Goedkeuring coronavaccins voor kinderen vanaf 6 maanden door de EMA |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Europese waakhond positief over coronavaccins voor kinderen vanaf 6 maanden»?1
Ja.
Hoe reflecteert u als voormalig arts op het vaccineren van baby’s en heel jonge kinderen tegen het coronavirus? Bent u het vanuit uw medische visie eens met de goedkeuring van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA)? Zo ja, op grond van welke medisch noodzakelijke overwegingen bent u het eens met het goedkeuren van coronavaccins voor deze leeftijdsgroep? Wat is de meerwaarde hiervan voor een bevolkingsgroep die dit vaccin bewezen niet nodig heeft en wanneer het vaccin bovendien geen steriele immuniteit biedt, waardoor ook anderen dus niet behoed worden voor een COVID-19-infectie, zoals bijvoorbeeld bij de Mazelen-vaccinatie voor kinderen wel het geval is?
Het EMA adviseert over markttoelating van vaccins en beoordeelt hiertoe de veiligheid, werkzaamheid en kwaliteit van de vaccins. Ik vertrouw op de deskundigheid van de beoordelaars van het EMA, waaronder afgevaardigden van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) om een zorgvuldig oordeel te vellen over het registratiedossier. In aanvulling daarop heb ik de Gezondheidsraad gevraagd mij te adviseren over de inzet van deze vaccins bij kinderen jonger dan 5 jaar die behoren tot één van de medische hoogrisicogroepen. De Gezondheidsraad beoordeelt of het medisch noodzakelijk en wenselijk is deze kinderen een vaccinatie aan te bieden. De Gezondheidsraad weegt daarbij de te behalen gezondheidswinst af tegen de potentiële risico’s van het vaccineren van deze groep. Nadat ik het advies van de Gezondheidsraad heb ontvangen zal ik een besluit nemen over de inzet van deze vaccins en uw Kamer hierover informeren.
Als de Europese Commissie de coronavaccins van Pfizer en Moderna ook goedkeurt, is de Nederlandse overheid dan voornemens deze vaccins ook daadwerkelijk aan te bieden voor kinderen vanaf zes maanden? Zo ja, kunt u daarvoor de overwegingen uiteenzetten? Valt het vaccineren van kinderen uit deze leeftijdsgroep tegen COVID-19 niet onder de noemer «overbodige zorg»? Hoe valt dit te rijmen met het voornemen van uw ministerie en het kabinet om onnodige zorghandelingen terug te dringen?
Zie antwoord vraag 2.
Indien u deze vaccins voor deze leeftijdsgroep in Nederland beschikbaar gaat maken, gaat u voor deze leeftijdsgroep dan een brede vaccinatiecampagne opzetten? Worden alle kinderen vanaf zes maanden uitgenodigd voor het halen van een coronavaccin, of alleen een specifieke groep?
Ik heb nog geen besluit genomen over het beschikbaar stellen van de vaccins voor deze leeftijdsgroep en wil niet vooruitlopen op het advies van de Gezondheidsraad hierover.
Indien de Nederlandse overheid besluit deze vaccinaties voor deze leeftijdsgroep aan te bieden, hoeveel gaat dit de Nederlandse Staat dan kosten? Kunt u totale kosten voor het vaccineren van deze leeftijdsgroep inzichtelijk maken? Staan deze kosten in verhouding tot de kosten die gemaakt zouden moeten worden voor het aantal kinderen in deze leeftijdsgroep dat medische zorg nodig zou hebben als gevolg van een corona-infectie?
Ik heb nog geen besluit genomen over het beschikbaar maken van de vaccins voor deze leeftijdsgroep binnen het COVID-19-vaccinatieprogramma. Ik kan dus ook geen uitspraken doen over de mogelijke kosten.
Kunt u een inschatting geven van hoeveel kinderen uit deze leeftijdsgroep te maken zouden krijgen met (ernstige) bijwerkingen van deze vaccinaties en de zorgkosten die daarmee gepaard zouden gaan? Zo nee, vindt u het niet belangrijk om een dergelijke kosten-baten analyse te maken en deze van invloed te laten zijn op de afweging om deze bevolkingsgroep wel of niet te laten vaccineren?
Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd te adviseren over de inzet van de vaccins bij jonge kinderen uit medische hoogrisicogroepen. De Gezondheidsraad maakt een wetenschappelijk onderbouwde afweging op basis van de mogelijke gezondheidswinst door vaccinatie en de potentiële bijwerkingen van de vaccins bij deze groep. Ik wacht het advies van de Gezondheidsraad af.
Hoe reflecteert u op het feit dat wij inmiddels weten dat sommige potentiële bijwerkingen van de coronavaccins, zoals bijvoorbeeld hartaandoeningen, overwegend bij jonge mensen optreden? Vindt u het in dat licht bezien verantwoord om heel jonge kinderen bloot te stellen aan dat risico, terwijl het risico op een ernstige COVID-19-infectie voor hen verwaarloosbaar is? Zo ja, kunt u die risico-analyse gedetailleerd uiteenzetten?
Zie antwoord vraag 6.
Gaat u de ouders van kinderen in deze leeftijdsgroep uitgebreid voorlichten over het nut, de noodzaak en de potentiële bijwerkingen van deze vaccins voor hun zeer jonge kinderen? Zo ja, op welke manier? Komt er een brede voorlichtingscampagne voor ouders?
Ik heb nog geen besluit genomen over het beschikbaar stellen van de vaccins voor deze leeftijdsgroep. Ik zal, nadat ik het advies van de Gezondheidsraad heb ontvangen, uw Kamer per brief informeren over mijn besluit.
Als de Nederlandse overheid besluit om kinderen uit deze leeftijdsgroep te gaan vaccineren tegen COVID-19, worden deze kinderen dan langdurig gevolgd door de Gezondheidsraad, om de potentiële effecten van deze vaccinatie te monitoren? Zo nee, waarom niet?
Ik wil niet op het advies van de Gezondheidsraad over deze groep vooruitlopen. Ik merk daarbij op dat het monitoren van kinderen die worden gevaccineerd geen taak is van de Gezondheidsraad.
Worden ouders bij het laten vaccineren van hun kinderen actief gewezen op het bestaan en de functie van het Lareb en worden zij actief aangespoord om alle potentiële bijwerkingen bij hun kinderen te melden? Wat gaat de Nederlandse overheid doen als op termijn blijkt dat kinderen die op dusdanig jonge leeftijd zijn gevaccineerd tegen COVID-19 daar wel degelijk (ernstige) bijwerkingen van ondervinden?
Ik heb nog geen besluit genomen over het beschikbaar maken van de vaccins voor deze leeftijdsgroep. In mijn antwoorden op uw schriftelijke vragen van 5 juli2, 6 juli3 en 25 juli jl.4 ben ik meermaals ingegaan op de zorgvuldige wijze waarop (mogelijke) bijwerkingen van COVID-19-vaccinaties in Nederland worden gemonitord en wat de rol van de overheid is indien langdurige klachten optreden.
Aangezien nog weinig bekend is over de potentiële effecten en bijwerkingen van de coronavaccins op de lange termijn en deze leeftijdsgroep zeer kwetsbare mensen in ontwikkeling betreft, die bovendien een te verwaarlozen gezondheidsrisico lopen van het coronavirus, vindt u het dan niet dat het beter om een aantal jaren te wachten met het vaccineren van deze bevolkingsgroep? Zo nee, waarom niet?
Ik heb nog geen besluit genomen over het beschikbaar stellen van de vaccins voor deze leeftijdsgroep. Ik wacht het advies van de Gezondheidsraad af.
Is de Nederlandse overheid voornemens om coronavaccinatie op termijn op te nemen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) voor kinderen? Zo ja, wat is hiervoor de overweging? Gaat u ouders tegen die tijd actief informeren dat deze vaccinatie in het RVP wordt opgenomen?
Ik heb de Gezondheidsraad gevraagd te adviseren over een mogelijk structureel vaccinatieprogramma tegen COVID-19. Ik verwacht dit advies in de loop van 2023.
Uitbetalingen van geld en speelwinst door online kansspelaanbieders |
|
Mirjam Bikker (CU), Michiel van Nispen (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het gegeven dat veel online kansspelaanbieders bewust een vertraging hebben ingebouwd in hun uitbetalingen aan spelers en dat er zelfs ranglijsten zijn om te kunnen vergelijken bij welke aanbieder het geld sneller wordt uitbetaald? Wat vindt u hiervan?1, 2
Mij is bekend dat er online kansspelaanbieders zijn die met vertraging voldoen aan het verzoek van een speler om speeltegoed uit te betalen. Verder is mij bekend dat in de (online) media de snelheid van uitbetalen wordt besproken. In artikel 4.26 van het Besluit kansspelen op afstand (Bkoa) is opgenomen dat de vergunninghouder de speelrekening crediteert en debiteert «zonder onnodige vertraging». Voor de vertraging in betalingen kunnen goede redenen bestaan, waarop ik hieronder in ga.
