Het reisadvies voor Rusland |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bulgaria, Poland, and Estonia advise their citizens to get out of Russia as soon as possible»1, en het vernieuwde reisadvies van de Verenigde Staten (VS) en Verenigd Koninkrijk (VK) voor Rusland?2
Ja.
Bent u bereid om in navolging van bovengenoemde landen Nederlanders op te roepen om Rusland zo snel mogelijk te verlaten? Zo nee, waarom niet?
Nederland roept sinds eind februari Nederlanders in Rusland op om het land te verlaten.
Het reisadvies voor Rusland is sinds het begin van de Russische oorlog in Oekraïne rood en oranje. Voor rode gebieden geldt dat reizen naar deze gebieden ten zeerste wordt afgeraden. Dit is bijvoorbeeld van toepassing voor de provincies die grenzen aan Oekraïne (en enkele andere gebieden in de Kaukasus). Voor de rest van Rusland geldt een oranje reisadvies. Dat betekent dat niet-essentiële reizen worden ontraden. In de tekst staat een dringende oproep aan Nederlanders om te overwegen of verblijf echt noodzakelijk is, waarbij specifiek benadrukt wordt dat dit zeker geldt voor mensen die tijdelijk in Rusland zijn, zoals studenten of zakenreizigers. Voor Nederlanders die permanent gehuisvest zijn in Rusland luidt het advies om na te denken over tijdig vertrek en op welke manier zij in dat geval het land kunnen verlaten.
Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen en zal het reisadvies aangepast worden indien nodig.
Waarom heeft Nederland (in tegenstelling tot de VS en het VK) het reisadvies voor Rusland nog grotendeels op oranje staan in plaats van rood?
Voor het Nederlandse reisadvies geldt dat de tekst van het advies leidend is: daarin staat per reisadvies precies uitgelegd wat de aanleiding is voor de kleurcode(s): welke risico’s er spelen en op welke manier reizigers met deze risico’s om kunnen gaan. Voor het Nederlandse reisadvies geldt dat de oranje kleurcode op dit moment het meest passend is. De veiligheidsrisico’s zijn immers verbonden aan specifieke personen en situaties, en gelden niet voor geheel Rusland.
Nederland stemt af met EU-partners. Het Nederlandse reisadvies voor Rusland is in lijn met dat van andere EU-partners (bijv. Frankrijk, België, Duitsland).
Heeft u contact gehad met de VS en het VK over welke risicoanalyse hieraan ten grondslag ligt (bijvoorbeeld het risico dat Rusland alle grenzen sluit en de chaos die daarop volgt)? Zo ja, hoe beoordeelt u die analyse? Zo nee, bent u bereid alsnog navraag te doen?
Er is meerdere keren contact geweest met de VS en het VK over hun reisadvies en veiligheidsvraagstukken. De reisadviezen van VS en VK benoemen grofweg dezelfde veiligheidsrisico’s als Nederland en ook in dezelfde bewoordingen. Het enige verschil is dat deze landen hier een rode kleurcode aan verbinden.
Bent u bereid om Nederlanders in Rusland actiever te benaderen om hen te adviseren het land zo snel mogelijk te verlaten, zowel persoonlijk als via publieke communicatie? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Sinds eind februari worden Nederlanders geadviseerd Rusland te verlaten: via het reisadvies (en updates daarvan) en via verschillende communicatiekanalen van de ambassade in Moskou (via de BZ Informatieservice, via sociale media).
Verborgen betalingen aan cardiologen |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat cardiologen zonder toestemming miljoenen euro’s van medische bedrijven ontvangen?1
Ja.
Heeft het gesprek met de Vereniging voor Cardiologie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat u aankondigde naar aanleiding van het nieuws over verborgen betalingen aan cardiologen al plaatsgevonden? Zo ja, wat is er uit dit gesprek gekomen?2
Naar aanleiding van de berichtgeving heb ik inmiddels een eerste gesprek gevoerd met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het gesprek met de Vereniging voor Cardiologie heeft nog niet plaatsgevonden. Zoals eerder toegezegd zal ik uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023 informeren over de uitkomsten van deze gesprekken.
Is de IGJ inmiddels een onderzoek gestart naar hoe het geld dat de cardiologen hebben ontvangen precies is besteed? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen resultaten van dit onderzoek verwacht worden?
De IGJ is een onderzoek gestart. Dit onderzoek richt zich op de verplichte transparantie bij gunstbetoon en de borging daarvan in de ziekenhuizen. Een eerste stap hierbij is een uitvraag bij de betreffende zorginstellingen. Duidelijk moet worden hoe binnen de instellingen de wettelijke kaders al dan niet zijn nageleefd, hoe de transparantie in de betreffende instelling is georganiseerd en hoe hierop intern wordt gecontroleerd. Daarnaast moet uit het onderzoek komen welke stappen door de instellingen worden ondernomen, en of de ziekenhuisbesturen voldoende handvatten hebben om te voldoen aan de (wettelijke) kaders.
Daarnaast is de IGJ in gesprek gegaan met de veldpartijen, die tezamen de verantwoordelijkheid dragen voor de zelfregulering, vastgelegd in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH). Hierbij wordt de huidige uitvoering van de bestaande zelfregulering besproken. Aan de hand van alle verkregen informatie bepaalt de IGJ welke vervolgstappen nodig zijn. Ik verwacht dat hier nog dit jaar meer bekend over is.
Kunt u inmiddels aangeven of het mogelijk is om deze verborgen betalingen terug te vorderen, of in ieder geval ervoor te zorgen dat deze betalingen ten goed komen aan de betreffende ziekenhuizen?
Als in het onderzoek van de IGJ overtredingen van de wettelijke kaders gunstbetoon worden geconstateerd, kan de IGJ daartegen optreden. Zo kan de IGJ overgaan tot het opleggen van bestuurlijke boetes.
Voor de duidelijkheid wil ik hier benadrukken dat dit mogelijke acties zijn, vanzelfsprekend moet eerst het onderzoek worden afgewacht. De IGJ heeft zelf geen bevoegdheid om betalingen binnen een privaatrechtelijke overeenkomst terug te vorderen of te doen terugvorderen.
Kunnen de betreffende cardiologen berispt worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen kunnen tegen hen genomen worden? Komt er een melding aan het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit is mogelijk. De IGJ kan betreffende zorgprofessionals en/of raden van bestuur en leveranciers van medische hulpmiddelen aanspreken op het niet voldoen aan de gestelde kaders. Indien op grond van de wettelijke kaders volgt dat er sprake is van een overtreding van de wet in het kader van gunstbetoon, kan de IGJ bestuursrechtelijke maatregelen nemen (de eerder benoemde bestuurlijke boete). Mocht in het onderzoek bij de IGJ het vermoeden van fraude ontstaan, dan kan de IGJ de FIOD hierop attenderen.
Deelt u de mening dat de kans op dit soort misstanden veel kleiner zou zijn en dat er meer mogelijkheden om in te grijpen zouden zijn, zoals op basis van het arbeidsrecht, als artsen in loondienst zouden zijn en betalingen van medische bedrijven slechts via ziekenhuizen zouden verlopen? Zo nee, waarom niet?
Zowel voor medisch specialisten die in loondienst werken als vrijgevestigde medisch specialisten geldt een meldplicht voor nevenactiviteiten en neveninkomsten bij het Transparantieregister. Echter, wanneer sprake is van kwade wil kan het zowel in loondienst als bij vrijgevestigden voorkomen dat nevenfuncties en neveninkomsten niet gemeld worden. Ik ben van mening dat voor beide gevallen, loondienst en vrijgevestigd, er duidelijke regels moeten zijn met adequate mogelijkheden tot ingrijpen als misstanden gesignaleerd worden. De arbeidsrelatie van een medisch specialist tot de zorginstelling zou hierin geen verschil mogen maken.
Het is mijn wens om beter te waarborgen dat betalingen aan zorgprofessionals en zorginstellingen inzichtelijk zijn. Dit neem ik zeer serieus. De komende tijd beraad ik mij daarom op de vraag wat hiertoe de meest effectieve maatregelen zijn. De vraag of, en zo ja in welke vorm, hiervoor nadere wet- en regelgeving nodig is, neem ik nadrukkelijk mee in deze afweging. Ik verwacht u in het eerste kwartaal van 2023 hierover nader te informeren.
De mogelijk tweede open communicatielijn van Ridouan Taghi |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving «Weski smokkelde berichten uit EBI onder druk van Ridouan Taghi» en «Was Inez Weski ook doorgeefluik voor Ridouan Taghi»?1, 2
Ja.
Kunt u garanderen dat Ridouan Taghi op dit moment geen tweede open communicatielijn heeft, waarvan misbruik kan worden gemaakt voor criminele doeleinden? Zo ja of nee, waarom?
Bovenstaande berichtgeving betreft communicatie via zogenaamde geprivilegieerde contacten.3 Ik kan niet garanderen dat gedetineerden geen misbruik maken van deze geprivilegieerde contacten. Communicatie tussen gedetineerden en geprivilegieerde personen zijn uitgesloten van de toezichtsmaatregelen die op basis van de Penitentiaire beginselenwet opgelegd kunnen worden. Als er concrete aanwijzingen zijn dat dergelijke contacten worden misbruikt voor strafbaar handelen, dan hebben politie en justitie vergaande bevoegdheden om op dit contact inbreuk te maken, zoals het tappen van gesprekken. Daarbij geldt dat inbreuk op het grondbeginsel van vertrouwelijke communicatie tussen advocaat en cliënt terecht zwaarwegende waarborgen kent.
Voor een beperkte groep gedetineerden ga ik, binnen de waarborgen die hiervoor gelden, de mogelijkheid om visueel toezicht te houden op deze gesprekken meenemen in de wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, zoals ik die heb aangekondigd in mijn brief van 26 september jl.
Kunt u garanderen dat bij twijfel toegang tot de Extra Beveiligde Inrichting ontzegd wordt? Zo ja of nee, waarom?
De Raad voor de straftoepassing en jeugdbescherming (RSJ) heeft uitgemaakt dat in de Penitentiaire beginselenwet niet expliciet de mogelijkheid tot het weigeren van een advocaat tot de inrichting is geregeld. Daartegenover geldt als algemeen beginsel dat binnen een penitentiaire inrichting de orde en de veiligheid dienen te worden gehandhaafd. Ook de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming dient ongestoord plaats te vinden. In zeer uitzonderlijke situaties kan het voorkomen dat de toegang van een advocaat in strijd komt met deze algemene beginselen. In die gevallen kan de advocaat gerechtvaardigd niet worden toegelaten. Een andere grond tot weigering kan zich voordoen indien de veiligheid van eenieder in de inrichting aanwezig niet verzekerd is als de advocaat wordt toegelaten.4
Een besluit om een advocaat de toegang tot de inrichting te weigeren vereist dan ook een draagkrachtige motivering, gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden. Dergelijke informatie wordt gedeeld via het zogeheten Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP). Het GRIP fungeert als centraal informatieknooppunt tussen het OM, de politie en de DJI en brengt advies uit in een zogeheten GRIP-rapport. Op basis van een GRIP-rapport kan dan alsnog een besluit worden genomen om een advocaat uit te sluiten van de toegang. Daarbij geldt dat alleen twijfel onvoldoende grondslag biedt om hiertoe over te gaan.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden, uiterlijk voor het aanstaande commissiedebat gevangeniswezen en tbs?
Ja.
Het gevaar dat er een Nederlands filiaal van de Londense shariarechtbank Al-Haddad wordt geopend en Nederlanders naar het VK afreizen om daar shariarecht te laten spreken |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de reportagereeks Breuklijnen waarin de kijker geconfronteerd wordt met de compleet eigen, op de sharia beruste, samenleving die is ontstaan in de Londonse wijk Tower Hamlet?
Ja.
Bent u het eens dat de situatie die in deze wijk ontstaan is, namelijk een waar extreme shariarechtspraak boven de democratische rechtsstaat gaat, zeer onwenselijk en zorgelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen zicht op de situatie in het Verenigd Koninkrijk, dus ik kan geen uitspraken doen over de situatie in deze wijk.
In algemene zin ben ik het met u eens dat een situatie waarin religieuze rechtspraak boven de beginselen van de democratische rechtsstaat en nationale wetgeving staat onacceptabel, onwenselijk en zeer zorgelijk is.
In Nederland is de Nederlandse wet altijd leidend. De wet geldt voor iedereen, ongeacht geslacht, religie of etniciteit. Iedereen moet op dezelfde bescherming van rechten en vrijheden een beroep kunnen doen. Daarnaast kan en mag er in Nederland geen sprake zijn van een parallelle rechtsstructuur die de werking van de Nederlandse (democratische) rechtsorde ondermijnt.
Deelt u de mening dat islamitische vrouwen, die in het bijzonder slachtoffer zijn van deze extreme sharia rechtspraak, juist door democratische wetten en de seculiere rechtsstaat beschermd dienen te worden? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Een ieder dient beschermd te worden door de Nederlandse wet- en regelgeving. Zeker degenen die extra kwetsbaar zijn.
Het kabinet staat voor een Nederlandse samenleving waarin ruimte is voor een grote diversiteit aan beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Grondrechten als gelijke behandeling, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, gelden voor iedereen in Nederland, dus ook voor islamitische vrouwen.
Uitgangspunt in Nederland is dat eenieder de vrijheid heeft om zichzelf te kunnen zijn, zich te ontplooien en om het leven naar eigen inzichten en wensen in te vullen, echter altijd binnen de kaders van onze democratische rechtsorde, die gelden voor iedere burger.
Deelt u de mening dat er in een democratische rechtstaat geen ruimte is voor shariarechtbanken? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van godsdienst biedt gelovigen ruimte om advies in te winnen van een religieuze instantie of voorganger, zoals een imam of predikant. Het staat mensen vrij om dit ook in het buitenland te doen. Een religieus advies mag echter nooit of te nimmer afgedwongen worden door een machtsmiddel en mag tevens niet indruisen tegen de Nederlandse wetgeving en democratische rechtsorde. Het is in strijd met de beginselen van de Nederlandse democratische rechtsstaat als mensen een eigen rechtssysteem hanteren, dat zich buiten de kaders van deze rechtsorde begeeft. Het kabinet ziet het als haar taak dit te voorkomen. Ook mag er van indirecte dwang geen sprake zijn. De Nederlandse wet is te allen tijde leidend en men moet zich altijd op deze rechten en vrijheden kunnen beroepen. De beoordeling of er sprake is van strijd met beginselen van de Nederlandse democratische rechtsstaat is aan de Nederlandse rechter.
Uitspraken van imams of andere religieuze voorgangers die religieuze wetgeving, zoals shariarecht, toepassen, hebben in Nederland geen bindende kracht en kunnen derhalve de Nederlandse wet niet opzijzetten.
Bent u ervan op de hoogte dat dezelfde shariarechter en haatprediker Al-Haddad ook volgers heeft in Nederland en dat hij mogelijkheden verkent om eenzelfde rechtbank in Nederland te openen? Hoe beoordeelt u deze zorgwekkende ontwikkeling?
Voorop staat dat ik het onacceptabel, onwenselijk en zeer zorgelijk vind als er in Nederland een shariarechtbank, of een andere religieuze rechtbank, zou worden geopend die religieuze wetgeving boven de Nederlandse wet plaatst. Dat staat namelijk lijnrecht tegenover de rechtsorde zoals wij die in Nederland kennen. Hier trek ik een duidelijke grens. Zoals eerder bij vraag 4 aangegeven is er in Nederland dan ook geen ruimte voor religieuze rechtbanken, waaronder shariarechtbanken, waar religieuze oordelen afgedwongen worden en de in Nederland geldende wetten en vrijheden opzij gezet worden.
