Terugtreden aannemer bij sloop-nieuwbouw in het kader van de versterkingsoperatie in Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de eigenaar van een onveilige woning in het centrum van Loppersum na jaren wachten op de sloop-nieuwbouw van zijn woning nu te horen heeft gekregen dat de aannemer zich terugtrekt?
Ja.
Bent u bekend met het feit dat de aannemer dit doet omdat de overheidsinstelling Nationaal Coördinator Groningen (NCG) na al die jaren nog geen duidelijkheid geeft over budget en planning en slecht communiceert? Herkent u dat het voor aannemers die elders ook goede opdrachten kunnen krijgen zonder zekerheid erg moeilijk is om voor de NCG te werken?
Nee. De aannemer heeft aan de NCG aangegeven dat hij om andere redenen deze opdracht teruggeeft. Het uitgangspunt is dat aannemers, de NCG en bewoners goede afspraken met elkaar maken voordat de opdrachtverlening aan de aannemer plaatsvindt.
Herkent u dat de woningeigenaar al in 2018 heeft aangegeven dat zijn gezin onderdoor is gegaan aan het wonen in een kapot en onveilig huis en het moeten strijden om herstel?
Ja. Ik herken dat een moeizaam verlopend versterkingstraject negatieve invloed kan hebben op de mentale gesteldheid van bewoners. Daar wil ik iets aan doen. In mijn brief van 23 november jl. (kenmerk 2022D49408) heb ik uw Kamer geïnformeerd over mijn aanpak van het welzijn van bewoners in het aardbevingsgebied.
Herkent u dat de strijd, de boosheid en stress een negatieve invloed hebben gehad op het functioneren van de woningeigenaar als vader, als partner, als professional, op zijn humeur, zijn mentale gezondheid en de wijze waarop hij in het algemeen in het leven staat?
Zie antwoord vraag 3.
Is het u bekend dat juist om deze reden terecht is gekomen bij de Commissie Bijzondere Situaties?
De gemeente heeft, op het moment dat dit mogelijk was, dit adres bij NCG voorgedragen om met prioriteit op te pakken. Het adres is toegewezen aan het programma Versterking Bijzondere Situaties (VBS) van de NCG.
Herkent u dat de Commissie Bijzondere Situaties er is voor mensen die dringend hulp nodig hebben? Herkent u dat het doel is om samen een oplossing te vinden waarmee mensen weer verder kunnen?
Zie antwoord vraag 5.
Zo ja, hoe kan het dat er na tweeënhalf jaar onderdeel te zijn van deze regeling geen oplossing is, hij niet verder kan en er nu nieuwe vertraging optreedt door het terugtreden van de aannemer?
Met de aanmelding bij het programma Bijzondere Situaties is de versterking met prioriteit opgepakt door de NCG. Er ligt inmiddels een versterkingsadvies voor dit adres en het uitvoeringsontwerp ligt bij de gemeente voor de vergunningaanvraag. Het terugtrekken van de aannemer kan tot vertraging leiden. Er wordt echter zo snel als mogelijk een voorstel gedaan voor een vervangende aannemer.
Wat gaat u doen om te zorgen dat er wel een dringend nodige oplossing komt?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u zich voorstellen hoe groot de mentale klap is nu een commissie die moet zorgen dat mensen verder kunnen na mentale klappen van de overheid ook weer faalt in haar aanpak?
Ja. Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Herkent u dat deze woningeigenaar en andere gedupeerden vast komen te zitten en geen regie meer hebben door deze gang van zaken?
Het teruggeven van een opdracht door een aannemer in een dusdanig laat stadium is een uitzonderlijke situatie. Dit neemt niet weg dat ik ook zie en hoor over vele moeizaam verlopende versterkingstrajecten die en zware wissel trekken op het welzijn van bewoners.
Herkent u dat de situatie van deze woningeigenaar symbool staat voor problemen van veel meer gedupeerden in het mijnbouwgebied?
Het teruggeven van een opdracht door een aannemer in een dusdanig laat stadium is een uitzonderlijke situatie. Dit neemt niet weg dat ook ik zie en hoor over vele moeizaam verlopende versterkingstrajecten die een zware wissel trekken op het welzijn van bewoners.
Herkent u dat het wanhopig maakt dat zelfs in het centrum van Loppersum mensen ruim 10 jaar na de aardbeving bij Huizinge nog zo ver van een veilig huis zijn?
Ja. Ik herken dit onder meer uit mijn werkdagen in Groningen. Het blijft mijn hoogste prioriteit om bewoners zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden.
Is het u bekend dat dit niet de eerste keer is dat aannemers in Groningen besluiten opdrachten terug te geven omdat het werken in opdracht van de overheidsinstelling NCG voor veel problemen zorgt?
Ja. Het is mij bekend dat een beperkt aantal aannemers zich heeft teruggetrokken uit projecten. De NCG is met deze aannemers in gesprek om te achterhalen wat de redenen zijn voor de besluiten om opdrachten terug te geven. Het teruggeven van een opdracht door een aannemer in een dusdanig laat stadium, zoals het geval is in Loppersum, is gelukkig een uitzondering.
Herkent u dat de Kamer vorig jaar aan de bel trok toen bekend werd dat aannemers de versterkingsopdracht van 90 woningen terug gaven?1
Ja.
Hoe gaat het met deze groep bewoners die vorig jaar langer moesten wachten doordat aannemers de opdrachten teruggaven? Hoe ver zijn zij inmiddels in hun traject? Hoe waarderen deze bewoners het traject?
Na het opnemen en beoordelen bleek dat de betreffende 90 woningen in aanmerking kwamen voor sloop-nieuwbouw. In het programma Bouwimpuls heeft de NCG met de aannemers de afspraak gemaakt dat zij enkel de bouwkundige versterking realiseren van bestaande woningen. De adressen zijn daarom vanuit het programma Bouwimpuls verplaatst naar het reguliere versterkingstraject bij de NCG. De NCG en de gemeente pakken de uitvoering van deze adressen versneld op en in de communicatie met bewoners is hiervoor expliciet aandacht.
Hoe vaak hebben aannemers in de versterkingsoperatie opdrachten teruggegeven?
Zie mijn antwoord op vraag 13. Het exacte aantal wordt niet centraal geadministreerd.
Herkent u dat er veel signalen zijn waarbij aannemers een begroting maken die niet wordt goedgekeurd door de NCG?
Ik herken de signalen dat begrotingen worden afgekeurd. De NCG beoordeelt begrotingen op marktconformiteit. Bij excessieve afwijkingen wordt overlegd met de betreffende aannemer over de afwijkingen. Op basis hiervan vindt al dan niet een bijstelling plaats. Dit is maatwerk per aannemer.
Herkent u dat er signalen zijn dat de NCG ook tijdens versterking en sloop-nieuwbouw facturen van aannemers niet of vertraagd betaald?
Ja. De NCG betaalt in meer dan 95% de van de gevallen de facturen van aannemers binnen de termijn van 30 dagen. De NCG streeft ernaar dat alle aannemers op tijd worden betaald.
Herkent u dat het bewoners tot wanhoop drijft wanneer er vertraging optreedt in vaak al langslepende trajecten?
Ja. Zie mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Herkent u voorts dat er ook in trajecten die zijn gestart om de versterkingsoperatie te versnellen alsmede in trajecten die zijn gestart om bewoners meer te ontzien en te steunen vertraging ontstaat vanwege gedoe om geld?
Ja. Om dergelijke complexe situaties te voorkomen heeft de NCG een knelpuntenpot om knelpunten op te lossen en lopende projecten verder te brengen.
Heeft u gesprekken gehad met aannemers over het werken voor de NCG? Zo nee, bent u bereid om met aannemers in gesprek te gaan om te horen welke problemen zij ervaren en welke kansen zij zien voor verbetering?
Ik ben bereid om hierover met aannemers in gesprek te gaan. In een van mijn werkdagen in Groningen begin 2023 zal ik hier invulling aan geven. De NCG voert daarnaast geregeld gesprekken met aannemers. Dit vindt op projectniveau plaats, en tijdens evenementen zoals de door de NCG georganiseerde bouwtafels.
Hoe gaat u zorgen dat vertraging door toedoen van de NCG wordt geminimaliseerd? Welke stappen heeft u daar reeds voor gezet? Welke stappen gaat u zetten?
De NCG heeft stappen gezet om vertraging in het versterkingsproces te minimaliseren. Zo werkt de NCG met het Meerjarenversterkingsplan (MJVP). Het MJVP creëert samenhang in de versterkingsoperatie, maakt de benodigde capaciteit voor de komende jaren inzichtelijk en biedt continuïteit richting aannemers. Dit heeft de NCG de afgelopen tijd gedaan door bijvoorbeeld te werken met een inkoopkalender en via het plan Vergroten Uitvoeringscapaciteit. Ik kijk momenteel met de NCG kritisch naar de processen om vertragende factoren te identificeren en op te lossen.
Kunt u deze vragen voor het wetgevingsoverleg Groningen beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Achterlijke situaties bij glastuinders, eerste bedrijven stoppen' |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Nieuwe Oogst «Achterlijke situaties bij glastuinders, eerste bedrijven stoppen»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit bericht?
Het is bekend dat de gestegen energiekosten een grote impact hebben op de glastuinbouw. Dit heeft ook een effect op de keuzes die ondernemers maken, zoals extensivering, bedrijfsbeëindiging of elektriciteitslevering. Dit wordt ook beschreven in de tweede verkenning van WEcR van de mogelijke inkomenseffecten van de oorlog in Oekraïne voor bedrijven in de land- en tuinbouw die u op 9 november heeft ontvangen.2 Exacte cijfers zijn niet bekend, mede doordat er grote verschillen binnen de sector bestaan.
Meerdere ondernemers gaan stoppen met hun bedrijf of zijn genoodzaakt de productie aanzienlijk terug te schroeven, wat gaat dit volgens u betekenen voor het aanbod van groenten, zoals tomaten, paprika’s en komkommers?
Indien productie wordt verlaagd of beëindigd zal het aanbod van producten uit de glasgroententeelt afnemen. Mogelijk wordt het weggevallen aanbod vervangen door groenten uit het buitenland. In de eerder aangehaalde verkenning wordt uitgegaan van volumedalingen in 2022 van circa 10% voor komkommers en circa 15% voor tomaten. Voor paprika’s vermoed men dat de volumes ongewijzigd zijn ten opzichte van het vorige jaar. Hierbij wordt wel een voorbehoud gemaakt, namelijk dat de landelijke arealen van de diverse teelten ook van invloed zijn om bovengenoemde volumeontwikkelingen. Daarbij is de situatie divers en zijn er ook veel telers die het winterseizoen overslaan. Dat betekent dat het aanbod van Nederlandse groenten in de winter daalt, terwijl richting zomer veel aanbod gelijktijdig op de markt komt.
Wat zijn de gevolgen van het terugschroeven van de productiecapaciteit voor de prijzen van groenten?
In algemene zin zullen prijzen stijgen wanneer het aanbod daalt. De prijzen van groenten zijn echter ook sterk afhankelijk van opbrengsten in andere landen, gezien het om een internationale markt gaat en het de vraag is in hoeverre de daling in aanbod in Nederland door producten uit andere landen opgevuld zullen gaan worden. De verwachting is dat richting zomer het aanbod van Nederlandse groenten juist weer stijgt.
Het komende tekort aan groenten gaat waarschijnlijk gecompenseerd worden door import vanuit Marokko en Spanje. Dergelijke ontwikkelingen staan haaks op de duurzaamheidsambities. Wat is uw reflectie hierop?
Bij de beantwoording van deze vraag moeten twee voorbehouden worden gemaakt. Ten eerste is er niet genoeg data voorhanden om hier sluitende uitspraken over te doen. Ten tweede is het antwoord ook afhankelijk van of het duurzaamheidsperspectief smal (broeikasgasuitstoot) of breed (zoals effecten op biodiversiteit) is.
Voor tomaten uit Spanje en Marokko geldt dat deze veelal in de buitenlucht of onder plastic worden geteeld. In vergelijking met de Nederlandse glastuinbouw betekent dat dus een vermoedelijk minder energie-intensieve teeltwijze en dat er dus ook vermoedelijk minder koolstoflekkage optreedt. Dat moet opgewogen worden tegen het transport van de producten uit zuidelijke landen. Anderzijds scoort de Nederlandse glastuinbouw in algemene zin beter op watergebruik en wordt ook veel biologische plaagbestrijding ingezet.
Door de hoge gasprijzen en het ontbreken van financiële steun verplaatsen verschillende ondernemers hun research & developtment naar landen als India, wat zijn de gevolgen hiervan op onze concurrentiepositie?
Vanwege de uiteenlopende bedrijfssituaties en afhankelijkheden met de rest van de keten is het moeilijk om generieke uitspraken te doen over de specifieke gevolgen voor de concurrentiepositie. Enerzijds betekenen de hoge energieprijzen dat de glastuinbouw minder concurrerend wordt. Anderzijds zal, voor zover er concurrentie plaatsvindt met buitenlandse energie-intensieve glastuinbouw, dit effect ook gelden voor het buitenland.
In een ledenenquête van glastuinbouw Nederland geeft 8% van de ondernemers aan dit jaar faillissement aan te moeten vragen, wat zijn hiervan de gevolgen voor onze hoogwaardige tuinbouwcluster?2
Het is vanwege de uiteenlopende bedrijfssituaties en afhankelijkheden met de rest van de keten moeilijk om generieke uitspraken te doen over wat het effect is van faillissementen op de rest van het cluster. In algemene zin kan gesteld worden dat een disruptie zoals de energiecrisis negatief is voor het cluster, dit heeft immers ook effect op de keten van toeleveranciers en afnemers. Daarbij kunnen de hoge kosten leiden tot minder investeringsruimte. Door de diversiteit binnen de sector is het lastig in te schatten wanneer een dusdanig keteneffect optreedt dat het cluster als geheel wordt bedreigd.
Kunt u vertellen waarom de motie van de leden Grinwis en Erkens over een tijdelijke correctieregeling duurzame warmte in het leven roepen (Kamerstuk 29 023, nr. 322)?
Helaas lijkt er een deel van de vraag weggevallen. Ik ga er daarom vanuit dat de vraag ziet op de stand van zaken van de afhandeling van de motie. Ik verwacht uw Kamer op korte termijn over de uitvoering van de motie te kunnen informeren.
Vanwege de hoge energieprijzen en het uitblijven van afdoende financiële steun is er geen kapitaal om te investeren in verdere verduurzamingsmaatregelen, wat zijn de gevolgen hiervan op de energietransitie?
Het is vanwege de uiteenlopende situaties op bedrijfsniveau lastig te zeggen wat het effect is van de energiecrisis op de energietransitie. Wel worden via verschillende instrumenten middelen vrijgemaakt voor de energietransitie in de glastuinbouw, zo is het budget voor subsidie op energiebesparende maatregelen opgehoogd naar € 60 mln. om zoveel mogelijk aanvragen te kunnen honoreren. Tegelijk wordt met Glastuinbouw Nederland en Greenports Nederland gesproken over mogelijkheden om de energietransitie te versnellen. Voorts kan ik u melden dat eraan gewerkt wordt dat de Borgstelling MKB-Landbouwkredieten zo gauw als de staatssteun-goedkeuring verkregen wordt, tijdelijk een optie gaat bieden voor glastuinbouwbedrijven die vanwege de hoge energieprijzen over aanvullend werkkapitaal moeten kunnen beschikken om in bedrijf te kunnen blijven. De Kamer is daarover in een aparte brief van mijn collega’s van EZK en LNV (2022Z25539) uitgebreider geïnformeerd.
Kunt u elke vraag afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn van drie weken beantwoorden?
Het is vanwege de benodigde afstemming helaas niet gelukt om aan dit verzoek te voldoen.
Het bericht 'Zonder ingrijpen valt nieuwbouw terug naar 45.000 woningen per jaar' |
|
Peter de Groot (VVD), Fahid Minhas (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zonder ingrijpen valt nieuwbouw terug naar 45.000 woningen per jaar»?1
Ja.
Kunt u toelichten of u het eens bent met de conclusie in het artikel dat de jaarlijkse woningbouw kans maakt om terug te vallen tot 45.000 woningen als we door blijven gaan met de huidige aanpak?
