De gedupeerde Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel.
Erkent u dat vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport duidelijke verwachtingen zijn gewekt bij Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) ten aanzien van de overgangsregeling naar GZ-psycholoog? Bent u van mening dat u heeft gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur richting zorgverleners die daarom met de K&J-opleiding is begonnen? Kunt u in uw beantwoording in het bijzonder ingaan op het vertrouwensbeginsel?
Ik ben bekend met de zorgen van een deel van de beroepsgroep K&J-psychologen en de wijze waarop zij de communicatie rondom het conceptwetsvoorstel heeft ervaren. Zij zijn van mening dat gedurende beleidsvoorbereiding van een mogelijk wetsvoorstel verwachtingen zijn gewekt over het reguleren van één nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» (een samenvoeging van de K&J-psycholoog NIP en de gz-psycholoog). De stelling dat hierbij vanuit het kabinet verwachtingen zijn gewekt over de doorgang van het wetsvoorstel, deel ik niet.
In het wetgevingsproces is het gebruikelijk dat over voorgenomen beleid en concepten voor wetsvoorstellen wordt gecommuniceerd, zoals via nieuwsberichten, brieven aan uw Kamer en tijdens de internetconsultatie.
De communicatie vanuit het Ministerie van VWS over het conceptwetsvoorstel had betrekking op een beleidsvoornemen dat nog in voorbereiding was en nog in consultatie moest gaan. Er was geen sprake van een ingediend voorstel of aangenomen wet. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom nieuwsberichten over dit conceptwetsvoorstel zich beperken tot hoofdlijnen en waarom er nog geen details over de verdere uitwerking en voorwaarden konden worden verstrekt. Uiteraard is VWS niet verantwoordelijk voor communicatie of verwachtingen die door derden in het veld worden geuit.
Na een analyse van de ruim 2.300 overwegend negatieve reacties op de internetconsultatie bleek dat het voorstel onvoldoende bijdraagt aan de beoogde doelstellingen, zoals het vereenvoudigen van de beroepenstructuur en het verbeteren van transparantie. Onder meer bleek uit de reacties dat het voorstel juist tot meer verwarring kan leiden, zowel bij zorgprofessionals als bij cliënten. Bovendien was er voor het voorstel onvoldoende draagvlak onder BIG-geregistreerde en niet-BIG geregistreerde beroepsgroepen. Hiernaast kan omzetting van K&J- psychologen naar een BIG-beroep leiden tot onnodige hoge zorgkosten, is dit niet proportioneel, en niet nodig voor het borgen van de kwaliteit van zorg, de patiëntveiligheid en continuïteit van jeugdhulp. Om voornoemde redenen is de Tweede Kamer op 21 november 2024 via de Verzamelbrief Wet BIG 2024 geïnformeerd over het besluit om het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur in de psychologische zorg niet door te zetten.2
Zoals mijn voorganger in het tweeminutendebat op 26 november 20253 heeft aangegeven, heeft een groep K&J-psychologen vooruitlopend op politieke besluitvorming, geheel op eigen initiatief geanticipeerd op het conceptwetsvoorstel door te kiezen voor bepaalde opleidingen met het oog op de mogelijk toekomstige situatie.4 Tijdens een wetgevingsproces kunnen plannen regelmatig wijzigen of worden ingetrokken. Een wetsvoorstel is pas definitief nadat het door beide Kamers is aanvaard en vervolgens tot wet is verheven. Tot dat moment zijn conceptwetsvoorstellen uitsluitend beleidsvoornemens waarop geen aanspraken kunnen worden gebaseerd. Het zorgvuldigheidsbeginsel is in acht genomen door het conceptwetsvoorstel in consultatie te brengen en de reacties zorgvuldig te analyseren voordat een besluit werd genomen over het al dan niet voortzetten van het voorstel. De internetconsultatie liet zien dat het voorstel de beoogde doelen niet zou realiseren, zelfs negatieve effecten met zich mee zou brengen, en op onvoldoende draagvlak kon rekenen, hetgeen het besluit om het conceptwetsvoorstel niet door te zetten rechtvaardigt. In dat licht deel ik niet de conclusie dat door het Ministerie van VWS duidelijke verwachtingen zijn gewekt over dat de in het conceptvoorstel voorgestelde beroepenstructuur ongewijzigd zou worden ingevoerd of dat een overgangsregeling zou volgen. Ik ben daarom van mening dat is gehandeld in overeenstemming met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel.
Overigens staat het zorgverleners vrij om op basis van een beleidsvoornemen keuzes te maken in opleiding of loopbaan, maar deze keuzes worden dan gemaakt in een context waarin het wetgevingsproces nog niet is afgerond en uitkomsten kunnen wijzigen of niet doorgaan. Net als bij andere conceptwetsvoorstellen en beleidsvoornemens die uiteindelijk niet worden doorgezet, leidt het niet doorzetten van dit conceptwetsvoorstel en de communicatie hierover niet tot een overgangs- of coulanceregeling voor K&J-psychologen die zich hebben omgeschoold.
Zoals in mijn brief op 18 maart 2026 aan uw Kamer5 gemeld is dit op 4 februari 2026 door mijn ambtsvoorganger in het rondetafelgesprek met veldpartijen uit de ggz6 nogmaals toelicht. Veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen. Bovendien is tijdens het rondetafelgesprek afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken hoe K&J-psychologen breed ingezet kunnen worden.
Bent u bereid om alsnog spoedig in overleg te treden met deze groep van ongeveer 1.000 K&J-psychologen die door het intrekken van het wetsvoorstel (financieel) gedupeerd is, om met hen tot een passende overgangsregeling te komen, zoals de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598) eerder al vroeg?
Met het organiseren van een rondetafelgesprek met relevante veldpartijen heb ik uitvoering gegeven aan de motie Bushoff/Van den Hil.7 Zoals ook in mijn brief van 18 maart 20268 aan uw Kamer gemeld, had het rondetafelgesprek van 4 februari 2026 als doel om vanuit een faciliterende rol veldpartijen met elkaar in gesprek te brengen over knelpunten in de praktijk rond de inzet van K&J-psychologen, in het bijzonder in relatie tot het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en het regiebehandelaarschap, en om ruimte te bieden voor het bespreken van mogelijke verbeteringen in de inzet en benutting van deze beroepsgroep.
De agenda voor dit rondetafelgesprek is in overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, waaronder zowel K&J-psychologen als gz-psychologen, opgesteld. Voor dit rondetafelgesprek zijn de partijen uitgenodigd die betrokken zijn bij de betreffende veldnormen en kaders. Het NIP heeft aangegeven de belangen van K&J-psychologen te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan het collectief van K&J-psychologen kenbaar gemaakt dat zij hun inbreng via het NIP konden aanleveren.
In reactie op de motie is uw Kamer ook geïnformeerd over het feit dat aan beleidsvoornemens bij een conceptwetsvoorstel geen rechten kunnen worden ontleend en dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen niet aan de orde is.9 Ik ben continu in overleg met vertegenwoordigers van beroepsverenigingen, brancheorganisaties en cliëntenorganisaties en verwijs hierbij ook graag naar mijn antwoord op uw tweede vraag en het feit dat veldpartijen hebben bevestigd dat zij dit standpunt begrijpen.
Waarom heeft u niet overwogen om de wijziging van de wet BIG te beperken tot het opnemen van de K&J-psycholoog, aangezien uit de analyse van KPMG bleek dat de kritiek op het wetsvoorstel zich vrijwel uitsluitend richtte op het samenvoegen van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut?2
Ik herken die conclusie niet, aangezien uit de analyse van de internetconsultatie door KPMG niet blijkt dat de kritiek zich vrijwel uitsluitend richtte op de voorgestelde samenvoeging van de beroepen klinisch psycholoog en psychotherapeut.11
Uit de analyse blijkt dat in totaal 2.295 reactie op het conceptwetsvoorstel inhoudelijk zijn geanalyseerd. KPMG concludeert dat circa 85% van de respondenten negatief stond tegenover het wetsvoorstel in de voorgestelde vorm. Daarbij hadden de reacties betrekking op meerdere onderdelen van het voorstel en niet uitsluitend op één specifieke samenvoeging. In de analyse wordt onder meer gewezen op zorgen over de nieuwe beroepenstructuur, de gehanteerde terminologie, de uitvoerbaarheid van het voorstel, het draagvlak binnen de sector en de mogelijke gevolgen voor verschillende beroepsgroepen. Ook zijn afzonderlijke reacties van K&J-psychologen in de analyse betrokken. Daarnaast liepen de reacties uiteen ten aanzien van het deskundigheidsgebied van de nieuwe gz-psycholoog-generalist, waaronder de samenvoeging van gz-psychologen en K&J-psychologen, en de gevolgen daarvan voor de afbakening en herkenbaarheid van verschillende beroepsgroepen. Ook blijkt uit deze analyse dat veel respondenten van mening waren dat het conceptwetsvoorstel onvoldoende zou bijdragen aan de beoogde doelstellingen, waaronder het vereenvoudigen van de beroepenstructuur in de psychologische zorg en het vergroten van de transparantie voor patiënten en verwijzers en juist zou leiden tot meer onduidelijkheid.
Zoals in de brief aan uw Kamer van 12 november 202412 toegelicht is mede op basis van de zorgvuldige analyse van de reacties uit de internetconsultatie geconcludeerd om het gehele conceptwetsvoorstel niet door te zetten.
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz?
Ik deel de veronderstelling niet dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het verminderen van de wachtlijsten in de volwassen-ggz. De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment toereikend geacht om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel heeft geen effect op de capaciteit van de betrokken zorgmedewerkers. De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog wordt op dit moment toereikend geacht om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Zoals aan uw Kamer op 22 mei 2026 gemeld, stel ik voor de gz-psycholoog opleidingsplaatsen beschikbaar conform het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan verminderd met het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie jaar.13 Ik verwacht dat dit aantal gecombineerd met de reeds 21.451 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen14 voor wat betreft deze beroepsgroep voldoende zal bijdragen aan de zorg in de ggz. Het is belangrijk dat er niet meer wordt opgeleid dan door het Capaciteitsorgaan geadviseerd om een zogenoemde varkenscyclus te voorkomen.
De oorzaken van de oplopende wachttijden in de geestelijke gezondheidszorg zijn divers en niet zonder meer terug te voeren op uitsluitend het aantal BIG-geregistreerde gz-psychologen. Zoals in mijn brief aan uw Kamer op 22 mei 202615 gemeld zie ik dat het ophogen van het aantal opleidingsplekken van gz-psychologen in algemene zin16, niet bijdraagt aan meer capaciteit in de gespecialiseerde ggz omdat – zoals ook in diverse rapporten17 geconstateerd – de uitstroom van gz-psychologen uit de ggz-instellingen naar de vrijgevestigde praktijken hoog is. Het moge duidelijk zijn dat met het meer opleiden van gz-psychologen de verschuiving naar complexere zorg niet zomaar te realiseren valt. Om de verschuiving naar complexere zorg te bevorderen zal ik een verkenning starten naar alternatieven voor de huidige financiering, die middels een beschikbaarheidsbijdrage loopt, van opleidingsplekken voor gz-psychologen. Daarbij zal ik nadrukkelijk de mogelijkheden verkennen om de acute en complexe ggz beter in staat te stellen om prikkels in te bouwen zodat de door hen opgeleide gz-psychologen langer voor de acute en complexe ggz blijven behouden. Tegelijkertijd kan het bestaande proces, dat zorgvuldig is vormgegeven, niet zomaar worden vervangen. Ook dat zal ik meenemen in de verkenning.
Hiernaast spelen ook organisatorische factoren een rol. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) signaleert dat een gebrek aan samenwerking tussen zorgaanbieders leidt tot langere wachttijden en dat er nog onvoldoende afspraken zijn gemaakt over de verdeling van verantwoordelijkheden voor cliënten die op een wachtlijst staan. Hierdoor kent het terugdringen van de wachttijden in de ggz geen simpele oplossing, maar is een brede aanpak en een lange adem nodig. Met het IZA, het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA), de Aanpak Mentale gezondheid van ons allemaal en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord zetten we samen met aanbieders en verzekeraars belangrijke stappen.18
Bent u het ermee eens dat het voor de overgang van 18– naar 18+ zeer wenselijk is dat K&J-psychologen via de BIG-registratie ook aan de slag kunnen als GZ-psycholoog? Erkent u dat dit bijdraagt aan betere kwaliteit van zorg?
De overgang van 18- naar 18+ vraagt om goede samenwerking en afstemming tussen zorgprofessionals in de jeugd- en volwassen-ggz, maar daarvoor is een specifieke overgang van K&J-psychologen naar registratie als GZ-psycholoog niet noodzakelijk.
K&J-psychologen kunnen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext en kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Daarnaast bestaat er een overgangsregeling19 voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden: zij kunnen hun behandeling tijdelijk voortzetten onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis/vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap. De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Zoals in de brief van 18 maart 202620 aan uw Kamer gemeld, is hierover, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.21 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
Het uitgangspunt van de Wet BIG is dat beroepen alleen worden gereguleerd indien dat noodzakelijk is voor het bewaken van de patiëntveiligheid en kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar.22 Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022 aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is, omdat de kwaliteit van de zorg reeds voldoende wordt gewaarborgd, onder meer via het Kwaliteitsregister Jeugd.23 K&J-psychologen kunnen al werken in de jeugdhulp en kunnen dat blijven doen, aangezien voor deze groep de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing is.
Verzoeken tot regulering van beroepen komen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit van de individuele zorgverlener, maar hangen samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning of declaratiemogelijkheden.24 Dit acht ik onwenselijk. Onnodige regulering kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit. Daarom is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en patiëntveiligheid.
Erkent u dat de overgangsregeling van 365 dagen die op dit moment geldt, tekortschiet voor een goede overgang? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat jongvolwassenen door het ontbreken van een goede overgangsregeling noodgedwongen opnieuw op een wachtlijst komen?
Zoals ik in mijn brief van 18 maart 202625 aan uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing. De hierin opgenomen overgangsregeling26 van jeugd-ggz naar volwassen-ggz is sinds 1 januari 2017 van toepassing en is opgesteld in samenwerking tussen zorgaanbieders, beroepsgroepen, zorgverzekeraars en andere relevante betrokkenen.27
De periode rond het achttiende levensjaar is een kwetsbare fase voor jongeren met psychische problematiek. Het is daarom van belang om de continuïteit van zorg te waarborgen bij de overgang van jeugdhulp naar zorg op grond van de zorgverzekeringswet (Zvw). De overgangsregeling dient hierin ter ondersteuning door behoud van de opgebouwde behandelrelatie voor een periode van één jaar mogelijk te maken.
De overgangsregeling in het LKS kent een maximale duur van 365 dagen en is erop gericht de continuïteit van zorg te waarborgen, door afronding van de behandeling of een zorgvuldige overdracht naar de volwassen-ggz mogelijk te maken. Het is de bedoeling dat de overgangsregeling in het LKS wordt benut als overbruggingsperiode om een soepele overgang zonder abrupte beëindiging van zorg te realiseren. Dit betekent dat deze periode gebruikt wordt als overbrugging van de jeugd-ggz naar de volwassen-ggz in het geval dat de behandeling niet in deze periode kan worden afgerond. Binnen deze periode staat een zorgvuldige voorbereiding op de overgang centraal.
Samen met gemeenten, jeugdhulpaanbieders en zorgverzekeraars wordt ingezet op verdere verbetering van de overgang van jeugdhulp naar de volwassen-ggz als geheel. Dit onderwerp maakt daarom onderdeel uit van de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ.
Deelt u de mening dat dit, in tegenstelling tot wat u eerder in Kamerbrieven stelde, juist een besparing kan opleveren in plaats van hogere kosten?
Die conclusie deel ik niet. Zoals eerder aan uw Kamer is toegelicht, is geconcludeerd dat omzetting van K&J-psychologen naar een BIG-beroep kan leiden tot hogere zorgkosten. Deze hogere zorgkosten vormden één van de redenen voor het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel en is gebaseerd op de impactanalyse van SIRM.28 In dit rapport is expliciet berekend dat de opname van K&J-psychologen in artikel 3 Wet BIG zou leiden tot een stijging van loonkosten met circa € 6 miljoen per jaar, uitgaande van ongeveer 460 fte K&J psychologen en een gemiddeld loonverschil van € 12.000 per fte. Wanneer deze berekening wordt doorgetrokken naar een groep van bijvoorbeeld 1.000 K&J-psychologen zal dit naar verwachting naar rato hoger uitkomen.
De beschikbaarheid van opleidingsplaatsen en de daaraan verbonden publieke bekostiging is gebaseerd op de instroombehoefte op basis van de raming door het Capaciteitsorgaan. Daar bovenop heeft het Zorginstituut Nederland in 2022 geconcludeerd dat er geen sprake is van een eenduidige opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP die voldoet aan de criteria voor opname in artikel 3 van de Wet BIG. Daarbij heeft het Zorginstituut vastgesteld dat meerdere routes kunnen leiden tot registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.29 Dit onderscheidt zich van de opleiding tot gz-psycholoog, die is vormgegeven als een wettelijk gereguleerde BIG-opleiding met een landelijk vastgesteld curriculum, uniforme opleidingseisen en publiekrechtelijke kwaliteitsborging. Voor de instroom in de opleiding tot gz-psycholoog is daarbij niet alleen de eerdere opleiding van betrokkenen relevant, maar ook de eisen die specifiek verbonden zijn aan het BIG-beroep gz-psycholoog en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheden.
Dat in het veld wordt gesproken over overlap of inhoudelijke verwantschap tussen opleidingen, doet niet af aan het feit dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheidende kaders en eindtermen. Dat K&J-psychologen en gz-psychologen in de praktijk vergelijkbare werkzaamheden kunnen verrichten in het jeugddomein, laat dit onverlet. De keuze om al dan niet te starten met de opleiding tot gz-psycholoog blijft een individuele keuze binnen deze bestaande structuur.
Ten slotte, zoals genoemd in de kabinetsreactie van 22 mei 2026 op de raming van het Capaciteitsorgaan, ben ik voornemens om vanaf 2028 voor een beperkt aantal psychologen een verkort opleidingstraject te realiseren.30 Dit om perspectief te bieden aan psychologen die al langere tijd wachten op een vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben. Hierbij zal de randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Erkent u dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen, in tegenstelling tot wat u eerder aangaf, juist leidt tot een méér flexibele arbeidsmarkt, aangezien zij vanwege ontbrekende regelgeving nu niet kunnen doorstromen naar functies waar de meeste tekorten zijn?
Het doel van de Wet BIG is om de patiëntveiligheid te bewaken en de kwaliteit van de individuele beroepsbeoefenaar te bevorderen. Zoals ik op 18 maart 2026 aan uw Kamer heb gemeld komen verzoeken tot regulering van beroepen niet altijd voort uit overwegingen van patiëntveiligheid of kwaliteit van zorg, maar hangen deze samen met bijvoorbeeld verwachtingen over positie, beloning of declaratiemogelijkheden.31 Dit acht ik onwenselijk. Onnodige regulering kan de inzetbaarheid en mobiliteit van zorgprofessionals beperken en daarmee negatieve effecten hebben op de arbeidsmarkt, zoals tekorten en verminderde flexibiliteit en onnodige administratieve lasten. Daarom is het van belang terughoudend om te gaan met regulering en alleen in te zetten waar dit daadwerkelijk noodzakelijk is voor de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en patiëntveiligheid.
Daarnaast wordt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) juist ingezet op het beter benutten van de beschikbare zorgcapaciteit door middel van taakdifferentiatie en taakherschikking, waarbij taken worden verdeeld op basis van competenties en bekwaamheid. In dat kader wordt ook gewerkt aan een betere en doelmatigere invulling van opleidings- en instroomcapaciteit binnen de ggz, waaronder voor het specialisme klinisch psycholoog, zodat schaarse capaciteit zo effectief mogelijk wordt ingezet binnen het bestaande stelsel.
Daarmee wordt binnen het bestaande stelsel beoogd de inzet van professionals te optimaliseren en de schaarse capaciteit zo doelmatig mogelijk in te zetten.
Erkent u vervolgens ook dat het gelijkschakelen van K&J-psychologen met GZ-psychologen kan leiden tot minder administratieve lastendruk?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat het mogelijk is om, zoals in de Twentse gemeenten blijkbaar het geval is, af te wijken van het Landelijk Kwaliteitsinstituut GGZ (LKS) dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn? Geldt dit dan uitsluitend voor de Jeugdwet (jeugd-ggz) of ook voor de Zorgverzekeringswet (volwassen-ggz)?
K&J-psychologen kunnen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext en kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn. Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing.
Daarnaast bestaat er een overgangsregeling32 voor cliënten die tijdens hun behandeling 18 jaar worden: zij kunnen hun behandeling tijdelijk voortzetten onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis/vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). Voor de volwassen ggz geldt op grond van het LKS dat het regiebehandelaarschap is voorbehouden aan zorgverleners met een BIG-registratie. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt geen eisen aan het regiebehandelaarschap. De eis uit het LKS kan als beperkend worden ervaren voor een brede en flexibele inzet van K&J-psychologen. Aangezien deze beperking voortvloeit uit veldafspraken en niet uit wettelijke bepalingen, ligt het in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Binnen het LKS is het zogenoemde «comply or explain»-principe van toepassing.33 Dit principe houdt in dat zorgaanbieders zich in beginsel aan het LKS houden, maar daar incidenteel en gemotiveerd van kunnen afwijken in hun eigen kwaliteitsstatuut. Zorgverzekeraars, IGJ en NZa houden hier toezicht op.