Bent u het ermee eens dat kansspelaanbieders zo snel als mogelijk geld zouden moeten uitbetalen aan spelers als zij daar om vragen, dus zonder enige vertraging, zodat de kans op bedenkingen van spelers en het gevaar voor toch doorspelen met het geld zo klein mogelijk wordt gemaakt? Zo ja, vindt u dat alle kansspelaanbieders zich hier op dit moment ook voldoende aan houden?
Zoals eerder aangegeven in antwoord 1 is de vergunninghouder verplicht om de speelrekening zonder onnodige vertraging te crediteren en debiteren. Speeltegoeden mogen bij een verzoek om uitbetaling niet onnodig lang worden aangehouden door de vergunninghouder, bijvoorbeeld om rente te kweken, aldus de toelichting bij het Besluit. Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) om toezicht te houden op dat kansspelaanbieders zich hieraan houden. Tot op heden vormen de risico’s die mogelijk verbonden zijn aan de vertraagde uitbetaling van speeltegoeden onvoldoende aanleiding voor de Kansspelautoriteit om dit nader te onderzoeken.
Bent u het ermee eens dat er geen verschil zou moeten zitten tussen kansspelaanbieders in de snelheid waarmee geld wordt uitbetaald aan spelers? Zo ja, wat gaat u doen om dit zo snel als mogelijk te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
De snelheid waarmee uitbetaald wordt is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zo kan het bijvoorbeeld nodig zijn om een controle op fraude en witwassen uit te voeren of een controle waarbij de aanbieder bonusvoorwaarden controleert voordat een bonus uitgekeerd kan worden. De ene kansspelaanbieder is wellicht sneller dan de andere. De norm blijft «zonder onnodige vertraging», waarop zoals hiervoor beschreven de Ksa toezicht houdt. Er is vooralsnog geen aanleiding om te interveniëren.
Wat vindt u ervan dat online kansspelaanbieders spelers erop wijzen dat, nadat zij om uitbetaling hebben gevraagd van hun geld, de uitbetaling alsnog geannuleerd kan worden?3 Vindt u dat dergelijke teksten door de beugel kunnen? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit een halt toe te roepen? Zo ja, waarom?
De wijze van attenderen op de mogelijkheid tot annulering van de betaalopdracht moet worden bezien in relatie tot de zorgplicht die aanbieders hebben
om gokverslaving te voorkomen. Aanbieders dienen daarbij continu alert te zijn op signalen van problematisch speelgedrag en moeten daadkrachtig ingrijpen als er signalen zijn. Doorgaans zal het eenmalig annuleren van een betaalopdracht niet snel problematisch zijn, maar moet het worden bezien in relatie tot het volledige speelgedrag van de betreffende speler. Met de invulling van de zorgplicht door aanbieders wordt het risico dat iemand te lang doorspeelt tegengegaan, zoals ook beoogd is met de aangehaalde waarschuwende tekst. De Kansspelautoriteit houdt er toezicht op dat aanbieders de zorgplicht naleven. Overigens is de Kansspelautoriteit, zoals ik tijdens het commissiedebat kansspelen d.d. 6 oktober 2022 met uw Kamer heb gedeeld, een onderzoek gestart naar de invulling van de zorgplicht door kansspelaanbieders. Dit onderzoek wordt naar verwachting in het voorjaar 2023 afgerond. In afwachting van de uitkomsten van dit onderzoek zie ik geen aanleiding om het melden van de annuleringsmogelijkheid te verbieden.
Hoe verhoudt het actief wijzen en aanmoedigen op de mogelijkheid om een opname te annuleren en alsnog door te spelen zich tot de waarschuwingszin «Wat kost gokken jou? Stop op tijd»? Erkent u dat het waarschijnlijk is dat gokbedrijven de mogelijkheid bieden om uitbetaling te annuleren omdat dit het verdienmodel ten goede komt?
Zie antwoord vraag 4.
Wat vindt u van het idee dat, zodra iemand om uitbetaling verzoekt, het onmogelijk wordt gemaakt om een uitbetaling alsnog te annuleren; in het kader van het verminderen van het risico dat iemand zich toch bedenkt en alsnog doorspeelt met zijn of haar geld? Bent u bereid dit aan alle online kansspelaanbieders op te leggen en/of dit via het verplichte verslavingspreventiebeleid vorm te geven?
Deelnemers aan kansspelen moeten de regie kunnen voeren over het bedrag dat op de speelrekening staat. Een speler kan de vergunninghouder verzoeken om het bedrag op de speelrekening uit te betalen (artikel 4.29, derde lid, onder a Bkoa). Zoals in antwoord 2 aangegeven dient de vergunninghouder aan dat verzoek zonder onnodige vertraging gehoor te geven. Onderdeel van het zelf de regie kunnen voeren is ook de mogelijkheid om een opdracht tot uitbetaling nog te kunnen annuleren. Zoals eerder aangegeven in antwoord 4 en 5 wordt het risico dat iemand te lang doorspeelt door de invulling van de zorgplicht door aanbieders tegengegaan. In afwachting van de uitkomsten van het eerder genoemde onderzoek van de Kansspelautoriteit zie ik geen aanleiding om de annuleringsmogelijkheid te verbieden.
Problemen rondom de zorg aan onverzekerden |
|
Maarten Hijink (SP) |
|
Kuipers , Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de artikelenreeks van Medisch Contact over de problemen rondom de zorg aan onverzekerden?1, 2, 3
Ik heb met belangstelling kennis genomen van deze artikelenreeks.
Wat is uw reactie op het bericht dat steeds meer mensen geen zorgverzekering hebben? Bent u het ermee eens dat dit rechtstreeks ingaat tegen het doel van de zorgverzekeringswet om alle Nederlanders een zorgverzekering te geven?
Het feit dat steeds meer mensen niet verzekerd zijn baart mij zorgen.
Personen die in Nederland wonen (dat wil zeggen: ingezetene zijn ingevolge de Wet langdurige zorg (Wlz)) en personen die ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstverband verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen, zijn verzekeringsplichtig4. Deze mensen dienen zelf een zorgverzekering af te sluiten.
In de situatie dat iemand is opgenomen in het bestand van personen die verzekerd zijn op grond van de Wet langdurige zorg maar geen zorgverzekering heeft gesloten, wordt deze persoon door het CAK aangeschreven5. Als iemand in die situatie zich – ondanks aanmaning en bestuurlijke boeten – niet verzekert, zal het CAK deze persoon uiteindelijk ambtshalve bij een zorgverzekeraar inschrijven. Overigens zijn mensen die niet als ingezetene zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP), voor de overheid minder goed bereikbaar; er is van deze personen niet altijd een adres bekend.
Om een zorgverzekering te kunnen sluiten dient iemand in beginsel als ingezetene (inwoner van een gemeente) te zijn ingeschreven in de BRP6. De verplichting dat het adres dat iemand opgeeft moet overeenkomen met de inschrijving in de BRP (woonadres of briefadres) is met name ingevoerd om meer grip te krijgen op het ingezetenschap. Eén van de uitzonderingen op de verplichting is als de persoon redelijkerwijs geen verwijt gemaakt kan worden van de afwijking tussen de BRP en het opgegeven adres7. Dan kan er dus alsnog een zorgverzekering afgesloten worden.
Zorgverzekeraars gaan er in beginsel van uit dat iemand die is ingeschreven in de BRP ook verzekeringsplichtig is. Alleen als er een tegenindicatie is, dat wil zeggen dat uit andere gegevens blijkt dat er geen verzekeringsplicht is, zal een inschrijving als verzekerde niet plaatsvinden. Mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats kunnen in de BRP ingeschreven worden met een briefadres. Op die manier kan ook zonder woonadres inschrijving als ingezetene plaatsvinden, en dus ook een zorgverzekering worden afgesloten.
Een deel van de onverzekerdenpopulatie kan en mag zich niet verzekeren omdat geen sprake is van ingezetenschap. Dit betreft vooral arbeidsmigranten die geen werk meer hebben en in Nederland blijven, maar geen ingezetene zijn ingevolge de Wlz. Ook zijn er relatief veel dak- en thuisloze mensen. Daarnaast is een groot deel van de onverzekerden niet rechtmatig verblijvend.
