Het bericht dat het leegstaande Leeuwarder belastingkantoor alleen kan worden ontwikkeld met steun van het Rijk |
|
Harry van der Molen (CDA), Jaco Geurts (CDA) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er nog altijd geen plan ligt voor het voormalige kantoor van de Belastingdienst in Leeuwarden?1, 2
Ja.
Klopt het dat het gebouw in bezit en beheer is van het Rijksvastgoedbedrijf?
Ja.
Deelt u de mening dat het met de huidige woningnood en de huisvestingproblematiek van statushouders van groot belang is dat er snel een nieuwe bestemming wordt gegeven aan het kantoorpand?
Ja.
Welke obstakels staan een herbestemming in de weg?
De herbestemming van het pand is een uitdaging door de bouwkundige toestand en de slechte staat van de installaties. Daarnaast heeft het pand de status van gemeentelijk monument. De bouwaard van het pand vormt een uitdaging bij een verduurzaming. Deze zaken tezamen zijn van grote invloed op de financiële haalbaarheid van mogelijke transformatieplannen, zo ook bij de transformatie naar een woonfunctie.
Kunt u het Rijksvastgoedbedrijf verzoeken zo snel mogelijk met een concreet plan te komen, zodat het voormalige belastingkantoor een nieuwe functie krijgt?
De gemeente Leeuwarden en het Rijksvastgoedbedrijf zijn in gesprek om te zorgen dat het pand snel een nieuwe functie krijgt. Inzet is in het eerste kwartaal van 2023, op basis van een gezamenlijk haalbaarheidsonderzoek een aanpak voor de herbestemming gereed te hebben.
Voor de omgeving waarin het pand is gelegen, heeft de gemeente thans een functiemix van bedrijvigheid en wonen voor ogen. Binnen deze functiemix is de gezamenlijke inzet van partijen om het voormalige belastingkantoor op een zo kort mogelijke termijn een woonfunctie te geven, mede ingegeven door de ontwikkelingen op de woningmarkt.
Voor herbestemming spelen niet alleen de onder vraag 4 benoemde technische belemmeringen een rol. Het Rijksvastgoedbedrijf is voor de herbestemming deels afhankelijk van de gemeente Leeuwarden als bevoegd gezag.
De gesprekken tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente over de (her)bestemming zijn al langere tijd gaande waarbij meerdere scenario’s zijn besproken (waaronder voortzetting van de kantoorfunctie). Ook zijn de onder vraag 4 benoemde belemmeringen en relatief ontspannen vastgoedmarkt onderwerp van gesprek geweest.
Hoeveel leegstaande gebouwen heeft het Rijksvastgoedbedrijf landelijk in bezit die nog geen nieuwe bestemming hebben?
Op dit momenteel zijn er 23 panden in materieel beheer bij het Rijksvastgoedbedrijf waar het Rijksvastgoedbedrijf ook optreedt als eigenaar. Het gaat om zowel vastgoed in de zogenaamde verkoopportefeuille als vastgoed dat leeg staat in afwachting van renovatie of aanpassing.
Dit is een momentopname door veranderingen in de huisvestingsbehoefte van het Rijk enerzijds en de verschillende stadia waarin afspraken over het pand of het verkoop(voorbereidings)proces zich bevinden inclusief de vraag of er al sprake is van een nieuwe bestemming. Daarnaast spelen vormen van tijdelijk gebruik en maatschappelijke inzet een rol, zoals bij vraag 7 is toegelicht.
Ook zal in veel gevallen de bestemming na verkoop ongewijzigd blijven.
Kan het Rijksvastgoedbedrijf versneld aan de slag gaan met het herbestemmen van leegstaande panden?
In de afgelopen maanden heb ik het Rijksvastgoedbedrijf de opdracht gegeven de maatschappelijke inzet van het vastgoed te versnellen.
Zo stelt het Rijkvastgoedbedrijf haar vastgoed beschikbaar voor de opvang van asielzoekers (via het COA), evacuees (Oekraïners, via de Veiligheidsregio’s) en statushouders. Voor in ieder geval 15 panden geldt dat zij hiervoor zijn ingezet of dat het onderzoek naar de inzetbaarheid voor deze doelen nog loopt. Voor deze 15 panden is een herbestemming op korte termijn niet aan de orde.
In het verlengde van de opvangfunctie werkt het Rijksvastgoedbedrijf daarnaast aan de versnelling van de (tijdelijke) herbestemming van panden die in potentie geschikt zijn voor de huisvesting van doelgroepen (waaronder statushouders). Deze versnellingsaanpak is opgenomen in de brief «besluitvorming opvang asielcrisis» die uw kamer op 26 augustus heeft ontvangen.
Overigens is het staande beleid van het Rijksvastgoedbedrijf om leegstaande panden met een passende en maatschappelijk gewenste (voortgezette of nieuwe) bestemming te verkopen om zo nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Hierbij wordt gestreefd naar een goede afstemming met de betreffende gemeente. De feitelijke herbestemming ligt echter veelal bij initiatiefnemers (bijvoorbeeld kopers van het Rijksvastgoedbedrijf) en gemeenten.
Vergelijkbaar met het belastingkantoor in Leeuwarden kunnen diverse belemmeringen en lokale omstandigheden een voortvarende herbestemming in de weg staan.
Het bericht “Beschermd bos als biomassa opgefikt: ‘Plundering’” |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Beschermd bos als biomassa opgefikt: «Plundering»» in de Telegraaf van 9 september 2022?1
Ja.
Kunt u uitsluiten dat deze houtpellets uit deze Natura 2000-gebieden en andere natuurreservaten op de Nederlandse markt zijn beland? Zo nee, zijn er onderzoeksresultaten die uw reactie ondersteunen?
Ik kan niet uitsluiten dat er pellets uit de betreffende gebieden in Nederland zijn beland. Wel staat in de jaarlijkse rapportage van Platform bioEconomie vermeld dat minder dan 1,5% procent van de biogrondstoffen die in Nederland gebruikt worden voor energietoepassingen, komen uit de categorie «EU-overig». Roemenië, Bulgarije, Slowakije en Polen, genoemd in het artikel, vallen allemaal onder deze categorie.
Verder geldt dat biogrondstoffen in Nederland alleen als duurzaam worden aangemerkt wanneer deze voldoen aan strenge eisen, zoals is geregeld onder het systeem van certificering. Wanneer mogelijke misstanden uit dit systeem zich voordoen neemt het kabinet deze zeer serieus. Zo heeft het kabinet vorig jaar naar aanleiding van signalen over biogrondstoffen uit Estland een onafhankelijk onderzoek ingesteld door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). De NEa heeft toen vastgesteld dat eventuele tekortkomingen afdoende zijn onderzocht door de certificeerder en er geen aanwijzingen waren dat in Estland bos structureel niet duurzaam beheerd wordt. Het systeem van certificering heeft daarmee naar behoren gewerkt.
Bent u het ermee eens dat houtige biomassa van hele bomen uit beschermde natuurgebieden niet duurzaam is? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van houtige biomassa van hele bomen uit beschermde natuurgebieden is in de regel niet duurzaam, maar kan onder enkele specifieke omstandigheden toch toegestaan zijn. Het kan hier bijvoorbeeld gaan over het gebruik van beschadigd of verrot hout, of wanneer boskap noodzakelijk is voor het behoud van de brandveiligheid van een natuurgebied. In deze gevallen gelden dan wel strenge regels, zoals in de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED) vastgesteld. Deze vereisen onder andere dat gebieden die bij internationaal of nationaal recht zijn aangewezen voor natuurbeschermingsdoeleinden worden beschermd, en dat het oogsten zodanig wordt uitgevoerd dat de bodemkwaliteit en de biodiversiteit in stand worden gehouden.
Wat vindt u ervan dat het, ondanks dat er al duurzaamheidseisen worden gesteld, toch gebeurt dat er bomen in beschermde bossen in Oost-Europa worden gekapt en verkocht als «klimaatneutrale biomassa» en verbrand in de rest van Europa?
Zie antwoord vraag 3.
Herinnert u zich de schriftelijke vragen van de leden Wassenberg en Van Raan over het artikel «Stukken bos kaalgekapt in Estland voor Nederlandse biomassacentrales» en wat uw reactie was? (Aanhangsel handelingen, vergaderjaar 2019-2020, nr. 4025).
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat houtige biomassa een duurzame oplossing is in de klimaatcrisis? Zo ja, waarom staat er in het coalitieakkoord dan dat houtige biomassa voor energiedoeleinden in Nederland wordt afgebouwd, en dat er duurzame alternatieven voor moeten worden gevonden? Zo nee, bent u dan alsnog bereid om er in Europa voor te pleiten om houtige biomassa toch uit de nieuwe Richtlijn Hernieuwbare Energie te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Voor het bereiken van een klimaatneutrale en circulaire samenleving in 2050 ziet het kabinet een belangrijke rol weggelegd voor de inzet van duurzame biogrondstoffen. Biogrondstoffen zijn onmisbaar om de afhankelijkheid van (geïmporteerde) primaire fossiele grondstoffen en minerale delfstoffen te beëindigen, bijvoorbeeld in de chemie, de bouw en bij de productie van brandstoffen voor de lucht- en scheepvaart.
Tegelijkertijd heeft het kabinet oog voor de zorgen die in de samenleving leven over houtige biogrondstoffen. Zorgen over onder meer luchtkwaliteit, ontbossing, verlies aan biodiversiteit en daarmee de duurzaamheid van biogrondstoffen. Daarom is begin dit jaar gekozen om de transitie naar hoogwaardige toepassingen van biogrondstoffen te versnellen door de afgifte van nieuwe subsidies voor lagetemperatuurswarmte – een vorm van laagwaardig gebruik – per direct te stoppen.
Erkent u dat de inzet van houtige biomassa altijd gepaard gaat met het risico dat de regels die de EU eraan stelt niet worden nageleefd? Zo nee, waarom niet?
Per definitie bestaat er een risico dat de regels niet worden nageleefd. Daarom is het voor het kabinet een prioriteit om via de duurzaamheidscriteria en het systeem van certificering dit risico zoveel mogelijk te beperken, en eventuele misstanden zo snel mogelijk te adresseren.
Hoeveel aanwijzingen verwacht u nog nodig te hebben om met voldoende zekerheid te kunnen zeggen dat de huidige vorm van certificering misschien toch niet deugt?
Zoals onder het 2 is vermeld, neemt het kabinet mogelijke misstanden zeer serieus. Na uitgebreid onderzoek naar misstanden over biogrondstoffen uit Estland door de NEa is geconcludeerd dat het systeem van certificering naar behoren werkt. De NEa ziet tegelijkertijd ook voldoende aanleiding om de opzet en uitvoering van het duurzaamheidssysteem op onderdelen te verbeteren, onder andere op transparantie, niveau van duurzaamheidsborging en stakeholderconsultatie.2 Het kabinet zal de komende tijd bekijken hoe de adviezen van de NEa verwerkt kunnen worden in de aanscherping van de duurzaamheidseisen.
Hoeveel risico bent u bereid te nemen met de natuur?
Zie antwoord vraag 8.
Erkent u dat dit risico en de negatieve gevolgen voor het klimaat en biodiversiteit steeds groter worden naarmate er meer houtige biomassa wordt gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven is de inzet van duurzame biogrondstoffen voor hoogwaardige toepassingen van groot belang om een klimaatneutrale en circulaire economie te bereiken in 2050. Een aanzienlijk deel van onze economie en levenswijze is momenteel gebaseerd op het gebruik van primaire fossiele grondstoffen en minerale delfstoffen. Om de klimaat- en circulariteitsdoelen te halen moet deze afhankelijkheid zover mogelijk gereduceerd worden door het grondstoffenverbruik te verminderen, grondstoffen opnieuw te gebruiken en te vervangen door hernieuwbare alternatieven.
Hierin spelen biogrondstoffen ook een rol, mits deze op een duurzame wijze tot stand komen, en alleen wanneer deze grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk ingezet worden. Hierbij wordt ook een eerlijke Nederlandse aanspraak op de wereldwijd beschikbare grondstoffen meegenomen, zoals wordt geadviseerd in het SER-rapport Biomassa in Balans.
Leidend bij de inzet van biogrondstoffen is dat duurzame biogrondstoffen alleen ingezet worden wanneer dit past in het eindbeeld of in de transitie daarnaartoe. Daar waar op korte termijn alternatieve verduurzamingstrategieën beschikbaar komen, zet het kabinet in op afbouw van de subsidie op de inzet van biogrondstoffen. Biogrondstoffen worden alleen gestimuleerd wanneer er geen goede alternatieven voor zijn.
Op welke manier kan het blijven kappen van bomen (uit beschermde bossen) duurzaam zijn in een Nederland en Europa waarin mensen nog steeds leven alsof er meerdere aardbollen zijn?2
Zie antwoord vraag 10.
Waarom zet u niet meer in op besparing (in de productie en consumptie van energie en andere dingen) (ook in de EU-onderhandelingen), zodat de veronderstelde noodzaak om houtige biomassa te gebruiken, wegvalt? Bent u bereid dit alsnog te doen? Zo nee, wat houdt u tegen? Zo ja, hoe gaat u dit oppakken?
Energiebesparing is een prioriteit van het kabinet, want het verlaagt de energierekening, maakt ons minder afhankelijk van (Russisch) gas en spaart het klimaat. Daarom heb ik mij gedurende de Fit-For-55-onderhandelingen steevast ingezet voor ambitieuze energiebesparingsdoelen op EU-niveau. Ik zal dit blijven doen tijdens de voortzetting van deze onderhandelingen tussen het Europees Parlement, de Europese Commissie en de Raad de komende maanden. Nederland bevindt zich daarmee in de kopgroep van de EU. Nationaal zet ik in op energiebesparing met de campagne «Zet Ook de Knop Om» die huishoudens en bedrijven oproept en tips geeft om energie te besparen. Uiteraard is hier ook een belangrijke voorbeeldrol voor de overheid zelf en deze zal ik blijven stimuleren en uitdragen. Daarnaast scherp ik de energiebesparingsplicht voor bedrijven en instellingen in 2023 aan. Meer maatregelen en meer bedrijven vallen dan onder deze plicht en zullen besparingsmaatregelen moeten treffen. Met extra middelen versterk ik bovendien het toezicht en handhaving op deze plicht. Ik verwijs verder naar mijn brief van juli jl. (Kamerstuk 30 196, nr. 793).
Kunt u bevestigen dat er voor het klimaatbeleid van Nederland en de EU natuur en biodiversiteit wordt opgeofferd? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ondersteunt middels het klimaatbeleid het gebruik van duurzame biogrondstoffen voor hoogwaardige toepassingen. In de duurzaamheidscriteria is opgenomen dat de biodiversiteit in stand gehouden dient te worden en waar mogelijk versterkt. Zo moeten maatregelen zijn getroffen voor de bescherming van beschermde en bedreigde planten- en diersoorten, en indien van toepassing voor de versterking van de populatie en hun habitat.
Bent u nog steeds van mening dat bosbeheer primair de verantwoordelijkheid is van de lidstaten zelf, zoals u aangaf in uw antwoord op eerdere schriftelijke vragen van de Partij voor de Dieren?
Ja.
Hoe ziet u de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid die het verbranden van bomen zelfs met miljarden subsidieert en houtige biomassa ook aanbeveelt in de Europese Unie?
Zoals hierboven vermeld is, zijn biogrondstoffen van groot belang om een klimaatneutrale en circulaire economie te bereiken in 2050. Het is de verantwoordelijkheid van het kabinet om te zorgen dat er een robuust systeem voor de borging van duurzaamheid van biogrondstoffen is, en dat deze actief gecontroleerd wordt. Daarom zet het kabinet zich in voor strenge duurzaamheidseisen en een systeem waarin biogrondstoffen alleen ingezet worden wanneer dit past in het eindbeeld of in de transitie daarnaartoe, zowel in Nederland als in Europa.
Bent u zich ervan bewust dat u medeplichtig kan worden aan wat ecocide genoemd kan worden? Zo nee, waarom niet? Wat heeft dit bewustzijn voor u veranderd?
Zie antwoord vraag 15.
Mogelijke fossiele exportsteun Santos Basin Pre-Salt Pole |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ex-ante publicatie op de website van Atradius Dutch State Business (Atradius DSB) van een nieuw fossiel project, genaamd Santos Basin Pre-Salt Pole – Stage 3?1
Ja.
Klopt het dat de exportkredietverzekering(ekv)-aanvraag een nieuw te bouwen floating production storage and offloading (FPSO) schip betreft, bedoeld om olie en gas te verwerken?
Ja.
Klopt het dat deze FPSO wordt ingezet voor ongeveer 30 jaar en als doel heeft om bij te dragen aan de toename van de olie en gasproductie in Brazilië?
Ja.
Welk Nederlands bedrijf heeft de exportkredietverzekeringsaanvraag ingediend? Welke andere exporteurs zijn bij dit project betrokken?
De uitvoerder van de exportkredietverzekering Atradius Dutch State Business (ADSB) publiceert categorie A-projecten (projecten met potentieel grote gevolgen voor mens en milieu) gedurende minstens 30 dagen voor afgifte van de polis. Ieder die geïnteresseerd is in het gepubliceerde project, kan tijdens deze publicatieperiode de milieu en sociale effectrapportage van het project bekijken en zijn of haar mening over het project kenbaar maken bij ADSB. Bij de ex-ante publicatie wordt geen informatie gegeven over de betrokken exporteurs, financiële instellingen of te de verzekeren waarde, omdat dit in deze fase concurrentiegevoelig is. In het geval van goedkeuring wordt deze informatie openbaar gemaakt bij polisafgifte.
Wat is de te verzekeren waarde?
Zie antwoord vraag 4.
Welke andere (buitenlandse) financiële instellingen, zoals exportkredietverzekeraars en private banken, zijn bij dit project betrokken?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat dit project volledig in strijd is met de tijdens de UN Climate Change Conference (COP26) gemaakte afspraken om per eind 2022 te stoppen met exportkredietverzekeringssteun voor fossiele projecten? Waarom wel of niet?
De COP26-verklaring ziet toe op het beëindigen van nieuwe overheidssteun aan de internationale fossiele energiesector per eind 2022. Het kabinet heeft de Kamer op 3 november jl. geïnformeerd hoe het voornemens is invulling te geven aan de COP26-verklaring. Het kabinet heeft hierbij klimaatwetenschappelijke inzichten betrokken (IEA, IPCC). Het kabinet hecht aan een zorgvuldige implementatie van dit beleid. Dat betekent dat er in principe per 1 januari 2023 geen aanvragen meer in behandeling zullen worden genomen, die niet in lijn zijn met de uitwerking van de COP26-verklaring. Dit betekent dat alleen aanvragen die vallen onder de beperkte uitzonderingsgronden zoals door het kabinet geformuleerd in de uitwerking van de COP26-verklaring in behandeling genomen worden. Voor reeds ingediende aanvragen, zoals het Santos Basin Pre-Salt Pole project, geldt dat deze tot uiterlijk eind 2023 kunnen leiden tot een polis. Aanvragen die voor 1 januari 2023 worden ingediend, dienen volledig en van behoorlijk niveau te zijn.
Het kabinet hecht eveneens aan een gelijkwaardig speelveld, en zal daarom de nadere invulling van het beleid van medeondertekenaars nauwlettend volgen. Het voorgenomen beleid zal aangepast worden als de beleidsontwikkeling bij de andere ondertekenaars daar aanleiding toe geeft.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer onwenselijk is om voor het einde van 2022 nog dergelijke grote fossiele projecten te verzekeren die tot decennialange uitstoot van enorme hoeveelheden vervuilende emissies leiden? Waarom wel of niet?
Zie antwoord op vraag 7.
Bent u ermee bekend dat de projectdocumenten vermelden dat het project een negatieve impact heeft op de uitstoot van broeikasgassen endat het project zal bijdragen aan een significante toename aan olieproducten en het gebruik van fossiel gasin Brazilië?
Ja.