Partijen kunnen in beginsel zelf afspraken maken over de invulling van dit principe binnen het LKS. Daarbij geldt wel dat eventuele uitzonderingen zeer specifiek moeten worden uitgewerkt, bijvoorbeeld naar type zorgsetting en doelgroep. Het Ministerie van VWS heeft hierbij geen inhoudelijke rol.
Het onderwerp van de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen binnen het LKS is ook aan de orde geweest tijdens het rondetafelgesprek dat op 4 februari 2026 met veldpartijen uit de ggz heeft plaatsgevonden.34 In dat gesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken hoe K&J-psychologen breder kunnen worden ingezet, onder andere door te kijken naar de mogelijkheden binnen de veldafspraken in LKS. Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welk eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken.
De opleiding en BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Twentse psychologen vallen tussen wal en schip: «Ik moet jongeren op hun 18de weer op straat zetten»?1
Ik heb kennisgenomen van het artikel en de zorg dat kinder- en jeugdpsychologen (hierna: K&J-psychologen) na het 18e levensjaar geen zorg meer zouden kunnen leveren aan deze patiënten in de geestelijke gezondheidszorg. K&J-psychologen geven in het artikel ook aan van mening te zijn dat gedurende de beleidsvoorbereiding van een mogelijk conceptwetsvoorstel al verwachtingen zijn gewekt over het reguleren van één nieuw beroep «gz-psycholoog-generalist» (een samenvoeging van de K&J-psycholoog NIP en de gz-psycholoog), waardoor zij een BIG-registratie zouden krijgen.
De zorgen van deze K&J-psychologen deel ik niet. K&J-psychologen leveren een waardevolle bijdrage aan de geestelijke gezondheidszorg in het jeugddomein en kunnen daarnaast ook een belangrijke bijdrage leveren aan zorg voor patiënten van 18 jaar en ouder. Zoals ik in mijn brief van 18 maart 20262 aan uw Kamer gemeld, kunnen K&J-psychologen zorg verlenen aan jongvolwassenen van 18 tot circa 23 jaar en aan ouders binnen de gezinscontext. Ze kunnen bovendien zonder BIG-registratie voor jongeren van 18 jaar en ouder, namelijk tot en met 19 jaar, regiebehandelaar zijn.
Vanaf 18-jarige leeftijd valt de zorg in beginsel onder de Zorgverzekeringswet en is het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz (LKS) van toepassing. Een hierin opgenomen overgangsregeling3 van jeugd-ggz naar volwassen-ggz is sinds 1 januari 2017 van toepassing en is opgesteld in samenwerking tussen zorgaanbieders, beroepsgroepen, zorgverzekeraars en andere relevante betrokkenen.4 Deze regeling houdt in dat de behandeling tijdelijk kan worden voortgezet onder de Zorgverzekeringswet bij hun bestaande behandelaar, mits deze is geregistreerd in het SKJ- of BIG-register. De regeling waarborgt continuïteit van zorg en geldt maximaal 365 dagen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd.
Voor inzet van de K&J-psychologen in het jeugdveld is een BIG-registratie geen voorwaarde. Voor alle zorgmedewerkers in de jeugdhulp is de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing, en het daaraan gekoppelde kwaliteitskader jeugd. De focus ligt daarbij op de inzet van SKJ óf BIG-geregistreerde zorgmedewerkers, rekening houdend met het niveau van kennis of vaardigheden, en het kunnen werken volgens hun beroepscode en richtlijnen. De K&J-psychologen kunnen zich bij het SKJ registeren, hier is niets aan veranderd.
De term regiebehandelaar volgt uit afspraken die veldpartijen zelf hebben gemaakt in het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en is alleen van toepassing op curatieve GGZ die valt onder de Zorgverzekeringswet (18+). In meer complexe en hoogspecialistische zorg is, conform de veldafspraken in het LKS, het regiebehandelaarschap voorbehouden aan andere BIG-geregistreerde specialisten, zoals de psychiater, klinisch psycholoog of psychotherapeut. Het LKS maakt hierin een expliciet onderscheid naar zorgzwaarte en verantwoordelijkheidsniveau, waardoor de invulling van het regiebehandelaarschap per setting verschilt. Deze systematiek beoogt te borgen dat in elke zorgsetting een regiebehandelaar wordt ingezet met passende kennis, ervaring en verantwoordelijkheid. Daarbij kunnen onder voorwaarden ook niet-BIG-geregistreerde professionals een rol vervullen in de behandeling, afhankelijk van de afspraken in het veld. K&J-psychologen zonder BIG-registratie kunnen in de volwassen ggz wel werkzaamheden verrichten binnen de behandeling, maar kunnen geen regiebehandelaar zijn en dus geen eindverantwoordelijkheid dragen. Deze eis volgt uit de veldnorm, het LKS, en niet uit de Wet BIG. De Wet BIG zelf stelt géén eisen aan het regiebehandelaarschap. Ik deel dan ook niet de veronderstelling dat een BIG-registratie voor K&J-psychologen noodzakelijk zou zijn voor de patiëntveiligheid. De invulling van het regiebehandelaarschap en eventuele aanscherpingen daarvan zijn onderdeel van het LKS en daarmee veldafspraken tussen betrokken partijen. Voor zover deze eis uit het LKS als beperkend wordt ervaren, ligt het dus in de rede dat het veld zelf ruimte creëert voor meer flexibiliteit in de inzet van K&J-psychologen.
Zoals in de brief van 18 maart 20265 aan uw Kamer gemeld, is hierover, naar aanleiding van de motie van de leden Bushoff (GroenLinks-PvdA) en Van den Hil (VVD) en de toezegging van mijn ambtsvoorganger in het tweeminutendebat op 26 november 2025, in een rondetafelgesprek op 4 februari 2026 uitgebreid gesproken met veldpartijen in de ggz die onderdeel zijn van het LKS.6 Tijdens het rondetafelgesprek is afgesproken dat partijen met elkaar onderzoeken waar het LKS de brede inzetbaarheid van K&J-psychologen precies raakt en welke eventuele aanpassingen helpend kunnen zijn om de ervaren beperkingen op te lossen. Afgesproken is dat partijen dit gezamenlijk oppakken en met elkaar bespreken in het bestuurlijk overleg over het LKS. Ik heb er alle vertrouwen in dat partijen dit in het vervolg samen oppakken en hierover concrete afspraken zullen maken. Samen met gemeenten, jeugdhulpaanbieders en zorgverzekeraars wordt ingezet op verdere verbetering van de overgang van jeugdhulp naar de volwassen-ggz als geheel. Dit onderwerp maakt daarom onderdeel uit van de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en GGZ.
Overigens deel ik de stelling niet dat bij de beleidsvoorbereiding rondom het genoemde conceptwetsvoorstel vanuit het kabinet verwachtingen zijn gewekt. De communicatie vanuit het Ministerie van VWS over het conceptwetsvoorstel had betrekking op een beleidsvoornemen dat nog in voorbereiding was en nog in consultatie moest gaan. Er was geen sprake van een ingediend voorstel of aangenomen wet. Dit onderscheid is belangrijk om te begrijpen waarom nieuwsberichten over dit conceptwetsvoorstel zich beperken tot hoofdlijnen en waarom er nog geen details over de verdere uitwerking en voorwaarden konden worden verstrekt. Hierbij wil ik expliciet benadrukken dat VWS niet verantwoordelijk is voor communicatie of verwachtingen die door derden in het veld worden geuit.
Hoe kan de BIG-registratie van Kind- en Jeugdpsychologen (K&J-psychologen) bijdragen aan het tekort dat er is aan GZ-psychologen?
De instroom in de opleiding tot gz-psycholoog is op dit moment toereikend om te voorzien in de verwachte zorgvraagontwikkeling. Zoals aan uw Kamer op 22 mei 2026 gemeld stel ik voor de gz-psycholoog opleidingsplaatsen beschikbaar conform het demografische scenario van het Capaciteitsorgaan verminderd met het gemiddeld aantal onbeschikte opleidingsplekken van de afgelopen drie jaar7. Ik verwacht dat dit aantal gecombineerd met de reeds 21.451 in het BIG-register geregistreerde gz-psychologen8 voor wat betreft deze beroepsgroep voldoende zal bijdragen aan de zorg in de ggz. Het is belangrijk dat er niet meer wordt opgeleid dan door het Capaciteitsorgaan geadviseerd om een zogenoemde varkenscyclus te voorkomen en aanbod en vraag dus op elkaar aan te laten sluiten.
Overigens reguleert de Wet BIG alleen (titels en bevoegdheden van) beroepen wanneer dit noodzakelijk is voor patiëntveiligheid en het behoud van de kwaliteit van de individuele zorgverlening door een beroepsgroep. Het Zorginstituut Nederland heeft in mei 2022 aangegeven dat zwaardere regulering van het beroep K&J-psycholoog door opname in het BIG-register in dat licht niet noodzakelijk is en dat de kwaliteit van de zorg al voldoende wordt gewaarborgd door het Kwaliteitsregister Jeugd.9 K&J-psychologen kunnen (blijven) werken in de jeugdhulp, ook zonder registratie als gz-psycholoog.
Hoe kan het dat u stelt dat een overgangsregeling voor K&J-psychologen leidt tot hogere zorgkosten door een hogere inschaling, terwijl uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als GZ-psychologen?
Zoals aan uw Kamer gemeld10 vormden de hogere zorgkosten één van de redenen voor het niet doorzetten van het conceptwetsvoorstel ter vereenvoudiging van de beroepenstructuur van de psychologische beroepen. Dit is rechtstreeks gebaseerd op de impactanalyse van SiRM11 en de reacties uit de internetconsultatie. Deze stijging is onder andere het gevolg van de herinschaling van K&J-psychologen en psychotherapeuten die nodig zou zijn als het conceptwetsvoorstel was doorgezet.
In het genoemde rapport wordt expliciet berekend dat de opname van K&J-psychologen in artikel 3 Wet BIG zou leiden tot een stijging van loonkosten met circa € 6 miljoen per jaar, uitgaande van ongeveer 460 fte K&J psychologen en een gemiddeld loonverschil van € 12.000 per fte. Wanneer deze berekening wordt doorgetrokken naar een groep van bijvoorbeeld 1.000 K&J-psychologen zal dit naar verwachting naar rato hoger uitkomen. Dit sluit dan ook niet aan dat uit de praktijk blijkt dat K&J-psychologen vaak op hetzelfde niveau worden ingeschaald als gz-psychologen.
Hiernaast is in de reacties uit de internetconsultatie van onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse GGZ en de Branches Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd, gewezen op onvoldoende uitgewerkte financiële gevolgen en een mogelijke kostenstijging van € 10–20 miljoen per jaar binnen het jeugddomein, die niet binnen de bestaande financiële kaders kunnen worden opgevangen.
Echter, de afweging om geen overgangsregeling te treffen berust niet uitsluitend op kostenoverwegingen. Uit de verkenning naar een omzetting, zoals toegelicht in mijn brief van 23 september 202512, blijkt dat een BIG-registratie voor K&J-psychologen niet noodzakelijk is om kwaliteit en patiëntveiligheid te waarborgen. Dit sluit aan bij de conclusie van het Zorginstituut uit 2022 dat wettelijke regulering niet noodzakelijk is en de continuïteit van de zorg in de jeugd-ggz voldoende is geborgd. Hiernaast heeft het Zorginstituut Nederland geconcludeerd dat er geen sprake is van een eenduidige opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP die voldoet aan de criteria voor opname in artikel 3 van de Wet BIG. Daarbij is vastgesteld dat er meerdere routes bestaan naar registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.13 Dit staat tegenover de opleiding tot gz-psycholoog, die een vast, landelijk vastgesteld curriculum en uniforme opleidingseisen kent.
Klopt het dat K&J-psychologen zonder BIG-registratie geen regiebehandelaar kunnen zijn voor jongeren van 18 jaar en ouder, en daardoor in de praktijk deze groep niet zelfstandig kunnen behandelen?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat de overgangsregeling van maximaal 365 dagen slechts een tijdelijke oplossing biedt, waarna alsnog een behandelonderbreking optreedt en cliënten opnieuw een intake en behandeling moeten starten, met onnodige belasting en inefficiëntie tot gevolg?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe doelmatig acht u het dat K&J-psychologen zich kunnen omscholen tot GZ-psycholoog met publieke opleidingsmiddelen van 54.000 euro, per opleidingsplek, terwijl zij reeds een opleiding hebben gevolgd die volgens veldpartijen en de hoofdopleiders van de GZ-opleiding als gelijkwaardig wordt beschouwd?
Ik acht het van belang dat publieke middelen doelmatig worden ingezet voor opleidingen die nodig zijn om te voorzien in de benodigde capaciteit en kwaliteit van zorg. De opleiding tot gz-psycholoog is een wettelijk geregelde postmasteropleiding die opleidt tot een BIG-geregistreerd beroep met eigenstandige verantwoordelijkheden in de zorg. De opleiding tot Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP is daarentegen geen eenduidig en wettelijk gereguleerd opleidingstraject. Het Zorginstituut Nederland heeft in 2022 vastgesteld dat meerdere routes kunnen leiden tot registratie als Kinder- en Jeugdpsycholoog NIP, die inhoudelijk van elkaar verschillen en geen uniforme eindtermen kennen.14 Dit onderscheidt zich van de opleiding tot gz-psycholoog, die is vormgegeven als een wettelijk gereguleerde BIG-opleiding met een landelijk vastgesteld curriculum, uniforme opleidingseisen en publiekrechtelijke kwaliteitsborging.
Dat in het veld wordt gesproken over overlap of inhoudelijke verwantschap tussen opleidingen, doet niet af aan het feit dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheiden kaders en eindtermen. Dat K&J-psychologen en gz-psychologen in de praktijk vergelijkbare werkzaamheden kunnen verrichten in het jeugddomein, laat dit onverlet.
Herkent u het signaal uit het artikel dat selectiecommissies kandidaten voor de reguliere GZ-opleiding weigeren omdat de kandidaten met een K&J-opleiding overgekwalificeerd zijn?
Er hebben mij signalen bereikt dat kandidaten met een K&J-opleiding niet tot de opleiding tot gz-psycholoog worden toegelaten omdat zij overgekwalificeerd zouden zijn. De keuze voor de toelating tot de opleiding tot gz-psycholoog wordt gemaakt door de praktijkopleider van de praktijkopleidingsinstelling waar de kandidaat na toelating werkzaam zal zijn, én de hoofdopleider van de opleidingsinstelling. Zij hebben samen goed zicht op de kwaliteiten en geschiktheid van de kandidaat om opgeleid tot worden tot gezondheidszorgpsycholoog. Overkwalificatie is bij de selectie geen relevante afwijzingsgrond.
Heeft u overwogen om deze groep K&J-psychologen in te zetten als volwaardig GZ-psycholoog en tegelijkertijd het aantal opleidingsplaatsen tijdelijk te verlagen, hetgeen kan leiden tot een bezuiniging van minstens 54 miljoen euro in de komende 10 jaar (54.000 x +/- 1.000)? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Ik heb deze variant niet overwogen om de bij het antwoord op vraag 6 genoemde reden dat het gaat om twee verschillende opleidingen en beroepen met onderscheiden kaders en eindtermen.
Daar bovenop geldt dat het stelsel van opleidingsplaatsen voor de gz-psycholoog is gebaseerd op de meerjarige raming van het Capaciteitsorgaan, waarin de verwachte zorgvraag en benodigde instroom voor de zorgsector als geheel worden betrokken. De jaarlijkse vaststelling van het aantal opleidingsplaatsen is hierop gebaseerd en gericht op continuïteit en kwaliteit van zorg. De keuze om al dan niet te starten met de opleiding tot gz-psycholoog blijft een individuele keuze binnen deze bestaande structuur. De verschillen in instroomprofiel, zoals eerdere opleiding, hebben daarbij geen invloed op de omvang van de beschikbare opleidingsplaatsen of de bekostigingssystematiek van de beschikbaarheidbijdrage. Daarmee is de inzet van publieke middelen voor de opleiding doelmatig, omdat deze niet is gericht op individuele leerpaden of (veronderstelde) gelijkwaardigheid van eerdere opleidingen, maar op het waarborgen van voldoende instroom.
Zoals genoemd in de kabinetsreactie van 22 mei 2026 op de raming van het Capaciteitsorgaan ben ik voornemens om vanaf 2028 voor een beperkt aantal psychologen een verkort opleidingstraject te realiseren.15 Dit om perspectief te bieden aan psychologen die al langere tijd wachten op een vervolgopleiding tot gz-psycholoog en reeds veel werkervaring hebben. Hierbij zal de randvoorwaarde gelden dat dit niet zal leiden tot een uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen hoger dan de door het Capaciteitsorgaan geraamde aantallen.
Kunt u toelichten waarom de uitvoering van de motie Bushoff/Van den Hil (Kamerstuk 29 282, nr. 598), waarin wordt opgeroepen om met het veld te spreken over een oplossing voor deze groep, in de praktijk niet heeft geleid tot een gesprek over de meer dan 1.000 gedupeerde K&J-psychologen, maar zich heeft gericht op de toekomstige positionering van K&J-psychologen? Waarom zijn K&J-psychologen zelf niet uitgenodigd voor het rondetafelgesprek van 4 februari 2026, terwijl de motie juist oproept om met hen in gesprek te gaan?
Ik hecht eraan om te benadrukken dat ik uitvoering heb gegeven aan de motie Bushoff/Van den Hil door het organiseren van een rondetafelgesprek met relevante veldpartijen.16 Zoals ook in mijn brief van 18 maart 202617 aan uw Kamer gemeld had het rondetafelgesprek van 4 februari 2026 als doel om vanuit een faciliterende rol veldpartijen met elkaar in gesprek te brengen over knelpunten in de praktijk rond de inzet van K&J-psychologen, in het bijzonder in relatie tot het Landelijk Kwaliteitsstatuut ggz en het regiebehandelaarschap, en om ruimte te bieden voor het bespreken van mogelijke verbeteringen in de inzet en benutting van deze beroepsgroep.
De agenda voor dit rondetafelgesprek is in overleg met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de beroepsvereniging van psychologen, waaronder zowel K&J-psychologen als gz-psychologen, opgesteld. Voor dit rondetafelgesprek zijn de partijen uitgenodigd die betrokken zijn bij de betreffende veldnormen en kaders. Het NIP heeft aangegeven de belangen van K&J-psychologen te vertegenwoordigen. Daarnaast is aan het collectief van K&J-psychologen kenbaar gemaakt dat zij hun inbreng via het NIP konden aanleveren.
Hoe verhoudt de stelling dat een BIG-registratie niet noodzakelijk is voor patiëntveiligheid zich tot het feit dat binnen de GGZ het regiebehandelaarschap bij complexere problematiek en bij jongeren van 18 jaar en ouder juist is voorbehouden aan BIG-geregistreerde professionals, precies waar de K&J-psychologen werkzaam zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Online beïnvloeding van jongeren en regelgeving rondom influencers |
|
Inge van Dijk (CDA), Joris Lohman (CDA), Jantine Zwinkels (CDA), Harmen Krul (CDA) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de onderzoeken van Wijzer in Geldzaken en de Universiteit Utrecht dat veel jongeren zich bij financiële beslissingen laten beïnvloeden voor finfluencers met loze beloften over snel geld verdienen en dat met name kwetsbare jongeren hierdoor in de problemen kunnen komen, terwijl finfluencers vooral hun eigenbelang dienen?1, 2
Ja.
Bent u bekend met het recente onderzoek van de Radboud Universiteit dat influencers zonder medische achtergrond mensen met hun gezondheidsadviezen medische misinformatie kunnen verstrekken, bijvoorbeeld met oproepen om geen zonnebrand meer te gebruiken of te stoppen met hormonale anticonceptie?3
Ja.
Bent u bekend met de recente waarschuwingen van de Nederlandse Voedsel- en Warenautorteit (NVWA) over de risico’s van supplementen, waar verboden of onveilige stoffen in kunnen zitten, bijvoorbeeld bij teveel inname of verkeerde combinaties waardoor schade aan de gezondheid kan ontstaan, en de publicatie van een Blocklist?4
Ja.
Deelt u de zorg dat jongeren in toenemende mate informatie over onder meer financiële zaken, gezondheid en maatschappelijke vraagstukken verkrijgen via sociale media en influencers, en dat dit risico’s kan meebrengen wanneer informatie onjuist, onvolledig of misleidend is?
Ja.
Bent u bekend met het artikel ««Geen diploma, geen video»: nieuwe Chinese wetgeving voor influencers leidt tot verhit online debat»? En het initiatief van de Chinese overheid om eisen te stellen aan influencers te beschikken over aantoonbare deskundigheid wanneer zij over bepaalde maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën adviseren?5
Ja.
Vind u dat ook in Nederland strengere regels zouden moeten gelden voor influencers die over maatschappelijke thema’s, zoals gezondheid, voeding en financiën mogen adviseren, zoals het beschikken over aantoonbare deskundigheid of expliciete vermelding dat hiervan geen sprake is, omdat zulke adviezen niet zonder risico’s zijn?
