», kunt u daar een paar voorbeelden van geven?
De AIVD doet hier in het openbaar geen uitspraken over.
Tot slot, als iemand zou schrijven of zeggen dat hij graag «een arts op zijn vestje spuugt», is dat voor u een voorbeeld van «vijandig denken»? Zo nee, waarom niet?
De woorden uit uw vraag laat ik voor rekening van degene die ze uitspreekt.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Fryslân wil geen extra stikstofgevoelig Natura 2000-gebied' |
|
Thom van Campen (VVD), Harry Bevers (VVD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fryslân wil geen extra stikstofgevoelig Natura 2000-gebied»?1
Ja.
Klopt het dat u het «Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden» in september dit jaar wil vaststellen?
Vaststelling zal naar verwachting kort na het reces plaatsvinden.
Wat is er veranderd sinds de brief van 13 november 2019 waarin uw ambtsvoorganger schreef de aanwijzingsbesluiten van Natura 2000-gebieden kritisch te willen bezien, waar mogelijk habitattypen te schrappen en natuurgebieden samen te voegen of anders in te delen, en het Wijzigingsbesluit aanwezige waarden niet vast te stellen, dat maakt dat u het Wijzigingsbesluit nu wel gaat vaststellen?2
Het kritisch bezien heeft plaatsgevonden door het laten uitvoeren van twee onderzoeken, waarvan de uitkomsten op 13 oktober 2020 met uw Kamer zijn gedeeld (Kamerstuk 32 670, nr. 200, met de rapporten als bijlagen). In deze brief werd specifiek ten aanzien van het wijzigingsbesluit opgemerkt: «Het Wijzigingsbesluit Aanwezige waarden heeft tot doel fouten in de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten te corrigeren. Omdat dit besluit nog niet definitief is, zijn er volgens de onderzoekers momenteel te weinig en (in mindere mate) te veel doelen opgenomen in de aanwijzingsbesluiten.» Reeds op dat moment was dus al duidelijk dat het wijzigingsbesluit alsnog vastgesteld zou moeten worden. Vorig jaar is daar ook door de Europese Commissie op aangedrongen. Inmiddels is het vanwege het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) extra belangrijk dat er duidelijkheid is over welke waarden in de gebieden beschermd moeten worden: het niet vaststellen van het wijzigingsbesluit zou die duidelijkheid in de weg staan.
Om welke habitattypen en soorten gaat het precies bij de in de hoofdlijnenbrief van 1 april genoemde circa 100 aanwijzingsbesluiten waarvan «ongeveer twee derde van de betreffende habitats stikstofgevoelig [zijn]»?3
Zie de bijlage bij deze brief.
Is er volgens u thans voldoende data voor de analyse van de kwaliteit van habitats en soorten in een bepaald Natura 2000-gebied? Zo nee, komen de aanwijzingsbesluiten dan niet te vroeg? Zo ja, in hoeverre is het dan terecht dat de provincie Friesland vragen stelt bij de huidige kennis over de kwaliteit van bepaalde habitattypen, waarop de kwalificatie rust om bepaalde Natura 2000-gebieden als stikstofgevoelig aan te merken?
Het wijzigingsbesluit komt niet te vroeg, omdat de gegevens, waar het besluit op is gebaseerd, reeds in 2017 bekend waren. Het ontwerpwijzigingsbesluit is in goed overleg met de voortouwnemers van de gebieden tot stand gekomen. Over de juistheid van het ontwerpwijzigingsbesluit bestond geen twijfel. Geen van deze voortouwnemers heeft dan ook in 2018 een zienswijze ingediend. De provincie Friesland heeft ook nadien geen onderzoeksgegevens overgelegd waaruit zou blijken dat de eerdere overeenstemming op een onjuiste wetenschappelijke basis zou berusten.
Hoeveel hectare stikstofgevoelige Natura 2000 zal er met de aanwijzingsbesluiten in totaal bij komen? Kunt u het totaal aan «extra» stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ook onderverdelen per provincie?
Er komen geen extra Natura 2000-gebieden bij die stikstofgevoelig zijn. Het gebied Oudegaasterbrekken bevatte al stikstofgevoelige natuur, alleen was de kritische depositiewaarde (KDW) van de aangewezen habitats niet overschreden. Dit gebied is nu het enige waarvoor als gevolg van het wijzigingsbesluit getoetst moet worden op stikstofdepositie vanwege de (reeds bestaande) overbelasting van veenmosrietland (dat samen met hoogveenbos wordt toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit).
Het is nog niet precies bekend wat het areaal is waar de KDW van de habitats van het wijzigingsbesluit van wordt overschreden. Op basis van AERIUS-2021 is ingeschat dat het gaat om circa 980 ha, verdeeld over 100 gebieden. Dat is dus gemiddeld ongeveer 10 ha per gebied en minder dan 1% extra oppervlakte die overbelast is.
Wat dit voor gevolgen heeft voor de stikstofberekeningen, hangt sterk af van de precieze locatie: in de meeste gevallen liggen de habitats van het wijzigingsbesluit te midden van andere overbelaste habitats, waardoor er op die locaties geen extra belemmeringen voor toestemmingverlening zijn.
In hoeverre zullen er veehouders zijn die door de nieuwe stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden opeens aangemerkt kunnen worden als een zogeheten piekbelaster? Kunt u een schatting maken van het aantal «nieuwe» piekbelasters per provincie?
In de beschikbare tijd kan deze vraag nog niet met zekerheid beantwoord worden, omdat de zogenoemde pre-release van AERIUS-2022 nog niet beschikbaar is.
Wat vindt u ervan dat de provincie Friesland aangeeft onvoldoende in beeld te hebben wat de juridische gevolgen gaan zijn van het vaststellen van het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden?
Het is inderdaad nog niet duidelijk is in hoeverre de bescherming van de betrokken habitattypen en leefgebieden daadwerkelijk uit gaat maken in de toetsing van vergunningaanvragen. Die duidelijkheid is uiteraard gewenst en zal ook binnenkort gaan ontstaan, zodra deze zomer de pre-release van AERIUS-2022 beschikbaar komt voor de bevoegde gezagen.