Bij de realisatie van nieuwbouwwoningen spelen allerlei factoren een rol die belemmerend kunnen zijn. Deze belemmeringen worden geadresseerd in het programma Woningbouw met de daarin beschreven vier actielijnen. Juist nu de omstandigheden moeilijker zijn geworden, is het van groot belang dat de huidige aanpak met nog meer inzet uitgevoerd wordt. Alle betrokken partijen, overheden, marktpartijen zoals ontwikkelaars, bouwers en beleggers en ook de corporaties zijn daarbij onmisbaar en ik ben daarom met deze partijen continue in overleg over het wegnemen van belemmeringen. Ik hou nadrukkelijk vinger aan de pols nu de economische omstandigheden veranderd zijn.
Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen het beeld dat de start van bouwprojecten die reeds onherroepelijk zijn vergund wordt uitgesteld?
De woningbouw kan worden vertraagd door de processen en procedures bij onder meer vergunningenverlening. Met actielijn twee 2 van Programma Woningbouw en de Wet versterking regie op de Volkshuisvesting zet ik in op het generiek versnellen de woningbouw. Om de bouwproductie te verhogen is het cruciaal dat wordt gewerkt aan het sneller, slimmer en efficiënter inrichten van de processen en procedures bij woningbouwontwikkeling. van processen en procedures en op versterking van juridische instrumenten voor gemeenten, provincies en Rijk.
Daarom kom ik begin volgend jaar met een plan van aanpak om de woningbouw te versnellen.
Hoe kijkt u aan tegen het alleen verstrekken van subsidie en/of het investeren in woningbouwprojecten die ook daadwerkelijk van start gaan, anders dan de bestaande Woningbouwimpuls die meer op toekomstige plannen is gericht?
Met verschillende financiële middelen draagt het Rijk bij aan de bouw van woningbouwprojecten, zoals de Woningbouwimpuls. Een van de voorwaarden voor de Woningbouwimpuls is dat de woningen uiteindelijk ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. We bekijken of de huidige financiële regelingen afdoende zijn en of er aanleiding voor aanpassing of een andere financiële regeling. In het Wetgevingsoverleg Ruimte en Wonen van 14 november jl. heb ik toegezegd om het vervolg van de inzet van de middelen voor de Woningbouwimpuls zoveel mogelijk te laten toekomen aan het doel om juist de komende jaren door te bouwen en dat ik in het voorjaar op terugkom op welke wijze ik dat voor me zie.
Hoe gaat u de te verwachte uitval, van soms wel 40% zo blijkt uit onderzoek, bij binnenstedelijk bouwen ondervangen?
Zoals ook is aangegeven in de Kamerbrief van 8 november over de antwoorden op de Kamervragen van het lid de Groot (VVD) over het bericht «Straatje erbij in elk dorp oplossing woningcrisis» is het onderdeel van mijn bestuurlijke afspraken om voldoende zekerheid te krijgen voor wat betreft bouwlocaties, provincies en gemeenten zorgen voor een overmaat aan bouwlocaties in de plannen. Die afgesproken overmaat is 130% in de provincies met het hoogste woningtekort. Die overmaat moet ook op peil blijven, zodat er voldoende plannen beschikbaar blijven als plannen vertragen of vervallen. Ik wil dat in de woondeals ook marktpartijen en corporaties daar een bijdrage aan kunnen leveren door te signaleren wanneer plannen vertragen, of door reservelocaties aan te dragen, ingeval er locaties vertragen of afvallen.
Ook veranderende marktomstandigheden spelen een rol. We hebben op dit moment te maken met veel onzekerheid in de markt, bijvoorbeeld als het gaat om kosten van materialen. Daarom heb ik eerder dit jaar samen met de bouwsector de intentieverklaring «samen doorbouwen in onzekere tijden» opgesteld. Partijen spreken daarbij de intentie uit om samen door te bouwen en maken onderling afspraken over hoe ze omgaan met de risico’s. We liggen voor dit jaar op koers om de doelstelling van 80.000 woningen te realiseren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 hou ik nadrukkelijk samen met de andere partijen vinger aan de pols ten aanzien van de veranderende economische omstandigheden en zetten we samen de schouders eronder om de belemmeringen van onder andere economische tegenwind op te vangen.
Bij hoeveel van de ruim 900.000 aangeboden woningen door de provincies is gebruik gemaakt van binnenstedelijke focus, of de ladder van binnenstedelijke verduurzaming?
Zoals ook is aangegeven in de Kamerbrief van 8 november over de antwoorden op de Kamervragen van het lid de Groot (VVD) over het bericht «Straatje erbij in elk dorp oplossing woningcrisis» beschik ik nu niet over een dergelijk overzicht. ABF raamt dat 35 à 40% van de huidige woningbouwplannen buiten bestaand bebouwd gebied ligt. Ik zet er bij de woondeals op in dat meer focus komt te liggen op kansrijke locaties, zowel binnenstedelijk als buitenstedelijk.
Bent u het eens met een van de oorzaken die in het artikel wordt genoemd, dat het besluit van tien jaar geleden om te stoppen met het ontwikkelen van grote woningbouwlocaties, een verkeerde inschatting is geweest? Zo nee, waarom niet?
Momenteel zijn veel mensen op zoek naar een woning. Daarbij kunnen veel mensen geen woning vinden die past bij hun inkomen. De decentralisatie van het woningbouwbeleid heeft ertoe geleid dat er onvoldoende sprake is geweest van richtinggevende bouwdoelstellingen. Met de Nationale Woon- en bouwagenda, en in het bijzonder het Programma Woningbouw, herneemt de overheid de regie om zo snel het woningtekort in te lopen. Grootschalige woningbouwlocaties zijn daarbij van groot belang omdat alleen kleine en middelgrote locatie niet voldoende zijn om bij te dragen aan de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030.
Bent u bereid om te kijken naar de in het verleden succesvolle aanpak Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) en de lessen van deze aanpak te betrekken in het nemen van meer landelijke regie bij het sturen op grootschalige woningbouwlocaties? Zo ja, hoe gaat u dit concreet vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bereid om te kijken naar de lessen uit de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra Vinex. Ik zie parallellen tussen de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra en de opgaven waarvoor we nu gesteld staan. De VINEX-periode leert ons bijvoorbeeld dat een hechte, langjarige samenwerking tussen gemeente en marktpartijen belangrijk is voor de gezamenlijke planvorming, procesaanpak en financiële inkadering van grootschalige gebiedsontwikkelingen. Ook is de koppeling tussen woningbouw en infrastructuur investeringen essentieel.
De lessen uit de VINEX pas ik nu toe op de aanpak in de 17 grootschalige NOVEX- woningbouwlocaties. Vooruitlopend op de brede gebiedsontwikkeling in de 17 grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties hebben we daarom in het najaar besluiten genomen over de € 7,5 miljard voor infrastructuurinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van de nieuwe woningen.
Kunt u toelichten in hoeverre het instrument nota ruimtelijke ordening kan helpen bij het ordenen waar de meest kansrijke bouw is in relatie tot het vervallen van de bouwvrijstelling?
Het instrument nota ruimtelijke ordening betrof voorheen een beleidsinstrument waarin voor de Ruimtelijke Ordening beleidsdoelen werden gesteld voor de ruimtelijke ordening in Nederland. Zo gaf de Vierde Nota over de ruimtelijke ordening extra (Vinex; Ministerie van VROM 1991) een ambitieus woningbouwprogramma waarbij een groot aantal woningbouwlocaties nabij steden door de nationale overheid op de kaart was aangeduid. Inmiddels is de Nationale Omgevingsvisie (vastgesteld op 11 september 2020) de Rijksvisie waarin het nationale beleid voor ruimtelijke ordening, en daarmee ook woningbouw, is opgenomen.
Zoals in het Coalitieakkoord is afgesproken ben ik een traject gestart om de Nationale Omgevingsvisie te actualiseren en aan te scherpen. Dit kan gezien worden als de volgende nota ruimte en kijkt dus meer naar de lange termijn. Op 12 december heb ik uw Kamer geïnformeerd over het ruimtelijk startpakket dat ik aan de provincies heb gestuurd. In het startpakket legt het Rijk de provincies de nationale opgaven voor uit nationale programma’s op het gebied van onze fysieke leefomgeving. De twaalf provincies wordt gevraagd om samen met gemeenten en waterschappen de opgaven voor de periode tot 2030 en met een doorkijk naar 2050 ruimtelijk te vertalen, in te passen en te combineren met de provinciale opgaven. Ik vraag de provincies in oktober 2023 met de ruimtelijke voorstellen te komen die zicht geven op wat ruimtelijk mogelijk en realiseerbaar is. Het voorstel is de opmaat naar twaalf ruimtelijke arrangementen waarin Rijk en provincie wederkerige afspraken maken over de uitvoering van de opgaven.
De afspraken vormen de basis voor een nieuwe nota ruimte in 2024, in de vorm van de Nationale Omgevingsvisie. In deze aangescherpte Nationale Omgevingsvisie en in de onderliggende beleidsstukken zal ik ook een doorkijk geven naar de toekomstige woningbouwlocaties. Hierbij neem ik ook mee in hoeverre deze locaties kansrijk zijn in verband met andere belangen als natuur.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘GGD trekt stekker uit digitaal jeugddossier ondanks investering van miljoenen’ |
|
Simone Richardson (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «GGD trekt stekker uit digitaal jeugddossier ondanks investering van miljoenen»?1
Ja.
Bent u op de hoogte op basis van welke kwaliteits- en functionaliteitseisen het project is stopgezet? Zo nee, bent u bereid om hierover in gesprek te gaan met de betrokken partijen? Zo ja, wat zijn deze kwaliteitseisen?
Het besluit om te stoppen met het GGiD is een besluit dat genomen is door de drie GGD (algemeen) besturen zelf. De afhandeling hiervan is eveneens een aangelegenheid van de besturen van de GGD’en. VWS is stelselverantwoordelijk voor de Wet publieke gezondheid (Wpg) waar de jeugdgezondheidszorg (JGZ) onder valt. Gemeenten dienen op grond van de Wpg ervoor zorg te dragen dat de JGZ wordt uitgevoerd, waarbij zij zelf kunnen kiezen wie dat gaat doen – bijvoorbeeld een GGD. Het stopzetten van de ontwikkeling van dit digitale jeugddossier heeft geen impact op de taakuitvoering van de JGZ in deze regio’s.
Bent u op de hoogte vanaf welk moment er werd getwijfeld aan de haalbaarheid van het project en hoe lang het heeft geduurd voordat er een knoop hieromtrent is doorgehakt? Zo nee, waarom niet? Waar worden de gemaakte kosten voor dit project belegd?
Omdat het sluiten van een overeenkomst met een softwareleverancier een aangelegenheid is van de GGD’en en hun bestuur ben ik hier niet van op de hoogte gebracht. De drie GGD’en hebben continu intensief overleg gehad met de leverancier om te komen tot een werkend GGiD. Gedurende het ontwikkeltraject zijn onder meer externe toetsingen gedaan op o.a. kwaliteit, functionaliteit, privacy en rechtmatigheid Daar waar nodig heeft bijsturing plaats gevonden. Met de leverancier is echter een blijvend verschil van inzicht ontstaan over de kwaliteit en functionaliteit van het GGiD. Daarmee is een impasse ontstaan. Er gaat door de betrokken GGD’en gestart worden met een onderzoek en evaluatie omtrent dit project in alle betrokken regio’s.
Voor wat betreft de kosten: volgens de Wpg (en de bijbehorende Regeling eisen software) zijn gemeenten er verantwoordelijk voor dat er in de JGZ gebruik wordt gemaakt van een digitaal dossier voor de jeugdgezondheidszorg. De financiering voor het laten uitvoeren van JGZ en het RVP door gemeenten, inclusief de digitale gegevensuitwisseling, gebeurt via het Gemeentefonds. Kortom: de financiële consequenties zijn in eerste instantie voor de GGD’en, en daarmee voor de desbetreffende gemeenten.
Is de leverancier die betrokken was bij de uitvoering van dit project betrokken bij andere digitaliseringsprojecten van de overheid? Zo ja, hebben u signalen bereikt dat er ook in andere casussen projecten met deze leverancier afgebroken dreigen te worden?
De leverancier die betrokken was bij de uitvoering van dit project heeft op dit moment geen directe digitaliseringsprojecten bij VWS. Daarnaast is het sluiten van een overeenkomst met een softwareleverancier een aangelegenheid van de GGD’en en hun bestuur.
Op welke manier neemt u de resultaten uit de evaluatie die nog uitgevoerd moet worden mee om ervoor te zorgen dat het in andere situaties niet misloopt? Worden deze resultaten bijvoorbeeld breed gedeeld onder alle gemeenten?
In elke betrokken GGD regio wordt een evaluatie uitgevoerd. De algemeen besturen van de GGD’en zijn opdrachtgever, of anderzijds zeer nauw betrokken, en bepalen hoe de evaluatie vormgegeven, besproken en verspreid gaat worden.
Daarnaast bespreken wij in de periodieke overleggen die wij voeren met GGD GHOR NL en andere veldpartijen het belang van een goede registratie en gegevensuitwisseling.
Welke stappen bent u van plan te nemen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst zo min mogelijk zal voorkomen?
Het is, gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling, niet aan mij om met een reactie te komen. Zoals ook in de berichtgeving wordt vermeld, valt het besluit om te stoppen de drie besturen van de GGD’en zwaar juist ook vanwege de financiële consequenties voor de GGD en daarmee ook voor de gemeenten. Vandaar dat in alle betrokken regio’s het traject van het GGiD wordt geëvalueerd. Het is vervolgens aan de GGD’en om al dan niet opvolging te geven aan de conclusies en aanbevelingen uit de evaluatie.
Bent u bereid om deze vragen afzonderlijk te beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Jeugd en aanverwante zaken op 21 november? Zo nee, waarom niet?
Bij deze ontvangt u een reactie op de Kamervragen binnen de gestelde termijn.
Het bericht dat zorgverzekeraar VGZ gratis en voor niks reclame maakt voor bepaalde apotheekketens |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat zorgverzekeraar VGZ gratis en voor niks reclame maakt voor bepaalde apotheekketens?1
VGZ heeft haar verzekerden geïnformeerd dat zij niet alleen bij reguliere apotheken terecht kunnen, maar ook bij online-apotheken. Ook heeft VGZ haar verzekerden geïnformeerd over de wijze van dienstverlening van de online-apotheken die zij heeft gecontracteerd. Verzekerden kunnen beoordelen of zij deze wijze van dienstverlening prefereren boven die van een andere apotheek. Zorgverzekeraars kunnen hun verzekerden informeren over het aanbod van zorgaanbieders waarmee zij een contract hebben. Het is daarbij van belang dat de verstrekte informatie juist en evenwichtig is.
Wat is uw visie op de opkomst van grote commerciële apotheekketens, die zich met name richten op de meer lucratieve apotheekdiensten, zoals herhaalreceptuur, en de minder lucratieve levering van acute medicatie aan de traditionele apotheken laten? Bent u het ermee eens dat dit een onwenselijk bedrijfsmodel is?
In het Integraal Zorgakkoord (IZA) heb ik met zorgaanbieders en zorgverzekeraars afspraken gemaakt met als doel de zorg voor de toekomst kwalitatief goed, toegankelijk en betaalbaar te houden. Hieronder valt ook het meer inzetten van digitale zorg; niet als doel op zich, maar als middel om de zorg ook in de toekomst houdbaar te houden.
Transities en transformaties in het zorglandschap, die passende zorg bevorderen en helpen om de schaarse capaciteit in de zorg zo effectief en efficiënt mogelijk in te zetten ten behoeve van de verzekerden, zijn hierbij noodzakelijk. Hieruit volgt dat niet iedere zorgaanbieder hetzelfde aanbod hoeft te hebben. Zorgaanbieders, ook apothekers, kunnen er voor kiezen zich te specialiseren op een bepaalde patiëntengroep, of om vooral online diensten aan te bieden.
Ik vind het wenselijk dat zorgverzekeraars dergelijke transformaties in de zorg bevorderen en faciliteren. De noodzaak daartoe is er. Dit geldt ook voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van apothekerszorg, juist ook in de toekomst. Nieuwe zorgvormen en digitale zorgvormen kunnen daarbij helpen. Ook de Patiëntenfederatie ondersteunt de wenselijkheid van variatie in aanbod.2
Verzekerden hebben vervolgens zelf de keuze welke vorm van apothekerszorg bij hen past. De wensen en behoeften van patiënten lopen uiteen. Het is daarom ook aan de partijen in de zorg om er voor waken dat alle noodzakelijke en gewenste vormen van (farmaceutische) zorg geboden worden. Ik reken erop dat zorgverzekeraars vanuit hun zorgplicht en hun taak om kwalitatief goede doelmatige zorg in te kopen, goed onderhandelen met apothekers. Zij hebben de verantwoordelijkheid om niet alleen daar waar dat kan lage vergoedingen uit te onderhandelen, bijvoorbeeld door de inzet van online apotheken, maar ook om daar waar het nodig is ruimte bieden aan intensievere (en duurdere) vormen van zorg, met bijpassende vergoedingen. De NZa ziet toe op het proces van zorginkoop.