Het is zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende mate worden blootgesteld aan onjuiste informatie van influencers, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen en geldzaken. Dit kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen als resultaat. Tegelijkertijd is het belangrijk om de vrijheid van meningsuiting ook online te bewaken.
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen problematische inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk dat inhoud van kwaliteitsmedia zichtbaarder wordt gesteld. Het kabinet werkt dan ook, binnen het kader van de Audiovisuele Mediadienstenrichtlijn (AVMSD), aan het invoeren van prominentiemaatregelen om de zichtbaarheid en vindbaarheid van aanbod van algemeen belang te vergroten.
Kunt u onderzoeken of het mogelijk is om aanvullende eisen aan deskundigheid te stellen bij adviseren op terreinen waar desinformatie een verhoogd risico inhoudt, met name voor kwetsbare groepen, zoals over financiën, voedings- (en specifiek over Voedingssupplementen en kruidensupplementen) en gezondheidsadviezen?
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de AVMSD. Het is vooraleerst belangrijk dat influencers duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving te verbeteren. In zowel het non-paper over de Digital Fairness Act6, als in het non-paper over de herziening van de AVMSD7, is opgenomen dat het noodzakelijk is de toepasselijke regels goed af te stemmen, zodat de regels voor influencers duidelijk en handhaafbaar zijn.
Zou het bijvoorbeeld mogelijk zijn een disclaimer te verplichten bij posts van influencers waaruit voor een breed publiek eenvoudig te herleiden is dat het niet om deskundig advies gaat, bijvoorbeeld #NietDeskundig, #GeenDiploma of #GeenExpert
Zie het antwoord op vraag 6 en 7. Het kabinet heeft recent de Europese Commissie opgeroepen om regels voor influencers te verduidelijken. Het kabinet kijkt met interesse naar de voorstellen van de Europese Commissie op dit punt. Daarnaast wijst het kabinet op het belang van co- en zelfregulering, hiermee wordt de sector aangespoord om (binnen de wettelijke kaders) zelf normen te stellen en te handhaven. De ervaringen met de Nederlandse Reclame Code zijn positief. Deze vorm van co-regulering draagt bij aan verantwoorde en betrouwbare reclame-uitingen8.
Bent u bereid om ook in Europees verband in te zetten op betere consumentenbescherming bij online advisering over mogelijk risicovolle producten, en met name op aanvullende eisen aan (informatie over) deskundigheid? Bijvoorbeeld via Digital Services Act, richtlijnen voor consumentenbescherming of de Digital Fairness Act?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 7 en 8 zet het kabinet op Europees niveau in op betere regulering van influencers. In welk wetgevingsinitiatief dit het beste past, wordt nog onderzocht. De uiteindelijke keuze hierin ligt bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft zijn standpunt over influencers wel reeds kenbaar gemaakt via een non-paper in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een non-paper over de Digital Fairness Act (DFA) voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Daarnaast stelde het kabinet voor om in de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers9. Tot slot stelt het kabinet in hetzelfde non-paper risico’s te zien bij finfluencing, met name natuurlijk wanneer illegale financiële producten en diensten worden gepromoot. Het kabinet verzoekt de Europese Commissie daarom om dit soort handelspraktijken te verbieden via een aanpassing van het EU-consumentenrecht10.
Het bericht 'Apothekers willen dat politiek medicijntekort nu echt aanpakt: 'Gezondheid patiënten staat op het spel'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe verklaart u dat in uw beantwoording op eerder gestelde vragen, in het bijzonder: 2026Z0338 en dan het antwoord op vraag 4, u stelt dat bij 99% van de leveringsproblemen in de apotheek een alternatief beschikbaar is, zoals een andere verpakkingsgrootte, een ander merk of een importmiddel, terwijl de Kamer signalen ontvangt dat er in drie opeenvolgende meldweken van LEF en de SIR blijkt dat bij bijna de helft van de getroffen patiënten de gezondheid verslechtert als gevolg van dergelijke alternatieven? Erkent u dat een alternatief dat bij bijna de helft van de betrokken patiënten leidt tot gezondheidsverslechtering niet als een adequate oplossing kan worden gepresenteerd?1
Het kabinet kan het afwijkende beeld dat uit de rapportage van de meldweken naar voren komt niet goed verklaren. Om meer inzicht te krijgen in deze signalen uit de praktijk is er mede daarom op korte termijn een gesprek ingepland met de Landelijke Eerstelijns Farmacie (LEF) en de Vereniging Jonge Apothekers (VJA). Het kabinet is zich er natuurlijk terdege van bewust dat het wisselen van medicijnen voor patiënten erg vervelend kan zijn en bijvoorbeeld stress kan opleveren. Tegelijk is het goed te melden dat verantwoord wisselen van geneesmiddel mogelijk is. In de Leidraad Verantwoord Wisselen2 zijn door alle betrokkenen, waaronder vertegenwoordigers van apothekers, voorschrijvers en patiënten, heldere afspraken vastgelegd over welke medicijnen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Ook is duidelijk vastgelegd wat de rol van voorschrijver en apotheker hierin is. Dat wisselingen in geval van tekorten bij veel patiënten tot gezondheidsverslechtering zou leiden zou niet zo moeten zijn. Temeer daar het bij veruit de meeste van de wisselingen gaat om een wisseling tussen producten met dezelfde werkzame stof maar dan met een andere verpakkingsgrootte, van een ander merk, of geïmporteerd uit een ander land. Alleen in uitzonderlijke gevallen, als er geen enkele andere optie is, vinden er wisselingen plaats tussen medicijnen met een andere werkzame stof. En zeker dan wordt door de betrokken zorgverleners een uiterst zorgvuldige afweging gemaakt. Dat neemt niet weg dat het kabinet er samen met veldpartijen, waaronder ook de apothekers, in goede samenwerking alles aan blijft doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Deelt u de conclusie dat een alternatief weliswaar beschikbaar kan zijn, maar dat daarmee nog niet gezegd is dat patiënten ook adequaat zijn geholpen, indien dat alternatief in de praktijk gepaard gaat met medicatiewisselingen, vertraging, extra apotheekbezoeken en onzekerheid voor patiënten? Zo nee, hoe kwalificeert u dan de gezondheidsverslechtering die, bijvoorbeeld LEF volgens haar meldweken inmiddels drie jaar op rij meet?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 snapt het kabinet dat het wisselen van medicijnen voor patiënten vervelend kan zijn en stress kan opleveren, en in uitzonderlijke gevallen zelfs kan leiden tot suboptimale zorg. Daarom blijft het kabinet er samen met de veldpartijen, waaronder ook de apothekers, alles aan doen om tekorten te voorkomen en aan te pakken, en daarmee ook ongewenste wisselingen te voorkomen.
Welke concrete en aantoonbare maatregel heeft u sinds uw eerdere erkenning, in antwoord op vraag 3, dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en dat dit financiële onzekerheid creëert wanneer zij in het belang van de patiënt een beschikbaar alternatief verstrekken, getroffen om het financiële risico voor apothekers daadwerkelijk weg te nemen?
Het kabinet heeft in het antwoord op vraag 3 uit de eerdere set vragen3 over dit bericht laten weten de signalen van de apothekers te kennen. Ook heeft het kabinet laten weten deze signalen serieus te nemen en mee te nemen in de gesprekken met zorgverzekeraars, apothekers en andere betrokken partijen over de uitvoering van het preferentie- en inkoopbeleid. Het gaat daarbij onder andere om de gesprekken die het kabinet voert over de uitvoering van de afspraken in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA)4 om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren. De afspraken beogen om de impact van tekorten te verminderen, niet alleen voor de patiënt maar ook voor apotheekteams. In het kader van de afspraken maken de koepels van zorgverleners en zorgaanbieders uit de sector zo goed als mogelijk inzichtelijk wat de impact van tekorten is bij hun achterban en deelt de uitkomsten met het Ministerie van VWS. Op dit moment legt het Ministerie van VWS met de betrokken stakeholders de laatste hand aan een werkagenda om de afspraak uit te voeren. Zodra iedereen de werkagenda heeft ondertekend, deelt het kabinet deze met de Kamer. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 te informeren over de inhoud van de werkagenda.
Daarnaast zijn LEF (Landelijk Eerstelijns Farmacie) en de VJA (Vereniging Jonge Apothekers) naar aanleiding van de brandbrief uitgenodigd voor een gesprek over de signalen. Dit gesprek heeft inmiddels plaatsgevonden.
Kunt u concreet aangeven welke van de door u genoemde maatregelen, zoals de ijzeren voorraad, de Leidraad Verantwoord Wisselen en de AZWA-afspraken, hebben geleid tot een aantoonbare en meetbare verbetering van de situatie aan de apothekersbalie, niet alleen op papier maar ook in de feitelijke ervaring en gezondheid van patiënten? Hoe verhoudt zich dat tot het gegeven dat de ijzeren voorraad sinds de oorspronkelijke toezegging van vijf maanden is teruggebracht naar tweeënhalve maand, waarbij het groothandeldeel verder is verlaagd van vier naar twee weken, en dat in 2025 nog steeds 3,5 miljoen patiënten werden geraakt, terwijl bijvoorbeeld uit de meldweek 2025 van SIR en LEF blijkt dat de ervaring per getroffen patiënt gemiddeld is verslechterd?
In de vraag worden drie maatregelen genoemd: de Leidraad Verantwoord Wisselen, de «ijzeren voorraad» (die tegenwoordig de veiligheidsvoorraad genoemd wordt) en de afspraken onder het AZWA. Kortheidshalve gaat het kabinet hier alleen op deze drie maatregelen in. Voor alle andere afgeronde, lopende en voorgenomen maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren verwijst het kabinet naar de recent verstuurde voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen5 en kabinetsreactie Periodieke Evaluatie Beschikbaarheid Medische producten.6
In de Leidraad Verantwoord Wisselen zijn afspraken vastgelegd over het wisselen van geneesmiddelen en de verantwoordelijkheid van onder andere arts en apotheker hierbij. Deze werkafspraken bieden duidelijkheid aan apotheker, patiënt, voorschrijver en zorgverzekeraar welke geneesmiddelen gewisseld kunnen worden en onder welke voorwaarden. Veldpartijen hebben de Leidraad in eigen beheer. Periodiek wordt de Leidraad door veldpartijen onderling geëvalueerd en geüpdatet. Daar is het kabinet niet bij betrokken. Omdat de Leidraad mede tot stand is gekomen om mogelijke ongewenste effecten van het preferentiebeleid te ondervangen, worden de effecten van de Leidraad Verantwoord Wisselen meegenomen bij de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid. In deze evaluatie worden ook de effecten van dit beleidsinstrument op het apotheekteam onder de loep genomen.
De AZWA-afspraken over het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen hebben op dit moment nog geen effect omdat deze afspraken pas recent door de deelnemende veldpartijen akkoord zijn bevonden. De deelnemers starten dit jaar met de uitvoering. De timing van mijlpalen en uiteindelijke afronding verschilt per deelafspraak. Het kabinet streeft ernaar om de Kamer in het derde kwartaal van 2026 nader te informeren over de inhoud en uitvoering van deze werkagenda. Daarbij zal het kabinet ook ingaan op de beoogde impact van de werkagenda «aan de balie.»
Dan ten slotte de «ijzeren voorraad». Het traject om grotere voorraden van geneesmiddelen in de productie- en distributieketen aan te leggen stamt uit 2019. Bij de start van het traject was het voornemen inderdaad om het aanhouden van in totaal vijf maanden voorraad te verplichten. Dit beleidsvoornemen is in meerdere stappen bijgesteld tot de huidige acht weken in totaal, zoals de beleidsregel over de verplichte veiligheidsvoorraad op dit moment vereist.7 Hier is de Kamer op verschillende momenten nauwgezet over geïnformeerd.8, 9, 10 De huidige hoogte van de veiligheidsvoorraad van in totaal acht weken is gebaseerd op een balans tussen enerzijds het risico op leveringsonderbrekingen van geneesmiddelen en anderzijds de negatieve neveneffecten die een (hoge) voorraad kent. Bij die negatieve neveneffecten kan gedacht worden aan spillage, aan ongelijke verplichtingen tussen Europese lidstaten en aan onnodige financiële risico’s voor leveranciers en groothandels. Bovenop deze wettelijke veiligheidsvoorraden heeft het kabinet een subsidie verstrekt voor het aanleggen en aanhouden van een extra voorraad van kritieke geneesmiddelen door groothandels. Eind vorig jaar heeft adviesbureau Strategies in Regulated Markets (SiRM) in opdracht van branchevereniging BG Pharma een onderzoek uitgevoerd naar het effect van deze extra voorraden op de beschikbaarheid van geneesmiddelen.11 Hierin constateert SiRM dat er in 2025 minder en minder lange geneesmiddelentekorten zijn optreden bij volgesorteerde groothandels.
Dit effect blijkt het grootst bij geneesmiddelen waarvoor een (extra) voorraad is aangelegd, zoals de verplichte veiligheidsvoorraad en de extra voorraad van kritieke geneesmiddelen onder de subsidie.
De genoemde maatregelen maken zoals aangegeven deel uit van een veel breder pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verbeteren, waarover het kabinet de Kamer regelmatig informeert. In 2025 konden voor het tweede jaar op rij minder tekorten worden gemeld in de data van apothekers.12 Tegelijkertijd – zoals terecht in de vraag wordt opgemerkt – ondervonden in 2025 nog steeds circa 3,5 miljoen Nederlanders de gevolgen van tekorten en kost het oplossen van tekorten een grote inzet van zorgpersoneel. Daarom kan de Kamer ervan op aan dat het verbeteren van de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor het kabinet een prioriteit blijft.
Bent u bereid om, los van de evaluatie van het preferentiebeleid die eind 2026 gereed zou moeten zijn, en vooruitlopend daarop, een tijdelijke beschermende maatregel in te voeren die garandeert dat apothekers zonder financieel risico een beschikbaar alternatief kunnen verstrekken zolang het preferente middel niet leverbaar is? Zo nee, op basis van welke informatie concludeert u dan dat de baten van het ongewijzigd voortzetten van het preferentiebeleid opwegen tegen de maatschappelijke kosten, terwijl u tegelijk erkent dat de volledige maatschappelijke kosten, waaronder extra zorgcontacten, uitvoeringslasten en gezondheidsschade door therapieontrouw, op dit moment nog niet in beeld zijn?
Op de vraag in hoeverre de kosten en baten van het preferentiebeleid tegen elkaar opwegen kan het kabinet inderdaad – zoals in de vraag terecht geconstateerd – lopende de onafhankelijke evaluatie naar dit instrument geen uitspraken doen. U kunt de uitkomsten van het onderzoek en de reactie van het kabinet daarop eind 2026 tegemoet zien.
In de tussentijd is het kabinet niet van plan een tijdelijke maatregel te nemen. Het kabinet kan zich namelijk niet mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars en apotheken in de zorgcontractering met elkaar vastleggen over de uitvoering van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen. Als apotheken van oordeel zijn dat de afspraken die zij hierover met zorgverzekeraars hebben gemaakt niet redelijk en billijk zijn of onverwachts ongewenste gevolgen hebben, kunnen zij hierover in gesprek gaan met de zorgverzekeraar, al dan niet via de zorgmakelaar die in hun opdracht de onderhandelingen heeft gevoerd. Ook kunnen zij dit meenemen bij hun inzet in de onderhandelingen voor het nieuwe contractjaar (2027).
Erkent u dat het huidige preferentiebeleid ertoe leidt dat het aantal fabrikanten per geneesmiddel afneemt, doordat het restvolume buiten het preferente contract voor andere aanbieders steeds minder aantrekkelijk wordt, en dat fabrikanten door lage prijzen en onzekere afname minder buffervoorraad aanhouden? Hoe beoordeelt u in dat licht het gegeven dat de SFK in 2025 heeft aangegeven dat het gemiddelde aantal generieke aanbieders per geneesmiddelgroep is gedaald van 3,4 in 2014 naar 2,6 in 2024? Erkent u dat daarmee het risico ontstaat op feitelijke monopolievorming per geneesmiddel, met als gevolg hogere prijzen, grotere afhankelijkheid en minder leveringszekerheid, en dus juist het tegenovergestelde van wat het preferentiebeleid beoogt?
Het kabinet is bekend met de trend dat het aantal fabrikanten per geneesmiddelen afneemt. De rol van het preferentiebeleid daarin kan het kabinet echter niet vaststellen. Mogelijk brengt de onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid daar verandering in. Eén van de effectgebieden waar de onafhankelijke evaluatie naar gaat kijken is het effectgebied geneesmiddelenmarkt. Het onderzoeksbureau zal daarbij ook onderzoeken of het preferentiebeleid impact heeft op het aantal aanbieders van geneesmiddelen.
Kunt u bevestigen dat u, of iemand namens uw ministerie of uit uw ambtelijke organisatie, naar aanleiding van uw eerdere beantwoording van vraag 8 inhoudelijk overleg heeft gevoerd met de partijen die het model van laagste prijs plus bandbreedte hebben uitgewerkt? Zo nee, op welke grond concludeert u dan dat alternatieven onvoldoende zijn onderbouwd, indien het meest uitgewerkte alternatieve model niet inhoudelijk met de betreffende partijen is besproken?
Het model van laagste prijs plus bandbreedte (LPG+), waar in vraag 8 van de eerdere set vragen13 over dit bericht aan gerefereerd werd, is een bestaande variant van het inkoopmodel Laagste Prijs Garantie (LPG). Zowel LPG als LPG+ worden in de inkoop toegepast door zorgverzekeraars, naast het preferentiebeleid. Het aandeel van LPG en LPG+ is in de afgelopen jaren afgenomen naarmate meer geneesmiddelen zijn opgenomen in het preferentiebeleid en naarmate meer zorgverzekeraars preferentiebeleid zijn gaan voeren. Wel worden de modellen vaak toegepast als alternatief model in geval een preferent aangewezen product niet leverbaar is. Anders dan de vraag lijkt te veronderstellen gaat het dus voor zover het kabinet bekend niet om een nieuw alternatief, maar om een beproefd en gangbaar inkoopmodel. LPG en varianten daarop komen dan ook met enige regelmatig aan de orde in gesprekken van het kabinet met veldpartijen.
Bent u bereid om, juist omdat de tekorten zich concentreren in het goedkope en preferente segment, vooruitlopend op de evaluatie een gerichte pilot te starten met een model van «laagste prijs plus bandbreedte», zodat in de praktijk kan worden getoetst of de leveringszekerheid verbetert zonder significante kostenstijging? Zo nee, hoe verhoudt het weigeren van een praktijktoets zich dan tot uw eigen stelling dat dit alternatieve model meer onderbouwing vraagt?
Het kabinet werkt zoals gezegd aan een evaluatie van het huidige preferentiebeleid en haar toepassing, zoals bij motie van de Kamer verzocht. Het lijkt het kabinet zinvol om deze evaluatie af te wachten.
Daar komt bij dat het kabinet zich niet kan en wil mengen in de private afspraken die zorgverzekeraars, apotheken, groothandels en leveranciers met elkaar maken over de toepassing van het preferentiebeleid of andere inkoopmodellen, al dan niet als onderdeel van de zorgcontractering.
Welke informatiebronnen over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie worden meegenomen in de evaluatie van het preferentiebeleid die volgens u eind 2026 gereed moet zijn? Acht u het verantwoord om die evaluatie af te ronden zonder zelf de dagelijkse praktijk aan de apothekersbalie te hebben ervaren, mede in het licht van de uitnodiging van LEF en de VJA in hun brandbrief van 12 februari 2026 om een dag mee te draaien in een apotheek?
Alle leden van de Werkgroep Verbeteren Beschikbaarheid Geneesmiddelen is gevraagd om informatiebronnen die zij van belang achten voor het onderzoek aan te leveren. Ook de KNMP, de ASKA, de NApCo en OptimaFarma zijn lid van deze werkgroep en daarmee in de gelegenheid om de volgens hen van belang zijnde informatie over de dagelijkse realiteit aan de apothekersbalie in te brengen. Bij verzending van deze antwoorden staat de uitvraag nog open. In het eindrapport van de evaluatie, dat de Kamer eind 2026 zal ontvangen, wordt een overzicht opgenomen van alle geraadpleegde bronnen zodat de lezer zich een oordeel kan vormen of de verschillende perspectieven op dit onderwerp voldoende zijn meegenomen.
De onderzoeksfase van de evaluatie wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau,. In algemene zin acht het kabinet het voor het maken van goed beleid van bijzonder groot belang dat bewindspersonen en ambtenaren in nauw contact staan met de praktijk en de burger, niet alleen met de vertegenwoordigers of koepels daarvan. In dat kader is het goed te vermelden dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, onlangs, op 4 mei 2026, op werkbezoek is geweest bij een apotheek en dat in de toekomst waarschijnlijk nog regelmatig zal doen. Ook de bij deze vraagstukken betrokken ambtenaren hebben regelmatig contact met apothekers, het gesprek met de vertegenwoordigers van LEF en VJA is daar een voorbeeld van.
Kunt u de vragen allen apart en zo concreet mogelijk beantwoorden?
Ja.
De mediarichtlijn van Fiom over abortus |
|
Mirjam Bikker (CU), Femke Wiersma (BBB), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over taalgebruik over abortus?1
Ja.
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom ook te gaan gebruiken?
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen qua objectiviteit en neutraliteit?
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus. Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen. Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk, kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke) visie op abortus iemand ook heeft.
