De onafhankelijke positie van de rechtbank Den Haag en de uitspraak over de zaak van Greenpeace over het ‘beschermen’ van Bonaire. |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (VVD), Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 over de «Klimaatzaak Bonaire» van Greenpeace tegen de Staat?
Ja, dat heb ik. Op 2 februari 2026 stuurde het vorige kabinet een Kamerbrief met een eerste appreciatie van deze uitspraak1 en op 10 april over de beslissing om hoger beroep in te stellen2.
Deelt u het inzicht dat nationale wet- en regelgeving, ook gelet internationale afspraken en verplichtingen met betrekking tot het klimaat, altijd in het perspectief van een brede belangenafweging dienen te staan om te evenwicht in beleid en uitvoering te waarborgen?
Ja, en dit gebeurt ook. Regels van internationaal recht, hieronder vallen ook mensenrechtenverdragen, maken deel uit van de Nederlandse rechtsorde op basis van onze Grondwet (Gw). Artikel 91, eerste lid, Gw bepaalt dat het Koninkrijk niet aan verdragen gebonden mag worden zonder voorafgaande goedkeuring van de Staten-Generaal. De verplichting tot naleving van internationaal recht is vastgelegd in de artikelen 93 en 94 Gw. Zodra regels van internationaal recht Nederland op internationaal niveau binden, is er de verplichting om deze regels na te komen, ook in de nationale rechtsorde. Bij de totstandkoming van nationale wet- en regelgeving wordt steeds een belangenafweging gemaakt. Al bij de voorbereiding van een wetsvoorstel worden belanghebbende partijen betrokken, bijvoorbeeld door hen te verzoeken te adviseren. Hierbij worden ook uitvoeringsconsequenties betrokken. Als het wetsvoorstel vervolgens via internetconsultatie openbaar wordt gemaakt kunnen burgers, organisaties of professionals adviseren, hun mening of feedback geven. Op basis van alle voorhanden zijnde informatie wordt een belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante belangen worden betrokken.
Deelt u de mening dat de rechter het hoogste scenario 8.5 in het IPCC-rapport (met een stijging van de zeespiegel van 27 centimeter in 2050 en 85 centimeter in 2100) dat een modelmatige wetenschappelijke benadering bevat over stijging van de zeespiegel door klimaatverandering ten onrechte interpreteert als feitelijke werkelijkheid in de motivering van zijn uitspraak?
In het algemeen kan ik over de scenario's die zijn gebaseerd op het IPCC-rapport het volgende mededelen: alle scenario’s zijn gebaseerd op modelberekeningen. Ieder scenario is een mogelijkheid. De rechtbank heeft het in de uitspraak over de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer. Voor ieder mogelijk scenario geldt dat er een verschil in waarschijnlijkheid van het scenario zit.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste en onzorgvuldige omgang door de rechter met een wetenschappelijk rapport geen detail betreft, maar een grove fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de rechter wetenschap serieus dient te nemen en daarom extreme scenario’s in modelmatige rapporten die mede de basis vormen voor een brede belangenafweging nooit mag verwarren met feitelijke waarheden?
Wetenschap dient serieus genomen te worden. De rechtbank beschrijft in de uitspraak de «verwachte» zeespiegelstijging en geeft de bandbreedtes van de mogelijke zeespiegelstijging weer. (zie ook het antwoord op vraag 3).
Hoe beoordeelt u het feit dat in de uitspraak van de rechtbank rekening gehouden wordt met een zeespiegelstijging van tot 127 cm bij het hoge uitstootscenario, terwijl we volgens het IPCC op koers liggen voor een gemiddeld uitstootscenario?
Het past mij als bewindspersoon niet om duiding te geven aan de overwegingen in een rechterlijke uitspraak. In het algemeen kan ik zeggen dat de rechtbank de «zeespiegelstijging tot 127 cm» niet als feit maar als mogelijk scenario noemt. Er is geen reden om dit scenario uit te sluiten als mogelijkheid, dit doen het IPCC en het KNMI ook niet. De rechtbank geeft slechts aan wat in verschillende scenario’s de verwachte zeespiegelstijging is. Daarmee geeft de rechtbank de onzekerheid over de mate van zeespiegelstijging door klimaatverandering weer.
Onderkent u het feit dat in de uitspraak wordt verondersteld dat het doel van het Klimaatakkoord van Parijs «opwarming beperken tot 1,5 graad Celsius» is, terwijl dat feitelijk onjuist is omdat het akkoord niet spreekt over de opwarming beperken tot minder dan 1,5 graad Celsius, maar letterlijk «well below» 2 graad Celsius, en over het nastreven van pogingen («pursue efforts») om aan het einde van de eeuw tot minder dan 1,5 graad Celsius te komen ten opzichte van het pre-industriële niveau?
Het klopt dat artikel 2 van de Overeenkomst van Parijs spreekt over «ruim onder 2°C» en «streven de stijging te beperken tot 1,5 °C». De rechtbank geeft in de uitspraak aan dat na de Overeenkomst van Parijs de klimaatdoelen uit de Overeenkomst van Parijs steeds zijn bevestigd en zelfs aangescherpt. Gelet op het toenemende aantal rampen door extreme weersomstandigheden en nadere wetenschappelijke inzichten besloten de VN-verdragstaten onder andere bij het Glasgow Climate Pact (COP26), het Sharm el Sheikh Implementation Plan (COP27) en de First Global Stocktake in Dubai (COP28) dat de opwarming van de aarde moet worden beperkt tot maximaal 1,5 °C. Daarbij verwijst de rechtbank onder andere naar het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH). In het IGH-advies kwalificeert het IGH de temperatuurgrens van 1,5°C als het overeengekomen primaire doel van de partijen bij de Overeenkomst van Parijs ter beperking van de mondiale gemiddelde temperatuurstijging.
Deelt u de mening dat deze feitelijk onjuiste interpretatie door de rechter van het Klimaatakkoord geen detail betreft, maar een fout is die grote gevolgen heeft in de onderbouwing en motivering van het vonnis en daarmee in de beoogde uitwerking voor het beleid van de staat en de al dan niet te nemen maatregelen die daaruit voortvloeien?
Zie het antwoord op vraag 7.
Welke maatregelen, die de Nederlandse regering de afgelopen jaren trof, hebben bijgedragen aan de instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire, of welke voorgenomen maatregelen gaan bijdragen aan de instandhouding of versterking van het koraal?
Er is een aantal maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan. Bijvoorbeeld in de afgelopen vier jaar in het kader van fase 1 van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland 2020–2030. Deze zijn afgestemd met het Openbaar Lichaam Bonaire, gefinancierd door het Rijk, en uitgevoerd door lokale organisaties onder aansturing van het Openbaar Lichaam. Het gaat hierbij om een koraalrestauratieproject, natuurherstel Slagbaai, verbetering van beheer van afvalwater door onder andere uitbreiding van de RWZI, bestrijding van Sargassum, maar ook de aanpak van loslopend vee zodat er minder sedimentafspoeling richting zee plaatsvindt. Voor fase 2 zal samen met de Openbare Lichamen vastgesteld worden welke maatregelen nodig zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Deze maatregelen vallen onder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.
Deelt u de mening dat het onrealistisch is om te denken dat maatregelen die Nederland kan treffen ten aanzien van klimaat bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal bij Bonaire?
Er zijn maatregelen genomen op Bonaire om verdere achteruitgang van koraal op Bonaire tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 9). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan instandhouding of versterking van het koraal. Daarbij merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak aangeeft dat landen een deelverantwoordelijkheid hebben om maatregelen te treffen om klimaatverandering te voorkomen.
Deelt u de mening dat in de uitspraak van de rechtbank aantoonbare onjuistheden en onvolledige weergaven van internationale afspraken staan, zodat deze uitspraak geen stand kan houden en hoger beroep geboden is?
De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Hoe beoordeelt u het dat de landsadvocaat heeft nagelaten om tegenargumenten te geven tegen aantoonbare onjuiste beweringen van de eisende partij?
Deze veronderstelling in uw vraag deel ik niet. In een civielrechtelijke procedure als onderhavige stellen partijen eigen processtukken op. Zo heeft de Staat met een conclusie van antwoord en een conclusie van dupliek gereageerd op de vorderingen en stellingen van Greenpeace. Door middel van deze processtukken heeft de Staat verweer gevoerd tegen stellingen waar volgens de Staat een andere interpretatie van bestaat of stellingen die volgens de Staat onjuist of onvoldoende onderbouwd waren.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter en voorzitter van de zitting publiekelijk op social media al jarenlang frequent uitspraken doet over zijn uitgesproken opvattingen over klimaat, geopolitiek en zelfs een petitie deelt om «het financieren van de klimaatcrisis» te stoppen?
Voor een sterke, goed functionerende rechtspraak is het belangrijk dat rechters volop deelnemen aan het maatschappelijke leven. Ook rechters hebben, net als iedereen in Nederland, vrijheid van meningsuiting. Voor rechters zitten hier wel grenzen aan. Rechters hebben immers ook een bijzondere positie in de samenleving. De samenleving moet op de Rechtspraak kunnen vertrouwen. De Rechtspraak heeft een gedragscode die online te raadplegen is. In de Gedragscode Rechtspraak3 is ook aandacht voor het gebruik van sociale media. Ten slotte heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) een rechterscode. De NVvR-rechterscode is in 2026 geactualiseerd en bevat normen die rechters zichzelf stellen. Zowel binnen als buiten de zittingszaal.
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. Wraken is het formeel vragen om een andere rechter voorafgaand aan of tijdens een rechtszaak, omdat de huidige rechter partijdig of vooringenomen lijkt.
Deelt u de mening dat een rechter die herhaaldelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid niet onafhankelijk en daarom niet geschikt is om een gerechtelijke uitspraak te doen over klimaatbeleid?
De onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak worden via verschillende wegen voldoende gewaarborgd, zie het antwoord op vraag 13.
Waarom heeft de landsadvocaat geen verzoek gedaan om de rechter te wraken omdat hij publiekelijk persoonlijke opvattingen deelt over klimaatbeleid?
Indien een partij twijfelt aan de onpartijdigheid van een rechter kan hij of zij een wrakingsverzoek indienen. In de rechtszaak over klimaatverandering op Bonaire heeft de Staat geen aanleiding gezien om de landsadvocaat te vragen een wrakingsverzoek in te dienen. Zie verder het antwoord op vragen 13 en 14.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze rechter in het verleden ook gerechtelijke uitspraken met verstrekkende gevolgen voor democratisch beleid heeft gedaan over stikstof en klimaat?
Om te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan rechters in een rechtsgebied of team worden toebedeeld zijn in ieder gerecht regels opgesteld voor zaakstoedeling. De Code zaakstoedeling4 heeft tot doel te waarborgen dat rechtszaken op basis van objectieve maatstaven aan de rechters worden toegedeeld. Een rechter kan aldus betrokken zijn bij meerdere uitspraken. Ik heb geen reden om aan te nemen dat deze Code in dit geval onjuist is toegepast of dat voornoemde gedragscodes zijn geschonden (zie het antwoord op vragen 13 en 14).
Gaat de Staat in hoger beroep tegen de uitspraak?
Het kabinet heeft de Kamer geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen. Het kabinet zal de precieze gronden van het hoger beroep bepalen en uitwerken.
Deelt u de mening dat de onmiskenbaar vooringenomen houding van de rechter die zijn positie om onafhankelijk en onbevooroordeeld te oordelen leidt tot een mogelijke herzieningsgrond, dit nog afgezien van voldoende zwaarwegende argumenten om in hoger beroep te gaan?
Zoals hiervoor al is gemeld, is er geen aanleiding geweest voor de Staat om de rechter te wraken. De Kamer is geïnformeerd over de beslissing om hoger beroep in te stellen.
Een herziening (of zoals dat in het civiele recht heet, een herroeping) is overigens in Nederland alleen mogelijk als tegen de uitspraak geen rechtsmiddel meer openstaat (en in zeer uitzonderlijke gevallen). Daarvan is in dit geval geen sprake.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
De vijf nieuwe putten in gasveld Geesbrug |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Aangezien u een positief besluit heeft afgegeven aan Vermilion om vijf nieuwe putten te boren in het gasveld Geesbrug in Drenthe, op welke manier zijn de direct omwonenden betrokken bij de besluitvorming daarrond?
Voor het boren van putten is een omgevingsvergunning nodig. Deze is op 29 oktober 2025 voor vier putten verleend. Op dit moment zijn de putten nog niet geboord. Conform de verplichting uit de omgevingswet heeft Vermilion contact gehad met omwonenden in de omgeving. Vermilion heeft daarbij gesproken met de bewoners van de meest nabij gelegen woningen. Vermilion zal enkele maanden voor de start van de werkzaamheden nader over de boringen communiceren met de betrokkenen.
Welke conclusies zijn uit de risicoanalyse getrokken aangaande het risico op aardbevingen en potentiële schade aan huizen en natuur? Worden er financiële voorzieningen getroffen om eventuele schade te kunnen vergoeden?
Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie. Sinds 2009 wordt er gas gewonnen uit het gasveld. Destijds, maar ook bij de recent aangevraagde wijziging van het winningsplan is gekeken naar de adviezen van de vaste adviseurs en daarbij is ook ingegaan op de seismische risico’s. Er heeft sinds de start van de winning geen beving plaatsgevonden als gevolg van het winnen uit dit gasveld. Op grond van art. 6:177 van het Burgerlijk Wetboek is Vermilion verplicht tot het vergoeden van schade die ontstaat door bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit het gasveld Geesbrug. De bewoners nabij de gaswinning kunnen schade waarvan zij denken dat die door mijnbouw is veroorzaakt, melden bij de Commissie Mijnbouwschade.
Zullen er nieuwe, door het Rijk of door Vermilion betaalde nulmetingen plaatsvinden in de omgeving van het boorgebied?
Nee. TNO heeft mij geadviseerd dat het onwaarschijnlijk is dat de beperkte bodemdaling of een eventuele beving leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Vanwege de kleine kans op schade is geen aanleiding tot het uitvoeren van bouwkundige opnames (nulmetingen) in de omgeving van Geesbrug.
Tot hoeveel Megaton CO2-equivalent zal de bijkomende hoeveelheid gas leiden, specifiek voor scope 1, scope 2 en scope 3?
Tijdens het uitvoeren van de boringen vinden emissies in de vorm van CO2 plaats. De scope 1 en scope 2 emissies zijn tijdelijk van aard en beperkt in omvang. Het brandstof- en energieverbruik tijdens de boringen zijn beoordeeld in de omgevingsvergunning en getoetst aan de eisen van de Omgevingswet.
Met de aanpassing van het winningsplan is de maximaal hoeveelheid te winnen gas naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Daarbij is de CO2-uitstoot van de winning en transport van gas dat wordt gewonnen uit Nederlandse kleine velden enkele malen lager dan de uitstoot van geïmporteerd aardgas.
Aangezien u op dit moment de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over scope 3 nader aan het bestuderen bent om precies in kaart te kunnen brengen wat dit betekent voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, waarom kiest u er dan voor om toch al dit besluit goed te keuren met alle risico’s op nieuwe rechtszaken van dien?
Zoals bij vraag 4 aangegeven, is de maximale hoeveelheid te winnen gas uit het gasveld Geesbrug met de aanpassing van het winningsplan naar beneden bijgesteld. Het aangevraagde leidt dus niet tot extra scope 3-emissies ten opzichte van wat eerder is vergund. Er zijn om deze reden geen extra scope 3-emissies om te beoordelen conform de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Hoe is gaswinning tot en met 2049 nog te verenigen met de nationale en internationale klimaatdoelstellingen, in het bijzonder in het licht van de recente uitspraak in de Bonaire-zaak die de staat oplegt om de klimaatdoelen verder aan te scherpen? Welk percentage van het resterende koolstofbudget zal de optelsom van scope 1-, 2- en 3-emissies dan innemen?
Het kabinet zet erop in de doelen uit de nationale en Europese Klimaatwet te halen. Dat betekent dat Nederland de netto-uitstoot van broeikasgassen uiterlijk in 2050 tot nul reduceert, en streeft naar negatieve emissies van broeikasgassen na 2050. Hier stuurt het kabinet op door bij nieuwe en actualisaties van winningsplannen instemming te beperken tot en met 2045. Daarom heeft het kabinet besloten om de instemming met het winningsplan Geesbrug te beperken tot en met 2045 in plaats van de gevraagde winning tot en met 2049.
Hoe betrouwbaar is de door Vermilion aangegeven maximale bodemdaling van 4,5 centimeter? Worden cumulatieve effecten daarbij in de analyse meegenomen?
TNO heeft de bodemdaling als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend, waarbij ook de bodemdaling door gaswinning uit omliggende gasvelden is meegenomen. TNO komt tot vergelijkbare resultaten als Vermilion.
Is de in 2009 vergunde grens voor bodemdaling nog adequaat in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en de ervaringen met aardbevingen en bodemdaling in de afgelopen zeventien jaar?
De vergunde grens voor bodemdaling is nog adequaat. Zoals bij vraag 7 aangegeven, heeft TNO de bodemdaling en het seismisch risico als gevolg van de winning uit het gasveld Geesbrug berekend en komt daarbij tot vergelijkbare resultaten als Vermilion. Het is onwaarschijnlijk dat de bodemdaling leidt tot directe schade aan gebouwen in of nabij het winningsgebied. Het gasveld valt in de laagste seismisch risico categorie.
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit, welke wettelijke instrumenten heeft u tot uw beschikking om aan dat bezwaar tegemoet te komen? Is het juridisch mogelijk het besluit alsnog in te trekken wanneer uit de bezwaren blijkt dat er in de omgeving weinig draagvlak bestaat?
Indien bezwaar wordt aangetekend tegen het besluit zal het besluit in het kader van de bezwaarprocedure worden heroverwogen. Een besluit kan daarbij alleen worden gewijzigd of ingetrokken, indien dat gerechtvaardigd wordt door een grond als genoemd in artikel 36, eerste lid van de Mijnbouwwet. Maatschappelijk draagvlak valt hier niet onder.
Zal er gehoor gegeven worden aan de oproep van de Commissie Mijnbouwschade om de schaderegeling in Drenthe rechtvaardiger te maken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ja, het vorige kabinet heeft de aanbevelingen die de Commissie Mijnbouwschade in haar verslag «Afhandeling Schademeldingen Ekehaar en Hooghalen» doet, ontvangen en heeft de Kamer aangegeven verkennende gesprekken op te starten. Deze gesprekken worden op korte termijn gestart.
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkingsvergunningen voor warmteprojecten |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Kunt u inzichtelijk maken wat de gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor onttrekkings- en lozingsvergunningen1 zijn voor warmteprojecten in het kader van de energietransitie die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben (TEO/WKO)?
De gevolgen van de voorgenomen actualiseringsplicht voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn lastig exact kwantitatief inzichtelijk te maken, maar zijn waarschijnlijk slechts beperkt. Ten eerste geldt dat voor activiteiten die een lozingsvergunning nodig hebben op grond van de huidige wetgeving al sinds vele jaren een actualiseringsplicht bestaat.4 Mede naar aanleiding van de naderende deadline van 2027 om de KRW-doelen te bereiken, zijn alle bevoegde gezagen inmiddels bezig om hier invulling aan te geven en is aan de Kamer toegezegd om de voortgang hiervan middels een dashboard inzichtelijk te maken.5
Ten tweede is voor vergunningen voor onttrekkingen weliswaar geen specifieke actualiseringsplicht opgenomen in de wetgeving, maar staat ook voorop dat het bevoegd gezag gehouden is aan het tijdig bereiken van de doelen van de KRW en dat er daarmee – zij het impliciet – een verplichting bestaat om vergunningen die dit doelbereik zouden belemmeren, te actualiseren. De Europese Commissie wil met de inbreukprocedure bereiken dat in de wetgeving een specifieke frequentie voor deze herbeoordeling wordt bepaald, zodat dit niet wordt overgelaten aan de keuzevrijheid van het bevoegd gezag.
Ten derde geldt dat bij een dergelijke actualisering van vergunningen voor lozingen en onttrekkingen alleen sprake kan zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de doelen van het waterbeheer (waaronder de KRW-doelen begrepen zijn) en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit in betekenisvolle mate zal leiden tot wijziging van bestaande vergunningen voor warmteprojecten (zoals voor warmte-/koudeopslag (WKO) en thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)), omdat de gevolgen van die warmteprojecten al goed in beeld zijn gebracht bij het verlenen van de oorspronkelijke vergunning en het niet aannemelijk is dat die omstandigheden intussen in belangrijke mate zijn gewijzigd.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving specificeert dat voor lozingen en onttrekkingen een dergelijke actualisering minstens elke 10 jaar plaatsvindt. De gevolgen hiervan voor warmteprojecten die een onttrekkings- en lozingsvergunning nodig hebben, zijn naar verwachting erg beperkt. In de praktijk zal dit namelijk niet leiden tot een betekenisvolle verandering in de situatie dat bevoegde gezagen (moeten) zorgen dat de vergunningen in hun beheer actueel zijn en passend zijn binnen de doelen van de KRW.
Tot slot wordt benadrukt dat de voorstellen niets veranderen aan de inhoudelijke beoordeling van nieuwe vergunningaanvragen en alleen zien op het herbeoordelen van bestaande vergunningen.
Zijn warmteprojecten meegenomen in het onderzoek naar de uitvoerbaarheid van een landelijke vergunning- of meldingsplicht?
Naast de actualiseringsplicht bevat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving naar aanleiding van de inbreukprocedure ook een aanscherping van de vergunningplicht voor wateronttrekkingen, dit om te voldoen aan de KRW.6 Naar aanleiding van de motie Van Ginneken/Tjeerd de Groot7 bevat de voorgenomen wijziging ook de introductie van een landelijke meldplicht voor onttrekkingen.
Bij het onderzoek naar de afbakening van deze meldplicht en naar de gevolgen daarvan en van de aangescherpte vergunningplicht voor de uitvoerbaarheid, is de betrokken stakeholders gevraagd naar de effecten voor alle wateronttrekkingen. Onttrekkingen voor warmteprojecten zijn daarbij dus niet specifiek uitgelicht, maar ook niet van de scope uitgezonderd.8
Is de veronderstelling juist dat er nog relatief weinig kennis is over de daadwerkelijke effecten van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit en dat een actualiseringsplicht derhalve investeringsrisico’s met zich meebrengt?
Het klopt dat niet altijd precies bekend is wat de effecten zijn van warmteprojecten en -installaties op de waterkwaliteit.9 Die onzekerheid kan projecten met name parten spelen als voor de eerste keer een vergunning wordt aangevraagd. Bij onzekerheid over de effecten van een project op de doelstellingen van het waterbeheer, is het niet altijd eenvoudig om een vergunning te verlenen.
Als eenmaal een vergunning verleend is, speelt deze onzekerheid in veel mindere mate een rol. Wanneer het bevoegd gezag op basis van de actualiseringsplicht opnieuw beziet of de activiteit nog ongewijzigd doorgang kan vinden, wordt specifiek gekeken naar de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.10
Ten aanzien van deze nieuw te beschouwen ontwikkelingen zal in de regel de onzekerheid niet toenemen ten opzichte van de onzekerheid die speelde bij het oorspronkelijke verlenen van de vergunning. In die zin brengt de actualiseringsplicht dan ook geen extra investeringsrisico’s met zich mee.
Deelt u de analyse dat warmteprojecten, zeker wanneer sprake is van collectieve warmtenetten, pas van de grond kunnen komen als vooraf zeker is gesteld dat voor enkele decennia warmte geleverd kan worden en de investering terugverdiend kan worden?
Deze analyse wordt gedeeld. Deze geldt voor alle investeringen en niet alleen voor warmteprojecten: een definitieve investeringsbeslissing wordt in de regel niet genomen zonder voldoende vertrouwen dat de investering terugverdiend kan worden met een redelijk rendement. De terugverdientijd voor warmteprojecten varieert per project, maar warmteprojecten zijn in het algemeen qua investering kapitaalintensieve infrastructuurprojecten. Door de lange technisch-economische levensduur van vaak tientallen jaren is het ook mogelijk om een succesvol project met een lange terugverdientijd te realiseren.
Deelt u de analyse dat een actualiseringsplicht met een frequentie van bijvoorbeeld tien jaar2 de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten dusdanig aantast dat de investeringsbereidheid zal dalen en dat maatschappelijk gewenste warmteprojecten moeilijker van de grond zullen komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe waardeert u deze impact in het licht van de energie- en warmtetransitie?
Er is bij het ministerie geen analyse bekend waaruit dit zou volgen. Een dergelijke uitkomst van een analyse wordt ook erg onwaarschijnlijk bevonden, zie het antwoord op de vorige vragen. Er heeft nooit een zekerheid bestaan dat activiteiten decennialang ongewijzigd voortgezet zouden kunnen worden. Het huidige wettelijke kader verplicht namelijk al tot een regelmatige actualisatie van vergunningen en die is momenteel – voor lozingen – ook in volle gang. Bij een dergelijke actualisering kan alleen sprake zijn van een wijziging van de vergunning als dat nodig is gezien de waterdoelen en geen gebruik kan worden gemaakt van een uitzonderingsmogelijkheid (zie antwoord 6). Het is niet de verwachting dat dit op grote schaal zal leiden tot het moeten wijzigen van de bestaande vergunningen voor warmteprojecten. Ook leidt dit niet tot een andere wijze van beoordeling van vergunningaanvragen voor nieuwe warmteprojecten.
De nu in voorbereiding zijnde actualiseringsplicht maakt alleen expliciet dat deze actualisering in het vervolg minstens elke 10 jaar plaatsvindt. Overigens is de voorgenomen actualiseringsplicht onvermijdelijk gezien de inbreukprocedure van de Europese Commissie en speelt dit in alle landen waar een dergelijke inbreukprocedure loopt.
Deelt u de mening dat warmteprojecten, ook bij de uitwerking van genoemde regelgeving, in principe gezien moeten worden als projecten van hoger openbaar belang3, gelet op de bijdrage aan de doelen voor hernieuwbare energie (REDIII) en klimaat en het belang van leveringszekerheid richting eindgebruikers?
De KRW biedt een uitzonderingsmogelijkheid voor bepaalde projecten.13 Wanneer het gaat om een project dat bestaat uit nieuwe veranderingen van de fysieke kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de grondwaterstand en dat project komt in strijd met de ecologische KRW-doelen, dan kan het project toch worden toegestaan als – kort gezegd – het project van «hoger openbaar belang» is, voor dat project geen alternatieven bestaan, en de negatieve effecten van het project zo klein mogelijk zijn.
Per project zal onderbouwd moeten worden of aan deze randvoorwaarden voldaan is, maar het is aannemelijk dat projecten die plaatsvinden in het kader van de energietransitie in de regel gekwalificeerd kunnen worden als van «hoger openbaar belang».
Als een project aan deze randvoorwaarden voldoet, betekent het dat hiervoor een vergunning verleend kan worden ook al komt het project in strijd met de KRW-doelen. Deze uitzonderingsmogelijkheid heeft dus invloed op de uitkomst van een weging tussen enerzijds het waterkwaliteitsbelang en anderzijds het belang van de energietransitie. Het voorgaande betekent echter niet dat voor dergelijke projecten in het geheel geen weging meer hoeft plaats te vinden tussen beide belangen en dus geen periodieke actualiseringsplicht nodig zou zijn.
Hoe kunnen bedrijven en huishoudens verzekerd blijven van de levering van hun duurzame warmte(netten), als de daarvoor benodigde watervergunning bij een actualisering ingeperkt en/of ingetrokken wordt in geval van een mogelijk negatief effect op de waterkwaliteit ter plekke?
In de nieuwe Wet collectieve warmte is leveringszekerheid een expliciete taak van het warmtebedrijf. Het warmtebedrijf wordt geacht een gedegen plan te hebben om de structurele beschikbaarheid van voldoende warmte op de lange termijn zeker te stellen. Onderdeel daarvan zal zijn om risico’s vooraf te inventariseren en mitigerende maatregelen te nemen, zodat de consument niet zonder warmte komt te zitten, bijvoorbeeld door een divers portfolio aan warmtebronnen op te stellen en hulp- en noodvoorzieningen te plaatsen. Dat plan wordt beoordeeld en bekrachtigd door het college van burgemeester en wethouders en zo nodig in overleg met het college gewijzigd. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op het nakomen van de taak en is bevoegd om interventies te plegen. In gevallen waarin het (uitzonderlijke) wijzigen of intrekken van een vergunning ertoe leidt dat het warmtenet niet meer aan de duurzaamheidsnormen voldoet, is er in de wet de mogelijkheid opgenomen om een tijdelijke ontheffing van de duurzaamheidsnormen aan te vragen bij de ACM. In die periode kan de levering van warmte dan worden voortgezet met een tijdelijk minder duurzame bron totdat een toekomstbestendig duurzaam alternatief is ontwikkeld.
Is de veronderstelling juist dat de Kaderrichtlijn Water ruimte biedt om een actualiseringsverplichting zodanig in te vullen dat deze niet generiek geldt, maar alleen van toepassing wordt voor risicovolle activiteiten en zo dicht mogelijk blijft bij de huidige verplichting op basis van artikel 5.38 van de Omgevingswet?
Nee, de KRW biedt die ruimte niet. Zie ook de eerdere antwoorden hierboven.
