Het bericht ‘Kiev roep om tanks: “Duitsland, we wachten op uw belofte”’ |
|
Agnes Mulder (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Oekraïense autoriteiten Duitsland verzoeken tanks te leveren?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat Westerse militaire steun doorslaggevend is voor het verloop van de oorlog in Oekraïne en het daarom van groot belang is dat Nederland, samen met onze bondgenoten, Oekraïne van wapens en wapensystemen blijft voorzien?
De oorlog is ruim zeven maanden bezig. Oekraïne verdedigt zich effectief en moedig tegen de Russische agressie en wint gestaag terrein. Oekraïne heeft nadrukkelijk behoefte aan meer materiële steun om weerstand te kunnen blijven bieden tegen Rusland. Het Nederlandse kabinet acht het van onverminderd belang om bij te blijven dragen aan de Oekraïense zelfverdediging. Het spreekt voor zich dat we daarin gezamenlijk optrekken met onze bondgenoten.
Herinnert u zich de aangenomen motie Sjoerdsma c.s. (21 501-02, nr. 2499) waarin de regering onder andere wordt verzocht om er bij bondgenoten op aan te dringen om met spoed meer wapens te leveren aan Oekraïne en beloofde leveranties uit te voeren?
Ja.
Klopt het dat Duitsland vooralsnog geen gevechtstanks heeft geleverd aan Oekraïne, ondanks eerdere Duitse toezeggingen over het leveren van zware wapensystemen aan Oekraïne?
U kunt op de website van de Duitse overheid lezen welke militaire steun Duitsland levert.2
Heeft u, conform bovengenoemde motie, contact gehad met uw Duitse ambtgenoten over het verzoek van Oekraïne aan Duitsland over het leveren van tanks? Zo ja, welke redenen geven zij om niet over te gaan tot het leveren van gevechtstanks aan Oekraïne? En zo nee, bent bereid hierover met uw Duitse ambtgenoten in gesprek te treden?
Nederland is voortdurend in contact met bondgenoten over het leveren en intensiveren van militaire steun, ook met Duitsland. Hierbij wordt uiteraard ook gekeken naar verdere samenwerkingsmogelijkheden met Duitsland. Zo hebben Nederland en Duistland gezamenlijk achttien pantserhouwitsers geleverd.3 Het kabinet doet geen uitspraken over de overwegingen van bondgenoten ten aanzien van militaire steun.
Welke mogelijkheden ziet u om Duitsland op korte termijn te bewegen gevechtstanks te leveren aan Oekraïne?
Zie het antwoord op vraag 5.
Wat vindt u ervan dat de Duitse wapenfabrikant Rheinmetall al in mei van dit jaar aangaf afgedankte Leopard- en Marder-tanks te kunnen oplappen en opsturen naar Oekraïne, maar de Duitse regering geen gehoor heeft gegeven aan dit aanbod in verband met NAVO-afspraken? Klopt het dat er in NAVO-verband afspraken bestaan over tanks die niet in gebruik zijn? En, zo ja, kunt u er binnen de NAVO voor pleiten dat afgedankte gevechtstanks beschikbaar worden voor levering aan Oekraïne?
Nederland is geen partij bij de gesprekken tussen Oekraïne, het bedrijf Rheinmetall en de Duitse regering.
De vraag van Oekraïne is leidend voor de steun die Nederland levert. Er zijn in NAVO-verband geen afspraken gemaakt over het type militair materiaal dat individuele bondgenoten aan Oekraïne leveren. De beslissing om militaire steun te verlenen aan Oekraïne is aan individuele bondgenoten, waarbij zij uiteraard gebonden zijn aan nationale wet- en regelgeving. Bondgenoten bespreken onderling en in dialoog met de defensie-industrie hoe de levering van militair materieel aan Oekraïne uit eigen voorraad of via verwerving kan worden geïntensiveerd.
In hoeverre deelt u de analyse van onder andere Sönke Neitzel, professor militaire geschiedenis aan de universiteit van Potsdam, dat Duitsland beducht is voor een alleingang en daarom pas bepaalde wapenleveranties durft te leveren indien andere bondgenoten tegelijkertijd vergelijkbare wapensystemen leveren?2 Op welke wijze kan dit sentiment worden ondervangen? Ziet u mogelijkheden om samen met Duitsland en andere NAVO-partners op te trekken om deze wapens alsnog te leveren?
Wij zijn bekend met de analyse van professor Neitzel. Het is van belang om als internationale gemeenschap zoveel mogelijk gezamenlijk op te trekken om te doen wat mogelijk is om Oekraïne te ondersteunen. Daarom blijven we partners aansporen om Oekraïne te steunen en blijven we ons inzetten voor internationale coördinatie van die steun. Dit doen we tijdens de verschillende internationale fora over de coördinatie van steun aan Oekraïne waar Nederland bij aansluit, maar ook en marge van bijeenkomsten als de Europese Raad, NAVO ministeriële bijeenkomsten en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. De recente successen van het tegenoffensief van het Oekraïense leger laten zien dat de hulp goed gebruikt wordt.
De vergunningsaanvragen in de visserijsector |
|
Thom van Campen (VVD), Peter Valstar (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU), van der Ch. Wal-Zeggelink |
|
|
|
|
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van de leden Valstar en Van Campen over de garnalenkotters en de benodigde aanvraag van nieuwe vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb) van 24 februari jongstleden?1
Ja.
Klopt het dat vigerende vergunningen op basis van de Wnb in de visserijsector verlopen op 1 januari 2023? Op grond van welk besluit, bepaling of uitspraak verlopen deze vergunningen? Klopt het ook dat ondernemers voor 1 juli 2022 een nieuwe vergunning hadden moeten aanvragen? Zo ja, waarom is dit het geval? Geldt dit alleen voor garnalenvissers of ook voor andere vissers?
De vigerende vergunningen lopen inderdaad op 1 januari 2023 af. De looptijd is in een specifiek, in de vergunningen opgenomen voorschrift vastgelegd. Ook de voorgaande natuurvergunningen zijn telkens voor een afgebakende periode verleend.
Vanuit het Ministerie van LNV is vroegtijdig aan de vertegenwoordigers van de garnalensector geadviseerd om zo spoedig mogelijk een nieuwe vergunning aan te vragen. Daarbij is 1 juli 2022 genoemd als uiterste datum waarop aangevraagd zou moeten worden om, vanwege de opvolgende besluitvormingsprocedure (inclusief inspraakperiode), tijdig te kunnen beslissen. De besluitvormingsprocedure beslaat meerdere maanden.
Vanuit de sector zijn, nog lopende het vooroverleg over deze aanvragen, op 30 juni jl. diverse vergunningaanvragen ingediend. Deze waren echter niet volledig. Daarom was er een noodzaak tot het vragen om aanvulling. Deze aanvullende informatie is inmiddels aangeleverd. Ook deze informatie blijkt niet volledig. Daarom is een tweede aanvullingsverzoek bij de aanvragers neergelegd.
Aan iedere aanstaande vergunning aanvrager wordt standaard geadviseerd om vroegtijdig in overleg met het ministerie te treden en ruim voorafgaand aan het verlopen van een nog geldige natuurvergunning, een aanvraag in te dienen. Dit is een algemene lijn en geldt dus, onder andere, ook voor andere vissers.
Hoeveel vigerende vergunningen op basis van de Wnb bestaan er op dit moment in de garnalenvisserij en kunt u een overzicht geven van de uitgegeven vergunningen in de afgelopen tien jaar?
Momenteel beschikken in totaal 218 Nederlandse vissers/visserijbedrijven over een natuurvergunning. Daarvan worden 9 vergunningen momenteel niet gebruikt, de overige wel. Er zijn 40 Belgische vergunninghouders, 21 daarvan benutten hun vergunning daadwerkelijk.
Per besluit van 22 april 2009 is een vergunning verleend met een looptijd tot en met 31 december 2013 (ook voorafgaand aan die vergunning werden er natuurvergunningen voor deze visserij verleend). Daarna volgde een vergunning loze periode van 1 april 2014 tot en met 10 februari 2015.
Per besluit van 11 februari 2015 is een vergunning verleend aan 179 vissers/visserijbedrijven met een looptijd tot en met 31 december 2016.
Per besluit van 11 februari 2015 is daarnaast nog een natuurvergunning verleend aan een tweede groep van 80 vissers/visserijbedrijven met eenzelfde looptijd tot en met 31 december 2016.
Per besluit van 15 december 2016 zijn natuurvergunningen verleend aan diverse vissers/visserijbedrijven tot en met 31 december 2022.
Per besluit van 16 februari 2017 zijn natuurvergunningen verleend aan diverse vissers/visserijbedrijven met allemaal eenzelfde looptijd tot en met 31 december 2022.
Per besluit van 17 mei 2018 is met dezelfde looptijd een vergunning verleend aan diverse Belgische vissers/vissersbedrijven voor een viertal Nederlandse Natura 2000-gebieden. Deze vergunning is op verzoek van de Belgische vissers inmiddels ingetrokken.
Hoeveel ondernemers in de garnalenvisserij hebben tot 1 juli 2022 een nieuwe vergunningsaanvraag op basis van de Wnb gedaan? Zijn er daarna nog aanvragen gedaan. Zo ja, hoeveel aanvragen? Bestaat er nog een mogelijkheid om deze in behandeling te nemen? Indien nee, waarom niet?
In verband met de stikstofeisen hebben momenteel in totaal 193 individuele vissers/visserijbedrijven een natuurvergunning aangevraagd. Zij hebben allen op 30 juni 2022 hun aanvraag ingediend. Daarna zijn geen nieuwe aanvragen gedaan. Eventueel nog nieuw te ontvangen aanvragen kunnen te allen tijde in behandeling genomen worden, uiteraard mits zij volledig en juist zijn onderbouwd. Voor de doorloop in procedure, ook in relatie tot de nu al ingediende vergunningaanvragen, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2. Tot op heden zijn de natuurvergunningen altijd verleend aan individuele vissers en visserijbedrijven op basis van een collectief geldende onderbouwing. In de nieuwe aanvragen doen zij dat ook, maar differentiëren zij hun eigen aanvraag op het punt van stikstof.
Hoeveel ondernemers in de garnalenvisserij hebben sinds de openstelling op 1 september jongstleden gebruik gemaakt van de «saneringsregeling visserij»?2
Op dit moment kunnen vissers zich aanmelden voor deze regeling. De Brexit Adjustment Reserve-saneringsregeling is echter niet gericht op garnalenvissers, omdat deze voor het overgrote deel niet geraakt zijn door de gevolgen van de Brexit. Ze vissen immers voornamelijk dicht onder de kust en niet in de wateren van het Verenigd Koninkrijk.
Wat is uw reactie op de argumentatie van de Nederlandse Vissersbond dat de visserij bestaand gebruik is, de maximaal mogelijke emissies en deposities sinds de referentiedatum 10 juni 1994 en ook ten opzichte van latere referenties zijn afgenomen en daardoor een passende beoordeling van effecten als gevolg van stikstofemissies niet nodig zou zijn?
De Landsadvocaat heeft mij over deze kwestie geadviseerd. Het verzoek om nader advies aan de Landsadvocaat vloeit voort uit een bestuurlijk gemaakte afspraak tussen de sectorvertegenwoordigers en het Ministerie van LNV. De sectorvertegenwoordigers hadden mij hierom verzocht. Ik heb mij nauwkeurig op het afgegeven advies beraad en geconcludeerd dat er geen sprake is van bestaand recht of bestaand gebruik.
De Landsadvocaat acht het uiterst onzeker of de specifieke vereisten voor het kunnen claimen van een dergelijk bestaand recht zijn in te vullen. Kortweg gesteld is het in de eerste plaats juridisch onzeker of, na het vervallen van de altijd tijdelijke afgegeven natuurvergunningen, dan teruggevallen kan worden op de visserijwetvergunningen als referentie voor een bestaand recht. En zou dat al kunnen dan zal ten tweede per visser/visserijbedrijf nog fysiek achterhaald moeten worden of en zo ja welk exacte bestaand recht, die visserijvergunning dan bevat qua gebruiksruimte. Ook acht de Landsadvocaat het juridisch niet verdedigbaar om in meer algemene zin, de visserijwet- en regelgeving aan te merken als grondslag voor een bestaand recht.
Het specifieke advies heb ik inmiddels met de sector gedeeld.
Wat is de huidige stand van zaken van de subsidieregeling (i.e. ingangsdatum, budget, inschrijvingsvoorwaarden) voor de garnalenvissers ten behoeve van de technische maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen, zoals genoemd in de antwoorden op eerder genoemende schriftelijke vragen?
De subsidieregeling is in concept gereed, deze is echter nog niet gepubliceerd omdat het vraagstuk over een eventueel aanwezig bestaand recht daarin ook relevant was (zie ook mijn antwoord op vraag 6). Indien een dergelijk bestaand recht aangenomen zou kunnen worden, is de aanschaf van een katalysator immers niet meer noodzakelijk en zouden vissers dus onnodig kosten maken. Beoogd wordt nu om de regeling in januari 2023 open te kunnen stellen.
Herkent u de kritiek dat deze subsidieregeling veel te laat komt voor de vissers om nog voor het einde van dit jaar de nodige investeringen te doen zodat ze aan de voorwaarden voor een nieuwe Wnb-vergunning kunnen voldoen? Indien ja, waarom is deze regeling zo laat? Indien nee, waarom niet?
Ik herken deze kritiek voor een deel, het was de bedoeling om de regeling open te stellen per 1 september. Dit had de sector de tijd gegeven om een katalysator aan te schaffen met subsidie. Ik heb de redenatie dat de garnalenvisserij een bestaand recht zou kunnen stellen, op nadrukkelijk verzoek van de sector zelf, aan de Landsadvocaat voorgelegd. Dit proces heeft helaas meer tijd gekost dan destijds voorzien. Ik vind het logisch dat de betrokken vissers eerst wachten met de aanschaf totdat duidelijkheid is over de kwestie rondom het bestaand recht. Het staat de vissers overigens natuurlijk geheel vrij om nu toch al een katalysator zelf, dus zonder subsidie, aan te schaffen.
Wat zegt u tegen ondernemers in de visserijsector die grote investeringen moeten doen in bijvoorbeeld een nieuwe motor of katalysator om aan de gestelde stikstofnormen te voldoen – bovendien in een economisch onzekere tijd – zonder de zekerheid te hebben dat die investering zinvol zal blijken bij een nieuwe Wnb-vergunningsaanvraag?
Ik heb alle begrip voor hun huidige lastige positie hierin. Ik zet mij ervoor in om hen zo spoedig mogelijk de gewenste duidelijkheid te geven.
De Minister voor Natuur en Stikstof is voornemens ook die ruimte te bieden door voor 9 maanden te gedogen (onder strikte voorwaarden). Tevens heeft zij de intentie om bij eventuele vergunningverlening, deze vergunning voor de aangevraagde zes jaar af te geven en zal ik een subsidieregeling openstellen om de vissers te stimuleren een katalysator aan te schaffen.
Hierbij geldt, zoals voor elke vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, dat de Minister voor Natuur en Stikstof altijd de mogelijkheid heeft om waar noodzakelijk op een lopende vergunning in te grijpen. Dit kan alleen op zwaarwegende gronden en op basis van objectieve, wetenschappelijke kennis.
De zorgbonus voor pgb-zorgverleners en de tegemoetkoming voor mantelzorgers naar aanleiding van het antwoord op eerdere Kamervragen |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Is het inmiddels geregeld dat Zvw-pgb zorgverleners een zorgbonus over 2020 en 2021 krijgen als zij voldoen aan de gestelde criteria en wanneer kunnen zij de bonus verwachten, gelet op het feit dat u in uw beantwoording van eerdere Kamervragen aangeeft dat er gewerkt wordt aan een oplossing om ook deze zorgverleners een zorgbonus te geven?1
Dit is nog niet geregeld.
Indien het nog steeds niet is geregeld, kunt u dan aangeven wat de stand van zaken is?
Met mijn brief van 22 april jongstleden2 waarmee ik de eerdere Kamervragen van het lid Westerveld (GL) over de zorgbonus voor pgb-zorgverleners en de tegemoetkoming voor mantelzorgers heb beantwoord, heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken op dat moment bij de zorgbonus voor pgb-zorgverleners die via de Zorgverzekeringswet betaald worden.
In die brief heb ik toegelicht dat pgb-zorgverleners die bekostigd worden via de Zvw nog niet zijn meegenomen in de eerdere uitwerking van de bonusregeling. In de brief van 26 oktober 20213 is nader ingegaan op de reden hiervan en de vraagstukken die zich bij de uitwerking van een regeling voor deze groep pgb-zorgverleners voordoen en de voorwaarden die aan de orde zijn om tot openstelling van een subsidieregeling over te gaan. Voorwaarden daarbij zijn dat de regelgeving op het gebied van privacy – mede gezien de verwerking van bijzondere persoonsgegevens – wordt geborgd, voldaan wordt aan de voorwaarden voor uitvoering zoals benoemd in mijn brief van 22 april jl en dat de regeling uitvoerbaar is.
Bij de ontwikkeling en uitvoering van de regeling spelen verschillende vraagstukken op het gebied van privacy. De reden hiervan is dat circa de helft van de groep pgb-budgethouders met een pgb-budget bekostigd uit de Zvw en de o.g.v. deze wet bekostigde werkzame zorgverleners niet bekend zijn bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB; de organisatie die de pgb bonus voor de andere wetten heeft uitgevoerd). Deze budgethouders declareren de kosten voor pgb-Zvw zorg rechtstreeks bij zorgverzekeraars. De voor deze groep budgethouders werkzame zorgverleners zijn ook niet bekend bij de zorgverzekeraar, waar de budgethouder de kosten voor werkzaamheden verricht door deze zorgverlener(s), in declaratie brengt. Dit bemoeilijkt uitvoering van de subsidieregeling door de SVB. Het ontbreekt namelijk aan zicht op de doelgroep, een wettelijke grondslag voor verwerking van de (bijzondere) persoonsgegevens van de budgethouder en zorgverlener en aan de benodigde informatie om te toetsen of de subsidie rechtmatig kan worden verstrekt.