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals het pretendeert te zijn?
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken, passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen van de morele zwaarte van abortus?
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert, als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals, zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life» beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden, die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term kan aanbieden.
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies in het maatschappelijk debat?
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet, in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby», «ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby», «meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje» mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde lid, onderdeel b)?
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest, door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers. Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt.
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Op basis van welke wetenschappelijke bronnen stelt Fiom dat het «post-abortus syndroom» niet bestaat?
Boetes aan zorgverzekeraars |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) een boete uitdelen aan zorgverzekeraars die niet aan hun zorgplicht voldoen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de NZa deze bevoegdheid te geven?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) kan geen bestuurlijke boete opleggen voor het niet naleven van de zorgplicht. Dit hangt samen met het feit dat de zorgplicht een open norm is, waardoor niet vooraf voldoende concreet is vastgelegd wanneer sprake is van een overtreding die met een boete kan worden bestraft.
Zoals toegelicht in de brief van 12 februari 2025 aan de Kamer over de motie van de Kamerleden Tielen, Jansen en Claassen inzake het handhaven van de zorgplicht1, acht ook het kabinet het huidige handhavingsinstrumentarium van de NZa wel toereikend.
De NZa beschikt over effectieve herstelgerichte instrumenten, zoals het geven van een aanwijzing en indien nodig het opleggen van een last onder dwangsom. Deze instrumenten zijn erop gericht om naleving van de zorgplicht daadwerkelijk af te dwingen en de zorg voor verzekerden te borgen. Gelet hierop ziet het kabinet geen aanleiding om de NZa de bevoegdheid te geven om een bestuurlijke boete op te leggen voor het niet naleven van de zorgplicht.
Kan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bestuurders van zorginstellingen die zwaar gefaald hebben – zoals de zorgbestuurders van de William Schrikker Stichting die verantwoordelijk waren voor het Vlaardings pleegmeisje – uit hun functie (laten) zetten (ontslaan)? Zo nee, waarom niet en bent u bereid de IGJ deze bevoegdheid te geven?
De IGJ kan door middel van een aanwijzing, indien nodig gevolgd door een last onder dwangsom, in uitzonderlijke gevallen afdwingen dat het bestuur van een zorginstelling (deels) wordt vervangen. Daarnaast kan de IGJ in bij wet bepaalde gevallen een last onder bestuursdwang inzetten, bijvoorbeeld indien niet tijdig wordt voldaan aan een aanwijzing of bevel. Het (deels) vervangen van het bestuur is een ingrijpende maatregel. De IGJ zal hier alleen op aansturen als zij onvoldoende vertrouwen heeft in het bestuur om risico’s voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg weg te nemen, en zij geen mogelijkheden ziet om tot herstel te komen met dit bestuur. Het is vervolgens aan de interne toezichthouder van de instelling, de raad van toezicht, om de bestuurders te schorsen of te ontslaan en zo nodig tijdelijk bestuur aan te stellen.
Het kabinet voorziet geen invoering van een directe ontslagbevoegdheid voor de IGJ. Een dergelijke bevoegdheid zou een fundamentele wijziging betekenen van het stelsel, waarin publiek toezicht en interne governance van zorginstellingen van elkaar zijn gescheiden.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja, het kabinet is hiermee bekend.
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Het kabinet vindt het zorgelijk en neemt de signalen over het mogelijk delen van (gevoelige) informatie dan ook serieus. Alleen het beoordelen van specifieke situaties is aan de toezichthoudende autoriteiten, in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het kabinet kan hierover geen uitspraken doen. Een kabinetsreactie hierover ligt dan ook niet in de rede.
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een dergelijke beoordeling niet aan het kabinet, maar aan de toezichthoudende autoriteit.
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
In zijn algemeenheid merkt het kabinet op dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waartoe gezondheidsgegevens behoren, verboden is tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Daaronder vallen ook persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen. Of hier gehandeld wordt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is, zoals eerder al in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, aan de toezichthoudende autoriteiten, de AP.
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
De AP heeft desgevraagd laten weten zich bewust te zijn van de grootschalige dataverzameling en datahandel op het internet. Datahandel (in brede zin) is van 2020 tot 2023 een van de strategische aandachtsgebieden geweest van de AP. Ook nu besteedt de AP nog de nodige aandacht aan datahandel. Zo controleert de AP sinds 2024, en nu nog steeds, strenger op cookiebanners. De AP controleert of websites op de juiste manier toestemming vragen voor cookies en andere volgsoftware en pakt misleidende cookiebanners aan.
De AP en de ACM doen geen mededelingen over individuele zaken en eventuele lopende onderzoeken.
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Het kabinet deelt de opvatting dat het gebruik van tracking cookies in bepaalde gevallen problematisch kan zijn, bijvoorbeeld waar gebruikers als gevolg van dark patterns, informatie-overload en consentmoeheid toestemming geven terwijl deze mogelijk afwijkt van hun werkelijke voorkeuren. Voor de volledigheid wordt hierbij ook verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Het gebruik van tracking cookies bij online webshops is onderworpen aan voorwaarden uit de toepasselijke privacyregelgeving, met name AVG en de e-privacyrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Voor het plaatsen van dergelijke cookies is daarom geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van de gebruiker vereist. Wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens geldt een versterkt, expliciet toestemmingsvereiste. De beoordeling of sprake is van strijdigheid met de geldende privacyregelgeving is aan de toezichthouder.
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Het kabinet zet zich nationaal en Europees in om op het gebied van tracking cookies onder meer de informatie- en toestemmingsrechten van burgers te versterken. Zo staat het kabinet positief tegenover de in de Digitale Omnibus voorgestelde automatische gecentraliseerde consentopties, waarmee gebruikers meer controle over hun gegevens krijgen. De onderhandelingen over dit voorstel lopen nog. Voor een weergave van de overige door het kabinet te nemen acties wordt verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Onder de AVG is het verwerken van medische gegevens, die gelden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, verboden tenzij op dat verbod een uitzondering van toepassing is. Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is, als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder, de AP. Zij beschikt over een eigen repertoire aan bevoegdheden en handhavingsinstrumenten. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, boetes en dwangsommen opleggen, alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Het kabinet onderschrijft dit belang volledig. Alleen beschikt het kabinet niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont.
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Bij de verwerking van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de kaders die in de AVG worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens en aan de strengere eisen die worden gesteld aan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens. Het is aan de AP om toezicht te houden op de naleving van de AVG.
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Uit het onderzoek van Rutgers over het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen onder de vrouwen van 18 tot en met 29 jaar is gebleken dat 37% van de groep gebruikmaakt van een cyclusapp om hun menstruatie bij te houden, waarvan Flo het vaakst werd benoemd3. Cyclusapps moeten zich bij de verwerking van (bijzonder) persoonsgegevens houden aan de kaders die worden gesteld in de AVG, indien zij zijn gevestigd in de EU. Cyclusapps die buiten de EU zijn gevestigd, dienen ook aan de AVG te voldoen, indien zij diensten of goederen aanbieden in de EU. Zowel Clue, die is gevestigd in Duitsland, als Flo, die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, moeten daarmee voldoen aan de AVG.
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Zoals volgt uit de antwoorden op vragen 10 en 11, is er geen blijk van hiaten in de wet- en regelgeving. Het komt eerder aan op de naleving daarvan. Het doen van onderzoek daarnaar, is als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder.
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Het kabinet vindt het uiterst belangrijk dat de gegevens van vrouwen niet ten onrechte gebruikt worden voor zaken als ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties of het opstellen van dataprofielen. Het kabinet vindt het dan ook van belang dat de onafhankelijke toezichthouder hier scherp op is. In elk geval, zoals eerder al genoemd is, is het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector een taak van de onafhankelijke toezichthouder, namelijk de AP. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Desgevraagd heeft het Centrale Bureau Drogisterijbedrijven aan het kabinet laten weten dat er geen persoonlijke gegevens doorverkocht worden. De online drogisterijen hebben privacyverklaringen op hun websites waarin is opgenomen welke gegevens worden verwerkt. Aangezien dit per drogisterij kan verschillen, wordt voor nadere informatie verwezen naar de betreffende websites. Wanneer een gebruiker niet noodzakelijke cookies weigert, worden alleen functionele cookies geplaatst die nodig zijn om de website goed te laten werken. Zonder toestemming worden bovendien geen persoonsgegevens van individuele klanten gedeeld met externe partijen zoals Google of Facebook.
Als gezegd is het beoordelen of specifieke situaties in overeenstemming zijn met de AVG aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de AP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP), Mirjam Bikker (CU), Femke Wiersma (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Ja, het kabinet heeft kennisgenomen van dit bericht.
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Bij de invulling van de open normen in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) speelt de medisch-professionele normering een belangrijke rol. Het is aan de beroepsgroep om te bepalen of de geldende medisch-professionele normering aanpassing behoeft.
De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden zoals neergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018) van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) wordt momenteel herzien. Gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), heeft de NVvP een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het kabinet ziet het essay «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» als onderdeel van de discussie in de beroepsgroep over de aanpassing van de medisch-professionele normering. Het is niet aan het kabinet om hier inhoudelijk op te reageren. Het kabinet wacht de uitkomsten van de richtlijnherziening met belangstelling af.
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende aangenomen motie en de reactie van het vorige kabinet hierop, zoals verwoord in de brief aan de Kamer van 9 oktober 2025.3 Het essay vormt voor het kabinet geen aanleiding om het oordeel over een dergelijk noodventiel te heroverwegen.
In het essay wordt niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren en een ingrijpen op de professionele autonomie van de arts. In plaats daarvan wordt de «nu niet»-benadering geadviseerd als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar). Hierbij dient individueel bepaald te worden hoe lang de «nu-niet»-benadering wordt gehanteerd.4
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Ja, het kabinet is bekend met de desbetreffende motie, die destijds is verworpen. De motie Boomsma c.s. verzocht de regering om met de beroepsgroep tot een moratorium te komen van drie jaar op euthanasie bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden, totdat meer duidelijkheid is over de zorgvuldigheidscriteria voor euthanasie bij deze groep. De toenmalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport heeft deze motie destijds ontraden en benoemd als zeer onwenselijk en niet nodig. Het kabinet onderschrijft deze appreciatie nog steeds. Een moratorium is onwenselijk omdat het een open gesprek over de doodswens van mensen tot 30 jaar in de weg staat, terwijl juist door een open gesprek over de doodswens weer perspectief op het leven kan ontstaan. Ook is een moratorium niet in lijn met het wettelijk stelsel aangezien het aan de uitvoerend arts is om te bepalen of hij een euthanasieverzoek inwilligt. Een moratorium is ook niet nodig, omdat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsingspraktijk van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) en het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) blijkt dat de Wtl goed functioneert en dat er in Nederland sprake is van een zorgvuldige euthanasiepraktijk. Bij euthanasieverzoeken op basis van psychisch lijden is bovendien extra behoedzaamheid vereist. Hierover is consensus binnen de beroepsgroep en dit staat ook in de huidige NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis. In deze richtlijn wordt verder geadviseerd grotere terughoudendheid te betrachten naarmate de patiënt jonger is.
Een moratorium zou een (tijdelijke) stop op euthanasie betekenen bij jonge mensen tot 30 jaar die psychisch lijden. Dat is niet waar in het essay voor wordt gepleit. In de door de auteurs voorgestelde «nu niet»-benadering wordt namelijk niet gepleit voor een categorale afwijzing van euthanasie op grond van psychisch lijden bij jongeren. Gedurende de «nu niet»-fase dient de doodswens verder expliciet als reële optie bespreekbaar te blijven, en er moet ook openlijk over de dood zelf gesproken kunnen worden. De auteurs geven aan dat de uitkomst van zo’n voortdurende en zorgvuldig gevoerde dialoog uiteindelijk kan zijn dat behandelaren, samen met de jongere en diens naastbetrokkenen, tot het moreel beladen inzicht komen dat euthanasie daadwerkelijk het ultimum remedium vormt. Zij adviseren in dit geval om een moreel beraad te organiseren om nog eens systematisch en met aandacht voor de normatieve dimensie te reflecteren op de situatie, en gezamenlijk te komen tot een zorgvuldig onderbouwd besluit om al dan niet een euthanasietraject te starten.
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Wetenschappelijk is niet aangetoond dat terughoudendheid bij het inwilligen van een euthanasieverzoek verband houdt met suïcide. Suïcide is (bijna) altijd het gevolg van een stapeling van factoren en (complexe) problematiek. De manier waarop hulpverleners reageren op een geuite doodswens kan één van die factoren zijn, maar dat hoeft niet. Op dit moment wordt door 113 Zelfmoordpreventie en Expertisecentrum Euthanasie het SUNSET-onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt onder andere onderzocht hoe suïcidaliteit en euthanasiewensen met elkaar samenhangen, hoe door hulpverleners op een doodswens wordt gereageerd, en of/hoe dit invloed heeft op de doodswens. De eerste resultaten van het SUNSET-onderzoek worden in 2027 verwacht. Er zijn meerdere bewezen effectieve strategieën die een hulpverlener in de spreekkamer kan toepassen wanneer iemand een doodswens uit, waaronder het gesprek over de doodswens aangaan, aandachtig luisteren, aandacht houden voor hoop, en het betrekken van naasten. Dit alles kan worden gedaan met een basishouding van grote terughoudendheid met betrekking tot het inwilligen van een euthanasieverzoek.
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Uit het essay volgt volgens het kabinet inderdaad niet dat de «nu niet»-benadering betekent dat psychiaters niets hoeven te doen. Het essay beoogt juist praktische handvatten aan te reiken voor psychiaters hoe zij kunnen handelen bij een euthanasieverzoek van een jongere op grond van psychisch lijden. Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven, adviseren de auteurs van het essay de «nu niet»-benadering als een basishouding (vanuit de beroepsgroep) van terughoudendheid en temporisering ten aanzien van euthanasieverzoeken van jonge mensen tot de jongvolwassenheid (ongeveer 25 jaar) waarbij euthanasie als optie bespreekbaar blijft.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Het kabinet onderschrijft dat het belangrijk is dat jongeren en hun naasten altijd goede zorg en begeleiding krijgen, die aansluiten bij hun problematiek en zorgvraag. Het kabinet herkent de elementen die de auteurs aanhalen en het belang van een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen.
De opgave op het gebied van mentale gezondheid en ggz vraagt om meer samenhang en meer samenwerking. Het kabinet zet daarbij in op preventie, (laagdrempelige) ondersteuning en passende zorg. Zowel het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) als het IBO mentale gezondheid en ggz6 hebben daar aandacht voor.
Aanvullend richt de «Versterkingsagenda mentale gezondheid en ggz»7 zich op aanvullende acties die binnen het bestaande stelsel snel(ler) uit te voeren zijn. Een onderdeel hiervan is het (beter) bespreekbaar maken van mentale gezondheid onder jongeren door onder meer (waar mogelijk) opvolging te geven aan de aanbevelingen vanuit het rapport van Praatpower, dat eind vorig jaar is opgeleverd. Langs de lijn van Praatpower gingen ruim 3.000 jongeren en jongvolwassenen in gesprek over wat hen helpt om mentaal gezond op te groeien en te blijven. Het rapport biedt diverse aanbevelingen voor verschillende doelgroepen en thema’s. Zo bevat het rapport ook aanbevelingen rondom het thema prestatiedruk. Op dit moment onderzoekt het kabinet of en hoe we de aanbevelingen op kunnen pakken en/of breder kunnen verspreiden. De inzet vanuit de Versterkingsagenda richt zich daarnaast op het ondersteunen van gemeenten bij het opzetten en toegankelijker maken van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor jongeren, betere ondersteuning van mensen die op een wachtlijst staan met bestaande initiatieven voor wachttijdondersteuning en verbetering van de continuïteit van zorg voor jeugdigen door initiatieven die sturen op een soepele overgang van jeugdhulp naar volwassen ggz zonder onderbreking.
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Zoals aangegeven in de brief aan de Kamer van 11 maart 2026, vindt er momenteel een herziening plaats van specifieke modules van de NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis, te weten de modules 4.1 – Second opinion door onafhankelijke psychiater, 5.1 – Beoordeling door onafhankelijk consulent en 7 – Specifieke patiëntgroepen levensbeëindiging. Bij deze laatste module wordt specifiek ingegaan op jongeren. Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, heeft de NVvP, gezien de zorgen die er in de samenleving en onder een deel van de beroepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren om verdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt, naast de gebruikelijke input voor het modulaire onderhoud, benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel. Het streven is de herziening van module 7 eind 2026 af te ronden en begin 2027 te autoriseren/goed te keuren.8
Bij de samenstelling van de werkgroep die de richtlijnherziening begeleidt is er expliciet rekening mee gehouden dat de verschillende standpunten in het veld vertegenwoordigd worden. De herziene richtlijn vertegenwoordigt daarmee straks de huidige medische inzichten en is daarmee geen weergave van een minderheidsstandpunt.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Het bericht 'Nieuwe Schijf van Vijf adviseert nog maar 100 gram rood vlees per week: ‘Alleen zo halen we klimaatdoelen’' |
|
Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vernieuwde Schijf van Vijf niet langer uitsluitend een gezondheidskompas is, maar tevens wordt gebruikt als vehikel voor klimaatbeleid? Waarom wordt de gezondheid van Nederlanders vermengd met politieke doelen die daar los van staan?1
Nee, dit klopt niet.
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen2 van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan.
De Schijf van Vijf combineert al langer gezondheid, duurzaamheid en veiligheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer wetenschappelijke data over duurzaamheid en veiligheidsaspecten beschikbaar gekomen. Dit maakte het mogelijk voor het Voedingscentrum om duurzaamheid en voedselveiligheid geïntegreerd mee te nemen in de aanpassingen van de meest recente Schijf van Vijf.
Waarom kiest u ervoor burgers via officiële voedingsadviezen niet alleen te informeren, maar ook in hun eetgedrag te sturen op basis van klimaatdogma’s? Vindt u dat werkelijk een taak van de overheid?
Het kabinet hecht aan individuele keuzevrijheid: mensen zijn vrij om hun eigen afwegingen te maken bij het kiezen van hun voedingspatroon. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het kabinet ziet het als taak van de overheid om de gezonde keuze makkelijker te maken. Hierbij hanteert het kabinet de Schijf van Vijf als leidraad voor gezonde voeding.
Erkent u dat een voedingsadvies dat strenger is dan gezondheidskundig noodzakelijk, louter omdat «alleen zo klimaatdoelen worden gehaald», in feite betekent dat gezondheid ondergeschikt wordt gemaakt aan klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet?
Nee, de vernieuwde Schijf van Vijf is net als voorheen een goede houvast om gezond te eten. De adviezen van het Voedingscentrum voldoen aan de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad en leveren alle voedingsstoffen en energie die nodig zijn voor een gezond voedingspatroon.
Deelt u de mening dat klimaatideologie nooit mag worden verpakt als gezondheidsadvies, en dat burgers erop moeten kunnen vertrouwen dat overheidsadviezen over voeding uitsluitend zijn gebaseerd op wat aantoonbaar het beste is voor hun gezondheid? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat ideologische doelstellingen via gezondheidsvoorlichting aan burgers worden opgedrongen?
De Schijf van Vijf voldoet aan de wetenschappelijk onderbouwde Richtlijnen goede voeding en de voedingsnormen van de Gezondheidsraad, er worden geen concessies op gezondheid gedaan. De Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) adviseren landen gezondheid en duurzaamheid samen te bekijken in de voedingsrichtlijnen, met als duidelijke afspraak dat dit nooit ten koste mag gaan van gezondheid.
Bent u bereid zich ondubbelzinnig uit te spreken dat de overheid zich niet hoort te bemoeien met de inhoud van het bord van de Nederlander onder het mom van klimaatbeleid, en dat keuzes over vleesconsumptie primair aan de burger zelf zijn? Zo nee, waarom meent u dat de overheid beter dan de burger zelf kan bepalen wat hij wel of niet eet?
Mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat zij op hun bord willen hebben. De Schijf van Vijf kan mensen helpen een goed geïnformeerde keuze te maken. Het Voedingscentrum biedt, voor wie dit wil, praktische tips hoe je stapsgewijs meer volgens de Schijf van Vijf kan eten. Het kabinet zet zich in om de gezonde keuze makkelijker maken. Maar nogmaals, de keuze is aan mensen zelf.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
De positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel |
|
René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Longevity Shift: A New Era of Physician Engagement in Longevity Medicine» (Ipsos, maart 2026), waaruit blijkt dat artsen in toenemende mate worden geconfronteerd met patiënten die vragen stellen over longeviteitsgeneeskunde, maar dat zij daarvoor onvoldoende zijn opgeleid, en dat bestaande bekostigingsstructuren preventieve en op gezondheidsoptimalisatie gerichte zorg structureel ontmoedigen?
Ja.
Deelt u de analyse dat de huidige fee-for-servicebekostiging een structurele drempel opwerpt voor preventieve en longeviteitsgerichte zorg, doordat artsen niet of nauwelijks worden gecompenseerd voor tijdsintensieve consulten bij gezonde patiënten zonder gediagnosticeerde aandoening? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit knelpunt weg te nemen?