Dat wil niet zeggen dat deze onverzekerden geen zorg krijgen. Nederland heeft twee regelingen voor de financiering van medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerde personen. Dit betreft de wettelijke regeling voor financiering van zorg aan onverzekerbare vreemdelingen en illegalen, geregeld in artikel 122a van de Zorgverzekeringswet (OVV), en voor andere onverzekerden de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden» (SOV). Deze regelingen worden uitgevoerd door het CAK.
Sinds 1 juli 2022 is er daarnaast de «Regeling Medische Ontheemden uit Oekraïne» (RMO) voor de mensen die het oorlogsgeweld in Oekraïne zijn ontvlucht.
Hoeveel declaraties op basis van de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden en de Regeling onverzekerbare vreemdelingen worden jaarlijks geweigerd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK)?
Voor de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden zijn in 2021 28.583 declaraties ontvangen waarvan er 5.407 zijn afgewezen. Voor de Regeling onverzekerbare vreemdelingen zijn in 2021 43.108 declaraties ontvangen. Hiervan zijn er 4.071 afgewezen.
Het beeld over 2020 is vergelijkbaar.
Wat is uw reactie op de in de artikelenreeks omschreven problemen rondom inschrijving bij gemeenten in verband met het gebrek aan regiobinding? Heeft de recente wijziging van de Wet basisregistratie personen deze problemen verminderd of komt dit nog steeds voor?
Als iemand geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft, maar wel ingezetene is van Nederland, dan zal deze persoon in de BRP moeten worden ingeschreven op een briefadres. Er zijn gevallen bekend dat gemeenten inschrijving op een briefadres hebben geweigerd, omdat de persoon geen regiobinding had of kon aantonen. Regiobinding mag echter niet als voorwaarde voor inschrijving op een briefadres worden gesteld.
Er zijn wel andere voorwaarden aan inschrijving op een briefadres. De persoon moet bijvoorbeeld wel rechtmatig in Nederland verblijven. Ook kan de gemeente concluderen dat er wel sprake is van een woonadres, en om die reden inschrijving op een briefadres weigeren. Maar dan moet er, desnoods ambtshalve, ingeschreven worden op dat woonadres en kan een zorgverzekering worden afgesloten.
Regiobinding mocht ook voor de wijziging van de wet BRP (op 1 januari 2022) niet als voorwaarde voor inschrijving worden gesteld. De recente wijziging van de wet BRP houdt in dat als iemand rechtmatig in Nederland verblijft, geen woonadres heeft en ook geen briefadresgever kan regelen, de gemeente zelf als briefadresgever moet optreden. Met deze wijziging is beoogd dat de situatie dat iemand die ingezetene is, maar niet ingeschreven kan worden in de BRP, niet meer kan voorkomen. Op 4 maart 2022 heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken uw Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van deze wetswijziging en de maatregelen die zijn genomen om te zorgen dat niemand meer tussen wal en schip valt8.
Waarom duurt het nog tot 2025 totdat de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aangepast wordt, om gemeenten en de GGD-GHOR weer de mogelijkheid te geven om na een melding onverzekerden te helpen weer verzekerd te worden? Kan dit niet sneller?
Om subsidie te kunnen ontvangen, was de zorgaanbieder op grond van de «Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden» verplicht om bij het Meldpunt Onverzekerden, ingericht bij GGD GHOR Nederland, te melden dat zij aan een onverzekerde zorg hadden verleend. Gemeenten of (in voorkomende gevallen) GGD’en werden op deze wijze in de gelegenheid gesteld vervolghulp te kunnen bieden aan onverzekerden die verzekeringsplichtig zijn en hen te helpen met (onder meer) het afsluiten van een zorgverzekering.
In het voorjaar van 2022 werd geconstateerd dat voor de verstrekking van persoonsgegevens door de zorgaanbieder aan de gemeenten of GGD-en geen grondslag aanwezig was. Gemeenten en GGD’en mogen deze persoonsgegevens zonder grondslag niet gebruiken en niet verwerken. In verband hiermee is de meldplicht van zorgaanbieders met ingang van 1 augustus 2022 (tijdelijk) opgeschort.
Ik onderken het belang van de gegevensuitwisseling van de zorgaanbieder aan de gemeenten of de GGD met dit doel en zal me ervoor inzetten deze wijziging spoedig te realiseren.
Met een aanpassing van de Wmo 2015 wordt een wettelijke grondslag gerealiseerd voor het kunnen verwerken van gegevens van onverzekerden die zorgaanbieders doorgeven via het Meldpunt Onverzekerden. Dit betreft ook personen die nog niet bij gemeenten of GGD’en bekend zijn. Deze gegevens kunnen door GGD’en en gemeenten worden gebruikt met als doel om ofwel een bemoeizorg-traject in te zetten of iemand toe te leiden naar een reguliere, betaalde zorgverzekering.
Het Ministerie van VWS onderzoekt samen met GGD GHOR Nederland de mogelijkheden om -totdat deze wettelijke grondslag is gerealiseerd- de nodige hulp te blijven bieden. Hoewel de meldplicht -vooral ten behoeve van de huisartsen- is opgeschort, komen er bij het Meldpunt Onverzekerden nog steeds meldingen binnen. Het is aan gemeenten of GGD’en zelf om te bezien of zij van deze meldingen gebruik wensen te maken om bepaalde hulp aan onverzekerden te blijven bieden.
Betekent dit dat de GGD-GHOR en gemeenten tot 2025 meldingen van onverzekerden niet meer kunnen verwerken en dus onverzekerden bijna drie jaar lang niet kunnen helpen bij het krijgen van een verzekering?
Zie antwoord vraag 5.
Wat vindt u van het feit dat slechts 32 procent van de huisartsen standaard gebruikmaakt van de subsidiegelden van het CAK als zij een onverzekerde patiënt helpen en twee derde aangeeft ontevreden te zijn met de declaratiemogelijkheden van het CAK? Bent u het ermee eens dat dit aantoont dat de regelingen momenteel niet goed genoeg werken en er teveel administratieve rompslomp is?
De administratieve verplichtingen voor beide regelingen zijn inmiddels teruggebracht naar het meest noodzakelijke om de kosten van medisch noodzakelijke zorg rechtmatig te kunnen uitbetalen aan zorgverleners, waarbij de aan te leveren gegevens zijn beperkt tot een minimum. Zo bestaat voor de SOV het declaratieformulier nog slechts uit één pagina en is per 1 augustus de meldingsplicht aan het «Meldpunt Onverzekerden» -tijdelijk- vervallen.
Apothekers kunnen voor beide regelingen op de voor hen gebruikelijke digitale weg via Clearing House Apothekers declareren. Daarnaast is het CAK bezig digitaal declareren voor alle zorgverleners mogelijk te maken. Hierbij wordt aansluiting gezocht op het, bij zorgverleners reeds bekende en gebruikte, digitale berichtenverkeer van VECOZO. Hierdoor worden de administratieve lasten voor uiteindelijk alle zorgverleners tot een gelijk minimum beperkt.
De verwachting is dat tegen het einde van het eerste kwartaal 2023 de huisartsen digitaal kunnen aansluiten voor beide regelingen. Daarna volgen in de opvolgende kwartalen van 2023 gefaseerd de andere zorgverleners zoals GGZ en ziekenhuizen.
Wat is uw reactie op het feit dat 20 procent van de huisartsen aangeeft nog nooit van beide regelingen te hebben gehoord? Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat huisartsen tenminste op de hoogte zijn van het bestaan van deze regelingen?
Dat verbaast mij. De OVV bestaat sinds 2009 en de SOV sinds 2017. Alle koepels van zorgaanbieders worden periodiek door het CAK geïnformeerd over de regelingen en ook bij elke wijziging op de hoogte gebracht. Daarnaast heeft het CAK heeft een uitstekende website met uitvoerige informatie over beide regelingen en kunnen formulieren gedownload worden.
Wat is uw reactie op het feit dat 10 procent van de huisartsen weleens een onverzekerde patiënt weigert? Hoe bent u van plan om ervoor te zorgen dat dat niet langer gebeurt en alle artsen in staat worden gesteld om onverzekerde patiënten dezelfde zorg te bieden als andere patiënten?
Er is geen enkele financiële reden om zorg te weigeren. Ook de resterende administratieve last kan geen argument zijn om een patiënt te weigeren.
Bent u het ermee eens dat het een zeer slechte prikkel is dat huisartsen door het disfunctioneren van de regelingen meer geld mislopen als ze vaker onverzekerden helpen?
Ik deel niet het gevoel dat er sprake is van «het disfunctioneren van de regelingen». Het feit dat er door vele zorgaanbieders gebruik wordt gemaakt van deze regelingen weerspreekt dit ook.
Ik verwijs voorts naar mijn antwoord bij vraag 7.
Bent u het ermee eens dat huisartsen en andere zorginstellingen niet met extra bureaucratie moeten worden opgezadeld als zij zorg geven aan onverzekerden? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat dit ook daadwerkelijk niet gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs naar mijn antwoord bij vraag 7.
