De rechtelijke uitspraak dat X (Twitter) volledige inzage moet geven in persoonsgegevens |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 in de zaak tussen X (Twitter) en een individu om inzage te mogen krijgen in de gegevens die het bedrijf van hem bijhoudt?1
Wat is uw reactie op deze uitspraak en de gevolgen die het heeft voor de interpretatie van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), zowel nationaal als in Europees verband?
Bent u bereid om de Autoriteit Persoonsgegevens te vragen om een onafhankelijke analyse uit te voeren naar de gevolgen van de uitspraak voor de interpretatie, handhaving en uitoefening van het inzagerecht voor individuele gebruikers?
Bent u op de hoogte van meer (soortgelijke) rechtszaken die tegen grote techbedrijven als X (Twitter) lopen? Welke gevolgen heeft de uitspraak op deze lopende zaken?
Hoe wordt er op toegezien dat X (Twitter) de uitspraak van de rechter naar behoren uitvoert en (nagenoeg) volledige inzage geeft in de persoonsgegevens van de gebruiker, gezien het feit dat deze partij eerder al weigerde dit te doen?
Bent u op de hoogte dat X (Twitter) in deze zaak meermaals heeft geprobeerd om de andere partij een spreekverbod op te leggen? Erkent u dat deze handelingen vanuit een groot internationaal techbedrijf intimiderend is tegenover één individu?
Biedt de richtlijn tegen Strategic Lawsuit Against Public Participation (anti-SLAPP-richtlijn) genoeg bescherming tegen individuen die een zaak aanspannen richting grote internationale techbedrijven zoals X (Twitter)? Welke aanvullende maatregelen kunt u nemen om individuen die procederen tegen dit soort bedrijven te beschermen?
Bent u bekend met de afwijzing van een handhavingsverzoek van de betrokken individu bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM), mede omdat er al een civiele zaak loopt?2 Kunt u er in samenwerking met de ACM op toezien dat handhavingsverzoeken en civiele zaken elkaar in het vervolg niet meer uitsluiten?
Welke gevolgen heeft het als X (Twitter) niet voldoet aan deze uitspraak? Kan het bedrijf worden gesanctioneerd of alsnog tot openheid gedwongen worden?
Zijn de huidige boetemogelijkheden voor het niet naleven van de AVG volgens u voldoende effectief? Bent u bereid te onderzoeken of er aanvullende handhavingsmogelijkheden, zoals het persoonlijk aansprakelijk maken van bestuurders zoals in andere EU-landen,3 wenselijk zijn voor bedrijven die stelselmatig de wet niet naleven?
Erkent u dat, na deze historische uitspraak, elke gebruiker het recht heeft om (nagenoeg) volledige inzage te verkrijgen in de gegevens die X (Twitter) over hem of haar bijhoudt? Voor welke andere (soorten) bedrijven zet deze uitspraak een precedent?
Bent u het met de indieners eens dat de toegang tot het inzagerecht voor alle gebruikers toegankelijk moet zijn en uitgeoefend kan worden, ongeacht juridische kennis en middelen?
Hoe kan de rechtspositie van individuele gebruikers versterkt worden om zich met gemak te beroepen op het inzagerecht richting grote techbedrijven? Welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een eensgezinde uitleg van het inzagerecht van de AVG conform de rechtelijke uitspraak, en de Nederlandse interpretatie te erkennen als norm binnen alle EU-lidstaten?
Bent u het met de indieners eens dat grote techbedrijven zoals X (Twitter) zouden moeten meebetalen aan de handhaving van de wetgeving die zij overtreedt, zoals het geval is onder de Digital Services Act, maar nog niet het geval is onder de AVG?
Hoeveel belastinggeld betaalt X (Twitter) momenteel in Nederland?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De Panama Papers en de Nederlandse trustsector |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen in het FD van 3 april1 en 8 april2 jl. over de trustsector?
Ja, daar ben ik bekend mee.
Hoe beoordeelt u de wijze waarop in de media het functioneren en de maatschappelijke waarde van de Nederlandse trustsector wordt weergegeven?
Een sterke financiële sector is van groot belang voor onze open economie en voor het verdienvermogen van Nederland. Ik vind het belangrijk dat Nederland aantrekkelijk is voor internationale ondernemingen: vanwege onze sterke economische fundamenten, hoogwaardige en betrouwbare financiële infrastructuur, duidelijke en voorspelbare regels en goed toezicht. De trustsector kan daarbij een legitieme en ondersteunde functie vervullen voor internationale bedrijven die in Nederland actief willen zijn, zonder zich direct volwaardig te vestigen. Ik vind het belangrijk dat de sector goed in staat is om deze rol te vullen en haar rol als poortwachter effectief vervult.
Tegelijkertijd moeten we oog houden voor de risico’s die met trustdienstverlening gepaard gaan. In het verleden zijn er signalen geweest, waaronder de Panama Papers, voor misbruik van trustdienstverlening om geldstromen te verhullen, belasting te ontwijken, dan wel belastingfraude te plegen. Ook de Nationale Risicoanalyse (NRA) Witwassen uit 2019 en de meeste recente versie uit 2023 onderstrepen de witwasrisico’s die samenhangen met trustdienstverlening.3 Dat vraagt om een zorgvuldige balans tussen het beperken van risico’s en het behouden van een aantrekkelijk klimaat voor bonafide internationale ondernemingen.
De afgelopen jaren is er veel nationale en internationale wet- en regelgeving gekomen die relevant is voor de trustsector, zowel op fiscaal terrein als op integriteitsterrein. Daarnaast zijn meerdere onderzoeken gedaan naar de risico’s en toekomst van de trustsector, met verschillende maatregelen als gevolg.4 In 2018 is de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018) ingevoerd en is de oude Wet toezicht trustkantoren ingetrokken. De invoering van de Wtt 2018 volgde mede uit signalen van DNB in de periode van 2012 en 2025 dat trustkantoren de regelgeving onvoldoende naleefden en integriteitsrisico’s onvoldoende mitigeerden. Ook maatschappelijke en politieke aandacht naar aanleiding van de Panama Papers en het onderzoek van de parlementaire ondervragingscommissie Fiscale constructies, vormden aanleiding voor verdere regulering van trustdienstverlening.5 Verder is de Wtt 2018 aangescherpt om bepaalde onwenselijke dienstverlening te verbieden. In diezelfde periode zijn er fiscale maatregelen genomen om belastingontwijking tegen te gaan. Op dit laatste ga ik in de beantwoording van vraag 20 en 21 verder in. Uit gesprekken met de Nederlandse toezichthouder op trustkantoren, De Nederlandsche Bank (DNB), volgt dat dit tot verbeteringen heeft gezorgd in de professionalisering en de integriteit van de sector. Zo is de basis van de door trustkantoren genomen risicobeheersmaatregelen vaker op orde. Tegelijkertijd ziet DNB nog ruimte voor verbetering, bijvoorbeeld omdat er verschillen zijn in diepgang en kwaliteit van cliëntenonderzoek.6
Deelt u de opvatting dat het sterk afgenomen aantal trustkantoren (circa 80%) en doelvennootschappen (circa 50%) niet uitsluitend als een morele overwinning moet worden gepresenteerd, maar ook economische consequenties heeft?
Allereerst is het belangrijk om te benoemen dat ik de genoemde cijfers niet kan plaatsen. Het aantal trustkantoren is tussen 2010 en 2026 van 309 naar 106 afgenomen wat een reductie van circa 65% betekent.7 Het aantal doelvennootschappen is in de afgelopen 5 jaar met 31% afgenomen. Sinds 2013 is het aantal doelvennootschappen aan het afnemen.8
Het is lastig om in te schatten wat de economische consequenties zijn van deze afname van het aantal kantoren. Indien er enige economische consequenties zijn van een afname binnen de trustsector ten gevolge van fiscale en integriteitswetgeving dient dit ook afgezet te worden tegen de economische consequenties van belastingontwijking en witwassen. Zo heeft de Rijksoverheid inmiddels 33 miljoen teruggevorderd naar aanleiding van de Panama Papers.9 De in vraag 2 genoemde maatregelen die zijn getroffen hebben tot positieve resultaten geleid. Zo zijn de inkomensstromen naar laagbelastende jurisdicties structureel lager.10 Daarnaast zijn, zoals eerder benoemd, de risicobeheersmaatregelen van trustkantoren ook verbeterd. Een schoon en betrouwbare financiële sector is belangrijk voor stabiele economische groei.
Kunt u uiteenzetten welke rol de trustsector speelt in:
De aard en omvang van de Nederlandse trustsector is eerder onderzocht in het rapport Toekomst van de trustsector van juli 2022.11 Hieruit bleek dat de trustsector naar schatting 1.750 banen opbrengst en 50 miljoen aan belastinginkomsten oplevert. In het rapport geeft SEO aan dat de sector bijdraagt aan een laagdrempelig vestigingsklimaat door een springplank te bieden voor bedrijven die in Nederland willen vestigen zonder direct een volwaardige zelfstandige onderneming te kunnen of willen oprichten. De sector faciliteert daarnaast internationale investeringsstromen door trustdienstverlening te verlenen aan internationale bedrijven met operationele structuren en daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten in Nederland. De trustsector vervult tevens een rol als poortwachter bij de naleving van regelgeving gericht op het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering, evenals bij de naleving van sanctieregelgeving en (inter)nationale fiscale regels.
Ontwikkelingen in Europese en nationale fiscale en integriteitsregelgeving kunnen van invloed zijn op de mate waarin door internationale bedrijven gebruik maken van dienstverlening in Nederland. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daarbij Nederland als mogelijk vestigingsland overwegen. Voor dat laatste geldt overigens dat fiscale en integriteitsregelgeving niet de enige relevante factoren zijn.
Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoeksrapport «De toekomst van de trustsector» dat de eisen ten aanzien van transparantie en integriteit juist bijdragen aan de aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland voor internationale partijen die hier waarde aan hechten. In dat kader vraagt het kabinet ook aandacht voor de recente publicatie van DNB waaruit blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is. 12 Uit de publicatie van DNB blijkt verder dat het aantal trustkantoren, met name die gerelateerd waren aan laagbelaste jurisdicties, halveerde sinds 2017 van circa 200 naar iets meer dan 100 in 2025. In dat verband refereert DNB ook aan de fiscale maatregelen die tegen belastingontwijking zijn genomen. Op basis van de «Monitoringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking» volgt dat deze maatregelen effectief zijn.
Zo geldt er sinds 1 januari 2021 in Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben. De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. In de genoemde monitoringsbrief is beschreven dat de bronbelasting zeer effectief blijft in de bestrijding van rente- en royaltystromen naar laagbelastende jurisdicties. De cijfers bevestigen namelijk een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.
In hoeverre acht u het risico aanwezig dat negatieve beeldvorming en beleidsaanscherpingen ertoe leiden dat internationaal opererende bedrijven Nederland vermijden of verlaten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u het functioneren van De Nederlandsche Bank als toezichthouder op de trustsector?
De Nederlandsche Bank (DNB) houdt als zelfstandig bestuursorgaan risicogebaseerd toezicht op trustkantoren ingevolge de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018). Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan het toezicht door DNB op trustkantoren of een negatief beeld te hebben van het functioneren van DNB als toezichthouder. Ik word jaarlijks geïnformeerd door DNB met de zbo-verantwoording en neem ook kennis van het jaarlijkse rapport Integriteitstoezicht in beeld.13 Daarnaast spreekt mijn ministerie met DNB over het toezicht op trustkantoren.
Op dit moment wordt de doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de zbo-taken door DNB geëvalueerd. Ik verwijs hiervoor naar de uitkomsten van deze evaluatie en mijn reactie hierop, die naar verwachting rond de zomer worden gepubliceerd.
Herkent u signalen uit de sector dat er sprake zou zijn van een disproportioneel strikte of zelfs vijandige toezichtshouding?
Deze signalen herken ik niet.
In de rapportage Integriteitstoezicht in beeld 2026 geeft DNB aan de dialoog met de sector meer op te zoeken. Ik herken dit beeld, omdat de branchevereniging van trustkantoren Holland Questor, in de reguliere gesprekken die mijn ministerie met hen voert, heeft aangegeven dat de relatie met DNB wat hen betreft verbeterd is ten opzichte van een aantal jaren geleden. Daarnaast zijn in november 2025 de Good Practices Wtt 2018 gepubliceerd14, die in samenspraak met de sector en na openbare consultatie tot stand zijn gekomen en praktische handvatten bieden voor de naleving van de Wtt 2018.15 Ik ben daarom van mening dat het contact tussen DNB en de sector proportioneel en professioneel is.