Erkent u dat dit in strijd is met de laatste wetenschappelijke inzichten, namelijk dat er geen enkele ruimte meer is voor nieuwe fossiele projecten, wanneer we in lijn willen blijven met de 1,5 graden opwarming van de aarde?
Om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 graden moet de productie en het gebruik van fossiele brandstoffen volgens wetenschappelijke inzichten worden afgebouwd. Met de voorgenomen implementatie van de COP26-verklaring zet het kabinet een belangrijke stap in de Nederlandse inzet om de 1,5°C doelstelling internationaal te bereiken. In de basis komen projecten ten behoeve van nieuwe olie of gasproductie vanaf 1 januari 2023 niet meer in aanmerking komen voor ekv-dekking. Omwille van een zorgvuldige transitie wordt wel een overgangsperiode gehanteerd voor aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2023. De aanvragen voor 1 januari 2023, die volledig en van behoorlijk niveau zijn, kunnen nog tot uiterlijk 31 december 2023 tot een polis leiden.
Hoe verklaart u dat dit project überhaupt in overweging wordt genomen?
De betreffende aanvraag is begin dit jaar in behandeling genomen en bevindt zich op dit moment in de onderzoeksfase (due diligence). Het project is derhalve nog niet goedgekeurd. De COP26-verklaring ziet toe op de beëindiging van steun aan de fossiele energiesector per eind 2022. Het kabinet heeft de Kamer op 3 november geïnformeerd hoe het voornemens is invulling te geven aan de COP26-verklaring. Het kabinet hecht aan een zorgvuldige implementatie van dit beleid. Projecten zoals deze kennen vaak een lange aanlooptijd, waarbij door bedrijven al middelen geïnvesteerd worden in de fase vóór verkrijging van een opdracht. Een zorgvuldige implementatie betekent dat exporteurs de mogelijkheid krijgen om voor deze reeds gestarte activiteiten voor een gelimiteerde periode een polis te ontvangen. De reeds gedane aanvragen voor 1 januari 2023 kunnen tot uiterlijk eind 2023 leiden tot een polis.
Kunt u aangeven of er in kaart is gebracht hoeveel emissies dit project – gezien de olie en het gas die het zal produceren – zal genereren over de komende decennia? Zo ja, voor hoeveel uitstoot gaat dit project zorgen? Zo nee, bent u bereid om alsnog boven tafel te krijgen hoeveel uitstoot er mede mogelijk gemaakt wordt door deze exportkredietverzekering te verstrekken?
Op dit moment hebben wij nog geen informatie over de hoeveelheid emissies die naar aanleiding van dit project zullen worden uitgestoten. Deze informatie wordt opgevraagd als onderdeel van het onderzoeksfase, die momenteel nog gaande is. Wij rapporteren de emissies van projecten conform internationale afspraken (OESO Common Approaches).
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de Algemene Financiële Beschouwingen?
Dit is wegens de benodigde afstemming niet mogelijk gebleken.
Het gebrekkige onderwijsaanbod voor kinderen in asielopvangvoorzieningen |
|
Suzanne Kröger (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kloppen de berichten1 dat een groep kinderen met hun ouders uit de asielnoodopvang Schinnen zijn overgebracht naar cruiseschip Velsen, zonder dat de daarvoor noodzakelijke onderwijsvoorzieningen voorhanden zijn en dat daarom deze groep vanmiddag weer is teruggebracht naar Schinnen, om aanstaande maandag diezelfde groep weer over te brengen naar Velsen? Zo ja, bent u het met ons eens dat dit soort verhuizingen niet in het belang van deze kinderen is en te vrezen valt voor ontwikkelingsschade?
Het klopt dat een groep kinderen met hun ouders uit de noodopvanglocatie in Schinnen is overgebracht naar de cruiseferry in Velsen, die dienst doet als noodopvanglocatie. Diezelfde dag zijn zij weer teruggebracht naar Schinnen. Voor de kinderen geldt dat deze reeds naar een nieuwkomersschool gingen. Daar waren leerkrachten voor aangetrokken en ook in andere opzichten had de school zich op het verzorgen van onderwijs aan deze groep ingesteld. Aanleiding voor de verhuizing was de beoogde sluiting locatie in Schinnen begin november dit jaar, waardoor in de weken daarvoor alle bewoners naar andere locaties verplaatst moesten worden. Aangezien voor de groep nog niet alle noodzakelijke voorzieningen in Velsen gereed waren, had deze groep echter nog niet verhuisd moeten worden. Dit had niet mogen gebeuren. Het is ongewenst dat kinderen in de asielopvang die al naar school gaan worden verplaatst naar een opvanglocatie waar nog geen onderwijs is geregeld. Met de gemeente is daarnaast tot op het laatste moment gesproken over mogelijke verlenging van de locatie Schinnen, al dan niet met een andere grootte en deze leek ook kansrijk, waardoor verhuizing ook in de herfstvakantie niet nodig zou zijn. De afspraak is dat wanneer kinderen echt verplaatst moeten worden, dit zoveel als mogelijk in de schoolvakanties plaatsvindt. Inmiddels is definitief dat de beoogde verlenging er niet in zit en daarom zijn de kinderen alsnog overgeplaatst naar de cruiseferry in Velsen. Sinds de week van 7 november gaan zij naar een nieuwkomersschool in de omgeving.
In het algemeen geldt dat de situatie in de asielopvang dusdanig nijpend is dat het iedere dag passen en meten blijft om iedere asielzoeker onderdak te bieden. Dit gaat gepaard met een hoge druk op het nieuwkomersonderwijs. Gemeenten zijn huiverig om (langduriger) asielopvang te realiseren, mede vanwege hun (grond)wettelijke verantwoordelijkheid op het terrein van onderwijs. Het is de bedoeling dat iedere gemeente zich maximaal inspant om het onderwijs zo snel mogelijk te realiseren. Ook is de gemeente verantwoordelijk voor de huisvesting en inrichting van de onderwijsvoorziening. Het advies is om als gemeente snel met de scholen in gesprek te gaan, op het moment dat er een opvanglocatie geopend gaat worden. De verwachting is dat de huidige situatie blijft bestaan zolang er onvoldoende zicht is op de realisatie van extra (langduriger) opvanglocaties. Gemeenten en betrokken schoolbesturen spannen zich in samenwerking met het COA in om tijdig onderwijs te regelen, maar de tijdelijkheid van opvanglocaties doet een groot beroep op het organisatievermogen van gemeenten en schoolbesturen. Het Ministerie van OCW beziet, samen met de sector, welke maatregelen genomen kunnen worden om gemeenten en schoolbesturen verder te ondersteunen bij de toegang tot onderwijs. In eerste instantie wordt bekeken welke maatregelen ruimte kunnen bieden binnen de huidige kaders. In dit kader kan gedacht worden aan het inzetten van externe organisaties om een deel van het curriculum in te vullen of het schuiven in het aantal uren Nt22. Op 30 november is er een debat in de Tweede Kamer over onderwijs aan vluchtelingen in het primair en voortgezet onderwijs en in het mbo en hoger onderwijs, waarin aandacht zal worden besteed aan de mogelijkheden.
Alle betrokken partijen onderschrijven het belang van een ononderbroken leerproces van kinderen. In het coalitieakkoord is opgenomen dat in navolging van de Commissie Langdurige Verblijvende Vreemdelingen het kabinet beziet hoe in de asielprocedure het belang van het kind beter meegewogen wordt. Het COA tracht onnodige verhuisbewegingen zoveel mogelijk te voorkomen en, wanneer het echt niet anders kan, kinderen enkel in schoolvakanties te verplaatsen. In de Staat van Migratie wordt jaarlijks gerapporteerd over het aantal verhuisbewegingen.3
Waarom wordt er met deze groep gesleurd? Kunt u aangeven wat of, en zo ja op welk niveau de medische, onderwijs- en sociale voorzieningen op cruiseschip Velsen beschikbaar zijn?
De voorzieningen waar asielzoekers aanspraak op kunnen maken, zijn vastgelegd in de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (Rva 2005). Het gaat in ieder geval om onderdak, verstrekkingen zoals maaltijden, begeleiding en recreatieve activiteiten en toegang tot medisch-noodzakelijke zorg. In de Regeling Medische zorg Asielzoekers (Rma) is de precieze zorg omschreven waar asielzoekers een beroep op kunnen doen. Van het COA heb ik begrepen dat alle bovengenoemde voorzieningen zijn toegezegd door de verantwoordelijke partijen en geborgd op de cruiseferry in Velsen.
Net als alle kinderen in Nederland hebben asielzoekerskinderen recht op onderwijs. Zij behoren in principe binnen 6 weken (en uiterlijk binnen 3 maanden) na aankomst (nieuwkomers)onderwijs krijgen. Voor de asielzoekerskinderen die op de cruiseferry in Velsen verblijven is voorzien in toegang tot nieuwkomersonderwijs. Daarnaast worden met landelijke en lokale partijen en organisaties afspraken gemaakt om tot een passend en afwisselend programma met buitenschoolse activiteiten te komen. Verder zijn aanvullende voorzieningen die nodig zijn in verband met het unieke karakter van de opvanglocatie geborgd. Gedacht kan worden aan een speelruimte aan boord en, in verband met de afgelegen ligging van het schip, vervoer van en naar de onderwijsvoorziening.
Waarom is besloten kinderen over te brengen naar een locatie waar geen onderwijsvoorzieningen voorhanden zijn? Hoe vaak komt dit precies voor en hoe verhoudt zich dit tot de afspraak om verhuizingen van kinderen tussen noodopvang voorzieningen tot een minimum te beperken?
Zie antwoord vraag 1.
Welke maatregelen gaat u op korte termijn nemen om herhaling te voorkomen? En kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie-Piri c.s. (Kamerstuk 19 637, nr. 2929) om op middellange termijn een concreet plan uit te werken om het aantal verhuizingen te beperken?
Voor een overzicht van de maatregelen verwijs ik naar de afspraken die het kabinet op 26 augustus 2022 met de VNG, IPO en het Veiligheidsberaad zijn gemaakt. Er zijn afspraken gemaakt om de acute noodsituatie in Ter Apel aan te pakken, maar ook over maatregelen die bijdragen om uit de crisis te komen en te blijven. Van essentieel belang is dat het COA over voldoende opvangplekken beschikt, bij voorkeur op locaties die langjarig beschikbaar zijn. De tijdelijkheid van veel van de huidige locaties zorgt er namelijk voor dat asielzoekers vaker dan gemiddeld moeten verplaatsen. Het wetsvoorstel Gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen die op 8 november in consultatie is gegaan, beoogt hier een einde aan te maken en te komen tot een duurzaam en stabiel opvanglandschap, met een evenwichtige spreiding over Nederland.
Voor de middellange termijn wordt ingezet op het versneld uitvoeren van de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. De Uitvoeringsagenda bevat maatregelen die gericht zijn op het verbeteren van de flexibiliteit en de effectiviteit van de asielketen. Daarmee wordt primair beoogd om beter in te kunnen spelen op de fluctuaties van de asielinstroom waarmee de asielketen te maken krijgt. Naar verwachting dragen deze maatregelen, bij aan het verminderen van het aantal verhuisbewegingen in het algemeen, zo ook die van asielzoekerskinderen.
Het bericht ‘Opsporing komt in gevaar door disfunctioneren tapkamer politie’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inhoud van het bericht uit de NRC «Opsporing komt in gevaar door disfunctioneren tapkamer politie»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht. Op 4 oktober jl. heb ik ook een brief aan uw Kamer gestuurd met daarin mijn reactie op dit artikel (Kamerstuk 29628–1124).
Over hetzelfde bericht zijn ook schriftelijke vragen gesteld door de leden Helder en Wilders (PVV) met nummer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 369) en Simons (BIJ1) met nummer (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 370). De vragen komen gedeeltelijk overeen; ik zal daarom de beantwoording van beide sets vragen gelijktijdig aan uw Kamer doen toekomen.
Wat is uw reactie op die informatie die NRC in de berichtgeving, naar aanleiding van gesprekken met politiefunctionarissen, naar buiten brengt over de problemen met het tapsysteem van de politie?
Ik begrijp de aandacht voor de systemen die onze politie gebruikt en ik erken dat het huidige systeem last heeft van storingen met wisselende impact. Het systeem dateert uit 2011, functioneert op dit moment voldoende maar is wel end-of-life. Daarom wordt het vervangen en wordt er hard gewerkt om een nieuw tapsysteem zo snel en zorgvuldig mogelijk te implementeren. Vanzelfsprekend wordt ook het huidige systeem continu gemonitord op verstoringen in het systeem en de veiligheid ervan.
Hoelang bent u al op de hoogte van het feit dat het tapsysteem van de politie al drie jaar niet werkt? Waarom komt dit nu pas naar buiten?
Het klopt dat het nieuwe tapsysteem voor de politie dat in 2019 is aangeschaft op dit moment nog wordt geïmplementeerd. Het beeld dat het tapsysteem al drie jaar had moeten werken klopt echter niet. In de afgelopen periode is gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie van het nieuwe systeem. Deze implementatie, en vervolgens de uitrol, kost tijd, omdat het complexe en gevoelige technologie betreft en de opsporing ondertussen door moet blijven gaan. De implementatie van een nieuw tapsysteem is een grote operatie waarbij het gaat om maatwerk. Systemen van een dergelijke omvang en complexiteit kennen dit soort doorlooptijden. Niet alleen worden alle technische omgevingen ingericht conform state of the art informatiebeveiliging, ook de koppelingen met de providers moeten worden ingericht, het moet voldoen aan de Nederlandse wet- en regelgeving, die bijvoorbeeld een geheimhoudersfilter nodig maakt. Op 1 juli 2019 is uw Kamer per brief over deze voorbereiding geïnformeerd en op 29 mei 2020 over het verwachte tijdpad daarvan.
Mijn departement wordt met regelmaat door de politie geïnformeerd over de voortgang van de invoering van het tapsysteem. De Tweede Kamer is vanaf de start van de aanbesteding geïnformeerd over de werving van het nieuwe tapsysteem. Mijn ambtsvoorganger heeft op 1 juli 20192 de Kamer geïnformeerd over de aanschaf van het nieuwe systeem. Vervolgens is in 20203 gemeld dat vanwege de complexiteit van het gehele project de implementatie tot ten minste 2022 zal duren. In de afgelopen periode is gewerkt aan de voorbereiding van de implementatie van het nieuwe systeem. Totdat dit volledig is geïmplementeerd blijft het huidige systeem operationeel.
Bent u het eens met de stelling dat het zeer laakbaar is dat met het disfunctioneren van het tapsysteem, politiemensen en burgers in gevaar kunnen komen?
De politie laat mij weten dat er geen gevallen bekend zijn waarbij de veiligheid van politiecollega’s of te beschermen personen in het geding is gekomen door storingen in het tapsysteem. Ook laat de politie mij weten dat er geen gevallen bekend zijn waarbij opsporingsonderzoeken schade hebben opgelopen vanwege storingen in het systeem.
Het is goed om te realiseren dat de inzet van het tapsysteem een belangrijk middel in de opsporing is, maar slechts één van de hulpmiddelen in een onderzoek. Bij storing of uitval gebruikt de politie andere middelen of is ze in staat deze in te zetten waardoor de opsporing of de beveiliging gewaarborgd blijven.
Zijn er bij u gevallen bekend waarbij de veiligheid van burgers en/of politiemensen gevaar heeft gelopen wegens het disfunctioneren van het tapsysteem dat ook realtime gesprekken van criminelen afluistert en voertuigen van criminelen volgt?
De politie laat weten aan dat geen van bovenstaande gevallen bekend zijn. Het is daarnaast goed om te realiseren dat het overgrote deel van de tapgesprekken niet live wordt uitgeluisterd, maar op een later moment. Bij grote operaties worden altijd de nodige voorbereidingen getroffen en is de politie nooit afhankelijk van de inzet van één systeem of instrument.
Waarom is niet aan de voorkant, bij de aanbesteding, gecheckt of het mogelijk is om het tapsysteem van Elbit te implementeren in het Nederlandse ICT-en opsporingssysteem van de politie?
Vanzelfsprekend is dit wel nagegaan. Kennis van de ICT van de politie maakt onderdeel uit van het programma van eisen. Vervolgens heeft de politie hiervoor onder meer casuïstiek beoordeeld en een verificatiebezoek bij de leverancier uitgevoerd om zeker te stellen dat de leverancier hier aantoonbaar voldoet. Dat bleek het geval.
Wat waren de voorwaarden waar Elbit aan moest voldoen om leverancier van het tapsysteem voor de Nederlandse politie te worden?
Elbit is naar voren gekomen als de partij met de beste prijs/kwaliteit verhouding na een zorgvuldig doorlopen aanbestedingstraject. Hierbij waren de criteria onder meer functionaliteit, de mogelijkheden voor doorontwikkeling, security-eisen alsook de kosten. Bij de aanbesteding heeft politie de Europese aanbestedingsregels in acht genomen. De Europese aanbestedingsprocedure stond open voor aanbieders gevestigd binnen de lidstaten van de EU en voor aanbieders vallende onder de Government Procurement Agreement (GPA).
Waarom heeft Nederland het Belgische voorbeeld niet gevolgd en is het contract met Elbit opgezegd? Bent u van mening dat een niet werkend systeem alleen maar schade aan kan richten?
Ik heb geen inzicht in en kan geen mededelingen doen over de contracten van andere landen.
Op dit moment maakt de politie gebruik van een tapsysteem dat sinds 2011 draait en inmiddels end-of-life is. Er zijn geregeld storingen van wisselende impact. Dit is een belangrijke reden voor vervanging van dit systeem. Hierover is uw Kamer meermalen geïnformeerd, al vanaf de aanbesteding. Wel functioneert het huidige systeem tot op heden voldoende.
Kunt u aangeven wat er in het contract met Elbit staat over de garanties voor het tapsysteem? Zijn er voorwaarden verbonden aan de invoering? Is het nog mogelijk om het contract te ontbinden?
Ontbinding van het contract is altijd mogelijk, maar er is op dit moment geen aanleiding voor. Een dergelijke stap zou de opsporing in Nederland bovendien voor grote problemen plaatsen, omdat het niet mogelijk is om op korte termijn een nieuw tapsysteem te verwerven en te installeren. Zoals te doen gebruikelijk bevat het contract bepalingen over garantie alsook over de aflevering door Elbit en acceptatie door politie.
Door wie worden de externe technici betaald die al drie jaar lang pogen om het tapsysteem te laten werken? Is in het contract met Elbit bedongen dat deze kosten voor rekening van de leverancier zijn?
Implementatie gebeurt onder regie van een team van de politie waarbij ook externe inhuur wordt ingezet. Deze kosten zijn voor de politie.
Waarom is, in verband met de gevoeligheid van informatie, in de aanbesteding niet de voorkeur gegeven aan het Nederlandse tapsysteem van Fox-IT?
Het systeem Replay van Fox-IT werd vanaf 2003 ontwikkeld en destijds ingezet om IP-data te analyseren op basis van de toenmalige standaard voor de aanlevering van telecomgegevens door aanbieders. Het toenmalige tapsysteem kon dat nog niet. Replay is enkele jaren geleden al operationeel uitgefaseerd omdat telecomaanbieders zijn overgegaan op een andere standaard en deze functionaliteit in het huidige systeem is opgenomen. Voorts is Replay weliswaar in Nederland ontwikkeld, maar inmiddels is de ontwikkeling op deze software gestopt en bovendien al enige tijd onderdeel van een Amerikaanse firma die zich vooral richt op cybersecurity.
Overigens geldt voor de politie dat bij iedere leverancier veiligheid bovenaan staat. Ter borging daarvan zijn in het contract met Elbit onder andere diverse eisen met betrekking tot logging en monitoring vastgelegd. Verder voeren beveiligingsexperts van de politie en externe experts periodiek beveiligingsonderzoeken waaronder testen op kwetsbaarheden uit en is er constante monitoring van ongewenst netwerkverkeer. Hiermee worden kwetsbaarheden en risico’s tijdig in kaart gebracht. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse of buitenlandse leveranciers.
