Het bericht dat de Universiteit Leiden sponsoring hoogleraar door Belastingdienst verzweeg. |
|
Jasper van Dijk (SP), Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Universiteit Leiden verzweeg sponsoring hoogleraar door Belastingdienst»?1
Als een leerstoel wordt gefinancierd door externe partijen, dan moet duidelijk zijn wie de financier is. Uit de berichtgeving is gebleken dat de universiteit en de betreffende hoogleraar hierover geen volledige openheid hebben gegeven. Dat vind ik kwalijk.
Waarom heeft de Rijksuniversiteit Leiden niet vermeld dat de leerstoel van bijzonder hoogleraar Rex Arendsen werd betaald door de belastingdienst, terwijl hij als hoogleraar onderzoek doet naar belastingwetgeving en de uitvoerbaarheid daarvan? Gaat u de Rijksuniversiteit daarop aanspreken?
Universiteiten (en hoogleraren) staan in toenemende mate in nauwe verbinding met de samenleving. Dat wordt ook van de instellingen verwacht. Onderzoek en onderwijs zijn gebaat bij kennis en samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Om die reden is de afgelopen decennia door universiteiten juist veel geïnvesteerd in samenwerkingen, nevenfuncties en nevenwerkzaamheden. Dit alles met het oog op kennisontwikkeling die bijdraagt het oplossingen van maatschappelijke uitdagingen.
Tegelijkertijd moet steeds de onafhankelijkheid bewaakt worden. De Universiteit Leiden heeft mij laten weten dat ze de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit onderschrijft en volledige transparantie betracht over externe financiering van activiteiten en nevenfuncties. Hiervoor wordt intern regelmatig aandacht gevraagd. Hoogleraren en faculteiten doen hun best aan de eisen van transparantie te voldoen, maar rondom financiering van leerstoelen zijn de kaders nog niet volledig uitgekristalliseerd. Dat blijkt ook uit de berichtgeving in de media waaruit blijkt dat universiteiten de kaders verschillend interpreteren als het om extern gefinancierde leerstoelen gaat. Omdat de Universiteit Leiden meent dat de vermelding van financiers dit geval wel vollediger en gedetailleerder had gemoeten, zijn inmiddels de vermeldingen aangepast. De universiteit geeft aan van deze casus te willen leren. Hiertoe wordt eerst een inventarisatie uitgevoerd. Daarna zal er intern aandacht aan worden besteed, met als doel actief het belang van transparantie actief uit te blijven dragen binnen haar universitaire gemeenschap.
Ik ben van mening dat de Universiteit Leiden naar aanleiding van deze casus de nodige eerste stappen heeft gezet. Transparante vermelding van dergelijke financiering is aan de betreffende universiteit en diens bijzonder hoogleraren. Ik zal vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het wetenschapsstelsel aan UNL vragen hier goed naar te kijken.
Waarom was de Rijksuniversiteit Leiden niet op de hoogte van regels rondom financiering van leerstoelen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat iedere universiteit op de hoogte is van de regels en protocollen rondom de financiering van leerstoelen?
De Universiteit Leiden was en is volledig op de hoogte van geldende kaders, en past deze zo goed mogelijk toe ook op financiering van leerstoelen. Daarbij is Universiteit Leiden (net als de andere instellingen) mede afhankelijk van de (ver)meldingen van externe financiering door de hoogleraren zelf. De hoogleraren worden door de Universiteit Leiden regelmatig aangesproken op en herinnerd aan het grote belang van het tijdig, juist en volledig vermelden van nevenwerkzaamheden en externe financiering. In het geval van de genoemde hoogleraar wordt op dit moment geïnventariseerd hoe de hoogleraar is omgegaan met de kaders. De universiteit heeft aangegeven daarvan te willen leren en zal aandacht blijven vragen voor de noodzaak van transparantie en zorgvuldigheid. Ik ben voornemens de universiteitsbesturen een brief te sturen waarin ik hun verantwoordelijkheden met betrekking tot transparantie over nevenwerkzaamheden en externe financiering onder de aandacht breng.
Welke gevolgen heeft dit voor de Rijksuniversiteit Leiden en Rex Arendsen? Bent u bereid om sancties op te leggen in het geval er niet is voldaan aan de transparantie-eisen?
Wetenschap moet onomstreden en transparant zijn. Alleen dan kunnen we vertrouwen op de feiten, en gaan staan voor deze feiten. In de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit staan normen voor onderzoekers en zorgplichten voor instellingen. Het is van belang om een beeld te krijgen van de effectiviteit, handhaving en naleving van de normen en zorgplichten en de omvang van de schendingen hiervan. Indien er een vermoeden bestaat dat de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit wordt geschonden kan een klacht worden ingediend bij en behandeld door de Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) van de kennisinstelling waar de persoon waartegen de klacht zich richt werkzaam is. Daarnaast is er het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI), een onafhankelijk adviesorgaan in de klachtenprocedure voor mogelijke schendingen van de wetenschappelijke integriteit. Het LOWI kan op verzoek beoordelen of de klachtenprocedure bij de CWI van de instelling zorgvuldig is verlopen, of er normen van wetenschappelijke integriteit zijn geschonden en, zo ja, hoe de normschending vervolgens gekwalificeerd zou moeten worden. Het ministerie heeft niet de mogelijkheid sancties op te leggen.
Bent u bereid één landelijk register te maken waarin alle hoogleraren inclusief bijbanen zijn opgenomen, onder toezicht van uw ministerie en deze publiek toegankelijk te maken, zodat het publiek weet wie het voor zich heeft alsmede de mogelijke belangen die de hoogleraar dient? Zo nee, hoe voorkomt u dat de registratie onnauwkeurig blijft?
Ik ben in gesprek met UNL over wat de universiteiten gaan doen om de registratie te verbeteren. Het idee van een centraal en openbaar register zal onderdeel van dat gesprek zijn, en hoe geborgd kan worden hoe de registratie van nevenwerkzaamheden actueel en volledig blijft. Ik zal uw Kamer dit najaar een brief sturen over de stand van zaken met betrekking tot de registratie van nevenwerkzaamheden.
Bent u bereid om universiteiten sancties op te leggen in het geval er in de toekomst niet transparant wordt omgegaan met de financiering van leerstoelen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Wat is uw inzet bij het gesprek met universiteiten om het thema over transparantie te bespreken?
Mijn inzet is allereerst dat ik sta voor de wetenschap. Als Minister heb ik, samen met de universiteiten, ervoor te waken dat wetenschappers in vrijheid en veiligheid hun werk kunnen doen. Ik heb, samen met hen, ook de opdracht om in te staan voor de betrouwbaarheid en het gezag van wetenschap. Ook sta ik voor het belang van een goede samenwerking tussen publieke en private partijen om onze kennissamenleving verder te brengen.
Hier staat tegenover dat de universiteiten en hun medewerkers transparantie moeten betrachten en elke schijn van belangenverstrengeling moeten vermijden. De sector heeft verschillende instrumenten van zelfregulering, zoals de gedragscode, om die verantwoordelijkheid te nemen. Als ik constateer dat zelfregulering niet naar behoren werkt en er geen zicht op verbetering is, zal ik niet schuwen om waarborgen met betrekking tot wetenschappelijke integriteit in de wet te verankeren.
Op welke manier heeft u de Universiteit Leiden en de UvA aangesproken op het gebrek aan transparantie? Kunt u in het kader van transparantie hiervan een afschrift of gesprekverslag naar de Kamer sturen?
Naar aanleiding van de berichtgeving van NOS over financiering van de leerstoel van de bijzonder hoogleraar in Leiden hebben mijn ambtenaren contact opgenomen met de Universiteit Leiden om opheldering te vragen. Er is per mail gevraagd om te reageren op de gang van zaken zoals beschreven in het bericht. De universiteit heeft aangegeven dat de vermelding van financiers in dit geval vollediger en gedetailleerder had gekund en dat de universiteit inventariseert hoe omgegaan wordt met de geldende kaders.
Naar aanleiding van de berichtgeving in Folia over de afdeling Belastingrecht bij de Universiteit van Amsterdam (eind februari) hebben mijn ambtenaren contact opgenomen met de UvA om opheldering te vragen. Er heeft een gesprek plaatsgevonden. Daarvan is geen gespreksverslag gemaakt, maar ik geef hierbij de strekking weer. In dit gesprek hebben mijn ambtenaren gevraagd of het artikel in Folia juist is – dit kon de UvA bevestigen. Gevraagd is of de UvA van plan was om een onderzoek in te stellen naar de gang van zaken. Mijn ambtenaren hebben daarbij gewezen op het belang van een onafhankelijk onderzoek. De UvA heeft bevestigd een onafhankelijk onderzoek in te zullen stellen. Nadat de NOS (eind april) berichtte dat een hoogleraar van deze vakgroep was opgestapt hebben mijn ambtenaren opnieuw contact gezocht met de UvA. De UvA heeft toen bevestigd dat er meerdere onderzoeken zouden plaatsvinden, door externe, onafhankelijke commissies, waaronder de commissie wetenschappelijke integriteit.
Het bericht ‘DUO en mbo-studenten lopen elkaar mis: ‘Wáár kun je die aanvullende beurs aanvragen?’ |
|
Kiki Hagen (D66) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «DUO en mbo-studenten lopen elkaar mis: «Wáár kun je die aanvullende beurs aanvragen?»»1 Zo ja, hoe beoordeelt u dit bericht?
Ja. Ik vind het zorgelijk dat ruim een kwart van de mbo-studenten dat voor het eerst recht had op een aanvullende beurs, daar geen gebruik van maakte. Onder studenten in het hoger onderwijs zien we vergelijkbare percentages van het niet-gebruik van de aanvullende beurs. Ik neem daarom maatregelen om het niet-gebruik af te laten nemen. In de hoofdlijnenbrief over de herinvoering van de basisbeurs2 heb ik aangegeven budget te willen reserveren voor aanpassingen in het aanvraagproces die dit niet-gebruik moeten doen dalen.
Wat vindt u ervan dat ruim een kwart van de mbo-studenten die recht heeft op een aanvullende beurs deze niet aanvroeg?2
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Welke maatregelen gaat u nemen om in aanloop naar de implementatie van de nieuwe studiebeurs alvast meer mbo-studenten kennis te laten nemen van het bestaan van de aanvullende beurs?
Studenten zijn nog te vaak niet op de hoogte van het bestaan van de aanvullende beurs of zijn onterecht in de veronderstelling dat ze daar geen recht op hebben. Ik vind het mijn verantwoordelijkheid om studenten te wijzen op alle voorzieningen waar ze recht op hebben.
DUO heeft al eerder de voorlichting over de aanvullende beurs verbeterd. Bij het aanvragen van studiefinanciering wordt nu nadrukkelijker op de aanvullende beurs gewezen. Ook deelt DUO informatie over de aanvullende beurs op de eigen website, sociale media, op informatieborden op scholen en zijn er lespakketten over studiefinanciering. Aanvullend daarop wil ik het niet-gebruik aanpakken door bij het aanvragen van studiefinanciering in het startscherm de aanvullende beurs standaard aan te vinken. De student wordt dan doorgeleid naar het aanvraagscherm van de aanvullende beurs en kan besluiten die aan te vragen. Hierdoor zal het niet-gebruik naar verwachting substantieel afnemen.
In de Kamerbrief over de Nibud Studentenonderzoeken, die ik op zeer korte termijn aan uw Kamer zal sturen, ga ik nader in op de maatregelen die ik neem om het niet-gebruik van de aanvullende beurs terug te dringen.
Wat kunnen instellingen zelf extra doen om studenten op de hoogte te stellen van het bestaan van de aanvullende beurs?
Onderwijsinstellingen kunnen beginnende studenten wijzen op de voorzieningen waar ze recht op hebben, waaronder de aanvullende beurs. Op een groot aantal middelbare scholen, mbo- en hoger onderwijsinstellingen deelt DUO al informatie over studiefinanciering, in het bijzonder over de aanvullende beurs. Ook biedt DUO lespakketten over studiefinanciering aan, die onderwijsinstellingen kunnen gebruiken.
Is het mogelijk om de procedure voor het aanvragen van de aanvullende beurs te vereenvoudigen? Zo ja, bent u van mening dat dit zou helpen om het percentage studenten dat een beurs aanvraagt te verhogen?
Zoals hierboven aangegeven ga ik aanpassingen in de aanvraagschermen van de aanvullende beurs aanbrengen, zodat meer studenten de aanvullende beurs aan gaan vragen. Ik ben van mening dat hier de meeste winst valt te behalen. Een student moet nu aangeven een aanvullende beurs te willen ontvangen. DUO stelt vervolgens op basis van het inkomen van de ouders vast of de student recht heeft op een aanvullende beurs en kent dat bedrag vervolgens toe.
Alleen voor studenten die geen goede verstandhouding met de ouders hebben, kan het proces van toekennen van de aanvullende beurs ingewikkeld zijn. Studenten moeten bewijsstukken aanleveren om aan te tonen dat de verstandhouding dusdanig slecht is dat hun ouders hen niet financieel willen ondersteunen. In dat geval kent DUO een aanvullende beurs toe, ondanks dat het inkomen van (één) van de ouders toereikend is om hun kind financieel te ondersteunen. Dit proces neemt enige tijd in beslag en kan voor studenten door de gevoeligheid als belastend worden ervaren. Het betreft hier altijd een maatwerkbesluit dat zorgvuldig moet worden genomen. Daarom zie ik weinig mogelijkheden om dit onderdeel van het proces te vereenvoudigen.
Het bericht 'Grensarbeider kan thuiswerken vergeten: ‘Dit is pure discriminatie’' |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grensarbeider kan thuiswerken vergeten: «Dit is pure discriminatie»»?1
Ja.
Herinnert u zich de eerder gestelde schriftelijke vragen van de leden Idsinga en Erkens (beiden VVD) over het bericht «Verbod thuiswerken grenswerkers dreigt» (ingezonden 19 juli 2021, 2021Z13868)?2
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat Nederland met Duitsland en België afspraken heeft gemaakt over de fiscale behandeling van thuiswerkdagen tijdens de coronapandemie en dat deze afspraken, na te zijn verlengd, gelden tot en met 30 juni 2022?
Ja, Nederland heeft met Duitsland en België afspraken gemaakt over de fiscale behandeling van thuiswerkdagen onder de belastingverdragen tijdens corona. Deze afspraken zijn diverse malen verlengd, meest recentelijk tot en met 30 juni 2022. Bij de laatste verlenging van de overeenkomsten is in overleg met Duitsland en België afgesproken dat de overeenkomsten per 1 juli 2022 aflopen.
Voorziet u dat deze afspraken zullen worden verlengd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, tot wanneer worden deze regelingen verlengd?
Nee, zoals hiervoor aangegeven is in overleg met Duitsland en België afgesproken dat de overeenkomsten per 1 juli 2022 aflopen.
De thuiswerkovereenkomsten betreffen een crisismaatregel om onverwachte gevolgen van thuiswerken door de coronacrisis te voorkomen. Zonder coronamaatregelen met betrekking tot thuiswerken, is er geen rechtvaardiging meer om af te wijken van de afspraken in het belastingverdrag. Daarvoor is een verdragsaanpassing nodig. De thuiswerkovereenkomsten zijn ook niet geschikt voor een verdere verlenging. Ze zijn namelijk direct gekoppeld aan de coronamaatregelen met betrekking tot thuiswerken en lenen zich daardoor niet voor een permanente maatregel.
Voorziet u, gelet op het feit dat thuis- en/of hybride werken ook na de coronapandemie het nieuwe normaal lijken te worden, mogelijkheden om hierover tot werkbare fiscale afspraken te komen met beide buurlanden?
Op initiatief van Nederland wordt in overleg met onze buurlanden bezien of mede vanwege het toegenomen thuiswerken nieuwe afspraken kunnen worden gemaakt voor grensarbeiders in de belastingverdragen. Nadat de thuiswerkovereenkomsten aflopen (per 1 juli van dit jaar) gelden de regels van de belastingverdragen met België en Duitsland zoals die vóór corona ook golden. Deze regels voorkomen op adequate wijze dubbele belastingheffing, ook voor thuiswerkende grensarbeiders.
Zijn beide buurlanden (inmiddels) bereid om oplossingensrichtingen te verkennen? Zo ja, wanneer verwacht u een akkoord? Zo nee, waar loopt het op vast?
Nederland is met zowel België als Duitsland in gesprek over een mogelijke thuiswerkregeling in de belastingverdragen. In het belang van de onderlinge relatie en een vertrouwelijk onderhandelingsproces kan ik niet in detail kan ingaan op de concrete inzet en het precieze verloop van de gesprekken. In algemene zin kan worden opgemerkt dat de precieze vormgeving van een thuiswerkregeling niet eenvoudig is en een goede analyse vereist van de voor- en nadelen van een dergelijke regeling voor thuiswerkende grensarbeiders en hun werkgevers. Revelante aandachtspunten zijn onder andere de administratieve gevolgen en inkomensgevolgen voor grensarbeiders, de administratieve gevolgen voor werkgevers en (het voorkomen van) discoördinatie tussen sociale zekerheid en fiscaliteit.3 Verder zal moeten worden bezien of een thuiswerkmaatregel leidt tot een (binnen de verdragssystematiek) passende verdeling van heffingsrechten en wat de budgettaire gevolgen voor de verdragspartners zijn. Het is daarom niet zeker of een thuiswerkregelingen de belastingverdragen er komt en, zo ja, hoe deze er precies uit zou zien. Als het lukt om overeenstemming te bereiken over een verdragsaanpassing, dan zal het nog geruime tijd duren voordat deze van toepassing wordt.
Bent u het eens met de stelling dat deze kwestie snel moet worden opgelost voor de betrokken grenspendelaars?
Bij de besprekingen met onze buurlanden wil Nederland verkennen of het wenselijk en mogelijk is om de belastingverdragen met de buurlanden zo aan te passen dat een bepaald aantal of percentage thuiswerkdagen geen invloed heeft op de verdeling van heffingsrechten over het inkomen van een grensarbeider. Ook zonder specifieke thuiswerkregeling voorkomen de belastingverdragen overigens op adequate wijze dubbele belasting voor thuiswerkende grensarbeiders. Bovendien is het goed mogelijk dat het huidige systeem van een gesplitst heffingsrecht door thuiswerken (deels belastingheffing in de woonstaat, deels in de werkstaat) gunstig uitwerkt voor het netto-inkomen van een grensarbeider.
Wanneer verwacht u de Kamer nader te informeren omtrent de besprekingen met beide buurlanden?
Voor het zomerreces zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid mede namens mij een brief aan uw Kamer sturen om uw Kamer te informeren over de voortgang van onze gesprekken met buurlanden en binnen de EU.
Wanneer heeft u voor het laatst met uw Duitse en/of Belgische collega’s over deze problematiek gesproken en wat is uit deze gesprekken gekomen?
Er is regelmatig contact tussen delegaties van het Nederlandse Ministerie van Financiën en het Duitse respectievelijk het Belgische Ministerie van Financiën. Eind maart is met Duitsland over het thema thuiswerkende grensarbeiders gesproken. Met België komt dit aan de orde in het kader van de lopende onderhandelingen over het belastingverdrag.
Het bericht ‘Ook samenleving zelf moet zich voorbereiden op nieuwe coronagolf’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Ook samenleving zelf moet zich voorbereiden op nieuwe coronagolf»?1
Ja.
Wat is uw reactie op uitspraken gedaan door onder andere de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) tijdens het rondetafelgesprek Lange termijn coronabeleid op 16 mei jl. in de Kamer over dat alleen het basisscenario met betrekking tot het langetermijnbeleid is uitgewerkt?
Het kabinet bereidt zich voor op verschillende scenario’s, zoals uiteengezet in de Kamerbrief over de lang termijnaanpak COVID-19 van 1 april jl.2 Deze scenario’s zijn gebaseerd op de scenario’s van de WRR en KNAW en schetsen de mogelijke epidemiologische ontwikkelingen van het virus, variërend van licht (verkoudheidsscenario) tot zwaar (worst case). Ook sectoren bereiden zich op verschillende scenario’s voor. In de vervolgbrief over de lange termijn aanpak COVID-19 van 13 juni jl., is nader ingegaan op de voorbereidingen van de overheid, de zorgsector, sectoren en doelgroepen op verschillende scenario’s, waaronder een scenario waarin we te maken krijgen met een opleving van het virus.3 Zo is in de brief ingegaan op de voorbereidingen voor nieuwe vaccinatierondes, opschaalbare capaciteit voor testen, beschikbaarheid van medicatie, de stappen die gezet worden in het optimaliseren van de zorgketen en de vervolgstappen voor de sectorale aanpak.
Op welke manier kan de samenleving zich voorbereiden op een nieuwe coronagolf als laagdrempelige instrumenten zoals de Coronamelder niet meer actief zijn en een online registratie voor zelftesten (nog steeds) op de plank ligt? Welke handvatten wilt u individuen en organisaties dan geven om zich voor te bereiden?