Zoals eerder gesteld is DNB onafhankelijk in de uitvoering van haar toezichttaken. Het uitgangspunt is dat toezicht risicogebaseerd plaatsvindt, zodat effectief wordt opgetreden waar de risico’s het grootst zijn. DNB zet de beschikbare toezichtcapaciteit daar in waar de integriteitsrisico’s het grootst zijn. De intensiteit van het toezicht neemt toe naarmate het materialiseren van risico’s grotere consequenties heeft voor het vertrouwen in de sector.16
De Wtt 2018 stelt wel meer eisen aan het cliëntonderzoek door trustkantoren. Deze eisen zijn noodzakelijk om de inherente risico’s van trustdienstverlening–zoals complexiteit en ondoorzichtigheid en de daarmee samenhangende gevoeligheid voor witwassen, verhulling van eigendom en zeggenschap, en belastingontwijking of -ontduiking–adequaat te mitigeren. Die maatregelen zijn wat mij betreft nodig om ervoor te zorgen dat de trustsector integer is. De hogere risico’s aan trustdienstverlening blijken onder meer uit de NRA Witwassen 202317 en de antiwitwasverordening18 waarin bepaalde aspecten gerelateerd aan trustdiensten verbonden worden met verhoogd risico’s.
Indien deze maatregelen er niet zijn, is de kans op witwassen groter, omdat het trustkantoor onvoldoende inzicht heeft in de vaak complexere structuur. De bovengenoemde maatregelen moeten partijen die gebruik zouden willen maken van het Nederlandse stelsel om bijvoorbeeld belastingfraude te plegen ontmoedigen. Uiteraard dient er een balans te zijn tussen de lasten voor trustkantoren en de effectiviteit van de maatregelen. Ik vind het, zoals eerder aangegeven, logisch dat trustdienstverlening, met de juiste maatregelen, kan plaatsvinden in Nederland om bijvoorbeeld internationale bedrijven die hier actief willen zijn de kans hiervoor te geven.
Met de inwerkingtreding van het nieuwe antiwitwaspakket van de Europese Commissie (AML-pakket) zal het verplicht toepassen van verscherpt cliëntenonderzoeksmaatregelen verplicht blijven voor de trustkantoren. Wel komt er meer ruimte voor een risicogebaseerde toepassing. Dit leidt in de praktijk tot lastenvermindering omdat het trustkantoor meer ruimte heeft om de risicogebaseerde benadering zelf in te vullen.
Hoe waarborgt u dat toezicht effectief is zonder het legitieme functioneren van de sector onnodig te belemmeren?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is naar uw inschatting de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland?
Het is voor mij niet mogelijk om een betrouwbare inschatting te geven van de omvang van illegale trustdienstverlening in Nederland. In integriteitstoezicht in beeld meldt DNB dat zij 44 signalen van trustdienstverlening zonder vergunning ontving in 2025, ten opzichte van 37 in 2024.19 Dit betreffen met name signalen die betrekking hebben op het «opknippen» van trustdienstverlening. Opknippen verwijst naar situaties waarbij een dienstverlener bepaalde diensten onderbrengt bij aparte aanbieders en zo onder de verplichtingen van de Wtt 2018 uit probeert te komen. Het opknippen van trustdienstverlening is niet toegestaan en DNB kan hierop handhaven.
Wanneer DNB een signaal ontvangt over mogelijke illegale trustdienstverlening beoordeelt zij eerst of het aannemelijk is dat sprake is van een overtreding. Indien dat het geval is, spreekt DNB de betreffende partij in beginsel eerst schriftelijk aan. In een groot deel van de gevallen leidt dit ertoe dat de overtreding wordt beëindigd zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig zijn. Indien DNB constateert dat de overtreding voortduurt of dermate ernstig is wordt een formeel handhavingstraject ingezet. Dit kan leiden tot bestuurlijke maatregelen, zoals het opleggen van een boete. In een uiterst geval kan door het Openbaar Ministerie vervolging worden ingesteld.
In 2024 ging DNB over tot 1 handhavingsmaatregel tegen illegale trustdienstverlening en in 2025 2 handhavingsmaatregelen.20 Het merendeel van de overige signalen is gesloten, onder andere doordat (1) er geen sprake bleek van illegale trustdienstverlening (bij circa 50% van de meldingen was dat het geval); (2) de overtreding, zonder dat verdere handhavingsmaatregelen nodig waren, is beëindigd; en daarnaast (3) komt het regelmatig voor dat DNB meerdere signalen krijgt die op dezelfde dienstverlener betrekking hebben (dubbele meldingen).
DNB heeft binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC) verband21 in 2026 een onderzoek afgerond naar het opknippen van trustdienstverlening.22 De uitkomsten daarvan bieden naar verwachting meer inzicht zodat signalen in de praktijk beter kunnen worden herkend en opgevolgd. Dit kan leiden tot meer handhavingstrajecten.
Erkent en herkent u signalen dat illegale trustdienstverlening toeneemt?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn naar uw mening de belangrijkste oorzaken van deze ontwikkeling, mede in relatie tot aangescherpte regelgeving zoals de Wtt 2018?
De Wtt 2018 heeft onder andere als doel om trustdienstverlening mogelijk te maken, maar met maatregelen om eventuele risico’s te beperken. De partijen die hun vergunning inleveren zijn in sommige gevallen partijen die het waarschijnlijk eerder ook al het minder nauw namen met de wet en nu tegen de lamp aanlopen. DNB geeft daarnaast aan dat de trustkantoren die deze partijen overnemen, achterblijven in het cliëntenonderzoek. Trustkantoren dienen diepgravender cliëntenonderzoek te doen vanwege de inherente hogere risico’s, daarnaast is bepaalde dienstverlening verboden. Dit kan inderdaad extra lasten met zich meebrengen voor het trustkantoor, en de klant. Trustkantoren leveren dan hun vergunning in en gaan illegaal te werk en de klanten gaan hierin mee. Dit zijn precies de partijen die we niet in ons stelsel willen hebben.
Wordt illegale trustdienstverlening naar uw oordeel voldoende bestreden? Zo nee, waar ziet u ruimte voor verbetering?
De aanpak van illegale trustdienstverlening vraagt om een gecombineerde inzet op zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gebied. Deze inzet wordt onder andere besproken in het samenwerkingsverband FEC, waar verschillende autoriteiten binnen de financiële sector samenwerken aan onder andere projecten die specifiek zijn gericht op de aanpak van illegale trustdienstverlening.
DNB handhaaft illegale trustdienstverlening bestuursrechtelijk. DNB is als zelfstandig bestuursorgaan onafhankelijk in de uitvoering van de taken die de wet haar opdraagt. Dat betekent dat zij zelf beslist over de uitvoering van haar taken. Ik vind illegale trustdienstverlening en daarmee het opknippen van trustdienstverlening onwenselijk. Om die reden wordt de boetecategorie voor het opknippen van trustdienstverlening verhoogd van een boetecategorie 2 naar een boetecategorie 3.23 Dit betekent dat de afschrikwekkende werking hiervan hoger is geworden, omdat het maximale boetebedrag dat DNB kan opleggen hoger is geworden.
Overigens is het ook zo dat er risico’s zijn die gepaard gaan met domicilieverlening: het verlenen van een postadres. In de volksmond worden bedrijven die gebruik maken van domicilieverleners ook wel brievenbusfirma’s genoemd. Partijen die een postadres aanbieden met beperkte secretariële werkzaamheden vallen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en niet onder de Wtt 2018. Zij worden ook in verband gebracht met illegale trustdienstverlening, omdat zij soms een rol hebben bij het opknippen van trustdienstverlening. De risico’s omtrent domicilieverlening zijn onder andere in de Amerfoortse villa zaak tot uiting gekomen, waar sprake was van fraude met postadressen.24 Om die reden heeft Nederland zich hard gemaakt om in het nieuwe Europese AML-pakket een registratieplicht voor domicilieverleners te introduceren, zodat er beter grip is op de partijen die een postadres aanbieden. Het AML-pakket is vanaf medio 2027 van kracht en dan geldt ook die verplichting. Bestuursrechtelijk kan dan beter opgetreden worden. Overigens dienen domicilieverleners nu ingevolge de Wwft al aan cliëntenonderzoek te doen en ongebruikelijke transacties te melden.
De strafrechtelijke handhaving van illegale trustdienstverlening geschiedt door de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) en het Openbaar Ministerie, in samenspraak met de toezichthouder.25 Het OM is onafhankelijk en bepaalt wanneer zij over gaat tot strafrechtelijke vervolging.
Hoeveel signalen over mogelijke illegale trustdienstverlening worden jaarlijks afgegeven en in hoeverre worden deze opgevolgd?
Zie antwoord vraag 9.
Klopt het dat overwogen is om intensiever op te treden tegen illegale dienstverlening, maar dat hiervan is afgezien vanwege kostenoverwegingen? Zo ja, wat is uw oordeel daarover?
Zie antwoord vraag 12.
Wanneer wordt de evaluatie van de Wet toezicht trustkantoren 2018 afgerond?
Mijn voornemen is om de resultaten van de evaluatie evenals mijn reactie hierop voor de zomer naar de Kamer te zenden.
Indien blijkt dat strengere regelgeving leidt tot een verschuiving naar illegale dienstverlening, bent u bereid in overleg te treden met de sector om deze onbedoelde effecten te mitigeren?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe groot acht u de risico’s op witwassen en terrorismefinanciering bij illegale trustdienstverlening?
Zowel legale als illegale trustdienstverlening levert risico’s op witwassen en terrorismefinanciering op. De Wtt 2018 heeft een breder doel dan alleen het tegengaan van witwassen en terrorismefinanciering en adresseert ook andere integriteitsrisico’s, zoals belastingontwijking en belastingfraude. Met de Wtt 2018 worden de genoemde risico’s gemitigeerd. Dat geldt niet of in mindere mate voor illegale trustdienstverlening, waarbij partijen zich onttrekken aan de verplichtingen uit de Wtt 2018. In de meest recente NRA Witwassen26 komt naar voren dat het opknippen van trustdienstverlening een van de 18 grootste witwasdreiging is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar risicovolle adressen (motie Van Nispen3)?
De Staatssecretaris van Financiën zal u in de volgende stand- van-zakenbrief belastingdienst informeren over de uitkomsten.
Klopt het dat er een pilot loopt in Noord-Holland en wat zijn de eerste bevindingen?
Van 1 maart 2024 tot 1 maart 2025 liep er een pilot om de meerwaarde van de samenwerking tussen De Nederlandsche Bank (DNB) en het RIEC Amsterdam-Amstelland te verkennen. De pilot zag op de bredere samenwerking, waar trustdienstverlening een onderdeel vanuit maakte. Er is op fenomeenniveau kennis uitgewisseld waardoor RIEC Amsterdam-Amstelland een beter inzicht heeft verkregen in trustdienstverlening, de werkwijze van trustdienstverleners en de interventiemogelijkheden ten aanzien van (illegale) trustdienstverleners. Hierdoor is een wederzijds leerproces tot stand gekomen, dat als zeer waardevol wordt gezien.
Hoe weegt u de rol van de trustsector in het licht van internationale ontwikkelingen zoals BEPS, ATAD en de wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2)?
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Op basis van de cijfers volgt dat deze maatregelen effectief zijn. Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Hierin zijn landen opgenomen die (i) zijn opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden of (ii) geen winstbelasting dan wel een winstbelasting met een statutair tarief van minder dan 9% hebben.
De bronbelasting is per 1 januari 2024 uitgebreid in die zin dat dividenden eveneens onder de reikwijdte van de conditionele bronbelasting zijn gebracht. Er blijkt een aanzienlijke daling van inkomstenstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 6,5 miljard in 2024.28 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruikmaken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten – en het vervolg op de BEPS-rapporten – is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen.
Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde informeel-kapitaalstructuren). Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal krijgt Nederland daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Uit een recente publicatie van DNB blijkt dat het aantal financiële holdings van multinationals in ongeveer tien jaar tijd bijna gehalveerd is.29 In dat verband refereert DNB ook aan de hiervoor genoemde conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen en dividenduitkeringen en de wereldwijde minimumbelasting.
Deelt u de analyse dat door deze internationale maatregelen de mogelijkheden voor belastingontwijking via Nederland sterk zijn beperkt?
Zie antwoord vraag 20.
Hoe voorkomt u dat aanvullende nationale maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat verder onder druk zetten?
In mijn Visie op de financiële sector 2025 geef ik aan dat duidelijke en voorspelbare wet- en regelgeving de sleutel is voor een sterk vestigingsklimaat. Dat betekent dat wet- en regelgeving in Nederland zoveel mogelijk overeen moet komen met wet- en regelgeving in andere Europese landen. Door te zorgen voor duidelijke, voorspelbare en proportionele wet- en regelgeving, houden we Nederland aantrekkelijk voor bonafide internationaal opererende bedrijven. Waar Europese regelgeving ruimte laat voor nationale keuzes, worden deze zorgvuldig gewogen.
Nieuwe Europese wet- en regelgeving wordt zo lastenluw mogelijk geïmplementeerd. Het recente anti-witwaspakket (AML-pakket) is daarvan een concreet voorbeeld en draagt bij aan de verdere harmonisatie van de anti-witwasregels binnen Europa. Daarbij heb ik ook aandacht voor de kosten van toezicht en moeten regels uitvoerbaar en betaalbaar blijven voor zowel (financiële) instellingen als burgers en bedrijven. In dat kader loopt momenteel een internationale vergelijking naar de kosten van het financieel toezicht voor kleine en mobiele ondernemingen, waarvan de resultaten naar verwachting in de tweede helft van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om Nederland aantrekkelijk te houden voor internationaal opererende bedrijven, mede gezien de geopolitieke en economische ontwikkelingen?