Bent u voornemens de voorgenomen actualiseringsplicht en aanverwante wijzigingen zodanig in te vullen dat deze gericht wordt op risicovolle activiteiten dan wel dat een uitzonderingspositie gecreëerd wordt voor warmteprojecten, en dat de gewenste investeringszekerheid voor warmteprojecten niet onnodig aangetast wordt? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet mogelijk gezien de vereisten van de KRW. De Europese Commissie ziet hierop toe middels de inbreukprocedure. Het is ook niet nodig om voor warmteprojecten een uitzonderingspositie te creëren nu het niet de verwachting is dat de voorgenomen wijziging van wet- en regelgeving warmteprojecten in betekenisvolle mate negatief zal beïnvloeden, niet voor bestaande vergunningen en niet voor nieuw aan te vragen vergunningen.
De naar aanleiding van de inbreukprocedure voorgenomen wijzigingen van wet- en regelgeving zullen veeleer positieve gevolgen hebben voor projecten die samenhangen met de energietransitie en specifiek warmteprojecten. De wijzigingen leiden namelijk tot meer grip op bestaande activiteiten die ook met nieuwe warmteprojecten kunnen concurreren en bieden voor de toekomst meer mogelijkheden tot herverdeling van schaarse milieugebruiksruimte, waarbij een weging kan worden gemaakt tussen concurrerende gebruiksvormen en waarbij prioriteit gegeven kan worden aan ontwikkelingen die maatschappelijk gezien van groter belang zijn.
Bent u bekend met het rapport waarin de Britse inlichtingendienst waarschuwen dat de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen de nationale veiligheid en welvaart van het Verenigd Koninkrijk in gevaar brengen, en hoe beoordeelt u de relevantie van deze conclusies voor Nederland en Europa?1, 2, 3
Ja, het kabinet is bekend met dit rapport gepubliceerd door het Britse Department for Environment, Food & Rural Affairs van 20 januari 2026.4 De conclusies in de analyse komen in hoofdlijnen overeen met de conclusies over klimaatverandering in de trendanalyse nationale veiligheid 20245 en de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022.6 Kijkende naar de risico’s van ecosysteemdegradatie op de veiligheidscontext zijn een aantal van de key judgements uit het Britse rapport minder relevant voor specifiek Nederland, gezien de Nederlandse landbouw en voedselproductie. Omdat Nederland het overgrote deel exporteert, zijn de afhankelijkheden zoals genoemd door het Verenigd Koninkrijk een minder groot risico op onze veiligheid.
Herkent u de analyse dat klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps niet alleen milieuproblemen zijn, maar ook harde veiligheidsrisico’s, onder meer via voedsel- en wateronzekerheid, energiezekerheid, migratie, geopolitieke spanningen en toegenomen conflict? Kunt u dit toelichten?
Ja, het kabinet herkent deze analyse. Klimaatverandering en biodiversiteitsverlies zijn een mondiaal probleem en hebben, naast effecten op onze leefomgeving en gezondheid, een groeiende impact op onze welvaart en veiligheid. Het streven naar onafhankelijkheid en veiligheid vraagt om investeringen in schone en betaalbare energie van Europese bodem, economisch leiderschap, groene marktcreatie en verduurzaming van de brede economie, met name strategische industrie en banen.
In de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 beschrijft het Analistennetwerk Nationale Veiligheid (ANV) dat klimaat- en natuurrampen een brede impact hebben en dat vrijwel alle nationale veiligheidsbelangen kunnen worden geraakt. De gevolgen voor de nationale veiligheid die worden benoemd zijn: 1) klimaatverandering als trend met directe negatieve impact op de nationale veiligheid door directe gevolgen als frequentere en ernstigere weersextremen, zeespiegelstijging en een toename aan overstromingen, natuurbranden en infectieziekten. Daarnaast benoemt de trendanalyse 2) klimaatverandering als threat multiplier. Hiermee wordt bedoeld dat naast de genoemde directe effecten er ook internationale cascade-effecten zijn die het Koninkrijk indirect raken, bijvoorbeeld door geopolitieke spanningen, het al dan niet begaanbaar zijn/worden van (nieuwe) vaarroutes en het onder druk staan van voedselzekerheid en toenemende migratie.
In welke mate bekijkt het Rijk vandaag milieu-, klimaat-, en natuurrisico’s als veiligheidskwesties? Hoe vindt hierover afstemming plaats met Europese partners?
Het Rijk ziet de gevolgen van klimaatverandering al lange tijd als een veiligheidsrisico.
Zo is in de in 2023 gepubliceerde Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023–2029) de actielijn «intensiveren klimaatmitigatie en -adaptatie» opgenomen. In deze actielijn staan de prioriteiten om de nationale veiligheidsrisico’s van klimaatverandering tegen te gaan.7 Ook de EU identificeerde in 2023 de noodzaak om de impact van klimaatverandering en ecosysteem degradatie op veiligheid en weerbaarheid beter te definiëren en implementeren in de mededeling «Een nieuwe visie op het verband tussen klimaat en veiligheid: aanpak van de gevolgen van klimaatverandering en aantasting van het milieu voor vrede, veiligheid en defensie».8
In relatie tot afstemming met Europese partners wisselt het Ministerie van Defensie onder meer informatie uit over klimaatverandering en veiligheid via het Climate and Defence Network, geleid door de Europese Dienst voor Extern Optreden.9 Naast Europese lidstaten zijn ook de NAVO en andere landen, zoals Canada, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, en de VS hierin vertegenwoordigd. Tijdens bijeenkomsten wordt gesproken over de nationale strategieën, opgesteld om de krijgsmachten voor te bereiden op klimaatverandering en de implementatie er van.
Heeft de Rijksoverheid beschikking over een gelijkaardige risicoanalyse voor Nederland? Zo ja, kunt u deze analyse, al dan niet vertrouwelijk, met de Tweede Kamer delen?
Om trends en ontwikkelingen in dreigingen tegen de nationale veiligheid te onderkennen, waaronder Klimaatverandering, maakt Nederland gebruik van de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid die in 2022 met uw Kamer is gedeeld.10 Deze analyse wordt eens in de drie jaar in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd. Om zicht te houden op tussentijdse ontwikkelingen is in 2024 voor het eerst ook een trendanalyse uitgevoerd.11 Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar.
Zo nee, is er een Nederlandse overheidsdienst die een structurele risicoanalyse maakt van de impact van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen op de nationale veiligheid van Nederland? Indien niet, staat een dergelijke risicoanalyse op de planning?
Zie het antwoord op vraag 4. Een nieuwe Rijksbrede Risicoanalyse verschijnt naar verwachting voor de zomer van dit kalenderjaar en zal dan met uw Kamer worden gedeeld.
Indien het niet op de planning staat, kunt u alsnog de Kamer voor de zomer een rapportage bezorgen over de veiligheidsrisico’s ten gevolge van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen voor Nederland?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5. Tevens zal het kabinet u voor de zomer informeren over hoe het voornemens is uitvoering te geven aan motie van het lid Klos12 over het organiseren van een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid in 2026. Het kabinet is voornemens om daarmee ook reageren op het verzoek van het lid Dassen om een Commissiebrief13 over de mogelijkheden die Nederland heeft om te zorgen dat we eenzelfde dreigingsanalyse kunnen maken als de Britten hebben gedaan.
Zijn de Nederlandse Krijgsmacht, de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) zich bewust van de risico’s die de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen voor de fysieke veiligheid van Nederland en de Nederlanders, onder andere door de verwachtte toename aan internationale conflicten en destabilisering van gemeenschappen wereldwijd die de voedingsbodem voor terrorisme kunnen vergroten? Zo ja, hoe bereiden ze zich op die risico’s voor en acht het kabinet deze voorbereiding voldoende?
Ja, de Nederlandse Krijgsmacht, de AIVD en MIVD zijn zich bewust van de risico's die klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen meebrengen.
Het Ministerie van Defensie stelde reeds intern de Defensiestrategie voor Klimaatverandering en Veiligheid op, waarin klimaatverandering als threat multiplier wordt onderkend: klimaatverandering in combinatie met andere factoren (demografisch, economisch, politiek, sociaal, religieus) kan tot meer instabiliteit, conflicten en migratie leiden. Deze Strategie zal dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
In de strategie definieert het Ministerie van Defensie vier sporen om zich voor te bereiden op de effecten van klimaatverandering op vrede en veiligheid:
Verder staat een aantal onderzoeken gepland naar de impact van klimaatrisico’s op Defensie, bijvoorbeeld op kritieke infrastructuur en datacenters. Eveneens wordt het effect van klimaatverandering meegenomen in the Future of War Conference, een gezamenlijk initiatief van de Nederlandse Defensie Academie (NLDA) en de University of Oxford en in wargames.
Met de meest recente Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid14 is uw Kamer geïnformeerd over het feit dat de focus van Defensie op het gebied van duurzaamheidbeleid primair ligt op het versterken van energiezekerheid en autonoom voortzettingsvermogen.
De AIVD en MIVD zijn beide onderdeel van de vaste kern van het Analistennetwerk Nationale Veiligheid en daarmee medeopstellers van producten zoals de Rijksbrede Risicoanalyse Nationale Veiligheid 2022 en de Trendanalyse Nationale Veiligheid 2024. Verder kunnen de AIVD en MIVD geen uitspraken doen over de modus operandi en onderzoeksgebieden.
Kunt u uiteenzetten hoe u structureel en systematisch gaat waarborgen dat de risico’s van klimaatontregeling, biodiversiteitsverlies en ecosystemencollaps voor de nationale veiligheid en welvaart daadwerkelijk worden meegewogen in alle relevante beleidsprocessen?
Veiligheidsrisico’s worden op verschillende niveaus meegenomen in het beleid. Zoals ook genoemd in de beantwoording van vraag 2, worden met de implementatie van de Wwke kritieke entiteiten geacht een risicobeoordeling te maken van mogelijke door mens en natuur veroorzaakte dreigingsrisico’s en op basis daarvan weerbaarheid verhogende maatregelen te nemen. Risico’s voortkomend uit klimaat (verandering) en natuurrampen maken hier onderdeel van uit.
Ook in de nieuwe analyse van de klimaatimpacts en -risico’s die binnenkort door het Planbureau voor de leefomgeving (PBL) zal worden gepubliceerd, wordt expliciet aandacht besteed aan het onderwerp veiligheid. Deze analyse ligt mede ten grondslag aan de herziene Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) die het kabinet in 2026 zal presenteren. Dit is een Rijksbrede aanpak om Nederland voor te bereiden op en weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van toename aan besmettelijke ziektes in Nederland en pandemieën die naar Nederland kunnen overwaaien? Zo ja, hoe bereid het Nederlandse zorgsysteem zich hierop voor?
De verspreiding en ontwikkeling van infectieziekten in Nederland maar ook vanuit het buitenland wordt gevolgd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het RIVM verzamelt en analyseert gegevens over trends in infectieziekten en kijkt hierbij niet alleen naar ontwikkelingen in mensen maar ook in dieren en de leefomgeving. Het RIVM heeft ook de infectieziekterisico’s van klimaatverandering voor Nederland in kaart gebracht.15
Daarnaast wordt op Europees niveau aandacht besteed aan nieuwe gezondheidsbedreigingen op het vlak van infectieziekten en antimicrobiële resistentie (AMR) die zich door klimaatverandering kunnen voordoen. Zo monitort het Europees centrum voor ziektepreventie- en bestrijding (ECDC) de ontwikkeling rondom dichterbij komende ziekteverwekkers die via muggen of teken, de zogeheten vectoren, overdraagbaar zijn.
In 2022 is bovendien een pakket wet- en regelgeving aangenomen op EU-niveau, waaronder de EU-verordening ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen (EU/2022/2371). Deze verordening regelt de coördinatie, samenwerking en afstemming op EU-niveau bij de voorbereiding op en bestrijding van onder meer infectieziekten, AMR, chemische en biologische alsook natuur- en klimaatgerelateerde bedreigingen. Op basis van de verordening worden onder meer additionele eisen gesteld aan nationale surveillance en monitoring van potentiële infectieziekten, worden periodieke externe evaluaties voorzien van de staat van paraatheid van lidstaten met betrekking tot zogenaamde «all hazards»-bedreigingen. Ook zijn Europese referentielaboratoria opgezet, waarbij het RIVM is aangewezen als EU-referentielab voor aandoeningen die onder andere via muggen en teken worden overgedragen.
Het Nederlandse zorgsysteem bereidt zich hier op verschillende manieren op voor. Hoewel sommige (tropische) ziekten nu niet of nauwelijks in Nederland worden overgebracht, behandelen ziekenhuizen en huisartsen wel al zo nu en dan patiënten die in het buitenland besmet zijn geraakt en ziek worden in Nederland. Er zijn voor veel ziekten daardoor al richtlijnen en voorzieningen beschikbaar.
Ook voor de publieke gezondheid geldt dat er al richtlijnen beschikbaar zijn voor veel ziekten. Het is belangrijk dat RIVM en GGD’en de ontwikkeling van infectieziekten (kunnen) blijven monitoren om veranderingen en ontwikkelingen tijdig op te kunnen sporen. De richtlijnen kunnen daar dan op worden aangepast. Naar aanleiding van de evaluatie van Covid-19 zijn plannen gemaakt om de voorbereiding op pandemieën te versterken. Het vorige kabinet heeft een bezuiniging uitgevoerd op deze plannen voor pandemische paraatheid. Het kabinet verdiept zich op dit moment in de consequenties van de bezuiniging op pandemische paraatheid en de mogelijkheden die er zijn.
Heeft de Rijksoverheid een helder zicht op het risico van lagere opbrengsten in de landbouw, een lager wereldwijd aanbod aan voedsel en bijgevolg stijgende voedingsprijzen? Zo ja, hoe bereid het Rijk zich hierop voor om zo de langetermijnvoedselzekerheid van Nederland te garanderen zonder beroep te doen op vernietigende landbouwmethoden die het probleem juist verergeren?
Het kabinet erkent dat er een wezenlijk risico is dat klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en ecosysteemineenstorting kan leiden tot lagere opbrengsten in de landbouw in Nederland, in de EU en wereldwijd. Dat als gevolg daarvan voedselprijzen kunnen stijgen, is helder. Minder helder en voorspelbaar is wanneer, hoe vaak en voor welke producten dit zal optreden en met welke precieze gevolgen voor de prijs van voedsel. Uiteenlopende maatregelen moeten ervoor zorgen dat deze risico’s kleiner worden en de voedselvoorziening weerbaar is tegen deze verstoringen. Het kabinet zet in op het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen en voedsel wordt onderdeel van de vitale infrastructuur in Nederland, waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen, inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. Het kabinet zet zich in voor nationale, Europese en internationale maatregelen om de emissies van broeikasgassen te verminderen en biodiversiteitsverlies tegen te gaan. Inzet op natuurbeleid, bijvoorbeeld door effectief begeren en waar nodig uitbreiden en verbinden van natuurgebieden, het beperken van drukfactoren op de natuur en het uitbreiden en versterken van agrarisch natuurbeheer moeten bijdragen aan het tegengaan van biodiversiteitsverlies in Nederland.
Het kabinet wil de voedselzekerheid op lange termijn borgen door een transitie naar een houdbaar, geavanceerd en klimaatadaptief voedselsysteem met voldoende aandacht voor verdienvermogen van ondernemers. Jaarlijks monitort het PBL de sectorale emissies via de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), terwijl het CBS de opbrengsten vastlegt in de Landbouwtelling. Internationaal biedt de FAO Food Outlook inzicht in mondiale trends, zoals voedselprijzen en ketenefficiëntie. Nederland handhaaft zijn positie als efficiënte producent door in te zetten op verduurzaming en klimaatadaptatie van de landbouw, hergebruik van afvalstromen en innovaties zoals precisielandbouw. Daarnaast zet het kabinet in op biotechnologische innovatie voor verduurzaming van de landbouw. Het kabinet zet zich in Europees verband in op het toestaan van Nieuwe Genomische Technieken (NGTs) zodat de plantenveredelingssector in staat is sneller weerbare rassen te ontwikkelen. Voor duurzame voedselproductie op de lange termijn kijkt het kabinet ook naar technologieën als kweekvlees en precisiefermetatie. Deze verduurzaming en aanpassing aan klimaatgevolgen zoals weersextremen en verzilting wordt onder meer ondersteund door Europese samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Het kabinet zet zich voor het GLB in op een toekomstgerichte, innovatieve landbouw en visserij en een gezonde natuur, met blijvende aandacht voor toekomstperspectief, verdienvermogen, voedselzekerheid en innovatie binnen de draagkracht van de aarde.16 Met de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof werkt het kabinet in samenhang aan het oplossen van de vergunningenproblematiek, het realiseren van natuurverbetering en het bieden van perspectief voor de agrarische sector. Hiermee werkt het kabinet aan een toekomstbestendige en robuuste agrarische sector, en draagt het daarmee bij aan voedselzekerheid.
Deelt u de conclusie dat deze veiligheidsbedreiging potentieel de Nederlandse welvaart kunnen ondermijnen?
Ja, die conclusie deelt het kabinet. Onze economie is inherent verweven met de staat van de natuur. Zoals het recente wetenschappelijke rapport over de link tussen bedrijven en biodiversiteit van het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) aantoont, zijn alle bedrijven afhankelijk van biodiversiteit.17 Het verlies aan biodiversiteit vermindert het vermogen van ecosystemen om essentiële ecosysteemdiensten zoals bestuiving en waterzuivering te leveren en vormt daarmee een materieel risico voor bedrijven, financiële instellingen als ook de macro-economische stabiliteit en brede welvaart.
Herkent u de vaststelling dat er een realistische mogelijkheid is dat bepaalde wereldwijde ecosystemen zoals koraalriffen en boreale wouden reeds vanaf 2030 kunnen instorten met alle daaruit volgende veiligheidsrisico’s voor de wereld en dus ook voor Nederland? Welke nationale, Europese en internationale noodmaatregelen zijn nog mogelijk om dit te voorkomen?
Het kabinet deelt de zorgen over de kwetsbaarheid van cruciale wereldwijde ecosysteem diensten. Het ineenstorten van ecosystemen brengt veiligheidsrisico’s voor de mondiale stabiliteit, voedselzekerheid en klimaatbeheersing met zich mee, wat ook gevolgen heeft voor Nederland. Wetenschappelijke rapporten van onder meer het IPBES en Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) waarschuwen dat bij aanhoudende opwarming en biodiversiteitsverlies zogenaamde kantelpunten (tipping points) bereikt kunnen worden.
Hoewel er geen gedetailleerde inventarisatie is gemaakt van de specifieke noodmatregelen die onmiddellijk genomen moeten worden, is het van cruciaal belang dat er op internationaal, Europees en nationaal niveau dringende stappen worden gezet. Het kabinet zal dit aanjagen en er op aansturen dat waar nodig aanvullende stappen worden gezet. Internationaal richt het kabinet zich op de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en het Kunming-Montreal Global Biodiversity Framework. Europees moeten de doelstellingen van de Europese Klimaatwet, Europese Green Deal en de Natuurherstelwet worden uitgevoerd.
Nationaal richt het kabinet zich op concrete maatregelen om de weerbaarheid van Nederland te versterken. Voor Nederland als deltaland is het van belang om onder andere slim om te gaan met water, rivieren meer ruimte te geven om overstromingen te voorkomen, en nature-based solutions op te schalen, zoals het herstellen van wetlands, het aanleggen van groene bufferzones en het bevorderen van natuurlijke waterberging. Tegelijkertijd werkt Nederland aan het reduceren van milieuschadelijke subsidies, het stimuleren van bedrijven en financiële instellingen om meer rekening te houden met hun impact op en afhankelijkheid van biodiversiteit, en het implementeren van klimaatadaptatiemaatregelen, inclusief specifieke programma’s voor Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen, waaronder een concreet uitvoeringsprogramma om de drukfactoren op koraal en mangroven in de Caribische delen van Nederland te verminderen en herstel te bespoedigen. Het verminderen van deze drukfactoren geeft de biodiversiteit meer weerbaarheid tegen de effecten van klimaatverandering. Daarnaast wordt gewerkt aan eilandelijke klimaatplannen en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
Daarnaast is het kabinet volop aan de slag met de nationale opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven op onder andere water en klimaat, via de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, zoals ook aangegeven door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur in de brief Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof van 27 maart jl.18
Hoe zal Nederland gezien de huidige ontrafeling van de internationale orde ertoe bijdragen dat de gevolgen van de klimaatontregeling, het verlies aan biodiversiteit en de ineenstorting van ecosystemen niet nog meer leidt tot een vijandige wereld waarin enkel het recht van de sterkste geldt? Hoe zal Nederland er juist toe bijdragen dat landen zich maximaal verenigen om deze uitdagingen samen aan te gaan en bij een toegenomen druk op beperkte hulpmiddelen vrede te waarborgen?
Nederland blijft een actieve pleitbezorger voor ambitieuze internationale afspraken met heldere rapportageverplichtingen op gebied van biodiversiteit en klimaat, alsook voor de implementatie van deze afspraken. Ook investeert Nederland in zijn diplomatieke contacten en ondersteunen we landen met de implementatie van hun klimaat- en biodiversiteitdoelen. Nederland benut zijn positie als kennispartner om bruggen te slaan tussen het mondiale Noorden en Zuiden. We ondersteunen ontwikkelingslanden niet alleen financieel, maar ook met technische innovaties op het gebied van bijvoorbeeld klimaatadaptatie.
Hoe gaat u de samenleving, inclusief lagere overheden en burgers, transparant informeren over de conclusies van dergelijke analyses, zodat tijdig kan worden geïnvesteerd in zowel drastische emissiereductie en natuurherstel als in rechtvaardige adaptatie en weerbaarheid?
Het goed informeren van iedereen in Nederland is inderdaad van belang om tijdig, gezamenlijk en individueel, de juiste voorbereidingen en maatregelen te treffen, zodat we in ons land ook op langere termijn goed kunnen omgaan met de gevolgen van klimaatverandering, zoals weersextremen en verzilting. Met het oog hierop wordt momenteel de nieuwe NAS’26 ontwikkeld. Naar verwachting wordt deze in het najaar van 2026 opgeleverd. Het kabinet zal in de aankomende Nationale klimaatadaptatiestrategie een aanpak presenteren voor een klimaatweerbare samenleving. Zie de beantwoording van vraag 8 voor meer informatie over de NAS.
Veel van de investeringen ten behoeve van de reductie van broeikasgasemissies komen vanuit het Rijk. Dat neemt niet weg dat het van groot belang is om de samenleving te betrekken bij het zoeken naar oplossingen voor de klimaatopgave. Dit is onder meer gedaan middels het Burgerberaad Klimaat.19
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Vanwege uitvoerige interdepartementale afstemming is dit helaas niet binnen de termijn gelukt.
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Ja.
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
In de brief van de stichting PiLP van 10 december 2025 uiten maatschappelijke organisaties hun zorgen over de verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu ten aanzien van de bouw van drie datacentrumtorens aan de Plimsollweg in Amsterdam. Zij geven aan dat de ontwikkeling in Amsterdam een groot beslag legt op het elektriciteitsnet, waardoor andere bedrijven en woningbouw niet kunnen aansluiten. Het project loopt sinds 2019 en daardoor wordt Amsterdam, volgens de organisaties, geconfronteerd met een speculatieve ontwikkeling, terwijl er landelijk beperkingen gelden voor hyperscale datacentra en lokaal al jaren een moratorium bestaat op alle datacentra. Naar mening van de organisaties zou het in een goed functionerende democratie mogelijk moeten zijn om eerder genomen besluiten te heroverwegen.
Het kabinet deelt net als de gemeente de zorgen van de maatschappelijke organisaties over de belasting van het stroomnet. Netcongestie speelt helaas op veel plaatsen in Nederland. Het is van belang om te benoemen dat de gemeenteraad van Amsterdam in beginsel verantwoordelijk is voor de ruimtelijke keuzes voor de inrichting van haar grondgebied, binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Als het gaat om de ruimtelijke keuzes door de gemeente Amsterdam past het Rijk terughoudendheid bij de beoordeling van de besluitvorming door de gemeente. Dat geldt ook voor vergunningverlening door de provincie. De verantwoording over de decentrale besluitvorming gebeurt immers primair door de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten aan respectievelijk de gemeenteraad en provinciale staten. In dat kader kan ook de heroverweging van dit type besluiten aan de orde komen, waarbij dan ook aspecten als rechtszekerheid en nadeelcompensatie aan de orde kunnen komen.
In het geval van het datacentrum aan de Plimsolweg heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied, namens de gemeente, op basis van een toets aan het toenmalige bestemmingsplan op basis van een aanvraag in 2019 een omgevingsvergunning voor de bouw en ingebruikname verleend. De verlening van deze vergunning heeft plaatsgevonden voordat de regels van het Rijk ten aanzien van hyperscale datacentra van toepassing waren. Later heeft de provincie, op basis van aanvragen in 2021 en 2022, in 2025 vergunningen voor onder meer milieuactiviteiten verleend.
Het is verder relevant om te melden dat er bij deze ontwikkeling geen sprake is van een hyperscale datacentrum, volgens de definitie in de regels van het Rijk. De omvang van dit datacentrum bedraagt immers minder dan 10 hectare bebouwd vloeroppervlak, terwijl de regels van het Rijk van toepassing zijn op datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
De omgevingsvergunningen zijn door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verleend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland. Op basis van informatie van de Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kan ik aangeven dat de volgende vergunningen, inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten, verleend zijn:
Op 6 november 2020 heeft de omgevingsdienst namens burgemeester en wethouders van Amsterdam een bouwvergunning verleend (aangevraagd op 3 december 2019) voor het bouwen van drie torens in afwijking van de toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Op 15 juli 2025 heeft de Omgevingsdienst, namens gedeputeerde staten van Noord-Holland, een omgevingsvergunning vanwege een wijziging in de gevel voor een beoordeling vanuit welstand voor zonnepanelen en twee waterbuffertanks (aangevraagd op 1 december 2021). Deze verginning is definitief, maar nog niet onherroepelijk
De provincie Noord-Holland heeft op 15 juli 2025 drie milieuvergunningen (voor elke toren één) verleend en toestemming gegeven voor afwijking van het geluidverdeelplan (aangevraagd op 11 april 2022). Tegen de vergunning loopt nog een beroepsprocedure.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft in zijn vergadering van 12 juli 2019 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van Amsterdam met betrekking tot datacentra. Het voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van één jaar en heeft tot doel om vooruitlopend op een gemeentelijk beleid voor datacenters de bestaande situatie met betrekking tot datacenters «on hold» te zetten4.
De Minister van VRO heeft op 16 februari 2022 voor heel Nederland (uitgezonderd twee locaties) een voorbereidingsbesluit onder de Wro genomen waarmee verboden werd om gronden en bouwwerken zodanig te wijzigen dat een hyperscale datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer gebouwd of in gebruik genomen kon worden5. Dit voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van negen maanden.
Op 16 november 2022 heeft de Minister een tweede voorbereidingsbesluit voor de duur van negen maanden genomen6 en op 16 augustus 2023 een derde voorbereidingsbesluit7.
Op 1 januari 2024 is ook het Besluit van 20 december houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met een instructieregel voor hyperscale datacentra in werking getreden8.
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft het Rijk op 16 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waarna gestart is met een wetgevingstraject voor instructieregels voor hyperscale datacentra (AmvB). Het ontwerpbesluit is gedurende het wetgevingstraject op verschillende momenten gepubliceerd en op 1 januari 2024 in werking getreden. Met het voorbereidingsbesluit is beoogd de bouw en ingebruikname van nieuwe hyperscale datacentra (meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en een aansluitvermogen van 70 MW of meer) tegen te houden (buiten de twee eerder genoemde uitzonderingsgebieden).
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Ja, in voorkomende gevallen is het gebruikelijk dat het bevoegd gezag (in dit geval B en W van Amsterdam en GS van Noord Holland) bij besluitvorming rekening houden met voorgenomen eigen beleid of verwacht beleid- en wetgeving van andere bestuursorganen.
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Nee, zoals in de eerdere antwoorden aangegeven is de eerste vergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van dit datacentrum aangevraagd op 3 december 2019 en verleend op 6 november 2020, waarbij onder meer getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan. Het Rijk heeft op 16 februari 2022 via een voorbereidingsbesluit een landelijk verbod bekend gemaakt en aangegeven dat er landelijk beleid en regelgeving werd opgesteld om de bouw van nieuwe hyperscale datacentra tegen te gaan. Daarbij heeft het Rijk ook aangegeven wat onder een hyperscale datacentra in de zin van het Rijksbeleid en de regelgeving werd verstaan.
Het was voor de Omgevingsdienst, namens het bevoegd gezag, niet mogelijk om bij de vergunningverlening het landelijke verbod mee te wegen, omdat de vergunning aangevraagd en verleend is ruim voordat het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra van kracht werd. Daarbij is, wegens een bebouwd vloeroppervlak van minder dan 10 hectare, het landelijke verbod überhaupt niet van toepassing is op het initiatief aan de Plimsolweg.