Kunt u aangeven waarom heimelijk, zonder de Tweede Kamer daarover te informeren, gebruik is gemaakt van een niet aanbesteed, aanvullend systeem, dat wel werkt? Waarom is de Tweede Kamer niet geïnformeerd over het gebruik van dit systeem?
In de tijd dat Replay ontwikkeld werd, vanaf 2003, was het niet gebruikelijk dit soort systemen te melden. De politie volgt de reguliere verwervings- en aanbestedingsprocedures en die worden niet standaard gecommuniceerd aan de Tweede Kamer. Sinds 2019 is de politie aangesloten op het stelsel van het Adviescollege ICT-toetsing voor projecten met een ICT-component van meer dan 5 miljoen euro. Via deze toetsing wordt uw Kamer geïnformeerd. Alle andere bijzonderheden meldt de politie via reguliere rapportages. Op basis van de rapportages van politie kan mijn ministerie besluiten de Kamer te informeren, bijvoorbeeld bij hoog risico. Overigens wordt over het algemeen terughoudend omgegaan met het publiek maken van de gebruikte systemen met het oog op veiligheidsrisico’s.
Is het mogelijk om het tapsysteem van het Nederlandse Fox-IT uit te breiden en door te ontwikkelen tot volledig werkend tapsysteem zodat niet meer met twee systemen naast elkaar gewerkt hoeft te worden?
Nee, op dit moment is het Replay IP-tapsysteem niet meer operationeel. De functionaliteit voor de verwerking van IP-data is opgenomen in het huidige tapsysteem. Overigens is Replay weliswaar in Nederland ontwikkeld, maar inmiddels is de ontwikkeling op deze software gestopt en bovendien is al enige tijd onderdeel van een Amerikaanse firma die zich vooral richt op cybersecurity. Voorts wordt de standaard waar dit systeem op werkte door de telecomaanbieders niet meer gebruikt.
Kunt u aangeven waarom het Nederlandse tapsysteem Replay van Fox-IT inmiddels uit de lucht is gehaald?
Replay werd ingezet om IP-data te analyseren op basis van de toenmalige standaard voor de aanlevering van telecomgegevens door aanbieders. Omdat telecomaanbieders zijn overgegaan op een andere standaard en deze functionaliteit in het huidige systeem is opgenomen is Replay uitgefaseerd.
De ontwikkeling op deze software is gestopt en bovendien is Replay al enige tijd onderdeel van een Amerikaanse firma die zich vooral richt op cybersecurity.
Voor cold cases blijft Replay beschikbaar omdat de politie beschikt over een eeuwigdurende licentie.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat we over drie maanden niet zonder tapsysteem zitten nu Cognyte aangeeft de stekker uit het sterk verouderde systeem, de enige back-up, te trekken?
De politie heeft mij laten weten dat het huidige tapsysteem end-of-life is, maar nog steeds voldoende functioneert. Met de huidige leverancier is een contract afgesloten voor 2023. De politie monitort haar systemen continu op stabiliteit en veiligheid en eventuele storingen of andere problemen worden direct opgepakt.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk voor het commissiedebat Politie van 20 oktober, beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Jo kan al maanden niet de deur uit omdat zijn geleidehond is afgepakt’ |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Jo kan al maanden de deur niet uit omdat zijn geleidehond is afgepakt»?1
Ja.
Kunt u aangeven wie de formele eigenaar van de blindengeleidehond is? Is dat de persoon met een handicap of de opleidingsschool?
Doorgaans is een hondenschool eigenaar van de blindengeleidehond. Gebruikers krijgen daartoe de geleidehond in bruikleen gedurende de periode dat de hond aan het werk is en tekenen daarvoor een bruikleenovereenkomst. Daarbij worden de blindengeleidehonden vergoed door de zorgverzekeraar vanuit de Zorgverzekeringswet.
Zijn er regels als een persoon met een handicap door ziekte of ziekenhuisopname tijdelijk niet meer voor zijn hulphond kan zorgen?
Zoals eerder aangegeven in mijn antwoorden op vragen van het lid-Westerveld2 bestaan er verschillende soorten assistentiehonden. Drie daarvan worden vergoed vanuit het basispakket van de Zorgverzekeringswet (Zvw): de blindengeleidehond voor verzekerden die blind of slechtziend zijn, de signaalhond voor verzekerden die doof zijn en de ADL-hond voor mensen met een ernstige stoornis in het bewegingssysteem (hand en arm). Daarnaast zijn er enkele soorten psychosociale hulphonden die gemeenten (gedeeltelijk) kunnen vergoeden als maatwerkvoorziening op grond van hun beleidsvrijheid binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015).
Hondenscholen die assistentiehonden aanbieden op grond van een vergoeding uit de Zorgverzekeringswet hebben een contract met de zorgverzekeraar. Het ligt aan de individuele zorgverzekeraar en hondenschool wat in het contract is opgenomen over terugname van de hond, of wat er is geregeld qua continuïteit van zorg. Daarnaast kunnen er bepalingen worden opgenomen in de bruikleenovereenkomst tussen de hondenschool en de gebruiker waarin is beschreven in welke gevallen de hond kan worden teruggenomen.
Indien een gebruiker van een assistentiehond die vanuit de Wmo is vergoed om wat voor reden dan ook niet voor de assistentiehond kan zorgen, dient deze of diens vertegenwoordiger daar melding van te maken bij de gemeente. Het ligt aan een eventueel contract tussen gemeente en hondenschool en/of bruikleenovereenkomst tussen de gebruiker en hondenschool wat er vervolgens gaat gebeuren met de assistentiehond in kwestie. Door middel van bijvoorbeeld een keukentafelgesprek kan de gemeente bekijken welke aanvullende voorzieningen kunnen worden verstrekt vanuit de Wmo.
Hondenscholen die zijn aangesloten bij de Assistance Dogs International (ADI) of International Guide Dog Federation (IGDF) zijn verplicht nazorg te leveren. Doorgaans is er een voortraject waarbij de cliënt geholpen wordt om die interventies te doen die noodzakelijk zijn om het welzijn van de hond of het goed functioneren van de combinatie te borgen. Als blijkt dat na een afgesproken tijd de interventies niet helpen, dan wordt de hond – liefst in overleg met de gebruiker – teruggenomen.
Zijn er verschillende regelingen voor verschillende soorten hulphonden?
Zie antwoord vraag 3.
Als de opleidingsschool zich op het standpunt stelt dat de persoon met de beperking niet goed voor zijn hond zorgt of kan zorgen, wordt er dan begeleiding en advies aangeboden hoe dit te verbeteren is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe werkt de klachtenafhandeling bij opleidingsscholen van hulphonden? Hebben opleidingsscholen voor hulphonden eigenstandige klachtenprocedures of een gezamenlijke geschillencommissie?
Hondenscholen die zijn aangesloten bij ADI en IGDF zijn verplicht een geschillenregeling te hebben. Ook de zorgverzekeraar kan in de overeenkomst met de hondenschool afspraken maken over een klachtenregeling. Bij klachten rondom blindengeleidehonden kunnen ook de Oogvereniging en de branchevereniging Blindengeleidehondenscholen Nederland ingeschakeld worden als onafhankelijke partij. Momenteel wordt er een branchevereniging Aanbieders Dier en Zorg opgericht voor dieren in de zorg, waar een onafhankelijke klachtencommissie onderdeel van zal uitmaken. Deze branchevereniging zal naar verwachting eind 2022 van start gaan.
In mijn antwoorden op de eerdergenoemde vragen van het lid-Westerveld van 2 september jl., heb ik aangegeven dat ik een verkenning gestart ben, onder andere met een gespreksronde langs opleiders van assistentiehonden en assistentiehondengebruikers, om te onderzoeken hoe de conformiteitsbeoordeling3 en het toezicht rondom een Europese norm4 voor assistentiehonden kan worden vormgegeven in Nederland. In de afwegingen bij het conformiteitsstelsel zal ik ook de mogelijkheid van een klachtenregeling betrekken. Het gaat dan niet alleen om een klachtenregeling over geschillen met scholen van geleidehondengebruikers, maar voor de hele sector van geaccrediteerde hondenscholen.
Het plan van de Europese Commissie om het Mercosur-verdrag geïmplementeerd te krijgen door nationale parlementen te omzeilen |
|
Caroline van der Plas (BBB), Jasper van Dijk (SP), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Liesje Schreinemacher (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie met Mercosur-landen onderhandelt over het splitsen van het Mercosur-verdrag in verschillende onderdelen, zodat het handelsdeel niet voorgelegd hoeft te worden aan nationale parlementen? Wat is uw standpunt hierover?1
Nee, dat kan ik niet bevestigen. Zoals aangegeven in mijn brief van 20 oktober jl. over de stand van zaken van de EU-Mercosur onderhandelingen2, en mondeling tijdens het Commissiedebat over de informele RBZ Handel3 en tijdens de behandeling van de Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking4, is na het bereiken van een onderhandelaarsakkoord in 2019 de Europese Commissie in gesprek gegaan met de Mercosur-landen over mogelijke aanvullende afspraken die EU-zorgen over het akkoord moeten wegnemen. Hoewel deze gesprekken doorlopen en er binnen de Commissie wordt gewerkt aan mogelijke voorstellen, zijn er geen nieuwe ontwikkelingen te melden. Het is op dit moment niet duidelijk of en wanneer deze gesprekken tot een uitkomst leiden die de Commissie in staat stelt een mogelijk akkoord met de Mercosur-landen aan de Raad voor te leggen voor besluitvorming. Evenmin is duidelijk in welke vorm (één of meerdere akkoorden) de Commissie het onderhandelingsresultaat in dat geval zal presenteren.
Gezien het feit dat dit verdrag een enorme impact zal hebben op individuele lidstaten, deelt u de mening dat het splitsen van het verdrag de democratische bevoegdheid van nationale parlementen ondermijnt?
Nee, ik deel deze mening niet. De Europese Commissie heeft als onderhandelaar de bevoegdheid (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) om voorstellen te doen aan de Raad over de vorm (één of meerdere akkoorden) waarin het onderhandelingsresultaat wordt voorgelegd voor besluitvorming. Zo ver mij bekend, zijn hierover binnen de Commissie nog geen besluiten genomen. De aard van een akkoord kan pas definitief worden bepaald op basis van de uitonderhandelde tekst, voorafgaand aan ondertekening. Zoals herhaaldelijk door het kabinet aangegeven zal het kabinet pas een standpunt innemen over het akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. Indien een voorstel aan de Raad wordt voorgelegd, zal ik de Kamer hierover informeren, zowel over vorm als inhoud.
Het behoeft geen betoog dat voor de besluitvorming over het verdrag vervolgens de toepasselijke democratische en grondwettelijke procedures dienen te worden doorlopen. Een akkoord dat afspraken bevat zowel op terreinen waar sprake is van EU bevoegdheden als op terreinen waar lidstaten nationale bevoegdheden uitoefenen (een «gemengd akkoord») zal, naast de EU goedkeuringsprocedure, in Nederland ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Staten-Generaal. Een akkoord dat naar de aard «EU-only» is, dat wil zeggen een akkoord waarbij als gevolg van de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en haar lidstaten alleen de EU partij wordt, moet het EU goedkeuringsproces doorlopen. Zoals vastgelegd in het Verdrag van Lissabon betekent dat dat het aan de Raad is om te besluiten over de ondertekening en dat het aan de Raad en het Europees Parlement is om te besluiten tot goedkeuring van het akkoord. Nederland is vertegenwoordigd in de Raad en besluit hier derhalve over mee. Het kabinet legt verantwoording af aan de Kamer over de positie die wordt ingenomen in de Raad.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Ouwehand (10 maart 2021) waarin u stelde «naar verwachting zal een associatieakkoord onder de gezamenlijke bevoegdheid van de EU en de lidstaten vallen»2? Waarom lijkt dit te zijn veranderd?
Ik herinner mij de antwoorden waarnaar in de vraag wordt verwezen. Het volledige antwoord waaruit in de vraag wordt geciteerd luidde als volgt:
«De Europese Commissie is gemachtigd om onderhandelingen te voeren over een akkoord met de Mercosur landen op basis van onderhandelingsrichtsnoeren die de Raad heeft vastgesteld. Of de aard van een akkoord gemengd is of EU-only wordt bepaald door de uiteindelijke inhoud van het akkoord. Naar verwachting zal een associatieakkoord onder de gezamenlijke bevoegdheid van de EU en de lidstaten vallen. De Commissie kan als onderhandelaar (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) ook een voorstel doen om het onderhandelingsresultaat in meerdere akkoorden voor te leggen. De aard van een akkoord zal pas definitief kunnen worden bepaald op basis van de uitonderhandelde tekst, voorafgaand aan ondertekening. Op basis van de inhoud doet de Commissie (waar nodig gezamenlijk met de Hoge Vertegenwoordiger) een voorstel. De Raad besluit hier vervolgens over.»
Deze situatie is niet veranderd.
Bent u bereid in de Europese Raad te laten weten dat een splitsing van het Mercosur-verdrag wat Nederland betreft onacceptabel en ondemocratisch is?
Het kabinet zal pas een standpunt innemen over het akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. In het algemeen kan niet gesteld worden dat het splitsen van EU verdragen onaanvaardbaar en ondemocratisch zou zijn.
Klopt het dat Frankrijk er eerder bij de Europese Commissie op heeft aangedrongen dat het verdrag door nationale parlementen moet worden geratificeerd? Is die positie nog steeds hetzelfde? Waarom heeft de Europese Commissie besloten hier geen gehoor aan te geven?
Het is niet aan het kabinet om tekst en uitleg te geven over communicatie tussen de Europese Commissie en een andere lidstaat.
Kunt u een tijdlijn geven van wanneer de Raad zal besluiten of het wel of niet instemt met een splitsing van het Mercosur-verdrag?
De Raad kan pas besluiten over een akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. Zie ook het antwoord op vraag 1 hierboven.
Wat wilt u zeggen tegen Nederlandse boeren die zich terecht zorgen maken over dat het Mercosur-verdrag tot oneerlijke concurrentie voor hen gaat leiden? En wat wilt u zeggen tegen milieuorganisaties die waarschuwen dat het verdrag meer ontbossing tot gevolg zal hebben, en die nu zien dat wanneer lidstaten en nationale parlementen zeer kritisch zijn over een handelsverdrag, de Europese Commissie op zoek gaat naar manieren om die kritische lidstaten en nationale parlementen te omzeilen? Vindt u dat deze opstelling van de Europese Commissie het vertrouwen in de Commissie ten goede komt?
Ik begrijp de zorgen van Nederlandse boeren over de potentiële gevolgen van een toekomstig EU-Mercosur akkoord. Om die reden hebben de universiteit Wageningen en Ecorys, in opdracht van het kabinet en ter uitvoering van de motie Voordewind (CU)6, een onderzoek uitgevoerd om de voor- en nadelen van een toekomstig EU-Mercosur akkoord kwantitatief in kaart te brengen.7 Het onderzoeksrapport laat zien dat een akkoord met de Mercosur-landen leidt tot een bescheiden economische groei voor Nederland. Voor specifieke landbouwsectoren is het beeld wisselend. Het rapport stelt dat voor varkens- en pluimveebedrijven de verwachte inkomensgevolgen positief zijn; voor melkveebedrijven en akkerbouwbedrijven zijn deze nagenoeg nul; terwijl de gemiddelde inkomens voor de vleeskalveren- en vleesveebedrijven lager uitvallen.
En om dezelfde reden zijn maatregelen in het onderhandelaarsakkoord overeengekomen om oneerlijke mededinging en schade voor gevoelige sectoren in de landbouw tegen te gaan. Zo zal de EU voor gevoelige landbouwgoederen uit Mercosur-landen, zoals hoge kwaliteit rundvlees, pluimveeproducten, knoflook, suiker en ethanol, importtarieven en quota behouden.
Met betrekking tot duurzaamheidszorgen, met name over ontbossing, is de Commissie in gesprek met de Mercosur landen om tot aanvullende afspraken te komen. Nederland heeft inbreng geleverd aan de Europese Commissie ten behoeve van deze gesprekken.8 Hoewel deze gesprekken doorlopen en er binnen de Commissie wordt gewerkt aan mogelijke voorstellen, zijn er op dit moment geen ontwikkelingen te melden.
Zoals uiteen gezet in het antwoord op vraag 2 zal het kabinet pas een standpunt innemen over een akkoord met de Mercosur-landen wanneer de Commissie de benodigde documenten voor besluitvorming aan de Raad heeft aangeboden. Daarbij zal een brede afweging worden gemaakt, inclusief het betrekken van de transitie van de Nederlandse landbouw, duurzaamheid, en de verwachte impact van het handelsakkoord op verschillende Nederlandse sectoren waaronder de agrarische sector. De voor de besluitvorming over het verdrag toepasselijke democratische procedures zullen worden doorlopen.
Erkent u dat de brief van 15 lidstaten van 20 juni, waar ook uw handtekening onder staat, waarin de Europese Commissie werd gevraagd vaart te maken met de implementatie van het Mercosur-verdrag, heeft kunnen bijdragen aan het besluit van de Europese Commissie om koste wat het kost dat verdrag af te sluiten, ook als dat het ondermijnen van de democratische bevoegdheid van lidstaten betreft?
Er is geen sprake van een besluit van de Commissie om koste wat het kost een verdrag met de Mercosur-landen te sluiten, zoals uiteen gezet in de antwoorden op vraag 1 en vraag 2. Evenmin is er sprake van het ondermijnen van de democratische bevoegdheid van lidstaten, zoals uiteen gezet in het antwoord op vraag 2.
In de brief van 15 lidstaten van 20 juni jl., gericht aan de Europese Commissie, wordt steun uitgesproken voor een actief EU handelsbeleid. Eén van de elementen in deze brief is een oproep om voortvarender op te treden in het onderhandelen, ondertekenen en in werking laten treden van EU handelsakkoorden. Zoals aangegeven in de begeleidende brief aan uw Kamer9, heb ik daarbij aangetekend – mede in het licht van de door uw Kamer aangenomen motie hierover10 – dat met het ondertekenen van de brief aan de Europese Commissie niet vooruit wordt gelopen op de uiteindelijke Nederlandse positie ten aanzien van een EU-Mercosur akkoord.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden en in ieder geval voor de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De bescherming van vangrails voor moderne auto’s |
|
Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Help, de moderne auto is te zwaar voor de vangrail»?1
Ja.
Staan er langs het Nederlandse wegennet (Rijks- en provinciale wegen) vangrails die niet meer voldoen aan de meest recente kwaliteitseisen? Zo ja, op hoeveel kilometer vangrail is dit van toepassing?
Op het Rijkswegennet voldoen geleiderails aan de meest recente kwaliteitseisen zoals gesteld in de Europese norm2. Over de kwaliteit van de geleiderails op provinciale wegen heeft Rijkswaterstaat geen informatie beschikbaar. Decentrale wegbeheerders zijn zelf verantwoordelijk voor de controles op de kwaliteitseisen voor geleiderails op hun wegen (het onderliggend wegennet). Voor provinciale wegen gelden echter wel richtlijnen waarin ook naar de kwaliteitseisen wordt verwezen uit de bovengenoemde Europese norm.
Op basis van welke kwaliteitseisen worden vangrails geplaatst, onderhouden en vervangen? En zijn deze kwaliteitseisen onlangs herzien? Zo nee, waarom niet?
De kwaliteitseisen, waaronder het zogenaamde «kerend vermogen» van geleiderails op Rijkswegen is gebaseerd op de Europese norm EN 1317–2. Deze eisen zijn niet onlangs herzien. Deze Europese norm is ongewijzigd sinds 2010.
De geleiderails langs Rijkswegen worden getest door middel van botsproeven met een personenauto van 900 kg én een autobus van 13.000 kg. (cf. de Europese norm2). Dit niveau van kerend vermogen wordt al decennia lang toegepast op de Rijkswegen.