Zou het niet logischer zijn om de financiering van de zorg aan onverzekerden te laten lopen via de reguliere declaratieprocedure bij de grootste zorgverzekeraar in de regio, waarbij eventuele regionale verschillen en extra kosten via het zorgverzekeringsfonds en de risicoverevening gedekt kunnen worden? Bent u bereid om deze optie te onderzoeken?
Zoals in het antwoord bij vraag 7 aangegeven, wordt door het CAK gewerkt aan digitalisering van het declaratieproces, zodat zorgaanbieders bij het CAK op dezelfde wijze als bij zorgverzekeraars kunnen declareren.
Voor personen die niet verzekeringsplichtig en niet verzekerd zijn, kunnen de kosten van medische zorg niet ten laste van het Zorgverzekeringsfonds worden gefinancierd.
Hoeveel (gezonde) levensjaren gaan verloren doordat onverzekerden zorg mijden door de problemen rondom de zorg voor onverzekerden?
Achterliggende medisch gegevens van onverzekerde personen zijn niet -ook niet bij het CAK- op individuele basis bekend, deze vraag kan ik daarom niet beantwoorden.
Wat gaat u doen om de stijging van de hoeveelheid onverzekerden te stoppen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat alle onverzekerden weer een verzekering krijgen?
Zie mijn antwoord bij vraag 2.
Bent u bereid om deze vragen ieder afzonderlijk en ten minste voor het commissiedebat Maatschappelijke opvang/beschermd wonen d.d. 7 december 2022 te beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Centrum tegen Kinderhandel slaat alarm: ‘Pa of ma soms pooier eigen kind’’ |
|
Ruud Verkuijlen (VVD), Mirjam Bikker (CU), Anne Kuik (CDA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Centrum tegen Kinderhandel slaat alarm: «Pa of ma soms pooier eigen kind»»?1 Bent u bekend met het rapport «Onzichtbare slachtoffers van mensenhandel in 2021» van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM)?2
Ja.
Hoe duidt u dat de cijfers van het CKM laten zien dat het aantal meldingen van slachtoffers van mensenhandel en uitbuiting stijgt, maar slachtoffers ook steeds jonger zijn (één op de vijf < 15 jaar)?
Om deze vragen te beantwoorden, is het belangrijk om naast de cijfers van het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (hierna CKM), ook naar de cijfers van CoMensha en het WODC te kijken. Er bestaat namelijk een afwijking tussen het aantal slachtoffers van mensenhandel dat via de officiële registraties in beeld komt en het aantal slachtoffers dat zich naar schatting daadwerkelijk in Nederland bevindt. Uit de Slachtoffermonitor Mensenhandel van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna: Nationaal Rapporteur) blijkt dat in de periode 2016 tot en met 2020, kijkend naar Nederlandse slachtoffers, 927 vermoedelijke slachtoffers van seksuele uitbuiting in beeld kwamen. In diezelfde periode kwamen 135 vermoedelijke Nederlandse slachtoffers van criminele uitbuiting in beeld.3 Deze cijfers zijn gebaseerd op de vermoedelijke slachtoffers die bij CoMensha worden geregistreerd.4
Het geschatte aantal slachtoffers van mensenhandel ligt hoger dan het aantal dat wordt geregistreerd. Zo schatte het WODC dat in de periode 2016 tot en met 2019 in Nederland jaarlijks circa 5.000 personen slachtoffer zijn geworden van mensenhandel.5 Uit de meest recent gepubliceerde jaarcijfers van CoMensha blijkt dat in 2021 in Nederland 791 vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel in beeld kwamen.6 Dat is een daling ten opzichte van de jaren ervoor. In 2020 werden 1.013 slachtoffers bij CoMensha aangemeld. In 2019 waren dit er nog 1.372. De Nationaal Rapporteur en het CKM hebben eerder aangegeven dat vooral Nederlandse minderjarige slachtoffers steeds meer buiten beeld lijken te blijven.
Bij de Chat met Fier is het aantal meldingen van mensenhandel juist gestegen. In de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 zijn 314 unieke bezoekers met een hulpvraag rondom mensenhandel in beeld gekomen van de Chat met Fier.7 In 2019 en 2020 kwamen in totaal respectievelijk 295 en 283 unieke bezoekers op Chat met Fier om te praten over een situatie van mensenhandel. Het gaat hierbij om slachtoffers die zelf aangeven dat zij door iemand worden gedwongen om seks te hebben met anderen of tot het plegen van strafbare feiten (285 personen). Tevens kan het gaan om bezoekers die zich zorgen maken dat iemand uit hun omgeving hiertoe wordt gedwongen (29 personen). Van de unieke bezoekers was meer dan de helft meerderjarig (60%) en de overige minderjarig (40%). De gemiddelde leeftijd van de slachtoffers was 21 jaar. Uit het rapport wordt niet duidelijk waarom slachtoffers die zich bij de Chat melden steeds jonger zijn.
Dat slachtoffers de chat weten te vinden is een goede ontwikkeling. Zoals het rapport van het CKM ook stelt: veel slachtoffers die op de chat komen zijn kinderen die nog niet bekend zijn bij hulpverlening of de politie. Het is van groot belang om meer zicht te krijgen op deze jonge slachtoffers van uitbuiting. Het beter in beeld krijgen van deze groep wordt dan ook één van de prioriteiten in de herijkte aanpak van mensenhandel in deze kabinetsperiode. In het coalitieakkoord is bepaald dat het Programma Samen tegen Mensenhandel wordt voortgezet, en dat hier jaarlijks 2 miljoen euro voor beschikbaar wordt gesteld. Momenteel wordt er gewerkt aan een herijking van dit programma, tezamen met een veelvoud aan ketenpartners, partijen uit het maatschappelijk middenveld en andere betrokkenen. Uw Kamer wordt hier einde jaar over geïnformeerd.
Welke verklaring(en) heeft u hiervoor? Komen de cijfers en ontwikkelingen van het CKM overeen met de signalen die u zelf heeft?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het zeer verontrustend is dat één op de zes kinderen dat slachtoffer is van mensenhandel door de eigen ouders wordt uitgebuit en deze groep kinderen niet in beeld is bij hulpinstanties?
Het signaal dat kinderen door hun eigen ouders worden uitgebuit, is zeer verontrustend. Slachtoffer worden van een van de ergste misdrijven die we kennen vanuit een setting waarin je je als kind het meest veilig zou moeten voelen, is ronduit verschrikkelijk.
Wat vindt u van de aanbevelingen die het CKM doet, zoals het investeren in specifieke kennis over kwetsbare groepen, het versterken van de rol van anonieme online hulpverlening en het investeren in onderzoek naar seksuele uitbuiting door ouders?
Op 8 november jl. heb ik, mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een beleidsreactie gegeven op het rapport en de aanbevelingen van het CKM.8 Ter beantwoording van deze vragen verwijs ik uw Kamer naar deze brief.
Bent u bereid de aanbevelingen van het CKM over te nemen, zodat bijvoorbeeld laagdrempelige, online hulpverlening structureel onderdeel wordt van de aanpak van mensenhandel? Indien ja, op welke termijn? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Wilt u toezeggen zo spoedig mogelijk met het CKM in gesprek te gaan over het onderzoek en de aanbevelingen?
De bevindingen van het CKM baren mij zorgen. Het gaat hier om de situatie waarin uitbuiting plaatsvindt in een setting waarin kinderen zich juist het meest beschermd moeten voelen. De laatste jaren zijn enkele zaken voor de rechter geweest waarin een ouder is veroordeeld voor de uitbuiting van een eigen kind. Over de aard en omvang van deze problematiek is nog niet veel bekend, zeker in gevallen waarin het gaat om seksuele uitbuiting. De cijfers van het CKM,
die gaan over bijna één op de zes unieke chatgebruikers die hun eigen ouder(s) identificeert als dader van seksuele uitbuiting, worden niet in deze mate herkend bij de hulpverlening en opsporingsdiensten.
Ik zal met het CKM/Fier en andere betrokken ketenpartners, zoals andere slachtofferpartijen, politie en OM, in gesprek gaan over de onderzoeksresultaten om elkaars informatie nader te duiden en samen tot passende vervolgstappen te komen. Hierbij zal ook verkend worden of nader onderzoek nodig en mogelijk is en zo ja, in welke vorm. Uw Kamer zal ik daarover informeren.