Naast de mogelijkheid van het verkrijgen van een wettelijke grondslag onderzoek ik in overleg met de SVB onder meer de door u benoemde mogelijkheid van een beroep op uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene, één van de specifieke uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 9 lid 2 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) als uitzonderingsgrond voor het verbod op het verwerken van bijzondere persoonsgegevens.
Indien de hierboven benoemde aspecten tot een positief resultaat leiden en wordt voldaan aan de voorwaarden voor openstelling, waarbij de regelgeving op het gebied van privacy en de Comptabiliteitswet belangrijke aandachtspunten zijn, kan de regeling met mijn akkoord worden gepubliceerd en kan tot openstelling van het aanvraagloket voor beide bonussen (2020 en 2021) worden overgegaan. Ik verwacht u in het eerste kwartaal van 2023 hier nader over te informeren.
Klopt het dat budgethouders die vanuit de Zvw zorg regelen met een pgb jaarlijks bericht ontvangen van hun zorgverzekeraar met wijzigingen in de pgb-regelementen en dat zij jaarlijks een nieuwe toekenningsbeschikking met informatie over de hoogte van hun pgb ontvangen?
Het klopt dat verzekeraars budgethouders op de hoogte kunnen brengen van wijzigingen in de respectievelijke pgb-reglementen. Dit kan jaarlijks zijn, maar ook tussentijds bij bijvoorbeeld een wetswijziging. Daarbij is het aan de zorgverzekeraar op welke wijze en met welke regelmaat zij budgethouders op de hoogte brengen.
Budgethouders ontvangen van verzekeraars geen toekenningsbeschikking, maar een toekenningsverklaring. Dit omdat de verzekeraars privaatrechtelijk georganiseerd zijn en daarom niet kunnen beschikken. Wel klopt het dat zorgverzekeraars de bij hun aangesloten budgethouders kunnen benaderen over informatie over de toekenningsverklaring. Ook hier geldt dat dit niet noodzakelijk jaarlijks is en de verzekeraars zelf kiezen op welke wijze communicatie plaatsvindt.
Waarom kunnen zorgverzekeraars de budgethouders niet op de hoogte brengen van de mogelijkheid hun zorgverleners voor te dragen voor een zorgbonus als zij voldoen aan de voorwaarden? Is het mogelijk om de gegevens in samenspraak met en goedkeuring van desbetreffende zorgverlener (desnoods met het verstrekken van de zorgovereenkomst van de budgethouder en zorgverlener) te delen om de zorgbonus uit te kunnen betalen?
Het niet in beeld hebben van de doelgroep brengt vraagstukken met zich mee op het gebied van communicatie, het gebied van gegevensverwerking én rechtmatige verstrekking van de subsidie. Het enkel informeren van de doelgroep over de regeling biedt daarmee nog geen oplossing voor de uitvoeringsvraagstukken die vormgeving van deze regeling met zich brengt.
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 vermeld is een grondslag nodig voor de behandeling van een aanvraag, omdat de SVB hierbij persoonsgegevens verwerkt van zowel de pgb-budgethouder als de betreffende pgb-zorgverlener. We hebben dit ook met de Autoriteit Gegevensbescherming besproken.
Bij het verwerken van gegevens kan het onderscheid worden gemaakt tussen gewone en bijzondere persoonsgegevens. De grondslagen voor het verwerken van gewone persoonsgegevens zijn limitatief opgenomen in artikel 6 van de AVG. Het verwerken van bijzondere persoonsgegevens is verboden, tenzij een verwerkingsverantwoordelijke zich kan beroepen op een van de specifieke uitzonderingen die zijn opgenomen in artikel 9 lid 2 van de AVG.
Het feit dat iemand een pgb heeft zegt iets over de medische achtergrond van de pgb-budgethouder. Daarmee is het een bijzonder persoonsgegeven namelijk een gegeven omtrent de gezondheid. Hierdoor is naast een grondslag in artikel 6 AVG ook een uitzonderingsgrond in artikel 9 AVG noodzakelijk.
Een van die uitzonderingen kan zijn een uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Ik onderzoek op dit moment onder meer of dit kan leiden tot de noodzakelijke grondslag voor gegevensverwerking.
Daarnaast dient ook de Comptabiliteitswet in acht te worden genomen. Indien een grondslag beschikbaar is voor verwerking van de (bijzondere) gegevens, dient de aanvraag met bewijsstukken getoetst te worden aan de voorwaarden voor subsidieverstrekking. Dit met het oog op de rechtmatige uitvoering van de subsidieregeling. Toetsing van de authenticiteit van bewijsstukken levert hierbij vraagstukken op die ik nader onderzoek.
Waarom is het specifiek bij Zvw-pgv zorgverleners een probleem dat de zorgverzekeraar geen zicht heeft op het voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor een zorgbonus, terwijl dit ook geldt voor andere verstrekkers voor zowel de pgb zorgverleners als de natura zorgaanbieder?
De uitvoering van een subsidieregeling betreft een publieke taak en kan om die reden niet worden uitgevoerd door private zorgverzekeraars. Een verstrekking van de zorgbonus op grond van de bonusregeling via zorgverzekeraars aan pgb-zorgverleners is om die reden niet mogelijk. De SVB, als zijnde uitvoerder van de pgb-zorgbonusregeling Wmo 2015, Jeugdwet, Wlz heeft niet volledig zicht op de groep budgethouders met een pgb-Zvw. Budgethouders met een pgb-Zvw hebben namelijk, anders dan budgethouders met een pgb bekostigd uit de Wmo 2015, Jeugdwet, Wlz, de vrije keuze of zij het pgb door de SVB laten beheren of in eigen beheer houden. Budgethouders die het pgb-Zvw in eigen beheer hebben zijn niet in beeld bij de SVB. Dit zicht is noodzaak om tot een uitvoerbare regeling te komen die ook, met het oog op de Comptabiliteitswet en privacywetgeving, rechtmatig kan worden vormgegeven.
Overigens komt het voor dat zorgverleners via een zogenoemde combi-overeenkomst werken. Dan werken zij onder zowel de Zvw, als een van de andere pgb-wetten. In dat geval geldt dat de zorgverlener al in aanmerking heeft kunnen komen voor de bonus.
Het bericht 'Tienduizenden mbo'ers nog zonder boeken: 'bang voor een leerachterstand'' |
|
Zohair El Yassini (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van NOS «Tienduizend mbo’ers nog zonder boeken: «bang voor een leerachterstand»»?1
Ja.
Wanneer is bij de boekenleverancier Struders.nl duidelijk geworden dat door technische problemen hun systemen «niet lekker» samen bleken te werken met systemen van hun logistieke uitvoerder, waardoor er een enorme achterstand is ontstaan bij de levering van schoolboeken?
Studers heeft laten weten dat de distributie van boeken met ingang van dit studiejaar op een andere manier is georganiseerd. Bij het overzetten van de systemen is daarbij een fout ontstaan met de orderadministraties. Inmiddels heeft Studers dit probleem grotendeels opgelost en is het overgrote deel van de leveringsachterstanden ingehaald. Ook is ervoor gezorgd dat de meeste studenten die nog geen boek hebben ontvangen, wel beschikken over een digitale licentie. Op korte termijn zouden alle studenten hierover moeten beschikken.2
Deelt u de mening dat, terwijl het schooljaar al twee weken geleden is gestart, meer dan een maand wachten op schoolboeken door een technische storing bij boekenleverancier Struders.nl niet acceptabel is?
Het is heel vervelend dat een deel van de studenten langer heeft moeten wachten op schoolboeken. Zoals in vraag 2 is aangegeven, kwam dit grotendeels door problemen die bij Studers zijn ontstaan bij het overgaan tot een nieuwe werkwijze. Nu die problemen grotendeels zijn verholpen, zouden de meeste nieuwe bestellingen volgens Studers voortaan binnen zes werkdagen geleverd moeten worden.3
Kunt u aangeven wat de gevolgen van dit leverprobleem zijn voor de leerontwikkeling en studiesucces van deze mbo-studenten?
De leverproblemen hebben ervoor gezorgd dat een deel van de studenten op een later moment (een deel van) hun bestellingen van boeken hebben ontvangen. De MBO Raad heeft mij laten weten dat instellingen en docenten hun best hebben gedaan om ervoor te zorgen dat de studenten die nog niet over al het materiaal beschikten, zo optimaal mogelijk hun studiejaar konden starten. Dit hebben zij gedaan door lessen aan te passen en door hun studenten te voorzien van alternatieve leermiddelen, het aandragen van alternatieve openbare bronnen en door het kopiëren van boeken. Hierdoor zijn de gevolgen voor de leerontwikkeling en studiesucces zoveel mogelijk beperkt. Dit betekent echter niet dat studenten helemaal geen last ondervinden van de leveringsproblemen. Van instellingen verwacht ik daarom dat zij waar mogelijk samen met studenten tot passende oplossingen komen, om eventuele ontstane leerachterstanden te voorkomen en te beperken.
Ben u van mening dat door de leveringsachterstanden van schoolboeken er leerachterstanden zullen ontstaan bij een deel van de mbo’ers?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zijn voor de toetsweken op mbo-scholen nu tien tot vijftien procent van de mbo-studenten niet vanaf het begin van het schooljaar beschikking hadden tot alle studiebenodigdheden?
Toetsweken hebben een ontwikkelingsgericht doel en zijn geen (deel)examens waar studenten op kunnen zakken. Mbo-instellingen bepalen zelf de opbouw van het curriculum en de momenten waarop toetsweken plaatsvinden. Afhankelijk van de impact van de vertraagde levering van studiebenodigdheden aan studenten, kunnen mbo-instellingen dus zelf bepalen hoe zij de toetsweken deze periode op een goede en passende manier inrichten. Daarnaast worden de generieke examenonderdelen Nederlands en Engels centraal getoetst. Het College voor Toetsen en Examens neemt deze examens af en hiervoor zijn speciale afnamemomenten vastgesteld. Deze afnamemomenten zijn echter zo ruim, dat mbo-instellingen voldoende flexibiliteit hebben om de toetsing aan te passen op eventuele gevolgen van de latere levering van studiebenodigdheden.
Is er hierdoor sprake van een valse start voor deze mbo-studenten?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u het ook onbegrijpelijk dat mbo-studenten nog steeds moeten wachten op licentiecodes voor digitale schoolboeken en -middelen, terwijl deze codes op verschillende manieren al verstuurd hadden kunnen worden naar mbo-studenten?
De digitale licenties voor digitale leermiddelen worden vaak aangeboden in combinatie met fysieke producten. Normaal gesproken worden de digitale licenties vrijgegeven op het moment dat de fysieke producten verstuurd worden. Omdat de levering van fysieke producenten vertraging heeft opgelopen, werden de digitale licenties in eerste instantie ook later geleverd. Inmiddels is het leveren van de digitale licenties losgekoppeld van de levering van de fysieke producten. Hierdoor zouden de meeste getroffen studenten inmiddels over hun digitale licenties moeten beschikken, of die op zeer korte termijn moeten ontvangen.
Deelt u de mening dat, om een leerachterstand en studievertraging te voorkomen, er zo snel mogelijk een alternatief voor de te laat geleverde studieboeken gevonden moet worden?
Zie antwoord vraag 4.
Zo ja, welke rol ziet u hierbij weggelegd voor het toekennen van tijdelijke digitale licenties voor de studieboeken als middel om de vertraging te overbruggen?
Volgens Studers zouden de meeste studenten inmiddels hun digitale licenties moeten hebben, of op korte termijn moeten krijgen. Indien studenten hun digitale licentie nog niet hebben ontvangen, dan kunnen uitgevers in overleg en op verzoek van mbo-instellingen tijdelijke digitale licenties verstrekken. Dit kan tijdelijk verlichting bieden, echter dienen de tijdelijke licenties op een later moment handmatig gekoppeld te worden aan de aangeschafte licenties, wat tijdsintensief is. Daarom kan het voor instellingen op dit moment in gevallen beter zijn om te wachten op de aangeschafte licenties.
Zijn er gesprekken gevoerd met leveranciers en scholen over het uitgeven van tijdelijke digitale licentiecodes?
Zie antwoord vraag 10.
Is er een constructie mogelijk waarin studenten die nu en in de toekomst last hebben van te late levering van bestelde boeken tijdelijk toegang krijgen tot digitale licentiecodes van de boeken, hetzij via school, hetzij rechtstreeks van de leveranciers?
Voor oplossingen op de korte termijn verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 4 en 10. Voor de langere termijn zijn betere afspraken nodig tussen marktpartijen en het onderwijs om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Ik roep partijen op en zal hen waar nodig aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het onderwijs te nemen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het tweeminutendebat Digitalisering in het onderwijs2?
Ja.
Het bericht dat Nederlandse halfgeleiderproducenten op het boodschappenlijstje van Rusland staan ter bevoorrading van het rakettekort |
|
Jan Klink (VVD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat Nederlandse halfgeleiderproducenten terug te vinden zijn op een boodschappenlijst van Rusland ter aanvulling van het aldaar heersende chip tekort?1
Ja.
Is uit te sluiten dat de Chinese overheid (indirect) een (meerderheids)belang heeft in een Nederlandse halfgeleiderproducenten, in het bijzonder van een producent op bovengenoemde boodschappenlijst?
De Nederlandse producent waar u naar refereert is sinds 2019 in handen van een beursgenoteerde Chinese onderneming met vele aandeelhouders. Het kan niet altijd worden uitgesloten dat de Chinese overheid (direct of indirect) een belang heeft in een bedrijf als uit de lijst aandeelhouders blijkt dat een bedrijf (gedeeltelijk) eigendom is van een of meerdere Chinese entiteiten.
Sinds dit jaar beschikt het kabinet over de mogelijkheid om overnames, fusies en investeringen in bedrijven die o.a. halfgeleiders produceren te toetsen op risico’s voor de nationale veiligheid (Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames). Naar verwachting treedt deze wet in de eerste helft van 2023 in werking.
Hoe past dergelijke controle vanuit het buitenland op halfgeleiderproducenten en -ontwikkelaars uit Nederland binnen het beleid van het kabinet om «verspreiding van dergelijke technologie, zowel in fysieke vorm als in de vorm van kennis, actief [te] controleren en waar nodig beheersen?»2
De halfgeleidergoederen waar het in dit geval om gaat, worden – in het licht van hun zeer diverse toepassingen – niet gezien als goederen met een potentieel disruptief karakter. Dat neemt niet weg dat controle door een buitenlandse entiteit er niet toe mag leiden dat componenten worden ingezet in ongewenst eindgebruik, zoals verwerking in Russische wapensystemen. EU wetgeving is onverminderd van kracht op bedrijven die in de EU gevestigd zijn, ongeacht hun eigendomsstructuur.
Wat vindt u ervan dat onderdelen geproduceerd door Nederlandse halfgeleiderproducenten in ten minste veertien wapensystemen van Rusland zijn gevonden?3
Het gebruik van westerse – dus ook Nederlandse – componenten in Russische wapensystemen is hoogst onwenselijk. De componenten waar het hier om gaat zijn echter veelal universeel toepasbaar en worden in bulk (ordegrootte 100 miljard per jaar) over de gehele wereld verscheept. Ook in uw eigen huishouden kunt u veel van deze componenten terugvinden.
Ik heb geen aanwijzingen dat de Nederlandse bedrijven in kwestie direct en/of bewust hebben geleverd aan Russische wapenfabrikanten. Daarnaast hebben deze bedrijven hun handel met Rusland direct na de invasie beëindigd. Vooralsnog is het beeld dat veel van de teruggevonden componenten al vele jaren oud zijn, en voor zo ver traceerbaar via grote omwegen hun weg naar Rusland hebben gevonden.
Bent u ervan op de hoogte dat ingevolge artikel 2 bis lid 1 juncto lid 2 onder a Verordening (EU) 833/2014 van de Raad en artikel 1c Sanctieregeling territoriale integriteit Oekraïne 2014 het handelsverbod ter voorkoming van versterking van de technologische capaciteit van Rusland met betrekking tot militaire doeleinden zich niet louter strekt tot directe handelaren, maar deze ook tussenhandelaren omvat?
Ja.
Op welke manier wordt vanuit de Nederlandse staat de handel van in Nederland geproduceerde halfgeleiders c.q. door Nederlandse bedrijven geproduceerde halfgeleiders gecontroleerd opdat deze niet via tussenhandelaren (bijvoorbeeld China) onverlet op Russische bodem terechtkomen en aldaar teneinde van militaire doeleinden worden aangewend?
De teruggevonden – in Nederland geproduceerde – halfgeleiders vielen tot voor kort niet onder exportcontrole. Mede naar aanleiding van een voorstel van Nederland zijn deze goederen inmiddels toegevoegd aan de Ruslandsancties (Verordening (EU) 833/2014 van de Raad) middels het achtste pakket dat op 5 oktober jl. werd aangenomen. Het is daarmee inmiddels verboden om deze goederen aan Rusland te leveren, inclusief via tussenhandelaren in derde landen.
Hoe effectief acht u het toezicht vanuit de Nederlandse staat op voorkoming van omzeiling van handelsverboden met Rusland via tussenhandelaren zoals China?