Het AD-artikel beschrijft testen met auto’s in drie gewichtsklassen: 900, 1.300 en 1.500 kg. Aangezien de botsproef voor geleiderail langs rijkswegen met een autobus van 13.000 kg wordt uitgevoerd, is het huidige veiligheidsniveau van de geleiderails ook voldoende voor de steeds zwaarder wordende personenvoertuigen (elektrisch, SUV).
Is de veiligheid van de automobilist die een moderne auto bezit, nog voldoende gewaarborgd met de huidige vangrails?
Ja, zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om de kwaliteitseisen van nieuwe vangrails te herzien? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van IenW ziet op dit moment geen aanleiding om de veiligheidseisen voor nieuwe geleiderails aan te scherpen. Het huidige veiligheidsniveau van de geleiderails op Rijkswegen is ook voldoende voor de steeds zwaarder wordende personenvoertuigen. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Maakt u zich zorgen over de kwaliteit van de vangrails langs onze wegen?
Nee, het Ministerie van IenW maakt zich geen zorgen over de kwaliteit van de geleiderails langs de Rijkswegen. Tot op heden zijn er geen situaties bekend waarbij de geleiderails langs Rijkswegen onvoldoende hebben gefunctioneerd bij het keren van de steeds zwaarder wordende personenvoertuigen.
Het uitbuiten van kwetsbare jongeren voor (waarschijnlijk) hogere kijkcijfers |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het tv-programma Dreamschool?1 en het programma Roddelpraat waaruit blijkt dat kwetsbare jongeren door het programma Dreamschool worden misbruikt, (waarschijnlijk) voor het halen van hogere kijkcijfers?2
Ja, ik ben bekend met de programma’s Dream School en Roddelpraat.
Wat vindt u van het feit dat kwetsbare jongeren voor programmadoeleinden worden misbruikt voor (waarschijnlijk) hogere kijkcijfers en dat er ruzies geforceerd in scene worden gezet? Kunt u een toelichting geven?
Voorop staat dat publieke omroepen zelf vorm en inhoud bepalen van het media-aanbod. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud en de vormgeving van programma's. Ook bevat de Mediawet 2008 geen regels over de omgang met deelnemers aan programma’s van publieke omroepen. Dit laat onverlet dat omroepen en programmamakers opereren in een maatschappelijke context en zich bewust moeten zijn van de impact die hun handelen op het publiek of deelnemers heeft. Zij hebben een verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met mensen die deelnemen aan programma's.
De betreffende publieke omroep NTR en producent No Pictures Please geven aan zich zeer bewust te zijn van de kwetsbaarheid van deze jongeren en geven aan dat er geen sprake is van het in scène zetten van ruzies. De begeleiding rond Dream School bestaat uit een uitgebreide selectieprocedure waarbij psychologen betrokken zijn, begeleiding door dezelfde psychologen en wordt met de deelnemer besproken of er behoefte is aan meer ondersteuning dan wat standaard wordt aangeboden in het nazorgtraject. Wel kunnen deelnemers soms in een afhankelijke positie terechtkomen of gebracht worden. Daar hoort geen misbruik van gemaakt te worden.
Wat vindt u van het feit dat een oud-deelnemer van het programma stelt dat er van de beloofde nazorg richting de kwetsbare jongeren helemaal niets terecht komt? Kunt u een toelichting geven?
Volgens de NTR is de in het YouTube-programma Roddelpraat genoemde deelnemer, een deelnemer uit het tweede seizoen van dit programma in 2018. Door uw Kamer zijn in 2019 mondelinge vragen3 over dit programma gesteld naar aanleiding van vergelijkbare kritiek van de deelnemers. De NTR en de producent hebben zich de kritiek van de deelnemers destijds aangetrokken en heeft de nazorg verder geprofessionaliseerd.4 Ook de betreffende deelnemer is volgens de NTR deze nazorg aangeboden, maar heeft hij er zelf geen gebruik van gemaakt. Volgens de NTR is er voor het nazorgtraject voor deelnemers sindsdien tot tenminste een half jaar na de opnamen een gespecialiseerd bureau beschikbaar dat een actieve rol heeft bij de ondersteuning van de leerlingen in de stappen die zij willen zetten na Dream School, zoals het zoeken en vinden van opleiding of werk. Deze begeleiding wordt zowel telefonisch uitgevoerd als door middel van huisbezoeken en het vergezellen van deelnemers tijdens bijvoorbeeld sollicitatiegesprekken en intakes op opleidingen. Als er meer gespecialiseerde zorg nodig is in het nazorgtraject wordt de deelnemer in samenwerking met de psycholoog, ondersteund bij het vinden van deze hulp in de eigen omgeving.
Wat vindt u van het feit dat minderjarige deelnemers wurgcontracten moeten tekenen, waarin bijvoorbeeld staat dat zij, op straffe van 5.000 euro, niet met de pers mogen praten? Kunt u een toelichting geven?
Tot 2019 tekenden deelnemers van Dream School inderdaad een overeenkomst met daarin een boeteclausule van € 5.000,- voor het praten met de pers. Specifiek voor het programma Dream School zijn er echter geen boetes opgelegd. Deze clausules waren volgens de NTR en de producent vooral bedoeld om deelnemers ervan bewust te maken dat deelname geen vrijblijvende afspraak is. Mede naar aanleiding van de mondelinge vragen van uw Kamer in 2019 worden er volgens de NTR geen boeteclausules meer opgenomen in de overeenkomsten met deelnemers van Dream School vanwege de kwetsbaarheid van de doelgroep.
Welke stappen gaat u ondernemen tegen het programma Dreamschool? Kunt u een toelichting geven?
Naar aanleiding van de reactie van de NTR, zie ik geen aanleiding om nadere stappen te ondernemen.
De uitzending van In het vizier van De Jager over ouderenmishandeling |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van In het vizier van De Jager over ouderenmishandeling?1
Ik ken de uitzending. Het is duidelijk dat de betreffende cliënt niet op correcte wijze is bejegend, terwijl dat wel zou moeten. En dat is te betreuren.
Wat is uw reactie op het feit dat de klokkenluider die de misstanden binnen de instelling waar zij werkte naar buiten bracht om deze reden is ontslagen, terwijl deze misstanden niet werden beëindigd na interne meldingen?
Ik heb contact gehad met Vilente. Daar blijken enkele nuances. Het is aan de organisatie om een oordeel te geven over het ontslag van deze medewerker. Zij zijn tot dat besluit gekomen na een reeks van ontwikkelingen.
Heeft u zicht op het probleem van ouderenmishandeling binnen instellingen? Zo nee, bent u bereid om dit in kaart te brengen?
Er is eerder onderzoek gegaan naar ouderenmishandeling in zorginstellingen. In 2004 verscheen «Ouderenmishandeling in het verpleeghuis, Ervaringen, kennis en behoeften van verpleeghuisartsen» (Bardelmeijer, Maastricht). Dit onderzoek is weliswaar ouder, maar heeft een inzichtelijke indeling. In augustus 2019 verschenen de resultaten van een landelijke survey, Ouderenmishandeling in intramurale zorginstellingen (Beke en Movisie).
Bent u bereid om zorginstellingen een handreiking te geven over het melden van ouderenmishandeling, aangezien in de uitzending duidelijk wordt dat het niet altijd duidelijk is voor instellingen wat wettelijk gezien moet worden gemeld als het gaat om ouderenmishandeling?
Hiervoor is een handreiking Veilige zorgrelatie beschikbaar (vindplaats www.veiligezorgrelatie.nl). Deze gebruikt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd als richtsnoer.
Er is ook een serious game over ouderenmishandeling, «Wie helpt», om breder kennis te verspreiden, zodat het gesignaleerd kan worden. Het is een interactieve game ontwikkeld door het Mentorschap West-Brabant, Rabobank Zuidwest-Brabant, tanteLouise, en vertegenwoordigers van het National Actieprogramma tegen kindermishandeling & Huiselijk geweld. Iedereen kan de game makkelijk en gratis op z’n telefoon/tablet installeren (app store en google play, developer Goal043 BV).
Aan de hand van filmpjes en vragen ga je door het spel en krijg je inzicht hoe je ouderenmishandeling kunt herkennen en wat je dan kunt doen. Op die manier wordt het bewustzijn rondom dit thema vergroot.
Wat is uw reactie op de berichtgeving in de uitzending dat het voor naasten vaak een zeer lastig traject is om door het doen van aangifte hun recht te halen?
Het doen van aangifte kan in sommige situaties noodzakelijk zijn, maar is niet altijd eenvoudig en leidt bovendien niet altijd tot een bevredigende uitkomst. Het verdient dan ook de voorkeur zo mogelijk eerst andere mogelijkheden uit te nutten, zoals in gesprek gaan met de zorgaanbieder. Dat vergroot de kans op onderling begrip.
Bent u het ermee eens dat het makkelijker moet worden voor zorgverleners om ouderenmishandeling binnen hun eigen instelling te melden? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bereiken?
Ouderenmishandeling door medewerkers moet worden voorkomen en door mantelzorgers en/of familie tijdig worden gesignaleerd. Binnen zorginstellingen moet op een goede manier worden omgegaan met ouderenmishandeling. De organisatie moet daarvoor beleidsmatig aandacht hebben, ook wanneer sprake is van mishandeling door een medewerker.
De »Leidraad Veilige Zorgrelatie» is daarbij een richtsnoer. Daarnaast is een open en lerende cultuur in de organisatie cruciaal. Medewerkers zijn daarbij zelf ook belangrijk om dit onderling bespreekbaar te maken.
Bent u het ermee eens dat het gemakkelijker moet worden voor zorgverleners om misstanden binnen hun eigen zorginstelling te melden bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om dit te bereiken?
Zorgverleners kunnen mogelijke misstanden altijd melden bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd. Bij het meldpunt van de inspectie kunnen zorgaanbieders, zorgprofessionals en/of zorgverleners situaties melden die bijvoorbeeld een ernstige bedreiging vormen voor de veiligheid van cliënten of de zorg.
Op deze manier is het mogelijk voor zorgverleners om (anoniem) melding te maken over hun eigen werkgever of over een collega instelling of zorgverlener. Daarnaast is er de «Leidraad Veilige Zorgrelatie». De IGJ ziet erop toe dat deze leidraad geïmplementeerd én nageleefd wordt. De IGJ gebruikt deze leidraad om te laten zien dat ouderenmishandeling uiteraard sterk wordt afgekeurd en erop toe wordt gezien dat zorgaanbieders ervoor zorgen dat dit niet kan gebeuren bij hun cliënten.
De Chinese investeringen in Nederlandse bedrijven |
|
Pim van Strien (VVD), Ruben Brekelmans (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 900 Nederlandse bedrijven in handen van Chinezen: «Risico op spionage»»?1
Ja.
Herkent u de zorgen en signalen uit dit artikel en, zo ja, hoe apprecieert u deze?
Buitenlandse investeringen en internationale samenwerking zijn belangrijke pijlers voor het verdienvermogen van de Nederlandse economie. Het levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse innovatiepositie, concurrentievermogen en welvaart. Tegelijkertijd zien we dat heimelijke en niet-heimelijke middelen, waaronder spionage, door statelijke actoren in het economische domein worden ingezet. Hierbij kunnen andere motieven spelen dan strikt financieel-economische, waardoor onder meer onze nationale veiligheidsbelangen kunnen worden geschaad.2 Het kabinet neemt gepaste maatregelen om Nederland weerbaar te maken tegen de dreiging van statelijke actoren. Zo wordt er onder andere gewerkt aan de invoering van de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames (Wet Vifo), het Wetsvoorstel uitbreiding strafbaarheid spionage en kennisveiligheidsbeleid. Sinds 2020 is ook de Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie (Wozt) in werking. Het kabinet zet ook in op meer algemene maatregelen ter versterking van digitale weerbaarheid, zoals in de telecomsector is gedaan middels het Besluit veiligheid en integriteit telecommunicatie en de daaruit volgende beschikkingen en een ministeriële regeling. Daarnaast kijken we nauwlettender naar risicovolle strategische afhankelijkheden, van Rusland, van China en van andere derde landen, en het mitigeren van risico’s voor onze nationale veiligheid die daaruit voortvloeien.
Was de Nederlandse staat al bekend met het feit dat dit aantal Nederlandse bedrijven in Chinese handen is?
De meest recente cijfers (CBS: Nederland Handelsblad 20223) laten zien dat het aantal Chinese multinationals in Nederland tussen 2018 en 2022 met 45 bedrijven afnam naar 510. Een andere bron is het Ultimate Beneficial Owner (UBO) register van de Kamer van Koophandel. Deze informatie is beschikbaar via openbare bronnen.
Bovendien hoeven dergelijke gegevens niet direct iets te zeggen over risico’s voor nationale veiligheid. Afhankelijkheid van derde landen is een gegeven in Nederland. De aanwezigheid van Chinese bedrijven is dat ook en niet per definitie onwenselijk. Het wordt onwenselijk als de aanwezigheid van de buitenlandse partijen onze belangen schaadt, indien de continuïteit van vitale processen, de integriteit en exclusiviteit van informatie en kennis wordt aangetast en/of risicovolle strategische afhankelijkheden ontstaan. Om ons daar weerbaar tegen te maken neemt het kabinet in het kader van het tegengaan van de dreiging tegen statelijke actoren gepaste maatregelen, zoals ook genoemd onder het antwoord op vraag 2.
De rijksoverheid houdt middels de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zicht op actuele dreigingen. De diensten hebben onder meer tot wettelijke taak onderzoek te verrichten naar (de inlichtingenactiviteiten van) andere landen. Ook hebben zij tot taak maatregelen ter bescherming van o.a. de nationale veiligheid te bevorderen, waaronder de vitale sectoren. In dat kader onderhouden de diensten nauwe contacten met relevante onderdelen van het Nederlandse bedrijfsleven.
Zo nee, wat is de reden dat dit niet wordt bijgehouden en deelt u de mening dat actueel inzicht in de Chinese aanwezigheid in Nederland van belang is voor de nationale veiligheid, mede gezien de conclusie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst eerder dit jaar dat China op dit moment de grootste bedreiging voor de economische veiligheid in Nederland is?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel bedrijven in Nederland hebben een aanmerkelijke Chinese minderheidsaandeelhouder, in de orde van grootte van vijf tot 50 procent van de eigendom? Als hier geen zicht op is, waarom niet?
Het kabinet houdt geen actief overzicht bij van eigendomsstructuren van bedrijven – ook omdat aandelenbelangen continu van eigenaar veranderen – en kan indien nodig gebruikmaken van reeds beschikbare data. Openbare bronnen, zoals het hierboven genoemde CBS, waar aandeelhouderschap van bedrijven wordt bijgehouden hebben meestal enkel data waarbij het aandelenpercentage 50% of hoger is. Er zijn daarnaast ook private partijen die dergelijke aandeelhoudersstructuren bijhouden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat in de haven van Rotterdam meerdere strategische bedrijven in Chinese handen zijn, gezien de vitale functie van de Rotterdamse haven in onze economie en samenleving? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met u van mening dat het essentieel is dat de Rotterdamse haven haar belangrijke maritiem-logistieke functie voor onze economie onafhankelijk en veilig kan blijven uitoefenen. Het mitigeren van risico’s als gevolg van risicovolle strategische afhankelijkheden en het tegengaan van ongewenste kennisoverdracht is binnen alle vitale processen een aandachtspunt. Een scenario-onderzoek – in opdracht van het interdepartementale Kennisnetwerk China – dat recentelijk is uitgevoerd toont aan dat Chinese actoren reeds zeer invloedrijk zijn in het internationale maritiem-logistieke domein en dat China-gerelateerde goederenstromen een grote rol in de Nederlandse maritiem-logistieke hub-functie spelen. Het zowel behouden van deze prominente hub-functie als het beschermen van strategische bewegingsruimte staat daarmee onder druk. Dit vraagt om een zorgvuldige afweging tussen economisch belang, open strategische autonomie en nationale veiligheid. Het is daarbij belangrijk om te blijven bezien of het instrumentarium dat voorhanden is om risico’s te voorkomen of te verminderen, afdoende is. Afstemming met onze buurlanden en de Europese Commissie is daarbij tevens essentieel. Het kabinet onderzoekt daarom momenteel – samen met deze partijen – in hoeverre reeds bestaand instrumentarium een antwoord kan bieden en hoe dit, indien nodig, aangepast kan worden.
Welke mogelijkheden biedt de Wet veiligheidstoets, investeringen, fusies en overnames om toezicht te houden op de huidige Nederlandse bedrijven in Chinese handen?
De Wet Vifo is landenneutraal en is gericht op het toetsen van verwervingsactiviteiten, ongeacht waar de investeerder vandaan komt. Dit om onder meer omzeilingsconstructies en afhankelijkheden van anderen te voorkomen. Inwerkingtreding van de wet is voorzien in het eerste kwartaal 2023. Artikel 58 van de wet biedt de tijdelijke mogelijkheid om verwervingsactiviteiten in vitale aanbieders en/of bedrijven die actief zijn op sensitieve technologie, die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding, maar na 8 september 2020, alsnog aan een toets te onderwerpen. Dit kan indien er een redelijk vermoeden is ontstaan dat deze verwervingsactiviteiten een risico voor de nationale veiligheid zouden kunnen vormen. De Wet Vifo biedt geen mogelijkheid om toezicht te houden op verwervingsactiviteiten die voor 8 september 2020 hebben plaatsgevonden en/of niet onder het toepassingsbereik van de wet vallen. Het toezicht van de Wet Vifo is uiteraard ook na inwerkingtreding van toepassing op verwervingsactiviteiten in huidige Nederlandse bedrijven die onder het toepassingsbereik vallen. Hierbij zal naar verwachting steeds beter inzicht ontstaan over investeringen uit specifieke landen die onder de wet vallen.
Vindt u dat er momenteel voldoende mogelijkheden zijn om zicht te houden op ongewenste investeringen en overnames en deze tegen te gaan? Als dit niet het geval is, deelt u dan de mening dat dit een lacune in de huidige wetgeving betreft? Zo ja, hoe bent u voornemens deze lacune te dichten? Bijvoorbeeld door de Wet veiligheidstoets, investeringen, fusies en overnames uit te breiden?
Het kabinet beschikt over een uitgebreid stelsel van investeringstoetsingen. Dit stelsel bestaat naast de Wet Vifo ook uit sectorale investeringstoetsen op het gebied van telecommunicatie, gas en elektriciteit. Daarnaast is een sectorspecifiek wetsvoorstel voor de defensie-gerelateerde industrie in voorbereiding. De Wet Vifo fungeert hierin als vangnet voor vitale processen. Daarnaast heeft de Wet Vifo betrekking op bedrijven die actief zijn op het gebied van sensitieve technologie. Momenteel wordt gewerkt aan een algemene maatregel van bestuur om het toepassingsbereik van de Wet Vifo te verfijnen. Deze algemene maatregel van bestuur zal volgens amendement-Van Strien4 worden voorgehangen in uw Kamer.
Daarnaast investeert het kabinet in meer kennisopbouw over investeringen en overnames in Nederland, zoals het onderzoek naar de invloed van Chinese actoren in het internationale maritiem-logistieke domein.
Welke mogelijkheden ziet u om, in het licht van de ontwikkelingen in de de afgelopen tijd, waarbij bepaalde landen evident een kwalijke rol spelen, van een «landenneutraal» beleid richting een meer landenspecifiek en proactief beleid te gaan? Deelt u de mening dat betreffende statelijke dreigingen dermate structureel, grootschalig, vergaand en moeilijk te bestrijden zijn dat de bewijslast moet worden omgekeerd, zodat proactief en schaalbaar gehandeld kan worden? Welke mogelijkheden ziet u om een dergelijk effectief beleid op te tuigen?
De kracht van de Nederlandse economie is haar open karakter, waarbij het principe is dat buitenlandse activiteiten in beginsel welkom zijn. Ook is Nederland een groot voorstander van het op regels gebaseerde multilaterale handelssysteem en de WTO, waar het non-discriminatiebeginsel fundamenteel is. Dit heeft een goede reden: Nederland wil immers ook dat andere landen niet tegen ons discrimineren. Landenneutrale wetgeving respecteert tevens het verbod op discriminatie zoals neergelegd in artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarnaast is het van belang dat instrumentarium toepasbaar blijft op veranderende dreigingen en geopolitieke ontwikkelingen en omzeilingsconstructies voorkomen kunnen worden.