VGZ werkt samen met twee online apotheken die landelijk opereren, maar klein van omvang zijn in vergelijking met andere landelijke apotheekketens en -formules. Bij beide apotheken kunnen patiënten zowel terecht voor eenmalige receptuur als herhaalrecepten. Deze apotheken moeten aan dezelfde eisen voldoen als iedere andere apotheek. Hierop wordt toegezien door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat zorgverzekeraars zoals VGZ de opkomst van dit soort ketens stimuleren? Zo ja, bent u bereid om VGZ en eventuele andere verzekeraars die zich hier ook aan schuldig maken hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe bent u van plan om ervoor te zorgen dat de vertrouwde apotheek in de wijk of het dorp behouden blijft en niet weg wordt geconcurreerd door commerciële ketens die enkel de meest lucratieve zorg willen verlenen?
In het IZA hebben we afgesproken om een beweging in zetten naar zorg die digitaal geleverd wordt waar dit kan, maar ook dat deze fysiek blijft waar dit moet. Gezien de groeiende zorgvraag en de druk op de arbeidsmarkt verwacht ik dat we in de toekomst alle zorgvormen hard nodig zullen hebben, zowel online zorg als ook de apotheekzorg in wijk of dorp. In het IZA is afgesproken om de eerstelijnszorg te versterken. De apotheek in de wijk heeft daar een belangrijke rol in te spelen, ook bij het ontlasten van de huisarts. Er is zeker plek voor online apotheken, maar de farmaceutische zorg in de wijk moeten we koesteren en verder optimaliseren. Ik ga met partijen in overleg hoe we deze optimalisering kunnen realiseren.
Het bericht ‘Chinese TikTok-medewerkers krijgen toegang tot data Europese gebruikers’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Farid Azarkan (DENK), Danai van Weerdenburg (PVV), Henri Bontenbal (CDA), Marieke Koekkoek (D66), Renske Leijten (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Bouchallikh , Joost Eerdmans (EénNL), Don Ceder (CU) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Chinese TikTok-medewerkers krijgen toegang tot data Europese gebruikers»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Kunt u een schatting geven hoeveel Nederlanders momenteel gebruik maken van TikTok? Hoeveel van deze gebruikers zijn kinderen?
In januari 2022 waren er ongeveer drie miljoen Nederlandse gebruikers van TikTok.2 De minimumleeftijd voor het gebruik van TikTok, volgens het beleid van TikTok, is 13 jaar. Bij TikTok is nagevraagd hoeveel van de gebruikers in Nederland minderjarig zijn. Hierbij heeft TikTok aangegeven dat zij deze informatie niet openbaar kunnen maken, omdat het voor TikTok bedrijfsgevoelige informatie betreft. Het is moeilijk met zekerheid vast te stellen hoeveel van de Nederlandse gebruikers minderjarig zijn. Hierbij speelt een rol dat de juistheid van de door gebruikers opgegeven leeftijd door TikTok niet wordt geverifieerd. Minderjarigen kunnen zich daarom als meerderjarigen voordoen. Uit onderzoek van de Britse (telecom) toezichthouder Office of Communications (Ofcom) bleek vorige maand dat één op de drie Britse kinderen een sociale media-account voor volwassenen heeft.3 Naar alle verwachting zijn er ook in Nederland kinderen die een account voor een volwassene hebben.
Welke medewerkers hebben toegang tot de verzamelde informatie? Klopt het dat een deel van de medewerkers van TikTok een dubbelrol hebben bij de Chinese Communistische Partij en dat dus de Chinese overheid toegang krijgt tot al deze persoonlijke informatie?
Op dit moment weten we niet welke medewerkers van TikTok toegang hebben tot welke gegevens. TikTok is benaderd om hier meer informatie over te geven, maar TikTok heeft aangegeven hier geen antwoord op te kunnen geven. Uiteraard zou ik het absoluut onacceptabel vinden als persoonsgegevens in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) worden doorgegeven aan de Chinese overheid.
De voorwaarden waaronder persoonsgegevens vanuit de EU naar derde landen kunnen worden doorgegeven liggen vast in de AVG. Doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, waaronder China, dient plaats te vinden volgens hoofdstuk V van de AVG. Of er bij TikTok sprake is van een onrechtmatige doorgifte, is niet aan mij of dit kabinet om vast te stellen, maar aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of diens collega in de lidstaat waar TikTok haar hoofdzetel heeft.
Momenteel doet de Ierse toezichthouder (DPC) als leidende autoriteit van de EU onderzoek naar de wijze waarop TikTok persoonsgegevens verwerkt. Het betreft een tweetal onderzoeken. Het eerste onderzoek richt zich op de verwerking van persoonsgegevens van minderjarige gebruikers in de context van de platforminstellingen van het TikTok-platform met betrekking tot accounts van gebruikers jonger dan 18 jaar en leeftijdsverificatiemaatregelen. Het onderzoek gaat ook na of TikTok heeft voldaan aan de transparantieverplichtingen van de AVG in het kader van de verwerking van persoonsgegevens van gebruikers jonger dan 18 jaar. Het tweede onderzoek richt zich op de overdracht door TikTok van persoonsgegevens naar derde landen waaronder China en de naleving van de vereisten van de AVG voor deze overdrachten.
De DPC is beide onderzoeken gestart in september 2021. De DPC heeft haar ontwerpbesluit in het eerste onderzoek begin september 2022 voorgelegd aan de toezichthouders – waaronder de AP – in de andere lidstaten. Dit maakt deel uit van het proces op grond van artikel 60 van de AVG. Voor het tweede onderzoek waar het gaat om de doorgifte naar derde landen heeft de Minister voor Rechtsbescherming de AP gevraagd om bij haar Ierse collega te vragen naar de stand van zaken van dit onderzoek.
Kunt u toelichten om wat voor een data het hier gaat? Gaat het hier om persoonsgegevens, persoonlijke voorkeuren of psychologische profielen?
Het is mij niet bekend welke gegevens op welke manier verwerkt worden en welke TikTok-medewerkers toegang hebben tot welke gegevens. TikTok geeft in zijn privacybeleid aan welke gegevens worden verzameld. In zijn beleid schrijft TikTok dat gegevens onder drie categorieën wordt verzameld: (1) informatie die de gebruiker verstrekt, (2) automatisch verzamelde informatie en (3) informatie uit andere bronnen.
Het gaat hier o.a. om profielinformatie, gebruikerscontent en informatie uit directe berichten van gebruikers, maar ook om locatiegegevens van de gebruikers, technische gegevens met betrekking tot het apparaat van de gebruiker, gebruikers informatie en cookies. Ook wordt in gevallen door adverteerders op TikTok informatie over gebruikers gedeeld met TikTok.4
Acht u het wenselijk dat de Chinese overheid toegang heeft tot dit soort informatie, met name ook over kinderen?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 schreef, zou ik het absoluut onacceptabel vinden als persoonsgegevens in strijd met de AVG worden doorgegeven aan de Chinese overheid. Binnenkort ga ik met TikTok in gesprek in het kader van een serie gesprekken met verschillende grote tech-bedrijven. In dat gesprek zullen de hierboven genoemde uitgangspunten bij TikTok onder de aandacht worden gebracht.
Bent u bereid om TikTok per direct op te roepen geen gegevens van Europese gebruikers opgeslagen binnen de Europese Unie met China te delen?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 3 kan doorgifte van persoonsgegevens in derde landen rechtmatig plaatsvinden, mits voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van de AVG. Op 18 juni 2021 heeft het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) richtsnoeren vastgesteld die beogen bedrijven en organisaties handvatten te bieden bij de beoordeling welke aanvullende maatregelen zij kunnen treffen bij de verwerking – waaronder doorgifte – van persoonsgegevens met derde landen om te voldoen aan de voorwaarden van de AVG.
Ik vind het onacceptabel indien gegevens van Nederlandse burgers onrechtmatig worden gedeeld met de Chinese overheid. Binnenkort spreek ik met TikTok in het kader van een serie gesprekken met verschillende grote tech-bedrijven. De hierboven genoemde uitgangspunten zullen bij TikTok onder de aandacht worden gebracht, mede naar aanleiding van de berichtgeving hierover. Het blijft aan de onafhankelijke toezichthouder om de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen te onderzoeken en daar op te handhaven.
Welke stappen acht u noodzakelijk richting TikTok in Nederland en de Europese Unie zolang persoonlijke gegevens terecht komen in handen van de Chinese overheid?
Het is in de eerste plaats aan de onafhankelijke toezichthouder om onderzoek te doen naar rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens, en om daar vervolgens tegen op te treden. In het stelsel van de AVG zijn geen bevoegdheden toegekend aan het kabinet. Daarbij wil ik graag opmerken dat de toezichthouder binnen de AVG een breed scala aan bevoegdheden heeft tot het nemen van corrigerende maatregelen mocht zij dat nodig achten. De toezichthouder kan bijvoorbeeld de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker waarschuwen, berispen of gelasten een verzoek van betrokkene voor de uitoefening van zijn of haar rechten in te willigen. Ook kan er ook een geldboete worden opgelegd en de toezichthouder kan ook een tijdelijk of definitief verwerkingsverbod opleggen of gelasten de gegevensstromen naar een ontvanger in een derde land op te schorten.
Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3, voert de DPC momenteel onderzoek uit naar of de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen – waaronder China – voldoet aan de AVG-vereisten voor deze doorgifte. Daarnaast heeft de AP vorig jaar een boete van 750.000 euro aan TikTok opgelegd wegens het schenden van de privacy van jonge kinderen. De informatie die de Nederlandse gebruikers van TikTok kregen bij het installeren en gebruiken van de app was in het Engels en daardoor niet goed te begrijpen door jonge kinderen. Door de privacyverklaring niet in het Nederlands aan te bieden, legde TikTok onvoldoende uit hoe de app persoonsgegevens verzamelt, verwerkt en gebruikt. Tijdens het onderzoek door de AP heeft TikTok zich gevestigd in Ierland en de AP was vanaf dat moment alleen nog bevoegd om te oordelen over de privacyverklaring van TikTok, omdat de overtreding was beëindigd.
Wat betreft de inzet van TikTok voor overheidscommunicatie kan ik u melden dat de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) van het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) sinds september adviseert om de inzet van TikTok voor de rijksoverheid op te schorten vanwege zorgen over gegevensbescherming.
Welke stappen worden er op dit moment binnen de Europese Unie gezet om de juridische kaders ten aanzien van adequate beveiliging van data-transfers wereldwijd te verduidelijken en uit te breiden om te voorkomen dat buitenlandse inlichtingendiensten toegang krijgen tot persoonsgegevens van Europese gebruikers?
Binnen de EU zijn bepalingen uit de AVG t.a.v. adequate beveiliging van data-transfer verduidelijkt via richtsnoeren van de EDPB (zie ook antwoord op vraag 6).5 Deze richtsnoeren beogen organisaties handvatten te bieden voor veiligheidsmaatregelen bij de verwerking – waaronder doorgifte – van persoonsgegevens met derde landen om te voldoen aan de voorwaarden van de AVG. Zo worden in deze richtsnoeren praktische voorbeelden gegeven van hoe veiligheidsmaatregelen getroffen kunnen worden. In deze richtlijnen staat bijvoorbeeld hoe gegevens gepseudonimiseerd kunnen worden doorgegeven en hoe gegevens versleuteld kunnen worden om deze te beschermen tegen toegang voor overheidsinstanties van het derde land.
Welke stappen zet u richting de Europese Commissie om hier aandacht voor te vragen en actie op te ondernemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe geeft u uitvoering aan de afspraak uit het coalitieakkoord dat we kinderen beschermen door ze het recht te geven niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen?
Wat betreft het recht van kinderen om niet gevolgd te worden en geen dataprofiel te krijgen is Europese wetgeving van belang. In het gegevensbeschermingsrecht hebben kinderen het recht op specifieke bescherming, met name bij het gebruik van hun persoonsgegevens voor marketingdoeleinden of voor het opstellen van persoonlijkheids- of gebruikersprofielen (overweging 38 AVG). Deze bescherming zal versterkt worden door de Digital Services Act (DSA) die in 2024 in werking treedt. Het wordt dan voor zeer grote platforms zoals TikTok verboden om data van minderjarigen te verzamelen voor het profileren voor marketingdoeleinden
De Europese Commissie heeft in de geactualiseerde Better Internet For Kids (BIK+) strategie aangekondigd een EU gedragscode voor leeftijdsgeschikt ontwerpen te gaan publiceren. Deze gedragscode moet er aan bijdragen dat de verplichtingen neergelegd in de DSA en AVG worden nageleefd om zo te voorkomen dat kinderen gevolgd worden en dataprofielen krijgen. Wij zijn nauw betrokken bij deze Europese ontwikkelingen en maken ons er hard voor om de bescherming van kinderen in de digitale wereld verder te versterken.
Kunt u deze vragen nog voor het begrotingsdebat Digitale Zaken op 14 november 2022 afzonderlijk beantwoorden?2
Ja.
De pilots van de mbo-card met budget |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Welke mbo-scholen doen mee aan de pilot mbo-card met budget en welke stappen gaat u zetten als in het voorjaar van 2023 een aantal scholen zich nog niet heeft aangemeld?
De MBO Card met budget is beschikbaar voor alle mbo-scholen. Het CJP benadert momenteel alle besturen van mbo-instellingen in Nederland voor deelname aan de pilot. In de zomer van 2023 kan een indicatie worden gegeven van welke scholen wel en niet deelnemen aan de pilot. Er zijn mooie voorbeelden van instellingen die nu al deelnemen, zoals het ROC Mondriaan, het Grafisch Lyceum Rotterdam en mboRijnland. Uiteindelijk is het aan de school zelf om te beslissen of ze willen deelnemen aan de pilot MBO Card. Het CJP zal zich tot en met de zomer van 2023 inspannen om scholen aan te sluiten binnen de tweejarige pilot. Er is veel ervaring opgedaan met een cultuurkaart in het vo met een vergelijkbare systematiek, waarbij de deelname van scholen rond de 80% ligt.
Worden bol- en bbl-, vavo-studenten ook met deze pilot bereikt? Hoe gaat u ervoor zorg dragen dat alle mbo-studenten bereikt worden?
De MBO card met budget is beschikbaar voor alle mbo studenten. Het CJP legt geen enkele beperking op ten aanzien van het aanmelden van bol-, bbl- en/of vavo-studenten. De inzet van de kaart wordt waar mogelijk gekoppeld aan het burgerschapsonderwijs. Het burgerschapsonderwijs is van toepassing op studenten van alle leerwegen en onderwijsniveaus. Op die manier krijgen alle mbo-studenten de kans om gebruik te maken van de MBO Card met budget.
Wanneer kunt u de eerste resultaten van de pilot bekend maken? Hoeveel scholen hebben zich tot nu toe aangemeld en hoeveel studenten worden er bereikt?
Ik heb onderzoeksbureau ResearchNed de opdracht gegeven om de pilot MBO Card met budget de komende twee jaar te monitoren en te evalueren. In Q4 van 2023 worden de eerste richtinggevende resultaten verwacht uit het onderzoek naar de pilot MBO Card met budget.
De pilot bevindt zich in de aanvangsfase. Stichting CJP werkt hard om via een persoonlijke benadering van de scholen ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk studenten kunnen profiteren van de mogelijkheden die de MBO Card biedt. Omdat stichting CJP de systematiek van de cultuurkaart voor het vo grotendeels kan gebruiken, hebben zij een snelle start kunnen maken. Er zijn tot op heden meer dan 40.000 studenten aangemeld voor de pilot binnen zes instellingen met diverse schoollocaties.
Bent u bereid om het budget op te hogen indien alle scholen mee zouden doen met de pilot? Kunt u dit toelichten?
Beslissingen over het verdere verloop van de pilot neem ik op basis van het monitorings- en evaluatieonderzoek dat wordt uitgevoerd door onderzoeksbureau ResearchNed.
Worden de ervaringen van de invoering van het ckv-onderwijs meegenomen in de pilot? Kunt u dit toelichten?