Kunt u in antwoord op deze vragen aangeven wat de juridische gevolgen gaan zijn voor ondernemers en de legalisatie van PAS-melders in de buurt van gebieden die met de vaststelling van het Wijzigingsbesluit stikstofgevoelig worden?
Ondernemers kunnen te maken krijgen met extra hexagonen die relevant zijn bij toestemmingverlening. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Of, en zo ja welke, gevolgen dit wijzigingsbesluit heeft voor de legalisering van PAS-melders wordt momenteel onderzocht. Overigens werden de extra hexagonen ook al ten tijde van het PAS meegenomen.
In hoeverre is er, met inachtneming van de verwachte «extra» stikstofgevoelige natuur en alle bijkomende juridische gevolgen voor de betreffende ondernemers, agrarische bedrijven en omwonenden, bij de aanwijzingsbesluiten rekening gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden (te weten artikel 2, lid 3 van de Habitatrichtlijn)?
Het genoemde artikel van de Habitatrichtlijn mag niet betrokken worden bij de vraag welke habitattypen en soorten beschermd moeten worden via het aanwijzingsbesluit. Uit vaste jurisprudentie, aangehaald in het ontwerpwijzigingsbesluit, blijkt dat alle (in meer dan verwaarloosbare mate) aanwezige habitattypen en soorten van bijlagen 1 en 2 van de Habitatrichtlijn aangewezen moeten worden. Bij het nemen van maatregelen moet vervolgens rekening worden gehouden met de vereisten van art. 2.
Mark Rutte en Klaus Schwab |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Uit het antwoord op vraag 91 blijkt dat de Minister-President Klaus Schwab van het WEF regelmatig spreekt over sociaal-maatschappelijke thema’s: heeft de Minister-President ooit met Klaus Schwab gesproken over de Great Reset?
De Minister-President heeft met Klaus Schwab gecorrespondeerd over het boek «COVID-19: The Great reset» over de impact van COVID-19, dat Klaus Schwab samen met Thierry Malleret heeft geschreven in 2020.
Kunt u een lijst verschaffen van alle gesprekken van de Minister-President met Klaus Schwab? Zijn er verslagen van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
De Minister-President voert tijdens de Jaarvergaderingen van het WEF in Davos in de regel een welkomstgesprek met de gastheer Klaus Schwab, waarin de thema’s van de conferentie, in de regel sociaal-maatschappelijke onderwerpen, centraal staan. Daarnaast heeft de Minister-President de heer Klaus Schwab gesproken tijdens de Catshuissessie in 2018. Vanwege het informele en niet-conclusieve karakter worden van deze gesprekken geen verslagen van gemaakt.
Waarom is het voor de Minister-President van belang om zo regelmatig met Klaus Schwab van gedachten te wisselen?
Het kort begroeten van de gastheer van een conferentie en het daarbij bespreken van de actuele thema’s behoort tot goede omgangsvormen.
Als de Minister-President zich niet als leerling van Klaus Schwab ziet, is hij dan wellicht te beschouwen als een trainee?
Nee.
Heeft de Minister-President het Young Global Leader programma gevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Nee.
Sms’t of belt de Minister-President wel eens met Klaus Schwab?
Bij naslag van de agenda van de Minister-President blijkt dat hij 2 x telefonisch contact heeft gehad met de heer Schwab, in 2015 en in 2016.
Kunt u deze vragen alle afzonderlijk beantwoorden, zonder er een over te slaan en zonder antwoorden op verschillende vragen samen te voegen?
Ja.
Het bericht 'Energieleveranciers moeten btw-verlaging direct doorberekenen' |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de btw-verlaging energiegebruikers moet ontlasten en dat energieaanbieders dit niet voor zichzelf dienen te houden?1
Het kabinet deelt het streven dat de belastingverlaging van de btw volledig ten goede komt aan de eindgebruiker.
Erkent u dat het feit dat bij de meeste energieleveranciers klanten zelf in actie moeten komen om te profiteren van de btw-verlaging, de effectiviteit en de doelmatigheid van de btw-verlaging ondermijnt?
Energieleveranciers hebben via Energie-Nederland uitgesproken zich maximaal in te spannen om de btw-verlaging al in 2022 (in meerdere of mindere mate) voor consumenten zichtbaar te maken in hun maandelijkse voorschotten. Voorschotbedragen moeten zo goed mogelijk aansluiten op het eindbedrag op de jaarnota. Het doel daarvan is om consumenten bij de (jaar)afrekening zo min mogelijk bij -of terug te laten betalen. Consumenten worden goed geïnformeerd of hun voorschotbedrag past bij het actuele energieverbruik en de actuele energietarieven. Zij ontvangen adviezen voor eventuele aanpassing van het voorschotbedrag (naar boven of naar beneden). De (stijging van de) energierekening over de tweede helft van 2022 wordt bij de eindafrekening wel degelijk gedempt ook als de maandelijkse voorschotten in 2022 niet omlaag worden aangepast. Het breed verlagen van voorschotten is onwenselijk. Met name omdat de groep en de bedragen die consumenten moeten bijbetalen groter worden. Zeker omdat er momenteel meer consumenten zijn wier voorschotbedragen al te laag zijn als gevolg van de stijgende energietarieven.
De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst heeft hier op 29 juni met Energie-Nederland over gesproken. Daarmee is de motie van het lid Van Baarle2 afgedaan.
Begrijpt u dat vanwege de extra administratie en de angst voor een naheffing en de extra administratie veel mensen terughoudend zullen zijn met het terugvragen van hun geld en juist veel huishoudens die de btw-verlaging erg goed kunnen gebruiken hierdoor niet bereikt worden door de regeling?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om energieleveranciers te verplichten om het voorschot direct door te berekenen aan hun klanten zodat huishoudens ook daadwerkelijk wat hebben aan de btw-verlaging?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven wat de winst is voor energieleveranciers om de verlaging van de btw niet automatisch toe te passen voor de gebruikers?