Sinds 11 april jl. is het advies om een confirmatietest te doen bij de GGD vervallen. De zelftest is de primaire testmethode, ook bij oplevingen van het virus. Op basis van een testuitslag kunnen mensen zelf passende maatregelen nemen om zichzelf en hun naasten te informeren en beschermen. Het zelfzorgadvies informeert en ondersteunt hierbij door mensen handelingsperspectief te geven. Dit advies gaat bijvoorbeeld over de isolatieduur na een positieve zelftest en hoe een geïnfecteerd persoon zijn omgeving kan informeren, maar ook breder over hoe te handelen bij een negatieve test of aanhoudende klachten. Een eerste versie van het zelfzorgadvies is digitaal te vinden (Quarantaine Check COVID-19 | Rijksoverheid.nl) en wordt komende tijd verder aangevuld. Voor de mensen die de weg naar het digitaal zelfzorgadvies (nog) niet goed kennen is er ondersteuning en hulp vanuit de GGD’en.
Grootschalige opschaling van PCR-testen voor de gehele bevolking is alleen nodig als er een variant komt waarbij de antigeen(zelf)testen onvoldoende betrouwbaar zijn. Mocht het nodig zijn kan ook BCO weer opgeschaald worden. Daarvoor wordt regionaal een beperkte basiscapaciteit behouden. De basiscapaciteit kan ingezet worden voor het adviseren bij specifieke uitbraken, zoals in intramurale instellingen waar mensen verblijven met een hoog risico op ernstig verloop. Wanneer opschaling van capaciteit nodig is, schalen de regio’s eerst binnen de eigen GGD op. De LCCB behoudt de noodzakelijke niet-personele infrastructuur, indien er bij een sterke opleving behoefte is aan landelijke BCO-capaciteit.
Daarnaast kan, mocht het nodig zijn, de inzet van bijvoorbeeld CoronaMelder – waarbij sneller, meer (onbekende) nauwe contacten kunnen worden bereikt – worden heroverwogen. Zoals toegezegd aan uw Kamer4 zal ik de toekomstige inzet van CoronaMelder, in combinatie met zelftesten, nader verkennen. Ik heb de Taskforce Digitale Ondersteuning Bestrijding COVID-19 (DOBC) gevraagd om mij hierover te adviseren. Ik verwacht uw Kamer voor het reces over dit advies te kunnen informeren.
Wat is uw planning rondom mogelijke opschaling van capaciteit voor testen, vaccineren en boosten, waaronder personeel, bij de GGD’en? Wanneer kunnen GGD’en uit de startblokken met deze opschaling en wie bepaalt op basis waarvan deze opschaling wordt opgestart?
Zoals ik in mijn brief van 17 mei jl. heb aangegeven monitort het RIVM continu of en wanneer een nieuwe herhaalprik noodzakelijk is.5 Het Responsteam van Centrum Infectieziektebestrijding (CiB) van het RIVM duidt elke twee weken de noodzaak voor revaccinatie in relatie tot de epidemiologische situatie en maakt op basis hiervan een inschatting van de noodzaak om een herhaalprik te overwegen. Indien nodig kan diezelfde week een «expertteam COVID-19 vaccinaties» (OMT-Vaccinatie) worden ingesteld om over een herhaalprik te adviseren. Het «expertteam COVID-19 vaccinaties» adviseert op basis van het «Toepassingskader revaccinatie tegen COVID-19» en eerdere adviezen van de Gezondheidsraad, die leidend zijn voor de inzet en prioritering van COVID-19-vaccins bij verschillende doelgroepen. Voor het uitvoeren van de vaccinatiecampagnes heeft het RIVM samen met de GGD’en uitvoeringsplannen uitgewerkt om op verschillende scenario’s, die ook in mijn brief van 1 april jl. zijn toegelicht, voorbereid te zijn.
Op dit moment kunnen de GGD’en vanuit een basiscapaciteit van 300.000 vaccinaties per week in drie weken opschalen naar een capaciteit van 500.000 vaccinaties per week, en na zes weken naar een capaciteit van 1,5 miljoen vaccinaties per week. Daarnaast werkt het RIVM een noodscenario uit om met meerdere uitvoeringspartners in geval van nood binnen zeer korte tijd de hele bevolking te kunnen vaccineren. Om snel te kunnen opschalen werken de GGD’en aan flexibele inzet van personeel voor zowel testen als vaccineren. Zo wordt er gebruik gemaakt van een regionale pool van oud-medewerkers en worden er afspraken gemaakt met uitzendorganisaties, reguliere zorginstellingen, Defensie en hulporganisaties van het Rode Kruis. GGD’en bespreken met werkgevers – vanwege de krappe arbeidsmarkt – de mogelijkheden voor het beschikbaar stellen van medewerkers met ervaring met prikken of testen.
De aanpassing van het testbeleid heeft geleid tot structureel minder testvraag bij de GGD’en. Niet voor iedereen is zelftesten de aangewezen optie; voor deze mensen is het mogelijk om toch een professioneel afgenomen test (bij de GGD) te doen, zoals inwoners van een verpleeghuis of andere instelling met kwetsbare personen en zorgmedewerkers. Hiertoe houdt de GGD een basistestcapaciteit beschikbaar. Deze basiscapaciteit geeft ook de mogelijkheid tot beperkte opschaling indien nodig. Grootschalige opschaling van PCR-testen voor de gehele bevolking is alleen nodig als er een variant komt waarbij de antigeen(zelf)testen onvoldoende betrouwbaar zijn, terwijl de besmettingen en druk op de zorg onverhoopt toch weer oplopen. In dat geval zal mogelijk het testbeleid gewijzigd worden door het Ministerie van VWS. In ieder geval tot februari 2023 houden de GGD’en rekening met dit scenario en zijn er afspraken gemaakt over de opschalingssnelheid. De GGD’en bereiden zich voor om vanuit een risicogerichte testcapaciteit per regio binnen twee weken de testcapaciteit op te schalen naar 15.0006 per dag en in de vijf weken daarna naar een testcapaciteit van 100.000 per dag. De beschikbaarheid personeel is daarbij een belangrijk aandachtspunt.
Het is van belang om bij een nieuwe variant die dominant dreigt te worden snel te kunnen bepalen in hoeverre antigeen(zelf)testen nog voldoende werken. Daarom werkt het Ministerie van VWS met wetenschappers en uitvoerende partijen gezamenlijk een protocol uit om snel te kunnen onderzoeken hoe goed antigeen(zelf)testen nog werken7. Het is onder andere afhankelijk van de uitkomsten van deze validatiestudies of het nodig is om het (zelf)testbeleid te wijzigen. Dat zou bijvoorbeeld een opschaling van de PCR-testcapaciteit kunnen zijn. Het protocol voor antigeentestvalidatie wordt in de zomer afgerond.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met uw uitspraak «dat er nog steeds ziekenhuizen zijn die geen goed plan hebben voor het opschalen van de zorg als het virus terugkomt en ook in de horeca wordt nog onvoldoende nagedacht over mogelijkheden om veilig open te blijven»?
Op de gehele arbeidsmarkt zien we tekorten, dat geldt ook voor de zorg. De zorgcapaciteit is begrensd door het aantal zorgverleners dat beschikbaar is. De knelpunten voor opschalen zijn het hoge ziekteverzuim en het gebrek aan voldoende en gekwalificeerd personeel. Met deze knelpunten wordt nadrukkelijk rekening gehouden bij de voorbereidingen op een eventuele opleving van het coronavirus. Zo heeft het kabinet afspraken gemaakt met diverse zorgsectoren, bijvoorbeeld over flexibele opschaling van IC-capaciteit met ziekenhuizen. Verder is er winst te behalen als het gaat om in-, door- en uitstroom van patiënten in het zorgnetwerk.
Zo wil het kabinet bijvoorbeeld blijven faciliteren dat meer patiënten thuis met zuurstof kunnen worden behandeld. De optimalisatie van het zorgnetwerk draagt bij aan verlichting van de druk op bepaalde sectoren.
Het kabinet heeft het rapport van het expertteam COVID-zorg ontvangen. Het expertteam heeft geadviseerd over het optimaliseren van het zorgnetwerk opdat – bij een eventuele nieuwe opleving van het coronavirus – de kritiek planbare zorg binnen zes weken geleverd kan blijven worden en de reguliere ziekenhuiszorg zoveel mogelijk doorgang kan vinden. Daarnaast heeft het expertteam in beeld gebracht hoe de coördinatie van COVID-capaciteit in tijden van crisis het beste kan worden ingericht, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring, kennis en infrastructuur die is opgebouwd door alle partijen in de voorbije crisisjaren. Ik verwijs naar mijn brief van 13 juni jl. voor mijn reactie op het rapport van het expertteam.
In de lange termijn brief aan uw Kamer van 1 april jl. heeft het kabinet de sectorale aanpak aangekondigd. Sectoren hebben de afgelopen twee jaar ervaring opgedaan met corona. Het kabinet vindt het belangrijk om inzichten van sectoren mee te nemen in de lange termijn strategie. Sectoren zijn daarom uitgenodigd om sectorplannen op te stellen met daarin aandacht voor preventieve maatregelen, werkbare interventies en preferenties ten aanzien van contactbeperkende maatregelen indien dit nodig is. Het kabinet is blij dat veel sectoren de handschoen hebben opgepakt en dat veel sectoren een eerste versie van hun plannen hebben aangeleverd. Zij stellen ook terechte vragen over dit traject en het vervolg. In de vervolgbrief over de lange termijn aanpak COVID-19 van 13 juni jl. heb ik uw Kamer hierover geïnformeerd. In deze brief benoemt het kabinet ook de gedeelde verantwoordelijkheid tussen burgers, ondernemers en overheid, om samen te zorgen voor een open samenleving. Daarom vertrouwt het kabinet erop dat ook de horeca nadenkt over de mogelijkheden om veilig open te blijven. Daarbij blijft het kabinet graag in gesprek met de horeca om de sector hierin te ondersteunen.
Deelt u de mening dat de samenleving, organisaties en individuen alleen hun verantwoordelijkheid kunnen nemen in de bestrijding van het virus, als de overheid duidelijk is over wat dan nodig is? Zo ja, kunt u dan concreter duidelijk maken wat van iedereen verwacht wordt?
In de vervolgbrief over de lange termijn aanpak COVID-19 van 13 juni jl. geeft het kabinet inzicht in de concrete voorbereidingen die getroffen worden vanuit de overheid, de zorgsector, maatschappelijke sectoren en doelgroepen, en wat van ons als individuele burger wordt verwacht. Zo wordt onder meer beschreven wat van de overheid, de zorg, sectoren en de samenleving wordt gevraagd om de zorg toegankelijk te houden en sociaal, maatschappelijke en economische schade in de toekomst zoveel mogelijk te voorkomen. Het openhouden van de samenleving vraagt immers om een integrale en preventieve aanpak en is een verantwoordelijkheid van ons allemaal. Zoals ook beschreven in de brief van 1 april jl. aan uw Kamer, zal actie op alle drie de eerder gedefinieerde sporen (zorg, vaccineren en maatregelen) nodig zijn, om bij hevige oplevingen de samenleving zoveel mogelijk open te houden. Verschillende maatschappelijke sectoren hebben de afgelopen twee jaar bijvoorbeeld ervaring opgedaan met het op een verantwoorde wijze doorgang laten vinden van hun activiteiten. Sectoren zijn daarom gevraagd om plannen op te stellen waarmee men zich voorbereidt op verschillende mogelijke scenario’s. Deze sectorplannen vormen bij besluitvorming over eventuele maatregelen het uitgangspunt. Het kabinet zet daarnaast in op oprichting van een Maatschappelijk Impact Team (MIT). Het MIT zal ten tijde van besluitvorming over maatregelen gevraagd worden te adviseren over de maatschappelijke impact hiervan, gelijktijdig met de OMT-advisering.
De samenleving wordt gevraagd om zich ook op de langere termijn te houden aan de basisadviezen, zoals het advies je handen te wassen of thuis te blijven bij klachten en dan een zelftest te doen. Ook wordt mensen gevraagd een herhaalprik of booster te halen, indien de situatie daar aanleiding toe geeft. Op die manier proberen we besmettingen zo veel mogelijk te voorkomen en rekening te houden met mensen die zich zorgen maken om hun gezondheid. De overheid blijft actief communiceren over het belang van het naleven van de basisadviezen. In het bijzonder heeft het kabinet in de voorbereidingen voor de langetermijnstrategie aandacht voor kwetsbare groepen en mensen die nog steeds de impact van de epidemie aan den lijve ondervinden, zoals zorgmedewerkers met langdurige klachten na corona, ondernemers met schulden en thuiswerkers met burn-out klachten.
Deelt u de mening dat het voor de bestrijding van COVID van belang is dat de inzet van organisaties en individuen elkaar moeten versterken en de daarvoor benodigde afstemming bij het kabinet hoort samen te komen? Zo ja, bent u bereid de Kamer daar op korte termijn meer inzicht en overzicht over te geven?
Zie antwoord vraag 6.
Het antwoord van de minister op eerdere vragen over het bericht 'Nog hoop voor pont Breukelen' |
|
Harry van der Molen (CDA), Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) naar aanleiding van de aanvaring met de pont bij Nieuwer ter Aa in 2010 feitelijk en technisch onderzoek heeft gedaan en geconcludeerd heeft dat er geen structurele veiligheidstekorten hebben plaatsgevonden (Jaarverslag 2010 OvV), aangezien u in het antwoord op vraag 3 stelt dat uit meerdere onderzoeken die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd blijkt dat de veerpont een nautisch veiligheidsrisico vormt, met name voor de passagiers en de schipper?1
Dat klopt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) heeft naar aanleiding van het feitelijk en technisch onderzoek besloten geen nader onderzoek te doen naar dit ongeval. Het onderzoek is daarmee zonder rapport gesloten. In het jaarverslag 2010 van de OvV staat tevens dat de OvV geen structurele veiligheidstekorten heeft gevonden die tot aanbevelingen kunnen leiden.
Rijkswaterstaat onderzoekt echter als beheerder regelmatig de veiligheidsrisico’s op de Rijksvaarwegen. Sinds 1995 zijn onderstaande zes rapporten verschenen waarin de onveiligheid van de veerpont de Aa steeds meer naar voren komt:
Veerpont Nieuwer ter Aa – Risicoanalyse (9 maart 1995);
Onderzoek veerponten op de Rijkswateren (13 april 2012);
Monitor Nautische Veiligheid – corridor IJmuiden Tiel (21 december 2017);
Monitor Nautische Veiligheid Binnenwateren 2009 – 2018 (11 februari 2020);
Quick scan Nautische Veiligheid Pontverbinding Nieuwer ter Aa (1 juli 2021);
AIS-analyse ten behoeve van nautische veiligheid pontverbinding Nieuwer ter Aa (29 september 2021).
Sinds 2017 krijgt de veerpont in de verschillende onderzoeken de risicokwalificatie «middel tot hoog». Bij die kwalificatie is er een reëel risico op meerdere slachtoffers (letsel, overlijden of vermissing) met een waarschijnlijke frequentie van eens per 20 jaar. Het recente rapport van MARIN onderschrijft dit nogmaals:
Er is een groot aanvaarrisico doordat steeds meer grote schepen op het Amsterdam Rijnkanaal varen.
Deze schepen veroorzaken meer waterbeweging, waardoor de pont dusdanig beweegt dat letsel kan ontstaan bij vallende passagiers tijdens de overtocht en bij het overstappen van de wal naar de veerpont en v.v.
Deze risico’s nemen alleen maar toe vanwege de schaalvergroting in de binnenvaart en het feit dat er sinds februari 2020 meer grote(re) schepen door het Amsterdam-Rijnkanaal varen naar aanleiding van de opening van de 3e sluiskolk Prinses Beatrixsluizen.
Dat de gevaarlijke situatie niet alleen op papier bestaat, blijkt ook uit de
(bijna-)ongevallen die in het verleden helaas al hebben plaatsgevonden:
Sinds 1996 is de veerpont 3 keer aangevaren, 2 keer door beroepsvaart en 1 keer door recreatievaart.
Bij de aanvaring op 22 oktober 2010 is de veerpont overvaren en daarbij is de schipper om het leven gekomen.
Op 29 juni 2017 is de veerpont bijna aangevaren door een binnenvaartschip.
Klopt het dat de pont pas recent is uitgerust met het elektronisch kaartsysteem (ECDIS) met Automatic Identification System (AIS-)data en dat voor de onderzoeken van Rijkswaterstaat dus geen gebruik kon worden gemaakt van nauwkeurige (AIS-)data over een langere periode?
Het klopt dat begin 2022 het elektronische kaartsysteem (ECDIS) geplaatst is op de veerpont. Het klopt niet dat Rijkswaterstaat voor het onderzoek daarom geen gebruik heeft kunnen maken van nauwkeurige AIS-data over een langere periode. Het ECDIS-systeem op de veerpont genereert geen AIS-data maar maakt alleen gebruik van AIS-data van de transponders die op alle passerende beroepsvaartschepen, maar ook op de veerpont zelf, aanwezig zijn. ECDIS is aangebracht om andere (passerende) schepen beter zichtbaarder te maken voor de schipper van de veerpont. De RWS-onderzoeken maken gebruik van de AIS-data die gegenereerd wordt door de zgn. transponders. Deze data is over een langere periode beschikbaar.
Klopt het, zoals aangegeven in de quickscan van MARIN, dat er geen uitgebreide risicobeoordelingstechniek is toegepast, geen metingen zijn uitgevoerd of langdurige waarnemingen hebben plaatsgevonden?2
Dat klopt voor de Quickscan van MARIN uit juli 2021. In het aanvullende onderzoek van MARIN van september 2021 is er gebruik gemaakt van verkeerstellingen van 2004 tot en met 2020 en AIS-data over 2019 en 2020. De risicobeoordeling is middels een expertsessie uitgevoerd en terug te vinden in het rapport 21 december 2017 Monitor Nautische Veiligheid corridor IJmuiden – Tiel. De conclusies uit het aanvullende MARIN-rapport (zie daarvoor antwoord 2) zijn gebaseerd op uitgebreid en zorgvuldig onderzoek.
Klopt het dat een belangrijk deel van de conclusies uit de quickscan van MARIN tot stand gekomen is op basis van een gesprek met een schipper die een officiële waarschuwing heeft gehad van Rijkswaterstaat vanwege roekeloos varen en die inmiddels ontslagen is?
Nee, dat klopt niet. MARIN heeft haar conclusies gebaseerd op een bredere analyse dan het interview met de schipper. De conclusies van MARIN zijn gebaseerd op een beschouwing van:
de eigenschappen van de veerpont (schip);
het gebruik van de veerpont (schipper);
de omstandigheden van het varen van de veerpont (omstandigheden);
de eigenschappen van de infrastructuur (infrastructuur);
de trend in de verkeersituatie (verkeerssituatie).
Het interview met de schipper onderschrijft de conclusies. MARIN is van mening dat de conclusies van het onderzoek niet wijzigt n.a.v. meerdere interviews met andere schippers.
Waarom stelt Rijkswaterstaat geen oploopverbod in tussen de Nieuwe Wetering en Breukelen, vanwege het veiligheidsrisico dat zicht wordt ontnomen door oplopende binnenvaartschepen?
Om de doorstroom op het Amsterdam-Rijnkanaal te bevorderen is in 2019 het project verbreding van het Lekkanaal en aanleg 3e kolk Prinses Beatrixsluis gerealiseerd. Het invoeren van een oploopverbod zorgt voor minder doorstroom op het Amsterdam-Rijnkanaal. Dat conflicteert met de doelstelling van een vlotte, internationale doorvaart op deze economisch belangrijke hoofdtransportas.
Welke redenen heeft het waterschap Amstel, Gooi en Vecht aangevoerd voor het niet delen van uw wens tot beëindiging van het convenant (overeenkomst), gelet op uw antwoord op vraag 4?
In mijn beantwoording van 29 maart 2022 heb ik aangegeven dat het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Rijkswaterstaat bestuurlijk heeft geïnformeerd dat het onze wens tot beëindiging van het convenant (overeenkomst) niet deelt. Het waterschap geeft in hun brief aan dicht bij de belangen van hun inwoners te willen staan. Zoals ook aangegeven in mijn eerdere beantwoording vraagt het waterschap niet om de pontverbinding te handhaven maar om samen met de belanghebbenden op zoek te gaan naar een aanvaardbaar alternatief.
Kunt u uitleggen waarom u zich in het antwoord op vraag 4 erop beroept dat de juridische waarde van de overeenkomsten uit 1888 en 1942 laag is, terwijl u zich sinds 1888 respectievelijk 1942 aan de verplichtingen hebt gehouden?
Met de overeenkomst is overeengekomen om een oeververbinding te creëren bij het doorsnijden van een lokale weg bij de bouw van het kanaal. Al die tijd heeft Rijkswaterstaat dit middels een pontverbinding geëffectueerd. Helaas is er in de loop van de jaren een situatie ontstaan, waarbij niet meer kan worden ingestaan voor de veiligheid van deze verbinding. Rijkswaterstaat heeft en voelt een grote verantwoordelijkheid voor veilige scheepvaart op het Amsterdam-Rijnkanaal en daarmee vanzelfsprekend ook voor de veiligheid van de passagiers (vaak kinderen) op de veerpont. Een aanvaring met de pont kan serieuze gevolgen hebben (zie ook antwoord 2). Met de opwaardering van de Breukelerbrug met een volwaardig fietspad in 2015 is er ook een alternatief ontstaan waar mensen gebruik van kunnen maken.