Ja, de pilot MBO Card met budget steunt op de systematiek van de cultuurkaart in het vo. De beproefde systematiek van hoe activiteiten rondom cultuureducatie in ckv een plek krijgen, nemen we mee in deze pilot. De onderzoeken en publicaties rondom de invoering van het ckv-onderwijs en het effect daarvan op leerlingen neem ik mee in de deskresearch van het onderzoek dat wordt uitgevoerd naar de pilot MBO Card met budget.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Cultuur?
Ja.
De motie-Omtzigt (Kamerstuk 36200, nr. 118) |
|
Pieter Omtzigt |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
Herinnert u zich de motie van het lid Omtzigt c.s. over ervoor zorgen dat energiebedrijven onder het prijsplafond een vergoeding krijgen op basis van de inkoopprijs met een kleine mark-up gebaseerd op reële kosten, die op 11 oktober 2022 met 141 stemmen voor is aangenomen?1 Kunt u aangeven hoe die wordt uitgevoerd?
Ja. Op dit moment worden gesprekken gevoerd met de energieleveranciers over hoe te komen tot een vorm van margetoetsing bij de uitvoering van de prijsplafondregeling voor 2023. Hiermee wordt invulling gegeven aan een waarborg dat er geen overwinsten plaatsvinden bij de energieleveranciers.
Herinnert u zich de motie van het lid Omtzigt c.s. over bij de uitwerking van het prijsplafond een voorstel doen voor situaties waarin er meerdere huishoudens per aansluiting zijn, die op 11 oktober 2022 met 150 stemmen voor is aangenomen?2
Ja.
Kunt u aangeven hoe u deze motie over blokverwarming en andere situaties waarin er meerdere huishoudens per aansluiting zijn, gaat uitvoeren?
Een oplossing voor blokaansluitingen heeft de hoogste prioriteit van het kabinet. Zoals ook aangegeven in mijn Kamerbrief van 7 november jl. (Kamerstuk 36 200 nr. 162) wordt op dit moment onder coördinatie van de Belastingdienst hard gewerkt aan een oplossing voor blokaansluitingen.
Kunt u de uitstaande schriftelijke vragen van 17 oktober 2022 over het energieplafond en blokverwarming en van 27 oktober 2022 over de 190 euro regeling voor huishoudens in november en december 2022 per ommegaande, dus tezamen met deze schriftelijke vragen, beantwoorden?
De antwoorden op de schriftelijke vragen over de 190 euro regeling heeft u ontvangen op 10 november (Kamerstuknummer 2022D46616).
Herinnert u zich dat u per nota van wijziging ongeveer 5 miljard euro aan tijdelijke verlaging van belasting op energie in het belastingplan heeft teruggedraaid om dat geld vrij te maken voor het energieplafond?
Ja.
Herinnert u zich dat u daarmee bijvoorbeeld effectief de energiebelastingen op gas verhoogt en dat de btw op energie daardoor op 1 januari 2023 stijgt van 9 naar 21% en de heffingskorting (de belastingkorting) daardoor fors daalt op 1 januari 2023 en dat de energierekening daardoor fors stijgt?
De verlagingen zoals die in 2022 van toepassing waren worden in 2023 niet verlengd.
Wat is, indien het energieplafond niet ingaat op 1 januari 2023, uw plan B?
De intentie van het kabinet is dat het energieplafond ingaat op 1 januari 2023.
Houdt u er rekening mee de belastingpercentages op energie alsnog aan te passen in 2023 om huishoudens lucht te geven? Zo ja, is het dan wel verstandig om het belastingplan te behandelen en daarover te stemmen in de komende week? Zo nee, weet u dat zeker?
Nee, op dit moment is dat niet iets waar ik van uit ga.
Kunt u deze vragen voor dinsdag 8 november om 15:00 uur beantwoorden in verband met de regeling van werkzaamheden, die om ongeveer 15:45 uur aanvangt en waarin besloten dient te worden over de debatten in de komende week?
Door de vele andere Kamervragen en debatvoorbereiding is het niet gelukt om de vagen voor 8 november te beantwoorden.
Het bericht ‘Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inhoud van dit bericht – een stijging die mogelijk 67 euro zou moeten zijn – tegen de achtergrond van de aangekondigde stijging van het collegegeldtarief voor 2023/2024, namelijk 105 euro? Kunt u een toelichting geven?
Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (artikel 2.2) schrijft voor dat de omvang van het volledig wettelijk collegegeld jaarlijks bij ministeriële regeling aangepast wordt aan de hand van de consumentenprijsindex (cpi). De ministeriële regeling dient voor 1 november, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld geldt, te zijn vastgesteld. Het is belangrijk dat dit tijdig gebeurt zodat zowel studenten als hogeronderwijsinstellingen hier rekening mee kunnen houden.
De hoogte van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 is in oktober 2022 vastgesteld op € 2.314. De hoogte van het collegegeld is berekend conform de nieuwe indexatiesystematiek die gebaseerd is op een jaargemiddelde van de cpi, over de periode mei tot en met april ten opzichte van dezelfde periode het jaar ervoor. Het collegegeld voor studiejaar 2023/2024 is zodoende geïndexeerd met het gemiddelde van de cpi van mei 2021-april 2022 ten opzichte van de gemiddelde cpi van mei 2020-april 2021.
Het CBS heeft aangegeven te werken aan een nieuwe methode om de energieprijzen te berekenen waardoor de inflatie vermoedelijk lager uitkomt. Het CBS verwacht de nieuwe methode medio 2023 in te kunnen voeren. Het CBS geeft tevens aan dat de reeds gepubliceerde inflatiecijfers bij het moment van overstap naar de nieuwe methode niet worden aangepast.
De nieuwe methode om energieprijzen te berekenen heeft geen invloed op de hoogte van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 omdat het collegegeld reeds is vastgesteld, de nieuwe methode naar verwachting pas medio 2023 wordt ingevoerd en de inflatiecijfers waarop het collegegeld 2023/2024 is gebaseerd niet met terugwerkende kracht zullen worden aangepast.
Het kabinet is bovendien van mening dat er met de herinvoering van de basisbeurs per 2023/2024 en de eenmalige verhoging van de basisbeurs van uitwonende studenten ter tegemoetkoming van de hogere kosten een gebalanceerd pakket ligt voor studenten.
Ik blijf de berichtgeving van het CBS over deze nieuwe berekeningswijze volgen. Indien na de invoering van de nieuwe berekeningsmethode besloten wordt om deze methode te volgen dan zal de aangepaste berekening op zijn vroegst gebruikt kunnen worden bij het bepalen van de hoogte van het collegegeld voor studiejaar 2024/2025.
Erkent u dat het aannemelijk is dat de stijging van het collegegeldtarief lager zal uitvallen dan de voorgenomen stijging van 105 euro? Bent u bereid in dat geval de collegegeldstijging te reduceren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan hierover actief te communiceren richting studenten en instellingen?
Afgelopen maanden heb ik actief ingezet op de communicatie over het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 via gesprekken met vertegenwoordigende organisaties van studenten en hogeronderwijsinstellingen, via een brief aan alle hogeronderwijsinstellingen en via de websites van de rijksoverheid en DUO.
Bijlesbureaus die misbruik maken van ouders |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Basisscholen waarschuwen voor bijlesbureaus: «Ouders liggen krom terwijl hun kind de lessen niet nodig heeft»» en de beantwoording van de schriftelijke vragen van de Amsterdamse SP-fractie over dit bericht?1, 2
Ja, hiermee ben ik bekend.
Zijn er meer steden waar commerciële bijlesbureaus flyers uitdelen – of op andere wijze reclame maken – om zo op slinkse wijze ouders onder druk te zetten om bijles af te nemen voor hun kind(eren)?
Hierover heb ik onvoldoende onderzoek of peilingen uitgevoerd. Mijn beeld is wel dat dit gebeurt. Ik ga daarbij uit van signalen die ik krijg, dat er (incidenteel) ook in andere plaatsen in Nederland flyers worden uitgedeeld en er reclame wordt gemaakt voor huiswerkbegeleiding.
Bent u het eens dat de beweging die nu ingezet wordt door commerciële bijlesbureaus linea recta ingaat tegen de uitspraak van de Kamer met het aannemen van de motie van de leden Westerveld en Kwint over geen reclame maken voor private aanbieders van schaduwonderwijs? Wat heeft het kabinet sinds het aannemen van deze motie bijna drie jaar geleden concreet gedaan om uitvoering te geven hieraan? En is de situatie nu beter of slechter dan toen de motie werd aangenomen?3
Ja, ik ben het met u eens dat reclame voor private aanbieders van schaduwonderwijs via scholen zeer onwenselijk is. Wat dat betreft juich ik het overigens toe dat deze scholen zich roeren en zich uitspreken tégen het gebruik van betaald aanvullend onderwijs. De laatste jaren is het aantal commerciële partijen dat aanvullend onderwijs aanbiedt gestegen. In dat opzicht is de situatie zeker niet verbeterd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Meer dan een kwart van de leerlingen in het funderend onderwijs maakt op een manier gebruik van dit aanbod. Tegelijkertijd kunnen niet alle ouders bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining betalen. Hierdoor treden er verschillen op tussen leerlingen.
Uw Kamer heeft mijn voorganger middels diverse moties opgeroepen om stappen te zetten rondom aanvullend onderwijs. In mijn brief van 29 juni jl. heb ik u geïnformeerd over de stappen die ik zet.4 Hieronder licht ik deze toe.
Uw Kamer heeft mij gevraagd betaald aanbod van aanvullend onderwijs op scholen te ontmoedigen en gratis aanbod te stimuleren. Ook verzocht u reclame voor aanvullend onderwijs via scholen te voorkomen. Ik vind het van belang dat ons onderwijs voor iedere leerling kansen biedt om zich optimaal te ontwikkelen, ongeacht de portemonnee van de ouders. Het inkopen van extra bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining zou niet nodig moeten zijn. Het is onwenselijk wanneer het onderwijs meegaat in deze trend. Scholen horen leerlingen niet door te verwijzen naar commerciële bijlesbureaus.
In de brief schreef ik dat ik met de sectorraden in gesprek ga om tot strenge richtlijnen te komen. Deze gesprekken lopen en we zijn over de inhoud en de werkwijze in gesprek. Dit proces kost helaas tijd en duurt langer dan verwacht. Ik vind het goed dat u me hierop wijst en ik wil hierin ook tempo maken, maar het is nodig om de tijd te nemen voor het gesprek, om te komen tot een effectief resultaat. Ik richt me daarbij eerst op het onderwijs. Begin volgend jaar informeer ik u over de uitkomst van deze gesprekken.
Ondertussen sta ik in mijn communicatie naar scholen vaker stil bij de samenwerking met partijen die aanvullend onderwijs aanbieden. Mijn voorganger heeft in het kader van het NP Onderwijs een handreiking voor de inhuur van derde partijen opgesteld. Deze handreiking ga ik actualiseren en opnieuw onder de aandacht brengen bij scholen.
Begin 2023 zal de monitor naar aanvullend onderwijs starten. Dit is een vervolg op de monitor «Aanvullend en particulier onderwijs» uit 2019. Naar verwachting komt eind 2023 de monitor beschikbaar en wordt u hierover geïnformeerd. In de monitor wordt onderzocht wat de marktomvang is, hoe hoog de deelname van leerlingen is en welke kosten er per leerling worden gemaakt aan aanvullend onderwijs. De monitor gaat ook in op de toegankelijkheid en het aanbod vanuit scholen. Als laatste moet deze monitor ook inzicht geven in hoeveel onderwijsbudget er naar externe onderwijsbureaus doorstroomt. Dit vloeit voor uit een motie van het lid Ephraim.5
Hoe staat het met de gesprekken met scholen en gemeenten om onder andere het gebruik van commerciële bijlesbureaus te ontmoedigen, reclame via scholen te verbieden en gemeente hierbij te betrekken, zoals aangekondigd in de brief van 29 juni jl.? Kan de Kamer de uitkomst van deze gesprekken ontvangen voor de begrotingsbehandeling OCW?4
Zoals bij vraag 3 aangegeven, lopen momenteel de gesprekken met de sectorraden om tot strengere richtlijnen te komen. We voeren het gesprek over zowel de inhoud als de wijze waarop de afspraken kunnen worden vastgelegd. Daarvoor zijn tot nu toe verschillende opties verkend.
Als eerste is onderzocht of afspraken kunnen worden vastgelegd in een gedragscode. Doorgaans is dit een instrument waarin sector zichzelf afspraken oplegt. De overheid heeft hierin geen inhoudelijke rol, waardoor deze optie minder voor de hand ligt. Verder is bekeken of een convenant – opgesteld door het ministerie en de sectorraden – een geschikte vorm zou zijn, ook om gemeenten bij aan te haken. De VO-raad geeft de voorkeur aan een minder bindende vorm, zoals een handreiking. De Tweede Kamer heeft mij echter opgeroepen om daadwerkelijk afspraken met de sectorraden te maken en dat onderschrijf ik. De komende tijd spreek ik verder met de sectorraden om tot een passende vorm van afspraken te komen. Ik heb hier haast mee en had de hoop deze afspraken al te hebben. Ik zal spoedig in overleg treden met de sectorraden.
Bij deze gesprekken vind ik het van belang dat de richtlijnen effectief zullen zijn. In aanvulling daarop overweeg ik extra communicatie richting scholen en besturen in te zetten. Zoals ik heb toegezegd tijdens de OCW-begrotingsbehandeling informeer ik u begin volgend jaar opnieuw over de voortgang.
Vindt u het acceptabel dat iedereen op dit moment bijles mag verzorgen? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid ook hierover het gesprek aan te gaan en strengere eisen te stellen aan mensen die bijles mogen geven naast het hebben van een verklaring omtrent gedrag (VOG)?
Nee, zeker als het gaat om aanbod waar de school bij betrokken is, vind ik dat er waarborgen moeten zijn voor de veiligheid van leerlingen. Daarom breng ik nog deze winter een wetsvoorstel in internetconsultatie waarin staat dat scholen alleen personeel van aanbieders van aanvullend onderwijs mogen inhuren die een VOG bezitten.
Wanneer (bijles)docenten lessen verzorgen aan leerlingen moet dat natuurlijk met zorgvuldigheid worden gedaan. In het onderwijs zijn daar regels voor en wordt kwaliteitsbewaking nagestreefd, met name door de scholen en besturen zelf. Indien bijles wordt verzorgd in de privésfeer heb ik daar minder zicht op. De branche werkt zelf aan het opstellen van een keurmerk voor bijlesbureaus en huiswerkbegeleidingsinstituten. Dit moet het aanbod voor scholen overzichtelijker maken en de kwaliteit van bijles(docenten) waarborgen.
Op welke wijze kunnen scholen en gemeenten nu al de wervingspraktijken van commerciële bijlesbureaus inperken of stoppen?
Het onderwijsstelsel gaat uit van de autonomie en professionaliteit van scholen. Dit geldt ook voor de keuze van scholen om expertise of ondersteuning van een private partij in te zetten. Schoolleiders en leraren zijn meestal goed in staat die keuzes weloverwogen te maken. Het staat scholen vrij om de huiswerkbegeleiding instituties en bijlesbureaus te weren.
Zoals omschreven bij het antwoord op vraag 3, 4 en 5 ben ik met een pakket aan maatregelen aan de slag. Zo werken we vanuit de overheid, vanuit de schoolbesturen en vanuit de branche van aanvullend onderwijs aan verdere regulering, met kansen voor alle kinderen als belangrijkste uitgangspunt.
Kunt u deze schriftelijke vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling OCW?
Het is me helaas niet gelukt u antwoord te geven voor de begrotingsbehandeling. Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik uw vragen over dit onderwerp schriftelijk beantwoord.
Windmolenverzet in Brielle |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het massale protest in Brielle tegen de komst van twee gigantische windmolens?1
Ik ben bekend met de gestarte petitie tegen de komst van twee windmolens in de gemeente Brielle.