Welke aanvullende maatregelen kunt u ondertussen nemen om de aller kwetsbaarste groepen – die zich in uiterst onveilige situaties bevinden en in acuut gevaar verkeren – beter in kaart te brengen, zodat hulpverleners sneller in actie kunnen komen? Zijn hier nog lessen te leren uit het buitenland? Hoe staat het in dit kader met de uitwerking van de motie-Kuik/Van der Graaf over het in beeld krijgen van de minst zichtbare slachtoffers van mensenhandel en uitbuiting (Kamerstuk 35 570-VI, nr. 50?
Voor het beter in beeld krijgen van de meest kwetsbare slachtoffers is signalering door professionals van groot belang. Via verschillende maatregelen wordt ingezet op het vergroten van bewustwording over mensenhandel bij (medische) professionals, het versterken van signalering en bieden van handelingsperspectief. Zo hebben CoMensha en Fairwork via trainingen, Webinars en ontwikkeling van een toolkit de signalerende rol van Veilig Thuis medewerkers, huisartsen en gemeenteambtenaren vergroot. Elke Veilig Thuis organisatie heeft inmiddels een aandachtfunctionaris mensenhandel.
De motie Kuik/Van der Graaf heeft opvolging gekregen in een onderzoek naar laagdrempelige hulpdiensten dat wordt uitgevoerd in opdracht van JenV en VWS.
Dit onderzoek wordt eind dit jaar opgeleverd en zal inzicht geven in de mate waarin het huidige aanbod van laagdrempelige hulpdiensten aansluit op de behoeften van slachtoffers. Uw Kamer wordt in het eerste kwartaal van 2023 geïnformeerd over de resultaten hiervan.
Ten slotte zal het beter in beeld krijgen van jonge, kwetsbare slachtoffers van mensenhandel vanaf 2023 worden meegenomen in de totstandkoming van de herijking van het programma Samen tegen mensenhandel. Op deze manier wordt interdepartementale coördinatie, capaciteit en aansluiting bij reeds bestaande initiatieven gewaarborgd. Hiernaast verzekert het programma een meerjarenstrategie en aanhoudende prioriteit op kwetsbare jongeren. Uw Kamer wordt op de hoogte gehouden van de herijking van het Programma Samen tegen Mensenhandel.
Zie nader het antwoord op vraag 9 over welke maatregelen door politie zijn genomen om intensief samen te werken met de diverse ketenpartners om signalen van uitbuiting inzichtelijk te maken en op te pakken.
Hoe kan de politie volgens u effectiever en doelgerichter zoeken naar slachtoffers van mensenhandel waarbij ouders betrokken zijn?
De politie is voor de aanpak van mensenhandel voor een belangrijk deel afhankelijk van de signalen die zij hierover ontvangt vanuit de samenleving. De politie werkt daarom intensief samen met de diverse ketenpartners, zoals zorgcoördinatoren, Veilig Thuis en jeugdinstellingen. Er zijn diverse overlegvormen en casustafels ingericht om signalen van uitbuiting inzichtelijk te maken en op te pakken. Het beeld dat bij een groot gedeelte van slachtoffers van uitbuiting één of beide ouders dader is, wordt zowel door de politie als de (zorg)partners niet herkend. Dit komt niet overeen met de onderzoeksresultaten van het CKM, waarbij een aanzienlijk aantal slachtoffers aangeeft door hun ouders te worden uitgebuit. Voor politie is het van belang dat deze meldingen gedeeld kunnen worden. Tussen politie, zorgcoördinatie en het CKM/Chat met Fier zijn inmiddels werkafspraken gemaakt over het delen van de signalen, via de zorgcoördinator of de politie (in acute situaties). De werkafspraken hebben tot nu toe nog niet vaak geleid tot het delen van informatie. De politie zet daarnaast ook in op het actief zoeken naar online signalen van mensenhandel, waarbij de politie het aanbod van seksuele handelingen die tegen betaling worden aangeboden monitort.
Welke mogelijkheden zijn er om het strafrechtelijke proces richting daders te verbeteren? Welke informatie is bekend over de meldings- en aangiftebereidheid en hoe vaak het tot een veroordeling komt?
De politie en andere partners gebruiken de opgedane inzichten uit het CKM onderzoeksrapport «Daders van binnenlandse seksuele uitbuiting» om van te leren, onder andere ten behoeve van de opsporing.9
Uit de Dadermonitor Mensenhandel 2015–2019 van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen blijkt dat 3.420 incidenten van mensenhandel bij de politie zijn geregistreerd in de periode van 2015–2019.10 In diezelfde onderzochte periode zijn in totaal 954 opsporingsonderzoeken gestart. Vervolgens zijn 900 zaken bij het OM ingeschreven in de periode 2015–2019. In de periode 2015–2019 heeft de rechter in eerste aanleg 721 mensenhandelzaken afgedaan.11 Hiervan zijn 521 zaken geëindigd in een veroordeling.12 In totaal zijn in deze periode 162 zaken geëindigd in een vrijspraak.13 De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen verwacht voor het eind van het jaar een nieuwe Dadermonitor te publiceren. Ik zal in een beleidsreactie aan de Tweede Kamer reageren op deze nieuw gepubliceerde cijfers en bevindingen.
Het verhogen van de meldings- en aangiftebereidheid met betrekking tot het delict mensenhandel is van belang om slachtoffers te kunnen helpen en daders te kunnen vervolgen. Verschillende factoren liggen ten grondslag aan de relatief lage meldings- en aangiftebereidheid, zoals de angst voor represailles, afhankelijkheid van de dader, schaamte of zichzelf niet herkennen in het slachtofferschap. Om de meldings- en aangiftebereidheid te verhogen is onder meer in opdracht van de politie in samenwerking met het CKM de proeftuin aangiftebereidheid opgestart.14 De focus binnen de proeftuin lag op het vergroten van de contactbereidheid van slachtoffers van seksuele uitbuiting met de politie. Hierbij is het doel om een werkwijze te ontwikkelen die gericht is op de (vroeg)bescherming van het slachtoffer, het vergroten van het vertrouwen van slachtoffers in het strafproces en het voorkomen van secundaire victimisatie voor, tijdens en na het strafproces. De eerste resultaten van deze proeftuin zullen in het eerste kwartaal van 2023 met uw Kamer worden gedeeld.
Ten slotte wordt ieder slachtoffer van een strafbaar feit, ter voorkoming van herhaald slachtofferschap, secundaire victimisatie, maar ook voor het voorkomen van intimidatie en vergelding door daders, door de politie en het OM aan de hand van criteria beoordeeld op zijn of haar individuele beschermingsbehoefte. Een Individuele Beoordeling (IB) is een wettelijke taak die voortvloeit uit de EU-richtlijn minimumnormen slachtoffers.15 Het palet aan beschermingsmaatregelen is breed, bijvoorbeeld het afschermen van adresgegevens, anoniem aangifte doen of een contact- of gebiedsverbod.
In hoeverre bent u het eens met de stelling dat een nauwere samenwerking tussen politie, zorgverleners en organisaties als Veilig Thuis nodig is voor de opsporing van daders en de ondersteuning van slachtoffers?
Zie antwoord vraag 9. Ik ben het met u eens dat voor de opsporing van daders en ondersteuning van slachtoffers een nauwe samenwerking tussen politie, zorgverleners en (veiligheids)organisaties benodigd is. De samenwerking is over het algemeen goed te noemen. In steeds meer gemeenten hebben de wethouder(s) sociaal domein en de burgemeester regelmatig overleg met politie, justitie en betrokken zorgorganisaties; de zogenoemde vier- of vijfhoek. In veel regio’s wordt steeds meer samengewerkt rondom veiligheid en zorg. Mensenhandel wordt daarom steeds vaker ondergebracht in de structuur van Zorg- en Veiligheidshuizen. In Zorg- en Veiligheidshuizen wordt complexe casuïstiek, waaronder casuïstiek mensenhandel, door verschillende partners besproken. Daardoor beschikken ze over belangrijke expertise en wordt er een kader geboden waarbinnen partners informatie kunnen delen en signalen van mensenhandel duiding kunnen geven. Door bij deze structuur aan te sluiten zijn de belangrijke ketenpartners betrokken en bekend met elkaars werkwijze. Mensenhandel is dan ook opgenomen in de Meerjarenagenda 2021–2024 van de Zorg- en Veiligheidshuizen.