Wilt u de Kamer alsnog de oorspronkelijke overeenkomst uit 1888 doen toekomen, aangezien de tekst die u als bijlage bij antwoord 5 meestuurt een ongedateerde latere kopie lijkt te zijn van de overeenkomst?
De oorspronkelijke overeenkomst is helaas niet in bezit van Rijkswaterstaat. Enkel de gedigitaliseerde meegestuurde kopie.
Deelt u de mening dat de uitkomst van het overleg met belanghebbenden kan zijn dat de pontverbinding wordt gehandhaafd, aangezien u in het antwoord op vraag 5 stelt dat het waterschap niet vraagt om de pontverbinding te handhaven, maar om samen met de belanghebbenden op zoek te gaan naar een aanvaardbaar alternatief?
Ik ben mij er terdege van bewust dat de veerpont van grote waarde is voor omwonenden en dat het omfietsen geen aantrekkelijk vooruitzicht is, ook vanwege de bestaande zorgen over de veiligheid op die route. Daarnaast blijkt uit gesprekken met bestuurders en burgers uit de omgeving dat het nautische veiligheidsrisico niet als urgent wordt beleefd. Zoals in de beantwoording van vraag 1, 4, 7 en 10 wordt aangegeven, is dat risico er wel degelijk en zal dat enkel toenemen. Vandaar mijn voornemen om de veerpont uit de vaart te nemen. Het is altijd de inzet geweest om het bestaande alternatief dan wel te verbeteren.
De gesprekken met gemeente Stichtse Vecht, de provincie Utrecht en ook de binnenkort te starten bewonersparticipatie richten zich op de vraag hoe we die verandering het best kunnen vorm geven. Ik houd u hierover op de hoogte.
Is er sprake van een significante toename aan schepen op het Amsterdam-Rijnkanaal bij Breukelen en is er sprake van een toenemend aantal grote schepen op het Amsterdam-Rijnkanaal bij Breukelen? Zo ja, kunt u die stellingen met metingen onderbouwen?
Uit onze verkeersdata tussen 2004 en 2021 blijkt een toename van zowel het aantal schepen in algemene zin als een toename in het aandeel schepen in de grootste twee binnenvaartscheepvaartklassen (zgn. scheepvaartklasse CEMT V en CEMT VI). Zie in de tabel hieronder.
Uit het binnenvaartverkeersmodel (BIVAS), blijkt bovendien dat de trend van de toename van schepen over de afgelopen jaren zich doorzet naar de komende jaren. Dit model voorspelt in 2040 minimaal 85.000 beroepsvaartuigen. Het toenemende aandeel grotere schepen hangt samen met de trend van schaalvergroting die al lang gaande is en de komende jaren naar alle waarschijnlijkheid ook door zet.
2004
2021
Aantal beroepsvaartuigen
63.198
75.593
Aandeel CEMT V
25,5%
38,5%
Aandeel CEMT VI
3,2%
9,1%
Klopt het dat recreanten het Amsterdam-Rijnkanaal mogen blijven oversteken? Acht u attentieverhogende borden en informatievoorziening aan recreanten afdoende om de veiligheid bij de drie kruispunten op het Amsterdam-Rijnkanaal in Breukelen te garanderen, gelet op het grote aantal ongelukken tussen de beroepsvaart en de recreatievaart?
Ja, recreanten mogen blijven oversteken. Vanuit nautische veiligheidsoptiek heeft dit niet de voorkeur. Kruisingen tussen beroeps- en recreatievaart, hebben het risicoprofiel «hoog» gekregen in de Monitor Nautische Veiligheid uit 2017. In de Basisvisie Recreatietoervaartnet 2015–2020 (BRTN, nov. 2016) is dit risico onderkend. In het kader van het BRTN zijn daarom in 2020 attentieverhogende borden geplaatst voor de recreatievaart. Een verbod op dit kruisende verkeer is echter nu niet aan de orde omdat er geen alternatief voor handen is voor dergelijke kruisingen.
De veiligheid van maritieme en energie gerelateerde activiteiten op de Noordzee |
|
Raoul Boucke (D66), Tjeerd de Groot (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u ingaan op de bestaande en geplande veiligheidsmaatregelen die worden getroffen rond windparken op zee ten behoeve van de veiligheid van maritieme activiteiten, bijvoorbeeld als gevolg van een zware storm of instorting van een windturbine?
Nederland heeft in 2013 het zogenaamde afwegingskader veilige afstanden tussen scheepvaartroutes en windparken1 ontwikkeld. Hiervoor zijn bufferzones tussen windparken en scheepvaartroutes gecreëerd die schepen in staat moeten stellen om een noodprocedure te kunnen uitvoeren voordat ze in een windpark komen. Het kan desondanks voorkomen dat een schip zich toch niet kan redden en er een incident met het windpark ontstaat. In het Programma Noordzee 2022–2027 worden aanvullende maatregelen beschreven om de cumulatieve risico’s van windparken voor de scheepvaartveiligheid niet te laten toenemen en waar mogelijk te beperken. Het gaat onder andere om verkeersbegeleiding op zee, extra toezicht en handhaving, extra sensoren zoals radar voor een beter actueel beeld van de verkeersbewegingen op zee, extra noodsleephulp en meer capaciteit voor Search and Rescue (SAR) en oliebestrijding. Dit maatregelenpakket is afgesproken voor alle windparken die worden gebouwd in het kader van de routekaarten 2023 en 2030. Concreet gaat dit bijvoorbeeld om:
Tot slot zij vermeld dat ook beslissingen van de kapitein en/of rederij van een schip een rol kunnen spelen bij de veiligheid van scheepvaart nabij windparken op zee. Onder uiteenlopende (weers)omstandigheden geldt onverkort het principe van goed zeemanschap.
Kunt u ingaan op de bestaande en geplande veiligheidsmaatregelen die worden getroffen rond windparken op zee ten behoeve van de veiligheid van de energievoorziening, bijvoorbeeld door een aanvaring met een losgeslagen schip?
In aanvulling op de maatregelen zoals toegelicht in antwoord 1, stelt het Waterbesluit eisen aan de sterkte van windturbines in een windpark op zee en vereist dat de vergunninghouder van het windpark daarover een verklaring overlegt. Daarnaast schrijft het Waterbesluit voor dat een windpark ter waarborging van de veiligheid van het lucht- en scheepvaartverkeer is voorzien van herkenningstekens en bakens en tevens van controle-, waarschuwings- en besturingssytemen, inclusief de noodvoorziening voor het zowel ter plaatse als vanaf de wal kunnen bedienen en bewaken van het windpark. Tot slot is de vergunninghouder gehouden aan het hebben van een actueel veiligheids- en calamiteitenplan.
Is onderzocht of windturbines bij een aanvaring op het schip kunnen vallen en wat dan de risico’s zijn voor de bemanning, passagiers, (gevaarlijke) lading en het milieu?
Dit is een van de scenario’s waar rekening mee wordt gehouden. Onderzoek naar effecten van een windpark op de scheepvaartveiligheid is een standaardonderdeel van de milieueffectrapportage die voor elk kavelbesluit voor een windpark op zee wordt opgesteld. In 2020 is daarnaast een beperkte analyse uitgevoerd naar de gevolgschade van aanvaring/aandrijving van windturbines. Hiermee is een eerste indruk verkregen van de gevolgschade. De resultaten laten zien dat, afhankelijk van het type schip, snelheid en aanvaringsrichting, vervorming maar ook het falen van de turbinetoren en de fundering kan optreden. Daarnaast gaf deze eerste studie informatie voor het bepalen van relevante cases, die verder onderzoek behoeven aangaande scheepsimpact bij windparken. Een vervolgonderzoek loopt. De eerstvolgende tussenresultaten worden in de eerste helft van 2023 verwacht.
Hoe beoordeelt u het bericht in de pers waarin na het ongeluk met de Julietta D (NOS 18 maart, NRC 14 mei) werd gesproken over een hogere kans op botsing tussen een schip en een windturbine op de Noordzee tot wel 2,5 keer per jaar met het eerder tot 2030 geplande aantal windturbines? Hoe kijkt u aan tegen dit hoge risiconiveau en welk risiconiveau vindt u acceptabel (als doelstelling van beleid)?
Het Programma Noordzee 2022–2027 stelt dat het huidige veiligheidsniveau van de scheepvaart minimaal moet worden gehandhaafd en waar mogelijk wordt verbeterd. De Ministeries van IenW en Economische Zaken en Klimaat (EZK) hebben in het voorjaar van 2018 aan onderzoeksinstituut MARIN opdracht gegeven om de risico´s van de uitrol van de routekaart windenergie op zee 2030 te onderzoeken en om (mitigerende) maatregelen te bepalen2. Uit de MARIN-analyse blijkt dat zonder mitigerende maatregelen, als gevolg van de autonome ontwikkeling van de scheepvaart, het aantal aanvaringen op de Noordzee toeneemt van de huidige 7,5 aanvaringen per jaar naar 8,4 en dat door de aanleg van de windparken tot 2030 het aantal aanvaringen zal toenemen tot gemiddeld 10,4 per jaar.
MARIN heeft zowel maatregelen geïdentificeerd die de kans op aanvaringen verminderen (preventieve maatregelen) als maatregelen die de gevolgen van een aanvaring beperken (reactieve maatregelen). Beide soorten maatregelen zijn nodig om een verantwoorde uitrol van de windparken vanuit het perspectief van scheepvaartveiligheid te faciliteren en te voldoen aan de doelstelling van het Beleidskader Maritieme veiligheid dat in november 2020 naar de Kamer is gestuurd3.
Het MOSWOZ-programma (zie antwoord op vraag 1) heeft onder andere als doel om de effectiviteit van deze maatregelen te monitoren, nieuwe mogelijke maatregelen te identificeren, onderzoeken en hierover beleidsmakers en andere betrokkenen te adviseren.
Heeft u scenario’s (in ontwikkeling) voor de uitval van windparken als gevolg van ongelukken of uitval voor de Nederlandse energievoorziening?
Nee. De kans dat een windpark in z’n geheel uitvalt door een aanvaring of aandrijving is klein. Een windpark bestaat uit meerdere delen, die elk bestaan uit een groep van typisch 6 tot 8 windturbines die aan een kabel verbonden zijn met een platform van het net op zee. Bij een aanvaring of aandrijving door een schip zal dus een deel van het windpark kunnen uitvallen, maar is het zeer onwaarschijnlijk dat het gehele windpark uitvalt.
Slechts als het platform van het net op zee wordt geraakt door een schip bestaat de kans dat er in het geheel geen elektriciteit kan worden getransporteerd. Die kans is echter ook niet zo groot omdat de platforms van het net op zee doorgaans op een centrale plaats in het windpark gesitueerd zijn, relatief ver weg van scheepvaartroutes en ankerplaatsen. Als netbeheerder van het net op zee houdt TenneT wel rekening met de uitval van een onderdeel van het net op zee. Daarnaast houdt TenneT als netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet tevens rekening met het opvangen van uitval in het Nederlandse elektriciteitssysteem en samen met de Europese collega’s netbeheerders rekening met het opvangen van uitval in het Europese synchrone elektriciteitssysteem4. Mocht er onverhoeds een platform van het net op zee uitvallen dan kan dit worden opgevangen, Europese afspraken schrijven namelijk voor dat een netbeheerder van een hoogspanningsnet de grootste uitval in haar land moeten kunnen opvangen en dat Europese netbeheerders gezamenlijk een uitval van 3 gigawatt moeten kunnen opvangen. De verschillende delen van het net op zee, welke zijn aangesloten op het hoogspanningsnet, zijn elk maximaal 2 gigawatt groot. Daarnaast schrijft het Ontwikkelkader windenergie op zee voor dat de 2 gigawatt-systemen moeten worden ontworpen met een zogenaamde «metallic return» om de kans op een maximale uitval te reduceren5.
Hoe ziet u dat in het licht van de voorgenomen groei van wind op zee, uiteindelijk zelfs naar 72 gigawatt en de daaruit voortvloeiende grote rol die deze vorm van duurzame energie speelt in de energiemix?
Voor het Programma Noordzee 2022–2027, waarin het kabinet nieuwe windenergiegebieden op zee heeft aangewezen voor de periode tot en met circa 2030, heeft het kabinet een maatregelpakket van 1,69 miljard euro afgesproken, dat grotendeels wordt bekostigd uit het Klimaatfonds. Een belangrijk deel van dit pakket bestaat uit maatregelen voor scheepvaartveiligheid. Bij verdere doorgroei van windenergie op zee zal uitbreiding van de maatregelen nodig zijn. Desondanks kan niet worden uitgesloten dat bij toekomstige incidenten delen van windparken tijdelijk uitvallen.
Bent u bereid deze plannen op te stellen, indien het kabinet deze plannen niet heeft?
De kans dat er bij een incident met schepen een grootschalige uitval van windparken plaatsvindt met grote gevolgen voor de energievoorziening is klein. Er zijn daarom op dit moment geen specifieke scenario’s of plannen in ontwikkeling. Het kabinet ziet ook geen dringende noodzaak die op te stellen, bovenop de hierboven beschreven maatregelen die al worden genomen.
Bent u bereid een onafhankelijke integrale studie te laten doe naar de huidige en verwachtte risico’s voor de energievoorziening en maritieme activiteiten?
Mogelijke locaties voor windenergie op zee worden onderzocht op risico’s voor de scheepvaartveiligheid. Locaties met een hoog scheepvaartveiligheidsrisico kunnen afvallen. Daarnaast worden maatregelen getroffen voor scheepvaartveiligheid in de nabijheid van windparken op zee. De gevraagde studies ten aanzien van scheepvaartveiligheid worden dus al verricht voor specifieke locaties. Er is, gezien hetgeen in het antwoord op vraag 5 is aangegeven, vooralsnog geen behoefte aan een studie naar de risico’s van aanvaringen of aandrijvingen voor de energievoorziening.
Kunt ingaan op de inzetbaarheid van innovatieve oplossingen zoals drijvende windmolens en een «vangrails» voor schepen?
Het is bekend dat een consortium een drietal mogelijke oplossingen heeft uitgewerkt en deels getest in een schaalmodel om grote schepen op drift te kunnen onderscheppen voordat ze in een windpark drijven. Dit soort initiatieven bevestigen het sterke en innovatieve maritieme kenniscluster dat Nederland herbergt. De rijksoverheid is geen onderdeel van of opdrachtgever voor dit consortium, en het is niet aan het kabinet om iets te zeggen over de daadwerkelijke inzetbaarheid op zee, ook gezien de mogelijke impact op andere gebruiksfuncties.
Hoe kijkt u naar de noodzakelijkheid en toepasbaarheid van dergelijke innovatieve oplossingen in het licht van de voorgenomen groei van wind op zee?
Het is, in aanvulling op antwoord 9, niet ondenkbaar dat dergelijke oplossingen in de toekomst worden toegepast op plaatsen waar het aanvaringsrisico van windparken door schepen hoog is en andere risicobeperkende maatregelen onvoldoende effectief blijken.
Hoe ziet u dat voor veiligheidsmaatregelen voor maritieme activiteiten, zoals bijvoorbeeld blusboten, sleepboten en reddingsboten?
Deze middelen worden nu ook al ingezet. Als gevolg van de groei van het aantal windparken en de grotere afstanden tot de kust, wordt rekening gehouden met het uitbreiden van het aantal reddingsvaartuigen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Het bericht ‘België wil verbod op gokreclames: Gokken is het nieuwe roken’ |
|
Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «België wil verbod op gokreclames: Gokken is het nieuwe roken»?1
Ja.
Herkent u zich de uitspraak van de sociaal-liberale Minister van Justitie Van Quickenborne (Open VLD) die zei: «Gokken is het nieuwe roken en iedereen is het er ook over eens dat tabaksreclame er beter niet meer is»?
Ik herken mij niet volledig in de uitspraak van Minister van Quickenborne. Van roken weten we dat iedere sigaret slecht is voor de gezondheid. Kansspelen zijn voor veel mensen een vorm van vrijetijdsbesteding en leiden voor een heel groot deel van de mensen niet tot problemen. Wel kennen kansspelen risico’s. Vanwege die risico’s is het van belang dat spelers goed beschermd worden. Dat gebeurt bij legale aanbieders, die zich moeten houden aan strenge regels. Zoals ook in mijn brieven van 17 maart en 21 april 2022 aangegeven, hou ik scherp in de gaten of de bescherming voldoende geborgd is en de regels hiervoor voldoende kaders bieden.2 Enige vorm van kansspelreclame is vervolgens nodig om mensen te leiden naar die vergunde aanbieders. Tegelijk zie ik dat door overvloedige reclames en het brede ongerichte bereik ervan de waarborgen met betrekking tot kwetsbare groepen in gevaar komen. Daarom tref ik aanvullende maatregelen. Zo is het gebruik van rolmodellen voor risicovolle kansspelen vanaf 30 juni 2022 niet meer toegestaan.3 Op dit moment wordt voorts gewerkt aan een verbod op ongerichte reclame voor risicovolle kansspelen, zoals aangekondigd in de brieven aan uw Kamer van 17 maart en 21 april 2022.4 Zoals ik ook heb aangegeven in de antwoorden op Kamervragen van de leden Van Nispen en Bikker pas ik hiertoe het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen aan en heb ik het voornemen dit voor de zomer in consultatie te geven.5
Deelt u de mening dat het een zeer zorgwekkende ontwikkeling is dat er sinds de legalisering van online gokken in Nederland een toename van meer dan 50 procent gespeelde uren per maand geconstateerd is ten opzichte van het aantal uren dat voor 1 oktober 2021 aan gokken werd besteed? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik niet. Het addendum bij het jaarverslag van de Ksa laat zien dat het aantal uren dat mensen doorbrachten op websites van legale aanbieders sinds 1 oktober 2021 is toegenomen.6 Dat betekent niet automatisch dat het totaal aantal gespeelde uren is toegenomen. Hier zitten bijvoorbeeld bezoeken bij van mensen die alleen de website hebben bezocht, maar die geen spelersaccount hebben (aangemaakt).
De constatering dat het aantal uren dat mensen doorbrachten op websites van legale aanbieders is toegenomen plaats ik in de context van het kansspelbeleid. Het is geen doel geweest om de deelname aan kansspelen te vergroten. Het is ook geen doel geweest om dit op hetzelfde niveau te houden. Het doel van het kansspelbeleid is ervoor te zorgen dat als mensen spelen, dit zo veilig mogelijk gebeurt. Daarbij moeten we oog hebben voor de risico’s van verslaving en voorkomen dat kwetsbare mensen, zoals jongeren, naar kansspelen worden geleid. De bescherming van kwetsbaren is juist bij de legale aanbieders beter geborgd dan bij illegale aanbieders. Daar waar nog een betere bescherming nodig blijkt, zoals bij reclame voor kansspelen het geval is, tref ik maatregelen.
In het najaar komt de Kansspelautoriteit met een nieuwe meting. Ik zal uw Kamer informeren over de ontwikkelingen van de online kansspelmarkt, op basis van de dan beschikbare gegevens.
Herinnert u zich dat u in uw brief van 17 maart jl. schrijft dat u sinds de invoering van de Wet kansspelen op afstand «in de beschikbare gegevens een trend ziet dat met name jongeren interesse in gokken tonen»? Hoe groot is precies de toename van het aantal jongeren dat is gaan gokken naar aanleiding van de legalisering van het online gokken?
In mijn brief van 21 april 2022 heb ik over het aantal jongeren dat deelneemt aan kansspelen opgemerkt dat de groep spelers in de leeftijdscategorie 18 tot 24 oververtegenwoordigd is in de populatie Nederlanders met een spelersaccount. Dit blijkt uit het addendum bij het jaarverslag 2021 van de Kansspelautoriteit: circa 17 procent van de accounts is aangemaakt door spelers in de leeftijdscategorie 18- tot 24-jarigen. Demografisch gezien maakt deze groep 11 procent van de bevolking uit. Jongvolwassenen zijn dus oververtegenwoordigd in de populatie Nederlanders met een spelersaccount. Het is niet te zeggen in hoeverre jongeren zijn gaan gokken naar aanleiding van de legalisering van online kansspelen. Dat komt voor een groot deel doordat er geen volledig beeld is van het aantal jongeren dat deelnam aan (online) kansspelen voor de opening van de online kansspelmarkt. Dat neemt niet weg dat jongeren een kwetsbare groep betreft, die ik beter wil beschermen.
Herkent u zich in het beeld dat Minister van Quickenborne schetst dat «reclame off- en online als een brandversneller heeft gewerkt om gokverslaafd te worden»?
Ik kan niet spreken voor de situatie in België. In Nederland is reclame toegestaan met het oog op het behalen van kanalisatie naar legaal aanbod. De Nederlandse speler die online wil gokken moet dit in een legale en veilige omgeving kunnen doen. Daarbij blijft het beschermen van kwetsbare groepen
mijn prioriteit. Er zijn geen cijfers voorhanden waaruit blijkt wat de ontwikkelingen zijn in aantallen gokverslaafden. Wel zijn er signalen dat de bescherming van kwetsbare groepen, zoals jongeren en mensen met een verslavingsproblematiek door overvloedige reclames en het brede ongerichte bereik ervan in gevaar kan komen. Dat is de reden waarom ik de in het antwoord op vraag 2 omschreven maatregelen tref.