Het niet op eigen initiatief aanpassen van de voorschotten door de energiebedrijven levert hoogstens een cashflow-voordeel op omdat de energiebedrijven hebben aangegeven dat verrekening van de btw-verlaging wordt meegenomen in de eindnota’s. Daarnaast is het denkbaar dat energiebedrijven vanuit een prudentieoogpunt voorkeur geven aan een naar boven afgerond voorschot. Op die manier worden in enige mate de risico’s afgedekt die sterk stijgende energieprijzen in een dynamische markt met mogelijk te lage voorschotten oproepen. De (stijging van de) energierekening over de tweede helft van 2022 wordt bij de eindafrekening wel degelijk gedempt ook als de maandelijkse voorschotten in 2022 niet omlaag worden aangepast.
Wat is er gekomen uit uw toegezegde contact met energiebedrijven over hun (coulante) omgang met klanten met betalingsproblemen?
Het kabinet heeft regelmatig contact met de energieleveranciers. Tijdens deze gesprekken wordt ook stevig de maatschappelijke rol die energieleveranciers hebben om huishoudens te ondersteunen bij de hoge energierekening besproken, bijvoorbeeld middels informatievoorziening, energiecoaches en vroegsignalering van betalingsproblemen. Daarbij is het belangrijk dat energieleveranciers goede voorlichting geven over prijzen en contracten.
Net als het kabinet nemen de energieleveranciers de situatie zeer serieus. De energieleveranciers geven aan dat ze actief consumenten benaderen over de problematiek, signaleren vroegtijdig wanneer er betalingsproblemen kunnen ontstaan en werken samen met o.a. gemeenten om oplossingen te bieden.
Zo geven leveranciers aan dat ze hun klanten onder andere actief wijzen op het wijzigen van de voorschotten om een betalingsachterstand en hoge eindafrekening te voorkomen of om bijvoorbeeld de btw-verlaging per 1 juli te verwerken. Daarnaast geven leveranciers aan dat ze klanten wijzen op betalingsregelingen en schuldhulpverlening, om een oplossing te bieden bij betalingsachterstanden. Ook werken leveranciers mee aan het tot stand brengen van schuldhulpregelingen en geven leveranciers de gemeente een signaal wanneer hun eigen inspanningen, zoals persoonlijk contact zoeken en een betalingsregeling aanbieden, de betalingsachterstanden niet oplossen.
Het kabinet blijft in gesprek met een aantal energieleveranciers om betalingsproblemen als gevolg van de gestegen energierekening zo veel mogelijk te voorkomen. In de Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden, waar de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen uw Kamer voor de zomer over informeert, wordt de samenwerking met de energieleveranciers ook benoemd.
Is bekend hoeveel inwoners hun rekening niet meer kunnen betalen en een achterstand of zelfs een afsluiting hebben gekregen in 2021 en 2022? Kunt u dit uit (laten) zoeken?
Uit navraag bij de netbeheerders volgt dat het aantal afsluitingen in 2022 toeneemt ten opzichte van de jaren 2021 en 2020. De afgelopen twee jaar zijn minder mensen afgesloten vanwege de coronacrisis, recent zien netbeheerders de getallen weer toenemen. Betalingsproblemen zijn een belangrijke reden voor het beëindigen van het contract door de leveranciers. De energieleveranciers hebben aangegeven niet over exacte getallen over het aantal klanten met betalingsachterstanden te beschikken. Wel zien zij de aantallen op dit moment langzaam toenemen door de hoge energieprijzen. Om te voorkomen dat mensen in de betalingsproblemen komen bieden energieleveranciers daarom ruimere betaalregelingen en maatwerk voor klanten aan.
Zoals eerder genoemd is het kabinet in gesprek met een aantal energieleveranciers om betalingsproblemen als gevolg van de gestegen energierekening zoveel mogelijk te voorkomen. In de Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden, waar de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen uw Kamer voor de zomer over informeert, wordt de samenwerking met de energieleveranciers ook benoemd.
De brandweerzorg |
|
Caroline van der Plas (BBB), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Past het volgens u bij de wens van de Kamer voor meer uniforme normen met betrekking tot opkomsttijden, dat de veiligheidsregio Noord-Holland Noord eigenstandig de opkomsttijd verruimt van 6 naar maar liefst 18 minuten voor niet-zelfredzame personen?1 2
In mijn brief van 8 juli 2022 heb ik u geïnformeerd over de systematiek van de gebiedsgericht opkomsttijden.3 Binnen de wettelijke kaders bepalen de besturen de ambities en het kwaliteitsniveau van de veiligheidsregio. Dit wordt vastgelegd in het regionale beleidsplan. Zij baseren zich daarbij op een regionaal risicoprofiel, dat onder verantwoordelijkheid van het bestuur in afstemming met de gemeenteraden tot stand komt.
Het halen van opkomsttijden is een van de elementen om effectieve en hoogwaardige brandweerzorg te realiseren. Ik acht het dan ook van groot belang dat veiligheidsregio’s hier hun verantwoordelijkheid in nemen. Ik heb u in mijn brief van 8 juli 2022 geïnformeerd over de systematiek van de gebiedsgerichte opkomsttijden. De systematiek van gebiedsgerichte opkomsttijden wordt opgenomen in het besluit Veiligheidsregio’s als voldaan is aan een aantal randvoorwaarden, waaronder het jaarlijks informeren van de betreffende gemeente over de gerealiseerde brandweerzorg.
Vindt u het wenselijk dat de opkomsttijden zo verruimd worden? Vindt u dat de veiligheid van kwetsbare mensen in noodsituaties zo goed geborgd wordt? Kunt u uw beantwoording niet beperken tot een verwijzing naar de verantwoordelijkheid van de veiligheidsregio?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het wenselijk dat er brandweerkazernes worden gesloten, wettelijke taken worden geschrapt en functies worden aangepast zonder dat de werkvloer hierbij vooraf bij is betrokken? Hoe past dit bij de wens van de Kamer dat de werkvloer meer zeggenschap krijgt bij dit soort verregaande besluiten?3
Het sluiten van kazernes is een proces dat loopt via de gemeenten, de Algemeen Besturen van Veiligheidsregio’s. Het betrekken van de werkvloer is hierbij van groot belang. Ik heb van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord begrepen dat nu eerst gesprekken met onder meer de werknemers en de gemeenten worden gevoerd en dat nadere planvorming is uitgesteld tot volgend jaar.
