De getekende joint letter of intent met Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre is de Nederlandse overheid nu al juridisch aansprakelijk voor het naleven van de Joint Letter of Intent (JLoI)? Waarom zijn er dan ontbindende voorwaarden afgesproken als de overheid niet juridisch aansprakelijk/gebonden is?
Allereerst geven wij, vanwege de complexiteit van het project, een korte algemene toelichting op het proces om uiteindelijk tot een maatwerkafspraak te komen met Tata Steel. Deze toelichting geeft context bij een aantal van de gestelde vragen. De algemene maatwerkaanpak heeft als doel om bovenwettelijke CO2-reductie en milieuwinsten en verbeteringen in de leefomgeving te realiseren. Deze algemene doelen gelden voor alle bedrijven die voor maatwerksteun in aanmerking komen. Voor de beoogde maatwerkafspraak met Tata Steel is specifiek in het onderhandelingsmandaat opgenomen dat de afspraak, naast de beoogde CO2-reductie, moet leiden tot versnelde reductie van de overlast voor omwonenden en de leefomgeving.
Een maatwerkafspraak met Tata Steel is juist van belang om deze CO2-reductie en de versnelde reductie van de overlast voor omwonenden en de leefomgeving te realiseren. Uit de analyse van Wijers/Blom volgt dat de overheid zonder een maatwerkafspraak met TSN op korte termijn geen bovenwettelijke maatregelen voor overlast- en emissiereductie kan afdwingen.
De maatwerkaanpak kent drie stappen. Na een eerste verkenning wordt er, bij voldoende potentieel, een ambitiedocument opgesteld (Expression of Principles, EoP) dat vervolgens wordt uitgewerkt in een intentieovereenkomst (Joint Letter of Intent, JLoI). In de JLoI worden de doelen uit de EoP geconcretiseerd en verder uitgewerkt. In de JLoI worden afspraken gemaakt hoe te komen tot een bindende maatwerkafspraak. Dit worden ook wel «inspanningsverplichtingen» genoemd. Vervolgens wordt de JLoI uitgewerkt in bindende maatwerkafspraken met resultaatsverplichtingen.
Door de JLoI kunnen partijen aan de inspanningsverplichtingen worden gehouden, maar kunnen de resultaten nog niet afgedwongen worden. Partijen moeten zich inspannen om de doelen uit de JLoI mogelijk te maken. In een volgende stap, bij de maatwerkafspraak, worden die afspraken uit de JLoI omgezet in resultaatsverplichtingen waarmee ook resultaten kunnen worden afgedwongen. Dat is ook de reden dat veel antwoorden op de vragen over «borging» nog niet in deze JLoI-fase gegeven kunnen worden. Deze vraagstukken worden juist uitgewerkt in de maatwerkafspraak waarin ook afspraken worden gemaakt over de resultaten en de borging ervan. In de JLoI staan opzeggronden opgenomen. Dit betekent dat partijen onder bepaalde omstandigheden de JLoI – en daarmee de verplichting om de inspanningen te leveren – kunnen beëindigen. In de JLoI staan geen ontbindende voorwaarden opgenomen. Het is dus niet zo dat de JLoI automatisch beëindigd wordt in bepaalde gevallen of bij bepaalde ontwikkelingen.
Wat is er gebeurd met de doelstelling om de Kooks- en Gasfabrieken (KGF) 2 vóór 2029 te sluiten, aangezien het een grote bron is van schadelijke stoffen?
KGF2 zal, als er een maatwerkafspraak komt, in de toekomst in ieder geval worden vervangen door de nieuwe Direct Reduction Plant installatie (de «DRP») en dan dus sowieso worden gesloten. Het is echter niet mogelijk om in de JLoI afspraken te maken over een vervroegde sluiting. De maatwerkaanpak ziet alleen op bovenwettelijke maatregelen. Op 19 december 2024 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) een aanzeggingsbesluit genomen en openbaar gemaakt. Vanwege de handhavingsstappen van de OD NZKG is dit onderdeel in het wettelijke traject terecht gekomen en kan op dit moment daarom geen steun worden verleend voor vervroegde sluiting van KGF2.
Wel wordt onderzocht welke mogelijkheden er nog zijn om tot eerdere sluiting over te kunnen gaan zonder dat hier steun vanuit de overheid voor wordt gegeven.
Klopt het dat de maatwerkafspraken met Tata Steel niet door kunnen gaan als er handhavingsprocedures en juridische procedures lopen tegen (delen van) het bedrijf? Wat betekent dit voor het handhavings- en toezichtproces dat nu loopt bij KGF 2 en KGF 1? Met welke beslissing van de omgevingsdienst of de rechter zouden de maatwerkafspraken niet doorgaan?
Of er wel of geen maatwerkafspraak gemaakt kan worden ligt genuanceerder. Het is dus niet zo dat maatwerkafspraken niet door kunnen gaan als er handhavings- en/of juridische procedures lopen tegen (delen van) het bedrijf. Wel is bekend dat het bevoegd gezag een groot aantal handhavingszaken heeft lopen en het bedrijf onder verscherpt toezicht heeft gesteld. Om die reden is opgenomen dat wanneer het bedrijf zijn bestaande verplichtingen (in het bijzonder over KGF 2) niet adequaat nakomt, inclusief verdere verbetering van de naleving en controle van de bedrijfsvoering, de staat de JLoI mag opzeggen (zie artikel 15, derde lid, onderdeel d).
Los van de maatwerkafspraak, moeten de huidige en toekomstige installaties van een bedrijf aan de geldende wet- en regelgeving voldoen. Het kan voorkomen dat er bij bedrijven een handhavingsprocedure loopt tijdens (de onderhandelingen over) een maatwerkafspraak.
Handhavings- en toezichtprocedures op Tata Steel, en alle andere relevante bedrijven, worden onafhankelijk uitgevoerd. Bij Tata Steel gebeurt dit vanuit het bevoegd gezag: de Provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG.
De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) heeft na een tweede evaluatie besloten dat het verscherpt toezicht van juni 2023 op de beide Kooksgasfabrieken van kracht blijft en Tata Steel heeft de gestelde doelen van het verscherpt toezicht nog niet behaald1; hoe is dit meegenomen bij het opstellen en tekenen van JLoI en welke mogelijke gevolgen heeft dit voor de maatwerkafspraken? Deelt u de mening dat dit geen vertrouwen wekt in Tata Steel als een partner waar je goede afspraken mee kan maken?
Zoals het kabinet ook bij de beantwoording van de Kamervragen naar aanleiding van het incident bij US Steel heeft aangegeven, heeft de OD NZKG na een tweede evaluatie besloten dat het verscherpt toezicht, ondanks verdere verbeteringen, van kracht blijft. Reden voor het voortzetten van het verscherpt toezicht is dat een groot aantal verbetertrajecten nog in uitvoering is en de gestelde doelen van het verscherpt toezicht nog niet (allemaal) behaald zijn.
Zoals ook in de JLoI en in de Kamerbrief bij de JLoI benadrukt wordt, wil het kabinet vooruitgang zien op het plan om de bedrijfsvoering verder te versterken met betrekking tot de milieu- en gezondheidsaspecten. Als het bedrijf er niet in slaagt om deze verplichtingen uit de JLoI na te komen, kan dit voor de staat een opzeggrond voor de JLoI zijn. Deze opzeggronden staan weergeven in artikel 15, lid 3, onder c en d van de JLoI.
De OD NZKG, die al decennia intensief met Tata Steel te maken heeft, beschrijft het bedrijf als opportunistisch en calculerend2, deelt u de mening dat dit geen goede basis is om afspraken te maken?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 3 dient het bedrijf zich te houden aan wet- en regelgeving, net als ieder ander bedrijf. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 bevat de maatwerkafspraak per definitie bovenwettelijke milieumaatregelen. Er wordt dus geen steun verleend aan milieumaatregelen die met handhaving van bestaande regels kunnen worden afgedwongen. Het kabinet ervaart de gesprekken met TSN als constructief en de onderneming lijkt in te zetten op het komen tot maatwerkafspraken en een transitie van het bedrijf. Het ondertekenen van de JLoI is een mooie stap en geeft ook een blijk van commitment van de onderneming. Daarbij is het positief dat het moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL) de JLoI ondertekend heeft en volwaardig meedoet in de onderhandelingen en TSN en TSL voornemens zijn een groot deel van de investering in de plannen zelf te organiseren.
Wat gebeurt er als door handhaving eerdere sluiting van de kooksgasfabrieken wordt afgedwongen, gezien het feit dat het huidige plan van Tata dat het kabinet wil subsidiëren uitgaat van de situatie dat de kooksgasfabrieken nog jarenlang open mogen blijven, maar de kooksgasfabrieken zwaar verouderd zijn (99 van 108 ovens voldoen niet aan de vereisten) en er kans is dat door goede handhaving de kooksgasfabrieken eerder dicht moeten dan nu gepland? Welke gevolgen heeft het voor de maatwerkafspraken en wat is het risico van de investering van de 2 miljard euro van de belastingbetaler?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 wordt er geen subsidie verleend voor het sluiten van de kooksgasfabrieken.
In algemene zin geldt dat het bedrijf geen maatwerksubsidie ontvangt, totdat er een definitieve maatwerkovereenkomst is getekend. Daarbij is het voorgenomen subsidiebedrag gemaximeerd en is het bedrijf verantwoordelijk voor eventuele financiële tegenvallers. Indien het tot een maatwerkafspraak komt, zal de bijdrage van de staat gefaseerd ter beschikking worden gesteld. Deze fasering zal aan de hand van het behalen van bepaalde mijlpalen zijn.
De bijdrage van de staat zal ook pas definitief worden vastgesteld als de afgesproken doelen zijn behaald, en zoals in de JLoI is afgesproken kan de steun nooit meer dan 2 miljard bedragen. De staat kan de bijdrage achteraf (deels) terugvorderen als de doelen niet worden behaald. Dit zal nader uitgewerkt worden in de maatwerkafspraak.
Hoe plaatst u deze maatwerkafspraak in het kader van het recente onderzoek van Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) dat concludeert dat de business case voor de Tata Steel verduurzaming onhoudbaar is3?
Het kabinet is bekend met de analyse van SOMO. Deze analyse is gepubliceerd in juli 2025, nog voordat de inhoud van de JLoI openbaar was geworden. TSN gaat over de business case voor verduurzaming en zal tevens een groot deel van de investering in het plan zelf organiseren. Dit betekent ook dat de onderneming dus zelf beoordeelt of zij hun investeringsbeslissing nemen. Een subsidie kan daar positief aan bijdragen.
Waarom geeft u een buitenlandse multinational de ruimte om via de genoemde opzeggingsgronden nationaal beleid te beïnvloeden?
De JLoI geeft TSL geen ruimte om nationaal beleid te beïnvloeden. Zoals ook bij het antwoord op vraag 7 aangegeven, is het uiteindelijk van belang dat het bedrijf een positieve business case ziet voor verduurzaming. De randvoorwaarden voor het doen van de investering zijn dus van belang. Indien blijkt dat bepaalde randvoorwaarden onvoldoende zijn, kunnen partijen de JLoI opzeggen, omdat het dan niet haalbaar lijkt om tot een maatwerkafspraak te komen. De opzeggronden laten onverlet dat de staat nationaal beleid kan invoeren en/of aanpassen.
Waarom draagt u 600 miljoen euro bij aan de overkapping, terwijl milieu-experts stellen dat dit een wettelijke verplichting betreft4?
Zoals ook in eerdere correspondentie met de Kamer is aangeven en door de Landsadvocaat geconcludeerd, zijn overkappingen bij de opslagvelden van Tata Steel niet wettelijk verplicht. De overkappingen zijn een effectieve maatregel om de uitstoot van fijnstof, één van de meest significante factoren voor de gezondheid, te reduceren. Overigens is de 600 miljoen euro waar u naar verwijst het totale bedrag dat mogelijk door de overheid kan worden bijgedragen aan additionele milieumaatregelen bij het sluiten van een definitieve maatwerkovereenkomst. Naar huidige inzichten zijn niet alleen de overkappingen hier onderdeel van, maar ook windschermen, maatregelen bij de slakkenverwerking en maatregelen om geluidsoverlast te verminderen.
Waarom pretendeert u dat er klimaatwinst is tegen 2030, als zelfs Tata Steel toegeeft dat deze fabriek niet tussen eind 2026 (vroegste moment voor akkoord) en 2030 gebouwd kan worden?
De gezondheids- en klimaatwinst zal met de huidige plannen gefaseerd worden gerealiseerd. Zo zullen bepaalde overkappingen eerder (vóór 2030) gerealiseerd zijn dan de DRP-EAF, terwijl de toepassing van CCS en de vervanging van aardgas door biomethaan en/of groene waterstof volgen nadat de DRP-EAF is gerealiseerd.
In de definitieve maatwerkovereenkomst zal de planning worden gedetailleerd en geactualiseerd. Hierbij geldt in algemene zin dat hoe sneller het tot een maatwerkafspraak komt, hoe eerder de projecten gerealiseerd kunnen worden en daarmee de kans op zoveel mogelijk milieu- en gezondheidswinst voor 2030 ook vergroot wordt. Dit is ook in lijn met het advies van de AMVI om duidelijke en haalbare tijdspaden af te spreken en om snelheid te maken met het maken van een maatwerkafspraak.
Welke consequenties heeft eventuele vertraging van de plannen voor Tata Steel?
Eventuele consequenties bij vertraging zijn onderwerp van lopende gesprekken met de Europese Commissie en het bedrijf. De maatwerkafspraak en de subsidiebeschikking leggen de projectafbakening en het daarbij horende tijdpad vast. Ook zullen in die documenten de consequenties bij eventuele vertraging vastgelegd worden. Er gelden mogelijkerwijs uitzonderingen voor de sancties als vertraging optreedt in gevallen van overmacht. Deze sancties moeten in overeenstemming zijn met het relevante Europese staatssteunkader.
Waarom is er niets opgenomen over een sociaal plan voor de 1.200 werknemers die in de huidige ontslagronde hun baan verliezen, en werknemers die mogelijk in de toekomst ontslagen worden?
Een sociaal plan bij collectief ontslag is een afspraak tussen werkgever en werknemers, die zijn vertegenwoordigd door vakbonden en ondernemingsraad. Een ondernemer dient bij een collectief ontslag wettelijke stappen te zetten. Zo moet een besluit worden voorgelegd aan de ondernemingsraad. Op grond van de Wet melding collectief ontslag (WMCO) moet een collectief ontslag van 20 of meer werknemers binnen een werkgebied worden gemeld bij het UWV. Daarbij moeten belanghebbende vakbonden geraadpleegd worden en moeten afspraken gemaakt worden voor een sociaal plan. TSN heeft deze wettelijk verplichte stappen reeds gezet bij de eerder aangekondigde reorganisatie.
Aangezien de JLoI is overeengekomen tussen de staat, de provincie en TSN/TSL en bedoeld is om bovenwettelijke afspraken vast te leggen, is het eerder aangekondigde sociaal plan geen onderdeel van de JLoI. In de JLoI is wel vastgelegd dat TSN ernaar streeft om zoveel mogelijk banen te behouden zodat ongewenste ontslagen worden voorkomen (JLoI, artikel 10.1 onder b). Daarnaast committeert TSN zich aan het «Sociaal Contract Groen Staal» overeengekomen met belanghebbende vakbonden, en zal TSN de centrale ondernemingsraad (cor) en vakbonden waar nodig naar behoren betrekken (JLoI, artikel 10.1 onder d).
Deelt u de mening dat de omwonenden van Tata Steel jarenlang groot onrecht is aangedaan doordat hun terechte zorgen over hun gezondheid jarelang zijn genegeerd en er heel lang onvoldoende gehandhaafd is? Wilt u daarvoor uw excuses aanbieden?
Al eerder hebben dit kabinet en voorgaande kabinetten zich uitgesproken5 dat het onderwerp gezondheid van omwonenden in de IJmond onvoldoende prioriteit heeft gekregen van de overheid en het bedrijf en dat daar snel verandering in moet komen. De gezondheidsrisico's in de IJmond zijn dermate urgent dat uitstel van actie onverantwoord is. Juist daarom werkt het kabinet zo snel mogelijk naar een maatwerkafspraak toe.
Om het effect van Tata Steel op haar omgeving beter in kaart te brengen heeft de Rijksoverheid in 2023 het RIVM opdracht gegeven om dit te onderzoeken6. Het resulterende rapport is de basis waarop gezondheid een prominente rol heeft gekregen in de onderhandelingen richting een maatwerkafspraak. Het kabinet wil zo snel mogelijk komen tot een maatwerkafspraak en zo daadwerkelijk bijdragen aan de verbetering van de leefomgeving en de gezondheid van omwonenden, evenals de CO2-reductie.
Staat de bescherming van gezondheid van omwonenden nu wel op de eerste plek en is het leidend in het verdere proces van de maatwerkafspraken en beleid rondom Tata Steel? Zo ja, waarom heeft u niet alle adviezen van Expertgroep Gezondheid IJmond overgenomen?
Zoals ook in het antwoord op vraag 13 aangegeven, heeft de bescherming van de gezondheid grote prioriteit voor het kabinet. Daarom is dit, naast de CO2-reductie, ook onderdeel van maatwerkaanpak voor Tata Steel. Met een maatwerkafspraak zullen bovenwettelijke milieumaatregelen worden gerealiseerd die een significante bijdrage leveren aan de reductie van gezondheidsrisico's voor omwonenden. Specifiek over het verwerken van de adviezen van de Expertgroep Gezondheid is de Kamer al eerder separaat geïnformeerd. Het kabinet heeft het meest recente advies van de AMVI en de Expertgroep in de begeleidende Kamerbrief met de JLoI ook toegelicht. Op basis van het advies is een aantal aanpassingen in de definitieve JLoI doorgevoerd. Zo is er naar aanleiding van het advies extra inzet op ultrafijnstof afgesproken en zijn er in artikel 3.2 nieuwe stoffen toegevoegd aan de scope van de JLoI, waaronder fijnstof (PM2,5), stikstofdioxide (NO2, naast de algemene doelstelling voor stikstofoxiden (NOx)), chroom-6, nikkel, arseen en cadmium. Ook zijn er naar aanleiding van het advies extra inspanningen geformuleerd voor het meten en monitoren van geur en geluid, waarbij de resultaten openbaar beschikbaar moeten komen.
Er zijn ook enkele onderdelen uit het advies, zoals de reductiedoelstellingen voor een aantal stoffen, die niet met dit pakket aan maatregelen worden behaald. Zoals ook in de begeleidende kamerbrief aangegeven zijn niet alle doelstellingen van de Expertgroep met de maatwerkafspraak haalbaar, dat vraagt meer maatregelen, meer middelen en meer tijd.
De omwonenden zijn niet blij met de JLoI; waarom tekent u dan alsnog, terwijl de overheid nog veel goed te maken heeft met omwonenden?
De JLoI is een belangrijke tussenstap waarmee de kaders van een mogelijke maatwerkafspraak helder en openbaar zijn geworden. In de JLoI staat wat het kabinet en het bedrijf willen gaan doen en het nu kunnen geven van duidelijkheid is ook goed voor de omgeving. Er zal een informatieavond worden georganiseerd voor omwonenden waar de JLoI nader zal worden toegelicht. Omwonenden kunnen zo, goed geïnformeerd, deelnemen aan de publieke (internet)consultatie die is gestart en 6 weken open zal staan7. We kijken uit naar de reacties van verschillende omwonenden in deze consultatie. De reacties op de consultatie worden meegenomen bij het vormgeven van de uiteindelijke maatwerkafspraak.
Bent u bereid alleen maatwerkafspraken met Tata Steel aan te gaan als de omwonendenorganisaties zoals Dorpsraad Wijk aan Zee, Frisse Wind en Gezondheid op 1 ook akkoord hebben gegeven? Zo nee, waarom laat u dan weer de omwonenden in de steek?
Nee. Het kabinet en de Kamer gaan over het besluit om een maatwerkafspraak te ondertekenen. Het kabinet overlegt regelmatig met organisaties van omwonenden en belanghebbenden over de maatwerkafspraak met Tata Steel. Daarbij maakt het kabinet een goede afweging tussen de verschillende belanghebbenden, met inbegrip van maar niet uitsluitend deze genoemde organisaties. Het kabinet bereidt op dit moment een publieke consultatie voor. Omwonenden en belangengroepen kunnen bij deze consultatie aandachtspunten inbrengen naar aanleiding van de JLoI. De inbreng die hieruit volgt zal worden meegenomen in de afweging over de definitieve afspraken.
Wat zijn de korte termijn harde garanties voor de verbetering van de gezondheid van omwonenden?
Naast de geldende wet- en regelgeving, werkt het kabinet aan het sluiten van een maatwerkafspraak om tot verbetering van de gezondheid van de omwonenden te komen.
Wanneer de maatwerkafspraak is ondertekend, is TSN gebonden aan de realisatie van de projecten binnen Roadmap+, worden in 2027 monitoringsystemen voor zowel geluid en geur gerealiseerd en daaropvolgend maatregelen getroffen tegen piek hinder, en worden windschermen en een aantal overkappingen in 2027 opgeleverd ter vermindering van fijnstof. De realisatie van deze projecten leidt tot gezondheidswinst voor omwonenden.
Na de bouw van de DRP-EAF zullen er ook maximale waarden gelden voor de totale jaarlijkse emissies van Tata Steel voor een groot aantal stoffen. Deze zijn terug te vinden in artikel 3.2 van de JLoI. Het is de bedoeling om deze waarden in een maatwerkafspraak als resultaatsverplichtingen op te nemen, waardoor harde garanties op verbetering van de leefomgeving ontstaan.
Kunt u ons het oordeel (laten) sturen van Expertgroep Gezondheid IJmond over de laatste en ondertekende versie van de JLoI?
De Expertgroep Gezondheid IJmond heeft samen met de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) op 17 september 2025 een advies gegeven op de concept JLoI. Deze adviezen zijn zoveel mogelijk overgenomen in de definitieve JLoI, zoals ook toegelicht in de begeleidende Kamerbrief bij de JLoI. De definitieve JLoI is op 29 september 2025 ondertekend. Het advies op de concept JLoI is samen met de definitieve JLoI met de Kamer gedeeld. Er is op de definitieve JLoI geen additioneel advies van de AMVI en Expertgroep opgesteld; hierin voorziet het proces van de maatwerkaanpak niet.
Er is veel kritiek geweest op de Milieueffectrapportage (MER) van het plan van Tata Steel en de toezichthouder omgevingsdienst heeft Tata gevraagd om de MER te corrigeren; is het MER inmiddels goedgekeurd door de toezichthouder?5
TSN heeft op 29 september 2025 een gecorrigeerd MER ingediend voor het project HeraCless/Groen Staal. Het gecorrigeerde MER wordt momenteel beoordeeld door het bevoegd gezag (de provincie Noord-Holland) en de Commissie mer. Tijdens dit beoordelingsproces kan TSN door het bevoegd gezag worden gevraagd om aanvullende informatie aan te leveren. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of het MER voldoende onderbouwing is voor de vergunningaanvragen.
Waarom is er niet gewacht op de publicatie van de Gezondheidseffectrapportage (GER) of in ieder geval een onafhankelijke rapportage dat laat zien hoeveel gezondheidswinst er wordt gehaald?
De GER is een nieuw instrument, dat zal laten zien wat de geschatte gezondheidseffecten van de beoogde maatwerkafspraak met TSN zullen zijn. Zoals ook in eerdere debatten en het schriftelijk overleg is gemeld, wordt een GER-TSN momenteel opgesteld door het RIVM, de GGD Kennemerland, en een expert van het Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht onder voorzitterschap van ABDTOPConsult. Deze werkgroep heeft aangegeven dat een GER idealiter wordt opgesteld op basis van een definitieve MER, die ook beoordeeld is door de Commissie mer en het bevoegd gezag, omdat de data dan volledig gevalideerd zijn. Tegelijkertijd vraagt de Kamer om zo spoedig mogelijk een GER op te stellen. Daarom wordt er een balans gezocht tussen nauwkeurigheid en snelheid. Doordat de GER voor het eerst wordt uitgevoerd en de uitvoering afhankelijk is van de m.e.r.-procedure, is de exacte duur van de verdere uitvoering niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
De GER zal geen oordeel bevatten over de vraag of de voorgenomen maatregelen voldoende of onvoldoende zijn om de gezondheid van werknemers en omwonenden te borgen; het is een instrument om de gezondheidseffecten in kaart te brengen. Of de effecten voldoende zijn is een politieke afweging die het kabinet en de Kamer zullen moeten maken, op het moment dat de uitkomsten beschikbaar zijn.
Het kabinet heeft besloten niet te wachten op een GER met het tekenen van de JLoI, omdat dit een tussenstap is richting het komen tot een maatwerkafspraak. Het advies van de AMVI, samen met de Expertgroep heeft het kabinet gesteund om niet te wachten met het tekenen van de JLoI, maar in te zetten op het zo snel mogelijk komen tot een maatwerkafspraak. In de conclusie van het advies wordt namelijk het belang erkend om zo spoedig mogelijk tot resultaten te komen op het gebied van gezondheid en klimaat. Er zijn nog een aantal stappen te zetten om tot een maatwerkafspraak te komen. (Tussentijdse) inzichten die worden opgedaan bij de uitvoering van de GER-TSN zullen zoveel mogelijk worden betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraak. Daarnaast is in de JLoI de afspraak opgenomen dat de uitkomsten van de GER worden betrokken bij het vaststellen van o.a. de maximale emissies (artikel 11.12.d).
Door wie wordt precies vastgesteld hoeveel gezondheidswinst het plan van Tata daadwerkelijk gaat opleveren en wanneer krijgt de Kamer dit te horen?
Zie het antwoord op vraag 20.
Waarom komt er in de JLoI nauwelijks naar voren hoe de gezondheid van de omwonenden bewaakt moet worden?
In artikel 3.2 van de JLoI zijn de doelen opgenomen om de gezondheidsrisico's van omwonenden te adresseren. Hier staan onder andere maximale jaarlijkse emissiedoelstellingen voor de fabriek voor onder andere stikstof, fijnstof, en een aantal zeer zorgwekkende stoffen en metalen opgenomen. De doelen zijn in de JLoI dus wel degelijk opgenomen en zullen als een resultaatsverplichting worden opgenomen in de maatwerkafspraak. Ook zijn de kaders over hoe deze doelen geborgd zullen worden opgenomen in artikelen 6.8, 7.2, 11, 12. Deze kaders zullen nog nader uitgewerkt worden in de maatwerkafspraak. Zo is in de JLoI de afspraak opgenomen dat de uitkomsten van de GER worden betrokken bij het vaststellen van o.a. de maximale emissies (artikel 11.12.d).
Vertrouwt u de uitstootmetingen van Tata Steel, aangezien milieurapportage al eens teruggestuurd is en opnieuw berekend moest worden en Tata Steel eerder op de vingers is getikt door Reclame Code Commissie? Zo ja, waarop baseert u dat vertrouwen?
In Nederland is de wet- en regelgeving zo ingericht dat bedrijven hun eigen emissies meten. Het bedrijf is zelf verantwoordelijk om haar emissies inzichtelijk te hebben. Het meten van deze emissies vindt plaats volgens landelijk vastgestelde meetnormen. Bedrijven rapporteren jaarlijks over hun emissies in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV). De OD NZKG controleert het e-MJV van Tata Steel op volledigheid, consistentie en geloofwaardigheid. Zo publiceerde de OD NZKG onlangs nog dat zij bij de beoordeling van het e-MJV jaarverslag heeft geconstateerd dat Tata Steel een significant hogere uitstoot rapporteerde voor meerdere stoffen in 2024 ten opzichte van voorgaande jaren. Ook voert de OD NZKG steeds meer controlemetingen uit in het kader van haar toezicht- en handhavingsactiviteiten.
Alhoewel de noodzaak tot herziening van het MER ongelukkig is en TSN natuurlijk te alle tijden moet streven naar het aanleveren van juiste gegevens, is het in complexe en grote projecten zoals het Groen Staal plan niet ongebruikelijk dat het MER herzien wordt doordat een eerdere versie onvolledigheden bevat.
Het (continu) aanpassen en aanvullen van meetgegevens is dus een gebruikelijke gang van zaken en de hierboven beschreven systematiek borgt de betrouwbaarheid van de metingen. In artikel 8.2.d van de JLoI is afgesproken dat TSN onderzoekt hoe ze onafhankelijke en transparante metingen en monitoring kan versterken, bovenop de wettelijke verplichtingen die TSN op het gebied van meten en monitoren al heeft.
Hoe staat het met het nakomen van afspraken uit het milieuconvenant uit 1992, waarin doelen werden gesteld over vermindering van bijvoorbeeld fijnstof en stikstof (voor 2010) waaraan ook de staalfabriek in de IJmond moest voldoen?6 Wat waren uiteindelijk de resultaten in 2010 (graag een volledig overzicht delen van de uitstoot in relatie tot de doelen) en hoe staat het nu met de uitstoot in relatie tot de doelen die in het milieuconvenant waren gesteld (graag een leesbaar overzicht meesturen)?
Het kabinet is van oordeel dat het niet zinvol is een vergelijking te maken tussen de huidige emissieniveaus en de niet-afdwingbare doelstellingen uit een ruim 30 jaar oud convenant met doelen die inmiddels 15 jaar achter ons liggen. De inspanningen van het kabinet zijn er volledig op gericht om in het hier en nu tot bindende afspraken te komen over forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties, conform de in de JLoI geformuleerde beoogde doelstellingen.
Niettemin treft u hieronder de gevraagde gegevens met betrekking tot de basismetaalindustrie in Nederland aan. Deze gegevens omspannen een periode van bijna 40 jaar. Zonder nader onderzoek, dat het kabinet zoals aangegeven niet zinvol acht, moet terughoudendheid worden betracht met het maken van directe vergelijkingen, bijvoorbeeld omdat meetmethodes of de afbakening van een categorie tussentijds kunnen zijn gewijzigd. De meest evidente beperkingen van deze vergelijking zijn reeds onder de tabel weergegeven.
Zwaveldioxide
16 kton
90%
1,6 kton
6,1 kton
3,0 kton
Stikstofoxiden
8,8 kton
90%
0,9 kton
6,5 kton
5,3 kton
Ammoniak
140 ton
83%
23,8 ton
25 ton
21,2 ton
Vluchtige organische stoffen (VOS)1
3.600 ton
n/b
n/b
1.584 ton
+ 309 ton methaan
1.100 ton
+ 302 ton methaan
Benzeen
12 ton
97,5%
0,3 ton
14,9 ton
19,8 ton
Fenol en fenolaten2
7 ton
50%
3,5 ton
–
–
Etheen
124 ton
90%
12,4 ton
21,4 ton
41,1 ton
Tolueen
118 ton
90%
11,8 ton
53,7 ton
64,0 ton
Koolmonoxide
213 kton
90%
21,3 kton
95,3 kton
49,9 kton
Fluoriden
338 ton
99%
3,38 ton
251,9 ton
7,0 ton
Fijnstof3
7.250 ton
95%
362,5 ton
1.835 ton
939,8 ton
Zink
104 ton
80%
20,8 ton
41,7 ton
14,6 ton
Lood
51 ton
70%
15,3 ton
30,6 ton
0,8 ton
Chroom
1 ton
90%
0,1 ton
0,8 ton
0,3 ton
Cadmium
0,7 ton
80%
0,14 ton
2,8 ton
0,05 ton
Kwik
0,96 ton
70%
0,288 ton
0,2 ton
0,04 ton
Koper
2,1 ton
80%
0,42 ton
1,7 ton
0,2 ton
Arseen
0,54 ton
70%
0,162 ton
0,3 ton
0,06 ton
PCDD’s en PCDF’s (dioxinen)
n/b
90%
n/b
0,002 kg
0,0.001 kg
PAK’s4
23 ton
99%
0,23 ton
0,2 ton
0,1 ton
Zwavelwaterstof
490 ton
90%
49 ton
219,5 ton
83,0 ton
Formaldehyde
0,7 ton
90%
0,07 ton
6,2 ton
5,2 ton
Dichloormethaan2
7,1 ton
90%
0,71 ton
–
–
Trichlooretheen2
5,4 ton
50%
2,7 ton
–
–
Voor VOS stelt het convenant een reductiedoel van 80% in 2000 (dus niet 2010) ten opzichte van 1985. Dat komt neer op een emissiedoel van maximaal 720 ton in 2000. Het is onduidelijk of het genoemde emissieniveau in 1985 inclusief methaan is of niet.
Fenol, fenolaten, dichloormethaan en trichlooretheen zijn stoffen waarvan in de basismetaalindustrie geen emissies zijn te verwachten; dit roept de vraag op waarom deze stoffen wel in de intentieverklaring zijn opgenomen. Mogelijk waren deze emissies er in 1985 wel omdat bij de betreffende bedrijven ook bepaalde chemische industrie was ondergebracht waar deze emissies eerder te verwachten zijn.
In het convenant is «fijnstof» niet nader gedefinieerd; de cijfers uit 2010 en 2024 betreffen PM10.
In het convenant is niet gespecificeerd om welke PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) het gaat. De beschikbare gegevens voor 2010 en 2024 betreffen het totaal van de 4 zogenaamde PRTR-PAK's: benzo(a)pyreen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen en Indeno(1,2,3-cd)pyreen.
Klopt het dat er niet aan de doelen is voldaan uit de afspraken van de jaren 90 en waarom is dit niet alsnog afgedwongen?
Zoals in de tabel in het antwoord op vraag 24 is te zien, verschilt het per stof of het doel in 2010 is behaald. Het betreffende convenant vermeldt expliciet dat het gaat om inspanningsverplichtingen, ook voor onderdelen «waarvan het woordgebruik op een resultaatsverbintenis zou kunnen duiden» (artikel 3.3). Dit convenant bood dus, net als het wettelijk kader, geen grond om het behalen van de geformuleerde reductiedoelen af te dwingen. Dit in tegenstelling tot de resultaatverplichtingen in de beoogde maatwerkafspraak: daarin komen forse, versnelde en afdwingbare emissiereducties, conform de in de JLoI geformuleerde beoogde doelstellingen.
Klopt het dat in zijn eentje Tata Steel nog altijd veel meer fijnstof, zwaveldioxide en stikstof uitstoot dan de hele sector volgens de afspraken mocht uitstoten in 2010? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Dat klopt. Aangezien het in 1992 ging om een inspanningsverplichting ten behoeve van niet-afdwingbare doelen (zie ook het antwoord op vraag 25), is het des te belangrijker om in de maatwerkafspraken versnelde en afdwingbare emissiereducties vast te leggen, conform de in de JLoI geformuleerde beoogde doelstellingen.
Klopt het dat dat een belangrijke milieu-installatie die in 2013 in gebruik werd genomen bij Tata er vooral kwam omdat omwonenden van Tata Steel in 2007 een rechtszaak hadden aangespannen tegen de nieuwe vergunning van de staalfabriek en afdwongen dat er een doekfilter moest komen bij de sinterfabriek, terwijl de provincie die zelf niet in de vergunning had gezet?
Het bevoegd gezag heeft in 2007 de revisievergunning wet Milieubeheer van, toen nog, Corus Staal BV vastgesteld. In de revisievergunning is destijds beoordeeld dat de Sinterfabriek voldeed aan de Best Beschikbare Technieken (BBT). In dat kader is geen onderzoeksverplichting opgelegd naar verdere verlaging van de emissies, bijvoorbeeld middels een doekfilter. In de bezwaar- en beroepsprocedure horende bij dit besluit is destijds door de Dorpsraad Wijk aan Zee aangegeven dat bij een Sinterfabriek elders in Europa wel gebruik werd gemaakt van een doekfilter. Op 28 mei 2008 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat TSN inderdaad voldeed aan de BBT-vereiste, maar omdat de BBT documenten ook een revisie ondergingen, er toch aanvullend onderzoek moest plaatsvinden naar verdere emissiereductie. Op 30 december 2009 heeft de Bestuursrechtspraak van de Raad van State wederom een uitspraak gedaan over de vaststelling van een revisievergunning wet Milieubeheer op 28 oktober 2008. Naar aanleiding van beroepsgronden van de regionaal inspecteur van de VROM-Inspectie Regio Noord-West en de Dorpsraad Wijk aan Zee is toen een start gemaakt met de realisatie van een proefinstallatie voor rookgasreiniging met doekfilters bij de sinterfabriek. Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat het doekfilter in de vergunningvoorschriften is opgenomen.
Is het milieuconvenant destijds ook gepaard gegaan met steun aan de staalindustrie, ten koste van de belastingbetaler? Zo ja, hoeveel heeft dat gekost?
Voor zover bekend is er in het kader van de intentieverklaring uit 1992 geen steun aan de staalindustrie verleend.
Bent u zich bewust van het feit dat van het staal dat Tata Steel in IJmuiden produceert, ongeveer 90% wordt geëxporteerd? Waarom neemt u dan de misleidende opmerking op in de eerste alinea van de JLoI dat Tata Steel Nederland jaarlijkse productie (6-t Mton) ongeveer gelijk is aan de staalconsumptie in Nederland (5–6 Mton)?
De aangehaalde verwijzing in de JLoI dient als illustratie voor de schaal van de staalproductie in relatie tot het nationale gebruik. Het doel van deze illustratie is niet om een vergelijking te maken van de geografische verdeling van afzetmarkten, maar om de verhouding tussen het productievolume van TSN en de totale binnenlandse staalvraag aan te tonen, en ordegrootte van het productievolume van TSN weer te geven.
Aan TSN is gevraagd om te reflecteren op het genoemde exportpercentage van 90%. TSN geeft aan dat zij meer dan 80% van het staal verkoopt aan afnemers binnen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Het overige staal wordt verkocht aan afnemers binnen andere markten, waaronder de Verenigde Staten van Amerika.
Het gaat in de JLoI vaak over de circulaire economie; deelt u de mening dat gevaarlijke stoffen hergebruiken zonder dat ze getoetst zijn op milieu- en gezondheidseffecten tegen het principe van de circulaire economie ingaat? Op welke manier komen er onafhankelijke toetsen op gezondheidseffecten?
Hergebruik van materialen is een vorm van «voortgezet gebruik». Dit houdt in dat producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als waarvoor zij bedoeld waren. Voor hergebruik gelden toetsingsgronden, waaronder rechtmatig gebruik. Het materiaal moet voldoen aan zowel de wettelijke eisen volgend uit het stoffen- en productenrecht als aan privaatrechtelijke normen om in aanmerking te komen voor de voortgezet-gebruiksstatus. Daarnaast betekent deze toetsingsgrond dat moet worden vastgesteld dat het gebruik over het geheel genomen geen ongunstig effect heeft op het milieu of de volksgezondheid. Het is dus niet zo dat stoffen hergebruikt mogen worden zonder dat deze getoetst zijn op milieu- en gezondheidseffecten.
Wellicht werd in de vraag gerefereerd aan het toepassen van productieresiduen (zoals bijvoorbeeld staalslak) in plaats van aan hergebruik.
Er kan sprake van dergelijke zogenaamde bijproducten zijn als deze aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen, zie hieronder. Ook in de voorwaarden die daarvoor gelden, is aandacht voor milieu en gezondheidseffecten, specifiek in voorwaarde d van artikel 1.1, lid 4 Wm: het is zeker dat de stoffen, mengsels of voorwerpen zullen worden gebruikt;
Het is van belang dat bij het gebruik van stoffen ongeacht of ze primair, hergebruikt, of voortkomen uit productieresiduen, deze getoetst worden op milieu en gezondheidseffecten zodat ze veilig worden toegepast. Daar is zoals ik hierboven heb beschreven de huidige wet- en regelgeving al op ingericht. Momenteel wordt het beleid rondom de toepassing van staalslakken herzien om dit in de toekomst nog beter te borgen. U wordt hier separaat over geïnformeerd.
Begrijpt u dat zolang we voor staal afhankelijk zijn van aanvoer van nieuw ijzererts uit verre landen, we niet onafhankelijk worden? Uit welke landen wilt u ijzererts blijven aanvoeren?
Zoals de Minister van Klimaat en Groene Groei geantwoord heeft op eerdere vragen is Europa voor de productie van staal grotendeels afhankelijk van de importen van ijzererts uit diverse landen wereldwijd. Daarbij is Australië als grootste producent verantwoordelijk voor ongeveer 30% van de productie van ijzererts. Daarnaast zijn er diverse andere landen waar in ijzerertsmijnen ijzererts gedolven wordt en die de productie van ijzererts kunnen overnemen mochten er toeleveringsproblemen zijn in een bepaalde regio in de wereld. Het is aan het bedrijf zelf om op basis van bedrijfseconomische overwegingen te bepalen uit welke landen het benodigde ijzererts ingevoerd wordt.
Begrijpt u dat zolang we nieuw ijzererts blijven winnen voor staal, er geen sprake is van volledige circulaire economie?
Ja. Een circulaire economie kan echter niet van de ene op de andere dag gerealiseerd worden, bijvoorbeeld omdat met circulair staal op dit moment nog niet altijd de beoogde kwaliteit staal te maken valt. Met de beoogde maatwerkafspraak wordt bijna één derde van de input in het staalproductie proces van Tata Steel schroot waardoor de vraag naar nieuw ijzererts afneemt. Hiermee wordt een stap richting een circulaire economie gezet.