Heeft u al een concreet beeld van hoe omvangrijk het verbod op ongerichte reclames voor online gokken gaat zijn? Wat zal hiermee precies verboden gaan worden en hoe wordt voorkomen dat niet juist jongeren – die veel online actief zijn – ontvanger gaan worden van online gerichte dan wel ongerichte reclame voor online gokken?
Het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen wordt op dit moment aangepast. In dit Besluit zijn regels opgenomen over reclame en de gerichtheid daarvan. Het beoogde verbod op ongerichte reclame voor risicovolle kansspelen kan naar verwachting in grote mate met een aanpassing van het Besluit ingevuld worden. Daarbij is ook aandacht voor de bescherming van jongeren in de online omgeving. Het concept wordt momenteel uitgewerkt en ligt op koers om voor de zomer in consultatie te worden gegeven. Beoogd wordt om gelijktijdig de voorhangprocedure te starten. Daarna zal ik bezien in hoeverre de wet op de kansspelen nog aanvullend wijziging op dit punt behoeft.
Acht u het, met het oog op de stijging van het aantal gokkers en verslaafde gokkers zoals hiervoor aangehaald, wenselijk om tot een algeheel verbod te komen van reclame voor risicovolle kansspelen, dus op zowel gerichte als ongerichte reclame en zowel online als offline? Zo nee, waarom niet?
Ik acht een algeheel verbod op reclame voor risicovolle kansspelen niet wenselijk. Dat de hoeveelheid ongerichte reclame enorm is toegenomen na de opening van de online markt in oktober 2021 en dat ik dat risicovol vind staat buiten kijf. Daarom worden nu ook maatregelen genomen om ongerichte reclame voor risicovolle kansspelen te verbieden. Een algeheel reclameverbod gaat echter veel verder en zou de ingezette kanalisatie in gevaar brengen. Naast onverkorte handhaving op illegale aanbieders is het van belang om een concurrerend legaal aanbod onder de aandacht van de spelers te kunnen brengen. Daarmee wordt voorkomen dat deze spelers mogelijk worden geleid naar illegale partijen waar geen waarborgen zijn voor bescherming.
Klopt het dat Staatsbedrijven Holland Casino Online en TOTO sinds de legalisering van online gokken met afstand het grootste aandeel in het aantal reclames voor online gokken hebben en dat dit eerder onderbouwd is met het doel dat daarmee beter zicht op gokverslaving kon worden gehouden? Wordt dit doel tot op heden behaald? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, bent u van plan hier maatregelen op te treffen zodat dit niet leidt tot een groeiende gokmarkt?
Als twee van de eerste tien vergunde aanbieders hebben Holland Casino online en TOTO in het begin van de marktopening voor online gokken een groot aandeel in het aantal reclames voor online gokken gehad. Met de komst van nieuwe aanbieders op de markt zijn de aandelen in reclames meer gespreid. Wie in totaal welk aandeel heeft is niet eenduidig vast te stellen en wisselt. Alle vergunde aanbieders is het toegestaan om reclame te maken om spelers te kunnen leiden naar het legale aanbod. Binnen dit legale aanbod gelden maatregelen om onder andere verslaving te voorkomen.
Het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) is een belangrijke bron om de aard en omvang van de hulpvraag in de verslavingszorg in Nederland te monitoren. LADIS is momenteel niet operationeel, omdat deze niet voldoet aan de vereisten van de AVG. Over het aantal mensen met een gokverslaving zijn om die reden sinds 2015 geen gegevens beschikbaar. De Minister voor Medische Zorg en Sport heeft een wetsvoorstel ingediend waarmee de benodigde wettelijke grondslag voor de gegevensverwerking wordt gecreëerd. De inwerkingtreding van de wet zal naar verwachting op 1 juli 2022 plaatsvinden. De gegevensverzameling kan dan weer van start gaan. In het najaar is weer zicht op de omvang van de hulpvraag in de verslavingszorg op het gebied van gokken en komen de cijfers met terugwerkende kracht vanaf 2015 weer beschikbaar.
Wat gaat u concreet doen behalve de aangekondigde regelgeving, en voorafgaand aan de invoering daarvan, om het stijgend aantal gokverslaafden als gevolg van de legalisering van online gokken te bereiken, in te dammen en van goede verslavingszorg te voorzien?
Of de legalisering van de online kansspelmarkt ervoor heeft gezorgd dat er meer mensen zijn met een kansspelverslaving is niet te zeggen. Op dit moment zijn geen cijfers bekend over het aantal mensen in Nederland die voor een kansspelverslaving in behandeling zijn. Zoals in antwoord op vraag 8 gemeld, worden deze cijfers in het najaar verwacht. Daarbij teken ik aan dat het doorgaans langer dan een paar maanden duurt voordat een verslaving zichtbaar wordt en het daarna ook een tijd kan duren voordat dit leidt tot een hulpvraag.
Met de wet Kansspelen op afstand is beoogd om spelers beter te beschermen dan bij illegale aanbieders waar geen waarborgen zijn. Er zijn strenge maatregelen opgenomen om kansspelverslaving te voorkomen en spelers tijdig naar de juiste hulp te verwijzen. Indien duidelijke signalen daartoe nopen kan de wet- en regelgeving worden bijgestuurd. Dat gebeurt nu ook op het gebied van reclame. Daarnaast doe ik onderzoek naar mogelijkheden om speellimieten aan te scherpen, zoals ik heb aangegeven in mijn brief van april 2022.7
Het traineren van het onderzoek naar de mondkapjesdeal |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport pas na de noodkreet van Deloitte van 12 april jl. eindelijk aan de slag gegaan met een aantal van de door het onderzoeksbureau gevraagde acties die noodzakelijk zijn om het onderzoek te kunnen verrichten?
Vanaf de start van het onderzoek in 2021 zijn zowel vanuit Deloitte Forensic and Dispute Services B.V. (hierna: het onderzoeksbureau) als het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) diverse acties in gang gezet om het onderzoek zo goed en zo snel als mogelijk uit te kunnen voeren. Zoals ik u reeds eerder via Kamerbrieven heb bericht en ook is toegelicht door het onderzoeksbureau tijdens de technische briefing op 5 april jongstleden aan de Kamer, is het onderzoek complex vanwege de grote hoeveelheid data en het aantal hierbij betrokken partijen. De verschillende fasen binnen het onderzoek vragen structureel om nieuwe acties vanuit zowel het Ministerie van VWS als het onderzoeksbureau zelf. De overdracht van data door het Ministerie van VWS in het kader van het onderzoek naar de overeenkomst met Relief Goods Alliance B.V. (RGA) is afgerond. Indien het onderzoeksbureau nog aanvullende specifieke vragen heeft, dan beantwoordt VWS deze vragen direct.
Kunt u een verklaring geven voor het beeld dat uit de brief van Deloitte oprijst, namelijk van een Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat allerlei vertragingstactieken lijkt toe te passen en de onderzoekers zowel passief als actief lijkt tegen te werken met zowel formaliteiten rond het aanleveren van gegevens als de gefragmenteerde wijze waarop data zijn aangeleverd, namelijk gefilterd, zwartgelakt en niet in de originele bestandstypen?1
In mijn Kamerbrief van 26 april jongstleden2 heb ik u de reactie van mijn ministerie op de brief van het onderzoeksbureau van 12 april jongstleden toegestuurd. Hierin vindt u mede de reflectie van het ministerie terug op de door het onderzoeksbureau gestelde punten bijvoorbeeld betreffende de overdracht van data. Daarnaast heb ik de Kamer in voorgenoemde brief geïnformeerd dat het Ministerie van VWS onverwijld aan de slag is gegaan met een aantal van de door het onderzoeksbureau gevraagde acties.
Net als mijn voorgangers (toenmalig Minister van Ark en Staatssecretaris Blokhuis) doe ik er alles aan om het eerste deelrapport – dat ziet op de overeenkomst met RGA – zo snel mogelijk met uw Kamer te kunnen delen.
Evenals uw Kamer kijk ik uit naar de resultaten van het onderzoek en vind het belangrijk om hier lessen uit te trekken voor de toekomst. De wens van uw Kamer tot snelheid en volledig inzicht in de feiten is ook de mijne.
Kunt u instemmen met de omschrijving van de verhouding tussen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Deloitte als een hoogopgelopen conflict?2
Nee, ik verwijs hierbij graag naar mijn brief aan uw Kamer van 26 april jongstleden waarin ik een verklaring geef voor het formele karakter van de briefwisseling. In mijn brief van 13 mei jongstleden4 heb ik ook toegelicht dat het onderzoeksbureau en ik overleg hebben gevoerd. Het ministerie en het onderzoeksbureau blijven gedurende het onderzoek – op meerdere niveaus binnen beide organisaties – continu met elkaar in gesprek.
Hoe kan Deloitte, zonder mogelijk te beschikken over alle relevante data, beoordelen dat alle relevante data over de mondkapjesdeal zijn ontvangen zolang het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport weigert een verklaring (Letter of Representation) te ondertekenen dat alle relevante data daadwerkelijk aan het onderzoeksbureau zijn overgedragen?3
Ik vind het van groot belang dat er een compleet feitenrelaas wordt opgeleverd. Alleen op basis van een volledige reconstructie kunnen we namelijk lessen trekken voor de toekomst. Juist de onafhankelijkheid van het onderzoeksbureau in het selecteren van relevante data is hiervoor van groot belang. Hiermee worden namelijk alle relevante en verschillende bronnen betrokken en dit moet zorgen voor een zo volledig mogelijk beeld.
Graag verwijs ik u hierbij naar de reactie van het Ministerie van VWS – op 26 april jongstleden – op de brief van het onderzoeksbureau van 12 april jongstleden. In deze reactie geeft mijn ministerie aan waarom zij geen toegevoegde waarde ziet om een dergelijke verklaring af te geven. Mocht de indruk bestaan dat er data ontbreken, dan wil het ministerie graag van het onderzoeksbureau weten om welke specifieke situatie of betrokken persoon of personen het gaat. Het ministerie kan zich dan namelijk maximaal inspannen om de betreffende data alsnog aan te leveren.
Waarom heeft uw ministerie de privémails van voormalig Minister De Jonge niet actief overgedragen aan Deloitte, in de wetenschap dat deze van cruciaal belang zijn voor het onderzoek, maar houdt uw ministerie het onderzoeksbureau op 26 april jl. zelfs voor dat het daartoe dan maar een concreet verzoek moet indienen?
De privémails van toenmalig Minister De Jonge zijn primair digitale middelen die onder de verantwoordelijkheid van de heer De Jonge zelf vallen. Het is aan het onderzoeksbureau om relevante bronnen aan te wijzen en te betrekken in het onderzoek. Daarom is het ook aan het onderzoeksbureau om te beoordelen of de privémailbox van de toenmalig Minister relevant is voor het onderzoek.
In de voorbereiding op het debat van 7 april jongstleden is er door het Ministerie van VWS onderzoek gedaan naar het berichtenverkeer van/naar het ministerie betreffende de voorgenoemde privémailbox. Het onderzoeksbureau heeft bij het Ministerie van VWS een formeel verzoek ingediend waarin het bureau dit rapport met onderzoeksresultaten van de CISO (Chief Information Security Officer) van VWS opvraagt. Het ministerie heeft dit rapport met het onderzoeksbureau gedeeld.
Wanneer heeft u Deloitte erop gewezen dat het onderzoeksbureau geen sluitend procesvoorstel heeft overhandigd en wanneer heeft u het onderzoeksbureau verzocht alsnog een dergelijk voorstel in te dienen?4
In de Kamerbrief van 18 juni 20217 is toegelicht dat – na een versneld offertetraject – de keuze voor een onderzoeksbureau was gevallen op Deloitte Forensic and Dispute Services B.V. Na ondertekening van het contract – op 20 juli 2021 – heeft het onderzoeksbureau op 6 augustus 2021 een eerste dataverzoek ingediend. Bij de indiening van dit verzoek werd de breedte en impact van deze uitvraag duidelijk en hebben de interne toezichthouders8 binnen VWS de situatie getoetst aan de voorgestelde werkprocessen vanuit het onderzoeksbureau. Aangezien het onderzoeksbureau in alle gevallen overdracht van de relevante onderzoeksdata wenste – het gaat hier namelijk om een forensisch feitenonderzoek waarbij op forensische wijze data moet worden veiliggesteld – is in augustus 2021 aangegeven dat een aanvullende gegevensdelingsovereenkomst moest worden opgesteld om mede het subsidiariteitsbeginsel en proportionaliteitsbeginsel te kunnen waarborgen. Deze gegevensdelingsovereenkomst is op 30 september 2021 door beide partijen ondertekend. Hierna kon worden gestart met nadere data-inventarisatie en – overdracht.
Is er zoveel mis met de overdracht van gegevens dat de deadline voor de oplevering van de eerste resultaten van het onderzoek gevaar loopt?
Het ophalen van de data bij verschillende partijen heeft meer tijd in beslag genomen dan op voorhand was ingeschat. De laatste aanvullende informatieverzoeken die het onderzoeksbureau aan het Ministerie van VWS heeft gedaan zijn voor de – door het onderzoeksbureau gestelde – deadline van 6 mei jl. overgedragen. Er zijn geen signalen dat de reeds aangeleverde data voor het onderzoeksbureau tot een vertraging hebben geleid.
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 mei jongstleden heb genoemd, is een mogelijke verlenging van de termijn van wederhoor bij een betrokken partij van invloed op de geplande oplevertermijn van het eerste deelrapport. In mijn brief aan uw Kamer op 5 juli jongstleden heb ik u bericht dat volgens het onderzoeksbureau inmiddels is gebleken dat meerdere betrokkenen gebruik zullen maken van een verlengde termijn voor wederhoor. Ik verwijs u daarbij ook naar de bijlage bij deze brief waarin het onderzoeksbureau de verschillende achterliggende factoren beschrijft. Het onderzoeksbureau licht toe dat het hierdoor het rapport pas medio september aanstaande aan mij kan opleveren.
Kunt u zich vinden in de constatering van hoogleraar accountancy aan Nyenrode Business Universiteit en Universiteit Leiden, Marcel Pheijffer, dat het zwartepieten is begonnen en dat beide partijen zich aan het indekken zijn voor de vertraging?5
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3 waar ik inga op de achtergrond van het karakter van de briefwisseling tussen het onderzoeksbureau en mijn ministerie. Beide partijen zijn met elkaar in gesprek over de beoogde oplevering van het eerste deelrapport. Gedurende het onderzoek blijven deze gesprekken op meerdere niveaus binnen beide organisaties op frequente basis plaatsvinden. Ik ben daarom een andere mening toebedeeld dan de door u genoemde omschrijving van de heer Pheijffer.
Kunt u aangeven wat de meerkosten zijn van de verdere uitbreiding van het onderzoeksteam van Deloitte met meer capaciteit om de verslagen af te ronden?
Het onderzoeksbureau heeft aangegeven binnen de eigen organisatie verdere maatregelen te nemen om nog meer prioriteit te kunnen geven aan de oplevering van het eerste deelrapport. Dit betekent dat de beschikbare capaciteit deels op andere wijze zal worden ingezet en werkzaamheden zijn verplaatst tussen verschillende teams. In hoeverre en in welke mate dit meerkosten met zich meebrengt, is op dit moment niet vast te stellen.
Het bericht 'De Urker vloot ‘verdrinkt en niemand helpt ons’' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «De Urker vloot «verdrinkt en niemand helpt ons»»?1
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven hoe het momenteel gesteld is met de visserij in Nederland als gevolg van de hoge brandstofprijzen en welke gevolgen dit heeft voor de sector?
Ik heb onderzoek laten doen door (Wageningen Economic Research) WEcR naar de situatie in de Nederlandse visserijsector naar aanleiding van de verslechterde economische situatie. Het rapport met daarin de resultaten van het onderzoek heb ik de Kamer op 1 juli toegestuurd bij de brief «Agenda Voedselwinning uit zee en grote wateren».
Op welke manier worden de vissers momenteel financieel of anderzijds ondersteund door de overheid in deze kritieke situatie?
Er zijn momenteel, naast de generieke maatregelen van het kabinet, geen specifieke maatregelen genomen om de visserijsector te ondersteunen. Met de brief van 1 juli jl. heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over mijn agenda voor het invullen van de voedselvisie van de Noordzee en grote wateren. Daarin geef ik aan welke instrumenten ik inzet ten behoeve van de noodzakelijke transitie van de visserijvloot. Omdat de geplande saneringsregeling in kader van het Brexit Adjustment Reserve vanwege de noodzakelijke goedkeuring door de Europese Commissie langer op zich laat wachten werk ik, in lijn met de motie Grinwis cs., momenteel een overbruggingsregeling in kader van het EMFAF uit.
Klopt het dat de stilligregeling en saneringsregeling nog niet zijn goedgekeurd, omdat de Europese Commissie voor vertraging zorgt en dat goedkeuring eind mei zeer waarschijnlijk niet haalbaar is? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Het klopt dat de stilligregeling en saneringsregeling nog niet zijn goedgekeurd. De stilligregeling is voorgelegd aan de Europese Commissie ter voorbereiding van de notificatieprocedure. De saneringsregeling is ter notificatie voorgelegd. De Europese Commissie heeft hierover aanvullende vragen waardoor goedkeuring tot op heden niet mogelijk was. De vragen en antwoorden zijn onderdeel van de reguliere staatssteunprocedure die ten aanzien van dit type regelingen moet worden gevolgd. Ik span mij ervoor in om de saneringsregeling kort na de zomer te kunnen openstellen. De stillegregeling zal naar verwachting later in het jaar volgen.
Erkent u dat deze vertraging tot gevolg kan hebben dat de visserij in Nederland ten onder gaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u concreet doen om ervoor te zorgen dat het plan wel voor het einde van mei goedgekeurd wordt?
Ik ben ervan overtuigd dat de visserij in Nederland een transitie moet ondergaan en dat er na die transitie een toekomst is voor een meer duurzame visserij. De saneringsregeling zal hier een bijdrage aan leveren. Ik span mij tot het uiterste in om deze regeling zo spoedig mogelijk open te kunnen stellen. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over mijn agenda gericht op het borgen van voedselwinning uit zee en grote wateren.
Klopt het dat de Europese Commissie een mogelijkheid biedt tot een brandstoftoeslag, maar dat hier door Nederland nog geen gebruik van gemaakt is? Zo ja, waarom is Nederland hier niet toe bereid? Wat zijn de gevolgen van dit besluit voor de sector?
De Europese Commissie heeft inderdaad mogelijkheden geboden om getroffen sectoren te steunen. Specifiek voor de visserijsector is binnen het (Europees Maritiem, Visserij en Aquacultuur Fonds) EMFAF de mogelijkheid geboden om crisismaatregelen te financieren. Hiervoor geldt het reguliere kader van het fonds. Ik werk ter uitvoering van de motie Grinwis (Kamerstuk 21 501-32, nr. 4882) een dergelijke regeling uit.
Wat vindt u ervan dat vissers in andere landen wel financiële steun krijgen terwijl dat in Nederland nog niet of nauwelijks het geval is? Wat betekent dit voor de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse vissers?
Het is aan elke lidstaat om te besluiten in hoeverre – binnen de geldende EU-kaders – steun wordt verleend aan de sector. Dit kan leiden tot een ongelijk speelveld. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 zet ik via de agenda voedselwinning uit zee en wateren in op een toekomst voor de Nederlandse sector. Vanwege de vertraagde openstelling van de saneringsregeling werk ik momenteel een overbruggingsregeling in kader van het EMFAF uit. Op dit moment is nog niet duidelijk of deze afgerond kan zijn voordat openstelling van de saneringsregeling plaats zal vinden.
De zorginfrastructuur in Flevoland |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Hoe verhoudt uw analyse van de kwetsbaarheid van de zorginfrastructuur in Flevoland zich tot de verwachte bevolkingsgroei in de regio, gezien de plannen om meer dan 100.000 woningen te bouwen in Flevoland?1
In de Kamerbrief van 15 oktober 2021 over de stand van zaken van moties2 en toezeggingen begroting 2021 en in de antwoorden op de Kamervragen op 23 maart jl.3 is uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken over de zorg in Flevoland. Op basis van de overleggen van de Zorgtafel Flevoland en de voortgangsoverleggen kan worden geconstateerd dat op vrijwel alle punten van de agenda van de zorg in Flevoland acties op de thema's acute zorg, geboortezorg en zorg en ondersteuning voor kwetsbare groepen zijn uitgezet of afgerond. Ik heb er vertrouwen in dat de partijen in Flevoland met de Agenda Zorgtafel 2.0 gezamenlijk de goede stappen zullen zetten. Indien er een grote verandering plaatsvindt in het aantal inwoners van de regio zal het zorgsysteem in de regio zich moeten aanpassen om met de nieuwe situatie om te gaan. Regiobeelden kunnen hier bij helpen.
Welke rol ziet u voor uw eigen departement in het garanderen van de toekomstbestendigheid van zorginfrastructuren in de regio?
Zorgverzekeraars en zorgkantoren hebben zorgplicht voor hun verzekerden. In de eerste plaats is het dan ook de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten om kwalitatief goede en toegankelijke zorg en ondersteuning in te kopen voor al hun verzekerden en inwoners. Ook aanbieders hebben in het kader van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) in alle gevallen een verantwoordelijkheid voor de continuïteit van zorg voor hun patiënten en cliënten. Dat neemt niet weg dat de uitdagingen die op de zorg afkomen groot zijn en dat het belangrijk is dat alle partijen daar goed op anticiperen. Daarom wil ik met partijen afspraken maken over het opstellen van regiobeelden.