Zie antwoord vraag 22.
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De uitkomsten van de Hongaarse parlementsverkiezingen |
|
Felix Klos (D66), Joost Sneller (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Rob Jetten (D66), David van Weel (VVD), Berendsen |
|
|
|
|
Wat gaat u doen om het nieuwste sanctiepakket tegen Rusland, dat door Hongarije tot op heden werd geblokkeerd, zo spoedig mogelijk aangenomen te krijgen?
De Unie bereikte op 23 april jl. een akkoord over het twintigste sanctiepakket. Uw Kamer is hierover geïnformeerd in het verslag van de informele Europese Raad van 23 en 24 april jl.1 De inspanningen van het kabinet zijn er nu op gericht de druk op Rusland nog verder te verhogen met aanvullende sancties. Het kabinet heeft het belang hiervan ook benadrukt in contacten met de inkomende Hongaarse regering.
Wat gaat u doen om de circa € 90 miljard aan Europese steun voor Oekraïne, die tot op heden door Hongarije werd geblokkeerd, zo snel mogelijk op Europees niveau goedgekeurd te krijgen?
Op 23 april jl. bereikte de Raad akkoord op de benodigde amendering van de MFK-verordening. Hiermee is niet langer sprake van een blokkade. Op dit moment werken de deelnemende EU-lidstaten aan de verdere implementatie van de steunlening.
Wat gaat u doen om het toetredingsproces van Oekraïne, inclusief het openen van de onderhandelingsclusters die door Hongarije werden geblokkeerd, zo spoedig mogelijk te laten hervatten?
Beoogd premier Magyar heeft aangegeven dat kandidaat-lidstaten moeten kunnen toetreden tot de EU als ze daar klaar voor zijn. Dat is een belangrijk signaal. Het kabinet hoopt op een constructieve houding van Hongarije in het op merites gebaseerde toetredingstraject van Oekraïne. Het openen van Cluster 1 vormt hierin de eerstvolgende stap. Het kabinet roept hier ook toe op en zal deze boodschap ook bilateraal onder de aandacht brengen van de nieuwe Hongaarse regering. Naar verwachting zal discussie hierover plaatsvinden in Brussel in aanloop naar de Europese Raad op 18-19 juni a.s.
Aan welke voorwaarden moet Hongarije volgens het kabinet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de eerder bevroren Europese middelen? Welke resultaten moeten er worden geboekt? En hoe voorkomt het kabinet dat de Commissie bevroren tegoeden uitkeert voordat het een transparante evaluatie heeft uitgevoerd van bereikte mijlpalen?
De voorwaarden waaraan Hongarije moet voldoen om weer in aanmerking te komen voor de geblokkeerde EU-middelen liggen op het terrein van anti-corruptie, belangenverstrengeling en rechterlijke onafhankelijkheid en zijn opgenomen als supermijlpalen in het RRF-uitvoeringsbesluit, als corrigerende maatregelen in het uitvoeringsbesluit voor maatregelen tegen Hongarije op grond van de MFK-rechtsstaatsverordening, en als horizontale en thematische randvoorwaarden in de Common Provisions Regulation.2 In lijn met de moties van Lanschot c.s. en Sjoerdsma c.s. pleit het kabinet er voor dat Hongarije deze hervormingen doorvoert voordat de geblokkeerde EU-middelen worden vrijgegeven.3
Overwegende dat er hoop is dat de afbrokkelende rechtsstaat in Hongarije door een nieuwe regering wordt hersteld, welke mogelijkheden ziet u om kennis en ervaring te delen, dan wel op andere wijze Hongarije te ondersteunen bij het herstellen van de rechtsstaat?
Het kabinet zal de nieuwe regering waar mogelijk bij deze hervormingen helpen, afhankelijk van de behoefte, bijvoorbeeld via het delen van kennis en expertise of ondersteuning van het maatschappelijk middenveld. Dit aanbod is in de eerste contacten met de beoogd Minister van Buitenlandse Zaken Anita Orbán al overgebracht.
Zijn er concrete mogelijkheden voor de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie en Veiligheid om in de vorm van expertise bij te dragen aan dit proces? Bent u bereid om op Europees niveau een voortrekkersrol te spelen bij het ondersteunen van het herstel van de Hongaarse rechtsstaat?
Ja. Nederland is bereid om, op verzoek en binnen EU-kader, expertise beschikbaar te stellen ter ondersteuning van rechtsstaathervormingen in Hongarije. Daarbij kan worden voortgebouwd op de wijze waarop eerder in EU-verband dialoog en uitwisseling met Polen hebben plaatsgevonden, onder meer via het delen van best practices en peer-to-peer samenwerking. Ondersteuning zou plaatsvinden in nauwe afstemming met Hongarije, de Europese Commissie en andere lidstaten.
Welke mogelijkheden ziet u om met een nieuwe Hongaarse regering stappen te zetten in de opvolging van de motie-Klos, die oproept tot het afschaffen van veto’s in het gemeenschappelijk buitenland- en defensiebeleid van de Europese Unie?
In lijn met motie Klos zet het kabinet zich in voor het afschaffen van veto’s in het Gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid (GBVB) van de Europese Unie. Dit is belangrijk voor de slagvaardigheid van de EU. Nederland maakt zich hier hard voor in EU verband. Het is nog onduidelijk wat de opstelling van de inkomende Hongaarse regering zal zijn op dit onderwerp. Verschillende lidstaten hebben echter principiële bezwaren tegen het afschaffen van veto’s, waardoor de inzet op het afschaffen van veto’s in het GBVB een kwestie van lange adem zal blijven. Nederland is nu eerst in gesprek met andere lidstaten over hoe we het beste dit doel kunnen bereiken. Daarbij is het ook van belang om dit onderwerp te zien in de bredere discussie over hoe effectiviteit van het EU-buitenlandbeleid kan worden vergroot.
Welke mogelijkheden ziet u om op andere dossiers doorbraken te realiseren na het aantreden van een pro-Europese regering in Hongarije?
Cf. motie Van Lanschot c.s.4 zal het kabinet zich er bij de Commissie voor inzetten dat Hongarije de rechtsstaat herstelt, zich opnieuw in lijn brengt met gedeelde waarden en het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zoals steun aan Oekraïne en sancties tegen Rusland, en de hervormingen doorvoert om te voldoen aan de voorwaarden voor Europese financiering. Beoogd premier Maygar heeft in zijn overwinningsspeech benadrukt een sterke bondgenoot voor de EU en NAVO te willen zijn. Op basis van eerste mediaoptredens van Magyar en de eerste contacten, is het kabinet hoopvol over een constructieve koers van Hongarije binnen de EU. Het kabinet kijkt uit naar samenwerking met de nieuwe regering.
In dat kader wordt ook gewerkt aan spoedige bilaterale contacten. Zo wordt gestreefd naar een ontmoeting met de beoogd Hongaarse Minister van Buitenlandse Zaken, Anita Orbán, en marge van de informele NAVO-ministeriële bijeenkomst in Helsingborg, Zweden, op 21-22 mei aanstaande. Tevens wordt ingezet op een bezoek aan Boedapest op ministerieel niveau op korte termijn.
Bent u bekend met het pleidooi voor een Europees «re-democratiseringsplan» voor Hongarije, waarin wordt voorgesteld dat de Europese Unie actief bijdraagt aan institutionele wederopbouw door democratische hervormingen structureel te ondersteunen en lidmaatschapsrechten sterker te koppelen aan het functioneren van democratische instituties, en bent u bereid zich op Europees niveau in te zetten voor de ontwikkeling en implementatie van een dergelijk plan? Zo ja, op welke wijze en met welke concrete voorstellen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met dit pleidooi. Democratie is een kernwaarde van de Europese Unie. Het is in de eerste plaats aan lidstaten zelf om de democratie vorm te geven. Initiatieven van de Commissie kunnen daar ondersteunend aan zijn. Het kabinet onderschrijft het belang van dergelijke initiatieven die democratische instellingen binnen lidstaten versterken. Zoals blijkt uit antwoord op vraag 5 en 6 is Nederland bereid om bij te dragen aan benodigde democratische hervormingen in Hongarije daar waar dat toegevoegde waarde heeft.
'De Blauwe Haven' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met recente mediaberichten over grensoverschrijdend gedrag binnen politieonderdeel De Blauwe Haven, waaruit blijkt dat meerdere medewerkers zich mogelijk schuldig hebben gemaakt aan ongewenst gedrag richting (vrouwelijke) collega’s?
Klopt het dat er eerder melding is gemaakt van ten minste meerdere slachtoffers binnen de politieorganisatie? Wat is op dit moment het totaal aantal bekende meldingen en slachtoffers binnen dit dossier?
Herkent u de signalen dat het daadwerkelijke aantal slachtoffers hoger ligt dan tot nu toe publiekelijk bekend is gemaakt? Zo ja, wat is uw reactie hierop? Zo nee, waarop baseert u dat?
Kunt u aangeven op welke wijze slachtoffers binnen de politieorganisatie momenteel worden ondersteund, en of u van mening bent dat deze ondersteuning toereikend is?
Klopt het dat het lopende onderzoek zich momenteel richt op slechts een beperkt aantal (circa twee) medewerkers? Zo ja, waarom is ervoor gekozen om het onderzoek in eerste instantie tot deze groep te beperken?
Deelt u de opvatting dat, gezien de ernst van de signalen en het mogelijke grotere aantal betrokkenen, een breder en diepgaander onderzoek noodzakelijk is om alle misstanden binnen deze eenheid boven tafel te krijgen? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zijn bij u signalen bekend dat de korpschef, Janny Knol, reeds eerder op de hoogte was van (een deel van) deze meldingen? Zo ja, sinds wanneer? Welke acties zijn naar aanleiding daarvan ondernomen? Acht u dit handelen adequaat?
Hoe beoordeelt u de informatiepositie van de korpsleiding in dit dossier? Zijn er aanwijzingen dat signalen onvoldoende zijn opgepakt of intern zijn gebleven?
Kunt u toelichten waarom ervoor is gekozen om het onderzoek niet volledig onafhankelijk extern te laten uitvoeren, maar (deels) binnen of in opdracht van de politieorganisatie zelf plaatsvindt?
Deelt u de mening dat, gezien de aard van de beschuldigingen en de mogelijke cultuurproblemen binnen de organisatie, een volledig onafhankelijk onderzoek noodzakelijk is om vertrouwen van slachtoffers en de samenleving te waarborgen? Zo ja, bent u bereid alsnog een onafhankelijk extern onderzoek in te stellen, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel geborgd dat slachtoffers en betrokkenen zich veilig voelen om zich te melden, mede gezien signalen van angst en terughoudendheid?
Wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat alle (mogelijke) slachtoffers en getuigen zich anoniem, veilig en laagdrempelig kunnen melden, bijvoorbeeld via onafhankelijke meldpunten buiten de politieorganisatie?
Bent u bereid aanvullende maatregelen te treffen om drempels voor melden weg te nemen, zoals:
Hoe wordt geborgd dat meldingen die alsnog binnenkomen ook daadwerkelijk worden betrokken bij het lopende onderzoek en niet buiten beschouwing blijven vanwege de huidige afbakening van het onderzoek?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat dergelijke situaties zich in de toekomst opnieuw voordoen binnen de politieorganisatie?
Bent u bekend met het artikel «Zijn bedrijf wordt verdacht van fraude, maar toch verdient deze taxibaas miljoenen bij Defensie» van Follow the Money?1
Ja.
Overwegende dat volgens berichtgeving bedrijven in het netwerk van een Nederlandse ondernemer worden verdacht van fraude in internationale munitiehandel, terwijl aan ditzelfde netwerk defensieopdrachten van grote waarde zijn verstrekt, hoe reflecteert u op deze berichtgeving?
Zakelijke integriteit, waaronder het tegengaan van fraude en corruptie, is een onderwerp dat wij zeer serieus nemen. Door de geopolitieke context, de grote behoefte aan (specialistische) militaire producten en de korte tijdspanne waarin deze geleverd moeten worden, neemt de kans op het manifesteren van fraude- en corruptierisico’s toe. Dit is ook door de Audit Dienst Rijk (ADR) gesignaleerd en Defensie werkt daarom aan verschillende verbeteringen om beter met deze toegenomen risico’s om te gaan. Voorbeelden hiervan zijn het voorbereiden van een defensiebrede frauderisicoanalyse en het ontwikkelen van een frauderisicomanagementsysteem waarin aandacht is voor de preventie, herkenning en detectie van fraude en corruptie.
Klopt het dat bedrijven gelieerd aan deze ondernemer betrokken zijn bij contracten met het Ministerie van Defensie voor de levering van wapens, munitie, boten of ander militair materieel? Zo ja, om welke contracten en bedragen gaat het precies?