Ook hierbij zie je dat er ontwikkelingen en initiatieven zijn om deze samenwerking nog verder te verbeteren. Voorbeelden hiervan zijn de landelijke proeftuin samenwerkingen tussen politie en jeugdhulpinstellingen en de doorontwikkelingen van interorganisationele overlegvormen en casustafels. In 2021 is in de landelijke proeftuin «samenwerking jeugdhulporganisaties en politie» gewerkt aan het versterken van de samenwerking en betere informatie-uitwisseling. De proeftuin is inmiddels afgerond en geëvalueerd. Hieruit blijkt dat het onderwerp gegevensdeling bij vermoedens van seksuele uitbuiting tussen betrokken organisaties regelmatig een knelpunt vormt. In dit kader zal bekeken moeten worden wat er nodig is om de informatie-uitwisseling tussen verschillende uitvoeringsorganisaties en professionals verder te verbeteren binnen de kaders van de AVG. Zo is het bijvoorbeeld voor politie van belang in het kader van het verkrijgen van een goede informatiepositie dat het delen van geringe signalen van mensenhandel verbeterd wordt. Onderdeel van deze verbetering is het goed kunnen benutten van de door mijn departement opgestelde «Handreiking aanpak gegevensdeling».16
Hoezeer is bij daders van mensenhandel sprake van een combinatie van of samenloop met andere vormen van criminaliteit, zoals drugssmokkel en illegale prostitutie? Hebt u hier actuele gegevens van?
De politie registreert dit niet als zodanig, dat hiervan cijfers kunnen worden gegenereerd. In de praktijk zien we regelmatig dat mensenhandel samengaat met strafbare feiten op het gebied van verdovende middelen of in combinatie met andere feiten zoals wapenbezit, oplichting en witwassen. Als het gaat om onvergunde prostitutie zie je in de praktijk dat slechts een klein deel van deze sector daadwerkelijk mensenhandel betreft, maar als het strafzaken betreft op het gebied van seksuele uitbuiting, dan zie je dat slachtoffers grotendeels te werk zijn gesteld in de onvergunde prostitutie.
Uit de cijfers van de Dadermonitor Mensenhandel 2015 – 2019 blijkt dat bij 1225 incidenten sprake was van een of meerdere andere feiten naast mensenhandel.17 Het gaat hierbij vooral om vermogensdelicten als diefstal en inbraak. In zo’n 18% van alle incidenten is naast mensenhandel sprake van een vermogensdelict. Na vermogensdelicten komen verkeersdelicten, vernieling en mishandeling het vaakst voor bij incidenten van mensenhandel.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het binnenkort in te plannen debat over mensenhandel en prostitutie?
Ja.
Dwangsommen voor Overijsselse boeren |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Overijsselse boeren in grote onzekerheid leven vanwege dwangsommen die boven hun hoofd hangen?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het gaat om boerenbedrijven die legaal opereerden, totdat de Raad van State (RvS) in 2019 het Programma Aanpak Stikstof (PAS) afschoot? Zo ja, vindt u dwangsommen billijk voor boeren die legaal opereerden?
Tot de uitspraak van de Raad van State uit 2019 was het kabinet ook in de veronderstelling dat de ondernemers die op grond van het PAS een melding hadden gedaan voor hun activiteiten, legaal opereerden. Ik begrijp dus ook dat het voor de betrokken ondernemers heel vervelend is dat er nu door de provincie Overijssel gehandhaafd moet worden ten aanzien van die activiteiten. Om handhaving te voorkomen heeft de provincie in eerste instantie naar aanleiding van handhavingsverzoeken besloten om af te zien van handhaving. Maar naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Overijssel, waarin de eerdere besluiten om van handhaving af te zien werden vernietigd, ziet de provincie Overijssel zich nu genoodzaakt om tot handhaving over te gaan. De bedrijven waar nu wordt gehandhaafd betreffen drie agrarische bedrijven en twee biomassacentrales. Ik ben niet op de hoogte van de inhoud van de opgelegde lasten.
Kunt u gedetailleerd aangeven wat u gaat doen richting de provincie Overijssel om het opleggen van dwangsommen aan hardwerkende boeren te voorkomen?
Rijk en provincies zetten alles op alles om zoveel mogelijk snelheid te maken met de uitvoering van het legalisatieprogramma. Hiervoor gaat het kabinet onverminderd door met het uitvoeren van het legalisatieprogramma. Daarnaast is er onlangs € 250 miljoen beschikbaar gesteld voor de versnelling en het maatwerk dat provincies kunnen bieden (Kamerstuk 35 925-XIV, nr. 161). Ook heeft het kabinet het advies van Remkes overgenomen om zoveel mogelijk stikstofruimte, afkomstig van piekbelasters, in te zetten voor de legalisatie van PAS-meldingen (Kamerstukken 30 252, nr. 35).
Wildopvangcentra die noodgedwongen moeten sluiten vanwege financiële problemen. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wildopvangcentra vrezen voor toekomst dierenhulpverlening door hoge energieprijzen»?1
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Wildopvang Zuid-Holland definitief haar deuren moet sluiten, onder andere vanwege financiële problemen?
Ja.
Klopt het dat andere wildopvangcentra te maken kunnen krijgen met hogere kosten, omdat ze door het wegvallen van Wildopvang Zuid-Holland meer wilde dieren moeten opvangen?
Door het wegvallen van Wildopvang Zuid-Holland zullen andere wildopvanglocaties uit de regio naar alle waarschijnlijkheid helaas meer kosten moeten maken wanneer zij meer dieren gaan opvangen. Ik ben me ervan bewust dat dit ertoe kan leiden dat meer opvangcentra in de problemen gaan komen en dat mensen die een ziek of gewond dier vinden deze niet meer bij een wildopvangcentrum in de buurt kunnen brengen. Goede voorlichting aan burgers over de omgang met hulpbehoevende wilde dieren is cruciaal. Mensen zouden eerst deskundige hulp moeten zoeken voordat ze actie ondernemen en een dier uit de natuur weghalen, dit is immers niet altijd in het belang van het dier en de natuur. Er moet zorgvuldig gekeken worden naar de vraag of en wanneer een wild dier naar een opvang gebracht moet worden. Het ministerie is daarom voornemens meer aandacht te besteden aan de communicatie richting de burgers over de omgang met hulpbehoevende wilde dieren. Dit is ook een aanbeveling van de Raad voor de Dieraangelegenheden (RDA) in de zienswijze «Dilemma’s in de wildopvang»2.
Is u bekend hoeveel wildopvangcentra kampen met financiële problemen? Zo nee, waarom beschikt u niet over deze gegevens?
Mijn ministerie heeft periodiek contact met individuele wildopvangcentra, maar ik beschik niet over deze informatie omdat dit zelfstandige organisaties zijn.
Deelt u de zorgen van Stichting Wildopvang.nl dat mogelijk meerdere opvangcentra kunnen gaan omvallen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben mij ervan bewust dat ook wildopvangcentra te maken hebben met hogere kosten door de gestegen energie- en voedselprijzen. Ik weet niet hoe de financiële situatie per individueel wildopvangcentrum is, maar ik begrijp de wens van wildopvanglocaties om over meer financiële middelen te beschikken. Helaas kan ik geen financiële hulp vanuit de rijksoverheid toezeggen. Ik hoop dat deze opvangcentra deze steun kunnen ontvangen, via structurele bijdragen van provincies en gemeenten of via giften van particulieren.
Erkent u de noodzaak van snelle financiële ondersteuning om te voorkomen dat op de korte termijn meer opvangcentra noodgedwongen moeten sluiten?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe gaat u invulling geven aan de aanbeveling van de Raad voor Dierenaangelegenheden om te zorgen voor structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid?2
In de Verzamelbrief Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 325) kunt u de appreciatie van de zienswijze van de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) lezen. In deze brief schrijft de Minister voor Natuur en Stikstof dat zij zich ervan bewust is dat veel opvangcentra behoefte hebben aan structurele ondersteuning om de bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende dieren te borgen. Wij waarderen de enorme inzet van de medewerkers en vrijwilligers van de opvangcentra op het gebied van dierenwelzijn, monitoring, educatie en voorlichting. De aanbeveling van de RDA met betrekking tot structurele financiële ondersteuning vanuit de rijksoverheid kunnen wij helaas niet overnemen. Net als onze ambtsvoorgangers zien we dit niet als een taak van de rijksoverheid. Het ministerie is wel bereid om in gesprek met de provincies te gaan om te verkennen of het mogelijk is om tot een gezamenlijk beeld te komen wat betreft ieders verantwoordelijkheden en te komen tot een meer geharmoniseerde aanpak. Daarnaast zie ik voor mijn eigen ministerie een rol weggelegd om tegemoet te komen aan de bestaande kennis- en informatiebehoefte bij wildopvangcentra. Ook ben ik voornemens om met dierenartsen en paraveterinairen te verkennen of en in welke vorm veterinaire handelingsbevoegdheden verlegd kunnen worden. Tot slot willen we structureel in gesprek blijven met de betrokken organisaties om zo te kijken of en op welke manier hun opgaves geadresseerd kunnen worden en op welke manier het ministerie eventueel kan bijdragen. Een eerstvolgend gesprek wordt op dit moment gepland.