Over de Nederlandse informatiepositie omtrent omzeiling van handelsverboden, en uitvoering van het toezicht, doe ik in de openbaarheid geen uitspraken. De overheid zet zich in om exporteurs in te lichten over de risico’s van omzeiling en waar mogelijk informatie hierover te delen met exporteurs.
Hoe kan Nederland er aan bijdragen dat Rusland geen Nederlandse chips bemachtigt voor o.a. raketten (bijvoorbeeld door omzeiling van sancties)?
Zie het antwoord op vraag 6. Nederland heeft zich in EU-verband ingezet voor het opnemen van een breed scala aan semiconductorgoederen in het achtste sanctiepakket, waardoor de export van dergelijke goederen naar Rusland nu officieel verboden is
Op welke manier wordt vanuit Europa de handel van in Nederland geproduceerd halfgeleiders c.q. door Nederlandse bedrijven geproduceerde halfgeleiders gecontroleerd opdat deze niet via tussenhandelaren (bijvoorbeeld China) onverlet op Russische bodem terechtkomen en aldaar teneinde van militaire doeleinden worden aangewend?
Exportcontrole is binnen de EU een nationale competentie. Het is daarom aan individuele lidstaten om erop toe te zien dat hun exporteurs niet bewust of onbewust bijdragen aan sanctieontwijking via derde landen, waarbij het tegengaan van sanctie-ontwijking uiteraard wel in Europees verband besproken wordt. Dit geldt ook voor dual-use goederen, omdat deze onder de EU sanctieverordening vallen.
Hoe effectief acht u het toezicht vanuit Europa op voorkoming van omzeiling van handelsverboden met Rusland via tussenhandelaren zoals China?
Zie mede het antwoord op vraag 7. De EU heeft geen eigenstandige inlichtingendienst en is daarom voor toezicht op omzeiling afhankelijk van inlichtingen van lidstaten en partners.
Hoe zijn de bevindingen en aanbevelingen uit het eindrapport van de Nationaal Coördinator Sanctienaleving en Handhaving van 12 mei jl. toegepast op de huidige strategie omtrent controle van sanctienaleving door Rusland en eventuele tussenhandelaren?4
De Nederlandse overheid ziet niet op sanctienaleving door Rusland. Over sanctienaleving door tussenhandelaren is geen specifieke aanbeveling van de Nationaal Coördinator. Dit laat onverlet dat het kabinet zich actief in zet om sanctie-ontwijking tegen te gaan om sanctienaleving zo effectief mogelijk te maken, zoals in antwoord op vraag 9 en 10 reeds toegelicht.
Het kabinet heeft de Kamer op 4 november geïnformeerd over de stand van zaken van de opvolging van de aanbevelingen uit het eindrapport van de Nationaal Coördinator.
Zijn er bedrijven op de «boodschappenlijst» die gebruik maken van Nederlandse subsidies en andere fiscale instrumenten, in het bijzonder bedrijven wiens hoofdkantoor in Nederland gevestigd is?
In Nederland gevestigde semiconductorbedrijven betalen in Nederland vennootschapsbelasting en maken overeenkomstig gebruik van subsidies en andere fiscale instrumenten.
Vinden door (van origine) Nederlandse bedrijven geproduceerde (micro-)chips, transistoren en/of diodes zich een weg naar Rusland via tussenhandelaren in China? Zo ja, is er zicht op hoe deze onderdelen worden gebruikt en is daarbij uit te sluiten dat deze voor militaire doeleinden worden gebruikt?
Gezien de schaal van de handel in dergelijke componenten is dit risico niet uit te sluiten. Daarbij zijn Russische verwervingstechnieken geavanceerd en uitgebreid. Bedrijven in kwestie zijn zich echter bewust van deze risico’s en weten dat zij alert moeten zijn op grote toename in vraag en/of op nieuwe kopers in landen waarvan we weten dat deze een risico op sanctieomzeiling met zich meebrengen. In het achtste EU sanctiepakket is een nieuw listing-criterium opgenomen, dat het mogelijk maakt om entiteiten die zich bezighouden met sanctieontwijking op te nemen op de sanctielijst.
Worden belastinggelden gebruikt om (micro-)chips, transistoren, diodes en dergelijke onderdelen te ontwikkelen en/of produceren die gebruikt worden voor militaire doeleinden van Rusland?
Zie ook antwoord op vraag 12.
De betrokken soorten componenten van Nederlandse origine zijn noch voor militaire doeleinden ontwikkeld, noch voor militaire doeleinden geproduceerd. Het zijn universeel toepasbare componenten die in een breed scala aan machines en elektronica terug te vinden zijn en op zeer grote schaal geëxporteerd worden.
Het is sinds 2014 verboden om technische bijdragen te leveren aan de productie van militaire goederen in Rusland. Ik beschik niet over aanwijzingen dat Nederlandse semiconductorbedrijven zich hier niet aan gehouden hebben.
Het niet publiceren van kennisgroepstandpunten |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belastingdienst, wees transparant over fiscale regels»?1
Ja.
Kunt u aangeven wat de huidige praktijk is rondom het opstellen van een bindend advies door een kennisgroep en het communiceren van dit standpunt naar de buitenwereld?
Bij de uitvoering van wet- en regelgeving staat de Belastingdienst dagelijks voor keuzes bij de toepassing hiervan op individuele belastingplichtigen. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, zal een kennisgroep van de Belastingdienst zich hierover buigen.
In deze kennisgroep zitten experts op het terrein waarover de vraag wordt gesteld. De kennisgroep neemt na een uitgebreide analyse een standpunt in. De inspecteur is gehouden dit kennisgroepstandpunt toe te passen in het voorliggende geval en in gelijke gevallen2. Daarmee hebben kennisgroepstandpunten dezelfde betekenis als formeel vastgesteld, dat wil zeggen bij beleidsbesluit vastgesteld, beleid.
Kennisgroepstandpunten hebben veelal betrekking op concrete gevallen en lenen zich daardoor niet zonder meer voor een generieke toepassing. Kennisgroepstandpunten die zich daar wel voor lenen worden zo veel mogelijk simultaan bewerkt tot een generieke norm die wordt opgenomen in een beleidsbesluit dat wordt gepubliceerd in de Staatscourant.
Afhankelijk van de detaillering en zwaarte van het standpunt en gelet op de beoogde doelgroep, kan worden gekozen voor een passendere publicatie, zoals een leidraad, een antwoord op de website van de Belastingdienst of een handboek.
Welke juridische status hebben de bindende adviezen die opgesteld zijn door een kennisgroep? Klopt het dat deze dezelfde waarde hebben als formeel vastgesteld beleid? Zo nee, op welke basis worden de uitkomsten van kennisgroepsessies dan uitgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat belet u om de adviezen uit kennisgroepen te bundelen en makkelijk toegankelijk te maken voor de buitenwereld? Bent u bereid dit stelselmatig en op korte termijn na de besluiten te doen in het vervolg?
Voor publicatie van kennisgroepstandpunten die zich lenen voor een generieke toepassing, geldt dat deze worden verwerkt in een beleidsbesluit. Uit het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (BFB) volgt dat dergelijke kennisgroepstandpunten in een concept beleidsbesluit worden vervat en zo spoedig mogelijk gepubliceerd in de Staatscourant. Daarmee zijn deze standpunten in principe breed beschikbaar en bestaat er in principe geen ongelijkheid in informatiepositie tussen groepen belastingplichtigen
Deze huidige werkwijze heeft als doel om te zorgen voor eenheid van beleid en uitvoering binnen de Belastingdienst en de vertaalslag te maken van het vraag-antwoordmodel van het standpunt van de kennisgroep naar een voor belastingplichtigen raadpleegbaar beleid. Dit heeft echter tot gevolg dat er enige tijd zit tussen het intern vaststellen van het standpunt en het openbaar maken daarvan in het beleidsbesluit.
Voor het vergroten van transparantie is binnen de Belastingdienst enige tijd geleden een begin gemaakt met het inventariseren van mogelijkheden om standpunten van kennisgroepen op een laagdrempelige en toegankelijke wijze openbaar te maken, nog voordat deze, voor zover nodig, in een beleidsbesluit zijn verwerkt.
Dat heeft geleid tot de inrichting van een voor burgers en bedrijven toegankelijke website die de komende maanden getest zal worden. Zodra blijkt dat deze website voldoet aan alle randvoorwaarden, zullen alle kennisgroepstandpunten via deze website worden gepubliceerd en daarmee op een toegankelijke wijze raadpleegbaar zijn. De kennisgroepstandpunten zullen zo snel mogelijk, maar uiterlijk op 1 april 2023, op deze extern raadpleegbare website gepubliceerd worden. Ik zal deze ontwikkelingen in de tussentijd laten verwerken in het BFB.
Hoe beziet u de ongelijkheid die ontstaat in de informatiepositie van grote belastingkantoren en reguliere burgers? Bent u, net als de PvdA, van mening dat dit soort bedrijven geen voordeel mogen hebben boven anderen? Waarom hebben zij überhaupt die voordelen gekregen?
Zie antwoord vraag 4.
Is het uw voornemen om de praktijk van het bekendmaken van kennisgroepadviezen aan te passen zodat deze breder beschikbaar zijn? Zo ja, kunt u toelichten hoe u dit wilt invullen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De nieuwe Amerikaanse wet die de export van geavanceerde chips en machines naar China verder aan banden wil leggen |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Exclusive: Biden to hit China with broader curbs on U.S. chip and tool exports» van Reuters van 12 september 2022?1
Ja.
Hebben Amerikaanse functionarissen contact gezocht met de Nederlandse regering met de vraag om een soortgelijk beleid uit te vaardigen dat Nederlandse bedrijven verbiedt technologie aan China te verkopen die Amerikaanse bedrijven ook niet meer zouden mogen exporteren, zoals in het artikel vermeld staat?
Op zowel politiek- als werkniveau is er regelmatig overleg met o.a. de Verenigde Staten over de export van geavanceerde technologieën, waaronder halfgeleidertechnologie. In deze gesprekken wordt ook gesproken over Amerikaanse beleidsinitiatieven, in het bijzonder de gevolgen daarvan voor Nederlandse bedrijven. Wanneer relevante Nederlandse beleidswijzigingen zich voordoen, zal ik u uiteraard informeren.
Bent u bekend met het artikel «US wants Dutch supplier to stop selling chipmaking gear to China» van Bloomberg van 5 juli 2022?2
Ja.
Klopt het dat de Amerikaanse plaatsvervangend Minister van Handel, Don Graves, Minister Schreinemacher op 1 juni jongstleden heeft verzocht om een exportverbod in te stellen voor de oudere deep ultraviolet lithography (DUV) machines voor het vervaardigen van chips, bovenop het al bestaande exportverbod op de geavanceerdere EUV machines?
Vanwege de vertrouwelijkheid van dit gesprek kan ik geen uitspraken doen over de precieze besproken inhoud.
Houdt u er rekening mee dat er ook andere, met name economische, redenen aan het voorgestelde exportverbod op DUV-machines (dat gesteund wordt door Japan) ten grondslag kunnen liggen? Hoe uit zich dit?
Ja. Halfgeleidertechnologie speelt een sleutelrol in technologisch leiderschap, en daarmee ook in het geopolitieke en economische domein. Beslissingen om export te controleren, raken dus aan meerdere belangen, inclusief economische. Het kabinet houdt hier rekening mee, zeker in deze veranderende internationale context. Dat er verschillende belangen spelen en de exportcontrolebeslissingen ook economische impact kunnen hebben, uit zich onder meer in de gevoeligheid van de gesprekken hierover, waardoor ik hier geen verdere uitspraken kan doen.
Deelt u de mening dat het al dan niet instellen van een dergelijk verbod invloed heeft op zowel de Nederlandse als de Europese digitale autonomie en daarom om een geopolitieke afweging vraagt?
Ja. Toegang tot halfgeleiders en aanverwante technieken is in hoge mate bepalend voor het concurrentie- en innovatievermogen van veel industriële sectoren (waaronder defensie, mobiliteit en energie) en van groot belang om de klimaat- en digitaliseringsdoelen te behalen in Europa (ook wel de «twin transitions»). Halfgeleidertechnologie heeft, vanwege het strategische belang en de geglobaliseerde inrichting van de waardeketen, een sleutelrol in de geopolitieke verhoudingen en daarmee de open strategische autonomie van de EU. Het kabinet zet zich er dan ook voor in om ook in de toekomst op dit vlak internationaal koploper te blijven. Dit vraagt om een geopolitieke afweging, waarbij goede samenwerking met gelijkgezinde partners van groot belang is.
Bent u het ermee eens dat de onderhandelingspositie van Nederland op dit gebied sterker is wanneer er in Europees verband wordt onderhandeld? Zo ja, zult u bij besluiten over dit onderwerp de samenwerking zoeken met de Europese Commissie?
Exportcontrole is een nationale competentie en er is dus geen handelingsbevoegdheid bij de Europese Commissie. Wel streeft Nederland naar eensgezind Europees optreden. Hiervoor is er regelmatig overleg met onze Europese partners over dit onderwerp, inclusief de Europese Commissie.
Het bericht ‘Onderwijs ontsnapt aan chaos met overname schoolboekenleverancier TLN’ en het bericht ‘Schoolboeken te laat geleverd: ‘Rommelig begin van nieuw schooljaar’’ |
|
René Peters (CDA) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat door problemen bij één marktpartij de levering van schoolboeken aan meer dan een miljoen leerlingen in het voortgezet- en beroepsonderwijs in gevaar dreigde te komen?1, 2
Het is uitermate vervelend dat een deel van de scholieren en studenten langer heeft moeten wachten op hun schoolboeken. In het voortgezet onderwijs is dit voor een belangrijk deel te wijten aan internationale verstoringen in de logistiek. Hoewel de getroffen uitgever in het voortgezet onderwijs zich met overmacht geconfronteerd zag, had de communicatie aan scholen eerder op gang kunnen komen, zodat praktische oplossingen die de problemen voor scholen konden verzachten beter bekend waren.
In het mbo bestaat eveneens een leveringsprobleem. Hier is het probleem veroorzaakt doordat een van de grootste distributeurs (Studers) een belangrijk deel van haar logistieke dienstverlening heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Deze uitbesteding is niet vlekkeloos verlopen waardoor een gedeelte van de mbo-studenten een deel van hun leermiddelen te laat heeft ontvangen.
Instellingen en docenten in beide sectoren hebben hun best gedaan om ervoor te zorgen dat de leerlingen en studenten die nog niet over al het materiaal beschikten, zo goed mogelijk hun studiejaar konden starten. Dit hebben zij gedaan door lessen aan te passen en door hun studenten te voorzien van alternatieve leermiddelen, het aandragen van alternatieve openbare bronnen en door het kopiëren van boeken. Ook is ervoor gezorgd dat de meeste studenten en leerlingen die nog geen boek hebben ontvangen, wel beschikken over een digitale licentie. Op korte termijn zouden alle studenten hierover moeten beschikken.
Ik waardeer het dat scholen en docenten de afgelopen weken samen met uitgevers en distributeurs de schouders eronder hebben gezet om tot noodoplossingen te komen. Maar voorkomen is beter dan genezen. Ik wil onderstrepen dat deze partijen een verantwoordelijkheid hebben voor de continuïteit van het onderwijs. Coöperatie SIVON en stichting SEM evalueren op dit moment met alle betrokkenen de leveringsproblemen van de afgelopen periode. Ik zal op basis van de uitkomsten van deze evaluatie een gesprek beleggen met schoolbesturen en marktpartijen en SEM. Het doel is om bindende afspraken te maken over rolverdeling en verantwoordelijkheid zodat deze problemen zich in de toekomst niet meer voordoen.
Kunt u inzichtelijk maken hoeveel de prijzen van methodes op het gebied van Nederlands en wiskunde in de afgelopen drie jaar zijn gestegen?
In de afgelopen drie jaar zijn de prijzen van de methodes op het gebied van Nederlands en wiskunde per jaar gemiddeld 3 tot 4 procent gestegen.3 Deze prijsstijging geldt voor producten die over de jaren heen vergelijkbaar zijn. In de afgelopen jaren is gelijktijdig het gebruik van het nieuwe licentiefolioproduct (LiFo) in het voortgezet onderwijs sterk toegenomen. Met dit product bieden uitgevers een digitale licentie aan voor alle leerjaren en niveaus en hebben scholen de optie om een papieren leerwerkboek aan te schaffen. LiFo biedt scholen meer mogelijkheden om te variëren binnen de methode, maar pakt in de praktijk ook duurder uit. Deze verandering van productvorm kan niet verdisconteerd worden in een geaggregeerde prijsontwikkeling en is daarmee geen onderdeel van de 3 tot 4 procent.
In hoeverre moeten partijen die schoolboeken verkopen transparant zijn over de prijsopbouw, al helemaal aangezien er maar weinig concurrentie is op de markt en er een door de overheid gereguleerd boekenbudget voor scholen is?
De aanschaf van lesmateriaal is een aangelegenheid tussen scholen en markpartijen. Zij regelen in onderlinge contracten de voorwaarden waaronder producten en diensten geleverd worden. Ik onderschrijf het belang van transparantie op de leermiddelenmarkt, zodat scholen en docenten over alle informatie beschikken om doordachte keuzes te kunnen maken voor leermiddelen. In de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet Gratis Schoolboeken kom ik met maatregelen die scholen beter zicht geven op de prijs en kwaliteit van leermiddelen.
Indien deze transparantie niet bestaat, bent u van mening dat dit wel noodzakelijk is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe zou deze transparantie moeten worden geregeld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven op welke plekken in de keten er problemen zijn rondom de levering van schoolboeken?