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
De maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter ligt bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zij zijn bevoegd gezag geweest voor de plannen en de vergunningverlening. Uit informatie van de provincie Noord-Holland blijkt dat het gaat om een aansluitvermogen van 33 MW per toren, dus 99 MW in totaal. Bij het beoordelen van de aanvragen voor de drie torens is door de provincie gekeken naar de vestigingsvoorwaarden van de provincie. Zo is na overleg met de aanvrager afgezien van het gebruik van grondwater en is er voor gezorgd dat het datacentrum zijn warmte af kan staan aan een te bouwen warmtegebouw aan de overkant van de straat. Omdat het Rijk hierbij verder niet betrokken is geweest, ben ik niet op de hoogte van verdere inhoudelijke specificaties. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Het datacenter heeft een vermogen van 99 Megawatt. Stel dit datacenter vraagt volcontinu elektriciteit, dan leidt dat tot een elektriciteitsvraag van circa 0,87 TWh per jaar. In de nieuwste windparken op zee staan windturbines van 11 MW per stuk. Een 11 MW turbine levert met 3.700 vollasturen circa 0,041 TWh per jaar. Om de jaarvraag te dekken zijn in theorie dan 21,2 (dus 22) turbines nodig.
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Ja. Het datacenter heeft een ruimtelijke impact en vraagt beschikbare transportcapaciteit, dus het zal altijd impact hebben op andere ontwikkelingen. Het is daarbij relevant om aan te geven dat het hier gaat om een historisch project met een energiecontract dat al veel eerder is vastgesteld. In dit geval heeft het datacenter al transportcapaciteit gecontracteerd voordat congestie werd afgekondigd en een wachtrij is ingesteld. Daarmee kan het dus geen afstand doen van de rechten voor andere doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Ik begrijp de zorgen die er bestaan over deze ontwikkeling. Het betreft echter een ontwikkeling die al lang speelt en die bovendien niet valt onder de regels van het Rijk over hyperscale datacentra. Om die reden heeft de maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter gelegen bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Zoals eerder aangegeven heeft de besluitvorming over dit datacentrum gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Het Rijk is hierbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik begrepen dat het project is getoetst aan de vestigingsvoorwaarden voor datacenters van de provincie9.
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Die impact is inderdaad meegewogen in de besluitvorming rondom de instructieregel «hyperscale datacentra». Sterker nog: de impact op ruimte en energie is de reden geweest om de instructieregel op te stellen (vanwege nationale belangen).
Zoals in de toelichting op de AMvB staat opgenomen is de ruimte in Nederland is schaars en wordt Nederland geconfronteerd met grote opgaven die allemaal gepaard gaan met ruimtelijke claims. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, landbouw en de woningbouwopgave. In Nederland is, vanwege het ruimtebeslag, de landschappelijke impact, het hoge energiegebruik en de belasting van de landelijke energie-infrastructuur, maar beperkt ruimte voor de bouw en ingebruikname van hyperscale datacentra en daarom is destijds de instructieregel opgesteld.
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
Hierover is geen expliciet besluit genomen. Het is niet openbaar wanneer het energiecontract is afgesloten met dit project. Het afsluiten van overeenkomsten tussen netbeheerders en afnemers vindt plaats tussen deze partijen onderling, op basis van de energiewet, zonder dat daar een overheidsbesluit aan te pas komt.
Gezien de bouwvergunning in 2019 is aangevraagd gaan wij ervan uit dat de contracten voor energie en transportcapaciteit toen ook zijn afgesloten. In die periode golden nog geen voorrangsregels voortransportcapaciteit: pas in april 2024 is er door de ACM een maatschappelijk prioriteringskader opgenomen in de Netcode elektriciteit, voor het verdelen van transportcapaciteit in tijden van netcongestie10. In de huidige situatie krijgt een transportverzoek voor woningbouw prioriteit, en aansluitingen voor commerciële datacenters niet.
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Investeren in robuuste en duurzame datacenters en digitale infrastructuur is essentieel om Nederland én Europa ook in de toekomst concurrerend te houden en onze digitale open strategische autonomie te waarborgen. Het kabinet herkent daarom niet dat datacenters «verspilling van schaarse energie en ruimte» zijn. Daarbij erkent het kabinet wel dat er een discrepantie bestaat tussen de vraag uit de sector en dat wat in termen van ruimte en energieverbruik realiseerbaar is. Daarom is er regulering vanuit het Rijk op dit thema, onder andere via de eerder genoemde instructieregel hyperscale datacentra.
Voor het rechtvaardig verdelen van capaciteit op het stroomnet is er het prioriteringskader van de ACM, dat bepaalt welke sectoren voorrang krijgen bij het verkrijgen van nieuwe transportcapaciteit. Datacenters zijn niet opgenomen in dit kader en nieuwe aanvragen van datacenters krijgen dus ook geen voorrang, tenzij dat nodig is voor een vitale voorziening zoals een ziekenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat de elektriciteitsvraag van nieuwe datacenters ten koste gaat van woningbouw en andere maatschappelijke prioritaire sectoren.
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Er bestaat geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij de Nederlandse autoriteiten melding te maken over de doeleinden waarvoor ze gebruik (zullen) maken van servercapaciteit die ze afnemen in een datacentrum, of over het type data dat ze in dit datacentrum van plan zijn te verwerken of op te slaan. Er is geen informatie bij het kabinet beschikbaar over de doeleinden waarvoor Microsoft de servercapaciteit in dit te ontwikkelen datacentrum zal gaan gebruiken. In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen.
In algemene zin kan gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor het functioneren van de digitale infrastructuur en belangrijk is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.11 De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-)dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van clouddiensten.
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
Allereerst kan gesteld worden dat het betreffende datacentrum nog niet is ontwikkeld, en dus ook nog niet in gebruik is genomen. Daarnaast is er op dit moment geen informatie bekend over de data die Microsoft van plan is in dit datacentrum op te slaan. Zoals in het antwoord op vraag 15 is vermeld, bestaat er geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij Nederlandse autoriteiten melding te maken van de doeleinden waarvoor zij gebruik maken van een datacentrum of het type data dat ze in een datacentrum verwerken of opslaan.
Wat betreft de casus die u aanhaalt uit september 2025; hierin heeft Microsoft kenbaar gemaakt dat de betreffende dienstverlening aan het Israëlische Ministerie van Defensie is gestopt en uitgeschakeld omdat dergelijk gebruik in strijd zou zijn met de algemene voorwaarden van Microsoft.13 Daarmee is het op dit moment niet aannemelijk dat het te ontwikkelen datacentrum voor die doeleinden zal worden ingezet.
In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen. Deze autoriteiten zijn onafhankelijk en maken daarbij hun eigen afwegingen.
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, kan in algemene zin gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.
De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-) dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van onder meer clouddiensten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
In het vragenuur van 27 januari 2026 heeft de vorige Minister van VRO aangegeven dat het onderwerp «strategische autonomie» op het vlak van digitalisering onderdeel is van de portefeuille van de toenmalige Staatssecretaris van BZK. Om die reden is zij hier in het vragenuur niet verder op ingegaan.
Een nadere reflectie op de verwachte impact van de ontwikkeling van het datacentrum op strategische autonomie is reeds gegeven in de beantwoording van vragen 15 en 17.
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
De ontwikkeling van een nieuw datacentrum door een Britse datacentrumontwikkelaar is op zichzelf geen project dat onze strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt. De aankondiging dat Microsoft de beschikbare capaciteit in het datacentrum in z’n geheel afneemt, maakt dat in dit datacentrum – net als in diverse andere datacentra in Nederland waar Microsoft servercapaciteit afneemt – mogelijk data uit clouddiensten van Microsoft wordt opgeslagen en verwerkt.
Indien een organisatie gebruik maakt van een Amerikaanse clouddienstverlener, zoals Microsoft, bestaat het risico dat Amerikaanse autoriteiten onder de CLOUD Act een verzoek indienen voor het delen van gegevens. Dit risico dient door (overheids)organisaties meegenomen te worden in de risicoanalyse. Conform het Rijksbreed cloudbeleid 2022 dienen organisaties die onder het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vallen bij het risico op dreiging van statelijke actoren, voortijdig dreigings- en beveiligingsadvies in te winnen bij de AIVD c.q. de MIVD.
Onverminderd het bovenstaande is het van groot belang dat er meer mogelijkheden komen voor soevereine c.q. digitaal autonome cloudoplossingen. In dat verband wordt onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onder meer gewerkt aan (een verkenning naar) een soevereine overheidscloud. Ook het versterken van de Nederlandse en Europese concurrentiepositie van de cloudmarkt is een belangrijke inzet. Over deze inzet is uw Kamer middels een Kamerbrief geïnformeerd.14
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Nee, zoals eerder aangegeven hebben de afwegingen en de besluitvorming over deze ontwikkeling gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam en is het Rijk daarbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik vernomen dat de vergunning reeds is gepubliceerd en daarmee voldoet het aan de wet- en regelgeving. Er zijn naar mijn weten geen mogelijkheden om de vergunning aan te passen of te herroepen, tenzij er nieuwe (milieu)wetgeving van toepassing is.
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Nee, vanuit ruimtelijk perspectief wordt in de regelgeving van het Rijk onder een hyperscale datacentrum verstaan: het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Zoals ook in de toelichting bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen regels te stellen voor de vestiging van een datacentrum dat aan de criteria van meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en 70 MW of meer voldoet. Kleinere datacentra (met een oppervlakte van minder dan 10 hectare) of datacentra die slechts aan één criterium voldoen vallen niet onder de regels van het Rijk. Wel kunnen gemeenten, provincies en waterschappen in hun verordening of omgevingsplan regels stellen door dit type datacentra. Vanuit andere invalshoeken die relevant zijn vanuit het oogpunt van digitale autonomie, zoals het effect op de nationale veiligheid en verdienvermogen, is er op dit moment geen reden voor overheidsingrijpen.
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Uit contact met de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam heb ik vernomen dat zij in gesprek gaan met deze maatschappelijke organisaties. Ik zie geen reden om zelf met hen in gesprek te gaan.
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Dat klopt op basis van de informatie die ik over deze zaak heb gekregen. De regels van het Rijk verbieden alleen de bouw en ingebruikname van nieuwe datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en met een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer. Omdat het betreffende datacentrum in Amsterdam een bebouwd vloeroppervlak heeft van 2,2 hectare, valt deze niet onder de Rijksregels. Ik begrijp de zorgen die er lokaal bestaan over het ruimtebeslag en het energieverbruik dan dit datacentrum. Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs16 gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen.
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Nee, zoals de vorige Minister van VRO heeft aangegeven in het vragenuur is het opsplitsen van het datacentrum in drie gebouwen niet relevant voor de vraag of deze ontwikkeling past binnen de Rijksregels. Het totale bebouwde vloeroppervlak van de drie torens samen bedraagt 2,2 hectare. Dat is dus minder dan de 10 hectare die als grenswaarde is gebruikt bij de Rijksregels ten aanzien van hyperscale datacentra.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen. Hierover zal uw Kamer op een later moment worden geïnformeerd.
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 deelt het kabinet de zorgen over de belasting van het stroomnet. Om die reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat het aanpakken van de netcongestieproblemen onze hoogste prioriteit heeft. Zoals verder aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de realisatie van dit datacentrum verder passend binnen de regels zoals het Rijk die heeft gesteld. Ik zie om die reden geen aanvullende lessen om te trekken uit de gang van zaken.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Wegens de hoeveelheid vragen en de benodigde afstemming tussen de verschillende bewindspersonen en met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is het niet gelukt om de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
De aanhoudende problemen met zwerfstroom bij veehouderijbedrijven |
|
André Flach (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Femke Wiersma (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aanhoudende problemen met zwerfstroom bij onder meer veehouderijbedrijven1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgevingen over zwerfstroom bij veehouderijen in Ooltgensplaat.
Kunt u in afstemming met onder meer provincies, gemeenten en sectororganisaties aangeven in hoeverre in andere regio’s in het land bij veehouderijbedrijven ook problemen ervaren worden die mogelijk in verband staan met zwerfstroom?
Ik heb op dit moment geen kennis van situaties op veehouderijbedrijven elders in Nederland waar soortgelijke problemen worden ervaren zoals die in berichtgeving is beschreven. Indien onbegrepen problemen bestaan op een veehouderij zal normaliter de eigen dierenarts hierover geconsulteerd worden. Ook kunnen veehouders en dierenartsen contact opnemen met de Gezondheidsdienst voor Dieren, via de Veekijker2, voor advies. De Veekijker is onderdeel van de basismonitoring diergezondheid, een instrument om trends en ontwikkelingen in de diergezondheid bij landbouwhuisdieren te volgen.
In het verleden is, naar aanleiding van meldingen van onbegrepen gedrag, door sectorpartijen geïnventariseerd in welke mate onbegrepen gedrag van dieren door veehouders wordt gezien, waar geen duidelijke verklaring (binnen of buiten het bedrijf) voor aan te wijzen was. Er is een oproep gedaan voor bedrijven om zich te melden. De Gezondheidsdienst voor Dieren heeft in 2018 een onderzoek gedaan, waaraan 31 bedrijven die zich gemeld hadden, hebben deelgenomen3. Er is geconcludeerd dat veel factoren een rol kunnen spelen, er is niet één specifieke oorzaak gevonden. Mogelijk was de oorzaak per bedrijf ook verschillend. Associaties met zonnepanelen, of zendmasten en hoogspanningskabels in de omgeving zijn in dit onderzoek niet gevonden.
Deelt u de mening dat het vanwege de toenemende elektrificatie goed is om tijdig onderzoek te doen naar mogelijke risico’s van zwerfstroom en de mogelijkheden om dit te voorkomen?
Toenemende elektrificatie brengt in zichzelf geen risico op zwerfstroom. Zwerfstroom ontstaat wanneer elektrische installaties niet goed geaard zijn of bedradingen niet goed geïsoleerd zijn. Ook kunnen zwerfstromen ontstaan als de opbouw en capaciteit van de elektrische installatie onvoldoende is of apparatuur wordt gebruikt die niet voldoet aan de Europese veiligheidsregels.
Indien een bestaande elektrische installatie van een bedrijf wordt uitgebreid met bijvoorbeeld een zonnepaneel-installatie, een batterij of een kleine windturbine is het zaak dat deze installatie blijft voldoen aan de elektrotechnische veiligheidseisen zoals beschreven in de NEN1010. Onoordeelkundige uitbreidingen kunnen tot problemen leiden. Het is daarom belangrijk dat elektrische installaties altijd aangelegd, onderhouden en gecontroleerd worden door gecertificeerde elektrotechnische installatiedeskundigen.
Waarom is door de provincie Zuid-Holland gevraagd multidisciplinair onderzoek naar de zwerfstroomproblematiek geweigerd2, terwijl verschillende experts wijzen op de mogelijkheid van bedrijfsoverstijgende oorzaken3, 4?
De provincie Zuid-Holland heeft inderdaad per brief verzocht om het uitvoeren van multidisciplinair onderzoek door het Rijk. De provincie gaf aan dat de casuïstiek de mogelijkheden en het kennisveld van de provincie oversteeg. Nadat de veehouder eerst zelf onderzoek heeft laten uitvoeren, heeft de provincie een second opinion laten uitvoeren.
Dit second opinion-onderzoek concludeert dat er geen externe oorzaken zijn aan te wijzen voor de problemen op het bedrijf. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de metingen uit het onderzoek dat de veehouder heeft laten uitvoeren, ongeschikt waren om zwerfstromen te detecteren en dat er aanwijzingen waren dat de elektrische installatie op het bedrijf verbetering behoeft.
Tevens staat de veehouder onder verscherpt toezicht van de NVWA en is veroordeeld door de rechter vanwege het onthouden van de nodige zorg en het hebben van onvoldoende capaciteit voor het aantal gehouden dieren. Overwogen is dat deze situatie nog altijd niet volledig is verbeterd en dat de problematiek op het bedrijf toe te schrijven is aan de omstandigheden waaronder de dieren worden of werden gehouden. De houder is tevens gewezen op het bestaan van het vertrouwensloket welzijn landbouwhuisdieren voor hulp en ondersteuning.
Bent u alsnog bereid het gevraagde multidisciplinaire onderzoek op te pakken?
Ik kan mij goed voorstellen dat de veehouders zorgen hebben, gezien de klachten die zij ervaren. Het gevraagde multidisciplinair onderzoek is echter pas zinvol als er in de monodisciplines geen mogelijke oorzaak van de problemen worden gevonden. In dit geval zijn er geen externe oorzaken gevonden, zijn er wel zorgen over het dierenwelzijn en diergezondheid bij de veehouderij en waren er verbeteringen mogelijk in de elektrische installatie. Tevens ken ik geen voorbeelden van onderling vergelijkbare casuïstiek die op externe oorzaken wijzen.
Uiteraard blijf ik alert op eventuele ongewenste gevolgen die samen zouden kunnen hangen met de energie-transitie en de (elektrische) infrastructuur die in de omgeving wordt geplaatst.
De rechterlijke uitspraak aangaande bescherming van Bonaire tegen klimaatverandering |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Marum , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van de rechter en de overweging dat de Nederlandse Staat niet voldoende heeft beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering voor de inwoners van Bonaire? Wat is uw reactie op de uitspraak?1
Ja. Voor een eerste reactie wordt verwezen naar de brief die hierover is verzonden door de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG), de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) op 2 februari 20262.
Kunt u bevestigen dat de Staat niet in beroep zal gaan tegen de gedane uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zal moeten besluiten over het al dan niet instellen van hoger beroep. Hiervoor geldt een termijn van drie maanden vanaf de datum van het vonnis.
Kunt u aangeven hoe uitvoering is gegeven aan de motie van de leden Ceder en Wuite over in kaart brengen wat nodig is aan klimaatadaptieve maatregelen voor de BES-eilanden (Kamerstuk 36 200 IV, nr. 18) waarin de regering werd verzocht om samen met lokale autoriteiten in kaart te brengen welke klimaatadaptieve maatregelen noodzakelijk zijn?
Sinds 2023 wordt op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES) gewerkt aan klimaatplannen in opdracht van de Openbare Lichamen met ondersteuning van het Rijk. Hierin zijn maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Dit proces heeft meer tijd gekost dan vooraf ingeschat was, maar inmiddels staat de oplevering van deze plannen gepland voor de komende maanden3. Overigens zijn in de afgelopen jaren met ondersteuning van het Rijk reeds maatregelen getroffen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld op Bonaire om regenwaterbeheer en op Saba om de bouw van een orkaanbestendige haven. Op Sint Eustatius loopt de aanpak van loslopend vee zodat vegetatie weer een kans krijgt om te groeien, er minder erosie optreedt en er meer water wordt vastgehouden in de bodem. Herbebossingsprojecten zijn belangrijk om meer schaduw te creëren, en ook hiervoor is het een randvoorwaarde dat de graasdrukte door loslopende geiten wordt verminderd.
Op welke wijze garandeert de Rijksoverheid dat inwoners van alle Nederlandse gemeenten, inclusief die buiten Europees Nederland zoals Bonaire, gelijke bescherming genieten tegen de gevolgen van klimaatverandering en evenredig wordt ingezet op klimaatadaptatie? Hoe reflecteert u op de constatering van de rechtbank dat de inwoners van Bonaire hierbij zonder goede reden anders behandeld worden dan de inwoners van Europees Nederland?
Sinds 2010 is er in Caribisch Nederland ingezet op tal van onderzoeken en maatregelen in de sfeer van natuurbehoud, ruimtelijke ordening, tegengaan van erosie en het verbeteren van basisvoorzieningen zoals drink- en afvalwater. Dit heeft allemaal een relatie met klimaatadaptatie. Sinds 2023 wordt daarnaast ook inzet gepleegd in planvorming ten behoeve van klimaatadaptatie. Naast de eilandelijke klimaatplannen (zie vraag 3), wordt er gewerkt aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van uit zal maken.
De rechtbank is inderdaad van oordeel dat de inwoners van Bonaire bij (de snelheid van) het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. Tegelijk constateert de rechtbank dat er vanuit de Staat sinds 2023 concrete stappen zijn gezet om tot een coherent en integraal klimaatbeleid voor Caribisch Nederland te komen en dat die ondernomen stappen passend lijken. Dit kabinet zal besluiten in hoeverre de bestaande klimaatmaatregelen en ondersteuning geïntensiveerd moeten worden en wat nodig is om uitvoering te geven aan de klimaatplannen. De wijze waarop vraagt nog een nadere en zorgvuldige bestudering van het vonnis.
Klopt het dat er voor Bonaire geen vergelijkbare programma’s zijn ontwikkeld zoals er voor Europees Nederland wel zijn ontwikkeld (Deltaprogramma, klimaatadaptatiestrategie)? Wat is de verklaring waarom dit niet reeds is ontwikkeld? Wat is er in de afgelopen jaren wel gebeurd om Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland c.q. het Caribisch deel van ons Koninkrijk) te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering dan wel in te zetten op klimaatadaptatie? In hoeverre zijn deze plannen vergelijkbaar met de programma’s en maatregelen die in Europees Nederland worden uitgevoerd?
Voor Caribisch Nederland zijn specifieke programma’s ontwikkeld op basis van BES wet- en regelgeving en beleid, zoals het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland (NMBP) en het Ruimtelijke ontwikkelingsprogramma Caribisch Nederland. In die programma’s zijn klimaatmaatregelen opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit niet voldoende is en constateert dat voor het NMBP momenteel geen vervolgbudget is. Sinds 2023 wordt aan eilandelijke klimaatplannen gewerkt (zie vraag 3) en aan een herijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) waar Caribisch Nederland onderdeel van zal uitmaken (zie vraag 4).
Welke acties gaat u ondernemen c.q. in gang zetten om een antwoord te bieden op de uitspraak en werk te maken van een échte klimaatadaptatiestrategie voor Bonaire (en andere delen van Caribisch Nederland)? Kunt u een tijdlijn geven hoe de uitspraak opgevolgd wordt, enerzijds om binnen 18 maanden te komen tot wettelijke bindende doelen en anderzijds om voor 2030 een uitgewerkt plan voor Bonaire te hebben?
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat hieraan uitvoering moet worden gegeven. Het vonnis vergt nadere en zorgvuldige bestudering. U wordt apart geïnformeerd over de precieze invulling hiervan inclusief de tijdlijn.
Op welke wijze betrekt de Rijksoverheid de lokale bevolking van Bonaire bij de ontwikkeling, implementatie en monitoring van klimaatbeschermingsmaatregelen?
De eilandelijke klimaatplannen, zoals hierboven beschreven in antwoord op vraag 3, worden – met ondersteuning van het Rijk – opgesteld met brede maatschappelijk consultatie en kennen een eigen lokaal participatietraject. De Nationale Klimaatadaptatiestrategie kent een eigen participatietraject, om de bevolking van Caribisch Nederland mee te nemen en te informeren. Hiervoor wordt een passend participatietraject ontwikkeld, waar in elk geval voorzien zal worden in vertalingen in het Papiaments en Engels, evenals advertenties in lokale media.
Het conceptakkoord met Tata Steel en de vraagtekens bij de daadwerkelijke klimaatwinst van de miljarden staatssubsidie |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin experts grote vraagtekens plaatsen bij de klimaatwinst van de twee miljard euro subsidie aan Tata Steel, en hoe beoordeelt u deze kritiek?1
Ik ben bekend met de nieuwsberichten. De kritiek in de berichtgeving ziet niet op de verduurzaming en de vermindering van de CO2-emissies die ontstaan door de staalproductie van Tata Steel Nederland (TSN) zelf (zogenaamde scope 1 emissies), maar op de indirecte emissies die als gevolg van het Groen Staal Plan elders zouden kunnen ontstaan bij de inkoop van energie (scope 2) of de indirecte emissies in de keten (scope 3).
De maatwerkaanpak van het kabinet heeft als doel om een forse uitstootvermindering te realiseren in het productieproces van een bedrijf zelf, zo ook bij TSN. De huidige plannen van TSN leiden naar verwachting tot een vermindering van de CO2-uitstoot met 5,4 tot 7,2 megaton per jaar. Dat is ongeveer 5% van de totale Nederlandse uitstoot. Daarnaast zorgen de plannen voor een forse verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio. Een maatwerkafspraak is de beste manier om zo snel mogelijk te komen tot vermindering van CO2-uitstoot, verbetering van de leefomgeving en gezondheid in de regio en de staalindustrie te behouden. Een belangrijke overweging hierbij is dat TSN zonder maatwerkafspraak deze investeringen in verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving niet zal doen in de komende jaren en/of de staalproductie op termijn verplaatst naar het buitenland. Het gevolg hiervan is dat de gezondheidsproblematiek blijft voortbestaan, het klimaat niet verbetert of juist verslechtert vanwege de verplaatsing van de uitstoot en een bedrijf verdwijnt dat belangrijk is voor de economie en strategische autonomie van Nederland en Europa.
Het kabinet reageert in het vervolg van deze beantwoording op de specifieke kritiek over de impact op indirecte emissies en het beleid wat het kabinet daar separaat op voert.
Deelt u de zorg van experts dat de deal weliswaar tot minder CO2-uitstoot binnen Nederland leidt, maar dat een deel van die uitstoot wordt verplaatst naar het buitenland? Kunt u dit toelichten?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 1 richt het kabinet zich met de maatwerkafspraak op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan de directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland. Als onderdeel van de vergroening van de Nederlandse productie kunnen elders extra activiteiten zoals de productie van LNG plaatsvinden die broeikasgassen uitstoten. Het gebruik van aardgas is echter een tussenstap in de verduurzamingsplannen van TSN: op termijn zal deze vervangen worden door groen gas of groene waterstof. Dat laat onverlet dat het kabinet zich ook inzet om de emissies elders op de wereld te beperken als gevolg van de winning en het transport van gas. Hiervoor werken we in EU-verband onder andere aan een monitoringsysteem waardoor meer zicht komt en beleid kan worden gevoerd op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
Kunt u de berekeningen delen die aantonen hoeveel CO2-reductie de subsidiëring van Tata Steel daadwerkelijk wereldwijd oplevert, rekening houdend met uitstoot die buiten Nederland plaatsvindt?
Bij de Kamerbrief2 over de ondertekening van de Joint Letter of Intent (JLoI) heeft het kabinet ook de berekeningen van de CO2-reductie gepubliceerd3. Het gaat hier om de directe CO2-reductie van TSN zelf. De mogelijke gevolgen voor scope 2 en scope 3-emissies zijn geen doel op zich bij de JLoI en de uiteindelijke maatwerkafspraak, maar worden waar mogelijk meegenomen.
Herkent u de analyse dat de overstap van kolen naar aardgas problematisch is vanwege de verwachte toename van Amerikaans schaliegas op de Europese markt, waarbij veel methaan weglekt dat 25 keer zo sterk is als CO2? Hoe weegt u dit mee in uw beoordeling van de klimaatwinst?
De impact van aardgas op de CO2-uitstoot en leefomgeving is aanzienlijk beter dan van kolen. De emissies van het primaire staalproductieproces van TSN (scope 1 en 2) nemen daarom al zeer sterk af bij een overgang van het huidige kolen-gebaseerde proces naar de tussenfase van het DRP-EAF proces op aardgas. Daarnaast geldt dat ook bij de winning van kolen voor staalproductie significante methaanemissies kunnen ontstaan. Deze emissies zijn afhankelijk per specifieke kolenmijn. De tussenfase met aardgas leidt dus al tot een significante vermindering van de CO2-uitstoot ten opzichte van de bestaande situatie.
Aardgas wordt verhandeld op de groothandelsmarkt. Het aardgas dat hier wordt verhandeld is afkomstig van verschillende bronnen: aardgas dat in Nederland is geproduceerd, aardgas dat is geïmporteerd via pijpleidingen (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk of België) of aardgas dat is geïmporteerd in de vorm van LNG, bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten. Het valt dus niet op voorhand te zeggen of TSN aardgas zal verkrijgen uit het buitenland en zo ja, ook niet uit welk specifiek land.
Het doel is om uiteindelijk over te stappen op groene waterstof of groen gas. Ondertussen werken alle EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening. Deze verordening heeft als doel om de methaanuitstoot in de fossiele sector beter te monitoren en uiteindelijk te reduceren. Dit geldt ook voor ruwe olie, aardgas (incl. LNG) en steenkool die in de EU op de markt worden gebracht. De Europese Commissie streeft ernaar om uiterlijk in juni 2030 maximale methaanintensiteitswaarden vast te stellen voor ruwe olie, aardgas en steenkool die in de EU in de handel worden gebracht. Aardgas dat door TSN ingekocht zal gaan worden, zal aan deze strengere eisen uit de verordening moeten voldoen.
Waarom worden er geen eisen gesteld aan de herkomst van het gas dat Tata Steel zal gebruiken? Bent u bereid alsnog dergelijke eisen op te nemen in de definitieve afspraken om te voorkomen dat wordt overgestapt op zeer vervuilend schaliegas?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 kan het kabinet vanwege de aard van de gasmarkt geen eisen stellen aan de herkomst van het aardgas dat TSN inkoopt. Een eventueel besluit op het instellen van beperkingen met betrekking tot de herkomst van aardgas kan alleen in internationaal verband en generiek plaatsvinden. De aardgasmarkt betreft een internationale groothandelsmarkt. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 4 streeft de Europese Commissie naar de implementatie van maximale methaanintensiteitswaarden voor onder andere schaliegas.