Bent u bekend met het feit dat de normen waarop windmolenprojecten worden getoetst in 2021 door het Europese Hof van Justitie buiten werking zijn gesteld, omdat ze niet voldoen aan Europese wet- en regelgeving en dat het Europese Hof heeft bepaald dat de gezondheid van mens en dier onvoldoende is gewaarborgd met de in Nederland gehanteerde normen? Zo ja, kunt u alle windmolenptojecten op land per direct stopzetten omdat u altijd wijst het belang van Europese wet- en regelgeving? Graag een gedetailleerd antwoord.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 30 juni 2021 geoordeeld dat de algemene regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) voor windturbineparken (windturbinebepalingen) buiten toepassing moeten worden gelaten vanwege een procedurefout bij de totstandkoming ervan. Voor deze algemene regels had op grond van EU-recht een planmilieueffect-rapport (plan-MER) moeten worden gemaakt. De Afdeling heeft zich alleen uitgesproken over de procedure, maar niet over de inhoud van de regels. Ik heb u eerder, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), geïnformeerd over de gevolgen van deze uitspraak en het proces om te komen tot nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines op basis van een plan-MER (Kamerstuk 33 612, nr. 80 en 33 612, nr. 76).
Met de Regionale Energiestrategieën is het aan de regio’s om een afweging te maken waar nieuwe windparken en/of zonneparken komen. Dit gebeurt door middel van een zorgvuldig proces. Als gevolg van de uitspraak is het nu aan bevoegde gezagen om zelf vast te stellen en te onderbouwen welke milieunormen zij bij hun besluitvorming hanteren. Zij maken in dat verband een eigenstandige specifieke afweging om te bepalen wat voor de betreffende locatie een aanvaardbaar milieubeschermingsniveau is. Ik zie dat decentrale overheden dit zeer zorgvuldig doen.
Eigen normen van decentrale overheden dienen goed onderbouwd te worden, onder andere op basis van de wetenschappelijke kennis over windenergie en gezondheid. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek.
Bent u bekend met het feit dat op basis van nieuwe Europese normen in Denemarken en Duitsland geen windmolens van deze grootte zo dichtbij woongebieden geplaatst worden, ook niet als zij los staan? Zo ja, wilt u ook om deze reden alle windmolenprojecten op land stilzetten? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik ben bekend met de verschillende afstandsnormen die gelden binnen Europa, zo ook de geldende normen in Denemarken en Duitsland. Uit het onderzoek naar afstandsnormen, waarover ik u eerder heb geïnformeerd, blijkt dat in de acht onderzochte landen op verschillende manieren milieu en afstandsnormen zijn vorm gegeven (Kamerstuk 33 612, nr. 80). Nederland en het Verenigd Koninkrijk hanteren geen landelijke afstandsnorm. Andere landen hebben verschillende afstandsnormen. In landen met een afstandsnorm is deze afstandsnorm meestal ingesteld om de visuele impact van windturbines te beperken. Voor het (aanvullend) reguleren van windturbinegeluid hanteren alle acht onderzochte landen geluidsnormen, waarbij er ook grote verschillen zijn tussen de landen. De verschillen zitten zowel in de wijze van normering, als in het beschermingsniveau dat wordt geboden.
In Nederland zijn de gezondheidseffecten van windturbines tot nu toe gereguleerd met normen voor geluid, externe veiligheid en slagschaduw. Voor de toekomst werkt de Staatssecretaris van IenW aan nieuwe landelijke milieunormen op basis van een plan-MER. Begin 2023 zal het plan-MER en de ontwerpAMvB voor het publiek ter inzage worden gelegd. Rond het zomerreces van 2023 zal de Staatssecretaris van IenW het plan-MER en de ontwerpAMvB aan de Kamer sturen. Het rapport over afstandsnormen wordt betrokken in het plan-MER en bij het opstellen van de AMvB.
Vindt het acceptabel om ten faveure van de natte klimaatdroom een loopje te nemen met de volksgezondheid? Zo ja, wat zegt u tegen al die mensen die overlast ervaren van knipperende verlichting, geluid en slagschaduw voor omwonenden?
Allereerst merk ik op dat de woordkeuze van dhr. Van Haga niet getuigd van het fatsoen en respect waarmee leden van Kamer en kabinet elkaar horen te bejegenen. Ik beantwoord de vraag, omdat ik de zorgen van mensen in Brielle serieus neem, maar wil dhr. Van Haga verzoeken zich voortaan in fatsoenlijker woorden uit te laten.
Windmolens op land produceren schone energie, maar veroorzaken ook hinder, zoals geluid en slagschaduw. Ik vind het daarom belangrijk dat bij vergunningverlening voor windturbines alle effecten op een zorgvuldige manier worden afgewogen. In afwachting van landelijke normen voor milieuaspecten kunnen bevoegde gezagen vergunningen op basis van een lokale milieubeoordeling milieuvoorschriften opnemen in de omgevingsvergunning milieu en het bestemmingsplan om milieubescherming te bieden voor omwonenden. Daarbij hebben belanghebbenden bij vergunningverlening de mogelijkheid hun zienswijze kenbaar te maken.
De gezondheidseffecten als gevolg van windturbines worden serieus genomen. Bij het opstellen van beleid worden de meest recente relevante wetenschappelijke inzichten over gezondheidseffecten betrokken. Daarom actualiseren we de bestaande kennisbasis met betrekking tot windturbines en gezondheidsrisico’s. Hierover heb ik u op 6 juli 2022 geïnformeerd (Kamerstuk 32 812, nr. 76). We richten ons op het waarborgen van een goede bescherming van omwonenden en omgeving en het daarnaast mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen zoals windparken voor schone energie.
De knipperende verlichting bij bestaande windturbines (hoger dan 150 meter) is nodig voor de luchtvaartveiligheid. Om de effecten voor omwonenden te verkleinen, wordt gewerkt aan naderingsdetectie. Naderingsdetectie maakt het mogelijk dat de verlichting alleen gaat branden als een luchtvaartuig de windmolen nadert. Naar verwachting zal het gebruik van naderingsdetectiesystemen voor windparken verankerd worden op 1 januari 2024 in de Omgevingswet. In de tussenliggende periode wordt vooruitlopend op wettelijke verankering invoeren van naderingsdetectie mogelijk gemaakt. Daarvoor is per project toestemming van de ILT vereist (Kamerstuk 32 813, nr. 1085). Samen met provincies, gemeenten en de windsector vind ik het van belang dat de ervaren hinder zo veel mogelijk wordt beperkt.
De aantallen asielzoekers die gemeenten moeten opvangen als gevolg van de dwangwet. |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten (al dan niet via de commissaris van de Koning (CdK) van hun provincie) te horen hebben gekregen hoeveel asielzoekers ze (indicatief) moeten gaan opvangen, mocht de dwangwet van kracht worden?
Nee, dit klopt niet. Op het moment van schrijven van deze beantwoording vinden er nog gesprekken plaats over de inhoud van het wetsvoorstel. Vanuit het Rijk zijn er geen mededelingen gedaan die de inhoud van het wetsvoorstel betreffen.
Zo ja, waarom worden dergelijke aantallen aan gemeenten gecommuniceerd terwijl er nog niet eens een wet ligt, laat staan dat de Kamer zich hierover – inclusief de verdeelsleutel als onderdeel hiervan – heeft kunnen uitspreken?
Zie antwoord op vraag 1
Kunt u deze aantallen (per gemeente) direct met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Ja.
Garanties om de Haringvlietbrug en de Heinenoordtunnel nooit tegelijk dicht te doen voor verkeer. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ondernemers willen harde garanties: «Haringvlietbrug en Heinenoordtunnel nooit tegelijk dicht voor verkeer»»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat een gelijktijdige afsluiting een verkeersinfarct zal veroorzaken dat ongekend van aard is, bedrijven compleet platlegt en onacceptabel grote veiligheidsrisico's met zich meebrengt voor de regio's Zuid-Holland Zuid, Zeeland en Noord- en West-Brabant?
Er ontstaat inderdaad zeer ernstige verkeershinder bij een gelijktijdige afsluiting van beide schakels in de A29. Daarom zullen de Haringvlietbrug en de Heinenoordtunnel niet gelijktijdig afgesloten worden.
Wat vindt u van het feit dat Rijkswaterstaat de zorgen van belangenbehartigers niet serieus neemt en niet in staat is om de terechte zorgen over gelijktijdige afsluiting weg te nemen?
Rijkswaterstaat neemt de begrijpelijke zorgen van de belanghebbenden zeer serieus. Rijkswaterstaat spreekt sinds de voorbereiding van de renovatie van de Heinenoordtunnel in 2018 zijn gestart al met belanghebbenden en behartigers van belanghebbenden. Met de toezegging dat de Heinenoordtunnel en de Haringvlietbrug niet gelijktijdig afgesloten zullen worden hoop ik de zorgen te kunnen wegnemen.
Het risico op overlap van beide projecten en de beheersmaatregelen om dit te voorkomen zijn op 2 juni van dit jaar besproken in het Bestuurlijk Overleg Gebiedstafel Hoeksche Waard. De provincies Zeeland en Noord-Brabant zitten niet zelf aan tafel, maar laten zich vertegenwoordigen door de provincie Zuid-Holland. De bestuurders vroegen in dit overleg om inzicht te krijgen in de terugvalscenario’s voor het geval het risico op de samenloop van beide projecten te groot dreigt te worden. Op 12 oktober zijn de bestuurders schriftelijk geïnformeerd over de terugvalscenario’s. Deze zijn besproken in het overleg van 19 oktober. In het antwoord op vraag 4 zijn de risico’s, de beheersmaatregelen en de terugvalscenario’s beschreven.
Kunt u klip-en-klaar garanderen dat de Haringvlietbrug en de Heinenoordtunnel nooit tegelijk dichtgaan voor verkeer?
Ja, deze zullen niet tegelijk worden afgesloten als gevolg van de vervangings- en renovatieprojecten.
Het dicht tegen elkaar aan plannen van beide projecten komt voort uit de noodzaak om de Haringvlietbrug zo snel mogelijk aan te pakken. Dit kwam naast de al geplande renovatie van de tunnel. Daarbij is gekozen voor een aanpak waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van het werken in de verkeersluwe vakantieperiode. Dit om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Als het nodig is om de start van de uitvoering van de renovatie van de Heinenoordtunnel in de tijd naar achteren te verschuiven zullen de werkzaamheden niet meer of niet meer geheel in de verkeersluwe vakantieperiode uitgevoerd kunnen worden.
De zomerafsluiting van de Haringvlietbrug staat gepland in de periode 9 juni – 28 juli 2023. De zomerafsluiting van de Heinenoordtunnel is gepland van 5 augustus – 28 augustus 2023. RWS ziet drie risico’s op samenloop van de projecten:
Voor deze risico’s zijn de volgende beheersmaatregelen en terugvalscenario’s ontwikkeld.
Binnen het project Haringvlietbrug is inmiddels een aantal beheersmaatregelen genomen om samenloop van beide projecten te voorkomen:
Als het risico dat de aanvangsdatum niet wordt gehaald te groot wordt beoordeeld, wordt de renovatie van de Haringvlietbrug uitgesteld tot na afronding van de zomerafsluiting 2023 van de Heinenoordtunnel. Hiervoor is een periode in het najaar van 2023 op het oog (half september – half november 2023). Werkzaamheden aan de Heinenoordtunnel die tijdens deze periode gepland staan (5 – 6 weekenden) moeten dan worden verplaatst.
Dit terugvalscenario is niet zonder gevolgen. Uitstel van werkzaamheden aan de Heinenoordtunnel levert een risico op voor het afronden van het project eind 2024. Het verplaatsen van de werkzaamheden aan de Haringvlietbrug naar het najaar van 2023 heeft bovendien gevolgen voor het wegverkeer en de scheepvaart. In het najaar wordt namelijk niet geprofiteerd van de verkeersluwe zomerperiode en de weersomstandigheden in het najaar leiden over het algemeen al tot meer verkeershinder. Voor het wegverkeer zou uitstel van het project tot de zomer van 2024 beter zijn, maar vanwege de technische staat van de klep acht ik dit niet verantwoord. Voor de scheepvaart betekent uitstel naar het najaar van 2023 dat de brug langer niet bediend kan worden en niet gepasseerd kan worden door de hoge scheepvaart.
Mogelijke oorzaken hiervan kunnen problemen zijn met het transport en het plaatsen van de nieuwe klep. Hierdoor zou afronding van de werkzaamheden aan de Haringvlietbrug voor de start van de renovatie van de Heinenoordtunnel in het gedrang kunnen komen. In dat geval worden de werkzaamheden aan de Haringvlietbrug in eerste instantie zo afgerond dat de brug in elk geval beschikbaar komt voor het wegverkeer. Werkzaamheden om de brug beweegbaar te maken t.b.v. scheepvaart worden zo nodig uitgesteld tot na afronding van de zomerafsluiting van de Heinenoordtunnel. De brug kan hierdoor langer niet bediend worden voor de hoge scheepvaart.
De klep van de brug heeft het einde van zijn levensduur bereikt. Er zijn met name zorgen over één van de dwarsliggers. Ook een aantal platen in het rijdek vormen een risico omdat de klemmen waarmee ze aan de klep bevestigd zijn alleen bereikt kunnen worden als de brug geopend is. Vanaf 1 januari 2023 is dat echter niet meer mogelijk, omdat de brug vanaf dat moment niet meer wordt bediend. Dit risico op falen van de klep wordt groter naar mate de vervanging van de klep langer duurt. Rijkswaterstaat werkt beheersmaatregelen uit voor de risico’s op het falen van de brug.
Tot slot is het een feit dat ook zonder samenloop de hinder van dit soort werkzaamheden (ook in individuele gevallen) tijdelijk fors zal zijn. Zeker in de Randstad is de druk op het (vaar)wegennet zodanig dat elk groot onderhoudsproject, en zeker een groot Vervanging- en Renovatieproject, veel of zelfs zeer veel hinder oplevert. Gezien de leeftijd van het areaal zullen (vaar)weggebruiker de komende tijd steeds vaker met dit soort situaties
geconfronteerd worden. Rijkswaterstaat doet zijn uiterste best om de overlast te beperken, maar de aanpak van de hinder vraagt ook veel van andere betrokkenen zoals andere beheerders en ondernemers.
Afkeuring bouwvrijstelling en de gevolgen voor de herbeoordeling van milieuvergunningen voor bouwprojecten |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Rechter haalt streep door bouwvrijstelling, grote gevolgen voor projecten»?1
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Doe vooral wat je zelf goed acht», waarin voormalig voorzitter Ed Nijpels van het Voortgangsoverleg Klimaatakkoord van de Sociaal Economische Raad zijn zorgen uitspreekt over capaciteitstekorten bij de regionale omgevingsdiensten die de milieuvergunningen afgeven en controleren?2
Ja
Bent u bekend met het artikel «Nijpend gebrek aan personeel nekt bouwplannen»?3
Ja
Kunt u een overzicht geven van de huidige achterstanden bij gemeenten wat betreft de (herbeoordeling en afgifte van milieuvergunningen bij gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het wegvallen van de bouwvrijstelling leidt in beginsel niet tot het verlenen van extra milieuvergunningen, of het alsnog moeten verlenen van milieuvergunningen voor de periode waarin de bouwvrijstelling van toepassing was. In de meeste gevallen is voor de bouw zelf namelijk geen milieuvergunning nodig.
Voor zover gedoeld wordt op de gevolgen van het wegvallen van de bouwvrijstelling voor de afgifte van natuurvergunningen ligt het eventueel (her)beoordelen of sprake is van natuurvergunning niet bij gemeenten, maar meestal bij de provincie. Hierop ga ik nader in bij antwoord op vraag 6.
Het artikel «Doe vooral wat je zelf goed acht» gaat in op de regels over energiebesparing. Deze regels volgen wel uit milieuregelgeving. In de meeste gevallen gaat het om algemene milieuregels waarbij de bedrijven waar het om gaat geen milieuvergunning nodig hebben. Het artikel gaat daarom ook voornamelijk over de inhoud van de algemene regels en over toezicht en handhaving, en slechts waar het gaat om de meest vervuilende bedrijven over milieuvergunningen. Onder de huidige regels zijn bedrijven onder de CO2-emissiehandel, vergunningplichtige en glastuinbouwbedrijven uitgezonderd van de energiebesparingsplicht. Om dat te veranderen, scherpt de Minister voor Klimaat en Energie in 2023 deze plicht aan, waardoor deze doelgroep ook alle energiebesparende maatregelen moet nemen die zich in vijf jaar of minder terugverdienen. Daarnaast stelt het kabinet, om het toezicht en de handhaving van de energiebesparingsplicht te verbeteren, 56 miljoen euro extra beschikbaar aan de omgevingsdiensten om de eigen capaciteit en kennis te versterken op het gebied van energiebesparing.4 Ook verken ik samen met de Minister voor Klimaat en Energie hoe omgevingsdiensten meer inzicht kunnen krijgen in energiegebruiksgegevens, waardoor de doelgroep beter in beeld kan worden gebracht en toezicht en handhaving gerichter kan plaatsvinden.