Zoals u weet ga ik niet in op individuele gevallen. In Nederland bestaan geen officiële of formeel erkende shariaraden. Wel kunnen moslims, of andere gelovigen, aankloppen bij een geestelijke of voorganger voor een advies of religieus oordeel bij maatschappelijke of religieuze vraagstukken.
Als er sprake is van advies of alternatieve vormen van geschilbeslechting, zoals bemiddeling, biedt het Nederlandse rechtssysteem daar wel ruimte voor onder de strenge voorwaarde dat dit volledig vrijwillig plaatsvindt en deze adviezen binnen de grenzen blijven die de Nederlandse wet en de openbare orde daaraan stellen. Ook bij religieuze bemiddeling of advies moet het gegarandeerd zijn dat de Nederlandse wet leidend is en gerespecteerd wordt. Daar mag geen twijfel over bestaan.
De Nederlandse wet biedt mogelijkheden om organisaties met het oog op de openbare orde te verbieden. Onder artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde op verzoek van het openbaar ministerie door de rechtbank verboden verklaard en ontbonden worden. Daarnaast geldt dat ook voor andere organisaties die aanspraak kunnen maken op het recht op vereniging als bedoeld in artikel 8 van de Grondwet hun recht op vereniging kan worden beperkt in het belang van de openbare orde.
Bent u het met eens dat koste wat kost moet worden voorkomen dat er in Nederland een filiaal van deze shariarechtbank wordt geopend? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties heeft u al genomen om dit te voorkomen en welke acties gaat u nog ondernemen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u inzichtelijk hoeveel moslims in Nederland contact zoeken met deze Al-Haddad of andere soortgelijke shariarechters in het buitenland om geschillen volgens de sharia op te lossen? Zo ja, kunt u dit aantal afzetten tegen voorgaande jaren? Is er sprake van een stijging? Zo nee, wat gaat u doet om hier beter zicht op te krijgen? Zo ja, welke acties verbindt de regering aan een bezoek aan een buitenlandse shariarechtbank?
Nee, dit is niet inzichtelijk. Ik heb geen bevoegdheid of grondslag om hier, op persoonsniveau, onderzoek naar te doen. In samenspraak met de Minister voor Rechtsbescherming zal ik bezien welke wetenschappelijke onderzoeken er zijn gedaan naar shariarechtspraak in ons land en of deze onderzoeken voldoende zicht bieden op de huidige ontwikkelingen en of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om te doen wat nodig is om onze eigen wijken te beschermen tegen deze vorm van religieuze onderdrukking van vrouwen, extreme ongelijkheid en de mogelijkheid dat hele wijken in parallel samenlevingen veranderen? Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat een dergelijke situatie ook in Nederland ontstaat?
Zoals eerder aangegeven kan er in Nederland geen sprake zijn van een parallelle rechtsstructuur die de werking van de Nederlandse (democratische) rechtsorde ondermijnt.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 dient eenieder beschermd te worden door de Nederlandse wet- en regelgeving. Iedere Nederlander moet zich ten alle tijden op deze rechten en vrijheden kunnen beroepen. Als dit niet het geval is, vind ik dit zeer onwenselijk. Zoals bij het antwoord op vragen 5, 6 en 10 aangegeven, is het OM bevoegd om op te treden als dit nodig is.
Daarnaast zet het kabinet in op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van kwetsbare of vatbare groepen in onze samenleving. U wordt binnenkort geïnformeerd over de Agenda veerkracht en weerbaarheid. Daar iedereen in Nederland volwaardig moet kunnen deelnemen aan de samenleving zonder inperking van hun zelfbeschikkingsrecht zet ik met het onlangs aan u toegezonden meerjarenplan zelfbeschikking 2022–2025 in op de bevordering van zelfbeschikking in gesloten gemeenschappen. Ik werk hierbij samen met maatschappelijke organisaties.
Als er sprake is van onderdrukking in bepaalde wijken dan zijn hiervoor landelijke en lokale instanties beschikbaar die deze vrouwen kunnen helpen. De overheid kan dit niet alleen en werkt hierbij samen met maatschappelijke organisaties die goed in staat zijn om de diverse gemeenschappen te bereiken.
Ziet u hier ook een rol weggelegd voor de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering – waarin een aantal departementen samenwerken – kan gemeenten adviseren bij hulpvragen over (algemene) fenomenen, zoals hoe om te gaan met religieuze rechtspraak, maar niet over casuïstiek waarbij persoonsgegevens verwerkt worden. Ik zie daarom op casusniveau geen rol voor de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering. Zoals u weet is de Taskforce sinds april 2021 gestopt met persoons- of organisatie duidingen, vanwege het ontbreken van een juridische grondslag hiervoor van een aantal partners. Hier is uw kamer eerder over geïnformeerd.1
Kunt u aangeven of u signalen heeft dat er op dit moment ook al shariarechtbanken acties zijn in Nederland? Welke zijn dat dan en welke acties onderneemt u dan om dit tegen te gaan? Is onze bestaande wetgeving voldoende om shariarechtbanken te kunnen sluiten wanneer zij een ondermijning van de Nederlandse rechtstaat vormen of ongelijkheid tussen man en vrouw stimuleren?
Zie antwoord vraag 5.
De campagne ‘Drafsport? Onsportief!’ |
|
Erik Haverkort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de campagne «Drafsport? Onsportief!» van Dier&Recht?1, 2
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering van Dier&Recht dat dwangmiddelen binnen de drafsport pijn en letsel bij paarden veroorzaken?
Ik deel de opvatting van Dier&Recht dat paardensport niet gepaard moet gaan met pijn, dwang en aantasting van paardenwelzijn. De campagne sluit aan bij een brede maatschappelijke zorg met betrekking tot het gebruik van dieren in de sport en het gebruik van dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen tijdens uitoefening van deze sport.
Bij alle paardensportdisciplines worden hulpmiddelen gebruikt. De toegestane hulpmiddelen worden gereguleerd in harnachementgidsen. Op de website van de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (verder: SNDR) zijn alle reglementen van de draf- en rensport te downloaden, waaronder de harnachementgids: https://www.ndr.nl/downloads/. In de wedstrijdreglementen is te lezen welke hulpmiddelen en materialen gebruikt mogen worden tijdens wedstrijden. Daarnaast zijn er ook bepalingen opgenomen die ingaan op het gedrag van de rijder voor, tijdens en na de koers. Deze gidsen en reglementen worden regelmatig herzien op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Zo zijn de reglementen over zweepgebruik in afstemming met de Vereniging van Draf- en Rensport Professionals (VDRP) aangescherpt.
Om beter zicht te krijgen op het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen heb, ook naar aanleiding van de moties van het Lid Graus over het in kaart brengen en verbieden van alle dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen (Kamerstuk 28 286, nr. 1151 en nr. 1175), heb ik het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om dit te inventariseren voor honden en paarden. Mogelijk worden naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek het wedstrijdreglement en harnachementgids verder aangescherpt.
Wat is uw reactie op het Finse onderzoek, waar de campagne naar verwijst, waaruit blijkt dat dwangmiddelen binnen de drafsport paarden fysiek beschadigen en dat 84 procent van de paarden na een wedstrijd verwondingen in de mond heeft?3
Het percentage geconstateerde verwondingen in de mond bij dit onderzoek is schrikbarend hoog. Hierbij wil ik wel de kanttekening plaatsen dat de situatie in Nederland mogelijk afwijkt van die in Finland. Cijfers over de Nederlandse drafsport ontbreken. Het onderzoek heeft een correlatie (geen oorzakelijk verband) gevonden tussen het gebruik van bepaalde bitten en de verwondingen in de mond van de onderzochte paarden. De onderzoekers geven aan dat ook andere factoren, zoals teugelvoering en gebitsverzorging een rol zouden kunnen spelen in het veroorzaken van deze wonden.
Afgezien van de specifieke bitten, is er geen verband gevonden tussen het gebruik van hulpmiddelen als de opzetteugel of de tongband en de wonden in de mond van de paarden.
Wat is uw reactie op de stelling uit de campagne dat bitten aan mondhoeken trekken, waardoor het gehemelte en het tandvlees van paarden beschadigd wordt en dat de tong aan de onderkaak vastgebonden wordt om de druk van het bit te verminderen met als gevolg dat paarden chronisch letsel oplopen?
Het bit is al vele eeuwen een middel om paarden te kunnen sturen en om hun snelheid te kunnen regelen. Dat gebeurt niet alleen in de draf- en rensport. Het risico op beschadiging van het gehemelte en het tandvlees is naast eigenschappen van het bit zelf afhankelijk van veel overige factoren, zoals de gebitsverzorging en de teugelvoering. Bitten waarvan is aangetoond dat deze een verhoogd risico geven op verwondingen in de mond, zouden niet in de harnachementgids opgenomen moeten worden.
Voor wat betreft het tongenbandje blijkt uit het Finse onderzoek geen verband tussen het gebruik van dit bandje en verwondingen in de mond van het paard. Dit neemt niet weg dat er andere nadelige gevolgen kunnen zijn van het (verkeerd) gebruik van het tongenbandje. In de harnachementgids van de SNDR staat opgenomen dat dit hulpmiddel is toegestaan, maar wel zodanig dient te zijn aangebracht dat de bloeddoorstroming van de tong niet wordt belemmerd. De bij een wedstrijd aanwezige baancommissaris houdt toezicht op naleving van het wedstrijdreglement. Verkeerd gebruik van het tongenbandje, waarbij de bloeddoorstroming van de tong wordt belemmerd en de tong blauw kleurt, keur ik ten zeerste af.
Hoe verklaart u de stelling uit de campagne dat veel dwangmiddelen – zoals de opzetteugel, oordoppen, het vastbinden van staart en tong – verboden zijn binnen paardensportdisciplines die bij de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) aangesloten zijn, maar bij de drafsport wel gebruikt worden?
De drafsport is een ander soort sport dan de andere disciplines binnen de KNHS, het is niet vreemd dat hier verschillende hulpmiddelen voor zijn toegestaan. Wel heb ik, zoals hierboven aangegeven, het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om onderzoek te doen naar het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen voor honden en paarden.
In hoeverre bent u van mening dat de gedragsregels die de drafsport hanteert op dit moment voldoende toezien op dierenwelzijn?
Ook bij de SNDR zijn signalen waargenomen omtrent de maatschappelijke onrust over mogelijke dierenmishandeling in de paardensport. Daarom is enige jaren geleden door de SNDR een Commissie Welzijn in het leven geroepen. Deze commissie, bestaande uit deelnemers, dierenartsen en functionarissen en bestuursleden van de SNDR hebben sindsdien diverse activiteiten ontplooid om de sport diervriendelijker te maken. Zo zijn de reglementen over zweepgebruik in afstemming met de Vereniging van Draf- en Rensport Professionals (VDRP) aangescherpt en wordt hier consequent op gehandhaafd. Meest recente onderdeel van het werk van de commissie is het opstellen van een ethische code voor het welzijn van de draver en de volbloed.
Op welke manier houdt u toezicht op dierenwelzijn binnen de drafsport?
De NVWA voert toezicht op dierenwelzijn risicogebaseerd uit. Toezicht binnen de drafsport vindt met name naar aanleiding van meldingen plaats.
In hoeverre deelt u de mening dat het doel van de drafsport, namelijk plezier en gokken, geen redelijk doel is, in het kader van artikel 2.1 lid 1 van de Wet Dieren, aangezien dwangmiddelen paarden pijn of letsel toebrengen?
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet dieren en uit die wet volgt dat de wetgever wedstrijden met dieren, waaronder de drafsport, niet heeft verboden4. In algemene zin kan daarom niet worden gesteld dat uit de Wet dieren volgt dat de drafsport in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren zou zijn. Dat laat onverlet dat houders van de dieren die aan die wedstrijden deelnemen zorg dienen te dragen voor de gezondheid en het welzijn van de dieren en voldoen aan de eisen die de Wet dieren aan hen stelt. Hierbij hoort ook dat er niet in strijd wordt gehandeld met artikel 2.1 van de Wet dieren. In voorkomende gevallen moet daarom worden beoordeeld of een bepaald hulp-of trainingsmiddel dat pijn of letsel veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier benadeeld een redelijk doel dient, er van uitgaande dat de drafsport als zodanig is toegestaan. Waar dit nodig blijkt, kunnen er bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld op basis van de Wet dieren. In de eerste plaats specifiek over wedstrijden met dieren, waaronder een verbod op wedstrijden met een bepaald doel, mede in het belang van het welzijn van de betrokken dieren (op basis van artikel 2.15). In de tweede plaats kunnen specifieke gedragingen waarbij gebruik wordt gemaakt van bepaalde voorwerpen worden verboden (op basis van artikel 2.1, vijfde lid in samenhang met het derde lid, van de Wet dieren). Of en in hoeverre het nodig is daarvan gebruik te maken zal mede afhangen van de uitkomsten van het onderzoek waarover in het antwoord op vraag 9 wordt gesproken en de wijze waarop de sector daar gevolg aan geeft.
Wat is uw reactie op de oproep in de campagne om dwangmiddelen binnen de drafsport te verbieden?
Ik kan me vinden in deze oproep. Hulpmiddelen waarbij er een groot risico is op welzijnsaantasting zouden niet gebruikt moeten worden. Dit geldt niet alleen voor de drafsport, maar voor iedere interactie met dieren. Helaas ontbreekt in veel gevallen onderzoek naar het al dan niet schadelijk zijn van een specifiek middel. Daarom heb ik, zoals aangegeven bij het antwoord op vragen 2 en 5, het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen bij honden en paarden te inventariseren. De resultaten van dit onderzoek kunnen onder andere door de SNDR gebruikt worden om hun harnachementgids tegen het licht te houden.
Het opstarten van een mediation traject met het COA, rijk en gemeente Westerwolde |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de breed aangenomen motie opstarten mediation traject Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in de gemeenteraad van Westerwolde? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met de betreffende motie. Allereerst wil ik mijn waardering uitspreken voor de jarenlange inzet van de gemeente om ruimte te bieden aan de locatie in Ter Apel waar het asielproces over de volle breedte wordt doorlopen. Op 28 november 2022 bracht ik een informeel werkbezoek aan de gemeente Westerwolde om de wensen en zorgen die leven onder het college van burgemeester en wethouders en de fractievoorzitters van de gemeenteraad te bespreken. In dat kader kwam ook de aangenomen motie over het opstarten van een mediation traject ter sprake. Het is spijtig dat de gemeenteraad zich genoodzaakt voelt om deze stap te zetten. Tegelijkertijd is een dergelijk traject bij uitstek geschikt om de samenwerkingsrelatie te verbeteren en het vertrouwen te herstellen.
Onderschrijft u dat in meerdere gevallen het COA afspraken met de gemeente Westerwolde niet is nagekomen?
Als gevolg van de druk op de keten van asiel tot integratie is het helaas niet altijd mogelijk gebleken om de met de gemeente Westerwolde afgesproken maximale opvangcapaciteit van 2000 personen in acht te nemen. In de afgelopen periode had het COA onvoldoende mogelijkheden om asielzoekers door te laten stromen naar locaties elders in het land. Bovendien was de instroom van asielzoekers hoger dan in voorgaande jaren het geval was en leverde de uitstroom van vergunninghouders naar huisvesting in gemeenten onvoldoende plekken op in de opvang. Vooral afgelopen zomer werd dat pijnlijk duidelijk en liep het in de keten op meerdere fronten vast, met een schrijnende situatie in en om de locatie Ter Apel tot gevolg.