Om deze redenen geeft het kabinet de voorkeur aan een landenneutraal wettelijk instrumentarium; maar waar nodig worden binnen die kaders of in de toepassing gerichte(re) maatregelen getroffen om de dreiging van bepaalde statelijke actoren te verminderen, statelijke actoren te ontmoedigen of de weerbaarheid van Nederland te vergroten. Daarvoor is een samenhangende en diverse set aan maatregelen en instrumenten nodig die Nederland in staat stelt zich hiertegen te verweren. In de Kamerbrief tegengaan statelijke dreigingen is nader ingegaan op de aanpak rondom het tegengaan van statelijke dreigingen5. Op korte termijn zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de aanpak van statelijke dreigingen.
Hoeveel van de in het artikel genoemde 900 bedrijven zijn direct actief in of voeren werkzaamheden uit gerelateerd aan de vitale sectoren of sensitieve technologie?
Departementen wijzen onder hun beleidsverantwoordelijkheid organisaties aan als vitale aanbieders wanneer deze partij essentieel is voor de continuïteit en weerbaarheid van een vitaal proces. Hierdoor heeft het kabinet goed zicht op de organisaties binnen de vitale sectoren en worden er passende weerbaarheidsmaatregelen getroffen.
Het kabinet heeft geen alomvattende lijst van bedrijven die direct actief zijn in of werkzaamheden uitvoeren gerelateerd aan sensitieve technologieën. Wel heeft het kabinet zicht op de export van goederen en technologie met een dual-use karakter die voorkomen op de bijlagen van de EU Dual-Use Verordening (EUR2.021/821) naar buiten de Europese Unie. Daarnaast is er ook zicht op de totale export van goederen en technologie die voorkomen op de Gemeenschappelijke EU-Lijst van Militaire Goederen. Relevante bedrijven zijn bekend bij de douane en het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Bedrijven hebben, na inwerkingtreding, ook een meldplicht bij het Bureau Toetsing Investeringen in het kader van de Wet Vifo. Daarnaast is er uiteraard veel contact met bedrijven, wat ook bijdraagt aan zicht op deze categorieën bedrijven.
Tegelijkertijd is het voor het kabinet niet mogelijk en vanwege de impact op het vestigings- en ondernemersklimaat ook niet wenselijk om bij ieder bedrijf te komen controleren wat zij precies doen, mits zij zich aan de bestaande wet- en regelgeving houden.
Welke instrumenten heeft de overheid op dit moment om te monitoren of sensitieve kennis en technologie niet via deze 900 bedrijven weglekt naar China? Zijn dat er voldoende? Zo niet, waar ontbreekt het momenteel aan en welke mogelijkheden ziet u om dit te verhelpen?
Het kabinet zet zich actief in om Nederland weerbaar te maken tegen de dreiging vanuit statelijke actoren.6 Hiervoor beschikken we over een breed palet aan instrumenten om ongewenste kennis- en technologieoverdracht tegen te gaan. Naast de al genoemde instrumenten als exportcontrole en investeringstoetsing, zijn dat onder meer de uitbreiding strafbaarstelling spionage, het aanwijzen van vertrouwensposities, maatregelen op veilige inkoop en kennisveiligheidsmaatregelen. Over dit bredere bestuurlijke en juridische instrumentarium is uw Kamer geïnformeerd per brief op 8 juli 2022 (Kamerstuk 32 637 / 30 821, nr. 501).
Hoeveel van deze 900 bedrijven zijn tevens erkend referent bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst?
Zonder uitspraken te doen over de status van de bedrijven op de lijst van RTL en Follow the Money, hebben van de 903 bedrijven op deze lijst, inclusief hun dochters (1.369), 243 bedrijven de erkend referentstatus. Dit is openbare informatie, aangezien alle bedrijven met een erkend referentstatus te vinden zijn in het openbaar register erkende referenten.
De kennismigrantenregeling, en daarbij de erkend referentsystematiek, is in het leven geroepen om de Nederlandse kenniseconomie te stimuleren en hoogopgeleide medewerkers van buiten de EU aan te trekken en te behouden. Alleen bedrijven die de status van erkend referent hebben kunnen vreemdelingen via de kennismigrantenregeling naar Nederland halen. Misbruik wordt zo veel mogelijk voorkomen, onderkend en aangepakt. In dit verband is het nuttig om te benadrukken dat momenteel in een interdepartementaal traject in brede zin wordt onderzocht hoe ongewenste kennis- en technologieoverdracht naar statelijke actoren zich onder meer verhoudt tot het erkend referentschap en hoe mogelijke ongewenste overdracht kan worden tegengegaan. Hierover wordt uw Kamer binnenkort verder geïnformeerd in de Kamerbrief Aanpak statelijke dreigingen en aanbieding dreigingsbeeld statelijke actoren 2.
Hoeveel van deze 900 bedrijven ontvangen tevens staatssteun in eigen land, in directe dan wel in indirecte vorm, door bijvoorbeeld te profiteren van een onevenredig afgeschermde thuismarkt?
Als bedrijven staatssteun ontvangen is er niet zonder meer sprake van oneerlijke concurrentie. Ook binnen de EU ontvangen bedrijven staatssteun. Binnen de EU is staatssteun echter aan strikte regels gebonden om te voorkomen dat het gelijk speelveld verstoord wordt. Als bedrijven uit derde landen subsidie ontvangen hoeven zij zich niet aan de Europese staatssteunregels te houden. Dit kan als gevolg hebben dat zij een sterke positie op de Europese interne markt opbouwen en zelfs de concurrentie kunnen verstoren. Op die manier is het dus mogelijk dat er dan sprake is van oneerlijke concurrentie bij subsidies uit derde landen, maar dit is lastig algemeen te stellen omdat veel afhangt van de specifieke omstandigheden van het geval. Om verstoring van de concurrentie op de interne markt door staatsgesteunde bedrijven uit derde landen tegen te gaan is recent de verordening buitenlandse subsidies aangenomen.
Deelt u de mening dat, als deze bedrijven staatssteun ontvangen, dit een oneerlijke vorm van concurrentie is?
Per wanneer verwacht u dat het mogelijk is om op basis van het instrument buitenlandse subsidies van de Europese Unie maatregelen te nemen om deze oneerlijke situatie recht te trekken? Bent u bereid zich in te zetten voor het zo spoedig mogelijk daadwerkelijk toepassen van dit instrument op Chinese bedrijven die via staatssteun zorgen voor een ongelijk speelveld?
De Verordening buitenlandse subsidies zal het mogelijk maken op te treden indien er op de Europese interne markt overnames worden gedaan waarbij sprake is van verstorende subsidies uit derde landen of als bedrijven die deze subsidies ontvangen inschrijven op aanbestedingen. Daarnaast is het voor de Europese Commissie ook mogelijk om op eigen initiatief alle andere marktsituaties te onderzoeken en een ad hoc-aanmelding te vragen voor kleinere concentraties en openbare aanbestedingen, als zij vermoedt dat er sprake kan zijn van een verstorende buitenlandse subsidie.
Ik ben blij dat de onderhandelingen over dit belangrijke instrument recent zijn afgerond. Wanneer de verordening precies in werking treedt, is nu nog onduidelijk, maar de verwachting is vanaf het derde kwartaal van 2023.
Nederland heeft zich vanaf het begin ingezet voor dit instrument. Nu is het belangrijk dat de Commissie de verordening snel na inwerkingtreding gaat toepassen en waar nodig zal het kabinet dit bij de Commissie onder de aandacht brengen.
Het opstarten van een mediation traject met het COA, rijk en gemeente Westerwolde |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de breed aangenomen motie opstarten mediation traject Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in de gemeenteraad van Westerwolde? Zo ja, wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met de betreffende motie. Allereerst wil ik mijn waardering uitspreken voor de jarenlange inzet van de gemeente om ruimte te bieden aan de locatie in Ter Apel waar het asielproces over de volle breedte wordt doorlopen. Op 28 november 2022 bracht ik een informeel werkbezoek aan de gemeente Westerwolde om de wensen en zorgen die leven onder het college van burgemeester en wethouders en de fractievoorzitters van de gemeenteraad te bespreken. In dat kader kwam ook de aangenomen motie over het opstarten van een mediation traject ter sprake. Het is spijtig dat de gemeenteraad zich genoodzaakt voelt om deze stap te zetten. Tegelijkertijd is een dergelijk traject bij uitstek geschikt om de samenwerkingsrelatie te verbeteren en het vertrouwen te herstellen.
Onderschrijft u dat in meerdere gevallen het COA afspraken met de gemeente Westerwolde niet is nagekomen?
Als gevolg van de druk op de keten van asiel tot integratie is het helaas niet altijd mogelijk gebleken om de met de gemeente Westerwolde afgesproken maximale opvangcapaciteit van 2000 personen in acht te nemen. In de afgelopen periode had het COA onvoldoende mogelijkheden om asielzoekers door te laten stromen naar locaties elders in het land. Bovendien was de instroom van asielzoekers hoger dan in voorgaande jaren het geval was en leverde de uitstroom van vergunninghouders naar huisvesting in gemeenten onvoldoende plekken op in de opvang. Vooral afgelopen zomer werd dat pijnlijk duidelijk en liep het in de keten op meerdere fronten vast, met een schrijnende situatie in en om de locatie Ter Apel tot gevolg.
Op dit moment bedraagt de bezetting in Ter Apel minder dan 2000 personen. Dit komt vooral doordat doorstroom naar locaties elders mogelijk is, zoals de locatie Marnewaard in de gemeente Het Hogeland waar mensen kort kunnen verblijven terwijl zij wachten op de start van het aanmeldproces in Ter Apel. De komende weken moet blijken of deze ontwikkeling doorzet. Alle inzet is erop gericht om structurele verbetering te realiseren. De problematiek is echter complex en de afhankelijkheden binnen de keten groot. Tegen de achtergrond van deze realiteit en met hulp van alle betrokken partijen spant het COA zich tot het uiterste in om zich te houden aan de afspraken uit het bestuursakkoord.
Bent u bekend met de wensen van gemeente Westerwolde die zowel de leefbaarheid in de gemeente Westerwolde als de structurele problematiek bij het COA een oplossing bieden, en wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met de wensen van de gemeente Westerwolde die betrekking hebben op de realisatie van nieuwe aanmeldcentra en voldoende opvangplekken alsmede de ontwikkeling van een «plan B» voor de onverhoopte situatie dat de maximale opvangcapaciteit op de locatie Ter Apel weer dreigt te worden overschreden. Ik onderschrijf de noodzaak om Ter Apel structureel te ontlasten en de aanhoudende tekorten in de asielopvang op te lossen. Met dit doel heeft het kabinet bestuurlijke afspraken met partners in de migratieketen en medeoverheden gemaakt waarover uw Kamer op 26 augustus 2022 is geïnformeerd.1 Daarnaast heeft het kabinet ook een aantal politieke afspraken gemaakt. Ik hecht grote waarde aan de overeengekomen maatregelen en zet, samen met alle betrokken partijen, onvermoeibaar in op de uitvoering ervan.
Kunt u per individuele wens van de gemeente Westerwolde de Kamer informeren in hoeverre u van plan bent hierin mee te gaan? Zo ja, kunt u per wens aangeven op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De inzet van het kabinet staat beschreven in de bestuurlijke en politieke afspraken waar in het antwoord op vraag 4 naar wordt verwezen. De wensen van de gemeente Westerwolde zijn veelal in vergelijkbare bewoordingen of met een vergelijkbare strekking in de afspraken opgenomen. Als zodanig zet ik mij vanzelfsprekend in om de wensen te verwezenlijken. In periodieke brieven informeer ik uw Kamer over de invulling en voortgang van de getroffen maatregelen, meest recentelijk op 18 november jl.2
Hoe gaat u de gemeente Westerwolde tegemoet komen en ondersteunen om tot een gezamelijke nieuwe bestuursovereenkomst te komen?
De geldigheid van de huidige bestuursovereenkomst staat op dit moment niet ter discussie. Voor zover de ontwikkeling van een nieuwe bestuursovereenkomst aan de orde is, zou dit moeten volgen uit het nog te doorlopen mediation traject. Het is van groot belang dat de gemeente Westerwolde en het COA op basis van vertrouwelijkheid en vrijwilligheid het mediation traject met elkaar doorlopen, te meer vanwege de inzet op het herstel van vertrouwen. Om die reden onthoud ik mij van uitspraken waarmee ik vooruit zou lopen op een mogelijke uitkomst en die het verloop van het traject kunnen beïnvloeden.
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van RTV Noord1 waarin Marco Visscher (fractievoorzitter grootste partij van Westerwolde) voorstelt om naar de rechter te stappen om de overeenkomst met het COA te ontbinden mocht dit traject niet adequaat bevonden worden? Beseft u dat het sluiten van de COA-locatie in Ter Apel ten gevolge van een rechtsgang een enorme crisis oplevert voor de asielketen?
Ja, ik ben bekend met het standpunt van dhr. Visscher. Op basis van mijn gesprekken met de gemeente Westerwolde en het COA heb ik vertrouwen dat beide partijen open en constructief het traject ingaan met het oog op het continueren en – waar mogelijk – verbeteren van de samenwerkingsrelatie. Ik heb dan ook geen reden om aan te nemen dat een gedragen oplossing waarin alle belangen worden behartigd niet gevonden kan worden. Tot slot benadruk ik dat de locatie Ter Apel van onschatbare waarde is voor het asielproces en daarmee voor alle ketenpartners, waaronder het COA.
Bent u het eens met de stelling dat een succesvol mediation traject wenselijker is dan een rechtsgang van de gemeente Westerwolde?
Ja, het staat buiten kijf dat een succesvol mediation traject de voorkeur heeft boven rechterlijke tussenkomst. Het streven van een mediation traject is immers gericht op het (her)opbouwen van vertrouwen tussen de partijen op vrijwillige basis. Partijen hebben een eigen verantwoordelijkheid om deel te nemen en invulling te geven aan het traject. De uitkomst zal om die reden per definitie op de steun en medewerking van partijen kunnen rekenen.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen voor 26 oktober 2022 beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gevraagde termijn te beantwoorden. Dat betekent evenwel niet dat tot het moment van schrijven geen stappen zijn ondernomen. Zo heeft de gemeente Westerwolde aan de Nationale ombudsman, dhr. van Zutphen, gevraagd om een rol te spelen in het traject. Ik heb begrepen dat hij inmiddels met beide partijen heeft gesproken en voornemens is op basis hiervan een voorstel te doen.
De campagne ‘Drafsport? Onsportief!’ |
|
Erik Haverkort (VVD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de campagne «Drafsport? Onsportief!» van Dier&Recht?1, 2
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering van Dier&Recht dat dwangmiddelen binnen de drafsport pijn en letsel bij paarden veroorzaken?
Ik deel de opvatting van Dier&Recht dat paardensport niet gepaard moet gaan met pijn, dwang en aantasting van paardenwelzijn. De campagne sluit aan bij een brede maatschappelijke zorg met betrekking tot het gebruik van dieren in de sport en het gebruik van dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen tijdens uitoefening van deze sport.
Bij alle paardensportdisciplines worden hulpmiddelen gebruikt. De toegestane hulpmiddelen worden gereguleerd in harnachementgidsen. Op de website van de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (verder: SNDR) zijn alle reglementen van de draf- en rensport te downloaden, waaronder de harnachementgids: https://www.ndr.nl/downloads/. In de wedstrijdreglementen is te lezen welke hulpmiddelen en materialen gebruikt mogen worden tijdens wedstrijden. Daarnaast zijn er ook bepalingen opgenomen die ingaan op het gedrag van de rijder voor, tijdens en na de koers. Deze gidsen en reglementen worden regelmatig herzien op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Zo zijn de reglementen over zweepgebruik in afstemming met de Vereniging van Draf- en Rensport Professionals (VDRP) aangescherpt.
Om beter zicht te krijgen op het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen heb, ook naar aanleiding van de moties van het Lid Graus over het in kaart brengen en verbieden van alle dieronvriendelijke hulp- en trainingsmiddelen (Kamerstuk 28 286, nr. 1151 en nr. 1175), heb ik het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om dit te inventariseren voor honden en paarden. Mogelijk worden naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek het wedstrijdreglement en harnachementgids verder aangescherpt.
Wat is uw reactie op het Finse onderzoek, waar de campagne naar verwijst, waaruit blijkt dat dwangmiddelen binnen de drafsport paarden fysiek beschadigen en dat 84 procent van de paarden na een wedstrijd verwondingen in de mond heeft?3
Het percentage geconstateerde verwondingen in de mond bij dit onderzoek is schrikbarend hoog. Hierbij wil ik wel de kanttekening plaatsen dat de situatie in Nederland mogelijk afwijkt van die in Finland. Cijfers over de Nederlandse drafsport ontbreken. Het onderzoek heeft een correlatie (geen oorzakelijk verband) gevonden tussen het gebruik van bepaalde bitten en de verwondingen in de mond van de onderzochte paarden. De onderzoekers geven aan dat ook andere factoren, zoals teugelvoering en gebitsverzorging een rol zouden kunnen spelen in het veroorzaken van deze wonden.
Afgezien van de specifieke bitten, is er geen verband gevonden tussen het gebruik van hulpmiddelen als de opzetteugel of de tongband en de wonden in de mond van de paarden.
Wat is uw reactie op de stelling uit de campagne dat bitten aan mondhoeken trekken, waardoor het gehemelte en het tandvlees van paarden beschadigd wordt en dat de tong aan de onderkaak vastgebonden wordt om de druk van het bit te verminderen met als gevolg dat paarden chronisch letsel oplopen?
Het bit is al vele eeuwen een middel om paarden te kunnen sturen en om hun snelheid te kunnen regelen. Dat gebeurt niet alleen in de draf- en rensport. Het risico op beschadiging van het gehemelte en het tandvlees is naast eigenschappen van het bit zelf afhankelijk van veel overige factoren, zoals de gebitsverzorging en de teugelvoering. Bitten waarvan is aangetoond dat deze een verhoogd risico geven op verwondingen in de mond, zouden niet in de harnachementgids opgenomen moeten worden.
Voor wat betreft het tongenbandje blijkt uit het Finse onderzoek geen verband tussen het gebruik van dit bandje en verwondingen in de mond van het paard. Dit neemt niet weg dat er andere nadelige gevolgen kunnen zijn van het (verkeerd) gebruik van het tongenbandje. In de harnachementgids van de SNDR staat opgenomen dat dit hulpmiddel is toegestaan, maar wel zodanig dient te zijn aangebracht dat de bloeddoorstroming van de tong niet wordt belemmerd. De bij een wedstrijd aanwezige baancommissaris houdt toezicht op naleving van het wedstrijdreglement. Verkeerd gebruik van het tongenbandje, waarbij de bloeddoorstroming van de tong wordt belemmerd en de tong blauw kleurt, keur ik ten zeerste af.
Hoe verklaart u de stelling uit de campagne dat veel dwangmiddelen – zoals de opzetteugel, oordoppen, het vastbinden van staart en tong – verboden zijn binnen paardensportdisciplines die bij de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (KNHS) aangesloten zijn, maar bij de drafsport wel gebruikt worden?
De drafsport is een ander soort sport dan de andere disciplines binnen de KNHS, het is niet vreemd dat hier verschillende hulpmiddelen voor zijn toegestaan. Wel heb ik, zoals hierboven aangegeven, het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om onderzoek te doen naar het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen voor honden en paarden.
In hoeverre bent u van mening dat de gedragsregels die de drafsport hanteert op dit moment voldoende toezien op dierenwelzijn?