Kunt u een overzicht geven van de huidige achterstanden bij de regionale omgevingsdiensten wat betreft de beoordeling en afgifte van milieuvergunningen? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit antwoord op vraag 4 blijkt heeft het wegvallen van de bouwvrijstelling geen gevolgen voor de (her)beoordeling van milieuvergunningen door regionale omgevingsdiensten.
Voor zover gedoeld wordt op de gevolgen van het wegvallen van de bouwvrijstelling voor de afgifte van natuurvergunningen ligt het eventueel (her)beoordelen in bepaalde gevallen wel bij omgevingsdiensten. Hierop ga ik nader in bij antwoord op vraag 7.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zullen zijn qua extra werkdruk voor de vergunningenafdelingen van gemeenten nu alle nog niet vergunde bouwprojecten opnieuw een individuele bouwvergunning aan moeten vragen?
De bouwvrijstelling hield in dat bij het bepalen of sprake is van natuurvergunningplicht voor een bouwactiviteit geen rekening hoefde te worden gehouden met eventuele tijdelijke stikstofdepositie die als gevolg van een project tijdens de realisatiefase ontstaat. De omvang van de stikstofdepositie in de realisatiefase en eventuele gevolgen daarvan voor de natuur zijn in deze gevallen daarom niet per activiteit beschouwd.
Na het wegvallen van de bouwvrijstelling moet bij het beoordelen of een bouwactiviteit een natuurvergunning behoeft ook de stikstofdepositie in de realisatiefase worden meegenomen, net zoals dat het geval was voordat de vrijstelling in werking trad. Per project moet weer worden bekeken of rekening houdend met de depositie in de realisatiefase een natuurvergunning moet worden aangevraagd. Indien dat wel het geval is moet het bevoegd gezag vervolgens de effecten op de beschermde natuur beoordelen. Het wegvallen van de bouwvrijstelling kan voor een deel van de bouwactiviteiten dus leiden tot aanvraagprocedures voor het verkrijgen van een natuurvergunning ook voor de realisatiefase, en kan ook invloed hebben voor aanvraagprocedures voor de bouwvergunning als de eventueel benodigde natuurvergunning daarin wordt meegenomen. De initiatiefnemer kan er namelijk voor kiezen om geen losse natuurvergunning aan te vragen, maar de vergunningplicht voor de bouwactiviteit te gebruiken om ook toestemming vanuit natuurbelang te verkrijgen. De bouwvergunning kan dan alleen worden verleend als het bevoegd gezag voor de natuurvergunning een verklaring van geen bedenkingen afgeeft.
Voor nieuwe projecten betekent het wegvallen van de bouwvrijstelling dat afhankelijk van het soort project vertraging kan ontstaan. Dit geldt ook voor urgente maatschappelijke opgaven, zoals energietransitie en woningbouw. Het wegvallen van de bouwvrijstelling leidt in ieder geval tot meer rekenen en beoordelen, en daarmee toename van lasten aan de kant van initiatiefnemers en bevoegde instanties. Het kan ook leiden tot vertraging, als de berekeningen en de eventuele beoordeling van effecten op natuur meer tijd in beslag nemen dan de voorbereiding van de overige delen van het project, en het verkrijgen van overige eventueel benodigde vergunningen.
Wat betreft het al dan niet moeten hebben van de natuurvergunning voor bouwprojecten is het niet mogelijk om een overzicht te geven van wat het wegvallen van de bouwvrijstelling betekent voor afgeronde en lopende bouwprojecten. Dit kan, ten eerste, niet omdat er geen totaaloverzicht of registratie van bouwprojecten in Nederland bestaat. Ten tweede betekende de bouwvrijstelling dat per project geen berekeningen van stikstofdepositie in de realisatiefase vereist waren, waardoor het ook niet te zeggen is welke gevolgen die depositie zou hebben als die bij de beoordeling of sprake is van natuurvergunningplicht wel was meegenomen. Duidelijk is wel dat zonder de bouwvrijstelling lang niet voor alle bouwprojecten vanwege de realisatiefase een natuurvergunning nodig is.
Wat de bevoegde instanties betreft zullen extra lasten vooral bij de provincies komen, nu zij voor de meeste projecten het bevoegd gezag zijn voor de natuurvergunning en het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen. Zoals in de brief van de Minister voor Natuur en Stikstof over de Voortgang integrale aanpak landelijk gebied en opvolging uitspraak Raad van State over Porthos5 is aangegeven, werkt het kabinet mede om deze lasten en mogelijke vertraging te voorkomen op korte termijn aan standaardisatie door middel van kengetallen of vuistregels, met als doel snel inzicht te verschaffen in de vraag of voor een activiteit een natuurvergunningplicht geldt. Parallel daaraan beziet het kabinet de mogelijkheid van een «generieke voortoets». Zoals in voornoemde brief is aangegeven, zal de Tweede Kamer in 2023 hierover verder worden geïnformeerd.
Kunt u aangeven wat de gevolgen zullen zijn qua extra werkdruk voor de vergunningenafdelingen van regionale omgevingsdiensten nu alle nog niet vergunde bouwprojecten opnieuw een individuele bouwvergunning aan moeten vragen?
Voor omgevingsdiensten kan extra werkdruk vooral aan de orde zijn als de verlening van natuurvergunningen en het afgeven van de verklaringen van geen bedenkingen door de provincie bij de omgevingsdienst is belegd. Zoals bij vraag 6 is aangegeven is geen overzicht te geven van de aantallen gevallen waarbij dat aan de orde is.
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit van de afdelingen van gemeenten die gaan over de afgifte en (her-)beoordelingen van milieuvergunningen?
Uit mijn antwoord op vraag 4 volgt dat het wegvallen van de bouwvrijstelling niet tot (her)beoordeling van milieuvergunningen noodzaakt. Het wegvallen van de bouwvrijstelling heeft dus ook geen gevolgen voor de capaciteit van afdelingen van gemeenten die milieuvergunningen verlenen.
Hoe beoordeelt u de huidige capaciteit van de afdelingen van regionale omgevingsdiensten die gaan over de afgifte en (her-)beoordelingen van milieuvergunningen?
Uit mijn antwoord op vraag 5 volgt dat het wegvallen van de bouwvrijstelling niet tot (her)beoordeling van milieuvergunningen noodzaakt. Het heeft dus ook geen gevolgen voor de capaciteit van afdeling van regionale omgevingsdiensten die milieutaken uitvoeren.
Welke plannen liggen er om de capaciteit van de milieuvergunning-afdelingen van de omgevingsdiensten te vergroten?
Gelet op het antwoord op vraag 9 liggen er in relatie tot het wegvallen van de bouwvrijstelling geen plannen om de capaciteit van de milieuvergunning-afdelingen van de omgevingsdiensten te vergroten. In dit verband is het relevant op te merken dat het Rijk, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten in het interbestuurlijk programma versterking VTH-stelsel samenwerken aan de opvolging van de aanbevelingen van de commissie-Van Aartsen.6 Een van de acties van dit programma is om via een landelijke arbeidsmarktcampagne medewerkers voor de omgevingsdiensten aan te trekken. Hoewel dit niet specifiek gericht is op het verlenen van vergunningen wordt hiermee de capaciteit van omgevingsdiensten vergroot.
Het bericht ‘Bedreigde Iraans-Nederlandse activist kreeg telkens nul op rekest bij Nederlandse politie voordat hij werd vermoord’ |
|
Tom van der Lee (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bedreigde Iraans-Nederlandse activist kreeg telkens nul op rekest bij Nederlandse politie voordat hij werd vermoord»?1
Ja.
Hoe verklaart u het feit dat ondanks dat de heer Nissi verschillende meldingen heeft gedaan van (doods)bedreigingen door de Iraanse autoriteiten, meerdere keren aangifte heeft gedaan en vreesde voor zijn leven, de politie niet adequaat heeft opgetreden?
Omwille van veiligheidsredenen kan ik niet ingaan op een specifieke casus en de afwegingen die wel of niet gemaakt zijn. In algemene zin kan ik het volgende melden: de verantwoordelijkheid voor het treffen van aanvullende beveiligingsmaatregelen ligt primair bij het lokaal bevoegd gezag. Beveiligingsmaatregelen kunnen variëren van relatief lichte, technische maatregelen tot intensieve persoonsbeveiliging, afhankelijk van de aard van de dreiging.
Hoe verklaart u bijvoorbeeld dat deze casus nooit is aangemeld bij het Stelsel Bewaken en Beveiligen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u de mededeling van de politie aan de heer Nissi dat, ondanks dat hij wist dat hij op een Iraanse dodenlijst stond, het bureau hem niet op de juiste manier kon beveiligen, en dat hij zelf voorzorgsmaatregelen moest nemen? Wat is zijn appreciatie van deze uitspraak?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van de inspanningen van de overheid om deze problematiek adequaat aan te pakken in afgelopen twee jaar, en een appreciatie geven van de gebleken effectiviteit van deze inspanningen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief d.d. 8 januari 20192 heeft het kabinet in juni 2018 diplomatieke maatregelen getroffen tegen Iran. De Iraanse ambassadeur is ontboden en twee medewerkers van de Iraanse ambassade zijn uitgezet. Deze diplomaten zijn niet uitgezet op basis van strafrechtelijk vastgestelde betrokkenheid van Iran bij de (aansturing van) de liquidaties. Zij zijn uitgezet op basis van de bevindingen van de AIVD dat Iran waarschijnlijk achter deze ernstige zaken zit. Daarmee gaf Nederland een duidelijk signaal af dat dit ontoelaatbaar is. Op 8 januari 2019 heeft de Europese Unie daarnaast, mede op voordracht van Nederland, in het kader van de EU-sanctielijst (Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB) sancties opgelegd tegen het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid (MOIS) en twee Iraanse personen. Dit betekent dat van deze entiteit en deze twee personen tegoeden en andere financiële activa zijn bevroren. Bij het afkondigen van de sancties heeft Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en België bij de Iraanse autoriteiten de ernstige zorgen overgebracht over de waarschijnlijke betrokkenheid van Iran bij deze vijandelijke acties op Europees grondgebied. Iran is te kennen gegeven dat betrokkenheid bij dergelijke zaken totaal onacceptabel is en onmiddellijk gestaakt moet worden.3
Om in bredere zin ongewenste buitenlandse inmenging tegen te gaan, heeft het kabinet in 2018 een nationale driesporenaanpak ontwikkeld, bestaande uit het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor. In de diplomatieke relatie merkt het kabinet dat landen zich bewuster zijn van de alertheid en assertiviteit van Nederland om ongewenste buitenlandse inmenging tegen te gaan. Ten aanzien van de weerbaarheid van gemeenschappen in Nederland tegen ongewenste buitenlandse inmenging is een stijgende lijn in de bewustwording waar te nemen. De verruiming van de strafbaarheid van spionageactiviteiten, waarvan uw Kamer recent het wetsvoorstel heeft ontvangen, zal naar verwachting een nog effectievere aanpak van ongewenste inmengingsactiviteiten door derde landen mogelijk maken. Tevens vindt er een constante toets plaats of de aanpak volstaat en of zich nieuwe dreigingen op dit gebied aandienen.
In aanvulling op de bestaande aanpak is uw Kamer op 28 november jl. geïnformeerd over het (verder) vergroten van de weerbaarheid tegen ongewenste buitenlandse inmenging. Hiertoe zal de NCTV de komende jaren, in nauwe samenwerking met onder meer de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, binnen de bestaande inzet op een zogenoemd «landen-neutraal bewustwordingsinitiatief» inzetten om de bewustwording rondom dit thema verder te vergroten. Hierbij worden statelijke actoren die inmengingsactiviteiten verrichten (alsmede hun intenties) benoemd en worden de doelgroepen/doelwitten die zij onderscheiden, de instrumenten die zij inzetten en de ongewenste maatschappelijke effecten die kunnen optreden, in generieke zin beschreven. Beoogde doelgroepen voor het verhogen van bewustwording zijn gemeenschappen die slachtoffer kunnen worden van ongewenste buitenlandse inmenging, (decentrale) politieke ambtsdragers, maar ook overheidsorganisaties en (beleids)medewerkers op lokaal niveau.
Het probleem van buitenlandse inmenging beperkt zich echter niet tot Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft daarom in Benelux-verband in de EU Raad Buitenlandse Zaken van 14 november aangedrongen op een review van deze problematiek en betere informatiedeling en samenwerking om te komen tot een effectiever beleid. Hiervoor is tevens gesproken met de Hoge Vertegenwoordiger, die deze oproep steunde en toezegde dit onderwerp op de agenda te zetten. Ook is dit onderwerp bilateraal met diverse counterparts besproken.
Op welke termijn bent u van plan om het aangekondigde meldpunt voor diaspora die zich bedreigd voelen in Nederland in werking te laten treden?
Het kabinet is van mening dat gezien de dreiging zoals ook in het tweede dreigingsbeeld statelijke actoren wordt geschetst, het van belang is beter zicht te krijgen op de manifestatie en potentiële gevolgen van ongewenste buitenlandse inmenging. Het kabinet wil aansluiten bij lokale en nationale inspanningen die reeds plaatsvinden in het kader van de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging, waarbij meldingen die binnenkomen in het veiligheidsdomein dan wel het sociale domein, op een centrale plek bij elkaar komen. Hoe aan dit meldpunt precies invulling wordt gegeven wordt door het kabinet op dit moment bezien. De samenhang met diplomatieke, weerbaarheidsverhogende, bestuurlijke en eventueel strafrechtelijke maatregelen heeft hierbij bijzondere aandacht. Uw Kamer wordt hierover zo spoedig mogelijk nader geïnformeerd.
Het is altijd mogelijk om aan een bureau, online of via 0900–8844/112 melding te doen van intimidatie of bedreiging, en/of daarvan aangifte te doen. Dat geldt voor alle vormen van intimidatie en bedreiging en dus ook wanneer deze intimidatie of bedreiging mogelijk voortkomt uit handelen van statelijke actoren. Een dergelijke melding of aangifte wordt serieus genomen en met prudentie behandeld. De verwachting van het kabinet is dat het hierboven reeds genoemde «landen-neutraal bewustwordingsinitiatief» dat de NCTV met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzet, zal bijdragen aan een toename van de meldingsbereidheid.
Hoe gaat dit meldpunt er concreet voor zorgen een melding ook daadwerkelijk opgevolgd wordt met acties die de veiligheid van bedreigde personen vergroten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven hoe gezorgd wordt dat het melden van intimidatie of bedreiging laagdrempelig wordt voor melders, en dat zij zich veilig genoeg voelen om dit te doen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke maatregelen bent u van plan om naast het openen van een meldpunt verder in te voeren om de bedreiging van diaspora ’s door buitenlandse regimes te adresseren?
Als sluitstuk van de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging kan strafrechtelijk worden opgetreden. Onder meer smaad, laster en bedreiging zijn al strafbaar. Daarnaast heeft uw Kamer recent een wetsvoorstel voor de uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten ontvangen, op grond waarvan het strafbaar wordt gesteld schadelijke handelingen te verrichten ten behoeve van een buitenlandse mogendheid als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen of voor (andere) fundamentele belangen in relatie tot de nationale veiligheid.
Erkent u het feit dat de politie de juiste expertise mist om in deze specifieke gevallen van bedreigingen en intimidatie adequaat op te treden?
De politie kan samen met het OM een waardevolle bijdrage leveren aan de strafrechtelijke aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. De politie beschermt immers de democratie, handhaaft de wet en is het gezag op straat. Vanuit deze brede maatschappelijke taakstelling kunnen meldingen van dreiging en intimidatie door statelijke actoren bij de politie worden gedaan. Het is altijd mogelijk om aan een bureau. online of via 0900–8844/112 melding te doen van intimidatie of bedreiging en/of aangifte te doen. Dat geldt voor alle vormen van intimidatie en bedreiging en dus ook wanneer deze intimidatie en bedreiging mogelijk voortkomt uit handelen van statelijke actoren. Ten aanzien van de opvolging van meldingen en aangiften merk ik op dat in het verleden is gebleken dat strafrechtelijke opvolgingsmogelijkheden veelal beperkt zijn. Om deze reden is het van belang om helder te zijn ten aanzien van de verwachtingen. Dat heeft evenwel niet te maken met een gebrek aan kennis of expertise bij de politie. De ervaringen met deze thematiek wijzen namelijk uit dat enkel een strafrechtelijke aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging niet voldoende resultaat heeft. De driesporige aanpak blijft in mijn ogen cruciaal, waarbij naast strafrecht ook aandacht is voor een diplomatieke aanpak, het verhogen van de weerbaarheid en een bestuursrechtelijke aanpak.