Het klopt dat Defensie overeenkomsten heeft met bedrijven die aan deze ondernemer gelieerd zijn. Om operationeel en commercieel vertrouwelijke redenen doet Defensie geen uitspraak over de aard en omvang van de opdrachten.
Wanneer en op welke wijze is het Ministerie van Defensie geïnformeerd over eventuele strafrechtelijke onderzoeken of verdenkingen van fraude met betrekking tot bedrijven die betrokken zijn bij deze contracten?
Op 15 november 2025 heeft Defensie kennisgenomen van een krantenartikel in De Limburger waarin melding werd gemaakt van het intrekken van de erkenning in het kader van de Wet Wapens en Munitie van een van de bedrijven, op grond van fraude met eindgebruikerscertificaten.
Op 18 november 2025 heeft de ondernemer Defensie over de achtergronden en oorzaken geïnformeerd. Op die datum had Defensie enkele contracten met het bedrijf dat onderwerp was van het fraudeonderzoek en waarvan de erkenning op grond van de Wet Wapens en Munitie werd ingetrokken. Defensie is niet voornemens om nieuwe overeenkomsten met dit bedrijf te sluiten. De uitvoering van deze contracten is door een ander bedrijf, dat wel over de juiste vergunningen beschikt, overgenomen zodat Defensie nog steeds over de producten kon beschikken die waren aangekocht.
Overwegende dat volgens het artikel sprake zou zijn geweest van het gebruik van valse of misleidende eindgebruikerscertificaten bij internationale munitiehandel, was het Ministerie van Defensie hiervan op de hoogte? Zo ja, wanneer en welke consequenties zijn hieraan verbonden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke integriteits-, veiligheids- en betrouwbaarheidstoetsen worden standaard uitgevoerd bij bedrijven die defensiecontracten verkrijgen, met name wanneer het gaat om handel in wapens en munitie?
Nederlandse bedrijven die wapens of munitie leveren dienen een erkenning te hebben ingevolge de Wet Wapens en Munitie. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan daarnaast een eigen verklaring gevraagd worden van een leverancier, een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis, een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) of een autorisatie door de MIVD ingevolge de Algemene Beveiligingseisen voor Defensieopdrachten (ABDO) c.q. de Algemene Beveiligingseisen voor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO). Voor buitenlandse bedrijven bestaan equivalente verklaringen, waar Defensie op dezelfde wijze mee omgaat.
In hoeveel gevallen heeft Defensie sinds de Russische invasie van Oekraïne gebruikgemaakt van nieuwe leveranciers of tussenhandelaren bij de inkoop van militair materieel? Welke extra risico’s op fraude of misbruik brengt dit volgens u met zich mee?
Door de Russische invasie zijn er vele en snelle ontwikkelingen en innovaties op het gebied van militair materieel en de wijze van militair optreden. Dit brengt met zich mee dat er nieuwe bedrijven zijn waar Defensie mee samenwerkt en waar Defensie militair materieel van inkoopt. In sommige gevallen zijn dit kleine en relatief onbekende bedrijven, vaak omdat zij in staat zijn specifiek materieel goed en snel te leveren. Voorbeelden hiervan zijn droneontwikkelaars. De snelheid van levering en de leveringszekerheid zijn in deze tijden van materieelschaarste voor Defensie een van de belangrijkste criteria waarop leveranciers worden geselecteerd, uiteraard naast andere factoren als de prijs en kwaliteit van het materieel en betrouwbaarheid van de leverancier. De intensievere samenwerking met externe partners, waaronder tussenhandelaren, in tijden van schaarste vraagt van Defensie extra aandacht voor de beheersing van risico’s op het gebied van fraude en corruptie. Hiervoor werkt Defensie inmiddels aan verbeteringen en blijft dit de komende jaren ook doen. Een aantal concrete voorbeelden hiervan hebben we benoemd in ons antwoord onder vraag 2.
Overwegende dat in het artikel wordt gesteld dat bepaalde betrokken bedrijven mogelijk niet voldoen aan NAVO- of ISO-kwaliteitsstandaarden voor defensieleveranciers, kunt u aangeven aan welke kwaliteits- en certificeringsvereisten bedrijven moeten voldoen om als leverancier voor Defensie op te treden?
Defensie stelt bij de inkoop van materieel eisen aan de leverancier, aan het product en aan de kwaliteitszorg. Welke eisen gesteld worden, is sterk afhankelijk van de aard en omvang van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald. Bij alle contracten die Defensie sluit, dus ook bij contracten met bedrijven waar deze ondernemer bij betrokken is, wordt vooraf gecontroleerd of het bedrijf en de te leveren producten aan alle gestelde eisen voldoen.
Welke controles voert het ministerie uit om te waarborgen dat materieel dat via tussenhandelaren wordt ingekocht daadwerkelijk voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen en niet tegen onnodig hoge prijzen wordt geleverd?
Materieel dat gekocht wordt, wordt bij ontvangst gecontroleerd. Afhankelijk van de aard van de opdracht kan een testplan worden afgesproken, een acceptatietest in de fabriek, en/of een acceptatietest na installatie bij de gebruiker. Ook wordt garantie bedongen voor productie- en/of ontwerpfouten. Welke testen en garantie worden bedongen wisselt naar gelang de aard van de opdracht en wordt van geval tot geval bepaald.
Bij het inkopen zonder concurrentiestelling, wordt bij contracten van meer dan € 2,5 miljoen geëist dat de ADR een onderzoek naar de prijsstelling kan uitvoeren. Daarbij wordt onder meer het winstpercentage beoordeeld. De resultaten van het ADR-onderzoek kunnen aanleiding zijn voor aanvullende onderhandelingen en bijstelling van de prijs.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat bedrijven die worden verdacht van fraude of andere integriteitsschendingen betrokken raken bij defensiecontracten of leveringen van militair materieel?
Defensie houdt zich aan de Europese aanbestedingsregelgeving waarin is geregeld dat partijen behoren te worden uitgesloten van deelname aan Europese aanbestedingen, indien zij in een periode van vier jaar voorafgaande aan het indienen van een inschrijving, bij een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak zijn veroordeeld.
Defensie verlangt bij de aanvang van een aanbesteding van de deelnemende partijen een verklaring dat zij niet onherroepelijk zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld fraude of omkoping.
Bent u bereid lopende contracten met bedrijven uit het genoemde netwerk opnieuw te beoordelen op integriteit, betrouwbaarheid en prijsstelling? Zo nee, waarom niet?
Wij zien nu geen aanleiding om deze beoordeling opnieuw uit te voeren. De lopende contracten zijn beoordeeld op betrouwbaarheid en prijsstelling. De genoemde bedrijven hebben voorafgaand aan contractering een Gedragsverklaring Aanbesteden van de dienst Justis overlegd en er is voorcalculatorisch onderzoek uitgevoerd door de ADR. Wel is een verkennend onderzoek gestart naar aanleiding van dit signaal betreffende informatieverstrekking aan een leverancier.
Kunt u deze vragen tijdig voor het commissiedebat Materieel op 3 juni 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden bij dit debat kunnen worden betrokken?
Ja.
Het artikel 'Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen' |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook Grieken overstag, regering wil verbod op sociale media voor kinderen»?1
Hoe beoordeelt u het voornemen van Griekenland om kinderen tot 15 jaar de toegang tot sociale media te verbieden, mede in het licht van het coalitieakkoord waarin is opgenomen dat wordt gewerkt aan een handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media met privacyvriendelijke leeftijdsverificatie?
Welke concrete stappen zet het kabinet op dit moment in Europees verband om te komen tot die handhaafbare Europese minimumleeftijd van 15 jaar voor sociale media?
Erkent het kabinet dat, in het licht van de ontwikkeling dat steeds meer landen overgaan tot een verbod, nu het moment is om tot een gezamenlijke aanpak te komen?
Trekt Nederland hierbij actief op met andere Europese lidstaten die eveneens willen komen tot strengere regels voor kinderen op sociale media, zoals Griekenland, Frankrijk, en Spanje? Zo ja, op welke wijze?
Hoe wil het kabinet een Europese minimumleeftijd juridisch en technisch handhaafbaar vormgeven, in het bijzonder in relatie tot de Digital Services Act (DSA) en de door de Europese Commissie ontwikkelde leeftijdsverificatie-aanpak?
De wanordelijkheden rond de wedstrijd Go Ahead Eagles – PEC Zwolle |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de wanordelijkheden rond Go Ahead Eagles – PEC Zwolle, waaronder het bericht dat uiteindelijk moest worden ingegrepen door de ME?1 Wat is uw reactie op het verloop van deze gebeurtenissen?
Ja.
Hoe kan het dat, ondanks vooraf aangekondigde strengere controles en overleg met supporters, toch wanordelijkheden zijn ontstaan? Waar is het volgens u concreet misgegaan?
Voordat ik deze vragen beantwoord, wil ik schetsen hoe de beslisstructuur op het gebied van veilig en gastvrij voetbal plaatsvindt. De wedstrijdvoorbereiding is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek, bestaande uit de burgemeester, het Openbaar Ministerie, de politie en de betaald voetbal organisatie (BVO). Hier ben ik niet bij betrokken en hier hoor ik ook niet bij betrokken te zijn. De landelijke overheid neemt wel deel aan de Regiegroep Voetbal en Veiligheid.2 Binnen de Regiegroep worden afspraken gemaakt en adviezen gegeven om de veiligheid en gastvrijheid in en rond Nederlandse voetbalstadions te verbeteren en de samenwerking tussen de deelnemende partners te bevorderen. De Regiegroep treedt echter niet in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van decentrale overheden. Tegen deze achtergrond beperk ik mij tot een toelichting op algemene beleidslijnen en ga ik niet in op de concrete omstandigheden van deze situatie. De burgemeester van Deventer legt daarover desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad.
In de wedstrijdvoorbereiding op decentraal niveau worden er heldere afspraken gemaakt over de voorwaarden voor de toelating van het maximaal aantal supporters in het gastenvak. Het verdient waardering dat op decentraal niveau vooraf in goede onderlinge afstemming alles in het werk is gesteld om een gastvrije en veilige ontvangst van supporters te waarborgen. Helaas hebben deze voorwaarden in dit geval niet het beoogde effect gehad op het gedrag van een deel van de uitsupporters. De evaluatie van de wedstrijd is nog niet afgerond. Op dit moment valt daarom niet aan te geven waarom deze groep supporters de gemaakte afspraken en regels heeft genegeerd.
Zoals aangegeven is de wedstrijdvoorbereiding een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek waar ik vanuit mijn rol niet betrokken bij ben. Van de voetbalvierhoeken van Deventer en Zwolle heb ik overigens begrepen dat zij voorafgaand aan deze wedstrijd nauw met elkaar samen hebben gewerkt om de derbywedstrijd veilig en gastvrij te laten verlopen. De lokale vierhoeken zien deze derby namelijk al jaren als een hoog-risicowedstrijd.
Welke risico-inschatting is vooraf gemaakt ten aanzien van deze wedstrijd, en in hoeverre is daarbij rekening gehouden met de specifieke spanningen rond deze derby?
Zie antwoord vraag 2.
Welke rol heeft het advies van de politie gespeeld in de voorbereiding, en in hoeverre zijn deze adviezen overgenomen door de gemeente mede in het licht van het latere besluit om zonder uitpubliek te spelen?
In het algemeen kan ik aangeven dat de politie deel uitmaakt van de lokale vierhoek en dat hun adviezen bij de wedstrijdvoorbereiding worden meegenomen en direct invloed hebben op de besluitvorming over de voorwaarden waaronder een wedstrijd gespeeld wordt.
Kunt u toelichten hoe de voorbereiding en afstemming tussen burgemeester, politie, Openbaar Ministerie, clubs en de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) is verlopen, en of er op enig moment daarin is bijgestuurd?
Zoals hierboven aangegeven heb ik inhoudelijk geen bemoeienis met de wedstrijdvoorbereidingen van de verschillende wedstrijden. Dat betekent dat ik niet beschik over de bevoegdheid om in dit proces bij te sturen en dat ik niet kan ingaan op de wijze waarop de afstemming in dit specifieke geval is verlopen.
Hoe beoordeelt u het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot het uiteindelijk spelen zonder uitpubliek? Had dit besluit, gelet op de beschikbare informatie en risico-inschattingen, eerder genomen kunnen dan wel moeten worden?
De wedstrijdvoorbereiding en het besluitvormingsproces is een decentrale aangelegenheid van de lokale vierhoek. Het past niet dat ik daar een oordeel over geef. Het is aan de gemeenteraad van Deventer en/of Zwolle om hier desgewenst een oordeel over te vellen. Wel vind ik het lovenswaardig dat de vierhoeken hier nauw hebben samengewerkt.
Waren de getroffen maatregelen, waaronder toegangscontroles, supportersscheiding en inzet van stewards en politie, naar uw oordeel voldoende en proportioneel gezien het risicoprofiel? Zo nee, waar schoot dit tekort?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete lessen trekt u uit dit incident voor de voorbereiding en besluitvorming rond risicowedstrijden, en hoe worden deze vertaald naar structurele verbeteringen en betere verankering van risicobeperking?