We hanteren in ons zorgstelsel een vaste volgorde: we kijken eerst of een behandeling of advies tot het verzekerde pakket behoort (de aanspraak). Pas als iets wettelijk verzekerde zorg is, wordt er gekeken naar de manier van betalen (de bekostiging). De Zorgverzekeringswet (Zvw) is een individuele schadeverzekering: vergoeding is alleen mogelijk bij noodzakelijke zorg vanwege ziekte of een verhoogd individueel medisch risico door de aanwezigheid van medische risicofactoren. Bij longeviteitsinterventies is er geen sprake van noodzakelijke geneeskundige zorg en het behoort daarom niet tot het verzekerde pakket. Er is dus is geen aanspraak op deze zorg.
In het kader van de Zvw wordt individuele preventie vergoed als het geïndiceerde en/of zorggerelateerde preventie betreft. Voorbeelden hiervan zijn onder meer het programma stoppen met roken, de Gecombineerde Leefstijlinterventie (GLI) en risicogerichte screening. Longeviteitsinterventies richten zich echter op gezonde mensen die gezond willen blijven. Het kabinet juicht dit toe en zet zich op andere manieren hiervoor in, o.a. via bredere preventie1.
Voor zorg die buiten het verzekerde pakket valt, geldt dat deze in de private sfeer kan worden aangeboden. In dat geval zijn zorgaanbieders in beginsel vrij om hun eigen tarieven vast te stellen en hierover afspraken te maken met patiënten.
In hoeverre is longeviteitsgeneeskunde als interventioneel vakgebied geïntegreerd in de basisopleiding en nascholing van huisartsen en medisch specialisten in Nederland? Bent u bereid dit te onderzoeken (met de Minister van OCW) en of de opleidingseisen op dit punt aanvulling behoeven, mede in het licht van de toenemende vraag vanuit de samenleving naar gezondheidsoptimalisatie en verlenging van de gezonde levensduur?
In Nederland maken preventie en leefstijl reeds onderdeel uit van medische (vervolg)opleidingen en nascholing. Er bestaat echter geen apart erkend vakgebied longeviteitsgeneeskunde. Veldpartijen en opleiders gaan zelf over de inhoud van de opleidingen. Het curriculum moet aansluiten op de toekomst, en dat geven zij zelf vorm.
Bent u bekend met het signaal uit het rapport dat artsen bij longeviteitsgeneeskunde interventies voorschrijven aan mensen die zich gezond voelen, zonder dat er sprake is van een vastgestelde aandoening, terwijl de standaard van zorg op dit terrein grotendeels ongedefinieerd blijft? Welke rol ziet u voor de overheid bij het ontwikkelen van klinische richtlijnen en evidence-based standaarden voor longeviteitsgerichte preventiezorg, zodat artsen niet zonder professioneel kader opereren?
Het kabinet is zich ervan bewust dat binnen de longeviteitsgeneeskunde interventies worden toegepast bij mensen zonder vastgestelde aandoening, terwijl een standaard van zorg op dit terrein nog ontbreekt. De overheid stelt zelf geen medische standaarden op, maar regelt de voorwaarden voor kwaliteit van zorg. Op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) is de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede en veilige zorg. Daarnaast is het aan de betrokken organisaties van zorgverleners, (vaak) samen met cliëntenorganisaties en zorgverzekeraars, om in de professionele standaard of kwaliteitsstandaarden vast te leggen wat goede zorg is.
Bent u bereid te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek een structurele plek kan krijgen, bijvoorbeeld via uitkomstbekostiging of een gerichte aanvulling op de Zorgverzekeringswet, naar voorbeeld van ouderenzorgmodellen in Denemarken en Finland.
Het kabinet ziet geen reden om te onderzoeken hoe longeviteitsgerichte preventiezorg een structurele plek kan krijgen binnen de Nederlandse bekostigingssystematiek. Zoals hierboven aangegeven valt longeviteitsgerichte preventiezorg niet onder de reikwijdte van de Zvw omdat geen sprake is van noodzakelijke geneeskundige zorg. Alleen als sprake is van een aanspraak in de zin van de Zvw, kan over de vorm van bekostiging worden nagedacht. Het Ipsos-rapport geeft overigens ook aan dat standaarden en evidence nog ontbreken.
In hoeverre acht u het wenselijk dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, primair ontwikkelt in de cash-pay en conciergegeneeskunde en daarmee feitelijk voorbehouden blijft aan vermogenden? Welke maatregelen overweegt u om de toegankelijkheid van preventieve longeviteitszorg voor een breed publiek te waarborgen?
Het Ipsos-rapport signaleert dat longeviteitsgeneeskunde zich, mede door het ontbreken van een vergoedingsstructuur, ontwikkelt buiten het reguliere zorgstelsel. Dit is een logisch gevolg van het feit dat deze zorg niet voldoet aan de criteria voor collectieve vergoeding binnen de Zorgverzekeringswet (Zvw), namelijk dat sprake moet zijn van medisch noodzakelijke zorg. Dit brengt met zich mee dat bepaalde vormen van zorg alleen toegankelijk zijn voor mensen die deze kosten zelf dragen. Tegelijkertijd geldt dat binnen een solidair zorgstelsel niet alles collectief kan worden vergoed. Juist het maken van scherpe keuzes is noodzakelijk om de toegankelijkheid, betaalbaarheid en solidariteit van het stelsel als geheel te waarborgen.
Het kabinet zet in op brede toegankelijkheid van bewezen effectieve preventie, bijvoorbeeld via:
Bent u bereid te bezien hoe longeviteitsgerichte preventiezorg beter kan worden ingebed in bestaande beleidskaders, zoals het Nationaal Preventieakkoord, het Integraal Zorgakkoord en de Wet publieke gezondheid? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet richt zich niet als zodanig op longeviteitsgerichte preventiezorg. Wel zet het kabinet in op brede toegankelijkheid van bewezen effectieve preventie. Hiervoor verwijs ik graag naar de beleidsbrief VWS van 24 april 20262.
Bent u bereid om, in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad, beroepsverenigingen en relevante wetenschappelijke instituten, een Nationale Strategie Longeviteitsgeneeskunde te ontwikkelen, met concrete doelstellingen voor de integratie van longeviteitsgerichte preventiezorg in het zorgstelsel, de opleiding van zorgprofessionals, wetenschappelijk onderzoek en de toegankelijkheid van deze zorg voor alle Nederlanders? Zo nee, waarom niet?
Hoewel het Ipsos-rapport wijst op een groeiende belangstelling, benadrukt het ook dat het veld nog in ontwikkeling is en dat standaarden en evidence ontbreken. Om die reden is het kabinet niet voornemens een aparte Nationale Strategie te ontwikkelen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe de bestaande onderzoeksinfrastructuur van onder andere Maastricht University en Maastricht UMC+, waaronder The Maastricht Study met haar grootschalige biobanking en deep phenotyping en het MERLN Institute for Technology Inspired Regenerative Medicine, strategisch kan worden ingezet als nationaal expertisecentrum voor longeviteitsgeneeskunde, door koppeling van biobankdata, biomarkers van biologische veroudering en klinische toepassingen? En hoe deze kennisinfrastructuur structureel kan worden ingebed in de nationale onderzoeks- en zorgagenda?
De inrichting van onderzoeksprogramma’s en de positionering van specifieke kennisinstellingen of samenwerkingsverbanden als nationaal expertisecentrum is in de eerste plaats aan de betrokken kennisinstellingen zelf. Universiteiten en universitair medische centra hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid om strategische samenwerkingen aan te gaan, onderzoeksagenda’s vorm te geven en consortia te ontwikkelen.
Voor de financiering van wetenschappelijk onderzoek bestaan in Nederland verschillende instrumenten, waaronder competitieve onderzoeksprogramma’s van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), ZonMw en Europese onderzoeksfondsen. Onderzoeksinstellingen kunnen binnen deze kaders voorstellen indienen.
Het Ministerie van VWS heeft geen directe rol in het aanwijzen of inrichten van specifieke nationale expertisecentra op het terrein van longeviteitsgeneeskunde. Wel blijft het kabinet via de bredere kennis- en innovatieagenda’s aandacht houden voor ontwikkelingen die kunnen bijdragen aan gezondheid, kwaliteit van leven en toekomstbestendige zorg. Daarbij is het van belang dat wetenschappelijke inzichten hun weg vinden naar de praktijk via bestaande samenwerkingsstructuren tussen onderzoek, zorg en maatschappelijke partners.
Bent u bereid de Kamer te faciliteren met een technische briefing over longeviteitsgeneeskunde, waarbij in samenwerking met ZonMw, de Gezondheidsraad en academische centra de stand van de wetenschap, de klinische toepasbaarheid, de ethische en maatschappelijke implicaties en de mogelijke inbedding in het Nederlandse zorgstelsel integraal worden toegelicht?
In bovenstaande beantwoording is uiteengezet hoe gekeken wordt naar de positie van longeviteitsgeneeskunde in het Nederlandse zorgstelsel. Als de Kamer besluit een briefing te organiseren over dit onderwerp dan is het kabinet uiteraard bereid om nadere toelichting te geven.
De vermenging van plantaardige ingrediënten in vleesproducten door supermarkten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat vleesproducten in Nederlandse supermarkten tot wel veertig procent plantaardige ingrediënten kunnen bevatten, zonder dat dit duidelijk op de verpakking wordt vermeld?1
Ja.
Klopt het dat consumenten in veel gevallen pas op de achterzijde van de verpakking, namelijk in de ingrediëntenlijst, kunnen zien dat hun product geen volledig vleesproduct is?
Nee, dat klopt niet. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op de achterzijde van de verpakking, in de ingrediëntenlijst, moet vervolgens worden aangegeven wat het percentage vleeseiwitten en plantaardige eiwitten is in desbetreffend levensmiddel.
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, hoe wenselijk vindt u deze realiteit?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat er sprake is van een vorm van misleiding, nu consumenten een vleesproduct in de supermarkt denken te kopen maar in feite een grotendeels plantaardig product krijgen?
Op dit moment wordt niet bij alle levensmiddelen op dezelfde manier aangegeven dat het uit verschillende eiwitbronnen bestaat. Desondanks voldoen deze levensmiddelen wel aan de huidige regelgeving. Zie voor de specifieke wettelijke voorschriften het antwoord op vraag 6. Op deze manier worden consumenten dus geïnformeerd over de aanwezigheid van plantaardige eiwitten in vleesproducten.
Indien het antwoord op vraag 4 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Welke regels gelden momenteel voor de etikettering van vleesproducten waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt? Hoe beoordeelt u deze regels?
Bij de etikettering van het levensmiddel moet, zowel op de voorkant als achterkant, worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd (Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 5). Bijvoorbeeld kippeneiwit in een runderhamburger, maar ook kikkererwteneiwit in een hamburger van varkensvlees. Ook moet in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld. Daarnaast moet bij de etikettering worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt (Verordening (EU) 1169/2011, Bijlage VI, Deel A, punt 4). Per casus zal de NVWA beoordelen of hieraan wordt voldaan.
Wat heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen drie jaar gedaan aan het controleren op en waarborgen van transparantie bij dergelijke producten?
De NVWA heeft de afgelopen 3 jaar geen specifiek toezicht gehouden op de etikettering van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. De NVWA controleert steekproefsgewijs levensmiddelen om de voedselveiligheid in Nederland te waarborgen. Deze aanpak is risicogericht en kennis gedreven, wat betekent dat toezicht wordt ingezet waar de voedselveiligheidsrisico’s het grootst zijn.
Zijn er door de NVWA de afgelopen drie jaar overtredingen geconstateerd?
Er zijn door de NVWA geen overtredingen geconstateerd met betrekking tot etikettering van levensmiddelen waarin plantaardige ingrediënten zijn verwerkt. Het is overigens ook niet verboden om plantaardige ingrediënten aan vleesbereidingen of vleesproducten toe te voegen. Op het moment dat sprake is van dergelijke toevoegingen, moet dat op de verpakking worden vermeld zodat de consument een geïnformeerde keuze kan maken.
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke gevolgen heeft dit gehad?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten past binnen de bredere, door de overheid gestimuleerde eiwittransitie?
Het kabinet deelt deze opvatting niet.
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Het kabinet heeft een doelstelling om in 2030 een balans in de gemiddelde eiwitconsumptie te bereiken van 50% plantaardige eiwitten en 50% dierlijke eiwitten. Een meer plantaardig eetpatroon is goed voor onze gezondheid en het milieu. Voor de betaalbaarheid voor consument is dit ook gunstig, aangezien plantaardige producten veelal goedkoper zijn dan dierlijke producten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze doelstelling. Het kabinet ziet dat met name supermarkten ook eigen ambities hebben geformuleerd ten aanzien van de eiwittransitie.
Het introduceren van met plantaardige eiwitten verrijkte vleesproducten is één van de manieren waarop bedrijven invulling geven aan het behalen van deze doelstellingen. Dat laat zien dat zij stappen zetten richting een meer plantaardig voedselaanbod. De keuze voor specifieke strategieën, evenals de wijze waarop hierover met consumenten wordt gecommuniceerd, ligt bij bedrijven zelf, met in achtneming van de geldende wet- en regelgeving. Van een door de overheid gestimuleerde aanpak waarbij dit onopgemerkt zou moeten gebeuren, is echter geen sprake. De keuze van de consument van producten die ook plantaardige eiwitten bevatten wordt juist gefaciliteerd door een transparante en expliciete vermelding hiervan op het etiket.
Hoe beoordeelt u het onopgemerkt vervangen van dierlijke producten door plantaardige ingrediënten?
Het kabinet waardeert het dat ketenpartijen actief bijdragen aan de eiwittransitie door het aandeel plantaardige eiwitten in producten te vergroten. Ketenpartijen spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze ontwikkeling. Het is aan deze partijen zelf om te bepalen op welke wijze zij hier invulling aan geven, zolang zij opereren binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving. Daartoe behoort dus ook dat bij de etikettering van het levensmiddel moet worden gemeld als eiwitten van een andere oorsprong zijn toegevoegd, dat in ieder geval in de ingrediëntenlijst het percentage van de dierlijke en plantaardige eiwitten worden vermeld en dat bij de etikettering moet worden gemeld wanneer bestanddelen van een levensmiddel geheel of gedeeltelijk worden vervangen door een ander ingrediënt.
Kunt u garanderen dat er geen directe of indirecte druk vanuit de overheid bestaat om vleesproducten op deze onopgemerkte wijze te «verduurzamen»?
De overheid heeft voor de eiwittransitie een duidelijke ambitie neergezet en ziet daarbij een belangrijke rol voor ketenpartijen, zoals supermarkten en producenten. Het kabinet waardeert het dat deze partijen hier actief mee aan de slag zijn en gaat hierover ook graag met hen in gesprek.
Er is echter geen sprake van directe of indirecte druk vanuit de overheid om producten op een specifieke, laat staan onopgemerkte, wijze aan te passen. Het is aan bedrijven zelf om te bepalen hoe zij invulling geven aan de eiwittransitie. Daarbij geldt dat zij zich moeten houden aan de geldende wet- en regelgeving.
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Hoe beoordeelt u de verklaring dat supermarkten steeds minder vlees in producten verwerken vanwege stijgende vleesprijzen?
Het kabinet kan niet voor individuele supermarkten spreken over hun beweegredenen. In algemene zin geldt dat prijsontwikkelingen van grondstoffen, zoals vlees, van invloed kunnen zijn op productformuleringen. Tegelijkertijd spelen mogelijk ook andere overwegingen, zoals duurzaamheid en consumentenvraag. Het is aan bedrijven om hierin hun eigen afwegingen te maken, mits aan de wettelijke voorschriften wordt voldaan.
In hoeverre acht u deze verklaring volledig, gezien het feit dat de Rijksoverheid zelf de ambitie heeft dat in 2030 vijftig procent van de eiwitconsumptie uit plantaardige eiwitten bestaat (tegenover veertig procent nu), en dat supermarkten daarbij expliciet worden aangewezen als partijen die hierin een belangrijke rol vervullen?2
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u uitsluiten dat de toename van plantaardige ingrediënten in vleesproducten (voor een deel) het gevolg is van sturing vanuit de overheid in het kader van de eiwittransitie?
Het kabinet kan niet voor individuele levensmiddelenproducenten spreken over hun beweegredenen om levensmiddelen te maken met plantaardige ingrediënten.
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten recht hebben op volledige transparantie en dat het percentage vlees in een bepaald vleesproduct op de voorkant van de verpakking zou moeten worden vermeld?
Het kabinet deelt uiteraard uw opvatting dat consumenten het recht hebben op volledige transparantie. Het kabinet is het er echter niet mee eens dat transparantie enkel wordt gegeven door vermelding van het percentage vlees op de voorkant van de verpakking. Bij deze zogenoemde plantaardig verrijkte levensmiddelen moet op de voorkant worden aangegeven dat ook plantaardige eiwitten zijn gebruikt. Per levensmiddel kan verschillen hoe dit wordt aangegeven. Op dit moment wordt het percentage vlees in een plantaardig verrijkt levensmiddel vermeld in de ingrediëntenlijst van het levensmiddel. Meestal bevindt deze zich aan de achterkant van het levensmiddel. Dit is conform de huidige wet- en regelgeving.
Bent u bereid om regelgeving aan te passen zodat duidelijk en prominent op de verpakking wordt vermeld welk percentage van een vleesproduct daadwerkelijk uit vlees bestaat?
Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, beziet het kabinet of de huidige wet- en regelgeving volstaat, of dat het noodzakelijk en mogelijk is om aanpassingen te doen rondom het etiketteren van plantaardig verrijkte levensmiddelen ten behoeve van het bieden van voldoende transparantie.
Indien het antwoord op vraag 19 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
Deelt u de opvatting van de indiener dat consumenten te allen tijde het recht moeten behouden om bewust en transparant te kiezen voor vlees, zonder verborgen aanpassingen of misleidende etiketten?
Het kabinet deelt deze opvatting. Het belangrijkste doel van Verordening (EU) nr. 1169/2011 over Voedselinformatie aan consumenten is het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming door eerlijke en duidelijke informatie over levensmiddelen. Door consumenten correct te informeren, kunnen zij goed doordachte keuzes maken en levensmiddelen veilig gebruiken. Het uitgangspunt voor voedselinformatie is dat het niet misleidend mag zijn (artikel 7, lid 1 Verordening (EU) nr. 1169/2011). Daarnaast moet de informatie nauwkeurig, duidelijk en gemakkelijk te begrijpen zijn voor de consumenten (artikel 7, lid 2 Verordening (EU) nr. 1169/2011).
Indien het antwoord op vraag 21 bevestigend luidt, welke maatregelen bent u van plan te nemen om dit te garanderen?
Het kabinet is van mening dat plantaardig verrijkte levensmiddelen niet per definitie misleidend zijn voor de consument. Zoals eerder aangegeven is het momenteel niet bij alle levensmiddelen even duidelijk dat het in dat geval gaat om een combinatie van dierlijke en plantaardige eiwitten. Het kabinet volgt de Europese discussie rondom de vleesbenamingen nauwgezet. Afhankelijk van de uitkomst, zal het kabinet zich de komende tijd inzetten om dit nader te onderzoeken en bezien of het nodig is om aanvullende regelgeving hiervoor op te stellen of dat de huidige regelgeving dit momenteel al voldoende dekt.
Indien het antwoord op vraag 21 ontkennend luidt, waarom niet?
N.v.t.
De sterk achterblijvende bouw van zorgwoningen voor ouderen |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bouw ouderenwoningen blijft fors achter»?1
Ja.
Begrijpt u de terughoudendheid van de zorgaanbieders vanwege risicovollere investeringen door de aangekondigde aanpassing van de volledig pakket thuis (vpt) vergoeding? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp dat veranderingen in de zorg onzekerheid met zich kunnen meebrengen, maar ik verwacht dat er ook in de toekomst een grote vraag zal zijn naar geclusterde woonvoorzieningen voor mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben, waarbij geldt dat de vergoeding voor de zorg redelijkerwijs kostendekkend moet zijn en blijven. Overigens worden ouderenwoningen niet alleen gerealiseerd door zorgorganisaties, maar ook door woningbouwcorporaties en private partijen.
Wanneer verwacht u duidelijkheid te kunnen geven over de aanpassing van de vpt-vergoeding?
De introductie van een nieuwe leveringsvorm in de ouderenzorg – waarover in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) afspraken zijn gemaakt – vergt een wetswijziging. Op dit moment wordt in overleg met alle betrokken HLO-partijen nagedacht over de vormgeving van die nieuwe leveringsvorm voor Wlz-zorg thuis. Ik verwacht dat in het voorjaar 2027 een eerste voorstel voor internetconsultatie gereed is.
Bent u bereid gezamenlijk met de woningcorporaties en zorgaanbieders tot een oplossing te komen om een structureel tekort aan passende woonzorgplekken voor ouderen te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het is van groot belang dat we de aankomende jaren doorgaan met het bouwen van voor ouderen geschikte woningen, en meer specifiek met geclusterde- en zorggeschikte woningen waar ouderen met een zorgvraag kunnen wonen. Dat kunnen ook kleinschaligere woonzorgvormen zijn. Ik onderken dat de bouw de afgelopen jaren is achtergebleven bij de opgave en daarom zet het kabinet op allerlei manieren in op het vergroten van de planvorming en realisatie van deze woonvormen. Hierover ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in nauw overleg met alle betrokken partijen, waaronder woningcorporaties en zorgpartijen. Wij blijven in gesprek met de sector om knelpunten bij de realisatie van nieuwe woonvormen voor ouderen weg te nemen.