Zo ja, acht u het een goed idee om in samenwerking met de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en diasporagroepen een speciale dienst op te richten bij de politie die zich specialiseert in deze problematiek, zodat zij meer expertise kunnen opbouwen om deze dreiging in kaart te brengen en adequate opvolging te geven aan meldingen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou volgens u het nemen van hardere maatregelen tegen personen die in dienst van een buitenlands regime personen bedreigen of intimideren een passend instrument kunnen zijn om de veiligheid van deze mensen te vergroten?
Het hierboven genoemde wetsvoorstel voor uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten bevat de mogelijkheid schadelijke handelingen die worden verricht ten behoeve van een buitenlandse mogendheid te bestraffen als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen.
Kunt u aangeven in hoeverre de ambassadeurs van landen als Marokko, Turkije, China en Iran in Nederland in het afgelopen jaar zijn aangesproken op het feit dat deze landen zich schuldig maken aan het bedreigen en intimideren van diaspora's?
Als onderdeel van de aanpak Ongewenste Buitenlandse Inmenging treedt het kabinet met landen in dialoog en spreekt hen consequent aan indien daar aanleiding toe is. Daarbij maakt het kabinet een afweging of dit het beste via vertrouwelijke, diplomatieke kanalen of publiekelijk kan plaatsvinden. Dat geldt voor alle landen. Indien blijkt dat de ambassade van het betreffende land betrokken is bij deze ongewenste inmenging, kan er sprake zijn van een schending van het Verdrag van Wenen. Het gehele diplomatieke instrumentarium kan worden gebruikt door het kabinet om hierop te reageren, variërend van de ambassade er in stevige bewoordingen op aanspreken, tot -in uiterst geval- ertoe overgaan de ambassadeur of andere ambassademedewerkers ongewenst te verklaren (persona non grata), waarop zij Nederland zullen moeten verlaten.
Voor personen zonder diplomatieke status geldt dat gedwongen vertrek naar het land van herkomst aan de orde kan zijn wanneer iemand niet (langer) in het bezit is van geldig verblijfsrecht voor Nederland. Er zijn verschillende redenen om een verblijfsrecht in te trekken. Er kan bijvoorbeeld tot intrekking worden overgegaan omdat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een gevaar voor de openbare orde zou kunnen blijken uit een onherroepelijke veroordeling. Een gevaar voor de nationale veiligheid kan in ieder geval blijken uit een ambtsbericht van de AIVD. Naast de intrekking van het verblijfsrecht kan ook een inreisverbod worden opgelegd.
Kunt u aangeven in hoeverre u kennis heeft van het feit of medewerkers van de ambassades van deze landen medewerking hebben verleend aan deze praktijken?
Zie antwoord vraag 13.
Wat zijn de mogelijkheden om daders van dit type intimidatie het land uit te zetten? En welke mogelijkheden zijn er specifiek als het om mensen met een diplomatieke status gaat?
Zie antwoord vraag 13.
Het bericht ‘Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen»?1
Ja.
Op welke grond heeft u de berekening aangepast waardoor het collegegeld per 2023 met 105 euro stijgt in plaats van met 212 euro?
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW, artikel 7.45, lid 6) schrijft voor dat het wettelijk collegegeld jaarlijks volgens de consumentenprijsindex (cpi) wordt geïndexeerd en dat de wijze waarop dat gebeurt bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald. In het Uitvoeringsbesluit WHW (artikel 2.2, lid 2) wordt de exacte wijze van indexatie op basis van de cpi bepaald.
Via het op 4 oktober 2022 in het Staatsblad gepubliceerde wijzigingsbesluit2 heb ik de wijze van indexatie van het wettelijk collegegeld aangepast zodat de indexatie van het wettelijk collegegeld niet langer wordt bepaald op basis van de procentuele wijziging over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van het wettelijk collegegeld (te weten: voor 1 november) ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande kalenderjaar, maar op basis van de gemiddelde procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de periode mei tot en met april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van dezelfde periode in het daaraan voorafgaande jaar. De ministeriële regeling waarmee de hoogte van het wettelijk collegegeld 2023/2024 is vastgesteld is op 10 oktober 2022 in de Staatscourant gepubliceerd3.
De verwachting is dat, met de nieuwe berekeningswijze, de indexatiesystematiek minder gevoelig is voor incidentele pieken en dalen van de inflatie.
Wat is de uiterlijke termijn waarop het collegegeld vastgesteld moet worden?
De uiterlijke termijn waarop het collegegeld vastgesteld moet worden is vóór 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld zal gelden. Voor studiejaar 2023/2024 is dat 1 november 2022.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de aangepaste inflatieberekening van het CBS, het collegegeld minder te laten stijgen?
Het CBS heeft aangegeven te werken aan een nieuwe methode om de energieprijzen te berekenen waardoor de inflatie vermoedelijk lager uitkomt. Het CBS verwacht de nieuwe methode medio 2023 in te kunnen voeren. Het CBS geeft tevens aan dat de reeds gepubliceerde inflatiecijfers bij het moment van overstap naar de nieuwe methode niet worden aangepast.
De nieuwe methode om energieprijzen te berekenen heeft geen invloed op de hoogte van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 omdat het collegegeld reeds is vastgesteld, de nieuwe methode naar verwachting pas medio 2023 wordt ingevoerd en de inflatiecijfers waarop het collegegeld 2023/2024 is gebaseerd niet met terugwerkende kracht zullen worden aangepast.
Het kabinet is bovendien van mening dat er met de herinvoering van de basisbeurs per 2023/2024 en de eenmalige verhoging van de basisbeurs van uitwonende studenten ter tegemoetkoming van de hogere kosten een gebalanceerd pakket ligt voor studenten.
Ik blijf de berichtgeving van het CBS over deze nieuwe berekeningswijze volgen. Indien na de invoering van de nieuwe berekeningsmethode besloten wordt om deze methode te volgen dan zal de aangepaste berekening op zijn vroegst gebruikt kunnen worden bij het bepalen van de hoogte van het collegegeld voor studiejaar 2024/2025.
Het bericht ‘Busje komt weer niet: schrijnende crisis in leerlingenvervoer’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn u signalen bekend van leerlingen die door de crisis niet naar school konden komen, door hun structurele afwezigheid een bezoek ontvangen van de leerplichtambtenaar?1
Die signalen zijn mij onbekend. Daarom heb ik dit bij diverse partijen – zoals LBVSO, Ouders & Onderwijs en de Kinderombudsman – nagevraagd. Ook die partijen herkennen deze signalen niet.
Vindt u het acceptabel als er leerplichtambtenaren op bezoek komen en vervolgens dreigen met het maken van een proces-verbaal bij Bureau HALT bij kinderen die niet naar school komen als de oorzaak alleen bij de crisis in het leerlingenvervoer ligt? Zo nee, wat gaat u doen om dit tegen te gaan?
Ik vind het onacceptabel als er leerplichtambtenaren op bezoek komen en dreigen met het maken van een proces-verbaal bij Bureau HALT bij kinderen die niet naar school komen als de oorzaak alleen bij de crisis in het leerlingenvervoer ligt. Gelukkig is dit tot nu toe – in zoverre ik nu kan overzien – niet voorgekomen.
Erkent u dat een maatregel als deze een extra schok teweegbrengt bij de desbetreffende kinderen en hun ouders, naast dat deze crisis ook veel pijn doet bij de desbetreffende leerlingen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangeef, is een dergelijke maatregel niet aan de orde. Als een leerling te laat op school komt vanwege de vervoersproblematiek, ligt de oorzaak hiervan uiteraard niet bij de leerling en is er dus geen sprake van ongeoorloofd verzuim. De signalen die ik ontvang zijn dat scholen hier in hun verzuimadministratie ook rekening mee houden.
Bent u bereid om maatregelen te nemen die de rechtsbescherming van kinderen die geen goed onderwijs kunnen krijgen door welke oorzaak dan ook te verbeteren, zodat zij beschermd worden tegen straffen vanuit bestuursorganen om zaken waar zij niets aan hebben kunnen doen? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 aangeef, worden er door bestuursorganen geen maatregelen genomen als er sprake is van geoorloofd verzuim, zoals ook het geval is bij het te laat komen op school vanwege de vervoersproblemen.
Een illegale puppyfabriek in Eersel, waar het welzijn van honderden honden ernstig wordt geschaad. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Illegale horrorfokker in Eersel ontmaskerd met ruim 500 honden» en de undercoverbeelden die zijn gepubliceerd door House of Animals?1, 2
Ja.
Hoe omschrijft u de wijze waarop honden bij broodfokker en puppyfabriek Kwispel Enzo worden gehouden en gefokt, zoals is te zien op de undercoverbeelden?
De undercoverbeelden vind ik treurig om te zien. Dieren moeten op een goede verantwoorde wijze worden gefokt en gehouden.
Wat vindt u ervan dat op de beelden te zien is dat nodige veterinaire zorg aan zieke en gewonde honden wordt onthouden?
Dit vind ik niet acceptabel. Dieren moeten altijd een goede verzorging, medische zorg en voldoende aandacht krijgen.
Wat vindt u ervan dat een medewerker aangeeft dat honden elke zes maanden kunnen worden gedekt, terwijl honden wettelijk gezien maar eens per twaalf maanden een nest mogen krijgen?
De medewerker geeft aan dat het mogelijk is dat honden twee keer per jaar loops zijn en dan kunnen worden gedekt. Hoewel de medewerker niet zegt dat de honden daadwerkelijk twee keer per jaar worden gedekt, wordt de suggestie wel gewekt. Ik vind dat zorgwekkend.
Klopt het dat op de videobeelden meerdere wetsovertredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren te zien zijn, zoals het onthouden van nodige verzorging, het niet beschikken over voldoende bewegingsruimte, onvoldoende bescherming tegen gezondheidsrisico’s en het houden in een stressvolle omgeving?
De beelden zijn vergelijkbaar met de situatie die de NVWA heeft aangetroffen tijdens eerdere inspecties. De NVWA bekijkt of er uit de videobeelden nog andere wetsovertredingen blijken dan die al tijdens inspecties zijn vastgesteld. Tijdens die inspecties zijn overtredingen vastgesteld van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren, zoals het onthouden van nodige verzorging en onvoldoende vloeroppervlakte in de hokken. Hier is door de NVWA op gehandhaafd middels het opleggen van lasten onder dwangsom en invorderingen van deze dwangsommen wanneer de houder niet (tijdig) heeft hersteld.
Wat vindt u ervan dat de honden in hun eigen ontlasting en urine liggen, dat hun drinkwater ernstig is vervuild en dat ze rauw vlees te eten krijgen dat volgens ooggetuigen in de hokken blijft liggen bij temperaturen tot boven de dertig graden?
Ik vind dit niet acceptabel. Houders van dieren moeten goed voor hun dieren zorgen. Het is een ernstige zaak wanneer je zelfs niet aan de basisbehoeften van dieren kunt voldoen.
Wat vindt u ervan dat er dode varkens open en bloot op het terrein van Kwipsel Enzo liggen?
Ik vind het niet acceptabel wanneer dode varkens open en bloot liggen. Wettelijk is het verplicht om kadavers op een deugdelijke manier af te dekken en aan te bieden aan Rendac. Kadavers mogen niet toegankelijk zijn voor vogels, knaagdieren, honden en katten. Dit is wettelijk vastgelegd in de artikelen 3.22 en 3.23 van de Regeling dierlijke producten.
Klopt het dat deze fokker volgens het bestemmingsplan niet bedrijfsmatig honden mag fokken op deze locatie? Zo ja, waarom gebeurt dit dan toch en waarom is er nooit ingrepen?
De handhaving van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning is een aangelegenheid van de betreffende gemeente Eersel. Op 16 november jongstleden heeft de rechtbank in Den Bosch besloten dat Kwispel enzo in Eersel moet stoppen, omdat het niet past in het bestemmingsplan.
Is u bekend hoeveel honden door Kwispel Enzo worden gehouden en hoeveel pups er jaarlijks worden verkocht? Zo nee, waarom niet?
Uit het registratiesysteem voor honden (I&R hond) blijkt dat in het jaar 2021 816 honden afgemeld zijn (verkocht) door het bedrijf van Kwispel Enzo. In 2022 tot op heden zijn 790 honden afgemeld (verkocht).
In I&R hond kan door de NVWA en RVO op elk moment een stallijst van een hondenfokker worden uitgedraaid. Op deze lijst staan alle honden die op dat moment bij het bedrijf aanwezig zijn. Er wordt geen onderscheid gemaakt in fokdieren, volwassen dieren en pups.
Hoeveel controles zijn door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) en de (dieren)politie uitgevoerd bij deze fokker in de afgelopen vijf jaar? Zijn er bij deze controles misstanden geconstateerd? Zo ja, welke?
De fokker is negen keer bezocht door de NVWA sinds 2018. Tijdens deze inspecties zijn diverse overtredingen vastgesteld van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Deze geconstateerde overtredingen verschilden per inspectie, maar er zijn ook terugkerende overtredingen. De voornaamste terugkerende overtredingen zijn slechte kwaliteit water, te weinig vloeroppervlakte in de hokken en voldoen aan fysieke en ethologische behoeften door het dier tijd door te laten brengen buiten een ruimte dan waar het dier wordt gehouden.
De politie heeft op verzoek van de NVWA in de afgelopen vijf jaar zes keer ondersteuning geboden, om de veiligheid van inspecteurs te garanderen, bij controles van dit hondenfokbedrijf.
De LID heeft de afgelopen vijf jaar geen controles uitgevoerd bij deze handelaar. Het betreft hier hondenhandel en volgens de afspraken worden de controles daarop uitgevoerd door de NVWA.
Is het juist dat de NVWA heeft aangegeven om onderzoek te doen om de fokker via het bestuursrecht en via het strafrecht aan te pakken, maar vooralsnog niet ingrijpt en eerst «een grondig dossier» wil opbouwen?3
Nee, de NVWA heeft de afgelopen jaren de nodige stappen gezet om te interveniëren. Zo heeft zij gehandhaafd door het opleggen van lasten onder dwangsom, waarbij dwangsommen zijn ingevorderd in die gevallen waarin niet (tijdig) herstel heeft plaatsgevonden. Deze herstelmaatregelen hebben evenwel niet geleid tot het gewenste resultaat bij deze fokker.
Eerder is een proces-verbaal opgemaakt voor overtredingen van deze fokker. In overleg met het Functioneel Parket is besloten om deze zaak niet verder te brengen in het strafrecht, gelet op de lange termijn waarop dit voor een strafrechter gebracht zou kunnen worden.
De NVWA heeft de bestuursrechter meermaals gevraagd om lopende procedures gevoegd te behandelen en de uitspraaktermijnen niet te verlengen en zo de zaken te versnellen. Dit heeft ervoor gezorgd dat de bestuursrechter in september jl. een oordeel heeft gegeven over een groot deel van de handhavingsmaatregelen die de NVWA in de afgelopen jaren heeft genomen. De NVWA is hierbij gedeeltelijk in het gelijk gesteld. Omdat sprake is van veel verschillende overtredingen die door deze fokker moeten worden beëindigd en voor elke afzonderlijke overtreding voldoende bewijs en evenredige handhaving nodig is, zijn deze procedures tijdrovend in elke fase van het proces.
Vindt u het te billijken dat een overduidelijke en schandelijke misstand waarbij het welzijn van honderden honden, waaronder veel pups, ernstig wordt geschaad, ongehinderd door kan gaan, omdat de handhavende instantie «een grondig dossier» wil opbouwen? Waarom wordt dit dossier niet opgebouwd nadat de honden in veiligheid zijn gebracht?
Nee, maar dit is niet aan de orde (zie vraag 11).
Bent u bereid om, in samenwerking met de NVWA, deze foute fokkerij zo snel mogelijk permanent te sluiten en de honden weg te halen uit deze extreem onveilige omgeving? Zo nee, waarom niet?
Aan het weghalen van honden en aan het sluiten van bedrijven zijn stringente voorwaarden verbonden. Op verzoek van de IG wil ik samen met de NVWA onderzoeken of en hoe aan het bestaande handhavingsinstrumentarium bij dierenwelzijnsovertredingen door fokkers ook zwaardere interventies als schorsen en stilleggen van bedrijfsvoering kunnen worden toegevoegd. Zodat er een breed instrumentarium voor het toezicht beschikbaar is om bij misstanden bij een fokkerij een direct einde te maken aan een onveilige omgeving.