Deelt u de mening van methaanexpert Thomas Röckmann dat het niet verstandig is om twee miljard belastinggeld te investeren zonder goed te monitoren hoe groot de methaanlekkages zijn bij het gas dat Tata gebruikt? Zo ja, hoe gaat u deze monitoring waarborgen?
Het kabinet acht de maatwerkafspraken met TSN noodzakelijk om de impact op de leefomgeving en de gezondheid van de omwonenden op kortst mogelijke termijn terug te dringen en om tot een grote(re) reductie van de Nederlandse CO2-uitstoot te komen. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) en de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep) geven in hun advies over de JLoI aan dat de steun zeer kosteneffectief is, ook en in vergelijking met steunmaatregelen voor andere Europese staalproducenten. Zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2 is de maatwerkaanpak primair gericht op het verminderen van scope 1-emissies. Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2 en 4 is monitoring van scope 2 en scope 3-emissies complex. Deze emissies treden op bij (internationale) ketenpartners en zijn het resultaat van handel op de wereldmarkt. Het beperken van deze emissies dient via generiek beleid plaats te vinden. Het kabinet werkt in Europees verband samen om hier stappen in te zetten.
Hoe beoordeelt u de realistische haalbaarheid van de geplande overstap naar groen gas rond 2035, gezien de huidige markt voor groen gas lang niet groot genoeg is en Tata 1,5 keer zoveel nodig heeft als wat er nu in heel Nederland beschikbaar is?
De Europese en wereldwijde groen gas markt is volop in ontwikkeling. De Nederlandse overheid draagt actief bij aan deze ontwikkeling met beleid gericht op het stimuleren van de groen gas markt, zowel aan de afname kant middels de bijmengverplichting voor ETS2 sectoren als aan de productiekant met de SDE++ en de DEI+. Ook grote industriële afnemers, zoals TSN, dragen bij aan de opschaling van de markt doordat zij lange-termijn afnamezekerheid kunnen bieden aan producenten van groen gas. Ook de AMVI, samen met de Expertgroep, stelt in haar advies4 dat de vraag vanuit TSN de ontwikkeling van groene markten, zoals voor groen gas, een impuls kan geven. Externe adviseur Common Futures schat het potentieel voor groen gasproductie in de EU op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN te voldoen. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI.5
Welke garanties zijn er dat Tata Steel bij tekorten en hoge prijzen op de groengas-markt niet langer afhankelijk blijft van aardgas dan gepland? Hoe worden deze garanties contractueel vastgelegd?
De grootste CO2-reductie wordt bereikt door over te stappen van kolen op aardgas. In de JLoI is overeengekomen dat TSN in de periode 2032–2037 het aardgas in de DRP zal vervangen door groene waterstof of groen gas. Voor de aankoop van deze groene energiebronnen verstrekt de staat een lening van 200 miljoen euro. Als er in de gehele periode geen groene waterstof of groen gas wordt gekocht door TSN, moet de lening inclusief rente en een (eventuele) boete worden terugbetaald. Als waterstof of groen gas wel wordt ingekocht, wordt de lening (proportioneel) omgezet in een subsidie. Zie hiervoor ook artikel 7.2.2 van de JLoI. Verdere juridische waarborgen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak. Daarbij is het voorkomen van een lock-in op aardgas een van de eisen uit het relevante staatssteunkader van de EC, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy (CEEAG).
Deelt u de analyse van hoogleraar Vollebergh dat het gebruik van gas op lange termijn niet houdbaar is en het verstandiger zou zijn om direct te investeren in elektrificatie in plaats van eerst miljarden te investeren in een tussenfase met gas?
Het kabinet deelt deze analyse niet. Zoals ook aangegeven in eerdere beantwoording6 van Kamervragen kent het project een tussenfase met aardgas en CCS op weg naar een groen productieproces op basis van groene waterstof of groen gas. Deze tussenfase is nodig omdat groene energiebronnen naar verwachting nog onvoldoende beschikbaar en betaalbaar zijn op korte termijn. Uit het advies van de AMVI volgt ook dat de inzet van CCS zeer kosteneffectief is.
Daarbij moet worden opgemerkt dat in ook in de tussenfase op aardgas een belangrijk deel van het nieuwe productieproces al geëlektrificeerd is; het smelt- en staalmaak-proces gebeurt immers door middel van een Electric Arc Furnace (EAF, elektrische vlamboogoven). De Direct Reduction Plant (DRP) die TSN voornemens is te bouwen heeft een reducerend gas nodig om van ijzererts direct gereduceerd ijzer te maken. In de tussenfase gebruikt TSN hier aardgas voor. Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven zal TSN op termijn waterstof of groen gas gebruiken via elektrolyse.
De nieuwe productieroute van TSN draagt ook bij aan de elektrificatie van de industrie. De Electric Arc Furnace (EAF) wordt elektrisch aangedreven en ook de groene waterstof die TSN op termijn zal gaan inzetten in de Direct Reduction Plant (DRP) kan op basis van groene elektriciteit worden geproduceerd. De technologie om staal direct volledig elektrisch te kunnen produceren vanuit ijzererts is op dit moment niet commercieel toepasbaar. Het is onduidelijk of en wanneer TSN deze technologie wel economisch kan toepassen op de door TSN gewenste schaalgrootte. Het kabinet kiest er niet voor om de onzekere ontwikkeling van deze technologieën af te wachten. Er is op dit moment immers geen concreet zicht op een termijn waarin deze technologie economisch volwassen is. Het kabinet wil met een maatwerkafspraak juist zorgen dat er zo snel mogelijk een verbetering van de gezondheid van omwonenden komt.
Kunt u uiteenzetten waarom bij dit soort afspraken alleen wordt gekeken naar uitstoot op Nederlandse bodem en niet naar de wereldwijde klimaatimpact, terwijl CO2 niet bij landsgrenzen ophoudt?
De internationale en Europese afspraken op klimaatbeleid en het verminderen van de CO2-uitstoot zijn ingericht langs de lijnen van de verantwoordelijkheid voor de nationale uitstoot. Daarnaast heeft het kabinet bij het vaststellen van klimaatbeleid oog voor de internationale klimaatimpact van maatregelen. Zo werkt het kabinet in samenwerking met andere EU-lidstaten aan de implementatie van de methaanverordening en aan een monitoringssysteem voor het verkrijgen van inzicht op gas dat uit het buitenland op de markt in de EU wordt gebracht.
De maatwerkafspraken zijn gericht op het realiseren van maatregelen die bijdragen aan directe vermindering van CO2-uitstoot van de industrie in Nederland en waar relevant de impact op de leefomgeving te verminderen. Zoals ook aangegeven bij de antwoorden op vraag 1 tot en met 3 zijn de bedrijfsemissies stuurbaar via een maatwerkafspraak. Deze aanpak is in lijn met internationale afspraken die voor het eerst gesloten werden via het VN-Klimaatverdrag uit 1992 en het Kyotoprotocol en onder meer via latere verdragen verder zijn ingevuld.
Het kabinet beoogt met de maatwerkaanpak om de industrie te verduurzamen en in Nederland te behouden. De vraag naar staal zal immers blijven bestaan. Als er geen maatwerkafspraak komt, en het bedrijf zou besluiten om de productie naar het buitenland te verplaatsen, heeft dit tot gevolg dat staal vanuit het buitenland geïmporteerd zal worden. Daarmee vergroten we onze importafhankelijkheid. Daarbij is de staalproductie is in het buitenland niet schoner of duurzamer, waarmee de verplaatsing van de productie een negatief effect zou hebben op het klimaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt binnen de geldende termijn van drie weken. De Kamer is hier eerder over geïnformeerd7.
Gecorrigeerde temperatuurreeksen van het KNMI |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Klimaatcritici krijgen gelijk van KNMI: 7 extra hittegolven sinds 1900»1 en «KNMI publiceert verbeterde homogene temperatuurreeksen»?2
Ja.
Hoe reageert u op de correctie van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dat er tussen 1900 en 1950 niet zeven, maar veertien hittegolven zijn geweest – oftewel twee keer zoveel?
Het is een goede zaak dat het KNMI verbeterde homogene temperatuurreeksen heeft gepubliceerd3. Het is van belang accurate informatie te hebben en nieuwe inzichten hierin voortdurend mee te nemen. Deze nieuwe reeksen leveren voor de belangrijkste klimaatcijfers geen ander resultaat dan de eerder gepubliceerde reeksen. Sinds 1901 is de gemiddelde jaartemperatuur met ongeveer 2 graden gestegen.
Vooral op losse warme zomerdagen zijn er wel verschillen in de reeksen. Dit heeft ook invloed op het aantal getelde hittegolven. Deze tellingen zijn heel gevoelig voor kleine veranderingen en daarmee veel meer onzeker. Het aanpassen van de maximumtemperatuur op slechts één dag van 29,9 graden naar 30,0 graden of andersom, kan uitmaken of er een hittegolf wordt geteld.
In de ruwe metingen van De Bilt zijn sinds 1901 in totaal 46 hittegolven geteld. In de eerste homogene temperatuurreeksen uit 2016 waren dat er 32. In de verbeterde homogene temperatuurreeksen zijn het er 39. Ruim 40 procent van alle hittegolven is opgetreden na het jaar 2000. Daarmee is de klimaattrend hetzelfde: er komen tegenwoordig veel meer hittegolven voor.
Wat vindt u ervan dat klimaatcritici, zoals in dit geval stichting Clintel, jarenlang zijn weggezet als «klimaatontkenners», terwijl hun inhoudelijke kritiek nu juist correct blijkt te zijn?
Het KNMI heeft kennisgenomen van kritische publicaties in de wetenschappelijke literatuur (bijv. Dijkstra et al., 2022) op de eerste homogenisatie. De kritiek richtte zich op methodologische keuzes en de gevoeligheid van de uitkomsten daarvoor. Onderbouwde kritiekpunten en aanbevelingen zijn nauwgezet bestudeerd. In meerdere gevallen zijn deze geaccepteerd en overgenomen bij de ontwikkeling van een verbeterde, robuustere methodologie. Dat heeft daarmee mede geleid tot het resultaat van de verbeterde homogene temperatuurreeksen. De nieuwe uitkomsten sluiten meer aan bij de verwachtingen van critici, zoals Clintel, over het aantal hittegolven voor 1950. Ook de nieuwe temperatuurreeksen laten duidelijke en consistente klimaattrends zien. De homogenisatie zegt niets over de oorzaken van klimaatverandering, zoals menselijk invloed, die door klimaatsceptici wordt betwijfeld, afwezen of ontkend.
Hoe kan het dat het KNMI nu pas de temperatuurreeksen corrigeert, terwijl de discussie over het aantal hittegolven al vanaf 2016 loopt? Heeft het KNMI werkelijk tien jaar nodig gehad om dit te onderzoeken?
Het KNMI voert doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen en mogelijkheden om deze beter vergelijkbaar te maken met moderne metingen. Hierover zijn in de periode 2016–2026 wetenschappelijke publicaties verschenen in o.a. 2019, 2022, 2023 en 2026. Dit heeft uiteindelijk in samenhang geleid tot de verbeterde homogene temperatuurreeksen.
Is het mogelijk dat er meer fouten of onnauwkeurigheden in historische temperatuurreeksen zitten? Bent u ertoe bereid dit te (laten) onderzoeken?
Het vergelijkbaar maken van historische metingen met moderne metingen brengt altijd enige onzekerheid met zich mee. In het wetenschappelijk rapport dat het KNMI dit jaar heeft uitgebracht zijn deze onzekerheden inzichtelijk gemaakt. Het valt niet uit te sluiten dat toekomstig onderzoek ertoe leidt dat het vergelijkbaar maken van temperatuurreeksen nog nader verfijnd kan worden. Het KNMI voert zelf doorlopend onderzoek uit naar historische temperatuurmetingen, het kabinet ziet geen reden om dit verder te laten onderzoeken.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle genomen of voorgenomen klimaatmaatregelen die direct of indirect, geheel of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de oude, incorrecte temperatuurreeksen – en deze maatregelen vervolgens direct intrekken?
Het kabinet ziet geen aanleiding om een dergelijk overzicht van klimaatmaatregelen te maken omdat zoals bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven de onderbouwing van die maatregelen niet door de correctie van de temperatuurreeksen verandert.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Sophie Hermans (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden op onze eerdere vragen over Joint Letter of Intent (JLoI nog herinneren?1
Ja. Daarnaast heeft het kabinet afgelopen jaar op diverse andere momenten vragen ontvangen.
Omwille van consistentie is bij de beantwoording waar relevant gebruik gemaakt van bovenstaande informatie.
Welke mogelijkheden worden onderzocht om toch eerder tot gedwongen sluiting van de zwaar verouderde, vervuilende en lekkende Kooksgasfabriek 2 (KGF2) over te gaan, aangezien daar al jaren de regels worden overtreden en Tata Steel zelf zegt dat ze niet aan alle regels kunnen voldoen?
Handhaving na constatering van overtredingen is aan het bevoegd gezag. Een mogelijkheid is dat die handhaving, na het doorlopen van de wettelijk voorgeschreven procedures, leidt tot (al dan niet vervroegde) gedwongen sluiting13. De Omgevingsdienst beoordeelt momenteel of Tata Steel voldoet aan de aanzegging om binnen 12 maanden de overtredingen te beëindigen en aan de regels te voldoen. Voor deze beoordeling voert de Omgevingsdienst momenteel inspecties uit bij de KGF2. Op basis van de uitkomsten zal worden bekeken of en welke vervolgstappen nodig zijn.
Klopt het dat in de huidige plannen Kooksgasfabriek 1 (KGF1) en Hoogoven 6 nog tot 2045 open zullen blijven en kolen zullen blijven gebruiken? Wat vindt u van deze tijdslijn, gezien de belangen van milieu en de gezondheid van omwonenden?
Volgens de huidige plannen dient het bedrijf uiterlijk in 2045 klimaatneutraal te opereren. Als onderdeel daarvan moeten ook KGF1 en Hoogoven 6 sluiten. Dit laat overigens onverlet dat alle bestaande installaties, waaronder de KGF1, aan de wettelijke normen moeten voldoen en dat het bevoegd gezag hierop toeziet (en waar nodig handhavend zal optreden).
Het kabinet onderzoekt in aanvulling hierop ook de mogelijkheden voor beleid of wetgeving voor een verbod op grootschalig gebruik van fossiele kolen, conform de aangenomen motie-Rooderkerk over het publiekrechtelijk borgen dat het industrieel gebruik van k.
Wat vindt u ervan dat de AMVI aangeeft dat de financiële modellen en bijbehorende aannames nog niet in een finale fase waren toen zij hun advies moesten schrijven?
Het is binnen de maatwerkaanpak gebruikelijk dat de AMVI advies geeft op modellen en aannames die nog niet definitief zijn. De AMVI heeft volwaardig advies kunnen geven op basis van deze conceptstukken. De AMVI geeft advies op de conceptversie van de JLoI. Het advies van de AMVI ziet juist op de conceptversie omdat de plannen in die fase nog aangepast kunnen worden naar aanleiding van deze adviezen. De AMVI geeft onafhankelijk advies op de gebruikte modellen.
Welke onafhankelijke instantie beoordeelt de business case en de aannames die zijn gemaakt en kunt u ons die beoordeling sturen?
De staat wordt vanaf de start van de gesprekken over een maatwerkafspraak met TSN bijgestaan door externe adviseurs. Op financieel gebied wordt de staat geadviseerd door KPMG. Zij toetsen de financiële modellen en onderliggende aannames van TSN. KPMG zal ook een openbaar rapport opstellen dat meegestuurd kan worden bij een definitieve maatwerkafspraak. Behalve door de financieel experts van de staat en van KPMG wordt de beoogde steun aan TSN ook getoetst door de Europese Commissie, onder andere op proportionaliteit.
Wat gebeurt er met Project Roadmap+ als de maatwerkafspraken niet door zouden gaan? Zijn het Project Roadmap+ en de maatwerkafspraken nou wel of niet met elkaar verbonden, aangezien in de JLoI wordt aangegeven dat deze wordt uitgevoerd zonder staatssteun, maar u in uw antwoord op vraag 17 aangeeft dat «Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+»?
De Roadmap+ betreft een vrijwillig pakket van maatregelen van TSN om de uitstoot van onder meer stof, zware metalen, geur, geluid en PAK’s te verminderen en is op dit moment al in uitvoering. De Roadmap+ wordt dus, onafhankelijk van een eventuele maatwerkafspraak, zelfstandig uitgevoerd door het bedrijf. Met het vastleggen van de resultaten van de Roadmap+ in de JLoI zijn de uitvoering en de resultaten van de maatregelen in het kader van Roadmap+ geborgd, zie ook artikel 5 lid 2 van de JLoI:
De uitvoering van de Roadmap+ van TSN vindt plaats zonder financiële maatwerksteun. De resultaten van de uitvoering ervan zijn opgenomen in de in artikel 3 van de JLoI vermelde doelstellingen. Dit verzekert dat de verwachte resultaten van Roadmap+ worden gerealiseerd. TSN is voornemens alle hiervoor benodigde resterende handelingen uit te voeren als Roadmap+-handelingen.
Komt er nog een advies van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond over de definitieve JLoI, gezien het feit dat deze twee adviesorganen aangeven dat er nog «belangrijke documenten en modellen» ontbraken toen zij hun advies moesten geven over de concept JLoI?
De AMVI en de Expertgroep hebben conform het proces van de AMVI bij de maatwerkaanpak advies gegeven op de concept-JLoI. Dit advies heeft grotendeels een plek gekregen in de definitieve JLoI en wordt deels meegenomen in het vervolgtraject richting een maatwerkafspraak. Het advies is van belangrijke waarde om het gezondheidsbelang mee te wegen.
In het tweeminutendebat Leefomgeving en Externe Veiligheid op 18 december 2025 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat toegelicht waarom het kabinet geen advies over de definitieve JLoI vraagt aan de AMVI en/of de Expertgroep. Bij het vaststellen van de maatwerkaanpak is vastgelegd dat de AMVI adviseert over de concept JLoI. In het geval van het traject met TSN is de Expertgroep, bij uitzondering en op verzoek van de AMVI, aangesloten bij het opstellen van dit advies. Een tijdens het tweeminutendebat ingediende motie14 met daarin het verzoek om de AMVI en/of de Expertgroep om advies te vragen over de definitieve JLoI heeft geen meerderheid gehaald in de Tweede Kamer.
Wat is het oordeel van de Expertgroep Gezondheid over de laatste versie van de JLOI precies? Heeft de Expertgroep u op wat voor manier dan ook (via de ambtelijke weg of anders) daarover iets te kennen gegeven?
De Expertgroep heeft geen advies gegeven over de definitieve JLoI. Zie ook het antwoord op vraag 7. De Expertgroep heeft op 19 maart jl. op uitnodiging van de Kamerleden een gesprek met hen gevoerd over de gezondheidseffecten van de JLoI. Voorafgaand aan dit gesprek met de Kamer heeft de Expertgroep een position paper15 gepubliceerd.
De Expertgroep bevestigt dat sommige adviezen wel en andere adviezen (nog) niet zijn overgenomen in de JLoI.
In het gesprek met de Kamer gaf de Expertgroep daarom aan dat het «glas halfvol is» en dat de maatwerkafspraak zekerheden en concrete en afdwingbare afspraken moet bevatten. De Expertgroep benadrukte ook dat het kabinet door moet gaan met de maatwerkafspraken en dat de adviezen niet moeten leiden tot verdere vertraging van de verbetering van de gezondheid van omwonenden. Het kabinet werkt nu aan de maatwerkafspraak, waarin de doelen uit de JLoI uiteindelijk in de maatwerkafspraak omgezet worden in geborgde en concrete resultaatverplichtingen.
Gezien het recht op informatie voor Kamerleden en het feit dat de Kamer heeft uitgesproken dat het kabinet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid moet opvolgen, kunt u ervoor zorgen dat wij nu alsnog een reactie van de AMVI en Expertgroep Gezondheid IJmond krijgen op het definitieve JLoI? Zo nee, waar bent u bang voor?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 en besproken in het tweeminutendebat Leefomgeving en Externe Veiligheid op 18 december 2025 worden de AMVI en de Expertgroep niet gevraagd om advies te geven op de definitieve JLoI.
Kijkende naar uw beantwoording van onze eerdere vragen over de JLOI, hoe rijmt uw vermelding van stikstofuitstoot in 2024 voor Tata Steel Nederland (5,3 kton) met de vermelding in het jaarverslag van het bedrijf (5,065 kton)?2 Wat is de bron voor uw gegevens en hoe is het verschil te verklaren?
De formulering van de vraag bevat een onjuiste weergave van de destijds gestelde vraag en de antwoorden op verschillende vragen. De eerdere beantwoording waarnaar wordt verwezen, ging, aangezien de gestelde vraag daar op zag, over het convenant uit 1992 met betrekking op de gehele sector basismetaal in Nederland, niet alleen over TSN. De uitstoot van de gehele sector is hoger dan die van een specifiek bedrijf.
Alle cijfers in die tabel hebben betrekking op de gehele sector basismetaal. De emissieniveaus in 1985 en de doelstellingen voor 2010 zijn overgenomen uit het door de vragenstellers aangehaalde convenant uit 1992. De cijfers met betrekking tot de emissieniveaus in 2010 en 2024 zijn ten tijde van de beantwoording van de eerdere vragen overgenomen uit de openbare emissieregistratiegegevens. Deze zijn openbaar toegankelijk via www.emissieregistratie.nl/data.
Op deze website wordt ook uitgelegd17 hoe de gegevens worden verzameld en openbaar beschikbaar worden gemaakt. Ten tijde van de beantwoording van de eerdere vragen (in november 2025) ging het om voorlopige cijfers; deze zijn inmiddels geactualiseerd.
Hoeveel is de verwachte jaarlijkse stikstofuitstoot van Tata Steel nadat de DeNOx installatie bij de pelletfabriek in werking is gesteld? Gegeven dat de uitstoot in 2024 5.0 of 5.3 kton was en de DeNOx een «significante vermindering»3 in de stikstofuitstoot zou moeten betekenen, hoe ambitieus is een doel van 4.0 kton per jaar dan nog, zeker gezien er sprake is van een stikstofcrisis die ten koste gaat van o.a. gezondheid en woningbouw?4
De (beoordeling van de) daadwerkelijke stikstofuitstoot na het treffen van de maatregel is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland. In de uiteindelijke maatwerkafspraak worden bovenwettelijke milieudoelen vastgesteld. Deze doelen moeten voldoende ambitie bevatten, maar ook haalbaar zijn voor het bedrijf. De uiteindelijke NOx-doelstelling is onderdeel van de lopende onderhandelingen met het bedrijf.
Gezien het een gegeven is dat de huidige uitstoot van fijnstof (PM10) van Tata Steel IJmuiden nu 418 kton is5, waarom staat er dan in de JLOI6 dat de doelstelling om de maximale uitstoot van PM10 naar 467 een reductie zou zijn?7
In reactie23 op de motie-Zalinyan/Kostić heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven dat de doelstelling is gebaseerd op een reductie ten opzichte van historische emissieniveaus (referentiejaar 2019). Aangezien er sindsdien al effectieve reductiemaatregelen zijn getroffen, is de inzet bij de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak dat, waar relevant en haalbaar, ambitieuzere reductiedoelstellingen worden vastgelegd dan in de JLoI (zie artikelen 6.12 lid b en 11.12 van de JLoI). Het kabinet kon zich dus goed vinden in het verzoek van de motie en daarom heeft deze ook «oordeel Kamer» als appreciatie gekregen.
Klopt het dat met deze grens Tata Steel eigenlijk meer PM10 mag emitteren dan ze nu doet?
Zie het antwoord op vraag 12.
Hoe komt u bij de cijfers die u eerder met ons deelde over de benzeenuitstoot van 19,8 ton in 2024 als uit het eMJV8 blijkt dat de uitstoot 28,2 ton is? Voor zink staat in het eMJV 19,9 ton (ipv 14,6) en lood 1,07 ton (ipv 0,8), dus waar zit het verschil in precies?9
Zie het antwoord op vraag 10.
Kunt u de tabel op p. 12 en 13 van uw eerder antwoorden op onze vragen aanvullen met daarin de bronvermelding van de data?10
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe verklaart u het verschil tussen de 6,8 Mton/jaar11 en de 5,86 Mton/jaar12?
De JLoI en het MER kunnen verschillen in scope en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd om de doelen van vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden te behalen. Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Daarbij geldt dat de integrale beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt; de provincie Noord-Holland. Dit proces loopt nog. Het kabinet kan en wil om die reden niet ingaan op de inhoud van het MER, dat is en blijft aan de provincie Noord-Holland.
Wat vindt u ervan dat de afspraken met het staalbedrijf uit het milieuconvenant van 1992 over reductie van bepaalde schadelijke stoffen in 2010, voor een groot deel niet zijn nagekomen en zelfs anno 2026 nog niet? Wat zegt dit over betrouwbaarheid van afspraken met zulke bedrijven?
De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende resultaatsafspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties, conform de in de JLoI geformuleerde beoogde doelstellingen.
Het niet behalen van doelstellingen uit het convenant zegt wat het kabinet betreft op zichzelf niets over de betrouwbaarheid van afspraken en/of bedrijven. Het betreffende convenant vermeldt expliciet dat het gaat om inspanningsverplichtingen, ook voor onderdelen «waarvan het woordgebruik op een resultaatsverbintenis zou kunnen duiden» (artikel 3.3). Dit convenant bood dus, net als het wettelijk kader, geen grond om het behalen van de in de JLoI geformuleerde reductiedoelen af te dwingen.
Wat vindt u ervan dat voor zeer schadelijke stoffen, zoals benzeen, een reductie van 97,5% in 2010 was beloofd, maar dat de emissie van benzeen in plaats daarvan flink is gestegen?
Zie het antwoord op vraag 17.
Hoe komt dit over op omwonenden denkt u, en wat doet dat met het vertrouwen in de overheid en het staalbedrijf? Heeft u omwonenden hierover gesproken en over hun ervaringen met het gedrag en beloften van het staalbedrijf? Zo ja, wat hebben ze u meegegeven? Zo nee, waarom niet?
De Ministeries van EZK en IenW treden veelvuldig in overleg met (vertegenwoordigers van) omwonenden. Het kabinet neemt de zorgen en belangen van de omwonenden zeer serieus. Het kabinet zet daarom het traject van de maatwerkafspraak voort om tot bindende resultaatsverplichtingen te komen. Gezien de ervaringen is het begrijpelijk dat de omwonenden kritisch staan tegenover beloften vanuit het bedrijf en eerst willen zien, voordat zij geloven. Het is aan het bedrijf om het vertrouwen van deze omwonenden terug te winnen. De maatwerkaanpak is er in tegenstelling tot eerdere plannen juist op gericht om als voorwaarde van financiële steun afdwingbare doelen te stellen. De omwonenden hebben onder andere aangegeven dat zij willen dat de afspraken en doelen juridisch geborgd worden. Voor het kabinet heeft het behalen van de maatschappelijke doelen ook de hoogste prioriteit en betrekt deze geuite zorgen van omwonenden bij de maatwerkafspraak door afspraken te maken over de borging van de afspraken.
Daarbij wekt het vertrouwen te zien dat het bedrijf op dit moment ook op andere plaatsen al concreet grote investeringen doet in verduurzaming. Zo investeert Tata Steel in de verduurzaming van andere projecten zoals het transitieproject naar EAF-staalproductie in het Verenigd Koninkrijk (Port Talbot) en de bouw van een elektrische smeltoven in India. Die stappen dragen bij aan het vertrouwen dat ook de industriële verduurzaming van TSN daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Hoe is daar door de tijd heen gemonitord en onafhankelijk gemeten of aan de afspraken werd voldaan en welke concrete stappen heeft het Rijk steeds gezet om er ook op toe te zien dat de afspraken werden nagekomen? Heeft het Rijk ooit iemand aangesproken op het niet nakomen van het milieuconvenant en zo ja, hoe en wanneer precies? In het kader van informatierecht van Kamerleden, kunt u een overzicht met een tijdlijn sturen over alle stappen en besluiten die hierover in de loop van tijd zijn gemaakt, zodat we kunnen leren van het verleden nu het kabinet voornemens is weer nieuwe afspraken aan te gaan met de staalfabriek?
In algemene zin is het antwoord op het laatste deel van de vraag dat een bindende maatwerkafspraak een ander soort afspraak is dan het milieuconvenant uit 1992 omdat de maatwerkafspraak resultaatsverplichtingen bevat. De afspraken in dat convenant waren expliciet geen resultaatverplichtingen (zie ook het antwoord op vraag 17 en de eerdere beantwoording). Daarnaast is de scope verschillend, omdat de uiteindelijke maatwerkafspraak ziet op nieuwe projecten van het bedrijf. In de tussentijd zijn daarnaast veel verschillende ontwikkelingen geweest.
Verder wordt gevraagd om een uitgebreide historische reconstructie. Het convenant liep van 1992 tot en met 2010; daarmee wordt gevraagd om stappen en besluiten te reconstrueren die 15 tot ruim 30 jaar achter ons liggen. Er is hiervoor op dit moment onvoldoende informatie beschikbaar. De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende afspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties.
Welke lessen trekt u over betrouwbaarheid van afspraken maken met de staalfabriek, aangezien duidelijk is dat veel afspraken uit het milieuconvenant uit 1992 nu nog steeds niet zijn gehaald, laat staan in 2010 toen ze al behaald hadden moeten worden?13
Zie het antwoord op vraag 17 en 20.