Bent u bereid landelijke richtlijnen op te stellen voor voldoende financiële ondersteuning voor wildopvangcentra? Zo nee, waarom niet?
Naar aanleiding van de motie-Wassenberg/Graus (Kamerstuk 35 025 XIV, nr. 63) is in 2020 de mogelijkheid onderzocht om een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan wildopvangcentra. Destijds is door de toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit geconcludeerd (Kamerstuk 33 576, nr. 195) dat er grote verschillen zijn tussen opvangcentra, in grootte en professionaliteit, de diersoorten die opgevangen worden, maar ook wat betreft uitgaven en inkomstenbronnen. Deze grote variatie betekent dat er maatwerk nodig is wat betreft de noodzaak tot financiering alsook het doel ervan. Om deze reden kon er geen uniforme richtlijn geformuleerd worden. Deze situatie is niet veranderd.
Het helpt het ministerie en de provincies als de wildopvangcentra een overkoepelende organisatie oprichten die hun belangen vertegenwoordigt. Daarmee wordt het makkelijker om snel te schakelen over onderwerpen die spelen. Ook helpt het als de wildopvangcentra gezamenlijk inzichtelijk te maken wat de opvang van in het wild levende dieren kost. Ik roep de opvangcentra graag nogmaals op om hier stappen in te zetten.
Bent u bereid om dierenhulporganisaties opnieuw financieel te helpen vanwege het uitzonderlijk hoge aantal dieren in de natuur dat opnieuw ten prooi valt aan vogelgriep en dierenhulporganisaties opnieuw (of nog steeds) hierdoor voor aanmerkelijke kosten komen te staan? Zo nee, waarom niet?
In 2020 heb ik eenmalig een subsidie verstrekt aan dierenhulporganisaties voor hun hulp bij het ophalen van wilde vogels met vogelgriep. Ik waardeer het werk dat de dierenhulporganisaties doen maar ik ben niet van plan om dierenhulporganisaties structureel te gaan ondersteunen. Ik zal daarom niet opnieuw een subsidie hiervoor verlenen.
Bent u bereid om dierenhulporganisaties financieel te helpen, omdat sterk gestegen energieprijzen bij veel organisaties een flink gat in de begroting hebben geslagen? Zo ja, per wanneer en op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Helaas kan ik geen financiële hulp vanuit de rijksoverheid toezeggen. Wanneer een opvangcentrum een kleinverbruikersaansluiting heeft, valt deze onder het prijsplafond voor energie voor alle huishoudens en andere kleinverbruikers dat vanaf 1 januari 2023 geldt. Dit betekent dat er voor het energieverbruik onder het plafond lagere maximumtarieven voor gas en elektriciteit gelden.
Daarnaast wil ik graag wijzen op de recent geopende subsidieregeling voor verduurzamen van maatschappelijk vastgoed voor structurele energiebesparing (Subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) (rvo.nl)).
Kunt u deze vragen beantwoorden in de termijn die daarvoor staat, maar in ieder geval ruim vóór de behandeling van de begroting van het Ministerie van LNV?
Ja.
Speculatie op de gasbeurs |
|
Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse gasbeurs onder vuur vanwege speculanten»?1
Ja.
Welke signalen van speculatie op de gasmarkt heeft u ontvangen en wat is daarop uw reactie geweest?
Op financiële markten worden derivaten(contracten), zoals futures en opties, met als onderliggende waarde aardgas (gasderivaten) verhandeld.
Voor haar toezicht op de handel in TTF-gasderivaten maakt de AFM onder meer gebruik van eigen data-analyses en meldingen van verdachte of afwijkende transacties, die marktpartijen en exploitanten en handelsplatformen verplicht zijn om te melden bij de toezichthouder. De AFM onderzoekt die meldingen, waaruit kan blijken of er al dan niet daadwerkelijk sprake is van marktmanipulatie of een andere vorm van marktmisbruik. In dat geval kan de AFM handhavend optreden. De AFM heeft vooralsnog geen indicaties dat er bij de handel in gasderivaten recentelijk sprake is (geweest) van enige vorm van marktmanipulatie of andere vormen van marktmisbruik.
Bij de handel in gasderivaten zijn naast energiebedrijven – die posities in dergelijke derivaten aanhouden om hun bedrijfsrisico’s af te dekken –, ook financiële ondernemingen betrokken. Tot die financiële ondernemingen behoren zogenoemde market makers die op de handelsplatformen waarop gasderivaten worden verhandeld voortdurend bied- en laatprijzen afgeven. Daarmee zorgen zij voor liquiditeit op die handelsplatformen, zodat energiebedrijven, maar ook financiële ondernemingen, hun risico’s kunnen beheren door te handelen in die derivaten en de omvang van hun posities in gasderivaten aan te passen. Door die liquiditeit kan de spread (het verschil tussen de bied- en laatprijzen) worden verkleind, wat tot lagere transactiekosten leidt.
Naast market makers zijn op de handelsplatformen waarop gasderivaten worden verhandeld ook financiële ondernemingen actief, die in opdracht van hun klanten transacties in gasderivaten uitvoeren. Tot de klanten van dergelijke brokers behoren zowel energiebedrijven als financiële ondernemingen. Market makers en brokers zijn altijd aanwezig op de markt, maar juist in een situatie waarin een markt erg volatiel is, zoals recentelijk de markt voor aardgas, is het van belang dat zij op deze handelsplatformen liquiditeit verschaffen, zodat marktpartijen die posities in gasderivaten aanhouden hun bedrijfsrisico’s kunnen afdekken.
Heeft u in beeld in hoeverre de gasprijs op de Title Transfer Facility (TTF) wordt beïnvloed door speculatie en wat daarvan de effecten zijn op de gasprijzen voor bedrijven en huishoudens?
De TTF is een virtuele marktplaats waar gas in het Nederlandse gassysteem door marktpartijen aan elkaar kan worden overgedragen. Partijen kunnen de TTF voor dit doel gebruiken in bilaterale contracten, maar ook de handel op verschillende gasbeurzen, zoals ICE Endex, vindt plaats via de TTF. De handel via gasbeurzen betreft slechts een deel van het totaal aantal transacties via de TTF. Bovendien zijn er verschillende korte- en lange termijn producten die via de TTF verhandeld worden, zoals de daghandel en de termijnmarkt. Er is bijgevolg geen sprake van één «TTF prijs». Vaak zit er bijvoorbeeld een prijsverschil tussen de daghandel (spotmarkt) via de TTF en de termijnhandel via de TTF.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2, heeft de AFM, die toezicht houdt op handel via de gasbeurzen, vooralsnog geen indicaties dat er bij deze handel sprake is van enige mate van marktmanipulatie of andere vormen van marktmisbruik. Op de financiële markten zijn financiële ondernemingen en niet-financiële ondernemingen, zoals energiebedrijven, actief die transacties in gasderivaten uitvoeren of laten uitvoeren. De TTF Futures derivatenmarkt is een van de meest liquide financiële markten voor aardgas. Het meest verhandelde gascontract is het maandcontract voor de volgende maand (front-month). De prijs hiervan wordt veelal als referentieprijs gehanteerd. Omdat de TTF gebaseerd is op gas dat daadwerkelijk in het fysieke netwerk wordt geïnjecteerd (via gasvelden, LNG-terminals en pijpleidingen uit het buitenland) is het de meest betrouwbare maatstaf voor vraag en aanbod binnen het grootste marksegment van de EU (Noordwest-Europa). Om die reden is de front-month TTF-prijs de belangrijkste referentieprijs in Europa en zijn veel leveringscontracten voor de lange termijn gebaseerd op deze referentieprijs, ook buiten Europa.
De laatste tijd is de prijs die op de TTF tot stand is gekomen erg volatiel, en worden TTF-contracten tegen een relatief hoge prijs verhandeld in vergelijking met afgelopen jaren (figuur 1). Of huishoudens en bedrijven hiervan iets merken is afhankelijk van het energiecontract dat een huishouden of bedrijf heeft afgesloten, van het type contract waarmee de energieleverancier het gas heeft ingekocht (via een gasbeurs of bijvoorbeeld bilateraal), het moment waarop de energieleverancier zijn gas heeft ingekocht en tegen welke prijs. De voornaamste oorzaak van de prijsstijging is de geopolitieke situatie en de daaropvolgende afgenomen invoer van gas (met name uit Rusland) naar Europa, terwijl gelijktijdig grote inspanningen zijn verricht om de Europese gasvoorraden te vullen (waardoor de vraag toenam).
Figuur 1. TTF-gasprijs (van het meest liquide contract (fronth-month). Bron: AFM Trendzicht 2023 (figuur 11).
Welke mate van volatiliteit op de TTF kan worden toegeschreven aan speculanten? Is daar een inschatting van te maken?