Ook bij de SNDR zijn signalen waargenomen omtrent de maatschappelijke onrust over mogelijke dierenmishandeling in de paardensport. Daarom is enige jaren geleden door de SNDR een Commissie Welzijn in het leven geroepen. Deze commissie, bestaande uit deelnemers, dierenartsen en functionarissen en bestuursleden van de SNDR hebben sindsdien diverse activiteiten ontplooid om de sport diervriendelijker te maken. Zo zijn de reglementen over zweepgebruik in afstemming met de Vereniging van Draf- en Rensport Professionals (VDRP) aangescherpt en wordt hier consequent op gehandhaafd. Meest recente onderdeel van het werk van de commissie is het opstellen van een ethische code voor het welzijn van de draver en de volbloed.
Op welke manier houdt u toezicht op dierenwelzijn binnen de drafsport?
De NVWA voert toezicht op dierenwelzijn risicogebaseerd uit. Toezicht binnen de drafsport vindt met name naar aanleiding van meldingen plaats.
In hoeverre deelt u de mening dat het doel van de drafsport, namelijk plezier en gokken, geen redelijk doel is, in het kader van artikel 2.1 lid 1 van de Wet Dieren, aangezien dwangmiddelen paarden pijn of letsel toebrengen?
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet dieren en uit die wet volgt dat de wetgever wedstrijden met dieren, waaronder de drafsport, niet heeft verboden4. In algemene zin kan daarom niet worden gesteld dat uit de Wet dieren volgt dat de drafsport in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wet dieren zou zijn. Dat laat onverlet dat houders van de dieren die aan die wedstrijden deelnemen zorg dienen te dragen voor de gezondheid en het welzijn van de dieren en voldoen aan de eisen die de Wet dieren aan hen stelt. Hierbij hoort ook dat er niet in strijd wordt gehandeld met artikel 2.1 van de Wet dieren. In voorkomende gevallen moet daarom worden beoordeeld of een bepaald hulp-of trainingsmiddel dat pijn of letsel veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier benadeeld een redelijk doel dient, er van uitgaande dat de drafsport als zodanig is toegestaan. Waar dit nodig blijkt, kunnen er bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld op basis van de Wet dieren. In de eerste plaats specifiek over wedstrijden met dieren, waaronder een verbod op wedstrijden met een bepaald doel, mede in het belang van het welzijn van de betrokken dieren (op basis van artikel 2.15). In de tweede plaats kunnen specifieke gedragingen waarbij gebruik wordt gemaakt van bepaalde voorwerpen worden verboden (op basis van artikel 2.1, vijfde lid in samenhang met het derde lid, van de Wet dieren). Of en in hoeverre het nodig is daarvan gebruik te maken zal mede afhangen van de uitkomsten van het onderzoek waarover in het antwoord op vraag 9 wordt gesproken en de wijze waarop de sector daar gevolg aan geeft.
Wat is uw reactie op de oproep in de campagne om dwangmiddelen binnen de drafsport te verbieden?
Ik kan me vinden in deze oproep. Hulpmiddelen waarbij er een groot risico is op welzijnsaantasting zouden niet gebruikt moeten worden. Dit geldt niet alleen voor de drafsport, maar voor iedere interactie met dieren. Helaas ontbreekt in veel gevallen onderzoek naar het al dan niet schadelijk zijn van een specifiek middel. Daarom heb ik, zoals aangegeven bij het antwoord op vragen 2 en 5, het lectoraat human-animal interactions van de Aeres Hogeschool in Dronten gevraagd om het risico op welzijnsaantasting bij gebruik van verschillende hulp- en trainingsmiddelen bij honden en paarden te inventariseren. De resultaten van dit onderzoek kunnen onder andere door de SNDR gebruikt worden om hun harnachementgids tegen het licht te houden.
Het verhogen van de tarieven door energiemaatschappijen |
|
Pieter Omtzigt |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
Heeft u kennis genomen van de vele energiemaatschappijen, zoals Eneco en Greenchoice die per 1 oktober a.s. de tarieven voor elektriciteit en gas fors verhogen en dat pas tien dagen of enkele dagen voor ingang meedelen aan de klanten?1
Ja.
Herinnert u zich dat u in de Kamer op dinsdag tijdens het Vragenuur heeft gezegd dat de energiemaatschappijen daarmee de wet overtreden, toen u zei: «Energiebedrijven verwijzen naar de afspraken die zij als sector hebben gemaakt en die ook in hun eigen algemene voorwaarden zijn verwerkt; de heer Erkens verwees daar ook naar. Daarin staat tien dagen, maar dat is irrelevant, want de wet is helder. De wet zegt: 30 dagen»?
Zoals ik uw Kamer reeds gemeld heb in het Vragenuur van 27 september 2022 vind ik het zeer onwenselijk dat energieleveranciers hun prijsverhoging voor 1 oktober toch wilden doorzetten. Ik heb ook aangegeven dat het aan de onafhankelijk toezichthouder Autoriteit Consument en Markt (ACM) is om een eventueel onderzoek te starten naar mogelijke wettelijke overtredingen. De ACM heeft energieleveranciers op 27 september per brief opgeroepen zich aan de wettelijke regels te houden. Tegen energieleveranciers die dat niet doen, kan de ACM handhavend optreden, hetzij door het opleggen van boetes, lasten onder dwangsom of bindende aanwijzingen.
Hierna hebben de vijf grootste energieleveranciers in Nederland gehoor gegeven aan de oproep van de ACM om hun besluit terug te draaien. Inmiddels hebben ook andere, kleinere leveranciers bij de ACM aangegeven in geval van tariefwijzigingen de termijn van 30 dagen te zullen respecteren.
Moeten klanten individueel bezwaar maken of zorgt het kabinet, via bijvoorbeeld een maximumprijs op grond van artikel 44 van de Gaswet, of de Autoriteit Consument en Markt (ACM) ervoor dat er wordt ingegrepen?
Klanten kunnen op individuele basis een klacht indienen bij hun leverancier of naar de Geschillencommissie of de rechter stappen. Ze kunnen ook bij de ACM melding maken dat de leverancier zich niet aan de regels houdt. De toezichthouder kan eventueel handhavend optreden bij overtredingen van de wetgeving. De leverancier kan dan bijvoorbeeld een boete krijgen. Een verplichting om de afnemers terug te betalen kan en mag de ACM niet opleggen, daarvoor moeten afnemers naar de Geschillencommissie of de rechter.
Op welke wijze kan een consument effectief zijn recht halen?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn de voor velen onbetaalbaar hoge incasso’s met de hogere energieprijzen over de maand oktober rechtsgeldig of niet?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 heeft een flink aantal leveranciers inmiddels gehoor gegeven aan de oproep van de ACM.
Moet een consument de hogere incassokosten betalen, terwijl hij weet dat de energiemaatschappij zich niet aan de wet houdt? Ofwel, moet de consument zich aan de wet houden, wanneer de energiemaatschappij dat niet doet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u deze vragen een voor een en voor 1 oktober a.s. beantwoorden, omdat de prijsverhogingen dan al ingaan en omdat een bedrijf als Essent dit op 27 en 28 september 2022 pas communiceert over prijsverhogingen en met de snelheid van het licht de politiek en toezichthouder probeert te passeren?
Ik heb ernaar gestreefd de vragen zo snel mogelijk te beantwoorden.
Verborgen betalingen aan cardiologen |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat cardiologen zonder toestemming miljoenen euro’s van medische bedrijven ontvangen?1
Ja.
Heeft het gesprek met de Vereniging voor Cardiologie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat u aankondigde naar aanleiding van het nieuws over verborgen betalingen aan cardiologen al plaatsgevonden? Zo ja, wat is er uit dit gesprek gekomen?2
Naar aanleiding van de berichtgeving heb ik inmiddels een eerste gesprek gevoerd met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het gesprek met de Vereniging voor Cardiologie heeft nog niet plaatsgevonden. Zoals eerder toegezegd zal ik uw Kamer in het eerste kwartaal van 2023 informeren over de uitkomsten van deze gesprekken.
Is de IGJ inmiddels een onderzoek gestart naar hoe het geld dat de cardiologen hebben ontvangen precies is besteed? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunnen resultaten van dit onderzoek verwacht worden?
De IGJ is een onderzoek gestart. Dit onderzoek richt zich op de verplichte transparantie bij gunstbetoon en de borging daarvan in de ziekenhuizen. Een eerste stap hierbij is een uitvraag bij de betreffende zorginstellingen. Duidelijk moet worden hoe binnen de instellingen de wettelijke kaders al dan niet zijn nageleefd, hoe de transparantie in de betreffende instelling is georganiseerd en hoe hierop intern wordt gecontroleerd. Daarnaast moet uit het onderzoek komen welke stappen door de instellingen worden ondernomen, en of de ziekenhuisbesturen voldoende handvatten hebben om te voldoen aan de (wettelijke) kaders.
Daarnaast is de IGJ in gesprek gegaan met de veldpartijen, die tezamen de verantwoordelijkheid dragen voor de zelfregulering, vastgelegd in de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH). Hierbij wordt de huidige uitvoering van de bestaande zelfregulering besproken. Aan de hand van alle verkregen informatie bepaalt de IGJ welke vervolgstappen nodig zijn. Ik verwacht dat hier nog dit jaar meer bekend over is.
Kunt u inmiddels aangeven of het mogelijk is om deze verborgen betalingen terug te vorderen, of in ieder geval ervoor te zorgen dat deze betalingen ten goed komen aan de betreffende ziekenhuizen?
Als in het onderzoek van de IGJ overtredingen van de wettelijke kaders gunstbetoon worden geconstateerd, kan de IGJ daartegen optreden. Zo kan de IGJ overgaan tot het opleggen van bestuurlijke boetes.
Voor de duidelijkheid wil ik hier benadrukken dat dit mogelijke acties zijn, vanzelfsprekend moet eerst het onderzoek worden afgewacht. De IGJ heeft zelf geen bevoegdheid om betalingen binnen een privaatrechtelijke overeenkomst terug te vorderen of te doen terugvorderen.
Kunnen de betreffende cardiologen berispt worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen kunnen tegen hen genomen worden? Komt er een melding aan het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit is mogelijk. De IGJ kan betreffende zorgprofessionals en/of raden van bestuur en leveranciers van medische hulpmiddelen aanspreken op het niet voldoen aan de gestelde kaders. Indien op grond van de wettelijke kaders volgt dat er sprake is van een overtreding van de wet in het kader van gunstbetoon, kan de IGJ bestuursrechtelijke maatregelen nemen (de eerder benoemde bestuurlijke boete). Mocht in het onderzoek bij de IGJ het vermoeden van fraude ontstaan, dan kan de IGJ de FIOD hierop attenderen.
Deelt u de mening dat de kans op dit soort misstanden veel kleiner zou zijn en dat er meer mogelijkheden om in te grijpen zouden zijn, zoals op basis van het arbeidsrecht, als artsen in loondienst zouden zijn en betalingen van medische bedrijven slechts via ziekenhuizen zouden verlopen? Zo nee, waarom niet?
Zowel voor medisch specialisten die in loondienst werken als vrijgevestigde medisch specialisten geldt een meldplicht voor nevenactiviteiten en neveninkomsten bij het Transparantieregister. Echter, wanneer sprake is van kwade wil kan het zowel in loondienst als bij vrijgevestigden voorkomen dat nevenfuncties en neveninkomsten niet gemeld worden. Ik ben van mening dat voor beide gevallen, loondienst en vrijgevestigd, er duidelijke regels moeten zijn met adequate mogelijkheden tot ingrijpen als misstanden gesignaleerd worden. De arbeidsrelatie van een medisch specialist tot de zorginstelling zou hierin geen verschil mogen maken.
Het is mijn wens om beter te waarborgen dat betalingen aan zorgprofessionals en zorginstellingen inzichtelijk zijn. Dit neem ik zeer serieus. De komende tijd beraad ik mij daarom op de vraag wat hiertoe de meest effectieve maatregelen zijn. De vraag of, en zo ja in welke vorm, hiervoor nadere wet- en regelgeving nodig is, neem ik nadrukkelijk mee in deze afweging. Ik verwacht u in het eerste kwartaal van 2023 hierover nader te informeren.
Het reisadvies voor Rusland |
|
Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bulgaria, Poland, and Estonia advise their citizens to get out of Russia as soon as possible»1, en het vernieuwde reisadvies van de Verenigde Staten (VS) en Verenigd Koninkrijk (VK) voor Rusland?2
Ja.
Bent u bereid om in navolging van bovengenoemde landen Nederlanders op te roepen om Rusland zo snel mogelijk te verlaten? Zo nee, waarom niet?
Nederland roept sinds eind februari Nederlanders in Rusland op om het land te verlaten.
Het reisadvies voor Rusland is sinds het begin van de Russische oorlog in Oekraïne rood en oranje. Voor rode gebieden geldt dat reizen naar deze gebieden ten zeerste wordt afgeraden. Dit is bijvoorbeeld van toepassing voor de provincies die grenzen aan Oekraïne (en enkele andere gebieden in de Kaukasus). Voor de rest van Rusland geldt een oranje reisadvies. Dat betekent dat niet-essentiële reizen worden ontraden. In de tekst staat een dringende oproep aan Nederlanders om te overwegen of verblijf echt noodzakelijk is, waarbij specifiek benadrukt wordt dat dit zeker geldt voor mensen die tijdelijk in Rusland zijn, zoals studenten of zakenreizigers. Voor Nederlanders die permanent gehuisvest zijn in Rusland luidt het advies om na te denken over tijdig vertrek en op welke manier zij in dat geval het land kunnen verlaten.
Uiteraard blijft het kabinet de situatie nauwgezet volgen en zal het reisadvies aangepast worden indien nodig.
Waarom heeft Nederland (in tegenstelling tot de VS en het VK) het reisadvies voor Rusland nog grotendeels op oranje staan in plaats van rood?
Voor het Nederlandse reisadvies geldt dat de tekst van het advies leidend is: daarin staat per reisadvies precies uitgelegd wat de aanleiding is voor de kleurcode(s): welke risico’s er spelen en op welke manier reizigers met deze risico’s om kunnen gaan. Voor het Nederlandse reisadvies geldt dat de oranje kleurcode op dit moment het meest passend is. De veiligheidsrisico’s zijn immers verbonden aan specifieke personen en situaties, en gelden niet voor geheel Rusland.
Nederland stemt af met EU-partners. Het Nederlandse reisadvies voor Rusland is in lijn met dat van andere EU-partners (bijv. Frankrijk, België, Duitsland).
Heeft u contact gehad met de VS en het VK over welke risicoanalyse hieraan ten grondslag ligt (bijvoorbeeld het risico dat Rusland alle grenzen sluit en de chaos die daarop volgt)? Zo ja, hoe beoordeelt u die analyse? Zo nee, bent u bereid alsnog navraag te doen?
Er is meerdere keren contact geweest met de VS en het VK over hun reisadvies en veiligheidsvraagstukken. De reisadviezen van VS en VK benoemen grofweg dezelfde veiligheidsrisico’s als Nederland en ook in dezelfde bewoordingen. Het enige verschil is dat deze landen hier een rode kleurcode aan verbinden.
Bent u bereid om Nederlanders in Rusland actiever te benaderen om hen te adviseren het land zo snel mogelijk te verlaten, zowel persoonlijk als via publieke communicatie? Wat gaat u hier concreet aan doen?
Sinds eind februari worden Nederlanders geadviseerd Rusland te verlaten: via het reisadvies (en updates daarvan) en via verschillende communicatiekanalen van de ambassade in Moskou (via de BZ Informatieservice, via sociale media).
Het bericht ‘Omroepen: er moet snel iets gebeuren met ON, na ‘beschamende’ uitzending’ |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat Ongehoord Nederland (ON) met de «beschamende» uitzending van 15 september jl. duidelijk een grens over is gegaan en dat voor dit soort geluiden geen plek zou moeten zijn in het omroepbestel?1
Het is niet aan mij om dat te beoordelen. De redactionele onafhankelijkheid van publieke omroepen is een groot goed, als Staatssecretaris voor media laat ik mij niet uit over de inhoud van de programmering.
Deelt u de mening dat er maatregelen moeten worden genomen en dat het nu lijkt alsof de bestuurlijke moed ontbreekt om dit te doen?
Het is in eerste instantie aan de NPO Ombudsman en het Commissariaat voor de Media om de uitzending te toetsen aan respectievelijk de journalistieke code van de NPO en de Mediawet. Beide instanties hebben aangegeven bezig te zijn met een onderzoek naar de desbetreffende uitzending.
Klopt het dat voorafgaand aan de toelating van ON, net zoals met elke omroep die toe wil treden tot het publieke omroepbestel, gesprekken zijn geweest over de voorwaarden die gelden om onderdeel te zijn van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en dat ON daarvoor heeft getekend? Hebben die gesprekken plaatsgevonden en heeft ON deze voorwaarden ondertekend? Hoe luiden die voorwaarden precies?
Ongehoord Nederland heeft een aanvraag voor een voorlopige erkenning ingediend. Het Commissariaat voor de Media, de NPO en de Raad voor Cultuur hebben over deze aanvraag geadviseerd. Omdat alle genoemde instellingen kanttekeningen plaatsen bij het verder positieve advies over de toelating van Ongehoord Nederland, heeft mijn voorganger Ongehoord Nederland per brief gevraagd naar de bereidheid van Ongehoord Nederland om zich te conformeren aan de journalistieke code van de NPO en de Mediawet. Ongehoord Nederland heeft in antwoord hierop laten weten zich te conformeren aan de Mediawet en alle interne gedragscodes, beleidslijnen en bindende besluiten van de NPO en het Commissariaat voor de Media. Er zijn geen aanvullende voorwaarden gesteld aan de erkenning van Ongehoord Nederland. De Mediawet biedt daartoe ook geen ruimte.
Wie is er verantwoordelijk om te toetsen of omroepen zich aan de voorwaarden, waarvoor ze hebben getekend, houden?
Er zijn geen aanvullende voorwaarden gesteld aan de omroepen die een erkenning hebben gekregen. Het Commissariaat voor de Media houdt toezicht op de Mediawet. De NPO Ombudsman kan toetsen aan de journalistieke code van de NPO. Daarnaast kan de NPO toetsen of omroepen zich aan bindende besluiten van de NPO houden.
Wat is aanleiding om de voorwaarden te toetsen? Vindt dit structureel plaats of ook naar aanleiding van incidenten? Zijn er mogelijkheden om het toetsingsproces eerder in gang te zetten?
Zie antwoord vraag 4.
Herkent u het beeld dat in het artikel wordt geschetst waarbij iedereen naar elkaar (ver)wijst en niemand de verantwoordelijkheid neemt om deze uitzending te beoordelen en eventuele maatregelen te nemen?
Nee dat beeld herken ik niet.
Worden de beelden uit de «beschamende» uitzending momenteel onderzocht om te beoordelen en eventueel maatregelen te nemen?
Zowel de NPO Ombudsman als het Commissariaat voor de Media hebben aangegeven onderzoek te doen naar de uitzending.
Welke maatregelen zijn er mogelijk en wie kan die nemen?
Zie de antwoorden op vraag 10 tot en met 13.
Wie had bevoegdheden om destijds te beslissen dat PowNed haar vaste zendtijd kwijtraakte, waardoor PowNews Flits niet meer kon worden uitgezonden?2
De NPO is als coördinerend orgaan verantwoordelijk voor de coördinatie van het media-aanbod. In het geval van PowNews Flits heeft de NPO besloten dit programma niet meer te programmeren.
Welke taken én bevoegdheden heeft de NPO Ombudsman met betrekking tot de «beschamende» uitzending van ON?
De NPO Ombudsman kan toetsen of de uitzending van Ongehoord Nieuws voldoet aan de journalistieke code van de NPO. Naar aanleiding van de vele klachten die zijn binnengekomen heeft de NPO Ombudsman laten weten de uitzending inderdaad te onderzoeken.
Welke taken én bevoegdheden heeft het Commissariaat voor de Media met betrekking tot de «beschamende» uitzending van ON?
Het Commissariaat houdt als onafhankelijk toezichthouder toezicht op de Mediawet. Als het Commissariaat vaststelt dat een omroep de Mediawet heeft overtreden, kan het Commissariaat een sanctie opleggen.