In het voortgezet onderwijs is er sprake van een te late levering van lesboeken bij een van de grote uitgeverijen (Noordhoff) door een logistiek probleem. Door een staking in de containerhaven van Hamburg deze zomer is een aantal containers met een vertraging in Rotterdam gelost. Wat daarnaast voor vertraging zorgde is dat een deel van de scholen pas vlak voor de zomer hun bestellingen hebben geplaatst. Dit maakte het voor distributeurs en uitgevers lastig om tijdig de juiste voorraden te bestellen.
In het mbo bestaat eveneens een leveringsprobleem. Hier is het probleem veroorzaakt doordat een van de grootste distributeurs (Studers) een belangrijk deel van haar logistieke dienstverlening heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Deze uitbesteding is niet vlekkeloos verlopen waardoor een deel van de mbo-studenten later (een deel van) hun leermiddelen hebben ontvangen.
De ontstane problemen zijn door een combinatie van incidentele en structurele factoren tot stand gekomen, mede als gevolg van toenemende afhankelijkheden in de leermiddelenketen. Er is structurele coördinatie nodig en betere afspraken tussen marktpartijen en het onderwijs om dergelijke problemen in de toekomst te voorkomen. Ik roep partijen op en zal hen waar nodig aansporen om hun verantwoordelijkheid voor de continuïteit van het onderwijs te nemen.
Het artikel 'Rijk trekt zich verder terug uit Friesland, diensten krimpen met tientallen ambtenaren' |
|
Harry Bevers (VVD), Mark Strolenberg (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rijk trekt zich verder terug uit Friesland, diensten krimpen met tientallen ambtenaren»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de krimp van de rijkswerkgelegenheid met 2,3% in de provincie Fryslân in relatie tot het streven om rijkswerkgelegenheid te spreiden door het land en in relatie tot de waargenomen groei in werkgelegenheid bij de gehele rijksoverheid?
De ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid laat over het hele land stabiliteit zien, waarbij de daadwerkelijke ontwikkeling per provincie kan variëren van (lichte) groei tot (lichte) krimp. Voor wat de prognoses tot 2026 betreft, vallen deze in sommige jaren gunstiger uit voor bepaalde provincies dan andere. Ik vind het belangrijk om deze ontwikkeling scherp te volgen. De recent aangenomen motie Bisschop/Inge van Dijk2 geeft het Kabinet de opdracht voor de provincies Fryslân, Drenthe, Flevoland, Zeeland en Limburg toe te werken naar een meer evenredig deel van de rijkswerkgelegenheid en per saldo de landelijke ontwikkeling te volgen. Op dit moment ben ik aan het uitwerken hoe het Kabinet gestalte kan geven aan die motie. Voor wat betreft de geconstateerde krimp in Fryslân tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 stel ik vast dat dit voornamelijk het gevolg is van een administratieve verandering van de standplaatsen van de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO). Er is sprake van een andere indeling van de standplaatsen van de medewerkers. De medewerkers van de RSO zijn verdeeld in drie teams: team Noord 1 voor de provincie Friesland, team Noord 2 voor de provincie Groningen en team Noord 3 voor de provincie Overijssel. Voorheen hadden deze drie teams gezamenlijk de standplaats Leeuwarden, nu niet meer.
Hoe wordt dit streven naar evenredige spreiding berekend?
De huidige verschillen in de verdeling van de rijkswerkgelegenheid over de provincies vloeien voort uit in het verleden gemaakte keuzes. Als coördinerend bewindspersoon hecht ik aan spreiding van de rijkswerkgelegenheid voor de zichtbaarheid en bereikbaarheid van de rijksoverheid over heel Nederland. Bij de uitbreiding van bestaande rijksdiensten of eventuele nieuwe rijksdiensten die huisvesting zoeken, kijk ik als coördinerend bewindspersoon voor de spreiding van de rijkswerkgelegenheid naar het benutten van de mogelijkheden in de provincies buiten de Randstad en spreek ik mijn collega-bewindspersonen hier op aan.
Bij huisvestingsbesluiten wordt eerst en vooral rekening gehouden met het primaire proces van de betreffende organisatie. Daarnaast spelen andere overwegingen met betrekking tot huisvestingskeuzes mee zoals vastgoedstrategische belangen, efficiencydoelen en nabijheid van de rijksoverheid voor de burger. De motie Bisschop/Inge van Dijk2 biedt het Kabinet de mogelijkheid om een richtlijn te ontwikkelen waarmee de evenredigheid wordt geborgd. Ik informeer u daar later over.
Wat gaat u eraan doen om de krimp in Friesland te voorkomen, nu de prognose is dat het aantal banen in 2026 ten opzichte van 2022 daalt?
De provincie Fryslân kent een verscheidenheid aan rijksdiensten en rijkswerkgelegenheid. De verandering in de rijkswerkgelegenheid in Fryslân beperkt zich niet louter tot krimp. De rijkswerkgelegenheid groeit in bepaalde sectoren zoals bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Als coördinerend bewindspersoon voor de gehele Rijksdienst heb ik bij de verplaatsing van diensten met 100 fte of meer over provinciegrenzen heen een adviserende bevoegdheid. Ik houd nauwlettend in de gaten hoe de rijkswerkgelegenheid in Fryslân zich ontwikkelt en kijk in voorkomende gevallen naar mogelijkheden om de rijkswerkgelegenheid te versterken. In lijn met de bedoeling van de recent aangenomen motie Bisschop/Inge van Dijk.
Is er als gevolg van deze krimp in Fryslân nog wel sprake van een evenredige spreiding van rijkswerkgelegenheid tussen de provincies? Kunt u dit toelichten?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 3. Als ik de cijfers voor alle provincies tezamen beschouw, is er door de jaren heen sprake van een redelijk constante verdeling over het land. Uw Kamer heeft het Kabinet tegelijkertijd middels de motie Bisschop/Inge van Dijk gevraagd naar een meer evenredige spreiding nodig is voor de provincies Fryslân, Drenthe, Flevoland, Zeeland en Limburg. Het Kabinet informeert u nader over de uitvoering van die motie.
In hoeverre betekent het dat er banen in de provincie Fryslân verloren zijn gegaan nu blijkt dat de daling voornamelijk wordt veroorzaakt door een administratieve verandering in de toedeling van de Rijksschoonmaakorganisatie over het cluster noord waar een verdeling over de provincies Groningen, Fryslân en Overijssel is aangebracht?2
De gerapporteerde afname in de provincie Fryslân tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 bedraagt in totaal 152 fte. Het grootste deel hiervan betreft een afname bij Rijkswaterstaat en de Rijksschoonmaakorganisatie (RSO). De afname van het aantal fte voor de RSO is slechts administratief en heeft te maken met een andere wijze van toedelen van de RSO over het cluster Noord. Deze administratieve wijziging betekent dat 95 fte op papier zijn gedaald voor Fryslân. Ik verwijs verder naar het antwoord op vraag 2. Op het moment van inventariseren in het voorjaar van 2022 waren 32 fte werkzaam in Fryslân voor de RSO. Andere organisaties in Fryslân waar er tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2022 sprake was van een toename of een afname zijn: Defensie, Nationale Politie, COA, Belastingdienst en enkele zbo’s.
Het bericht ‘Reizigers klagen massaal over bomvolle treinen tussen Zwolle en Randstad: NS moet meer doen’ |
|
Fahid Minhas (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Reizigers klagen massaal over bomvolle treinen tussen Zwolle en Randstad: NS moet meer doen»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Klopt het dat reizigers op de spoorverbinding tussen de Randstad en Zwolle, maar ook op de verbindingen Den Haag-Schiphol en Arnhem-Utrecht te maken krijgen met overvolle treinen?
Op dit moment zijn er inderdaad meer drukke treinen op het traject tussen Zwolle en de Randstad. Dit traject is de omreisroute voor de stremming tussen Dronten en Lelystad. Om deze drukte te verlichten, verlengt NS sinds 19 september waar mogelijk treinen op dit traject. Tevens zal NS de frequentie tussen Zwolle en Amersfoort tijdelijk verhogen van 2 naar 4 intercity’s per uur per 10 oktober.
Op de genoemde trajecten Amsterdam-Eindhoven en Arnhem-Utrecht-Schiphol-Den Haag-Rotterdam zijn de treinen ook drukker. Per 3 oktober 2022 zijn de NS-treinen op deze trajecten met een grotere samenstelling gaan rijden om meer passagiers per trein te kunnen vervoeren. Hiermee verwacht NS de drukte te verminderen.
In hoeverre staat u in contact met Reizigersvereniging Rover, welke inmiddels een klachtenregen heeft ontvangen over overvolle en te korte treinen?
In beginsel delen reizigersorganisaties klachten met de vervoerders zelf. Regelmatig is dat aanleiding voor een gesprek. Ook nu heeft Rover met NS contact gehad over deze klachten. Mede op basis hiervan neemt NS de maatregelen zoals hierboven genoemd.
Rover heeft de analyse van de bij hun binnengekomen klachten via het meldpunt www.volletreinen.nl ook met ons gedeeld.
Wat vindt u ervan dat reizigers achterblijven op perrons, omdat er te korte treinen worden ingezet?
Het belang van de reiziger dient te allen tijde voorop te staan. Ik verwacht van NS dat zij zich maximaal inspant om het onnodig achterblijven van reizigers te voorkomen. Daarbij dient NS wel de veiligheid van de treinreis te borgen. Het is aan de conducteur om bij volle treinen te beoordelen of een trein op een veilige en verantwoorde manier kan vertrekken. Bij extreme drukte kan het dan ook voorkomen dat reizigers achterblijven omdat NS de veiligheid van reizigers onvoldoende kan borgen.
In hoeverre kunnen de klachten worden gerelateerd aan de afgeschaalde dienstregeling van de NS op deze trajecten?
NS geeft aan dat het aantal klachten en meldingen in de eerste twee weken van september fors hoger waren dan in de laatste twee weken van augustus. NS kan niet met zekerheid zeggen welk deel van de klachten gerelateerd kan worden aan de aangepaste dienstregeling. De samenloop met de start van het schooljaar, de stakingsdag op 9 september jl. en de stremming tussen Lelystad en Dronten wegen ook mee.
Is u bekend hoeveel klachten over te volle treinen bij zowel reizigersverenigingen en de NS zelf zijn binnengekomen? In hoeverre is er sprake van een toename van klachten sinds de afgeschaalde dienstregeling?
In de eerste twee weken van september werden er via de NS-app circa 1100 druktemeldingen per dag gemaakt (op circa 1 miljoen gemaakte reizen), tegenover circa 600 per dag in de laatste twee weken van augustus (op circa 700.000 gemaakte reizen). Dit betekent dat het percentage reizigers dat via de NS-app een melding over drukte maakte is gestegen van 0,08% naar 0,1% in deze periode. De klantenservice van NS heeft in de eerste twee weken van september in totaal circa 75 klachten over de zitplaatscapaciteit geregistreerd. In de laatste twee weken van augustus was dat circa 30.
Via het meldpunt www.volletreinen.nl zijn in september 1667 meldingen binnengekomen. In de maand augustus zijn 256 meldingen bij dit meldpunt binnengekomen.
Het is niet met zekerheid te zeggen welk deel van de meldingen gerelateerd zijn aan de afgeschaalde dienstregeling. Er wegen ook andere zaken mee zoals de start van het schooljaar en de stremming tussen Lelystad en Dronten.
Klopt het dat reizigers ook buiten de spitsuren te maken hebben met volle treinen? In hoeverre is dit te wijten aan het inzetten van kortere treinen door de NS?
Buiten de spitsuren is het in sommige treinen inderdaad drukker dan normaal. Bij het aanpassen van de dienstregeling geeft NS aan rekening te houden met de vervoersvraag. Daardoor rijden er op dit moment ook buiten de spits kortere of minder treinen op sommige momenten, zoals in de avond en in het weekend.
Weet u wat de ontwikkeling van de kans op een zitplaats is sinds de aangekondigde afschaling – in zowel de spits als daarbuiten – ten opzichte van de situatie voor de afschaling?
Volgens NS komt de zitplaatskans voor september 2022 naar verwachting uit op een iets lager niveau als in september 2019 (toen kwam de zitplaatskans uit op 93,8%). Hoe NS daadwerkelijk in september 2022 heeft gescoord op deze belangrijke indicator wordt pas medio oktober 2022 bekend.
Klopt het dat reizigers tussen Noord-Nederland en Zwolle door een gestremde Hanzelijn moeten omreizen via Amersfoort Centraal en de NS hierbij niet de maximale treinlengte inzet? Hoe rijmt u dit met de ambitie van de NS om de overlast voor reizigers te beperken?
Het klopt dat reizigers moeten omreizen en dat het daardoor drukker is in de treinen tussen Zwolle en Amersfoort. De maximale lengte van de treinen is volgens NS onder andere afhankelijk van het beschikbare personeel en mogelijkheden om de planning aan te passen. Inmiddels worden treinen op dit traject verlengd en werkt NS aan een tijdelijke frequentieverhoging tussen Zwolle en Amersfoort (zie ook beantwoording vraag 2).
Bent u het ermee eens dat een personeelstekort niet mag leiden tot kortere treinen?
NS geeft aan dat zij genoodzaakt is om kortere treinen in te zetten als laatste redmiddel om überhaupt treinen te kunnen blijven rijden en daarmee afschaling zoveel als mogelijk te voorkomen. Ik zal NS aan het eind van het jaar beoordelen op haar prestaties, zoals opgenomen in de vervoerconcessie van het Hoofdrailnet.
Bent u het ermee eens dat de onzekerheid van een zitplaats in de trein niet bijdraagt aan het aantrekkelijker maken van reizen met het ov?
Ik ben het met u eens dat de kans op een zitplaats in de trein bijdraagt aan een aantrekkelijke reis.
Bent u bereid om – als concessieverlener én stelselverantwoordelijke – de NS te sommeren om langere of extra treinen in te zetten op de trajecten waar de dienstregeling is afgeschaald om zo het openbaar vervoer toegankelijk te houden voor de reiziger?
Ik ben voortdurend met NS in gesprek om het reizen met de trein zo aantrekkelijk mogelijk te maken. In deze gesprekken spreek ik NS aan op haar verplichtingen uit de concessie om zo de hinder te beperken die reizigers ondervinden van het personeelstekort bij NS. Zoals ik op 23 augustus jl. aan uw Kamer heb gemeld heeft NS hiertoe een integrale aanpak opgesteld. Mijn ministerie houdt de uitvoering van de integrale aanpak van NS nauwlettend in de gaten.
De impact van geldstress en schulden op de (mentale) gezondheid van mensen |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers , Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat geldstress kan leiden tot meer mentale en ook fysieke klachten?1
Ja, uit diverse onderzoeken blijkt dat er een sterke wisselwerking is tussen armoede en gezondheid. Het recente advies «Van schuld naar schone lei» van de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) bevestigt dat schulden ook een volksgezondheidsprobleem zijn2. Mensen met problematische schulden hebben vaker te maken met psychische klachten en/of stoornissen, ze ervaren meer en vaker lichamelijke klachten en beperkingen. Tegelijkertijd spelen gezondheidsproblemen vaak een cruciale rol bij problematische schulden.
Verwacht u dat de druk op de zorg zal toenemen, specifiek op de huisartsen en ggz, nu steeds meer mensen niet rond kunnen komen? Zo ja, gaat u extra maatregelen nemen om ondersteuning te bieden? Zo nee, waarom niet?
We weten dat er een verband is tussen stress vanwege geldzorgen en de fysieke- en mentale gezondheid. Huisartsen en GGZ-hulpverleners zien dit ook terug in hun praktijk. In welke mate de economische situatie doorwerkt in de zorg is op voorhand niet te zeggen. Dit kabinet neemt maatregelen gericht op het borgen van bestaanszekerheid, schulden te voorkomen en op te lossen. Ik verwijs hiervoor naar de Kamerbrief «Aanpak geldzorgen, armoede en schulden» 3 van de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, van 12 juli. Deze aanpak is breed en richt zich onder andere op vroeg signalering, en daarbij snellere en beter toegankelijke hulp en meer mogelijkheden om uit geldzorgen te blijven en schulden te voorkomen en sneller uit schulden te komen.4 Daarbij werken het Ministerie van VWS en SZW samen aan verschillende acties om de samenwerking tussen het zorg- en het sociaaldomein te versterken. Bijvoorbeeld het ondersteunen en stimuleren van samenwerking tussen sociaal domein, huisartsenzorg en ggz voor van huisartsenpraktijken met het signaleren en bespreekbaar maken van geldzorgen, en het warm overdragen van patiënten naar schuldhulpverlening.5 Hierdoor zijn patiënten beter geholpen, verminderd de druk op de zorg en hebben gemeenten problemen eerder en beter in beeld. Ook hebben SZW en VWS de SER om advies gevraagd over maatregelen binnen het stelsel van de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en het sociaal domein om gezondheidsachterstanden aan te pakken. Het advies van de SER kan mogelijk bijdragen aan het terugdringen van gezondheidsachterstanden.
Naast bovenstaande maatregelen ben ik samen met de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en de bewindspersonen van SZW en OCW de landelijke aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» gestart.6 Wij zetten daarmee in op een beweging voor een mentaal gezond Nederland. De mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking staat namelijk al langer onder druk. Dit als gevolg van verschillende sociaal maatschappelijke ontwikkelingen waaronder geldzorgen door de stijgende (energie)kosten. Eén van de activiteiten die we vanuit de aanpak ondernemen op het gebied van ondersteuning is dat we samen met Mind Us kijken hoe we de inzet van laagdrempelige inloopmogelijkheden voor mensen kunnen verbeteren, onder andere door deze beter in kaart te hebben en daarmee beter vindbaar te maken. Ook werken we samen met MIND Us aan het beter verbinden van deze initiatieven in de buurt met belangrijke vindplekken online, zoals chats en websites, maar ook luisterlijnen. Met deze activiteiten zetten we in op het versterken van de mentale gezondheid van alle Nederlanders en bieden we laagdrempelige ondersteuning waar gewenst.