Bent u bereid om te verkennen op welke manier we volledig zouden kunnen overgaan naar echt circulair gebruik van staal, zonder winning van nieuw ijzerts en met inzet op nieuwe, bio-based materialen? Bent u het met ons eens dat dat een wenselijke transitie zou zijn, ook om echt Europees onafhakelijk te kunnen worden?
Tijdens het tweeminutendebat Circulaire Economie van 2 oktober jongstleden heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven positief te staan tegenover een zogenaamde metaaltafel. Aan deze tafel zou het verkennen van perspectieven voor een circulaire metaalsector in de brede zin het gespreksonderwerp moeten zijn. Zoals ook in de vorige vraag aangegeven, wordt met de beoogde maatwerkafspraak al een goede stap richting circulair gebruik van staal gezet. De overstap naar volledig circulair gebruik van staal vraagt verandering in verschillende plekken in de keten. Door het verhogen van de schroot opname van TSN zal naar verwachting ook op andere plekken in de keten een stimulans ontstaat om meer circulair te werken omdat de vraag naar hoogwaardig schroot zal toenemen. Ook zal het bedrijf nieuwe inzichten opdoen om in de toekomst haar schrootopname nog verder te verhogen om in 2050 een schone, circulaire en klimaatneutrale productie te realiseren.
Wat gebeurt er als uit het onderzoek naar nieuwe toepassingen voor staalslakken, de enige toezegging die Tata Steel Nederland doet over het verantwoord omgaan met deze afvalstof, geen goedkoop alternatief komt?
De stelling dat TSN maar één toezegging doet over het verantwoord omgaan met staalslakken is onjuist. In artikel 10.2.b zijn vier specifieke toezeggingen opgenomen. De vraag verwijst alleen naar de vierde toezegging om projecten om de kwaliteit van staalslak te verbeteren. Daarnaast heeft TSN ook een update van de CLP gevaarindeling geïnitieerd op basis waarvan ook het REACH dossier zal moeten worden geactualiseerd, neemt TSN een grotere ketenverantwoordelijkheid door van klanten bevestiging te vragen dat ze het risicodocument begrepen hebben voor ze staalslak toepassen, en zullen ze in dit risicodocument uitgebreid aandacht geven om schade aan de gezondheid te voorkomen.
Kunt u uitsluiten dat de er belastinggeld gaat naar onderzoek naar of ontwikkeling van nieuwe toepassingen voor staalslakken? Zo niet, waarom laat u de belastingbetaler weer opdraaien voor problemen van staalbedrijven als Tata Steel?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief bij de JLoI, verstrekt de staat maximaal 2 miljard euro voor de DRP-EAF en aanvullende milieumaatregelen. Een van de onderdelen van de milieumaatregelen zijn maatregelen bij het verwerken van staalslak op het Tata Steel terrein. Deze maatregelen zijn beoogd omdat de verwerking van staalslak een grote bron is van de uitstoot van fijnstof, een stof met veel impact op de gezondheid van omwonenden. De subsidie mag niet ingezet worden om onderzoek te doen naar nieuwe toepassingen voor staalslakken, maar wel voor projecten met betrekking op de verwerking van staalslakken op het terrein. De steun is alleen voor de realisatie van deze maatregelen en hier wordt streng op getoetst. In de maatwerkafspraak worden hier duidelijke afspraken over gemaakt.
Wordt in het risicodocument ook gekeken naar de lange termijneffecten van contact met staalslak en de lange termijneffecten van staalslak in het milieu? Zo ja, naar welke termijn wordt gekeken?
Tata Steel werkt op dit moment aan de precieze invulling van dit risicodocument. Zodra hier meer bekend over is kan deze vraag worden beantwoord.
Klopt het dat de GER gewoon genegeerd kan worden in het verdere proces en verder niet juridisch bindend is? Zo nee, welke verplichtingen zijn hier dan wel over opgenomen?
De GER wordt op dit moment uitgevoerd en zal laten zien wat de geschatte gezondheidseffecten zijn van het Groen Staal Plan. De GER bouwt voort op het MER. De GER geeft echter geen oordeel of de maatregelen voldoende zijn. Dit oordeel is uiteindelijk een politieke afweging die het kabinet en de Kamer moeten maken voor het sluiten van een maatwerkafspraak.
In de JLoI zijn reductiedoelen opgenomen voor stoffen die een negatieve impact hebben op de leefomgeving en/of de gezondheid van omwonenden. In de maatwerkafspraak worden afspraken vastgelegd over het behalen en borgen van deze doelen. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 20 en 22 worden tussentijdse inzichten die worden opgedaan bij de GER-TSN zoveel mogelijk betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraak. In de JLoI is in artikel 11.12.d de afspraak opgenomen dat de uitkomsten van de GER worden betrokken bij het vaststellen van o.a. de maximale emissies.
Waar in de JLoI kunnen we de afspraak over de reductie voor oa PAK’s zien, aangezien de Kamer heeft uitgesproken alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond als randvoorwaarde te willen voor de maatwerkafspraken en de Expertgroep adviseerde een reductie van 90% voor PAK’s, benzeen en een selectie aan metalen? Als deze niet is opgenomen, waarom negeert u dan de Kamer hierin?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 14 heeft het kabinet de adviezen van de Expertgroep zoveel mogelijk overgenomen maar het is niet altijd mogelijk om binnen de scope van de maatwerkafspraak alle adviezen over te nemen zoals eerder toegelicht in reactie op het tweede advies van de Expertgroep. Om een reductie van minstens 90% te behalen voor PAK's, benzeen en andere metalen, dienen meer maatregelen genomen te worden, aanvullend op de huidige, beoogde milieumaatregelen.
Het kabinet kiest ervoor om de huidige plannen zo snel als mogelijk om te zetten in een maatwerkafspraak en tot realisatie te brengen om, ondanks dat het door de Expertgroep geadviseerde doel niet volledig wordt behaald, wel een flinke verbetering voor de gezondheid te kunnen realiseren.
Waarom zijn de geadviseerde reductiedoelen voor PM2.5 en fijnstof niet meegenomen terwijl deze een groot risico vormen voor de volksgezondheid?
Dit is onjuist. Fijnstof was altijd al een cruciaal onderdeel van de beoogde maatwerkafspraak juist omdat het een groot risico vormt voor de volksgezondheid. Echter waren er alleen doelen opgenomen voor PM10, omdat Tata Steel relatief een grote bijdrage levert aan de PM10 concentraties in de leefomgeving. Op basis van het advies van de AMVI en de Expertgroep zijn in de JLoI aanvullend afspraken toegevoegd over PM2.5 en ultrafijnstof.
Waarom is er geen voorwaarde opgenomen dat de uitstoot van dioxines niet mag stijgen, aangezien de uitstoot van dioxines stijgt flink in het plan dat beschreven wordt in de JLoI?
De verwachting is dat het Groen Staal Plan leidt tot een toename van de uitstoot van dioxines van 0,3 naar 0,8 gram toxische equivalentiefactor per jaar. Het kabinet acht deze toename niet per definitie onverantwoord, gezien de forse afnames van andere voor de gezondheid schadelijke emissies (o.a. fijnstof 38%, NOx 44%, Lood 68%) als gevolg van het Groen Staal Plan. Daarom zijn hierover geen aanvullende eisen gesteld in de JLoI.
De toename van dioxines ontstaat doordat TSN het productieproces meer circulair gaat maken door meer schroot te gaan gebruiken. Er zit meer vervuiling in schroot, wat bij verwerking leidt tot een toename van dioxine-emissies. Het bedrijf neemt maatregelen om de dioxine-emissies zoveel mogelijk te beperken: allereerst wordt bezien of verontreiniging aan de bron voorkomen kan worden (bij de schrootinname). Ten tweede worden in het vervolgproces stappen genomen om dioxinevorming te voorkomen. Ten derde wordt de gasreinigingsinstallatie zo ontworpen dat dioxines zoveel mogelijk worden afgevangen.
Het bevoegd gezag zal in het kader van de vergunningverlening nog beoordelen of hiermee adequaat invulling is gegeven aan de regelgeving op het gebied van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).
Waarom is het advies voor een onafhankelijke gezondheidsmonitoring voor (ex-)werknemers niet overgenomen?
TSN heeft onderzoek uitgevoerd naar de sterfte onder ex-werknemers. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van oversterfte onder ex-werknemers. TSN blijft de gezondheid van ex-werknemers volgen en blijft maatregelen nemen om de belangen van werknemers te beschermen. Dit betreft het uitvoeren van wettelijke verplichtingen zoals risico-inventarisaties en evaluaties en de daarbij horende actieplannen inclusief het nemen van passende maatregelen om de gezondheidsbelangen van werknemers te beschermen. De afspraak om de gezondheid van werknemers te blijven monitoren is opgenomen in artikel 10.1, onder g, van de JLoI. Dit artikel voorziet ook in opvolging van het advies van de AMVI en de Expertgroep om een onafhankelijke en vooruitziende gezondheidsmonitoring voor huidige en vroegere werknemers op te zetten.
Kunt u meer vertellen over het proces van Tata Steel over de update voor REACH-classificatie van staalslak en wat Tata Steel precies hoopt te bereiken en wanneer hier een beslissing over gemaakt wordt?
Naar aanleiding van het bericht van het RIVM dat staalslakken gevaareigenschappen hebben, heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) hiervoor aan Tata Steel een voornemen last onder dwangsom (vLOD) gestuurd. Tata Steel had tot 21 oktober 2025 de tijd om hierop haar zienswijze te geven. Afhankelijk van de inhoud en evaluatie van deze zienswijze besluit het ILT of er een last onder dwangsom wordt opgelegd. Voor de volledigheid, gevarenindelingen worden gereguleerd door de Europese verordening inzake indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP).
Wij hebben navraag gedaan bij Tata Steel over de stand van zaken van deze evaluatie/update. Tata Steel heeft aangegeven dat het bestaande dossier wordt geëvalueerd en aangevuld. Er worden aanvullende onderzoeken uitgevoerd ten aanzien van oogletsel en luchtwegirritatie. Uit de resultaten van deze aanvullende onderzoeken moet blijken of en welke aanpassingen moeten plaatsvinden in de CLP-gevarenindeling.
Klopt het dat de afspraak ontbonden kan worden als Tata extra kosten moet maken voor het verwerken van staalslakken, bijvoorbeeld als het schoonmaken voordat deze gedumpt worden verplicht wordt gesteld?
Dit klopt niet. In de JLoI zijn geen ontbindende voorwaarden opgenomen, maar opzeggronden. Voor deze situatie zou Tata Steel geen beroep kunnen doen op de opzeggronden in artikel 15. De specifieke opzeggrond rondom staalslak staat in artikel 15, vierde lid, onderdeel c: Het nationale beleid of de nationale beleidsmaatregelen met betrekking tot staalslakken veranderen op een zodanige wijze dat dit een aanzienlijk negatief effect heeft op de activiteiten, projecten, bedrijfsvoering of financiële positie van TSN. De opzeggrond over staalslakken heeft dus alleen betrekking op wijzigingen in nationaal beleid rondom staalslakken die de business case van TSN aanzienlijk negatief beïnvloeden. Het voorbeeld dat u noemt zou geen opzeggrond zijn omdat het nu al niet is toegestaan om staalslakken te dumpen. Er is dus geen sprake van verandering van nationaal beleid.
De ontbindende voorwaarden over de staalslakken in de JLoI gaan volgens de Staatssecretaris over «de classificatie van het product» en niet over de «toepassing» van staalslakken, maar in de tekst van JLoI wordt dat onderscheid niet gemaakt, dus waar in de tekst van JLoI staat precies dit onderscheid beschreven?
Zoals ook in antwoord op vraag 43 is toegelicht zijn er in de JLoI geen ontbindende voorwaarden opgenomen. In de opzeggrond met betrekking tot staalslakken wordt geen onderscheid gemaakt tussen nationale maatregelen over de toepassing versus de classificatie van staalslakken. Op dit moment wordt, zoals ook aan de Kamer is aangekondigd, het beleid over de toepassing van staalslakken in Nederland herzien en is er een tijdelijk verbod op bepaalde toepassingen van LD en ELO-staalslak.10 Voor de classificatie van materialen als bijproduct (waaronder ook staalslakken) bestaat momenteel al een wettelijk kader op basis van Europese wetgeving (zie ook vraag 30). Tenslotte wordt op basis van de Europese CLPverordening de gevaarindeling van producten bepaald (zie ook vraag 42). Een wijziging van CLP valt buiten de opzeggronden in de JLoI omdat die alleen betrekking hebben op nationaal beleid.
Waarom wilde Tata Steel deze ontbindende voorwaarde per se in de JLoI en waarom bent u ermee akkoord gegaan?
De maatwerkafspraak vraagt om een grote investering van het bedrijf en het moederbedrijf, naast een subsidiebijdrage van de staat. Het bedrijf is in haar businesscase voor deze investering uitgegaan van de bestaande wetgeving en beleid met betrekking tot staalslakken. Indien er wijzigingen in het nationale beleid komen die aanzienlijk negatieve invloed hebben op, kort gezegd, de businesscase van TSN, is het bedrijf mogelijk niet meer in staat om de benodigde investering voor de maatwerkafspraak te doen. In dat geval zijn de verplichtingen uit de JLoI om zich in te spannen om tot een maatwerkafspraak te komen niet meer haalbaar voor het bedrijf. Deze opzeggrond doet overigens geen enkele afbreuk aan de verplichting van het bedrijf om op verantwoorde wijze om te gaan met staalslakken, in overeenstemming met de huidige, toepasselijke regels en wetgeving. Ook laat dit de mogelijkheden om het nationale beleid aan te scherpen onverlet.
Geldt zo’n ontbindende voorwaarde op het moment dat Nederland staalslakken gaat aanmerken als een afvalproduct? Of als we export en import van staalslakken op een bepaalde manier zouden willen beperken?
Het is niet mogelijk om staalslakken generiek wel of niet als afvalstof aan te merken. De afvalstatus (of de status als bijproduct of einde-afvalstof) wordt bepaald door hetgeen in de EU Kaderrichtlijn afvalstoffen en de Wet milieubeheer hierover is geregeld en moet per geval worden beoordeeld. Ten aanzien van de export en import is van belang hetgeen hierover is geregeld in de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) en is Europeesrechtelijk bepaald.
De opzeggrond in de JLoI ziet alleen op wijzigingen van nationaal beleid met een aanzienlijk negatief effect, en geldt dus niet voor wijzigingen in bovengenoemde Europese regelgeving.
Deze opzeggrond staat niet in de weg bij het maken of aanpassen van nationaal beleid rondom staalslakken. Op het moment dat beleidskeuzes een significante invloed hebben op de activiteiten, projecten, operatie of financiële positie van het bedrijf, dan heeft het bedrijf de mogelijkheid – niet de verplichting – om de JLoI op te zeggen.
De Staatssecretaris zei in het laatste debat over de leefomgeving: «Tata heeft een opzeggrond die het bedrijf kan inroepen op het moment dat het nationaal beleid ten aanzien van het product dusdanig verandert dat de businesscase significant negatief wordt beïnvloed.» Kunt u drie voorbeelden noemen – anders dan het voorbeeld in het commissiedebat – waarin zo’n opzeggrond zou gelden?
De opzeggrond geldt volgens de JLoI wanneer het nationale beleid of de nationale beleidslijnen met betrekking tot staalslakken zodanig veranderen dat dit een significante negatieve invloed heeft op de activiteiten, projecten, operatie of financiële positie van het bedrijf. Deze opzeggrond is opzettelijk niet verder ingekaderd omdat de toekomstige ontwikkelingen op dit terrein niet te voorzien zijn. Het noemen van voorbeelden is daarom onverstandig en zal de onderhandelingspositie van de staat kunnen schaden.
Kunt u per ontbindende voorwaarde waar Tata Steel zich op kan beroepen precies uitleggen wat ermee wordt bedoeld en bij elke voorwaarde twee voorbeelden noemen?
De JLoI bevat een aantal opzeggronden. Hieronder zijn deze opzeggronden geparafraseerd vanuit de Engelse taal waar Tata Steel zich op kan beroepen opgenomen. Voor de volledigheid, de Engelse ondertekende versie van de JLoI is uiteindelijk leidend. Alle partijen kunnen zich beroepen op de volgende opzeggronden (Artikel 15.2):
Op basis van artikel 16 mag iedere partij ook de JLoI opzeggen indien het (volgende) parlement de maatwerkafspraak controversieel verklaart en/of een volgend kabinet het maatwerkbeleid besluit niet voort te zetten.
Voor het bedrijf geldt dat de JLoI voortijdig opgezegd mag worden (Artikel 15.4) wanneer:
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 47 is aangegeven is het onverstandig om voorbeelden te geven bij de opzeggronden en het de onderhandelingspositie van de staat zou kunnen schaden.
Waar moet het aardgas dat één van de twee kolencentrales moet vervangen vandaan komen? Verhogen wij daarmee onze afhankelijkheid van de Verenigde Staten? Zo niet, van welke regimes stijgt dan de afhankelijkheid?
Tata Steel is zelf verantwoordelijk voor de inkoop op de groothandelsmarkt van aardgas dat zij nodig heeft. Op de groothandelsmarkt wordt gas verhandeld dat afkomstig is van verschillende bronnen: gas dat in Nederland is geproduceerd, gas dat is geïmporteerd via pijpleidingen (uit Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk of België) of gas dat is geïmporteerd in de vorm van LNG, bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten. Het valt dus niet op voorhand te zeggen dat Tata Steel gas zal verkrijgen uit het buitenland en ook niet uit welk specifiek land. Door de afbouw van de Nederlandse aardgasproductie ligt het echter wel voor de hand dat een deel van het aardgas geïmporteerd dient te worden. Het kabinet heeft uiteraard aandacht voor de strategische autonomie en de leveringszekerheid van aardgas, onder meer door een zo divers mogelijke import mogelijk te maken.
Klopt het dat CO2-emissie in werkelijkheid de afgelopen 5 jaar gemiddelde 10,7 miljoen ton C02 (niet 12,6 wat het theoretisch maximum is) en dat de eerste 1,9 ton reductie dus geen extra inspanningen vragen van Tata Steel?
Aan TSN is gevraagd om te reflecteren op de werkelijke, gemiddelde uitstoot van CO2. TSN geeft in reactie aan dat de CO2-emissies van TSN in de afgelopen 10 jaar tussen de 8,4 en 12,7 Mton waren. Het klopt dus niet dat een emissie van 12,6 Mton per jaar een theoretisch maximum betreft. De eerste afspraken tussen bedrijf en overheid, vastgelegd in de Expression of Principles, zijn in 2021 gemaakt. Hierbij was sprake van een baseline van 12,6 Mton. De gemiddelde uitstoot in de periode 2015–2019 was 12,3 Mton per jaar met een piek van 12,7 Mton. TSN rapporteert deze emissies jaarlijks en deze worden door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEA) geverifieerd binnen het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS). Sinds enkele jaren is de emissie lager door een lagere staalproductie. Redenen hiervoor zijn incidentele gebeurtenissen (Covid) en de renovatie van Hoogoven 6 in 2023–2024.
In de JLoI wordt de uitstoot bij maximale productiecapaciteit in de nieuwe situatie vergeleken met de uitstoot van maximale productie in de huidige situatie. Op basis van deze maximale productiecapaciteit is ook de maximale restemissie bepaald waarop gemonitord zal worden. Daar komt bij dat TSN het project volledig moet uitvoeren voor de subsidie definitief wordt vastgesteld. Dit betekent dat de DRP-EAF moet zijn gebouwd en operationeel moet zijn. Het klopt dus niet dat TSN zonder extra inspanningen kan voldoen aan de voorwaarden.
Klopt het dat de beschikbaarheid van biomethaan zeer onzeker is? Zo niet, waar baseert u zich dan precies op?
De Europese en wereldwijde biomethaan markt is volop in ontwikkeling. De Nederlandse overheid draagt actief bij aan deze ontwikkeling met beleid gericht op het stimuleren van de biomethaan markt, zowel aan de afname kant middels de bijmengverplichting voor ETS2 sectoren als aan de productiekant met de SDE++ en de DEI+. Ook grote industriële afnemers, zoals TSN, dragen bij aan de opschaling van de markt doordat zij lange-termijn afnamezekerheid kunnen bieden aan biomethaanproducenten. Ook de AMVI, samen met de Expertgroep, stelt in haar advies dat de vraag vanuit TSN de ontwikkeling van groene markten, zoals voor biomethaan, een impuls kan geven. Externe adviseur Common Futures schat het potentieel voor biomethaan productie in de EU op 100 bcm, ruim voldoende om aan de vraag van TSN te voldoen. Het rapport van Common Futures is meegestuurd bij verzending van de JLoI.
Waarom doet de overheid de toezegging dat (de onrendabele top van) biomethaan en waterstof wordt gedekt? In hoeverre bent u hiermee kwetsbaar voor juridische procedures als er in de toekomst geen subsidie wordt gegeven?
De overheid wil het gebruik van groene waterstof en biomethaan door TSN stimuleren door middel van een lening die onder voorwaarden omgezet kan worden in een subsidie. Deze lening bedraagt maximaal 200 miljoen euro en dient door TSN te worden gebruikt voor het aankopen van groene waterstof en/of biomethaan. Het is niet gegeven dat hiermee de volledige onrendabele top kan worden afgedekt. Indien TSN hiermee succesvol biomethaan en/of groene waterstof aankoopt ter vervanging van aardgas in de DRP, wordt de terugbetalingsverplichting van de lening kwijtgescholden en wordt het een subsidie. In het geval dat TSN geen groene waterstof of biomethaan aankoopt dient de lening te worden terugbetaald met rente en in bepaalde gevallen met een boete voor het niet nakomen van de verplichting.
Waarom is er geen vereiste opgenomen voor sanering van de bodem (tenzij productie stopt), terwijl bekend is dat de bodem zeer ernstig vervuild is? Bent u bereid dit alsnog te doen?
In de JLoI is geen vereiste opgenomen voor sanering van de bodem gedurende de operatie van het bedrijf omdat er voor bodemverontreiniging en -sanering al bestaande wet- en regelgeving is. Zo beoordeelt het bevoegd gezag bij bouwaanvragen ook de bodemconsequenties ervan. Indien nodig zal de bodem binnen het kader van een bouwproject gesaneerd moeten worden. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er humane- en/of ecologische risico's zijn bij het bodemgebruik of als de verontreiniging is ontstaan na 1987.
Sinds de invoering van de Omgevingswet moeten bevoegde gezagen bepaalde categorieën van bedrijven verplichten om financiële zekerheid te stellen voor hun aansprakelijkheden en verplichtingen rond milieuschade, ook als het de bodem betreft. Dit geldt onder andere voor Tata Steel. Het is aan de provincie om de implementatie van de financiële zekerheid vorm te geven. Meer informatie hierover staat in een recente brief van de Provincie.
Hoe bent u op 2 miljard subsidie uitgekomen vanuit het Rijk?
Het kabinet heeft de maximale subsidie begrensd tot € 2 miljard bij het vaststellen van het mandaat. Er is gezocht naar een ambitieus, doelmatig en haalbaar pakket van maatregelen. Het kabinet is van mening dat met dit bedrag zeer kosteneffectief een grote CO2-reductie kan plaatsvinden én dat de leefomgeving voor omwonenden fors zal verbeteren. De AMVI heeft, samen met de Expertgroep, dit in haar advies ook bevestigd.
Uit welke post wilt u de 2 miljard euro gaan betalen, aangezien er in het Klimaatfonds nu 640 miljoen gereserveerd is? Wat zal daarvoor gelaten moeten worden?
Binnen het Klimaatfonds is er in het voorjaar van 2024 € 934 miljoen gereserveerd voor de maatwerkafspraak met Tata Steel. Daarvan is € 500 miljoen afkomstig uit ombuigingen binnen het perceel Verduurzaming Industrie en Innovatie MKB en € 434 miljoen uit loon- en prijsbijstelling van het volledige Klimaatfonds. Het restant aan middelen is niet afkomstig uit het Klimaatfonds en staat op de aanvullende post bij het Ministerie van Financiën.
Klopt het dat er in de JLoI geen besluit wordt genomen over de subsidiering van energiekosten? Kunt u garanderen dat er geen additionele subsidie komt om de netwerkkosten te dekken, gezien de verwachte stijging in netwerkkosten de komende jaren (zie bijv. vooruitzichten Aurora)?
Dat klopt. In de uiteindelijke maatwerkafspraak worden afspraken gemaakt over de totale subsidie aan Tata Steel en de onrendabele top van de projecten, waar de energiekosten ook onderdeel van uitmaken. Zoals de Kamer in de brief over de ondertekening van de JLoI is geïnformeerd, zijn er op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd buiten het bedrag dat nu voor de maatwerkafspraak is gereserveerd. Op dit moment is er geen budgettaire ruimte om de maatwerksubsidie te verhogen of een additionele subsidie te verstrekken ter compensatie voor de nettarieven, als compensatie voor een hogere CO2-heffing of voor het generiek verlagen van de nettarieven. Dit is nog steeds actueel.
Hoe gaat u de stimulans voor biomethaan en groene waterstof financieren en wat zijn de kosten en risico’s voor de belastingbetaler concreet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 52 is de staat voornemens om TSN een lening te verstrekken van maximaal 200 miljoen euro voor de aankoop van groene waterstof en/of biomethaan. De terugbetalingsverplichting van de lening wordt kwijtgescholden als aardgas door biomethaan en/of groene waterstof wordt vervangen en daarmee wordt het een subsidie. Indien slechts gedeeltelijk wordt overgestapt op groene waterstof en/of biomethaan wordt een proportioneel deel van de lening kwijtgescholden. In het geval TSN geen groene waterstof of biomethaan aankoopt dient de lening te worden terugbetaald met rente en mogelijk een boete.
Welke garanties geeft u voor de subsidiering vancarbon capture and storage (CCS)vanuit de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-subsidie (SDE++)? Komt dit bovenop de 2 miljard euro of is dit hier onderdeel van?
Het kabinet kan geen garanties geven voor de subsidiering van CCS. Het is aan het bedrijf om een volledig projectplan aan te dragen voor een subsidie vanuit de SDE++. RVO beoordeelt deze aanvragen. TSN ontvangt vanuit de maatwerkafspraak geen individuele subsidie voor CCS. Eventuele subsidie vanuit de SDE++ zou daarmee aanvullend zijn op de steun die in de maatwerkafspraak wordt overeengekomen.
Klopt het dat er nog wordt gekeken naar andere nationale subsidies zoals Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie (NIKI) om deze subsidie aan te vullen?
Op dit moment wordt voor de subsidie geen bijdrage vanuit de NIKI voorzien. TSN en/of TSL dienen zelf de benodigde financiering te regelen. In deze financiering kan worden voorzien door een lening aan te gaan of door alsnog een aanvraag voor een algemene subsidieregeling in te dienen, bijvoorbeeld de NIKI. Wel kan het bedrijf een aanvraag indienen voor een subsidie vanuit de SDE++. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 58 is het niet volledig uit te sluiten dat TSN gebruikmaakt van andere generieke subsidies.
Klopt het dat er niet uitgesloten is dat er naast die 2 miljard nog extra geld vanuit de overheid in Tata Steel wordt gestoken? Zo ja, kunt u dit toelichten en vertellen over hoeveel geld het mogelijk gaat en waar dat dan naartoe zou gaan?
In de JLoI staat beschreven dat de overheid voornemens is om tot maximaal 2 miljard aan maatwerksteun te geven voor de beschreven projecten van fase 1. Er komt bovenop deze 2 miljard dus geen extra maatwerksubsidie voor fase 1. Ook staat in de JLoI duidelijk dat de overheid voor de tweede fase van de verduurzaming geen maatwerksteun voorziet. Echter is het niet volledig uit te sluiten dat TSN in de toekomst gebruik kan maken van de op dat moment bestaande generieke subsidie-instrumenten.
Wat verstaat u onder «reasonable, suitable and explainable» salarissen en bonussen voor de top van Tata Steel Nederland tijdens het proces van de maatwerkafspraken en wanneer de belastingbetaler 2 miljard in Tata Steel stopt? Hoe groot zijn die bonussen dan concreet (maximaal)?
In de JLoI is in artikel 10.1 vastgelegd dat TSN vanaf de looptijd van de maatwerkafspraak tot en met 5 jaar na oplevering van de projecten een aantal maatregelen neemt op gebied van goed werkgeverschap.
De uitwerking van dit artikel komt in de maatwerkafspraak en is onderdeel van de verdere onderhandelingen.
Bent u zich bewust van het feit dat de vergoeding per lid van de Board of Management bij Tata Steel Nederland de afgelopen 10 jaar 2,5x zo snel zijn gestegen als het gemiddelde salaris per werknemer (uit Tata Steel Nederland jaarverslagen)? Zo niet, wat vindt u hiervan? Valt dit nog binnen uw definitie van «reasonable, suitable and explainable»?
Zie ook beantwoording van vraag 61. De uitwerking van artikel 10.1 van de JLoI komt in de maatwerkafspraak en is onderdeel van de verdere onderhandelingen. Wij hebben deze vraag ook voorgelegd aan TSN met het verzoek voor een reflectie. Het bedrijf geeft aan dat de totale beloning van de Board of Management bestaat uit een vast basissalaris (40%) en een variabele beloning (60%). De afgelopen twee jaar is het vaste basissalaris van de leden van de Board of Management niet verhoogd. De uitbetaling van de variabele beloning is afhankelijk van het behalen van vastgestelde financiële, operationele, veiligheids- en duurzaamheidsdoelstellingen. In de afgelopen twee jaar is geen variabele beloning uitgekeerd. De totale beloning fluctueert over de laatste vier boekjaren door gedeeltelijke overlap van nieuwe en vertrekkende bestuursleden. TSN heeft aangegeven vanaf 2026 een gedetailleerder overzicht van de beloningen van de Board of Management op te nemen in het jaarverslag. Dit is een goede ontwikkeling, omdat dit meer transparantie biedt.
Wat gebeurt er met het al toegekende geld aan Tata Steel Nederland als Tata Steel Nederland tijdens het proces failliet gaat?
TSN ontvangt geen subsidie tot de maatwerkafspraak overeengekomen is en een subsidiebeschikking is verleend. TSN dient zich te houden aan de verplichtingen uit deze beschikking(en), waaronder het realiseren van de projecten binnen de afgesproken tijdsplanning. De subsidie zal door middel van behaalde mijlpalen in tranches worden bevoorschot. Pas als het project volledig is uitgevoerd, wordt de subsidie definitief vastgesteld.
Als TSN failliet gaat nadat de maatwerkafspraak is gesloten en (een deel van) de subsidie is verstrekt, zal de Rijksoverheid zich als schuldeiser voegen in het faillissement om het toegekende subsidiebedrag terug te vorderen. Om de positie van de staat in een dergelijk geval te verbeteren, is in de JLoI opgenomen dat de staat zekerheden krijgt ((zie artikel 7.1.1. onder g). Bij een faillissement beheert, de door een rechtbank aangestelde curator, de afwikkeling van het faillissement en keert schulden uit zover dit mogelijk is. Mocht TSN tijdens de looptijd van de JLoI failliet gaan, dan bestaat de mogelijkheid om de JLoI op te zeggen.
Voor de volledigheid, het relevante staatssteunkader verbiedt dat er steun wordt toegekend aan een bedrijf in financiële moeilijkheden.
Hoe wilt u het geld aan Tata Steel gaan uitlenen voor het gebruik van biomethaan en waterstof, en onder welke financiële voorwaarden?
Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 52 en 57. De lening zou op voorhand worden verstrekt zodat TSN de middelen op eigen risico kan gebruiken om te voorzien in de CAPEX financiering van de DRP-EAF. Indien er geen groene waterstof en/of biomethaan wordt aangekocht, moet TSN de lening terugbetalen inclusief rente en mogelijk een boete. Als de aankoop wel conform de voorwaarden geschiedt, wordt de lening omgezet in een subsidie. De voorwaarden van de lening worden verder uitgewerkt in de maatwerkafspraak.
Hoe is geconcludeerd dat Tata Steel Nederland genoeg kapitaal heeft om zelf bij te dragen gezien het feit dat Tata Steel Nederland de laatste jaren verlies draait en de balansreserves (op dit moment ongeveer 400 miljoen euro) zeer beperkt zijn?
Zie het antwoord op vraag 63. Vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid en lopende onderhandelingen kan op de huidige financiële situatie van TSN niet in het openbaar worden ingegaan.
Wat gebeurt er als er u constateert dat Tata Steel Nederland niet voldoende kapitaal heeft om aan de verplichtingen te kunnen voldoen?
Als voorafgaand aan het sluiten van de maatwerkafspraak blijkt dat TSN zich onvoldoende heeft ingespannen om het benodigde kapitaal beschikbaar te hebben, wordt er geen maatwerkafspraak gesloten. In de maatwerkafspraak worden aanvullende afspraken gemaakt over de financiële zekerheden, controles daarop en de investering van Tata Steel.
Als na de ondertekening van de maatwerkafspraak blijkt dat TSN niet aan de verplichtingen kan voldoen, zoals het uitvoeren van de projecten, dan komt TSN haar contractuele verplichtingen niet na en ontvangt TSN geen subsidie (meer) en moeten eventueel verstrekte voorschotten op de subsidie worden terugbetaald.
Wat gebeurt er als Tata Steel India besluit om toch niet te investeren, gegeven hun eigen website: «There are a lot of issues to resolve and work to be done before us. This includes work we have to do internally, including the completion of the engineering preparedness for this very complex transition & addressing statutory and regulatory aspects related to the coke and gas plants. It also involves external issues including satisfactory resolution of critical policy matters impacting the investment case, obtaining permits for the projects, and agreeing on detailed terms in the binding agreement, before we can consider proceeding towards the investment decision.»?
TSL heeft de JLoI ondertekend en zich dus gecommitteerd aan de inspanningsverplichtingen om te komen tot maatwerkafspraken met resultaatsverplichtingen. Dit ziet onder andere op de financiering van het project, zie hiervoor artikel 7 van de JLoI. Zonder investering van Tata Steel kan het project niet doorgaan.
TSL heeft afgelopen zomer in een persbericht aangegeven gecommitteerd te zijn en heeft einde september 2025 ook de JLoI ondertekend. Mocht TSL toch besluiten om niet te investeren in het Groen Staal Plan, is de verwachting dat de maatwerkafspraak niet doorgaat en TSN geen subsidie ontvangt. Dit is ook het geval als TSL de afgesproken inspanningsverplichtingen in de JLoI nakomt maar deze inspanning niet leidt tot gewenste resultaten. In algemene zin, is het uiteindelijk voor een subsidie nodig dat een partij zich ook wil inzetten om de doelen te behalen waarvoor de subsidie verstrekt wordt. Als dit niet het geval is, kan een aanvrager van een subsidie altijd de aanvraag intrekken.
Is er in lijn met het advies van de Commissie mer een onafhankelijke en transparante nulmeting uitgevoerd bij Tata Steel of wordt die nog uitgevoerd als voorwaarde voor eventuele maatwerkafspraken? Zo niet, hoe kunnen dan afspraken met Tata Steel worden gemaakt op kosten van de belastingbetaler, waaronder de omwonenden?
Het is ons niet duidelijk op welk advies van de Commissie mer u doelt in uw vraag. In het advies van de Commissie over de inhoud van het MER van Tata Steel doet de Commissie geen aanbeveling over onafhankelijke en transparante nulmeting. Mogelijk doelt u met op «een onafhankelijke en transparante nulmeting bij Tata Steel» op dit advies van de Commissie: «Huidige (milieu)situatie en autonome ontwikkeling (twee referentiesituaties): breng de huidige milieusituatie in beeld. Beschrijf daarna de milieusituatie inclusief de autonome ontwikkelingen. Dit is nodig zodat duidelijk is wat de milieueffecten zijn in de huidige situatie (het meest recente representatieve jaar voor indiening van het MER), en wat de milieueffecten zijn na de autonome ontwikkelingen, zoals het programma Roadmap Plus en andere ontwikkelingen waarover al is besloten. Doe dit kwantitatief, op basis van geverifieerde data ten aanzien van emissies, immissies en deposities».
Afdeling 16.4 van de Omgevingswet regelt voor welke projecten een MER verplicht is. Uit artikel 16.43 volgt dat het aan de initiatiefnemer (in dit geval Tata Steel) is om het MER op te stellen. Elk MER dient, volgens artikel 11.16, lid 1, sub c, van het Omgevingsbesluit, een beschrijving te bevatten van «de relevante aspecten van de bestaande staat of kwaliteit van het milieu». Dit wordt de «referentiesituatie» of de «nul situatie» genoemd. Een referentiesituatie staat dus ook beschreven in het MER HeraCless/Groen Staal. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 19 ligt het MER op dit moment ter beoordeling bij het bevoegd gezag en de Commissie mer. In Annex 3 van de JLoI wordt beknopt beschreven waar de referentiesituatie op gebaseerd is.
Kunt een actueel overzicht geven van emissies, immissies en deposities bij Tata Steel, conform het advies van Cmmissie mer?
Het advies van de Commissie mer heeft betrekking op de initiatiefnemer van dit project, dus Tata Steel. Er bestaat aan de zijde van de overheid geen integraal overzicht van deze drie aspecten (emissie, immissie en depositie). Deze zijn namelijk belegd bij verschillende instanties. Bedrijven rapporteren over hun jaarlijkse uitstoot (emissie) in het e-MJV. Het e-MJV van Tata Steel is publiekelijk toegankelijk via de website van de OD NZKG en de emissieregistratie. Het RIVM heeft sinds 2020 meerdere depositiemetingen uitgevoerd in de IJmond. De resultaten van deze depositiemetingen zijn in te zien via de website van het RIVM. In de IJmond staat daarnaast een vast luchtmeetnet waarmee de immissie in het gebied wordt gemeten. De rapporten over immissies zijn toegankelijk via de website van de Provincie Noord-Holland.
De Kamer heeft met de motie Teunissen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 302) al als voorwaarde uitgesproken dat er zo snel mogelijk gezorgd moest worden voor onafhankelijk, continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen bij Tata Steel, inclusief het voor handhaving benodigde cameratoezicht en dat deze data zo veel mogelijk openbaar beschikbaar gemaakt moesten worden; waarom is dit niet in de JLoI geregeld en wanneer gaat u dit alsnog regelen?
Zoals ook in de begeleidende Kamerbrief is beschreven, is de maatwerkafspraak een van de stappen die moeten worden gezet richting een groenere en schonere productie van staal in de IJmond. Naast het maatwerktraject lopen er ook nog andere trajecten die hieraan bijdragen, waaronder de Actieagenda Industrie en Omwonenden. In de Kamerbrief van september 2024 is de Kamer geïnformeerd dat er een onderzoek wordt uitgevoerd om in kaart te brengen wat nodig is om onafhankelijke emissiemetingen de standaard te maken binnen het VTH-stelsel, welke verbeteringen er mogelijk zijn ten aanzien van het meten en controleren van schadelijke emissies bij bedrijven die de gezondheid van omwonenden nadelig kunnen beïnvloeden en wat hiervan de voor- en nadelen zijn. Dit betreft zowel metingen bij de bedrijven zelf als specifieke metingen in de omgeving van bedrijven. Ook wordt gevraagd te onderzoeken welke verbeteringen er mogelijk zijn ten aanzien van de transparantie van de meetdata.
De geldende wetgeving legt de verantwoordelijkheid voor het (laten) uitvoeren van geaccrediteerde metingen bij bedrijven zelf. Daarmee is op voorhand al duidelijk dat het aanpassen van de systematiek – zowel landelijk als specifiek voor Tata Steel – een groot aantal technische, financiële, juridische en operationele uitdagingen kent. Daarom wil het kabinet eerst bovengenoemde onderzoeksuitkomsten afwachten voor verdere stappen worden gezet in de uitvoering van deze motie. De onderzoeken van de actieagenda worden momenteel afgerond en de Kamer wordt hier eind dit jaar over geïnformeerd.
Deelt u de mening dat er zonder een breed, voor burgers transparant en onafhankelijk monitoringsysteem geen deal kan komen omdat het de basis vormt om te kunnen controleren of de doelen gehaald worden, aangezien in de JLoI wordt gesproken over de wens om tot een overeenkomst over een monitoringsysteem te komen?
Zoals ook in de JLoI is opgenomen, is het van belang dat er een monitoringssysteem wordt afgesproken als onderdeel van de maatwerkafspraak. Dit monitoringssysteem zal zoals genoemd in artikel 11.5 en 11.12 van de JLoI nog nader besproken en overeengekomen worden voor het sluiten van een maatwerkafspraak.
Wel zijn in de JLoI bepaalde punten in relatie tot monitoring al overeengekomen. Zo is in artikel 12.2 opgenomen dat het bedrijf regelmatig, maar minstens eenmaal per jaar, openbaar verslag zal uitbrengen over de voortgang van het behalen van de afgesproken doelen. Ook is afgesproken dat het bedrijf voor zowel geur als geluid een monitoringsysteem zal opzetten waarvan de data openbaar gemaakt zullen worden (artikel 3.2b, c).