Welke taken én bevoegdheden heeft de NPO met betrekking tot de «beschamende» uitzending van ON?
De NPO kan een sanctie opleggen indien een omroep zich niet houdt aan bindende besluiten van de NPO of wanneer een omroep onvoldoende bereid is tot samenwerking binnen het publieke bestel. Daarnaast is de NPO als coördinerend en sturend orgaan verantwoordelijk voor de plaatsing van het media-aanbod. Indien een programma niet langer aan de criteria van de NPO voldoet, kan de NPO ertoe overgaan om een programma niet langer te programmeren.
Welke taken én bevoegdheden heeft u zelf met betrekking tot de «beschamende» uitzending van ON?
Ik heb als Staatssecretaris voor media geen rol in de beoordeling van de uitzending. Vrijheid van meningsuiting, en persvrijheid in het bijzonder, is een groot goed. Daarbij past een zeer terughoudende rol van de overheid als het gaat om de inhoud van programmering. De Mediawet bevat verschillende controlemechanismen die ervoor zorgen dat de NPO of het Commissariaat voor de Media kunnen ingrijpen indien een omroep over de schreef gaat.
Het artikel 'Energieleveranciers laten bewoners met betaalproblemen massaal stikken: Schuldhulpverleners luiden noodklok' |
|
Hülya Kat (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Carola Schouten (viceminister-president , minister zonder portefeuille sociale zaken en werkgelegenheid) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Energieleveranciers laten bewoners met betaalproblemen massaal stikken: Schuldhulpverleners luiden noodklok»?1
Ja.
Klopt het dat energieleveranciers betalingsregelingen weigeren?
Via de brancheorganisatie voor schuldhulpverlening, de NVVK, heb ik helaas vernomen dat met enige regelmaat betalingsregelingen niet getroffen worden, omdat energieleveranciers niet akkoord gaan. Het gaat dan om grofweg drie groepen: klanten die nog zelf de regie hebben en nog geen contact hebben met schuldhulpverlening, klanten die in het kader van vroegsignalering worden opgemerkt bij de gemeente omdat de energieleverancier de betalingsachterstand heeft doorgegeven en tot voor kort zelfs klanten die gebruik maken van een schuldhulpverlener om een betalingsregeling te treffen voor hun (problematische) schulden. Dit laatste probeert NVVK te voorkomen met het herziene convenant met Energie-Nederland.2
In de aangepaste regeling afsluitbeleid van 26 oktober jl. is een verplichting voor de energieleverancier («vergunninghouder» in de regeling) vastgelegd om zich in te spannen om in persoonlijk contact te treden en te blijven met de klant, en daarbij te wijzen op mogelijkheden voor hulp. De verwachting is dat deze aangepaste regeling leidt tot een toename in betalingsregelingen. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Erkent u dat het niet kunnen afsluiten van een betalingsregeling grote problemen kan hebben voor de financiële situaties van huishoudens en eventuele lopende schuldhulpverleningstrajecten?
Het niet kunnen afsluiten van een betalingsregeling kan grote consequenties hebben voor mensen wanneer zij financieel kwetsbaar zijn. De uitzonderlijke situatie op de energiemarkt zorgt ervoor dat een snelgroeiende groep klanten hun energierekening niet meer (volledig) kan voldoen. Tegelijkertijd is van mensen met geldzorgen reeds langere tijd bekend dat zij de neiging hebben zich terug te trekken, contact te vermijden, post niet te openen en aangeboden hulp niet makkelijk te accepteren. Het «in contact komen» is daardoor voor zowel energiele-veranciers als voor gemeenten lastig. De aangepaste regeling tracht hier verbetering in te brengen. Zie ook de antwoorden op vragen 1, 5 en 10.
De energieleverancier heeft recht op betaling van zijn vordering. Als iemand zijn rekening niet ineens kan betalen, kan het helpen om de rekening in termijnen te mogen betalen.
Een overeengekomen betalingsregeling dient wel redelijk en passend te zijn, zodat een schuldenaar deze ook daadwerkelijk kan nakomen. Hierbij is het belangrijk dat de achterstand niet nog verder oploopt.
Voor wie problematische schulden heeft, span ik me breed in dat zij op een laagdrempelige manier de juiste hulp kunnen vinden. Energieleveranciers moeten hier ook een rol in vervullen. Zij kunnen hun klanten met betalingsproblemen vroegtijdig op beschikbare hulp wijzen. Bijvoorbeeld door te wijzen op Geldfit, een onafhankelijk instrument waarmee mensen door het invullen van eenvoudige vragen snel inzicht in hun financiële positie krijgen. Aan de hand van ingevulde gegevens wordt een persoonlijk advies gegeven en eventueel doorverwezen naar de juiste hulp.
Het is belangrijk dat lopende schuldhulptrajecten niet lijden onder te hoog oplopende vaste lasten zoals energiekosten. Om deze reden heb ik op 31 oktober jl. een intentieverklaring3 getekend zodat mensen in een schuldregeling de eindstreep kunnen blijven halen.
Welke middelen heeft een schuldhulpverlening tot de beschikking om een energieleverancier te bewegen tot een betalingsregeling?
Het helpt om tijdig in gesprek te gaan met de energieleverancier, vooral als iemand verder geen problematische schulden heeft en zelf nog de regie kan behouden op de schulden. Als iemand problematische schulden heeft, kan een gemeentelijk schuldhulpverlener helpen als bemiddelaar.
Een schuldhulpverlener heeft een rol indien iemand is gemeld via vroegsignalering, of als iemand een aanvraag voor schuldhulpverlening heeft ingediend. Een intermediair zoals een schuldhulpverlener kan een brugfunctie vervullen en een bemiddelende rol spelen in het treffen van een betalingsregeling.
Indien er niet wordt gereageerd op een voorstel van een schuldhulpverlener, kan de schuldhulpverlener wijzen op de verplichting die de energieleverancier heeft om een extra inspanning te leveren om contact te krijgen met de klanten en om een redelijke en passende betalingsregeling aan te bieden. Daarbij kan de schuldhulpverlener ook wijzen op de verplichting om een betalingsregeling aan te bieden aan klanten die wegens wanbetaling zijn afgesloten voor of op 26 oktober jl.
Het verdient de voorkeur om de betalingsachterstand minnelijk – dus buiten de rechter om – op te lossen. Niemand heeft er belang bij, ook energieleveranciers niet, als betalingsachterstanden oplopen en mensen steeds verder in de problemen komen.
Wanneer een bedrijf niet reageert kan iemand, al dan niet met behulp van een hulpverlener om uitstel van betaling vragen, desnoods aan de rechter. Indien er sprake is van problematische schulden kan voor iemand een schuldregeling de enige mogelijkheid zijn om uit de problemen te komen. De schuldhulpverlening doet aan de schuldeisers een voorstel.
Als een of meer schuldeisers een dergelijk aanbod weigeren, kan medewerking aan een minnelijk traject via een dwangakkoord bij de rechter worden afgedwongen. Als laatste optie is er uiteraard nog het wettelijke traject, de WNSP.
De NVVK sluit steeds meer convenanten met schuldeisers af met daarin afspraken over o.a. medewerking aan schuldregelingen. Bij toelating (middels beschikking van de gemeente) tot minnelijke schuldhulpverlening behoren een betalingsregeling en schuldenrust (geen contractbeëindiging) dan tot de mogelijkheden. NVVK en Energie-Nederland hebben een dergelijk convenant afgesloten.
Erkent u dat dit in de ergste gevallen ook kan leiden tot afsluiting van de energie en hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling dat er deze winter niemand van de energie wordt afgesloten?
Een betalingsregeling is geen garantie. Maar we zijn doordrongen van de situatie en nemen deze kwestie zeer serieus. Hierbij hoort dat energieleveranciers een informatieverplichting hebben, en waar nodig contact te zoeken met de klant om dit alsnog aan te bieden. Een betalingsregeling moet nagekomen worden, indien dit niet gebeurt dan mag de rechter afsluiten. Zie ook het antwoord op vraag 7.
De aanpassing van de Regeling afsluitbeleid kleinverbruikers elektriciteit en gas en de Warmteregeling verruimt de bescherming voor consumenten met betalingsproblemen deze winter. Enkel nadat de leverancier zich tot het uiterste heeft ingespannen om in contact te treden met de klant (teneinde een betalingsregeling aan te bieden), maar het contact op geen enkele wijze tot stand komt, behoudt de leverancier het recht om af te sluiten. Met uitzondering van bestaande gevallen van fraude, misbruik of veiligheid waarbij ook mag worden afgesloten. Het niet kunnen treffen van een betalingsregeling kan deze winter dus niet tot afsluiting van energie leiden, zo lang de klant in contact blijft met de energieleverancier. De wijziging legt een zwaardere inspanningsverplichting op de leverancier om in contact te treden, maar ook om een redelijke en passende betalingsregeling te treffen. Ook als er geen contact tot stand komt, mag de klant niet worden afgesloten binnen een maand nadat de energieleverancier de gegevens heeft doorgestuurd naar de gemeente ten behoeve van schuldhulpverlening. Zodra de gemeente het traject voor schuldhulpverlening in contact met de consument heeft opgestart, geldt nog een termijn van een maand waarin niet mag worden afgesloten. Dit biedt zoveel mogelijk tijd en bescherming om de betalingsproblemen op te lossen en te voorkomen dat consumenten in de kou komen te zitten. De gewijzigde regeling afsluitbeleid kleinverbruikers van elektriciteit en gas is sinds 26 oktober jl. in werking. Indien ik alsnog signalen krijg, dan hoort uw Kamer dat van mij en zal ik actie ondernemen.
Welke inzet heeft u reeds gepleegd om energieleveranciers ertoe te bewegen betalingsregelingen te accepteren?
Het kabinet is intensief in gesprek met energieleveranciers en zij zijn indringend aangesproken op de maatschappelijke verantwoordelijkheid die zij zelf ook als zodanig ervaren om redelijke en passende betalingsregelingen aan te bieden. Op 26 oktober zijn de vastgestelde wijzigingen van de Regeling afsluitbeleid kleinverbruikers elektriciteit en gas en de Warmteregeling gepubliceerd, waardoor de leverancier een redelijke en passende betalingsregeling moet aanbieden. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5.
Hoe staat de regering tegenover een recht op een betalingsregeling voor consumenten bij nutsbedrijven, waarbij ook inhoudelijke eisen gesteld kunnen worden aan de redelijkheid van de betalingsregeling?
Voorop staat dat het belangrijk is dat een consument die merkt dat hij/zij de rekening niet kan betalen contact opneemt met het bedrijf. Vervolgens wordt door het bedrijf bekeken of een betalingsregeling mogelijk is. Soms wordt de vordering door de energieleverancier uit handen gegeven aan een incassodienstverlener. Naar verwachting treedt de Wet Kwaliteit incassodienstverlening per 1 juli 2023 in werking. Deze wet regelt de eisen aan een incassodienstverlener, zoals bejegening en zorgvuldigheid.
De meeste bedrijven werken mee aan een betalingsregeling, mits dat het bedrijf niet hindert in de bedrijfsvoering. Mocht een consument de betalingsregeling niet nakomen of de betalingsachterstand neemt elke maand meer toe, dan kan het zijn dat een energieleverancier naar de rechter stapt om een titel te verkrijgen om de schuld betaald te krijgen.
Het kabinet ziet ook dat soms een bedrijf niet mee wil werken aan betalingsregeling. Daarom werkt de Minister voor Rechtsbescherming aan een wetsvoorstel waarbij de rechter de mogelijkheid krijgt om een betalingsregeling op te leggen. Dit wetsvoorstel wordt waarschijnlijk voor de zomer 2023 aan uw Kamer aangeboden. De internetconsultatie is zojuist afgerond.
Erkent u dat een dergelijk recht kan bijdragen aan het voorkomen van de opbouw van schulden?
Maatwerk is nodig voor de consument met één schuld, bijvoorbeeld bij de energieleverancier, maar ook voor mensen met problematische schulden. Een goede betalingsregeling is afhankelijk van veel factoren, zoals de omvang van de schuld, het inkomen en het uitgavenpatroon. In de Aanpak Geldzorgen, armoede en schulden van 12 juli jl. benoem ik ook expliciet het streven om betalingsachterstanden eerder en beter te signaleren en mensen met problematische schulden sneller door te verwijzen naar passende hulp.
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Wanneer kan de Kamer de uitwerking van het noodfonds tegemoet zien en per wanneer treedt deze in werking?
Het is op dit moment nog niet precies te zeggen wanneer het tijdelijke noodfonds in werking treedt. Zoals ik tijdens het Commissiedebat armoede en schulden van 6 oktober jl. heb toegezegd ontvangt uw Kamer voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nadere informatie over de uitwerking van het noodfonds.
Kan het zo zijn dat een huishouden geen aanspraak kan maken op hulp uit het noodfonds wanneer de energieleverancier geen betalingsregeling heeft aangeboden?
De opzet van het tijdelijke noodfonds is dat het fonds een deel van de energierekening van kwetsbare huishoudens die met afsluiting worden bedreigd voor maximaal de winterperiode (1 oktober tot 1 april) uitkeert aan de energieleveranciers. Het noodfonds wordt echter nog uitgewerkt. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Daarbij wil ik erop wijzen dat op 26 oktober jl. de tijdelijke wijziging van de Regeling afsluitbeleid kleinverbruikers elektriciteit en gas en de Warmteregeling in werking is getreden. Daarmee wordt deze winterperiode (tot 1 april 2023) extra bescherming geboden aan kleinverbruikers met betalingsproblemen. Van energieleveranciers wordt een extra inspanning gevraagd op het in contact treden met de kleinverbruiker en het aanbieden van een redelijke en passende betalingsregeling. Alleen als de klant na de extra inspanning van de leverancier niet in contact treedt met de leverancier en ook de pogingen van de gemeente om in contact te komen om een traject van schuldhulpverlening op gang te brengen niet slagen, mag in het uiterste geval worden afgesloten (naast de bestaande gevallen van fraude, misbruik en veiligheid). Ook geldt een verplichting voor de leverancier om een betalingsregeling aan te bieden aan kleinverbruikers die op het moment van inwerkingtreding wegens wanbetaling zijn afgesloten.
De ontwikkelingen omtrent ouderverstoting |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Elke dag horen 200 kinderen dat hun ouders gaan scheiden»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het zorgwekkend is dat in het artikel genoemd wordt dat «ongeveer een op de vijf kinderen daarna ook een van beide ouders niet meer ziet». Zo ja, welke concrete maatregelen neemt u om dit probleem op korte termijn aan te pakken?
Ja, dit vind ik zorgwekkend. Als een kind een van beide ouders niet meer ziet, kan dit tot schrijnende gezinssituaties leiden. Het is een fundamenteel recht van kinderen om contact te hebben met beide ouders. Ik wil daarom voorkomen dat contactverlies tussen kind en ouders optreedt. Dit doe ik door een preventieve aanpak en het zo vroeg mogelijk signaleren wanneer contactverlies speelt of dreigt. Dit vergt onder meer een tijdige, systeemgerichte en interdisciplinaire aanpak van professionals.
Het Expertteam heeft geadviseerd hiervoor een Scheidingsadviesteam in te richten, specifiek voor de situaties waarbij omgangsproblemen (dreigen) te spelen. Met verschillende vormen van zo’n Scheidingsadviesteam heb ik in 2021 geëxperimenteerd in de pilot Specialist Contactverlies van het Programma Scheiden zonder Schade (hierna: SzS). De opbrengsten hiervan waren kansrijk, zoals is te lezen in de opgeleverde rapporten2. Daarom ben ik hierop voortbouwend vanaf september 2022, een nieuw en omvangrijker experiment gestart voor de komende twee jaar. In dit experiment, genaamd «Een goed begin», worden de verschillende elementen uit de nieuwe werkwijze met een Scheidingsadviesteam verder doorontwikkeld tot een integrale scheidingsaanpak en getoetst in de praktijk. De effecten ervan worden langdurig gemonitord door TNO.
De verwachting is dat door deze werkwijze het aantal gevallen van contactverlies kan worden teruggedrongen. De resultaten van dit experiment en de werkzame elementen van deze nieuwe werkwijze zullen vanaf 2024 ook breder worden verspreid. Dit is echter een traject van de lange adem. Daarom breng ik nu al deze nieuwe manier van werken onder de aandacht bij professionals uit het sociaal, zorg, juridisch en veiligheidsdomein. Doel is dat professionals beter toegerust zijn en samen kunnen werken in de situaties waarbij complexe omgangsproblemen (dreigen te) spelen.
In bijlage 1 is in een overzicht weergegeven wat er tot nu toe concreet is en wordt gedaan met de aanbevelingen van het Expertteam. Omdat het rapport een grote hoeveelheid aanbevelingen bevat, is de volgende driedeling gemaakt:3 het voorkomen van contactverlies (preventie),4 het herstellen van contactverlies en5 de specialistische kennis en expertise die hiervoor nodig is.
Zijn er sinds de antwoorden op eerdere Kamervragen in 2018 van GroenLinks2 meer actuele cijfers over het aantal kinderen dat één van beide ouders niet meer ziet? Zo ja, zijn de aantallen gedaald of gestegen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen? Indien er sprake is van een stijging, kunt u aangeven waardoor er sprake is van een stijging, ondanks de plannen van de regering?
Er zijn geen actuele cijfers over het aantal kinderen dat één van beide ouders niet meer ziet. Ik deel de behoefte om hierop wel meer zicht te krijgen. Daarom ben ik met het CBS in gesprek over de mogelijkheden om het aantal complexe scheidingen waar kinderen bij betrokken zijn op reguliere basis te monitoren.
Wat heeft u concreet gedaan om de aanbevelingen uit het Adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting te bewerkstellingen? Kunt u dit per aanbeveling in een overzicht beschrijven?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u de aanbeveling van het Expertteam Ouderverstoting om meer vormen van behandeling te ontwikkelen voor complexe omgangsproblematiek en parental alienation (PA)? Zo ja, wat heeft u gedaan sinds het uitkomen van het rapport om het ontwikkelen van zulke behandelingsvormen te faciliteren? Wat gaat u verder doen om ervoor te zorgen dat er meer vormen van behandeling ontwikkeld worden voor complexe omgangsproblematiek en parental alienation?
Het aanbod van dag- en residentiele gezinsbehandelingen wordt niet landelijk bijgehouden. Ik richt mij niet op het vergroten van het aanbod van dag- en residentiële gezinsbehandelingen of het ontwikkelen van meer vormen van behandeling, maar het zo effectief mogelijk inzetten van het bestaande hulpaanbod op het juiste moment. Er is immers al een breed palet aan interventies en hulp beschikbaar in verschillende vormen van behandeling. In de pilot specialist contactverlies is hier ook aan gewerkt. Uitgangspunt is dat bij complexe scheidingszaken snel zicht is op de kern van het probleem en op de mogelijkheden voor herstel van het contact en/of een passend hulpaanbod. Daarbij is vroegtijdige triage en adequate conflictdiagnostiek belangrijk, maar ook – indien nodig – de toeleiding naar de juiste behandelmethoden.
Hoeveel aanbod van dag- en residentiële gezinsbehandelingen is er nu? Is het aanbod van dag- en residentiële gezinsbehandelingen sinds het uitkomen van het adviesrapport van het Expertteam Ouderverstoting toegenomen? Zo nee, hoezo niet? Wat zijn uw concrete plannen om zulk aanbod te vergroten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u, met de kennis van nu, beschrijven wat het programma Scheiden zonder Schade heel concreet heeft opgeleverd? Op welke manier wordt bijgehouden wat er concreet is gebeurd met de doelstellingen?
In het eindrapport van het Programma SzS is beschreven wat de opbrengsten zijn van het programma en in hoeverre de doelstellingen zijn gerealiseerd. In het kort betreft het:
De introductie van een nieuwe manier van scheiden. In deze scheidingsaanpak staan de-escalatie en dejuridisering centraal en worden het belang en welzijn van het kind voorop gesteld. Met deze scheidingsaanpak is de afgelopen jaren geëxperimenteerd in ruim 70 gemeenten in 2 arrondissementen.