Op dit moment bedraagt de bezetting in Ter Apel minder dan 2000 personen. Dit komt vooral doordat doorstroom naar locaties elders mogelijk is, zoals de locatie Marnewaard in de gemeente Het Hogeland waar mensen kort kunnen verblijven terwijl zij wachten op de start van het aanmeldproces in Ter Apel. De komende weken moet blijken of deze ontwikkeling doorzet. Alle inzet is erop gericht om structurele verbetering te realiseren. De problematiek is echter complex en de afhankelijkheden binnen de keten groot. Tegen de achtergrond van deze realiteit en met hulp van alle betrokken partijen spant het COA zich tot het uiterste in om zich te houden aan de afspraken uit het bestuursakkoord.
Bent u bekend met de wensen van gemeente Westerwolde die zowel de leefbaarheid in de gemeente Westerwolde als de structurele problematiek bij het COA een oplossing bieden, en wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met de wensen van de gemeente Westerwolde die betrekking hebben op de realisatie van nieuwe aanmeldcentra en voldoende opvangplekken alsmede de ontwikkeling van een «plan B» voor de onverhoopte situatie dat de maximale opvangcapaciteit op de locatie Ter Apel weer dreigt te worden overschreden. Ik onderschrijf de noodzaak om Ter Apel structureel te ontlasten en de aanhoudende tekorten in de asielopvang op te lossen. Met dit doel heeft het kabinet bestuurlijke afspraken met partners in de migratieketen en medeoverheden gemaakt waarover uw Kamer op 26 augustus 2022 is geïnformeerd.1 Daarnaast heeft het kabinet ook een aantal politieke afspraken gemaakt. Ik hecht grote waarde aan de overeengekomen maatregelen en zet, samen met alle betrokken partijen, onvermoeibaar in op de uitvoering ervan.
Kunt u per individuele wens van de gemeente Westerwolde de Kamer informeren in hoeverre u van plan bent hierin mee te gaan? Zo ja, kunt u per wens aangeven op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet staat beschreven in de bestuurlijke en politieke afspraken waar in het antwoord op vraag 4 naar wordt verwezen. De wensen van de gemeente Westerwolde zijn veelal in vergelijkbare bewoordingen of met een vergelijkbare strekking in de afspraken opgenomen. Als zodanig zet ik mij vanzelfsprekend in om de wensen te verwezenlijken. In periodieke brieven informeer ik uw Kamer over de invulling en voortgang van de getroffen maatregelen, meest recentelijk op 18 november jl.2
Hoe gaat u de gemeente Westerwolde tegemoet komen en ondersteunen om tot een gezamelijke nieuwe bestuursovereenkomst te komen?
De geldigheid van de huidige bestuursovereenkomst staat op dit moment niet ter discussie. Voor zover de ontwikkeling van een nieuwe bestuursovereenkomst aan de orde is, zou dit moeten volgen uit het nog te doorlopen mediation traject. Het is van groot belang dat de gemeente Westerwolde en het COA op basis van vertrouwelijkheid en vrijwilligheid het mediation traject met elkaar doorlopen, te meer vanwege de inzet op het herstel van vertrouwen. Om die reden onthoud ik mij van uitspraken waarmee ik vooruit zou lopen op een mogelijke uitkomst en die het verloop van het traject kunnen beïnvloeden.
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van RTV Noord1 waarin Marco Visscher (fractievoorzitter grootste partij van Westerwolde) voorstelt om naar de rechter te stappen om de overeenkomst met het COA te ontbinden mocht dit traject niet adequaat bevonden worden? Beseft u dat het sluiten van de COA-locatie in Ter Apel ten gevolge van een rechtsgang een enorme crisis oplevert voor de asielketen?
Ja, ik ben bekend met het standpunt van dhr. Visscher. Op basis van mijn gesprekken met de gemeente Westerwolde en het COA heb ik vertrouwen dat beide partijen open en constructief het traject ingaan met het oog op het continueren en – waar mogelijk – verbeteren van de samenwerkingsrelatie. Ik heb dan ook geen reden om aan te nemen dat een gedragen oplossing waarin alle belangen worden behartigd niet gevonden kan worden. Tot slot benadruk ik dat de locatie Ter Apel van onschatbare waarde is voor het asielproces en daarmee voor alle ketenpartners, waaronder het COA.
Bent u het eens met de stelling dat een succesvol mediation traject wenselijker is dan een rechtsgang van de gemeente Westerwolde?
Ja, het staat buiten kijf dat een succesvol mediation traject de voorkeur heeft boven rechterlijke tussenkomst. Het streven van een mediation traject is immers gericht op het (her)opbouwen van vertrouwen tussen de partijen op vrijwillige basis. Partijen hebben een eigen verantwoordelijkheid om deel te nemen en invulling te geven aan het traject. De uitkomst zal om die reden per definitie op de steun en medewerking van partijen kunnen rekenen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen voor 26 oktober 2022 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden. Dat betekent evenwel niet dat tot het moment van schrijven geen stappen zijn ondernomen. Zo heeft de gemeente Westerwolde aan de Nationale ombudsman, dhr. van Zutphen, gevraagd om een rol te spelen in het traject. Ik heb begrepen dat hij inmiddels met beide partijen heeft gesproken en voornemens is op basis hiervan een voorstel te doen.
Het bericht dat er weer asielzoekers op het terrein voor Ter Apel hebben overnacht |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat wederom asielzoekers op het terrein voor Ter Apel hebben geslapen?1
Het klopt dat er in de nacht van dinsdag 27 op woensdag 28 september circa 30 mensen buiten hebben geslapen. Omstreeks 00.45 uur ’s nachts was aan iedereen op het voorterrein van Ter Apel onderdak geboden. De groep die deze nacht buiten heeft doorgebracht is op een later moment in Ter Apel aangekomen en kon daarom niet meer naar een opvanglocatie worden gebracht. Ook was er op dat moment geen mogelijkheid meer, ondanks de inspanningen van alle samenwerkingspartners op en rond de locatie, om anderszins in onderdak te voorzien, zoals in de sporthal en wachtruimen van de IND op Ter Apel. Alle inspanningen zijn erop gericht om dit in de toekomst te voorkomen.
Hoe is dit mogelijk, aangezien de regering beweerde dat dit voorbij zou zijn?
Zie antwoord vraag 1.
Waren er vervangende plekken voor de (nood)opvanglocaties die volgens het nieuwsbericht op 27 september jl. zijn gesloten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom zijn de asielzoekers daar niet naartoe gebracht?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kan het dat bij het sluiten van (nood)opvanglocaties asielzoekers weer naar Ter Apel worden gebracht? Was dat conform afspraak of is er een gebrek aan coördinatie?
Alle inzet is erop gericht om Ter Apel te ontlasten. Het sluiten van (crisis nood)opvanglocaties wordt niet opgevangen door de mensen vanuit deze locaties onder te brengen in Ter Apel.
Op dit moment reizen incidenteel mensen die verblijven op (crisis)noodopvanglocaties, en zijn aangekomen voor de inzet van het ticketingsysteem, zelfstandig naar Ter Apel omdat zij de indruk hebben op die manier eerder aan de beurt te zijn in het I&R-proces. Deze groep wordt voorlichting gegeven om te laten zien dat het zelfstandig afreizen er niet toe leidt dat de asielaanvraag sneller in behandeling wordt genomen. Ook is het incidenteel voorgekomen dat mensen naar Ter Apel werden gebracht als er een crisisnoodopvanglocatie sloot. Dit is uitdrukkelijk niet de bedoeling. In reactie daarop is met de betrokken veiligheidsregio’s afgesproken dat dit in het vervolg daarom niet meer zo zou gebeuren.
Welk deel van de capaciteit van de locatie Zoutkamp werd op 27 september jl. benut?
In de ochtend van 27 september verbleven circa 540 personen in Zoutkamp. Op deze locatie kunnen maximaal 600 mensen verblijven.
Begrijpt u dat de gemeenteraad Westerwolde inmiddels aanstuurt op een nieuw contract met het COA nu de regering zijn beloften niet nakomt?2
Ik begrijp dat de huidige situatie in de gemeente Westerwolde onwenselijk is voor alle partijen. De druk op de asielketen is nog steeds onverminderd hoog. Hoewel de situatie in de gemeente Westerwolde is verbeterd en er geen mensen meer buiten voor de poort overnachten, blijft de druk om iedereen onderdak te bieden ongekend hoog. Uw Kamer is op 14 oktober jl. per brief geïnformeerd over het actueel beeld in Ter Apel. Zoals vermeld in de brief, verblijven op dit moment nog altijd meer dan 2.000 personen in Ter Apel. Dat is nog steeds meer dan afspraken met de gemeente Westerwolde toestaan.
Op 26 augustus jl. is uw Kamer geïnformeerd over de bestuurlijke en politieke afspraken die het kabinet samen met partners in de migratieketen en medeoverheden heeft gemaakt over de aanpak van de opvangcrisis. Hoewel het COA, de gemeenten en de rest van de migratieketen heel hard werken om meer opvangplekken te realiseren, moet ik helaas constateren dat nog steeds sprake is van een landelijk tekort aan plekken. Zoals vermeld in de Kamerbrief van 14 oktober jl. zijn er minder crisisnoodopvangplekken gerealiseerd door gemeenten en veiligheidsregio´s. Hoewel gemeenten wel op schema liggen ten aanzien van de taakstelling huisvesting vergunninghouders en het inlopen van de achterstand, blijft de versnelde huisvesting van 20.000 vergunninghouders door gemeenten momenteel achter op schema liggen. Voorts is de totale instroom op dit moment aanzienlijk hoger dan aan het begin van dit jaar was voorzien. Alle omstandigheden tezamen maakt dat het tot op heden niet is gelukt om de afspraken met Westerwolde na te komen. Dit betreur ik ten zeerste.
Ik onderschrijf de noodzaak om in gezamenlijkheid al het nodige te doen om de afspraken met de gemeente Westerwolde na te komen. Op verschillende lagen binnen de betrokken organisaties wordt met man en macht gewerkt om te komen tot een structurele oplossing voor de algehele opvangproblematiek.
Ik ben de gemeente Westerwolde zeer erkentelijk voor al hetgeen zij doet in de huidige situatie. Wij zijn voortdurend in gesprek met de gemeente Westerwolde over de problematiek die zij aldaar ervaren. Ik ben bereid om met de gemeente Westerwolde te spreken over de toekomst van de asielopvang. Dit gesprek zal zo spoedig mogelijk worden georganiseerd.
Waarom lukt het niet om uw afspraken met de gemeente Westerwolde na te komen?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om in gesprek te treden met de gemeente Westerwolde over de toekomst van asielopvang in die gemeente? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Wat is uw reactie op het bericht dat de medische en psychische hulp aan asielzoekers in noodopvanglocaties tekort schiet?3
De uitdagingen die het vinden van voldoende opvangplekken met zich meebrengen, zorgen ook voor uitdagingen voor de medische zorg aan asielzoekers. Desalniettemin lukt het in samenwerking met diverse zorgpartijen om in (vrijwel) alle opvanglocaties, met inbegrip van de (crisis)noodopvanglocaties, de toegang tot de huisarts te realiseren. Er wordt daarnaast gebruik gemaakt van een praktijklijn die is ingezet vanuit GZA, een 24/7 bereikbare telefoondienst inclusief tolkvoorziening die triage kan verrichten en waar nodig (bijvoorbeeld bij spoedgevallen) doorverwijzen naar een (spoed)huisarts. Zo nodig verwijst deze (spoed)huisarts weer door naar 2de lijnszorg. Voor de continuïteit van de zorg wordt gebruik gemaakt van een centraal beheerd medisch dossier dat beschikbaar is voor de huisartsen op de locaties. Dus ook in geval van verhuizingen is het medisch dossier beschikbaar voor de nieuwe huisarts. Net als dat voor andere inwoners van Nederland geldt, kan via de huisarts vervolgzorg worden ingeschakeld en indien nodig ook psychische hulp. Samen met verschillende zorgpartijen vindt verder overleg plaats om te kijken hoe we – gegeven de huidige opvangsituatie – de zorg nog verder kunnen verbeteren.
In Ter Apel zijn per 1 november de dagelijkse openingstijden van het GZA tot 22 uur verruimd. Hierdoor is het ook in de avonden mogelijk om ter plaatse triage te doen en medische zorg te bieden waar nodig. Ook is er hierdoor meer aanwezigheid op het voorterrein en in de wachtkamers om tijdig zaken te kunnen signaleren.
Wat gaat u doen om «de ernstige schadelijke effecten op het psychisch en lichamelijk welzijn» te beperken en te voorkomen?
Zie antwoord vraag 9.
Wanneer verwacht u eindelijk te kunnen stoppen met noodopvanglocaties en te zorgen voor adequate opvang?
In de nabije toekomst zie ik geen mogelijkheden om te kunnen stoppen met de noodopvanglocaties, ondanks dat alle inspanningen hier wel op gericht zijn. In de brief die op 14 oktober jl. naar uw Kamer is verstuurd, wordt uitgebreid ingegaan op de voortgang van diverse sporen.4
Op 8 november jl. heb ik uw Kamer kunnen mededelen dat het wetsvoorstel gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen in consultatie is gebracht. Onderdeel van de afspraken op 26 augustus was de toezegging om een wettelijke taak voor gemeenten om asielopvangvoorzieningen mogelijk te maken. Daarmee wordt invulling gegeven aan de wens vanuit het Veiligheidsberaad en de commissarissen van de Koning in hun rol als rijksorgaan om juridisch instrumentarium te ontwikkelen en (verder) invulling te geven aan de inhoudelijke plannen rondom asielopvang.
Het bericht 'Energiebedrijven wijken niet: laat aangekondigde prijsverhogingen gaan door' |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Energiebedrijven wijken niet: laat aangekondigde prijsverhogingen gaan door»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat energiebedrijven tóch per 1 oktober hun prijzen gaan verhogen, terwijl dit, zoals u zelf ook erkent, níét is toegestaan? Waarom laat u dit gebeuren?
Zoals ik uw Kamer reeds gemeld heb in het Vragenuur van 27 september jl., vind ik het zeer onwenselijk dat energieleveranciers hun prijsverhoging voor 1 oktober toch wilden doorzetten. Ik heb ook aangegeven dat het aan de onafhankelijk toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) is om een eventueel onderzoek te starten naar mogelijke wettelijke overtredingen. De ACM heeft energieleveranciers op 27 september per brief opgeroepen zich aan de wettelijke regels te houden. Tegen energieleveranciers die dat niet doen, kan de ACM handhavend optreden, hetzij door het opleggen van boetes, lasten onder dwangsom of bindende aanwijzingen.2
Na de aankondiging door de ACM, hebben de vijf grootste energieleveranciers in Nederland gehoor gegeven aan de oproep van de ACM om hun besluit terug te draaien. Inmiddels hebben ook andere, kleinere leveranciers bij de ACM aangegeven in geval van tariefwijzigingen de termijn van 30 dagen te zullen respecteren.
Staat u nog steeds achter uw eigen woorden dat energiebedrijven zich per direct aan de regels moeten houden? Zo ja, waarom grijpt u niet meteen in?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u er onmiddellijk voor zorgen dat de aangekondigde prijsverhogingen níét doorgaan?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze vragen vóór 1 oktober beantwoorden?
Beantwoording voor 1 oktober is helaas niet mogelijk gebleken; wel zo snel mogelijk daarna.