Waarom geeft u in uw eerdere antwoorden aan dat het milieuconvenant uit 1992 niet afdwingbaar is, terwijl ten tijde van het ondertekenen van het convenant werd aangegeven dat de afspraken zijn gemaakt zodat de Minister de bedrijven niet via wetgeving tot maatregelen hoefde te dwingen14, 15?
Convenanten dienen doorgaans om maatschappelijke doelen te realiseren zonder dat dit gepaard gaat met extra regeldruk. Ondertekenaars van dit specifieke convenant hebben zich in dit geval tot een inspanning verplicht. Daarnaast zijn Europese en nationale wettelijke normen tussen 1992 en 2010 (en uiteraard ook daarna) stapsgewijs strenger geworden en is de luchtkwaliteit in Nederland sinds 1992 mede daardoor aanzienlijk verbeterd.
Kunt u toegeven dat het achteraf gezien niet de beste zet was om het milieuconvenant op die manier af te sluiten en dat het beter was geweest om maatregelen wettelijk af te dwingen?16 Zo nee, waarom leert u niet van het verleden?
Het kabinet kan niet oordelen over wat in 1992, met de kennis van toen, wel of niet de beste zet was voor de bewoording van het convenant. In algemene zin geldt wel dat kabinet nu juist kiest voor een andere aanpak, waarbij privaatrechtelijke bindende afspraken worden gemaakt. Zie ook het antwoord op vraag 20.
Kunt u toezeggen dat aan een op te zetten metaaltafel ook vertegenwoordigers aan zullen sluiten van omwonendenorganisaties en milieuorganisaties zoals, Gezondheidop1, Frisse Wind, Dorpsraad Wijk aan Zee, Greenpeace en Urgenda?
De metaaltafel is een initiatief vanuit de Metaal Recycling Federatie en vanuit de metaalsector zelf. Het kabinet volgt de opzet van deze tafel en de ontwikkelingen die hier eventueel uit volgen met interesse, maar is niet betrokken of organisator en kan zelf dus geen partijen uitnodigen om deel te nemen.
Klopt het dat volgens eigen inschatting van Tata Steel Nederland er jaarlijks ongeveer 100 miljoen kilo kolen en ijzererts verwaait vanaf het terrein in IJmuiden17? Zo ja, wat vindt u hiervan? En wat betekent dit voor de gezondheid van omwonenden? Wat zijn de effecten op het milieu (graag met bronvermelding onderbouwen)?
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies) is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN heeft aan het kabinet laten weten dat zij de term verwaaiing hanteert voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Waar baseert u uw opmerking op dat een maatwerkafspraak een «flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren» als er nog geen gezondheidseffectrapportage (GER) is en de Expertgroep Gezondheid IJmond zegt «De inschatting van de Expertgroep is dat de gezondheidsverbetering op basis van deze JLoI beperkt zal zijn»18? Kunt u uw mening onderbouwen met wetenschappelijke conclusies en onafhankelijke experts en daarvan de stukken naar ons sturen? Zo nee, kunt u dan stoppen met zelf bepalen wat «flinke» verbeteringen zijn voor de gezondheid van omwonenden die jarenlang door de overheid zijn genegeerd?
De Expertgroep heeft advies gegeven op de concept-JLoI. De JLoI is naar aanleiding van het gecombineerde advies van de AMVI en de Expertgroep verder aangescherpt. Zo zijn onder andere additionele stoffen opgenomen in de JLoI op advies van de Expertgroep (zie Artikel 3.2.vi).
De JLoI bevat beoogde reductiedoelstellingen voor de uitstoot van een reeks stoffen waarvan zowel het RIVM als de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft aanbevolen dat met name die emissies gereduceerd zouden moeten worden om de impact op de gezondheid van omwonenden te verminderen35. Het gaat om reducties die voor sommige stoffen oplopen tot 68%; dat is in de ogen van het kabinet «flink».
Hoe staat het nu met het tijdelijk verbod op staalslakken en de stop op gebruik van staalslakken bij waterwerken van het Rijk, zoals bij de Ooster- en Westerschelde? Welke reactie is er vanuit de Europese Commissie hierop gekomen en wat betekent dit voor het gebruik ervan?
De pauzeknop die op 23 juli 2025 is ingedrukt36 geldt nog steeds. Sinds die tijd zijn toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD/ELO-slak op land in lagen dikker dan 0,5 m of op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is, niet toegestaan. Deze noodregeling heeft een looptijd van één jaar en kan met maximaal een half jaar worden verlengd.
De Europese Commissie (EC) heeft aanvullende vragen gesteld naar aanleiding van het verzoek om goedkeuring van deze regeling dat Nederland heeft ingediend in lijn met artikel 129 REACH. Deze vragen zijn inmiddels beantwoord en de termijn van 60 dagen waarbinnen de EC een besluit zal nemen, loopt uiterlijk 3 april aanstaande af. Als er een besluit van de EC bekend is, zal de Kamer hierover en over de gevolgen daarvan worden geïnformeerd.
Voor waterwerken door het Rijk in de Ooster- en de Westerschelde geldt de bestuurlijke toezegging dat daar tot 23 juli 2026 geen staalslak voor zal worden gebruikt. In de eerdergenoemde brief van 18 december 2025 staat aangegeven dat er op 15 december in Middelburg een constructief gesprek is gevoerd over de zorgen en behoeften vanuit Zeeland met de gedeputeerde van de provincie Zeeland, vertegenwoordigers van de Zeeuwse gemeenten en van de visserijsector en de natuur- en milieubeweging. Dit gesprek wordt het komende half jaar voortgezet.
Nu een aantal gemeenten hebben besloten om helemaal te stoppen met toepassing van staalslakken, kunt u andere gemeenten in het land er ook actief op wijzen wat hun mogelijkheden zijn om ook ermee te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van diverse onderzoeksrapporten en incidenten is per 23 juli 2025 op de pauzeknop gedrukt voor toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent LD/ELO-staalslak, op of in de landbodem van meer dan 0,5 meter dik of op locaties waar direct contact met het materiaal of het stof daarvan mogelijk is; denk hierbij aan inhalatie of oog-, hand-, mondcontact met toegepaste staalslak. Hiertoe is een noodregeling vastgesteld waarin op grond van het voorzorgsbeginsel ook een vergunningplicht is geïntroduceerd voor de overige toepassingen van niet-vormgegeven bouwstoffen met daarin meer dan 20 massaprocent staalslak in of op de landbodem.
Met de regeling geldt voor een groot deel van de toepassingen een verbod of een restrictie in de vorm van een vergunningplicht. Alleen voor toepassingen van vormgegeven bouwstoffen met daarin staalslak als één van de grondstoffen, voor niet-vormgegeven bouwstoffen met minder dan 20 massaprocent staalslak en staalslak toepassingen in groot oppervlaktewater gelden geen restricties. Daarmee zijn voor de risicovolle toepassingen al aanvullende maatregelen getroffen. Voor de overige toepassingen geeft de regelgeving voldoende handvatten om deze verantwoord toe te passen en daarop toe te zien.
Zoals ook in de Kamerbrief van 13 maart jl.37 is beschreven, staat het bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt het afwijken en aanvullen van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten onder voorwaarden mogelijk. Het bevoegd gezag mag onder voorwaarden afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald38.
Kunt u in ieder geval bevestigen dat u gemeenten niet heeft afgeremd of zult afremmen in het instellen van een verbod op toepassing van staalslakken en dat u de wens van gemeenten om meer te doen om milieu en gezondheid van hun burgers te beschermen respecteert?
Het staat bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke kenmerken ter bescherming van mens en milieu. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) maakt het afwijken en aanvullen van de rijksregels voor milieubelastende activiteiten onder voorwaarden mogelijk. Het bevoegd gezag mag onder voorwaarden afwijken van artikel 2.11, afdeling 2.7 en de hoofdstukken 3, 4 en 5 van het Bal, tenzij anders bepaald39.
In de Kamerbrief40 van 22 september 2025 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangekondigd naar de toekomst toe te willen kunnen staan voor een systeem waarin secundaire bouwstoffen, zoals staalslak, verantwoord kunnen worden toegepast en er geen onaanvaardbare milieu- en gezondheidsschade wordt veroorzaakt: een beleidskader secundaire bouwstoffen. Onderdeel hiervan is ook de vraag wat centraal en decentraal opgepakt wordt. Deze afweging zal in nauw overleg met de medeoverheden worden gemaakt.
Wordt in de business case van Tata Steel rekening gehouden met het permanent worden van het huidige tijdelijke verbod op specifieke toepassingen van staalslakken of hebben ze aangenomen dat dit verbod op termijn wordt opgeheven? Welke invloed zou een permanent verbod hebben op de business case van Tata en op de JLoI?
Het kabinet heeft deze vraag eerder beantwoord41 en aangegeven welke aannames Tata Steel heeft gedaan in haar businesscase ten aanzien van wet- en regelgeving en beleid met betrekking tot staalslakken en welke invloed een permanent verbod zou kunnen hebben op de businesscase en op de JLoI.
Klopt het dat er 1,066 miljard euro van de begroting van het Ministerie van Financiën zal worden overgeheveld naar het Klimaatfonds om de maatwerksubsidie te kunnen geven? Waarnaar refereert u precies met «de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën» waar dit geld staat?
De Aanvullende Post (AP) is een apart begrotingshoofdstuk van het Ministerie van Financiën. Het is als het ware een aparte begroting met middelen die geoormerkt zijn voor bepaalde doeleinden.
De middelen voor de maatwerkafspraak met TSN zijn deels gereserveerd in het Klimaat- en energiefonds en deels op de Aanvullende Post van de Rijksbegroting. Hierover is eerder het volgende aangegeven42: Binnen het Klimaat- en energiefonds is € 934 miljoen gereserveerd voor de maatwerkafspraak met TSN. Daarnaast zijn in het voorjaar van 2023 deze middelen aangevuld vanuit de SDE-middelen die aanvankelijk gereserveerd waren voor hogere openstellingsrondes in 2024 en 2025. Deze middelen zijn daarna overgeheveld naar de Aanvullende Post (AP). In afwachting van uitzicht op een overeenkomst met TSN, en om de onderhandelingspositie van de staat in de tussentijd te borgen, is van deze middelen in voorjaar 2024 een reservering op de AP gemaakt van € 1,142 miljard voor TSN. In totaal is daarmee € 2,076 miljard gereserveerd voor de maatwerkafspraak met TSN. Vanwege prudentie is een kleine marge aangehouden bovenop de € 2 miljard uit de JLoI, dit kan onder andere benodigd zijn voor uitvoerings- en implementatiekosten.
Uiteindelijk zullen de middelen die gereserveerd zijn op de AP naar de KGG-begroting worden overgeboekt.
Deelt u de mening dat het bewust verhullen van het beschikbare budget in andere posten dan de daarvoor bestemde post voor Maatwerkafspraken binnen het Klimaatfonds in strijd is met het universaliteitsbeginsel in de comptabiliteitswet? Waarom is het geld niet gewon gereserveerd op de daarvoor bestemde plek?
Om de onderhandelingspositie van de staat tijdens de lopende onderhandelingen met het bedrijf te beschermen is ervoor gekozen om het beschikbare budget voor de maatwerkafspraak met TSN niet zichtbaar op de begroting te reserveren. De onderhandelingen over het steunbedrag vanuit de staat voor deze maatwerkafspraak waren immers nog niet afgerond. Door de hiervoor beschikbare middelen op de begroting zichtbaar te maken zou de staat weggeven hoeveel steun zij maximaal kon geven.
Waarom is er zoveel gebrek aan transparantie over waar het geld voor Tata vandaan moet komen tegenover de Kamer en de burgers, die dat geld moeten ophoesten?
Zie het antwoord op vraag 32.
Waarom denkt u dat Tata Steel Limited als moederbedrijf niet bereid is een 403-verklaring te tekenen?
Het kabinet kan deze vraag niet beantwoorden. Het is aan het bedrijf zelf om een eigen afweging te maken om wel of geen 403-verklaring af te geven. Het is dus aan Tata Steel Limited om hierover eventueel een verklaring voor te geven.
Als de onderliggende vraag ziet op de verantwoordelijkheid van TSL voor dit project, is het goed om aan te geven dat TSL ook partij is bij de JLoI en dat TSL dus ook de verplichting is aangegaan om de afspraken, zoals opgenomen in de JLoI, na te komen. Het is voor het kabinet uiteraard van belang om de waarborgen rondom de subsidie zo sterk mogelijk te maken. Dat is ook een reden om niet alleen een afspraak met TSN te maken, maar ook met de aandeelhouder TSL. In de JLoI staan de eerste contouren van de waarborgen opgenomen, dit moet verder uitgewerkt worden in de maatwerkafspraak. Ter illustratie, zie artikel 7 in de JLoI waarin onder andere is afgesproken dat TSL de totale investering (2,3–4 miljard euro) die nodig is om het project te bouwen, dient te regelen. Daarmee is een waarborg ingebouwd voor het geval TSN (een deel van) de investering niet kan opbrengen of regelen. Ook als de benodigde externe financiering niet op tijd rond zou zijn, dient TSL dit tekort te overbruggen (zie artikel 7.1.2. sub d van de JLoI). Daarnaast zal de subsidie voorlopig en in tranches worden verstrekt en is in de JLoI afgesproken dat de staat zekerheden zal krijgen voor de subsidie (zie artikel 7.1.1. sub g van de JLoI). Dit wordt de komende tijd verder uitwerkt. Goed om hierbij op te merken dat ten aanzien van de zekerheden in de JLoI al is afgesproken dat de investering van de onderneming altijd achtergesteld zal zijn aan de subsidie van de staat.
Wat betekent het voor de Nederlandse burgers dat het Indiase bedrijf niet garant staat voor de leningen en verplichtingen die de Nederlandse dochter aangaat?
Zoals ook in het antwoord hierboven omschreven, is het voor het kabinet van groot belang om goede waarborgen te regelen voor de subsidie. In de JLoI zijn de contouren hiervoor geschetst en komt het principe duidelijk naar voren dat TSL verantwoordelijk is en kan worden gehouden voor de investering die nodig is aan de zijde van het bedrijf. Dit wordt nader uitgewerkt in de maatwerkovereenkomst, maar de kaders zoals afgesproken in de JLoI zijn daarbij leidend. Dit staat los van een meer algemene garantstelling die een moeder voor een dochterbedrijf kan afgeven. Ter verdere achtergrond, in beginsel is een garantstelling door TSL enkel relevant als TSN niet in staat zou zijn om te voldoen aan haar (financiële) verplichtingen uit de eventuele maatwerkafspraak. Allereerst is en wordt er voorafgaand aan het ondertekenen van de eventuele maatwerkafspraak een grondige beoordeling van de businesscase gemaakt, waarin mogelijke financiële risico’s worden geïdentificeerd en gemitigeerd.
Daarnaast zal tijdens de projectperiode de subsidie worden uitgekeerd in tranches, na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen. Dat betekent dat de staat de volgende tranche van de subsidie pas overmaakt als er voldoende voortgang is in de projecten. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Ook andere manieren van borgen, zoals een clawback mechanisme om overcompensatie te voorkomen, worden momenteel verder uitgewerkt. Zoals in de beantwoording op vraag 34 ook is aangegeven, de staat zal daarnaast zekerheden krijgen voor de subsidie, dit is al afgesproken in de JLoI en wordt uitgewerkt in een maatwerkovereenkomst.
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India aangeeft19 dat er pas na 2035 getest zal worden met verschillende energiedragers (o.a. waterstof) terwijl in de JLoI staat dat dit vanaf 2032 toegepast zal worden? Waarom wordt überhaupt zo laat getest?
In de JLoI is afgesproken dat TSN in de periode 2032–2037 gaat overstappen op groene waterstof en/of groen gas. TSN zal hiervoor tenders in de markt zetten en over de precieze voorwaarden van deze tenders zullen afspraken worden gemaakt tussen de overheid en het bedrijf. Wanneer exact wordt overgestapt is afhankelijk van het slagen van deze tenders. Het zou dus kunnen voorkomen dat het in 2032 niet gelijk lukt om de volledige volumes in te kopen. Dan zou de overstap op hernieuwbare energiebronnen later in de tijd gemaakt worden en wordt de bijbehorende CO2-reductie dus ook later gerealiseerd. De doelen en waarborgen voor het behalen van deze doelen worden de komende tijd uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat vindt u ervan dat de board van Tata Steel India spreekt20 van «veranderingen in beleid» voor bijvoorbeeld nettarieven als «voorwaarden voor maatwerkafspraken? Hoe strookt dit met uw opmerking dat hier geen budget voor is?
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda, zo ook in het coalitieakkoord. Het kabinet heeft aandacht voor dit generieke beleidsvraagstuk, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
Gezien het nieuwe onderzoek naar de schadelijke effecten op de gezondheid van mensen van dioxines, bent u nog steeds van mening dat de grote toename in de uitstoot van dioxines na het «Groen» Staalplan «niet per definitie onverantwoord» is (antwoord op vraag 40)? Zo ja, waar baseert u dit op en welke recente adviezen van gezondheidsexperts?21
Dat de geraamde dioxine-uitstoot na realisatie van het Groen Staal-plan stijgt, is niet per definitie onverantwoord. Tegelijkertijd worden dioxines meegenomen als te duiden stof ten behoeve van de berekening van gezondheidsrisico's in de GER-TSN. De Kamer is hierover reeds geïnformeerd in het methodisch kader voor de GER-TSN (referentie 2025D16206).
Wat wordt de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na uitvoering van het «Groen» Staalplan?
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit na de transitie gelijk blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
Waarom neemt u een CO2-emissiereductie van 19% mee als resultaat van de maatwerkafspraken als Tata zelf aangeeft dat «het de ambitie van Tata Steel is om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen»?22
Het klopt niet dat de productiecapaciteit van Hoogoven 6 wordt verhoogd. TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie HO6 te vervangen door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Kunt u bevestigen dat uit het milieujaarverslag 202423 van Tata Steel blijkt dat de uitstoot van schadelijke stoffen als lood, arseen en benzeen in 2024 tot ruim drie keer hoger was dan in voorgaande jaren werd vastgesteld?
Ja, zoals eerder aan de Kamer gemeld48, is ook duidelijk dat de door de jaren heen gemeten luchtkwaliteit in de leefomgeving niet is veranderd door de hogere gerapporteerde emissie in 2024. In de IJmond staat een vast luchtmeetnet waarmee de luchtkwaliteit in de leefomgeving (de immissie) wordt gemeten. De immissie betreft de concentratie op leefniveau in de lucht die wij inademen en is daarmee relevant voor de mate waarin de leefomgeving gezond is. Uit de immissiemetingen blijkt dat in 2024 op alle meetlocaties wordt voldaan aan de wettelijke EU-grenswaarden voor de luchtkwaliteit.
Kunt u bevestigen dat er sprake kan zijn van onderrapportage door Tata Steel, wat strafbaar is onder de Wet op de Economische Delicten?
Het kabinet kan dit niet bevestigen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van eerdere Kamervragen49 is de rapportage van een hogere uitstoot door meerdere oorzaken mogelijk50, 51.
Bent u zich ervan bewust dat de Omgevingsdienst vaker heeft geconstateerd dat beweringen van Tata Steel over uitstoot niet kloppen en dat zelfs de Reclame Code Commissie Tata Steel hierover op de vingers heeft getikt? Wat vindt u daarvan? Wat zegt dat over betrouwbaarheid van Tata Steel?
Deze vraag is eerder gesteld52 en beantwoord. Het doel van een maatwerkafspraak is om de afspraken juridisch te borgen en zorgen dat deze afspraken ook uitvoerbaar en controleerbaar zijn. Het kabinet benut de expertise van de OD NZKG bij de totstandkoming van een eventuele maatwerkafspraak.
Wat vindt u ervan dat de Omgevingsdienst het gedrag van Tata Steel «opportunistisch en calculerend» heeft genoemd?
De OD NZKG heeft jarenlange ervaring met het bedrijf. Het kabinet benut de expertise van de OD NZKG bij de ontwikkeling van de maatwerkafspraken.
Erkent u dat dit soort gedrag van bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, erom vraagt dat de overheid meer regie neemt, meer controle krijgt en meer inzet op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar maakt, zodat snel en goed gecontroleerd en gemonitord kan worden en ook burgers op elk moment kunnen zien wat in hun omgeving wordt uitgestoten (ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)? Zo nee, hoe gaat u dan volledige transparantie waarborgen en garanderen dat bedrijven niet meer kunnen spelen met cijfers, meetapparatuur en meetresultaten?
Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarin emissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed en op de juiste momenten worden gemeten, dichter bij de bedrijven, waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn. Zo kunnen metingen meer bijdragen aan gezondheidsbescherming. Het is in het belang van de zware industrie, omwonenden en het bevoegd gezag dat metingen door bedrijven betrouwbaar en controleerbaar zijn, dat ze de informatie opleveren die nodig is en dat over de kwaliteit geen discussie hoeft plaats te vinden.
Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordt gestart met een aantal praktijkgerichte en risicogestuurde meetpilots op het gebied van het betrouwbaarder en toegankelijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële locaties. De resultaten van de pilot landen in een advies over het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen.
De Kamer is over dit alles reeds geïnformeerd in de brief53 over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden.
Ziet u het grote belang van snel toegankelijke inzicht in de volledige uitstoot van Tata Steel en de uitvoering van de opdracht van de Kamer (zoals verwoord in motie-Teunissen c.s.) om af te wijken van de reguliere processen rondom metingen en om zo snel mogelijk te zorgen voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar te maken? Hoe gaat u daar precies voor zorgen en welk tijdspad met deadlines hoort daar precies bij? Wat wilt u hierover in de maatwerkafspraken opnemen?
Zie het antwoord op vraag 45. Verder is in artikel 8.2.d van de JLoI afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, bovenop de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft. Hoe dit artikel zijn beslag krijgt in de uiteindelijke maatwerkafspraken is onderwerp van de onderhandelingen over de maatwerkafspraak.
Kunt u deze vragen één voor één en zo snel mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor het plenaire Tata Steel debat over de JLoI?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de berichten over olietankers die vanuit Venezuela via de Caribische delen van het Koninkrijk onderweg zijn naar Rotterdam?1, 2
Ja.
Klopt het dat de Bullebaai op Curaçao weer een belangrijk rol speelt in de internationale oliehandel vanuit Venezuela?
Op Bullenbaai bevindt zich een (commerciële) olieterminal in beheer bij Curaçao Refinery Utilities (CRU). Een deel van de recente transporten en opslag bevat olie afkomstig uit Venezuela. Daarmee kan je echter niet stellen dat Curaçao een belangrijke rol speelt in de internationale oliehandel.
Klopt het dat de opslaglocaties in de Rotterdamse haven het belangrijkste doorvoerpunt binnen de Europese oliemarkt zijn voor de Venezolaanse olie?
De Rotterdamse haven is per definitie een belangrijke doorvoerhaven van mondiale olieproducten. Het kan echter niet eenduidig worden vastgesteld dat Rotterdam specifiek het belangrijkste doorvoerpunt voor Venezolaanse olie in Europa is, dit is eerder een indirect gevolg van de algemene marktpositie van Rotterdam dan een specifiek, aantoonbaar patroon voor Venezolaanse olie. Er is geen beschikking over cijfers hoeveel Venezolaanse olie in welke havens wordt verwerkt.
Klopt het dat schepen die olie hebben gelost op Curaçao onder valse vlag voeren terwijl ook de verplichte transponder uitstond en zij op de Amerikaanse sanctielijst staan? Klopt het dat deze schepen hiermee de internationale zeevaartregels overtreden?
Het is bekend dat het schip MT Regina onder valse vlag olie heeft gelost op Curaçao. Het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) bepaalt dat een Staat een schip het recht verleent om zijn vlag te voeren. Het varen onder valse vlag betekent dat het schip een vlag voert waartoe het niet gerechtigd is. Het uitzetten van de Automatic Identification System (AIS) transponder tijdens de vaart is slechts in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Met het varen onder valse vlag zijn internationale zeevaartregels overtreden.
Het schip MT Regina is op basis van een havenstaatcontrole aangehouden op Curaçao vanwege het niet voldoen aan internationale maritieme verdragen, onder meer het voeren van een valse vlag van Oost-Timor en het aan boord hebben van valse certificaten. Het schip zal worden vastgehouden totdat een hernieuwde inspectie heeft aangetoond dat volledig voldaan wordt aan de van toepassing zijnde verdragen en het schip veilig is om te kunnen vertrekken.
Curaçao is gehouden aan de sanctiewetgeving van de Europese Unie (EU-sancties). Landen buiten de VS, dus ook Nederland en Curaçao, zijn niet gehouden aan sancties van de VS. Het voeren van een valse vlag valt niet onder EU-sancties. Er is geen sprake van overtreding van sancties bij het aanmeren van schepen in de havens van Curaçao.
Klopt het dat het schip Regina dat op Curaçao olie heeft afgeleverd volgens de Curaçaose havenautoriteit vaart onder de vlag van Oost-Timor, maar dat dit niet blijkt te kloppen omdat Oost-Timor afgelopen jaar via een circulaire aan alle International Maritime Organization-leden (IMO) heeft laten weten dat diverse schepen frauduleus de vlag van Oost-Timor gebruiken en dat alle Oost-Timorese registraties als frauduleus moeten worden beschouwd? Heeft het Koninkrijk als IMO-lid dit ook aan de autoriteiten op Curaçao doorgegeven? Zo nee, waarom niet?
Het is correct dat Oost-Timor recent de IMO-leden geïnformeerd heeft over onjuist en frauduleus gebruik van haar (niet bestaande) internationale vlagregister. Overigens heeft het Koninkrijk ook IMO-leden geïnformeerd ten aanzien van vals gevlagde schepen in de (niet bestaande) internationale vlagregisters van Sint Maarten en Aruba.
Ja. Via de Koninkrijks Maritieme Administratie (KMA) werken de landen binnen het Koninkrijk nauw samen op maritiem gebied en wordt zoveel mogelijk informatie uitgewisseld. Curaçao heeft, via het Koninkrijk, directe toegang tot de actuele IMO documentatie. Zo zijn de landen van het Koninkrijk overeengekomen dat elk autonoom land eigenstandig bijhoudt welke informatie voor hen van belang is.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is wanneer schepen die zich niet aan de internationale zeevaartregels houden kunnen aanmeren in een haven in het Koninkrijk der Nederlanden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaartregels houden. Deze regels zijn essentieel om de veiligheid op zee en bescherming van het mariene milieu mondiaal op gelijke wijze te borgen.
Het toelaten van schepen in havens van het Koninkrijk is aan de autoriteiten van het desbetreffende land. Hoewel het in eerste aanleg contrair lijkt, kan het wenselijk zijn dat schepen met vermeende afwijkingen (zoals een valse vlag) juist wel aanmeren in een van de havens van het Koninkrijk. Dit omdat schepen die aanmeren in een haven in het Koninkrijk worden onderworpen aan het regime van havenstaatcontrole en daarmee feitelijk vast te stellen is of de schepen voldoen aan alle internationale verdragsverplichtingen. Wanneer tijdens zo’n controle blijkt dat een schip niet aan de internationale maritieme verdragen voldoet kan een Havenstaat maatregelen nemen, waaronder het aanhouden van een schip. Dat is recent gebeurd met de MT Regina op Curaçao.
Kunt u het juridische kader schetsen waarbij wordt ingegaan op de precieze verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Koninkrijk en het autonome land Curaçao als het gaat om dit soort olietransporten? Kunt u hierbij nadrukkelijk ingaan op de rol van het Koninkrijk – als IMO-lid – ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving?
In artikel 3 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (Statuut3) staat opgesomd welke onderwerpen kwalificeren als aangelegenheden van het Koninkrijk. Indien uit het Statuut niet volgt dat iets een Koninkrijksaangelegenheid is, betreft het in beginsel een landsaangelegenheid, en gaan de autonome landen er zelf over.
Toezicht op en handhaving van sancties binnen de jurisdictie van individuele landen zijn aangelegenheden waar de autonome landen zelf over gaan. Curaçao heeft dit uitgewerkt in de Sanctielandsverordening. Voor Nederland geldt de Sanctiewet 19774. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie, noch staan de betreffende schepen op een EU-sanctielijst.
De toepassing van EU-sancties binnen het Koninkrijk valt onder «buitenlandse betrekkingen» en aldus is er sprake van een Koninkrijksaangelegenheid. De bepalingen in dit kader zijn neergelegd in de Rijkssanctiewet5, die hiermee het overkoepelende juridische kader binnen het Koninkrijk vormt. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is beleidscoördinerend binnen het Koninkrijk op het gebied van sancties, zowel bij de ontwikkeling van nieuwe maatregelen binnen de EU als bij de naleving daarvan.
De betreffende olietransporten vallen qua veiligheids- en milieueisen voor zeeschepen onder de internationale zeevaartverdragen van IMO. Het Koninkrijk is als geheel verdragspartij bij IMO. Havenstaatverplichtingen, zoals milieuaspecten en de (controle van) lading, zijn een autonome verantwoordelijkheid van de landen van het Koninkrijk.