Welke meerwaarde ziet u in de afstemming tussen de regio en landelijke overheid als het gaat om uw voornemen om samenwerken in de regio minder vrijblijvend te maken? En hoe wilt u dit vormgeven opdat (regionale) versterking van de zorginfrastructuur ook duurzaam verankerd kan worden in de bestaande (landelijke) systemen/ontwikkelingen?
Het doel is dat in de regiobeelden zowel de capaciteiten en prestaties van de regionale zorginfrastructuur worden weergeven als het verwachte beroep dat daarop gedaan wordt dan wel moet worden om de gezondheid van en de zorg voor de inwoners te verbeteren. Dit betekent dat de beelden ook rekening moeten houden met demografische ontwikkelingen en nieuwbouw.
Naar aanleiding van dit regiobeeld kunnen zorgaanbieders en inkopers plannen maken om de gezondheidszorg goed te organiseren.
In het Coalitieakkoord hebben we afgesproken om de regiobeelden door te ontwikkelen. Het ministerie bekijkt samen met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) welke kaders gesteld moeten worden aan de regiobeelden, onder andere om te zorgen dat er afstemming plaatsvindt tussen de verschillende lagen die betrokken zijn bij het vormgeven van de gezondheidszorg, waaronder de landelijke overheid en de regio.
Ik overweeg om de regionale beelden en plannen in de toekomst door de NZa te laten beoordelen op volwassenheid, zodat deze minder vrijblijvend worden. Ook overweeg ik aanpassingen in de randvoorwaardelijke sfeer voor regionale samenwerking en de inbedding daarvan in de landelijke ontwikkelingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verbeteren van kennisuitwisseling en het aanpassen van contracteringsmogelijkheden. Over de beleidsvoornemens op het gebied van regiobeelden en regionale samenwerking ontvangt uw Kamer, zoals eerder toegezegd, nog dit jaar een brief.
Kunt u omschrijven hoe u betere ondersteuning voor de regio’s bij domeinoverstijgende samenwerkingsverbanden wilt vormgeven? Bent u bereid om daadwerkelijk ruimte te bieden aan partijen om te experimenteren met het anders inrichten van de zorg, zowel in tijd als in (financiële) capaciteit?
In de Hoofdlijnenbrief VWS van 4 maart jl.4 heb ik aangegeven dat ik samen met de NZa, Zorginstituut Nederland en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de regio’s beter ga ondersteunen in de domein overstijgende samenwerkingsverbanden. Met kennis, aanpassen van kaders waar nodig en opschalen van goede initiatieven, onder andere ook op het gebied van data. Indien regio’s voldoen aan de nodige voorwaarden bied ik, via de NZa, experimenteerruimte.
Het bericht ‘Men realiseert zich onvoldoende welke gevolgen de krimp zal hebben’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het artikel «Men realiseert zich onvoldoende welke gevolgen de krimp zal hebben»1, waar onder andere in staat dat de opleiding civiele techniek van de hogeschool Saxion mogelijk zo klein wordt dat de instelling zich op termijn genoodzaakt voelt om de opleiding te sluiten?
Ik zie de urgentie van het vraagstuk van dalende studentenaantallen in het hbo als gevolg van demografische ontwikkelingen. Tegelijkertijd kunnen die demografische ontwikkelingen en de effecten daarvan verschillen per regio.
Zoals ik in het notaoverleg van 11 april jl. over de hoofdlijnenbrief hoger onderwijs en wetenschap heb aangegeven is meer zicht nodig op het vraagstuk van krimp in het hbo. Het vraagt om een scherper beeld van de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de verschillende regio’s, hoe deze het onderwijsaanbod raken en in hoeverre instellingen daarbij tegen grenzen aanlopen. Kleinschaligheid hoeft niet per definitie een reden voor een instelling te zijn om een opleiding te sluiten. Met de Vereniging Hogescholen ben ik in gesprek over dit onderwerp en medio juni ga ik hier in mijn beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap nader op in.
Wat zijn de prognoses voor de studentenaantallen voor het hbo in de komende jaren (bij ongewijzigd beleid) die het Ministerie van OCW hanteert?
Jaarlijks presenteert het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) in de referentieraming een prognose van het aantal leerlingen en studenten in het bekostigde onderwijs. De referentieraming 2022 dient als onderbouwing voor de begroting 2023 van het Ministerie van OCW.
489,3
488,6
484,1
478,2
472,6
467,3
462,3
457,9
453,7
449,9
446,4
443,3
440,3
437,5
Bron: Referentieraming 2022
Wat zijn de prognoses voor de studentenaantallen in de komende jaren (bij ongewijzigd beleid) die de hbo-instellingen zelf hanteren?
De hoger onderwijs instellingen hebben de vrijheid om bij het maken van hun prognoses uit te gaan van aannames die verschillen van de aannames die OCW gebruikt voor het opstellen van de referentieraming. In de jaarverslagen geven hoger onderwijsinstellingen, in de continuïteitsparagraaf, hun prognoses op voor de studentenaantallen in de komende jaren. De Vereniging Hogescholen geeft aan dat instellingen primair de referentieraming gebruiken voor hun prognoses. Daarnaast maken ze gebruik van gegevens van het centraal bureau van de statistiek om rekening te houden met demografische ontwikkelingen in de regio.
Worden er momenteel opleidingen bedreigd met sluiting door krimp van studentenaantallen? Zo ja, welke?
Ik heb geen signalen ontvangen dat op dit moment opleidingen direct bedreigd worden door sluiting als gevolg van krimpende studentaantallen. Door de Vereniging hogescholen is bij OCW wel een aantal instellingen en opleidingen in diverse regio’s onder de aandacht gebracht die te maken hebben met dalende studentenaantallen als gevolg van regionale krimp. Bij verdere krimp zullen eerst uitstroomrichtingen onder druk komen te staan, pas later het voortbestaan van een gehele opleiding. Daarbij gaat om opleidingen en uitstroomrichtingen in de sectoren van Techniek, Management en Accountancy en Zorg.
Wanneer is er volgens u nog in voldoende mate sprake van een toereikend aanbod in een regio?
Dit is een belangrijke vraag die nu niet eenduidig te beantwoorden is. Voor een toereikend en toekomstgericht onderwijsaanbod in een regio is het van belang dat de hogeschool met het onderwijsaanbod kan (blijven) inspelen op de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio en dat er tussen hoger onderwijsinstellingen en binnen en tussen sectoren wordt samengewerkt en gezamenlijk afgestemd over een doelmatig, dekkend en divers aanbod. Ik vind het belangrijk dat er een breed onderwijsaanbod in de regio’s is ten behoeve van tekortsectoren en de specifieke arbeidsmarktbehoefte in de regio. In mijn beleidsbrief van juni zal ik hier nader op ingaan.
Op welke manier houdt u zicht op welke opleidingen voornemens zijn om te stoppen? Deelt u de mening dat het wenselijk zou zijn als u tijdig wordt geïnformeerd over opleidingen die voornemens zijn om te stoppen op grond van dalende studentenaantallen, zodat er een afweging kan worden gemaakt of het wenselijk is dat een bepaalde opleiding in een bepaalde regio stopt? Zo ja, hoe zou dit proces verder vorm moeten worden gegeven? Zo nee, welke rol heeft u ten opzichte van de problematiek rondom krimp in het hbo?
Besluiten van instellingen om opleidingen te beëindigen, zijn aan de instelling. Redenen om als instelling een opleiding te beëindigen kunnen uiteenlopend zijn. Voornemens tot beëindiging van een opleiding door de instelling hoeven volgens de wet niet voor instemming aan mij te worden voorgelegd en er is ook geen weigeringsgrond om deze te blokkeren.2 Tegelijkertijd is het ook de vraag welke opvolging OCW zou kunnen en moeten geven aan signalen over beëindiging van opleidingen, mede gelet op de lumpsumbekostiging en bestedingsvrijheid. Bij het zicht houden op zowel de opleidingen die instellingen voornemens zijn te starten als op opleidingen die instellingen voornemens zijn te sluiten, vind ik het in de eerste plaats wenselijk dat instellingen vanuit goede en intensieve samenwerking in opleidingssectoren elkaar hierover informeren en onderling afstemmen. Een goed voorbeeld vind ik de procesafspraken die gemaakt zijn vanuit de Talenvisie (2016) ten aanzien van het behoud van unieke (specialisaties in) de talenopleidingen.3
Met de Vereniging Hogescholen ben ik in gesprek over het vraagstuk van krimp en hoe dit de hogescholen en regionale vitaliteit raakt. In de beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap kom ik terug op dit onderwerp.
Wat vindt u van de suggestie in het artikel dat een stabiele bekostiging kan helpen bij de problematiek rondom krimp in het hbo?
De komende jaren wil ik zorgen voor meer rust en ruimte in het onderwijs en wetenschapssysteem. De bekostiging kan hier een rol bij spelen. Het verhogen van de vaste voet is een mogelijkheid die bijdraagt aan een meer stabiele bekostiging. Het is daarbij wel de vraag in hoeverre dit voldoende bijdraagt aan een lange termijnoplossing voor vraagstukken rond krimp. In mijn beleidsbrief hoger onderwijs en wetenschap kom ik nader terug op de problematiek rondom krimp in het hbo.
De arbeidsparticipatie van blinden en slechtzienden |
|
Daan de Kort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitkomsten van het onderzoek arbeidsparticipatie «Visueel in beeld»?1
Ja, de uitkomsten van het onderzoek arbeidsparticipatie «Visueel in beeld» zijn bekend.
Bent u bekend met het feit dat de arbeidsparticipatie van blinden en zeer slechtzienden van 37% naar minder dan 30% is gedaald? Vindt u dit ook zorgelijk?
Het onderzoek Visueel in beeld uit 2020 geeft aan dat onderzoek naar de arbeidsparticipatie van mensen met een visuele beperking wisselende resultaten laat zien. We kennen in Nederland geen nationaal registratiesysteem voor mensen met een (visuele) beperking. Uit eerder onderzoek van de Universiteit van Maastricht uit 2013 onder 500 deelnemers in de leeftijd van 15 tot 65 jaar met een visuele beperking blijkt dat 37% een betaalde baan heeft. Het recente onderzoek «Visueel in beeld» komt op basis van microdata tot een arbeidsdeelname van 29% in de periode 2015 tot en met 2018.
Hoewel de verschillen mogelijk verklaard kunnen worden door een andere onderzoeksmethodiek acht ik dit met de heer De Kort zorgelijk. Het kabinet zet zich ervoor in dat mensen met een beperking, ook met een visuele beperking, zoveel mogelijk kunnen deelnemen aan de arbeidsmarkt en de samenleving.
Bent u ervan op de hoogte dat er specifieke kennis nodig is voor zowel werkgevers, onderwijsinstellingen als participanten/de doelgroep om mensen met een zware visuele handicap naar werk te begeleiden?
Deze vragen hebben onderlinge samenhang en worden daarom in samenhang beantwoord.
Tijdens de behandeling van het voorstel voor een Invoeringswet Participatiewet in de Tweede Kamer heeft de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Klijnsma het belang benadrukt van behoud van de voorheen opgebouwde expertise voor het op weg helpen en houden van een duurzame plek op de arbeidsmarkt voor mensen met een visuele beperking. In een aantal arbeidsmarktregio’s is het pilotproject Zichtbaar in Werk gehouden.2 De pilot richtte zich op jongeren die een opleiding volg(d)en resulterend in een startkwalificatie. Binnen de pilot werd in 2017 en 2018 geëxperimenteerd met het borgen van expertise en het begeleiden van blinde en slechtziende jongeren naar werk. De Tweede Kamer is over de pilot geïnformeerd.3 Over de uitkomsten van de pilot is een eindrapport «Zichtbaar in Werk» uitgebracht. Het eindrapport deed diverse aanbevelingen om de dienstverlening aan visueel beperkten in de Participatiewet te verbeteren. De toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Van Ark heeft de Tweede Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 15 november 2019.4 Met betrekking tot de aanbeveling voor één permanent landelijk servicepunt en een verbetertraject voor hulpmiddelen bij gemeenten is met gemeenten en betrokkenen (sector, UWV) nader overlegd over verbetermogelijkheden.
De uitkomsten van dat overleg zijn door de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Van ’t Wout gemeld in de brief van 11 december 2020.5 Conclusie was dat de ondersteuning van mensen met een visuele beperking verbetering behoeft. Het gaat om een beperkte doelgroep waarvoor veelal gespecialiseerde expertise nodig is. Het voornaamste knelpunt is dat die expertise niet bij alle gemeenten beschikbaar is en daarin ook niet altijd kan worden voorzien. UWV heeft veel expertise en ervaring met het beoordelen en verstrekken van noodzakelijke technische voorzieningen voor mensen met een visuele beperking. Bovendien is de uitvoering van deze voorzieningen bij UWV gecentraliseerd. Om die redenen is thans een wetsvoorstel in voorbereiding om het beoordelen en verstrekken van noodzakelijke werkvoorzieningen voor mensen met een visuele beperking uit de Participatiewet over te dragen aan het UWV, op een vergelijkbare manier als bij de centralisatie van de tolkvoorziening is gebeurd. Over het wetsvoorstel heeft inmiddels een internetconsultatie plaatsgevonden en zijn uitvoeringstoetsen uitgebracht. Het wetsvoorstel zal nog worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Ik streef ernaar het wetsvoorstel eind dit jaar bij de Tweede Kamer in te dienen. Streefdatum van invoering is 1 januari 2024. Daarnaast wordt met de sector en betrokkenen gewerkt aan de uitwerking van een mogelijk servicepunt voor deze groep.
Bent u op de hoogte van de pilot «Zichtbaar in Werk» en hoe beoordeelt u deze?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer mag de Kamer meer informatie ontvangen over het vervolg van deze pilot?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u nog andere doelgroepen met een beperking waarvoor specifieke kennis en een loket is vereist?
Er is een zekere gelijkenis met auditief beperkten. Hiervoor is eveneens specifieke deskundigheid nodig; UWV beschikt hierover. Met de Wet centraliseren tolkvoorzieningen is de verstrekking van de tolkvoorziening voor auditief beperkten uit de Participatiewet en voor het leefdomein vanaf 1 juli 2019 overgegaan van de gemeenten naar UWV6. Zoals hiervoor vermeld is het streven van het wetsvoorstel inzake overheveling van werkvoorzieningen voor visueel beperkten om die voorzieningen zoveel mogelijk op een vergelijkbare manier over te dragen.
Het bericht ‘Door uitblijven coronastrategie komt lockdown weer in beeld’ |
|
Judith Tielen (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Door uitblijven coronastrategie komt lockdown weer in beeld»?1
Ja, dit artikel waarin onder meer wordt verwezen naar de beleidsagenda pandemische paraatheid van 14 april2, is mij bekend.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de Nationale Zorgreserve? Kan (een deel van) deze reserve ingezet worden bij een eventuele besmettingsgolf dit najaar?
In de bij mijn antwoord op vraag 1 genoemde Beleidsagenda heb ik uw Kamer laten weten dat er toegewerkt wordt naar een strategische reserve van zorgprofessionals (de Nationale Zorgreserve), die tijdens crises een rol kan spelen in het snel opschalen van de capaciteit van zorgprofessionals. Op dit moment worden de juridische, de uitvoeringstechnische en de financiële vraagstukken van de Nationale Zorgreserve (als een publieke taak) nader uitgewerkt. In de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de voortgang. Tot het moment dat de Nationale Zorgreserve als publieke taak operationeel is, beheert Extra Zorg Samen (EZS) het zorgreservistenbestand, werft zij actief reservisten en investeert zij in hun behoud. VWS subsidieert deze activiteiten. Zorgorganisaties kunnen, totdat de Nationale Zorgreserve (als een publieke taak) operationeel is, tijdens crises een beroep doen op het reservistenbestand van EZS via nationalezorgreserve.nl.
Let wel de Nationale Zorgreserve is een «last resort» instrument en functioneert als aanvullend op de interne en externe flexibele schil van organisaties en aanvullend op de regionale samenwerking.
Hoe geven werkgevers op dit moment invulling aan het zoveel mogelijk voorkomen en herstel van ziekteverzuim in de zorg?
De precieze invulling van het arbo en verzuimbeleid door werkgevers vergt maatwerk dat afgestemd is op de situatie van (groepen van) werknemers in de organisatie. Er is daardoor geen eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe werkgevers in de zorg op dit moment invulling geven aan het zoveel mogelijk voorkomen en herstel van ziekteverzuim. Wel hebben zij -net zoals werkgevers in andere sectoren- wettelijke verplichtingen met als doel om ziekteverzuim te voorkomen en herstel naar werk te bevorderen. Zij moeten zich houden aan de Arbowet, het Arbobesluit, de Arboregeling en de Wet Verbetering Poortwachter.
Om deze wetten na te leven dient elke organisatie arbobeleid te voeren, dat onder andere bestaat uit een aantal vaste onderdelen en instrumenten zoals de risico- inventarisatie en -evaluatie, inzet van een arbodienst of bedrijfsarts, voorlichting voor werknemers, en het aanbieden van een periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek. Daarnaast hebben vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in zorg en welzijn afspraken over veilig en gezond werken vastgelegd in de arbocatalogi. Een arbocatalogus geeft overzichtelijk en begrijpelijk de mogelijke oplossingen voor veilig en gezond werken, specifiek toegesneden op de situaties in de branche waar de catalogus zich op richt. Verder verzamelt en verspreidt het Actie Leer Netwerk in opdracht van het Ministerie van VWS voorbeelden van innovatieve initiatieven die in de praktijk tot concrete resultaten hebben geleid, bijvoorbeeld als het gaat om gezond werken en het terugdringen van verzuim en bevorderen van herstel.
De huidige situatie en veranderingen in de zorg maken het noodzakelijk dat veerkracht en herstel van zorgmedewerkers boven aan de agenda van werkgevers in de zorg staat. Om hier goed invulling aan te geven is het belangrijk dat werknemers zelf meepraten, meebepalen en invloed uitoefenen op beleid dat hen raakt. Om hier concreet invulling aan te geven stelt het Ministerie van VWS financiering beschikbaar voor het Landelijk Actieplan Zeggenschap en Veerkracht dat zich richt op het versterken van de veerkracht van werknemers en zeggenschap bij herstelbeleid. Dit actieplan bestaat onder meer uit een lokale aanpak waarbij subsidie beschikbaar wordt gesteld voor werkgevers om aan de slag te gaan met een lokaal initiatief dat een impuls geeft aan zeggenschap en veerkracht.
Welke maatregelen uit deHoofdlijnenbrief Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg kunnen op korte termijn – binnen een halfjaar – genomen worden om druk op het personeel in de zorg te verlichten?
We werken aan de uitwerking van de Hoofdlijnenbrief Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg tot een concreet programmaplan met maatregelen. De aanpak van de uitdagingen op de arbeidsmarkt vraagt iets van alle partijen. Daarover ga ik in de komende maand het gesprek aan met werkgevers, werknemers en andere partijen die hieraan een bijdrage kunnen leveren, met als doel te komen tot een gedeelde ambitie en acties. Uw Kamer ontvangt het uitgewerkte programmaplan deze zomer. Overigens betekent dit niet dat er niet ook nu al het nodige gebeurt om de werkdruk te verlagen. Er zijn al veel werkgevers die die actief mee bezig zijn. Het Actie Leer Netwerk verzamelt en verspreidt goede voorbeelden op haar site.
Welke lessen zijn er getrokken uit de afgelopen crisisjaren om personeel efficiënter in te zetten? Welke voorbeelden dragen zorgprofessionals zelf aan voor het efficiënter inzetten van personeel?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 verzamelt en verspreidt het Actie Leer Netwerk goede voorbeelden. Het legt de verbinding tussen overheid, werkveld en onderwijs. Het netwerk faciliteert en ondersteunt partijen die met vernieuwende initiatieven de personeelstekorten aanpakken. Daarnaast inspireert en stimuleert het Actie Leer Netwerk alle andere betrokken partijen om ook initiatieven te starten. Of succesvolle initiatieven van anderen over te nemen.
Kunt u aangeven wanneer de Kamer de uitwerking van de motie-De Vries over een inventarisatie van arbeidsbesparende innovaties in de zorg kan verwachten?2
Op 25 oktober 2021 is de kamer geïnformeerd over invulling van de motie-De Vries via de Kamerbrief «Motie de Vries digitale en hybride zorg» (27 529, nr. 270). Daarin is in kaart gebracht welke initiatieven de transformatie naar digitale en hybride zorg kunnen versnellen.
Er zijn verschillende initiatieven die inzicht bieden in de effectiviteit en voorwaarden voor slimme inzet van bestaande en nieuwe technologieën, zoals via het zorgtransformatiemodel van kenniscentrum digitale zorg van ZN, de onlangs geopende kennisbank digitale zorg van Vilans, het recent door de FME geïnitieerde onderzoek van Gupta naar de potentie van slimme inzet van (medische) technologie in het aanpakken van het personeelstekort in de zorg en onderzoek van o.a. Significant, Vilans.