Op dit moment is de gemeente Deventer de casus aan het evalueren. De burgemeester van Deventer zal hierover, indien door de gemeenteraad gewenst, verantwoording afleggen aan de gemeenteraad.
De gemeenten met een BVO overleggen na iedere speelronde gezamenlijk over incidenten, en komen daarnaast tweemaal per jaar bij de KNVB bijeen en onderhouden onderling goed contact. De geleerde lessen na incidenten worden doorgaans onderling gedeeld en meegenomen bij wedstrijdvoorbereidingen. Binnen dit proces heeft mijn departement via de Regiegroep enkel een ondersteunende rol.
Kunt u verklaren hoe vuurwerk en rookbommen ondanks een dubbele fouillering het stadion zijn binnengekomen? Zijn er aanvullende maatregelen of best practices bekend om deze producten nog beter te kunnen weren?
In het algemeen kan ik aangeven dat het fouilleren bij de toegangscontrole tot een (voetbal)stadion wettelijk is beperkt tot een oppervlakkige controle van kleding en controle van tassen en jassen. Ontkleding en het fouilleren van intieme zones is niet toegestaan. De ervaring leert dat compact vuurwerk daardoor lastig is op te sporen. In hoeverre dit in dit geval een rol heeft gespeeld, zal mogelijk uit de evaluatie blijken.
Zoals aangegeven in de Voortgangsbrief veilig en gastvrij betaald voetbal van 19 december 2025 voert het Auditteam Voetbal en Veiligheid3 momenteel een onderzoek uit naar de impact van het illegaal gebruik van vuurwerk bij voetbal.4 Tevens heeft mijn ministerie verzocht om een aanvullend onderzoek uit te voeren naar de samenstelling van vuurwerk en de mogelijke effecten op de gezondheid van stadionbezoekers en medewerkers. De resultaten zullen in samenhang worden bezien met het onderzoek van het Auditteam, zodat beide trajecten elkaar kunnen versterken en kunnen worden meegenomen bij het nieuwe plan van aanpak. De uitkomsten van deze onderzoeken worden naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 opgeleverd. Tevens worden hierbij de inzichten van de nieuwe, landelijk geldende KNVB-richtlijnen met betrekking tot het gebruik van vuurwerk in stadions meegenomen.
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Pieter Heerma (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Het bericht dat de Nederlandse politie een verdachte heeft gearresteerd in verband met explosies in Duitsland |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Dutch police arrest suspect linked to 2025 explosions in Germany1»? Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport «Between victimhood and offending» van de European insititute for crime prevention and control (HEUNI)2?
Bent u, met Europol, van mening dat het fenomeen geweld op bestelling een groeiend probleem is waarbij ook in Nederland kwetsbare jongeren worden geronseld? Deelt u de analyse van Europol dat hierbij ook sprake kan zijn van criminele uitbuiting? Hoeveel (minderjarige) Nederlandse plegers die over de grenzen heen actief zijn geweest, zijn er binnen deze taskforce inmiddels in beeld? Hoeveel zijn dat er in de afgelopen vier jaar, buiten deze taskforce om, in beeld geweest? Hoeveel van deze (minderjarige) plegers zijn tevens slachtoffer van criminele uitbuiting?
In hoeverre hebben de Nederlandse opsporingsdiensten voldoende zicht op criminele netwerken die kwetsbare jongeren ronselen en over landsgrenzen heen opereren? In hoeverre is er, naast de Europol-taskforce GRIMM, sprake van samenwerking tussen opsporingsdiensten in verschillende Europese landen om dit probleem het hoofd te bieden? Heeft u binnen het programma Preventie met Gezag, de ondermijningsaanpak en het programma Samen tegen Mensenhandel voldoende middelen om het fenomeen geweld op bestelling het hoofd te bieden? Zijn er aanvullende maatregelen nodig? Zo ja, welke?
Met welke online techbedrijven werkt Europol samen om zicht te krijgen op online ronselpraktijken en hoe zien deze programma’s eruit? Welke mogelijkheden ziet u om dergelijke techprogramma’s ook hier in Nederland uit te rollen? Ziet u hier mogelijkheden om mede ter uitvoering van de motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 VII, nr. 81) hier nader vorm aan te geven? Zo ja, welke?
Op welke wijze wordt er binnen de genoemde taskforce van Europol aandacht besteed aan de aanpak van criminele uitbuiting en de bescherming van slachtoffers, waaronder de toepassing van het non-punishmentbeginsel? Welke beschermingsmaatregelen worden binnen deze taskforce geboden? Is er daarnaast sprake van samenwerking met hulpinstanties over de grenzen heen, en zo ja, hoe ziet deze samenwerking eruit?
Kunt u aangeven op welke wijze het amendement aangaande de wettelijke verankering van het non-punishmentbeginsel3, in lijn met een aanbeveling van GRETA4, naar verwachting zal bijdragen aan het verminderen van de angst van slachtoffers om samen te werken met de politie? Op welke wijze gaat u, bijvoorbeeld binnen het programma Samen tegen Mensenhandel dat middels het regeerakkoord wordt voortgezet, er zorg voor dragen dat dit in de praktijk adequaat wordt toegepast? Ziet u op basis van het genoemde rapport best practises uit Scandinavië die we in Nederland zouden kunnen toepassen?
Op welke wijze past Nederland de lessen uit de uitspraak van het EHRM inzake V.C.L/A.N.5 waarin het Verenigd Koninkrijk werd veroordeeld voor het schenden van artikel 4 en 6 van het Handvest omdat een slachtoffer van criminele uitbuiting werd veroordeeld voor een drugsdelict terwijl signalen van uitbuiting onvoldoende werden opgevolgd? Komt het in Nederland bijvoorbeeld voor dat een slachtoffer van criminele uitbuiting eerst wordt veroordeeld voor een delict terwijl in een separate strafzaak duidelijk wordt dat er sprake is van slachtofferschap mensenhandel?
Bent u van mening dat jongeren die vastzitten in de criminaliteit, waaronder van geweld op bestelling, over adequate mogelijkheden beschikken om hulp te krijgen? Welke hulpmiddelen zijn er voor deze jongeren beschikbaar? Ziet u op basis van het genoemde rapport van Heuni6 best practises uit Scandinavië die in Nederland kunnen worden toegepast?
Heeft u kennisgenomen van het bericht waaruit blijkt dat dieren structureel en ernstig lijden op erkende verzamelplaatsen waar (een deel van de) dieren uit de veehouderij naartoe worden gebracht voordat zij worden afgevoerd naar het slachthuis?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat jaarlijks meer dan 10.000 dieren op verzamelcentra dood worden aangetroffen, omdat zij aan hun verwondingen zijn overleden of worden gedood omdat ze te ziek, te zwak of gewond zijn om verder te mogen worden vervoerd?
Ja, dat kan ik bevestigen. Over de achtergrond van de cijfers zijn geen gegevens beschikbaar. Daarom doet de NVWA in 2026 onderzoek naar de achtergrond van deze cijfers, zoals de betrokken vervoerders en de herkomst van (een deel) van deze dieren.
Runderen
1.996
2.370
1.159
Varkens
13.572
13.625
9.754
Schapen
380
407
300
Geiten
331
311
272
Heeft u de beelden gezien van de staat waarin dieren die via verzamelplaatsen zijn getransporteerd in het slachthuis worden aangetroffen? Heeft u gezien dat deze dieren kampen met ernstige kreupelheid, ziektes, open wonden, graatmager zijn of zelfs lichaamsdelen missen?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze dieren dringend medische zorg nodig hadden, maar dat zij in plaats daarvan op transport zijn gezet naar het slachthuis, omdat ze dan nog geld opleveren?
Ik kan bevestigen dat de dieren op de beelden niet geschikt voor het voorgenomen transport waren en niet naar het slachthuis vervoerd hadden mogen worden. De NVWA heeft daar ook boetes voor opgelegd. Op het moment dat de beelden genomen zijn, hadden de meeste dieren dringend medische zorg nodig.
Wat vindt u van dit alles?
De beelden vind ik verschrikkelijk en gaan me aan het hart. Dieren die ongeschikt zijn om te vervoeren, mogen niet worden aangeboden voor transport en dus ook niet vervoerd worden. Slachthuizen, transporteurs, handelaren, houders van verzamelcentra en veehouders zijn verplicht om te allen tijde met zorg voor het welzijn om te gaan met levende dieren. Ik verwacht ook dat men binnen de sector elkaar hier op aanspreekt.
Hoe kan het volgens u dat dieren, nadat zij een aantal maanden of jaren in de huidige veehouderij hebben moeten doorbrengen, er zo erbarmelijk aan toe zijn?
Een veehouderijsysteem zorgt op zichzelf niet voor een slecht dierenwelzijn. Dieren kunnen op primaire bedrijven kreupelheid ontwikkelen of anderszins ziek worden en zij dienen daarvoor behandeld te worden. Daar waar specifieke aandoeningen (bedrijfsgebonden dierziekten) met regelmaat voorkomen is het van belang dat de sector hier aandacht voor heeft. Houders horen in overleg met bijvoorbeeld de dierenarts, klimaatadviseur, voerleverancier bezien welke aanpassingen op het bedrijf moeten worden doorgevoerd om dit te voorkomen. Voordat dieren op transport gaan, beoordeelt een houder of een dier dat behandeld is, in verband met kreupelheid of ziekte, voldoende hersteld is. Ook moet worden bekeken of de wachttijd van toegediende medicatie is verstreken en of transporteren verantwoord is voor het dier. De houder kan zich voor deze beoordeling ook laten bijstaan door de dierenarts.
Deelt u de conclusie dat dit soort verwondingen doorgaans niet op één dag ontstaan, maar het gevolg zijn van een (stal)systeem waarin dieren structureel worden gefokt en gehouden in dieronwaardige, ongezonde en onnatuurlijke omstandigheden?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere beelden van vijf verschillende erkende verzamelplaatsen, waarop te zien was dat op alle locaties is waargenomen dat koeien en kalfjes worden geslagen en geschopt, ook wanneer zij ziek en kreupel waren (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
Ja
Onderschrijft u dat dit niet kan worden afgedaan als een incident?
De beelden tonen herhaaldelijke overtredingen op vijf verzamelplaatsen, binnen een korte tijd. Dat kan inderdaad niet worden afgedaan als een incident. Tegelijkertijd kan ik op basis van deze vijf verzamelplaatsen ook niet alle verzamelplaatsen over één kam scheren. Iedere verzamelplaats moet beoordeeld worden op hetgeen daar daadwerkelijk plaatsvindt. En zoals ik al eerder aangaf zijn de beelden van de verzamelcentra waarop dieren worden geslagen en geschopt schokkend. Op deze manier mag nooit met dieren worden omgegaanl.
Onderschrijft u de uitspraak van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die «structureel de wet niet naleeft en steeds de ruimte opzoekt»? Zo nee, waarom niet?3
De gepubliceerde beelden gemaakt op de vijf verzamelcentra, geven inderdaad het beeld dat we te maken hebben met een sector (veeverzamelplaatsen) die structureel de wet niet naleeft. En als de toezichthouder dit dan ook nog concludeert, dan denk ik dat we te maken hebben met een deel van de sector dat steeds de ruimte opzoekt. Deze verzamelcentra beïnvloeden op negatieve wijze het beeld van de gehele sector. Het is wat mij betreft aan de gehele sector hierop te reflecteren en te laten zien dat dergelijke situaties onwenselijk zijn en dat dit verbeterd kan worden. Ik roep de sector dan ook op om stevige zelfreflectie toe te passen en te werken aan een zelfreinigend vermogen. Daarnaast ben ik voornemens om het beleid aan te scherpen, zoals het verhogen van boetes en het inzetten van cameratoezicht als tijdelijke maatregel. Hierover heb ik de Kamer op 16 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat uit de inspectierapporten blijkt dat sommige handelaren tientallen keren worden betrapt op het overtreden van de regels, maar gewoon door kunnen gaan?
Via verschillende maatregelen wordt ingezet op duurzame gedragsverandering. Uit de openbaar gemaakte informatie blijkt dat de NVWA na het constateren van overtredingen waarschuwingen geeft, boetes oplegt en deze boetes ook verhoogt. Het overtreden van de regels blijft niet zonder gevolgen. De NVWA heeft de afgelopen jaren bij slachthuizen, verzamelcentra en vervoerders verscherpt toezicht (VeTo) toegepast. Bij de constatering van zware overtredingen en bij een niet-naleving door notoire overtreders worden passende maatregelen opgelegd, zoals bijvoorbeeld het schorsen van een erkenning). De «one strike out»- en de «three strikes out» aanpak is hier onderdeel van.
Mijn inzet is om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waar een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt, van het primaire bedrijf, tijdens transport tot in het slachthuis. Hoe ik dat wil doen, heb ik uiteengezet in mijn brief aan de Tweede Kamer over de weg «Naar een beter dierenwelzijn in de veehouderij» van 16 april (Kamerstuk 2026Z08019).