Het bericht de Europese Unie voornemend is een waterstofbank in het leven te roepen |
|
Jan Klink (VVD), Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie voornemens is om een waterstofbank op te richten met drie miljard euro in kas? Wat is daarop de reactie van de Minister?1
Ik ben op de hoogte van het voornemen, zoals verwoord door de voorzitter van de Europese Commissie, tijdens haar Staat van de Unie-toespraak. Inhoudelijk is hierover nog weinig bekend anders dan dat de Europese Commissie heeft aangegeven dat het beschikbare instrumentarium een bedrag van 3 miljard euro omvat. De Commissie is op dit moment bezig met de verdere uitwerking van het concept. Het kabinet volgt dit nauwgezet. De waterstofbank lijkt een instrument te worden dat als doel heeft de Europese en mondiale markt voor (hernieuwbare) waterstof op gang te brengen. Het Duitse initiatief H2Global heeft een vergelijkbaar doel en richt zich specifiek op het opbouwen van importstromen van hernieuwbare waterstof. Gezien het belang van waterstofimport voor onze klimaatambities (Kamerstuk 32 813, nr. 1060) heb ik op 4 oktober jl. bij mijn Duitse collega de intentie geuit om aan te sluiten bij H2Global en onderzoek ik hiertoe de voorwaarden en financiële consequenties. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd tijdens het Commissiedebat Energieraad van 18 oktober jl. De ontwikkeling van een Europees initiatief kan een extra impuls geven aan de ontwikkeling van de Europese en mondiale waterstofmarkt en in potentie een goede aanvulling bieden.
Wat is er al bekend over deze waterstofbank? Hoe zal de waterstofbank gaan functioneren en hoeveel werkgelegenheid kom hierbij kijken?
Zie het antwoord op de vragen 1 en 3.
Is er al meer bekend over de locatie van de waterstofbank? Welke mogelijkheden ziet de Minister om de waterstofbank in Nederland te vestigen?
Er is nog weinig bekend over de voorgenomen waterstofbank. Vooralsnog lijkt het erop dat dit meer gezien moet worden als financieel instrument dan als fysieke bank in één van de EU-lidstaten.
Deelt u de mening dat het vestigen van de waterstofbank in Nederland een positieve ontwikkeling zou zijn? Bent u bereid om zich hiervoor in te spannen? Welke concrete stappen kunt u ondernemen om dit te realiseren?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Ik ondersteun de noodzaak van Europese stimulering van de markt voor hernieuwbare waterstof, waar dat een toevoeging kan zijn op het nationale beleid gericht op productie, import, infrastructuur, opslag en marktordening (Kamerstuk 32 813, nr. 1060 en nr. 1061). Zodra meer bekend is over het concrete voornemen in relatie tot een EU waterstofbank, zal ik hier zorgvuldig en met een constructieve blik naar kijken.
Welke mogelijkheden ziet u omtrent de waterstofbank met betrekking tot het realiseren van de ambities uit het coalitieakkoord en het VVD-D66-plan waterstof?
Zie ook de antwoorden op de vragen 1 en 4. Door gezamenlijk, in EU-verband, te investeren in de opschaling van productie binnen Europa en import van hernieuwbare waterstof kan mogelijk meer schaal en snelheid worden gegenereerd. Een daadwerkelijke beoordeling van de voorgenomen waterstofbank is echter pas mogelijk zodra hierover meer concrete informatie beschikbaar komt van de Europese Commissie en ik zal de Kamer dan ook op de hoogte stellen van de kabinetspositie.
Het artikel 'Europe’s heavy industry takes action to tackle energy crisis' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u reflecteren op het artikel «Europe’s heavy industry takes action to tackle energy crisis»?1
Door de hoge energieprijzen ziet de energie-intensieve industrie zich geconfronteerd met hogere kosten. De impact van de hoge energieprijzen verschilt echter sterk per sector en is afhankelijk van de mate waarin bedrijven alternatieve energiebronnen hebben en/of hun hogere kosten kunnen doorberekenen. Vele bedrijven lukt het alternatieve energiebronnen aan te wenden, maar vooral bedrijven die concurreren met internationale aanbieders hebben het lastig. Maatregelen kunnen worden overwogen om de productie binnen Europa te houden als de prijzen lang hoog blijven en sectoren daadwerkelijk dreigen te verdwijnen.
In het Bescherm- en Herstelplan Gas staat geen strategie voor het rantsoeneren van gas met specifiek aandacht voor essentiële, gas-intensieve sectoren, bent u bereidt deze toe te voegen met daarbij een focus op de verstoring van ketens? Zo nee, waarom niet?
Bij het uitwerken van de afschakelstrategie is reeds rekening gehouden met de effecten binnen en tussen ketens van sectoren, ook van de gas-intensieve sectoren.
Gezien het feit dat veel Duitse bedrijven aangeven rantsoenering te verwachten terwijl Nederland maximaal gas gaat leveren aan Duitsland, bent u het er mee eens dat er een Europees afschakelplan nodig is?
Als ook aangegeven in de Kamerbrief van 9 september inzake de voortgang van het BH-G (Kamerstuk 29 023, nr. 342) wordt de afschakelstrategie in nauw overleg met België en Duitsland vormgegeven. De komende periode zal een nadere analyse van grensoverschrijdende keteneffecten worden gemaakt, o.m. inzake Duitsland. De analyse inzake Duitsland zal ook met dat land worden besproken, waarna de afschakelstrategie indien nodig zal worden aangepast.
Volgens de analyse van de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE) is er veel meer energiebesparing mogelijk in de industrie (een goede 3bcm) en huishoudens, waarbij fixteams een snelle besparing kunnen bewerkstelligen door bijvoorbeeld het inregelen van installaties een belangrijke rol kunnen spelen. Gaat u deze fixteams opzetten en wanneer zouden deze dan beginnen?
Ik ben in mijn brief over de aanscherping van de energiebesparingsplicht van 4 juli jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 793) en in reactie op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3780) ingegaan op de verschillende aanbevelingen voor verbetering van de energiebesparingsplicht van de NVDE. Fixteams worden voornamelijk ingezet voor huishoudens. Op dit moment loopt er in de metropoolregio Amsterdam een door mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gesteund pilotproject waarbij fixteams ook worden ingezet voor micro mkb-ers. Daarnaast wordt er bij toezichtbezoeken in het kader van de energiebesparingsplicht aandacht geschonken aan het correct inregelen van installaties.
In Duitsland is er een initiatief dat energie-efficiëntienetwerken heet, waarbij binnen een gemeente of industrieterrein samen wordt gewerkt aan maximale energiebesparing en verduurzaming. Gaat u eenzelfde initiatief in Nederland starten? Zo nee, waarom niet?
Samen met mijn collega van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening verken ik een bedrijventerreinenaanpak waarbinnen op vergelijkbare schaal gewerkt kan worden aan onder meer collectieve energiebesparing. Nog dit jaar zullen wij van start gaan met een pilot voor een versnellingsprogramma verduurzaming bedrijventerreinen. Eind 2023 zal deze pilot worden geëvalueerd om te zien of een verdere uitrol van dit programma zinvol is.
Nederlandse kennis over Australische oorlogsmisdaden in Afghanistan |
|
Alexander Hammelburg (D66), Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel in NRC waarin gesteld wordt dat Nederlandse militairen al in 2010 wisten van een mogelijke Australische oorlogsmisdaad in Uruzgan, Afghanistan?1
Ja.
Is het juist dat een Special Report over dit voorval zoek is? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Defensie zoekt nog naar een rapport dat volgens de melder zou zijn opgemaakt. De zoekslag is nog niet voltooid. Op dit moment kan het bestaan van dit vermeende rapport niet worden bevestigd.
Herinnert u zich uw toezegging op 15 december 2020 om een inventarisatie uit te voeren om na te gaan of er «naar Nederlands oordeel geen aanleiding is om betrokkenheid bij de misstanden van Australische speciale eenheden aan te nemen»? Wat is de stand van zaken van deze inventarisatie? Wilt u deze inventarisatie met de Kamer delen?2
Ja.
De Kamer is op 19 mei 2021 geïnformeerd over de stand van zaken van de inventarisatie naar Nederlandse betrokkenheid bij de geconstateerde misstanden onder Australische speciale eenheden. Uit de inventarisatie zijn geen aanwijzingen van betrokkenheid van Nederlandse militairen bij de misstanden van de Australische speciale eenheden naar voren gekomen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 2812). Dit komt overeen met Australische bevindingen uit 20203, waaruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn van Nederlandse betrokkenheid. Mocht er bij het ordenen van de archieven nieuwe, relevante informatie naar boven komen, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Wat is de stand van het onderzoek naar een binnengekomen mededeling?
Eerdere digitale zoekslagen en gesprekken met direct betrokkenen hebben niet geleid tot de vondst van het vermeende rapport. Voor vervolgacties verwijs ik u graag naar het «Actieplan missie-archieven Afghanistan»4 dat gelijktijdig aan uw Kamer is aangeboden.
Is het juist te concluderen dat deze kennis niet is gedeeld met Australische onderzoekers die in Nederland zeker vier mensen hebben gesproken over hun kennis van de feiten? Zo nee, wat hebben zij aan de Australische onderzoekers meegedeeld?
Defensie heeft destijds haar medewerking verleend aan het Australische onderzoek, maar is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de inhoud ervan. Inmiddels heeft recent contact met Australië5 geleid tot het opstarten van een onderzoek naar deze zaak.
Deelt u de opvatting dat Nederland altijd medewerking moet verlenen aan onderzoek naar (mogelijke) oorlogsmisdaden?
Ja, met inachtneming van de kaders voor internationale rechtshulp in strafzaken.
In welke mate vindt u dat de Kamer proactief geïnformeerd moet worden als er mogelijk sprake is van oorlogsmisdaden waar de Nederlandse krijgsmacht van op de hoogte was?
Voor Nederland staat naleving van het humanitair oorlogsrecht centraal en dit beperkt zich niet alleen tot het eigen militaire optreden. Daarom moeten meldingen over mogelijke schendingen hiervan, ook door een partnerland, altijd serieus worden onderzocht. Hierbij is van belang dat er duidelijkheid bestaat over het rapport om te voorkomen dat partijen ten onrechte worden beschuldigd.
Het artikel 'Minister: ‘Versoepelingen kinderopvang gelden pas in 2024’, personeelstekort groeit' |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Minister: «Versoepelingen kinderopvang gelden pas in 2024», personeelstekort groeit»?1
Ja.
Wat zijn de voornaamste obstakels om de versoepelingen met betrekking tot de inzet van personeel, die u schetste in uw brief van 5 september jongstleden2 en waarover ook voorstellen zijn gedaan in de evaluatie van de Wet Innovatie en Kwaliteit in de Kinderopvang, pas in 2024 in te laten gaan? Hoe kunnen deze obstakels weggenomen worden?
Ik ben mij bewust van de urgentie om het personeelstekort in de kinderopvang aan te pakken. Daartoe heb ik in de brief van september verschillende acties aangekondigd, waaronder valt het aanpakken van knelpunten in de regelgeving op de korte termijn. In dat kader heb ik de afgelopen periode samen met het veld gewerkt aan oplossingsrichtingen ten aanzien van het vaste gezichtencriterium, de drie-uursregeling en een aantal kwaliteitseisen in de buitenschoolse opvang. Ik ben deze aanpassingen op dit moment verder aan het uitwerken, zodat ze zo spoedig mogelijk ingevoerd kunnen worden. Dit vraagt om een wijziging van het Besluit kwaliteit kinderopvang. De afstemming met de sector -onder andere om draagvlak te creëren-, de uitwerking van de wijzigingen en het juridische proces vragen tijd vanwege de procedure die daarvoor is voorgeschreven. Om die reden kunnen de meeste aanpassingen niet eerder ingaan dan per 1 januari 2024. Het halen van de streefdatum per maatregel is afhankelijk van de verdere uitwerking van de wijzigingen. Met het oog hierop zal ik per maatregel bezien of er ruimte is voor eerdere inwerkingtreding. In het voorjaar zal ik uw Kamer nader berichten over de laatste stand van zaken. Voor een tweetal aanpassingen zie ik in ieder geval kans om deze al per 1 juli 2023 in werking te laten treden. Dit vanwege de eenvoudigere aard van de aanpassingen. Het betreft een meer flexibele invulling van de drie-uursregeling en een mogelijkheid om af te wijken van het vaste gezichtencriterium in geval van ziekte en verlof van een vast gezicht.
Is er geen enkele maatregel die al eerder dan 1 januari 2024 ingevoerd kan worden? Zo ja, hoe is dit mogelijk?
Zie antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid om de Kamer voor eind 2022 te informeren over de knelpunten die het gebruik van combinatiebanen belemmeren en de wijze waarop deze knelpunten opgelost kunnen worden? Zo nee, waarom niet?
Ik informeer uw Kamer graag over de knelpunten en succesfactoren in combinatiebanen. In dat kader heb ik in de Kamerbrief van 5 september over de aanpak van het personeelstekort in de kinderopvangsector aangekondigd dat sectorpartijen onderzoek gaan doen naar de mogelijkheden van combinatiebanen binnen en buiten de kinderopvangsector, bijvoorbeeld tussen kinderopvang en onderwijs. Zij stellen op basis van de resultaten een praktische handreiking op om succesvolle combinatiebanen in de praktijk te realiseren, die naar waarschijnlijkheid voor zomer 2023 gereed zal zijn.
Ook breng ik samen met de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs algemene knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen tussen kinderopvang en onderwijs in kaart. In het eerste kwartaal van 2023 zal ik uw Kamer hierover informeren.
Bent u van mening dat er voldoende draagvlak is vanuit de sector om de aangekondigde maatregelen al per 1 januari 2023 in ieder geval gedeeltelijk in te laten gaan? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe kunnen we aan deze wens voldoen?
Zie antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid om, conform het breed gedragen voorstel uit de sector zelf, een tijdelijke coulanceregeling op te stellen voor de inzet van personeel? Zo nee, waarom niet?
Een coulanceregeling vraagt om op voorhand aan te geven aan welke kwaliteitseisen niet voldaan hoeft te worden. De toezichthouder hoeft ten aanzien van die eisen dan geen overtreding te noteren en er hoeft geen handhaving plaats te vinden. Een coulanceregeling is op grond van de huidige Wet Kinderopvang niet mogelijk. In november vorig jaar heeft mijn ministerie met de branchepartijen en de toezichtpartijen afgesproken dat:
Of de toezichthouder hier gebruik van kan maken, hangt steeds af van de omstandigheden van het geval. Het is in alle situaties van belang dat de opvang veilig en verantwoord is.
Daarnaast wordt in het kader van het herijkingstraject toegewerkt naar aanpassingen in de kwaliteitseisen, waar dit mogelijk en wenselijk is, waarbij werkdruk een aandachtspunt is. Hierbij wordt ook breder gekeken, dus ook naar kwaliteitseisen die niet gewijzigd zijn met de wet IKK. Ik vind het belangrijk om daarin zorgvuldige afwegingen maken. Enerzijds verkennen we welke aanpassingen mogelijk zijn in de kwaliteitseisen en anderzijds geldt dat de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang gewaarborgd moet blijven.