VWS werkt al sinds de uitbraak van de Coronacrisis samen met ZN aan het zorgtransformatiemodel en een ondersteuningsstructuur voor zorgtransformatie met inzet van digitale/hybride zorg(technologie). Ook zijn we in gesprek met de andere genoemde partijen over de manier waarop de overheid zorgaanbieders en andere betrokken partijen kan ondersteunen. Tevens gebruiken we het door de verschillende partijen verrichte onderzoek voor het maken van beleid, onder meer in het nieuwe arbeidsmarktprogramma Toekomstbestendige Arbeidsmarkt Zorg, het programma Wonen, Ondersteunen en zorg voor ouderen en afspraken in het Integrale Zorgakkoord en het Gezond en Actief Leven akkoord. Actiz en NVZ hebben een actieprogramma gericht op digitale zorg. En de Patiëntenfederatie wijst cliënten en patiënten ook op de potentie ervan.
Bent u het eens dat er door werkgevers en zorgpersoneel samen nadrukkelijker werk gemaakt moet worden van de inzet van arbeidsbesparende innovaties op de werkvloer en dat het koplopersklimaat gestimuleerd moet worden? Wat hebben zorgprofessionals naar eigen zeggen nodig om goed gebruik te kunnen maken van arbeidsbesparende innovaties?3
Ja, om persoonlijke warme zorg te blijven bieden is de inzet van arbeidsbesparende innovaties, mits goed geïmplementeerd, vereist.
We zien al veel goede voorbeelden van hoe sociale en technologische innovatie zorgaanbieders helpt om de zorg beter te organiseren. Mooie voorbeelden zijn onder andere het gebruik van medicijndispensers in de wijkverpleging zodat de reistijd afneemt. Of de inzet van zorgbuddy’s in ziekenhuizen waardoor taken efficiënter verdeeld kunnen worden onder zorgmedewerkers.
Met het Actie Leer Netwerk stimuleert VWS dat koplopers hun goede voorbeelden uit de praktijk delen zodat organisaties van elkaar kunnen leren. Ook tijdens de Slimme Zorg Estafette stond het leren van elkaar centraal, zodat niet iedereen zelf het wiel hoeft uit te vinden. Daarbij is het wel belangrijk om scherp te hebben dat niet elke innovatie zondermeer toegepast kan worden. Het vraagt om een goede aanpassing en transformatie van het werkproces binnen een organisatie.
Zorgmedewerkers spelen hierin een belangrijke rol: zij weten als geen ander wat werkt en wat niet. Zeggenschap is dus cruciaal. Uit de E-healthmonitor 2021 – ervaringen uit het zorgveld – blijkt dat er al veel positieve ontwikkelingen zijn als het gaat om de inzet van digitale zorg. Tegelijkertijd is verbetering nodig op onder meer de inbedding van digitale zorg als onderdeel van het zorgproces, te werken vanuit de meerwaarde voor de zorg en het verbeteren van digitale vaardigheden.
Het bericht ‘Voorbereidend jaar Twente Pathway College sluit onvoldoende aan bij UT-onderwijs’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Wat vindt u van het artikel «Voorbereidend jaar Twente Pathway College sluit onvoldoende aan bij UT-onderwijs»1, waar onder andere in staat dat bijna 60% van de studenten dat aan een voorbereidend jaar begint het bindend studieadvies (bsa) niet haalt?
De Gedragscode Internationale Student in het hoger onderwijs (hierna: Gedragscode) schrijft voor dat de onderwijsinstelling die de toelating en inschrijving tot de opleiding afhankelijk maakt van het succesvol doorlopen van een voorbereidend jaar of premaster, zich er vooraf van vergewist dat de internationale student het voorbereidend jaar of de premaster naar verwachting succesvol zal afronden. Na het succesvol afronden van het voorbereidend jaar zijn de deficiënties weggewerkt en wordt door de onderwijsinstelling de voorwaardelijke toelating omgezet in een definitieve toelating tot de hoofdstudie. Hiermee zou een goede instroom en doorstroom in de hoofdstudie verwacht mogen worden. In dat licht lijkt een positief bindend advies van 40.9% in het eerste jaar van de wo-bachelor laag. Er is echter geen centrale registratie van het bindend studieadvies, waardoor een vergelijking op studiesucces met andere voorbereidende programma’s of met studenten die via de «reguliere» weg zijn ingestroomd, niet goed mogelijk is.
De UT heeft desgevraagd de volgende toelichting gegeven: het percentage van 40,9% is inclusief studenten die (zelf) vroegtijdig stoppen gedurende het foundation year. Uit het evaluatierapport blijkt dat van de TPC studenten die in 2020–2021 beginnen aan de UT Bachelor, en het eerste jaar hebben afgerond, 66% een positief BSA heeft gekregen. Dit percentage is exclusief uitvallers en inclusief studenten met een uitgesteld BSA. Ter vergelijking: voor alle UT Bachelor studenten van cohort 2020–2021, is dit percentage 79%.
Uit het onderzoek uit 2020 van de Landelijke Commissie Internationale Student in het Hoger Onderwijs (hierna: Landelijke Commissie), naar een aantal private aanbieders van het voorbereidend jaar, bleek overigens geen verschil tussen de «reguliere» studenten en de studenten die zijn ingestroomd via een voorbereidend jaar, als het ging om het halen van het BSA in het eerste jaar van de hoofdstudie. Navitas, waarvan Twente Pathway College een lokale afdeling is, was in die studie wel opgenomen, maar omdat het programma dat jaar voor het eerst werd aangeboden, kon in dit onderzoek nog geen beeld worden gegeven van studiesucces in de vervolgopleiding.
Wat zijn de publieke kosten van één internationale student die zijn bsa niet haalt?
De onderwijsuitgaven per student per jaar in het wetenschappelijk onderwijs bedragen gemiddeld ca. € 8.300. Dit geldt voor Nederlandse studenten en andere studenten uit de Europese Economische Ruimte (EER). Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 3 en vraag 6 gaat het hier vrijwel geheel om niet-EER studenten waarvoor geen publieke kosten worden gemaakt.
Kunt u aangeven hoe een commercieel traject om meer internationale studenten aan te trekken, waar studenten tot € 15.000,– per jaar voor betalen, zich verhoudt tot de passage in het artikel over «zorgen voor een uitputting van de UT-middelen»? Op welke wijze worden publieke middelen door de Universiteit Twente besteedt aan de commerciële activiteiten van Twente Pathway College? Kunt u tevens aangeven hoe de scheiding van de geldstromen bij deze en andere universiteiten waarbij commercieel een voorbereidend jaar wordt aangeboden geregeld is? Hoe houdt u hier toezicht op?
De UT mag alleen publieke middelen besteden aan private activiteiten als aan de voorwaarden uit de «Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten» wordt voldaan. De tweede voorwaarde, genoemd in artikel 3 van deze beleidsregel, behelst dat publieke middelen alleen voor private activiteiten mogen worden ingezet indien de activiteit aantoonbare meerwaarde heeft voor de wettelijk bekostigde taak.
Publieke middelen investeren
Bekostigde onderwijsactiviteiten zijn activiteiten in lijn met artikel 1.3 van de WHW. En dat ziet op ingeschreven studenten. Daar mag de bekostiging (de publieke middelen) aan worden besteed. Onder publieke middelen vallen bijvoorbeeld ook publiek bekostigde docenten en lesruimten.
Overige activiteiten zijn privaat en deze kunnen alleen met publieke middelen worden gefinancierd als de voorwaarden uit de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten worden toegepast.
Verantwoording publieke middelen
Binnen de geldende wet- en regelgeving mag elke instelling de financiële administratie naar eigen inzicht inrichten. Dit geldt eveneens voor het verwerken van transacties inzake publieke of private activiteiten. Het bevoegd gezag kan ervoor kiezen om de private activiteiten in een aparte rechtspersoon onder te brengen, maar is daar niet toe verplicht, zolang de financiële verantwoording maar volledig en transparant is. De inspectie kan eventueel onderzoeken of de instelling bij haar private activiteiten (die met publieke middelen worden gefinancierd) passende (risico-) beheersmaatregelen heeft getroffen en die ook adequaat toepast. Het bevoegd gezag dient daarnaast op verzoek van de Minister, dan wel op verzoek van de inspectie, inzage te geven in álle specifieke private activiteiten, met name voor wat betreft de interne kostentoerekeningen (voor- en nacalculatie van de integrale kostprijs, inclusief een berekening van de risico-opslag op de geïnvesteerde publieke middelen).
In het accountantscontroleprotocol 2021 is opgenomen dat de instellingsaccountant vaststelt dat aan de in artikel 3.7 van de Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten opgenomen verantwoordingseis in het bestuursverslag is voldaan.2
De Beleidsregel investeren met publieke middelen in private activiteiten stelt in artikel 3, onder 7, dat over de investeringen met publieke middelen in private activiteiten verantwoording dient te worden afgelegd in het bestuursverslag.
De inspectie houdt toezicht op naleving van de Beleidsregel tijdens haar reguliere vierjaarlijks instellingstoezicht of op basis van signalen.
Het gaat hier overigens om internationale studenten die een kostendekkend (vaak commercieel tarief) betalen voor het voorbereidend traject. Niet-EER studenten betalen bovendien voor hun bachelor of master het hogere instellingscollegegeld. In die zin is er geen sprake van (uitputting van) publieke middelen. Wel geven enkele docenten in het evaluatierapport aan dat de studenten die via het foundation year van Twente Pathway de bachelor instromen, vaker moeite hebben met de manier waarop het Nederlandse academisch onderwijs is georganiseerd (onder andere de gevraagde zelfstandigheid) en daardoor meer aandacht en ondersteuning nodig hebben.
Is volgens u, voor (aspirant-)studenten, in voldoende mate duidelijk dat er sprake is van twee aparte organisaties (namelijk een commerciële organisatie Twente Pathway College en een publieke organisatie de Universiteit Twente), aangezien de website «Twente Pathway College» volledig in dezelfde huisstijl is als die van de Universiteit Twente?
Voorbereidende programma’s worden door of onder verantwoordelijkheid van de betreffende hogeschool of universiteit aangeboden. Die blijft dus altijd verantwoordelijk voor het onderwijs in het voorbereidend traject, ook als dat in de praktijk wordt uitgevoerd en aangeboden door een andere (commerciële) partij. Desalniettemin moet in de informatievoorziening aan de aspirant-studenten duidelijk worden gemaakt hoe het voorbereidend programma wordt aangeboden en door wie. In de Gedragscode is hierover onder andere opgenomen: «De onderwijsinstelling stelt, onder andere via de website, tijdig betrouwbare en eenvoudig toegankelijke informatie aan de internationale student ter beschikking over het aangeboden onderwijs, tenminste m.b.t. (..) een beschrijving van de opleiding».
De Landelijke Commissie heeft geen signalen ontvangen van studenten over mogelijke onduidelijkheid over welke organisatie The Twente Pathway aanbiedt.
In het onderzoek in 2020 constateerde de Landelijke Commissie wel dat de Universiteit Twente zelf geen informatie verschaft op haar website over The Twente Pathway. De informatievoorziening verloopt volledig via de daarvoor ingericht website «The Twente Pathway».
Is volgens u, voor (aspirant-)studenten, in voldoende mate duidelijk dat het voorbereidend jaar een commerciële activiteit is waar geen publiek toezicht op wordt gehouden?
De Landelijke Commissie heeft geen klachten ontvangen over dit specifieke onderwerp. Eén van de uitkomsten van de periodieke evaluatie van de Gedragscode is dat een separaat hoofdstuk in de Gedragscode wordt ingericht over de samenwerking met aanbieders van voorbereidend onderwijs. Daarnaast werkt de Landelijke Commissie aan een verkenning die ziet op de samenwerking met gecontracteerde agenten, zie ook het antwoord op vraag 7.
Vindt u het aanvaardbaar dat dit type onderwijs niet onder het toezicht van de inspectie valt, omdat de wettelijke basis hiervoor ontbreekt, mede gezien deze vorm van onderwijs leidt tot publiek gefinancierd wetenschappelijk onderwijs?
Dit type onderwijs valt inderdaad niet onder de WHW en daarmee niet onder toezicht van de Inspectie. Wel is hier sprake van zelfregulering (die periodiek geëvalueerd wordt) en heeft de Landelijke Commissie hierin een belangrijke rol. De voorbereidende trajecten zijn bedoeld voor internationale studenten die nog niet toelaatbaar zijn tot de bachelor of master. Voor de voorbereidende trajecten moet een kostendekkend tarief worden gevraagd. De niet-EER studenten die daarna doorstromen naar een bachelor of master, moeten hiervoor het instellingscollegegeld betalen. Het onderwijs voor deze groep is daarmee niet publiek gefinancierd.
Hoe gaat het met de voornemens zoals verwoord staan in de briefReactie op verzoek commissie over het bericht «Hoe de UvA in de jacht op de internationale student de grenzen opzoekt»?2 Kunt u hierbij in ieder geval ingaan op de volgende twee punten: de evaluatie van de Gedragscode waarbij mede vanwege de zorgplicht voor de jonge aankomende studenten gekeken wordt naar de rol van private aanbieders bij voorbereidende jaren, in het bijzonder de rol van de zogenoemde agenten bij de werving; wat de stand van zaken is rondom de vergewisplicht in de Gedragscode (artikel 4.5) waarbij onderwijsinstellingen vooraf nauwkeuriger moeten nagaan in hoeverre studenten het voorbereidend jaar naar verwachting met succes zullen doorlopen? In hoeverre geldt deze plicht ook voor het bsa?
De Gedragscode is een vorm van zelfregulering. De Gedragscode is opgesteld door de hoger onderwijsinstellingen, vertegenwoordigd door de koepelorganisaties. De overheid stelt ondertekening van de Gedragscode door de onderwijsinstelling als voorwaarde voor het verlenen van verblijfsvergunningen aan buitenlandse studenten van buiten de EER.
De periodieke (vijfjaarlijkse) evaluatie van de Gedragscode is bijna afgerond. De geactualiseerde tekst kan waarschijnlijk worden vastgesteld op 1 juli en op 1 oktober aanstaande in werking gaan. In de Gedragscode wordt onder andere ingegaan op de zogenoemde agenten en op de schriftelijke overeenkomst tussen hogeronderwijsinstelling en agent, die de taken, rollen en verplichtingen van beide partijen, naar elkaar en naar de student, vastlegt. Daarnaast zal de Landelijke Commissie in een verkenning naar de samenwerking met agenten best practices en risico’s in kaart brengen en vertalen naar handvatten die de hogeronderwijsinstellingen kunnen helpen bij de uitvoering van de Gedragscode. Volgens de vergewisplicht in de Gedragscode stelt de instelling jaarlijks, na afloop van ieder studiejaar, de studievoortgang vast. Dit is nodig omdat deze groep studenten voor het behouden van hun verblijfsvergunning op grond van studie jaarlijks minimaal 50% van de studiepunten moet halen. De Landelijke Commissie en koepelorganisaties hebben geen aanleiding gevonden de vergewisplicht in relatie tot het voorbereidend onderwijs te wijzigen. Door beoordeling van de vooropleiding en taalvaardigheid beoordelen de hogeronderwijsinstellingen in algemene zin de kans van slagen van studenten in de bachelor of master opleidingen.
Het bindend studieadvies geldt voor alle studenten en is daarom niet apart opgenomen in deze Gedragscode voor internationale studenten.
Wat is volgens u de toekomst van deze commerciële voorbereidende jaren? Deelt u de mening dat het wenselijk zou zijn om hiermee te stoppen?
In een brief van 7 januari jl., naar aanleiding van het rapport van de Landelijke Commissie, heeft mijn voorganger aangegeven dat de insteek van OCW een strikte benadering is. Daarin kan alleen bij een strenge selectie op talent een uitzondering worden gemaakt voor aankomend niet-EER studenten met een diploma op havoniveau voor de wo-bachelor.
UNL (Universiteiten van Nederland), Vereniging Hogescholen en de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding hebben op verzoek van OCW een kwaliteitskader opgesteld voor het voorbereidend jaar, waarin strengere selectiecriteria zijn opgenomen voor de toegang tot het voorbereidend traject (met name voor de wo-bachelor). De koepelorganisaties hebben aangegeven dat een volgende versie van het kwaliteitskader een nog striktere insteek zal hebben wat betreft de toelaatbaarheid. Het is de bedoeling de volgende versie in te laten gaan voor toelating tot het studiejaar 2023–2024.
Met dit kwaliteitskader wordt een belangrijke aanbeveling van de Landelijke Commissie opgevolgd. Die richtte zich op het strenger selecteren van de groep aankomend studenten voor het voorbereidend jaar en het opstellen van duidelijke en objectieve criteria hiervoor. De Landelijke Commissie zegt hierover onder andere: «In een groot aantal landen is een 5-jarige, algemeen vormende secundaire opleiding het hoogst haalbare niveau van voortgezet onderwijs, dat naar Nederlandse maatstaven gewaardeerd wordt op havoniveau. Ook de beste aankomende studenten uit deze landen bevinden zich in een dergelijke situatie, terwijl deze wellicht een bijdrage kunnen leveren aan de international classrooms van het Nederlandse hoger onderwijs. De actieve werving door de onderwijsinstellingen moet dan alleen op de enkele getalenteerde aankomende studenten zijn gericht.» De Landelijke Commissie beveelt dus niet aan om volledig te stoppen met de voorbereidende trajecten, maar noemt een aantal duidelijke verbeterpunten, die ik onderschrijf.
Om te garanderen dat dit kader daadwerkelijk leidt tot aanscherping, is het belangrijk te monitoren. Na één jaar zal een eerste evaluatie worden gedaan, waarbij mijn collega van JenV en ik betrokken zullen zijn. In het kwaliteitskader is verder opgenomen dat drie jaar na inwerkingtreding, de effectiviteit wordt geëvalueerd.
De Nederlandse steun voor een evenement van de BDS-beweging |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het evenement «Palestine & the ICC Paralysis: Is Justice still Possible for Palestinians», dat op 23 mei in Den Haag plaatsvindt?1
Ja.
Erkent u dat dit evenement wordt gedragen door anti-Israël organisaties zoals Al-Haq, waarvan de directeur banden heeft met de u welbekende Palestijnse terreurorganisatie Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP)?2
Het kabinet was niet betrokken en ook niet aanwezig bij dit evenement. Ik kan daarom geen uitspraken doen over de aard en doelstelling hiervan.
Deelt u mijn mening dat dit evenement puur gericht is tegen Israël, en enkel bedoeld is om Israël – en niet de (terroristische) Palestijnen – voor het Strafhof te krijgen en van oorlogsmisdaden te beschuldigen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken dit evenement financiert? Zo ja, om welk bedrag gaat het?
Nee. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken had geen betrokkenheid bij dit evenement. De foutieve verwijzing naar betrokkenheid is gerectificeerd.
Bent u bereid de financiële bijdrage voor dit evenement van de BDS-beweging («Boycott, Divestment, and Sanctions») per direct te annuleren?
Zie vraag op antwoord 4.
Kunt u deze vragen nog vóór 23 mei beantwoorden, en bent u bereid publiekelijk afstand te nemen van dit smerige anti-Israël evenement? Zo nee, waarom niet?
Dit is helaas niet gelukt. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Het nieuws dat de SMS-controle van DigiD wordt uitgefaseerd |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat na de uitfasering van de SMS-controle van DigiD er alleen nog authenticatie via de app kan worden gedaan? En zo ja, is het dan juist dat deze app alleen verkrijgbaar is voor Apple en Google telefoons?1
Voorop staat dat SMS-authenticatie, zoals gesteld in het commissiedebat van 22 maart jl., voorlopig behouden blijft. Belangrijk is echter wel dat er oog blijft voor een continue verbetering van de beveiliging en de veiligheidseisen. Hierbij moet onder andere voldaan worden aan de veiligheidseisen die gesteld zijn binnen Europa. Binnen de eIDAS regelgeving wordt er onderscheid gemaakt tussen de niveaus laag, substantieel en hoog. Hierbij is het met name van belang dat er een nauwkeurige en betrouwbare identiteitsvaststelling plaats kan vinden. Tweefactor-authenticatie, zoals SMS-authenticatie, behoort tot het laagste niveau. De DigiD app is alleen verkrijgbaar voor Android en iOS telefoons.
Kunt u aangeven waarom gekozen wordt inwoners te dwingen gebruik te maken van Amerikaanse techbedrijven en daarmee hun marktmacht te versterken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De redenen hiervoor zijn praktisch en niet principieel van aard. De voornaamste redenen om de DigiD-app in beginsel alleen voor de besturingssystemen iOS en Android aan te bieden zijn:
Bereik; meer dan 99% van de smartphones gebruikt iOS of Android als besturingssysteem.
Betrouwbaarheid van de app store; er moet voldoende vertrouwen zijn in de app store; zo moet de software bijvoorbeeld deugdelijk zijn en voldoen aan de standaarden van de store. Ondeugdelijke apps in de stores van iOS en Android worden verwijderd.
Bezitsfactor; bij een digitale authenticatie moet er zekerheid bestaan over de identiteit van de gebruiker, dit vraagt bepaalde technologie die op dit moment alleen door Apple in iOS en door Google in Android wordt aangeboden.