Waarom wordt er pas vanaf 2027 monitoring voor geur en geluid voorzien en kan dit versneld worden?
In artikel 3.2 van de JLoI wordt gesproken over het uitbreiden en versterken van zowel het geur- als geluidsmonitoringsysteem van het bedrijf. Het is dus niet zo dat er momenteel voor geur en geluid geen monitoring is. Geur wordt al enkele jaren gemonitord door zowel Tata Steel als de Provincie Noord-Holland en de OD NZKG met hun netwerken van elektronische neuzen. Sinds 2007 monitort Tata Steel geluid continu met een geaccrediteerd geluidmeetsysteem. Een geluidbeheerssysteem is destijds door de Provincie Noord-Holland als eis opgenomen in de vergunning. De OD NZKG voert ter controle eigen geluidmetingen uit om de grenswaarden uit de vergunning te controleren.
De uitbreiding en versterking van zowel het geur- als geluidsmonitoringsysteem is beoogd voor 2027. De inzet is om uiterlijk eind september 2026 tot een maatwerkafspraak te komen. Er resteert dan slechts 1 kwartaal voordat het jaar 2027 begint, daarom is de deadline van 2027 overeengekomen in de JLoI.
Wanneer wordt de monitoring op de schadelijke stoffen die worden uitgestoten voorzien?
Monitoring op schadelijke stoffen is voor grote industriële bedrijven waaronder Tata Steel al verplicht op grond van wet- en regelgeving, waaronder het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Dit vindt dus al plaats. De uitstootcijfers van het bedrijf zijn beschikbaar via het openbaar milieujaarverslag (e-MJV) van het bedrijf. Deze gegevens worden gecontroleerd door de OD NZKG. Tata Steel publiceert zelf het verslag; ook via emissieregistratie.nl worden de gegevens toegankelijk gemaakt.
Klopt het dat het ontbreekt aan een controle- en boetesysteem in relatie tot de emissiereductiedoelen?
De JLoI is nog geen definitieve maatwerkovereenkomst. Er zijn nog een aantal onderwerpen die verdere uitwerking behoeven richting het sluiten van een maatwerkafspraak. In artikel 11 van de JLoI zijn verschillende onderwerpen benoemd die nog niet of nauwelijks in de JLoI zijn opgenomen maar die wel onderdeel zullen zijn van de maatwerkafspraak. In relatie tot de vraag zijn specifiek relevant artikel 11.5 (controlesysteem inclusief effectief strafsysteem) en artikel 11.7 (uitbetalingsregeling in relatie tot te behalen mijlpalen). Het controle en boetesysteem zal dus nog nader uitgewerkt worden in een definitieve maatwerkovereenkomst.
Klopt het dat het alleen door kan gaan als aan veel aannames wordt voldaan zoals de nationale CO2 geeft geen kosten voor Tata Steel, verwerking van staalslakken blijven goedkoop voor het bedrijf, de markt voor groen staal wordt lucratief genoeg voor Tata Steel om te concurreren, nettarieven en overige energiekosten worden gesubsidieerd en de kooksgasfabriek 2 hoeft niet eerder dicht door alle overtredingen?
De JLoI bevat enkele opzeggronden, zowel voor het bedrijf als voor de staat. Het is uiteindelijk aan de ondertekenende partijen om een afweging te maken of er een maatwerkafspraak kan worden gesloten. De opzeggronden geven louter de mogelijkheid om de JLoI tussentijds op te kunnen zeggen.
Hoe garandeert u dat de provincie, nu zij als mede-contractspartij bestuurlijk gecommitteerd is aan het slagen van de langetermijntransitie in de JLoI, in de praktijk volledig onafhankelijk blijft bij het uitvoeren van haar wettelijke taak tot onmiddellijke handhaving – zelfs als strenge handhaving (zoals een stillegging) de afgesproken transitietermijnen en de gehele JLoI in gevaar brengt?
Zoals de vraag terecht aangeeft zijn de taken en verantwoordelijkheden van de provincie wettelijk vastgelegd. In artikel 13 van de JLoI is voor de volledigheid afgesproken dat het bevoegd gezag niet wordt beperkt in haar wettelijke taken. Daarmee is benadrukt dat de gemaakte afspraken de wettelijke taken en verantwoordelijkheden op gebied van toezicht en handhaving niet doorkruisen.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en in ieder geval vóór het plenaire debat over Tata Steel?
Ja.
De gelekte brief waarin Tata Steel 685 miljoen euro moet betalen vanwege trage verduurzaming |
|
Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Tata Steel Nederland (TSN) de komende jaren honderden miljoenen extra kwijt zal zijn aan het kopen van emissierechten, in totaal € 685 miljoen in 2030?1
Ja.
Erkent u dat dit geen onverwachte tegenvaller is, maar een volledig voorzienbare consequentie van de ETS-systematiek waarin de gratis rechten gebaseerd zijn op historische productievolumes? Zo nee, waarom niet?
De hoeveelheid gratis rechten is inderdaad onder andere gebaseerd op historische productievolumes, maar bijvoorbeeld ook op de Europese benchmark en op de langere termijn ook op de implementatie van de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Voor TSN speelt mee dat de werkzaamheden aan Hoogoven 6 begin 2024 zijn uitgelopen waardoor er minder staal is geproduceerd. Dit lagere productievolume heeft geresulteerd in minder gratis rechten. Deze consequentie was van tevoren bekend en daarom ook in de bedrijfsvoering meegenomen.
Deelt u de mening dat het doel van het ETS-systeem is om vervuilers financieel te prikkelen sneller te verduurzamen, en dat het huidige systeem in die zin «werkt» doordat TSN nu met forse kosten wordt geconfronteerd? Hoe rijmt u dit met het beleid om tegelijkertijd via subsidies de financiële prikkels van het ETS-systeem deels teniet te doen?
Het EU ETS is een marktinstrument waarmee de Europese Unie de uitstoot van broeikasgassen kosteneffectief wil verminderen. De handel in emissierechten is de handel in emissieruimte: het recht om een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten. Het aantal beschikbare rechten is beperkt en gaat ook nog eens elk jaar omlaag. Bedrijven, zoals TSN, ontvangen gratis rechten én kunnen handelen in rechten. De prijs voor een emissierecht, de CO2-prijs, wordt bepaald door vraag en aanbod. Dat maakt emissiehandel een marktinstrument om klimaatverandering tegen te gaan.
Het kabinet hecht aan het belang van een verduurzaamde industrie in Nederland. Het Nederlandse beleid ten aanzien van de verduurzaming van de industrie bestaat uit verschillende instrumenten. Zo zijn er beprijzende instrumenten, zoals EU ETS, waardoor bedrijven moeten gaan betalen voor hun CO2-uitstoot. Ook zijn er stimulerende instrumenten gericht op de opbouw van deze duurzame industrie en het behoud van de industrie. Te denken valt aan de ontwikkeling van innovatieve technologieën, ondersteund door bijvoorbeeld de maatwerkaanpak, NIKI, SDE++ en DEI+. Deze instrumenten subsidiëren (een deel van) de onrendabele top van een investering, dus enkel het deel dat nodig is om de business case sluitend te krijgen. De maatwerkaanpak richt zich op bovenwettelijke maatregelen, dus meer of sneller verduurzamen dan de wet vraagt. Dit geldt dus ook voor de maatwerkafspraak met TSN.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van emeritus hoogleraar Sweder van Wijnbergen in het artikel dat subsidie aan Tata Steel de bedoeling van het ETS-systeem ondermijnt?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 vermeld, bestaat het Nederlandse beleid uit een combinatie van instrumenten om verduurzaming te realiseren. Alle bedrijven die onder het EU ETS systeem vallen, kunnen ook aanspraak maken op de stimulerende instrumenten, niet alleen TSN. Daarbij is het ETS een Europees systeem. Ook andere Europese staalfabrieken die onder het ETS systeem vallen worden ondersteund bij hun verduurzamingsopgave.
Was u voor het verschijnen van dit artikel op de hoogte van deze additionele kosten, waarvan het bedrijf zelf in elk geval sinds februari 2024 weet (de datum van het interne document)? Zo ja, heeft u dit meegewogen in de onderhandelingen over maatwerksubsidie? Zo nee, in hoeverre verandert dit uw inzet bij de onderhandelingen?
In de business case voor de maatwerkafspraak wordt gekeken naar meest actuele prognoses van kosten en opbrengsten, in dit geval cijfers en prognoses uit 2025. Dit geldt dus ook voor de CO2 kosten.
Heeft TSN de afgelopen jaren een voorziening aangelegd voor de gratis emissierechten die zij door lagere productie «te veel» ontvingen? Zo ja, wat is de omvang van deze voorziening en hoe wordt deze ingezet? Zo nee, acht u dit prudent ondernemingsbeleid?
Vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid kunnen geen uitspraken worden gedaan over specifieke cijfers of, in dit geval, voorzieningen. Het kabinet wil benadrukken dat de CO2 kosten en de maatregelen die TSN in verband daarmee getroffen heeft integraal zijn meegenomen in de business case die onderdeel is van de maatwerkgesprekken.
Hoe schat u de concurrentiepositie van Tata Steel in nu ze de komende jaren 685 miljoen euro extra kosten kunnen verwachten, zelfs ten opzichte van concurrenten binnen Europa? Ziet u nog een toekomst waarin Tata Steel op eigen kracht kan concurreren, of is dit bedrijf structureel afhankelijk geworden van staatssteun?
Zie het antwoord op vraag 6 wat betreft de bedrijfsvertrouwelijkheid van deze cijfers en het integraal meenemen van de CO2 kosten in de business case en het antwoord op vraag 5 dat we bij de maatwerkafspraak met TSN kijken naar de cijfers en prognoses van 2025. Op basis van die business case ziet het kabinet zeker een toekomst waarin TSN op eigen kracht kan opereren. Ook de Europese Commissie toetst hierop aangezien er onder het relevante staatssteunkader geen staatssteun mag worden gegeven aan een bedrijf in financiële moeilijkheden. Voordat er een subsidie kan worden gegeven is ook akkoord van de Europese Commissie nodig.
Hoe weegt u dat Tata zelf aangeeft dat het «Groen Staal-plan» onder druk komt te staan als er een verbod komt op de verwerking van giftige staalslakken2, terwijl deze ETS rechten financieel een veel grotere tegenvaller kunnen zijn? Wat zegt dit over de kwetsbaarheid van Tata’s plannen?
TSN opereert in een internationale context. Voor het bedrijf is het daarom van belang om stabiliteit in het overheidsbeleid te hebben en vergelijkbare concurrentievoorwaarden met omringende landen. EU-beleid en nationaal beleid hebben impact op de business case van een bedrijf, zo ook beleid omtrent ETS en staalslakken. Het Groen Staal-plan vergt een grote investering van het bedrijf en het moederbedrijf. Het is dus niet meer dan logisch dat het bedrijf mogelijke risico’s ten aanzien van de business case zorgvuldig in kaart brengt. De weging van de verschillende risico’s en het uiteindelijk wel/niet doen van de investering is aan het bedrijf.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste actuele en potentiële financiële risico’s voor TSN, waaronder in elk geval: een mogelijk verbod op de verwerking van staalslakken, het tekort aan gratis ETS-rechten, de invoerheffingen op staal in de VS3 en de werkzaamheden naar aanleiding van de aanzegging tot intrekken van de vergunning van Kooksgasfabriek 2?
Zoals ook in het antwoord op de vorige vraag zijn er externe factoren die impact hebben op de business case van Tata Steel. In de financiële modellen wordt gewerkt met prognoses. Deze prognoses worden getoetst en gevalideerd door de staat en een externe financiële adviseur. De uiteindelijke risico inschatting en afweging van de verschillende factoren is aan het bedrijf.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de wijze waarop deze financiële risico’s worden betrokken in de lopende gesprekken over mogelijke steunmaatregelen of maatwerkafspraken met TSN?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen.
Hoe beoordeelt u of het verstrekken van substantiële subsidies aan Tata Steel in lijn is met prudent financieel bestuur, gezien de vele vooraanstaande economen4 5 die ons waarschuwen dat dit een zeer onverstandige vorm van staatssteun is?
Zoals al eerder in de beantwoording aangegeven, bestaat het Nederlandse verduurzamingsbeleid uit een mix van instrumenten en wordt er door de staat en de Europese Commissie getoetst op de haalbaarheid van de business case aangezien er onder het relevante staatssteunkader geen steun mag worden verstrekt aan een onderneming in financiële moeilijkheden. Voor de staat is het essentieel dat de subsidie voor het behalen van de beoogde doelen wordt gebruikt: verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Er zullen dan ook strenge voorwaarden aan de eventuele subsidie verbonden zijn. Zo wordt de subsidie in tranches uitgekeerd, bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen. Indien de doelen niet worden behaald kan de staat de subsidie terugvorderen of boetes opleggen. Daarnaast zullen er clawback-mechanismes komen om oversubsidiëring te voorkomen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei, zodat de Kamer deze informatie kan betrekken bij de beoordeling van de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Ja.
Het artikel 'Door creatief boekhouden hoeven we voorlopig geen euro extra te betalen voor klimaatschade in arme landen' |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Follow the Money «Door creatief boekhouden hoeven we voorlopig geen euro extra te betalen voor klimaatschade in arme landen» van 8 september 2025, waarin wordt beschreven hoe Nederland tijdens en in aanloop naar COP29 inzette op een zo laag mogelijke uitkomst, waardoor het Nederland geen extra geld zou kosten?1
Ja.
Klopt het dat Nederland er tijdens de onderhandelingen actief op heeft aangedrongen om de doelstelling voor klimaatfinanciering zo laag mogelijk vast te stellen en de definitie daarvan zo breed mogelijk te maken, en dat er daarmee werd ingezet op slechts een inflatiecorrectie van het oude doel en niet daadwerkelijk extra geld? Zo nee, wat is de inzet van Nederland daadwerkelijk geweest en waaruit blijkt dat?
Dit is geen juiste weergave van de Nederlandse inzet. Ambtelijk zijn diverse scenario’s verkend. De Nederlandse inzet in de onderhandelingen is geweest zoals deze is medegedeeld aan de Kamer in aanloop naar en na afloop van COP29, namelijk een doel dat diverse financieringsstromen omvat, met een kern van publieke aard waaraan een grotere groep landen bijdraagt. Een uitgebreide toelichting is terug te vinden in de Kamerbrief Nederlandse inzet COP29 voor de Milieuraad van 14 oktober (Kamerstuk 31 793, nr. 272), de Kamerbrief Verwachtingen en inzet VN-klimaatconferentie COP29 (Kamerstuk 31 793, nr. 274) en de Kamerbrief Resultaten COP29 (Kamerstuk 31 793, nr. 278).
Klopt het dat Nederland zich, onder andere richting de Europese Unie (EU), heeft ingezet om zo lang mogelijk geen concreet bedrag te noemen? Zo ja, waren er andere lidstaten die dezelfde inzet hadden? Zo ja, waren er landen die wel pleitten voor een concreet bedrag? Ze nee, waaruit blijkt dat? Zo ja, kunt u aangeven in welke mate dit de onderhandelingen binnen het EU blok en tijdens de Conferencie van Partijen bij het VN-Klimaatverdrag (COP) heeft beïnvloed?
De omvang van de New Collective Quantified Goal (NCQG) was mede afhankelijk van andere parameters, waaronder het tijdspad, de definitie, de structuur en de bijdragende landen. Het was voor Nederland en de EU daarom lange tijd te vroeg om een bedrag te noemen. Wij kunnen geen uitspraken doen over de inzet van andere EU-lidstaten bij het bepalen van de Europese positie. De uiteindelijke onderhandelingsinzet van de EU is vastgelegd in de Raadsconclusies COP29 zoals aangenomen in de Milieuraad van 14 oktober 2024.
Klopt het dat Nederland tijdens de onderhandelingen heeft ingezet op een uitkomst zonder verdeelsleutel, waardoor geen enkel land formeel verantwoordelijk zou zijn voor een concrete bijdrage aan de New Collective Quantified Goal (NCQG)? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Ja, Nederland is geen voorstander geweest van een verdeelsleutel omdat de Overeenkomst van Parijs nadrukkelijk heeft afgesproken dat er een collectief klimaatfinancieringsdoel moest komen. Nederland zet zich in voor transparantie en zo degelijk mogelijke methodes voor de rapportage over klimaatfinanciering. Op die manier wordt verantwoording afgelegd per land en over het totaal.
Deelt u de analyse dat Nederland door in te zetten op een zo laag en vaag mogelijk doel zonder extra financiële middelen, feitelijk haar verantwoordelijkheid ontloopt om internationale klimaatsteun te bieden, zoals vastgelegd in internationale afspraken? Zo nee, waarom niet?
Nee, die analyse delen wij niet. Zoals gesteld in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 180, nr. 133) blijft Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering leveren. Dit doen we door binnen de begroting voor ontwikkelingshulp klimaatgerelateerde inspanningen te leveren via thema's als watermanagement en voedselzekerheid en door bij te dragen aan de belangrijkste multilaterale klimaatfondsen. Daarnaast richten we ons op de mobilisatie van private klimaatinvesteringen. In 2024 bedroeg de Nederlandse bijdrage aan klimaatfinanciering ruim EUR 2,4 miljard, waarvan ruim EUR 1 miljard publieke financiering en EUR 1,4 miljard met publieke financiering gemobiliseerde private financiering (HGIS jaarverslag 2024, Kamerstuk 36 601, nr. 3). Zoals aangegeven in de HGIS-nota 2026 (Kamerstuk 36 801, nr. 1) is de verwachte Nederlandse bijdrage aan internationale klimaatfinanciering in 2026 ruim EUR 2,9 miljard.
Hoe verhouden uw (eerdere) uitspraken dat Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering levert zich tot de uit de Woo-documenten blijkende inzet van Nederland om het financieringsdoel tijdens de onderhandelingen zo laag mogelijk te houden? Acht u dit niet in tegenspraak met de toezegging dat Nederland zijn eerlijke aandeel zal bijdragen? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat de bezuinigingen op publieke klimaatfinanciering als onderdeel van de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking deze inzet op een eerlijke bijdrage nog verder ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de omvang van de wereldwijde klimaatopgave was de inzet van Nederland erop gericht tot een klimaatfinancieringsdoel te komen dat zou bijdragen aan de opschaling van klimaatfinanciering vanuit diverse bronnen en kanalen – publiek, privaat, nationaal en internationaal. Om al deze financieringsstromen te omvatten, hebben Nederland en de EU gepleit voor een doel dat uit meerdere delen bestaat, met een haalbare en realistische kern van publieke aard (Kamerstuk 31 793, nr. 274).
Het tijdens COP29 overeengekomen klimaatfinancieringsdoel bestaat de facto uit meerdere doelen en is daarmee in lijn met deze inzet: een doel van ten minste USD 300 miljard per jaar per 2035, welke is ingebed in een oproep aan alle actoren om samen tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte van ontwikkelingslanden die per 2035 ten minste USD 1.300 miljard per jaar bedraagt. Zoals ook gesteld in het antwoord op vraag 5 blijft Nederland zijn aandeel aan internationale klimaatfinanciering leveren.
Kunt u reactie geven op de kritiek dat ontwikkelingslanden feitelijk deels hun eigen klimaatsteun financieren, omdat middelen van bijvoorbeeld de African Development Bank, waarvan 60% van het kapitaal afkomstig is van Afrikaanse overheden, meetellen als internationale klimaatfinanciering? Zo nee, waarom niet? Is dit niet in tegenspraak met het principe van gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, en met artikel 9 van het Klimaatakkoord van Parijs dat specificeert dat klimaatfinanciering gaat om steun van ontwikkelde landen aan ontwikkelingslanden? Zo nee, waarom niet?
Nederland en de EU hebben bewust ingezet op het meenemen van alle klimaatrelevante financieringen door de multilaterale ontwikkelingsbanken (MDB’s), ook als deze zijn gerealiseerd vanuit bijdragen van niet-traditionele donorlanden. Dit geeft een beter beeld van de daadwerkelijke investeringen van MDB’s in klimaatprogramma’s in ontwikkelingslanden. Verder is Nederland van mening dat erkenning van de brede klimaatrelevante financieringen ten goede zal komen aan de landen waar deze programma’s worden uitgevoerd. Daarnaast ziet Nederland het besluit als een belangrijke eerste stap om landen die in de laatste decennia economisch hard groeiden, waaronder China, Brazilië en Saoedi Arabië, ook mee te laten betalen aan de klimaatinzet in ontwikkelingslanden. Over het algemeen weerspiegelt het ingelegde kapitaal in de banken de economische draagkracht van landen. Ook is het zo dat bij veel banken de traditionele donoren van klimaatfinanciering (de landen die staan genoemd in Annex I van het VN-Klimaatverdrag uit 1992) nog steeds een substantieel deel van het kapitaal leveren.
Deelt u de analyse dat Nederland met een strategie van laag inzetten en het oprekken van definities zijn internationale geloofwaardigheid en het vertrouwen van ontwikkelingslanden heeft geschaad, waardoor hun bereidheid tot meer klimaatambitie afneemt en de kans toeneemt dat onderhandelingen over voor Nederland belangrijke thema’s, zoals mitigatie, mislukken? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat Nederland en Nederlanders uiteindelijk zelf de prijs voor betalen voor het mislukken van de onderhandelingen op voor Nederland belangrijke klimaatthema’s? Zo nee, waarom niet?
Wat betreft de eerste vraag over de Nederlandse inzet verwijzen wij graag naar het antwoord op vraag 6. Nederland heeft gepleit voor een haalbaar en realistisch doel om zo de ambities op mondiaal klimaatbeleid hoog te houden. We gaan er vanuit dat de uitkomsten van COP29 voldoende basis bieden om de bredere onderhandelingen over klimaatbeleid onder UNFCCC voort te zetten. Dit is inderdaad van belang voor alle Nederlanders, klimaatverandering raakt ook Nederland.
Klopt het dat het advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) over de juridische verplichtingen van staten op het gebied van klimaatverandering benadrukt dat staten niet alleen hun eigen uitstoot moeten beperken, maar ook moeten samenwerken, inclusief financiële steun aan ontwikkelingslanden? Bent u het ermee eens dat dit de rechtspositie van ontwikkelingslanden te versterkt? Zo nee, waarom niet? Hoe beoordeelt u de kans dat Nederland juridisch kwetsbaar wordt als het deze verplichtingen niet nakomt, mede gezien het recent openbaar geworden Nederlandse optreden tijdens de klimaattop in Bakoe? Kan u deze punten betrekken in de lopende juridische analyse van de IGH-uitspraak?
Het advies verwijst naar een verplichting die ontwikkelde landen onder het VN-Klimaatverdrag en de Overeenkomst van Parijs al zijn aangegaan. Het advies van het Internationaal Gerechtshof geeft uitsluitend uitleg over het bestaande internationaal recht en schept geen nieuw recht. Het advies leidt derhalve niet tot een andere rechtspositie van ontwikkelingslanden, noch vergroot het advies de juridische kwetsbaarheid van Nederland. Conform uw verzoek zal het kabinet dit meenemen in de juridisch analyse van de uitspraak.
Klopt het dat het advies van het IGH over de klimaatverplichtingen van staten benadrukt dat landen onder internationaal recht niet alleen verplicht zijn hun eigen uitstoot te beperken, maar ook tot samenwerking, waaronder financiële steun aan ontwikkelingslanden? Kunt u reflecteren op dit deel van het advies, dat de rechtspositie van ontwikkelingslanden versterkt met betrekking tot het eisen van financiële steun? Is er een kans dat Nederland hierdoor niet voldoet aan de IGH-uitspraak en juridisch kwetsbaar is? Zo nee, waarom niet? Kan het recente, nu openbaar geworden optreden van Nederland tijdens de klimaattop in Bakoe dit risico vergroten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen meenemen in de zorgvuldige juridische analyse van het IGH-advies die u momenteel voert?
Ja.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor het commisdiedebat op 2 oktober 2025 over de inzet COP30?
Ja.
Zonnevelden op landbouwgrond en risico’s voor bodem, water en gezondheid |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom worden er nog steeds zonne- en windprojecten uitgerold, terwijl de doelen van de Regionale Energie Strategie (RES)al zijn gehaald en het elektriciteitsnet overvol is?
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) rapporteert jaarlijks over de voortgang van de RES’en in de RES-Monitor. De meest recente RES-Monitor geeft aan dat in 2024 29,8 TWh hernieuwbare elektriciteit op land is gerealiseerd (peildatum 1 oktober 2024). Daarmee is de RES-doelstelling van 35 TWh in 2030 in zicht, maar is deze nog niet gehaald. De RES-ambitie van 55 TWh hernieuwbare elektriciteit in 2030 wordt naar verwachting niet gehaald in 20301.
Hernieuwbare energie op land is essentieel in een brede mix van bronnen om te komen tot een duurzame en robuuste energievoorziening nu en in de toekomst. Deze vorm van energie is een kostenefficiënte manier in de transitie naar een CO2-vrij energiesysteem en maakt als onderdeel van de decentrale ontwikkelingen in ons energiesysteem wonen, werken en verplaatsen mogelijk.
Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) voorziet dan ook de noodzaak tot groei van hernieuwbare elektriciteit op land, ook na 20302. De realisatie van zonne- en windprojecten, nabij de vraag van elektriciteit, kunnen bijdragen aan het verminderen van netcongestie en tegelijkertijd lokaal eigenaarschap en energie-onafhankelijkheid vergroten. RES-regio’s zullen daarom vasthouden aan hun eigen doelen ondanks huidige uitdagingen.
Vindt u het verantwoord dat vruchtbare landbouwgrond voor zonnevelden wordt opgeofferd, terwijl voedselzekerheid steeds belangrijker wordt?
Zowel voedselzekerheid als leveringszekerheid van elektriciteit zijn van belang voor Nederland. Zonne-energie is een essentieel onderdeel van ons duurzame, betaalbare en betrouwbare energiesysteem, maar brengt ook ruimtelijke implicaties met zich mee.
Met de aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon wordt via de volgordelijkheid van de volgende vier treden: trede 1 «zon op daken en gevels», trede 2 «zon binnen bebouwd gebied», trede 3 «zon buiten bebouwd gebied», en trede 4 «zon op landbouw- en natuurgronden» ingezet op multifunctioneel ruimtegebruik waarbij zon-PV zoveel mogelijk samengaat met andere functies om de vrije ruimte efficiënt te benutten3. Volgens trede 4 worden «zon op landbouw- en natuurgronden» zoveel mogelijk ontzien voor de realisatie van zon-PV. Zonnevelden op deze gronden zijn in principe ongewenst, tenzij het gaat om één van de volgende uitzonderingsmogelijkheden: agri-PV, transitiegronden en/of netneutrale zonnevelden.
Zonnevelden die in de komende jaren worden gerealiseerd hadden reeds een vergunning of verkeerden in vergevorderd stadium van het project, voordat de bestuurlijke afspraken over de Voorkeursvolgende Zon zijn aangescherpt of vallen onder één van de uitzonderingsgronden4.
Bent u bereid het gebruik van landbouwgrond voor zonnevelden te beperken zolang er alternatieve locaties (zoals daken en bedrijventerreinen) beschikbaar zijn?
Hierin voorziet de aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon (zie vraag 2).
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Raad van State van 18 juni 2025 inzake het inpassingsplan «Windpark IJsselwind Zutphen» (ECLI:NL:RVS:2025:2677) dat emissies van BPA door windturbines in een milieueffectrapportage (MER) onderzocht moeten worden? Geldt dit ook voor zonnepanelen die chemicaliën kunnen lekken in bodem en water?
Provinciale staten hebben op basis van een vormvrije mer-beoordeling geoordeeld dat voor Windpark IJsselwind Zutphen geen MER hoeft te worden opgesteld, omdat het project niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De Raad van State oordeelt in de genoemde tussenuitspraak dat dit besluit onvoldoende is gemotiveerd, omdat niet is toegelicht hoe de mogelijke gevolgen van erosie van de wieken – met name de emissie van BPA – voor gezondheid en milieu zijn meegenomen in de mer-beoordeling. De Raad van State heeft provinciale staten opgedragen dit gebrek te herstellen door alsnog toereikend te motiveren of op het punt van erosie belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.
Voor zonneweides geldt in de regel geen verplichting tot het opstellen van een (vormvrije) mer-beoordeling. Wel moeten bij de voorbereiding van besluiten voor zonneweides de mogelijke milieugevolgen op grond van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel in beeld worden gebracht en meegewogen.
Zijn de risico’s van lekkende chemicaliën uit zonnepanelen voor bodem en water al in kaart gebracht? Zo nee, wanneer wel?
In opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft het RIVM eerder onderzoek gedaan naar de «Verkenning van gevaarlijke stoffen in de energietransitie»5, waarbij ook de samenstelling van materialen voor zonnepanelen zijn onderzocht. Hieruit blijkt dat sommige zonnepanelen gevaarlijke stoffen kunnen bevatten. Uit de verkenning blijkt overigens ook dat er zonnepanelen beschikbaar zijn waar deze stoffen niet in zitten. De eventuele aanwezigheid van deze schadelijke stoffen levert geen ernstige risico voor gezondheid en milieu op tijdens normaal gebruik. Het Ministerie van IenW oordeelt dat bij het ontbreken van een risico op uitloging van schadelijke stoffen, onderzoek naar eventuele bodemverontreiniging door zonnepanelen geen hoge prioriteit heeft.
Deelt u de mening dat het verstandig is om nieuwe zonnevelden op landbouwgrond op te schorten totdat deze risico’s duidelijk zijn?
Zonnevelden worden al gerealiseerd volgens de volgordelijkheid van de aangescherpte Voorkeursvolgorde Zon waarbij het realiseren van zonnepanelen op landbouw- en natuurgronden in principe ongewenst is. Dat staat los van de vermeende risico’s.
Hoe beoordeelt u signalen dat elektromagnetische velden (EMV) en lekstromen rond elektriciteitsinfrastructuur schadelijk zijn voor bedrijven en mogelijk ook voor omwonenden?
Op dit moment bestaan er diverse beleids- en normenkaders die EMV raken. Zo worden internationale richtlijnen en Europese normen gevolgd en een toelatingsregime gevoerd van apparaten en installaties met CE-markering. Tevens hanteert het ministerie voorzorgbeleid6 rond hoogspanningslijnen. Zorgen over gezondheid rond EMV hebben in 2007 geleid tot oprichting van het Kennisplatform EMV. Dit platform heeft als kerntaak het duiden van wetenschappelijk onderzoek en het geven van informatie over elektromagnetische velden en gezondheid. Als er desondanks signalen zijn rond EMV of lekstroom worden deze serieus onderzocht. Het is tot nu toe niet gebleken dat EMV of lekstroom de oorzaak is van schade.
Waarom zijn de effecten van toename van EMV’s onvoldoende onderzocht in de MER voor de Programma Energiehoofdstructuur, en wanneer komt dat wel in beeld?
In een MER worden milieueffecten onderzocht. EMV is geen onderdeel van de MER, omdat tot nu toe is gebleken dat er geen milieueffecten zijn van EMV (zie ook het antwoord bij vraag 7). Er is voorzorgsbeleid opgesteld voor EMV. Dat is toepasbaar als er mogelijke tracés voor hoogspanningsverbindingen bekend zijn. Dat is niet het geval in PEH vanwege het hoge abstractieniveau. Vanwege het voorzorgsbeleid wordt EMV in een later stadium in beeld gebracht op projectniveau. Dat leidt tot het optimaliseren van mogelijke tracés en vervolgens het vergelijken en afwegen van tracéalternatieven. In het ontwerp en de planvorming voor een hoogspanningsverbinding worden bronmaatregelen genomen zoals is beschreven in het voorzorgbeleid.
Erkent u dat eerst onafhankelijk onderzoek naar risico’s van chemicaliën en EMV’s nodig is, voordat nieuwe grootschalige projecten op landbouwgrond of nabij woongebieden doorgaan?
Ook tijdens de realisatie van nieuwe grootschalige zon-PV projecten, volgens de volgordelijkheid van de Voorkeursvolgende zon-PV, kan onafhankelijk onderzoek blijven worden gedaan naar eventuele risico’s voor de leefomgeving. Er is al veel onafhankelijk onderzoek gedaan en vindt nog steeds plaats naar de risico’s van gevaarlijke stoffen in de energietransitie en EMV. De, in het antwoord op vraag 5 en 7, genoemde beleids- en normenkaders zijn hier ook op gebaseerd. De onderzoeken worden onafhankelijk geduid door het RIVM en het Kennisplatform EMV. Deze informatie publiceert het RIVM en, voor EMV, op het Kennisplatform (www.kennisplatform.nl).
Winningsvergunningen |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten wat u in de brief van 4 september 2025 over de stand van zaken gebruik diepe ondergrond Waddenzee (Kamerstuk 29 684, nr. 296) op pagina 4 schrijft: «(h)et is aan een volgend kabinet hoe om te gaan met deze nieuwe inzichten die meer ruimte lijken te geven voor activiteiten in de Waddenzee dan het huidige vastgestelde «hand-aan-de-kraan»-beleid.»?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief zijn er twee wetenschappelijke rapporten verschenen over het «hand-aan-de-kraan»-principe. Eén rapport van TNO over de mogelijkheid tot aanpassing van de methodiek van het «hand-aan-de-kraan»-principe1 waarbij onzekerheden expliciet worden meegenomen en een rapport van Deltares over het meegroeivermogen (natuurlijke sedimentatie) van de Waddenzee. Deltares adviseert om het meegroeivermogen van de kombergingen in de Waddenzee naar boven bij te stellen waardoor meer ruimte zou ontstaan voor delfstoffenwinning. TNO illustreert, dat met het meenemen van onzekerheden op lange termijn, het langer duurt voordat de gebruiksruimte voor delfstoffenwinning wordt overschreden in de Waddenzee. Beide rapporten geven dus vanuit een deskundigenperspectief meer ruimte voor delfstoffenwinning in de Waddenzee. Of het huidige «hand-aan-de-kraan»-principe moet worden aangepast met deze nieuwe inzichten is aan een volgend kabinet. Vooralsnog wordt het hand-aan-de-kraan-principe dus niet aangepast.
Kan dit betekenen dat een volgend kabinet zou kunnen besluiten om de gas en/of zoutwinning vanuit bestaande vergunde winningslocaties te intensiveren? Geeft de wet dan wel de vergunningen hiervoor mogelijkheden?
Winning van delfstoffen onder de Waddenzee kan alleen binnen de grenzen van bestaande winningsplannen en de ruimte die in het gebruiksruimtebesluit wordt gegeven. Het gebruiksruimtebesluit wordt periodiek herzien op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten daaromtrent. Indien een bestaand winningsplan geen ruimte biedt om de productie te verhogen tot de nieuwe gebruiksruimte, dan is een gewijzigd winningsplan vereist. Echter, de instemming daarmee wordt op grond van artikel 36, vijfde lid, van de Mijnbouwwet geweigerd als de aanvraag is ingediend na 1 mei 2024. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Geeft dit wat u betreft mogelijkheden voor nieuwe winningsvergunningen?
Nee, nieuwe winningsvergunningen voor een gebied dat is gelegen binnen (het Natura 2000-gebied) de Waddenzee worden sinds 1 mei 2024 niet meer verleend (op grond van artikel 7, derde lid, van de Mijnbouwwet). Vanaf die datum wordt ook instemming met nieuwe winningsplannen of een wijziging van bestaande winningsplannen voor dat gebied, voor zover die een verlenging van het tijdvak of een uitbreiding van de omvang van de winning inhouden, geweigerd (op grond van artikel ü36, vierde en vijfde lid, van de Mijnbouwwet). Hiervan zijn de aanvragen die al waren ingediend vóór 1 mei 2024 uitgezonderd.
Vindt u het wenselijk of moreel acceptabel dat mijnbouwbedrijven alle hun vergunde milieuschade, zoals bodemdaling, «opmaken»? Gaat u dat faciliteren?
Het «hand-aan-de-kraan»-principe is gebaseerd op het compenseren van de bodemdaling veroorzaakt door delfstoffenwinning door natuurlijke sedimentatie. Dit betekent dat er geen sprake is van milieuschade door bodemdaling, aangezien sedimentatie in de Waddenzee de bodemdalingskom opvult. Het «hand-aan-de-kraan»-principe is conservatief opgesteld. Dit betekent dat de grenzen zodanig zijn gekozen dat we zeker weten dat de bodemdaling door delfstoffenwinning wordt gecompenseerd. De kritische waardes waarbij verdrinking van de Waddenzee gaat plaatsvinden (een zeer langzaam proces) liggen daarbij beduidend hoger dan de waardes waarop de gebruiksruimte is gebaseerd. De gebruiksruimte voor delfstoffenwinning is daarmee maar een fractie van de hoeveelheid beschikbare ruimte voordat verdrinking plaatsvindt.
Kunt u deze vragen voor 22 september 2025 beantwoorden?
Dit is in verband met de benodigde afstemming niet gelukt.
Nieuwe fossiele boringen op de Noordzee en het sectorakkoord gaswinning |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Pompen of Verzuipen: wat te doen met het Noordzeegas?»1
Ja.
Klopt het dat u op 23 april 2025 samen met Energie Beheer Nederland (EBN) en de gassector het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie heeft gesloten en bent u het eens met de stelling van Advocates for the Future dat dit sectorakkoord in strijd is met verplichtingen uit het Klimaatakkoord van Parijs?
Het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie is op 23 april 2025 door de betrokken partijen gesloten. De Kamer is daarover dezelfde dag geïnformeerd2. Het kabinet is het niet eens met de stelling dat dit akkoord in strijd zou zijn met de verplichtingen uit het Klimaatakkoord van Parijs. Het kabinetsbeleid is gericht op een reductie van broeikasgasemissies van 55% in 2030 ten opzichte van 1990 en een netto nul uitstoot in 2050, passend binnen de afspraken van het Parijsakkoord.
In de overgang naar een klimaatneutraal energiesysteem blijft aardgas voorlopig nog nodig. Hierbij heeft het kabinet een voorkeur voor aardgas met zo min mogelijk klimaatimpact en zo min mogelijk afhankelijkheid van andere landen. Met het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie zet het kabinet in op opschaling van gaswinning uit gasvelden op de Noordzee. Voor gaswinning uit de kleine velden op land worden er aanvullende afspraken gemaakt die momenteel worden uitgewerkt. Deze aanvullende afspraken moeten bijdragen aan het vinden van een balans tussen enerzijds de zorgen van inwoners en regionale bestuurders, en anderzijds de belangrijke functie die gaswinning op land nog heeft.
Voor het nastreven van deze klimaatdoelen stuurt het kabinet op het verminderen van het gebruik van fossiele brandstoffen, niet op het verminderen van de productie ervan. Een afname van binnenlandse productie leidt niet automatisch tot een daling van het gebruik en daarmee tot een daling van de emissies. Een afname van binnenlandse productie zal immers vervangen worden door een toename van import, met name van LNG. Daar komt bij dat LNG, vanwege de wijze van productie en het transport naar Nederland, een hogere CO2-uitstoot kent dan gas gewonnen op de Noordzee.
Volgens de jaarlijkse prognose van TNO in het jaarverslag Delfstoffen en Aardwarmte past een opschaling van de gaswinning op de Noordzee, zoals beoogd met het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie, binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario, waarmee Nederland op koers blijft voor de klimaatdoelen voor 2030 en 2050. Met andere woorden: ook met een tijdelijk hogere gasproductie op de Noordzee blijft dit volume ruim onder wat er binnenlands wordt gebruikt aan aardgas.
Hoe beoordeelt u het sluiten van het Sectorakkoord in het licht van de Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof van 23 juli 2025, waarin wordt bevestigd dat staten private actoren moeten reguleren om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen?2
Uit de Advisory Opinion volgt dat staten passende maatregelen moeten treffen die redelijkerwijs in staat zijn om klimaatdoelen (NDC’s) te behalen. Deze verplichting omvat het inzetten van wetgevende en bestuurlijke instrumenten, waaronder een effectieve regulering van private actoren die grote emissies veroorzaken.
Nederland en de EU beschikken over een regelgevend kader dat is gericht op het realiseren van de klimaatdoelen voor 2030 en 2050. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 past de opschaling van de gaswinning binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario waarmee Nederland de klimaatdoelen voor 2030 en 2050 kan behalen.
Heeft u bij het ontwikkelen van het Sectorakkoord een analyse gemaakt van de juridische risico’s, bijvoorbeeld ten aanzien van mensenrechten, klimaatrecht en mogelijke aansprakelijkheidsclaims en zo ja, kunt u deze delen?
Nee, er is geen verdere analyse gemaakt op de juridische aspecten die u benoemt.