Hoe beoordeelt u de opmerking van het algemeen bestuur van de veiligheidsregio Gelderland-Midden, dat het maken van lokale maatwerkafspraken het uitgangspunt van een regionale brandweerzorg kan ondergraven?4
Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de brandweerzorg. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is. Actieve betrokkenheid van de gemeenteraad is hierbij van belang. Aan de hand van het vastgestelde dekkingsplan legt het bestuur jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraden binnen de regio. Hierbij is halen van in het dekkingsplan vastgestelde opkomsttijden en de gerealiseerde brandweerzorg geen vrijblijvende kwestie.
In hoeverre vindt u de zeggenschap van lokale volksvertegenwoordigers geborgd in de structuur van de veiligheidsregio? Vindt u het wenselijk dat door de huidige getraptheid van de controle op de veiligheidsregio’s de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord verregaande besluiten neemt zonder de lokale volksvertegenwoordiging te betrekken?
De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft aangegeven in de planvorming de gemeenteraden goed mee te nemen. Zo zijn in de eerste helft van juli regionale raadbijeenkomsten voor de raadsleden van de 16 gemeenten en zal een toekomstig plan via de zienswijze procedure langs de gemeenteraden gaan.
De slagkracht van een veiligheidsregio wordt door de Veiligheidsregio’s binnen het wettelijke kader, in dit geval het Besluit veiligheidsregio’s (Bvr)6, vastgesteld. Regio-specifieke omstandigheden en afwegingen spelen een rol bij de inrichting van de brandweerzorg. Het is aan het bestuur van een veiligheidsregio om daarbij te bepalen wat er nodig is aan bijvoorbeeld tankautospuiten of ondersteuningseenheden. Actieve betrokkenheid van de gemeenteraad is hierbij van belang. Aan de hand van het vastgestelde dekkingsplan legt het bestuur jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraden binnen de regio.
Bent u bereid met de veiligheidsregio Noord-Holland Noord in gesprek te gaan over uw voornemen tot wettelijke normeringen, zeggenschap van de werkvloer bij ingrijpende beslissingen en het betrekken van het lokale bestuur? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik heb het bestuur van de Veiligheidsregio uitgenodigd voor een gesprek.
Hoe is het volgens u mogelijk dat veiligheidsregio’s verregaande besluiten kunnen nemen om bijvoorbeeld kazernes te sluiten, terwijl er blijkbaar geen informatie voorhanden is over het aantal voertuigen, vrijwilligers of ander materieel? Op basis van welke informatie worden deze beslissingen dan genomen?5
Gegevens over het aantal voertuigen of ander materiaal worden niet door mijn ministerie geregistreerd. In mijn brief van 8 juli ben ik nader ingegaan op de brandweerkerndata.8
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed, inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren.
Vindt u het wenselijk dat veiligheidsregio’s onder de noemer van experimenten, pilots en «innovatieve inzetconcepten» ongecontroleerd fundamentele en grootschalige organisatorische wijzigingen kunnen doorvoeren, die feitelijk een systeemaanpassing zijn en niet in lijn zijn met de huidige wet- en regelgeving? Bent u bereid deze «innovatieve inzetconcepten» te stoppen voordat de brandweerzorg dusdanig is verslechterd dat het gevaar voor mensen oplevert en veel (onherstelbare) schade binnen de brandweerorganisatie oplevert?6
Ik ben het met u eens dat experimenten met gebiedsgerichte opkomsttijden de brandweerzorg op een gelijkwaardig niveau moet houden. Graag wijs ik erop dat de kwaliteit van de brandweerzorg de verantwoordelijkheid van de besturen van de veiligheidsregio’s is. Zij leggen daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Ik onderschrijf uiteraard dat het behoud van de huidige kwaliteit van brandweerzorg van groot belang is. Daarbij hecht ik eraan dat de besturen van de veiligheidsregio’s realistische opkomsttijden vaststellen.
Hebben de voorgenomen plannen van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord effect op de rampenbestrijding rondom het marineterrein in Den Helder? Zo ja, hoe? Zo nee, is er voldoende afstemming tussen de brandweerorganisatie die verantwoordelijk is voor de brandweerzorg op en rondom het marineterrein en de veiligheidsregio?
De veiligheidsregio Noord-Holland Noord geeft aan dat de ontwikkelrichting geen effect heeft op de rampenbestrijding rondom het marineterrein in Den Helder.
Hoe is het volgens u mogelijk dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord niet weet wat er uit het eigen dekkingsplan van 2015 volgt, zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 3 in de aangehaalde beantwoording van eerdere schriftelijke vragen?7
In de eerdere beantwoording van schriftelijke vragen inzake het schrappen van materieel en personeel heb ik aangegeven dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord de aantallen niet herkent. In antwoord drie staat dat de Veiligheidsregio nu eerst in gesprek gaat, voordat er verdere stappen worden gezet.
Bent u bereid om alsnog een overzicht te verschaffen van de bezuinigingen van de afgelopen 10 jaar op de brandweer, per veiligheidsregio, zoals eerder gevraagd? Zo nee, waarom niet?8
Het bestuur van een veiligheidsregio stelt de (meerjaren)begroting van de regio vast. Dat betekent dat het aan dat bestuur is om te bepalen, rekening houdend met de regionale situatie, op welke wijze gelden worden besteed, inclusief eventuele wijzigingen in de loop van de jaren. Voor informatie over bezuinigingen op de brandweer in de veiligheidsregio’s verwijs ik u naar de begrotingen van de afzonderlijke veiligheidsregio’s. Dit zijn openbare documenten.
Wanneer wordt het «integraal wettelijk kader» voor de crisisbeheersing en brandweerzorg verwacht?
Zoals ik heb toegezegd in het commissiedebat van 24 maart 202212 stuur ik de contourennota voor het eind van dit jaar naar de Kamer.
In hoeverre ziet u een rol voor het CBS om de data van de brandweerzorg weer bij te houden en openbaar te maken?