Belangrijke elementen van de aanpak van het kabinet om de realisatie van woningtypes geschikt voor ouderen te vergroten zijn het maken van programmatische afspraken in de woondeals over de huisvestingsopgave voor ouderen, het voeren van gesprekken met bestuurders in de woondealregio’s over de planvorming en realisatie van deze opgave én het reserveren van extra middelen voor de realisatie van geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook kan na invoering van de Wet Regie bijvoorbeeld sterker worden gestuurd op het bouwen voor ouderen. Gemeenten moeten in hun volkshuisvestingsprogramma’s aangeven hoe zij invulling gaan geven aan deze bouwopgave.
Voor de zomer zal nader op het voorgaande worden ingegaan in een voortgangsbrief ouderenhuisvesting aan uw Kamer, zoals ook toegezegd tijdens het commissiedebat over de Staat van de Volkshuisvesting van 11 maart jl.
Het bericht ‘Nabestaanden krijg geen inzage in rapport zorginstelling na dodelijke gebeurtenis’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Nabestaanden krijg geen inzage in rapport zorginstelling na dodelijke gebeurtenis»?1
Het artikel beschrijft een zeer tragisch verhaal. Een moeder is haar zoon verloren door suïcide. Volgens het artikel worstelde de zoon jarenlang met depressieve gevoelens en psychoses. Uiteindelijk werd hij verplicht opgenomen en behandeld in een GGZ-instelling. Tijdens zijn verblijf in die instelling is hij overleden door zelfdoding. Het grote verdriet van de moeder is invoelbaar en aangrijpend.
Ook vertelt het artikel van Pointer over het onderzoek na de zelfdoding. In de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) is geregeld wat een zorgaanbieder moet doen na een dergelijke calamiteit. De zorgaanbieder moet een calamiteit onverwijld melden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ). De zorgaanbieder onderzoekt vervolgens in beginsel zelf de calamiteit. De zorgaanbieder informeert daarbij de nabestaanden over de calamiteit en over de maatregelen die hij naar aanleiding van de calamiteit neemt of zal nemen. Na afronding van het calamiteitenonderzoek door de zorgaanbieder stuurt de zorgaanbieder de gevraagde stukken naar IGJ. Deze stukken worden door de IGJ beoordeeld. Als de IGJ daartoe noodzaak ziet, kan zij zelf onderzoek doen naar de calamiteit.
Niet alle zorgaanbieders verstrekken het calamiteitenrapport aan de nabestaanden, hoewel die daaraan wel behoefte kunnen hebben. Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de evaluatie van de Wkkgz is het kabinet van plan om te gaan regelen dat zorgaanbieders nabestaanden actief informeren over het calamiteitenonderzoek en dat de nabestaande recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport, indien hij of zij daarom verzoekt.2
Op welke manier weegt u het belang van het beschermen van een zorginstelling ten opzichte het belang van nabestaanden?
Het kabinet vindt het allebei van belang: enerzijds helderheid voor nabestaanden over wat er is misgegaan en hoe dat kon gebeuren en anderzijds een zorgvuldig calamiteitenonderzoek op basis waarvan de zorginstelling kan leren en verbetermaatregelen kan treffen.
De meeste nabestaanden willen geïnformeerd worden over wat er is misgegaan. Tegelijkertijd kunnen zorgmedewerkers de angst hebben dat volledige openheid voor hen nadelige gevolgen kan hebben. Zo kan bij zorgverleners de vrees bestaan dat het onderzoeksrapport gebruikt gaat worden in een tuchtzaak, om schadevergoeding van de zorgaanbieder te eisen of voor «naming en shaming» via onder meer sociale media. Dat alles kan ertoe leiden dat zij niet of in mindere mate medewerking verlenen aan het onderzoek naar de calamiteit of incidenten helemaal niet meer melden. In dat geval worden de mogelijkheden om te leren niet optimaal benut. Dit komt de kwaliteit van zorg uiteindelijk niet ten goede en is dat ook in het nadeel van (toekomstige) cliënten. Vertrouwen is hierbij dan ook van groot belang.
Klopt het dat nabestaanden dossiers van bijvoorbeeld hun kinderen niet te zien krijgen omdat daar geen toestemming voor is gegeven, maar dat daar ook van tevoren nooit naar is gevraagd?
In principe krijgt niemand anders dan de cliënt zelf informatie over de cliënt of inzage in gegevens uit het medisch dossier, tenzij de cliënt daar toestemming voor geeft. De Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (hierna: WGBO) bevat echter sinds 2020 een bepaling die het inzagerecht voor nabestaanden en voormalig vertegenwoordigers in het medisch dossier van overleden cliënten regelt. Ook als de cliënt tijdens zijn leven geen toestemming heeft gegeven, mag de hulpverlener in sommige situaties inzage in het dossier geven. Dat kan als een nabestaande een mededeling over een incident heeft gekregen (op grond van de Wkkgz) of als iemand een zwaarwegend belang heeft, bijvoorbeeld als er een vermoeden is dat er een medische fout is gemaakt. Diegene moet dan wel aannemelijk maken dat zijn belang wordt geschaad en inzage nodig is om dit belang te beschermen.
Ten aanzien van kinderen is in de WGBO apart geregeld dat als een cliënt is overleden vóór zijn of haar zestiende verjaardag, een hulpverlener aan de persoon die het gezag had over het kind inzage of een kopie van het dossier mag geven als hier om wordt gevraagd.
Bent u bereid te verkennen of het mogelijk is om bij inschrijving bij een zorginstelling toestemming te vragen om familie of naasten inzage te geven in het dossier na mogelijke incidenten, en de Kamer hierover te informeren?
In de WGBO is sinds 2020 al geregeld dat nabestaanden en voormalig vertegenwoordigers gegevens uit het medisch dossier van de overledene mogen inzien als zij een mededeling van een incident hebben ontvangen. Dit recht op inzage of afschrift is beperkt tot gegevens uit het dossier die betrekking hebben op het incident (dus niet voor het hele dossier). Daarnaast kan de cliënt zelf een document (laten) opstellen of mondeling aan de hulpverlener aangeven aan wie welke gegevens uit zijn medisch dossier na zijn overlijden wel of niet verstrekt mogen worden. Dit kan de cliënt bij inschrijving bij de zorginstelling doen, maar ook op een later moment. De cliënt mag zijn of haar toestemming op ieder moment ook weer intrekken. Het kabinet vindt het van belang dat het inzagerecht van nabestaanden zoveel als mogelijk bij leven van de cliënt bespreekbaar wordt gemaakt en desgewenst in het dossier wordt vastgelegd.
Deelt u de opvattingen van Johan Legemaate, voormalig hoogleraar gezondheidsrecht, dat openheid de norm zou moeten zijn, en dat aan die norm nu niet wordt voldaan?
Het kabinet vindt openheid over incidenten en calamiteiten belangrijk. Bij calamiteiten gaat het om niet beoogde of onverwachte gebeurtenissen in de zorg met ernstige gevolgen voor de cliënt: de cliënt overlijdt of heeft ernstige schade. Dan wil je als cliënt, of in dit geval als nabestaande, weten wat er is gebeurd, hoe dat is gebeurd, en welke stappen zijn ondernomen om in de toekomst herhaling te voorkomen.
Na afloop van het calamiteitenonderzoek vindt het kabinet dat de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande het recht heeft op een mondelinge terugkoppeling van de bevindingen van het calamiteitenonderzoek, tenzij hij aangeeft daar geen behoefte aan te hebben. Indien de cliënt daar prijs op stelt, moet hij ook een schriftelijke samenvatting kunnen ontvangen van wat precies is onderzocht, wat de uitkomsten van het calamiteitenonderzoek zijn, alsmede de verbetermaatregelen die de zorgaanbieder naar aanleiding van het onderzoek zal treffen. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Wat is uw reactie op de oproep van de Patiëntenfederatie dat calamiteitenrapporten voor nabestaande openbaar zouden moeten zijn tenzij de cliënt heeft aangegeven dit niet te willen?
Voor het opstellen van een zorgvuldig en leerzaam calamiteitenonderzoek en nuttige verbetermaatregelen is de medewerking van de betrokken zorgverleners onmisbaar. Het kabinet wil voorkomen dat zorgmedewerkers onvoldoende meewerken aan het calamiteitenonderzoek uit angst voor een tuchtzaak, schadevergoeding of «naming en shaming» via onder meer sociale media, of incidenten helemaal niet meer melden. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de behoefte aan transparantie voor de cliënt en nabestaanden bij incidenten en calamiteiten. Daarom wil het kabinet voorstellen dat de zorgaanbieder de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande een mondelinge terugkoppeling moet geven over het calamiteitenonderzoek en dat de cliënt recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport indien de cliënt daarom verzoekt. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat nabestaanden moeten procederen, om alsnog openheid en informatie te krijgen over de dood van een dierbaren, en dat in die tijd nabestaanden niet kunnen toekomen aan rouwverwerking?
Het kabinet vindt dit inderdaad niet wenselijk. Daarom wil het kabinet voorstellen dat de zorgaanbieder de cliënt, diens vertegenwoordiger of nabestaande een mondelinge terugkoppeling moet geven over het calamiteitenonderzoek en dat de cliënt recht krijgt op een samenvatting van het calamiteitenrapport indien de cliënt daarom verzoekt. Een voorstel hiertoe zal worden opgenomen in het wetsvoorstel Evaluatiewet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
Deelt u de mening dat gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de zorg altijd inzage zouden moeten hebben in calamiteiten en rapporten als het ernstige tekortkomingen of de dood van een cliënt betreft? Zo niet, hoe verwacht u dan dat gemeente volledige verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de kwaliteit van de zorg waar zij verantwoordelijk voor zijn gemaakt?
Indien er een calamiteit en/of geweldsincident heeft plaatsgevonden bij een aanbieder van een Wmo-voorziening, dan is de aanbieder, op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), verplicht hiervan een melding te maken bij de toezichthoudend ambtenaar van de gemeente.
Gemeenten hebben, om aan hun verantwoordelijkheden in het kader van de Jeugdwet en de Wmo 2015 te voldoen, (doorgaans) echter geen inzage nodig in het (volledige) rapport. Het is wel wenselijk dat zij door de aanbieder voor zover noodzakelijk op de hoogte worden gesteld van de hoofdlijnen en verbeter-maatregelen die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Gemeenten kunnen hierover afspraken maken met de aanbieders.
Het stopzetten van C-support |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een nadere toelichting geven op de reden waarom C-support eind van dit jaar moet stoppen met zijn bezigheden en niet zoals eerst het voorstel was tot eind 2028?
De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.1 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen.
Graag wil het kabinet opmerken dat er geen afspraken zijn gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.
Op welke plekken moeten patiënten vanaf 2027 terecht voor nazorg? Welke garantie kunt u geven dat de nazorg goed belegd is vanaf 2027?
Nazorg is geen gebruikelijke vorm van zorg in Nederland. Patiënten ontvangen normaal gesproken de benodigde zorg en ondersteuning binnen de reguliere structuren van zorg en welzijn. Daarom is de afgelopen periode volop ingezet om kennis te ontwikkelen over post-COVID en is aan C-support gevraagd om maximaal in te zetten op het overdragen aan het reguliere veld zodat de patiënten zo snel mogelijk hulp en ondersteuning kunnen krijgen via de reguliere structuren van zorg en welzijn.
Heeft u een beeld of de eerstelijnszorg voldoende in staat en voorbereid is om nazorg te bieden? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, hoe komt u dan tot de huidige keuzes?
De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de post-COVID expertisecentra, en ook met dank aan het werk van Q- en C-support, leren we steeds meer over deze aandoeningen. Het doel daarvan is dat deze lessen vervolgens zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hieraan hard gewerkt. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking die is opgesteld en gepubliceerd vanuit PCNN2 en die modulair wordt aangevuld. Op deze inzet moet komende periode alle focus liggen. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten in de zeven resterende maanden. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.
Hoeveel huisartsen hebben voldoende kennis van long covid om goede nazorg te bieden?
Zie antwoord vraag 3.
Baart het u ook zorgen dat er veel patiënten zijn die geen enkele zorgprofessional spreken die verstand heeft van long covid en de behandeling ervan of hoe hiermee moet worden omgegaan? Welke verantwoordelijkheid heeft en voelt u om dit te verbeteren?
Hoewel de opbouw van kennis afgelopen periode een enorme vlucht heeft genomen, beseft het kabinet dat we er nog niet zijn. Alle patiënten, ook patiënten met post-COVID en andere PAIS, hebben recht op passende zorg. Daarom heeft het kabinet de afgelopen periode veel geïnvesteerd in de opbouw van kennis, niet alleen via Q- en C-support, maar ook via ZonMw-onderzoeken, de post-COVID expertisecentra en PCNN.
Met het bieden van nazorg (een luisterend oor, advies en begeleiding) hebben Q- en C-support afgelopen jaren veel betekend voor patiënten, maar wat zij vooral nodig hebben is passende zorg vanuit het reguliere veld, bijvoorbeeld via de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Zoals ook is toegelicht in beantwoording van vraag 1 van de Kamervragen het lid Bushoff over C- en Q-support is dat iets wat C-support deze patiënten niet kan bieden.
Deelt u de mening dat totdat in de eerstelijnszorg de nazorg goed is belegd, het niet gepast is om C-support te schrappen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke inzet pleegt u om langetermijnbeleid te vormen rond post-covid? Hoe geeft u uitvoering aan de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 25 295, nr. 2247) die oproept tot een langetermijnbeleid? Welke plek heeft biomedisch onderzoek in dit beleid?
Conform de toezegging in het commissiedebat over de eerstelijnszorg van 1 april jl. zal het kabinet de Kamer voor het zomerreces een brief sturen over het PAIS-beleid.3 In deze brief gaat het kabinet ook in op de stand van zaken van de uitvoering van de verschillende moties, waaronder de motie Bikker c.s.4
Welke verantwoordelijkheid heeft en voelt u om het onderzoek dat plaatsvindt in de expertisecentra post-covid te continueren zoals de motie Bushoff c.s. (Kamerstuk 25 295, nr. 2242) vraagt?
De expertisecentra hebben eenmalig financiële middelen gekregen voor een looptijd van twee jaar (2025 en 2026) via de beleidsregel innovatie, zodat deze centra tot stand konden komen. Het is nu aan het veld om de handschoen verder op te pakken en invulling te geven aan wat passende zorg is voor deze patiënten, in de eerste, tweede of derde lijn.
Daarbij streven alle betrokken partijen het zelfde doel na, namelijk dat alle post-COVID patiënten toegang hebben tot passende zorg. Daarvoor is het in ieder geval noodzakelijk dat de zorg voor deze patiënten voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk, dat wil zeggen aantoonbaar veilig, werkzaam en effectief is. Aan de hand van de evaluatie van de beleidsregel innovatie wordt bezien hoe de zorg aan post-COVID patiënten na 2026 in de reguliere bekostiging landt.
Wilt u deze vragen beantwoorden uiterlijk voor het debat over de Voorjaarsnota?
Ja.
Het artikel 'OM vervolgt nauwelijks zorginstellingen na onnatuurlijke dood cliënten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de stelling dat het Openbaar Ministerie (OM) zorginstellingen veel vaker zou moeten vervolgen voor grove nalatigheid?1
Het OM beslist conform het opportuniteitsbeginsel zelf over het instellen van vervolging en het voorleggen van een zaak aan de rechter. Het is dan ook niet aan het kabinet om een oordeel te geven over vervolgingsbeslissingen van het OM.
Hoe verklaart u dat het OM dertig zaken onderzocht, maar dat sinds 2009 slechts vier zorginstellingen voor de rechter zijn gekomen voor zaken met een dodelijke afloop?
Het kabinet heeft de door u genoemde cijfers gezien in het onderzoek van Pointer. De specifieke zaken is het kabinet echter niet bekend en het kabinet kan hoe dan ook niet op individuele casussen ingaan. In algemene zin kan worden opgemerkt dat strafrechtelijke onderzoeken naar medische zaken vaak complex zijn. Zo heeft het OM bij de aanvang van een medische zaak regelmatig gebrekkige en onvolledige informatie over de feitelijke toedracht. Soms zijn zorginstellingen niet bereid informatie te verschaffen en doen zij een beroep op het medisch beroepsgeheim. Ook ingewikkeld in medische zaken is het strafrechtelijk bewijzen van delictsbestanddelen als causaliteit, opzet of schuld (grove nalatigheid).
Hoe oordeelt u over de stelling dat het voor iedereen gemakkelijk is om een zorgbedrijf op te richten, maar dat het ook gemakkelijk lijkt om weg te komen met fouten en slechte zorgverlening?
Alle instellingen die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) moeten beschikken over een toelatingsvergunning op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Bij de vergunningverlening wordt onder meer getoetst of het aannemelijk is dat een zorgaanbieder de zorg zodanig heeft georganiseerd dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. De zorgverlening zelf geschiedt onder meer op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de Wkkgz. De IGJ kan maatregelen treffen als blijkt dat de zorg van onvoldoende niveau is. In het uiterste geval kan de vergunning op grond van de Wtza worden ingetrokken.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt onder andere gewerkt aan maatregelen die het toetsen en indien nodig kunnen weren van (her)startende aanbieders verbeteren. Zo wordt met de toezichthouders samengewerkt aan een maatregel om meer fysieke controles uit te voeren bij startende zorgaanbieders. Daarnaast worden de mogelijkheden tot uitbreiding de doelgroep van de vergunningplicht op grond van Wtza verkend. Daarbij wordt ook gekeken naar verdieping van de vergunningseisen.
Hoe oordeelt u over de stelling dat gebrekkige regelgeving een rol speelt in het niet rondkrijgen van de bewijslast? En welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Veel regelgeving op het gebied van zorg is gebaseerd op open normen. Zo worden bijvoorbeeld doelen geformuleerd, en geen gedetailleerde regels. Dit beperkt de administratieve last voor personeel in de zorg en geeft hen het vertrouwen naar eigen expertise in complexe omstandigheden het beste te handelen. Om een strafrechtelijk verwijt te formuleren moet een duidelijke schending van een wettelijke norm bestaan. Bij open normen is dit soms moeilijk aan te tonen. Dat wil op zichzelf echter niet zeggen dat de regels gebrekkig zijn.
Waarom zijn er geen kwaliteitseisen voor zorgverleners die via de Wet langdurige zorg (Wlz) zorg bieden, zoals de rechtbank concludeert?
Wlz-zorg valt ook onder zorg in de zin van Wkkgz en zo worden via de Wkkgz kwaliteitseisen aan het handelen van Wlz zorgaanbieders en zorgverleners gesteld. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Goede zorg is zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Zorgaanbieders en zorgverleners moeten, om goede zorg aan te bieden, handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit het geheel van normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen die invulling geven aan de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden. Daarnaast moeten zorgaanbieders de zorg op zodanige wijze organiseren dat een en ander redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Daar hoort ook bij dat een zorgaanbieder zorgt voor geschikt en voldoende personeel om goede zorg te kunnen verlenen.
Ziet u mogelijkheden om, zoals in het artikel gesuggereerd wordt, voorwaardelijke opzet ten laste te gaan leggen?
Het OM legt strafbare feiten ten laste waar een zorginstelling in zijn ogen schuld aan heeft. Of sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, is onderdeel van deze beoordeling door het OM. Het is niet aan het kabinet om hierin te treden.
In hoeverre overweegt u om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de bevoegdheid te geven om zorgbedrijven te sluiten als er sprake is van zorgverwaarlozing?
De IGJ beschikt reeds over wettelijke bevoegdheden om in te grijpen, wanneer sprake is van tekortschietende zorgkwaliteit of onveilige situaties. Deze bevoegdheden lopen uiteen van het geven van aanwijzingen en bevelen tot het opleggen van lasten onder dwangsom of bestuursdwang. In ernstige gevallen kan dit ook leiden tot het stilleggen van (delen van) zorgverlening of het beëindigen daarvan.
Daarnaast beschikt de inspectie over verschillende informele en formele interventiemogelijkheden. In het interventiebeleid van de IGJ is uitgewerkt welke handhavingsinstrumenten de inspectie kan inzetten, waaronder het opleggen van een aanwijzing met cliëntenstop of cliëntenoverdracht wanneer sprake is van ernstige en voortdurende cliëntveiligheidsrisico’s. De inzet van deze bevoegdheden is altijd afhankelijk van de ernst van de situatie en de mate waarin de veiligheid en kwaliteit van zorg in het geding zijn. De inspectie heeft bij het toepassen van interventies oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan.
In hoeverre overweegt u om ervoor te zorgen dat ook andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder tuchtrecht te laten vallen?
Het kabinet wil in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap en de praktijk.
De Wet BIG kent twee regimes om beroepen te reguleren. Er is een zogenaamd «zwaar» regime op grond van artikel 3 Wet BIG en een «licht» regime op grond van artikel 34 Wet BIG. Beroepen in het lichte regime kennen een beschermde opleidingstitel. Het zware regime ziet op beschermde beroepstitels. Beroepsbeoefenaren die een beschermde beroepstitel willen voeren, moeten zich in het BIG-register inschrijven. Het tuchtrecht is op hen van toepassing. Het tuchtrecht in de wet BIG heeft als doel het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de individuele gezondheidszorg. Uitgangspunt van de Wet BIG is het zogenoemde «nee, tenzij principe». Niet alle beroepen en handelingen in de zorg hoeven wettelijk te worden gereguleerd. De Wet BIG biedt nu al veel flexibiliteit en ruimte om voorbehouden handelingen te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgmedewerkers.2 Hierover is samen met diverse veldpartijen voorlichting ontwikkeld. Het gaat om de mogelijkheden van de opdrachtverlening via de Wet BIG.3 Dit zorgt voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkten draagt bij aan het beter benutten van ieders talent.
Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep uitoefenen, zijn andere waarborgen aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen. Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Zvw of Wlz vallen bijvoorbeeld onder de Wkkgz. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder de zorg zodanig organiseren dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Dit omvat, onder andere, een vergewisplicht die stelt dat zorgaanbieders de geschiktheid van personeel dat zij aannemen of inhuren moeten controleren, bijvoorbeeld via referenties of een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Daarnaast kan een zorgaanbieder, in het kader van de vergewisplicht, navraag doen bij de IGJ. De IGJ maakt ten aanzien van een zorgverlener een aantekening indien uit een rapport naar aanleiding van een verplichte melding bij de IGJ blijkt dat de zorgverlener mogelijk een ernstige bedreiging betekent voor de patiëntveiligheid.
Daarom overweegt het kabinet niet om andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders onder het tuchtrecht te laten vallen.
Hoe oordeelt u over de stelling dat de IGJ veel meer, bijvoorbeeld onaangekondigd, moet handhaven – aangezien in het artikel wordt gesteld dat het via het strafrecht lastig is aan te tonen dat er bijvoorbeeld slechte zorg is geleverd?
De IGJ kan handhaving inzetten bij acute en voortdurende cliëntrisico’s (zie ook antwoord bij vraag 7) conform het interventiebeleid.
De IGJ brengt aangekondigde en onaangekondigde bezoeken. Wanneer de bevindingen uit haar onderzoek daar aanleiding toe geven, kan de inspectie handhavend optreden. Leidend daarbij zijn de mate van vertrouwen in de verbeterkracht en de ernst van het risico voor cliënten. Bij de inzet van interventies en handhaving heeft de inspectie oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan. Er is geen sprake van onaangekondigd handhaven. Wel kan de inspectie wanneer sprake is van acute ernstige risico’s direct handhavende maatregelen inzetten, zoals een bevel. Daar gaat altijd een zorgvuldig proces aan vooraf.
Het is echter ook goed om te vermelden dat werken in de zorg mensenwerk is en dat incidenten in de zorg, ook met een dodelijke afloop, niet volledig uit te sluiten zijn of altijd wijzen op een zorgtekort. Het kabinet realiseert zich dat een incident, met het overlijden van een client als gevolg, een grote impact heeft op alle betrokkenen (cliënten/ patiënten, naasten, zorgverleners) en het is van belang dat er nazorg plaatsvindt. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat zorgorganisaties leren van incidenten, zelf onderzoek doen en verbeteringen treffen om herhaling van incidenten in de toekomst te voorkomen. Aandacht hiervoor en opvolging van verbetermaatregelen is ook nadrukkelijk onderdeel van hoe de IGJ toezicht houdt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd?
Als iemand is overleden, moet volgens de Wet op de lijkbezorging (Wlb) de behandelend arts of de gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) het lichaam zo spoedig mogelijk na het overlijden schouwen. Een behandelend arts kan alleen een verklaring van (natuurlijk) overlijden afgeven wanneer hij overtuigd is van een natuurlijke dood. Als de behandelend arts niet de overtuiging heeft dat er sprake is van een natuurlijk overlijden, kan hij geen verklaring van overlijden afgeven en moet hij direct contact opnemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Die voert dan de lijkschouw uit. Als er sprake is van een patiënt die is overleden door een onvoorziene of onverwachte gebeurtenis in de zorg, dan is er sprake van een calamiteit. Een calamiteit moet op grond van de Wkkgz direct worden gemeld bij de IGJ.
In de Richtlijn Lijkschouw voor behandelend artsen (2016)4 en de Handreiking (Niet-)natuurlijke dood (2016)5 is nader omschreven wat een behandelend arts moet doen bij een lijkschouw. De handreiking gaat ook specifiek in op overlijdens in de zorgsetting.
Als een behandelend arts ook maar de geringste twijfel heeft over de vraag of er sprake is van een natuurlijk overlijden, dient de arts contact op te nemen met de gemeentelijk lijkschouwer. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat er sprake is van een systeemprobleem dat ervoor zorgt dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt en geregistreerd.
Waarom worden huisartsen en verpleeghuisartsen niet voor voor lijkschouw en niet-natuurlijke doden opgeleid, terwijl lijkschouw al veelal door hen gedaan wordt?
Zie ook antwoord bij vraag 10: in principe kan en mag iedere arts een lijkschouw doen en is deze in staat onderscheid te maken tussen een casus waarin zij/hij overtuigd is van een natuurlijke dood en een casus waarbij die overtuiging niet bestaat.
Al in de geneeskunde opleiding worden artsen opgeleid om lijkschouw uit te kunnen voeren en een niet-natuurlijke overlijden vast te kunnen stellen. In zowel de huisartsenopleiding als in de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde is er uitvoerig aandacht voor de begeleiding van patiënten en hun naasten tot en met het overlijden. De lijkschouwing is omschreven als een van de verplichte vaardigheden van de huisarts6 en de specialist ouderengeneeskunde7.
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over de definities van een natuurlijke en onnatuurlijke dood?
De begrippen natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden zijn niet nader gedefinieerd in de Wlb. Momenteel wordt gewerkt met definities die in de literatuur zijn ontwikkeld. In zowel de eerder genoemde richtlijn als de handreiking staat een definitie van natuurlijk overlijden en van niet-natuurlijk overlijden.
Natuurlijk overlijden is gedefinieerd als overlijden door spontane ziekte, inclusief een complicatie van een volgens de geldende professionele standaarden, richtlijnen en vereiste zorgvuldigheid, uitgevoerde medische behandeling. Niet-natuurlijk overlijden is overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld of een andere van buiten komende oorzaak, schuld of opzet van een ander, of zelfmoord.
Hoewel deze definities voor een groot deel houvast bieden aan (forensisch) artsen, zal er ook sprake blijven van een grijs gebied. Een voorbeeld is een overlijden van een oudere met dementie als gevolg van een val. Dit wordt in beginsel aangemerkt als niet-natuurlijk overlijden (ongeval). In sommige gevallen wordt dit echter ook aangemerkt als natuurlijk overlijden, bijvoorbeeld als een valpartij onduidelijk of onbekend is, of als er veel tijd verstreken is tussen het incident en het moment van overlijden.
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) codeert de onderliggende doodsoorzaak conform de regels van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems 10th Revision (ICD-10). Dit is een door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vastgestelde internationaal afgestemde classificatie die de basis is voor de codering en statistische weergave (uitsplitsing) van de doodsoorzaken. Door de aard van de classificatie is de afbakening van niet-natuurlijk overlijden mogelijk niet altijd exact gelijk aan de juridische definitie die in de verschillende landen wordt gehanteerd.
Waarom houdt de IGJ geen landelijke cijfers bij van niet-natuurlijke doden?
Indien naar het oordeel van de behandelend arts of gemeentelijk lijkschouwer sprake is van een niet-natuurlijk overlijden, maakt de gemeentelijk lijkschouwer hiervan melding bij de officier van justitie. Het OM kan hiervan melding maken bij de IGJ. Een zorgaanbieder is daarnaast verplicht om melding te doen van een calamiteit bij de IGJ, ook wanneer dit in combinatie is met een niet natuurlijk overlijden.
In de eerder genoemde Handreiking (Niet-)natuurlijke dood wordt toegelicht wat artsen en zorgaanbieders bij een niet-natuurlijk overlijden moeten doen en wordt ook de relatie met het doen van een calamiteitenmelding uitgelegd en hoe de IGJ hier opvolging aan geeft. Het kan echter ook voorkomen dat het niet-natuurlijk overlijden geen verband heeft met de geleverde zorg en daardoor niet gemeld wordt bij de IGJ of dat pas op een later moment geconstateerd wordt dat er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden en de calamiteit al gemeld is bij de IGJ. De IGJ heeft dus geen totaaloverzicht van het aantal niet-natuurlijke overlijdens (in een zorgsetting).
Gaat u ervoor zorgen dat er een overzicht komt, aangezien GGD’s die het calamiteitentoezicht uitvoeren voor gemeenten ook geen overzicht hebben?
Het kabinet vindt het belangrijk dat partijen als de GGD en de IGJ over de informatie beschikken die zij nodig hebben. Het is daarom van belang en bovendien verplicht dat zorgaanbieders alle calamiteiten melden, zowel als er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden als wanneer er sprake is van een natuurlijk overlijden. In beide gevallen kan de kwaliteit van de geleverde zorg tekort zijn geschoten en aanleiding zijn om onderzoek te doen. Indien kwaliteit van zorg in het geding is kan de IGJ onderzoek doen en zo nodig ingrijpen.
In hoeverre zou het CBS een rol kunnen spelen in het verzamelen en analyseren van deze cijfers?
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland. Wanneer een persoon in Nederland overlijdt, vult de arts die de schouw uitvoert de doodsoorzaakverklaring in (ook wel bekend als het B-formulier). Dit formulier wordt verzonden naar het CBS. Deze procedure is vastgelegd in artikel 12a van de Wet op de lijkbezorging. De B-formulieren worden verwerkt en gecodeerd conform de richtlijnen van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems (ICD-10). Zoals in antwoord op vraag 12 is aangegeven, wordt bij de publicatie van de doodsoorzakenstatistiek een uitsplitsing gemaakt naar de verschillende natuurlijke en niet-natuurlijke doodsoorzaken.
De wettelijke taak van het CBS is het doen van statistisch onderzoek en het publiceren van de resultaten daarvan. De informatie die het CBS daarvoor ontvangt, mag ook uitsluitend voor statistische doeleinden worden gebruikt en niet voor administratieve of opsporingsdoeleinden. Daarnaast is het publiceren van statistische gegevens die te herleiden zijn tot een individuele persoon of instelling niet toegestaan.
Hoe oordeelt u over de stelling dat het IGJ en het OM beter zouden moeten samenwerken?
De samenwerking tussen de IGJ en het OM is van belang voor een zorgvuldige omgang met signalen over mogelijke misstanden in de zorg. Beide organisaties hebben daarbij een eigen wettelijke rol en verantwoordelijkheid. De IGJ als toezichthouder op de kwaliteit en veiligheid van zorg en het OM bij de beoordeling van strafrechtelijke vervolging.
Het kabinet vindt het van belang dat signalen over mogelijke misstanden, waaronder onnatuurlijke overlijdens, tijdig en adequaat worden gedeeld tussen betrokken partijen. Daarom bestaan er al samenwerkingsafspraken tussen de IGJ en het OM over informatie-uitwisseling en opschaling wanneer daar aanleiding toe is. De IGJ en het OM werken waar nodig samen op het gebied van de volksgezondheid en hebben daartoe een samenwerkingsprotocol vastgesteld, dat in januari 2022 in de Staatscourant is gepubliceerd. Dit Samenwerkingsprotocol IGJ-OM (Staatscourant 2022)8 bevat afspraken over samenwerking, coördinatie, handhaving en de uitwisseling van informatie en voorziet in de afstemming tussen beide partijen.
Het bericht ‘Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: ’Er is niets dat ik niet wil doen’' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tienduizenden mensen met beperking kunnen gewoon aan de slag: «Er is niets dat ik niet wil doen»»?1
Ja
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat de personeelstekorten in de zorg fors oplopen, terwijl ondertussen nog altijd 22.000 mensen met een beperking langs de zijlijn staan?
Wij zouden dat graag anders zien. Het terugdringen van de personeelstekorten is een brede uitdaging waar we alle partijen voor nodig hebben. Volgens onderzoek van kenniscentrum Movisie en VGN (Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland) zouden ongeveer 22.000 mensen die nu in de dagbesteding zitten, de stap kunnen maken naar een vorm van betaald werk. De Minister van Werk en Participatie zet zich in voor het bevorderen van participatie op de arbeidsmarkt. Dat gebeurt op allerlei manieren, zie hiervoor het antwoord op vraag 4. Het Programma Simpel Switchen in de Participatieketen omvat onder andere de overstap van dagbesteding naar betaald werk. Binnen dit gezamenlijke programma van de Ministeries van SZW en VWS met landelijke partners als Divosa, de VGN, Cedris en Movisie, lopen verschillende activiteiten gericht op het vergemakkelijken van deze overstap.
Deelt u de mening dat juist mensen met een beperking zorgorganisaties veel te bieden hebben en dat het beter voor henzelf en de samenleving zou zijn indien zij de stap zouden maken van dagbesteding naar betaald werk? Zo nee, waarom niet?
Het is zeker belangrijk dat ook mensen met een beperking zo veel mogelijk betaald werk verrichten. Betaald werk draagt bij aan zelfstandigheid, aan meedoen in de samenleving en het is van belang voor de economie. Het bevorderen van betaald werk is één van de prioriteiten van de Minister van Werk en Participatie. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 ziet het gezamenlijke Programma Simpel Switchen in de Participatieketen onder meer op de stap van arbeidsmatige dagbesteding naar een vorm van betaald werk.
Constateert u ook dat er landelijk maar een handjevol zorgorganisaties zijn die werken met mensen met een beperking en de meeste werkgevers vooral de problemen en niet de kansen zien?
Nog steeds hebben te weinig werkgevers mensen met een beperking in dienst. Helaas gaat het nog maar om minder dan een op de vijf werkgevers.2 Dat probleem speelt niet alleen in de zorgsector. Er zijn wel goede voorbeelden van zorgorganisaties die mensen met een beperking in dienst hebben. Maar het is zaak dat meer werkgevers, ook in de zorg, het goede voorbeeld volgen. Het is onacceptabel dat de arbeidsparticipatie van mensen met een beperking achterblijft. Het is niet goed voor de mensen zelf en ook de samenleving als geheel is daarmee slechter af. Zeker nu bedrijven in het land nog steeds om personeel verlegen zitten. In een krappe arbeidsmarkt kunnen we de talenten en inzet van mensen simpelweg niet missen. Door zoveel talent onbenut te laten, schieten we onszelf als samenleving in de voet.
Er zijn de afgelopen tijd al veel maatregelen getroffen om dit probleem aan te pakken.3 Zo zijn er verbeteringen van de Banenafspraak tot stand gekomen. Er is een Sociaal Innovatiefonds om inclusief werkgeverschap aan te moedigen, er is budget voor het structureel maken van het instrument Individuele Plaatsing en Steun, er zijn middelen voor investeringen voor een toekomstbestendige infrastructuur van sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk (structureel gaat het om € 190 miljoen extra per jaar), er is een subsidieregeling inclusieve technologie. Ook komen sectorale Ontwikkelpaden tot stand, onder meer in de zorg, de wet van school naar duurzaam werk is begin 2026 in werking getreden en er zijn maatregelen genomen in de Participatiewet in balans ter bevordering van uitstroom naar werk. Met de komst van Werkcentra is er één loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk.
De komende tijd worden onverminderd maatregelen getroffen ter bevordering van de arbeidsparticipatie. Zo wordt er ingezet op het harmoniseren van het re-integratiebeleid, waaronder de inzet van werkvoorzieningen, zodat werkzoekenden en werkgevers sneller krijgen wat nodig is. Er wordt meer ingezet op praktijkgerichte scholing, zodat mensen sneller kunnen instromen in banen in sectoren als de zorg. Ook wordt er gewerkt aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin wordt ingegaan op hoe de informatievoorziening verder kan worden vergroot. Daarnaast vindt er een hervorming van de Participatiewet plaats en er wordt gewerkt aan een fundamentele herziening van de Banenafspraak.
Bent u bereid werkgevers beter voor te lichten over de mogelijkheden die er zijn? Zo nee, waarom niet?
Met de komst van Werkcentra is er een loket in arbeidsmarktregio’s waar werknemers, werkzoekenden en werkgevers terecht kunnen met vragen over betaald werk. Daarnaast werkt de Minister van Werk en Participatie aan een agenda over inclusief werkgeverschap, waarin hij verder in zal gaan op hoe de bekendheid van regelingen en mogelijkheden verder kan worden versterkt.
Streven is de agenda rond de zomer met uw Kamer te delen.
Bent u bereid te onderzoeken hoe bestaande regelingen versimpeld kunnen worden zodat deze minder ingewikkeld zijn voor werkgevers en de bevindingen met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit het antwoord op vraag 4 blijkt, wordt er volop ingezet op het verbeteren van bestaande regelingen. Daarbij gaat het ook om de informatievoorziening over die regelingen en de uitvoering ervan. Dat gebeurt met nauwe betrokkenheid van werkgevers, werknemers, ervaringsdeskundigen, uitvoerders en andere belanghebbende partijen. De Kamer wordt regelmatig geïnformeerd over de ontwikkelingen in de verschillende dossiers.
Het stopzetten van Q- en C-support |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen die leven naar aanleiding van de bekendmaking van het vervroegd stopzetten van Q- en C-support per 2027?1
De subsidies aan Q- en C-support zijn altijd tijdelijk geweest. Dit is al langere tijd bekend en de Kamer is hierover in november 2025 geïnformeerd.2 Dat neemt niet weg dat het kabinet natuurlijk bekend is met de zorgen die leven naar aanleiding hiervan. Er is echter – helaas – geen eenvoudige oplossing om deze zorgen weg te nemen. Het kabinet hecht eraan om stil te staan bij het dilemma dat hieraan ten grondslag ligt.
In 2013 is stichting Q-support opgericht om mensen met Q-koorts te ondersteunen en adviseren en om actuele kennis over deze ziekte te delen met zorgverleners en andere professionals. In 2020 is C-support opgericht bij dezelfde organisatie om datzelfde te doen met betrekking tot post-COVID. De reden voor oprichting van Q- en C-support is dat mensen met deze ziekten niet werden herkend en erkend, door onbekendheid met de aandoeningen bij professionals. Er was behoefte aan een ondersteuningspunt voor patiënten, en ook voor professionals. Het uitgangspunt is daarbij altijd geweest dat de ondersteuning van Q- en C-support tijdelijk was, omdat mensen uiteindelijk het beste af zijn in het reguliere veld van zorg en welzijn. Nederland beschikt namelijk over een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg waarin professionals zich elke dag inzetten om patiënten zo goed mogelijk te helpen. Q- en C-support biedt patiënten tijdelijke ondersteuning buiten het reguliere veld van zorg en ondersteuning, in de wetenschap dat de professionals binnen het veld uiteindelijk het beste in staat zijn om de nodige zorg en ondersteuning te verlenen. Direct vanaf de oprichting was het doel van Q- en C-support dan ook kennisoverdracht naar de reguliere zorg en welzijnsinstanties. Daartoe heeft zij onder meer nascholingen georganiseerd, handreikingen voor professionals opgesteld en dergelijke. Het kabinet heeft grote waardering voor deze inzet, maar moet ook constateren dat Q- en C-support tegen beperkingen aanloopt. Ten eerste omdat het werk van Q- en C-support geen formele status heeft binnen de reguliere zorg. Zo werken artsen op basis van officiële medische richtlijnen vanuit de beroepsgroep en heeft Q- en C-support niet de positie om richtlijnen op te leggen of af te dwingen. Ten tweede omdat, ondanks alle inzet, nog steeds geen effectieve, wetenschappelijk onderbouwde diagnose- en behandelmogelijkheden beschikbaar zijn. Op beide punten heeft Q- en C-support beperkte tot geen invloed. Het is dan ook niet reëel om te verwachten dat met een eventuele verlenging van de subsidie aan Q- en C-support hierin de komende jaren een doorbraak bereikt kan worden. Tegelijkertijd beseft het kabinet dat het voor patiënten moeilijk te verteren is dat de individuele ondersteuning vanuit Q- en C-support gaat stoppen, terwijl zij in de reguliere zorg nog niet kunnen rekenen op een effectieve behandeling. Dat laatste is een verdrietig feit, waar echter eventuele verlenging van de subsidie geen verandering in zal brengen. Tegelijkertijd resteren er nog zeven maanden voor Q- en C-support om de kennis die zij hebben opgedaan over te dragen aan het reguliere veld. Het kabinet rekent erop dat alle betrokken partijen zich hiervoor maximaal inzetten ten behoeve van de patiënt. Hierbij hou ik vinger aan de pols hoe dit verloopt.
De inzet van het kabinet is erop gericht om PAIS3-patiënten zo goed mogelijk te helpen binnen het reguliere veld van zorg en ondersteuning. Zoals eerder toegezegd, zal het kabinet de Kamer voor de zomer informeren over de inzet ten aanzien van het PAIS-beleid.
Wat betekent de stopzetting per 2027 voor de naar schatting 400.000 mensen met post-COVID, waarvan 100.000 ernstig getroffen?
De individuele nazorg die C-support biedt aan patiënten met Q-koorts stopt per 2027. Er blijven, óók na 2026, wel middelen voor een kennis- en informatiecentrum, zodat bijvoorbeeld nascholingen voor huisartsen beschikbaar blijven. Voor individuele zorg aan patiënten zijn de reguliere zorgverleners verantwoordelijk. Het uitgangspunt is ook altijd geweest dat patiënten de zorg waar zij recht op hebben behoren te krijgen in het reguliere zorgveld. De subsidies aan Q- en C-support zijn om die reden altijd tijdelijk geweest, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1. Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten die tot nu toe niet goed terecht konden bij reguliere zorgverleners hierover. Daarom is ook aan Q- en C-support gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg, zodat patiënten daar beter geholpen worden.