Bent u bekend met de conclusie van het Internationaal Energieagentschap (IEA) dat er in een 1,5°C-scenario geen ruimte meer is voor investeringen in nieuwe olie- en gasvelden en hoe weegt u deze conclusie in relatie tot nieuwe gasprojecten op de Noordzee?3
De scenario’s van het IEA schetsen terecht dat er mondiaal in principe geen verdere exploratie activiteiten van fossiele brandstoffen nodig zijn, omdat alle fossiele projecten die reeds zijn ontdekt en in (verschillende stadia van) ontwikkeling zijn al zouden voorzien in de mondiale vraag die past binnen een 1,5 graad scenario.
Dit veronderstelt wel dat deze voorkomens ook ontwikkeld zullen worden, wat niet altijd het geval zal zijn. Tevens wordt hierbij geen rekenschap genomen van enige mate van voorzieningszekerheid en de wens van dit kabinet om, zolang we nog gebruik maken van fossiele bronnen zoals aardgas, te kiezen voor gaswinning uit kleine velden boven de import van aardgas uit andere delen van de wereld. Dit omdat dergelijke binnenlandse productie bijdraagt aan een zo laag mogelijke emissie-voetafdruk (die veelal lager is dan geïmporteerd aardgas) en daarnaast bijdraagt aan de (West-Europese) importonafhankelijkheid.
Het onlangs gepubliceerde rapport door het IEA, dat gaat over de implicaties van de productiedaling van olie- en gasvelden5, geeft daarbij ook als aanbeveling aan om inzicht in de afnamesnelheden van olie- en gasvelden in de langetermijnplanning van energiesystemen te integreren. Dit heeft onder meer betrekking op de binnenlandse productie en energiezekerheid, de locatie van import- en exportmarkten en de juiste omvang en toekomstbestendigheid van nieuwe en bestaande olie- en gasinfrastructuur.
Erkent u dat investeringen in nieuwe gasprojecten leiden tot lock-in van fossiele infrastructuur, waardoor de transitie vertraagt en de Staat wordt blootgesteld aan extra juridische en financiële risico’s?
Het kabinet richt zich zowel op energiebesparing, de opschaling van duurzame energieproductie, alsmede de afbouw van de vraag naar fossiele brandstoffen en daarmee ook de noodzaak voor de productie daarvan. Bij de actualisatie van winningsplannen en de instemming met nieuwe winningsplannen verleen ik nu instemming tot en met 2045 met het oog op de door TNO gestelde prognoses van zowel de gasvraag als de binnenlandse gasproductie. Deze zullen in de meest progressieve scenario’s van daling van de vraag en nieuwe productie in 2047 met elkaar kruisen. Financiële risico’s in de ontmantelingsfase worden daarnaast middels de Decommissioning Security Agreement (DSA) systematiek zoveel mogelijk gemitigeerd door afspraken tussen alle vergunninghouders over te stellen financiële zekerheden met betrekking tot de ontmanteling van activa en herstel van productielocaties.
Daarnaast streeft het kabinet naar een volledig circulaire en fossielvrije economie. Daartoe worden richting 2050 het gebruik van fossiele brandstoffen zoveel mogelijk geminimaliseerd en is ook middels het Noordzeeakkoord door alle betrokkenen afgesproken dat het niveau van de binnenlandse gasproductie de binnenlandse gasvraag niet zal overstijgen. Er zal echter nog geruime tijd een zekere behoefte aan gas in de energievoorziening zijn. Zo lang we nog gas gebruiken, is het ook voor het klimaat gunstiger om binnenlands geproduceerd gas te gebruiken, omdat dit leidt tot minder broeikasgasemissies dan geïmporteerd gas.
Kunt u toelichten hoe de rol van EBN als mede-investeerder in nieuwe gasprojecten zich verhoudt tot de publieke verantwoordelijkheid van de Staat en acht u het risico op stranded assets en de mogelijke financiële gevolgen voor de belastingbetaler voldoende afgedekt?
Zoals ook uiteengezet in de beantwoording van de vragen 2, 5 en 6 past een tijdelijke opschaling van de gaswinning, zoals is beoogd met het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie, binnen het meest progressieve aardgasvraagreductiescenario waarmee Nederland de klimaatdoelen voor 2030 en 2050 kan behalen. Op grond van de Mijnbouwwet participeert EBN in olie- en gasprojecten en is daardoor een belangrijke partij bij de opschaling van de gaswinning.
Bij de actualisatie van winningsplannen en de instemming met nieuwe winningsplannen wordt instemming verleend tot en met 2045, waarbij naast de eerder aangegeven klimaatdoelstellingen en de gasleveringszekerheid ook de investeringszekerheid van dergelijke kapitaalintensieve projecten niet uit het oog moet worden verloren. Het kabinet wil wel ruimte houden voor maatwerk indien dat op een later moment nodig blijkt te zijn, bijvoorbeeld als blijkt dat er na 2045 toch nog gas nodig is voor de binnenlandse vraag én dat passend is binnen de klimaatdoelstellingen. Die afweging zal op dat moment gemaakt moeten worden. Hierdoor is het risico op stranded assets beperkt en mogelijk zelfs omgekeerd: bestaande infrastructuur kan wellicht langer gebruikt worden door aansluiting van nieuwe gaswinning locaties.
Heeft u vernomen dat EBN in jaarverslagen en strategie over haar publieke taak spreekt van maatschappelijke verantwoordelijkheid en bijdrage aan het versnellen van de energietransitie en dat ook in de evaluatie van EBN dit beeld wordt onderschreven? Hoe rijmt u deze duiding met het feit dat EBN als staatsdeelneming actief investeert in nieuwe gasprojecten, die de klimaatcrisis juist verergeren en de transitie vertragen?4
Ja, de bijdrage van EBN aan het versnellen van de energietransitie is bij ons bekend. Het kabinet verschilt met u van mening dat nieuwe investeringen in gasprojecten in Nederland de klimaatcrisis verergeren en de transitie vertragen. De investeringen zijn juist nodig om de transitie door te komen. Deze investeringen dienen daarnaast ook een ander publiek belang, namelijk het borgen van de energiezekerheid. Zie ook de beantwoording van vragen 2, 3 en 5.
Deelt u de opvatting dat het onjuist is dat EBN zichzelf presenteert als uitvoerder van een «publieke taak» en «maatschappelijke verantwoordelijkheid» rond de energietransitie, zolang de wettelijke taak zich beperkt tot opsporing en winning van olie en gas (art. 82 Mijnbouwwet)? Trekt u daaruit de conclusie dat EBN dan of zijn publieke taakomschrijving moet aanpassen, of moet ophouden met deze claims?
Deze opvatting deelt het kabinet niet. Op grond van artikel 82 lid 2 van de Mijnbouwwet richt EBN zich met een wettelijke taak ook op geothermie en op grond van artikel 82 lid 4 van de Mijnbouwwet is instemming verleend aan EBN om onder meer activiteiten te ontwikkelen ten aanzien van CCS en groen gas. Ook worden er door EBN voorbereidingen getroffen om mogelijk aan de slag te gaan als Nationale Deelneming Warmtenetten. Dit zijn activiteiten anders dan de opsporing en winning van olie en gas en ook ter borging van publieke belangen.
Bent u het ermee eens dat effectieve handhaving op de wettelijke energiebesparingsplicht en het kiezen voor een toekomstbestendige industrie op basis van een integrale industrievisie een effectievere bijdrage levert aan leveringszekerheid en economische veerkracht dan het openen van nieuwe gasvelden?
In het kader van zowel de leveringszekerheid als de economische veerkracht zullen zowel een verdere energiebesparing, toekomstperspectief voor de industrie als ook de exploratie van nieuwe gasvelden een belangrijke bijdrage kunnen leveren. Op dit moment wordt reeds ingezet op versterking van toezicht en handhaving van de energiebesparingsplicht, waarvan nu de eerste effecten zichtbaar worden. Hier heeft het kabinet de Kamer met de brief van 25 juni jl. over geïnformeerd.7
Op 5 september jl. is de Kamer per brief geïnformeerd over het toekomstperspectief voor de energie-intensieve industrie.8 In de brief geeft het kabinet aan dat er ook op de lange termijn perspectief is voor de industrie in Nederland. Het kabinet zet daarbij in op drie lijnen: Europees gelijk speelveld, transitiepaden voor de lange termijn en benutting van comparatieve voordelen.
Kunt u deze vragen apart en voor het commissiedebat Klimaat en Energie van 3 september 2025 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om deze vragen op de door u gewenste termijn te beantwoorden.
Drijvende zonnepanelen voor de kust van Egmond aan Zee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Eerste drijvende zonnepark tussen windmolens komt voor Noord-Hollandse kust»?1
Ja.
Klopt het dat zon op zee zich nog niet heeft bewezen, ondanks eerdere proeven op zee, zoals eerder gesteld in uw brief aan de Kamer in de vergunningswijziging windpark op zee IJmuiden Ver Beta?2
Zon op zee is een energie-innovatie met de potentie om het aanbod van hernieuwbare elektriciteit op zee te verhogen en het net op zee efficiënter te benutten. Hiermee worden de relatieve kosten van het net op zee voor inwoners en bedrijven verlaagd. Er zijn de afgelopen jaren meerdere succesvolle pilotprojecten voor zon op zee uitgevoerd. Met dit demonstratieproject worden de potenties en de haalbaarheid van zon op zee verder onderzocht.
Welke publieke en private partijen zijn betrokken bij de financiering, uitvoering en exploitatie van dit project, en welke financiële verplichtingen gaat de overheid aan?
De overheid is geen financiële verplichtingen aangegaan voor de realisatie en exploitatie van dit project. Het project wordt gefinancierd door initiatiefnemer CrossWind, welke als vergunninghouder ook verantwoordelijk is voor de ontwikkeling en exploitatie. Daarbij wordt samengewerkt met onderaannemer en techniekontwikkelaar Oceans of Energy. Rijkswaterstaat (RWS) is vergunningverlener en toezichthouder namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) houdt toezicht op naleving van de eisen uit de vergunning voor het windpark namens de Minister van Klimaat en Groene Groei.
Hoeveel publiek geld wordt direct of indirect in dit project geïnvesteerd, inclusief subsidies, belastingvoordelen en eventuele garantstellingen?
Voor dit project zijn er geen directe subsidies, belastingvoordelen of garantstellingen vanuit de overheid verstrekt. De vergunninghouder draagt de volledige kosten voor dit project. Indirect wordt er ongeveer € 520.000,- aan onbesteed subsidiebudget van een ander zon op zee innovatieproject nu ingezet voor ecologische monitoring op dit project. Het kabinet zet deze middelen actief in zodat realistische data wordt verzameld op dit project over de ecologische effecten van deze technologie, waarmee bestaande kennisleemtes worden verkleind.
Welke afspraken zijn er gemaakt over risicoverdeling tussen overheid en private partijen in geval van tegenvallende opbrengsten of technische problemen?
Hierover zijn geen afspraken gemaakt, alle technische en financiële risico’s zijn bij de vergunninghouder belegd.
Hoeveel procent van de theoretische opbrengst wordt tenietgedaan door slijtage, zoutaanslag, vogelpoep, algenaanslag en mossel aangroei?
Het effect van deze verschijnselen is op dit moment nog grotendeels onbekend. Dit project is bedoeld om eventuele opbrengstverliezen beter in te kunnen schatten. De installatie is uitgerust met sensoren en er vindt monitoring plaats om de invloed van deze verschijnselen in een realistische omgeving in kaart te brengen.
Hoe is de verwachte levensduur van de drijvende zonne-installatie bepaald, en welke onderbouwing ligt hieraan ten grondslag, en wat gebeurt er daarna met de installatie?
Voor dit project wordt gedurende één jaar operationele data verzameld, maar de technische levensduur is langer. Die is gebaseerd op het ontwerp, gebruikte materialen, en onderhoud. Na de demonstratie wordt de installatie ontmanteld, waarna componenten eventueel kunnen worden hergebruikt.
Welke onafhankelijke toetsing is uitgevoerd op de technische haalbaarheid en veiligheid van zonnepanelen in de zware omstandigheden van de Noordzee?
Het aantonen van de technische haalbaarheid en veiligheid is onderdeel van de demonstratie doelstelling van dit project. Onafhankelijke en hiertoe gekwalificeerde partijen, zoals onder andere TNO, zijn betrokken voor technische analyses en beoordelingen. Ook zijn praktijkervaringen van voorgaande testen en pilotprojecten op de Noordzee meegenomen in het huidige ontwerp.
Wat zijn de verwachte jaarlijkse onderhoudskosten en hoe verhouden deze zich tot de verwachte opbrengsten in kWh en euro’s?
De opgewekte elektriciteit wordt niet aan land gebracht, waardoor er geen financiële opbrengsten zijn. Er is voor dit project dus geen positieve business case. De kosten worden gedekt uit private middelen van de vergunninghouder. Dit demonstratieproject is opgezet om van te leren en om de techniek verder te ontwikkelen, niet om financieel rendement mee te behalen.
Hoe wordt voorkomen dat zeewater of vocht storingen veroorzaakt bij de drijvende of de onderzeese kabelinfrastructuur?
De bestaande onderzeese kabelinfrastructuur van het windpark is niet aangesloten op de installatie en daarmee geen onderdeel van dit project. Het drijfsysteem en de bijbehorende dynamische kabelinfrastructuur is ontworpen conform relevante normen- en richtlijnen, waarbij bescherming tegen vocht zorgvuldig is meegenomen. Echter worden er ook meerdere innovatieve componenten gebruikt, waarvan het ontwerp voor deze specifieke toepassing gedemonstreerd zal moeten worden op dit project.
Welke impactstudies zijn uitgevoerd naar de effecten van het zonnepark op het zeeleven, vogels en scheepvaartveiligheid?
Voor dit project heeft de initiatiefnemer een onafhankelijke impactanalyse laten uitvoeren, welke de verwachtte effecten op de omgeving, waaronder effecten op scheepvaartveiligheid, zeeleven en vogels, in kaart heeft gebracht. Vanwege de innovatieve aard is de kennis over ecologische effecten van deze techniek echter beperkt. Het kabinet heeft daarom een meerjarig zon op zee ecologisch onderzoeksprogramma opgezet, waarbij deze effecten verder worden onderzocht, mede via monitoring op dit soort demonstratieprojecten.
Hoe verhoudt dit project zich tot internationale veiligheidsnormen en -richtlijnen voor gecombineerde offshore-energieproductie?
Zoals benoemd onder antwoord 10 is de installatie ontworpen en gebouwd conform de relevante (internationale) normen- en richtlijnen. Voor innovaties kan het echter zo zijn dat deze normen niet altijd volledig van toepassing zijn. Dit soort demonstratieprojecten zijn nodig om deze normen- en richtlijnen verder aan te scherpen.
In hoeverre is rekening gehouden met cumulatieve effecten op het mariene ecosysteem door het stapelen van wind- en zonne-energie-installaties op dezelfde locatie?
Middels de onder antwoord 11 benoemde impactanalyse zijn ook de cumulatieve effecten van dit project in combinatie met het omliggende windpark in kaart gebracht. Voor het windpark zijn de ecologische effecten in een eerder stadium al in kaart gebracht.
Hoe wordt het project gemonitord op ecologische gevolgen en wie draait op voor schade bij bijvoorbeeld storm of aanvaring?
Eventuele schade door storm of aanvaringen valt onder het risico van de vergunninghouder. De ecologische monitoring op dit project wordt uitgevoerd samen met de vergunninghouder, de techniekontwikkelaar en betrokken onafhankelijke onderzoeksinstanties, middels inzet vanuit het onder antwoord 13 benoemde meerjarige ecologische programma.
Hoe verhoudt dit project zich tot de «zonneladder» die een beleidsinstrument is dat een voorkeursvolgorde aangeeft voor het plaatsen van zonnepanelen, met als doel om zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren?
De «zonneladder» biedt een beleidskader voor de ruimtelijke inpassing van zonne-energie systemen binnen de landelijke omgeving en is voor zon op zee niet van toepassing. Zon op zee draagt wel bij aan het doel van dit beleidskader om landbouw- en natuurgronden te ontzien, door PV-systemen te plaatsen op beschikbare ruimte binnen windparken op zee.
Is er onderzocht of alternatieve locaties kostenefficiënter en ecologisch minder belastend zouden zijn geweest?
Dit is niet verder onderzocht. De locatie binnen windpark «Hollandse Kust Noord» komt voort uit de vergunningseisen van het windpark, waarvan de vergunninghouder voor dit project ook de exploitant is. Een locatie binnen een windpark is ook in lijn met de beoogde toepassing van deze techniek.
Op welke wijze worden de energieopbrengsten van het zonnepark apart geregistreerd en verantwoord ten opzichte van het windmolenpark?
De elektriciteitsopbrengst van het zonnepark wordt apart gemeten en geregistreerd, zodat betrouwbare data beschikbaar komt. Hiertoe zijn de benodigde systemen aanwezig op de installatie.
Welke onafhankelijke evaluatie is gepland om het project na 1, 5 en 10 jaar te beoordelen op rendement, betrouwbaarheid en ecologische impact, en wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het project heeft een looptijd van één jaar. Gedurende die periode wordt intensief gemonitord en geëvalueerd. De resultaten hiervan worden door de betrokken partijen gedeeld met de overheid en de sector. Het kabinet zegt toe de Kamer over de opvolging hiervan te zullen informeren.
Het mijnbouwbedrijf dat sneller wil beginnen met het mijnen in de Stille Oceaan. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mijnbouwbedrijf wil eerste diepzeemijn veel sneller leeghalen», waarin wordt beschreven hoe commerciële partijen waaronder het Zwitsers-Nederlandse bedrijf Allseas, plannen versnellen om op korte termijn te starten met grootschalige diepzeemijnbouw in de Clarion Clipperton Zone?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het voornemen om deze diepzee al binnen enkele jaren grootschalig te ontginnen, terwijl wetenschappers waarschuwen dat de ecologische gevolgen voor de oceaanbodem en mariene biodiversiteit mogelijk desastreus zijn en grotendeels onomkeerbaar?
Het kabinet past strikt het voorzorgsbeginsel toe en is op basis daarvan van mening dat de wetenschappelijke kennis met betrekking tot de effecten van diepzeemijnbouwactiviteiten op dit moment niet toereikend is om de stap van exploratie naar exploitatie te maken, zoals ook aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van lid Postma (NSC).2 Ook is er nog geen overeenstemming over een sterke internationale regeling voor de mogelijke exploitatie van de delfstoffen van de internationale zeebodem (exploitatieregeling). Het kabinet is van mening dat deze exploitatieregeling strikte milieuvoorwaarden moet bevatten en moet voorzien in effectief toezicht op de naleving daarvan. Eventuele exploitatie kan pas van start gaan wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan. Voor het kabinet staat voorop dat diepzeemijnbouw alleen zou mogen plaatsvinden indien wetenschappelijk aantoonbaar strikt binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem, zoals aangegeven in de Kamerbrief met het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw3. Nederland zet zich daarom in de internationale onderhandelingen over de exploitatieregeling ook nadrukkelijk in voor het meewegen van de ecologische gevolgen voor de oceaanbodem en de mariene biodiversiteit in het regelgevende kader voor exploitatieactiviteiten. Dit standpunt wordt gedeeld door een grote groep landen binnen de Internationale Zeebodemautoriteit (Autoriteit). Nederland heeft nauw opgetrokken met deze landen en zal dit blijven doen.
Kunt u toelichten in hoeverre Nederlandse bedrijven betrokken zijn bij deze plannen voor diepzeemijnbouw, in het bijzonder Allseas, een Zwitsers-Nederlands bedrijf dat volgens het artikel een cruciale rol speelt bij de technische uitvoering?
Voor zover bekend zijn er geen (andere) Nederlandse bedrijven betrokken. Het kabinet kan verder geen uitspraken doen over individuele bedrijven.
Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van wetenschappers dat diepzeemijnbouw leidt tot grootschalige slibwolken die zich jaarlijks over een steeds groter deel van de oceaan kunnen verspreiden, waardoor zee- en bodemdiertjes die voedsel uit het water filteren verstikken en massaal kunnen sterven?
Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt, is het kabinet van mening dat de exploitatieregeling moet voorzien in passende drempelwaarden voor de meest relevante milieueffecten, waarbij specifieke regionale en lokale omstandigheden in acht worden genomen. Hiertoe moeten in ieder geval duidelijke milieukwaliteitsdoelstellingen, evenals indicatoren en drempelwaarden als milieuvoorwaarden worden opgenomen in de exploitatieregeling.4 In 2023 zijn er binnen de Autoriteit expertwerkgroepen ingesteld die momenteel werken aan het ontwikkelen van bindende milieudrempelwaarden op de volgende drie onderwerpen: 1) toxiciteit, 2) troebelheid en bezinking van slibwolken, 3) onderwatergeluid en lichtvervuiling. De waarschuwingen over de mogelijke gevolgen van slibwolken worden dus opgepakt binnen de Autoriteit. De werkgroepen bestaan uit onafhankelijke deskundigen met erkende expertise op deze onderwerpen. Nederland spreekt zich in de Autoriteit nadrukkelijk uit voor het ontwikkelen van deze bindende milieudrempelwaarden en behoort tot een groep landen die zich actief inzet voor het werk van deze deskundigen en de voortgang in de werkgroepen.
Deelt u de mening dat de betrokkenheid van Allseas Nederland medeverantwoordelijk maakt voor de ecologische schade die diepzeemijnbouw met zich meebrengt? Zo nee, waarom niet?
Allereerst staat voor het kabinet voorop dat exploitatie van de diepzeebodem alleen kan plaatsvinden indien wetenschappelijk aantoonbaar strikt binnen de draagkracht van het mariene ecosysteem, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. Het kabinet zet zich hier ook nadrukkelijk voor in. Verder is ten aanzien van diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren in het VN-Zeerechtverdrag geregeld dat elke contractant een zogenaamde Sponsoring State moet hebben, die garant staat voor naleving van de internationale regels voor diepzeemijnbouw onder het VN-Zeerechtverdrag door de contractant, en die de Autoriteit ondersteunt bij toezicht op en handhaving van naleving van de regels door de contractant. Nederland is niet betrokken bij de activiteiten van bedrijven (of andere partijen) in het kader van de Autoriteit, niet als Sponsoring State en niet als vlaggenstaat. Uiteindelijk zijn contractanten zelf verantwoordelijk voor hun diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren, en het daarbij voorkomen van schade aan het mariene milieu en ecosysteem.
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot de internationale afspraken over biodiversiteit, waaronder de Global Biodiversity Framework-doelen die gericht zijn op het beschermen van oceanen en ecosystemen?
Het kabinet onderschrijft alle doelen van het Kunming-Montreal Biodiversiteitskader, waaronder de doelen die gericht zijn op het beschermen van de zeeën, de oceaan en ecosystemen. Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw is het kabinet van mening dat exploitatie van de delfstoffen van de internationale zeebodem aantoonbaar geen significante schade aan het mariene milieu, ecosysteem en biodiversiteit zou mogen aanrichten. Ook zou eventuele exploitatie de klimaat- en ecosysteemfuncties van de oceanen niet mogen verstoren.5 Dat sluit aan bij de afspraken volgend uit de BBNJ-overeenkomst6, het Biodiversiteitsverdrag en het Kunming-Montreal Biodiversiteitskader. In het kader van deze internationale overeenkomsten heeft Nederland, zoals aangegeven in het antwoord op Kamervragen van het lid Postma (NSC),7 tijdens de onderhandelingen over de exploitatieregeling in september 2024 een tekstvoorstel ingediend, waarmee zou worden geregeld dat exploitatie van de internationale zeebodem alleen mag plaatsvinden als dit de effectieve implementatie van andere internationale raamwerken en overeenkomsten niet hindert. Hiermee wordt mede naar de BBNJ-overeenkomst en het Kunming-Montreal Biodiversiteitskader verwezen. Dat voorstel kon tijdens de onderhandelingen in maart 2025 op steun van enkele andere staten rekenen.
Onderschrijft u de conclusies uit het rapport in opdracht van het WWF dat als we grondstoffen recyclen én slimme keuzes maken voor innovatieve accutechnologie (waar minder metalen nodig zijn) kan de toekomstige vraag naar metalen met meer dan de helft worden teruggebracht? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op Kamervragen van de leden Teunissen en Vestering (beiden PvdD)8 deelt het kabinet de conclusie dat grondstoffenefficiëntie en circulariteit essentiële onderdelen zijn van de aanpak voor leveringszekerheid van kritieke grondstoffen. Via de Nationale Grondstoffenstrategie (NGS)9 en het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)10 zet het kabinet hier ook op in als handelingsperspectieven om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen te vergroten. Ook Europees wordt nadrukkelijk ingezet op circulariteit van kritieke grondstoffen, via de Europese Critical Raw Materials Act (CRMA)11. Hoe beter we er immers in slagen kritieke materialen te hergebruiken en substitueren, hoe minder we deze in de toekomst primair hoeven te winnen. Tegelijkertijd benadrukt het kabinet, zoals onder andere benoemd in het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw12, het belang van een voldoende groot aanbod van kritieke grondstoffen met het oog op de huidige geopolitieke verhoudingen rondom deze grondstoffen. De onderzoekers benadrukken in het WWF rapport eveneens dat naast vraagvermindering en circulariteit de komende twee decennia ook opschaling van mijnbouw nodig is om te kunnen voldoen aan de vraag naar kritieke grondstoffen voor de groene transitie.13 De onderzoekers geven daarbij aan dat de bestaande reserves die economisch rendabel zijn, niet voor alle grondstoffen voldoende zijn om in de voorziene vraagtoename naar kritieke grondstoffen voor de groene transitie te voorzien, in het bijzonder niet voor lithium, nikkel en kobalt. Nederland en Europa zijn voor de import van dergelijke mineralen sterk afhankelijk van derde landen, met name China, en dat maakt ons kwetsbaar voor verstoringen in toeleveringsketens. De afgelopen twee jaar stelde China meermaals verschillende exportbeperkende maatregelen in voor kritieke grondstoffen. Dat onderstreept het belang van urgente actie om onze kwetsbaarheid te verminderen. Het kabinet zet daarom zowel in op vraagvermindering en circulariteit, als op primaire winning van kritieke grondstoffen in de EU en nieuwe partnerschappen met bronlanden. Het kabinet deelt daarbij de visie in het rapport dat dit zo duurzaam mogelijk moet plaatsvinden, en gezocht moet worden naar vormen van mijnbouw en bronnen van mineralen met een zo beperkt mogelijke voetafdruk.
Ten aanzien van innovatieve batterijtechnologie, inclusief circulariteit en leveringszekerheid, zet het kabinet onder andere in op de «Routekaart Circulaire en weerbare batterijen» en het Nationaal Groeifondsproject «Material Independence and Circular Batteries». Op Europees niveau is er de Batterijenverordening (EU 2023/1542)14 die hier ook nadrukkelijk op inzet. Op dit moment is niet te voorspellen of deze inzet ertoe zal leiden de toekomstige vraag naar kritieke metalen met meer dan de helft kan worden teruggebracht.
Hoe beoordeelt u de inschatting van experts dat diepzeemijnbouw slechts voor zeer klein deel kan bijdragen aan de vraag naar metalen en dat het waarschijnlijk nog minstens tien jaar voordat de diepzeemetalen op de markt zouden kunnen komen, wat te laat is voor de energietransitie?
Op dit moment is onvoldoende duidelijk hoeveel diepzeemijnbouw zou kunnen bijdragen aan het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke metalen, en wanneer diepzeemetalen op de markt zouden kunnen komen. De tijdspaden van de verschillende handelingsperspectieven en de verwachte marktontwikkelingen, waaronder de inzet op een circulaire economie, weegt het kabinet mee in afwegingen over diepzeemijnbouw en over het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen.
Kunt u toezeggen dat Nederland op geen enkele manier meewerkt aan en niet akkoord gaat met de vergunningverlening voor The Metal Company (TMC) in de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)? Zo ja, wanneer zult u hier stelling tegen nemen? Zo nee, waarom niet?
The Metals Company heeft geen verzoek voor een exploitatievergunning ingediend bij de Autoriteit. Zoals aangegeven in het kabinetsstandpunt over diepzeemijnbouw is het kabinet van mening dat aanvragen voor exploitatievergunningen die bij de Autoriteit worden ingediend voordat een volledige exploitatieregeling is vastgesteld, moeten worden afgekeurd. Nederland en een meerderheid van de verdragspartijen bij het VN-Zeerechtverdrag hebben dit in de vergaderingen van de Autoriteit uitgedragen. Door de Raad van de Autoriteit (het uitvoerende orgaan) is inmiddels in meerdere besluiten vastgelegd dat commerciële exploitatie niet zou moeten plaatsvinden in afwezigheid van een exploitatieregeling. Tijdens de Raadsvergaderingen van dit jaar (maart en juli 2025) heeft de Nederlandse delegatie ook gewezen op deze besluiten.
Welke sancties heeft u voor ogen voor bedrijven die aan de slag gaan zonder zo’n internationale vergunning?
Zoals aangegeven in het antwoord op de Kamervragen van het lid Postma wil het kabinet ervoor waken om op zaken vooruit te lopen, want veel is nog onzeker.15 Uiteraard zal het kabinet zich, wanneer de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, beraden op eventuele te nemen stappen, binnen de kaders van de Autoriteit. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren plaatsvinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag en onder auspiciën van de Autoriteit. Nederland werkt momenteel ook samen met andere staten die actief zijn binnen de Autoriteit om hiervoor zorg te dragen.
Kunt u TMC en Allseas op de hoogte stellen van de sancties die u voor ogen heeft als zij zonder vergunning gaan mijnen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op de voorgaande vraag is veel nog onzeker, en is het op dit moment nog niet duidelijk of er partijen zijn die buiten de Autoriteit om diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren zullen opstarten. Nederland zal zich ervoor blijven uitspreken dat deze activiteiten plaatsvinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Ik kan verder geen uitspraken doen over individuele bedrijven. Conform de motie van het lid Postma c.s. van 11 juni 202516 kan ik u wel laten weten dat het kabinet in gesprek is gegaan met Allseas, waarin is toegelicht dat het kabinet staat voor de integriteit van het VN-Zeerechtverdrag en dat diepzeemijnbouwactiviteiten in internationale wateren plaats dienen te vinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag en onder auspiciën van de Autoriteit.
Een groen en gezond alternatief voor de huidige plannen van Tata Steel |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «Wijmond. Een business case voor alternatieve invulling van het terrein van Tata Steel IJmuiden»?1
Ja, de Minister van Klimaat en Groene Groei (KGG) en ik hebben dit rapport voor de zomer ontvangen tijdens een gesprek met omwonenden. Ook ambtelijk is dit rapport bekend: de ministeries staan in nauw contact met alle betrokkenen, waaronder omwonenden- en milieuorganisaties.
Weet u nog dat verschillende economen ervoor hebben gewaarschuwd dat belastinggeld geven aan het huidige «Groen Staal Plan» grote risico’s met zich meebrengt voor de belastingbetaler en verspilling van belastinggeld zou kunnen betekenen?2 Welke garanties kunt u bieden dat het plan haalbaar is?
Dit signaal is bekend. Het doel van de maatwerkafspraak met Tata Steel is, naast de realisatie van schone en groene staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren. Er moet zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Het Groen Staal-plan betreft een zeer omvangrijke investering van Tata Steel Nederland (TSN) en het moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL). Het bedrijf zal niet investeren zonder zicht op een langetermijnverdienmodel. In dat licht wordt ook verwezen naar uitspraken van de bestuursvoorzitter van TSL.3
Daarnaast zijn strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming geldt dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De Europese Commissie toetst hier streng op. Verder biedt de maatwerkafspraak ook de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s.
Aangezien met het huidige plan van Tata Steel we nog decennia afhankelijk blijven van aardgas, vindt u dat de best optie om geld van burgers in te investeren?
Ja, het huidige plan is nog steeds de betere optie van de onderzochte scenario’s uit het rapport van Wijers en Blom4. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 beoogt het kabinet schone en groene staalproductie die financieel levensvatbaar is. Het kabinet stuurt aan op een goede afweging hierin. De inzet van aardgas is een tussenfase in de transitie naar groen staal. In deze tussenperiode wordt gewerkt aan de beschikbaarheid van voldoende betaalbare, beschikbare en betrouwbare groene, hernieuwbare energie. Door deze noodzakelijke tussenstap neemt de kans toe dat de omvangrijke transitie doorgemaakt zal worden. Het uitsluiten van het gebruik van aardgas zou ertoe kunnen leiden dat de verduurzaming en dus ook de gezondheidswinst voor omwonenden pas veel later of niet wordt gerealiseerd.
Ziet u ook in dat Nederland met het huidige plan van Tata sowieso afhankelijk blijft van verre (niet-Europese) landen voor schadelijk aardgas en ijzererts?
TSN importeert op dit moment aardgas en ijzererts vanuit zowel Europese als niet-Europese landen. Het is ook in de transitie een economische en strategische afweging van het bedrijf zelf om al dan niet de benodigde ijzererts en aardgas te importeren ten behoeve van de staalproductie, en zo ja, waarvandaan het bedrijf dat doet.
Heeft u kennis genomen van het advies van de onafhankelijke Expertgroep Gezondheid IJmond dat voor het goed borgen van gezondheid van omwonenden in de maatwerkafspraken er een garantie moet komen voor een reductie van 90% voor PAK’s, benzeen en een selectie aan metalen? Klopt het dat dat met het huidige plan waarover het kabinet onderhandelt niet gerealiseerd en gegarandeerd wordt, ondanks oproepen van de Kamer om dat wel te regelen?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld5 zal naar verwachting sprake zijn van een forse reductie van PAK’s en benzeen, maar waarschijnlijk niet 90%. Er zou dan dus nog een restopgave overblijven. Die zou deels worden gerealiseerd na 2030 als gevolg van de verdere verduurzaming van het bedrijf (na het vervangen van de resterende hoogoven en kooksgasfabriek). Het kabinet kan in het openbaar geen verdere mededelingen doen over wat onderdeel is van de onderhandelingen over maatwerkafspraken.
Wat is uw reactie op het rapport «Wijmond. Een business case voor alternatieve invulling van het terrein van Tata Steel IJmuiden»? Wat vindt u van de verschillende bouwstenen in het rapport?
Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van het rapport. De bouwstenen zijn interessante denkrichtingen die veelal bijdragen aan de maatschappelijke uitdagingen waar het kabinet aan werkt: voldoende betaalbare woningen, ruimte voor Defensie, de energietransitie en natuurherstel. Tegelijkertijd neemt het rapport als vertrekpunt dat TSN op korte termijn zal krimpen of sluiten, terwijl het bedrijf juist inzet op het Groen Staal-plan. Die inzet, met versnelde reductie van de overlast voor omwonenden en de leefomgeving, is ook de inzet van het kabinet voor de onderhandelingen over maatwerkafspraken.
Overigens wil ik nog meegeven dat Tata Steel zelf eigenaar is van het terrein. Ook als er geen maatwerkafspraak komt, is het primair aan het bedrijf zelf om mogelijke alternatieve invulling van het terrein te wegen.
Kunt u per scenario grondig onderbouwd toelichten welke potentie u daarin ziet?
In een eerder stadium zijn diverse scenario’s door Wijers en Blom onderzocht en door het kabinet gewogen6. De uitkomst van die weging is dat het kabinet inzet op maatwerkafspraken die de verduurzaming van TSN mogelijk helpen maken, met versnelde reductie van de overlast voor omwonenden en de leefomgeving. Daarom is het niet opportuun om nu nieuw onderzoek te doen naar de potentie van deze alternatieve denkrichtingen.
In het rapport komen veel aspecten aan de orde, maar nader onderzoek zou nodig zijn om te kunnen spreken van echte business cases of een volwaardige maatschappelijke kosten-batenanalyse. De scenario’s zijn interessant maar rusten ook op een aantal cruciale aannames, zoals over de bereidheid van TSN om op korte termijn te krimpen of te sluiten, en over mogelijke kosten van bodemsanering (zie ook het antwoord op vraag 10). Deze aannames zijn voor rekening van de auteur van het rapport.
In hoeverre neemt u de bevindingen uit dit rapport mee in de lopende onderhandelingen met Tata Steel over de maatwerkafspraken?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 6 bevat het rapport ideeën voor een hypothetisch scenario waarin TSN op korte termijn zou krimpen of sluiten. Dat is echter niet de inzet van de onderhandelingen over maatwerkafspraken.
Heeft u kennis van genomen dat het Wijmond-rapport de financiële situatie van Tata Steel, de juridische procedures en de marktvooruitzichten als factoren benoemt die een onsuccesvolle transitie en mogelijke sluiting van de fabriek tot gevolg kunnen hebben? Deelt u deze conclusie en zijn er, naast het Groen Staalplan, ook alternatieve plannen voorbereid voor het geval Tata Steel de deuren sluit?
Ja, de analyse over deze punten in het Wijmond-rapport is bekend. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 2 hebben het kabinet en het bedrijf zelf als doel om de transitie naar schone en groene staalproductie in de IJmond te realiseren. Ik deel in zoverre de conclusie dat deze transitie essentieel is voor het toekomstperspectief van het bedrijf in Nederland. De overheid en het bedrijf zijn juist om die reden intensief in gesprek om deze transitie daadwerkelijk mogelijk te maken. Het rapport van Wijers en Blom gaat ook in op alternatieve plannen voor het Groen Staal-plan. De sluitingsroute werd als ongunstig beoordeeld, met zeer hoge financiële en uitvoeringsrisico’s. Het kabinet kiest, mede gelet op de economische en strategische waarde, voor behoud van staalproductie in de IJmond. Om die reden wordt de sluitingsroute niet verder uitgewerkt.
Heeft u er kenis van genomen dat volgens de studie de kosten voor de sloop en sanering van het terrein naar schatting 2 tot 4 miljard euro bedragen, wat aanzienlijk lager is dan de 12 miljard euro die eerder in de media is genoemd? Erkent u deze inschatting?
Het rapport noemt een bandbreedte van 1,7 miljard tot 7,3 miljard euro; daarbinnen schat de auteur dat de kosten 2 tot 4 miljard zouden bedragen (p. 81). Uit het rapport blijkt niet duidelijk hoe deze berekening en inschatting tot stand zijn gekomen. De berekening en inschatting zijn voor rekening van de auteur van het rapport.
Kent u de motie van de leden Kostic en Soepboer, waarbij het kabinet de opdracht kreeg om sterker te borgen dat vervuilers zelf de kosten van de schade die ze met vervuiling veroorzaken gaan betalen, en niet de belastingbetaler?3
Ja. Zoals eerder in reactie op de motie aangegeven8 is het principe «de vervuiler betaalt» voldoende geborgd in de regelgeving.
Erkent u dat Tata Steel aansprakelijk is voor de bodemvervuiling op het terrein en dus zelf moet betalen voor de bodemsanering? Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat Tata Steel gaat betalen voor de enorme vervuiling die ze hebben veroorzaakt, in plaats van de gewone burger?
Het klopt dat ieder bedrijf aansprakelijk is voor de bodemvervuiling die het veroorzaakt. In de eerdere brief over de bodemvervuiling op het TSN-terrein wordt uitgebreid ingegaan op het verschil tussen historische vervuiling en vervuiling door TSN9. Het kabinet zet in op maatwerkafspraken die de verduurzaming en het schoner maken van de staalproductie van TSN mogelijk helpen maken, met versnelde reductie van de overlast voor omwonenden en de leefomgeving. Toekomstige bedrijfsactiviteiten zullen moeten voldoen aan de relevante wet- en regelgeving, zoals vergund door het bevoegd gezag. Dat geldt ook voor eventuele eisen aan de bodemkwaliteit op het terrein.
Heeft u er kennis van genomen dat het rapport stelt dat het scenario «Stad in de duinen», met de bouw van 30.000 tot 40.000 woningen, inkomsten kan genereren van 4 tot 5 miljard euro die kunnen helpen bij het dekken van saneringskosten. Kunt u toelichten hoe de overheid dit potentieel zou kunnen benutten?
Het rapport biedt interessante denkrichtingen voor de situatie waarin TSN op korte termijn zou krimpen of sluiten. In dat hypothetische geval kunnen de geschetste scenario's bijdragen aan de huidige uitdagingen rond de kwaliteit van de leefomgeving, schaarste aan woonruimte en druk op werklocaties in het Noordzeekanaalgebied. Het gaat echter om hypothetische scenario’s die niet aan de orde zijn en die deels gestoeld zijn op belangrijke aannames, zoals ook aangegeven in de antwoorden op vragen 6, 7, 8 en 9. Daar komt bij dat er in het gehele Noordzeekanaalgebied sprake is van een schaarste aan ruimte voor economische activiteiten en het uitgangspunt is om bestaande ruimte voor de economie te behouden10.
Kunt u toelichten hoe u kijkt naar de potentiële bijdrage van het Wijmondplan aan de oplossing van de wooncrisis?
Ik wil nogmaals benadrukken dat TSN de eigenaar is van het terrein. Ook als er geen maatwerkafspraak komt, is het primair aan het bedrijf zelf om mogelijk alternatieve invulling van het terrein te wegen.