Hoe neemt u deze kennis mee in discussies binnen het kabinet over maatregelen tegen de stijgende energierekening?
Deze kennis neem ik en mijn collega’s in het kabinet mee in de gesprekken over maatregelen en oplossingen tegen de stijgende energierekening. Het kabinet heeft onlangs aanvullende maatregelen genomen om de hoge energieprijzen te compenseren. 7 Nog voordat het prijsplafond vanaf 1 januari in werking treedt, krijgen huishoudens al een tegemoetkoming van 190 euro in de maanden november en december.8
Deelt u onze mening dat de impact van maatregelen op de (mentale) gezondheid van mensen zou moeten worden meegenomen in beleidskeuzes over de stijgende energierekening? Zo ja, hoe gebeurt dat nu? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich ervan bewust dat gezondheidsvraagstukken sociale vraagstukken zijn en visa versa. Dit versterkt onze ambities om financiële problemen te voorkomen en op te lossen. De investeringen in sociale vraagstukken kennen domein overstijgende baten. Het kabinet werkt mede daarom hard aan maatregelen gericht op het ondersteunen van de mensen die het hardst worden geraakt door de stijgende energierekening.9
Hoe zijn de gevolgen van geldstress op de (mentale) gezondheid meegenomen in de overwegingen om tot een fonds energieschulden te komen, waarmee mensen alleen worden geholpen als ze al zwaar in de financiële problemen zitten en dus al de schadelijke gevolgen van geldstress hebben ervaren?
Het kabinet heeft verschillende maatregelen getroffen om geldzorgen, -stress, schulden en armoede zoveel mogelijk te voorkomen en terug te dringen. We staan aan de lat voor een grote opgave. Dat wil niet zeggen dat het kabinet de doelstellingen laat varen. Het kabinet versterkt met een uitzonderlijk groot pakket aan koopkrachtmaatregelen in de Miljoenennota 2023 de inkomenspositie van mensen om de negatieve effecten van de hoge prijzen te dempen. In aanvulling hierop heeft het kabinet op 20 september 2022 aangekondigd met aanvullende maatregelen ten aanzien van de energierekening te komen, waaronder de instelling van een tijdelijk prijsplafond voor kleinverbruikers, zoals huishoudens, zzp’ers en kleine bedrijven10. Door dit plafond worden schommelingen in de energieprijzen deels opgevangen door de overheid en ontstaat er voor kleinverbruikers meer zekerheid over de energiekosten.
Ondanks alle maatregelen, en de energiebesparende maatregelen die men zelf kan nemen, kan de situatie zich voordoen dat er toch huishoudens zijn die in de financiële problemen komen. Zonder hulp zullen deze huishoudens problematische schulden gaan opbouwen. Om dit te voorkomen wordt momenteel de mogelijkheid van een tijdelijk noodfonds verkend.
Deelt u onze mening dat het voor het mentale welzijn beter zou zijn om mensen te helpen voordat ze in de geldproblemen komen (bijvoorbeeld door een prijsplafond voor energie) dan als ze al grote geldproblemen hebben (bijvoorbeeld via het fonds energieschulden)? Zo ja, hoe kunnen mensen dit terug gaan zien in kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat het altijd beter is om geldproblemen te voorkomen. Daarom heeft het kabinet verschillende maatregelen genomen om financiële problemen te voorkomen, zoals een tijdelijk prijsplafond voor gas en elektriciteit, het verhogen van sociaal minimum en de intensivering van vroegsignalering en een korting op de energie rekening in november en december 2022.
Hoe verhoudt de keuze voor een fonds energieschulden zich tot de inzet van dit kabinet op preventie bij mentale gezondheid? Staan deze twee zaken niet haaks op elkaar?
Nee. Het kabinet neemt maatregelen om financiële problemen te voorkomen én op te lossen, zoals in het antwoord op vraag 6 is geschetst. De situatie kan zich voordoen dat er toch huishoudens zijn die in de financiële problemen komen. Voor die groep wordt nu de mogelijkheid van een tijdelijk noodfonds verkend.
Met de kabinetsbrede aanpak «Mentale Gezondheid: van ons allemaal» zet ik mij samen met mijn collega’s uit het kabinet, mensen uit de doelgroep en verschillende betrokken veldpartijen in op het bevorderen van de mentale gezondheid. Want de urgentie om gezamenlijk aan de slag te gaan op mentale gezondheid is hoog. Er bestaan namelijk al langer zorgen over de mentale gezondheid van de Nederlandse bevolking. Zo noemt de Volksgezondheidstoekomstverkenning 2020 dit een van de grootste gezondheidsrisico’s voor de toekomst.11 We hebben bij het uitwerken van de aanpak aandacht voor achterliggende problematiek en sociaal maatschappelijke vraagstukken (zoals armoede, bestaanszekerheid, sociale basis etc.) en zetten in op een mental health in all-policies benadering.
Het artikel ‘Academische tirades tegen conservatieven; Studenten Erasmus komen in het geweer: 'We willen dat de universiteit een neutrale instelling is'’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Academische tirades tegen conservatieven; Studenten Erasmus komen in het geweer: «We willen dat de universiteit een neutrale instelling is»»?1
Ja.
Hoe duidt u dit zoveelste signaal dat studenten en docenten met een mening die afwijkt van de heersende «norm» zich niet vrij kunnen uiten in hun eigen onderwijsinstelling?
De publicatie in De Telegraaf waarnaar verwezen wordt, betreft het relaas van twee studenten bestuurskunde en sociologie, die ook actief zijn in de centrale studentenraad. Zo sprak een van hen zich uit tegen een regenboogzebrapad op de campus en kreeg hier vervolgens kritiek via een appgroep. Een ander voorbeeld dat zij aandroegen is dat de Europese Unie als instituut in een studieboek kritiekloos zou worden aangeprezen. De student had het gevoel dat het geen zin heeft om hier tijdens college vragen over te stellen.
Ik zie in deze voorbeelden geen bedreiging van de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting of de kwaliteit van het onderwijs. De studenten zijn het niet eens met bepaalde uitingen, en de universiteit weerhoudt hen er niet van om zich daarover uit te spreken binnen de universiteit. De berichtgeving hierover geeft daar ook geen concrete signalen over. Deze studenten kunnen het gesprek aangaan met betrokken docenten en bestuurders, zo nodig een klacht indienen bij de instelling of bezwaar maken tegen beslissingen. Ook kunnen zij kwesties agenderen in de studentenraad. Ik hecht daarbij te verwijzen naar de reactie van het College van Bestuur die ook in het bericht van De Telegraaf is opgenomen: «Als instituut bieden wij ruimte en faciliteiten voor discussie over een veelheid van gevoelige onderwerpen en politieke meningen. Iedereen in onze gemeenschap mag zich uitspreken en zijn/haar mening hebben over deze onderwerpen op een respectvolle manier. Ook als het schuurt».
Deelt u de mening dat de universiteit bij uitstek de plek moet zijn waar maatschappelijk debat gevoerd wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dat toelichten?
Debatten over maatschappelijke kwesties moeten gevoerd kunnen worden in de publieke sfeer, in het onderwijs, de kunsten, in het parlement, in de media, op het internet, op straat en in cafés. En ja, zeker ook op de universiteiten. Op de universiteiten is het goed gebruik dat die debatten voldoen aan de eisen die aan het academische debat worden gesteld. Daarbij zijn onder andere weerlegbaarheid, argumentatie, kritiek, nieuwsgierigheid en respect belangrijke uitgangspunten. Het academische debat vindt ook plaats onder deskundige begeleiding en is een cruciaal onderdeel van het academische onderwijs.
Herkent u het herhaaldelijk terugkerend signaal dat docenten hun persoonlijke politiek ideologische opvattingen onderdeel maken van hun colleges? Zo nee, hoe beoordeelt u deze berichten?
Instellingen hebben de taak om het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van hun studenten te bevorderen. Het bespreekbaar maken van politieke, sociale en ethische kwesties kan daar onderdeel van zijn. Het komt wel eens voor dat een student of docent zich beklaagt over ideologische opvattingen die binnen de universitaire gemeenschap bestaan, zoals de student in het bericht van De Telegraaf die vindt dat de Europese Unie als instituut kritischer benaderd zou moeten worden tijdens het college.
Deelt u de mening dat docenten vrij zijn elke partijpolitieke voorkeur te hebben en ook vrij mogen uiten dat ze die hebben, maar studenten niet het gevoel mogen geven dat een andere opvatting dan die van de docent niet de «juiste» is? Zo nee, waarom niet?
Zeker. Docenten zijn vrij om politieke opvattingen te uiten maar dienen zich altijd bewust te zijn van de academische omgeving en hun positie daarin. Een goede docent nodigt studenten daarbij uit tot dialoog.
Deelt u de mening dat de relatie tussen student en docent geen gelijkwaardige is, omdat de student door de docent wordt beoordeeld en de student zich dus altijd ingekaderd zal voelen door de ruimte die hij van de docent krijgt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat wilt u doen om de politieke neutraliteit terug te brengen in de collegezalen?
Studenten en hun docenten staan inderdaad niet op gelijke voet, om tal van redenen. Er is sprake van een afhankelijkheidsrelatie mede doordat de docent de voortgang en leerresultaten van de student beoordeelt. Docenten hebben daarbij echter geen carte blanche. Opleidingen hanteren een systeem van toetsing en examinering, waardoor beoordelingen valide, betrouwbaar en voldoende onafhankelijk zijn. Dan nog kunnen sommige studenten zich geremd voelen in het openlijk bevragen of delen van politieke opvattingen. Politieke neutraliteit biedt daar geen oplossing voor, maar wel een veilige en inclusieve leeromgeving die ruimte geeft aan een diversiteit van perspectieven. Over de bevordering daarvan heb ik met Universiteiten van Nederland en de Vereniging Hogescholen afspraken gemaakt in het Bestuursakkoord 2022 hoger onderwijs en wetenschap.
Klopt het dat studenten en docenten op de Erasmus Universiteit worden gevraagd hun pronouns te vermelden? Zo ja, deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is, omdat mensen zelf moeten weten of zij het belangrijk vinden om zich zo te presenteren?
De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft aangegeven dat er geen centraal beleid bestaat voor docenten of studenten om hun voornaamwoorden te vermelden. Faculteiten, medewerkers en studenten mogen dit zelf bepalen. De universiteit gaf wel aan dat binnen de betreffende afdeling docenten de tip kregen dat het drempelverlagend kan werken om tijdens een introductieronde de te verkiezen pronouns te noemen. Deze tip komt voort uit het advies vanuit de studentengeleding binnen de faculteitsraad. Het betreft hier dus een suggestie, geen verplichting. Dit vind ik overigens geen onwenselijke ontwikkeling, juist omdat mensen hierdoor worden uitgenodigd om zich te presenteren zoals zij zelf wensen.
Hoe ver is het vervolgonderzoek van de Inspectie van het Onderwijs gevorderd, nadat zij eerder heeft geconstateerd, zoals vermeld in de Staat van het Onderwijs 2022, dat 30% van de studenten geen volmondig ja kan zeggen op de vraag of zij zich vrij voelen zich uit te spreken, en eveneens dat 30% van de studenten meent dat docenten actuele maatschappelijke onderwerpen die voor spanningen zorgen niet durven te bespreken?
Van de ondervraagde studenten zegt 7% zich niet vrij te voelen om hun mening te geven. Zo’n 12% van de ondervraagde studenten geeft aan dat docenten actuele maatschappelijke onderwerpen niet bespreekbaar maken wanneer deze zorgen voor spanningen in het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs bevraagt studenten hier nu verder op en zal de resultaten meenemen in de Staat van het Onderwijs 2023.
Is er al een begin gemaakt met gesprekken met Universiteiten van Nederland (UNL) en de Vereniging Hogescholen die u heeft toegezegd in het antwoord op eerdere schriftelijke vragen over docenten die racistisch en homofoob genoemd worden?2
Ja. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit kalenderjaar op de hoogte stellen van de uitkomsten.
In bovengenoemd artikel stelt UNL met zoveel woorden dat er niet zoveel aan de hand is; blijkt ook uit uw gesprekken met UNL dat zij dit standpunt innemen? Zo ja, hoe gaan gesprekken met UNL dan bijdragen aan een zuivere analyse van en oplossing voor het probleem? Gaat u desnoods andere partijen daarbij betrekken om deze kwalijke ontwikkeling het hoofd te bieden?
In het artikel wordt de suggestie gewekt dat sommige studenten op de Erasmus Universiteit Rotterdam niet de ruimte krijgen om zich uit te spreken. Zoals aangegeven heeft de Inspectie van het Onderwijs eerder in kaart gebracht in hoeverre studenten van alle instellingen zich vrij voelen om zich te uiten. Ik ben in gesprek met UNL en de Vereniging Hogescholen omdat ik wil weten hoe zij de cijfers van de inspectie duiden.
UNL heeft mij laten weten zich niet te herkennen in het beeld dat in de HJ Schoo-lezing geschetst is en benadrukt dat universiteiten bij uitstek de plek bieden voor open debat waarbij aandacht moet zijn voor de sociale veiligheid van studenten en medewerkers. UNL wijst erop dat het soms hoort te schuren binnen universiteiten – en dat dit ook onderdeel van de academische vorming van studenten is. Het boycotten van mensen hoort daar niet bij, aldus UNL. Vanzelfsprekend zullen ook de studentenorganisaties geconsulteerd worden. Ik zal uw Kamer voor het einde van dit kalenderjaar op de hoogte stellen van mijn bevindingen.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Eendenslachterij Tomassen Duck-To die al zes jaar miljoenen dieren per jaar slacht zonder geldige vergunning en zonder dat hiertegen wordt opgetreden |
|
Eva van Esch (PvdD), Leonie Vestering (PvdD) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de situatie rondom eendenslachterij Tomassen Duck-To in Ermelo, waar nu al zes jaar sprake is van illegale praktijken, zoals het feit dat er meer eenden worden geslacht dan toegestaan, dat er meer verkeersbewegingen zijn dan toegestaan, dat er langere werkuren worden gemaakt dan is toegestaan en dat er illegaal is aangebouwd, waar al die tijd niet tegen is opgetreden?
Ja. Betrokken partijen laten overigens weten dat de situatie genuanceerder ligt dan in de vraag wordt geschetst. Bij de beantwoording van uw vragen wordt hierop ingegaan.
Kunt u bevestigen dat de eendenslachterij sinds de uitbreiding van de slachtcapaciteit in 2016, niet beschikt over een geldige natuurvergunning (op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wet natuurbescherming) voor de huidige slachtpraktijken, werktijden en verkeersbewegingen?
De provincie Gelderland is het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming (Wnb). Zij heeft op 13 mei jl. een vergunning op basis van de Wnb aan eendenslachterij Tomassen Duck-To verleend voor de nieuwe situatie.
Wat vindt u ervan dat omwonenden al zes jaar bij alle instanties aan de bel trekken en vragen om op te treden tegen de overlast die zij ervaren door onder andere stank en de vele vrachtwagens die af en aan rijden door de woonwijk, maar dat er nog altijd niets gebeurt?1
Ik vind alle gevallen waarin omwonenden overlast ervaren van bedrijfsactiviteiten natuurlijk buitengewoon vervelend voor deze omwonenden. In het geval dat een bedrijf overlast veroorzaakt, het bedrijf zich niet houdt aan de algemene regels en de voorschriften uit de vergunning(en) kan handhavend worden opgetreden. Het is aan het bevoegd gezag – in dit geval de gemeente Ermelo – om toezicht te houden en indien nodig te handhaven. Voor zover het basistaken betreft worden de toezichts- en handhavingstaken verplicht uitgevoerd door een omgevingsdienst, waarbij voor het nemen van een handhavingsbesluit mandaat nodig is van het bevoegd gezag.
De Omgevingsdienst Veluwe Noord heeft in opdracht van de gemeente Ermelo onderzoek gedaan naar alle milieuaspecten, waaronder geur en geluid, om te bepalen of de ervaren overlast in strijd is met milieukwaliteitseisen. Uit dit onderzoek blijkt dat er binnen de hiervoor geldende normen wordt gebleven. Verder ligt er op dit moment een aanvraag voor een omgevingsvergunning (revisie van de vergunning van 4 april 2018). Deze aanvraag bevat de onderdelen milieu, bouwen en afwijken bestemmingsplan. De besluitvorming hierop is eind van dit jaar voorzien.
Deelt u de mening dat omwonenden beschermd moeten worden tegen overlast van bedrijven in hun directe leefomgeving, zoals hun eigen tuin?
Ja, die mening deel ik. Daarvoor is er milieuwetgeving waarmee grenzen worden gesteld aan activiteiten die invloed hebben op de leefbaarheid van mens en het milieu. De wetgeving heeft tot doel een balans te vinden tussen het gebruik van de fysieke leefomgeving en het behoud van diezelfde leefomgeving.
Hoe is het volgens u mogelijk dat de betrokken omgevingsdiensten, omgevingsdienst Noord-Veluwe, omgevingsdienst regio Nijmegen en omgevingsdienst regio Arnhem, hier niet optreden?