Kunt u meer vaart zetten achter de gesprekken met de sector over het modulair opleiden en het aantrekken van zij-instromers? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk om regelmatig met de sector overleg te voeren over oplossingsrichtingen voor het personeelstekort in de kinderopvang en hier vaart achter te zetten. Het reguliere arbeidsmarktoverleg met de sectorpartijen vindt ieder kwartaal plaats en dient onder andere daarvoor. Waar nodig is ook tussentijds overleg over de verschillende acties. In het laatste arbeidsmarktoverleg van 4 oktober 2022 is gesproken over de acties die ik recent heb aangekondigd om het personeelstekort in de kinderopvang tegen te gaan. Het gaat dan zowel om lopende acties en hoe het hiermee staat, als om acties die nog in gang worden gezet en hoe dit zo snel en effectief mogelijk kan. Daarbij gaat het ook over acties gericht op het aantrekken van zij-instromers en modulair opleiden, waarover meer is opgenomen in de Kamerbrief over de aanpak van het personeelstekort in de kinderopvangsector van 5 september. De urgentie wordt hierbij door alle aanwezige partijen gevoeld.
Het algemene beeld is dat zij-instromers een belangrijk deel van het personeelsaanbod vormen. Tegelijkertijd wordt de conclusie uit het ABF-onderzoek onderstreept dat mogelijkheden voor hogere instroom vanuit andere sectoren beperkt zijn, gelet op de generieke arbeidsmarktkrapte en de momenteel al hoge zij-instroom in de sector.3 Daarom kijk ik samen met de sector naar de mogelijkheden die er nog zijn voor een effectieve, gerichtere aanpak.
Voor wat betreft modulair opleiden heeft mijn ministerie bij de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) via een brief urgentie gevraagd om meer aandacht te hebben voor het werkveld van de kinderopvang. Het beoogde doel hiervan is dat zij-instromers, door het behalen van MBO-certificaten voor beroepsgerichte onderdelen uit de kwalificatie Pedagogisch medewerker kinderopvang, zich via deze route kunnen kwalificeren tot pedagogisch professional.»
Is het mogelijk om eventueel via spoedwetgeving maatregelen eerder te implementeren gezien de steeds nijpendere personeelstekorten en de potentiële maatschappelijke ontwrichting die hieruit voortvloeit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord bij vraag 2.
Deelt u de mening dat de personeelstekorten in de kinderopvangsector extra urgent zijn, juist omdat het terugdringen van deze tekorten cruciaal is bij de aanpak van bredere personeelstekorten op de arbeidsmarkt?
Ja, die mening deel ik. Kinderopvang is een essentiële randvoorwaarde voor ouders met jonge kinderen om arbeid en zorg te kunnen combineren. Werken of meer uren werken is enkel mogelijk voor hen met toegankelijke kinderopvang. Daarom heb ik 5 september jl. een Kamerbrief gestuurd met acties die ik samen met de sector ga ondernemen om het personeelstekort in de kinderopvang tegen te gaan.
De bereikbaarheid van acute zorg in Rotterdam-Rijnmond en omgeving |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het dashboard van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond met de aanrijtijden van ambulances?1
Ja.
Deelt u de conclusie, aangezien bij A1-incidenten een ambulance in 95% van de gevallen binnen vijftien minuten ter plaatse dient te zijn, dat bij diverse gemeenten in deze regio het percentage daar zeer regelmatig ver onder ligt?
De streefnorm2 die in de Regeling Ambulancezorgvoorzieningen is opgenomen geldt voor de gehele Veiligheidsregio en niet voor afzonderlijke locaties of gemeenten. Deze streefnorm houdt in dat bij een A1-melding in 95% van de gevallen binnen 15 minuten een ambulance ter plaatse is. Landelijk gezien was in 2021 95% van de A1-inzetten de ambulance binnen 16:44 minuten ter plaatse. Voor de regio Rotterdam-Rijnmond was dit in 2021 18:15 minuten. Dat betekent dat voor 95% van deze ritten de ambulance er maximaal 18:15 minuten over deed om ter plaatse te zijn. Hoewel de streefnorm daarmee niet gehaald wordt, is de gemiddelde responstijd voor alle A1-inzetten wel 10:42 minuten voor deze regio. Dit betekent dat het grootste gedeelte van A1-inzetten er veel sneller was dan 15 minuten.
Een hoge aanrijtijd betekent overigens niet dat de patiëntveiligheid en continuïteit van zorg per definitie in gevaar is. De NZa licht toe dat zowel de regionale ambulancevoorzieningen (RAV’s) als zorgverzekeraars aangeven dat de ambulances met echte spoed de patiënt op tijd bereiken. Wel moet de meldkamer vaker keuzes maken bij gelijktijdigheid van ambulanceaanvragen, door onder andere een grote toename van vraag naar ambulancezorg en personeelstekorten. Een niet-levensbedreigende melding zal dan soms langer moeten wachten.
De RAV Rotterdam-Rijnmond geeft aan dat zij het streven hebben om de A1-prestaties binnen het verzorgingsgebied zo goed en zo snel mogelijk te leveren. De geografie van de regio en verschillen in de bevolkingsdichtheden leiden er echter bijna automatisch toe dat de prestaties binnen de regio en op verschillende momenten in de week en gedurende een etmaal zullen verschillen.
Kunt u aangeven wat hiervan de reden is en in het bijzonder of dit te maken heeft met verouderde software?
Zowel landelijk als binnen de regio Rotterdam-Rijnmond is sprake van een grote toename van de vraag naar ambulancezorg. Zo geeft RAV Rotterdam-Rijnmond aan dat binnen hun regio het aantal A1-spoedritten in het eerste halfjaar van 2022 is toegenomen met bijna 13% ten opzichte van 2021 en het aantal A2-ritten met ruim 11%.
Bovendien is er ook sprake van een schaarste aan personeel, met name aan ambulanceverpleegkundigen. De RAV Rotterdam-Rijnmond geeft aan maximaal in te zetten op werving van ambulanceverpleegkundigen en heeft extra maatregelen genomen in differentiatie van hoog-, midden-, en laagcomplexe ambulancezorg om te zorgen dat er voldoende capaciteit is voor spoedritten. De RAV heeft hierover ook gecommuniceerd met het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio en blijft in gesprek met de zorgverzekeraar over het omgaan met de schaarste aan personeel en het leveren van de diensten.
De RAV Rotterdam-Rijnmond laat weten op dit moment op de meldkamer ambulancezorg geen gebruik te maken van kunstmatige intelligentie voor de operationele spreiding van ambulances. Wel worden ter bepaling van de optimale locatie van opkomst- en postlocaties met behulp van een gespecialiseerd softwarepakket scenario’s doorgerekend, waarvan de uitkomsten in de vorm van werkinstructies aan de meldkamer worden meegegeven. De meldkamer ambulancezorg spant zich tot het uiterste in om met de beschikbare capaciteit goede zorg te leveren. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij op piekmomenten de zorgvraag groter is dan het aantal beschikbare ambulances. Er is dus geen sprake van het gebruik van verouderde software.
Welke acties gaat u ondernemen om het percentage te verhogen?
In de eerste plaats hebben zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht en hebben zij de taak om te zorgen dat de patiënt tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg krijgt. Momenteel zien we dat de uitdagingen in de acute zorg zo groot zijn dat er (beleidsmatige) verandering nodig is om te zorgen dat voor iedereen de kwalitatief goede acute zorg toegankelijk blijft. Zoals ik in de Beleidsagenda toekomstbestendige acute zorg3 heb aangekondigd, zet ik in op het verder ontwikkelen van zorgcoördinatie waardoor de patiënt op de juiste plek door de juiste persoon wordt behandeld, er beter zicht en sturing is op capaciteit in de regio, opstopping wordt voorkomen en de doorstroom van patiënten in de acute zorgketen verbetert. Hierdoor zou een deel van de vraag naar ambulancezorg mogelijk worden opgevangen door bijvoorbeeld de huisarts(enpost) of wijkverpleging. Daarnaast heeft Ambulancezorg Nederland (AZN) een nieuwe urgentie-indeling ontwikkeld voor de ambulancezorg en is zij in 2022 gestart met de voorbereiding van de implementatie. Het doel van de nieuwe indeling is om de kwaliteit van de ambulancezorg te verbeteren. De nieuwe urgentie-indeling doet meer recht aan de medische behoeften van patiënten en is meer medisch logisch opgebouwd. Het is de bedoeling dat de ambulance sneller ter plaatse is als het echt nodig is, ook bij rampen en ongevallen, en dat in andere gevallen iets meer tijd wordt genomen om meteen de juiste zorg op de juiste plek in te zetten.
Klopt het dat Rotterdam The Hague Airport (RTHA) onlangs aan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gevraagd heeft om spoedig de mogelijkheden te bezien om bij te dragen aan een oplossing voor de dreigende overschrijding van de grenswaarden van een of meer handhavingspunten voor geluid rondom de luchthaven?2
Nee. Rotterdam The Hague Airport (RTHA) heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat geïnformeerd over een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor geluid. In zijn brief aan uw Kamer van 12 september jl. en in antwoord op vragen van het lid Boucke (D66) heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) voorts aangegeven dat het de verantwoordelijkheid van de luchthaven is om er in overleg met de gebruikers voor te zorgen dat de grenswaarden niet overschreden worden. Ook is daarin aangegeven dat het Ministerie van IenW daarnaast overleg voert met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het gebruik van RTHA door de politiehelikopter en de helikopter van het Mobiel Medisch Team (MMT-helikopter; vaak ook traumahelikopter genoemd).
Klopt de conclusie dat hiermee gedoeld wordt op de inzet van de traumahelikopter?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de inzet van de traumahelikopter vanaf Rotterdam The Hague Airport belangrijk is voor bereikbaarheid van de acute zorg in Zuidwest-Nederland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, heeft u RTHA al laten weten geen mogelijkheden te zien om bij te dragen aan een oplossing van de overschrijding?
De MMT-helikopter die vanaf RTHA vliegt heeft, net als de andere drie MMT-helikopters die elders in het land gestationeerd zijn, inderdaad een bovenregionale functie. Zij zijn niet zozeer bepalend voor de algehele bereikbaarheid van de acute zorg, waarbij de ambulancezorg een belangrijke rol speelt, maar ze hebben wel een specifieke functie in het verlenen van urgente, vaak hoog-complexe prehospitale zorg die alleen door een dergelijk team kan worden verleend. Juist door deze functie voeren zij vaak levensreddende en/of gezondheidsschadebeperkende handelingen uit, waarmee zij een toegevoegde waarde vormen bovenop de ambulancezorg. Wetenschappelijk onderzoek wijst ook uit dat de inzet van het MMT tot significant meer gewonnen levens leidt dan alleen ambulancezorg. Zonder de mogelijkheid van het inzetten van een MMT-helikopter is het aannemelijk dat voor de patiëntengroep waarvoor MMT-inzet nodig is, de kwaliteit van leven sterk zal verminderen en dat zelfs patiënten komen te overlijden. Het beperken van de inzet van het MMT is dan ook geen realistische mogelijkheid, niet voor de korte termijn maar ook niet voor volgende gebruiksjaren. Uiteraard wordt voor zowel de MMT-inzet als voor al het andere luchtverkeer op RTHA doorlopend gekeken naar het voorkomen van onnodige overlast voor omwonenden.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van het jaar 2023?
Vanwege nadere afstemming kon ik de antwoorden niet voor de begrotingsbehandeling sturen.
De door Poetin aangekondigde gedeeltelijke mobilisatie en het Europees verbod op toeristenvisa voor Russen |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u reflecteren op het artikel «Russische Minister Lavrov beschuldigt het Westen van ongekende «russofobie»» van HLN van 24 september 2022?1
De Russische autoriteiten, onder wie Minister Lavrov, gebruiken het begrip «russofobie» in een poging de antiwesterse en nationalistische sentimenten in Rusland aan te wakkeren.
Herinnert u zich dat Poetin de aanval op Oekraïne rechtvaardigde met het verhaal dat Russischtaligen werden gediscrimineerd in Oost-Oekraïne en zelfs van genocide sprak? Aangezien het narratief van «russofobie» het verhaal is dat Poetin gebruikt om medestanders voor zijn oorlog te krijgen, welk effect zou het hebben als de Europese Unie (EU) haar grenzen opent voor de Russische mannen die het land ontvluchten omdat ze niet willen vechten voor Poetin en hen hartelijk verwelkomt?
De Russische media staan onder strikte controle van het Kremlin. Zeker sinds de Russische inval in Oekraïne is het beeld dat de Russische bevolking krijgt zeer gekleurd. Het feit dat Russische mannen het land proberen te verlaten verandert daar niets aan.
EU-lidstaten zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbeheer ten aanzien van de gemeenschappelijke buitengrenzen. Met inachtneming van het Unierecht, zoals de Schengengrenscode, bepalen lidstaten dus zelf wie zij toegang geven tot hun grondgebied. Daarbij dienen zij internationale verplichtingen na te leven, waaronder het beginsel van non-refoulement. Het kabinet steunt de in de EU gemaakte afspraak om te komen tot een gezamenlijke aanpak, waarbij zowel de internationale verplichtingen als veiligheidsaspecten in acht worden genomen.
In EU-verband is afgesproken actief te werken aan het tegengaan van Russische desinformatie, waarbij wereldwijd aandacht wordt gevraagd voor de legitieme zelfverdediging van Oekraïne en het belang wordt benadrukt dat landen de grove Russische schending van de soevereiniteit en de territoriale integriteit Oekraïne veroordelen.
Welk effect zullen beelden hebben van vele Russische jonge mannen die dolgelukkig zijn dat ze de EU binnengelaten zijn? Bent u bereid om er bij uw collega’s op aan te dringen om als EU deze kans te benutten om het narratief van Poetin te ontkrachten?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u reflecteren op het item van het Jeugdjournaal over Rusland van zondag 25 september waarbij een Russische studente wordt opgepakt tijdens een interview met de journaliste van het Jeugdjournaal?
Het kabinet heeft grote zorgen om de vrijheid van meningsuiting in Rusland. In zijn mensenrechtenbeleid zet het kabinet zich in voor het bevorderen van de vrijheid van meningsuiting, ook in Rusland.
Bent u het ermee eens dat de Russen in Rusland niet veel tegen Poetin kunnen beginnen vanwege de harde consequenties van verzet?
Het is niet aan het kabinet hierover te speculeren.
Bent u het ermee eens dat elke Rus die het land verlaat niet tegen Oekraïne kan vechten en dat het in dat kader strategisch is om zoveel mogelijk Russische jongemannen te verwelkomen in de EU?
Het kabinet is van mening dat lidstaten zorgvuldig moeten beoordelen of personen die toegang willen tot hun grondgebied voldoen aan de voorwaarden. Dit geldt ook voor Russische staatsburgers. Zoals ook gesteld in antwoord op vraag 2 en 3, dienen bij deze beoordeling de EU-lidstaten zich te houden aan Europese en internationale regelgeving omtrent grensbeheer en waarborgen van fundamentele rechten. Verder, zoals ook eerder gesteld, pleit het kabinet voor een gecoördineerde en gebalanceerde aanpak op Europees niveau, onder leiding van de Europese Commissie, waarbij zowel de internationale verplichtingen als veiligheidsaspecten in acht worden genomen.
Er zijn ook veiligheidsrisico’s verbonden aan het toelaten van grote groepen Russische mannen waarvan niet op voorhand te zeggen is of ze misschien door Poetin tussen de vluchtende massa zijn gezet om bijvoorbeeld in West-Europa aanslagen te plegen, welke ideeën heeft u om de bijkomende veiligheidsrisico’s te mitigeren?
De organisaties die in Nederland verantwoordelijk zijn voor veiligheid, grensbeheer en immigratie zijn alert op signalen van misbruik van de migratiestroom en asielprocedure en op mogelijke veiligheidsrisico’s.