Hoe verklaart u dat een verzamelplaats die onder verscherpt toezicht staat opnieuw ernstige overtredingen kan begaan, zonder consequenties?
Verzamelcentra die onder verscherpt toezicht staan, worden extra gecontroleerd gedurende een passende periode. Wanneer tijdens die periode wederom overtredingen worden geconstateerd, kunnen vergaande maatregelen worden genomen, waaronder schorsing of intrekking van de erkenning. Wanneer tijdens die periode geen overtredingen worden waargenomen, wordt het VeTo opgeheven. Daarna kan VeTo opnieuw toegepast worden volgens de procedure. Zie ook mijn antwoord op vraag 11.
Kunt u bevestigen dat de NVWA sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid heeft om bedrijven (permanent) te sluiten wanneer het welzijn van dieren in gevaar is (artikel 5.12 van de Wet dieren)? Kunt u aangeven waarom dit in gevallen zoals die genoemd in het artikel niet gebeurt?
De NVWA heeft sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing de bevoegdheid om bedrijven in het kader van bestuursrecht tijdelijk te sluiten wanneer het welzijn van de dieren in gevaar is. Permanent sluiten kan niet. In zijn algemeenheid gebruikt de NVWA de bevoegdheid om bedrijven tijdelijk te sluiten voornamelijk bij primaire bedrijven, omdat daar geen vergunning of erkenning is om te schorsen of in te trekken. Bij verzamelcentra wordt veelal gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om op grond van de Wet Dieren een erkenning te schorsen of in te trekken.Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect.
Hoe vaak is het houdverbod de afgelopen twee jaar opgelegd, hoe vaak sinds de intrinsieke waarde van het dier is vastgelegd in de Wet dieren in 2013 en hoe vaak werd dit gedaan per categorie bedrijf (in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op een veeverzamelplaats) als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal veroordelingen voor ernstige dierenmishandeling?
Door de rechtbank is het zelfstandig houdverbod in 2024 in (afgerond) 35 zaken als maatregel opgelegd, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. En in 2025 in (afgerond) 75 zaken, waarvan in minder dan 10 zaken levenslang. In het eerste kwartaal van 2026 is een houdverbod in 25 zaken als maatregel opgelegd: er is geen levenslang houdverbod opgelegd. Een uitsplitsing naar sector is in de voor de Rechtspraak beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken.
Voor 2024 was een houdverbod vaak als «onzelfstandige» maatregel gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. In de voor de Rechtspraak beschikbare informatie managementsystemen kan hierop niet gefilterd worden. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Wordt het houdverbod ook voorwaardelijk opgelegd? Zo ja, hoe vaak en hoe vaak specifiek in de veehouderij?
Het houdverbod is als maatregel vanaf 1 januari 2024 t/m 31 maart 2026 door de rechtbank in minder dan 10 zaken voorwaardelijk opgelegd. Een uitsplitsing specifiek naar veehouderij is in de beschikbare managementinformatiesystemen niet te maken. De genoemde aantallen zijn afgerond op 5-tallen en bij aantallen onder de 10 afgerond naar boven. Dit is een standaard uitgangspunt om herleidbaarheid naar zaaks-en/of persoonsgegevens te voorkomen.
Valt er iets te zeggen over de afwegingen bij het wel of niet opleggen van houdverboden in de veehouderij?
Bij het opleggen van houdverboden in de veehouderij zijn er een aantal afwegingen die een rechter meeneemt in zijn of haar oordeel. Zo wordt de ernst, duur en karakter van de geconstateerde dierenmishandeling of -verwaarlozing gewogen en kan ook de kans op recidive meewegen in de beslissing om een houdverbod op te leggen. Dit is echter altijd aan de rechter om te bepalen.
Hoe vaak is er de afgelopen twee jaar sprake geweest van een (tijdelijke) stillegging van bedrijven in de veehouderij, het veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen als gevolg van geconstateerde dierenmishandeling? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal geconstateerde mishandelingen? Kunt u een uitsplitsing maken per categorie bedrijf?
Afgelopen jaren is 5 keer op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder a, van de Wet dieren de bestuursrechtelijke maatregel opgelegd tot gehele of gedeeltelijke sluiting van een bedrijf (primair bedrijf). De maatregel is in die gevallen opgelegd vanwege verschillende overtredingen op het gebied van zowel dierenwelzijn als diergezondheid. Het is goed om hierbij te benoemen dat op grond van artikel 5:12, tweede lid, onder b, van de Wet dieren ook mogelijk is om een erkenning te schorsen of in te trekken. Dit is in principe geen bedrijfssluiting, maar heeft praktisch wel hetzelfde effect bij bedrijven die een erkenning nodig hebben (zoals slachthuizen en erkende verzamelcentra). Deze maatregel, en dan met name de schorsing van de erkenning, is een modaliteit die met regelmaat wordt ingezet. Vanaf 2024 tot heden is 3 keer de erkenning van een slachthuis geschorst en is één keer de vergunning van een vervoerder geschorst.
Deze bestuursrechtelijke maatregelen worden overigens niet opgelegd voor overtreding van artikel 2.1 van de Wet dieren (dierenmishandeling). Indien sprake is van dierenmishandeling, dan wordt overgegaan op het strafrecht. Onlangs hebben medewerkers van een verzamelcentrum taakstraffen opgelegd gekregen voor het mishandelen van een koe.
Welke andere sancties zijn er opgelegd als gevolg van dierenmishandeling, die specifiek zijn gericht op het voorkomen van recidive? Welke sancties zijn daarbij specifiek gebruikt in het veetransport en op veeverzamelplaatsen, waar houdverboden vaak niet aan de orde zijn? Kunt u deze sancties kwantificeren?
Voor bijvoorbeeld het vervoeren van een rund dat niet geschikt is voor vervoer, wordt niet altijd artikel 2.1 van de Wet dieren ten laste gelegd. Ook het bestuursrecht biedt grondslagen om op te treden tegen overtredingen die worden geconstateerd rondom transport van dieren of verzamelplaatsen. Sancties hiervoor zoals het schorsen en intrekken van een erkenning of vergunning is ook gericht op het voorkomen van recidive. Vanaf 2023 heeft de NVWA vijfmaal de erkenning van een slachthuis geschorst en eenmaal ingetrokken. Ook is twee maal de erkenning van een verzamelcentrum geschorst en eenmaal ingetrokken.
Bij vervoerders is twee keer een last onder dwangsom opgelegd, twee keer een waarschuwing tot intrekken van het getuigschrift vakbekwaamheid verzonden en één keer een vervoersvergunning geschorst.
Op dit moment staan vijf verzamelcentra waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, onder verscherpt toezicht. Onderdeel van het verbeterplan dat deze verzamelcentra moesten opstellen, is de vrijwillige plaatsing van camera’s door de bedrijven.
Wordt er, na een veroordeling voor dierenmishandeling in de veehouderij, veetransport, slachterij of op veeverzamelplaatsen standaard verscherpt toezicht door de NVWA ingesteld? Zo nee, wanneer gebeurt dit wel/niet?
Een primair bedrijf komt onder verscherpt toezicht wanneer voor het bedrijf in de afgelopen twee jaar bij vier afzonderlijke controles een rapport van bevindingen of proces verbaal is opgemaakt voor geconstateerde overtredingen. Een bedrijf kan direct onder verscherpt toezicht worden gesteld wanneer er veel en/of structurele problemen of één zeer ernstige tekortkoming op dierenwelzijn geconstateerd wordt tijdens een inspectie.
Vervoerders komen onder verscherpt toezicht wanneer een vervoerder in de afgelopen twee jaar vier ernstige overtredingen met betrekking tot dierenwelzijn heeft begaan. Slachthuizen komen direct onder verscherpt toezicht bij een zeer ernstige overtreding van het dierenwelzijn. Bij minder ernstige overtredingen zijn andere criteria van toepassing. Verzamelcentra komen onder verscherpt toezicht wanneer voor een verzamelcentrum in de afgelopen 24 maanden meer dan drie rapporten van bevindingen of processen verbaal opgemaakt zijn voor geconstateerde overtredingen.
Maatregelen die genomen kunnen worden zijn: verscherpt toezicht, sancties vanuit bestuursrecht en/of strafrecht (boete, last onder dwangsom, taakstraf, (voorwaardelijke) gevangenisstraf) en het schorsen of intrekken van een vergunning of erkenning. Bij zeer ernstige overtredingen kan ook direct overgegaan worden tot schorsen van een vergunning of erkenning. Dit wordt per geval bekeken.
Is het gebruikelijk dat, in gevallen, zoals in het NRC wordt genoemd, waarin sprake is van dierenmishandeling «met een sadistisch karakter», de werkzaamheden van de veroordeelden gewoon door kunnen gaan?4
In mijn antwoord op vraag 19 gaf ik aan dat bij zeer ernstige overtredingen ook direct kan worden overgegaan tot het schorsen van een erkenning. De NVWA heeft dat ook bij dit bewuste bedrijf overwogen. Uiteindelijk is bewust gekozen voor een andere aanpak, waarbij zowel via het strafrecht als het bestuursrecht gerichte maatregelen zijn genomen. Alle vijf bedrijven waar onderzoeksgroep Ongehoord beelden heeft gemaakt, heeft de NVWA onder verscherpt toezicht geplaatst. Deze verzamelcentra hebben allemaal een verbeterplan moeten opstellen waarmee zij de NVWA overtuigen hoe zij dierenwelzijn zullen borgen. Een concreet onderdeel van deze plannen is de vrijwillige plaatsing van camera’s door deze bedrijven, zodat verzamelcentra zelf controleren of iedereen op het verzamelcentrum zich aan het verbeterplan houdt. Tweewekelijks worden de beelden door NVWA-inspecteurs bekeken en gecontroleerd op overtredingen. Als overtredingen worden vastgesteld wordt handhavend opgetreden. Na 3 maanden wordt het verscherpt toezicht op basis van de resultaten beëindigd of verlengd.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat we sancties zo inrichten dat mensen die zich eerder schuldig hebben gemaakt aan dierenmishandeling niet de kans krijgen dit te herhalen?
Ja, die mening deel ik. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete.
Vindt u dat de huidige mogelijkheden om recidive bij dierenmishandeling in veeteelt, veetransport, slachterij en veeverzamelplaatsen te voorkomen (het houdverbod en andere maatregelen zoals stillegging en verscherpt toezicht) voldoende zijn en voldoende (kunnen) worden ingezet? Zo nee, welke extra stappen kunnen er worden gezet?
Ja.
Welke andere maatregelen gaat u treffen om te voorkomen dat handelaren blijven wegkomen met grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed?
Zoals ook aangegeven in antwoord op vraag 11, is mijn inzet om te werken naar een betere borging van dierenwelzijn in de hele keten, waarin een ieder zijn verantwoordelijkheid neemt. Ik ben van plan het wetsvoorstel verplicht cameratoezicht verder in procedure te brengen. Voor verzamelcentra is mijn voornemen om, in lijn met het advies van de AP, cameratoezicht als tijdelijke maatregel in te zetten na geconstateerde overtredingen. Daarmee kan verscherpt toezicht effectiever worden vormgegeven. Daarnaast verwacht ik van bedrijven dat zij de camerabeelden zelf benutten om het dierenwelzijn op hun bedrijf beter te borgen. De wet overtreden mag niet lonen en waar het dierenwelzijn ernstig in het gedrang is, moeten sancties afschrikwekkend genoeg zijn. Daarom herzie ik het boetestelsel en denk dan aan verhogingen van boetes en het beter toepasbaar maken van de omzetgerelateerde boete. Om grove dierenwelzijnsovertredingen en ernstig dierenleed te voorkomen is, aanvullend op betere naleving vanuit de sector, ook slim en effectief toezicht nodig. Ik weet dat de NVWA daarop inzet. Voor de zomer informeer ik de Kamer over mijn visie op toezicht en handhaving (Kamerstuk 2026Z08019).
Onderschrijft u dat verzamelcentra een structureel probleem vormen voor dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?
Het bijeenbrengen van dieren op verzamelcentra brengt verschillende risico’s voor het dierenwelzijn met zich mee. Dit onderkent ook de EFSA in de rapporten over de effecten van diertransport van 2022, en voor melkrunderen bestemd voor de slacht heeft Bureau Risicobeoordeling en Onderzoek van de NVWA (bureau) deze risicofactoren verder in kaart gebracht. Dat deze risicofactoren er zijn, zegt nog niet dat er een structureel probleem voor het dierenwelzijn bestaat. Een goede beoordeling van dieren voorafgaand aan het transport om te beoordelen of zij het geplande transport kunnen doorstaan, is essentieel. Sinds 2021 hanteert de NVWA de Europese richtsnoeren voor het bepalen van de geschiktheid voor vervoer. Er zijn richtsnoeren voor varkens, paarden en volwassen runderen (Kamerstuk 28 286, nr. 1216). Deze richtsnoeren zijn opgesteld door een aantal NGO’s en Europese brancheorganisaties en bevatten criteria, op basis waarvan vastgesteld kan worden of een dier met een specifieke aandoening wel of niet geschikt is voor het voorgenomen transport. Het uniform beoordelingsprotocol voor melkvee waar op dit moment door de NVWA aan gewerkt wordt, is hier een verdere uitwerking op. Ook is – vanuit de sector – een gids voor goede praktijken in wording. Deze gids wordt nog beoordeeld door mijn departement en de NVWA en zal naar verwachting ook ondersteunend zijn bij de beoordeling van vervoersgeschiktheid van melkkoeien.