Klopt het dat er geen alternatief wordt geboden voor partijen die geen gebruik maken van de diensten van Google of Apple en daardoor ook geen toegang meer hebben tot de overheidsdiensten? Wat gaat u ondernemen om te regelen dat er wel alternatieven worden geboden?
Naast het gebruik van de DigiD-app op de besturingssystemen iOS of Android is SMS het huidige alternatief. In de verdere ontwikkeling van DigiD speelt naast veiligheid ook inclusiviteit een belangrijke rol.
Kunt u toelichten hoe het besluit om geen andere mogelijkheden naast de apps van Google en Apple strookt met het «comply or explain»-principe van de overheid ten aanzien van open source?
Kunt u aangeven waarom de overheid de DigiD-app niet open source heeft laten ontwikkelen? Is zij als nog van plan dit te gaan doen zodat de app ook in de F-droidstore aangeboden kan worden?
DigiD gebruikt open source componenten, maar publiceert de broncode van de app (nog) niet. Een verkenning of het mogelijk is om de broncode van DigiD open source te publiceren is gaande, maar het publiceren van de broncode moet wel op een verantwoordelijke en veilige manier mogelijk zijn. Veiligheid en bescherming van gegevens van gebruikers blijven in de doorontwikkeling altijd een factor. Het risico bestaat dat de broncode gebruikt wordt om de app te klonen om via die weg gegevens afhandig te maken van de gebruiker.
Is het juist dat in de huidige app trackers zijn aangetroffen? Wat zijn de gevolgen van deze trackers in de app?2
Het is juist dat de app trackers van respectievelijk Microsoft en Google bevat. Dit is noodzakelijk voor de (technische) ondersteunings- en beheerfunctionaliteit van de applicatie. De twee Microsoft trackers zorgen ervoor dat informatie bij het ontwikkelteam van DigiD terecht komt als de applicatie niet stabiel werkt of crasht. Deze gegevens worden niet naar Microsoft gezonden, maar alleen naar het ontwikkelplatform van DigiD. Het betreft geen persoonlijke gegevens en de trackers hebben ook niet als doel om het gedrag van de gebruiker te volgen.
De tracker van Google is nodig voor technische ondersteuning van de push-notificatiefunctionaliteit in Android. Een push-notificatie kan vanuit een applicatie een bericht sturen naar de gebruiker dat er een bericht klaar staat in de applicatie. Bij DigiD gebeurt dit alleen in uitzonderlijke gevallen en nooit met persoonsgegevens. Voor het versturen van een push-notificatie wordt expliciet toestemming gevraagd aan de gebruiker om deze functionaliteit al dan niet toe te staan.
Hoe gaat u voorkomen dat door het gebruik van deze apps data van Nederlandse burgers worden doorgegeven aan de Amerikaanse overheid, omdat beide bedrijven onder de zogenaamde Patriot Act vallen?
Beide bedrijven hebben geen inzicht in de gegevens van de gebruikers van de applicatie. Zij hebben geen toegang tot de inloggegevens, noch tot de informatie die de burger via het inloggen wil inzien. De DigiD-app stuurt geen gegevens door naar Apple of Google.
Notificatiedata lopen wel via een centrale poort in het besturingssysteem. Om die reden wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van notificaties en wordt hier nooit gevoelige of persoonlijke informatie gedeeld. Als gebruiker is het mogelijk om notificaties uit te schakelen.
Kunt u aangeven hoe het uitfaseren van SMS bij DigiD samenhangt met uw garantie dat de toegang tot en het gebruik van DigiD niet verslechterd zullen worden, in het commissiedebat inzake digitale overheid op 22 maart 2022?3
Zoals verder toegelicht in de beantwoording op vraag 1 staat voorop dat SMS-authenticatie voorlopig behouden blijft, maar is het belangrijk dat er oog blijft voor continue verbetering van de beveiliging en de veiligheidseisen. Bij de verdere ontwikkeling van de app is voortdurend aandacht voor inclusiviteit, toegankelijkheid en het gebruikersgemak. Mensen kunnen ondersteuning vragen via de Helpdesk van DigiD en via Informatiepunten Digitale Overheid, bijvoorbeeld in bibliotheken. In de voortgangsrapportage van het domein Toegang zal ik dit najaar verder ingaan op de veiligheidsniveaus en inclusie.
Het bericht dat de Primark personeel wil ontslaan |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat vindt u ervan dat Primark door het hele land personeel wil ontslaan om daarna veel personeel opnieuw in te willen inhuren tegen slechtere arbeidsvoorwaarden, zoals lager loon, bevroren loon en roosters die niet te combineren zijn met het privéleven?1
Het is voor de betrokken werknemers altijd vervelend wanneer ontslag als gevolg van een reorganisatie binnen een onderneming tot gevolg heeft dat werknemers noodgedwongen op zoek moeten naar een andere baan. Uit verschillende openbare berichtgeving heb ik inmiddels echter begrepen dat Primark bekend heeft gemaakt het voorgenomen besluit tot ontslag van werknemers terug te draaien.
Wat vindt u ervan dat Primark op deze manier af wil komen van vaste krachten om ze in te ruilen voor flexibele arbeidskrachten?
Deelt u de mening dat dit soort praktijken op de Nederlandse arbeidsmarkt niet voor zouden mogen komen? Zo ja, wat gaat u hier aan doen? Zo nee, waarom niet?
Het is de inzet van het kabinet dat structureel werk in principe wordt georganiseerd op basis van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Daarom bereid ik nu ook voorstellen voor ter hervorming van de arbeidsmarkt. Deze voorstellen heb ik toegelicht in de Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarkt die u op 5 juli jl. heeft ontvangen. Het blijft de verantwoordelijkheid en bevoegdheid van een bedrijf om binnen de grenzen van wet- en regelgeving zelf een afweging te maken over de te voeren strategie en beleid ten aanzien van hun personeelsmanagement. Daarbij is in het algemeen geen ruimte om vast personeel te ontslaan met enkel het doel hen te vervangen door flexibel personeel tegen lagere arbeidsvoorwaarden.
Wat vindt u ervan dat Primark de grootste vakbond in de winkelstraat, de FNV, weert bij de overleggen over het sociaal plan?
Zoals ook bij het antwoord op vraag 1 is aangegeven, heb ik uit openbare berichtgeving begrepen dat Primark inmiddels is teruggekomen op haar voorgenomen besluit om werknemers te ontslaan. Bij een reorganisatie kan een werkgever afspraken maken over de gevolgen daarvan voor de werknemers en deze afspraken vastleggen in een sociaal plan. Een sociaal plan kan tot stand komen na onderhandeling met een of meerdere vakbonden, met betrokkenheid van enkel de ondernemingsraad, of eenzijdig door de werkgever worden vastgesteld. Het staat de werkgever in beginsel vrij om te bepalen of en met wie er een sociaal plan wordt afgesloten.
Is het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) van plan dit massaontslag te faciliteren?
Van faciliteren van ontslag is geen sprake. Een ingediende ontslagaanvraag wordt door UWV onafhankelijk getoetst. In geval van een reorganisatie die gepaard gaat met ontslag, dient UWV vooraf toestemming te verlenen aan de werkgever om de arbeidsovereenkomst op te mogen zeggen wegens bedrijfseconomische redenen. UWV toetst in dat geval of de onderneming daar, op grond van de bestaande wet- en regelgeving, toe over mag gaan. Voor een rechtsgeldig bedrijfseconomisch ontslag moet sprake zijn van een structureel verval van arbeidsplaatsen. Bovendien moeten mogelijkheden tot herplaatsing van de werknemer op een andere passende functie binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, ontbreken. UWV toetst ook of de werkgever de juist ontslagvolgorde aanhoudt.
Wat vindt u ervan dat een bedrijf dat miljoenen aan NOW-subsidie kreeg nu honderden mensen op straat wil zetten waardoor de medewerkers en de maatschappij weer een hoge rekening krijgen?
De NOW-subsidie staat los van eventuele wijzigingen in het bedrijf na afloop van de subsidieperiode. Als een onderneming NOW heeft aangevraagd, wordt na afloop vastgesteld op hoeveel subsidie de werkgever daadwerkelijk recht heeft. Daarbij wordt gekeken naar de loonsom in de referentiemaand en gedurende de subsidieperiode. Wijzigingen in de loonsom na afloop van de subsidieperiode hebben geen effect op de hoogte van de NOW-subsidie. Dat is mijns inziens terecht, het staat ondernemers vrij om te ondernemen. Het zou niet wenselijk zijn als we met een beroep op de eens verkregen NOW-subsidie bedrijven verbieden om hun bedrijfsvoering aan te passen na afloop van de subsidieperiode(s).
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat Primark werknemers gaat inwisselen? Gaat u het gesprek aan met Primark om deze ontslagen te voorkomen? Zo ja, informeert u de Kamer over de uitkomst van dit gesprek? Zo nee, waarom laat u deze medewerkers vallen?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 1 en 4 heb ik uit openbare berichtgeving begrepen dat Primark inmiddels is teruggekomen op het voorgenomen besluit om werknemers te ontslaan. In dat kader is de vraagstelling niet langer aan de orde.
De uitkomsten van de Conferentie over de Toekomst van Europa |
|
Derk Jan Eppink (Libertair, Direct, Democratisch) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitkomsten van de Conferentie over de Toekomst van Europa (CoFE)?1
Ja.
Wat is de positie van het Nederlandse kabinet ten aanzien van deze uitkomsten?
Het kabinet verwelkomt de uitkomsten van de Conferentie. De Conferentie is waardevol geweest om burgers meer te betrekken bij besluitvorming van de EU. Het kabinet bestudeert nu de voorstellen. Sommige voorstellen van de burgers sluiten aan bij bestaand EU-beleid of bestaande plannen, andere zullen nieuwe richtingen en acties vanuit de EU vergen. Het kabinet zal een kabinetsappreciatie met uw Kamer delen, voorafgaand aan de Europese Raad van 23 en 24 juni.
Is de Nederlandse regering tevreden over het verloop van de Conferentie over de Toekomst van Europa?
De Conferentie is een belangrijk instrument geweest om burgers uit alle EU-lidstaten meer te betrekken bij de EU. Niet eerder is dit op deze manier in EU-verband georganiseerd. Een exercitie als deze, waarbij burgers direct met elkaar en met Europese politici in gesprek gaan, is waardevol voor het gesprek over de toekomst van de Unie en voor de democratische legitimiteit.
Wat is de Nederlandse positie ten aanzien van een mogelijke, nieuwe Europese Conventie?
Het kabinet bestudeert momenteel de uitkomsten van de Conferentie. Een eerste inschatting is dat verreweg de meeste voorstellen kunnen worden gerealiseerd binnen het kader van de huidige EU-verdragen. Enkele voorstellen zullen verdragswijziging vergen. Zoals ook in het coalitieakkoord is opgenomen, staat het kabinet open voor verdragswijzigingen naar aanleiding van de Conferentie als dit in het Nederlands en Europees belang is. Voor het kabinet is van belang de voorstellen goed te bestuderen en op basis daarvan een afweging te maken hoe de uitkomsten van de Conferentie het beste opvolging kunnen krijgen.
Hoe staat u ten opzichte van verdere overdracht van soevereiniteit van de Staten-Generaal der Nederlanden naar de Europese Unie?
Van een verdragswijziging en bevoegdheidsoverdracht van lidstaten aan de EU is op dit moment geen sprake. Mocht dat te zijner tijd eventueel op tafel komen dan benadrukt het kabinet dat indien er sprake zou zijn van een mogelijke bevoegdheidsoverdracht aan de EU dat – overeenkomstig de Grondwet – de Staten-Generaal hier mee zal moeten instemmen.
Hoe denkt de Nederlandse regering over wettelijk initiatiefrecht voor het Europees Parlement?
Onder 38.4 in het eindverslag van de Conferentie over de toekomst van Europa is een aanbeveling opgenomen waarin staat dat het Europees parlement recht van wetgevingsinitiatief moet hebben.2 In de EU-Verdragen zijn de bevoegdheden van de EU-instellingen neergelegd. De Europese Commissie heeft in beginsel het exclusieve recht van initiatief ten aanzien van EU wetgevingshandelingen (artikel 17(2) VEU). Het Europees parlement en de Raad zijn bij de gewone wetgevingsprocedure de medewetgevers die EU wetgeving vaststellen.
Als de aanbeveling geïnterpreteerd moet worden als een direct initiatiefrecht voor het Europees parlement, dan zou opvolging daarvan betekenen dat de Commissie niet meer als uitgangspunt het exclusieve initiatiefrecht zou hebben. Dit zou gevolgen hebben voor de institutionele balans tussen de EU-instellingen en voor de «gewone wetgevingsprocedure» en zou verdragswijziging vergen. Het kabinet zou de gevolgen hiervan goed in kaart moeten brengen voor Nederland alvorens hier een positie op in te kunnen nemen, ook wat betreft de consequenties voor de nationale parlementen die democratisch toezicht op lidstaten in de Raad houden.
Onder artikel 225 VWEU heeft het Europees parlement overigens al de mogelijkheid om de Commissie te verzoeken met passende voorstellen te komen. Indien de Commissie daarop geen voorstel indient, deelt zij de redenen daarvoor aan het Europees parlement mee. Dit kan gezien worden als een «indirect» recht van initiatief. De huidige voorzitter van de Europese Commissie heeft in haar politieke beleidslijnen3 toegezegd om bij resoluties of voorstellen vanuit het Europees parlement, die met meerderheid van stemmen worden aangenomen, een initiatiefvoorstel uit te werken. Nederland vindt het van belang – als er gebruik gemaakt wordt van dit «indirecte» recht van initiatief – dat de Commissie en het EP daar transparant over zijn.
Moet volgens het Nederlands kabinet het vetorecht in de Raad worden hervormd? Zo ja, op welke beleidsdomeinen wel en op de welke niet?
Zoals bij uw Kamer bekend is het kabinet er voorstander van dat bij besluitvorming binnen het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid vaker gebruik wordt gemaakt van gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming (QMV) in plaats van unanimiteit, specifiek op de onderwerpen sancties, mensenrechtenverklaringen in multilateraal verband en civiele GVDB-missies. Het kabinet is ervan overtuigd dat dit zal kunnen bijdragen aan het vergroten van de besluitvaardigheid en de slagvaardigheid op het gebied van het EU-buitenlandbeleid. Het EU-verdrag biedt de ruimte om die stap te zetten. Gebruik van QMV vereist een unanimiteitsbesluit. Het kabinet verwijst in dit kader ook graag naar de brief d.d. 17 mei 2021 over de mogelijkheden om binnen het verdrag over te stappen van unanimiteitsbesluitvorming naar QMV.4
Kan u ook aangeven welke besluitvorming ze dan wél verkiest?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 7 zou het kabinet graag zien dat binnen het Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheidsbeleid, specifiek op de onderwerpen sancties, mensenrechtenverklaringen in multilateraal verband en civiele GVDB-missies, frequenter gebruik wordt gemaakt van QMV in plaats van unanimiteitsbesluitvorming.
Bent u voorstander van het invoeren van directe EU-belastingen?
Het heffen van directe belastingen is een bevoegdheid van de lidstaten. Dat neemt niet weg dat internationale samenwerking op het gebied van directe belastingen van groot belang is voor de EU als geheel en ook voor Nederland.
Wat zijn de totale kosten geweest van de Conferentie over de Toekomst van Europa en kan u aangeven hoeveel Nederland daar procentueel aan heeft bijgedragen?
Er bestaat geen gezamenlijk en aangewezen budget voor de Conferentie vanuit de EU-instellingen. De EU-instellingen en lidstaten namen een deel van de kosten op zich. De EU-instellingen financierden de activiteiten uit eigen bestaand budget. Zo dekte het Europees parlement de kosten voor de plenaire vergaderingen, de Raad droeg onder andere bij met vertalingen van documenten en tolken. De Europese burgerpanels zijn georganiseerd door de Europese Commissie; de contracten hiervoor zijn openbaar gemaakt op het meertalig digitale platform. Getracht is de kosten te drukken, bijvoorbeeld door het hosten van Europese burgerpanels door universiteiten, zoals door de Universiteit Maastricht afgelopen januari, en gebruik te maken van het gebouw van het Europees parlement. Lidstaten zijn verantwoordelijk geweest voor het financieren van activiteiten in eigen land. De gehele uitvoerige dialoog en de campagne Kijk op Europa met de Nederlandse burgers, uitgevoerd door een externe organisatie, heeft circa 550.000 euro gekost.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar het draagvlak onder de Nederlandse bevolking over alle voorstellen uit de Conferentie?
Het kabinet heeft de representatieve en inclusieve burgerdialogen Kijk op Europageorganiseerd. Ruim 13.000 Nederlanders hebben deelgenomen. De resultaten zijn door het kabinet ingebracht gedurende de Conferentie, en zijn integraal opgenomen in het eindrapport van de Conferentie. Daarnaast zijn in het eindrapport de aanbevelingen van alle Europese burgers opgenomen, die op bepaalde punten afwijken van de wensen van Nederlandse burgers. De Nederlandse uitkomsten van de Kijk op Europa dialogen zijn integraal verwerkt in de inzet van het kabinet zoals weergegeven in de Staat van Europese Unie 2022 Kamerbrief.5 Deze inzet zal leidend zijn bij de beoordeling van de (wetgevende) voorstellen die voortvloeien uit de Conferentie over de Toekomst van Europa.
Bent u bereid binnen de Europese Unie te pleiten voor een onderzoek in alle lidstaten om het draagvlak in kaart te brengen voor alle voorstellen uit de Conferentie?
Op Europees niveau is het draagvlak verzekerd door de representativiteit van de burgerconsultaties georganiseerd door de Commissie. Het kabinet heeft zich gedurende de Conferentie ingezet voor een resultaat gebaseerd op deze representatieve inbreng, ten behoeve van het draagvlak hiervoor. Ook voor de overige lidstaten en hun burgers geldt dat het draagvlak voor de maatregelen volgende uit de voorstellen zal blijken zodra deze in de vorm van (wetgevende) voorstellen worden voorgesteld, waarbij de reguliere besluitvormingsprocedures zullen worden gevolgd.
Kunt u elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden (of ten minste alvorens het debat over CoFE)?
Ja.
Een mogelijk gastekort deze winter en het uitwerken van verschillende scenario’s hiervoor. |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke onderzoeken u momenteel uitvoert om paraat te zijn bij een eventueel gasboycot vanuit Rusland? Welke verschillende scenario’s onderzoekt u daarbij? Kunt u deze scenario’s en bijbehorende aannames gedetailleerd toelichten?
Met de betrokken marktpartijen worden de ontwikkelingen voortdurend in de gaten gehouden. De studies die vooral van belang zijn, betreffen scenario-analyses van Entso-G. Die worden hierna in het antwoord op vraag 4 toegelicht.
Het meest verstrekkende scenario dat tot op heden is uitgewerkt is een volledig onderbreking van de gastoevoer uit Rusland naar Europa gedurende de periode vanaf april 2022 tot april 2023.
Kan u specifiek voor het Bescherm- en Herstelplan Gas (BHG) gedetailleerd aangeven welke scenario’s worden onderzocht? Om welke volumes aan gastekort gaat het bijvoorbeeld in de verschillende scenario’s?
Het Bescherm- en Herstelplan Gas (hierna: BH-G) treedt in werking als Nederland een niveau van gascrisis als bedoeld in de verordening gasleveringszekerheid afkondigt. De verordening onderscheidt hiertoe drie niveaus van gascrisis: vroegtijdige waarschuwing, alarm en noodsituatie. Een crisisniveau wordt door Nederland afgekondigd indien voldaan wordt aan de criteria voor het betreffende niveau van gascrisis die zijn opgenomen in de verordening gasleveringszekerheid (artikel 11, eerste lid van de verordening). Deze verordening dicteert bijgevolg de situaties waarin het Bescherm- en Herstelplan van toepassing is.
Los daarvan wordt gekeken naar de gevolgen van een gastekort in verschillende scenario’s. Zie het antwoord op vraag 1 en vraag 4. In het scenario aangegeven bij vraag 1 (het meest verstrekkende scenario) zal er in de zomerperiode onvoldoende gas zijn om de gasopslagen in Europa te kunnen vullen. Dit geldt ook voor Nederland. Hoe groot het tekort in Nederland in dat scenario zal zijn is afhankelijk van veel factoren. Daarbij moet ook worden aangetekend dat inmiddels twee maanden zijn verstreken waarin er wel toevoer uit Rusland naar Europa is geweest en gasopslagen verder zijn gevuld.
Hoeveel gas gebruiken alle beschermde afnemers in Nederland bij elkaar en kunt u dit per soort afnemer uitsplitsen? Welk aandeel is dat van het totale Nederlandse gasverbruik?
Het is niet te zeggen hoeveel gas specifiek de beschermde afnemers in totaal afnemen. Op grond van de verordening gasleveringszekerheid kunnen lidstaten naast huishoudelijke afnemers, onder voorwaarden, kleine en middelgrote ondernemingen, essentiële sociale diensten, en stadsverwarmingsinstallaties aanwijzen als beschermde afnemers.
Deze beschermde afnemers kunnen zijn aangesloten op verschillende punten in het gastransportnet. Deze factoren maken het complex om het verbruik van beschermde afnemers vast te stellen.