Op de buitengrenzen voeren de Koninklijke Marechaussee (KMar) en politie grenscontroles uit conform EU-regelgeving. Onderdeel daarvan is ook dat derdelanders bevraagd worden in Europese en nationale datasystemen, waaronder het Schengeninformatiesysteem (SIS). Personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid kunnen de toegang tot Nederland en daarmee het Schengengebied worden geweigerd.
Daarnaast zijn alle betrokken organisaties tijdens het asielproces alert op signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. Zo zijn de KMar en politie tijdens het identificatie- en registratieproces waakzaam op mogelijke Nationale Veiligheidssignalen en geven zij deze zo nodig door aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of grijpen zelf in. Vervolgens screent de IND asielzoekers op basis van onder andere de informatie uit het identificatie- en registratieproces, het aanmeldgehoor, eventuele informatie van derden en een naslag in sociale media en open bronnen. Deze screening ziet, naast op signalen met betrekking tot nationale veiligheid, ook op signalen die betrekking hebben op internationale misdrijven. Signalen kunnen ook later in het proces worden opgevangen door de organisaties in de keten en worden ook dan doorgegeven aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Indien de AIVD of MIVD een ambtsbericht uitbrengt waarin geconcludeerd wordt dat een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, kan de IND vreemdelingrechtelijke maatregelen nemen.
Alle getroffen maatregelen binnen de migratieketen laten onverlet dat niet kan worden uitgesloten dat kwaadwillenden via de migratiestroom Europa binnenkomen en daarbij mogelijk ook misbruik van de asielprocedures kunnen maken.
Kunt u reflecteren op het artikel «Deel EU-landen zit met deserterende Russen in de maag» van de NOS van 24 september 2022?2
Het kabinet heeft begrip voor de zorgen van lidstaten aan de grenzen met Rusland op het gebied van veiligheid. Lidstaten zijn primair zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van grensbewaking. Met inachtneming van het Unierecht, zoals de Schengengrenscode bepalen lidstaten dus zelf wie zij toegang tot hun grondgebied geven. Daarbij dienen zij internationale verplichtingen na te leven, waaronder het beginsel van-refoulement. Op Europees niveau is besproken om gezamenlijk te komen tot een gebalanceerde en gecoördineerde aanpak, waarbij zowel internationale verplichtingen als veiligheidsaspecten in acht worden genomen. Het kabinet steunt deze aanpak. De Europese Commissie heeft vervolgens de richtsnoeren ten aanzien van visum- en grensbeleid aangepast, zie ook beantwoording vraag 11.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Van der Burg, heeft gezegd dat Russen die in Nederland aankomen niet worden teruggestuurd en hun asielprocedure mogen afwachten, maar hoe draagt dit bij aan de oplossing zolang de Europese landen aan de grens met Rusland de vluchtende Russen tegenhouden? Bent u het ermee eens dat er een Europese oplossing moet komen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het ermee eens dat de voormalige Sovjetlanden – die bovendien de meeste Oekraïense vluchtelingen opvangen – moeten worden ontzien en dat de Russische vluchtelingen door deze landen heen naar West-Europa moeten worden geloodst om daar opvang te vinden? Hoe kan de EU ervoor zorgen dat de Russische vluchtelingen eerlijk verdeeld worden over West-Europa en is het kabinet bereid hier actief aan mee te werken?
Het klopt dat er ook Russen richting andere buurlanden van Rusland reizen. Deze landen hebben zich niet tot het kabinet gewend met een hulpverzoek.
Bent u bereid om per direct bij uw Europese collega’s te pleiten voor een uitzondering op de opschorting van de visumversoepeling met Rusland voor Russische mannen tussen de 18 en 55 jaar net zoals dat er een uitzondering geldt voor familieleden van Europese burgers, journalisten, dissidenten en vertegenwoordigers van de burgersamenleving?
Het kabinet heeft ingestemd met de recente opschorting van de Visumfacilitatie-overeenkomst tussen de EU en Rusland, wat inhoudt dat alle privileges voor Russische visumaanvragers zijn vervallen en de regels uit de Visumcode weer onverkort van toepassing zijn. Alle mannelijke Russische visumaanvragers van 18–55 hiervan uitzonderen staat haaks op dat standpunt. Daarnaast wordt in de richtsnoeren van 30 september jl. door de Commissie benoemd dat de dienstplicht of dienstweigering op zichzelf onvoldoende reden zijn om op basis van humanitaire gronden een visum te verstrekken (punt 24, iii). Het is wel de inzet van het kabinet om de andere groepen die u noemt conform de EU-visumcode te blijven faciliteren. De visumcode en de richtsnoeren van de Commissie van 30 september jl. bieden hier ruimte voor en benoemen deze groepen expliciet (punt 32). Voor deze groepen blijft het mogelijk de visumleges te verlagen of te laten vervallen.
Dit laat onverlet dat het voor Russische burgers, ook mannen in de leeftijd van 18–55 jaar, mogelijk blijft om een visumaanvraag in te dienen voor Nederland. Wel geldt dat Nederland in Rusland zelf de reguliere visumverlening heeft moeten stilleggen, als gevolg van het besluit van de Russische autoriteiten om de Nederlandse diplomatieke staf uit te wijzen. Buiten Rusland kunnen Russische burgers nog wel een visumaanvraag indienen voor Nederland, mits zij bestendig verblijf hebben in dat derde land. Nederland beoordeelt iedere visumaanvraag op zijn eigen merites, overeenkomst de bepalingen van de Visumcode.
De goedkope framing dat Groep van Haga nepnieuws zou verspreiden en over de poging om Kamerleden politieke instrumenten uit handen te willen nemen |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waarin gesteld wordt dat het lid Van Haga nepnieuws zou verspreiden?1
Ja.
Bent u de op de hoogte van het feit dat Kamerleden vragen stellen over informatie die via tal van kanalen tot hen komen en dat zij vragen stellen om de waarheid juist te willen verifiëren?
Ja, dat laat onverlet dat ik van mening ben dat politieke ambtsdragers en volksvertegenwoordigers een bijzondere verantwoordelijkheid hebben om zich rekenschap te geven van de mogelijke negatieve effecten van hun uitlatingen op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.
Waarom doet u aan framing door in antwoord op schriftelijke Kamervragen van het lid Van Haga te stellen dat het lid Van Haga nepnieuws verspreidt waarin u achteraf weet, wat het lid Van Haga vooraf niet wist, te weten dat het nieuws rondom de directeur van het Centrum Infectieziektebestrijding van het RIVM, niet klopte? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?2
Ik heb in mijn beantwoording van de betreffende schriftelijke vragen de kwalificatie «nepnieuws» niet gebruikt. Deze is afkomstig uit het artikel waarnaar wordt verwezen.
Deelt u de mening dat het niet aan de Minister is of en hoe vaak de Groep van Haga Kamervragen stelt?
Uiteraard gaan Kamerleden zelf over de frequentie en de inhoud van de Kamervragen die zij stellen. Ik vind het van belang om alle Kamervragen van een goede beantwoording te voorzien om zo te voldoen aan mijn grondwettelijke inlichtingenplicht.
Het indienen van een groot aantal Kamervragen in relatief korte tijd heeft gevolgen voor mijn vermogen om op een zo goed mogelijke manier aan mijn inlichtingenplicht te voldoen, daar dit een groot beslag legt op de ambtenaren van het Ministerie van VWS.
Bent u zich (achteraf) bewust van het feit dat u het controlerende orgaan (de Kamer) niet hoort te kapittelen, maar dat dit in de omgekeerde volgorde hoort plaats te vinden, de Kamer controleert u en niet andersom? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Zie antwoord vraag 4.
Wilt u zich, nu u zorgen heeft over het aantal Kamervragen van de Groep van Haga, vervoegen tot de Kamervoorzitter om te pleiten voor dezelfde spreektijden voor deze fractie als voor de rest van de Kamer?
Nee. De Kamer heeft zijn eigen afspraken over maximale spreektijden en het onderscheid dat gemaakt wordt tussen fracties en groepen vastgelegd in het Reglement van Orde. Initiatieven tot wijziging van dit Reglement dienen dan ook vanuit de Kamer te komen.
Wilt u afstand nemen van de woorden van de Minister van Justitie en Veiligheid die het lid Van Haga een extreemrechte onwelriekende reuzel heeft genoemd, dit om de verspreiding van nepnieuws tegen te gaan?
Ik sluit mij aan bij hetgeen de Minister-President hierover heeft gezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen.
Wilt u zich ook inzetten voor de veiligheid het lid Van Haga, daar hij door allerlei spinnerij, mede vanuit het kabinet, doodsbedreigingen ontvangt en enkele weken geleden een man binnendrong in zijn huis? Kunt u een gedetailleerd antwoord geven?
Bedreigingen aan het adres van Kamerleden, in welke vorm dan ook, zijn volkomen onacceptabel en veroordeel ik ten zeerste. Het gehele kabinet spant zich in voor de veiligheid van politieke ambtsdragers en volksvertegenwoordigers. Deze veiligheid is van groot belang binnen onze democratische rechtsstaat.
Het bericht ‘Justitie Den Haag schrapt 53 zaken: Wietkwekers en drugsdealers ontlopen straf’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Ulysse Ellian (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Justitie Den Haag schrapt 53 zaken: Wietkwekers en drugsdealers ontlopen straf»?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van alle zaken bij de rechtbank Den Haag waarvan het Openbaar Ministerie (OM) heeft verzocht om niet-ontvankelijkheid, alsmede de straffen die zouden zijn geëist als deze zaken waren doorgezet?
Laat ik vooropstellen dat het zorgelijk is dat het OM is genoodzaakt om dit soort maatregelen te nemen. Het is een slecht signaal richting de samenleving en niet goed voor het vertrouwen in de rechtsstaat. Het OM neemt dan ook de nodige maatregelen om dit in de toekomst te voorkomen.
Het OM kan niet aangeven wat de strafeis in de zaken zou zijn geweest. Een strafeis formuleren betreft maatwerk en deze kan gewijzigd worden tot op de zitting. Op basis van de strafvorderingsrichtlijnen is er een grote diversiteit in de te eisen straffen.
Inhoudelijk gaat het met name om ontnemingszaken, waarbij het OM geld wilde ontnemen (bijvoorbeeld van crimineel verkregen geld), en druggerelateerde feiten. In een aantal zaken is het geld echter al op een andere manier ontnomen. Bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van de verdachte naar de slachtoffers moet. Daarnaast betreft het verdachten die sindsdien niet meer de fout in zijn gegaan. Een deel betreft zeer oude strafzaken rondom het dealen van drugs of het kweken van hennep, beide van relatief beperkte omvang.
Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Relevante factoren waren onder meer: dat er geen directe slachtoffers zijn, dat er al schadeherstel heeft plaatsgevonden, dat een andere reactie op het misdrijf is gevolgd of dat de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met justitie. Verder is gekeken naar de aard van de feiten: zo wordt er bijvoorbeeld niet getornd aan de vervolging van ernstige geweldsmisdrijven en zedendelicten.
Voor alle zaken geldt dat zij minimaal vier jaar oud zijn. Het zijn zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. In afwachting van een nieuwe zitting kregen andere zaken, bijvoorbeeld met directe slachtoffers, voorrang. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. In de paar zaken waar sprake was van een direct slachtoffer heeft het OM contact met hen opgenomen en hen de omstandigheden uitgelegd.
Rechtszekerheid en een goede procesorde brengen met zich mee dat de zaken die bleven liggen in het belang van alle partijen wel moeten worden afgedaan. De wet bepaalt dat zaken die al eerder op zitting zijn geweest alleen kunnen worden beëindigd door het OM niet-ontvankelijk te verklaren.
Waarom is kennelijk gekozen voor zaken waarin sprake is van drugscriminaliteit?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat in deze zaken geen directe slachtoffers zijn?
Voor beantwoording van deze vraag verwijs ik ook naar de antwoorden op vraag 2 en 3. Bij de selectie van de zaken heeft het OM een afweging gemaakt op basis van de inhoud van de zaak en de verschillende belangen die meespelen. Eén relevante factor was onder meer dat er geen directe slachtoffers zijn. De meeste zaken hebben geen directe slachtoffers. Voor zover wel sprake was van een directe slachtoffer gaat het over het algemeen om slachtoffers die niet op vergoeding van schade rekenen via het strafrecht en geen gebruik willen maken van hun spreekrecht.
Wat vindt u van het signaal dat hiermee wordt gegeven aan de samenleving, namelijk dat drugscriminaliteit loont, en het signaal aan de politie dat hun werk tevergeefs was?
Ik vind het een slecht signaal richting de samenleving en heel erg dat het OM zich genoodzaakt ziet dit te doen. Het is niet goed voor het vertrouwen in de rechtstaat en frustrerend voor de politie als zaken op deze manier worden afgerond. Tegelijkertijd gaat het – vergeleken met het totaal aantal zaken dat het OM jaarlijks in behandeling neemt – om een beperkt aantal zaken en verwacht ik niet dat criminelen zich hierdoor straffeloos zullen voelen.
Inhoudelijk zijn het veel ontnemingszaken waarin de bijbehorende strafzaak wel is afgedaan. In deze ontnemingszaken wilde het OM crimineel geld afpakken, maar bleek bijvoorbeeld dat bij verdachte weinig tot niets te halen. In een aantal gevallen is het afpakken al op een andere manier geregeld, bijvoorbeeld doordat de rechter in de bijbehorende strafzaak (die altijd naast een ontnemingszaak loopt) al heeft gevonnist dat het geld van verdachte naar de slachtoffers moet.
Tevens verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2 en 3 voor de relevante factoren en belangen die hebben meegewogen in de keuzes van het OM.
Deelt u onze grote zorg dat drugscriminelen zich straffeloos kunnen wanen en juist ook bij jonge daders daardoor het risico toeneemt dat ze verder verweven raken met de drugscriminaliteit? Is er gekeken naar het daderprofiel bij de keuze van zaken waar niet-ontvankelijkheid verzocht is? Zo ja, welke keuzes zijn gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom zijn deze zaken zo lang blijven liggen, terwijl het volgens de berichtgeving, gaat om zaken waarin sprake is van drugscriminaliteit en crimineel voordeel?
Zoals bij vraag 2 en 3 opgemerkt zijn het zaken die al eerder op zitting zijn besproken, maar niet inhoudelijk zijn afgedaan. Deze zaken lagen stil in afwachting van een nieuwe zitting. Die nieuwe zitting kwam er echter niet, omdat andere zaken voorrang kregen, waaronder bijvoorbeeld zaken met directe slachtoffers.
Welke maatregelen treft u met het Bestuurlijk Ketenberaad om te voorkomen dat zaken wegens gebrek aan capaciteit niet meer worden behandeld?
Het Bestuurlijk Ketenberaad heeft tot doel om op basis van onderlinge afstemming het functioneren van de strafrechtketen te bevorderen. Het terugdringen van voorraden, het identificeren van knelpunten en het richting geven aan het oplossen daarvan zijn vaste aandachtsgebieden van het Bestuurlijk Ketenberaad. Zo is het verkorten van de doorlooptijden een prioritair thema. In dat kader heeft het Ketenberaad, naar aanleiding van de doorlichting van de strafrechtketen, opdracht gegeven tot het opstellen en uitvoeren van het Actieplan Strafrechtketen (Actieplan). Over de uitvoering van dat Actieplan heb ik uw Kamer samen met de Minister voor Rechtsbescherming laatstelijk geïnformeerd op 22 juli 20222.