Kunt u toelichten wat de rol van de Kustwacht Caribisch Gebied is ten aanzien van het handhaven van internationale zeevaartregelgeving? Klopt het dat wanneer de Kustwacht Caribisch Gebied betrokken is hiermee ook het Koninkrijk betrokken is omdat de Kustwacht Caribisch Gebied onder de verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering valt? Zo nee, waarom niet?
De Kustwacht Caribisch Gebied (hierna: Kustwacht) is een maritieme rechtshandhavingsorganisatie, bestaande uit de Landen Curaçao, Aruba, Sint Maarten en Nederland. De vier landen bepalen gezamenlijk het beleid van de Kustwacht, dat operationeel valt onder beheer van Defensie. De Kustwacht zorgt voor de veiligheid op de wateren rond Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland (BES). De Kustwacht voert opsporings-, toezichthoudende- en dienstverlenende taken uit op basis van de Rijkswet Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: Rijkswet6) en het justitiële beleidsplan Kustwacht. De Rijkswet geeft o.a. aan dat de Kustwacht belast is met het toezicht op scheepvaart, waaronder het verkeer en de uitrusting van schepen. Het justitiële beleidsplan 2022–2025 (met doorloop naar 20267) voor de Kustwacht richt zich op handhaving van illegale activiteiten om te voorkomen dat de effecten van de illegale activiteiten in lokale milieus terecht komen. De Kustwacht opereert onder lokaal gezag in de wateren waarin zij jurisdictie en bevoegdheden heeft ten aanzien van haar taakstelling.
Met referte naar het antwoord op vraag 7 is het Koninkrijk alleen dan betrokken als er sprake is van de zogenoemde Koninkrijksaangelegenheden. Handhaving van de verplichtingen in het kader van internationale zeevaartregelgeving betreft een autonome aangelegenheid van de landen zelf, en vindt derhalve plaats op nationaal niveau en onder nationaal gezag.
Deelt u de mening van diverse deskundigen dat deze situatie in de Rijksministerraad had moeten worden besproken aangezien ook Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat er geen Koninkrijkaangelegenheden in het geding zijn. De EU heeft geen sancties ingesteld tegen Venezolaanse olie. Wanneer er sprake is van (mogelijke) overtreding van EU-sancties of andere regels waar Curaçao aan gehouden is, dan is het aan de autoriteiten van Curaçao (waaronder bijvoorbeeld de Curaçao Ports Authority en de Harbor and Safety Inspection van de Maritieme Autoriteit Curaçao) om hierop te acteren. In het geval dat daar signalen van zijn wordt daar serieus opvolging aan gegeven door daarvoor bevoegde autoriteiten. Waar nodig wordt daarbij het politieke niveau geïnformeerd en zo nodig betrokken.
Het is van belang te benoemen dat er frequent contact en veelvuldige afstemming is tussen de Caribische (ei)landen en Nederland, tussen diverse diensten en departementen en elk op hun eigen vakgebied.
Deelt u de zienswijze van de havenveiligheidsadviseur van de Curacaose havenautoriteit dat de directie buitenlandse betrekkingen van het land Curacao in samenspraak met het Koninkrijk behoort te beoordelen of een schip op een sanctielijst mag aanmeren en dat dit hiermee dus een Koninkrijksaangelegenheid is? Zo nee, waarom niet?
De Curaçaose maritieme autoriteiten hebben een autonome verantwoordelijkheid voor het toelatingsbeleid en dienen daarbij het EU-sanctiebeleid na te leven. De concrete uitvoering wordt gecoördineerd via Buitenlandse Zaken en de Dienst Buitenlandse Betrekkingen van de Caribische Landen. Russisch gevlagde schepen en door de EU gesanctioneerde schepen, entiteiten en personen dienen te worden geweerd uit havens en sluizen in het Koninkrijk. Zoals eerder aangegeven is de EU en/of het Koninkrijk niet gehouden aan de Amerikaanse sanctielijst.
Wie is de eigenaar van de op Curaçao opgeslagen Venezolaanse olie afkomstig van het schip Regina?
Nadere details over eigenaarschap, hoeveelheden en commerciële afspraken vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van het land Curaçao en zijn niet gedeeld.
Deelt u de mening dat zolang de situatie rondom het transport van Venezolaanse olie, waarvan het ook de vraag is wie de economische winst op strijkt, schimmig is en er sterke vermoedens zijn dat internationale regelgeving niet goed wordt nageleefd, dit transport niet via het Koninkrijk der Nederlanden zou moeten worden getransporteerd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is het onwenselijk dat zeeschepen zich niet aan de internationale zeevaart regels houden. Daarom is hier, middels havenstaatcontrole, op gehandhaafd en is het betreffende schip aangehouden. Zoals eerder aangegeven zijn er op dit moment geen EU-sancties ten aanzien van Venezolaanse olie.
Erkent u dat de olie in de Venezolaanse voorraden bij de meest vervuilende olie ter wereld hoort, onder andere door de hoogste CO2-intensiteit en tweedehoogste methaanintensiteit van alle olieproducerende landen, en dat de exploitatie van de Venezolaanse olievoorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven in een keer zou opgebruiken? Deelt u in dat licht de mening dat de Venezolaanse olie beter onder de grond blijft?
Het klopt dat de Venezolaanse olie tot de meest broeikas-intensieve olie ter wereld behoort. Dat exploratie van die voorraden 13% van het resterende wereldwijde koolstofbudget om onder de 1,5 graden opwarming te blijven zou opgebruiken, komt uit een analyse van de koolstofboekhoud consultant Climate Partner in opdracht van The Guardian. Het is duidelijk dat een groot deel van de huidige fossiele voorraden, waaronder olie, niet kan worden gebruikt als we de wereldwijde opwarming van de aarde tegen het einde van deze eeuw willen beperken tot 1,5 graden.
Het is echter niet aan de Nederlandse regering om te bepalen wie welke olie nog zou mogen oppompen. Het kabinet zet met name in op internationale afspraken over vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de afbouw van fossiele subsidies en vermindering van de vraag naar olie door de ontwikkeling van niet-fossiele energie- en grondstoffen, efficiencyverbetering en recycling van koolstof.
Deelt u de vaststelling dat de afhankelijkheid van olie weer maar eens tot gewelddadig conflict geleid heeft? Deelt u de daaruit volgende conclusie dat Nederland haar klimaatplannen moet bijstellen om nog sneller de afhankelijk van fossiele brandstoffen volledig af te bouwen?
In het Klimaatplan 2025–2035 wordt reeds onderkend dat de energietransitie niet alleen noodzakelijk is voor het klimaat en onze gezondheid, maar ook voor onze energieonafhankelijkheid, onder meer via vermindering van de importafhankelijkheid van fossiele brandstoffen.
Het kabinet werkt daarnaast aan een kamerbrief over verantwoorde afbouw van fossiel, die overzicht geeft over de verantwoorde afbouw van de verschillende fossiele energiedragers in Nederland en de vraagstukken die hierbij komen kijken. Met deze brief geeft het kabinet ook opvolging aan de motie van de leden De Groot en Grinwis over de gevolgen van de afspraken in COP28 over «weg bewegen van fossiel» en de motie van het lid Kröger c.s. over het afbouwen van fossiele brandstoffen als hoge prioriteit.8
Heeft u contact met de autoriteiten op Curaçao over de onderhavige situatie? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te doen?
Er is op verschillende niveaus intensief contact met de autoriteiten op Curaçao. Dat geldt overigens (op maritiem gebied) ook voor de andere landen en openbare lichamen in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Kunt u voorgaande vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gestelde termijn beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt De beantwoording heeft meer tijd gevraagd, mede door de kabinetswissel en samenvoeging met antwoorden op andere Kamervragen. Ik verwijs hiervoor ook naar de uitstelbrief verzonden aan de Kamer door collega van den Burg9.
De milieueffectrapportage van Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat in het Heracless plan in de MER uitgegaan is van een productievolume van 6,8 megaton (Mton) vloeibaar staal per jaar (deel B, p.9), terwijl in de Joint Letter of Intent (JLOI) wordt uitgegaan van een maximum productiecapaciteit van 5,83 Mton per jaar (AMVI advies, p.8)?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven verschillen de JLoI en het MER in scope en uitgangspunten. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald. Juridische waarborgen over de maximale productievolumes worden de komende periode verder uitgewerkt.
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Welke afspraak gaat u maken met Tata Steel over de hoeveelheid vloeibaar staal die in de toekomst geproduceerd zal worden?
TSN geeft aan dat de maximale productiecapaciteit van Tata Steel na de transitie gelijk blijft aan de huidige maximale productiecapaciteit.
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. De DRP-EAF wordt qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft de ambitie om plakken in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden.
TSN is daarnaast voornemens om in de tweede fase van de transitie Hoogoven 6 te vervangen door nieuwe installaties (DPR-EAF of vergelijkbare technologie). Na deze stap kan er evenveel vloeibaar staal worden geproduceerd als voor de transitie.
Waarom zou een vergunning worden aangevraagd, met de MER als basis, die meer productie aanneemt dan is afgesproken in de JLOI?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Het is voor het kabinet van belang dat de beoogde doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de gezondheid en leefomgeving worden behaald. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 13 van de gestelde vragen4 die eveneens op 28 januari jl. zijn ingediend, kunnen de maximale emissies en het minimale schrootgebruik bindend worden verlaagd, respectievelijk verhoogd, met de maatwerkafspraak.
Als een vergunning aangevraagd wordt op basis van deze MER, welke juridische borging heeft u dan dat het productievolume beperkt zal worden tot 5,83 Mton/jaar? Welke instantie zal hierop handhaven?
De huidige vergunning van Tata Steel kent een maximaal productievolume van 8 miljoen ton staal. De invulling van toezicht en handhaving hierop is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland. Als het bedrijf ervoor kiest om in de vergunningaanvraag een ander plafond op te nemen, zal dit vervolgens ook aldus worden gehandhaafd. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Kan de gereduceerde productiecapaciteit van vloeibaar staal na de maatwerkafspraken in IJmuiden worden gecompenseerd door import van slabs van andere staalfabrieken? Wat is dan het effect van de wereldwijde CO2-uitstoot?
TSN gaat de meest vervuilende en grootste Hoogoven (Hoogoven 7) en Kookgasfabriek 2 vervangen door een DRP-EAF. TSN geeft hierover aan dat de DRP-EAF qua capaciteit zo groot als technisch mogelijk wordt op dit moment. De productiecapaciteit voor vloeibaar staal van de DRP-EAF is kleiner dan de productiecapaciteit van vloeibaar staal die berust op de huidige Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7-productieketen. TSN heeft daarbij de ambitie om slabs, een halffabricaat voor staalproductie, in te zetten om de totale productie van ruw staal op een constant volume te houden. Per saldo leidt de vervanging door de DRP-EAF tot een aanzienlijke CO2-reductie, die uiteindelijk optelt tot de totale CO2-reductie zoals vastgelegd in de JLoI.
Wat vindt u van «de ambitie van Tata Steel om na realisatie van dit voornemen ook over te gaan tot vervanging van Hoogoven 6 en de productiecapaciteit terug te verhogen» (deel B, p.9)? Hoe verhoudt zich dit met de JLOI waarin subsidie wordt gegeven voor CO2-reductie die voor 19% wordt behaald door het terugschroeven van de productiecapaciteit? Hoe garandeert u precies dat deze CO2-reductie permanent is?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief toe waarom de waarden in het MER en in de JLoI kunnen verschillen. De maatschappelijke doelen van de maatwerkaanpak worden juridisch afdwingbaar vastgelegd in de beoogde maatwerkafspraak.
Er is geen sprake van dat TSN een subsidie ontvangt voor een lagere productiecapaciteit. TSN dient de vermindering van emissies te realiseren door verduurzaming.
Wat vindt u ervan dat zelfs in het meest gunstige geval «De DRI-fabriek kan ongeveer 80% aan waterstof gebruiken voor de reductie, verder aan te vullen met aardgas» (deel B, p.43), en er dus altijd nog 20% aardgas zal worden gebruikt? Hoe strookt dit met de ambitie van Nederland om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
In algemene zin geldt echter dat in het staalproductieproces koolstof nodig is, als grondstof, om van ijzer staal te maken. Ook bij staalproductie op basis van waterstof is er altijd nog een koolstofbron nodig om staal te kunnen maken. De DRP is ontworpen om op 80% waterstof te kunnen draaien. Het ontwerp beperkt de inzet van hogere waterstofpercentages niet, maar de mogelijkheden moeten nog getest worden. Het is in theorie mogelijk om 100% waterstof in te zetten in het staalproductieproces.
Nederland heeft inderdaad de ambitie om op termijn weg te bewegen van fossiele brandstoffen. Om deze reden wil het kabinet ook dat TSN klimaatneutraal groen gas of waterstof gaat gebruiken als duurzame koolstofbron ter vervanging van aardgas.
Wat vindt u ervan dat Tata Steel in de MER aangeeft dat «Met Heracless gaat het aandeel schroot omhoog naar circa 28%», of 27% als de WSA-definitie wordt gebruikt (deel B, p.48), terwijl in de JLOI wordt afgesproken dat het aandeel schroot naar 30% gaat in 2030 (artikel 3.3.a)?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. De JLoI bevat streefdoelen en inspanningsverplichtingen. In de maatwerkafspraak worden de doelen als resultaatsverplichting vastgelegd.
Welke juridische borging heeft dit kabinet om te zorgen dat het aandeel schroot daadwerkelijk tot tenminste 30% wordt verhoogd, als de vergunningsaanvraag gebaseerd wordt op de MER waarin 27% is aangegeven?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De waarborgen die zien op het behalen van de doelen van de beoogde maatwerkafspraak, worden de komende tijd verder uitgewerkt in de juridische documentatie voor een maatwerkafspraak.
Hoe stroken deze berekeningen met elkaar:
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel. Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor vermindering van de CO2-uitstoot en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden behaald. Juridische waarborgen hiervoor worden de komende periode verder uitgewerkt.
Wat vindt u ervan dat ook de commissie MER (p.32)1 signaleert dat onduidelijk is hoe de CO2 emissiereductie is opgebouwd in de MER en hoe deze rijmt met de afspraken in de JLOI?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De Commissie mer heeft advies gegeven aan de provincie over het MER van Tata Steel. Zoals toegelicht in de aanbiedingsbrief heeft de OD NZKG op 6 maart 2026 bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Wie is verantwoordelijk voor het vergelijken van de afspraken in de JLOI en de vergunningaanvraag (inclusief MER)? Hoe is dit tot nu toe gebeurd en wat wordt er gedaan met discrepanties tussen de twee documenten?
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen.
De beoordeling van het MER gebeurt in het kader van het traject van een vergunningaanvraag door de respectievelijke bevoegde gezagen: de Provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied voor milieuvergunningen en Rijkswaterstaat voor lozingen op rijkswateren. De Ministeries van EZK en IenW en de provincie Noord-Holland werken, sinds de start van de gesprekken over een eventuele maatwerkafspraak, nauw samen.
Hoe komt het dat volgens de MER de inzet van waterstof een extra CO2-reductie oplevert van ongeveer 1,1 miljoen ton ten opzichte van het gebruik van uitsluitend aardgas (deel E, p.6), terwijl volgens de JLOI de inzet van waterstof in plaats van biomethaan (chemisch identiek aan aardgas) leidt tot een extra uitstoot van 0,1 miljoen ton CO2 per jaar (AMVI, p.8)?
Zoals ook in de aanbiedingsbrief aangegeven kunnen de scopes en uitgangspunten en daarmee de cijfers in de JLoI en het MER verschillen. De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
De grafiek van het AMVI-rapport over de JLoI, waaraan de vraag refereert, gaat uit van een situatie waarin eerst CCS toegepast wordt, en vervolgens aardgas vervangen wordt door klimaatneutraal groen gas. Na de vervanging van aardgas door groen gas wordt de CO2 die ontstaat door het gebruik van groen gas in de reactor van de DRP afgevangen en opgeslagen door middel van CCS, wat negatieve emissies oplevert. In een vervolgstap wordt een gedeelte van het groen gas vervangen door waterstof.
Aangezien er door het gebruik van deze waterstof geen CO2 ontstaat, ontstaat er minder CO2 in de DRP en daardoor wordt ook minder CO2 afgevangen. Doordat er minder negatieve emissies zijn wordt de totale CO2-reductie kleiner. Dit verklaart de toename van circa 0,1 miljoen ton CO2 zoals te zien in de grafiek op p. 8 van het AMVI rapport.
Hoe strookt de opmerking «Een GER maakt echter geen onderdeel uit van het MER of van de besluitvormingsprocedures voor Heracless» (deel D, p.3) met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid (waaronder het advies om een gezondheidseffectrapportage op te stellen) een harde voorwaarde moeten zijn voor maatwerkafspraken?
Het verzoek om een Gezondheidseffectrapportage (GER) op te stellen volgt uit advies6 van de Expertgroep Gezondheid. De aangenomen motie-Gabriëls cs. (Kamerstuk 28 089, nr. 286) heeft het kabinet verzocht om deze GER uit te voeren. Het kabinet voert deze motie uit en laat een GER uitvoeren. Zoals ook toegelicht in de aanbiedingsbrief vormen het MER en de JLoI afzonderlijke processen. Het MER wordt door het bevoegd gezag gebruikt voor het besluitvormingsproces van de vergunningverlening voor Heracless-Groen Staal. Het kabinet onderzoekt of, waar mogelijk, bevindingen uit de GER meegenomen kunnen worden in de uiteindelijke maatwerkafspraak.
De aangenomen motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Het kabinet heeft deze motie uitgevoerd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle door de Expertgroep voorgestelde stoffen (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen.
Aangezien de Staatssecretaris heeft gezegd dat er een gezondheidseffectrapportage (GER) zou kunnen worden opgesteld als de MER er is en de Kamer zo’n GER eist voordat afspraken worden gemaakt, wanneer wordt het gezondheidseffectrapportage naar de Kamer gestuurd?
Er wordt momenteel een GER-TSN opgesteld door een werkgroep samengesteld met experts van het RIVM, de GGD Kennemerland, en het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult. Deze werkgroep heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van een definitieve MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag, omdat de data dan volledig gevalideerd zijn. Zoals eerder gemeld is deze definitieve versie van het MER nog niet beschikbaar. De exacte duur van de verdere uitvoering is niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Waarom bestaat er een discrepantie tussen het waterverbruik zoals beschreven in deel B (p.32: zeewater, brak oppervlaktewater, zout grondwater, zoet water in het referentiescenario respectievelijk 25%, 69%, 1%, 4%) en deel C (64%, 13%, 6%, 17%) van de MER? Kunt u in een tabel weergeven in absolute getallen en percentages hoeveel water jaarlijks wordt gebruikt per type?
Het kabinet licht in de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen toe waarom de cijfers in het MER en de JLoI van elkaar kunnen verschillen. Voor lozingen op rijkswateren is Rijkswaterstaat namens de Minister van IenW het bevoegde gezag. Ook hier geldt dat Rijkswaterstaat zich op dit moment over de aanvragen en het MER buigt. De geldende wet- en regelgeving wordt hier toegepast. De beoordeling loopt nog. Daarom kunnen hier geen uitspraken over worden gedaan.
Wat vindt u ervan dat Tata aangeeft dat de immissies van Kwik en Cadmium volgens de MER dalen (deel C, p.193), terwijl de emissies van diezelfde stoffen stijgen (detailstudie luchtkwaliteit, p.39 vs p.48), en dat dit zou zijn omdat de emissies gebaseerd zijn op garantiewaarden die «vertegenwoordigen doorgaans een bovengrens van de emissies die in de praktijk gehaald worden» (deel C, p.192)? Welke onderbouwing is er voor de daling in immissies, aangezien de detailstudie luchtkwaliteit alleen ingaat op de stijgende emissies?
De provincie Noord-Holland, zijnde bevoegd gezag, beoordeelt het MER integraal. Het is naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER.
Wat maakt u van de opmerking over EU ETS dat «Dit systeem dwingt bedrijven zo om hun CO2-uitstoot stap voor stap terug te brengen tot nul in 2057» (deel A, p.6)? Is het niet zo dat bedrijven onder EU Emissions Trading System (EU ETS) in 2040 al geen nieuwe rechten meer krijgen?
Het EU ETS systeem zorgt er inderdaad voor dat de rechtenuitgaves aflopen in 2040. Het is echter mogelijk om rechten op te sparen en mee te nemen in de jaren daarna. Er kunnen in 2040 en kort daarna dus nog rechten in omloop zijn. Daarbij is er de mogelijkheid tot extra emissieruimte door compensatie via negatieve emissies, wat bij TSN een mogelijkheid is door de combinatie van CCS en groen gas.
Hoe plaatst u de opmerking over de kooksgasfabriek 2 dat «Eventuele ontmanteling valt buiten beschouwing van dit MER» (deel B, p. 83)? Welke afspraken gaat u maken in de JLOI over ontmanteling van de Kooks- en Gasfabrieken 2 (KGF2) en Hoogoven 7?
In de JLoI is afgesproken dat Kooksgasfabriek 2 en Hoogoven 7 vervangen worden door de DRP-EAF. In de maatwerkafspraak worden nadere afspraken over de sluiting gemaakt. Het is vervolgens aan TSN om bij de uitvoer van de maatwerkafspraak de ontmanteling te regelen conform de wet- en regelgeving.
Welke juridische borging heeft de Minister dat de ernstig verouderde, gifitige en lekkende kooksgasfabriek 2 ook echt definitief dicht zal gaan? Hoe kunt u garanderen dat hier niet, zoals bijvoorbeeld bij gaswinnnig in Groningen is gebeurd, steeds weer productie zal plaatsvinden omdat het op dat moment nodig wordt geacht?
Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 19 worden in de maatwerkafspraak nadere afspraken gemaakt over de sluiting van Kooksgasfabriek 2. De invulling van toezicht en handhaving is aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland.
Wat vindt u van de intentie van Tata Steel om toegenomen stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van de nieuwe fabrieken intern te salderen, omdat «de extra stikstofuitstoot van Heracless wordt gecompenseerd door vermindering van stikstof op andere plekken binnen het bedrijf» (deel E, p.56)? Hoe strookt dit met de uitspraak van de Raad van State dat intern salderen niet meer onvergund mogelijk is (graag een juridische onderbouwing)? Hoe kan Tata Steel hierop rekenen zonder dat de vergunningen uit «mandje 3» zijn aangevraagd voor de ingebruikname van nieuwe fabrieken?
Het is aan het bedrijf zelf om de benodigde vergunningen aan te vragen en hierbij keuzes te maken. Het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Noord-Holland, beoordeelt vervolgens of de projectactiviteiten uit te voeren zijn binnen de wet- en regelgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt aan de hand van de aanvraag van TSN of een natuurvergunning nodig is en zo ja, of deze verleend kan worden.
Wat vindt u ervan dat «De opgeslagen hoeveelheden ertsen, kolen en andere stoffen veranderen niet significant.» (deel B, p.108)? Deelt u de mening dat het wenselijk is deze opslagen significant te reduceren, vooral waar de opslag niet overdekt wordt, gezien de gigantische hoeveelheid verwaaiing van deze grondstoffen (100 miljoen kilo per jaar volgens deel B p.31)? Zo nee, waarom niet?
Nee, dit klopt niet. De verwaaiing van stof van het terrein naar de omgeving (emissies) is te vinden in tabel 4.2 van de Detailstudie luchtkwaliteit van het MER. TSN hanteert de term verwaaiing voor materiaalverliezen in de grondstoffenketen tussen het aanvoeren van grondstoffen in de haven en het afleveren van grondstoffen naar de eindfabriek. Deze materiaalverliezen komen door gebruik van verschillende registratiesystemen, vervoer met transportbanden en vrachtwagens en deels door verwaaiing via opslag. De verwaaiing die optreedt via opslag betreft de werkelijke emissie en maakt onderdeel uit van de PM10 modellen. De materiaalverliezen bij het vervoer wordt opgeruimd en teruggebracht in het proces.
De beoordeling van het MER, waaronder deze informatie, is aan het bevoegd gezag.
Wat vindt u ervan dat de productie van kolengestookte Hoogoven 6 als gevolg van Heracless zou stijgen met 12% van 2,5 naar 2,8 Mton per jaar (deel B, p.109)?
Het cokes/kolengebruik van Hoogoven 6 gaat juist relatief omlaag door de inzet van meer schroot. Het verschil in volumes ontstaat doordat het MER uitgaat van hogere productievolumes ten opzichte van de JLoI. Zie ook de toelichting in de aanbiedingsbrief. Het is voor het kabinet van belang dat de projecten uit de JLoI en de daaropvolgende maatwerkafspraak worden uitgevoerd en de doelen voor CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden worden gerealiseerd. De komende tijd worden de afspraken over het borgen van het behalen van deze doelen verder uitgewerkt.
Wat vindt u ervan dat van de 12 stoffen waarvoor nu een doel is afgesproken of in onderhandeling is in de JLOI (arseen, benzeen, benzo[a]pyreen, cadmium, chroom, chroom VI, dioxines, kwik, lood, mangaan, nikkel, vanadium), er maximaal 3 gehaald kunnen worden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond (lood, vanadium, mangaan)? Hoe strookt dit met de aangenomen motie Thijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) dat het overnemen van alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid een harde voorwaarde moet zijn voor maatwerkafspraken?
Het kabinet heeft in reactie op motie Thijssen en in de beantwoording van vraag 14 hoe zij de motie handen en voeten heeft gegeven7. Zoals in die beantwoording staat opgenomen, wordt hier ook op ingegaan in de Kamerbrief over de JLoI8.
De motie-Thijssen verzocht de regering de adviezen van de Expertgroep als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen. Zoals eerder ook is aangegeven in de Kamerbrief over de JLoI, is dit gebeurd. In de definitieve JLoI zijn veel van deze adviezen overgenomen. Zo zijn voor alle, door de Expertgroep voorgestelde stoffen, (reductie)doelen opgenomen. Ook zijn er monitoringsafspraken voor geur en geluid gemaakt en zijn er verschillende toezeggingen opgenomen over het verschaffen van meer transparantie over metingen. Een exacte berekening van de kosten van het opvolgen van alle adviezen is niet mogelijk, omdat de maatregelen die nodig zijn om de doelen te behalen niet altijd helder zijn en dus geen volledige inschatting gemaakt kan worden van de benodigde kosten.
Zoals ook uit de beantwoording van vraag 7 en 8 naar voren komt, is voor het volledig behalen van hun adviezen volgens de Expertgroep, naast de beoogde vervanging van KGF 2 en HO7 met een DRP-EAF onder andere ook sluiting van KGF 1, HO6 en de Sinterfabriek nodig.
Waarom stelt u een onafhankelijke Expertgroep in als u vervolgens driekwart van de adviezen die zij geven in de wind slaat?
Het kabinet heeft bij de Kamerbrief9 over de ondertekening van de JLoI (en in eerdere reacties op adviezen van de Expertgroep) uitgebreid toegelicht welke adviezen wel, niet of deels zijn overgenomen en waarom. Bij het vaststellen van het onderhandelingsmandaat voor de maatwerkafspraak zijn veel verschillende belangen gewogen. Het werk en de adviezen van de Expertgroep zijn daarbij erg belangrijk geweest. Het gezondheidsbelang kan mede daardoor goed meegewogen worden bij het toewerken naar een definitieve afspraak. De Expertgroep heeft samen met de AMVI advies gegeven op de concept-JLoI. Dit gecombineerde advies was, alle relevante omstandigheden afwegende, positief met enkele aandachtspunten voor bij de verdere uitwerking in het vervolg.
Kunt u bevestigen dat u voor de stoffen waar nog geen afspraken over zijn gemaakt (Thallium, VOS, Polychloorbifenylen) zult inzetten op het behalen van de doelwaarden in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid?
Zie het antwoord op vraag 25.
Wat vindt u ervan dat de Commissie voor de milieueffectrapportage constateert dat in het door Tata Steel ingediende MER «belangrijke cijfers en verklaringen» over processen en de impact op het milieu en de leefomgeving ontbreken?
27naar goed gebruik dat het kabinet daarom geen inhoudelijk oordeel geeft over het MER. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft advies uitgebracht aan het bevoegd gezag. Op 6 maart 2026 heeft de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) bekend gemaakt dat zij Tata Steel heeft verzocht om aanvullende informatie aan te leveren over het MER. De adviezen van de Commissie mer zijn daarin overgenomen.
Bent u het met de plaatsvervangend voorzitter van de Commissie voor de milieueffectrapportage eens dat voor omwonenden het glashelder moet zijn of, en welke gezondheidswinst er precies is? Zo ja, hoe gaat u dat dan waarborgen dat er onafhankelijk in kaart wordt gebracht wat de gezondheidswinst is, voordat er eventueel afspraken worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?2
Ja het kabinet hecht waarde aan een onafhankelijk onderzoek. Daarom heeft het kabinet ook opdracht gegeven voor de GER-TSN.
Wat vindt u van het feit dat de chief financial officer van Tata Steel Ltd. (TSL) (Indiase moedermaatschappij van Tata Steel IJmuiden) in een investor call onlangs sprak over veranderingen in beleid die zij als voorwaarden hebben gesteld aan de subsidie, waaronder nettarieven, elektriciteitskosten en een verbod op kolen3? Waarom zegt u in eerdere beantwoording dat «De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden»4 als zij letterlijk zeggen dat ze veranderingen in beleid als voorwaarde hebben gesteld? Welke beleidsveranderingen vraagt TSL precies en wat is uw reactie op elk daarvan?