Op zichzelf staand zouden 30.000 tot 40.000 extra woningen in positieve zin bijdragen aan het woningtekort. In de woondeal van de Metropoolregio Amsterdam zijn echter voldoende locaties afgesproken waarmee de woningbouwambitie van de regio kan worden ingevuld tot en met 2030. Het benutten van de locatie van TSN kent, zoals in het Wijmond-rapport ook aan de orde komt, financiële en uitvoeringsrisico’s, onder meer vanwege de bodemverontreiniging. Deze locatie zou bovendien pas op de lange termijn tot ontwikkeling kunnen komen en is daarmee geen oplossing voor de wooncrisis op de korte termijn. Tot slot is de potentiële bijdrage zoals gezegd hypothetisch van aard en deels gestoeld op een aantal belangrijke aannames, zoals ook aangegeven in de antwoorden op vragen 6, 7, 8, 9 en 13.
Heeft u er kennis van genomen dat het scenario «Natuur- en innovatiegebied» in het rapport aangeduid wordt als de meest maatschappelijk rendabele optie vanwege de baten van natuur, meer werkgelegenheid en lagere zorgkosten? Wat is uw onderbouwde visie op het prioriteren van maatschappelijke baten?
Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van deze denkrichting in het rapport. De aanname dat bedrijven die elders in Nederland gevestigd zijn naar dit gebied willen verhuizen, lijkt echter te optimistisch. Verschillende steden zijn innovatiedistricten en campussen aan het opzetten. Daarbij blijkt het verleiden van bedrijven om te verplaatsen een uitdaging. Ook dient voorkomen te worden dat een nieuw in te richten innovatiedistrict gaat concurreren met bestaande en in ontwikkeling zijnde gebieden binnen dezelfde regio.
Bent u het eens met de conclusie van de studie dat dat het Groen Staalplan de minst aantrekkelijke optie is wat betreft maatschappelijke baten? Welke andere scenario’s worden meegenomen in de besluitvorming?
Het kabinet deelt deze conclusie niet. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 6, 7, 8 en 9 zet het kabinet, op basis van eerdere onderzoeken en besluitvorming11, in op het Groen Staal-plan. Deze route wordt nader uitgewerkt en maakt het mogelijk om schoon en groen staal te produceren in de IJmond, waardoor de economische en strategische waarde daarvan wordt behouden voor Nederland en Europa.
Bent u bereid te stoppen met de onderhandelingen met Tata Steel, gebaseerd op het achterhaalde, kostbare en risicovolle (voor milieu, gezondheid en belastingebetaler) Groen Staal Plan? Zo nee, waarom gokt u met geld van belastingbetalers?
Nee, het kabinet is niet bereid om de onderhandelingen te stoppen. Het kabinet zet juist in op een verantwoorde en zorgvuldige besteding van belastinggeld, zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 2 en 3. Deze inzet moet juist leiden tot versnelde reductie van overlast voor omwonenden en de leefomgeving, zoals ook aangegeven in de beantwoording van vraag 6.
Kunt u de vragen zo snel mogelijk en één voor één beantwoorden?
Ja.
De verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering |
|
Christine Teunissen (PvdD), Suzanne Kröger (GL), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het historische advies van het Internationaal Gerechtshof (IGH) van 23 juli 2025 inzake de verplichtingen van staten met betrekking tot klimaatverandering?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het advies stelt dat het nalaten van een staat om passende maatregelen te nemen tegen klimaatverandering, onder meer door het verstrekken van subsidies voor fossiele brandstoffen, «een internationale onrechtmatige daad kan vormen die aan die staat kan worden toegerekend»?
Ja.
Erkent u dat elke vorm van staatssteun aan fossiel niet in lijn is met de klimaatdoelen van Parijs en daarmee een schending van internationale afspraken is? Bent u voornemens uw beleid op gebied van fossiele steun te analyseren naar aanleiding van dit advies? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze lezing onderschrijft het kabinet niet. Het kabinet voert klimaatbeleid gericht op de Europese en nationale klimaatdoelen, zodat Nederland zijn bijdrage levert aan het realiseren van de temperatuurdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. Dit beleid is gericht op een effectieve, efficiënte en rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal, Nederland en Europa. In deze transitie zal, mede als gevolg van dit beleid, het gebruik van fossiele energiedragers verminderen. Ook tegen deze achtergrond kan een vorm van staatssteun aan het gebruik van fossiele energiedragers – binnen de toegestane Europese kaders – (tijdelijk) nodig zijn om bijvoorbeeld energiearmoede, leveringszekerheid of verplaatsing van bedrijven en CO2-uitstoot (weglek) naar het buitenland te voorkomen. Daarmee worden in de lezing van het kabinet geen internationale afspraken geschonden. Het kabinet ziet daarom in het advies van het IGH geen aanleiding om een nieuwe analyse te maken van het beleid dat steun geeft aan fossiele energie.
Klopt het dat de Nederlandse staat nog steeds voor rond de 40 miljard aan verschillende vormen van steun aan de fossiele sector geeft? Zo nee, hoeveel steun geeft de Nederlandse overheid op dit moment aan de fossiele sector?
In Nederland wordt jaarlijks in de Miljoenennota inzicht gegeven in fossiele voordelen (ook wel fossiele subsidies). Dit overzicht laat zien in hoeverre de klimaatschade die voortkomt uit het gebruik van fossiele energiedragers direct of indirect beprijsd is. Ook wordt geïnventariseerd welke subsidieregelingen een specifiek (direct of indirect) voordeel geven aan emissie van broeikasgassen als gevolg van het gebruik van fossiele energiedragers. In de Miljoenennota 2026 blijkt uit dit overzicht een klimaatbeprijzingstekort van 18,0 mld. euro voor het jaar 2024 voor emissies die gepaard gaan met het gebruik van fossiele energiedragers (inclusief uitgestelde emissies die worden toegerekend aan niet-energetisch gebruik van fossiele energiedragers). Het opgeteld budgettair belang van subsidieregelingen voor het jaar 2025 bedraagt 29,8 mld. euro. Dit budgettaire belang betreft vooral voordelen die samenhangen met verlaagde tarieven of vrijstellingen in milieuheffingen. Twee kanttekeningen zijn van belang bij deze optellingen: ten eerste worden verlaagde tarieven berekend ten opzichte van het hoogst geldende tarief van een milieuheffing. Een verhoging van de tariefstelling van milieuheffingen verhoogt hiermee dus ook de budgettaire omvang van een vrijstelling of een verlaagd tarief. Daarnaast wordt bij de optelling van het budgettaire belang van regelingen geen rekening gehouden met eventuele alternatieve heffingen voor een gebruikersgroep. Hiermee kan het opgeteld budgettair belang een vertekend beeld geven.
Zijn de juridische risico’s voor het verlenen van die steun toegenomen door het advies van het IGH? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze risico’s verkleinen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het advies verduidelijkt de bestaande internationaalrechtelijke verplichtingen van staten op het gebied van klimaat, maar schept geen nieuwe verplichtingen. De uitleg van het IGH over de internationaalrechtelijke verplichting om mitigatiemaatregelen te nemen, sluit aan bij de zienswijze van het Koninkrijk der Nederlanden. De juridische risico’s zijn door het advies dus niet toegenomen, maar een herbevestiging van de verplichting om mitigatiemaatregelen te nemen.
Is het u bekend dat het IGH in paragraaf 252 van haar advies benadrukt dat staten de verplichting hebben om bedrijven zo te reguleren dat 1,5°C niet onmogelijk wordt? Op welke wijze voldoet de Nederlandse staat aan die verplichting?
Ja, dat is het kabinet bekend. Het IGH benadrukt dat staten passende maatregelen moeten treffen om de doelstellingen van hun zogenaamde Nationally Determined Contributions (NDC’s) te verwezenlijken, ook met betrekking tot activiteiten die door private actoren worden uitgevoerd. Deze maatregelen kunnen bestaan uit een regelgevend kader, waaronder de effectieve regulering van private actoren.
Nederland heeft zich in EU-verband met de Overeenkomst van Parijs, de Europese klimaatwet en de nationale Klimaatwet gecommitteerd aan klimaatneutraliteit in 2050 en daarmee aan de doelstelling van 1,5-graad. Nederland beschikt in EU- en nationaal verband over een uitgebreid regelgevend kader en werkt voortdurend aan nieuwe regelgeving, ook gericht op private actoren, ter verwezenlijking van de Europese en nationale klimaatdoelen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de verplichting om bedrijven zodanig te reguleren dat het behalen van de 1,5 graad-doelstelling niet onmogelijk wordt.
Klopt het dat het recente besluit van de Europese Unie om klimaatplannen niet verplicht te maken en geen resultaatverplichtingen op het gebied van klimaat aan bedrijven te stellen, ingaat tegen deze verplichting? Zo nee, waarom niet?
Waarschijnlijk verwijst de vraagsteller naar het Omnibus I-voorstel van de Europese Commissie, waarmee de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) wordt aangepast. De onderhandelingen hierover lopen nog en het Europees Parlement heeft nog geen positie bepaald. De onlangs bereikte Raadspositie inzake het Omnibus-I-Voorstel bevat nog steeds een verplichting een klimaattransitieplan vast te stellen. Het kabinet heeft eerder aangegeven eraan te hechten dat deze verplichting behouden blijft.1
Daarnaast zijn de klimaatdoelstellingen van de Unie uitgewerkt in een breed palet aan wetgevingsinstrumenten die alle relevante sectoren bestrijken, waaronder industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving, energievoorziening, landbouw en landgebruik. Deze regelgeving bewerkstelligt een afdwingbare en coherente uitvoering van het klimaatbeleid binnen de gehele Unie en bestaat onder andere uit het EU-ETS, ESR, LULUCF, en verplichtingen ten aanzien van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Hiermee wordt, zoals reeds in het antwoord op vraag 6 is toegelicht, uitvoering gegeven aan de verplichting om bedrijven zodanig te reguleren dat het behalen van de 1,5 graad-doelstelling niet onmogelijk wordt.
Bent u bekend met paragraaf 482 van het advies waarin het IGH staten medeverantwoordelijk houden voor de activiteiten van de in hun land gevestigde bedrijven? Kunt u beiden aangeven hoe dit oordeel zich verhoudt tot de huidige beleidspraktijk van Nederland? Op welke wijze spreekt de Nederlandse overheid bedrijven aan? Welke consequenties verbindt u aan het schenden van internationale afspraken op gebied van klimaat, milieu en mensenrechten door bedrijven?
Ervan uitgaande dat wordt gedoeld op paragraaf 428, is het kabinet bekend met dit deel van het advies. Het oordeel van het IGH sluit aan bij de beleidspraktijk die is beschreven in de antwoorden op vragen 6 en 7. Het is voor Nederland van belang het internationaal recht te respecteren en hiernaar te leven. Nederland beschikt, mede ter uitvoering van Europese regelgeving, over een effectief regelgevend kader om bedrijven te verplichten en te stimuleren de uitstoot van broeikasgassen te reduceren. Effectief toezicht en handhaving vormen het sluitstuk van dit kader. Dit omvat onder meer controles en inspecties, monitoring van emissies en het opleggen van maatregelen en sancties bij overtredingen van wettelijke normen. Bedrijven worden aangesproken via advies, toezicht en, indien nodig, handhavingsmaatregelen.
Verder verwacht het kabinet dat Nederlandse bedrijven die zakendoen in het buitenland, dit maatschappelijk verantwoord doen. De OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) vormen de basis van het Nederlandse IMVO-beleid. Kernonderdeel hiervan is de verwachting dat bedrijven gepaste zorgvuldigheid toepassen. Dat betekent dat zij risico’s voor mens en milieu in hun bedrijfsvoering en waardeketens in kaart brengen en waar nodig aanpakken. Dit wordt een wettelijke verplichting in de CSDDD. Over wijzigingen in deze richtlijn wordt in het kader van het Omnibus I-voorstel momenteel nog onderhandeld.2
De overheid stimuleert IMVO door middel van elkaar versterkende maatregelen. Zo heeft Nederland een onafhankelijk Nationaal Contactpunt (NCP) dat meldingen behandelt van stakeholders die een meningsverschil hebben over de toepassing van de OESO-richtlijnen. Daarnaast kunnen ondernemingen alleen gebruik maken van het BHO handelsinstrumentarium als zij voldoen aan IMVO-voorwaarden. Uiteindelijk is het de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om beslissingen te nemen binnen de grenzen van de wet.
Kent u paragraaf 282 van het advies, waarin het IGH stelt dat adaptatiemaatregelen getoetst moeten worden op de mogelijke schade die ze aanrichten op mens en milieu? Kunt u bevestigen dat de effecten op mens en milieu meegewogen worden bij besluitvorming over adaptatiemaatregelen die Nederland steunt in het buitenland?
Ja, ik ben bekend met paragraaf 282 van het advies. Deze effecten worden meegewogen in de besluitvorming. Nederland draagt via verschillende kanalen bij aan adaptatieactiviteiten in het buitenland. Onder andere via bilaterale en multilaterale ontwikkelingssamenwerking en de FMO. Ook programma’s zoals Partners voor Water en het International Panel on Deltas and Coasts (IPDC) dragen bij aan adaptatie in het buitenland. Alle bijdragen vanuit Nederlands instrumentarium zijn onderworpen aan procedures die de mogelijke nadelige effecten op mens en milieu afwegen (environmental, social and governance due diligence3 en milieueffectrapportage).
Erkent u dat het IGH in paragraaf 449–455 bevestigt dat staten verplicht zijn om schade door klimaatverandering te voorkomen, en dat bij het niet naleven van deze plicht sprake kan zijn van een internationaal onrechtmatige daad die herstel, waaronder compensatie, vereist? Hoe verhoudt dit zich tot het recente Nederlandse besluit om niet meer bij te dragen aan het VN-fonds voor klimaatschade (Fund for Responding to Loss & Damage)? Kan het uitblijven van een dergelijke bijdrage juridische en diplomatieke risico’s met zich meebrengen?
Ja, ik ben bekend met paragraaf 449–455 waarin is opgenomen dat sprake kan zijn van een internationaal onrechtmatige daad en dat een staat de verplichting kan hebben tot rechtsherstel. Rechtsherstel is een onderdeel van het staatsaansprakelijkheidsrecht. De uitspraak van het IGH op dit onderwerp is geheel overeenkomstig het bestaande internationaal gewoonterecht, zoals neergelegd in de Artikelen inzake Staatsaansprakelijkheid. Om te bepalen of en zo ja welke vorm van rechtsherstel geboden moet worden, moet een causaal verband worden vastgesteld tussen de internationaal onrechtmatige daad en bepaalde schade die een andere staat heeft geleden of kan lijden. Compensatie is een vorm van rechtsherstel. De invulling hiervan (hoogte, etc.) is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en moet (volgens het IGH) per geval beoordeeld worden.
Het Hof zegt over de relatie tussen aansprakelijkheid en het VN-fonds voor klimaatschade dat deze los staan van elkaar. Zo moet aan het VN-fonds voor klimaatschade worden bijgedragen op een faciliterende basis en in het kader van samenwerking. Dit gebeurt derhalve niet in de context van aansprakelijkheid voor een internationale onrechtmatige daad. Het Hof zegt dat dit wordt bevestigd in paragraaf 51 van het besluit van de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP) waarmee de Overeenkomst van Parijs is aangenomen.
Erkent u dat het advies bevestigt dat rijke landen als Nederland volgens het principe van klimaatrechtvaardigheid een extra verantwoordelijkheid hebben voor het terugdringen van klimaatuitstoot en aansprakelijk kunnen worden gesteld als zij niet aan deze afspraken voldoen? Onderschrijft u dat deze invulling van klimaatrechtvaardigheid concrete handelingsperspectieven biedt? Zo nee, waarom niet?
Het IGH legt in zijn advies uit dat «equity» of billijkheid kan dienen als een leidraad voor de interpretatie van de toepasselijke regels van het internationaal recht. Het Koninkrijk heeft hierover in zijn inbreng aangegeven dat billijkheid zich op diverse plaatsen uit in het klimaatrecht, onder andere in de toepassing van common but differentiated responsibilities and respective capabilities (CBDR-RC). Dit betekent dat iedere staat een verantwoordelijkheid heeft, maar dat deze al naar gelang van de omstandigheden verschillen. Dit verschil komt bijvoorbeeld tot uiting in de mate van zorg die een staat moet betrachten om klimaatverandering te mitigeren. Het kabinet onderkent het principe van CBDR-RC als een belangrijke voorwaarde voor een succesvolle klimaattransitie. Over de omstandigheden van staten zegt het Hof dat de kwalificatie als «ontwikkeld land» of «ontwikkelingsland» niet statisch is, maar met de tijd kan veranderen. Daarnaast heeft elke staat de verplichting om samen te werken om klimaatverandering tegen te gaan. Deze verplichting staat los van of een staat meer of minder welvarend is. De invulling van de plicht om samen te werken wordt echter wel ingegeven door de economische draagkracht van een staat.
Volgens het advies gelden de algemene regels van staatsaansprakelijkheid bij een schending van klimaatverplichtingen. De status van een land als ontwikkelingsland of ontwikkeld land is (volgens het Hof) niet van belang voor de toepassing van deze regels, maar bij de vaststelling een schending van een specifieke regel van het internationaal (klimaat)recht, in het bijzonder de zorgplicht, kan het onderscheid wel een rol spelen. Tevens onderstreept het Hof dat het staatsaansprakelijkheidsrecht geen speciale status toekent aan verschillende categorieën van benadeelde staten en dat alle staten een belang hebben bij de bescherming van de verplichtingen in het kader van klimaatverandering, mede omdat klimaatverandering een «common concern of humankind» is.
Voldoet Nederland aan de afspraken onder het Parijs-akkoord voor het terugdringen van de klimaatuitstoot? Zo nee, zijn de juridische risico’s van het niet voldoen aan de internationale afspraken toegenomen door de uitspraken van het IGH?
Als partij bij de Overeenkomst van Parijs levert Nederland zijn bijdrage aan de afspraken onder de Overeenkomst. Dit doet Nederland samen met de andere lidstaten van de EU via de Europese klimaatdoelen die zijn vastgelegd in de Europese Klimaatwet: ten minste 55% emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990, en klimaatneutraliteit in 2050. De Europese klimaatdoelen zijn in lijn met de benodigde EU-inzet om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Deze doelstellingen worden gerealiseerd via een omvangrijk en bindend wettelijk kader. Nederland implementeert dit kader binnen de nationale rechtsorde en neemt passende maatregelen om bij te dragen aan de verwezenlijking van zowel de EU-doelstellingen als de nationale doelen.
Het EU-klimaatdoel voor 2030 is eveneens gecommuniceerd in de EU NDC voor 2030. Dit document beschrijft de Europese bijdrage aan de doelen van de Overeenkomst van Parijs. Het EU-klimaatdoel voor 2050 vormt het hart van de Europese Langetermijnstrategie. Op dit moment loopt de EU-besluitvorming over een wettelijk bindend tussendoel voor 2040, en over de NDC voor 2035 die daarvan zal worden afgeleid. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het desbetreffende BNC-fiche.4
Heeft dit advies invloed op uw inzet voor de COP30 dit najaar? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het IGH heeft onder meer naar COP-besluiten gekeken om tot dit advies te komen. Dit bevestigt in de eerste plaats hoe belangrijk het is dat Nederland actief blijft in de multilaterale klimaatonderhandelingen tijdens deze en volgende COPs. De precieze inzet voor COP30 wordt op een later moment dit najaar vastgesteld. Het kabinet zal u daarover via de gebruikelijke wegen informeren.
Erkent u dat Nederland als laaggelegen delta zelf zeer kwetsbaar is voor klimaatverandering en aanzienlijke investeringen in adaptatie moet plegen? Ziet u kansen om landen die hun uitstoot onvoldoende terug te brengen aan te klagen na het advies van het IGH? Zo nee, waarom niet?
Gezien de lage ligging van Nederland is bescherming tegen overstromingen ook zonder klimaatverandering een voortdurende taak die blijvend vraagt om investeringen. Door klimaatverandering en met name zeespiegelstijging en hogere rivierafvoeren, zal de omvang van deze opgave en investeringen in de toekomst toenemen. Dit geldt ook voor het voorkomen van schade door extreme regenval, droogte of hitte.
Het advies van het IGH bevestigt dat staten die hun klimaatverplichtingen onvoldoende naleven daarvoor aansprakelijk gesteld kunnen worden onder het internationaal recht. Dit kan zowel op basis van klimaatverdragen, als op basis van het internationaal gewoonterecht, op grond waarvan staten verplicht zijn zich in te spannen om de uitstoot van broeikasgassen te beperken en daarmee klimaatverandering tegen te gaan en grensoverschrijdende milieuschade te voorkomen. Deze verplichtingen gelden dus voor alle staten, ongeacht of zij partij zijn bij klimaatverdragen. Schending van deze verplichtingen kan leiden tot een internationale onrechtmatige daad met een verplichting tot rechtsherstel, dat kan bestaan uit compensatie, restitutie of genoegdoening. Er zijn wel praktische beperkingen. Zo heeft het IGH bijvoorbeeld benadrukt dat staten alleen rechtsherstel kunnen claimen als er een «voldoende direct en zeker causaal verband» bestaat tussen de internationale onrechtmatige daad en de geleden schade. De wereldwijde en complexe aard van klimaatverandering maakt het lastig om dit causale verband tussen een specifieke schending van een internationale verplichting en elders geleden schade te bewijzen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Klimaat en Energie op 3 september?
Het advies van het IGH vergt een zorgvuldige juridische analyse, die momenteel plaatsvindt. Daar wil het kabinet voldoende tijd voor nemen. Dat is de reden dat deze Kamervragen niet al voor het Commissiedebat klimaat en energie van 3 september jl. (versneld) zijn beantwoord. Conform de toezegging van de Minister van KGG tijdens het genoemde Commissiedebat, zal het kabinet een reactie op het IGH-advies met de Kamer delen.
De Kamerbrief ‘Voortgang Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie’ van 30 juni 2025 en het artikel van FTM over het afschaffen van de CO2-heffing |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In uw brief1 schrijft u over economische en geopolitieke omstandigheden (p. 2): op welke omstandigheden doelt u daarmee? Hoe staat de concurrentiepositie van de maatwerkbedrijven in Nederland onder druk? Bedoelt u hiermee het verschil in energieprijzen tussen Nederland en landen in het Midden-Oosten, de Verenigde Staten en China? Zo ja, wat is het verschil in energieprijzen? Zo nee, wat bedoelt u dan? Bedoelt u hiermee ook het verschil in energieprijzen tussen Nederland en de omringende landen? Zo ja, wat is het verschil in energieprijzen? Zo nee, wat bedoelt u dan?
Bedrijven in de industrie, waaronder de maatwerkbedrijven, hebben te maken met economische en geopolitieke factoren die de afgelopen jaren sterk zijn gewijzigd waardoor de noodzakelijke verduurzaming van hun productieprocessen is bemoeilijkt. Sinds de start van de maatwerkaanpak hebben onder meer de Oekraïne-oorlog, de Inflation Reduction Act, de overcapaciteit op de mondiale chemiemarkt en het handelsbeleid van de Verenigde Staten gezorgd voor veel onzekerheid over de kosten en opbrengsten van toekomstige investeringen in de industrie. De energie- en grondstofkosten zijn daarbij een belangrijke factor.
Voor bedrijven in de energie-intensieve industrie zijn de energiekosten in Europa ongeveer drie keer hoger, dan in de Verenigde Staten en het Midden-Oosten. In Nederland zijn de energiekosten ook relatief hoger dan in omliggende landen, zoals in Duitsland, Frankrijk of België. Onderzoek van E-Bridge liet eerder al zien dat industriële bedrijven in Nederland tussen de 14–63 euro per MWh meer betaalden dan in deze omliggende landen.2 De (maatwerk)bedrijven in de industrie opereren op een internationale markt, waarbij gestegen kosten voor productie in Nederland, niet doorberekend kunnen worden als concurrenten niet met deze kosten worden geconfronteerd. Dit beeld wordt bevestigd in gesprekken die het kabinet voert met bedrijven in de industrie en in de Speelveldtoets 2025, die in het voorjaar aan de Kamer is toegezonden.3 Het kabinet deelt deze zorgen over de hoge energiekosten in Nederland en onderzoekt mogelijkheden om hier de industrie in te ondersteunen.
Het kabinet vindt het van belang dat bedrijven in Nederland in een gelijk speelveld kunnen opereren ten aanzien van omliggende landen. De verschillen komen door kortingen of belastingvoordelen die andere overheden geven, zoals via een subsidieregeling indirecte kosten-compensatie (IKC-ETS) en een volume-correctieregeling (VCR). In Nederland is de volumecorrectieregeling (VCR), die de energiekosten voor grootverbruikers verlaagt, sinds 2024 afgeschaft. In het Pakket voor Groene Groei heeft het kabinet aangekondigd de IKC-ETS met drie jaar te verlengen.4
Hoe kan het zijn dat bedrijven geen of weinig ruimte zien om te investeren in grootschalige verduurzamingsprojecten terwijl zij vallen onder het Europese CO2-emissiehandelssysteem (ETS), waarvan de uitgegeven emissies tussen nu en 2040 afbouwen naar nul? Betekent dit immers niet dat de huidige bedrijfsvoering richting 2040 veel te duur zal worden om de kosten van CO2-emissies te hoog worden? Hoe kan het volgens u dat dit een onvoldoende prikkel geeft tot verduurzaming?
Met een investering in grootschalige verduurzamingsprojecten, committeren bedrijven zich voor een langere periode aan verankering in Nederland. Daarbij wegen zij economische, financiële en strategische belangen, waarbij ook de (vermeden) kosten onder het Europese CO2-emmissie-handelssysteem worden meegewogen in het opstellen van een business-case. Op termijn kunnen bedrijven hun productie in Nederland alleen voortzetten als zij hun uitstoot terug kunnen brengen naar netto nul. Veel bedrijven willen op dit moment stappen zetten om te verduurzamen, maar lopen daarbij nog tegen een aantal bekende knelpunten aan. Daarbij wegen bedrijven mee waar (groene) investeringen op termijn het meeste zullen opleveren en of de mondiale marktontwikkelingen het noodzakelijk maken om alle reeds bestaande productielocaties te behouden. De termijn waarbinnen bedrijven deze stap zullen zetten, en of ze dit ook in Nederland zullen doen, hangt af van het tijdig op orde zijn van randvoorwaarden, internationale marktontwikkeling voor duurzame producten en de noodzakelijke vergunningen. Het kabinet blijft zich inzetten voor het verbeteren van het vestigingsklimaat, opdat bedrijven ook in de toekomst in Nederland blijven investeren.
De maatwerkaanpak is op dit moment gericht op het faciliteren en realiseren van CO2-reductie en waar relevant vermindering van de impact op de leefomgeving. Zoals het kabinet haar recente brief heeft aangegeven, voelen veel bedrijven de urgentie om te verduurzamen, maar lukt het niet met alle bedrijven om een maatwerkafspraak voor vergaande reductie van hun CO2-uitstoot in 2030 te realiseren. Het Europese CO2-emissiehandelssysteem (ETS) is een systeem dat zich richt op een geleidelijke pad van afbouw richting 2040. De maatwerkaanpak beoogde juist een zeer forse versnelling te realiseren voor 2030. Voor een aantal bedrijven waarmee wel doelstellingen voor reductie waren opgesteld is dit, zoals in de kamerbrief wordt aangegeven, op dit moment een te grote stap.
U schijft in beantwoording op Kamervragen (Kamerstuk 2025Z13346) dat de industrie te kampen heeft met ongunstige marktcondities vanwege gesubsidieerde overproductie, bijvoorbeeld uit China; hoe groot is het effect van deze ongunstige marktcondities, bijvoorbeeld in vergelijking met hogere energiekosten of de, nu op nul gezette, CO2-heffing? Op welke termijn kunt u hiertegen actie ondernemen en Nederlandse bedrijven beschermen tegen deze oneerlijke concurrentie?
De mate waarin bedrijven in de Nederlandse (basis)industrie geraakt worden door overproductie uit China, hogere energiekosten dan in (omliggende) landen, of het aanpassen van de nationale CO2-heffing, is bedrijfstak specifiek en verschilt sterk tussen individuele bedrijven. Dit maakt het vergelijken van de exacte impact op bedrijven en sectoren van deze factoren lastig. Zoals het kabinet in eerdere beantwoording op Kamervragen heeft aangegeven is een daling van prijzen voor basischemicaliën en producten uit de industrie al een tijdje zichtbaar.5 Dit zorgt er ook voor dat bestaande productielocaties in Nederland (en Europa) op dit moment minder concurrerend zijn.
Verstoringen in het internationale speelveld, zoals de dumping van (industriële) producten, vormen een risico voor de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven. Het kabinet vindt het belangrijk om zich in Europees verband in te zetten voor het tegengaan van marktverstorende praktijken. Momenteel kent de Europese Unie al verschillende wettelijke mogelijkheden om dumpingpraktijken tegen te gaan. Bedrijven kunnen melding maken van dumping praktijken door non-EU-entiteiten en, na onderzoek, concluderen dat tegenmaatregelen, zoals een antidumpingheffing noodzakelijk zijn. Recent heeft de Commissie bijvoorbeeld hogere importheffingen op elektrische auto’s aangekondigd die vanuit China naar Europa worden geëxporteerd.
Welke zorgen bedoelt u als u schrijft over het tijdig op orde zijn van de noodzakelijke randvoorwaarden voor verduurzaming (p. 5)? Als dit gaat over het volle elektriciteitsnet, is het dan niet zo dat voor bedrijven in clusters aan de kust deze problematiek beperkt kan worden als tegelijkertijd windparken op zee worden aangelegd? Gaat dit ook over de stikstofproblematiek? Zo ja, betekent dit dat investeringen van de industrie niet door kunnen gaan vanwege het stikstofslot waar Nederland op zit?
Voor de realisatie van grootschalige verduurzamingsprojecten is het tijdig op orde zijn van de randvoorwaarden essentieel. Het zo snel mogelijk verzwaren van het elektriciteitsnet, om de toekomstige vraag naar duurzame stroom voor elektrificatie of elektrolyse voor waterstofproductie mogelijk te maken, is daarbij één van de factoren. Voor de meeste industrie is op dit moment het realiseren van transportcapaciteit van belang, en in mindere mate de beschikbaarheid van duurzame elektriciteit. Ook de kosten van elektriciteit zijn uitdagend. Elektrificatie is ook niet de enige stap, waarmee grote industriële bedrijven hun processen verduurzamen. Voor de andere verduurzamingsroutes moet de noodzakelijke infrastructuur ook op tijd worden gerealiseerd. Het kabinet heeft daarom met het Pakket voor Groene Groei fors geïnvesteerd in het CCS-project Aramis, met als doel om in 2026 een FID mogelijk te maken voor Aramis. Met het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) en het Nationaal Programma Energie werkt het kabinet ook hard aan de realisatie van ons toekomstige energiesysteem.
De huidige stikstofproblematiek, en de onzekerheid over het (tijdig) kunnen afgeven van vergunningen voor verduurzamingsprojecten zorgt op dit moment ook voor uitstel of het uitblijven van investeringen in de industrie. Binnen de Ministeriële Commissie Economie en Natuur (MCEN) werkt het kabinet aan het uitwerken van een nieuwe aanpak, richtinggevende keuzes en oplossingen waardoor Nederland weer in beweging komt. Op 25 april jl. heeft de Kamer een brief ontvangen, waarin het kabinet de eerste stappen heeft gepresenteerd om vergunningverlening weer mogelijk te maken en perspectief te bieden.6
U schrijft, onder verwijzing naar het rapport van Draghi, dat verduurzaming de enige route is voor bedrijven om ook op lange termijn in Europa te kunnen blijven produceren; waarom bent u deze mening toegedaan? Is het dan niet raar dat u maar niet tot maatwerkafspraken komt met die industrie?
Het kabinet ziet dat de industrie niet alleen in Nederland onder druk staat, maar dat dit ook breder in Europa het geval is. De Europese Commissie heeft dit onderwerp hoog op de agenda staan en zet met de Clean Industrial Deal (CID) in om de concurrentiepositie van de (energie-intensieve) industrie in Europa te verbeteren.7 Het behoud van een concurrerende, duurzame industrie is essentieel voor het borgen van leveringszekerheid van industriële producten zoals staal, kunstmest (voor voedsel) en brand- en grondstoffen. Dit is cruciaal voor ons verdienvermogen, onze strategische autonomie en onze veiligheid.
Het verduurzamen van industriële processen in Europa, zoals het Draghi-rapport ook onderschrijft, is de beste manier om de concurrentiekracht van onze industrie te verstevigen. Daarbij zet het kabinet in Europa onder andere in op het verbeteren van de randvoorwaarden, en het creëren van een gelijk speelveld voor energieprijzen, groene marktcreatie en de opschaling van de Europese waterstofmarkt.8
Het kabinet heeft inmiddels een bindende maatwerkafspraak gesloten met Nobian, een maatwerksubsidie verstrekt aan Yara en met de bedrijven Coöperatie Koninklijke Cosun UA en AnQore een Joint Letter of Intent (JLoI) getekend. Het niet komen tot maatwerkafspraken met de grootste industriële uitstoters betekent niet dat bedrijven niet de noodzaak zien om te verduurzamen In de bijlage bij de kamerbrief valt te zien dat veel bedrijven in de maatwerkaanpak de afgelopen tijd ook al concrete stappen hebben gezet richting een duurzame toekomst. Zo heeft Air Liquide bijvoorbeeld recent een investeringsbeslissing (FID) genomen voor het elektrolyseproject op de Maasvlakte (200 MW).
Zou het kunnen zijn dat sommige maatwerkbedrijven nog een aantal jaren met hun fabrieken in Nederland willen produceren en winst willen maken, maar op termijn hun productie naar buiten Nederland verhuizen? Zo ja, wat betekent dit voor de mensen die bij deze fabrieken werken? Vindt u dat u een verantwoordelijkheid heeft in deze?
In gesprekken met de maatwerkbedrijven komt duidelijk naar voren dat zij de noodzaak voor verduurzaming erkennen. Op dit moment staat de winstgevendheid van fabrieken in Nederland echter zwaar onder druk. Voordat bedrijven overgaan tot het nemen van een investeringsbeslissing, moeten zij een bepaalde zekerheid hebben over de randvoorwaarden, waarbinnen deze verduurzamingsprojecten worden genomen. Dit betreft factoren zoals (inter)nationale regelgeving, verwacht rendement, beschikbare infrastructuur en de verwachte markt voor duurzame producten. Bedrijven maken hierin zelf een afweging voor de noodzakelijkheid om (op korte) termijn een investering te doen in bestaande productielocaties.
Het kabinet voelt een grote urgentie en verantwoordelijkheid om te zorgen dat de industrie in Nederland blijft investeren, door de randvoorwaarden voor investeringen in verduurzaming te verbeteren. Deze investeringen dragen bij aan het toekomstig verdienvermogen van de economie en het behouden van werkgelegenheid in onze regionale industriële clusters. Met de maatwerkaanpak blijft het kabinet inzetten op het ondersteunen en realiseren van concrete en ambitieuze investeringen door bedrijven in Nederland. Bij een gelijker speelveld voor bedrijven met omliggende landen, en met tijdige realisatie van de infrastructuur voor verduurzaming, blijft Nederland in de toekomst vanwege haar gunstige ligging en bestaande, innovatieve clusters een aantrekkelijke vestigingslocatie.
Hoe weet u dat met het gelijk maken van het speelveld en het verder op orde brengen van de randvoorwaarden er wel geïnvesteerd zal worden in verduurzaming?
Zie antwoord op vraag 6.
Kan het zijn dat deze stevige investeringen van het kabinet (door onder andere de Subsidieregeling Indirecte Kostencompensatie (IKC-ETS) met drie jaar te verlengen en het voornemen om de randvoorwaarden voor het opzetten van een amortisatieoptie uit te werken richting Prinsjesdag 2025, de CO2-heffing op korte termijn te verlichten en mogelijk zelfs af te schaffen) de bedrijven de vrijgekomen financiële middelen niet zullen uitkeren aan de buitenlandse moederbedrijven en niet investeren in verduurzamingprojecten in Nederland? Bent u bereid maatwerk per bedrijf te leveren, zoals verzocht in een aangenomen motie (Kamerstuk 29 826, nr. 236) en de investeringen afhankelijk te maken van de verduurzamingsplannen van het bedrijf?
De Nederlandse industrie is belangrijk voor onze toekomstige welvaart, weerbaarheid en autonomie. Het kabinet investeert met de maatregelen in het Pakket voor Groene Groei in een snelle manier om de energiekosten voor bedrijven in de industrie te drukken. Hiermee wordt een belangrijke stap gezet om het speelveld voor deze bedrijven gelijker te maken.9 Het is uiteindelijk aan de (moeder)bedrijven om een afweging te maken over het doen van nieuwe investeringen of het uitkeren van rendement. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat bestaande industriële sites op dit moment vaak al verlieslatend zijn. Het kabinet realiseert zich dat de maatregelen die het kabinet heeft aangekondigd in het Pakket voor Groene Groei de situatie in de industrie niet in één keer kunnen oplossen, maar dat dit ook afhankelijk is van internationale (markt)ontwikkelingen.
Bij de maatwerkafspraken zijn de verduurzamingsplannen van het betreffende bedrijf en de financiële en niet-financiële randvoorwaarden om de benodigde investeringen te realiseren leidend. Met de maatwerkaanpak faciliteert en ondersteunt de overheid met (generieke) subsidie bedrijven met ambitieuze plannen om versneld hun productieprocessen te verduurzamen. Het kabinet weegt, naast het realiseren van additionele CO2-reductie in 2030, mee in welke mate de projectvoorstellen van de bedrijven de impact op de leefomgeving verminderen. Recent heeft het kabinet, conform de motie Thijssen, Joint Letters of Intent (JLoIs) getekend met Coöperatie Koninklijke Cosun UA en AnQore, een belangrijke stap richting een bindende maatwerkafspraak.10
U schrijft dat bij investeringsbeslissingen in Nederland ook wordt gekeken naar de mondiale investeringsstrategie en rendementseisen van de vaak buitenlandse moederbedrijven; wat zijn de rendementseisen van de buitenlandse moederbedrijven? Zijn de rendementen waar deze bedrijven mee rekenen voor hun fossiele fabrieken en voor hun (in de toekomst) verduurzaamde fabrieken vergelijkbaar? Zo nee, hoe groot is het verschil in deze rendementen? Zijn deze rendementen waarmee gerekend mag worden bij het verlenen van staatssteun vergelijkbaar? Gebeuren de verduurzamingsinvesteringen niet omdat de bedrijven met hun fossiele fabrieken simpelweg hogere rendementen maken?
Bedrijven kunnen zelfstandig rendementseisen bepalen bij voorgenomen investeringen in (verduurzamings)projecten. In de maatwerkgesprekken wordt bij bepaling van de mogelijkheid voor financiële ondersteuning gekeken naar redelijk rendement wat een bedrijf kan realiseren. Dit redelijk rendement wordt bepaald op basis van de weighted average cost of capital van een bedrijf, conform de Europese- en Nederlandse regels voor staatssteun, inclusief het voorkomen van oversubsidiëring. In algemene zin is het wel of niet met staatsteun kunnen voldoen aan rendementseisen van (moeder)bedrijven een van de factoren in het al dan niet door kunnen gaan van maatwerktrajecten. Factoren rondom (tijdige realisatie van) infrastructuur, relatief hoge energieprijzen en de concurrentie-positie van bestaande fabrieken spelen ook een belangrijke rol.
U schrijft dat de energieprijzen en de CO2-beprijzing belangrijk zijn voor het investeren in een nieuwe, verduurzaamde fabriek; hoe kan nu waar zijn aangezien die nieuwe fabriek niet draait op huidige (dure) fossiele brandstoffen en geen of in elk geval veel minder last zal hebben van CO2-beprijzing? Kijken bedrijven niet vooral naar de rendementen die de nieuwe fabriek in de toekomst zal maken? Zo ja, wat zijn de belangrijkste determinanten voor dat rendement? Waarom lukt het via de maatwerkafspraken niet om die rendementen op voldoende niveau te krijgen?
Zie antwoord bij vragen 8 en 9.
U schrijft dat u zich blijft inzetten op het sluiten van maatwerkafspraken, maar wat is er dan nu anders dan de afgelopen jaren waardoor het sluiten van de maatwerkafspraken wel zou lukken? Wat is uw plan B als de maatwerkafspraken niet tot resultaten leiden? En waarom zet u dat plan B niet nu al in?
Het kabinet blijft zich inzetten om de randvoorwaarden voor verduurzaming op orde te krijgen en investeert in stappen richting een gelijk speelveld voor onze industrie, waarvoor met het Pakket voor Groene Groei een belangrijke eerste stap is gezet. Zoals het kabinet in de kamerbrief heeft aangegeven, is er voor een aantal maatwerktrajecten op dit moment zicht om te komen tot een JLoI en daarna tot een bindende maatwerkafspraak. Op 23 juni jl. en op 9 juli jl. heeft het kabinet met respectievelijk Coöperatie Koninklijke Cosun UA en AnQore een JLoI getekend, waarmee een grote stap is gezet om te komen tot twee bindende maatwerkafspraken. Met de bedrijven Zeeland Refinery, Tata Steel Nederland, Alco Energy Rotterdam en mogelijk OCI is er op dit moment nog perspectief om de komende periode tot een JLoI en bindende maatwerkafspraak te komen. Met Smurfit Westrock en een aantal afvalbedrijven worden nog gesprekken gevoerd. Het kabinet wil met deze bedrijven komen tot maatwerkafspraken, waarmee investeringen in verduurzaming in Nederland, additionele CO2-reductie in 2030 en vermindering van de impact op de leefomgeving kunnen worden gerealiseerd.