Daarbij is er een groter maatschappelijk urgentiebesef om bij scheidingen op een zo goed mogelijke manier uit elkaar te gaan met zo min mogelijk schade en negatieve gevolgen voor zowel het kind als de ouders.
Ook op gemeentelijk niveau is een beweging op gang gekomen. Steeds meer gemeenten hebben expliciet aandacht voor relatie- en scheidingsproblematiek: zoals het inrichten van een scheidingsloket en het aanbieden van preventieve hulp aan kind en gezin en voorlichting over relaties en het beëindigen ervan.
Daarnaast is het aanbod van beschikbare kennis en inzichten over het onderwerp scheidingen vergroot. Dit door de vele onderzoeksresultaten, opgeleverde handreikingen voor professionals, en de kennisuitwisseling tijdens de deskundigheidssessies in de regio en webinars in het land. Hierdoor kunnen professionals zich blijven ontwikkelen, verbinding maken met andere (zorg)partijen in het veld en leren scheidingsproblemen nog beter vroegtijdig te signaleren.
Het Programma SzS heeft als katalysator gefunctioneerd en daarmee zijn doel gediend. Tegelijkertijd zijn de problemen rond (complexe) scheidingen nog niet uit de wereld. Het is een thema dat blijvend aandacht en inzet vraagt. De opgave ontstijgt daarmee de inzet en looptijd van het programma. Daarom ben ik, zoals in antwoord 2 en 4 toegelicht, het omvangrijkere experiment «Een goed begin» gestart en breng ik in de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming samen met de Staatssecretaris van VWS, de geleerde lessen uit het programma SzS verder om deze gezinsproblematiek integraal aan te pakken.
Heeft het programma Scheiden zonder Schade geleid tot het beperken van ruzies en juridische strijd in het gezin? Zo ja, op welke manier?
Een van de pijlers van het programma was om het aantal juridische procedures te beperken, door in te zetten op de-escalatie en het voorkomen van conflicten en strijd. Tijdens de looptijd van het programma is in de regiolabs intensief in de praktijk getest wat werkt in de nieuwe scheidingsaanpak. De pilot met de nieuwe gerechtelijke procedure «gezamenlijke toegang ouders» is hiervan een mooi voorbeeld. Deze pilot, waarbij de ouders gestimuleerd worden om te blijven samenwerken, is door een aantal gezinnen reeds doorlopen en de eerste ervaringen zijn positief. Deze pilot loopt nog door tot tenminste april 2023 en zal ook onderdeel uitmaken van het omvangrijkere experiment «Een goed begin» dat ik ben gestart. Concrete resultaten over de impact ervan op het aantal juridische procedures en conflictscheidingen zijn daarom nog niet op grote schaal beschikbaar. Wel zie ik dat op dit moment het aantal verzoeken om voorlopige voorzieningen – een indicator van een moeizaam scheidingsproces met conflicten – tussen 2019 en 2021 verder is gedaald.7
Heeft het programma Scheiden zonder Schade bevorderd dat de (ex)-partners samen met familie- en kennissenkring problemen kunnen oplossen? Zo ja, op welke manier?
Een belangrijke pijler bij het ontwikkelen van de nieuwe scheidingsaanpak was het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van zowel ouders als het sociale netwerk. In het Digiplein dat begin volgend jaar live gaat staat ook de zelfredzaamheid van ouders en gezinnen centraal. Daarnaast heeft het programma SzS een beweging op gang gebracht die ertoe heeft geleid dat het gesprek over scheidingen in het maatschappelijke debat anders gevoerd wordt. Dat heeft ertoe bijgedragen dat in media en maatschappij meer aandacht is voor complexe scheidingen, zodat problemen rond scheidingen sneller herkend worden in het sociale netwerk en de omgeving van ouders. In combinatie met een concreet instrument als een Digiplein helpt dit inzicht te krijgen in de problematiek en geeft dat bovendien handvatten om hier in de eigen sociale omgeving op te acteren. Daarnaast is een van de uitgangspunten van de eerdergenoemde nieuwe werkwijze om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de eigen kracht en het sociale netwerk van een gezin.
Heeft het programma Scheiden zonder Schade ertoe geleid dat gezinnen zo vroeg mogelijk hulp en begeleiding wordt geboden? Zo ja, hoe valt dit te rijmen met de kritische onderzoeksrapporten van de afgelopen jaren over het gebrek aan vroegtijdige hulp?
Zoals in het antwoord op vraag 7 genoemd, is er mede dankzij het Programma SzS op gemeentelijk niveau een beweging op gang gekomen. Dit is een zeer positieve ontwikkeling. Tegelijkertijd zijn er knelpunten in de beschikbaarheid van tijdige hulp aan kind en gezin. In de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming werk ik samen met de Staatssecretaris van VWS aan het structureel verbeteren van de beschikbaarheid.
In uw brief aan de Kamer van 4 juli jl.3 noemt u dat een mindsetverandering over hoe om te gaan met gezinnen in complexe scheidingssituaties noodzakelijk is. Wat bedoelt u daar precies mee? Hoe gaat u deze mindsetverandering bewerkstellingen? Wat doet u concreet om deze mindsetverandering tot stand te brengen?
Ik beoog een andere manier van kijken naar scheidingsproblemen en hoe die problemen door de ouders zelf, samen met hun sociale netwerk en betrokken professionals zijn op te lossen. Eind dit jaar zal ik uw Kamer een brief sturen waarin ik u nader zal berichten over mijn inzet hierop. Hierin zal ik ook ingaan op wat we concreet doen om de mindsetverandering tot stand te brengen.
In deze brief noemt u dat u de komende tijd een nieuwe visie met betrekking tot de handelingsprincipes zult verspreiden in het land; hoe gaat u deze visie verspreiden? Hoe ziet deze visie er concreet uit? Hoe zien de handelingsprincipes er in de praktijk uit? Welke toegevoegde waarde hebben zij in de praktijk? Heeft u inmiddels de handelingsprincipes laten verspreiden door het land? Zo ja, op welke manier heeft u dit gedaan en wat was de respons van ouders, kinderen en professionals?
De visie waarop de handelingsprincipes zijn gebaseerd staat beschreven in de rapporten over de specialist contactverlies.9
Concreet wordt professionals geleerd hoe zij een duurzame samenwerking tot stand kunnen brengen tussen henzelf, de ouders en de andere professionals om het gezin heen. De theorie achter de visie en de handelingsprincipes bestaat uit de kernelementen van de positieve psychologie, vertaald en toepasbaar gemaakt op scheidingsproblematiek. Mijn inzet is erop gericht de betrokken professionals te scholen in de technieken vanuit de positieve psychologie, zodat zij op een andere manier kijken naar scheidingsproblemen en beter in staat zijn om ouders te bewegen naar het zelf zoeken naar oplossingen. Hiervoor worden het komende jaar 25 workshops en 20 lezingen gegeven door het hele land. Hiervan zijn dit jaar al 3 workshops en 7 lezingen gegeven. De verwachting is dat hiermee de komende tijd 400 professionals worden bereikt. In de brief die ik uw Kamer eind dit jaar zal toesturen ga ik nader in op de verspreiding van de nieuwe visie en handelingsprincipes en op welke manier professionals, ouders en kinderen hier profijt van hebben.
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat het niet bij een visie blijft, maar ouders en kinderen echt geholpen worden?
Zie antwoord vraag 12.
In deze brief noemt u dat gebleken is dat werken in een interdisciplinair team binnen gemeenten positieve resultaten oplevert. Hoe gaat u gemeenten helpen zodat zij voldoende capaciteit en middelen hebben om interdisciplinaire teams op te zetten?
In samenwerking met de VNG zijn gemeenten vanuit het Programma SzS ondersteund in het ontwikkelen van een gerichte aanpak op relatie- en scheidingsproblematiek. Hiervoor zijn verschillende handreikingen gemaakt en regiosessies georganiseerd. Daarnaast werken we in de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming aan stevige lokale teams, die met een interdisciplinaire blik vroegtijdig gezinnen kunnen ondersteunen.
Welke maatregelen neemt u om professionals te helpen zodat zij beter in staat zijn inschattingen te maken, in het kader van de constatering in uw brief dat «professionals het moeilijk vinden om in te schatten op welke wijze de vaak ingewikkelde situaties met omgangsproblemen benaderd en aangepakt kunnen worden»?
Er zijn binnen het Programma SzS zogenaamde «triagelijsten» ontwikkeld, die steeds meer in gebruik worden genomen. Deze lijsten ondersteunen professionals om meer inzicht te krijgen in de conflictsituatie. Ik werk aan verspreiding van dit instrument en bericht uw Kamer eind dit jaar over mijn verdere inzet om professionals te helpen.
In uw brief aan de Kamer van 22 maart jl.4 zegt u de komende periode afspraken te willen maken met de relevante partijen over het nader uitwerken en implementeren van een nieuwe aanpak om contactverlies tegen te gaan. Zijn er inmiddels al concrete afspraken gemaakt? Zo ja, bent u bereid deze te delen met de Kamer?
Op dit moment ben ik hierover nog in gesprek met partijen als Veilig Thuis, Politie, het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Kinderbescherming. Mijn inzet is de manier van werken om contactverlies tegen te gaan zoveel mogelijk te integreren in bestaande werkwijzen van verschillende organisaties en de zgn. regionale netwerken zorg-straf. In de brief die ik uw Kamer eind dit jaar zal toesturen zal ik u hier nader over informeren.
Bent u het eens met de stelling dat er al voldoende onderzoek ligt over de oplossingen om ouderverstoting tegen te gaan en dat het nu tijd is voor concrete actie? Zo ja, wat gaat u nu op korte termijn doen om deze oplossingen in de praktijk toe te passen?
Ja, hier ben ik het mee eens. Voor het antwoord op de vraag naar het op korte termijn toepassen van de oplossingen in de praktijk verwijs ik u naar de antwoorden op vraag 2 en 4.
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk en binnen een maand te beantwoorden?
Ik heb uw vragen zo spoedig mogelijk beantwoord. De benodigde afstemming over de beantwoording heeft er helaas toe geleid dat ik niet aan de door u gestelde termijn kon voldoen. Enkele vragen zijn niet afzonderlijk beantwoord, maar vanwege de overlap in de beantwoording samengepakt.11
Het gevaar dat er een Nederlands filiaal van de Londense shariarechtbank Al-Haddad wordt geopend en Nederlanders naar het VK afreizen om daar shariarecht te laten spreken |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de reportagereeks Breuklijnen waarin de kijker geconfronteerd wordt met de compleet eigen, op de sharia beruste, samenleving die is ontstaan in de Londonse wijk Tower Hamlet?
Ja.
Bent u het eens dat de situatie die in deze wijk ontstaan is, namelijk een waar extreme shariarechtspraak boven de democratische rechtsstaat gaat, zeer onwenselijk en zorgelijk is? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen zicht op de situatie in het Verenigd Koninkrijk, dus ik kan geen uitspraken doen over de situatie in deze wijk.
In algemene zin ben ik het met u eens dat een situatie waarin religieuze rechtspraak boven de beginselen van de democratische rechtsstaat en nationale wetgeving staat onacceptabel, onwenselijk en zeer zorgelijk is.
In Nederland is de Nederlandse wet altijd leidend. De wet geldt voor iedereen, ongeacht geslacht, religie of etniciteit. Iedereen moet op dezelfde bescherming van rechten en vrijheden een beroep kunnen doen. Daarnaast kan en mag er in Nederland geen sprake zijn van een parallelle rechtsstructuur die de werking van de Nederlandse (democratische) rechtsorde ondermijnt.
Deelt u de mening dat islamitische vrouwen, die in het bijzonder slachtoffer zijn van deze extreme sharia rechtspraak, juist door democratische wetten en de seculiere rechtsstaat beschermd dienen te worden? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Een ieder dient beschermd te worden door de Nederlandse wet- en regelgeving. Zeker degenen die extra kwetsbaar zijn.
Het kabinet staat voor een Nederlandse samenleving waarin ruimte is voor een grote diversiteit aan beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Grondrechten als gelijke behandeling, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, gelden voor iedereen in Nederland, dus ook voor islamitische vrouwen.
Uitgangspunt in Nederland is dat eenieder de vrijheid heeft om zichzelf te kunnen zijn, zich te ontplooien en om het leven naar eigen inzichten en wensen in te vullen, echter altijd binnen de kaders van onze democratische rechtsorde, die gelden voor iedere burger.
Deelt u de mening dat er in een democratische rechtstaat geen ruimte is voor shariarechtbanken? Zo nee, waarom niet?
De vrijheid van godsdienst biedt gelovigen ruimte om advies in te winnen van een religieuze instantie of voorganger, zoals een imam of predikant. Het staat mensen vrij om dit ook in het buitenland te doen. Een religieus advies mag echter nooit of te nimmer afgedwongen worden door een machtsmiddel en mag tevens niet indruisen tegen de Nederlandse wetgeving en democratische rechtsorde. Het is in strijd met de beginselen van de Nederlandse democratische rechtsstaat als mensen een eigen rechtssysteem hanteren, dat zich buiten de kaders van deze rechtsorde begeeft. Het kabinet ziet het als haar taak dit te voorkomen. Ook mag er van indirecte dwang geen sprake zijn. De Nederlandse wet is te allen tijde leidend en men moet zich altijd op deze rechten en vrijheden kunnen beroepen. De beoordeling of er sprake is van strijd met beginselen van de Nederlandse democratische rechtsstaat is aan de Nederlandse rechter.
Uitspraken van imams of andere religieuze voorgangers die religieuze wetgeving, zoals shariarecht, toepassen, hebben in Nederland geen bindende kracht en kunnen derhalve de Nederlandse wet niet opzijzetten.
Bent u ervan op de hoogte dat dezelfde shariarechter en haatprediker Al-Haddad ook volgers heeft in Nederland en dat hij mogelijkheden verkent om eenzelfde rechtbank in Nederland te openen? Hoe beoordeelt u deze zorgwekkende ontwikkeling?
Voorop staat dat ik het onacceptabel, onwenselijk en zeer zorgelijk vind als er in Nederland een shariarechtbank, of een andere religieuze rechtbank, zou worden geopend die religieuze wetgeving boven de Nederlandse wet plaatst. Dat staat namelijk lijnrecht tegenover de rechtsorde zoals wij die in Nederland kennen. Hier trek ik een duidelijke grens. Zoals eerder bij vraag 4 aangegeven is er in Nederland dan ook geen ruimte voor religieuze rechtbanken, waaronder shariarechtbanken, waar religieuze oordelen afgedwongen worden en de in Nederland geldende wetten en vrijheden opzij gezet worden.
Zoals u weet ga ik niet in op individuele gevallen. In Nederland bestaan geen officiële of formeel erkende shariaraden. Wel kunnen moslims, of andere gelovigen, aankloppen bij een geestelijke of voorganger voor een advies of religieus oordeel bij maatschappelijke of religieuze vraagstukken.
Als er sprake is van advies of alternatieve vormen van geschilbeslechting, zoals bemiddeling, biedt het Nederlandse rechtssysteem daar wel ruimte voor onder de strenge voorwaarde dat dit volledig vrijwillig plaatsvindt en deze adviezen binnen de grenzen blijven die de Nederlandse wet en de openbare orde daaraan stellen. Ook bij religieuze bemiddeling of advies moet het gegarandeerd zijn dat de Nederlandse wet leidend is en gerespecteerd wordt. Daar mag geen twijfel over bestaan.
De Nederlandse wet biedt mogelijkheden om organisaties met het oog op de openbare orde te verbieden. Onder artikel 2:20 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde op verzoek van het openbaar ministerie door de rechtbank verboden verklaard en ontbonden worden. Daarnaast geldt dat ook voor andere organisaties die aanspraak kunnen maken op het recht op vereniging als bedoeld in artikel 8 van de Grondwet hun recht op vereniging kan worden beperkt in het belang van de openbare orde.
Bent u het met eens dat koste wat kost moet worden voorkomen dat er in Nederland een filiaal van deze shariarechtbank wordt geopend? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties heeft u al genomen om dit te voorkomen en welke acties gaat u nog ondernemen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 5.
Heeft u inzichtelijk hoeveel moslims in Nederland contact zoeken met deze Al-Haddad of andere soortgelijke shariarechters in het buitenland om geschillen volgens de sharia op te lossen? Zo ja, kunt u dit aantal afzetten tegen voorgaande jaren? Is er sprake van een stijging? Zo nee, wat gaat u doet om hier beter zicht op te krijgen? Zo ja, welke acties verbindt de regering aan een bezoek aan een buitenlandse shariarechtbank?
Nee, dit is niet inzichtelijk. Ik heb geen bevoegdheid of grondslag om hier, op persoonsniveau, onderzoek naar te doen. In samenspraak met de Minister voor Rechtsbescherming zal ik bezien welke wetenschappelijke onderzoeken er zijn gedaan naar shariarechtspraak in ons land en of deze onderzoeken voldoende zicht bieden op de huidige ontwikkelingen en of aanvullend onderzoek noodzakelijk is.
Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om te doen wat nodig is om onze eigen wijken te beschermen tegen deze vorm van religieuze onderdrukking van vrouwen, extreme ongelijkheid en de mogelijkheid dat hele wijken in parallel samenlevingen veranderen? Wat gaat u concreet doen om te voorkomen dat een dergelijke situatie ook in Nederland ontstaat?
Zoals eerder aangegeven kan er in Nederland geen sprake zijn van een parallelle rechtsstructuur die de werking van de Nederlandse (democratische) rechtsorde ondermijnt.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 dient eenieder beschermd te worden door de Nederlandse wet- en regelgeving. Iedere Nederlander moet zich ten alle tijden op deze rechten en vrijheden kunnen beroepen. Als dit niet het geval is, vind ik dit zeer onwenselijk. Zoals bij het antwoord op vragen 5, 6 en 10 aangegeven, is het OM bevoegd om op te treden als dit nodig is.
Daarnaast zet het kabinet in op het versterken van veerkracht en weerbaarheid van kwetsbare of vatbare groepen in onze samenleving. U wordt binnenkort geïnformeerd over de Agenda veerkracht en weerbaarheid. Daar iedereen in Nederland volwaardig moet kunnen deelnemen aan de samenleving zonder inperking van hun zelfbeschikkingsrecht zet ik met het onlangs aan u toegezonden meerjarenplan zelfbeschikking 2022–2025 in op de bevordering van zelfbeschikking in gesloten gemeenschappen. Ik werk hierbij samen met maatschappelijke organisaties.
Als er sprake is van onderdrukking in bepaalde wijken dan zijn hiervoor landelijke en lokale instanties beschikbaar die deze vrouwen kunnen helpen. De overheid kan dit niet alleen en werkt hierbij samen met maatschappelijke organisaties die goed in staat zijn om de diverse gemeenschappen te bereiken.
Ziet u hier ook een rol weggelegd voor de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering – waarin een aantal departementen samenwerken – kan gemeenten adviseren bij hulpvragen over (algemene) fenomenen, zoals hoe om te gaan met religieuze rechtspraak, maar niet over casuïstiek waarbij persoonsgegevens verwerkt worden. Ik zie daarom op casusniveau geen rol voor de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering. Zoals u weet is de Taskforce sinds april 2021 gestopt met persoons- of organisatie duidingen, vanwege het ontbreken van een juridische grondslag hiervoor van een aantal partners. Hier is uw kamer eerder over geïnformeerd.1
Kunt u aangeven of u signalen heeft dat er op dit moment ook al shariarechtbanken acties zijn in Nederland? Welke zijn dat dan en welke acties onderneemt u dan om dit tegen te gaan? Is onze bestaande wetgeving voldoende om shariarechtbanken te kunnen sluiten wanneer zij een ondermijning van de Nederlandse rechtstaat vormen of ongelijkheid tussen man en vrouw stimuleren?
Zie antwoord vraag 5.