Vanwege opgelegde taakstellingen heeft het CBS in 2016 besloten om de uitvoering van de niet verplichte Brandweerstatistiek per 2018 te stoppen. Vanaf 2019 heeft het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) namens de veiligheidsregio’s de verantwoordelijkheid voor de dataverzameling en statistieken van de veiligheidsregio’s en het openbaar maken hiervan. Daarbij maakt het NIPV gebruik van de specialistische kennis en ervaring van het CBS. De samenwerking met het CBS is in 2018 vastgelegd en de zogenaamde data-alliantie13. Vakinhoudelijke kennis van het NIPV en de veiligheidsregio’s kunnen zo gecombineerd worden met de opgebouwde kennis van het CBS.
Naast de rol die het CBS momenteel heeft om advies te geven wanneer het NIPV hier om vraagt, zie ik om bovenstaande redenen geen rol voor het CBS om de data van de brandweerzorg weer bij te houden en openbaar te maken.
Herinnert u zich dat uit onderzoek van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) blijkt dat er volgens de veiligheidsregio’s zelf 953 brandweerposten waren, eind 2020, terwijl dat er in 1995 volgens het CBS nog 1053 waren? Hoe verklaart u dit en kunt u daarbij de bevolkingsdichtheid meenemen?9
De afname van 9,5% in het aantal brandweerposten over de 25 jaar tussen 1995 en 2020 is te verklaren doordat binnen deze tijd voormalige ca. 400 gemeentelijke brandweerkorpsen, bestaande uit ca. 1.000 lokale posten, zijn samengevoegd tot 25 brandweerregio’s. Sommige posten zijn gesloten, omdat zij werden verplaatst, samengevoegd of dat er een nieuwbouw voor in de plaats werd gerealiseerd. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s in 2010 is het aantal posten overigens beperkt afgenomen. Per 1 januari 2018 telt Nederland 951 brandweerposten. In de periode 2009–2017 zijn 21 kazernes gesloten. Enkelen daarvan zijn heropend op een nieuwe locatie of samengevoegd. Er werden in de gehele periode 2009–2017 14 nieuwe brandweerkazernes geopend15.
Deze afname in het aantal posten ten opzichte van de toename in bevolkingsdichtheid zegt overigens weinig over de geleverde brandweerzorg. In deze 25 jaren zijn er bijvoorbeeld veel nieuwe technologische ontwikkelingen geweest die het werk van de brandweer effectiever en efficiënter maken, zoals inzet van drones en blusrobots. Verder zijn posten over de jaren een beter netwerk gaan vormen waarin ze elkaar door een slimme samenstelling en spreiding ondersteunen en versterken.
Wat vindt u ervan dat uit de reacties op het onderzoek van de SP naar de brandweer naar voren kwam dat er voor brandweervrouwen, die soms kleiner van stuk zijn, niet altijd passende beschermingsmiddelen beschikbaar zijn en veiligheidsregio’s dit niet altijd adequaat oppakken? Deelt u de mening dat alle brandweerlieden veilig hun werk moeten kunnen doen?
Ik deel uw mening dat hulpverleners altijd veilig hun werk moeten kunnen doen. De veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor de uitrusting van alle brandweermensen.
Begrijpt u dat, zeker gezien de wens dat vrouwen zich welkom voelen bij de brandweer en het lage percentage werkzame brandweervrouwen, dit soort moeilijkheden waar brandweervrouwen in de dagelijkse praktijk tegenaan lopen, demotiverend kunnen werken? Bent u bereid erop toe te zien dat veiligheidsregio’s verplicht zijn voor passende beschermingsmiddelen te zorgen voor alle brandweerlieden? Zo nee, waarom niet?10
Het bestuur van de Veiligheidsregio dient als verantwoordelijk werkgever zorg te dragen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers en dat conform artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet deze geborgd is met persoonlijke beschermingsmiddelen.
De huisvesting van onderwijsexpertisecentrum De Berkenschutse |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Is u bekend dat de gemeente Heeze-Leende de nieuwbouw van Onderwijsexpertisecentrum De Berkenschutse niet kan betalen?
Op 4 juni 2021 heeft de Minister voor Basis- en Voortgezet en Media een brief ontvangen van de burgemeester van de gemeente Heeze-Leende, de Raad van Bestuur Kempenhaeghe en de Directeur van Brainport Eindhoven. In de brief staat dat de onderwijshuisvesting van de Berkenschutse aan vervanging toe is en dat de gemeente niet over voldoende middelen beschikt om nieuwbouw te realiseren. Het concrete verzoek in de brief van 4 juni 2021 is om extra geld te ontvangen aanvullend op de vergoeding die de gemeente jaarlijks krijgt voor onderwijshuisvesting. Ook wordt gevraagd voor het schoolbestuur de ruimte te creëren om mee te betalen aan nieuwbouw.
In 2020 en 2021 hebben er meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen OCW, de gemeente Heeze-Leende en het bestuur van de Berkenschutse. Daarbij zijn de mogelijkheden onderzocht om aan het verzoek tegemoet te komen.
Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente te voorzien in passende huisvesting van de school, die voldoet aan de wettelijke vereisten, zoals opgenomen in het Bouwbesluit. De reguliere oplossing in een dergelijke situatie is dat de gemeente geld reserveert of geld leent voor nieuwbouw van de school en vervolgens de rente en aflossing ten laste van de huisvestingsvergoeding brengt. De Wet op de Expertise Centra biedt geen ruimte aan schoolbesturen om mee te betalen aan nieuwbouw, tenzij het gaat om aanvullende investeringen die uitgaan boven de verplichting die de gemeente heeft.
Naar aanleiding van de brief heeft in oktober 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen de Directeur Primair Onderwijs en de burgemeester van Heeze-Leende. De burgemeester heeft gevraagd of een ambtelijke delegatie van OCW de situatie van de school wil bekijken. Het bezoek staat gepland op 1 juli 2022.
Deelt u de mening dat De Berkenschutse een unieke school is met een belangrijke bovenregionale functie, doordat de school onderwijs biedt aan bijvoorbeeld langdurig zieke leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen, leerlingen met epilepsie en leerlingen met een autismespectrumstoornis?