De netwerktarieven zijn een van de opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf. Met de opzeggronden committeert de staat zich op dit moment op geen enkele wijze aan compensatie of het betalen van kostenstijgingen aan TSN. Het zijn opzeggronden voor de JLoI voor het bedrijf, geen voorwaarden waaraan de staat verplicht is te voldoen. De staat maakt beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid en de afspraken in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in. Als (nieuw) beleid op deze punten leidt tot een substantiële negatieve impact op de businesscase van TSN, is het aan TSN om een afweging te maken of zij de JLoI op willen zeggen op basis van één van deze opzeggronden. Daarbij gelden de opzeggronden enkel voor de JLoI en niet meer op het moment dat er een definitieve maatwerkafspraak is gesloten. Een subsidieaanvraag en een maatwerkafspraak is een vrijwillig traject. Dit betekent dat TSN altijd zelf een overweging zal moeten maken om wel of niet tot een maatwerkafspraak over te gaan. Nadat TSN een eventuele maatwerkafspraak heeft ondertekend zijn deze maatwerkafspraken wel degelijk afdwingbaar en dus niet meer vrijblijvend. Zoals in de JLoI vermeld, stelt de staat maximaal 2 miljard euro maatwerksubsidie beschikbaar voor de maatwerkafspraak met TSN. De overige kosten en de investeringsbeslissing zijn voor rekening en risico van TSN zelf.
Daarbij zijn de netwerktarieven een van de randvoorwaarden voor de verduurzaming van de industrie in den brede en staat het onderwerp al nadrukkelijk op de politieke agenda, zo ook in het coalitieakkoord. Dit generieke beleidsvraagstuk zal dan ook in de volle breedte bezien worden, ook als er geen maatwerkafspraak met TSN wordt gesloten.
Het bericht ‘Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger’ |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Julian Bushoff (PvdA) |
|
van Marum , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Commissie Mijnbouwschade: schaderegeling Drenthe moet rechtvaardiger»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. De Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) heeft vastgesteld dat de drie aardbevingen bij Ekehaar in het gasveld Eleveld (van oktober 2023) schade hebben veroorzaakt of verergerd op 29 adressen. Dit is de eerste keer sinds de oprichting in 2020 dat de Commissie Mijnbouwschade schade door activiteiten in de diepe ondergrond vaststelt en toekenning van schadevergoeding adviseert. Daarom heeft de CM besloten om – naast de jaarlijkse evaluatie door Ecorys – ook eigenstandig verslag uit te brengen over de afhandeling van de schademeldingen.
Samengevat geven het verslag van de Commissie Mijnbouwschade en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys aan dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak inderdaad een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. In de praktijk blijkt echter dat de vastgestelde schade in veel gevallen niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt waardoor de geadviseerde schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen en dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders.Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.
Erkent u dat het onrechtvaardig is dat de hoogte van een van een schadevergoeding als gevolg van mijnbouwschade locatieafhankelijk is, vooral als de schade volledig overeen kan komen met een schade een paar kilometer verderop?
Voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland wordt schadeafhandeling op een onafhankelijke, toegankelijke en adequate wijze beoordeeld en afgehandeld. Voor deze landelijke aanpak is de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) ingesteld.
In het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg wordt een uitzondering gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Hier werden in korte tijd tienduizendengelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel teherleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Ook werd in veel gevallen constructieve schade vastgesteld. Kortgezegd verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van degaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
De schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning in de rest van Nederland zijn qua aantallen,ernst en omvang niet te vergelijken met de schades door bodembeweging alsgevolg van de gaswinning uit het Groningenveld. Na de aardbevingen doorde gaswinning in Eleveld in 2023 zijn bijvoorbeeld in totaal 67 schademeldingen ingediend. Bij 29 van deze meldingen heeft de Commissie Mijnbouwschade vastgesteld dat er inderdaad sprake was van mijnbouwschade waarvoor een schadevergoeding moet worden uitgekeerd. Het ging bijna altijd om bestaande schade die door de bevingen was verergerd. In geen van de gevallen was de constructieve veiligheid van het gebouw aangetast. De geadviseerde vergoedingen lopen uiteen van ongeveer 537 euro tot 16.178 euro. Dat neemt niet weg dat de schadeafhandeling buiten het IMG-effectgebied op een zorgvuldige en adequate wijze moeten worden afgehandeld. Gelet op de ervaringen in Ekehaar wil het kabinet bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling verbeterd kan worden en start het hier verkennende gesprekken over met de mijnbouwondernemingen. Besluitvorming hierover is aan volgend kabinet.
Deelt u de mening van de Commissie Mijnbouwschade dat mijnbouwschade buiten de provincie Groningen even ruimhartig moet worden beoordeeld als daarbinnen? Zo nee, waarom niet?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van hetGroningenveld in aantal, ernst en omvang van schadegevallen door bodembeweging als gevolg van degaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt hetdaarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en degasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade.
Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak van schadeafhandeling kan worden verbeterd. (zie vraag 4).
Erkent u dat de schaderegeling voor Ekehaar en Hooghalen tekort schiet, zoals de Commissie Mijnbouwschade stelt? Zo nee, waarom is de schaderegeling volgens u wel voldoende?
Het verslag van de CM en de jaarlijkse evaluatie van Ecorys geven aan dat de landelijke aanpak in lijn met de gemaakte afspraken functioneert en dat de aanpak een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt. Tegelijkertijd blijkt uit de evaluatie en het verslag van de CM dat de ontworpen aanpak niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders en dat de toegekende schadevergoeding niet in alle gevallen voldoende is om schade goed te herstellen. Dit komt in veel gevallen doordat een deel van de vastgestelde schade niet volledig door mijnbouw is veroorzaakt, de geadviseerde schadevergoeding heeft in deze gevallen enkel betrekking op het deel van de schade dat wel door mijnbouw is veroorzaakt. De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak voor schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Vindt u dat onderzoekskosten in verhouding zijn met de uitgekeerde schade?
De werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het gerede vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoekt zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. Tegelijkertijd resulteert deze werkwijze in hoge uitvoeringskosten van de CM: voor de schadeafhandeling als gevolg van de aardbevingen bij Ekehaar (van oktober 2023) werd voor elke geadviseerde euro schadevergoeding ongeveer € 5,65 besteed aan onderzoekskosten door schade-experts. Het is goed om hierbij op te merken dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM vaststelt dat schade is veroorzaakt door de mijnbouwonderneming (€ 242.000). In andere gevallen komen kosten voor rekening van de publieke middelen (€ 201.000). De CM stelt in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar grondig onderzoek ter plaatse noodzakelijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen en geeft daarnaast aan zeer te hechten aan het feit dat dit onderzoek het vertrouwen bij schademelders bevordert. Dit maakt dat de onderzoekskosten wat de CM betreft gerechtvaardigd zijn.
Het kabinet wil de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade verder verbeteren en ziet het realiseren van een betere verhouding tussen uitgekeerde schadevergoedingen en onderzoekskosten als een onderdeel hiervan. Het uitgangspunt is dat deze betere verhouding bewerkstelligd wordt zonder dat dit een verlies in vertrouwen bij schademelders oplevert. Het kabinet zal dit punt meenemen in de verkennende gesprekken met de mijnbouwondernemingen.
Begrijpt u dat het voor gedupeerden in Ekehaar en Hooghalen op veel onbegrip stuit dat gedupeerden die een paar kilometer verderop wonen veel ruimhartiger gecompenseerd worden?
Samengevat, en zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor het effectgebied van het Groningenveld en gasopslagen Grijpskerk en Norg een uitzondering wordt gemaakt op de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade. Het kabinet herkent de observatie dat verschillende aanpakken voor de afhandeling van mijnbouwbouwschade in Nederland kunnen leiden tot gevoelens van onbegrip en onrechtvaardigheid. Dit is de reden dat de keuze voor het afwijkende schadeaanpak in Groningen zorgvuldig onderbouwd is.
Desalniettemin vindt het kabinet het belangrijk dat ook mensen met mijnbouwschade rond Ekehaar en in de rest van Nederland toegang hebben tot een milde, makkelijke en menselijke schadeafhandeling. Hiervoor is destijds de Commissie Mijnbouwschade ingesteld.
Komt er alsnog volledige compensatie voor de aardbevingsschade in Ekehaar en Hooghalen als gevolg van drie aardbevingen in oktober 2023, zoals de Commissie Mijnbouwschade bepleit? Zo nee, waarom niet?
In haar verslag deelt de CM knel- en verbeterpunten bij de aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade. De CM merkt hierbij op dat, in het geval er verbeteringen binnen de schadeaanpak worden doorgevoerd, deze ook – met terugwerkende kracht – voor de schademelders in Ekehaar en Hooghalen zouden moeten gelden.
Zoals gezegd zijn de signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade te willen verder verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. Het signaal van de CM om eventuele verbeteringen ook met terugwerkende kracht voor de schademelders in Ekehaar te laten gelden is voor het kabinet onderdeel van deze verkenning.
Kan u nader toelichten waarom er voor Ekehaar en Hooghalen geen omgekeerde bewijslast en vaste vergoeding geldt, met het oog op dit advies van Commissie Mijnbouwschade?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden, of – zoals dit ook wel vaak genoemd wordt – omgekeerde bewijslast, is een dragende motivering nodig2. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden voor schade door bodembeweging als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld en gasopslag bij Norg en Grijpskerk naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State3. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 uitgebreider toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning uit Eleveld (en in de rest van Nederland). De invoering van het wettelijk bewijsvermoeden in Ekehaar en Hooghalen kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet houdbaar.
Daarbij is het goed te realiseren dat het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor Ekehaar en Hooghalen niet zou zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders omdat deze positie al aanzienlijk verbeterd is door het instellen van de CM. De CM doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade en gaat er van uit – indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit – dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch hetzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet zal leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet de kamer naar de aan de kamer van 27 maart 2025.4
Voor een toelichting over de hoogte en totstandkoming van de door de CM geadviseerde schadevergoedingen en het wel of niet of gelden van een vaste vergoeding hierbij verwijst het kabinet de kamer naar het antwoord op vraag 10.
Kan u uitleggen waarom het Instituut Mijnbouwschade een andere methodiek heeft voor het bepalen van schade dan de Commissie Mijnbouwschade?
De antwoorden op vraag 9 en 10 hangen met elkaar samen. Beide vragen worden beantwoord onder vraag 10.
Waarom gaat voor de Commissie Mijnbouwschade niet dezelfde methodiek gelden als voor het Instituut Mijnbouwschade?
De CM en het IMG handelen beiden mijnbouwschade af met toepassing van de bepalingen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor het IMG is deze verplichting opgenomen in de Tijdelijke wet Groningen, voor de CM in het Instellingsbesluit Commissie Mijnbouwschade. De CM sluit daarbij voor wat betreft het begroten van schade aan bij de wijze van begroting die standaard is bij afhandeling van schade5 en die bijvoorbeeld ook gebruikt wordt door verzekeraars. Het IMG hanteert een ruimhartiger benadering. Dit vloeit voort uit haar opdracht in artikel 10, tweede lid van de Tijdelijke wet Groningen om ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt te hanteren bij het opstellen van haar procedures en werkwijze.
Het kabinet is van mening dat de huidige aanpak – waarbinnen de CM langs de lijnen van het civiele aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht schade begroot – functioneert overeenkomstig de gemaakte afspraken. In de praktijk blijkt echter dat niet alle schadevergoedingen voldoende zijn om schade goed te herstellen en dat de aanpak hierdoor onvoldoende aansluit bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders. Het kabinet vindt het daarom wenselijk om te bezien hoe de landelijke aanpak kan worden verbeterd.
Neemt u het advies van de Commissie Mijnbouwschade over?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten.
Ziet u paralellen met de beginjaren van schadeafhandeling in het effectgebied in Groningen?
Nee. Door de instelling van de CM, die een onafhankelijk advies geeft over de ontstane schade, is de ongelijke positie van schademelders ten opzichte van de mijnbouwonderneming opgeheven. Hoewel uit de evaluatie van Ecorys en het verslag van de CM blijkt dat de CM een laagdrempelige, transparante, onafhankelijke en snelle afhandeling van mijnbouwschade biedt, wordt echter ook duidelijk dat de ontworpen aanpak in de praktijk niet altijd voldoet aan de verwachtingen van schademelders. Het kabinet is van mening dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade zou moeten bijdragen aan het vertrouwen bij schademelders. Nu uit evaluaties blijkt dat schadevergoedingen niet in alle gevallen voldoende zijn om schade goed te herstellen en niet altijd voldoende aansluiten bij het rechtsvaardigheidsgevoel van schademelders, wil het kabinet de landelijke aanpak verder verbeteren. Hierover worden verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen opgestart. Besluitvorming hierover is echter aan een volgend kabinet.
Welke concrete stappen gaat u nemen om de schaderegeling van de Commissie Mijnbouwschade milder, makkelijker en menselijker te maken?
Het kabinet wil samen met de mijnbouwondernemingen verkennen of binnen de huidige systematiek van de CM ruimte gecreëerd kan worden om hogere schadevergoedingspercentages uit te keren. Ook wil het kabinet samen met de mijnbouwondernemingen onderzoeken hoe er een betere balans gevonden kan worden tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten. In dit kader zal ook de suggestie uit het verslag van de CM besproken worden en bezien worden of niet alle onderzoekskosten binnen het beoordelingsgebied van een beving door de mijnbouwonderneming vergoed dienen te worden. Verder onderstreept het kabinet het advies van zowel Ecorys als de CM aangaande de toepassing van artikel 7, daarom wil het met de mijnbouwondernemingen in kaart brengen of de inzet van dit artikel minder afhankelijk kan worden van de mijnbouwondernemingen. Uiteindelijke besluitvorming over bovenstaande punten is aan een volgend kabinet.
In de aanvullende afspraken over het sectorakkoord gaswinning op land is het kabinet reeds met gaswinningbedrijven overeengekomen dat zij mee zullen werken aan het verruimen van de twaalf maanden termijn6. Deze afspraak zal op korte termijn worden vastgelegd in de overeenkomst die de Staat met de gaswinningbedrijven heeft gesloten.
Wat is de huidige stand van het herzien van de schaderegeling omdat die niet «uitpakt zoals ze die bedacht hadden»?
De signalen uit de regio, het verslag van de CM en de evaluatie van Ecorys zijn voor het kabinet redenen om de landelijke aanpak van schadeafhandeling verder te willen verbeteren en hierover verkennende gesprekken met mijnbouwondernemingen op te starten. In de brief aan de Kamer over de Evaluatie Commissie Mijnbouwschade en schadeafhandeling Ekehaar wordt uitgebreid ingegaan op de opvolging door het kabinet.7
Bent u bereid in gesprek te gaan met gedupeerden uit Ekehaar en Hooghalen als u niet het advies van de Commissie Mijnbouwschade inwilligt en uit te leggen waarom u vasthoudt aan deze onrechtvaardige schaderegeling? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de bevingen heb ik in december 2025 een bezoek aan Ekehaar gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en het lokale bestuur. Dit heeft waardevolle inzichten in de lokale gevolgen van de bevingen opgeleverd. Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen wat de weerslag van de bevingen is geweest en hoe de afhandeling van mijnbouwschade is ervaren door de inwoners van Ekehaar en het lokaal bestuur. Het volgende kabinet zal besluiten over eventuele verbeteringen van de nationale aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade en over de gesprekken die hierover plaats zullen vinden.
Het besluit van de gemeenteraad van Amsterdam tot een verbod op reclame voor fossiele producten en vlees, en de noodzaak van een landelijk verbod op klimaatschadelijke reclame |
|
Ines Kostić (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Tieman , Bruijn , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het recente besluit van de gemeenteraad van Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden via opname in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)? Ziet u hierin het signaal dat lokale overheden aandringen op landelijke sturing richting een nationaal verbod?
Ja, ik ben op de hoogte van het besluit van de gemeente Amsterdam om reclame voor fossiele producten en vlees in de openbare ruimte te verbieden. Zoals eerder aan de Kamer bericht1 is het instellen van een lokaal verbod om meerdere redenen niet goed vergelijkbaar met het eventueel instellen van een nationaal verbod. Belangrijkste verschil hierbij is dat op nationaal niveau aan een verbod hogere eisen gesteld worden wat betreft het proportioneel, robuust en effectief toespitsen, afbakenen en onderbouwen hiervan.
Is het niet strijdig met de nationale klimaatambities dat gemeenten gedwongen worden voorop te lopen met lokale verboden, terwijl er geen landelijk kader is dat een nationaal verbod op reclame voor fossiele brandstoffen, fossiel-intensieve diensten (zoals vliegen en cruises) en vleesproducten afdwingt?
Een nationaal verbod op fossiele reclames maakt op dit moment geen onderdeel uit van het maatregelpakket voor het nationale klimaatbeleid, noch wordt het instellen hiervan op dit momenteel overwogen. Er is dan ook geen sprake van dwang richting gemeentes om zelf dergelijke verboden in te stellen. Het instellen hiervan behoort tot de bestuurlijke vrijheid die gemeentes hebben om zelf beleid te ontwikkelen op dit thema.
Bent u bereid dit gat op korte termijn te dichten met een wetsvoorstel voor een landelijk verbod? Zo nee, kunt u uitleggen waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van de vorige vraag aangegeven wordt een dergelijke maatregel thans niet overwogen. In 2024 heeft het kabinet aangegeven2 dat een nationaal verbod niet per definitie onmogelijk is, maar dat er zich diverse juridische uitdagingen en onzekerheden voordoen die invoering op afzienbare termijn niet opportuun maken. Het kabinet blijft op dit moment bij die conclusie, omdat de juridische context voor een nationaal verbod niet wezenlijk is veranderd.
Vindt u het coherent dat tabak- en alcoholreclames landelijk verboden zijn wegens gezondheidsschade, maar fossiele en vleesreclames, die klimaat- en gezondheids-schade veroorzaken, nog steeds ongeremd mogen?
Wat betreft het als voorbeeld nemen van een verbod op tabaksreclame moet hier zorgvuldig mee worden omgegaan. Er is geen duidelijke overeenkomst tussen beide categorieën van reclames wat betreft veronderstelde schade die deze teweeg brengen. Reclameverboden voor tabak die ook in EU-richtlijnen zijn opgenomen vinden hun juridische grondslag in de omstandigheid dat het product dat hierbij wordt aangeprezen (tabak) slecht voor de volksgezondheid is, verslavend is en dat met name jongeren gevoelig zijn voor de tabaksreclame. Bovendien is het tabaksverbod zeer specifiek toegespitst op een identificeerbaar product. Dit zijn aspecten die niet of in mindere mate van toepassing zijn op een eventueel verbod op fossiele reclame.
Deelt u de opvatting dat reclame voor fossiele producten en vlees consumptiepatronen normaliseert die strijdig zijn met de Parijsdoelen, en dat een landelijk reclameverbod essentieel is om verduurzaming te versnellen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer een concreet voorstel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel bepaalde consumptiepatronen remmend kunnen werken op de realisatie van de nationale en internationale klimaatdoelen, is het niet waarschijnlijk dat één factor zoals reclame deze patronen zou veroorzaken. Dit is eerder ook door wetenschappers aangegeven3. Duurzame keuzes moeten over een breed front goedkoper, makkelijker en comfortabeler worden ten opzichte van niet duurzame (fossiele) keuzes om een verschuiving in consumptiepatronen te bewerkstelligen.
Gezien de complexe keuzeomgeving waarin consumenten hun weg moeten vinden is het belangrijk tot integraal beleid te komen met betrekking tot het stimuleren van duurzame keuzes. In het Klimaatplan dat vorig jaar aan de Kamer is aangeboden4 kondigt het kabinet daarom de start van een speciaal hiervoor ingerichte aanpak aan. In deze aanpak wordt door middel van gedragsinzichten verder onderzocht wat nodig is om, gefaciliteerd door overheid en bedrijven, duurzame keuzes voor de consument mogelijk te maken. Op sommige van deze keuzes heeft het kabinet reeds eerste maatregelen genomen, zoals het per 2028 invoeren van een gedifferentieerd stroomtarief waarbij het gebruik van stroom buiten de piekuren beloond wordt5. Het is aan het nieuwe kabinet om de verdere uitkomsten van de aanpak met de Kamer te delen en een besluit te nemen over eventuele vervolgstappen.
Kunt u de Kamer vóór 1 maart 2026 informeren over de haalbaarheid en een tijdpad hiervoor?
Dit is aan het nieuwe kabinet. Zie ook beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de geldende termijn beantwoorden?
Ja.
Het Sectorakkoord Gaswinning op Land |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u alle ingediende zienswijzen op het Sectorakkoord en met name deze van bewoners en lokale besturen, inclusief de provincies en waterschappen, met de Kamer delen?
In de werkwijze is gekozen voor een aanpak van gesprekken met medeoverheden. Deze hadden een open en informeel karakter. Daarom zijn er ook geen woordelijke verslagen van gemaakt. Die aanpak is bewust gekozen om medeoverheden de ruimte te geven om te kunnen spreken over de «hoe-vraag» (als gaswinning nodig is, hoe kan dat zo goed mogelijk voor de omgeving worden gedaan), terwijl veel van hen liever geen (nieuwe) gaswinning in hun regio wensen. Naar aanleiding van de gesprekken heeft een aantal van hen een zienswijze op schrift ingediend. Deze zijn bijgevoegd.
Ziet u op basis van deze zienwijzen een breedgedragen lokaal draagvlak voor gaswinning op land, zowel bij overheden als bij burgers in de buurt van potentiële gaswinningslocaties? Zo ja, waaruit precies blijkt dat draagvlak? Zo nee, hoe zult u met het gebrek aan draagvlak omgaan?
Het kabinet heeft voor het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond in het voorjaar van 2025 onder inwoners een online raadpleging over toekomstig gebruik van de diepe ondergrond laten uitvoeren1. Die raadpleging ging onder andere over aardgas- en zoutwinning, aardwarmte- en energieopslag. Meer dan 5.000 Nederlanders deden mee en gaven suggesties over waar de overheid rekening mee moet houden bij het gebruik van de diepe ondergrond en locatiekeuzes hiervoor.
Uit de raadpleging blijkt onder meer dat 60–70% van de respondenten het gebruik van de diepe ondergrond in de toekomst in brede zin steunt, vooral om energie betaalbaar te houden en minder afhankelijk te worden van het buitenland, mits dit gebruik veilig gebeurt. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het «Sectorakkoord gaswinning in de energietransitie». Bij het afwegen van locaties is bijvoorbeeld het beschermen van natuurgebieden voor veel deelnemers een belangrijk aandachtspunt. Mensen die eerder schade hebben ervaren door ondergrondse activiteiten – zoals door gaswinning uit het Groningenveld – geven andere prioriteiten aan. Zij zijn over het algemeen terughoudender over toekomstig gebruik, vooral als het gaat om aardgas- of oliewinning. Deze groep vindt dat eerst bestaande schade goed moet worden opgelost en dat er geen nieuwe schade mag ontstaan. De inzichten uit de raadpleging worden meegenomen in de verdere uitwerking van het programma Duurzaam Gebruik Diepe Ondergrond. Op 22 januari 2026 is de Tweede Kamer over de voortgang van het programma geïnformeerd2.
Met de gemaakte aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet bij te dragen aan het maatschappelijk draagvlak voor gaswinning op land. Deze afspraken voor gaswinning op land zijn een aanvulling op het bestaande kader en dragen onder meer bij aan meer transparantie over gaswinning in de transitieperiode, het versterken van de betrokkenheid van de omgeving en batendeling voor de omgeving. Veilige en verantwoorde winning blijft daarbij centraal staan. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Hoe onderbouwt u de stelling van EBN dat het sectorakkoord conform het klimaatakkoord van Parijs zou zijn, in het licht van de vaststellingen van het Internationaal Energie Agentschap en andere wetenschappelijke bronnen dat er geen ruimte is voor nieuwe velden als we de 1,5 °C willen halen, en is scope 3 van in Nederland op te pompen gas in die overweging meegenomen?
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het «Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie» en de «aanvullende afspraken voor gaswinning op land» zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee en een verantwoorde afbouw van gaswinning op land. Het wettelijk vastgelegde klimaatdoel voor 2030 is 55% CO2-reductie (ten opzichte van de emissies in 1990). Voor het nastreven van de klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen en is de binnenlandse winning daaraan volgend. Dit is ook in lijn met de afspraak in het Noordzeeakkoord dat de Nederlandse gaswinning op de Noordzee in ieder geval onder het niveau van de binnenlandse aardgasvraag blijft. Daarmee dient de winning in Nederland enkel om import van nog meer buitenlands gas zoveel mogelijk te beperken.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het «Jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte»3 past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee en verantwoorde afbouw van gaswinning op land binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario. Ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee en tijdelijke stabilisatie van gaswinning op land blijft dit volume ruim onder wat er binnen Nederland wordt gebruikt aan aardgas.
Ten aanzien van de mondiale CO2-emissies is het beter voor het klimaat om het benodigde gas in Nederland te winnen in plaats van dat aardgas te importeren zolang aardgas nog noodzakelijk is in onze energietransitie. Zie ook het antwoord op vraag 4. Daarnaast draagt binnenlandse gasproductie bij aan de gasleveringszekerheid en biedt het ook economische voordelen zoals werkgelegenheid, gasbaten en behoud van kennis en infrastructuur die ingezet kan worden ten behoeve van de energietransitie.
Voor scope 3 emissies maakt het niet uit waar dit gas vandaan komt. Over de uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) inzake scope 3 ontvangt de Kamer in Q1 2026 een nadere analyse.
Kunt u de Kamer een vergelijking doen toekomen van de uitstoot van broeikasgassen over de gehele levenscyclus (dus inbegrepen scope 1, 2 en 3) van in Nederland gewonnen gas met gas gewonnen in de vijf belangrijkste aan Nederland gas leverende landen, gezien u schrijft dat gas uit eigen bodem klimaatvriendelijker is dan ander gas?
De klimaatafdruk (CO2-equivalenten) van winning en transport (scope 1 en 2) van Nederlands aardgas is vergelijkbaar met het Noorse aardgas dat via pijpleidingen geïmporteerd wordt. Dit is veel lager dan de klimaatafdruk van import uit overige landen zoals LNG (vloeibaar gas) uit de VS (36% lager). Scope 3 emissies (die het gevolg zijn van het verbruik van aardgas) zijn voor elk gas hetzelfde, ongeacht waar het vandaan komt. Zie voor een verdere specificatie (scope 1, 2 en 3) de infographic 2023 van Energie Beheer Nederland4.
Vergelijkbare uitkomsten volgen uit het onderzoek «Ketenemissies aardgasmix 2022–2023» dat Royal HaskoningDHV in opdracht van Rijkswaterstaat heeft uitgevoerd5. In dat onderzoek zijn de broeikasemissies in de toeleveringsketen geactualiseerd voor in Nederland geconsumeerd aardgas van G-gas en van H-gas kwaliteit. Het onderzoek concludeert onder meer dat geschat wordt dat de emissies per eenheid Nederlands gas uit kleine velden en Noors gas vergelijkbaar zijn, terwijl emissies per eenheid LNG uit de VS en uit Qatar en andere landen respectievelijk 6–7 (VS) en circa 4 (Qatar e.a.) maal groter zijn. In dit onderzoek zijn Noorwegen en de Verenigde Staten de belangrijkste landen van waaruit gas wordt geïmporteerd aan Nederland. Het onderzoek beperkt zich voor de uitgevoerde analyse daarna tot de ketenemissies in onder andere Nederland, Noorwegen en de Verenigde Staten. Dat betreft niet de gevraagde vergelijking met de gehele levenscyclus emissies in de 5 belangrijkste landen waar marktpartijen gas vandaan importeren naar Nederland voor de Noordwest Europese markt, maar wel een vergelijking met de twee belangrijkste landen van waaruit gas geïmporteerd wordt.
Voor een uitgebreidere onderbouwing van de milieu-impact op aardgas verwijst het kabinet naar de Kamerbrief van 14 februari 20256. Hierin is onder meer aangegeven dat in de afgelopen jaren LNG (vloeibaar aardgas) steeds belangrijker is geworden voor de Europese en Nederlandse gasvoorziening, vooral na het wegvallen van Russische gas via pijpleidingen en de afname van eigen productie. In die Kamerbrief is verder genoemd dat onderzoek aantoont dat LNG, vooral uit de VS, een hogere klimaatimpact heeft dan binnenlandse gaswinning of Noors aardgas via pijpleidingen evenals dat het gas dat voorheen via pijpleidingen uit de Russische federatie kwam ook hoge emissiewaarden kende. Over de milieu-impact van de Nederlandse gasaanvoer heeft Energie Beheer Nederland (EBN) in 2025 ook een infografic gepubliceerd7.
Indien de volgens artikel 2 van het Sectorakkoord betrokken omgeving, waaronder bewoners, in grote meerderheid negatief reageert op een voorstel tot gaswinning, is de vergunninghouder dan verplicht haar plannen op basis daarvan aan te passen of zelfs schrappen, of kan de vergunninghouder de inbreng van de omgeving gewoon naast zich neerleggen?