Kunt u aangeven wat voor studies/onderzoeken momenteel worden gedaan door netbeheerders, toezichthouders en andere relevante instanties om klaar te zijn om de leveringszekerheid te kunnen borgen in het geval van een Russisch gasboycot?
Entso-G heeft een aantal weken terug de Summer Outlook gepresenteerd1. Deze analyse geeft een beeld van hoe het deze zomer er mogelijk uit gaat zien en geeft inzicht in de gevolgen van onderbreking van gasstromen uit Rusland. Entso-G is nu bezig met de ontwikkeling van een year outlook. Dit geeft een beeld voor wanneer er over een periode van 12 maanden geen Russisch gas beschikbaar zou zijn. Alle Europese landelijke netbeheerders hebben daarvoor informatie aangeleverd. De Nederlandse netbeheerder GTS gebruikt deze data in combinatie met haar eigen gegevens om inzichtelijk te maken hoe het systeem reageert bij een onderbreking van Russisch gas. Dit kan gezien worden als het uitvoeren van stresstests en het is belangrijk dat in Europees verband te doen gegeven alle interconnecties.
Entso-G maakt nu een year outlook. Daarin wordt in kaart gebracht wat het beeld is als er voor de rest van het jaar geen Russisch gas beschikbaar is. Netbeheerders (TSO’s) uit alle landen hebben daarvoor informatie aangeleverd.
GTS gebruikt deze data om zelf inzichtelijk te maken hoe de systeem reageert met nationale data. Dit kan worden gezien als het uitvoeren van stresstests.
Bent u van plan een crisissimulatie met verschillende scenario’s uit te voeren samen met de netbeheerders en toezichthouders? Zo nee, waarom niet?
Met de betrokken partijen worden continu de situatie, de verschillende scenario’s en de consequenties gemonitord en besproken. De komende tijd zullen we ook simulaties doen om onze aanpak te verbeteren.
Kunt u aangeven met welke reden het BHG ooit is ingesteld? En sluit dat goed aan bij mogelijk maandenlange tekorten in het geval dat er een gasboycot komt?
Wanneer een deel van het aanbod op de gasmarkt structureel wegvalt zijn er structurele maatregelen nodig die ertoe leiden dat het wegvallende deel van het aanbod definitief wordt opgevangen. Hierbij moet worden gedacht aan het definitief overstappen op andere brand- en grondstoffen en structurele energiebesparing. Dit zijn naar hun aard andere maatregelen dan de niet-marktgebaseerde maatregelen die ter bestrijding van een noodsituatie zijn opgenomen in de maatregelenladder in het Bescherm- en Herstelplan Gas (hierna: BH-G). De maatregelen uit de maatregelenladder hebben het karakter van tijdelijke maatregelen (m.n. besparingstender, gedwongen afschakelen) waarmee op de korte termijn de effecten van een verstoring van de gaslevering kunnen worden beperkt of weggenomen. De in het BH-G opgenomen maatregelen zijn echter niet geschikt om een definitieve of structurele oplossing te bieden voor een structureel tekort aan gas. Wanneer een besparingstender of gedwongen afschakeling stopt zal immers de vraag naar gas weer toenemen, als niet tevens gewerkt is aan meer structurele maatregelen.
Welke acties neemt u bij een fysiek tekort aan gas? Kunt u aangeven wat de volgordelijkheid van stappen daarbij is?
Voor een eventuele crisis als gevolg van een verstoring van de gaslevering (fysiek tekort aan gas) is, ter uitvoering van de verordening gasleveringszekerheid, het BH-G opgesteld en in oktober 2019 aan de Tweede Kamer gestuurd2. Met behulp van het BH-G kunnen maatregelen worden getroffen waarmee een tekort aan gas kan worden opgevangen tot de verstoring van de gaslevering is beëindigd of er structurele maatregelen getroffen zijn. Voor wat betreft structurele maatregelen verwijs ik naar de brief van 22 april 20223. Het BH-G kent, in lijn met de verordening, drie (in ernst oplopende) niveaus van gascrisis en voorziet voor ieder niveau in maatregelen ter bestrijding daarvan. Een niveau van gascrisis wordt ingevolge het BH-G, naar aanleiding van signalen van de landelijk gastransportnetbeheerder GTS, afgekondigd door de Directeur-Generaal Klimaat & Energie van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, die op grond van de verordening gasleveringszekerheid is aangewezen als Crisismanager Gas en Elektriciteit (CGE).
In de eerste twee fases van gascrisis («vroegtijdige waarschuwing» en «alarmsituatie») wordt het bestrijden van de crisis overgelaten aan de markt, wel wordt door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat additioneel informatie ingezameld bij marktpartijen. GTS beschikt over bevoegdheden (o.a. op grond van de Gaswet) om in het geval van een alarmsituatie de in het BH-G beschreven maatregelen te treffen4. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat monitort in deze fase de ontwikkelingen, onderhoudt contacten met de Europese Commissie en andere betrokken lidstaten en bereidt zich voor op het treffen van maatregelen voor de fase van een noodsituatie. Als er sprake is van een noodsituatie kan er door de overheid worden ingegrepen met behulp van niet-marktgebaseerde maatregelen. De maatregelen voor een noodsituatie zijn in het BH-G opgenomen in een maatregelenladder, die ook de volgorde dicteert waarin de maatregelen moeten worden overwogen. Voor het treffen van een aantal van deze maatregelen door de Minister van Klimaat en Energie is geen wettelijke bevoegdheidsgrondslag vereist5. Een aantal maatregelen kan door de Minister voor Klimaat en Energie getroffen worden op grond van reguliere wet- en regelgeving6. Voor andere maatregelen kan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheden die het staatsnoodrecht biedt7. Om op grond van het staatsnoodrecht maatregelen te kunnen treffen moeten drie stappen gezet worden. Ten eerste moeten de bevoegdheden uit het staatsnoodrecht tijdelijk «geactiveerd worden» (in werking stellen of in werking laten treden) met behulp van een klein koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President. Vervolgens moeten ter toepassing van de betreffende maatregelen uit het BH-G om een noodsituatie te bestrijden concrete regelingen en besluiten worden uitgewerkt, die door de Minister van Economische Zaken en Klimaat met behulp van de geactiveerde staatsnoodrechtbevoegdheden moeten worden vastgesteld en toegepast. Tot slot moet door de Minister-President een wetsvoorstel worden ingediend strekkend tot het verlengen van de werking van de tijdelijk geactiveerde bevoegdheden uit het staatsnoodrecht.
Binnen hoeveel tijd zou u de 35%-maatregel op kolencentrales kunnen opschorten indien het noodzakelijk wordt om gas te besparen door gascentrales uit te zetten en die elektriciteitsproductie (deels) te vervangen door elektriciteitsproductie uit kolencentrales? Treft u de noodzakelijke voorbereidingen daarvoor en wat voor voorbereidingen zijn dat dan? Welke andere maatregelen kunt u nog nemen om te voorkomen dat het BHG moet worden ingesteld bij een gasboycot?
Ik zal binnenkort een Kamerbrief versturen over de impact van de productiebeperking op de gasmarkt, waarin ik onder andere uitgebreider stil zal staan bij de gevolgen wanneer kolencentrales hun elektriciteitsproductie tot 100% van hun capaciteit opschroeven. Verder geldt dat alle maatregelen op gebied van besparing, verduurzaming en het creëren van alternatieven voor Russisch gas helpen bij het voorkomen van een noodsituatie waarbij het inroepen van het BH-G noodzakelijk is.
Hoeveel miljard kubieke meter gas denkt u te kunnen besparen door middel van alle energiebesparingsmaatregelen die genomen kunnen worden tot het begin van de komende winter?
Dit hangt van veel factoren af en is niet exact te zeggen. Momenteel is de besparing in Q1 en Q2 ongeveer 25 tot 33 procent. Deze besparing is mede het gevolg van het warme weer en de hoge prijzen.
Indien u het vanwege het Bescherm- en Herstelplan Gas (delen van) de industrie moet afschakelen, hoe snel kan dit dan? Worden afnemers ingelicht over het feit dat zij naar alle waarschijnlijkheid als eerste worden afgeschakeld in het geval van een tekort? Zo nee, hoe zorgt u dan dat deze afnemers niet worden verrast en de noodzakelijke voorbereidingen kunnen treffen?
De snelheid waarmee kan worden afgeschakeld is van vele factoren afhankelijk en verschilt per aansluiting. Dit kan verschillen tussen vier uur en een week.
Er is afgelopen winter actief contact geweest met de partijen en vertegenwoordigingsorganisaties over het mogelijk afschalen van aansluitingen.
Als de toepassing van het Bescherm- en Herstelplan Gas er toe leidt dat er niet-beschermde afnemers moeten worden afgeschakeld, dan is dit een maatregel die, indien noodzakelijk, binnen enkele dagen getroffen kan worden. Afhankelijk van de omvang van de vraagreductie die moet worden gerealiseerd en de periode gedurende welke deze maatregel moet worden toegepast kan deze maatregel op verschillende manieren worden vormgeven. Indien toepassing moet worden gegeven aan deze maatregel zal hier actief en breed over worden gecommuniceerd, zodat de betreffende afnemers weten dat zij verplicht worden om hun gasverbruik terug te brengen of stoppen en niet worden verrast.
Is voor afnemers duidelijk hoe zij nadien worden geholpen in het geval dat zij afgeschakeld worden? Zo ja, hoe worden zij geholpen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Wat kunnen de secundaire effecten zijn van het afschakelen van afnemers en hoe houdt u daar rekening mee in het afschakelplan?
In de Kamerbrief van 14 maart jl. (Kamerstuk 29 023, nr. 283) zijn de secundaire effecten van het afschakelen toegelicht. In vervolg daarop wordt nu nader onderzoek gedaan de keteneffecten van mogelijke afschakeling.
Wie is er verantwoordelijk voor de uitvoering van het BHG? Is dat alleen de Minister voor Klimaat en Energie? Hoe zit dit voor het bredere crisismanagement bij een fysiek tekort aan gas? Wie is dan de verantwoordelijke Minister?
Verantwoordelijke voor de uitvoering van het BH-G is ingevolge artikel 52ab, eerste lid, van de Gaswet en de afspraken omtrent de portefeuilleverdeling tussen bewindspersonen belegd bij de Minister voor Klimaat en Energie. Dit is ook beschreven in het Nationaal Crisisplan Gas (Bijlage bij Kamerstuk 29 023, nr. 283).
In het Nationaal Crisisplan Gas zijn ook afspraken vastgelegd over het breder crisismanagement in het kader van een gascrisis. Onder meer is vastgelegd dat de Minister van Justitie en Veiligheid de coördinerend Minister is op het gebied van de nationale crisisbeheersing.
Ten slotte geldt dat bij een fysiek gastekort waarbij gasleveringszekerheid in geding komt de nationale crisisstructuur opgeschaald wordt. De Minister van Justitie en Veiligheid is in dat geval de voorzitter van de ministeriële commissie voor crisisbeheersing (waarbij geldt dat dit voorzitterschap ook kan worden overgenomen door de Minister President).
Deelt u de mening dat in het geval dat er Nederlandse afnemers afgeschakeld dienen te worden om zo beschermde afnemers in andere landen te helpen, u maximale politieke druk dient uit te oefenen op andere landen dat zij ook al het maximale doen wat zij kunnen? Bijvoorbeeld dat Duitsland en België koste wat kost ervoor zorgen dat hun kerncentrales aan blijven staan?
Op grond van het [PM]solidariteitsmechanisme uit de verordening gasleveringszekerheid is Nederland verplicht om gehoor te geven aan een verzoek om solidariteit van rechtsreeks met Nederland verbonden lidstaten als zij gas nodig hebben om in de vraag van hun door solidariteit beschermde afnemers te voldoen. Lidstaten mogen op grond van de verordening gasleveringszekerheid slechts een beroep doen op dit mechanisme als zij alle maatregelen uit hun noodplan (in Nederland het BH-G) hebben toegepast. De Europese Commissie onderzoekt of de toepassing van maatregelen die lidstaten treffen ter bestrijding van een noodsituatie, waaronder een beroep op het solidariteitsmechanisme gerechtvaardigd zijn. Indien dit niet (langer) het geval is dient de betreffende lidstaten zijn maatregelen te wijzigen of beëindigen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden ruim voorafgaand het debat over de gasmarkt en leveringszekerheid begin juni?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het toezicht op werken op hoogte |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u de capaciteitsinzet (fte) voor het domein Gezond en Veilig, zoals weergegeven in het jaarverslag van de Nederlandse Arbeidsinspectie1, in de jaren 2018–2021 uitsplitsen naar sectoren en/of werkvelden, in het bijzonder voor de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen?
Ten aanzien van capaciteit is een tweetal ontwikkelingen van belang: de forse uitbreiding van de hele Nederlandse Arbeidsinspectie sinds 2018 en de doelstelling om ten aanzien van de arbeidsomstandigheden 50% van de capaciteit in te zetten op meldingen & verzoeken en 50% op actieve (preventieve) programma’s.
Het meerjarenplan 2019–20222 bevat een visueel inzichtelijke verdeling van de capaciteit over de programma’s, waaronder die voor Asbest en Bouw en Infrastructuur, waarin ook de groei tot uitdrukking komt. Het meerjarenplan bevat ook een visueel inzichtelijke verdeling van de capaciteit over de verschillende disciplines die nodig zijn voor het toezicht en de opsporing.3
Voor het gemak zijn de figuren4 met de capaciteitsgroei en -verdeling in de bijlage herhaald.
De Arbeidsinspectie heeft, zoals grafiek 1 in de bijlage laat zien, een programma Asbest en ook een programma voor Bouw en Infrastructuur. Voor de installatie van zonnepanelen is geen afzonderlijk programma of project. Dit onderwerp komt aan bod als er meldingen over gevaar of ongevallen zijn of als tijdens inspectiebezoeken door de inspecteur een gevaarzetting wordt geconstateerd.
Kunt u voor de meldingen van bedrijfsongevallen in 2017–20212 aangeven hoeveel van deze meldingen betrekking hadden op werken op hoogte en kunt u voor de laatste aangeven hoeveel van deze meldingen onderscheidenlijk de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen betrof?
In de periode van 2017 t/m 2021 hebben ongeveer 1.000 meldingen geleid tot een onderzoek betrekking hebbend op bedrijfsongevallen met werken op hoogte. Dit betreft 9% van het totaal aantal bedrijfsongevallen in de genoemde periode.
Daarnaast verwijs ik naar de monitor arbeidsongevallen 2015–2019 en de monitor arbeidsongevallen 2020 van de Arbeidsinspectie.6 Daaruit volgt een stabiel beeld dat het vallen van hoogte een van de belangrijkste oorzaken is van gemelde ongevallen. Dit vindt met name plaats in de bouw. Daarbij moet worden opgemerkt dat het bij deze monitoren uitsluitend gaat om ongevallen waarvoor een aanvullende vragenlijst is ingevuld in het kader van monitoring.
Dit aantal is iets lager dan het daadwerkelijk aantal bij de Arbeidsinspectie gemelde ongevallen, maar geeft voldoende inzicht in de cijfers en ontwikkelingen in het aantal gemelde en onderzochte ongevallen.
Bij welk deel van de in 2021 geconstateerde overtredingen bij asbestsaneringswerkzaamheden betrof het de regels voor het werken op hoogte (Arbeidsomstandighedenbesluit: artikel 3.16 en paragraaf 2/2a/2b van afdeling 4, hoofdstuk 7)?
Bij ongeveer 20% van de in 2021 geconstateerde overtredingen bij asbestsaneringswerkzaamheden betrof het de regels voor het werken op hoogte.
Kunt u voor de jaren 2017–2021 inzicht geven in het aantal boetebeschikkingen voor onveilig werken op hoogte in de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen?
Voor die periode betreft het aantal boetebeschikkingen voor onveilig werken op hoogte ongeveer 1.000. Daarvan had 9% betrekking op het werkveld asbestsanering. Voor het overige zagen de boetebeschikkingen rond dit gevaar met name op het werkveld bouw.
Kunt u aangeven hoeveel projecten en bedrijven geïnspecteerd zijn ten opzichte van het totaal aan projecten en bedrijven in de afgelopen vijf jaar in de werkvelden asbestsanering, bouw respectievelijk de installatie van zonnepanelen?
In de afgelopen vijf jaar zijn in totaal ongeveer 50.000 bedrijven geïnspecteerd. Daarvan had 13% betrekking op de werkvelden asbestsanering en bouw.
Kunt u aangeven wat de extra inzet op het controleren van veilig werken op hoogte bij de installatie van zonnepanelen concreet heeft betekend voor het aantal controles/de handhavingscapaciteit in dit werkveld ten opzichte van de jaren ervoor?3
Overeenkomstig het adagium «van streepjes naar effect», ligt de focus van de Arbeidsinspectie niet op capaciteit of het aantal controles, maar op het te bereiken effect: gezond en veilig werk. Het inzichtelijk maken van effect is uiteraard ingewikkelder dan te rapporteren over het aantal controles. Een concreet voorbeeld kan dit inzichtelijk maken.
Een energiebedrijf verzorgt voor een bedrijf met veel dakoppervlakte de installatie van zonnepanelen. Daarbij worden ook onderaannemers in de arm genomen. Tijdens een inspectie constateren twee inspecteurs een onveilige werkwijze bij de werkzaamheden op hoogte. Uit een gesprek met het energiebedrijf, dat de inspecteurs samen met een specialist van het Inspectiebrede Kenniscentrum voeren, blijkt dat niet goed is nagedacht over het veilig plaatsen van de zonnepanelen. De gekozen werkwijze blijkt niet acceptabel voor de Arbeidsinspectie; de arbeidshygiënische strategie wordt niet goed gevolgd. Zo is er bijvoorbeeld sprake van onvoldoende randbeveiliging en afscherming in de nabijheid van lichtkoepels en lichtstraten. Deze situatie wordt aangetroffen op een locatie in Noord Nederland. In dezelfde periode legt een inspecteur in Zuid Nederland installatiewerkzaamheden van zonnepanelen stil vanwege valgevaar, welke in opdracht van dezelfde opdrachtgever blijkt plaats te vinden. Daarnaast komt in het oosten van het land een melding binnen over een gevaarlijke situatie bij installatiewerkzaamheden. Wanneer de inspecteur ter plaatse langs gaat, worden ook daar de installatiewerkzaamheden stilgelegd.
Het bij elkaar brengen van informatie en de stapeling van gevaarlijke situaties leidt tot een gesprek met de opdrachtgever en ondernemers.
Dit heeft als resultaat opgeleverd dat bij de werkzaamheden extra en overall toezicht komt door de opdrachtgever. Ook het bedrijf op wiens panden zonnepanelen worden aangelegd, gaat toezicht op de werkzaamheden uitvoeren. Naar aanleiding van het stilgelegde werk is er een procedure opgesteld waarbij personen die op het dak willen komen extra worden geïnstrueerd. De panden staan volledig in de dakrandbeveiliging, zowel aan de binnenzijde als ook aan de buitenzijde (zoals het hoort). Voor het werken in de nabijheid van de daklichtkoepels, wordt gebruikt gemaakt van een harnasgordel met gebiedsbeperking, aangezien het systeem van de legrichting van de zonnepanelen daar niet meer veranderd kan worden. Nadat de inspecteurs ter plaatse zijn geweest, worden de stilleggingen opgeheven. Naast een verbetering van de werkomstandigheden op drie locaties waar de Arbeidsinspectie aanwezig was, levert de aangepaste werkwijze van de opdrachtgever verbetering op voor in ieder geval tientallen daken van het bedrijf op wiens panden zonnepanelen worden aangelegd.
Zowel in het programma Bouw en Infrastructuur als in het programma Asbest is de afgelopen jaren brede ervaring opgedaan met een ketenbenadering, waarvan bovenstaande situatie een voorbeeld is. In de programmarapportages zal op de resultaten worden ingegaan bij afronding van de programma’s in 2022 respectievelijk 2023. Vooruitlopend daarop kan de Arbeidsinspectie een technische briefing over beide programma’s verzorgen indien uw Kamer dat wenst.
Kunt u voor dit jaar voor de onderscheiden werkvelden/sectoren meer inzicht geven in hoeveel fte actief is met toezicht in deze werkvelden/sectoren, in het bijzonder voor de werkvelden asbestsanering, bouw en de installatie van zonnepanelen?
Eind 2022 zal de capaciteit van de Arbeidsinspectie circa 1570 fte zijn. De verdeling over de verschillende disciplines is dan grosso modo, zoals in grafiek 2 in de bijlage weergegeven.
Uitgaande van de toedeling van alle disciplines aan de programma’s, geldt dat van de totale capaciteit voor het domein gezond & veilig werk circa 50% voor inspectiewerk naar aanleiding van meldingen en verzoeken («reactief/responsief») is en circa 50% voor risicogestuurd («actief») inspectiewerk. Van de actieve capaciteit gaat circa 6% naar het programma Bouw en circa 9% naar het programma Asbest.
De verdeling van capaciteit over de programma’s vloeit voort uit de inspectiebrede risicoanalyse (IRA 4.0) en de omgevingsanalyse (OMA). Daarin wordt gewogen hoe de risico’s waar programma’s zich op richten, zich qua zwaarte tot elkaar verhouden.8
In het najaar wordt het nieuwe meerjarenplan opgesteld en naar de Tweede Kamer gezonden.