De Berkenschutse is een onderwijsexpertisecentrum voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dat onderwijs, vorming en begeleiding biedt aan leerlingen met epilepsie, langdurig zieke leerlingen (LZK), zeer moeilijk lerende leerlingen (ZML), ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen (EMB) en leerlingen met een autismespectrum stoornis (ASS). Een grote school voor speciaal onderwijs zoals de Berkenschutse heeft een bovenregionale, landelijke functie, maar dat is niet uniek.
Hoe verklaart u dat de gemeente Heeze-Leende onvoldoende budget heeft om adequate, toekomstbestendige huisvesting van deze school te realiseren?
Gemeenten ontvangen via de algemene uitkering van het gemeentefonds middelen voor hun taken waaronder onderwijshuisvesting. Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen, hangt af van hun kenmerken en belastingcapaciteit. Deze kenmerken heten maatstaven. Elke maatstaf heeft een bedrag voor elke «eenheid». Het gemeentefonds kent onder andere als maatstaven leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en onderwijsachterstand.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor (ver)nieuwbouw en schoolbesturen voor de materiële instandhouding van schoolgebouwen. Vanuit die verantwoordelijkheid mag van gemeenten en schoolbesturen worden verwacht dat zij in het proces van planvorming, uitvoering en onderhoud van nieuwe huisvesting goed met elkaar optrekken, rekening houdend met de bestaande bestuurlijke en financiële kaders die tot hun beschikking staan.
Deelt u de zorg dat het niet kunnen realiseren van voornoemde huisvesting ertoe zal leiden dat kwetsbare kinderen niet meer het onderwijs en de zorg kunnen ontvangen die ze hard nodig hebben, waardoor ze uit het schoolsysteem dreigen te vallen en waardoor hun kansen om uiteindelijk volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving drastisch worden ingeperkt?
Ik ga er van uit dat de Berkenschutse er ondanks de uitdaging met betrekking tot de huisvestingssituatie alles aan doet om onderwijs en zorg te bieden aan de leerlingen op hun school.
Hoeveel geld krijgen gemeenten voor huisvesting van scholen via het gemeentefonds per ingeschreven leerling in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, speciaal onderwijs, speciaal voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs en praktijkonderwijs? Van welke factoren hangt dit af?
Zoals bij vraag 3 aangegeven ontvangen gemeenten via de algemene uitkering van het gemeentefonds middelen voor hun taken waaronder onderwijshuisvesting. Hoeveel geld gemeenten uit het gemeentefonds krijgen, hangt af van hun kenmerken en belastingcapaciteit. Deze kenmerken heten maatstaven. Elke maatstaf heeft een bedrag voor elke «eenheid». Het gemeentefonds kent onder andere als maatstaven leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en onderwijsachterstand.
Vindt er differentiatie plaats tussen verschillende clusters in het speciaal onderwijs wat betreft het budget dat gemeenten ontvangen voor huisvesting? Zo ja, hoe ziet deze differentiatie eruit?
Nee, zoals bij vraag 5 aangegeven ontvangen de gemeenten geen geoormerkt budget voor huisvesting. Gemeenten ontvangen middelen uit het gemeentefonds op basis van maatstaven en deze middelen zijn vrij besteedbaar. Het is aan de gemeenteraad om te bepalen hoe die middelen worden besteed.
Zijn er meer signalen bekend van kleine gemeenten die de financiering van nieuwbouw van scholen met een uniek en bovenregionaal karakter niet rondkrijgen?
Ja er zijn meer signalen. Drie gemeenten die scholen hebben met een regiofunctie en daardoor meer dan 150 leerlingen per duizend inwoners hebben, hebben aangegeven dat de vergoeding voor de onderwijshuisvesting niet toereikend is om aan de verplichting met betrekking tot de onderwijshuisvesting te voldoen. Een andere gemeente geeft aan de financiering van een uitbreiding van een school niet rond te krijgen voor een school waar een derde van de leerlingen van buiten de gemeente komt.
Hoe worden kleine gemeenten, voor wie nieuwbouw van een school een groot deel van het budget kan zijn, ondersteund bij de financiering van huisvesting voor scholen?
Zoals aangegeven bij vraag 5 ontvangen gemeenten voor nieuwbouw van een school middelen uit het gemeentefonds. Het gemeentefonds kent onder andere als maatstaven leerlingen in het voortgezet onderwijs en leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs en onderwijsachterstand. Het is aan de gemeenteraad om te bepalen hoe die middelen worden besteed.
Kunt u toezeggen zich in te spannen voor de leerlingen van De Berkenschutse, opdat zij naar school kunnen blijven gaan in een omgeving die voldoet aan de kwaliteitseisen en aan de specifieke behoeften van leerlingen op het gebied van zorg en onderwijs?
Op 1 juli 2022 bezoeken ambtenaren van OCW de Berkenschutste. Daarbij zal de situatie worden bekeken en nogmaals worden besproken wat er binnen de beperkingen die de wet oplegt mogelijk is. Over de uitkomsten informeer ik u na de zomer.
Het memorandum van het Nationaal Comité 4 en 5 mei |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het fragment in de toelichting van het memorandum over de «De koloniale oorlog in Indonesië», waarin staat: «We herdenken alle Nederlandse en Indonesische slachtoffers die hier vielen.»?
Ja.
Is het juist dat het Nationaal Comité 4 en 5 mei bij vragen van Kamerleden hierover verwijst naar het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?
Ja.
Kunt u aangeven wie met deze slachtoffers worden bedoeld en waar zij volgens u slachtoffer van zijn?
Sinds 1961 worden alle burgers en militairen die «in het belang van het Koninkrijk zijn gevallen» herdacht. Zowel de Japanse bezetting als de periode 1945–1949 zijn derhalve impliciet al decennia verankerd in de Nationale Herdenking. Het Nationaal Comité 4 en 5 mei (NC) geeft in het memorandum aan dat alle oorlogsslachtoffers van de koloniale oorlog in Indonesië worden herdacht. Dit betreft zowel Nederlandse als Indonesische oorlogsslachtoffers.