De betrokken omgevingsdiensten geven aan dat zij wel degelijk optreden. In opdracht van de gemeente Ermelo voeren zij hun taken uit op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe kan het dat hier drie omgevingsdiensten bij betrokken zijn? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De gemeente Ermelo is het bevoegd gezag voor eendenslachterij Tomassen Duck-To. Op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft de gemeente de uitvoering van de VTH-taken belegd bij de omgevingsdienst Noord-Veluwe. Zo nodig kan de omgevingsdienst Noord-Veluwe expertise inhuren bij een andere omgevingsdienst. Hiervoor zijn in Gelderland bestuurlijk geborgde samenwerkingsafspraken gemaakt. Deze expertise is ook ingehuurd voor eendenslachterij Tomassen Duck-To. Het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel (IBP VTH) onderzoekt verder welke ondergrens voor een goede taakuitvoering door omgevingsdiensten wenselijk is.
Heeft u in de uitzending van de Hofbar gezien dat omwonenden van een mestverwerker in Nistelrode waar eveneens sprake is van een illegale situatie, vertelden dat een handhaver langskwam om de situatie bekijken, maar besloot om niet in te grijpen uit angst voor zijn of haar baan? Wat vindt u hiervan?
Ja, ik heb de uitzending gezien. Ik vind het vanzelfsprekend dat een handhaver zijn of haar werkzaamheden zonder angst en met voldoende mate van onafhankelijkheid moet kunnen uitvoeren. Het is aan de werkgever om te zorgen voor een veilig werkklimaat en de hiervoor benodigde arbeidsomstandigheden.
Overigens herkennen zowel de provincie Noord-Brabant als de betrokken omgevingsdienst Brabant Noord zich niet in de situatie die in de uitzending van de Hofbar wordt geschetst.
Verder ben ik met de commissie Van Aartsen van mening dat het belangrijk is dat de uitoefening van toezicht en handhaving onafhankelijk is. Het versterken van de onafhankelijke uitoefening van het toezicht en de handhaving is cruciaal voor een effectief, slagvaardigheid en toekomstbestendig VTH-stelsel. In het IBP VTH wordt uitgewerkt hoe dit kan worden geborgd2. Ik ben hier ook op ingegaan tijdens de uitzending van de Hofbar op 14 september jl.
Hoort u vaker dit soort verhalen over illegale situaties die jarenlang worden gedoogd door omgevingsdiensten en lokale overheden? Zo ja, om wat voor gevallen gaat dit en wat doet u hiertegen?
Bij mij is niet eerder een signaal binnengekomen dat een omgevingsdienst een illegale situatie gedoogt. Normaliter is gedogen ook niet een taak die het bevoegd gezag mandateert aan een omgevingsdienst. Het nemen van een besluit tot gedogen kan alleen onder hele strikte voorwaarden. Het uitgangspunt blijft naleving en een beginselplicht tot handhaving.
Deelt u de mening dat, om het gedogen van illegale situaties door omgevingsdiensten te stoppen, de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen over de versterking van het vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstelsel (VTH-stelsel) zo spoedig mogelijk moeten worden uitgevoerd?2 Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat de uitvoering van de aanbevelingen sneller wordt opgepakt dan nu in de planning van het «Interbestuurlijk Programma versterking VTH-stelsel» is opgenomen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind dat het VTH-stelsel zo spoedig mogelijk moet worden versterkt. Deze versterking hebben we in gang gezet. Hierbij zijn de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen leidend. Het VTH-stelsel bestaat uit meerdere partijen. Met deze partijen heb ik het IBP VTH opzet waar in zes pijlers invulling wordt gegeven aan de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen. Het IBP VTH is inmiddels voortvarend aan de slag. De eerste voortgangsrapportage ontvangt u voor het kerstreces.
Aangezien u over de uitvoering van de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen nog tot eind 2023 wil doen, hoe wordt het probleem dat illegale situaties worden gedoogd door omgevingsdiensten dan in de tussentijd voorkomen en opgelost?
Los van de versterking van het VTH-stelsel en de opvolging van de aanbevelingen van de commissie Van Aartsen in het IBP VTH vind ik dat het bevoegd gezag altijd alles in het werk moet stellen om illegale situaties aan te pakken en waar mogelijk te voorkomen. Met het IBP VTH krijgen partijen binnen het VTH-stelsel meer en betere handvatten om de VTH-taken beter uit te voeren en wordt bijgedragen aan het voorkomen van milieuschade.
Deelt u de mening dat het volledig uitvoeren van álle tien de aanbevelingen van Van Aartsen en dus óók aanbeveling 9 over het instellen van rijkstoezicht op de omgevingsdiensten essentieel is om het gedogen van illegale situaties door omgevingsdiensten in de toekomst te voorkomen? Zo nee, op basis waarvan kunt u garanderen dat het gedogen van illegale situaties door omgevingsdiensten in de toekomst kan worden voorkomen, als u weigert aanbeveling 9 van Van Aartsen over het instellen van rijkstoezicht op de omgevingsdiensten volledig uit te voeren?
Zowel in mijn brief van 10 juni jl.4, mijn antwoorden op de vragen van het lid Hagen (D66)5 als tijdens debatten met uw Kamer heb ik aangegeven dat ik een andere invulling geef aan de opvolging van de aanbeveling van de commissie Van Aartsen over het rijkstoezicht op omgevingsdiensten.
Het invoeren van rijkstoezicht op omgevingsdiensten betekent een stelselwijziging waarvoor de VTH-bevoegdheden via een wetswijziging bij provincies en gemeenten moeten worden weggehaald en bij omgevingsdiensten moeten worden belegd. Daarvoor is een forse wetswijziging nodig, die grote gevolgen heeft voor de interbestuurlijke verhoudingen. Hiervoor is geen enkele steun bij provincies, gemeenten en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ook de commissie Van Aartsen beoogde met haar advies geen forse stelselwijziging met de gedane aanbevelingen.
Heeft u gezien dat de Raad van State omwonenden van de eendenslachterij deze zomer in het gelijk stelde en oordeelde dat er uiterlijk op 15 augustus jongstleden een einde moest worden gemaakt maken aan de illegale activiteiten?3
Ja, ik heb kennisgenomen van deze uitspraak. De last onder dwangsom die de omgevingsdienst namens de gemeente Ermelo heeft opgelegd is in stand gebleven. Met dien verstande dat de Raad van State het bedrijf extra tijd heeft gegeven om een aantal overtredingen te beëindigen.
Heeft u gezien dat ook sindsdien niet is opgetreden tegen de illegale situatie in Ermelo?
De stelling dat er niet wordt opgetreden, is volgens de gemeente Ermelo niet juist. In de afgelopen periode is er op verschillende momenten op verschillende onderdelen gecontroleerd, is onderzoek gedaan en is gehandhaafd.
Er vindt controle plaats over of de opgelegde last wordt nageleefd. Afhankelijk van onder andere de uitkomsten van de geluidmetingen vindt nadere besluitvorming plaats. Dit gebeurt zorgvuldig en kost tijd.
Wat denkt u dat dit doet met het vertrouwen van burgers in de overheid?
Ik realiseer me dat het vertrouwen in de overheid niet toeneemt als situaties van overlast voortduren en er geen passende oplossing lijkt te worden gevonden. Uiteraard is het van belang dat omwonenden en burgers signalen blijven afgeven om knelpunten in de uitvoering van VTH zichtbaar te maken. Dit geeft mij handvatten om als stelselverantwoordelijke het VTH-stelsel te kunnen versterken.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja, dat heb ik hierbij gedaan.
Het DNB-rapport ‘Van herstel naar balans’ en signalen dat PEP’s door Wwft-instellingen worden geweerd als klant |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het rapport van De Nederlandsche Bank (DNB) «Van herstel naar balans»?1
Ja.
In dit rapport pleit toezichthouder De Nederlandsche Bank voor een meer risicogebaseerde aanpak van financieel-economische criminaliteit, «waarbij niet angst om het fout te doen de boventoon voert». Onderschrijft u deze conclusie van DNB?
Ja, ik onderschrijf de conclusie van het belang van een risicogebaseerde aanpak. Dat is immers ook het uitgangspunt in de wet- en regelgeving. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar de brief met mijn reactie op het onderzoek van DNB. Deze brief is parallel met de beantwoording van deze vragen aan uw Kamer verzonden.
Is deze benadering van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) door DNB een totaalaanpak, in die zin dat deze wordt gedeeld door de andere toezichthouders en handhavers van de Wwft, zoals de Autoriteit Financiële Markten, het Bureau Financieel Toezicht, de deken van de orde van advocaten en de Belastingdienst?
Het onderzoek van DNB richt zich primair op de toepassing van de Wwft door banken en het toezicht dat DNB daarop uitvoert. DNB geeft aan dat in de afgelopen jaren een deel van de bancaire sector in onvoldoende mate de Wwft heeft nageleefd, maar dat de banken inmiddels hun inspanningen en investeringen op dit vlak aanzienlijk hebben vergroot. DNB loopt tevens langs de gevolgen van deze inspanningen, bijvoorbeeld voor de toegang tot het betalingsverkeer. De aandachtspunten die DNB noemt zijn dan ook louter gebaseerd op de toepassing van de Wwft in de bancaire sector. Het rapport geeft geen inzicht in de naleving van de Wwft door andere instellingen en het Wwft-toezicht op deze andere instellingen. Daarbij geldt dat Wwft-instellingen en hun cliënten onderling veel verschillen. De conclusies uit het onderzoek van DNB kunnen derhalve niet als een totaalaanpak worden gezien.
Wel geldt in algemene zin dat een risicogebaseerde aanpak één van de uitgangspunten is in de Wwft. Van Wwft-instellingen wordt verwacht dat zij hun poortwachtersrol risicogebaseerd invullen, dit blijft onveranderd. Een dialoog over een gebalanceerde toepassing ervan wordt ook breder gedeeld door andere toezichthouders en handhavers.
Ruimte voor instellingen om in te spelen op de hoogte van de risico’s op witwassen is een belangrijk element voor een effectieve en efficiënte aanpak van witwassen. DNB constateert in haar onderzoek dat banken de bestaande ruimte onvoldoende hebben benut. DNB noemt dan ook dat ze meer aandacht wil hebben voor de vraag of banken voldoende ruimte bieden voor minder zware maatregelen bij lage risico’s. Een dialoog tussen instellingen en toezichthouders, zoals DNB voorstelt in haar onderzoek, draagt bij aan het verbeteren van de informatiepositie over en weer. Daarnaast zal DNB op basis van deze dialoog guidance opstellen om de instellingen beter te ondersteunen bij de uitvoering van hun verplichtingen. Aangezien DNB signaleert dat een mogelijke oorzaak van het onterecht afwijzen van klanten door banken gelegen is in een niet-goed uitgevoerde risicobeoordeling, verwacht ik dat de dialoog tussen DNB en de banken bijdraagt aan een oplossing.
Ik onderschrijf de gekozen benadering van DNB. In de beleidsagenda witwassen, die ik op 23 september samen met de Minister van Justitie en Veiligheid naar uw Kamer heb gestuurd, is «ruimte waar mogelijk» één van de drie speerpunten. Als één van de prioriteiten ga ik inzetten op het borgen van toegang tot het betalingsverkeer. Hierbij wil ik de klantengroepen die moeite hebben met toegang tot het betalingsverkeer in contact brengen met banken om op die manier gezamenlijk de knelpunten te bespreken en op te lossen en om te zorgen voor een goede invulling van de risicogebaseerde benadering in de regelgeving. De vervolgacties die DNB neemt, helpen hier ook bij.
Ik heb verder kennisgenomen van de op 18 oktober gedane uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de zaak bunq. Omdat deze uitspraak over een specifieke zaak gaat, is het niet aan mij om hierover een oordeel te geven. De inschatting welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de wijze waarop DNB haar toezicht inricht, ligt primair bij DNB.
Kunnen Wwft-instellingen er vanuit gaan dat deze lijn van «geen angst om het fout te doen» ook wordt onderschreven door het Openbaar Ministerie, nu elke overtreding van de Wwft op dit moment in beginsel gekwalificeerd wordt als een misdrijf?
Ook het Openbaar Ministerie deelt het uitgangspunt dat de risicogebaseerde aanpak één van de uitgangspunten is van de Wwft. Dat overtreding van Wwft-verplichtingen door instellingen is gekwalificeerd als misdrijf in de Wet economische delicten, doet hier geen afbreuk aan. Uit de memorie van toelichting bij de Wwft2 volgt dat de aard en ernst van overtredingen van de Wwft een strafrechtelijke sanctie kan vergen. Ook de samenhang met andere strafbare feiten of de behoefte aan een opsporingsonderzoek met bijbehorende bevoegdheden kan reden vormen voor strafrechtelijke handhaving. Overtreding van een aantal voorschriften uit de Wwft is daarom strafbaar gesteld en wordt gekwalificeerd als misdrijf in de Wet economische delicten. Over de vraag of Wwft-overtredingen bestuursrechtelijk, tuchtrechtelijk of strafrechtelijk moeten worden afgedaan, vindt in de praktijk overleg plaats tussen het Openbaar Ministerie en de toezichthouders. Het Openbaar Ministerie overweegt altijd of strafrechtelijke vervolging opportuun en proportioneel is, op het moment dat overtreding van de Wwft wordt geconstateerd.
Gaat u bewerkstelligen dat er op basis van de DNB-lijn uniform beleid komt waaraan alle toezichthouders zich committeren, zodat Wwft-instellingen duidelijke kaders hebben waaruit blijkt wat hun wettelijke plicht is, zonder dat sprake is van open normen?
Zie antwoord vraag 3.
Welke plannen heeft u om de door DNB genoemde hiaten in de uitvoering van de Wwft te verhelpen?
In de bij de beantwoording van vraag 3 en 5 genoemde beleidsagenda aanpak witwassen, staan de prioriteiten en vervolgacties van het kabinet om de aanpak van witwassen verder te verbeteren. Veel van de aanbevelingen van DNB komen terug in de vervolgacties. Voor een reactie op de specifieke punten in het onderzoek van DNB, verwijs ik naar mijn bij de beantwoording van vraag 2 genoemde brief met de beleidsreactie op het DNB-onderzoek.
Bent u bekend met signalen dat sommige Wwft-instellingen Politically Exposed Persons (PEP’s) en daaraan gerelateerde personen zoals gezinsleden niet willen accepteren als klant of zelfs uit het klantenbestand willen verwijderen, terwijl er in feite sprake is van een laag risico?
Op 30 mei jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bevindingen die zijn gedaan in een onderzoek van EY naar de uitvoerbaarheid van een aantal aspecten van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn.3 In dat onderzoek is onder meer gekeken naar de persoonlijke ervaringen van een aantal (binnenlandse) PEPs. Daaruit volgde onder meer dat het verscherpt cliëntenonderzoek door deze PEPs als disproportioneel wordt ervaren. Zij gaven aan meermaals te zijn verzocht een veelheid aan (persoonlijke) informatie aan te leveren bij Wwft-instellingen, terwijl zij menen dat hun PEP-status niet tot meer risico’s op witwassen leidt. Ook gaven zij aan dat de intensiteit van het verscherpt cliëntenonderzoek uiteenloopt en dat in sommige gevallen de relatie is beëindigd.
Het kabinet vindt het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs. Daarom heb ik in de beleidsreactie aanpak witwassen een aantal acties genoemd op dit terrein, zoals het voornemen om met betrokken partijen mogelijkheden te bezien om de informatieverzoeken door Wwft-instellingen efficiënter en minder bezwarend te maken en te spreken over het creëren van duidelijkheid richting PEPs over wat van hen wordt verwacht.
Het feit dat Wwft-instellingen verscherpt cliëntenonderzoek verrichten naar PEPs, familieleden van PEPs en naaste geassocieerden, houdt verband met de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Europese en internationale regelgeving waarop de Wwft is gebaseerd. De achterliggende gedachte hierbij is dat relaties met personen die een prominente politieke functie bekleden, voor de financiële sector een groot reputatierisico en juridisch risico met zich mee kunnen brengen, zeker wanneer die personen afkomstig zijn uit landen die een relatief hoge corruptiegraad hebben. Dergelijke personen verdienen dan ook in het licht van de strijd tegen corruptie bijzondere aandacht. De verscherpte maatregelen gelden zowel ten aanzien van PEPs als voor hun familieleden en naaste geassocieerden.
Is het, om een voorbeeld van het bovenstaande te geven, gerechtvaardigd dat een levensverzekeraar – zoals blijkens signalen lijkt te gebeuren – een PEP-gerelateerd persoon dwingt te vertrekken als klant, enkel omdat de klant PEP is, zonder dat er sprake is van concrete risico’s?
Nee, de maatregelen ten aanzien van PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden zijn uitdrukkelijk preventief van aard. Een zakelijke relatie afwijzen enkel en alleen omdat een cliënt een politiek prominente persoon is, druist dan ook in tegen de gedachte achter de Wwft en de Europese anti-witwasrichtlijn waarop de Wwft is gebaseerd. Zoals hiervoor al werd opgemerkt, zijn Wwft-instellingen bij PEPs wel verplicht verscherpt cliëntenonderzoek te verrichten en dat kan ertoe leiden dat zij meer informatie opvragen bij de PEP. De intensiteit van dat verscherpt cliëntenonderzoek kan per geval verschillen omdat dit mede afhankelijk is van de risico’s die zich in een bepaald geval voordoen.
Kunt u bevestigen dat een dergelijke opstelling niet acceptabel is en kunt u, in samenwerking met de toezichthouders, hier richting de Wwft-instellingen aandacht aan besteden?