Op grond van het Coalitieakkoord zijn hiervoor middelen beschikbaar. Om de werkdruk te verlagen is het OM, mede met behulp van middelen uit het Coalitieakkoord, bovenop de reguliere instroom van officieren van justitie reeds vorig jaar gestart met het in drie jaar laten instromen en opleiden van 250 officieren van justitie.
De rechtspraak ontvangt tot slot ook extra middelen op grond van het Coalitieakkoord waarmee de capaciteit van de rechtspraak kan worden versterkt.
Is er overleg geweest door het OM met de politie? Zo nee, waarom niet?
Ja, er heeft van tevoren afstemming plaatsgevonden tussen OM en de politie.
De stijging van het aantal korte vluchten van en naar Nederlandse luchthavens |
|
Henri Bontenbal (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL Nieuws «Korte privévluchten voor een tijdwinst van 20 minuten: ook regering doet er aan mee»1, en zou u willen reflecteren op de conclusies van deze analyse?
Ja. Het is niet bekend wat de oorzaak is van de stijging van het aantal korte vluchten door privévliegtuigen.
De overheid heeft geen zeggenschap over het gebruik van privévliegtuigen door private instellingen/personen. In de beantwoording van Kamervragen over privévliegtuigen van 3 oktober jl.2 is gemeld dat de wenselijkheid en mogelijkheden om privévliegtuigen mee te nemen in het klimaatbeleid voor de luchtvaart worden onderzocht, en waar nodig aanvullend beleid te onderzoeken. Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat over luchtvaart van 6 oktober jl. ontvangt de Kamer dit in het eerste kwartaal van 2023.
Voor wat betreft het regeringsvliegtuig: deze is gestationeerd op Schiphol-Oost. De lege vluchten die met dat toestel worden gemaakt, dienen ter positionering. Dit gebeurt bij samenlopende aanvragen die niet op elkaar aansluiten. Zo ook bij de vlucht van 14 maart jl., waar het artikel over schrijft. Ook komt het voor dat het regeringsvliegtuig van of naar Rotterdam The Hague Airport vliegt. De vlucht van 14 maart jl. is voor het regeringsvliegtuig de enige vlucht in 2022 waarmee naar Rotterdam The Hague Airport is gevlogen.
Deelt u de opvatting dat de leden van het kabinet een morele verantwoordelijkheid en voorbeeldfunctie hebben als het gaat om verantwoord gebruik van vliegverkeer, vanwege de gevolgen hiervan voor onder meer klimaat, milieu en geluidshinder? Zo nee, hoe beziet u dan de verantwoordelijkheid van kabinetsleden op deze gebieden in het licht van de ambities in het coalitieakkoord? Welke acties koppelt u hieraan?
Ik ben het met u eens dat de leden van het kabinet een voorbeeldfunctie hebben. Ook hebben de leden van het kabinet zich gecommitteerd aan het huidige coalitieakkoord – en daarmee aan de grote klimaatambities van het kabinet. Toch kan het voor een goede en efficiënte uitvoering van de taken geoorloofd zijn dat kabinetsleden korte vluchten maken – of dat hun vluchtaanvraag een lege positioneringsvlucht met zich brengt. De afweging achter dergelijke aanvragen maakt de aanvrager zelf, waarbij de afspraken uit ons coalitieakkoord in die afweging zeker mee moeten spelen. Daarnaast zijn in Het Blauwe Boek, het handboek voor bewindspersonen, richtlijnen opgenomen voor dienstreizen. Hoewel het Ministerie van IenW de afweging dus niet zelf maakt, wijst het bij de aanvraag wel steeds op de implicaties als zo’n aanvraag korte en/of lege vluchten met zich brengt.
Verder is een onderzoek gestart naar de realisatie van een interdepartementale richtlijn, die het gebruik van het regeringsvliegtuig voor korte vluchten en/of positioneringsvluchten reguleert. In samenspraak met betrokken departementen wordt gewerkt aan een kabinetsbreed voorstel hieromtrent.
Zou u het afwegingskader voor vluchten van kabinetsleden inzichtelijk willen maken? Op welke manier worden de gevolgen voor klimaat, milieu, uitstoot en geluidshinder hierin meegenomen en hoe vinden de afwegingen plaats ten opzichte van andere vervoerswijzen?
Een centraal afwegingskader is er niet. Op dit moment ligt de afweging bij elk departement zelf – en dus verschilt dit per departement.
Met het eerder genoemde voorstel wordt voorzien in een interdepartementale richtlijn met afspraken over de afweging voor een vluchtaanvraag. Dit voorstel zal in de komende maanden vorm gaan krijgen. Gevolgen voor klimaat worden in dat voorstel meegewogen, evenals de mogelijkheid om van andere vervoersmodaliteiten gebruik te maken.
Hoe spant het kabinet zich in om vluchten zonder passagiers tegen te gaan?
Er is in Nederland geen landelijk beleid om bepaalde soorten luchtverkeer anders te reguleren dan andere. Er is ook geen wettelijke grondslag voor het verbieden van specifieke vluchten omwille van het milieu. Het beperken van specifieke vluchten is geen onderdeel van het klimaatbeleid voor de luchtvaart. Vanuit het klimaatbeleid is de inzet primair gericht op maatregelen die bijdragen aan de verduurzaming van de luchtvaart. De overheid heeft daarbij geen zeggenschap over vluchten die zonder passagiers vertrekken. Voor zover het gaat om gebruik van het regeringsvliegtuig, verwijs ik u naar het tweede gedeelte van het antwoord op vraag 2.
Welke risico’s en gevolgen ziet u als gevolg van een toename met circa 38 procent van het aantal privévluchten van en naar Nederlandse luchthavens, op het gebied van klimaat en klimaatverandering, milieu, uitstoot, geluidshinder en voor de samenleving? Welke acties koppelt u hieraan?
Het kabinet hecht allereerst veel waarde aan het minimaliseren van de klimaatafdruk van de luchtvaart. Ook voor privévliegtuigen. In de Luchtvaartnota zijn doelen voor verduurzaming van de luchtvaart afgesproken. Om de benodigde CO₂-reductie te realiseren zet IenW in op maatregelen die het meest directe klimaateffect behalen. Het gaat dan om het gebruik van duurzame luchtvaartbrandstoffen (door middel van een EU-bijmengverplichting en nationaal doel), het creëren van technologische innovaties en er wordt onderzoek gedaan naar een CO₂-plafond om de CO₂-doelen te borgen.
Het minder aantrekkelijk maken van specifieke groepen luchtverkeer, zoals privévluchten, is geen onderdeel van de verduurzaming van de luchtvaart.
Zoals genoemd onder vraag 1 wordt in samenwerking met betrokken ministeries de wenselijkheid en mogelijkheden om privévliegtuigen mee te nemen in het klimaatbeleid voor de luchtvaart, met waar nodig aanvullend beleid onderzocht.
Zou u willen reflecteren op de vraag in hoeverre een toename van het aantal privévluchten van en naar Nederlandse luchthavens wenselijk is, gezien de noodzaak tot verduurzaming, de hoge ambities met betrekking tot de aanpak van klimaatverandering en de morele verantwoordelijkheid met betrekking tot rentmeesterschap? Welke acties koppelt u hieraan?
Zie antwoord vraag 5.
Zou u willen reflecteren op de vraag in hoeverre het wenselijk is dat de gehele samenleving de gevolgen op het gebied van onder meer uitstoot en hinder ondervindt, veroorzaakt doordat een zeer beperkte groep sterk bevoorrechte Nederlanders in toenemende mate gebruikmaakt van korte vluchten? Welke verantwoordelijkheden ziet u voor deze groep Nederlanders, zowel voor eigenaren van privéjets als voor mensen die een privéjet huren? Welke acties koppelt u hieraan?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden zijn er tot regelgeving en toezicht op nut en noodzaak en het efficiënt inplannen van privévluchten, zowel wat betreft vluchten tussen Nederlandse luchthavens als korte vluchten tussen Nederlandse luchthavens en luchthavens vlak over de grens? Op welke manier worden de gevolgen voor klimaat, milieu, uitstoot en geluidshinder meegenomen in deze regelgeving en dit toezicht, en hoe vinden de afwegingen op deze gebieden plaats, ten opzichte van andere wijzen van vervoer die minder belastend zijn? Ziet u reden tot aanscherping van regelgeving en toezicht, of de handhaving hierop?
Er is geen wettelijke basis om vluchten te beperken op basis van het doel van de vluchten en hierop toezicht te houden. Het ontwikkelen van een juridisch instrument lijkt niet te verenigen met EU-regelgeving op het gebied van vrije markttoegang. Naast de Europese regelgeving op het gebied van vrije markttoegang grijpt dit ook sterk in op het privéleven van de burger. Bovendien is het een praktisch ingewikkeld punt om hiervoor een norm te bepalen en te handhaven: welke vluchten acceptabel zouden zijn op basis van het doel. Mede hierdoor en de argumenten in het antwoord op vraag 5, 6 en 7 ben ik niet voornemens een handhavingsinstrument te ontwikkelen. Ook bij andere modaliteiten schrijft de overheid niet voor welk gebruik geoorloofd is; burgers mogen zelf bepalen wanneer ze de auto of de bus nemen. Wel zet het kabinet zich in om duurzame vervoersvormen te stimuleren, zoals het stimuleren van de trein in plaats van het vliegtuig op de relatief korte afstanden.
De uitspraken inzake het indammen van de bevolkingsgroei |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit het Nederlands Dagblad waaruit blijkt dat u de bevolkingsgroei wil indammen?1
Ja
Deelt u de mening dat het kabinet spreekt met één mond? Zo ja, waarom gaat u dan met uw uitspraken in tegen het kabinet dat juist inzet op meer bevolkingsgroei?
Op 29 september jongsleden heb ik een brief (kst-1051463) naar uw Kamer gestuurd waarin ik nader inga op mijn uitspraken in het genoemde artikel en hoe dit past binnen de eenheid van kabinetsbeleid.
Ik citeer uit deze brief:
«In het artikel in het Nederlands Dagblad ben ik ingegaan op de demografische groei en de effecten daarvan op Nederland. Er zijn grenzen aan de groei die we kunnen accommoderen in de ruimte en dat is reden om na te denken over manieren waarop we de verwachte bevolkingsgroei kunnen afremmen.
Deze gedachten sluiten aan op het coalitieakkoord. Het kabinet heeft als doel meer grip te krijgen op migratie. In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet periodiek inzicht wil krijgen op de verwachte arbeids-, kennis- en asielmigratie en daarbij de mogelijkheid te onderzoeken om te werken met een beleidsmatig richtgetal van migratie naar Duits voorbeeld. Het kabinet heeft besloten een staatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050 in te stellen om de implicaties van vergrijzing en bevolkingsgroei te doordenken. De resultaten verwachten we eind 2023.»
Hoe verhouden uw uitspraken zich met de realiteit dat er onder de diverse kabinetten Rutte ruim één miljoen nieuwkomers zijn bijgekomen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik pleit ervoor meer grip te krijgen op demografische ontwikkelingen in Nederland, in lijn met het coalitieakkoord. Naar aanleiding van de resultaten van de staatscommissie Demografische ontwikkelingen 2050 zal ik samen met mijn collega’s in het kabinet bespreken op welke manier de verwachte demografische trends en ontwikkelingen impact zullen hebben op de beleidsterreinen onder mijn verantwoordelijkheid en/of op de terreinen van mijn collega’s in het kabinet.
Hoe verhouden uw uitspraken zich met het feit dat onder dit kabinet het ene na het andere immigratierecord wordt verbroken, alleen al over 2022 bijna 200.000 nieuwkomers? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zie antwoord op vraag 3.
Hoe verhouden uw uitspraken zich met een Staatssecretaris die als lijn heeft «hoe meer asielzoekers, hoe beter»?2 Graag een gedetailleerd antwoord.
In zoverre deze vraag betrekking heeft op eenheid van kabinetsbeleid, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2. De kwalificaties in deze vraag worden niet herkend. Nederland staat voor een rechtvaardig, humaan en effectief asiel- en migratiebeleid. Het kabinet wil migratie zoveel mogelijk in goede banen leiden binnen de kaders van de EU en de internationale verdragen. Voorstellen uit de Tweede Kamer worden dan ook steeds tegen die inzet getoetst.
Hoe verhouden uw uitspraken zich met het kabinetsbeleid dat elk voorstel tot immigratiebeperkende maatregelen torpedeert: onder andere geen asielstop, geen grenscontroles, het niet actief uitzetten van asielzoekers die criminele delicten plegen, het niet uitzetten van veilige- en derdelanders, en het niet opzuigen van het VN-Vluchtelingenverdrag dat een aanzuigende werking heeft op asielzoekers? Graag een gedetailleerd antwoord.
Onder mijn verantwoordelijkheid valt hoe vergrijzing en bevolkingsgroei doorwerken in ruimtelijke ordening, een leefbare woonomgeving en bouwopgaves voor de toekomst. In de eerder genoemde Kamerbrief van 29 september breng ik dit nader in kaart. Langs deze lijnen zal ik vanuit mijn portefeuilles inspelen op de effecten, maar ik zie dat dat alleen niet voldoende zal zijn. Er zijn dus ook grenzen aan wat we aan kunnen. Tevens is de eerder genoemde staatscommissie ingesteld om advies uit te brengen over scenario's, beleidsopties en handelingsperspectieven van de regering in relatie tot de maatschappelijke gevolgen van de demografische ontwikkelingen. De kwalificaties in deze vraag worden niet herkend. Nederland staat voor een rechtvaardig, humaan en effectief asiel- en migratiebeleid. Het kabinet wil migratie zoveel mogelijk in goede banen leiden binnen de kaders van de EU en de internationale verdragen. Voorstellen uit de Tweede Kamer worden dan ook steeds tegen die inzet getoetst.
Hoe gaat u de daad bij het woord voegen en hoe gaat u de bevolkingsgroei adequaat indammen? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zie antwoord op vraag 3.
Het realiseren van een aanmeldcentrum voor asielzoekers in Bant |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Aanmeldcentrum Bant is van de baan, COA ziet te weinig draagvlak» en «Mogelijk plek voor nareizigers in plaats van aanmeldcentrum in Bant»?1, 2
Ja.
Kunt u uitleggen wat de situatie nu precies is en welke concrete plannen er liggen voor het realiseren van opvang in de gemeente Noordoostpolder? Welke stappen moeten er nog worden gezet en welke knelpunten kunnen nog in de weg zitten voor de komst van opvang?
De situatie is, dat het COA het oorspronkelijke verzoek niet heeft doorgezet omdat in verschillende bijeenkomsten met het college, de gemeenteraad van Noordoostpolder, vertegenwoordigers van dorpsbelangen en omwonenden werd onderstreept dat er al vele jaren draagvlak is om bij te dragen aan de asielopvang in Nederland, maar dat de nieuwe functie op de beoogde plek niet passend is. Het COA heeft in een brief aan het college gevraagd om na te denken over een alternatief. In deze brief is opgenomen dat de bezwaren die lokaal tegen het ingediende plan leven, serieus worden genomen, en dat de gemeente daarom wordt gevraagd na te denken over een ander voorstel. Dit gezien de aanhoudende behoefte voor meerdere aanmeldcentra in het asielsysteem. De gemeente heeft eerder aangegeven bereid te zijn een dergelijk voorstel te doen om daarmee, naast het AZC in Luttelgeest, een additionele bijdrage aan de asielopvang te kunnen leveren.