De inbreng vanuit de omgeving – zowel van bewoners als medeoverheden – is van grote meerwaarde. Hier is een belangrijke rol weggelegd voor de vergunninghouders die een activiteit willen uitvoeren. Om deze reden zijn in het akkoord aanvullende afspraken gemaakt onder meer over het betrekken van de omgeving. Zoals de afspraak dat een vergunninghouder ongeveer 3 maanden voorafgaand aan de indiening van een aanvraag voor gaswinning in gesprek gaat met de omgeving over voorgenomen plannen en de wijze waarop de omgeving betrokken wil worden. De vergunninghouder verwerkt de inbreng van de omgeving in een «betrokkenheidsplan» dat de vergunninghouder tegelijkertijd met de indiening van de vergunningaanvraag bij het Ministerie van Klimaat en Groene Groei overlegt.
Echter, het «voor-of-tegen» gaswinning zijn (de «of-vraag») is niet de vraag die voorligt bij bewoners en of medeoverheden. De beslissing of gaswinning mag plaatsvinden – mits veilig en verantwoord – betreft een nationale aangelegenheid. Als bevoegd gezag is het kabinet gebonden aan juridische kaders bij de beoordeling van individuele aanvragen om gas te winnen. Een aanvraag voor gaswinning wordt getoetst aan de Mijnbouwwet. Daarin staat op welke gronden een aanvraag kan worden afgewezen. Aanvragen voor vergunningen kunnen niet rechtmatig worden geweigerd om redenen die geen grondslag hebben in de wet.
Het kabinet vertrouwt er verder op dat een vergunninghouder zich bewust is van het belang om de omgeving in alle fases van de gaswinning zorgvuldig te betrekken en waar mogelijk en redelijk gehoor te geven aan de inbreng van de omgeving.
Kunt u aantonen hoeveel kubieke meter gas in Nederlandse velden op land effectief technisch en economisch winbaar is?
Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land8) volgt dat het winningsvolume uit kleine velden op land circa 127 miljard kuub bedraagt. Hiervan is op basis van de huidige inzichten circa 40% technisch en economisch winbaar. Dat komt neer op circa 50 miljard kuub.
Hoe lang zou die hoeveelheid gas het Nederlandse gasverbruik dekken op basis van het verbruik van 2025?
Het Nederlandse gasverbruik in 2024 bedraagt ongeveer 30 miljard kuub op jaarbasis. Uit de EBN-analyse (in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land) volgt dat ongeveer 40% van het winningsvolume als technisch potentieel kan worden bezien. Dat komt neer op ruim 1,5 jaar. Het aardgas wordt echter gewonnen over een periode van zo’n 20 tot 25 jaar en zorgt daardoor voor zo’n 1,5 tot 2 miljard kuub gas per jaar en draagt samen met de binnenlandse gasproductie op de Noordzee, opschaling van duurzame energieprojecten en inspanningen tot het verder verlagen van het aardgasverbruik tot het zoveel mogelijk beperken van de importafhankelijk van aardgas in de komende decennia op weg naar een volledig duurzame energievoorziening.
Welke stappen moeten er nog genomen worden en hoeveel tijd zal er naar verwachting over ieder van die stappen gaan vooraleer de herziening van de Mijnbouwwet naar de Kamer komt?
Op 22 januari 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang en de nieuwe planning van de herziening van de Mijnbouwwet9. In die brief worden de processtappen tot en met het aanbieden van het wetsvoorstel aan de Kamer toegelicht.
Gezien in Groningen nog bijna 10.000 gezinnen wachten op versterking van hun huizen, de kosten in Groningen ten opzichte van de eerste ramingen stevig opgelopen zijn en Groningers lang hebben moeten wachten op duidelijkheid over hun schadevergoedingen, welke regelingen worden in het geval van het verlenen van een vergunning voor bijkomende gaswinning op land waar dan ook in Nederland getroffen om voldoende geld en zekerheid te garanderen voor eventuele toekomstige materiële en niet-materiële schade ten gevolge van aardbevingen en/of bodemdalingen?
De Commissie Mijnbouwschade neemt, behalve daar waar het IMG dat doet, meldingen van bewoners en kleine bedrijven in behandeling over mogelijke fysieke schade aan gebouwen door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond. De Commissie Mijnbouwschade (CM) ondersteunt schademelders door onafhankelijk advies te geven over de vraag of er sprake is van materiële schade door bodembeweging als gevolg van activiteiten in de diepe ondergrond en, zo ja, wat de hoogte van het schadebedrag is dat door het mijnbouwbedrijf aan de schademelder moet worden vergoed. Mijnbouwbedrijven hebben zich in een overeenkomst met de staat verplicht tot het uitvoeren van deze adviezen. Het uitgangspunt van de schadeafhandeling bij de CM is dat deze laagdrempelig, transparant, deskundig en onafhankelijk is.
Zullen de maatregelen uit «Nij Begun» uitgebreid worden naar andere gebieden waar mogelijks aardbevingsschade kan komen ten gevolge van gaswinning? Indien niet alle maatregelen naar die gebieden uitgebreid worden, welke worden dan wel naar andere gebieden uitgebreid en welke niet?
De maatregelen uit «Nij Begun» kunnen niet zonder meer allemaal worden overgenomen in andere gebieden omdat die regio specifiek zijn en gerelateerd aan de gaswinning uit het Groningenveld.
Dat laat onverlet dat de ervaringen met het Groningenveld voor belangrijke verbeteringen hebben geleid die meegenomen zijn voor het gebruik van de diepe ondergrond. Die verbeteringen reiken verder dan alleen gaswinning. Zo zijn er methodieken ontwikkeld om risico's van activiteiten in de diepe ondergrond beter te kunnen beoordelen, de toezichthouder (SodM) heeft meer personele capaciteit gekregen, decentrale overheden hebben een adviesrol gekregen en de schadeafhandeling is centraal georganiseerd via de Commissie Mijnbouwschade (CM).
Verder zijn in lijn met de maatregelen uit «Nij Begun» aanvullende verbeteringen doorgevoerd. Zo wordt gewerkt aan een kennisprogramma voor onderzoek naar sociale effecten van het gebruik van de diepe ondergrond, wordt data over de ondergrond beter toegankelijk gemaakt en wordt het netwerk van KNMI om aardbevingen te meten verder uitgebreid.
Gezien burgers in Friesland nu al zelf nulmetingen aan het uitvoeren zijn en gezien burgers en lokale besturen in de noordelijke provincies met veel frustraties zitten rond de werking van de Commissie Mijnbouwschade, zal er voor alle betrokken regio’s omgekeerde bewijslast gelden bij schade die mogelijks aan aardbevingen en/of bodemdalingen toe te schrijven is?
Nee, dit zal niet het geval zijn. Het toepassen van het wettelijk bewijsvermoeden voor alle betrokken regio’s zou namelijk niet zorgen voor een verbetering van de positie van schademelders. Ook zou de invoering hiervan onvoldoende dragend gemotiveerd kunnen worden en daarmee niet juridisch houdbaar zijn. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijst het kabinet naar de brief van 27 maart 202510 aan de Kamer.
Welke criteria worden gehanteerd om voor een bepaalde regio waar gaswinning en andere mijnbouw potentieel kan leiden tot schade door aardbevingen en aardverzakkingen, wel of niet omgekeerde bewijslast in te voeren?
Voor de introductie van het wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig11. Het wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden naar bodembeweging als gevolg van mijnbouwactiviteiten in een groter gebied in Nederland juridisch houdbaar is, heeft het vorige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State12.
Voor het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Norg en Grijpskerk is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied, 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning. Hierbij is het goed om op te merken dat naarmate de reikwijdte voor het wettelijk bewijsvermoeden ruimer wordt, ook de motiveringseis zwaarder wordt.
Kunt u deze vragen beantwoorden en gevraagde informatie delen voorafgaand aan het commissiedebat Mijnbouw op 29 januari 2026?
Ja.
Het bericht dat Curaçao wordt gebruikt als doorvoerhaven voor Venezolaanse olie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
David van Weel (VVD), Aukje de Vries (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat een tanker met Venezolaanse olie recent is aangemeerd bij Curaçao voor tijdelijke opslag, en zo ja, welke hoeveelheden zijn betrokken en in wiens opdracht gebeurt dit?1
Ja. Nadere details over hoeveelheden en commerciële afspraken vallen onder de verantwoordelijkheid van Curaçao en betrokken marktpartijen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van premier Pisas dat deze ontwikkeling een «buitenkansje» is voor Curaçao?
De uitspraak van de premier van Curaçao is een eigen beoordeling van de regering van Curaçao. Het kabinet laat die beoordeling aan Curaçao zelf.
Bent u vooraf geïnformeerd over de aankomst en opslag van Venezolaanse olie op Curaçao? Zo ja, wanneer en door wie?
Nee. Besluiten over aankomst en opslag van olie vallen onder de autonome verantwoordelijkheid van Curaçao. Nederland of het Koninkrijk hebben hierin geen besluitvormende rol.
Deelt u de mening dat de oliehandel via Curaçao het signaal afgeeft dat schendingen van internationaal recht door de illegale acties van de VS geen gevolgen hoeven te hebben zolang economische belangen spelen?
Het gaat om economische activiteiten die plaatsvinden binnen de verantwoordelijkheid van Curaçao. Het kabinet ziet geen aanleiding om hieraan een nadere politieke betekenis te verbinden.
Hoe voorkomt u dat Nederlandse bedrijven economisch profiteren van een situatie die is ontstaan door illegale interventie van de VS in Venezuela?
Nederlandse bedrijven dienen te voldoen aan voor hen geldende internationale wetten en regels. Op basis van de nu bekende informatie is er geen indicatie dat internationale verplichtingen niet zijn nageleefd.
Hoe beoordeelt u het risico dat Curaçao structureel wordt gepositioneerd als fossiele doorvoerhub? Acht het kabinet dit in lijn met het Klimaatakkoord van Parijs en de EU-klimaatdoelstellingen? Zo nee, wat doet het kabinet om het structureel inbedden van een fossiele doorvoerhaven te voorkomen?
De huidige activiteiten hebben een tijdelijk karakter en er zijn geen aanwijzingen dat Curaçao structureel wordt ontwikkeld tot fossiele doorvoerhaven. Structurele economische keuzes liggen bovendien bij Curaçao en niet bij het kabinet. Nederland blijft zich inzetten voor klimaatdoelstellingen en energietransitie.
Bent u bereid om met Curaçao in gesprek te gaan over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag, en die niet het gevolg zijn van een illegale interventie door de VS? Zo ja, welke concrete stappen zijn daarvoor voorzien?
Ja, de gesprekken over alternatieven voor economische ontwikkeling die niet leunen op fossiele doorvoer en opslag voert het kabinet al. Binnen bestaande overlegstructuren wordt met Curaçao gesproken over duurzame economische ontwikkeling en energietransitie met respect voor de autonome positie van Curaçao. In dat kader zijn er SDE++-middelen beschikbaar gesteld voor het versterken van de energie-infrastructuur in de komende jaren.
Acht u het wenselijk dat Curaçao zich profileert als doorvoerhaven voor fossiele olie, terwijl Nederland zich internationaal uitspreekt voor klimaatdoelen, afbouw van fossiele afhankelijkheid en het beperken van de macht van olie-exporterende staten?
De economische positionering van Curaçao, al dan niet als doorvoerhaven voor fossiele olie, is een autonome keuze. Op dit moment zijn er echter geen aanwijzingen dat Curaçao structureel wordt ontwikkeld tot fossiele doorvoerhaven. Nederland blijft zich bovendien internationaal inzetten voor de afbouw van fossiele afhankelijkheid en het behalen van klimaatdoelstellingen.
Hoe verhoudt het faciliteren van de doorvoer en opslag van Venezolaanse olie via Curaçao zich tot het Nederlandse beleid om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en olie-exporterende staten te verminderen, en tot de inzet op strategische energie-onafhankelijkheid?
De tijdelijke opslag van olie op Curaçao maakt geen onderdeel uit van het Nederlandse energie- of klimaatbeleid en staat los van de inzet op vermindering van fossiele afhankelijkheid en versterking van energieonafhankelijkheid.
Het rapport van de Algemene Rekenkamer 'Energiebesparing: stimuleren of verplichten?' van 15 januari 2026. |
|
Felix Klos (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het rapport van de Algemene Rekenkamer, waarin wordt geconcludeerd dat er voor ruim € 50 miljoen overlap bestaat tussen vier subsidieregelingen voor energiebesparing en de wettelijke energiebesparingsplicht?1
Deelt u de conclusies van de Algemene Rekenkamer over de omvang van de overlap en de geïdentificeerde regelingen?
Welk deel van de recent beschikbare subsidiebudgetten voor energiebesparing bij bedrijven is ingezet voor maatregelen die reeds onder bestaande wettelijke verplichtingen vallen, uitgesplitst naar regeling en jaar, en acht u deze inzet doelmatig?
Hoe verklaart u dat er volgens de Algemene Rekenkamer nog steeds onvoldoende zicht is op welke bedrijven precies onder de energiebesparingsplicht vallen, terwijl deze plicht al sinds 1993 bestaat?
Hoe bent u voornemens het door de Algemene Rekenkamer gesignaleerde gebrek aan inzicht in informatie, effectiviteit en overlap van regelingen te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de huidige energiebesparingsplicht en de handhaving daarvan in termen van daadwerkelijk gerealiseerde energiebesparing en CO2-reductie, en beschikt u over een sectorale onderbouwing van deze effecten?
Bent u, conform de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, bereid subsidieregelingen zodanig aan te passen dat financiering van maatregelen die onder de energiebesparingsplicht vallen uitsluitend mogelijk is bij aantoonbare aanvullende besparing boven op de wettelijke plicht, en zo ja, op welke termijn?
Hoe waarborgt u dat deze aanpassingen aansluiten bij de invoering van de nieuwe regels voor de energiebesparingsplicht?
Hoe voorkomt u dat aanpassingen aan de energiebesparingsplicht afbreuk doen aan de urgentie en de noodzaak om – mede in het licht van Europese richtlijn – juist meer energiebesparing te realiseren in Nederland?
Erkent u de gebrekkige handhaving, en gebrek aan informatie over doelmatigheid van de handhaving van de energiebesparingsplicht, zoals geconstateerd door de Algemene Rekenkamer?
Kunt u toezeggen om eventueel vrijkomende middelen in te zetten voor het versterken van de handhaving van de energiebesparingsplicht?
Het artikel 'Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief' |
|
Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Brancheclubs mordicus tegen invoedingstarief», waarin wordt gesteld dat de invoering van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten kan leiden tot hogere systeemkosten en hogere energierekeningen voor consumenten en bedrijven?1
Ja.
Wat betekent een invoedingstarief voor bestaande projecten die zijn gerealiseerd zonder rekening te houden met een dergelijk tarief?
Vooropgesteld: er is nog geen formeel besluit van de ACM over de vormgeving, hoogte, invoerdatum of overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief. Ook zijn de effecten sterk afhankelijk van eventueel flankerend beleid én de regulatoire en marktgerelateerde ontwikkelingen in de met Nederland verbonden elektriciteitsmarkten. Daardoor zijn de effecten van een eventueel invoedingstarief slechts kwalitatief en met een beperkte mate van zekerheid in te schatten.
De inschatting is dat producenten een invoedingstarief slechts in beperkte mate door kunnen rekenen in hun verkoopprijzen. Dit komt ten eerste omdat veel producenten werken met bestaande prijsafspraken en ten tweede omdat Nederlandse producenten in de Noordwest-Europese elektriciteitsmarkt doorgaans niet prijszettend zijn. Dit zorgt ervoor dat de invoering van een invoedingstarief een negatieve impact kan hebben op de winstgevendheid van elektriciteitsproductie in Nederland. Marktpartijen hebben in reactie op een consultatievoorstel van de ACM deze zomer gewezen op de mogelijke impact op hun business cases en waarschuwen dat een invoedingstarief kan leiden tot faillissementen en het vroegtijdig uit gebruik nemen van bestaande productielocaties. De ordegrootte van deze mogelijke negatieve impact is mede afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een invoedingstarief.
Bij al getenderde, maar nog niet gerealiseerde wind op zee projecten bestaat het risico dat de ontwikkelaar de businesscase niet meer rond gerekend krijgt en de ontwikkeling staakt. Dit heeft grote extra kosten tot gevolg omdat TenneT ver van tevoren al investeringen doet in het net op zee. Deze kosten lopen op naarmate de realisatie van windparken wordt uitgesteld. Ditzelfde geldt ook voor Nederlandse projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben. De subsidieparameters staan immers al vast, terwijl de kosten van de productie zouden stijgen als gevolg van de instelling van een invoedingstarief. Ook voor de nog open te stellen subsidietender voor wind op zee in 2026 (TOWOZ) vormt het invoedingstarief en de onzekerheid daarover een aanzienlijk risico dat de investeringsbereidheid vanuit marktpartijen zou kunnen beperken. Dat kan resulteren in een lagere slagingskans van de tender. Hetzelfde geldt voor de slagingskans van toekomstige «Contracts for Difference»-tenders (CfD's) voor ondersteuning van hernieuwbare energie op land en wind op zee, afhankelijk van duidelijkheid over het invoedingstarief, de vormgeving en de mogelijkheden voor de markt om het risico voldoende in te prijzen. Een invoedingstarief kan ten slotte ook een negatief effect hebben op de business case van en de investeringsbereidheid in kernenergie.
De mate waarin deze effecten zullen optreden of voorkomen kunnen worden, zijn afhankelijk van de definitieve keuzes van de ACM over het invoedingstarief, eventueel flankerend beleid, invoeringstermijn en overgangsperiode, en van ontwikkelingen in elektriciteitsmarkten waar Nederland mee is verbonden. Een belangrijk deel van deze negatieve effecten zouden naar verwachting uitblijven wanneer sprake zou zijn van een Europees geharmoniseerde invoering van een invoedingstarief, of een invoedingstarief waarvan de hoogte beter aansluit bij die in verbonden elektriciteitsmarkten. Dit zou echter niet problemen voorkomen die ontstaan bij projecten met een bestaande SDE++ subsidiebeschikking. Dit wordt nader toegelicht in antwoorden op vraag 4 en 5.
Wat is, op basis van de huidige inzichten, de verwachte impact van een invoedingstarief op de investeringsbereidheid en de businesscase van nieuwe wind- en zonne-energieprojecten, en in andere kapitaalintensieve energieprojecten zoals kerncentrales?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen verwacht u dat een invoedingstarief heeft voor het tijdig halen van de klimaatdoelstellingen voor 2030, in het bijzonder met oog op de uitrol van hernieuwbare elektriciteitsproductie van eigen bodem?
De projecten die bijdragen aan nationale productie van hernieuwbare elektriciteit zijn onmisbaar voor de klimaatdoelstellingen voor 2030. Voor de ontwikkeling of operatie van deze projecten is een acceptabele business case nodig, anders komen de projecten niet tot stand. Als het invoedingstarief niet geabsorbeerd, doorberekend of gecompenseerd kan worden, zal dit een negatief effect hebben op de business case van deze projecten en daarmee op de hoeveelheid nationale productie van hernieuwbare elektriciteit. Projecten die op tijd worden gerealiseerd om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen voor 2030 hebben waarschijnlijk al een subsidiebeschikking ontvangen. Bij deze projecten is het, zoals in het antwoord op vraag 5 hieronder is toegelicht, niet goed mogelijk om rekening te houden met de financiële effecten van een invoedingstarief. Voor projecten voor hernieuwbare energie op land die nog niet zijn gerealiseerd, maar die al wel een subsidiebeschikking hebben, bestaat daardoor een wezenlijk risico op non-realisatie. Er bestaat daarom, afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode, een risico dat een invoedingstarief de realisatie van klimaatdoelstellingen voor 2030 in de weg staat of moeilijker maakt.
Ziet u mogelijkheden om de financiële impact van een invoedingstarief voor bestaande en nieuwe projecten te mitigeren, bijvoorbeeld via de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) of een opvolgende subsidieregeling?
Er is op dit moment geen budget of juridische grondslag om eventuele compensatie te bieden voor de negatieve gevolgen van een invoedingstarief voor bestaande, al getenderde of vergunde projecten. Voor projecten met een bestaande SDE++ beschikking is het effect van het invoedingstarief extra nadelig: ten eerste verhoogt deze de kosten voor opwek, zonder dat de subsidie stijgt. In de subsidieparameters ligt namelijk besloten dat de subsidie alleen meebeweegt met veranderende elektriciteitsprijzen, niet met veranderende netkosten. Ten tweede wordt de subsidie voor deze partijen daardoor ook nog gekort, als gevolg van en voor zover de elektriciteitsprijs stijgt door de invoering van het invoedingstarief. Dit komt doordat de subsidie berekend wordt op basis van een vastgestelde kostprijs per kilowattuur, verminderd met de actuele elektriciteitsprijs, en deze eerste niet meebeweegt met de verhoogde kosten en deze tweede wel met de verhoging van de elektriciteitsprijs.
Voor toekomstige, nieuwe projecten geldt dat er in de subsidiebedragen eventueel rekening kan worden gehouden met de hogere kosten, dit betekent wel dat de subsidie-intensiteit van deze productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit omhooggaat. Dit betekent dat met de beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden. Dit geldt niet alleen voor zon-PV en windenergie, maar bijvoorbeeld ook voor kernenergie, als daarvoor in de toekomst steun geboden wordt. Bovendien is de uitvoerbaarheid van het rekening houden met de financiële impact van een invoedingstarief sterk afhankelijk van de wijze waarop een invoedingstarief wordt vormgegeven. Bepaalde varianten van een invoedingstarief leiden tot onvoorspelbare en wisselende hoogtes, waardoor ook het benodigde subsidiebedrag elk jaar zou veranderen. Pas als duidelijk is hoe het invoedingstarief exact vormgegeven wordt kan onderzocht worden hoe dit eventueel in subsidies verwerkt kan worden. Voor de TOWOZ en SDE++ ronde van 2026 is dit niet meer mogelijk.
Hoe beoordeelt u het risico dat kosten die via een invoedingstarief bij producenten worden neergelegd, uiteindelijk via subsidies weer moeten worden gecompenseerd, waardoor per saldo geen kostenbesparing maar juist extra systeemkosten ontstaan?
Het invoedingstarief zullen producenten moeten betalen per eenheid energie die zij invoeden in het elektriciteitsnet. Het zorgt daardoor voor een hogere kostprijs van de productie van elektriciteit. Producenten zullen dit proberen door te berekenen in de verkoopprijs. Het lijkt waarschijnlijk dat producenten dit slechts gedeeltelijk kunnen doen. Voor het deel van dit tarief dat niet kan worden doorberekend, resulteert dit in een hogere onrendabele top van hernieuwbare elektriciteit. Deze onrendabele top vertaalt zich in een hogere subsidiebehoefte. In het geval van zon-PV en windenergie op land en op zee zal stimulering vanaf 2027 door middel van CfD's plaatsvinden, die het verschil tussen de kostprijs en de marktprijs van elektriciteit dekken met financiële middelen van de overheid. Dat betekent dat er bij invoering van een invoedingstarief meer middelen nodig zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energieprojecten te produceren. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de hogere kosten voor producenten deels door de overheid zullen moeten worden gecompenseerd. Dit betekent dat met dezelfde beschikbare middelen minder opwek van hernieuwbare elektriciteit gestimuleerd kan worden.
De totale systeemkosten zijn daarnaast ook afhankelijk van andere factoren, die zeer moeilijk zijn in te schatten. Een invoedingstarief leidt tot een herverdeling van netkosten tussen afnemers en invoeders, waarbij de afnemers minder netkosten gaan betalen en de invoeders meer. Een voordeel van een invoedingstarief kan daarnaast zijn dat deze producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, zoals het vermijden van invoedingspieken. Dit kan op termijn de noodzaak voor dure netverzwaringen voorkomen. De verslechterde concurrentiepositie van Nederlandse elektriciteitscentrales kan tegelijkertijd zorgen voor nieuwe problemen die de netkosten verhogen. Netbeheer Nederland benoemt dat er bepaalde centrales nodig blijven om netondersteunende diensten te leveren en voor congestiemanagement. Indien deze centrales dreigen te sluiten als gevolg van een invoedingstarief kan het nodig zijn dat netbeheerders hogere vergoedingen moet gaan betalen om deze centrales open te houden. Een gevolg kan ook zijn dat er (hogere) vergoedingen betaald worden via een capaciteitsmechanisme. Dergelijke effecten zijn zeer moeilijk in te schatten en het netto-effect op de elektriciteitskosten van afnemers is daardoor onzeker.
Een kwantitatieve schatting van deze effecten en het uiteindelijke resultaat is pas te maken wanneer er sprake is van een concreet voorstel van de ACM voor een invoedingstarief.
Ziet u risico’s dat een invoedingstarief, door het afremmen van investeringen in binnenlandse productie, ook een negatieve impact kan hebben op de leveringszekerheid van energie in Nederland?
Een invoedingstarief kan, met name wanneer deze sterk afwijkt qua hoogte of vormgeving van invoedingstarieven in het buitenland, een negatieve invloed hebben op de mogelijkheid van productiecentrales en batterijen om hun jaarlijkse vaste kosten terug te kunnen verdienen. Deze partijen zijn naar verwachting echter nodig om bij te dragen aan de voorzieningszekerheid van elektriciteit. Gegeven het voornemen om met een capaciteitsmechanisme de leveringszekerheid te borgen, is het echter onwaarschijnlijk dat een invoedingstarief zal leiden tot een verslechtering van de voorzieningszekerheid. Wel kan een invoedingstarief de kosten van een capaciteitsmechanisme verhogen.
Hoe verhoudt een invoedingstarief zich tot andere maatregelen die netefficiënt gedrag kunnen bevorderen?
Ja, het kabinet is bekend met de conclusies uit de appreciatie van het IBO.
De belangrijkste toegevoegde waarde van een invoedingstarief is dat het producenten prikkelt tot efficiënter netgebruik, waardoor op termijn de kosten van het elektriciteitsnet kunnen afnemen. Een dergelijke prikkel via de nettarieven is binnen de huidige kaders niet vorm te geven, omdat voor invoeding nu geen nettarief wordt gerekend. Tegelijkertijd kunnen vergelijkbare prikkels voor efficiënter netgebruik deels ook via andere instrumenten worden georganiseerd, zoals flexibele aansluit- en transportvoorwaarden, flexibiliteitscontracten, en via aanpassingen in de tendervoorwaarden voor wind op zee of de subsidievoorwaarden van de SDE++. Zo wordt in de SDE++ vereist dat zon-PV slechts op 50% van het piekvermogen wordt aangesloten, om hoge netkosten ter facilitering van piekbelasting te voorkomen. Deze instrumenten zijn moeilijk categorisch te vergelijken met een invoedingstarief, omdat zij op uiteenlopende manieren kunnen worden vormgegeven en vaak verschillende effecten hebben voor verschillende partijen. Of de alternatieve instrumenten een sterkere negatieve impact zouden hebben op de business case is afhankelijk van de vormgeving, hoogte, invoerdatum en overgangsperiode van een eventueel invoedingstarief.
Bent u bekend met de conclusies uit de appreciatie van het Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) «Bekostiging van de Elektriciteitsinfrastructuur' (Kamerstuk 29 023, nr. 567), waarin wordt gewezen op aanzienlijke potentiële kostenbesparingen door flexibel netgebruik, en kunt u toelichten in hoeverre deze alternatieven effectiever of doelmatiger zijn dan een invoedingstarief?
Zie antwoord vraag 8.
In hoeverre wordt bij de afweging rond een invoedingstarief gekeken naar de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere Europese landen? Wordt een vergelijkbaar tarief elders in Europa ingevoerd, en zo ja, met welke effecten op investeringen en netcongestie?
In haar consultatiedocument over het invoedingstarief heeft de ACM aangegeven dat het mogelijk is om de maximale hoogte van het invoedingstarief te beperken met het oog op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten. De ACM stelt echter ook dat een verlaagd tarief minder kostenreflectief is en minder goede prikkels geeft voor efficiënt netgedrag.
Binnen Europa is slechts zeer beperkt sprake van harmonisatie van nettarieven voor elektriciteit. Hierdoor bestaan tussen lidstaten grote verschillen. In ca. 60% van lidstaten bestaat geen of verwaarloosbaar invoedingstarief. Het aandeel lidstaten met een invoedingstarief lijkt over de jaren wel licht te groeien. In de 40% van de lidstaten met een invoedingstarief is het aandeel van de totale netkosten dat in lidstaten met een substantieel invoedingstarief wordt toegerekend aan invoeders uiteenlopend, verschillend voor transmissie en distributie. Ook worden in lidstaten met een invoedingstarief verschillende soorten kostenposten wel en niet daarin opgenomen. In lidstaten waar een invoedingstarief bestaat, is vervolgens in veel gevallen sprake van ontheffingen of verlagingen van het invoedingstarief, bijvoorbeeld voor kleine producenten, voor bepaalde technieken (zoals offshore wind of batterijen), of vanwege de inzet van een installatie voor bepaalde systeemdoeleinden. Dit maakt een directe vergelijking met andere lidstaten niet goed mogelijk.
De nettarievenstructuur binnen veel lidstaten is in beweging. De ACM heeft aangegeven dat zij rekenschap geeft van de tariefstructuren en ervaringen in omringende landen.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.