Voor een aantal maatwerktrajecten is vastgesteld dat er geen perspectief is om in te komen tot een JLoI, waarmee de doelstelling uit eerdere getekende Expressions of Principle (EoPs) kunnen worden gerealiseerd in 2030. Gelet op het belang van verduurzaming voor de Nederlandse industrie en het realiseren van de reductiedoelstelling, zal het kabinet ook in de toekomst bij concrete, complexe projecten, waar een duidelijk perspectief is voor net-zero doelen in 2040, bedrijven faciliteren met de lessen uit de maatwerkaanpak en financieel ondersteunen vanuit het generiek instrumentarium. De overheid houdt dus de deur open voor een helpende hand; het is echter aan de bedrijven zelf of ze hiervan gebruik willen maken.
Bent u bekend met het artikel van Follow The Money van 29 juli jl. over het afschaffen van de CO2-heffing?2 Bent u het eens met de stelling in het artikel dat, met het afschaffen van de CO2-heffing, de stok achter de deur om de industrie te bewegen om te verduurzamen is weggevallen? Klopt het dat het verduurzamen van de industrie middels de maatwerkafspraken duurder is geworden omdat een deel van de CO2-reductie nu niet meer door de CO2-heffing wordt geregeld? Bent u het eens met de expert in het artikel die stelt dat er geen sprake van een concurrentienadeel voor de hele Nederlandse industrie maar dat het nadeel alleen bestaat voor de meest vervuilende bedrijven, ofwel degene die geen zin hebben om te vergroenen?
Ja, het artikel van Follow The Money van 29 juli jl. is bekend.
Nee, de stok achter de deur om de industrie te verduurzamen bestaat uit meer dan alleen de CO2-heffing. Het EU-ETS borgt de benodigde CO2-reductie, de industrie gaat in 2040 naar netto nul uitstoot, waarbij een gelijk speelveld wordt verzekerd binnen de Europese Unie. Veel bedrijven willen op dit moment wel verduurzamen, maar kunnen dat vaak niet, vanwege knelpunten in infrastructuur (zoals netcongestie), financiering of vergunningverlening. Hierdoor zijn er zorgen over de concurrentiepositie ten opzichte van landen om ons heen, waar de randvoorwaarden soms gunstiger zijn. Het kabinet constateert dat de randvoorwaarden op dit moment niet (volledig) op orde zijn. Daardoor kunnen bedrijven niet tijdig verduurzamen. Zij ontlopen de CO2-heffing niet langer en de heffing, die bedoeld was als verduurzamingsprikkel, verandert daardoor in een boeteheffing die de internationale concurrentiepositie van veel bedrijven schaadt, juist ook van bedrijven die wél willen verduurzamen.
Op dit moment is het kabinet nader onderzoek aan het uitvoeren naar de financiële consequenties van het afschaffen en/of opschorten van de CO2-heffing, de impact op de maatwerkbedrijven en andere koplopers en de omgang met andere emissie-installaties. Derhalve kan momenteel niet vooruitgelopen worden op de impact van een mogelijke afschaffing of andere invulling van de heffing op de kosten van de maatwerkaanpak. De ambitie is om met Prinsjesdag duidelijkheid te verschaffen omtrent de uitzoekpunten en de opvolging van de motie Van Dijk.
Kunt u deze vragen ruim voorafgaand aan het commissiedebat Verduurzaming Industrie op 10 september beantwoorden?
Ja.
Nederlandse subsidies voor waterstofprojecten waarvan het klimaatvoordeel in het buitenland belandt |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Air Liquide circa 50 miljoen euro subsidie uit de Subsidieregeling grootschalige productie volledig hernieuwbare waterstof via elektrolyse (OWE) ontvangt voor de bouw van een waterstoffabriek op de Maasvlakte?
Ja. Alle toegekende subsidiebedragen zijn inmiddels gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).1
Klopt het dat 65% van de geproduceerde waterstof wordt geleverd aan TotalEnergies in Antwerpen?
Air Liquide en TotalEnergies hebben in een eigen persbericht aangekondigd dat TotalEnergies in Antwerpen 130 megawatt (MW) van de capaciteit van de elektrolyser gaat afnemen. Dat is 65% van de totale capaciteit van 200 MW, een van de grootste in Europa. Deze investering van Air Liquide levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de waterstofmarkt en ons verdienvermogen, die zonder de OWE-regeling niet had plaatsgevonden. De OWE is dus naast klimaatwinst ook van belang voor onze economie.
Klopt het dat de CO2-reductie die daaruit voortvloeit, in België wordt geboekt en niet in Nederland?
Nee, dat klopt niet per se. Het is goed mogelijk dat de CO2-reductie in Nederland plaatsvindt, omdat Air Liquide nu ook in Nederland fossiele waterstof maakt. In welk land de CO2-reductie wordt geboekt hangt af van waar de productie van fossiele waterstof vermindert als gevolg van de realisatie van de elektrolyser, en hangt niet af van de locatie van de afname. Met de elektrolyser vervangt Air Liquide de productie van fossiele waterstof uit aardgas door hernieuwbare waterstof geproduceerd met hernieuwbare elektriciteit afkomstig van Nederlandse windparken op de Noordzee.
Air Liquide heeft meerdere productie-installaties in Nederland waarvan de waterstof wordt ingevoed op het distributienetwerk van Air Liquide en geleverd aan klanten in Nederland, België en Frankrijk. Als zo de productie van fossiele waterstof in Nederland wordt vervangen door hernieuwbare waterstof, vindt de gerealiseerde CO2-reductie in Nederland plaats.
Kunt u aangeven welk deel van de klimaatwinst van dit project aan Nederland kan worden toegerekend?
Nee, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3. De toerekening van CO2-reductie is afhankelijk van de plek van de productie-installaties van fossiele waterstof uit aardgas die minder gaan produceren. Air Liquide rapporteert over de CO2-uitstoot van deze productie-installaties van fossiele waterstof voor het Europese emissiehandelssysteem (ETS) aan de Nederlandse Emissieautoriteit (de NEa, toezichthouder), dus uiteindelijk wordt op die manier duidelijk hoeveel CO2-reductie Air Liquide in Nederland realiseert.
Voor hoeveel van de overige OWE-projecten geldt dat (een deel van) de waterstofexport leidt tot CO2-winst buiten Nederland?
Bij de subsidieaanvragen geven de aanvragers verschillende bedrijven op als mogelijke afnemers. Van de elf projecten die subsidie krijgen zijn er drie projecten waarvoor aanvragers aangegeven hebben (een deel van de) waterstof te willen leveren aan buitenlandse afnemers. Aan welke afnemer(s) deze aanvragers uiteindelijk waterstof gaan leveren is nu nog onbekend, de projecten zijn immers nog in een relatief vroeg stadium. Om die reden is het niet duidelijk of de geproduceerde waterstof daadwerkelijk naar het buitenland gaat. Dat hangt ook af van aanwezigheid van grensoverschrijdende infrastructuur. Bovendien hangt de realisatie van CO2-winst – zoals toegelicht in antwoord op vraag 3 – af van de plek waar de productie van fossiele waterstof uiteindelijk vermindert. Als de productie van fossiele waterstof in Nederland wordt vervangen door hernieuwbare waterstof, vindt de CO2-winst plaats in Nederland, ook wanneer de waterstof aan het buitenland geleverd wordt.
Heeft u bij de subsidieverlening eisen gesteld over waar de klimaatwinst moet neerslaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, er zijn geen eisen gesteld over waar de klimaatwinst moet neerslaan, net zoals bij andere subsidies waarvoor geldt dat subsidieontvangers hun producten kunnen exporteren. Punt 33 van het CEEAG-staatsteunkader, op basis waarvan de OWE is getoetst en goedgekeurd, stelt dat steun niet met de interne markt verenigbaar kan worden verklaard als de gesteunde activiteit, steunmaatregel of de daaraan gekoppelde voorwaarden leiden tot een schending van bepalingen van het Unierecht. Kwantitatieve uitvoerbeperkingen of maatregelen van gelijke werking zijn eveneens verboden onder artikel 35 van het Verdrag betreffende de werking van de EU. Het stellen van een voorwaarde dat bijvoorbeeld de geproduceerde volledig hernieuwbare waterstof uitsluitend in Nederland mag worden gebruikt, kan kwalificeren als een dergelijke maatregel. Een dergelijke voorwaarde is naar verwachting daarmee juridisch niet te rechtvaardigen, omdat een doel van de maatregel het verminderen van broeikasgassen is, en deze doelstelling zowel nationaal als grensoverschrijdend in de EU kan worden gerealiseerd.
Onder welke Europese regels is het verboden om bij subsidies te eisen dat de opbrengst in Nederland wordt benut?
Zie het antwoord op vraag 6. Daarnaast heeft het project van Air Liquide ook subsidie gekregen onder de IPCEI (Import Project of Common European Interest) Waterstof. De Europese Commissie vereist voor deze subsidie dat nationale projecten integreren op Europese schaal en een aanzienlijke bijdrage leveren aan de interne markt met als doel een Europese waardeketen voor waterstof te creëren. Door schaalvoordelen kan zo productie en het gebruik van hernieuwbare waterstof sneller concurrerend worden ten opzichte van fossiele alternatieven.
Deelt u de mening dat Nederlandse subsidie niet moet leiden tot buitenlandse CO2-reductie? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deelt het kabinet niet. In algemene zin ziet het kabinet het verminderen van de CO2-uitstoot als een mondiale opgave, klimaatverandering is immers een grensoverstijgend probleem. De effectiviteit van klimaatbeleid is er sterk bij gebaat als landen gebruik kunnen maken van elkaars sterke punten en samen schaalvoordelen realiseren. Europese kaders stimuleren daarom ook samenwerking over landsgrenzen heen. Subsidies die bijdragen aan emissiereductie binnen de EU kunnen dus niet los worden gezien van bredere Europese afspraken.
Daarnaast ontlenen veel Nederlandse bedrijven in de energiesector en industrie juist hun waarde aan de export. In die zin verschillen zij niet veel van andere sectoren die profiteren van de export, zoals de landbouw. Nederlandse producenten leveren duurzame energie, zoals hernieuwbare waterstof, en duurzame materialen en producten aan buitenlandse afnemers. Als deze afnemers door de Nederlandse bijdrage kunnen verduurzamen, leidt dat op een efficiënte wijze tot CO2-reductie in de gehele keten. Juist dit type samenwerking is cruciaal voor de transitie van energie-intensieve industrieën; het beperken van subsidies tot nationale grenzen staat de effectiviteit van beleid in de weg. Bovendien geldt dat export gepaard kan gaan met het vervangen van fossiele productie in Nederland door duurzame productie. In dat geval vindt de CO2-reductie in Nederland plaats, ook als de afnemer zich over de grens bevindt.
In het bijzonder is deze dynamiek ook van toepassing op de OWE. De OWE stimuleert de productie van hernieuwbare waterstof in Nederland en draagt daarmee bij aan CO2-reductie, de opbouw van een duurzaam energiesysteem en de realisatie van een volwassen waterstofmarkt. Door productie te stimuleren, versnelt de regeling de verlaging van de kostprijs van hernieuwbare waterstof. Tegelijkertijd versterkt de subsidie de internationale concurrentiepositie van Nederland als aantrekkelijke vestigingsplaats voor waterstofprojecten en daaraan verbonden waardeketens, en versterkt het de leveringszekerheid. Dit komt ten goede aan werkgelegenheid, innovatie en groene groei in Nederland. Ook wanneer een deel van het OWE-budget uiteindelijk ten goede komt aan een buitenlandse afnemer is de subsidie daarom van strategisch belang voor de Nederlandse economie.
Hoeveel Nederlandse bedrijven zijn bij deze subsidieronde buiten de boot gevallen ten gunste van buitenlandse spelers?
Alle projecten die in deze subsidieronde hebben meegedaan en niet op inhoudelijke gronden zijn afgewezen, hebben subsidie gekregen. Er is dus geen verdere rangschikking geweest. Het is verder ook de vraag of dat juridisch zou kunnen (zie antwoord vraag 6) en wat een Nederlands bedrijf is: veel bedrijven die al jaren actief zijn in Nederland en hier werken aan waterstofprojecten hebben een buitenlandse aandeelhouder. Hun projecten kunnen desalniettemin bijdragen aan CO2-reductie in Nederland (zie antwoord vraag 7). Het kabinet vereist bij de OWE-regeling en vergelijkbare subsidies wel altijd dat de projecten in Nederland plaatsvinden om zo de investeringen ook hier neer te laten slaan.
Hoeveel van de 700 miljoen euro aan OWE-subsidie komt terecht bij projecten die hoofdzakelijk leveren aan het buitenland?
De totale subsidie voor projecten die volgens de subsidieaanvragen de waterstofproductie hoofdzakelijk beogen te exporteren is circa € 120 miljoen. Een deel van de productie van deze projecten is echter ook bestemd voor Nederlandse afnemers. Deze projecten noemen namelijk bij subsidieaanvraag verschillende bedrijven als mogelijke afnemers in het buitenland en in Nederland. Aan welke afnemer(s) deze aanvragers uiteindelijk waterstof gaan leveren is nu nog onbekend, de projecten zijn immers nog in een relatief vroeg stadium.
Kunt u aangeven of, en zo ja hoe, Nederland bij dit soort grensoverschrijdende projecten recht houdt op de CO2-reductie in internationale of ETS-boekhouding?
Voor grensoverschrijdende projecten geldt dat wordt gekeken waar de CO2-reductie (scope 1 emissiereductie) plaatsvindt. In het geval van Air Liquide zal de hernieuwbare waterstof, geproduceerd in Rotterdam, in worden gezet ter vervanging van fossiele waterstof die op verschillende locaties in Nederland, België of Frankrijk kan worden geproduceerd. De emissiereductie die daar het gevolg van is, zal meetellen in de nationale emissieregistratie van het land waar de installatie voor fossiele waterstofproductie is gevestigd. Het ETS, en de monitoring en rapportage van emissies, geldt op bedrijfsniveau.
Bent u bereid om de Nederlandse subsidies waarmee buitenlandse CO2-reductie wordt gerealiseerd, per direct stop te zetten? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 8.
Berichtgeving over bijbetalen aan verwarming, vanwege 'slecht onderhoud van flat' |
|
Merlien Welzijn (NSC) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten uit IJmuiden over protesten tegen onjuiste en hoge rekeningen voor blokverwarming?1
Ja. Situaties met blokverwarming zijn zeer divers. Om een specifieke situatie zoals die in IJmuiden te kunnen duiden is het van belang om relevante wet- en regelgeving en het beleid ten aanzien van blokverwarming te schetsen.
Onderstaand volgt een kort overzicht hiervan, en hoe de situatie in IJmuiden zich hiertoe verhoudt.
Bij blokverwarming is een onderscheid relevant tussen:
De Warmtewet beschermt warmteverbruikers tegen te hoge tarieven voor levering van warmte door een externe warmteleverancier. De ACM stelt daarvoor maximum tarieven vast (zie ook vraag 9). De Warmtewet zal worden vervangen door de Wet collectieve warmte (hierna: Wcw) die dit najaar behandeld wordt in de Eerste Kamer.
Echter, de tariefregulering op grond van de Warmtewet en Wcw is niet van toepassing op de levering van warmte door een VvE aan zijn eigen leden of door een verhuurder aan zijn eigen huurders. Voor warmtelevering door een VvE aan zijn eigen leden is deze keuze ingegeven door de overweging dat het niet nodig is om een appartementseigenaar te beschermen tegen de VvE waar hij zelf lid van is. Huurders die warmte geleverd krijgen van hun eigen verhuurder zijn al beschermd door het huurrecht (zie ook vraag 3 en 4).
Ook verschilt bij blokverwarming de manier waarop de totale kosten worden verdeeld over de bewoners. Verdeling van kosten gebeurt door middel van (zie ook vraag 5):
Navraag bij de woningbouwcorporatie leert dat er bij de betreffende woningen in IJmuiden sprake is van levering van warmte door de verhuurder aan de huurders, waarbij de bescherming van bewoners dus onder het huurrecht valt. Daarbij worden de variabele kosten verdeeld over de bewoners op basis van warmtekostenverdelers. De vaste kosten worden wel verdeeld over de bewoners op basis van vloeroppervlak.
Herkent u dat bewoners in heel Nederland met vergelijkbare klachten kampen, waarbij rekeningen niet transparant zijn en bewoners zich machteloos voelen?
Het kabinet herkent problemen ten aanzien van de transparantie van rekeningen vooral waar het gaat om verrekening via de servicekosten en heeft daarom recent het beleid aangescherpt (zie vragen 4 en 5).
Het kabinet herkent daarnaast dat bij blokverwarming relatief vaak een aantal factoren er samen voor zorgen dat bewoners weinig grip op de energierekening hebben. Die factoren zijn onder andere:
Al deze factoren hebben de aandacht van het kabinet. Het kabinet zet in op verbetering van de energetische kwaliteit van de woningen, versterking van de positie van huurders en minimalisatie van de toepassing van een kostenverdeelsystematiek (zie ook de antwoorden op vragen 4, 5, 7 en 9).
Hoe beoordeelt u de huidige waarborgen voor transparantie en controleerbaarheid van blokverwarmingsnota’s?
Het is een van de doelen van de Wcw om de transparantie over collectieve warmtesystemen te vergroten, zodat verbruikers begrijpen waarvoor ze betalen. Daarom voorziet de Wcw in een overgang naar kostengebaseerde tariefregulering voor externe warmteleveranciers (zie ook vraag 9) en moeten warmtebedrijven meer gegevens op uniforme wijze administreren en openbaar maken.
Waar het gaat om specifiek de transparantie en controleerbaarheid van nota’s vindt het kabinet de huidige waarborgen voldoende. Hoewel de Warmtewet in algemene zin niet van toepassing is op de (door)levering van warmte door een verhuurder aan zijn huurders of VvE aan zijn leden, zijn de regels in de Warmtewet (artikel 8b) over de factuur en het verbruiks- en indicatieve kostenoverzicht wel van toepassing.3 Op grond van het Besluit factuur, verbruiks- en kostenoverzicht energie hebben bewoners die warmte geleverd krijgen recht op ten minste eenmaal per jaar een factuur en ten minste eenmaal per jaar een verbruiks- en indicatief kostenoverzicht, opgesteld in duidelijke en begrijpelijke taal. Op verzoek moet de totstandkoming van de factuur of het verbruiks- en indicatief kostenoverzicht worden toegelicht.
Voor de levering van warmte door een verhuurder aan zijn huurders – zoals in IJmuiden – vindt verrekening van de energiekosten plaats via de servicekosten.4 Voor de servicekosten geldt in elk geval dat de verhuurder op grond van de huurregelgeving verplicht is om zijn huurder jaarlijks een overzicht (middels een vastgesteld formulier), oftewel een jaarafrekening, te verstrekken met vermelding van de wijze van berekening daarvan. Ook moet de verhuurder op verzoek van de huurder de gelegenheid bieden om de stukken in te zien die effect hebben op de berekening. Huurders kunnen zich vervolgens bij een geschil over (onderdelen van) de afrekening naar de Huurcommissie gaan. De Huurcommissie kan dan de betalingsverplichting van de huurder vaststellen. Na deze stap bestaat de mogelijkheid om binnen acht weken na een uitspraak van de Huurcommissie, een procedure bij de kantonrechter te starten. Indien binnen deze termijn geen verzoek bij de rechter wordt ingediend, wordt de uitspraak van de huurcommissie als definitief en bindend beschouwd.
Bent u bereid maatregelen te nemen die bewoners meer inzicht geven in de opbouw van hun rekening, bijvoorbeeld door standaardisering en vereenvoudiging van nota’s?
Het kabinet ziet op dit moment geen reden om extra maatregelen te nemen omdat het huidige beleid al de nodige waarborgen bevat en belangrijke aanscherpingen van het beleid recent in werking zijn getreden of binnen afzienbare tijd in werking zullen treden.
Voor de levering van warmte zal het Besluit factuur, verbruiks- en kostenoverzicht energie nog van toepassing blijven totdat de Wcw in werking treedt. Op grond van de Wcw moeten er in een ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de frequentie van de facturatie en het verstrekken van inzicht in het verbruik. Bij de uitwerking van die ministeriële regeling zal het kabinet vanzelfsprekend bekijken of aanscherpingen nodig zijn.5
De huurwetgeving is bovendien de afgelopen jaren op verschillende punten aangescherpt. Door de Wet betaalbare huur kunnen zowel huurders met een gereguleerde huur als huurders met een geliberaliseerde huur (met een contract vanaf 1 juli 2024) een verzoek bij de Huurcommissie indienen ter beslechting van een geschil over de servicekosten.6 Gemeenten hebben daarnaast sinds 1 juli 2023, n.a.v. de Wet goed verhuurderschap, een handhavende taak ten aanzien van de servicekosten. De positie van huurders wordt bovendien op korte termijn op de volgende manieren versterkt door de Wet modernisering servicekosten die per 1 januari 2026 in werking treedt (beoogd)7:
Hoe wordt momenteel gecontroleerd of de meetmethodes en verdelingssystemen bij blokverwarming betrouwbaar en foutloos functioneren?
In de Warmtewet en de Wcw zijn meetverplichtingen opgenomen. De meetverplichtingen in de Warmtewet en Wcw zijn ook van toepassing op de (door)levering van warmte door een verhuurder of VvE.
Uitgangspunt van de meetverplichtingen in de Warmtewet en Wcw is dat de in rekening gebrachte kosten zoveel mogelijk in overeenstemming moeten zijn met het daadwerkelijke individuele verbruik. Daarom moet in beginsel altijd een individuele warmtemeter geïnstalleerd worden als dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. De betrouwbaarheid van individuele warmtemeters wordt geborgd door de eisen die de Metrologiewet stelt aan warmtemeters.
Alleen wanneer een individuele warmtemeter technisch niet haalbaar of kostenefficiënt is kan een warmtekostenverdeler worden geïnstalleerd. De totale kosten voor verwarming van alle appartementen worden dan naar rato van de per appartement gemeten warmteafgifte verdeeld. De methode van berekenen van de warmtekosten bij gebruik van warmtekostenverdelers is vastgelegd in de norm NEN7440:20218. Ook het onderscheid tussen vaste en variabele kosten is in deze norm opgenomen. Voor afnemers heeft het kabinet samen met het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) de brochure «Duidelijkheid over verdeling van warmtekosten» laten maken om deze norm toe te lichten.9, 10 Ten aanzien van het vaststellen van de betrouwbaarheid van warmtekostenverdelers schrijft de Warmtewet voor dat de leverancier op verzoek van de verbruiker door een onafhankelijke deskundige onderzoek moet laten uitvoeren naar de werking van warmtekostenverdelers.
Alleen als ook de installatie van warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is, kan een leverancier een kostenverdeelsystematiek voor de meting van het warmteverbruik toepassen. Ook de betrouwbaarheid van de kostenverdeelsystematiek kan op verzoek van verbruiker door een deskundige getoetst worden.
Acht u het acceptabel dat bewoners die zuinig stoken, toch nauwelijks voordeel hebben omdat een groot deel van hun rekening uit vaste kosten bestaat?
Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland de energierekening kan betalen. Het is daarbij van de situatie afhankelijk of het acceptabel is dat een groot deel van de rekening uit vaste kosten bestaat.11
Als de totale energierekening laag is, hoeft het geen probleem te zijn dat een groot aandeel uit vaste kosten bestaat. Als de warmteleverancier bijvoorbeeld vooral vaste kosten heeft, kan het verdedigbaar zijn dat de kosten voor de bewoner ook voor een groot aandeel uit vaste kosten bestaan. Zuinig stoken leidt dan namelijk ook niet tot substantieel lagere kosten voor de warmteleverancier. En bewoners hebben juist veel zekerheid over de hoogte van de energierekening, omdat de vaste kosten elk jaar ongeveer hetzelfde zijn.12
Soms is het bovendien onvermijdelijk dat een groot deel van de rekening uit vaste kosten bestaat. Zoals toegelicht bij vraag 5 wordt het toepassen van een kostenverdeelsystematiek zo veel als mogelijk beperkt, maar zijn er soms geen goede alternatieven. Met een kostenverdeelsystematiek worden totale kosten voor het gebouw verdeeld over de bewoners op basis van verbruiksonafhankelijke parameters zoals het vloeroppervlak. Dit leidt tot hoge vaste kosten. Een individuele bewoner heeft dan weinig invloed op de hoogte van zijn energierekening.
Hoe voorkomt u dat vooral huishoudens met lage inkomens door deze kostenstructuur onevenredig zwaar worden getroffen?
Het kabinet zet in op verschillende maatregelen om huishoudens met lage inkomens met blokverwarming te beschermen.
Ten eerste moeten overal waar dat mogelijk is individuele warmtemeters of warmtekostenverdelers worden gebruikt, zodat de facturatie zoveel mogelijk is gebaseerd op het individuele verbruik (zie vraag 5).
Ten tweede is de hoogte van de totale kosten die een leverancier van warmte in rekening mag brengen begrensd via de Warmtewet/Wcw of het huurrecht (zie vraag 9).
Ten derde zet het kabinet in op verbetering van de energetische kwaliteit van woningen. Zo is er regelgeving in voorbereiding voor het opnemen van minimum energieprestatie-eisen voor huurwoningen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit betekent dat huurwoningen per 1 januari 2029 tenminste een label D moeten hebben. In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is afgesproken dat woningcorporaties uiterlijk in 2028 alle E, F en G-labels uit de sector laten verdwijnen.13 Zij zijn hierin al goed op weg. In de NPA is afgesproken dat huurders geen huurverhoging ontvangen na isolatiemaatregelen. Op deze manier profiteren huurders optimaal van de verduurzaming: de energierekening gaat omlaag, zonder dat de huur hoger wordt. Daarnaast zijn, met de per 1 juli 2024 in werking getreden Wet Betaalbare huur, in het woningwaarderingstelstel (WWS) aftrekpunten opgenomen voor energielabels EFG, en meer punten voor de betere energielabels. Om verhuurders te ondersteunen heeft het kabinet een «Ondersteuningspakket verduurzaming particuliere verhuur» naar de Kamer gestuurd, met aandacht voor het oplossen van knelpunten die vooral particuliere verhuurders ervaren, zoals het gebrek aan heldere informatie. Daarbij is met de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud (SVOH) subsidie beschikbaar voor verhuurders.
Ten vierde heeft de Rijksoverheid in 2025 56,3 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het Noodfonds om ook dit jaar weer huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten te ondersteunen. Voor het eerst dit jaar konden huishoudens met een blokaansluiting ook steun krijgen als zij aan de voorwaarden voldeden. Van de in totaal 224.000 aanvragen, hadden ongeveer 11.000 huishoudens een blokaansluiting.
Ziet u aanleiding om het aandeel vaste kosten te maximeren, zodat gedragsprikkels eerlijker uitwerken?
Nee. Zoals toegelicht bij vraag 5 is het uitgangspunt van de meetverplichtingen in de Warmtewet en Wcw dat de in rekening gebrachte kosten zoveel mogelijk in overeenstemming zijn met het daadwerkelijke individuele verbruik. Maar er kunnen situaties zijn waarin een hoog aandeel vaste kosten geen probleem is of waarin een hoog aandeel vaste kosten niet te voorkomen is (zie ook vraag 6).
Acht u de huidige bescherming in de Warmtewet voldoende om te voorkomen dat bewoners structureel duurder uit zijn dan huishoudens met een eigen ketel of warmtepomp?
Op grond van de Warmtewet – en Wcw – stelt de ACM maximale tarieven vast voor de warmtelevering door een externe warmteleverancier. Op dit moment zijn de maximale tarieven gebaseerd op het niet-meer-dan-anders principe. De ACM berekent wat de kosten van een gemiddelde verbruiker met een cv-ketel zijn en baseert daar de maximale tarieven voor warmtelevering op. De Wcw voorziet in een gefaseerde overgang van niet-meer-dan-anders principe naar kostengebaseerde maximum tarieven. In het wetsvoorstel is bij amendement opgenomen dat kostengebaseerde tarieven pas in werking treden als de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van gangbare alternatieven (zoals een individuele cv-ketel) geborgd is. Tot die tijd blijft het niet-meer-dan-anders principe van toepassing. Ook onder de Wet collectieve warmte zal dus worden voorkomen dat huishoudens voor collectieve warmte structureel meer betalen dan huishoudens met een cv-ketel of warmtepomp.
Huurders wier warmte door de verhuurder wordt geleverd, worden beschermd middels het huurrecht. Daarbij is het uitgangspunt dat de servicekosten een redelijke vergoeding voor de geleverde service moeten zijn. Huurders kunnen met klachten naar de Huurcommissie zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 4.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak bewoners in Nederland bij blokverwarming moeten bijbetalen na de jaarafrekening, uitgesplitst naar corporaties, particuliere verhuurders en VvE’s?
Nee, het is niet mogelijk om dit inzichtelijk te maken. Het gaat om een private overeenkomst tussen de leverancier van warmte en de verbruikers. De overheid heeft hier geen inzicht in.
Wat is de gemiddelde hoogte van de bijbetalingen in de afgelopen drie jaar, en hoe verhouden die zich tot de voorschotten die bewoners betaalden?
Zie het antwoord op vraag 10. Er is geen inzicht in de hoogte van bijbetalingen, aangezien dit een private overeenkomst tussen leverancier van warmte en de verbruikers betreft.
Hoe vaak komt het voor dat bewoners meerdere jaren op rij moeten bijbetalen voor blokverwarming, en wat is daarbij de gemiddelde en maximale periode?
Zie het antwoord op vraag 10. Er is geen inzicht in de hoogte van bijbetalingen, aangezien dit een private overeenkomst tussen leverancier van warmte en de verbruikers betreft.
Kunt u aangeven wat de hoogste bijbetalingen zijn die bij de ACM of andere instanties gemeld zijn, en of er sprake is van uitschieters die bewoners in financiële problemen brengen?
De ACM heeft geen overzicht van meldingen specifiek over bijbetalingen voor blokverwarming. De Huurcommissie heeft een aantal klachten ontvangen over (voorschot)bedragen voor stookkosten (zie vraag 14).
Hoeveel klachten over blokverwarming ontvangt de ACM jaarlijks, en hoe heeft dit aantal zich de afgelopen vijf jaar ontwikkeld?
In het jaarverslag van de ACM is aangegeven hoeveel meldingen via ACM Consuwijzer binnenkomen per sector. Dit betreffen zowel klachten als vragen. In 2024 waren dat er 11.984 voor de gehele sector van energie en warmte. In 2024 gingen daarvan 1011 vragen en klachten over warmte. Hierbij moet worden opgemerkt dat verbruikers die zich bij ACM Consuwijzer melden niet altijd aangeven of zij aangesloten zijn op blokverwarming of een (groot) stadswarmte-net. Dat onderscheid kan de ACM daarom niet maken.
De Huurcommissie heeft aangegeven zaken te hebben afgehandeld in de periode 2024–2025 die zien op een te hoog (voorschot)bedrag voor de stookkosten waarbij de bedragen uitkwamen op duizenden euro’s aan teveel betaalde stookkosten. De Huurcommissie toetst de stookkosten aan de verbruiksnorm van Nibud (de zogeheten redelijkheidstoets). Bij een voorschotprocedure (7:261 BW) kan alleen een huurder de zaak starten. Bij geen overeenstemming over de betalingsverplichting t.a.v. de nutsvoorzieningen en servicekosten (7:260 BW) kunnen zowel huurder als verhuurder een verzoek indienen bij de Huurcommissie. Er wordt getoetst of de kosten in verhouding staan tot het verbruik van de huurder en redelijk geacht kunnen worden
Bent u bereid deze cijfers jaarlijks te publiceren zodat de Kamer zicht houdt op de omvang van de problematiek?
Zoals toegelicht bij vraag 10 zijn cijfers over bijbetalingen niet beschikbaar. De ACM publiceert in haar jaarverslag reeds over de meldingen die zij ontvangt (zie vraag 14)
Bent u bereid in overleg met corporaties, VvE’s en warmtebedrijven te onderzoeken hoe bewoners meer grip krijgen op hun kosten, bijvoorbeeld door individuele meting en afrekening waar technisch mogelijk?
Het kabinet vindt het belangrijk dat bewoners grip hebben op hun kosten. Zoals aangeven in antwoord op vraag 5 schrijft de huidige Warmtewet, maar ook de Wcw, al voor dat installeren van een individuele warmtemeter verplicht is als dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is.
Wilt u de Kamer nog dit jaar informeren over concrete stappen om de problemen rond blokverwarming aan te pakken, gericht op transparantie, betrouwbaarheid en betaalbaarheid?
Het kabinet is van oordeel dat het beleid om de transparantie, betrouwbaarheid en betaalbaarheid te borgen op orde is. De huidige wetgeving bevat verschillende waarborgen. Voor de bewoners in IJmuiden geldt bijvoorbeeld dat zij:
Bovendien zijn, zoals toegelicht in voorgaande antwoorden, verschillende verbeteringen recent in werking getreden of treden zij binnenkort in werking.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De industrie, te weten brancheorganisaties VEMW & VNO-NCW, medeondertekenaars van de brief aan fractievoorzitters van de Tweede Kamer van 18 juli jl. |
|
Joris Thijssen (PvdA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw brief aan de Kamer betreffende «Het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee» van 16 juli jl. (Kamerstuk 33 561, nr. 87) en met de reactie daarop van zes organisaties betrokken bij elektrificatie van de industrie van 18 juli jl.?
Ja.
Bent u van mening dat u en de zes organisaties het volledig eens zijn over het belang van windenergie op zee, aangezien u schrijft: «Windenergie op zee is essentieel om de Nederlandse opgave voor groene groei en verduurzaming te realiseren en om Nederland nu en in de toekomst energieonafhankelijkheid en weerbaarheid te bieden.», en de ondertekenaars schrijven: «In een wereld van toenemende geopolitieke spanningen en stijgende energiekosten bieden de Nederlandse Noordzee en de verduurzaming van onze industrie een unieke kans om de economie te versterken, onze strategische onafhankelijkheid te verbeteren en de energietransitie kostenefficiënt te versnellen»?
Ja, het kabinet is het eens met de ondertekenaars van de brief dat windenergie op zee van groot belang is voor Nederland, onder andere vanwege de in de brief genoemde kansen. Wel zijn de afgelopen periode de risico's die het toenmalige kabinet in 2022 bij de opschaling van de ambitie wind op zee naar 21 GW heeft aangegeven realiteit geworden. Zo ontwikkelt de vraag naar hernieuwbare elektriciteit zich minder snel dan verwacht en zijn de kosten voor wind op zee, na eerder een sterke kostendaling, gestegen. Dit zet de businesscase sterk onder druk en heeft geleid tot nieuwe scenario's voor de benodigde hoeveelheid hernieuwbare energie. De ambitie uit het Nationaal Plan Energiesysteem – 50 GW in 2050 – was gebaseerd op een maximaal uitrolscenario, dus een bovenkant van de bandbreedte. Hierbij gold ook al dat nog nader moest worden uitgewerkt hoeveel windenergie er uiteindelijk nodig en inpasbaar is. Deloitte schetste in het rapport ten behoeve van het Windenergie Infrastructuurplan Noordzee (WIN) in 2024 al hoe groot de uitdagingen in de realisatie zijn om tot 50 GW windenergie op zee te komen in 2040.1 Het kabinet heeft de marktontwikkelingen en nieuwe scenario's in het WIN vertaald naar een realistischer bandbreedte voor de ambitie wind op zee; 30–40 GW in 2040. Een ambitie waarmee in ongeveer de helft van de behoefte aan elektriciteit kan worden voorzien in 2040. In september komt het kabinet met een actieplan om de uitrol van wind op zee in deze uitdagende omstandigheden te ondersteunen.
Waarom is het volgens u niet gelukt om afspraken te maken over een betaalbare energievoorziening van de Noordzee die volgens alle partijen essentieel is, terwijl industriële partijen en het Ministerie van Klimaat en Groene Groei de afgelopen jaren met elkaar in gesprek zijn geweest om te komen tot zogenaamde maatwerkafspraken, en dat tot nog toe er één finale maatwerkafspraak is gesloten en er nog geen maatwerkafspraak is gesloten met een bedrijf uit de top 20 van CO2-uitstoters in Nederland?
De essentie van de maatwerkaanpak is dat een team van de overheid intensief in gesprek is met een bedrijf over hun verduurzamingsstrategie, projectportfolio, investeringsrisico’s, gesignaleerde knelpunten en mogelijke ondersteuning door de overheid. Doordat bedrijven strategische afwegingen en business cases delen, ontstaat beter inzicht in hoe financiële en niet-financiële randvoorwaarden moeten worden vormgegeven.2 Voorts onderzoekt het team of in de businesscase van een verduurzamingsproject een onrendabele top bestaat. Indien het generieke subsidie-instrumentarium ontoereikend is, wordt beoordeeld of de onrendabele top gedekt moet worden middels financiering uit de gereserveerde middelen voor de maatwerkaanpak. Dit betekent echter niet dat het team van de maatwerkaanpak (contract)onderhandelingen aangaat met derde partijen, zoals energieleveranciers, over bijvoorbeeld energiecontracten. Voor sommige bedrijven in de maatwerkaanpak is elektrificatie van de productieprocessen mogelijk en onderdeel van de businesscase. Echter, het is niet voor elk bedrijf haalbaar om de productieprocessen vergaand te elektrificeren, bijvoorbeeld omdat de geëigende technologie zich nog in een onderontwikkeld stadium bevindt. Er is een bindende maatwerkafspraak gesloten met het Chemiebedrijf Nobian. Dit bedrijf wordt gerekend tot de zogenaamde top 20-industriële CO2-uitstoters van Nederland (zie Kamerbrief Voortgang maatwerkafspraken 27 februari 2023).3 Met behulp van de maatwerkafspraken, kan Nobian grote investeringen doen in de elektrificatie van twee Nederlandse productiesites. Daarnaast zet Nobian ook in op elektriciteitsbesparing. Onder andere hierdoor wordt in 2030 ruim 0,5 Mton CO2-uitstoot gereduceerd ten opzichte van 2020 (zie Kamerbrief Ondertekening maatwerkafspraken Nobian 19 december 2024).4
Is er tijdens de maatwerkafspraken of tijdens andere gesprekken overlegd welke prijs van wind op zee noodzakelijk is om de industrie te elektrificeren? Zo ja, welke prijs is dan nodig? En met welke financiële rendementen bij zowel de industrie als bij de windenergie op zee ontwikkelaars is dan gerekend? Waarom is het niet gelukt om tot afspraken te komen voor de uitrol van wind op zee en de elektrificering van de industrie? Zo nee, waarom is het gesprek hier niet over gegaan?
In het kader van de maatwerkaanpak, wordt met het betreffende industriële bedrijf gekeken naar mogelijkheden voor (versnelde) verduurzaming, waaronder door elektrificatie. Dit wordt niet specifiek gekoppeld aan de uitrol van wind op zee. De afgelopen jaren kon wind op zee zonder subsidie worden vergund omdat windparkontwikkelaars langetermijncontracten konden afsluiten voor de levering van hun windstroom (zogenoemde power purchase agreements, PPAs). Inmiddels zijn de kosten voor de bouw en exploitatie van een windpark op zee gestegen en tegelijkertijd is de potentie voor het afsluiten van PPAs afgenomen doordat een steeds groter deel van onze elektriciteit uit hernieuwbaar opgewekte elektriciteit bestaat. De vraag ontwikkelt zich daarbij minder snel dan werd verwacht toen de routekaart 21 GW werd opgesteld in 2022. Dit risico dat reeds in 2022 was geïdentificeerd, is daarmee realiteit geworden. De processen van de maatwerkafspraken en de vergunning van windparken op zee zijn gescheiden vanwege hun complexiteit, het niet bevoordelen van bepaalde partijen en ongelijktijdigheid van realisatie.
Dit laat onverlet dat de realisatie van windmolenparken en windenergie, bijvoorbeeld via power purchase agreements, van belang zijn voor grote industriële bedrijven. Voor de elektrificatie van de industriële productieprocessen is een grote hoeveelheid elektriciteit nodig. Windenergie is in Nederland de grootste bron van extra duurzame elektriciteit in de komende jaren, dus zonder die grote volumes duurzame elektriciteit is elektrificatie, bijvoorbeeld voor e-boilers, warmtepompen of elektrolyse voor waterstofproductie, niet haalbaar.