Daarbij betrek ik het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing van de Ministers van Justitie en Veiligheid en van mij zelf (Kamerdossier 35892). Dit wetsvoorstel breidt het toepassingsbereik van artikel 5.12 van de Wet dieren uit door toevoeging van «het welzijn van het dier» als reden om maatregelen te kunnen treffen. Wanneer het dierenwelzijn wordt geschaad – bijvoorbeeld door slechte verzorging – kan dan op grond van dat wetsartikel worden overgegaan tot geheel of gedeeltelijke sluiting van het bedrijf.
Dit wetsvoorstel maakt tevens mogelijk dat een verbod op het houden van dieren door de strafrechter als zelfstandige maatregel kan worden opgelegd. De maximale duur van deze maatregel bedraagt tien jaar. Indien sprake is van recidive, kan het zelfstandige dierenhoudverbod voor maximaal twintig jaar worden opgelegd. Dit geldt zowel voor particuliere als voor bedrijfsmatige houders van dieren.
In mei van dit jaar is dit wetsvoorstel door uw Kamer op de agenda voor plenaire behandeling geplaatst.
Tot die tijd blijft de NVWA maximaal handhaven binnen de huidige juridische mogelijkheden.
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden binnen de termijn die daarvoor staat, maar in ieder geval ruim vóór de plenaire behandeling van de begroting van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit?
Het bericht ‘Fysio’s stoppen ermee: ‘Salarisverhoging niet mogelijk zonder bedrijf in gevaar te brengen’’ |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat veel fysiotherapeuten het vak verlaten, vanwege de te lage tarieven die zorgverzekeraars hun bieden?1
Het artikel waar u naar verwijst en de boodschap dat fysiotherapeuten zich genoodzaakt te stoppen met hun werkzaamheden vind ik zorgelijk. De kern van het artikel beschouw ik als een signaal dat het contracteerklimaat tussen fysiotherapeuten en zorgverzekeraars verder verbeterd dient te worden. Beide partijen hebben hier een verantwoordelijkheid in en dienen hierin te investeren.
Bent u het ermee eens dat zorgverzekeraars fysiotherapeuten het werk onmogelijk maken, op het moment dat de tarieven die zij bieden meer dan 28 procent lager zijn dan de kostprijs? Zo ja, wat gaat u doen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het een ongewenste situatie als fysiotherapeuten hun werk als onmogelijk ervaren door de houding van de zorgverzekeraars. Ik ben van mening dat de fysiotherapie een belangrijke rol speelt in de eerstelijnszorg en het versterken hiervan, naast de huisarts en de wijkverpleging. We hebben alle professionals hard nodig. Daarbij verwacht ik dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders hun rol conform het Integraal Zorgakkoord (IZA) oppakken en bijdragen aan passende zorg door afspraken te maken over tarieven en het verbeteren van de kwaliteit van de zorg. Tevens is het van belang dat alle partijen zich committeren aan het bijdragen aan de bevordering van het contracteerproces.
Bent u het ermee eens dat de machtspositie van kleine zorgaanbieders, zoals fysiotherapeuten, ten opzichte van zorgverzekeraars veel te zwak is? Zo ja, wat gaat u eraan doen om deze machtpositie te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
In het IZA is benadrukt dat de contractering een belangrijk instrument is om het leveren van kwalitatief goede en betaalbare zorg voor de patiënt te stimuleren, samenwerking tussen zorgaanbieders te bevorderen en afspraken te maken over de toegankelijkheid van zorg.
In het IZA is ook afgesproken om een verkenning te doen naar de mogelijkheden voor gezamenlijk onderhandelen van kleine zorgaanbieders, waarbij ik uw Kamer eerder heb toegezegd een brief te sturen over de mogelijkheden en beperkingen voor samenwerking binnen de kaders van de Mededingingswet. Ik verwacht deze brief in het tweede kwartaal van 2023 te kunnen sturen. Dit kan mogelijk ten goede komen van de fysiotherapie.
Zou het niet beter zijn als kleine zorgaanbieders, zoals fysiotherapeuten, met een groep gezamenlijk zouden mogen onderhandelen, zodat zij sterker staan ten opzichte van de zorgverzekeraars? Zo ja, bent u bereid om te onderzoeken hoe dit mogelijk zou kunnen worden gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat er landelijke kostendekkende tarieven moeten komen voor de fysiotherapie?
Ik ben het ermee eens dat er kostendenkende tarieven moeten zijn, maar het is aan aanbieders en zorgverzekeraars om hier onderling afspraken over te maken. Zorgverzekeraars kunnen differentiëren in hun tarieven. Zoals aangegeven in antwoord 2 verwacht ik dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders afspraken met elkaar maken over passende tarieven en de kwaliteit van de aangeboden zorg.
Bent u bereid om de zorgverzekeraars aan te spreken op de veel te lage tarieven die zij bieden, om te voorkomen dat er nog meer fysiotherapeuten het vak verlaten?
Aangezien fysiotherapie een groot aandeel van de aanvullende zorgverzekering vormt, moeten zorgverzekeraars en zorgaanbieders een balans vinden tussen passende tarieven voor fysiotherapeuten en betaalbaarheid voor de patiënt. Dit levert spanning op. Op korte termijn ga ik hier met zorgverzekeraars over in gesprek. Voor de lange termijn wordt gewerkt aan een aanspraak op fysiotherapie. Het Zorginstituut heeft daarom een opdracht voor het traject «Naar een passende aanspraak voor eerstelijns fysio- en oefentherapie» gekregen2.
De toename van het aantal mensen dat de tandarts mijdt om financiële redenen |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat het aantal mensen dat tandartsbezoeken overslaat vanwege de kosten is verdriedubbeld onder FNV-leden?1
Ik vind het van groot belang dat iedereen in Nederland toegang heeft tot goede mondzorg. Helaas kan het voorkomen dat mensen in een situatie verkeren dat dit niet het geval is. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van betrouwbare data is het moeilijk om een precieze uitspraak te doen over de hoeveelheid mensen in Nederland die puur vanwege financiën mondzorg mijden: de verschillende bronnen geven geen eenduidig beeld.
Afhankelijk van de definitie, de beschikbare databronnen, en de methoden van verzameling en analyse van data, variëren de schattingen tussen 0,4% (capaciteitsorgaan)2 en 11% (Commonwealth Fund)3. Het ACTA onderzoekt daarom in opdracht van het Ministerie van VWS en in samenwerking met Radboud UMC en de Hogeschool van Amsterdam: 1. wanneer men kan spreken van «ongewenste mijding van mondzorg», 2. hoeveel volwassenen in Nederland de mondzorg mijden om financiële redenen en 3. welke deelgroepen te onderscheiden zijn.
Waarom wordt er een onderzoek ingesteld naar «welke maatregelen het vermijden van mondzorg om financiële redenen kunnen terugdringen», als u gelijk de meest voor de hand liggende oplossing, namelijk gratis mondzorg voor iedereen, van de hand wijst?2
Gratis mondzorg is niet mogelijk. Er zullen altijd kosten zijn verbonden aan het bieden van mondzorg die door mensen moeten worden betaald.
Opname van mondzorg in het pakket is een ongerichte en kostbare ingreep in plaats van een gerichte aanpak voor de specifieke groep die hun mondzorgkosten niet meer kunnen betalen. Dit valt niet te rijmen met de pogingen om de almaar stijgende zorgkosten te beteugelen en om terughoudend om te gaan met generieke toevoegingen aan het pakket. Het eigen risico van zorg in de basisverzekering kan daarbij alsnog een drempel vormen.
Ik ben van mening dat een goede probleemanalyse, gevolgd door een doelgerichte en specifieke aanpak, meer opportuun is. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de beroepsverenigingen, waaronder de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (KNMT). Daarom ben ik momenteel samen met de Minister voor Armoedebestrijding een dergelijke aanpak aan het uitwerken om te voorkomen of te beperken dat mensen in armoede of met geldzorgen of schulden de mondzorg mijden. Dit doen wij in een project met zorgverzekeraars, gemeenten, beroepsorganisaties, Rijk en de Patiëntenfederatie.
Beseft u dat de stijging van het aantal tandartsmijders grotendeels veroorzaakt is door de jarenlange politieke keuze om mondzorg niet vanuit het basispakket te vergoeden, waardoor mensen nu ze financieel krapper komen te zitten gedwongen worden om te kiezen tussen noodzakelijke mondzorg en andere essentiële uitgaven, zoals de energierekening en voedsel?
Ik ben het niet eens met uw conclusie dat het aantal tandartsmijders grotendeels veroorzaakt is door de keuze om mondzorg niet vanuit het basispakket te vergoeden. Ik zie dat niet als een passende oplossing, zoals ook te lezen is in eerdere Kamerbrieven en antwoorden op Kamervragen hierover.5 Opname in het basispakket is geen garantie dat mensen wel naar de tandarts gaan: ook ten tijde van het ziekenfonds gingen er jaarlijks bijna 1 miljoen mensen niet naar de tandarts.
Bent u het ermee eens dat het schandalig is dat mensen in Nederland afhankelijk zijn van maatschappelijke organisaties als Dokters van de Wereld voor de toegang tot basale medisch-noodzakelijke zorg?
Geldzorgen kunnen mensen verlammen, waardoor zij niet altijd contact opnemen met hulpverleners en gebruikmaken van de voorzieningen die er zijn. Organisaties, zoals Dokter van de Wereld, laten zien dat het soms nodig is om naar de mensen toe te gaan. Gemeenten zetten daarom steeds vaker in op huisbezoeken als zij signalen krijgen over (beginnende) betalingsachterstanden. Vanuit dit contact kan worden geïnvesteerd in bredere hulpverlening waar een bezoek aan de tandarts onderdeel van kan zijn.
Bent u zich ervan bewust dat alleen al het productiviteitsverlies door tandziekten in Nederland drie miljard euro per jaar kost?3
In mijn antwoorden op de vragen van het lid Ellemeet (GroenLinks) (ingezonden 17 februari 2021)7 heb ik gereageerd op het onderzoek van Stefan Listl waar u naar verwijst. In dit onderzoek wordt geschat dat mondgezondheidsproblemen in Nederland samenhangen met een gemiddeld verlies van productiviteit van 209 dollar per persoon. Ook wordt beschreven dat er kanttekeningen te plaatsen zijn bij de gebruikte methodiek en schatting.
Bent u zich ervan bewust dat een gebrek aan mondzorg er ook voor kan zorgen dat mensen door onbehandelde mondziektes meer gezondheidsproblemen krijgen, waar vaak duurdere behandelingen voor nodig zijn? Bent u bereid om te onderzoeken hoeveel zorgkosten hierdoor jaarlijks worden veroorzaakt?
De afgelopen jaren zijn steeds meer onderzoeken beschikbaar die laten zien dat er relaties zijn tussen een ongezonde mond en andere gezondheidsproblemen.
Dit betreft met name associaties tussen parodontitis enerzijds en diabetes en cardiovasculaire aandoeningen anderzijds8. In dit verband heeft ook een onderzoek op basis van Nederlandse zorgverzekeringsdata laten zien dat er een significant effect is van parodontale behandeling op diabeteskosten9. De meerderheid van de onderzochte studies deed daarbij geen uitspraak over causaliteit. Dit betekent overigens niet noodzakelijk dat er geen causale verbanden zijn tussen mondziekten en chronische ziekten. Op dit moment is echter geen uitspraak te doen over welke ziektes en aandoeningen hun oorsprong kunnen hebben in een slecht verzorgde mond en dat een deel daarvan kan worden voorkomen door betere toegang tot mondzorg.
Ik ben bereid om (inter)nationale studies te volgen en hierover te rapporteren in de langdurige monitor die wordt opgezet om de mondgezondheid in Nederland te meten.
Waarom benadrukt u wel de kosten van opname van mondzorg in het basispakket, maar niet de hoge kosten van de gevolgen van zorgmijding?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 heb aangegeven wordt in de meerderheid van de onderzochte studies geen uitspraak gedaan over causaliteit. Een uitspraak over de kosten van zorgmijding is daarom ook lastig te doen. Temeer, omdat er ook geen eenduidige definitie is van zorgmijding en er verschillende oorzaken van zorgmijding te onderscheiden zijn.
Waarom benadrukt u enkel de kosten van collectieve financiering van mondzorg? Geven mensen momenteel niet ook geld uit aan de tandarts, maar dan privaat? Zijn dat niet ook zorgkosten? Stijgen de zorgkosten echt als je dit collectief zou gaan financieren? Verwacht u soms dat mensen daardoor massaal zouden stoppen met tandenpoetsen?
Opname van mondzorg in het basispakket zal ertoe leiden dat er veel zorg via het publieke domein wordt vergoed, voor de mensen die nu ook al naar de tandarts gaan vanuit de eigen portemonnee of via de private aanvullende verzekering. Voor lage inkomens wordt mondzorg vervolgens niet per definitie toegankelijker, omdat een groot deel van deze kostenverschuiving via het eigen risico weer bij de mensen zelf terechtkomt.
Concreet als volgt: De premiebetaler zal per jaar € 15 euro extra betalen. Daar moeten eventuele kosten voor eigen risico bij worden opgeteld. Deze variëren per persoon, afhankelijk van of iemand het eigen risico sowieso al vol maakt. In het slechtste geval waarbij iemand veel tandheelkundige kosten maakt (> € 385) en het eigen risico volledig wordt aangesproken, betaalt diegene dat jaar € 400 voor mondzorg via het basispakket.
Gelooft u echt dat de oplossing van het brede probleem van mensen die mondzorg mijden om financiële redenen ligt in het optuigen van meer bureaucratische regelingen om in specifieke gevallen ondersteuning te geven?
Ik wil de komende periode samen met de beroepsverenigingen, gemeenten en zorgverzekeraars onder andere verkennen hoe we bestaande regelingen gezamenlijk beter en gerichter kunnen inzetten. Het is niet mijn ambitie om nieuwe regelingen op te tuigen. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de beroepsverenigingen: de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (KNMT), de Nederlandse Vereniging voor Mondhygiënisten (NVM) en de Organisatie van Nederlandse Tandprothetici (ONT).
Waarom zou het een logische oplossing zijn om gemeenten, die bovendien vaak toch al kampen met financiële tekorten, allemaal verschillende eigen regelingen op te laten tuigen om een landelijk probleem op te lossen?
Omdat maatwerk is geboden. Het is van belang om bij het aanpakken van het probleem met mijding van mondzorg om financiële redenen te kijken naar verschillende relevante aspecten, zoals de grootte van het probleem, de te onderscheiden deelgroepen en samenhangende problemen (gebrek aan kennis, angst, etc.). Vervolgens kan hier gericht met lokale samenwerking hulp worden geboden.
Gemeenten werken met dezelfde regelingen, zoals een gemeentepolis of bijzondere bijstand, maar de uitvoering hiervan verschilt per gemeente. Deze regelingen zijn vaak ook een manier voor gemeenten, zorgverzekeraars en tandartsen om samen te werken. In verschillende gemeenten pakt dit logischerwijs verschillend uit. De komende periode zal bureau BS&F in opdracht van het Ministerie van VWS hier onderzoek naar doen en best practices verspreiden.
Bent u bereid om mondzorg voor alle Nederlanders weer in het basispakket op te nemen, zonder eigen risico?
Nee. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Zoals eerder aangegeven is de basis dat volwassenen een eigen verantwoordelijkheid hebben voor de verzorging van hun gebit. Er kunnen echter (financiële) omstandigheden zijn waardoor mensen hulp nodig hebben. Gemeenten kunnen waar nodig mensen bijstaan met gemeentelijke compensatieregelingen, de gemeentepolis en bijzondere bijstand. Helaas bieden gemeentelijke voorzieningen niet altijd een oplossing. Echter, opname in het basispakket is ook geen garantie dat iedereen wel naar de tandarts gaat: Ten tijde van het ziekenfonds gingen er jaarlijks bijna 1 miljoen mensen niet naar de tandarts.
Dit probleem kan sneller en doelgerichter worden aangepakt via lokaal maatwerk dan via het basispakket. Dit is in lijn met de aanbevelingen van de beroepsverenigingen: de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (KNMT), de Nederlandse Vereniging voor Mondhygiënisten (NVM) en de Organisatie van Nederlandse Tandprothetici (ONT).
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Ja.