Inmiddels heeft het gemeentebestuur van Noordoostpolder mij geïnformeerd dat het maandag 10 oktober jl. heeft besloten om een additionele locatie met 300 opvangplekken beschikbaar te willen stellen binnen de gemeente Noordoostpolder en zoekt het in samenwerking met het COA naar een geschikt kavel. De gemeente is in de lead voor de verkenning, participatie en het aandragen van een voorkeurslocatie bij het COA. De gemeenteraad heeft het COA verzocht om de aangekochte kavel in Bant te verkopen. Het COA zal hierover in gesprek gaan met de gemeente. De nieuwe locatie zal naar alle waarschijnlijkheid gaan fungeren als een opvangplek waar nareizende gezinsleden kunnen verblijven in afwachting van een woning bij de referent. Het betreft hier dan geen aanmeldcentrum zoals oorspronkelijk bedoeld.
Wanneer zal de genoemde opvang in Bant in bedrijf worden genomen?
Gezien de dringende noodzaak om Ter Apel te ontlasten is een snelle realisatie van deze voorziening essentieel. Het bestuur van de gemeente Noordoostpolder is zich daarvan bewust.
Waarom denkt u dat er geen draagvlak is voor een aanmeldcentrum maar wel voor de opvang van nareizigers? Hoe beoordeelt u dit onderscheid?
Dat oordeel was in dit geval aan het gemeentebestuur van Noordoostpolder. Ik heb daar in dit geval geen uitgesproken mening over – mede omdat de gemeente al een sinds vele jaren een forse bijdrage levert met het asielzoekerscentrum in Luttelgeest. In algemene zin roep ik gemeenten op om zo min mogelijk doelgroepbeperkingen voor te leggen bij het realiseren van opvanglocaties
Wat is de reden om in te zetten op een opvang voor nareizigers, aangezien nareizigers op dit moment al in Zevenaar terecht kunnen?
In Zevenaar is een proceslocatie voor de ontvangst van nareizigers, maar er is nog steeds behoefte aan meer proces – en opvangcapaciteit voor de nareizigers die in afwachting zijn van een woning bij hun referent.
Zie mijn beantwoording op vraag 4.
Deelt u de mening dat de realisatie van een aanmeldcentrum een hoge urgentie heeft? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik.
Waarom is niet gekozen voor het gebruik van een ruimtelijk instrumentarium zoals een inpassingsplan voor de realisatie van een aanmeldcentrum in Bant?
Er is op dit moment niet gekozen voor het gebruik van een ruimtelijk instrumentarium omdat de gemeente Noordoostpolder al sinds enkele decennia een forse bijdrage levert aan de asielopvang door middel van het AZC Luttelgeest.
Welke stappen zet u nu om alsnog op zeer korte termijn een aanmeldcentrum te realiseren zodat Ter Apel kan worden ontlast?
Ik ben op diverse plaatsen in Nederland in gesprek voor de realisatie van een additioneel aanmeldcentrum.
Op welke termijn verwacht u de Kamer te kunnen informeren over een nieuwe locatie voor een aanmeldcentrum?
Daar kan ik op dit moment geen toezegging over doen omdat dat afhankelijk is van de medewerking van gemeenten.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval voor het commissiedebat vreemdelingen- en asielbeleid van 19 oktober, beantwoorden?
Ja.
Bankzaken op Saba |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de motie die de Eilandsraad van Saba 22 september 2021 heeft aangenomen?1
Ja, daar ben ik mee bekend. Ik erken dat er problemen zijn voor zowel inwoners als ondernemers op de BES-eilanden als het gaat om bancaire dienstverlening; van het doen van betalingen tot het afsluiten van leningen en hypotheken.
Om de toegang tot bancaire diensten en financiële producten te verbeteren zijn in het afsprakenakkoord Sint Eustatius (2022–2023)2 en de «Saba Package 2.0» (2022–2025)3 afspraken gemaakt tussen de openbare lichamen en de betrokken ministeries. In het kader van de bestuurlijke afspraken is daarnaast afgesproken dat er een Taskforce knelpunten Caribisch Nederland komt die zich onder andere zal gaan richten op de bancaire dienstverlening.4 Deze Taskforce werkt momenteel aan het identificeren en wegnemen van belemmeringen en tevens aan het verbeteren van de bancaire dienstverlening in brede zin. De Nederlandsche Bank (DNB) is van 1 tot en met 10 november op bezoek geweest in Caribisch Nederland alsmede Curaçao en Sint Maarten om met de openbare lichamen, banken, Kamers van Koophandel en maatschappelijke organisaties te praten over de knelpunten in de bancaire dienstverlening en te komen tot oplossingen.
Kent u de brief van Saba Business Association aan de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten?2
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u het documentOverview Saba banking situation?3
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven welke (dependances van c.q. pinautomaten van) banken aanwezig zijn op welke BES-eilanden?
Er zijn vier banken op Bonaire: Maduro & Curiel’s bank (MCB), Banco di Caribe (BdC), Orco bank en Royal Bank of Canada (RBC). Op Saba is de RBC bank aanwezig. Op Sint-Eustatius is MCB aanwezig. Van deze zes banken is er slechts één, de MCB, juridisch zelfstandig. Al deze banken zijn direct, of indirect via Sint-Maarten, bijkantoren van banken op Curaçao.7 Op Bonaire zijn 15 pinautomaten aanwezig. Op Sint-Eustatius en Saba zijn ieder twee pinautomaten aanwezig. Één pinautomaat betaalt het openbaar lichaam van Saba. De overige pinautomaten zijn van de betrokken banken.
In de missie van De Nederlandse Bank staat:We werken aan stabiele prijzen, een soepel en veilig betalingsverkeer, en solide en integere financiële instellingen; geldt dat ook voor de BES-eilanden?
Ja, dit volgt ook uit de wettelijke taken van DNB. Artikel 4, eerste lid, van de Bankwet 1998 beschrijft de taken van DNB, waaronder het bevorderen van de goede werking van het betalingsverkeer. Artikel 4, tweede lid, beschrijft dat DNB deze taken ook kan uitvoeren voor de BES-eilanden. DNB bevordert de goede werking van het betalingsverkeer. Een voorbeeld hiervan is de Werkgroep Betalingsverkeer Caribisch Nederland waarin DNB regelmatig met de bankiersvereniging en maatschappelijke partners praat over het betalingsverkeer. Daarnaast houdt DNB toezicht op een aantal financiële instellingen in Caribisch Nederland8.
Vallen de banken c.q. dependances c.q. pinautomaten op de BES-eilanden onder het toezicht van DNB? Zo nee, waarom niet?
DNB is op grond van de Wet financiële markten BES prudentieel en integriteitstoezichthouder voor financiële instellingen op de BES-eilanden. Er is één bank (MCB) die juridisch gevestigd is op de BES-eilanden en onder prudentieel toezicht staat van DNB. Deze bank is een bank van een dochter van een Curaçaose bank en staat daardoor indirect ook onder toezicht van de Centrale Bank Curaçao en Sint Maarten (CBCS). Alle overige banken op de BES-eilanden zijn daar niet juridisch gevestigd en staan niet onder prudentieel toezicht van DNB omdat het kapitaal elders wordt aangehouden. Wel staan alle banken op de BES-eilanden onder integriteitstoezicht van DNB. Net zoals in Nederland strekt het toezicht van DNB zich niet uit tot pinautomaten.
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 5 bevordert DNB naast het toezicht op een aantal financiële instellingen de goede werking van het betalingsverkeer op de BES-eilanden. Een voorbeeld hiervan is de Werkgroep Betalingsverkeer Caribisch Nederland waarin DNB regelmatig met de bankiersvereniging en maatschappelijke partners praat over het betalingsverkeer, waaronder pinautomaten. Ook onderhoudt DNB contacten met de commerciële banken en de centrale banken op de BES-eilanden.
Waarom is het voor een inwoner van de BES-eilanden blijkbaar niet mogelijk een rekening te open van een Nederlandse bank zoals bij ING, ABN-AMRO of RABO? Ze zijn toch inwoners van Nederland?
Banken bepalen zelf hun klantenbestand, onder meer op een door de bank zelf bepaalde ondernemersstrategie en door hen gewenste risicoprofiel. Nederlandse banken kunnen hun diensten in beginsel aanbieden in Caribisch Nederland. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld, is de Minister van Financiën met de betrokken partijen in gesprek getreden om de drempels weg te nemen die het aanbieden van bancaire diensten in Caribisch Nederland door Nederlandse banken in de weg staan9. Uit de gesprekken met de banken bleek dat banken naast de wettelijke belemmering, enkele praktische belemmeringen ervaren om eurobetaalrekeningen aan te bieden. Een voorbeeld hiervan is het ontbreken van postcodes.
Inwoners van de BES-eilanden, die de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn burgers van de Europese Unie. In artikel 16, eerste lid, van de richtlijn betaalrekeningen is bepaald dat de lidstaten ervoor zorgen dat alle kredietinstellingen of een voldoende aantal kredietinstellingen aan consumenten betaalrekeningen met basisfuncties aanbieden zodat de toegang daartoe voor alle consumenten op hun grondgebied gewaarborgd is10. De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede de andere landen van het Caribische deel van het Koninkrijk, hebben echter de status van Landen en Gebieden Overzee (LGO). Het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin de beleidsgebieden van de Unie staan beschreven, is niet van toepassing op LGO. De richtlijn betaalrekeningen is gebaseerd op dit derde deel. Nederlandse banken zijn daarom op grond van de richtlijn niet verplicht om een basisbetaalrekening aan te bieden aan de inwoners van de BES-eilanden.
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 1 zijn er afspraken gemaakt tussen de openbare lichamen en de betrokken ministeries om de toegang tot bancaire diensten en financiële producten te verbeteren en werkt de Taskforce knelpunten Caribisch Nederland aan het identificeren en wegnemen van belemmeringen en tevens aan het verbeteren van de bancaire dienstverlening in brede zin.
Wat vindt u ervan dat het gemeentebestuur van Saba per jaar $ 100K moet betalen aan de Windward Islands Bank voor het hebben van een pinautomaat? Is dat een redelijk bedrag?
In 2017 is het Sabaanse bankfiliaal van de WIB op Saba dicht gegaan. Door de sluiting zou slechts één pinautomaat over blijven op Saba. Om de fysieke aanwezigheid en bereikbaarheid van geldautomaten op Saba te waarborgen heeft het openbaar lichaam besloten om de pinautomaat op het eiland te handhaven. De hoogte van het bedrag is gerelateerd aan de kosten voor de beschikbaarheid en het functioneren van de pinautomaat. De pinautomaat op Saba wordt regelmatig bevoorraad door middel van een vlucht vanuit Sint-Maarten naar Saba. De WIB heeft destijds gecalculeerd dat de kosten van het open houden van de pinautomaat circa $ 100.000 op jaarbasis bedraagt.
Klopt het dat ondernemers de bank ca 6% van het bedrag moeten betalen als klanten hun pinpas gebruiken? Kunt u aangeven waarom u dat redelijk vindt? Wat vindt u ervan dat ondernemers ook de bank moeten betalen als ze cash willen storten?
Het is in beginsel aan markpartijen zelf om te bepalen welke betaaldiensten en tegen welke kosten worden aangeboden. Er zijn een aantal factoren die het voor marktpartijen kostbaar maken om in Caribisch Nederland betaaldiensten te verlenen. Een voorbeeld hiervan is de omvang van de afzetmarkt, waardoor bestaande banken moeite hebben om hun dienstverlening winstgevend aan te bieden. Tegelijkertijd is de concurrentie, mede door de geringe marktomvang, beperkt. Ook is in Caribisch Nederland de dollar het officiële betaalmiddel, daardoor is de markt in Caribisch Nederland verbonden aan de dollar. De dollar kent andere karakteristieken en rentepercentages dan de euro. Ook in Nederland worden kosten in rekening gebracht voor het storten van geld. De bank bepaalt dit tarief. Indien nodig kan de toegang tot betalingsverkeer, waaronder tarifering, onderwerp van gesprek zijn in de Werkgroep Betalingsverkeer Caribisch Nederland.
Kunt u aangeven waarom het Nederlandse systeem niet mogelijk is waarbij men in veel winkels met de pinpas betaalt, maar bij de winkelier ook geld kunnen opnemen? Wat kost dat in Nederland de betreffende ondernemer?
Het is in beginsel aan de winkelier zelf om te bepalen welke diensten worden aangeboden en tegen welke kosten. Het geld opnemen met een pinpas, cash-back, vindt plaats in één transactie bij de betaling voor een product of dienst. Voor deze transactie betaalt de ondernemer in Nederland een standaardtarief aan de bank. Voor aankopen met creditcards betaalt de winkelier afhankelijk van het bedrag een variabel tarief. Als een ondernemer ervoor kiest om cash-back aan te bieden zonder een aankoop dan betaalt de ondernemer daar het standaard pintarief voor.
Bent u ervan op de hoogte dat inwoners van Saba zeer beperkt toegang hebben tot een (betaalbare) hypotheek? Zo ja, wat gaat u hieraan doen zodat mensen op Saba een hypotheek tegen een acceptabel rentepercentage kunnen afsluiten?
Het is moeilijk om de markt op de BES-eilanden te vergelijken met de markt in het Europese deel van Nederland. Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 9 is er sprake van een andere markt waarbij het verschil in valuta een belangrijke factor is. Ook de concurrentie is, mede door de geringe marktomvang, beperkt. De Autoriteit Financiële Markten heeft geen signalen ontvangen dat aanbieders op Saba hun positie misbruiken en onredelijk hoge rentepercentages vragen. De gevraagde percentages wijken niet materieel af van de percentages zoals die worden gevraagd op bijvoorbeeld Bonaire.
Bent u ervan op de hoogte dat de hypotheekgarantie die wel aangeboden wordt op Bonaire, en binnenkort op Sint Eustatius, niet beschikbaar is op Saba, omdat de enige bank die dit aanbiedt in Caribisch Nederland, de MCB Bank, geen vestiging op Saba heeft? Zo ja, wat kan er gedaan worden voor de mensen op Saba zodat ook zij een hypotheekgarantie kunnen krijgen?
Eén van de randvoorwaarden voor een pilot hypotheekgarantie is de aanwezigheid van een bank die onder toezicht staat van DNB. Een andere randvoorwaarde is de toegang tot een betaalrekening voor mensen die een hypotheek wensen af te sluiten. De MCB voldoet aan deze voorwaarden. De pilot kan uitgebreid worden wanneer andere banken op de BES-eilanden ook voldoen aan deze voorwaarden.
Financiële ondernemingen op de BES-eilanden met een vergunning voor het aanbieden van krediet kunnen, mits zij geen beperkingen op deze vergunning hebben, een hypotheek (met garantie verstrekt door NHG) verstrekken. In de praktijk maken slechts enkele aanbieders gebruik van deze optie.
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 7 is er een Taskforce opgericht die zich onder andere zal gaan richten op de bancaire dienstverlening.
Klopt het dat de Post Spaar Bank (PSB) op Sint Maarten geen diensten zoals hypotheken meer mag aanbieden op Saba? Zo ja, wat is de reden daarvan?
De Wet financiële markten BES stelt instellingen van Sint Maarten en Curaçao in staat diensten aan te bieden in Caribisch Nederland. De PSB heeft een vergunning als kredietinstelling in Sint Maarten en staat onder toezicht van de CBCS. De PSB is bevoegd om hypotheken aan te bieden in Caribisch Nederland. In verband met de vertrouwelijkheid van toezicht heb ik geen instelling specifieke informatie over PSB tot mijn beschikking.