Is er tijdens de maatwerkafspraken of tijdens andere gesprekken overlegd welke prijs van groene waterstof nodig is om de industrie te laten overstappen op groene waterstof? Zo ja, welke prijs van groene waterstof is hiervoor noodzakelijk? Met welke financiële rendementen bij zowel de industrie als bij de windenergie ontwikkelaars als bij de producten van groene waterstof is dan gerekend? Waarom is het niet gelukt om tot afspraken te komen voor de productie van groene waterstof en het gebruikt van groene waterstof door de industrie? Zo nee, waarom is het gesprek hier niet over gegaan?
In algemene zin geeft de industrie aan dat ze de meerkosten van groene waterstof niet kunnen doorberekenen aan hun afnemers vanwege de mondiale markt waarin ze opereren. Dit hebben industriële waterstofgebruikers onder meer laten weten tijdens de consultatie van het wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie.5 De overheid gaat via productie- en vraagsubsidies dan ook het overgrote deel van de meerkosten voor de inzet van groene waterstof dragen.6
Voor de productiesubsidies is er een sterke link met wind op zee. Voor grootschalige elektrolyseprojecten is additionele hernieuwbare elektriciteit nodig afkomstig van wind op zee. Opschaling van wind op zee en elektrolysecapaciteit moeten daarmee parallel plaatsvinden. Voor de businesscase van (grootschalige) elektrolysers zijn langetermijnafnamecontracten een voorwaarde. Met overheidsbeleid wordt beoogd voldoende zekerheid te bieden voor het afsluiten van dergelijke contracten. De industrie kijkt niet alleen naar binnenlands geproduceerde groene waterstof, maar ook naar mogelijkheden van import van groene waterstof (veelal als waterstofdrager) omdat hernieuwbare energie in andere regio’s meer en goedkoper voor handen is. Ook het kabinet zet naast binnenlandse productie in op waterstofimport om aan de toekomstige verwachte vraag aan groene waterstof te kunnen voldoen. Hierin moet een goede balans worden gevonden met het oog op ons toekomstig energiesysteem. Met de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) wordt hierop nader ingegaan.
Bent u het eens dat het niet tegelijk waar kan zijn dat er niet voldoende vraag naar windenergie van de Noordzee is terwijl de industriële partijen in hun brief aangeven dat die vraag er wel is? Waarom lukt het niet om vraag en aanbod bij elkaar te brengen?
De brief vanuit de industriële partijen stelt onder punt 2: «De businesscase voor wind-op-zee is onder druk komen te staan door gestegen grondstof- en kapitaalkosten en achterblijvende vraag.» Dat de vraag op dit moment achterblijft bij eerdere verwachtingen staat in de brief dus niet ter discussie. Op basis van de verschillende scenario’s voor 2040 waar de analyse in het WIN op is gebaseerd, is de stellige verwachting wel dat deze vraag op relatief korte termijn tot stand zal komen. Alle scenariostudies, ook die met minder industrie in Nederland en meer import van energiedragers, komen immers uit op een veelvoud aan wind op zee in 2040 ten opzichte van wat op dit moment is gerealiseerd. Gegeven deze grote bijdrage aan ons toekomstige energiesysteem, blijft het kabinet inzetten op windenergie op zee. Er zijn geen alternatieven beschikbaar die tijdig voldoende energie kunnen opwekken. Daarom zet het kabinet in op beleid voor windparken op zee dat zowel ambitieus als realistisch is.
Een bepalende factor bij de mismatch tussen de bereidheid van industriële partijen om nu PPA’s af te sluiten en de verwachte hogere vraag in het volgende decennium is dat partijen aan de vraagkant investeringsbeslissingen uitstellen. Factoren die daarbij een rol spelen: netcongestie (de vraag die er is, kan zich niet naar de praktijk vertalen), relatief hoge netwerktarieven ten opzichte van de landen om ons heen, waar die tarieven vaak gesubsidieerd worden, en de verwachte daling van elektriciteitsprijzen de komende jaren.
Waarom wordt het bestrijden van klimaatverandering in geen van beide brieven genoemd als reden om wind op zee sneller te ontwikkelen en de industrie sneller te elektrificeren?
In de brief staat: «Windenergie op zee is essentieel om de Nederlandse opgave voor groene groei en verduurzaming te realiseren». Uiteraard is het tegengaan van klimaatverandering een belangrijke reden voor het willen verduurzamen van de Nederlandse energievoorziening en daarmee dus voor de ontwikkeling van wind op zee.
Kunt u elk van deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u alle correspondentie tussen de regering en de bedrijven waarmee gesprekken zijn of zijn geweest in het kader van de maatwerkafspraken toezenden aan de Kamer? Kunnen de vertegenwoordigers van Vereniging voor Energie, Milieu en Water (VEMW) en VNO-NCW aan hun leden vragen om deze correspondentie te delen met de Kamer?
De gesprekken in het kader van de maatwerkaanpak zijn vertrouwelijk, onder andere omdat de bedrijven bedrijfsvertrouwelijke informatie delen. Deze informatie is nodig voor de uitwerking en beoordeling van businesscases. In veel gevallen gaat dit ook om concurrentiegevoelige informatie. Daarnaast zijn enkele (moeder)bedrijven ook beursgenoteerd en kan dergelijke informatie koersgevoelig zijn en niet in de openbaarheid worden gedeeld.
De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken.
De flinke toename van energiearmoede door het wegvallen van overheidssteun |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energiearmoede steeg vorig jaar fors door stopzetten steunmaatregelen» van de NOS van 25 juli 2025?1
Ja
Hoe beoordeelt u het feit dat in 2024 510.000 huishoudens te maken hadden met energiearmoede, wat een stijging van bijna 180.000 huishoudens ten opzichte van 2023 betekent?
Volgens de voorlopige inschatting in de Monitor Energiearmoede van TNO en CBS leven in 2024, 510.000 huishoudens in energiearmoede. Dat is meer dan tijdens de energiecrisis in 2023. Wel is het aantal gedaald ten opzichte van voor de energiecrisis (2019), ondanks dat de energieprijzen na de crisis op een stabiel maar hoger niveau liggen. De daling in het aantal huishoudens in energiearmoede ten opzichte van 2019 komt onder andere door de getroffen verduurzamingsmaatregelen, gedragsverandering van consumenten en een stijging van het besteedbaar inkomen. Zo beschrijft de monitor dat onder andere door het feit dat steeds meer woningen worden verduurzaamd, het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en weinig investeringsmogelijkheden daalt. Dat geldt ook voor het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en een laag inkomen.
In 2022 en 2023 zijn compensatiemaatregelen getroffen voor plotselinge hoge energieprijzen tijdens de energiecrisis. Zonder die maatregelen had het aantal huishoudens in energiearmoede in die jaren naar verwachting hoger gelegen. De daling van 2022 en 2023 laat dus zien dat de energieprijzen zijn gedaald ten opzichte van de crisisjaren, maar ook dat de crisismaatregelen in deze jaren effectief zijn geweest om deze groep huishoudens te ondersteunen.
Tegelijkertijd laten de cijfers over 2024 zien dat er een groep huishoudens is voor wie de energierekening structureel te hoog blijft ten opzichte van hun inkomen, meestal in combinatie met de lage energetische kwaliteit van de woning. Het is belangrijk om hen structureel te helpen met het treffen van passende verduurzamingsmaatregelen, zowel in de koop- als in de huursector, en hen hulp te bieden bij de betaalbaarheid van de energierekening totdat deze verduurzaming gerealiseerd is. Hiertoe heeft het kabinet een voorstel ingediend bij de Europese Commissie om via het Social Climate Fund financiële ondersteuning te kunnen bieden voor zowel het betalen van de prijsstijgingen ten gevolge van ETS-2, en het nemen van structurele maatregelen via verduurzaming. Ook monitort het kabinet of er voldoende en concurrerend aanbod op de energiemarkt is voor alle huishoudens.
Erkent u dat het stopzetten van tijdelijke steunmaatregelen zoals de energietoeslag en het prijsplafond heeft geleid tot een verdubbeling van het aandeel energiearme huishoudens ten opzichte van 2023? Zo nee, waarom niet?
De energietoeslag van € 1.300 heeft huishoudens met een laag inkomen vanzelfsprekend geholpen met het betalen van de rekeningen. Ook het prijsplafond heeft veel mensen geholpen. De energietoeslag hield geen rekening met de hoogte van iemands energierekening en was daardoor relatief ongericht in het compenseren voor energiekosten.
Energiearmoede is een gevolg van het samenspel tussen diverse factoren: de combinatie van een laag inkomen, hoge energiekosten en/of een lage energetische kwaliteit van de woning. Het kabinet kiest er daarom voor om in te zetten op structurele gerichte maatregelen, zoals de bij vraag 2 beschreven inzet vanuit het Social Climate Fund en gerichte verduurzaming van de woningen in specifieke wijken. Daarnaast monitort het kabinet de ontwikkeling van de energieprijzen continu. De Monitor Energiearmoede ondersteunt dat deze aanpak helpt om huishoudens structureel te helpen.
Deelt u de analyse van TNO en het CBS dat overheidsmaatregelen in 2022 en 2023 aantoonbaar effectief waren in het tegengaan van energiearmoede? Waarom zijn deze maatregelen dan desondanks afgebouwd zonder volwaardige structurele alternatieven?
De analyse van TNO en het CBS laat zien dat prijscompensatiemaatregelen tijdens energiecrisis goed hebben gewerkt in het dempen van het aantal huishoudens dat door de energiecrisis in energiearmoede terecht zou komen. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is opgemerkt; de energietoeslag van € 1.300 heeft huishoudens met een laag inkomen vanzelfsprekend geholpen met het betalen van de rekeningen. Maar deze toeslag hield geen rekening met de hoogte van iemands energierekening en was daardoor relatief ongericht in het compenseren voor energiekosten.2
Kwetsbare huishoudens zijn, om structureel meer grip te krijgen op de energierekening, vooral gebaat bij een gerichte en structurele oplossing. Het verduurzamen van de woning is een belangrijke manier om minder kwetsbaar te zijn voor toekomstige prijsstijgingen en de noodzaak voor nieuwe tijdelijke compensatiemaatregelen te verminderen. Echter, het verduurzamen van de gebouwde omgeving kost tijd en een deel van de huishoudens heeft ook op dit moment directe steun nodig. Zoals benoemd in de beantwoording van de voorgaande vraag zet het kabinet met het opzetten van het Social Climate Fund in op twee sporen; directe verlichting op de energierekening door de prijsopdrijvende effecten van ETS-2 teniet te doen, én ondersteuning bij het nemen van verduurzamingsmaatregelen. Het kabinet monitort daarnaast of er voldoende en concurrerend aanbod op de energiemarkt is voor alle huishoudens.
Daarnaast heeft het kabinet in 2025 wederom een subsidie van € 56,3 miljoen verstrekt aan de stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Gecombineerd met private inleg vanuit energieleveranciers en netbeheerders heeft de stichting steun kunnen bieden bij het betalen van de energierekening aan zo’n 110.000 huishoudens.3
Wat zegt deze stijging van energiearmoede over de effectiviteit van uw huidige beleid op het gebied van klimaat, energieprijzen en armoedebestrijding?
In de beantwoording van vraag 2 is stilgestaan bij de ontwikkeling van energiearmoede tussen 2019 en 2024. We zien over deze langere periode een dalende trend. Het kabinet hecht er belang aan om deze dalende trend door te zetten en het aantal huishoudens te verminderen. Om dit te bereiken, worden verschillende factoren gewogen.
De transitie naar klimaatneutraliteit vraagt veel van burgers, maatschappelijke organisaties en bedrijven. Het kabinet benadrukt dat het van belang blijft om alle huishoudens handelingsperspectief te bieden door de rechtvaardigheid van beleid in de gebouwde omgeving te waarborgen, in aanvulling op afgesproken normering en beprijzing. Daarnaast is het van belang om knelpunten in de transitie, bijvoorbeeld wat betreft in infrastructuur en financiering weg te nemen en voldoende ondersteuning te bieden aan kwetsbare groepen, zodat iedereen mee kan doen aan de transitie en over de juiste informatie en capaciteit beschikt om hier mee aan de slag te gaan.
In hoeverre acht u het acceptabel dat huishoudens met een laag inkomen inmiddels gemiddeld 11,5 procent van hun inkomen kwijt zijn aan energielasten, meer dan het dubbele van het landelijk gemiddelde?
De cijfers van TNO laten zien dat er nog altijd een groep huishoudens is die een groot deel van het inkomen kwijt is aan de energierekening. De energiequote is zo hoog door het samenspel van een laag inkomen, een hoge energierekening en/of een woning van lage energetische kwaliteit. Deze huishoudens zijn gebaat bij steun, zowel op de korte als op de lange termijn. Het kabinet vindt het belangrijke dat de energiekosten voor iedereen te dragen zijn. Het kabinet zet zich daarom op meerdere fronten in om steun te bieden aan deze huishoudens, zodat de energietransitie voor iedereen haalbaar en betaalbaar is, ongeacht de omvang van de portemonnee.
Wat is uw reactie op het gegeven dat vooral alleenstaanden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden in corporatiewoningen het zwaarst worden geraakt?
Het kabinet heeft oog voor de problematiek die deze huishoudens ervaren. Energiearmoede is een gevolg van een combinatie van een laag inkomen, een hoge energierekening en/of een woning van lage energetische kwaliteit. Relatief veel huishoudens met energiearmoede (75%) wonen in corporatiewoningen. De monitor beschrijft dat dit logisch is vanwege het inkomen van deze huishoudens: de energierekening, of een toename daarvan, legt dan al sneller een groter beslag op het inkomen dan van huishoudens met een hoger inkomen. Dit inkomenseffect zorgt ervoor dat de in het rapport benoemde groepen gemiddeld kwetsbaarder zijn voor energiearmoede.
Hoe verklaart u dat juist bewoners van corporatiewoningen onevenredig hard getroffen worden ondanks dat deze woningen gemiddeld niet slechter geïsoleerd zijn dan particuliere woningen?
Zoals bij vraag 7 toegelicht legt een stijging van de energierekening een groter beslag op het inkomen bij huishoudens met een laag inkomen. Het kabinet herkent dat corporatiewoningen gemiddeld niet slechter geïsoleerd zijn dan particuliere woningen. Sterker nog: de energetische kwaliteit van corporatiewoningen is relatief goed en verbeterd. De monitor bevestigt deze trend en beschrijft dat het aantal huishoudens met een combinatie van een lage energetische kwaliteit woning en 1) weinig investeringsmogelijkheden of 2) een laag inkomen daalt door het feit dat steeds meer woningen worden verduurzaamd. De toename in energiearmoede in de voorlopige inschatting voor 2024 wordt verklaard door het energieprijsniveau en het wegvallen van de financiële steunmaatregelen.
Welke specifieke stappen gaat u zetten om energiearmoede onder deze kwetsbare groepen per direct te verlichten?
Het kabinet werkt op meerdere fronten aan de aanpak van energiearmoede. Het kabinet monitort de ontwikkeling van de energieprijzen continu. In 2025 heeft het kabinet wederom een subsidie verstrekt aan de stichting Tijdelijk Noodfonds Energie. Gecombineerd met private inleg vanuit energieleveranciers en netbeheerders heeft de stichting steun kunnen bieden bij het betalen van de energierekening aan zo’n 110.000 huishoudens. Ook bent u middels de Kamerbrief van 27 juni jl. geïnformeerd over de aanvullende inzet voor kwetsbare huishoudens in aanloop naar aankomende winter.4
Ook wordt er binnen de kaders van het Social Climate Fund momenteel verder gewerkt aan een publiek energiefonds dat energiearme huishoudens kan helpen bij het compenseren van de prijsopdrijvende effecten van ETS-2. De gezette stappen uit de aanvullende inzet uit de Kamerbrief van 27 juni jl. zullen daarnaast behulpzaam zijn om deze huishoudens van incidentele steun richting structurele verduurzamingsmaatregelen te begeleiden.
Bent u bereid om gezien de structureel hogere energieprijzen opnieuw te kijken naar het invoeren van een gericht prijsplafond of energietoeslag voor lage inkomens? Zo nee, waarom niet?
Het prijsplafond en de energietoeslag waren crisismaatregelen, ontworpen om huishoudens tijdelijk te verlichten tijdens de plotseling hoge prijzen in de energiecrisis. De situatie op de energiemarkt voor consumenten is op dit moment stabiel. Er is een ruim aanbod van verschillende contracten met tarieven die ruim onder het niveau van het prijsplafond liggen. Ook blijkt uit de analyse van TNO en het CBS dat het aantal huishoudens in energiearmoede in 2024 lager ligt dan voor de energiecrisis in 2019, ondanks een stabiel maar hoger energieprijsniveau. De prijzen op de groothandelsmarkt geven geen aanleiding om nu verdere maatregelen te nemen en in te grijpen op de leveringstarieven, bijvoorbeeld via een prijsplafond. Het kabinet zet in op gerichte en structurele maatregelen die kwetsbare huishoudens met een hoge energierekening structureel helpen om grip te krijgen op de energierekening, via eerder genoemde maatregelen in de beantwoording van vraag 3 en 4.
Klopt het dat structurele verduurzaming van woningen de meest duurzame oplossing is tegen energiearmoede? Zo ja, hoe verklaart u dan dat de voortgang in de isolatieaanpak voor huurwoningen nog steeds ernstig achterblijft?
Energiearmoede is een gevolg van een combinatie van een laag inkomen, een hoge energierekening en/of een woning van lage energetische kwaliteit. Het verduurzamen van woningen is hierbij dus een belangrijke oplossingsrichting, zeker voor de huishoudens waarbij energiearmoede vooral samenhangt met een hoog energieverbruik als gevolg van een lage energetische kwaliteit woning. Zoals hierboven aangegeven is de energetische kwaliteit van corporatiewoningen relatief goed. Maar verdere verduurzaming van woningen, ook in de huursector, blijft van belang. Juist ook voor de groep huishoudens met een laag inkomen, of net daarboven, met een slechte energetische kwaliteit woning. De verduurzaming van huurwoningen, waaronder de isolatieaanpak, heeft dan ook de aandacht van het kabinet. We hebben gericht beleid voor huurwoningen. Zo is er regelgeving in voorbereiding voor het opnemen van minimum energieprestatie-eisen voor huurwoningen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit betekent dat huurwoningen per 1 januari 2029 tenminste een label D moeten hebben. In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) is afgesproken dat woningcorporaties uiterlijk in 2028 voldoen aan de EFG-eis. Zij zijn hierin al goed op weg. Tegenover isoleren staat in de NPA geen huurverhoging. Hiermee komen we mensen tegemoet die moeite hebben de energierekening te betalen. Om particuliere verhuurders vooruitlopend op de genoemde minimum energieprestatie-eisen al te stimuleren te verduurzamen, zijn in het woningwaarderingstelstel (WWS) aftrekpunten opgenomen voor energielabels EFG. Om verhuurders te ondersteunen heeft het kabinet een «Ondersteuningspakket verduurzaming particuliere verhuur» naar uw Kamer gestuurd, met aandacht voor het het oplossen van knelpunten die vooral particuliere verhuurders ervaren, zoals het gebrek aan heldere informatie. Daarbij is met de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud (SVOH) subsidie beschikbaar voor verhuurders.
Hoeveel corporatiewoningen zijn sinds 2022 daadwerkelijk van het gas gehaald en geïsoleerd tot minimaal energielabel B of hoger?
De verantwoordingsinformatie voor woningcorporaties (dVi) is beschikbaar voor 2023 en nog niet voor de jaren erna. In 2023 zijn er 135 duizend woningen die geïsoleerd zijn naar een niveau van de definitie Toekomstklaar (voldoet aan isolatiestandaard of geschikt voor verwarmen met 50 graden). Er zijn 72 duizend woningen aangesloten op ofwel een warmtenet of volledig elektrische warmtepomp. Aansluitend laat de Aedes-benchmark voor het jaar 2024 ten opzichte van 2023 een duidelijke afname van lagere labels zien ten opzichte van 2023. Bij de labels B en hoger is juist een toename te zien.
Woningcorporaties zijn dus goed op weg met verduurzaming en isolatie: In 2023 zijn 178.400 corporatiewoningen voorzien van verduurzamingsmaatregelen (inclusief zonnepanelen). Het aantal woningen met energielabel A of hoger is toegenomen met 147.900 tot 961.900 woningen en het aantal woningen met EFG is sinds 2023 met 21% gedaald naar 142.900 woningen. In de hernieuwde Nationale Prestatieafspraken van 2024 is ingezet op een warmtevraagreductievraagpad. Met de huidige doelstellingen verwachten we dat in 2030 ruim 800.000 huishoudens hun gasverbruik hebben verlaagd met 330m3 gas per jaar. Dit komt neer op een jaarlijkse besparing van 350 tot 550 euro per jaar. In 2034 heeft naar verwachting tussen de 70% en 75% van de corporatievoorraad een label A of beter.
Welke belemmeringen ervaren woningcorporaties bij het versnellen van verduurzaming en welke rol speelt het huidige kabinetsbeleid daarin?
Zoals in antwoord 12 aangegeven, zijn woningcorporaties al hard op weg met verduurzaming en zijn er scherpe afspraken voor de toekomst gemaakt in de Nationale Prestatieafspraken. Er zijn een aantal knelpunten te benoemen rondom verduurzaming van sociale huurwoningen, waar ook samen met Aedes aan gewerkt wordt. In de Kamerbrief «Verduurzaming Gebouwde Omgeving» die op 11 juli j.l. naar uw Kamer is gestuurd gaat het kabinet we in op de ervaren belemmeringen en de vervolgstappen die het kabinet hierin neemt, zoals ten aanzien van netcongestie.
Bent u bereid om mede naar aanleiding van dit onderzoek met spoed te komen met een samenhangend pakket van sociale en fysieke maatregelen om energiearmoede terug te dringen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet heeft een groot deel van belangrijke gerichte en effectieve maatregelen om huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten te ondersteunen, verlengd of uitgebreid. Deze maatregelen worden in de voorgaande antwoorden benoemd. Ook andere maatregelen, zoals de SPUK energiearmoede die loopt tot en met 2027, en de lokale aanpak van het Nationale isolatieprogramma dragen bij aan energiebesparing in, en verduurzaming van, woningen en de aanpak van energiearmoede. Ook heeft het kabinet besloten om middelen uit het Social Climate Fund aan te vragen die kwetsbare huishoudens ondersteunen in de energietransitie. Het ontwikkelen van nieuw beleid is aan een volgend kabinet.
De toekenning van de extra middelen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de uitvoering van het amendement Grinwis c.s. dat € 50 miljoen extra toevoegt aan het Tijdelijk Noodfonds Energie?1
Allereerst wil ik benadrukken dat ik het initiatief van de Tweede Kamer om extra middelen om energiearmoede tegen te gaan, zeer waardeer. De afgelopen jaren heeft het Rijk zich ingezet om energiearmoede te verlagen. De inzet van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie en de energieleveranciers zijn daarbij belangrijke partners geweest. De privaat-publieke constructie van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2025 maakt het onmogelijk om dit jaar extra middelen toe te voegen zonder grote financiële en juridische risico’s. Met de aangehouden verhouding tussen publieke en private financiering is de maximale ruimte bereikt, waarbij het Rijk minder dan twee derde van de totale middelen aan het fonds beschikbaar mag stellen. Indien extra Rijksmiddelen uit het amendement zonder aanvullende private dekking aan het Tijdelijk Noodfonds Energie worden toegevoegd, is het risico groot dat het Tijdelijk Noodfonds Energie als een buitenwettelijk bestuursorgaan wordt gekwalificeerd. Dit kan verschillende consequenties hebben. Eén van de mogelijke consequenties is dat een huishouden als gevolg van deze steun gekort kan worden op de (bijstands)uitkering. Een andere consequentie is het ontstaan van een open einderegeling. De omvang is niet exact te bepalen, dit kan zeker honderden miljoenen euro’s betreffen.
Er ligt echter nog altijd een maatschappelijke opgave, zo laten ook de recente cijfers van TNO zien2. Dat is de reden waarom ik werk aan een publiek energiefonds, in het kader van het Social Climate Fund (SCF)3, om huishoudens te ondersteunen op de energierekening. Bij een publiek fonds is het mogelijk om hiervoor rijksmiddelen zonder private inleg voor dit doeleinde beschikbaar te stellen.
Er wordt verkend of de € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de beschikbare middelen voor het te ontwikkelen publieke energiefonds voor de ondersteuning van huishoudens op de energierekening. Met deze aanvulling op de middelen van het SCF kan de looptijd van het publieke energiefonds worden verlengd. Het streven is om de tegemoetkoming vanuit een publiek energiefonds ten behoeve van de winterperiode vanaf 2026/2027 beschikbaar te stellen. Er wordt bij de uitwerking van het fonds bezien of het (technisch) mogelijk is om met terugwerkende kracht huishoudens over 2026 steun toe te kennen.
Hoe staat het met de verwerking van de 210.000 ontvangen aanvragen die waren binnengekomen alvorens het loket werd gesloten op 29 april jl.? Hoeveel van de aanvragen kon aanvankelijk niet worden gehonoreerd met het budget van € 56,3 miljoen, maar nu wel met de € 50 miljoen extra?
In totaal hebben zo’n 227.000 huishoudens een aanvraag gedaan bij de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) in 2025. Op dit moment zijn er ruim 115.000 van de aanvragen goedgekeurd. Er is inmiddels zo’n 97% van de aanvragen behandeld. Deze huishoudens voldoen aan de vooraf gecommuniceerde voorwaarden (inkomen en energiequote) en ontvangen steun. Het aantal huishoudens dat daarmee in 2025 steun krijgt, is op dit moment vergelijkbaar met het aantal in 2024. De huishoudens die aan de voorwaarden voldoen, ontvangen in 2025 gemiddeld zo’n € 77,50 per maand voor een periode van zes maanden.
Van de 227.000 huishoudens wordt dus ongeveer de helft afgewezen. Dit is niet omdat de middelen niet toereikend zijn, maar omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden. Zij hebben een te hoog inkomen of een te lage energierekening in verhouding met het inkomen.
Hoeveel budget resteert er nog na de verwerking van de ontvangen aanvragen? Wanneer en voor hoe lang wordt het aanvraagloket voor het Noodfonds weer opengesteld, zodat rechthebbenden die niet in de gelegenheid waren om tijdens de eerdere korte openstelling van het fonds een aanvraag in te dienen, dit alsnog kunnen doen?
De inschatting is nu dat nagenoeg het gehele beschikbare bedrag van € 56,3 miljoen wordt uitgekeerd aan huishoudens en er dus vrijwel geen middelen onbenut zijn gebleven.
Staan de private partijen klaar om operationele uitvoering te geven aan het honoreren van de extra aanvragen?
Zoals aangegeven bij vraag 1 wordt verkend of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds. Het energiefonds 2025 was een publiek/ private constructie, zoals bij vraag 1 aangegeven is het niet mogelijk om aanvullende Rijksmiddelen aan deze constructie toe te voegen. Om die reden is deze vraag over operationele uitvoering niet aan de orde.
Aangezien enkele kabinetsleden geen trek leken te hebben in het aangenomen amendement, hoe ziet u erop toe dat het amendement nog in 2025 wordt uitgevoerd en de middelen benut worden en dat het budgetrecht van de Tweede Kamer dus wordt geëerbiedigd?
Zoals bij vraag 1 is aangegeven, maakt de privaat-publieke constructie van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2025 het onmogelijk om dit jaar middelen toe te voegen zonder financiële en juridische risico’s. Het kabinet onderschrijft het doel van het amendement, het ondersteunen van huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening. Om die reden wordt verkend of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds dat in ontwikkeling is.
In hoeverre draagt deze € 50 miljoen bij aan de instandhouding van de systematiek van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
De € 50 miljoen draagt niet bij aan de instandhouding van de systematiek. Zoals in eerdere Kamerbrieven inzake dit energiefonds is aangegeven, is het fonds in 2025 voor de laatste keer via de publiek-private constructie vormgegeven. In de kamerbrieven van 27 juni en 9 september4 jongstleden is aangegeven dat het Ministerie van SZW en het Ministerie van VRO gezamenlijk aan de verdere uitwerking van een voorstel binnen het SCF-plan werken. Dit voorstel is gericht op meerjarige financiële steun voor huishoudens (publiek energiefonds) in combinatie met de verduurzaming van woningen. Het SCF is opgericht om de effecten van het ETS-2-systeem op huishoudens in de meest (financiële) kwetsbare posities te verzachten.
De lessen van de afgelopen jaren over de effectiviteit van het fonds, zoals het bereik van de doelgroep, worden meegenomen in het vervolgtraject van het SCF.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag beantwoorden voor aanvang van de augustusbesluitvorming?
Gezien het zomerreces was het niet mogelijk om deze Kamervragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden. De verkenning of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds loopt mee in de augustusbesluitvorming.
De MER Tata Steel en misleidende communicatie over uitstootcijfers |
|
Joris Thijssen (PvdA), Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD), Mpanzu Bamenga (D66), Natascha Wingelaar (NSC), Ilana Rooderkerk (D66), Wytske de Pater-Postma (CDA), Marieke Koekkoek (D66), Geert Gabriëls (GL) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Tata Steel op 30 juni 2025 het milieueffectrapport (MER) voor het project HeraCless-Groen Staal heeft ingediend bij de provincie Noord-Holland, en dat de MER openbaar is gemaakt op de website van Tata Steel?1
Ja. Het milieueffectrapport (MER) is conform toezegging ook met uw Kamer gedeeld via het de aanbiedingsbrief bij het Schriftelijk overleg van 8 juli jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 339). Inmiddels heeft het bedrijf aangegeven wegens een aantal correcties een gereviseerde MER in te zullen dienen bij het bevoegd gezag6.
Bent u bekend met het feit dat volgens het onlangs gepubliceerde MER van Tata Steel de immissie van fijnstof, NOx en dioxines niet daalt, maar zelfs stijgt? Zo ja, hoe beoordeelt u deze uitkomst in het licht van het feit dat het RIVM concludeert dat fijnstof en NOx de grootste boosdoeners zijn voor de gezondheid van omwonenden?
Normaal gesproken wordt een MER pas openbaar wanneer deze door het bevoegd gezag als bijlage ter inzage wordt gelegd bij een ontwerpbesluit in het kader van vergunningverlening. Tata Steel heeft er, mede op verzoek van de omgeving en de Tweede Kamer, voor gekozen het ingediende MER te publiceren zodat eenieder dit stuk nu al kan inzien. Tegelijkertijd moet nog wel gewoon het reguliere proces van advies en verificatie rondom het MER door het bevoegd gezag en de door haar gemandateerde omgevingsdienst plaatsvinden.7 Er zijn door de Rijksoverheid nog geen stellingen in te nemen, omdat het bevoegd gezag de MER nog moet interpreteren en beoordelen. Ik wil hiervoor het reguliere proces afwachten en kan dus niet in alle gevallen ingaan op de door u gestelde vragen.
Vindt u het acceptabel dat de immissie van fijnstof, NOx en dioxines niet daalt, maar zelfs stijgt? Zo ja, waarom en op welke gezondheidsexperts baseert u zich dan?
Zie beantwoording vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Wat vindt u ervan dat uit het MER blijkt dat ziekmakende stoffen, zoals ultrafijnstof, benzeen, zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s), nauwelijks worden teruggedrongen en dat veel technieken die Tata noemt om emissies te beperken worden afgedaan als «nog in onderzoek», «niet verplicht» of «niet gebruikelijk»? Welke harde reductiedoelen en toetsbare resultaatsverplichtingen zijn er voor deze stoffen dan?
Zie beantwoording vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u het ermee eens dat dit te veel onzekerheid met zich meebrengt en dat omwonenden – die jarenlang moesten vechten tegen een Tata Steel en een overheid, die lang wegkeken en de ziekmakende effecten van Tata ontkenden – garanties moeten krijgen over de exacte reducties van emissies van zulke ziekmakende stoffen (in absolute cijfers)?
Ik begrijp de zorgen van omwonenden over de onzekerheid die deze fase met zich meebrengt. Het verduurzamingsproject van Tata Steel kent verschillende fases, waarvan het MER één van de eerste stappen is binnen het formele proces van besluitvorming over een projectbesluit en bijbehorende vergunningen. Het is aan het bedrijf om de vergunningen voor hun activiteiten aan te vragen en een MER op te stellen. Het bevoegd gezag zal naar aanleiding van het MER, de daarbij behorende adviezen, en de nog in te dienen vergunningaanvragen de activiteit beoordelen.
Het doel van het MER is om de effecten van het project op het milieu in beeld te brengen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de impact van het project op verschillende (lucht)emissies van het bedrijf in kaart moet worden gebracht. Concrete bindende normen of eisen staan niet in het MER, maar worden op een andere manier geregeld. Algemene regels en de vergunningen zullen de Groen Staal-activiteiten van Tata Steel reguleren, waaronder de (lucht)emissies.8 Voordat de vergunning definitief is, zal de ontwerpvergunning openbaar worden gemaakt. Dan bestaat de mogelijkheid voor belanghebbenden om hierop zienswijzen in te dienen.
Bent u het ermee eens dat alle relevante mitigerende maatregelen (oftewel maatregelen die de schadelijke effecten beperken) in het MER moeten worden opgenomen, dus ook de overkappingen en maatregelen die in het buitenland al worden toegepast bij staalfabrieken? Zo nee, waarom niet? Hoe worden dan maatregelen die niet in het MER worden doorgerekend, maar wel worden toegepast via bijvoorbeeld maatwerkafspraken, onderworpen aan een verplichte toets op de effectiviteit en milieugevolgen?
Dit MER is opgesteld voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal zoals dat in maart 2023 is aangekondigd met de notitie voornemen en in november 2023 is aangepast met de gewijzigde notitie voornemen.9 Het MER wordt, zoals ieder ander MER, door het bevoegd gezag getoetst aan de eisen die de wet aan een MER stelt.
Een MER is een middel om in kaart te brengen welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten (die een direct gevolg zijn van het project) te beperken. De genoemde overkappingen zijn geen onderdeel van het project en ook geen onderdeel van mitigerende maatregelen voor dit project. Daarom zijn deze niet opgenomen in het MER.
Het ingediende MER heeft een beperktere scope dan de eventuele maatwerkafspraak. Aanvullende (milieu)maatregelen die voortkomen uit de maatwerkafspraken en geen onderdeel zijn van de vergunningenprocedure voor het project Heracless-Groen Staal dat in maart 2023 is gestart, zullen te zijner tijd een eigen vergunningenspoor doorlopen en getoetst worden. Dit is eerder zo gecommuniceerd door het bevoegd gezag met de gewijzigde notitie voornemen in november 202310.
Zijn cruciale technieken voor de overkapping van de schrootverwerking, het slaktransport en de aanvoer en opslag van grondstoffen voor de «direct reduced iron» (DRI) meegenomen in het MER? Zo nee, waarom niet en bent u bereid om uit te spreken dat het nodig is om dit alsnog op te laten nemen in het MER?
De overkappingen en bronmaatregelen bij nieuwe schrootverwerking en bronmaatregelen bij slaktransport maken deels onderdeel uit van het ontwerp van de nieuwe DRP-EAF installaties en zijn dus opgenomen in het MER.11 Eventuele aanvullende milieumaatregelen die voort kunnen komen uit de maatwerkafspraken zijn zoals ook in vraag 6 toegelicht geen onderdeel van het MER.
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat Tata met het MER feitelijk een soort vorm van salderen in de tijd toepast: verslechtering van de leefomgeving in de komende jaren wordt goedgepraat met beloften over latere verbetering, maar zonder juridische garanties dat die verbetering er ook daadwerkelijk komt? Zo nee, welke juridische garanties zijn er dan concreet voor reductie van ziekmakende stoffen?
Zie beantwoording vraag 2 en 5. Een MER is een middel om in kaart te brengen welke mitigerende maatregelen nodig zijn om negatieve milieueffecten (die een direct gevolg zijn van het project) te beperken. De beoordeling van het MER (of dit in voldoende mate lukt in lijn met huidige wet- en regelgeving), ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Welke concrete, juridisch bindende normen per stofsoort met resultaatverplichtingen op korte termijn – ook voor de bouw- en transitiefase – worden gehanteerd om gezondheidswinst te garanderen?
Zie de beantwoording van vraag 2 en vraag 5. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Erkent u dat in de bouw- en transitiefase, waarin oude vervuilende installaties (zoals kooksgasfabriek 2 en de hoogovens) nog jaren blijven draaien naast nieuwe bronnen als «electric arc furnace» (EAF) en DRI, de uitstoot en hinder toenemen? Kunt u ook aangeven welke maatschappelijke kosten en effecten op de gezondheid dit met zich mee zal brengen? Kunt u een oproep doen om ook de bouw- en transitiefase te laten meenemen in het MER?
Het klopt dat oude en nieuwe installaties enige tijd gelijktijdig actief zullen zijn. Het bevoegd gezag heeft eerder, in reactie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het MER, geadviseerd aan Tata Steel om in het MER expliciet in te gaan op de milieueffecten tijdens de bouw- en transitiefase. Deze zijn dus ook onderdeel van het door Tata Steel ingediende MER. Het bevoegd gezag zal hier dan ook op letten in haar beoordeling van het MER. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Wat is de planning, nu recent een coördinator is aangesteld om een gezondheidseffectrapportage (GER) te (laten) maken, het MER er is en de systematiek van de GER ook is ontwikkeld, om te komen tot een GER en worden omwonenden daar ook bij betrokken?
Zoals toegelicht in de beantwoording van de vragen uit het Schriftelijk Overleg van 8 juli jl12., zullen bij de uitvoering van de Gezondheidseffectrapportage Tata Steel Nederland (hierna: GER-TSN), naast andere betrokkenen, omwonenden worden geconsulteerd.
De GER-TSN wordt gebaseerd op informatie uit het MER en op data voor de milieu en gezondheidsmaatregelen van de eventuele maatwerkafspraak die buiten de scope van het MER vallen. De werkgroep GER-TSN is op basis van de huidige beschikbare versie van de MER gestart met de voorbereidende werkzaamheden van de GER-TSN. Echter moet het oordeel van het bevoegd gezag en het advies van de Commissie mer over het MER worden afgewacht om naar een definitieve GER toe te werken.
Doordat de GER voor het eerst wordt uitgevoerd en de uitvoering afhankelijk is van het proces van de MER, is de exacte duur van de verdere uitvoering niet geheel te voorspellen, maar alle betrokken partijen zijn zich bewust van de wens van de Kamer tot snelheid en zetten zich daarvoor in.
Wanneer verwacht u dat er adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond voor de omwonenden in IJmond op basis van de GER kunnen liggen? Bent u bereid te wachten met het maken van een maatwerkafspraak met Tata, totdat deze adviezen er zijn, zoals een meerderheid van de Kamer u heeft verzocht? Zo nee, waarom niet?
De gezondheid van omwonenden van Tata Steel zal een prominente plek krijgen in de eventuele maatwerkafspraak met TSN, zoals ook al eerder is aangegeven. In de Voortgangsbrief Milieuproblematiek Tata Steel van 10 april jl. bent u uitgebreid geïnformeerd over de GER -TSN. Tussentijdse inzichten die worden opgedaan bij de uitvoering van de GER-TSN zullen zoveel mogelijk worden betrokken bij de onderhandelingen over de maatwerkafspraak met TSN. In de Kamerbrief Voortgang maatwerkafspraken Tata Steel van 20 februari jl. is toegelicht dat de beoogde volgende stap in het maatwerktraject met Tata Steel een concept-JLoI is. De Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) zal over de concept-JLoI een advies uitbrengen. Gelet op de bijzondere aandacht voor gezondheidsrisico’s in de maatwerkafspraak met Tata Steel zal de Expertgroep Gezondheid IJmond hierbij worden betrokken. De Expertgroep is immers ingesteld om te adviseren op milieu en leefomgevingsaspecten bij de verduurzaming van Tata Steel en de consequenties daarvan voor de gezondheid van inwoners in de IJmond.13
Door de samenwerking tussen de AMVI en de Expertgroep Gezondheid IJmond bij het adviseren over de concept-JLoI Tata Steel, zal hun advies onder andere zien op gezondheid, de geformuleerde doelstellingen en de haalbaarheid en de doelmatigheid hiervan. Dit geïntegreerde advies zal samen met de definitieve JLOI openbaar worden gemaakt. De JLoI wordt daarna verder uitgewerkt naar een definitieve, bindende maatwerkafspraak.
Als u niet gaat wachten op deze adviezen, hoe weten de omwonenden wat de gezondheidswinst precies zal zijn en hoe gaat u dan de door u in het vooruitzicht gestelde gezondheidswinst voor omwonenden waarmaken? En als u niet bereid bent te wachten op de adviezen van de expertgroep, beseft u dan dat u een meerderheid van de Kamer negeert, terwijl u veel belastinggeld wilt uitgeven aan een Indiaas bedrijf? Waarom doet u dat dan toch?
Het advies van de AMVI en Expertgroep zal samen met de JLoI openbaar worden gemaakt. De JLoI wordt daarna verder uitgewerkt naar een definitieve, bindende maatwerkafspraak (zie ook beantwoording vraag 12). Het advies van de AMVI en Expertgroep worden daarbij ook meegenomen.