Onderschrijft u dat het huidige veehouderijsysteem ernstig en structureel lijden van dieren veroorzaakt dat ook met betere handhaving niet kan worden opgelost en dat daarom ook (fundamentele) verandering van het systeem zelf nodig is? Zo nee, waarom niet?
Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Via het toezicht wordt risicogericht gecontroleerd of ondernemers zich aan wet- en regelgeving houden. En als overtredingen worden geconstateerd moeten maatregelen er voor zorgen dat de naleving en daarmee het dierenwelzijn wordt bevorderd. Zoals al eerder aangegeven is het aan de houders van dieren om het dierenwelzijn te allen tijden te borgen.
Kunt u bevestigen dat de Europese Transportverordening ruimte biedt voor lidstaten om strengere maatregelen te nemen ter verbetering van het welzijn van dieren voor binnenlands transport en slacht (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1010)?
De Europese Transportverordening biedt ruimte voor lidstaten om strengere eisen aan diertransport te stellen voor transporten die geheel op het eigen grondgebied plaatsvinden. Dit geldt dus alleen voor eisen aan diertransport en niet voor eisen aan slacht.
Bent u bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden in nationale wetgeving? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet bereid om die ruimte te benutten en verzamelcentra voor binnenlands transport en slacht te verbieden. Het verbieden van het gebruik van verzamelcentra voor nationaal transport lost niet het probleem van het vervoer van niet-transportwaardige dieren op. Door nationaal gebruik te verbieden, bewerkstellig ik ten eerste mogelijk dat dieren die normaal gesproken in Nederland zouden blijven, dan juist naar het buitenland getransporteerd worden en zo mogelijk nog langer onderweg zijn.
Een tweede mogelijk negatief neveneffect kan zijn dat een veehouder dieren die hij af wil voeren – bijvoorbeeld omdat ze minder productief geworden zijn om welke reden dan ook – op zal sparen. Tot er genoeg zijn om een (kleine) veewagen te vullen. Dieren blijven dan langer op de veehouderij, terwijl voor deze einde-carrière-dieren eerder afvoeren juist beter is. Een derde mogelijk negatief neveneffect is dat handelaren dan dieren vaker gaan verzamelen op de wagen – wat beperkt mogelijk is volgens Europese wet- en regelgeving – waardoor dieren ook mogelijk langer op de veewagen door moeten brengen dan wanneer ze via een verzamelcentrum naar de eindbestemming gaan. Een laatste mogelijkheid is dat dieren dan vaker verzameld worden op plaatsen waar dat niet is toegestaan en op deze manier aan het toezicht worden onttrokken.
Het is echt aan de bedrijven in de vleesketen zelf om te voorkomen dat niet transportwaardige dieren nog op transport gaan. Vervoerders moeten alleen dieren inladen die geschikt zijn voor transport en veehouders moeten ervoor zorgen dat zij dieren die niet transportwaardig zijn ook niet aanbieden voor transport. Dit laatste kan gedaan worden door tijdig te besluiten dat een dier het bedrijf moet verlaten, en als dit niet tijdig is voorzien, het dier op het bedrijf te laten euthanaseren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het commissiedebat Dieren in de Veehouderij en de NVWA van 23 april?
Jazeker.
Het bericht 'Kanye West mag Verenigd Koninkrijk niet in' |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het Verenigd Koninkrijk (VK) Kanye West (Ye) de toegang heeft geweigerd vanwege herhaaldelijke antisemitische uitlatingen en verheerlijking van Hitler?1
Bent u bekend met het feit dat deze artiest in juni een optreden in Nederland gepland heeft?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke mogelijkheden u hebt om een buitenlandse artiest de toegang te weigeren of aanvullende voorwaarden te stellen, wanneer sprake is geweest van ernstige haatdragende of extremistische uitingen?
Bent u voornemens om in dit specifieke geval, in navolging van het VK, van deze mogelijkheden gebruik te maken en West de toegang tot Nederland te weigeren?
Zo nee, kunt u toelichten hoe het Nederlandse toetsingskader op dit punt verschilt van dat van het VK, en kunt u toelichten waarom het VK in dit geval wel tot weigering is overgegaan?
Is er voorafgaand aan het aangekondigde optreden in Arnhem contact geweest tussen het Rijk, de gemeente Arnhem, politie of andere betrokken instanties over mogelijke veiligheidsrisico’s of maatschappelijke spanningen rond dit concert?
Hoe weegt u in dit soort gevallen de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid tegenover de verantwoordelijkheid van de overheid om haatzaaien en normalisering van extremisme tegen te gaan?
Bent u bereid te bezien of het huidige juridische instrumentarium voldoende is om op te treden tegen de komst van personen die door hun gedrag of uitingen bijdragen aan antisemitisme of extremistische ideologieën, en zo nodig verbeteringen te verkennen?
Het bericht 'Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs' |
|
Etkin Armut (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meer meldingen van geweld uit naam van familie-eer, vaak Syriërs»?1
Hoe duidt u de stijging van het aantal meldingen van eergerelateerd geweld, van 673 gevallen in 2024 naar 757 in 2025?
In hoeverre is volgens u sprake van een daadwerkelijke toename van eergerelateerd geweld, los van een toename aan meldingen?
Klopt het dat in een aanzienlijk deel van de gemelde zaken personen met een Syrische achtergrond betrokken zijn, zoals gemeld in het artikel? Zo ja, hoe duidt u die cijfers?
Klopt het dat een deel van deze zaken voorkomt bij personen die nog maar relatief kort in Nederland verblijven? Zo ja, wat betekent dit volgens u voor het asiel- en integratieproces?
Wordt in de asielopvang en bij gemeenten actief gesignaleerd op risico’s of verdenkingen van eergerelateerd geweld? Zo ja, welke instrumenten en protocollen worden hiervoor gebruikt en hoe wordt expertise gedeeld met politie, Veilig Thuis en andere betrokken instanties?
Hoe is de samenwerking georganiseerd tussen politie, Veilig Thuis, gemeenten, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en andere betrokken organisaties wanneer signalen van eergerelateerd geweld ontstaan binnen migrantengemeenschappen of in de asielopvang?
Welke maatregelen worden genomen om potentiële slachtoffers van eergerelateerd geweld, waaronder vrouwen, minderjarigen en LHBTI-personen, tijdig te beschermen?
Deelt u de opvatting dat eergerelateerd geweld een ernstige aantasting vormt van de Nederlandse rechtsorde en fundamentele vrijheden?
Welke gevolgen kan betrokkenheid bij eergerelateerd geweld hebben voor het verkrijgen of behouden van een verblijfsvergunning, ook wat betreft verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd?
In hoeverre kan een verdenking, vervolging of veroordeling voor eergerelateerd geweld aanleiding zijn om een verblijfsvergunning te weigeren of in te trekken?
Hoe vaak is in de afgelopen vijf jaar een verblijfsvergunning geweigerd of ingetrokken vanwege betrokkenheid bij geweld binnen de familie- of eersfeer?
Acht u het huidige instrumentarium binnen het vreemdelingenrecht voldoende om op te treden tegen personen die zich schuldig maken aan eergerelateerd geweld, of ziet u aanleiding om dit aan te scherpen?
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
Het Jaarverslag van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld 2025 |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het jaarverslag 2025 van het Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld (LEG EGG)?
Hoe duidt u de stijging van het aantal gemelde zaken bij het LEC EGG van 674 in 2024 naar 757 in 2025? In hoeverre is deze toename volgens u het gevolg van een daadwerkelijke toename van het aantal zaken of van een betere herkenning en meldingsbereidheid?
Hoe verhoudt het aantal zaken van 757 zich tot het totale aantal eergerelateerde geweldszaken dat bij de politie in beeld komt, inclusief zaken die niet aan het LEC EGG worden voorgelegd?
Kunt u de 757 zaken uitsplitsen in hoeveel zaken er een vrouwelijk slachtoffer en in hoeveel zaken een mannelijk slachtoffer? Kunt u met de Kamer delen wat potentiële motieven kunnen zijn voor eergerelateerd geweld met mannelijke slachtoffers?
Hoe verklaart u de regionale verschillen waarbij de politie-eenheden in Den Haag, Midden-Nederland en Oost-Nederland de meeste zaken aandragen? Is er voor deze politie-eenheden meer onderwijs geweest voor een betere en snellere herkenning van de problematiek?
Welke maatregelen worden genomen om basiskennis over eergerelateerd geweld voor alle politie-eenheden op een vergelijkbaar niveau te brengen?
Wat is uw beeld van waar eergerelateerd geweld het eerst in beeld komt? Is dit bij de politie of bij hulpverleningsinstanties?
Hoe ziet de huidige samenwerking tussen politie, hulpverlening en opvanginstellingen eruit bij vermoedens van eergerelateerd geweld?
Kunt u de checklist waarover wordt gesproken in het jaarverslag met de Kamer delen?
Hoe beoordeelt u het feit dat in bijna de helft van de zaken deze checklist ontbreekt? Worden er op dit moment nog maatregelen genomen om het gebruik van de checklist te bevorderen, na een eerdere poging in 2019?
Hoe duidt u dat de meeste meldingen vanuit de Syrische gemeenschap komen? Wordt er in beleid specifiek aandacht besteed aan deze groep om voorlichting te geven over deze problematiek?
Zijn er op dit moment wensen en/of plannen om de capaciteit of de middelen van het LEC EGG uit te breiden, gezien de jaarlijkse stijging van het aantal zaken?
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Becker voor een nieuw meerjarenplan zelfbeschikking en een versterkte aanpak van schadelijke praktijken (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 17)?
Welke rol speelt eergerelateerd geweld binnen het beleid rond femicide en geweld tegen vrouwen?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een gerechtelijk uitreisverbod bij risico op genitale verminking in het buitenland?
Bent u bereid binnen twee maanden een voorstel naar de Kamer te sturen waarin u de regeerakkoordafspraak uitwerkt voor een strafverzwaringsgrond voor strafbare feiten als het plegen of medeplegen van eergerelateerd geweld?
Bent u bereid binnen twee maanden de uitwerking naar de Kamer te sturen van de regeerakkoordafspraak dat er een adviesplicht komt bij signalen van huiselijk geweld en andere schadelijke praktijken voor onderwijs- en zorgprofessionals?
Het bericht ‘700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen’ |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Slaan bij u niet de stoppen door bij het lezen van het bericht «700 euro voor een half uur werk: malafide elektriciens via Google lichten klanten op in Rijssen»?1 Hoe luidt uw reactie op dit bericht?
Het bericht is zorgelijk. Het beschreven geval, waarbij een consument 700 euro betaalt voor een half uur werk, het probleem onopgelost blijft en contact achteraf onmogelijk blijkt, illustreert een problematiek die al jaren speelt en die ik en mijn ambtsgenoot de Minister van Justitie en Veiligheid serieus nemen. Mensen die in een spoedsituatie snel een vakman nodig hebben zijn kwetsbaar voor dit soort praktijken.
De problematiek van malafide spoeddiensten die via internet consumenten oplichten is helaas niet nieuw. Zij deed zich eerder ook voor bij slotenmakers en loodgieters, en heeft inmiddels tot concrete handhaving geleid, waarop ik in de beantwoording van de volgende vragen nader inga. Het bericht en de toename in meldingen bij zowel ACM als de politie laten zien dat vergelijkbare praktijken zich ook bij elektriciens voordoen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de politie zijn op de hoogte van deze bredere problematiek en hebben hier actief stappen in gezet.
Kunt u meer delen over de aard en schaal van de schokkende problematiek van dergelijke malafide bedrijven, nadat eerder ook malafide slotenmakers in het nieuws kwamen en daar Kamervragen over werden gesteld?2 Indien er geen cijfers beschikbaar zijn, bent u dan bereid om de aard en schaal van deze problematiek beter in kaart te brengen?
Uit eerder onderzoek van de ACM is gebleken dat het gaat om georganiseerde netwerken van personen en bedrijven die stelselmatig van naam, website en telefoonnummer wisselen en professionele verhullingstechnieken toepassen.3 Dezelfde netwerken zijn actief in meerdere branches: naast slotenmakers ook bij loodgieters, elektriciens, rioolontstoppers, dakdekkers, schoorsteenvegers, ongediertebestrijders en pechhulp voor gemotoriseerd verkeer.
In 2025 heeft de ACM ruim duizend meldingen ontvangen die te relateren zijn aan deze problematiek bij «spoeddiensten», een toename van ruim 50% ten opzichte van 2024. De politie ziet ook een toename in het aantal meldingen: in de eerste negen maanden van 2025 lag het gemiddelde op 87 meldingen per maand, in het laatste kwartaal van 2025 op 150 meldingen per maand. In de eerste drie maanden van 2026 lag het gemiddelde op 141 meldingen per maand, waarbij het werkelijke aantal naar verwachting hoger ligt vanwege een na-ijleffect in de registratie van de meldingen.