Deelt u de lezing dat nog steeds veel patiënten vastlopen, aangezien ook nu nog maandelijks 150 nieuwe patiënten zich melden naast de ruim 34.000 patiënten die al in beeld zijn bij C-support?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren een belangrijke rol gespeeld in het bieden van een luisterend oor en advies aan patiënten met Q-koorts en post-COVID. Dat is heel waardevol, maar wat patiënten vooral nodig hebben is passende zorg vanuit bijvoorbeeld de huisarts en ondersteuning vanuit de gemeente. Daarom vraagt het kabinet Q- en C-support nadrukkelijk om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg.
Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de post-COVID expertisecentra, de Federatie Medisch Specialisten (FMS) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) wordt hard gewerkt aan de verspreiding van kennis, onder andere via richtlijnen. Dit is een zorgvuldig proces en dat kost tijd. In de tussentijd worden daarom vanuit de verschillende programma’s handreikingen opgesteld en verspreid, die gebruikt kunnen worden door huisartsen en andere zorgverleners. Een voorbeeld daarvan is een handreiking4 voor professionals, ontwikkeld binnen het PCNN, waarin wetenschappelijke kennis en praktijkervaring is gebundeld. Daarin is ook aandacht voor nazorg, zoals de begeleiding bij rouw en zingeving bij patiënten met post-COVID.
Daarnaast is voor 2027 specifiek voor Q-koorts patiënten een bedrag van € 2,5 miljoen opgenomen in de begroting van VWS. Voor deze groep ziet de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid, mede naar aanleiding van de drie rapporten over Q-koorts van de Nationale ombudsman. De inzet van deze middelen wordt in samenspraak met de patiëntenvereniging Q-uestion, Q-support en de Q-koorts ambassadeur vastgesteld. Uitgangspunt is dat het bijdraagt aan de kwaliteit van leven van Q-koortspatiënten.
Waar kunnen deze patiënten wat u betreft terecht na het stopzetten van Q- en C-support als de reguliere zorg op dat moment nog niet genoeg kennis en expertise heeft om hen voldoende en passend te ondersteunen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de zorg dat het vroegtijdig stopzetten van Q- en C-support kan leiden tot langdurige uitval bij patiënten, hogere WIA-instroom en een hogere zorgconsumptie, en dat het risico hierop kleiner is als de kennis beter is ingebed in de reguliere zorg?
Het kabinet begrijpt de zorgen van patiënten hierover. Het is inderdaad belangrijk dat alle opgedane kennis rondom onder andere Q-koorts en post-COVID goed wordt ingebed in de reguliere zorg. Daarom is Q- en C-support nadrukkelijk gevraagd om maximaal in te zetten op overdracht van kennis aan zorgverleners in de reguliere zorg. Daarnaast wordt momenteel aan een herziening van de richtlijn Langdurige klachten na COVID-19 gewerkt door de FMS en het NHG. De geleerde lessen uit de post-COVID expertisecentra en de verschillende ZonMw onderzoeken worden ook in de herziening meegenomen. Ook stimuleert de Q-koorts ambassadeur dat kennis, bijvoorbeeld best-practices, tussen gemeenten of instanties gedeeld wordt. Het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), het landelijk samenwerkingsnetwerk dat in 2024 uit het ZonMw programma Post-COVID is voortgekomen, zorgt ook voor kennisdeling over post-COVID. De inzichten die nu worden opgedaan over zorg voor patiënten met post-COVID, kunnen van grote meerwaarde zijn voor patiënten met andere post-acute infectieuze aandoeningen.
Deelt u de opvatting dat Q- en C-support een uniek overzicht van de aard, ernst en impact van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID heeft en dat waardevolle kennis mogelijk verloren gaat als de organisaties worden afgebouwd op het moment dat deze kennis op andere plekken nog onvoldoende in huis is?
Q- en C-support heeft in de afgelopen jaren veel betekend in de nazorg voor patiënten met post-COVID en Q-koorts en hebben daarmee inderdaad veel ervaringskennis opgebouwd. De zorgen over het afbouwen van Q- en C-Support zijn daarom begrijpelijk. Zoals reeds toegelicht in de brief aan de Kamer van 28 november 20255 blijven middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum. De focus ligt vanaf 2027 dan ook op het scholen en informeren van zorgprofessionals, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen. Q- en C-support is gevraagd alle kennis die zij in de afgelopen jaren heeft opgedaan, breed toegankelijk te maken en te verspreiden, zodat professionals daar gebruik van kunnen maken. Naast Q- en C-support wordt ook veel kennis opgebouwd binnen bijvoorbeeld het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN), de onderzoeksprogramma’s van ZonMw en de expertisecentra. Het kabinet beseft daarbij dat we er nog niet zijn en dat de bekendheid bij zorgverleners over PAIS nog beter moet. Daarom is het van groot belang dat artsen en onderzoekers, onder meer via de programma’s die door het Ministerie van VWS worden gefinancierd, alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat die kennis ook zijn weg vindt naar, onder andere, de spreekkamers.
Bent u ermee bekend dat zorgmedewerkers, gemeenten, bedrijfs- en verzekeringsartsen, UWV en werkgevers aangeven dat zij zonder de ondersteuning van Q- en C-support op dit moment nog onvoldoende kennis en handelingsperspectief hebben om patiënten zelfstandig en verantwoord te helpen?
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat de bekendheid van post-COVID onder deze groepen daarmee beter moet en nog niet voldoende op orde is? Zo nee, kunt u dit nader onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Zou C-support wat u betreft een rol moeten of kunnen spelen in het vergroten van die bekendheid? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
De rol van stichting C-support was de afgelopen jaren meerledig: het bieden van patiënten nazorg en het dissemineren van opgedane kennis over post-COVID. Hierbij heeft zij altijd al een rol gehad als het gaat om het vergroten van de bekendheid over post-COVID. Daarbij is het doel altijd geweest om PAIS-patiënten op te vangen binnen de reguliere zorg. De bekendheid rondom post-COVID en andere PAIS groeit daarnaast door de diverse ZonMW-onderzoeken, herziening van de richtlijnen door medisch specialisten en huisartsen, gemeenten en andere instanties, en doordat patiënten zelf actief de eerstelijnszorg benaderen met vragen over zorg.
Deelt u de opvatting dat de doelstellingen van Q- en C-support pas zijn behaald als de kennis over postinfectieuze aandoeningen als post-COVID voldoende is geborgd op andere plekken, waarmee de organisatie zichzelf in feite overbodig zou hebben gemaakt?
De afgelopen tijd heeft de opbouw van kennis over PAIS, mede dankzij alle investeringen, een enorme vlucht genomen. In alle onderzoeken binnen de verschillende onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de expertisecentra, maar ook over welke ondersteuning vereist is binnen het sociaal domein leren we steeds meer over deze aandoeningen, mede met dank aan het werk van Q- en C-support. Nu is het zaak dat de lessen die tot nu toe zijn opgedaan zo snel mogelijk in richtlijnen terecht komen en breed verspreid worden. Door betrokken artsen en onderzoekers, bijvoorbeeld vanuit PCNN, de expertisecentra, de FMS en de NHG wordt er hard gewerkt om (biomedische) inzichten te verspreiden. Daar moet de komende periode zoveel mogelijk op worden ingezet.
Waarom is de eerder besproken transitieperiode van drie jaar, die juist was bedoeld om kennis zorgvuldig over te dragen aan het reguliere veld en de ondersteuning van patiënten geleidelijk af te kunnen bouwen, nu verkort tot slechts één jaar?
Er zijn geen afspraken gemaakt over de financiering van een driejarige transitieperiode. De subsidie aan C-support was een tijdelijke subsidie
voor een periode van 2020 tot en met 2025. In 2026 is eenmalig € 7,5 miljoen
ter beschikking gesteld, bovenop de reguliere middelen die deze organisaties
al kregen. In totaal is hiermee ruim € 10 miljoen ter beschikking gesteld aan Q- en C-support voor het jaar 2026. Doel van de subsidie is om Q-koorts en post-COVID patiënten te begeleiden en daarnaast de opgedane kennis te delen met het zorg- en welzijnsdomein. Dit laatste is belangrijk omdat daarmee patiënten in de reguliere structuren opgevangen kunnen gaan worden.
Bent u bereid oplossingsrichtingen te verkennen waarbij Q- en C-support meer tijd krijgen om de bekendheid van postinfectieuze aandoeningen als post-COVID bij patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties te vergroten, zodat het reguliere veld voldoende is voorbereid op zelfstandige ondersteuning op het moment dat de organisaties stoppen?
Zoals eerder toegelicht blijven na 2026 middelen beschikbaar voor een kennis- en informatiecentrum dat zich juist gaat richten op kennisoverdracht aan (zorg)professionals, bijvoorbeeld door het organiseren van nascholingen voor huisartsen en het opstellen van een handreiking voor gemeentes.
Ziet u het als optie om de waakvlamconstructie bij het RIVM en/of de GGD’en onder te brengen, waarbij Q- en C-support zich voorlopig kunnen blijven focussen op het voorlichten, adviseren en ondersteunen van patiënten, (bedrijfs)artsen, gemeenten en uitvoeringsorganisaties?
Vanaf 2027 zullen de activiteiten vooral betrekking hebben op het scholen en informeren van de zorg- en welzijnsprofessionals en het informeren van patiënten. Q- en C-support heeft over de jaren heen veel kennis en ervaring over dit type aandoeningen en daarbij passende nazorg voor deze specifieke patiënten opgedaan. Het is belangrijk deze kennis en ervaring te behouden voor een potentiële toekomstige epidemie. Daarom is Q- en C-support gevraagd met een plan te komen voor een waakvlamconstructie op basis waarvan, in geval van een nieuwe infectieziekte-uitbraak, snel, grootschalige nazorg georganiseerd kan worden.
Het ligt voor de hand om met de middelen die na 2026 nog beschikbaar blijven, een waakvlamconstructie en kennis- en informatiefunctie in gezamenlijkheid te organiseren, omdat deze twee taken in elkaars verlengde liggen en dezelfde kennis vereisen. Het kabinet ziet dan ook geen meerwaarde om deze zaken los te trekken.
Het bericht ‘Al vijf weken geen gasten meer in hospice Dedemsvaart, Bert vecht voor het voortbestaan: 'Anders is het voorbij'’ |
|
Eveline Tijmstra (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat het hospice in Dedemsvaart de deuren dreigt te moeten sluiten?1
Ik heb kennisgenomen van het bericht over de situatie van het hospice in Dedemsvaart. Ik vind het belangrijk dat mensen ook in de laatste levensfase kunnen rekenen op passende en liefdevolle zorg. Hospices voorzien daarbij in een behoefte. Zij bieden een omgeving waarin zorg en ondersteuning worden afgestemd op de wensen van mensen in de laatste levensfase. Het zou teleurstellend zijn wanneer een hospice zijn deuren moet sluiten.
Om de achtergrond van de situatie in kaart te brengen is contact opgenomen met de voorzitter van het hospice, thuiszorgorganisatie Carinova, de betrokken regionale netwerkcoördinator en de Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ).
In het nieuwsbericht kwam naar voren dat een tekort aan vrijwilligers een knelpunt vormde voor het openhouden van het hospice. Uit de gesprekken die hebben plaatsgevonden blijkt dat deze zorg inmiddels (deels) is weggenomen. Ik heb vernomen dat, naar aanleiding van de oproep van het hospice in de krant en de georganiseerde informatieavond en open dag zich 47 potentiële nieuwe vrijwilligers hebben gemeld die zich in de nacht willen inzetten. Het hospice verwacht met deze nieuwe vrijwilligers in mei a.s. een doorstart te kunnen maken. Dat is goed nieuws. De dreigende sluiting zou overigens niet direct een probleem opgeleverd hebben voor het aanbod van palliatieve terminale zorg in de regio. Het hospice is een bijna-thuis-huis met twee bedden en in deze regio zijn er relatief veel hospices. Er is volgens de betrokkenen die ik heb gesproken dus voldoende (alternatief) aanbod en ook de continuïteit van 24/7 verpleegkundige zorg is geborgd.
Deelt u de mening dat de kracht van hospices juist ligt in lokale verankering en dat de inzet van vrijwilligers van groot belang is? Hoe beoordeelt u in dit kader het risico dat centralisatie van hospices leidt tot een afname van vrijwilligers, gezien hun sterke lokale binding?
Een bijna-thuis-huis is in beginsel een burgerinitiatief met vrijwilligers. Vrijwilligers zijn in belangrijke mate verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken. Als hospices zouden fuseren is het begrijpelijk dat een deel van de vrijwilligers zich bij een nieuwe locatie minder verbonden voelt of de reisafstand te groot vindt. Tegelijkertijd zijn er bij een «centralisatie» bij één voorziening met meer bedden niet hetzelfde aantal vrijwilligers nodig als bij twee kleine voorzieningen opgeteld.
Goede afstemming in de regio is van groot belang en het is daarbij belangrijk dat in een regio rekening wordt gehouden met demografische ontwikkelingen, maar ook met de beschikbaarheid van mensen en middelen. Binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) is eind 2023 samen met hospicekoepels het project Versterken Hospicezorg gestart om de hospicezorg toekomstbestendig te maken. In dit kader zijn binnen verschillende regio’s afspraken gemaakt over capaciteit om de zorg beter te laten aansluiten op de groeiende zorgvraag, zodat een cliënt ook in de toekomst de juiste zorg ontvangt.
Welke wijzigingen in de bekostiging van hospices zijn doorgevoerd of voorzien, en wat zijn de gevolgen hiervan voor kleinschalige hospices en bijna-thuis-huizen, mede in relatie tot versnipperde financiering en personeelstekorten?
Zorgverzekeraars betalen vanaf 2025 een dagtarief voor de wijkverpleegkundige zorg. In overleg tussen zorgverzekeraars, zorgaanbieders en bijna-thuis-huizen, onder leiding van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), is afgesproken om dit dagtarief te gaan hanteren. Een wijkverpleegkundige levert namelijk aan meerdere cliënten zorg in hetzelfde huis. Een dagtarief is dan passender en zorgt voor minder administratieve lasten voor de wijkverpleegkundige. Het dagtarief is een gemiddelde prijs waarbij rekening kan worden gehouden met variatie tussen cliënten en variatie per dag. Daarnaast is het gebaseerd op alle dagen zorg die de wijkverpleegkundigen aan alle cliënten in het huis hebben geleverd. In een brief van 29 september 2025 is uw Kamer geïnformeerd over deze nieuwe bekostiging en de daarmee samenhangende aandachtspunten.2
Voor het hospice zelf zijn belangrijke bronnen van inkomsten een eigen bijdrage van gasten, fondsen en de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Deze subsidie is bedoeld voor de coördinatie van de inzet en de opleiding van vrijwilligers in de palliatieve terminale zorg.
Ik herken signalen dat het huidige tarief voor wijkverpleegkundige zorg, in combinatie met personeelstekorten, uitdagingen kunnen opleveren. Dit geldt in het bijzonder voor kleine hospices met een beperkt aantal bedden (twee tot drie bedden) of bij een lage bezettingsgraad.
Kunt u ingaan op de specifieke situatie in de regio Salland, waar niet alleen het hospice in Dedemsvaart, maar bijvoorbeeld ook in Hardenberg onder druk staat? Is de toegankelijkheid van hospicezorg in de regio Salland voldoende geborgd?
In de regio waar de hospices Dedemsvaart en Hardenberg onder vallen is een bovengemiddeld aanbod van hospicezorg beschikbaar. Het hospice in Hardenberg heeft drie bedden en ervaart daardoor iets minder knelpunten, maar is ook een relatief klein bijna-thuis-huis met risico op lagere bezetting.
Bij een lage bezetting lopen voorzieningen risico’s. Afgelopen jaren zijn nieuwe initiatieven gestart in deze regio en er zijn her en der plannen om uit te breiden. Zo is in Dalfsen een hospice bezig met een uitbreiding van twee naar vijf bedden. Ook in Ommen wordt mogelijk een nieuw hospice geopend. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft aan dat er geen continuïteitsprobleem is in de nacht. Gedurende 24 uur per dag is er zorg op afroep beschikbaar en hierover zijn goede afspraken gemaakt met de hospices. De toegankelijkheid van hospicezorg is volgens betrokkenen dus voldoende geborgd in de regio. Het is voor deze regio eerder een risico dat er veel nieuwe initiatieven willen starten wat mogelijk kan leiden tot een lagere bezetting bij de bestaande voorzieningen. In dat kader is het van belang dat regio’s afspraken maken over capaciteit om de zorg goed te laten aansluiten op de zorgvraag. Daar is mijn beleid dan ook op gericht.
Hoe kijkt u naar het voorbestaan van de hospices in Dedemsvaart en Hardenberg in het licht van de vergrijzing?
De vergrijzing leidt tot een toenemende vraag naar palliatieve zorg. Dit vraagt om een toekomstbestendige inrichting van hospicezorg, waarbij samenwerking tussen formele en informele zorg centraal staat. Momenteel werk ik samen met alle betrokken partijen aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Kunt u toelichten hoe binnen het beleid rekening wordt gehouden met regionale verschillen, zoals bevolkingsdichtheid en reisafstanden tot hospices?
Gelet op onder andere deze regionale verschillen is het belangrijk dat afspraken over capaciteit worden gemaakt in de regio. Hierbij dient rekening gehouden te worden met demografische ontwikkelingen en beschikbare mensen en middelen.
Klopt het dat thuiszorgorganisaties de nachtzorg in kleinschalige hospices steeds lastiger rond krijgen vanwege een tekort aan personeel? Zo ja, welke concrete mogelijkheden ziet u om het tekort aan zorgpersoneel in de nachtzorg te verlichten?
Net zoals andere zorgsectoren heeft ook de wijkverpleging te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dat betekent dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars goede afspraken moeten maken om het beschikbare personeel zo goed mogelijk in te zetten. Het beleid in de wijkverpleging is erop gericht dat deze afspraken binnen een regio worden gemaakt door betrokken zorgverzekeraars en zorgaanbieders, bijvoorbeeld in de vorm van afspraken over onplanbare nachtzorg en herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging waarmee partijen samenwerken om de zorg toegankelijk te houden. Voor de nachtzorg in kleinschalige hospices kan dat tot dilemma’s leiden, omdat het zowel vanwege personele als financiële redenen niet altijd rendabel is om een zorgverlener de hele nacht op de locatie aanwezig te hebben. Tegelijkertijd blijkt uit een door V&VN, VPTZ en ActiZ opgestelde leidraad over de samenwerking tussen formele en informele zorg in bijna-thuis-huizen dat daar wel belang aan wordt gehecht, onder meer door de vrijwilligers die in deze huizen aanwezig zijn. Thuiszorgorganisatie Carinova geeft specifiek voor de locatie in Dedemsvaart, waar twee bedden zijn, aan dat er 24/7 verpleegkundige zorg op afroep beschikbaar is. Er is in die zin dus geen continuïteitsprobleem. Dit is ook in lijn met de landelijke afspraken die in de wijkverpleging zijn gemaakt om onplanbare nachtzorg in elke regio effectief te organiseren. Tegelijkertijd is duidelijk dat een optimale inzet van het beschikbare personeel in de regio en de behoefte aan de aanwezigheid van een zorgverlener in de nacht soms op gespannen voet met elkaar staan. Het is aan zorgaanbieders en zorgverzekeraars om daar goede afspraken over te maken.
Deelt u de mening dat de inzet van vrijwilligers in kleinschalige hospices cruciaal is? Zo ja, hoe neemt u dit mee in de verbetering van de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis en in de Toekomstagenda?
De inzet van vrijwilligers is van onschatbare waarde binnen de palliatieve zorg. Vrijwilligers leveren een belangrijke bijdrage aan kwaliteit van leven en sterven van patiënten en hun naasten. Het kabinet onderkent dat belang en ondersteunt dit onder meer via de Subsidieregeling Palliatieve terminale zorg en geestelijke verzorging thuis. Op dit moment wordt een evaluatie uitgevoerd naar de subsidieregeling. De evaluatie is erop gericht inzicht te geven in de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoering van de subsidieregeling. Tevens wordt onderzocht hoe de regeling toekomstbestendig kan worden ingericht. De komende maanden wordt samen met alle betrokken partijen ook verder gewerkt aan de Toekomstagenda palliatieve zorg en ondersteuning 2027–2031. Voor wat betreft het capaciteitsvraagstuk van hospices wordt momenteel samen met alle betrokken partijen gewerkt aan een plan van aanpak toekomstbestendige hospicezorg. Ik zal uw Kamer hierover voor de zomer nader informeren.
Hoe geeft u concreet uitvoering aan uw uitspraak in het schriftelijk overleg over het rapport «Hospices in Nederland» dat het van belang is om de ondersteuning en inzet van vrijwilligers structureel te borgen?
De ondersteuning en inzet van vrijwilligers wordt structureel geborgd via de bestaande subsidieregeling en door samenwerking binnen regionale netwerken palliatieve zorg. De rol van vrijwilligers wordt nadrukkelijk meegenomen bij de verdere inrichting van de hospicezorg en palliatieve terminale zorg.