Met de maatwerkafspraak wil de Staat groene, schone en circulaire staalproductie in de IJmond helpen realiseren. De aanvullende milieu en gezondheidsmaatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkafspraak zijn bovenwettelijk en deze milieu en gezondheidswinst is niet te behalen middels het reguliere VTH-stelsel.
In de brief van 10 april 2025 is uitgebreid ingegaan op de borging van gezondheid in de maatwerkafspraken. Hierin is dus voorzien.
Uiteraard is het uiteindelijk aan TSN om de milieu-impact van hun activiteiten te verminderen.
Bent u bekend met het feit dat volgens het technisch rapport Detailstudie Stikstofdepositie behorend bij het MER van Tata Steel2 (tabel 10.3) er zowel in de aanlegfase, de transitiefase, de operationele fase met aardgas als in de operationele fase met waterstof, sprake is van een toename van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Noord-Hollands Duinreservaat? Welke gevolgen heeft dit, ook in het licht van de Greenpeace-uitspraak?
Voor het antwoord op uw vraag over de Greenpeace-uitspraak verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen. Verder geldt dat de beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Klopt het dat dit betekent dat met de aanleg niet kan worden begonnen, totdat de stikstofdepositie op Natura 2000 daalt? Wanneer verwacht u dat dit het geval zal zijn? Zo nee, op welke juridische adviezen baseert u zich daan? Kunt u deze juridische adviezen meesturen?
Dit is aan bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Het proces van vergunningverlening moet nog doorlopen worden.
Bent u bekend met het feit dat volgens het technisch rapport Detailstudie Externe Veiligheid – QRA Heracless, behorend bij het MER van Tata Steel3, is aangegeven dat het gifwolkaandachtsgebied van Tata Steel, zowel in de bestaande als nieuwe situatie, zich uitstrekt over diverse gemeentes? Wat gaat u met die informatie doen en welke maatregelen gaat u treffen op korte termijn?
Zie de beantwoording van vraag 2. De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Klopt het dat in het MER geen absolute emissiecijfers zijn opgenomen voor de belangrijkste schadelijke stoffen, zoals fijnstof, stikstofoxiden en dioxines, maar slechts informatie over toe- of afname ten opzichte van het huidige niveau en acht u een MER zonder absolute emissiegegevens voldoende om de milieueffecten goed te beoordelen? Als dit klopt, hoe rijmt u dit dan met a) het advies van Commissie m.e.r dat er absolute emissiecijfers moeten zijn en b) de expertsessie GER waaruit bleek dat zonder goede cijfers over emissie, depositie en immissie geen GER mogelijk is? Heeft u de Expertgroep Gezondheid hiernaar laten kijken en wat adviseert de Expertgroep precies over de bruikbaarheid van het huidige MER?
Het klopt niet dat in het MER geen absolute emissiecijfers zijn opgenomen. Deze cijfers zijn terug te vinden in de detailstudie luchtkwaliteit.16 De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Voor de beoordeling van het MER vraagt het bevoegd gezag advies aan de Commissie mer.
De Commissie mer geeft, als onafhankelijke organisatie, deskundig advies over de inhoud van milieueffectrapporten.17 De Expertgroep Gezondheid IJmond heeft geen rol in de beoordeling van het MER.
Kent u de door Tata Steel eerder gecommuniceerde en beloofde reductiecijfers?4 Welke absolute uitstootcijfers horen bij de daarin genoemde percentages?
Ja die reductiecijfers ken ik, TSN heeft emissiereductiedoelen voor de emissies van TSN en de energiecentrales van Vattenfall gepresenteerd in de Groen Staal Brief.19Deze brief is begin 2024 ook met de Tweede Kamer gedeeld als bijlage van de kamerbrief van 9 januari 202420.
Het is aan het bedrijf om absolute uitstootcijfers te koppelen aan de eerder gecommuniceerde reductiecijfers. Tata Steel stelt naar aanleiding van deze vraag een memo op over de absolute uitstootcijfers. Deze memo zal door het bedrijf bij de publicatie van de gereviseerde MER worden gepubliceerd.
Hoe verklaart u het grote verschil tussen deze eerder door Tata Steel gecommuniceerde reductiecijfers voor NOx en fijnstof uit puntbronnen5, en de daadwerkelijke cijfers in het MER?
Het door Tata Steel ingediende MER bevat niet het volledige verduurzamingsplan zoals de scope beschreven in de brief van 10 januari 2024. Het MER bevat namelijk niet de bovenwettelijke milieu en gezondheidsmaatregelen die onderdeel zijn van de maatwerkonderhandelingen. Hierdoor zijn de verduurzamingsplannen en bijbehorende ingeschatte reductiecijfers zoals die door Tata Steel zijn ingediend in 2024 in het kader van de maatwerkafspraken in scope en waarde niet gelijk aan de milieueffecten zoals die door Tata Steel zijn onderzocht in het MER voor de vergunningverlening van het project Heracless-Groen Staal.
Het ingediende MER ligt op dit moment ter beoordeling van het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Hoeveel emissiereductie voor NOx en fijnstof uit puntbronnen is gerealiseerd (in absolute uitstootcijfers) en zal naar verwachting nog worden gerealiseerd met Roadmap Plus, volgens de meest recente cijfers van de omgevingsdienst?
Het is geen taak van de omgevingsdienst om te rapporteren over de effectiviteit van individuele emissiereducerende maatregelen die door Tata Steel worden genomen. De uitstootcijfers van het bedrijf zijn beschikbaar via het openbaar milieujaarverslag (e-MJV) van het bedrijf. Deze gegevens worden gecontroleerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Tata Steel publiceert zelf het verslag; ook via emissieregistratie.nl worden de gegevens toegankelijk gemaakt.
Acht u het aannemelijk (en op basis waarvan) dat Tata Steel niet wist dat deze cijfers niet klopten, gezien in het verleden Tata ook cijfers heeft gedeeld die misleidend waren of niet klopten (zie o.a. de uitspraak van Reclame Code Commissie, bevestigd door de omgevingsdienst) en welke consequenties verbindt u hieraan?
Zie ook het antwoord op vraag 19. Ik kan verder niet voor het bedrijf spreken.
Welke stappen onderneemt u om gegarandeerd te voorkomen dat bedrijven als Tata Steel misleidende informatie verspreiden over hun uitstoot en de verwachte effecten van verduurzamingsmaatregelen?
Bedrijven dienen jaarlijks hun emissiegegevens in bij het e-MJV. De gegevens in het e-MJV worden gecontroleerd door het bevoegd gezag. Ook het MER wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Daarbij laat zij zich laten adviseren door de Commissie mer. Er zijn daarnaast verschillende algemene organisaties die de toezicht houden op misleidende communicatie, zoals de Reclame Code Commissie.
Hoe wilt u, gelet op het feit dat Tata door de omgevingsdienst wordt gekwalificeerd als «calculerend en opportunistisch», een stap boven «crimineel», met dit bedrijf afspraken maken die worden nagekomen, waarbij u rekening houdt met de analyse van de Algemene Rekenkamer dat toezicht en handhaving tekortschieten? Welke waarborgen zitten er in de maatwerkafspraken, of welke waarborgen gaat u toevoegen, om ervoor te zorgen dat nauwkeurige onafhankelijke metingen, toezicht en handhaving op orde zijn?
De expertise van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) wordt benut bij de totstandkoming van eventuele maatwerkafspraken. Hiermee wordt geborgd dat de afspraken, voor zover relevant, ook uitvoerbaar zijn vanuit vergunningverlening-, toezicht- en handhavingsperspectief.
De maatwerkafspraken zullen bindend en afdwingbaar zijn. Dat betekent dat deze goed en onafhankelijk moeten kunnen worden gemeten en gecontroleerd. De invulling hiervan is afhankelijk van de vormgeving van de precieze afspraken. Op dit moment wordt over de beoogde afspraken en de borging daarvan onderhandeld. Vanwege de mogelijke koersgevoeligheid van de informatie kan ik daar op dit moment niet verder op ingaan.
Vindt u het ook onverstandig om afspraken te maken met bestuurders naar wie het Openbaar Ministerie (OM) strafrechtelijk onderzoek doet en met een bedrijf waar meerdere rechtszaken tegen lopen? Zo nee, waarom vindt u dit dan wel een verstandige keuze en hoe neemt u daar het risico voor de belastingbetaler in mee?
Vooropgesteld staat dat het bedrijf moet voldoen aan de geldige wet- en regelgeving, net als ieder ander bedrijf. Het Openbaar Ministerie is zelfstandig verantwoordelijk en bevoegd tot het doen van onderzoek naar vermeende strafrechtelijke overtredingen en het eventueel instellen van vervolging. De maatwerkafspraak ziet per definitie op bovenwettelijke milieumaatregelen. Dit zijn maatregelen die verder gaan dan wat via bestaande of voorgenomen wetgeving afgedwongen kan worden. Er wordt geen overheidssteun verleend aan maatregelen die met handhaving van bestaande regels kunnen worden afgedwongen. De maatwerkafspraken zullen bindend en afdwingbaar zijn.
De ontwikkelingen van dit strafrechtelijk onderzoek worden uiteraard gevolgd.
Ik wil echter niet nu al vooruitlopen op een mogelijke uitkomst van dit strafrechtelijk onderzoek. Uitstel of afstel van een maatwerkafspraak leidt er enkel toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via de maatwerkafspraak. Om die reden is er geen sprake van een risico maar heeft de belastingbetaler baat bij voorzetting van de gesprekken met Tata Steel om tot een maatwerkafspraak te komen.
Hoe bent u van plan om te gaan met een eventuele vervolging door het OM en wellicht veroordeling van Tata Steel-bestuurders?
Het Openbaar Ministerie handelt zelfstandig en gaat dus zelf over het doen van strafrechtelijk onderzoek en het eventuele besluit tot vervolging. Het past daarom ook niet in mijn rol als bewindspersoon om vooruit te lopen op een eventuele vervolging door het Openbaar Ministerie en de gevolgen daarvan.
Kunt u bevestigen dat de maatwerkafspraken alleen doorgang vinden als er harde, afdwingbare, concrete prestatieafspraken komen, volledig in lijn met alle adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond over het minimaliseren van gezondheidsschade en emissies van o.a. kankerverwekkende stoffen zoals PAK's (met concrete reductiedoelen), zoals door de Kamer geëist?
Het kabinet verwacht met de maatwerkafspraak voor 2030 een forse stap te zetten qua gezondheidswinst. Conform motie Olger-van Dijk is het doel om alleen overheidssteun aan Tata Steel te verlenen als er harde afdwingbare prestatieafspraken zijn gemaakt over het minimaliseren van gezondheidsschade en emissies. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de vragen van het Schriftelijk Overleg22, vinden op dit moment onderhandelingen plaats over de maatwerkafspraak met TSN in een vertrouwelijke setting. Gelet op de mogelijke koersgevoeligheid van (de uitkomsten van) deze onderhandelingen, wordt informatie over deze onderhandelingen op dit moment alleen vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld.
Zoals ook in eerdere correspondentie met de Tweede Kamer is aangegeven zal de motie Thijssen waar u impliciet in het tweede deel van uw vraag naar verwijst deels opgevolgd worden. De motie verzoekt de regering om het overnemen van de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond als harde voorwaarde in de onderhandelingen op te nemen en zodanig de gezondheid van de bevolking van de IJmond een volwaardige plaats te geven in de maatwerkafspraken. Zoals eerder aangegeven worden de adviezen van de Expertgroep zoveel mogelijk meegenomen in de onderhandelingen over de maatwerkafspraak. Het is echter niet mogelijk alle adviezen van de Expertgroep met behulp van de (beoogde) maatwerkafspraak met Tata Steel op te volgen. Het uitvoeren van alle adviezen behoeft meer maatregelen (dan alleen deze maatwerkafspraak), meer middelen en meer tijd. Zie ook de kabinetsreactie op het tweede advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond.23
Hoe gaat u, gelet op het feit dat de totale uitstoot – en daarmee de depositie – van NOₓ als gevolg van de cijfers in het MER minder hard zal dalen dan eerder door het PBL werd geraamd, zodat nog méér moet worden gedaan om aan het bevel van de rechtbank in de zaak van Greenpeace te voldoen, hiervoor concreet zorgdragen?
Voor het antwoord op uw vraag over de Greenpeace uitspraak verwijs ik u naar de aanbiedingsbrief bij deze Kamervragen. Verder geldt dat de beoordeling van het MER bij het bevoegd gezag ligt, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden. Ik wil hier daarom niet op vooruitlopen.
Kunt u bevestigen dat de verwachte CO₂-reductie van het Groen Staal-project maximaal 5 megaton per jaar bedraagt, maar dat de werkelijke uitstoot van Tata Steel de afgelopen jaren dusdanig lager lag dan eerder verondersteld, dat de feitelijke reductie dichter bij de 3,5 megaton ligt? Wat wordt de jaarlijkse CO₂-emissie, nadat HeraCless-Groen Staal is uitgevoerd en de hoogoven is gesloten?
In de Expression of Principles is afgesproken dat TSN de jaarlijkse CO2-uitstoot met 35–40% reduceert. Hierbij loopt de reductie op tot maximaal 5 megaton per jaar, gerekend ten opzichte van de bestaande maximale productievermogens van de fabrieken waarbij de uitstoot maximaal 12,6 megaton per jaar is. De uitstoot van maximaal 12,6 megaton per jaar vindt alleen plaats als de fabrieken op volle capaciteit draaien.
Een reductie van maximaal 40% betekent dat de fabrieken nog maximaal 7,6 megaton per jaar mogen uitstoten na de transitie. Deze maximale uitstoot kan in de praktijk lager uitvallen. In jaren waarin om operationele of economische redenen op een lagere productie wordt gedraaid, is de CO2-uitstoot lager. Wanneer na 2030 op lagere doorzet wordt geproduceerd zal dat dus ook betekenen dat de fabrieken van TSN minder dan 7,6 megaton per jaar uitstoten.
Wat is de verwachte chemische samenstelling van de EAF-slakken die vrijkomen bij het elektrisch smelten van staal, en hoe verhoudt deze zich tot de samenstelling van de huidige hoogovenslakken in termen van milieu en gezondheidsrisico’s (graag met bronvermelding)?
Dit heeft Tata Steel onderzocht in het MER, dat momenteel wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft Tata Steel eerder, in reactie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, geadviseerd om in het MER expliciet in te gaan op:
Ook het advies van de Commissie mer op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, dat het bevoegd gezag heeft overgenomen richting Tata Steel, schenkt veel aandacht aan de verwerking van staalslakken die ontstaan ten gevolge van het project Heracless-Groen Staal en is onderdeel van de beoordeling van het MER door het bevoegd gezag. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u bekend met het feit dat in het technisch rapport Detailstudie secundaire stromen en afval, behorend bij het MER van Tata Steel6, is aangegeven dat Tata Steel momenteel nog de mogelijkheden onderzoekt voor de nuttige toepassing van EAF-slakken, wat volgens Tata Steel vanwege het zinkgehalte niet intern gerecupereerd kan worden, maar extern verwerkt en gestort moet worden? Hoe beoordeelt u dit?
De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Waarop is het vertrouwen gebaseerd dat de EAF-slakken toegepast kunnen gaan worden als secundaire bouwstof, gelet op de huidige maatschappelijke zorgen, de aangenomen motie-Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) om in ieder geval tijdelijk te stoppen met het gebruik van staalslakken en de gebrekkige borging van milieuveiligheid bij bestaande toepassingen van staalslakken?
Met de huidige maatregelen die door de Rijksoverheid25en Provincie Noord-Holland zijn genomen om verdere milieurisico's ten gevolge van onjuiste toepassing van staalslakken te voorkomen, zijn er nog steeds mogelijkheden om staalslakken, indien veilig, toe te passen.
De verantwoordelijkheid voor de beoordeling of een materiaal een bijproduct is of een afvalstof ligt bij de houder van het materiaal. Deze beoordeling vindt van geval tot geval plaats op basis van de bijproductvoorwaarden uit de Wet milieubeheer, die overgenomen zijn uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen26.
Bedrijven moeten hun beoordeling altijd onderbouwen aan de hand van de geldende wet- en regelgeving onder toezicht van bevoegde autoriteiten. In Nederland is het bevoegd gezag voor het toezicht hierop gedecentraliseerd en bij de omgevingsdiensten belegd. Het is dus niet aan het ministerie om een beoordeling te maken van de beoordeling van toekomstige EAF-slakken.
TSN gaat bij de productie van EAF-slakken meer schroot gebruiken en volgt een ander proces. Daardoor zal de samenstelling niet gelijk zijn aan die van de huidige staalslakken. TSN kijkt hoe het verwerkingsproces van staalslakken verbeterd kan worden en het bedrijf zoekt naar nieuwe toepassingen voor de slakken, zodat het als reststof hergebruikt kan worden.
Deelt u de opvatting dat een nog niet bestaande of getoetste verwerkingsmethode geen geldige basis mag vormen voor een positief oordeel over de milieueffecten in een MER? Zo nee, op welke experts baseert u zich dan en is hierover advies gegeven door Expertgroep Gezondheid IJmond?
De beoordeling van het MER ligt bij het bevoegd gezag, de Provincie Noord-Holland. Dit proces moet nog doorlopen worden.
Bent u in het licht van bovenstaande constateringen – toename van schadelijke immissie, het ontbreken van emissiegegevens, onduidelijkheid over staalslakken, mogelijk overschatte CO₂-winst, juridische risico’s en misleidende communicatie – bereid om de onderhandelingen over de maatwerkafspraken te heroverwegen of ten minste aanvullende eisen te stellen, voordat verdere financiële steun aan Tata Steel wordt verstrekt met belastinggeld van Nederlandse burgers?
De onderhandelingen met het bedrijf over de maatwerkafspraken worden voortgezet. Zoals in vraag 24 is beschreven, leidt uitstel of afstel van een maatwerkafspraak er enkel toe dat de klimaatwinst, de verbetering van de leefomgeving en de daaruit volgende gezondheidswinst voor omwonenden niet of pas veel later optreedt. De snelste weg om deze doelen te kunnen behalen is via een maatwerkafspraak. Om die reden is er geen sprake van een risico maar heeft de belastingbetaler baat bij voorzetting van de gesprekken met Tata Steel om tot een maatwerkafspraak te komen.
De afspraken zijn bindend en moeten dus ook worden gehandhaafd. Daarvoor zal adequate monitoring worden ingericht en moet een handhavingsmechanisme worden ontwikkeld. Hierbij kan gedacht worden aan het (gedeeltelijk) terugvorderen of inhouden van de subsidie, als niet voldaan wordt aan de eisen.
Dit soort zaken worden uitwerkt in het kader van de maatwerkonderhandelingen. Gelet op de mogelijke koersgevoeligheid van (de uitkomsten van) deze onderhandelingen, wordt informatie over deze onderhandelingen op dit moment alleen vertrouwelijk met de Kamer gedeeld.
Bent u bekend met het persbericht van Tata Steel Nederland van 9 april jl. waarin wordt aangekondigd dat een op de vijf werknemers zijn of haar baan zal verliezen om het bedrijf toekomstbestendig te maken en dus ook om de groenstaalplannen mogelijk te maken? Wat vindt u van dit persbericht?
Ja, ik ben bekend met dit persbericht. In juli hebben de Minister van Klimaat en Groene Groei, de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het bedrijf bezocht. Aansluitend aan dit werkbezoek is ook gesproken met een vertegenwoordiging van werknemers over onder andere hun zorgen over de reorganisatie. Ik leef mee met de werknemers, die vaak al decennialang voor het bedrijf werken, en begrijp hun zorgen.
Tata Steel geeft aan dat de reorganisatie nodig is om de winstgevendheid van het bedrijf te herstellen en om de transitie naar schoon en groen staal te kunnen maken. Voor Tata Steel Nederland, het Indiase moederbedrijf Tata Steel Limited én de Nederlandse overheid is het van belang dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Het is aan het bedrijf om haar eigen bedrijfsvoering vorm te geven richting deze duurzame toekomst.
Vindt u het acceptabel dat dit bedrijf mogelijk miljarden aan subsidie gaat ontvangen en ondertussen een op de vijf werknemers ontslaat? Zo ja, waarom is dit voor u acceptabel? Zo nee, welke voorwaarden omtrent werkgelegenheid en inspraak bent u voornemens af te spreken bij de maatwerkafspraken?
Zoals ook bij vraag 34 aangegeven is het aan het bedrijf om haar eigen bedrijfsvoering vorm te geven richting een duurzame toekomst. Het is in het belang van zowel de Nederlandse overheid als het bedrijf dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft.
Het doel van de maatwerkafspraak is schone, groene en economisch levensvatbare staalproductie in de IJmond. Een belangrijke voorwaarde om via een maatwerkafspraak steun te kunnen verlenen is wel dat een bedrijf financieel gezond is. Er mag geen staatsteun worden gegeven om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De Nederlandse staat en ook de Europese Commissie toetst streng op deze voorwaarde. Daarmee wordt geborgd dat eventuele staatssteun daadwerkelijk gebruikt wordt voor verduurzaming en schonere productie en niet voor het overeind houden van een verlieslatend bedrijf.
TSN en de vakbonden hebben eerder al een overeenkomst gesloten in de vorm van het Sociaal Contract Groen Staal. Deze overeenkomst is van toepassing op werknemers van TSN wiens functie door de transitie op termijn wordt uitgefaseerd. Het doel is om werknemers van de fabrieken die op termijn zullen sluiten te behouden door het bieden van baangaranties en begeleiding richting nieuwe functies.
Onderschrijft u dat een belangrijke voorwaarde voor steun vanuit de overheid naast harde garanties voor gezondheid van omwonenden, commitment vanuit de directie voor goede, gezonde en groene werkgelegenheid zou moeten zijn?
Ja, dat onderschrijf ik. Allereerst is goed werkgeverschap in Nederland wettelijk geregeld27 en dus moet ook TSN zich hieraan houden. Steun vanuit de overheid ziet alleen op bovenwettelijke maatregelen die verder gaan dan waar wettelijk al aan voldaan moet worden.
Het is daarnaast primair aan werkgever en vakbonden om verdere afspraken te maken over goed werkgeverschap. Dit gaat bijvoorbeeld over het creëren van goede en gezonde werkomstandigheden. Voor medewerkers van TSN zijn er aanvullende collectieve regelingen ingesteld, zoals de cao en afspraken tussen werkgever en de ondernemingsraden.
Zou het, ondanks de recente uitwisselingen tussen het bedrijf, de medewerkers en vakbonden, die de plannen lijken te hebben afgezwakt, volgens u mogelijk zijn dat volgend jaar (of ergens de komende jaren) alsnog een op de vijf medewerkers ontslagen wordt? Vindt u dit acceptabel?
Ik vind het belangrijk dat het bedrijf een schone en duurzame toekomst heeft en een economisch levensvatbaar bedrijf wordt en blijft. Dat is een prioriteit voor zowel de Nederlandse staat als voor het bedrijf zelf. Het is aan het bedrijf om hier invulling aan te geven.
Bent u bereid om als voorwaarde te bedingen dat de medewerkers betrokken worden en een finale stem krijgen bij het eventueel herstructureren van het bedrijf? Bent u bereid om als voorwaarde te stellen dat kerntaken van het bedrijf niet uitbesteed gaan worden?
Het is de verantwoordelijkheid van het bedrijf zelf om hier invulling aan te geven. Het is de rol van de vakbonden en de ondernemingsraad om de medewerkers te vertegenwoordigen en de betrokkenheid te organiseren. Hierin ligt geen rol voor de Nederlandse staat.
Gaat u er met de maatwerkafspraken ook voor zorgen dat omwonenden en werknemers meer zeggenschap krijgen in het bedrijf? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier gaat u hiervoor zorgen?
Het is aan het bedrijf zelf om hier invulling aan te geven. Dit geldt ook voor het organiseren van inspraak van werknemers, eventueel via de werknemersvertegenwoordiging. De Wet op de Ondernemingsraden bevat voorschriften over het betrekken van de ondernemingsraden. Zowel vakbonden als de ondernemingsraad kunnen vanuit hun eigen rol de belangen van werknemers behartigen. Op dit specifieke punt ligt dus geen rol voor de Nederlandse staat.
Op grond het Verdrag van Aarhus en de Omgevingswet, moeten omwonenden mogelijkheden tot inspraak krijgen bij besluitvorming over milieuaangelegenheden. Dit is aan de betrokken overheidsinstantie.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en vóór het CD Verduurzaming Industrie dat begin september staat ingepland?
Het versturen van de beantwoording is helaas niet gelukt voor het CD Verduurzaming Industrie.
Het IPCC en weersextremen |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het correct dat op pagina 1585 van het laatste rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC)1 het volgende staat: «There is low confidence in most reported long-term (multi-decadal to centennial) trends in TC frequency- or intensity-based metrics due to changes in the technology used to collect the best-track data.»?
Ja.
Wat betekent deze bewering van het IPCC? Beweert het IPCC hier niet mee dat er «weinig vertrouwen» («low confidence») is dat de frequentie en intensiteit van orkanen zou zijn toegenomen? Zo nee, wat staat er volgens u dan wel?
Zoals door IPCC in de zin na de geciteerde tekst wordt aangegeven mag deze bevinding niet worden geïnterpreteerd als dat er geen trends in de fysieke waarnemingen zijn. Wel betekent het dat de kwaliteit en/of tijdsduur van de waarnemingen nog onvoldoende zijn om een robuuste trend vast te kunnen stellen, met name door de variabiliteit op multi-decadaletijdschaal. Om die reden is er nog «weinig vertrouwen» («low confidence») dat de frequentie en intensiteit van orkanen zou zijn toegenomen.
Is het correct dat op pagina 1569 van het laatste IPCC-rapport het volgende staat: «In summary there is low confidence in the human influence on the changes in high river flows on the global scale.»?
Ja.
Wat betekent deze bewering van het IPCC? Beweert het IPCC hier niet mee dat er «weinig vertrouwen» («low confidence») is dat veranderingen in overstromingen door mensen zouden worden veroorzaakt?
IPCC geeft aan dat extreme neerslagvoorvallen een belangrijke, maar niet de enige factor is die van invloed is op het optreden van overstromingen van rivieren. Het IPCC geeft ook aan dat er – voorafgaand aan het AR6 WG I rapport van 2021 – maar weinig studies waren die specifiek naar de attributie van langetermijnveranderingen in overstromingen hadden gekeken. Om die reden (het feit dat er maar weinig studies zijn) stelt het IPCC in het AR6-rapport dat er «weinig vertrouwen» («low confidence») is dat veranderingen in overstromingen door menselijke klimaatverandering zouden worden veroorzaakt. Sindsdien zijn daarover veel meer studies verschenen, die in het 7e IPCC assessment rapport zullen worden meegenomen2.
Bent u (nog steeds) van mening dat er meer weersextremen zijn en dat dit wordt veroorzaakt door mensen? Zo ja, kunnen we daaruit dan concluderen dat u het IPCC niet zo serieus neemt?
Ja en dat is geheel in lijn met wat IPCC stelt. Door IPCC is in haar AR6 WG 1 rapport al aangegeven dat door de mens veroorzaakte klimaatverandering een vaststaand feit is en door klimaatverandering extreem weer wereldwijd is toegenomen en bij voortgaande klimaatverandering zal blijven toenemen. Zoals verwoord in hetzelfde hoofdstuk 11 op pagina 1517:
«Het is een vaststaand feit dat door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen heeft geleid tot een verhoogde frequentie en/of intensiteit van bepaalde weers- en klimaatextremen sinds de pre-industriële tijd, met name wat betreft temperatuurextremen.»; en in de beleidssamenvatting onder A.3
«Door de mens veroorzaakte klimaatverandering heeft al invloed op veel weer- en klimaatextremen in elke regio ter wereld. Het bewijs van waargenomen veranderingen in extremen zoals hittegolven, hevige neerslag, droogtes en tropische cyclonen, en met name de toeschrijving ervan aan menselijke invloed, is sinds AR5 sterker geworden.»; en onder B2.2. «Met elke verdere toename van de opwarming van de aarde worden de veranderingen in extremen steeds groter.(…).»
Het Eindrapport Plastic Tafel |
|
Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Thierry Aartsen (VVD), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre tellen de maatregelen in het pakket op tot de kabinetsnorm van 30% circulaire plastics in 2030, conform de brief van Minister Hermans?1 2
In de kamerbrief van de Minister van Klimaat en Groene Groei is aangekondigd dat de eerder beoogde circulaireplasticnorm niet door zal gaan3. In het bij die brief gevoegde ontwerp-Meerjarenprogramma 2026 Klimaatfonds is bij de middelen die bestemd zijn voor de ondersteuning van circulaire plastics eveneens vermeld dat de norm niet doorgaat en dat de plastictafel wordt gevraagd met voorstellen te komen. Daarbij is vermeld dat het uitgangspunt tot 30% circulaire plastics in Nederland in 2030 blijft. Dit is dus geen norm maar een streven.
De alternatieve voorstellen die zijn gedaan aan de Plastictafel bevorderen een markt voor circulair plastic. Het is echter onzeker of de maatregelen zullen leiden tot de inzet van 30 procent circulair plastic in 2030. Het grootste deel van de maatregelen is gebaseerd op vrijwilligheid, ter uitvoering voor de sector en niet juridisch bindend. Het is daardoor niet met zekerheid te zeggen dat de beoogde effecten worden behaald. Daarnaast ontbreekt voor sommige maatregelen een kwantificering van de beoogde effecten. Om meer zekerheid te bieden voor de ontwikkeling van een markt voor circulair plastic bestudeert het Ministerie van IenW welke voorstellen uit het eindrapport van de Plastictafel kunnen worden overgenomen in beleid, bijvoorbeeld door middel van wetgeving, en zo bij te dragen aan het realiseren van de beleidsdoelen uit het Nationaal Programma Circulaire Economie4. Over de vervolgacties wordt u met Prinsjesdag nader geïnformeerd.
Kunt u aangeven hoeveel investeringen, patenten en capaciteit er verdwenen zijn door recente faillissementen op het gebied van chemische recycling en biobased productie en welke geplande investeringen uiteindelijk niet gerealiseerd werden? Welke regio’s worden daarbij specifiek geraakt?
Er is geen overzicht beschikbaar van het aantal investeringen, patenten en capaciteit van chemische recycling en biogebaseerde productie van plastics. Wel kan uit gesprekken met de sector worden afgeleid dat deze sectoren in Europa onder moeilijke marktomstandigheden opereren, de Kamer is hierover geïnformeerd op 9 april jl.5 Daarom zijn structurele maatregelen nodig om deze markten te ondersteunen. Nederland zet zich hier ook voor in, onder andere door het bepleiten van ambitieuze doelstellingen voor recyclaat en biogebaseerd plastic in Europese regelgeving.
Bent u in gesprek met banken en investeerders om na te gaan of deze met het normerende pakket aan maatregelen weer vertrouwen voelen in de rol van de overheid in de circulaire economie? Zo nee, bent u bereid dit te doen en hierover voor het commissiedebat circulaire economie te rapporteren aan de Tweede Kamer? Kunt u daarbij specifiek nagaan of circulaire bedrijven met deze maatregelen naar de bank kunnen, zodat er weer investeringen kunnen worden gedaan?
Via het Platform voor Duurzame Financiering ben ik in gesprek met de financiële sector over het bevorderen van circulaire verdienmodellen. Met de kopgroep circulair financieren werken overheid en financiële instellingen er aan om circulair investeren de norm te maken in 2030, dus ook voor circulair plastic. Over deze gesprekken wordt de Kamer nader geïnformeerd bij de actualisatie van het Nationaal Programma Circulaire Economie, dat naar verwachting dit jaar nog met de Kamer wordt gedeeld. Of de door de Plastictafel voorgestelde maatregelen bijdragen aan de investeringsbereidheid van financiële instellingen in specifieke bedrijven is op voorhand niet te zeggen en zal per casus verschillen.
Vrijblijvende afspraken in het Plastic Pact werden eerder niet nagekomen, in hoeverre is de hefboom binnen dit pakket van normerende maatregelen essentieel om te voldoen aan het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving)-advies voor «dwingende en dringende stappen»?
Het voorstel voor een circulaire hefboom geeft bruikbare aanknopingspunten voor het doorontwikkelen van circulair beleid. Tegelijkertijd is het belangrijk om zorgvuldig te kijken naar een passende vorm voor een hefboom. Het Ministerie van IenW bekijkt de komende tijd of, en zo ja op welke wijze, een circulaire hefboom kan worden vormgegeven. Daarbij is het belangrijk dat de maatregel substantieel bijdraagt aan circulariteit, goed uitvoerbaar is en dat de economische effecten ervan proportioneel zijn. Vrijwillige afspraken kunnen een transitie op gang helpen, maar voor een structurele beweging is vaak wet- en regelgeving nodig, zoals in het PBL-rapport wordt adviseert.6
Bent u bereid het hele pakket van normerende maatregelen integraal over te nemen om te recht te doen aan de volledige consensus aan tafel? Zo nee, waarom niet?
Het overnemen van het voorgestelde maatregelenpakket is een gedeelde opgave van bedrijven en overheden. Een deel van de maatregelen zijn acties die de sector zelf moet doen. Die juich ik toe, maar het is aan de sector om die afspraken na te komen. Het Ministerie van IenW gaat zich samen met het Rijk en medeoverheden inzetten voor meer afname van recyclaat en biogebaseerd plastic bij de overheidsinkoop. Daarnaast wordt naar de circulaire hefboom gekeken (zie vraag 4). Ook zal het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van KGG en de Staatssecretaris van Financiën wegen of de voorgestelde maatregelen robuust genoeg zijn om hier klimaatfondsmiddelen voor toe te kennen ter ondersteuning van de markt voor circulair plastic.
Het industriealarm wordt stevig geluid, gaan uw gedachten daarbij ook uit naar de gamechangers in de circulaire industrie? Zo ja, op welke manier wordt hier de komende tijd aandacht aan besteed?
Ja. Het kabinet vindt het belangrijk dat de verduurzaming van de plasticsector en de bijbehorende chemische industrie wordt versneld, inclusief de zogeheten circulaire gamechangers. Innovatieve bedrijven zijn cruciaal voor het succes van Circulaire Economie. Daarom zet het kabinet in op het verbeteren van de Europese markt voor circulaire plastics (recyclaat, biogebaseerd plastic en CCU) en stelt het kabinet subsidies beschikbaar voor de ontwikkeling en opschaling van bedrijven die een circulaire plasticketen mogelijk maken. Vanuit de Kamer is enkele malen op problemen van met name plasticrecyclingbedrijven gewezen. Momenteel werkt de Minister van KGG in het kader van de motie van het lid Koekkoek aan de uitwerking van een overbruggingskrediet. Met de sector wordt ook gekeken naar andere mogelijkheden om bedrijven perspectief te bieden. Een overzicht van bestaande subsidies voor circulair plastic is terug te vinden op het kennisplein plastics van RVO.7
Duitse windturbines aan de grens bij Noord-Brabant, Limburg en Gelderland |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u in beeld hoeveel Nederlandse huishoudens worden getroffen door dit probleem?1
De problematiek rondom de bouw van windturbines aan de grens met Duitsland is mij bekend. Omdat ik geen bevoegd gezag ben in dezen ken ik geen exacte cijfers over hoeveel huishoudens het betreft. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving ligt in beginsel bij de medeoverheden, in dit geval bij de provincies Gelderland en Limburg en de daar gelegen gemeenten.
Bent u het ermee eens dat de huidige gang van zaken, waarbij Nederlandse gemeentes tevergeefs hoge juridische kosten maken, onwenselijk is, en dat ingrijpen vanuit de rijksoverheid noodzakelijk is?
Om aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage. Zolang dit recht gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen bevoegdheden heeft. Het is aan de betrokken medeoverheden, in dit geval bij provincie Gelderland en Limburg, om indien er een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen. Eventuele kosten die daarmee gemoeid zijn zullen dus ook onder de verantwoordelijkheid van de medeoverheden.
Hoe beoordeelt u de impact van Duitse windturbines op Nederlandse natuurgebieden, infrastructuur (zoals de laagvliegroute van Defensie), en gezondheidsinstellingen (zoals kliniek Trajectum)?
De impact van Duitse windturbines op Nederlandse natuurgebieden, infrastructuur en gezondheidsinstellingen wordt door het betreffende Duitse bevoegde gezag beoordeeld voordat een vergunning voor een windpark wordt afgegeven. Voordat een vergunning wordt afgegeven moet zijn vastgesteld of er significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn waarbij ook de effecten op Nederlandse gebieden worden beoordeeld. Bij de beoordeling kan het Duitse bevoegde gezag afstemming zoeken, maar de bevoegdheid om te beslissen over de doorgang van een project is aan het Duitse bevoegde gezag: elk lidstaat is immers bevoegd te beslissen over de activiteiten op het eigen soevereine grondgebied. Wel hebben (aangrenzende) lidstaten de mogelijkheid tot inspraak en de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een dergelijk besluit. Naast de medeoverheden is er ook afstemming met Defensie.
Is er volgens u sprake van schending van Europese verdragen zoals het Verdrag van Espoo en het Verdrag van Aarhus? Zo ja, kunt u ons informeren over de stappen die u neemt hieromtrent?
Nee, dat kan niet in het algemeen worden gesteld. Duitsland en Nederland zijn gebonden aan de Europese richtlijnen over de projectmerplicht en de planmerplicht. Deze zijn omgezet in nationale regelgeving en bevatten de kaders voor mer-plicht bij wind op land. Het Verdrag van Espoo is alleen van toepassing als er volgens deze kaders sprake is van een plicht tot het uitvoeren van een milieueffectrapportage (mer) én er mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten zijn. Het Verdrag van Espoo biedt dan verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met een andere lidstaat over mogelijk aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten die in het milieueffectrapport worden beschreven.
Er is niet bij elke voorgenomen plaatsing van een windturbine sprake van een mer-plicht en in deze gevallen is het Verdrag van Espoo dan ook niet van toepassing. Of er sprake is van een mer-plicht kan alleen worden vastgesteld aan de hand van specifieke informatie over een plan of project.
In Nederland is sprake van een mer-plicht bij «Oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met 20 of meer windturbines» (categorie C2 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit). In Nederland geldt daarnaast een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer (kolom 3 van categorie C2).
Ook voor de inspraakverplichtingen uit het Verdrag van Aarhus geldt dat die alleen van toepassing zijn als het gaat om besluiten over activiteiten waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt of besluiten over activiteiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
Kunt u aangeven welke stappen u heeft gezet om het gebrek aan inspraak te verhelpen en (afstands)normen te harmoniseren?
Als er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten is inspraak gewaarborgd via internationale verdragen, zoals het Verdrag van Espoo en het Verdrag van Aarhus, die voorschrijven dat burgers en overheden in buurlanden de mogelijkheid moeten krijgen om zienswijzen in te dienen en in beroep te kunnen gaan bij de rechter. Voor wat betreft de afstandsnormen bestaat er op Europees niveau geen verplichting tot harmonisatie van dergelijke normen, eventuele verschillen zijn het gevolg van nationale beleidskeuzes.
Welke mogelijkheden ziet u aanvullend om op nationaal niveau tot afspraken te komen met Duitse overheden om Nederlandse lokale overheden en burgers hierin te ondersteunen?
De verantwoordelijkheid voor de fysieke leefomgeving ligt in beginsel bij de medeoverheden, in dit geval bij de provincies Gelderland en Limburg. Het Rijk treedt alleen op als dat nodig is vanwege een nationaal belang of internationale verplichtingen. Zoals hierboven al aangegeven, zijn in dit geval Duitse overheden verantwoordelijk voor de beleidskeuzes over locaties van windturbines en inspraakmogelijkheden. Mijn medewerkers blijven wel ten alle tijden in gesprek met de Duitse autoriteiten, onder andere via de Nederlands-Duitse Ruimtelijke Ordening Commissie (NDCRO) en andere bilaterale kanalen. Binnen die overleggen zetten we in op vroegtijdige informatie-uitwisseling en goede afstemming van wederzijdse plannen en procedures.
Welke mogelijkheden ziet u voor de Nederlandse regering om Nederlandse lokale overheden en burgers aanvullend te ondersteunen bij bezwaarprocedures tegen grensoverschrijdende projecten in Duitsland?
De besluitvorming over windprojecten in Duitsland valt onder de verantwoordelijkheid van de Duitse autoriteiten. Dit betekent dat bezwaar- en beroepsprocedures verlopen volgens het Duitse recht. Nederlandse burgers en maatschappelijke organisaties hebben de mogelijkheid om een beroep te doen op het Verdrag van Aarhus. Zoals onder vraag 4 toegelicht, is onvoldoende duidelijk of de Verdragen van Aarhus en Espoo van toepassing zijn, omdat dit afhangt van het specifieke plan of project. Hierdoor is er op dit moment geen aanleiding om vanuit het Ministerie van IenW contact te leggen met Duitse autoriteiten. Mijn ambtenaren blijven binnen de bestaande overlegstructuren in contact met de Duitse autoriteiten en hebben daar met elkaar transparantie, zorgvuldige inspraak en tijdige betrokkenheid van Nederlandse en Duitse belanghebbenden voorop staan.