Het is niet zeker of de problemen daadwerkelijk vaker voorkomen (dit lijkt wel aannemelijk) of dat mensen deze problemen enkel vaker melden bij de ACM en politie. Media-aandacht leidt er vaak toe dat het aantal meldingen toeneemt, omdat terecht wordt opgeroepen om problemen te melden bij betrokken instanties.
Welke (juridische) stappen kunnen gedupeerden zetten nadat ze slachtoffer zijn geworden van malafide vakmensen als malafide elektriciens, loodgieters en slotenmakers? Kunnen gedupeerden volgens u voldoende worden geholpen door bijvoorbeeld politie en banken? Zo nee, wat bent u van plan om te doen om het perspectief voor deze groep te verbeteren?
Gedupeerden die slachtoffer zijn geworden van malafide aanbieders van spoeddiensten kunnen een aantal stappen ondernemen. Ten eerste kunnen zij aangifte doen bij de politie van, afhankelijk van het specifieke geval, bijvoorbeeld oplichting (artikel 326 WvSr), valsheid in geschrifte (artikel 225 WvSr) of vernieling (artikel 350 WvSr). Daarnaast kunnen zij melding doen bij de Fraudehelpdesk, de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Ook kunnen zij contact opnemen met de bank om te laten onderzoeken of een eventuele betaling nog gestorneerd kan worden.
Tot slot kunnen gedupeerden een zaak starten, bijvoorbeeld via het Juridisch Loket of hun rechtsbijstandsverzekering. De gedupeerde stelt de malafide vakmensen dan officieel in gebreke waarna er in sommige gevallen via een geschillencommissie, beslaglegging of door tussenkomst van een rechter schade verhaald kan worden.
Op dit moment lopen er op deze problematiek een aantal strafrechtelijke onderzoeken. Zo is in 2023 een landelijke bende van criminele elektriciens aangehouden. De politie heeft het aangifteproces aangepast zodat gedupeerden sneller en eenvoudiger aangifte kunnen doen. In algemene zin geldt dat de capaciteit van politie schaars is en er, onder gezag van het Openbaar Ministerie, altijd keuzes gemaakt zullen worden over de inzet ervan.
Heeft de politie volgens u voldoende grip op de opsporing en het aanpakken van deze malafide elektriciens? Kan er bijvoorbeeld voldoende opvolging worden gegeven aan aangiftes die worden gedaan? Zo nee, wat zou volgens de politie helpen?
Zie antwoord vraag 3.
Is er voldoende capaciteit bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM) om dergelijke malafide praktijken aan te pakken? Zo nee, wat is nodig om deze capaciteit beter op orde te krijgen? Op welke manier zou de handhaving door de ACM volgens u kunnen worden verbeterd?
De aanpak van malafide spoeddiensten ligt bij meerdere instanties, waaronder de ACM, de politie en de FIOD. De ACM kan handhaven als sprake is van een collectieve inbreuk in het consumentenrecht, zoals misleiding of agressieve handelspraktijken. In de praktijk blijkt echter dat malafide spoeddiensten vaak opereren als criminele netwerken die zich schuldig maken aan strafrechtelijk handelen zoals oplichting, btw-fraude en witwassen. In dat geval zijn politie en FIOD de aangewezen instanties. Tussen de handhavingsinstanties wordt intensief samengewerkt en worden signalen uitgewisseld.
Een specifieke uitdaging bij de handhaving door de ACM is dat overtreders zich vaak niet goed identificeren, zich verhullen achter lege of opgeheven rechtspersonen of buitenlandse entiteiten en geen vaste vestigingsplaats hebben. Dergelijke omstandigheden hinderen het reguliere handhavingsinstrumentarium van de ACM en verhogen de onderzoeks- en handhavingskosten aanzienlijk met een onzeker resultaat.
Naast handhaving zet de ACM in op voorlichting om consumenten weerbaarder te maken. Consumenten worden geadviseerd niet direct op de bovenste link in zoekresultaten te klikken, omdat dit vaak een advertentie betreft, en vooraf duidelijke afspraken te maken over prijs en werkzaamheden. Meer tips zijn te vinden op ACM ConsuWijzer.4
Klopt het dat advertenties van loodgieters en slotenmakers inmiddels worden geweerd van Google? Geldt dit ook voor andere zoekmachines? In hoeverre is hierdoor de problematiek van malafide loodgieters en slotenmakers afgenomen?
Na overleg met de ACM heeft Google in 2021 toegezegd dat onbetrouwbare slotenmakers niet langer gebruik kunnen maken van Google Advertenties.5 Begin 2024 heeft Google daarnaast besloten geen advertenties van loodgieters meer te tonen.6
Of en in hoeverre de problematiek hierdoor is afgenomen valt moeilijk te beoordelen. Acties van Google hebben een hinderend effect op advertenties van malafide partijen, die na de acties zichtbaar afnemen. Tegelijkertijd vinden malafide partijen ook andere wegen om consumenten te benaderen. Bovendien leiden naast advertenties ook reguliere zoekresultaten naar websites van malafide bedrijven, waardoor het probleem hiermee niet volledig wordt opgelost. Een algeheel advertentieverbod voor alle spoeddiensten is niet proportioneel, omdat ook betrouwbare partijen adverteren en zij niet de dupe mogen worden van de aanpak.
Voor zover mij bekend zijn er door de ACM geen afspraken met andere zoekmachines gemaakt.
Zijn u of de ACM bereid om grote zoekmachines te vragen om voortaan snel advertenties te weren als er signalen komen over oplichting door malafide vakmensen, zoals in dit geval elektriciens? Zo nee, waarom deze weerstand?
Grote zoekmachines zoals Google hebben onder de Digitaledienstenverordening (DSA) verplichtingen die bijdragen aan de aanpak van dit soort misleidende praktijken. Ten eerste kwalificeert de zoekmachineadvertentiedienst van Google als hostingdienst onder de DSA. Dit betekent dat Google, zodra zij signalen ontvangt over illegale inhoud via advertenties, die meldingen tijdig en zorgvuldig moet behandelen en de betreffende advertenties moet verwijderen. Op grond van de DSA kan echter geen algemene verplichting worden opgelegd om alle informatie vooraf actief te monitoren.
Ten tweede zijn online platformen op grond van artikel 26 van de DSA verplicht transparantie te bieden over reclames. Voor elke advertentie moet duidelijk zijn dat het om reclame gaat, wie de adverteerder is, wie ervoor betaalt en waarom de advertentie wordt getoond. Dit vergroot de mogelijkheid om malafide adverteerders te identificeren en aan te pakken. Daarnaast moeten platformen maatregelen nemen om de identiteit van adverteerders te kennen en te verifiëren.
De ACM is niet de bevoegde toezichthouder op zeer grote online zoekmachines zoals Google onder de DSA. Omdat Google zijn Europese hoofdkantoor in Ierland heeft, is de Ierse toezichthouder primair bevoegd. Daarnaast heeft de Europese Commissie een rol bij de handhaving jegens zeer grote online platforms en zoekmachines. De ACM kan wel signalen doorgeven aan deze toezichthouders. Daarnaast voert de ACM in de praktijk gesprekken met platforms en zoekmachines, waaronder Google, en brengt zij dit soort kwesties daarin onder de aandacht.
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
Ongewenste financiële constructies |
|
Julian Bushoff (PvdA), Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat uitkering van toekomstige winst door een besloten vennootschap (BV) in de regel leidt tot een gelijk bedrag aan schulden aan banken, leveranciers en consumenten?
Hoe vaak komt het volgens u voor dat ondernemingen overgaan tot het uitkeren van toekomstige winst? In welke sectoren komt dit vaak voor en bij welke financieringsmodellen?
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is als ondernemingen schulden aangaan om aandeelhouders vooruit te financieren in plaats van om te investeren?
Kunt u aangeven in hoeverre de in 2012 doorgevoerde flexibilisering van het BV-recht, waaronder de mogelijkheid om toekomstige winst uit te keren in plaats van reeds gerealiseerde winst, daadwerkelijk heeft geleid tot meer bedrijvigheid?
Wat vindt u ervan dat het uitkeren van toekomstige winst kan leiden tot het aangaan van bedrijfsvreemde schulden ten laste van de onderneming en daarmee ten koste kan gaan van crediteuren? Zo ja, ziet u aanleiding deze mogelijkheid te beperken?
Deelt u de opvatting dat rente op schulden die zijn aangegaan ter financiering van uitkeringen aan aandeelhouders – zoals uitkeringen van toekomstige winst – in beginsel niet aftrekbaar zou moeten zijn voor de vennootschapsbelasting, en niet alleen wanneer deze rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam zoals bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u aangeven of in de ons omringende landen rechtspersonen vergelijkbaar met de Nederlandse BV de mogelijkheid hebben om onder voorwaarden toekomstige winst uit te keren?
Bent u bekend met de praktijk dat na het afschaffen van de anti-financiële-steunmaatregel voor de BV (artikel 2:207c van het BW) het bestuur in de praktijk vaak de overnameschuld garandeert, terwijl daar in de vereiste afweging tegenover geen wezenlijke tegenprestatie staat? Kunt u hierop reflecteren?
Deelt u de opvatting dat de gedachte achter anti-financiële-steunmaatregelen is dat ondernemingen gevrijwaard dienen te blijven van lasten die buiten de onderneming liggen, en dat overnameschulden – die vaak zijn afgeleid van de koopsom en daarmee van toekomstige winstverwachtingen – disproportioneel kunnen zijn voor de bestaande onderneming?
Bent u bekend met de praktijk dat een overgenomen vennootschap juridisch wordt gefuseerd met het acquisitievehikel, waardoor de overnameschuld uiteindelijk rust op de gefuseerde onderneming?
Deelt u de opvatting dat een dergelijke constructie onwenselijk is omdat hierdoor bedrijfsvreemde schulden op de onderneming worden afgewenteld, zoals onder meer aan de orde was in de Estro-kinderopvangzaak? Zo nee, waarom niet?
Ziet u het als een optie om de anti-financiële-steunmaatregelen die voorheen voor de BV golden – en die nog steeds gelden voor de NV – opnieuw voor de BV in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Is het wat u betreft een goed idee om juridische fusies die uiteindelijk de gefuseerde onderneming haar overnameschulden laten dragen te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Acht u het wenselijk de huidige anti-financiële-steunmaatregel voor de NV uit te breiden om doorleenstructuren, zoals aan de orde in de zaak Muller tegen Rabobank Katwijk, tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat wanneer persoonlijke belangen van een bestuurder niet stroken met het belang van de vennootschap, deze bestuurder zich dient te onthouden van besluitvorming? Ziet u mogelijkheden om dit principe wettelijk te borgen?
Deelt u de opvatting dat een bestuurder die aanzienlijke persoonlijke financiële belangen heeft in de vennootschap – bijvoorbeeld door lucratieve aandelenbelangen, schuldfinanciering voor de aankoop van aandelen of verplichtingen uit een aandeelhoudersovereenkomst – een verhoogd risico loopt primair in het belang van aandeelhouders te handelen en niet alle belangen van de vennootschap en haar stakeholders te wegen?
Bent u van mening dat dergelijke regelingen kunnen leiden tot een persoonlijk belang in de zin van het vennootschapsrecht?
Deelt u de opvatting dat dergelijke constructies het risico met zich brengen dat het stakeholdermodel feitelijk wordt ingeruild voor een aandeelhoudersmodel?
Acht u het wenselijk dat de continuïteit van ondernemingen in sectoren zoals kinderopvang, ouderenzorg en gezondheidszorg in gevaar kan komen doordat deze ondernemingen worden belast met bedrijfsvreemde schulden die zijn ontstaan bij overnames, juridische fusies of uitkeringen van toekomstige winst?
In welke van de ons omringende landen bestaat de mogelijkheid om een stichting of een vergelijkbare rechtspersoon om te zetten in een BV of een vergelijkbare vennootschap?
Hoe is in Nederland het toezicht geregeld op het gebruik van beklemd vermogen van stichtingen, en hoe wordt gewaarborgd dat dit vermogen wordt aangewend voor het oorspronkelijke doel van de stichting?
Bent u bekend met het feit dat financiële partijen toenemende belangstelling tonen voor de overname van ondernemingen in de kinderopvang, gezondheidszorg en ouderenzorg die vaak in de vorm van een stichting opereren?
Bent u bekend met signalen dat beklemd vermogen van dergelijke organisaties in de praktijk kan verwateren en uiteindelijk bij aandeelhouders terecht kan komen? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Kunt u een overzicht verstrekken van alle stichtingen die sinds 2015 zijn omgezet in een BV, inclusief de namen van deze rechtspersonen?
Wat verstaat u onder «private equity»?
Wat verstaat u onder «de uitwassen van private equity» (coalitieakkoord, pagina 67)?
Hoe gaat u «de uitwassen van private equity» inperken?
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?