Verder geeft het NC bij de kranslegging voor burgerslachtoffers in Azië aan dat er burgers worden herdacht die zijn omgekomen «als gevolg van verzet, internering, oorlogsgeweld, uitputting, honger en dwangarbeid».
Kunt u daarnaast aangeven wat uw overwegingen zijn om deze groep op te nemen in de herdenking en op wiens initiatief of opdracht dit is gebeurd?
Het initiatief is door het NC zelf genomen. Het NC is een onafhankelijke organisatie die zelfstandig besluit over de wijze waarop de herdenking op 4 mei wordt vormgegeven. Dit betreft ook eventuele tekstaanpassingen van het memorandum.
Bent u zich bewust van het feit dat onder «Indonesische slachtoffers» van de «koloniale oorlog» ook Indonesiërs vallen die vochten voor de toenmalige vijand?
Ja.
Bent u zich bewust van het feit dat er zich onder de «slachtoffers» aan Indonesische zijde ook oorlogsmisdadigers bevinden?
Tijdens de Nationale Herdenking staat het herdenken van slachtoffers centraal, dat is niet hetzelfde als zij die vochten en eventuele oorlogsmisdadigers.
Begrijpt u dat het herdenken van deze «Indonesische slachtoffers», met name de «slachtoffers» die vochten voor de toenmalige vijand, op nota bene 4 mei voor veel (Indisch-)Nederlandse slachtoffers zeer pijnlijk is, omdat zij de facto gedwongen worden om de daders van hun leed eer te bewijzen?
Ik ben mij ervan bewust dat er vanuit de Indische gemeenschap verschillend wordt gereageerd op het herdenken van Indonesische slachtoffers tijdens de Nationale Herdenking. Sommige Indische Nederlanders ervaren dit als pijnlijk, anderen spreken hiervoor waardering uit.
Bent u ervan op de hoogte dat Indonesiërs tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog gruwelijk hebben huisgehouden onder aanvankelijk met name (Indische) Nederlanders en dat – ook volgens historici als bijvoorbeeld dr. Herman Bussemaker – dit Indonesische (Bersiap-)geweld allesbepalend is geweest voor de identiteitsvorming van Indische Nederlanders?
Ik ben mij ervan bewust dat zowel in de Tweede Wereldoorlog als de periode daarna burgers en militairen zijn omgekomen en vermoord in voormalig Nederlands-Indië. De periode direct na de Tweede Wereldoorlog, de periode die in Nederland bekend staat als de Bersiap, kenmerkte zich door extreem geweld waarvan vele bevolkingsgroepen slachtoffer waren. Ik besef dat deze verschrikkelijke ervaringen tot op de dag van vandaag doorwerken.
Begrijpt u dat het voor deze groep, waarvan het leed sowieso in ons collectieve geheugen vrij onbekend is, zeer pijnlijk is dat daar nu opnieuw aan voorbij lijkt te worden gegaan?
Bij de Nationale Herdenking worden alle oorlogsslachtoffers herdacht. Het herdenken van de ene groep slachtoffers gaat niet ten koste van het herdenken van andere slachtoffers. Verder zet ik mij ervoor in dat de kennis over de geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië in de Nederlandse samenleving wordt verankerd, inclusief de zwarte bladzijden.
Begrijpt u het gevoel van woede en miskenning van (Indische) Nederlanders, doordat Indonesische daders door het comité nu als slachtoffers worden neergezet?
Ik deel het beeld niet dat het NC nu daders neerzet als slachtoffers. Gevoelens van woede en miskenning jegens gebeurtenissen in het verleden en heden zijn ingewikkeld om volledig en altijd te begrijpen en in alles rekening mee te houden. Maar ik heb zeker begrip voor de wezenlijke plek die deze gevoelens kunnen innemen in het bestaan van de mensen die zich hier miskend voelen.
In hoeverre is het herdenken van slachtoffers van de toenmalige vijand te verenigen met het nationale/Nederlandse karakter van de Nationale Dodenherdenking?
De geschiedenis van voormalig Nederlands-Indië is een integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis. Het herdenken van alle slachtoffers in voormalig Nederlands-Indië sluit derhalve aan bij het karakter van de Nationale Herdenking op 4 mei.
Heeft u hierover contact gehad met vertegenwoordigers van de gemeenschap van Indische Nederlanders en vertegenwoordigers van de Veteranen? Zo ja, met wie en wanneer?
Het NC is een onafhankelijke organisatie die zelfstandig besluit over de wijze waarop de herdenking op 4 mei wordt vormgegeven. Dit betreft ook eventuele tekstaanpassingen van het memorandum en de partijen die hierbij worden betrokken. Het NC is overigens continu in gesprek met verschillende (Indische) organisaties en belangengroepen.
De toegezegde brief aan het lid Rajkowski (VVD) tijdens het Commissiedebat Telecomraad van 31 mei 2022 over de mogelijke gevaren rondom het uitschakelen van 2G en 3G in 2025 |
|
Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het 2G en 3G netwerk in 2025 uitgeschakeld wordt en dat hiermee het niet meer mogelijk is om 2G en 3G te gebruiken om te bellen, maar alleen 4G of 5G?
Er zijn momenteel drie mobiele netwerkaanbieders die 2G- of 3G-netwerken hebben: KPN, T-Mobile, en VodafoneZiggo.
Op basis van deze informatie begint de afschakeling van het laatste 2G-netwerk in december 2025. Het 3G-netwerk van T-Mobile is dan mogelijk nog wel actief. Als dit zou gebeuren dan kunnen klanten van KPN en VodafoneZiggo alleen nog maar bellen via 4G of 5G. Echter, uit de gesprekken die de afgelopen maanden met de mobiele netwerkaanbieders zijn gevoerd blijkt dat zij deze afschakeling zeer zorgvuldig willen uitvoeren. Zij zijn zich bewust van de problemen die er bestaan in de ondersteuning van bellen via 4G. Zo lang deze problemen bestaan is het onwaarschijnlijk dat zij hun 2G- en/of 3G-netwerken volledig uitschakelen. Die zorgvuldigheid blijkt ook uit de reeds verrichte afschakelingen van bijvoorbeeld 3G door VodafoneZiggo, en ISDN door KPN.