Het enkel en alleen weigeren van een cliënt omdat deze een PEP is, is inderdaad onbehoorlijk en druist in tegen de gedachte achter de Wwft en de regelgeving waarop de Wwft is gebaseerd. Ik vind dan ook dat de toepassing van de regelgeving op PEPs beter kan. Dit is één van de prioriteiten in de beleidsagenda aanpak witwassen. Ik vind het belangrijk dat er een evenwichtige verhouding is tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs. In de beleidsagenda kondig ik als één van de vervolgacties aan om gesprekken met de sector te voeren over de juiste toepassing van de regels voor PEPs. Voor een verdere toelichting hierop verwijs ik naar de beleidsagenda aanpak witwassen.
Hoe gaat u instellingen aanspreken die in hun voorwaarden dienstverlening aan PEP’s uitsluiten? Gaat u hierover in gesprek met de relevante toezichthouders om dit maatschappelijk onacceptabele gedrag aan de orde te stellen?
Ik ben niet bekend met voorwaarden waarin PEPs bij voorbaat categorisch worden uitgesloten vanwege het feit dat zij een PEP zijn. Zoals gezegd druist het enkel en alleen weigeren van een cliënt omdat deze een PEP is, in tegen de gedachte achter de Wwft. Als opvolging van de beleidsagenda aanpak witwassen, zal ik gesprekken voeren met relevante partijen over de juiste toepassing van de regels met betrekking tot PEPs en over het creëren van duidelijkheid richting PEPs over wat van hen wordt verwacht. Graag verwijs ik voor verdere details naar de bij de beantwoording van vraag 3 en 5 genoemde beleidsagenda aanpak witwassen.
Bij wie kunnen deze personen terecht? Bent u bereid om in geval van de onheuse behandeling van PEP’s, waardoor zij uitgesloten worden van verzekeringen en/of bancaire faciliteiten, een meldpunt in het leven te roepen bij een van de toezichthouders zodat deze waar nodig kunnen acteren?
Indien een cliënt (al dan niet een politiek prominente persoon) van mening is dat een Wwft-instelling hem of haar onheus behandelt, dan kan deze cliënt dit aangeven bij (het klachtenloket van) de betreffende Wwft-instelling. Daarnaast kan een cliënt een klacht indienen bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid). Het voorgaande laat uiteraard onverlet dat het een cliënt vrijstaat een juridische procedure aan te spannen. Het is verder mogelijk om signalen bij de toezichthouders in te dienen. Die kunnen een individueel geschil niet oplossen, maar het signaal wel verder gebruiken bij bijvoorbeeld guidance.
Welke andere maatregelen bent u bereid te nemen om de toegang van PEP’s tot de dienstverlening van Wwft-instellingen te garanderen, ervan uitgaande dat er geen sprake is van materiële Wwft-risico’s anders dan het feit dat deze persoon een PEP-status heeft?
Voor de maatregelen die ik neem, verwijs ik naar de beleidsagenda aanpak witwassen. Daarin noem ik verschillende vervolgacties om te zorgen voor een evenwichtige verhouding tussen enerzijds het verscherpt cliëntenonderzoek en anderzijds de relevante risico’s die zich voordoen bij PEPs, hun familieleden en naaste geassocieerden. De komende periode ga ik de vervolgacties samen met publieke en private belanghebbenden verder uitwerken.
Kunt u ingaan op de door mij gestelde vragen tijdens het commissiedebat Financiële Markten (d.d. 30 juni 2022) over het feit dat Marokko sinds kort op de lijst van de Europese Commissie van derde landen met een hoog risico staat? Kunt u hierbij aangeven wat de exacte gevolgen zijn van een plaatsing op deze lijst voor zowel Wwft-instellingen als voor klanten?
In februari 2021 heeft de FATF Marokko op haar grijze lijst geplaatst van landen met strategische tekortkomingen in hun nationale regimes met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van witwassen en financieren van terrorisme. Het doel van de lijst is om de risico’s van witwassen en terrorismefinanciering te beheersen en het financiële stelsel te beschermen tegen deze risico’s. De Europese Commissie heeft deze plaatsing in maart 2022 overgenomen op de EU-lijst van hoog-risico derde landen. Voor transacties met ingezetenen van landen die op de lijst staan, dient verscherpt cliëntenonderzoek plaats te vinden door Wwft-instellingen. Verscherpt cliëntenonderzoek brengt met zich dat Wwft-instellingen cliënten moeten onderwerpen aan een verscherpte controle en onder andere aanvullende informatie over de cliënt, de beoogde zakelijke relatie en transacties moeten verzamelen (zie artikel 9, eerste lid, Wwft). Voor cliënten heeft dit tot gevolg dat zij meer informatie moeten verstrekken aan Wwft-instellingen. Zoals toegezegd tijdens het tweeminutendebat Financiële Markten van 28 september jl., stuur ik uw Kamer binnenkort een brief met een uitgebreidere toelichting op dit vraagstuk.
Het bericht 'Grutte fragen by Waadferiening: wat betsjut ferkeap NAM foar gaswinning?' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grutte fragen by Waadferiening: wat betsjut ferkeap NAM foar gaswinning?»?1
Ja.
Deelt u de observatie dat de organisatie die de oorspronkelijke vergunningsaanvragen voor gaswinning onder de Waddenzee heeft aangevraagd in feite een andere is dan de organisatie die deze mijnbouw in de toekomst uitvoert?
Indien een overdracht plaatsvindt van bedrijfsonderdelen waartoe gaswinning onder de Waddenzee behoort, zullen die activiteiten inderdaad door een andere marktpartij worden uitgevoerd. Het staat iedere marktpartij vrij om op basis van eigen genomen afwegingen te besluiten om bepaalde bedrijfsonderdelen aan te trekken of af te stoten. De NAM heeft dus de mogelijkheid om te concluderen dat door de beperkte ruimte die zij zien om verder te investeren in de zogeheten kleine velden, zij het beter achten dat deze bedrijfsonderdelen overgenomen worden door een ander mijnbouwbedrijf dat met wellicht meer investeringsruimte.
Welke consequenties heeft dit voor zowel de uitvoering als de handhaving van bestaande vergunningen voor gaswinning onder de Waddenzee vanuit de dorpen Blija, Moddergat, Lauwersoog en Vierhuizen door de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)?
Vanaf het moment van overname is de nieuwe partij de vergunninghouder en zullen de rechten en plichten met betrekking tot die mijnbouwactiviteiten gelden voor de nieuwe partij. Dit betekent dat de nieuwe partij zijn activiteiten moet uitvoeren conform het bepaalde bij of krachtens de Mijnbouwwet (inclusief de voorwaarden of beperkingen die aan de vergunning of instemming zijn verbonden) en daarop ook het toezicht op wordt gehouden. Voor de uitvoering en handhaving gelden dezelfde eisen en worden dezelfde toetsen uitgevoerd, als voor de NAM het geval was. Daarbij merk ik op dat voor de overdracht van de vergunning mijn toestemming nodig is en ik daarvoor de beoogde nieuwe vergunninghouder toets aan de eisen van de Mijnbouwwet, bijvoorbeeld of deze partij beschikt over voldoende technische en financiële mogelijkheden (zie artikel 9 van de Mijnbouwwet).
Deelt u de zorg dat er, indien er voor gaswinning bij Ternaard toch een vergunning wordt afgegeven, in feite niets bekend is over het nieuwe bedrijf dat deze gaswinning uitvoert en we dus op dit moment niet weten welk bedrijf aan mijnbouw zal doen in dit uitermate kwetsbare gebied?
Ik deel uw zorgen op dit punt niet. Op het moment dat de gaswinning daadwerkelijk mag worden uitgevoerd zoals u in uw vraag stelt, is bekend welke partij dat doet, namelijk de vergunninghouder. Omdat voor de overdracht van de vergunning mijn toestemming nodig is en ik daarvoor de beoogde nieuwe vergunninghouder toets aan de eisen van de Mijnbouwwet, is gewaarborgd dat bekend is welke partij mijnbouwactiviteiten uitvoert en dat deze partij aan de eisen van de Mijnbouwwet voldoet.
Deelt u de conclusie dat, indien een ander bedrijf dan de NAM deze winning bij Ternaard van plan is uit te voeren, de vergunningsaanvraag in feite opnieuw moet worden ingediend, aangezien bijvoorbeeld ook de financiële mogelijkheden van het winningsbedrijf worden meegenomen in de beslissing over de vergunning?
Ik deel de conclusie in die zin dat ik bij de overdracht van welke winningsvergunning dan ook door de NAM aan een andere partij de financiële en technische mogelijkheden van de nieuwe partij meeweeg in de beslissing over de overdracht. Dit is van belang aangezien de overnemende partij in de rechten en plichten van de NAM treedt.
Het feit dat Taiwan graag waarnemend lid wil worden van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) |
|
Kati Piri (PvdA), Agnes Mulder (CDA), Raymond de Roon (PVV), Ruben Brekelmans (VVD), Tom van der Lee (GL), Tunahan Kuzu (DENK), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Taiwan graag waarnemend lid wil worden van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het in de Raad van de ICAO staande praktijk is om relevante internationale organisaties, waarnemers en andere partijen uit te nodigen die van toegevoegde waarde zijn voor het verder ontwikkelen van veilige internationale luchtvaart?2
Ja.
Bent u bekend met het feit dat Taipei Taoyuan luchthaven in 2020 op de vierde plek stond qua drukste luchthavens voor cargo luchtvaart wereldwijd en in 2019, voor de pandemie, 72 miljoen reizigers bediende?3
Ja. Deze luchthaven bediende 48 miljoen passagiers in 2019 en staat de afgelopen jaren consequent op plek 7 of 8 van de drukste luchthavens wereldwijd voor vrachtluchtvaart.
Bent u het eens dat het bevorderlijk zou zijn voor de veiligheid van de burgerluchtvaart wanneer Taiwan een-op-een aangesloten zou zijn op de regelgeving, richtlijnen en systemen van de ICAO?
Ja. De International Civil Aviation Organization (ICAO) speelt een belangrijke rol bij het bevorderen van de veiligheid van de internationale burgerluchtvaart. In dat licht, is het van belang dat Taiwan de noodzakelijke informatie over ICAO-regelgeving rechtstreeks kan verkrijgen.
Bent u het eens dat de steeds vaker voorkomende Chinese militaire oefeningen binnen het Taiwanese luchtruim een veiligheidsrisico met zich meedragen aangezien deze geregeld zeer kort voor aanvang worden aangekondigd door de Chinese regering? Zo ja, bent u het eens dat dit veiligheidsrisico geldt voor alle reizigers die naar of via Taipei vliegen? Bent u bereid de Chinese Minister verantwoordelijk voor luchtvaart hierop aan te spreken?
Het kabinet is bezorgd dat met de Chinese militaire oefeningen rondom Taiwan het risico op mogelijke ongelukken en misverstanden toeneemt. De Minister-President heeft op 23 augustus jl. in een gesprek met zijn Chinese ambtsgenoot Li Keqiang zijn zorgen overgebracht, opgeroepen geen unilaterale acties te ondernemen die de status quo mogelijk kunnen aantasten en af te zien van escalerende acties.
Ten aanzien van de situatie rondom China en Taiwan, deze wordt door de leden van de expertgroep «deling dreigingsinformatie» gemonitord en relevante informatie wordt gedeeld. Deze expertgroep is ingesteld onder het convenant voor het delen van dreigingsinformatie dat in 2016 is afgesloten met de overheidsdiensten en de luchtvaartmaatschappijen, mede naar aanleiding van de crash van vlucht MH17. Bij brief van 26 november 2021 is uw Kamer geïnformeerd over de inspanningen van het Kabinet betreffende het beheersen van risico's die gepaard gaan met het vliegen over en nabij (potentiële) conflictgebieden.4
Bent u het eens dat Taiwanese deelname aan het ICAO de risico’s voor reizigers kan verminderen doordat het de communicatie en controle tussen het Taiwanese Civil Aeronautics Administration en de ICAO beter op elkaar afstemt?
In de praktijk verkrijgt Taiwan informatie over ICAO regelgeving via indirecte kanalen. Gezien de rol die ICAO speelt bij het bevorderen van de veiligheid van de burgerluchtvaart zou het wenselijk zijn dat Taiwan de noodzakelijke informatie over ICAO-regelgeving ook rechtstreeks kan verkrijgen.
Herinnert u zich dat de Taiwanese luchtvaartautoriteit, Civil Aeuronautics Administration (CAA), in 2013 officieel is uitgenodigd door Mr. Roberto Kobeh González, toenmalig president van de Raad van de ICAO en destijds geparticipeerd heeft in de 38e assemblee van de Raad van de ICAO?
Ja. De President van de Raad van ICAO heeft in 2013 op verzoek van China de Taiwanese CAA uitgenodigd om als speciale gast deel te nemen aan de 38e zitting van de ICAO Algemene Vergadering. Nederland heeft destijds bij Taiwan per brief deze uitnodiging verwelkomd en zijn steun kenbaar gemaakt voor praktische deelname van Taiwan aan deze vergadering.5
Bent u bekend met het feit dat vele landen, waaronder de Verenigde Staten, steun hebben uitgesproken voor Taiwanese deelname aan de Raad van de ICAO?4
Ja.
Bent u het eens dat Taiwan kwalificeert onder de door het ICAO opgestelde definitie van waarnemer?5
Regel 32(a) van de Rules of Procedure for the Council of the ICAOvoorziet in de mogelijkheid om staten, internationale organisaties en andere partijen (other body) als waarnemer toe te laten tot vergaderingen van de Raad. Ook Taiwan zou op grond van die regel in principe kunnen worden uitgenodigd als other body waarnemer, mits ook China daarmee instemt.
Regel 5 van de Standing Rules of Procedure of the Assembly of the ICAObepaalt dat alleen staten en internationale organisaties als waarnemer kunnen deelnemen aan de Algemene Vergadering van de ICAO. Taiwan wordt door Nederland en de meeste andere staten in de wereld niet als staat beschouwd en kan daarom in principe niet als waarnemer aan deze vergaderingen deelnemen.
Klopt het dat in de Rules of Procedure for the Council of the ICAO waarnemers kunnen worden uitgenodigd door de Raad onder regel 32A?6
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om samen met gelijkgestemde landen te pleiten voor het toelaten van Taiwan als waarnemer bij de ICAO en Taiwan uit te nodigen voor de 41e zitting van de ICAO die plaatsvindt van 27 september tot 7 oktober a.s.? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is voorstander van betekenisvolle deelname van Taiwan aan internationale bijeenkomsten waar dit in het belang is van de internationale gemeenschap, bijvoorbeeld op het gebied van volksgezondheid, internationale criminaliteitsbestrijding en veiligheid van de burgerluchtvaart. Nederland coördineert deze inzet met gelijkgestemde landen, met inachtneming van het Nederlandse één-Chinabeleid.
Conform de antwoorden op vragen 7, 9 en 10, kan Taiwan in principe niet als waarnemer worden uitgenodigd bij de ICAO Algemene Vergadering. De President van de ICAO Raad kan Taiwan wel als speciale gast uitnodigen. Voor de 41ste zitting van de Algemene Vergadering in Montréal heeft de President hiervan afgezien.
Kunt u deze vragen gezien het tijdspad met enige spoed en afzonderlijk beantwoorden?
Ja, waarbij echter vragen 9 en 10 enkel in samenhang volledig konden worden beantwoord.
De noodzaak van onderzoek naar misstanden in vrouwengevangenissen. |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de recente, verontrustende, berichten over misstanden in de vrouwengevangenis Penitentiaire Inrichting (P.I.) Nieuwersluis?1
Ja.
Klopt het dat de Inspectie voor Justitie en Veiligheid inmiddels onderzoek doet naar de misstanden in P.I. Nieuwersluis, naar aanleiding van zeer concrete meldingen van (ex-) gedetineerden en advocaten over misstanden? Zo ja, wat is de reikwijdte van dit onderzoek? Kunnen mensen zich actief melden bij de inspectie als zij voorbeelden van misstanden hebben? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) onderzoek doet naar mogelijk seksueel misbruik door een gevangenismedewerker in de vrouwengevangenis in Nieuwersluis. De Inspectie wil weten wat hierover bij de inrichting bekend was en wat de inrichting met die (mogelijke) signalen heeft gedaan. Zij gaat bij dit onderzoek te werk volgens haar reguliere plan van aanpak Incidentonderzoek. De Inspectie JenV gaat niet over de strafrechtelijke kant van de zaak, dat is aan het OM en de politie.
Burgers kunnen via een contactformulier, te vinden op de website van de Inspectie melding doen van misstanden bij de Inspectie JenV. Daarnaast kan dit ook via andere kanalen, bijvoorbeeld schriftelijk of in persoon als de Inspectie op locatie is. Deze laatste optie geldt met name voor gedetineerden en/of medewerkers van een inrichting. Deze mogelijkheden gelden uiteraard voor een ieder die misstanden in de PI Nieuwersluis willen delen.
Kunt u bevestigen dat er op uw ministerie naast voorbeelden van seksueel grensoverschrijdend gedrag ook onderbouwde voorbeelden binnen zijn gekomen over machtsmisbruik en het onthouden van juiste medische zorg in verschillende vrouwengevangenissen? Zo ja, op welke manier worden deze meldingen onderzocht?
Ja, mij hebben ook signalen over machtsmisbruik en het onthouden van juiste medische zorg in vrouwengevangenissen bereikt. Ik heb de Inspectie JenV hiervan op de hoogte gesteld en gevraagd deze meldingen te betrekken in haar onderzoek en indien nodig uit te breiden naar de andere vrouwengevangenissen als daar aanleiding toe is. De Inspectie bepaalt uiteraard zelf de reikwijdte van haar onderzoek en kan in de loop daarvan besluiten het onderzoek uit te breiden.
Dit is vastgelegd in de Aanwijzingen van de Minister-President inzake de rijksinspecties.2
Wanneer heeft de Inspectie voor Justitie en Veiligheid het leef- en werkklimaat in de vrouwengevangenissen voor het laatst grondig onderzocht? Bent u het ermee eens dat het goed zou zijn als de Inspectie een grondig onderzoek doet naar het leef- en werkklimaat in de vrouwengevangenissen? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie heeft in het verleden op verschillende momenten onderzoek gedaan naar de drie vrouwengevangenissen. In 2008 heeft voor het laatst een doorlichting in PI Ter Peel plaatsgevonden, in 2013 in PI Nieuwersluis en in 2020 in PI Zwolle. Een doorlichting is een onderzoek aan de hand van een toetsingskader3 en niet naar een specifiek thema.
Daarnaast zijn de verschillende PI's betrokken geweest bij diverse (thema)onderzoeken. De resultaten van deze onderzoeken zijn beschikbaar via de website van de Inspectie. Zo is PI Ter Peel in 2017 betrokken geweest bij het onderzoek dat zich richtte op het tegengaan van contrabande, niet-integer gedrag en voortgezet crimineel handelen tijdens detentie («Binnen de Muren niet toegestaan»). Ook is PI Ter Peel betrokken bij het lopende onderzoek naar re-integratie. Dit onderzoek wordt naar verwachting einde van het jaar opgeleverd.
De PI Zwolle is onder meer betrokken bij onderzoeken naar de kwaliteit van de taakuitvoering in 2018 («Uit Balans»), het onderzoek naar de Terroristen Afdeling in 2018 en naar het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC). Dit laatste onderzoek loopt nog.
PI Nieuwersluis is in 2018 betrokken geweest bij het onderzoek «Uit Balans» en het lopende onderzoek naar re-integratie.
Signalen die mij bereiken over het werk- en leefklimaat in vrouwengevangenissen geef ik door aan de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Inspectie. Zoals hiervoor aangegeven, bepaalt de Inspectie zelf de reikwijdte van haar onderzoeken. Zij is immers onafhankelijk. Ik kan de Inspectie, die haar werkzaamheden in onafhankelijkheid uitvoert, niet opdragen onderzoek te doen naar bepaalde onderwerpen.
Het bericht ‘Gokken in casino leidt minder snel tot terugvordering volledige bijstandsuitkering’ |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Gokken in casino leidt minder snel tot terugvordering volledige bijstandsuitkering»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Hoe beoordeelt u de in de uitspraak geformuleerde vuistregel dat de hoogte van gokinkomsten voor een bijstandsgerechtigde gelijk wordt gesteld aan de hoogte van de bedragen die de bijstandsgerechtigde met gokken in het casino heeft ingezet?
Als Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen is het niet aan mij om uitspraken van de rechter te beoordelen.
De rechter acht het niet in alle gevallen redelijk om van een bijstandsgerechtigde die in een casino gokt een sluitende en verifieerbare administratie te verlangen. Zeker nu aan het ontbreken van een dergelijke administratie de consequentie wordt gekoppeld dat de bijstand over de maanden waarin sprake was van gokken volledig wordt teruggevorderd. Hij introduceert daarom een vuistregel op basis waarvan het enkel ontbreken van een deugdelijke administratie onvoldoende is om tot algehele terugvordering over te gaan.
Ik onderzoek op dit moment hoe we binnen de regelgeving meer rekening kunnen houden met de leefwereld en het doenvermogen van mensen. Dat is ook het doel van het traject «Participatiewet in balans». Mijn inzet hierop heb ik met u gedeeld middels de brief van 21 juni 2021.3
Hoe vaak wordt bijstand teruggevorderd omdat bijstandsgerechtigden door middel van kansspelen inkomsten hebben verworven?
Cijfers op dit vlak zijn niet beschikbaar. Gemeenten registreren de reden van terugvordering niet op een dergelijk gedetailleerd niveau.
Hebt u cijfers over de omvang van gokproblematiek en eventuele schuldenproblematiek als gevolg van gokken in de groep bijstandsgerechtigden?
Uit het onderzoek van het CBS «Schuldenproblematiek in beeld» blijkt dat 119.700 mensen met een bijstandsuitkering geregistreerde problematische schulden hadden.4 Ik beschik niet over cijfers die inzicht geven in welke mate de schuldenproblematiek voor deze groep mensen het gevolg zijn van gokken.
Deelt u de mening dat het risicovol kan zijn indien bijstandsgerechtigden, gezien hun kwetsbare inkomenspositie die inherent is aan het feit dat zij bijstand ontvangen, regelmatig gokken of aan kansspelen doen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om te voorkomen dat bijstandsgerechtigden vanwege een gokverslaving of problematisch gokken in de financiële problemen komen?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik delen de mening dat het risicovol kan zijn dat bijstandsgerechtigden deelnemen aan kansspelen. Met de «Aanpak geldzorgen, armoede en schulden» zet het kabinet een aantal grote acties in om bestaans- en inkomenszekerheid voor mensen te borgen. De preventie van geldzorgen is daar een belangrijk onderdeel van. Het kabinet blijft inzetten op het beperken en beschermen van mensen tegen risico’s. Bijvoorbeeld door het versterken van financiële educatie voor kinderen en jongeren, en het inzetten op het beschermen van consumenten bij het aangaan van een lening en het beschermen tegen risicovolle financiële producten en diensten zoals achteraf betalen, maar ook tegen de risico’s van het kopen van crypto’s.
In de wet- en regelgeving voor kansspelen zijn maatregelen opgenomen om te voorkomen dat spelers problematisch speelgedrag ontwikkelen of in de financiële problemen komen door gokken. Spelers moeten bijvoorbeeld voor ze kunnen spelen limieten instellen, onder meer voor de maximale stortingen op de speelrekening.
Kansspelaanbieders hebben vanuit de wet- en regelgeving voor kansspelen een belangrijke zorgplicht. In alle gevallen moeten aanbieders adequaat interveniëren wanneer een speler risicovol speelgedrag vertoont. Plotseling veel meer geld uitgeven dan gewoonlijk, of het steeds op willen hogen van de speellimiet kunnen indicatoren zijn die nopen tot een interventie. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een persoonlijk onderhoud moet worden gevoerd. Als uiterste middel is er het Centraal register uitsluiting kansspelen (Cruks). Spelers die in Cruks zijn opgenomen hebben minimaal zes maanden geen toegang tot online kansspelen, speelcasino’s en speelautomatenhallen. Zij kunnen in het uiterste geval door kansspelaanbieders of door mensen in hun omgeving worden voorgedragen voor Cruks. Spelers kunnen zichzelf ook op elk moment vrijwillig inschrijven in Cruks, om zichzelf te beschermen tegen het verliezen van geld door deelname aan kansspelen.
Een gemeente heeft op dit vlak geen mogelijkheden. Bij een rechtmatigheidsonderzoek naar de bijstandsuitkering wordt er uitsluitend gekeken naar de leefvorm en inkomsten van een betrokkene. Vanuit privacy oogpunt is het niet mogelijk en onwenselijk om te registreren of spelers bijstandsgerechtigden zijn.
Deelt u de inschatting dat in dergelijke situaties een bijstandsgerechtigde gebaat zou kunnen zijn met een speelpauze?
De Minister voor Rechtsbescherming en ik kunnen ons voorstellen dat bijstandsgerechtigden gebaat zouden kunnen zijn bij een speelpauze door middel van inschrijving in Cruks. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 kunnen mensen zichzelf op elk gewenst moment vrijwillig inschrijven in Cruks.
Het artikel 'Crematorium is van het gas af' |
|
Mark Strolenberg (VVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Crematorium is van het gas af» van Omroep Flevoland van 23 augustus 20221.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Bent u het eens dat resomeren, ook wel alkalische hydroyse of watercrematie genoemd, een goedkoper en duurzamer alternatief is en ingezet kan worden als nieuwe en extra vorm van lijkbezorging? Zo ja, welke stappen worden er gezet om deze innovatie in Nederland mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het advies van de Gezondheidsraad (Kamerstuk 30 696, nr. 49), waarbij de Gezondheidsraad de duurzaamheid van alkalische hydrolyse positief heeft beoordeeld, heeft het kabinet een positief beeld van de duurzaamheid van alkalische hydrolyse.
Het kabinet kan niet beoordelen of deze techniek een goedkoper alternatief zal zijn. De praktijk zal moeten uitwijzen of alkalische hydrolyse goedkoper is dan andere technieken.
Om alkalische hydrolyse in Nederland mogelijk te maken, is wetgeving vereist. In reactie op het positieve advies van de Gezondheidsraad over de toelaatbaarheid van alkalische hydrolyse, heeft het kabinet wettelijke regeling van alkalische hydrolyse aangekondigd (Kamerstuk 30 696, nr. 51). Wanneer deze wetgeving van kracht is, kan deze nieuwe techniek worden toegepast. Overigens moet dan ook vaststaan welke uitvoeringsregelgeving van toepassing is, met name op de afvoer van effluent.
Wat is de reden dat het wetvoorstel met betrekking tot de modernisering van de Wet op de lijkbezorging pas in de eerste helft van 2024 bij de Kamer wordt ingediend? Wordt bij deze wetswijziging ook de mogelijkheid tot resomeren betrokken? Zo nee, waarom niet? Is het mogelijk om voor het opnemen van de mogelijkheid tot resomeren in de Wet op de lijkbezorging eerder een wetsvoorstel in te dienen dan het aangekondigde wetsvoorstel tot modernisering van de Wet op de lijkbezorging? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 8 juli 2022 heb ik aangekondigd het wetsvoorstel ter modernisering van de Wlb in de eerste helft van 2024 bij uw Kamer in te kunnen dienen, omdat besluitvorming over financiering nog moet plaatsvinden (Kamerstuk 35 925 VII, nr. 171). Het wetsvoorstel kan niet worden ingediend voordat financiële besluitvorming heeft plaatsgevonden. De wettelijke regeling van alkalische hydrolyse wordt betrokken bij de modernisering van de Wet op de lijkbezorging. Het Ministerie van IenW werkt nog aan een beoordeling van de verschillende afvoerroutes van het effluent na de alkalische hydrolyse en zij moet nog beoordelen welke regelgeving voor de afvoer van het effluent passend is. Ik wil de uitkomsten hiervan afwachten om te borgen dat de regelgeving over alkalische hydrolyse en de afvoer van het effluent goed op elkaar aansluiten.
Ik betreur de vertraging bij de voorbereiding van het wetsvoorstel, maar ik ben voorshands geen voorstander van het opknippen van het wetsvoorstel, waarbij een of meerdere onderdelen vroeger of later aan uw Kamer worden aangeboden. Daartoe zie ik nu geen dringende aanleiding. Ik hecht juist waarde aan het presenteren van één wetsvoorstel zodat de voorgenomen wijzigingen in hun onderlinge samenhang kunnen worden bezien.
Deelt u de mening dat een modernisering van de Wet op de lijkbezorging in de eerste helft van 2024 aan de late kant is aangezien TNO, de Gezondheidsraad en de TU-Delft positief zijn over resomeren? Zo ja, is het mogelijk om op een snellere manier resomeren al mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke redenen ziet u om resomeren nu nog niet wettelijk te erkennen als vorm van lijkbezorging, terwijl de uitvaartbranche geen nadelen ziet, het een duurzame manier van lijkbezorging is en de waardigheid van het proces kan worden gegarandeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens dat alternatieven voor crematies maximaal door de overheid moeten worden gefaciliteerd, mede ook vanwege de stijgende gasprijs en hogere kosten voor crematies voor onze inwoners? Zo ja, hoe bent u van plan om de uitvaartbranche te faciliteren? Zo nee, waarom niet?
De Wet op de lijkbezorging regelt begraven, cremeren en het lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap als bestemmingen voor het lichaam van de overledene. Bij de keuze tussen deze vormen van lijkbezorging staat de wens of de vermoedelijke wens van de overledene voorop. De kosten van de verschillende vormen van lijkbezorging kunnen door de tijd heen fluctueren, ook ten opzichte van elkaar. Ik vind voor de overheid geen rol weggelegd in het actief bevorderen van de ene vorm van lijkbezorging boven de andere.
De petities van de Nederlandse Federatie Omgevingslawaai Motorvoertuigen (NEFOM) en de gemeente Bergen betreffende geluidsoverlast motorvoertuigen in Nederland. |
|
Kiki Hagen (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de petities van NEFOM en de gemeente Bergen, zoals aan de Kamer aangeboden op 6 september?1 2
Ja.
Bent u bekend met de uitkomsten van het rapport Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen?3
Ja.
Wanneer komt het kabinet met een uitwerking van de adviezen van het RIVM?
Aan de hand van de aanbevelingen van het RIVM worden verschillende opties voor het geluidbeleid verder uitgewerkt. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de specifieke adviezen per type geluidsbron en aan de gevolgen en financiële haalbaarheid van beleidsopties. Ik verwacht uw Kamer rond het eind van dit jaar hierover te kunnen informeren.
In hoeverre heeft u reeds opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit het rapport Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 verwacht ik uw Kamer rond het eind van dit jaar nader te informeren over de te kiezen richtingen voor het geluidbeleid.
Ik hecht eraan om eerst uw Kamer daar over te informeren alvorens verdere opvolging te geven aan de aanbevelingen uit het RIVM-rapport.
Welke concrete stappen heeft u tot dusver gezet naar aanleiding van het bovengenoemde rapport? Kunt u dit specificeren per geluidsbron (algemeen, wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en windturbines)?
Bij het antwoord op vraag 3 en 4 heb ik aangegeven op welke termijn ik volgende stappen zal zetten. In aanvulling daarop kan ik voor windturbinegeluid aangeven dat momenteel een plan-mer voor de nieuwe milieuregels wordt opgesteld, waarvan ik de resultaten eind dit jaar verwacht. De motie Schonis vormde niet de aanleiding voor deze plan-mer, maar de WHO-richtlijnen worden er uiteraard wel bij betrokken.
Welke concrete stappen bent u nog van plan te zetten? Kunt u dit specificeren per geluidsbron (algemeen, wegverkeer, railverkeer, vliegverkeer en windturbines)?
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 ga ik er vanuit uw Kamer rond het eind van dit jaar nader te kunnen informeren over verdere concrete stappen voor deze geluidbronnen.
Heeft u in kaart waar geluidsoverlast de huidige normen overtreed en hoe groot het probleem van geluidsoverlast precies is in Nederland?
Op verzoek van IenW inventariseert het RIVM4 op jaarlijkse basis de mate van hinder in de woonomgeving onder de Nederlandse bevolking. Hieruit blijkt dat wegverkeer de belangrijkste bron van geluidsoverlast vormt, waarbij geluid van bromfietsen en motoren ten opzichte van ander wegverkeer iets vaker als ernstig hinderlijk wordt ervaren en ook wat vaker tot slaapverstoring leidt dan ander wegverkeer. Naast wegverkeer zijn ook vliegverkeer, bouw- en sloopactiviteiten, recreatie en buren of (huis)dieren belangrijke bronnen van geluidhinder.
Het optreden van geluidsoverlast betekent niet automatisch dat normen worden overschreden; er kan ook overlast worden ervaren als aan de normen wordt voldaan. Aan geluidsnormen wordt in het algemeen voldaan, hoewel overschrijdingen in de praktijk niet altijd te voorkomen zijn. Het streven is en blijft om volledig aan de normen te voldoen.
Het RIVM heeft in het rapport «Motie Schonis en de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluiden (2018): het doel heiligt de middelen» de mate van blootstelling aan geluid van weg-, rail- en vliegverkeer en windturbines in Nederland in kaart gebracht. Het RIVM adviseert om het geluidbeleid meer te richten op het verminderen van die blootstelling in algemene zin, en is niet specifiek gericht op de bestrijding van de geluidsoverlast waarvoor in de petities aandacht wordt gevraagd.
Bent u het ermee eens dat geluidsoverlast adequaat moet worden aangepakt? Klopt het dat dit nu vaak niet het geval is?
Ik deel het beeld dat geluidsoverlast een belangrijk milieuprobleem is en dat we het moeten aanpakken waar dit mogelijk is.
Ik ben bekend met de geluidsoverlast die veroorzaakt wordt door voertuigen die niet voldoen aan de emissie eisen die voor het voertuig gelden, of door het gedrag van de bestuurder daarvan. De ervaren overlast vindt relatief vaak op specifieke locaties plaats. Tegelijkertijd is het aantal instrumenten om hier generiek tegen op te treden beperkt. Momenteel loopt een onderzoek naar de mogelijkheden voor aanpak van overlast gevende motorvoertuigen. De aanbevelingen uit dit onderzoek zullen worden meegenomen in de komende Kamerbrief over de uitwerking van de adviezen van het RIVM.
Bent u aangehaakt bij het experiment van de gemeente Amsterdam om in de strijd tegen geluidsoverlast «lawaaiflitspalen» in te zetten?
Ik ben bekend met dit experiment. Het Ministerie van IenW werkt hierin samen met de gemeenten door middel van uitwisseling van kennis en ervaring, maar heeft geen formele rol als het gaat om het inzetten van een dergelijk experimenteel instrument. Dat is de verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag, in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Ziet u een mogelijkheid om een dergelijk experiment ook landelijke opvolging te geven en de kamer te informeren over de onderzoeksresultaten?
Vanwege de mogelijk gunstige effecten op de leefomgeving volg ik dit experiment met interesse. Vanzelfsprekend zal de Kamer te zijner tijd over de resultaten van dit experiment worden geïnformeerd, in afstemming met de verantwoordelijke Minister van Minister van Justitie en Veiligheid.