Heeft het kabinet invloed op het moment van uitschakeling van het netwerk? Zo nee, waarom niet?
In beginsel niet. Marktpartijen mogen zelf bepalen welke technologie zij wel of niet toepassen. En dus ook wanneer zij welke netwerken uitschakelen. Het beleid is gestoeld op het principe van technologieneutraliteit.5 2G en 3G kunnen in de praktijk alleen worden aangeboden via de 900 MHz-, 1800 MHz- en 2100 MHz-banden. De vergunningen voor die banden bevatten geen verplichting om een specifieke technologie zoals 2G of 3G toe te passen. Het Europees wetgevend kader zoals geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet en het Frequentiebesluit 2013 lijken het alsnog opleggen van zo’n voorschrift niet onmogelijk te maken. Maar ik acht het momenteel niet noodzakelijk of wenselijk om dat te doen.
Ik vind het namelijk een logische en goede ontwikkeling dat de overstap naar nieuwe hoogwaardigere technologieën wordt gemaakt, mits de uitfasering zorgvuldig gebeurt en tijdig en duidelijk wordt aangekondigd. 2G en 3G zijn minder efficiënte technologieën dan 4G of 5G. Er kan minder data mee worden vervoerd per (M)Hz en het energieverbruik van 2G en 3G ligt hoger dan van 4G en 5G. Volledig overschakelen op 4G, 5G en toekomstige opvolgers, is dus belangrijk om de groei van het dataverbruik te adresseren, en om voor meer energie-efficiëntie te zorgen. Op dit moment heb ik er vertrouwen in dat de uitfasering zorgvuldig gaat plaatsvinden en ingrijpen op het moment van afschakeling daarom momenteel niet nodig is.
Wat zijn de concrete gevolgen voor burgers en bedrijven van het uitschakelen van 2/3G voor bellen en overig gebruik van de telefoon?
Als de industrie er in slaagt om de ondersteuning van bellen via 4G (en op termijn ook 5G) op orde te krijgen dan hoeven er geen nadelige gevolgen te zijn voor burgers en bedrijven. Zij krijgen dan juist een verbeterde kwaliteit van telefoongesprekken. Het kan wel noodzakelijk zijn voor burgers en bedrijven om nieuwe toestellen te kopen, of de software op hun toestellen te updaten.
Voor D66 is het belangrijk dat het bereiken van 112 niet afhankelijk is van welke toestel of welke provider iemand heeft. Is het bellen met 4/5G (VoLTE) even betrouwbaar als het regulier bellen zoals we deze nu kennen? Is het mogelijk/eenvoudig voor iedereen om met welke toestel dan ook, en met welke provider elkaar te bereiken?
Op dit moment is de ondersteuning voor bellen via 4G of 5G niet even betrouwbaar als voor bellen via 2G of 3G. Daar wordt echter aan gewerkt door de industrie. Dit moet leiden tot eenzelfde betrouwbaarheid waardoor iedereen, ongeacht het toestel dat die persoon heeft, kan bellen naar 112. Ook als iemand geen dekking heeft van het netwerk van zijn eigen aanbieder, maar er wel dekking is van een ander netwerk.
Er zijn geen problemen bekend met bellen via 4G (of 5G) waardoor klanten van de ene provider niet kunnen bellen met klanten van een andere provider.
Wat zullen de verdere gevolgen zijn van deze ontwikkeling voor de bereikbaarheid van alarmnummer 112?
Als de industrie er in slaagt om de ondersteuning van bellen via 4G (en op termijn ook 5G) op orde te krijgen dan zal de bereikbaarheid van 112 waarschijnlijk iets verbeteren. 4G en 5G werken onder meer op lagere frequenties dan 2G en 3G. Lagere frequenties reiken verder en dringen makkelijker door muren en andere obstakels heen. Dit vergroot het bereik van de mobiele netwerken. Bovendien kan bellen via 4G al bij een mindere kwaliteit van het netwerksignaal dan wat 2G of 3G nodig hebben. In de gevoerde gesprekken is door mobiele netwerkaanbieders wel opgemerkt dat de ontvangstkwaliteit van nieuwe toestellen soms slechter is dan die in het verleden was.6 Die slechtere ontvangstkwaliteit doet het grotere bereik van 4G en 5G netwerken gedeeltelijk teniet. Niettemin lijkt bellen via 4G of 5G per saldo een lichte verbetering op te leveren.
Kunt u verder toelichten in hoeverre de techniek rondom VoLTE hierin een mogelijk rol kan spelen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 5, waarin wordt ingegaan op de technologie van bellen via 4G, ook wel VoLTE genoemd.
Kunt u toelichten wat de rol van Europa en Nederland is bij het maken van goede standaarden voor VoLTE? Zoals in het verleden het GSM standaard tot stand is gekomen.
VoLTE is opgesteld door de internationale standaardisatieorganisatie 3GPP.7 3GPP ontwikkelt en beheert moderne mobiele netwerktechnologieën, zoals ook 4G en 5G. 3GPP is een wereldwijd samenwerkingsverband van standaardisatieorganisaties. Zoals het Europese ETSI waar onder meer het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, de politie, en de Europese Commissie lid van zijn. Via ETSI kan invloed worden uitgeoefend op de (door)ontwikkeling van standaarden zoals VoLTE. In de praktijk is dat voor VoLTE niet gebeurd.
Kunt u garanderen dat het in de toekomst niet uit moet maken welke provider je gebruikt om te bellen, zoals naar het 112 nummer? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid zich in te zetten om dit mogelijk te maken?
Op dit moment kan ik dat niet garanderen. Maar ik zet ik mij daar wel voor in. Net als de deelnemers van de bijeenkomsten die ik recent heb georganiseerd. Ik heb dit nader toegelicht in de brief die samen met deze beantwoording aan uw Kamer is gestuurd.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden, tegelijkertijd met wanneer de aanvullende brief naar de Kamer wordt gestuurd?
Ja, met een uitzondering van het antwoord op vraag 8. Daarvoor verwijs ik u naar de Kamerbrief.