Het aantal partijen dat actief is op de TTF en op het handelsplatform van ICE Endex, waar TTF-futures en -opties worden verhandeld, is gelijk gebleven. Het aandeel financiële partijen ten opzichte van niet-financiële partijen met openstaande posities is eveneens stabiel.2 Tijdens de huidige energiecrisis is de liquiditeit op de gasderivatenmarkt van ICE Endex echter afgenomen. Waar in januari 2021 nog ongeveer 1,5 miljard MWh aan posities op de futuresmarkt openstond is dit sinds het voorjaar met ruim 50% afgenomen en sindsdien stabiel gebleven (figuur 2). Deze afname had volgens experts vooral te maken met de hogere gasprijzen die eveneens tot hogere onderpandverplichtingen bij centrale tegenpartijen leidden (waardoor het simpelweg duurder is om grote posities aan te houden). De beperktere liquiditeit, in combinatie met de spanningen op de gasmarkt, heeft geleid tot een hogere volatiliteit.
Figuur 2. Aantal openstaande contracten en het handelsvolume van TTF-gascontracten. Bron: AFM Trendzicht 2023 (figuur 13).
Daarnaast kan ik opmerken dat op grond van Europese en nationale wet- en regelgeving positiebeheercontroles en positielimieten zijn vastgesteld voor de belangrijkste grondstoffenderivaten. Daaronder vallen ook de in Nederland verhandelde TTF-gasderivaten. Deze positiebeheercontroles en positielimieten moeten voorkomen dat een marktpartij een zodanig grote positie in het TTF-gasderivaat kan aanhouden dat hij de prijs van de onderliggende waarde van het contract (aardgas) kan beïnvloeden. De AFM stelt in Nederland deze positielimieten vast en houdt toezicht op de naleving van de relevante Europese en nationale wet – en regelgeving en kan handhavend optreden indien die wet- en regelgeving niet wordt nageleefd. Tevens houdt de AFM toezicht op de handel in TTF-gasderivaten om marktmanipulatie of andere vormen van marktmisbruik te voorkomen. De AFM kan tevens handhavend optreden indien zich bij de handel in TTF-gasderivaten een situatie voordoet (of dreigt voor te doen) die als marktmanipulatie of een andere vorm van marktmisbruik kunnen worden gekwalificeerd. In verband met de recente volatiliteit op de markt voor aardgas heeft zich een dergelijke situatie niet voorgedaan.
In hoeverre is speculatie met de gasprijs op de TTF toegenomen tijdens de huidige energiecrisis ten opzichte van de marktsituatie voor de energiecrisis?
Zie antwoord vraag 4.
Is het juist dat er afgelopen jaar bijna 113 keer meer gas op de TTF werd verhandeld dan Nederland in een jaar gebruikt en dat er op de gasbeurs meer dan 160 partijen actief zijn? Hoe verhouden deze aantallen qua volume verhandeld gas en actieve partijen zich tot eerdere jaren?
De TTF is sinds de liberalisatie van de energiemarkten uitgegroeid tot de grootste gasbeurs van Europa. Dit betekent dat bijna al het gas in Noordwest-Europa – en dus niet alleen gas dat voor Nederlands gebruik is bestemd – op de TTF is of wordt verhandeld. Volgens het jaarverslag van Gasunie werd er in 2021 voor 47.705 TWh aan gas verhandeld op de TTF en waren er maximaal 175 partijen op één dag actief.3 Dit was een toename van respectievelijk 5% en 3% ten opzichte van het vorige jaar.
In hetzelfde jaar werd in Nederland ongeveer 40 miljoen kubieke meter aardgas gebruikt4, wat met het laagcalorische gas in Nederland overeenkomt met 390 TWh. Op basis van deze indicatieve berekening kan worden aangenomen dat het klopt dat er ruim honderd keer zoveel gas op de TTF werd verhandeld als in Nederland werd gebruikt in dat jaar. Een kanttekening hierbij is dat de handel in TTF op basis van energie (in MWh) plaatsvindt en niet volume in kubieke meters. De calorische waarde van het verhandelde gas op de TTF ligt niet vast.
Acht u het wenselijk dat partijen zoals zakenbanken, hedgefondsen, durfinvesteerders en private-equitybedrijven gas inkopen en doorverkopen met als doel om daarmee zoveel mogelijk geld te verdienen, waardoor gas voor het bij de eindverbruiker beland soms wel honderd keer van eigenaar wisselt?
Het kabinet staat voor de leveringszekerheid van gas en een goed werkende gasmarkt. De markt is tot nu toe – ook in de ongewone omstandigheden van dit jaar – in staat gebleken om voldoende gas aan te trekken om in de leveringszekerheid te voorzien. Op de gasmarkt moeten alle deelnemers zich aan regels houden, waar de AFM en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als toezichthouders op toezien. Op het moment dat er signalen zijn dat er partijen zijn die zich niet aan de regels houden, kunnen de toezichthouders daarop acteren. Zoals ik in de antwoorden hierboven heb beschreven, is de activiteit van financiële ondernemingen op de gasmarkt bevorderlijk voor de marktwerking, doordat zij liquiditeit bieden en marktpartijen daarmee de mogelijkheid bieden risico’s af te dekken.
Tevens is de TTF-termijnmarkt een fysieke markt. Alle partijen hebben door deelname een leveringsverplichting richting Gasunie Transport Services en zijn daarmee verplicht te leveren aan de infrastructuur na afloop van het termijncontract. Dit weerhoudt in principe partijen met een puur speculatief karakter van deelname, omdat zij niet in staat zijn daadwerkelijk aan een potentiële leveringsverplichting te voldoen.
Deelt u de mening dat de stelling dat meer handel efficiëntere prijzen oplevert in de huidige situatie puur theoretisch is en dat speculatie en het veelvoudig in- en doorverkopen van gas derhalve geen maatschappelijke meerwaarde hebben? Zo nee, waarom niet?
Nee, zoals hierboven beschreven leidt een hoge liquiditeit op een termijnmarkt juist tot stabiele en betrouwbare prijsvorming. Mede daarom is de TTF uitgegroeid tot de toonaangevende gasbeurs in Europa en zelfs in de wereld. Handelaren in gas zullen alleen gebruik willen maken van een termijnmarkt wanneer deze betrouwbaar en stabiel is en niet beïnvloed kan worden door één of enkele partijen.
Welke mogelijkheden ziet u om speculatie met de gasprijs op de TTF in te perken, zodanig dat prijsopdrijvende effecten worden voorkomen? Bent u bereid om hiervoor op korte termijn een aanpak uit te werken?
Het inperken van handel op de TTF evenals van de handel op financiële markten waar gasderivaten(contracten) worden verhandeld, heeft op de langere termijn negatieve gevolgen voor de prijsstabiliteit en leveringszekerheid van gas. In een normale marktsituatie zorgt de handel op de spotmarkt voor efficiënte allocatie van gas in het TTF-pijpleidingennetwerk. Contracten voor de langere termijn zorgen juist voor meer zekerheid en stabiliteit op de markt.
Zoals in mijn antwoord op de vragen 4 en 5 beschreven, is er Europese en nationale wet- en regelgeving om excessieve speculatie en marktmanipulatie tegen te gaan.
Het bericht ‘Nieuwe productiemethode maakt rotorbladen van windmolens goed recyclebaar’ |
|
Kiki Hagen (D66), Raoul Boucke (D66) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat gebeurt er nu met windturbines die niet meer in Nederland kunnen draaien, bijvoorbeeld omdat ze worden vervangen door nieuwere turbines of omdat er scheurtjes in het materiaal zitten?1
Voor windturbines die buiten gebruik worden gesteld, zijn diverse opties voor verwerking beschikbaar voor het turbinedeel en voor de rotorbladen. Het turbinedeel bestaat hoofdzakelijk uit metalen componenten die met de huidige technieken verregaand kunnen worden gerecycled. In hoeverre hergebruik op product- of componentniveau mogelijk is, is afhankelijk van vele factoren, waaronder kwaliteit van componenten en efficiency in termen van kosten voor levensduurverlenging en opbrengst bij hergebruik. Ook voor rotorbladen zijn de opties hergebruik en recycling van toepassing. Zo zien we dat gebruikte rotorbladen voor hergebruik worden doorverkocht aan windmolenexploitanten in het buitenland en incidenteel worden gerecycled voor andere toepassingen, zoals straatmeubilair of kinderspeeltoestellen. Recycling van rotorbladen verloopt nu doorgaans via de shredder waarin de rotorbladen worden vermalen tot kleine deeltjes. Dit shredderproduct wordt ook in de cementindustrie gebruikt waar glasvezel omgezet wordt tot zand en bijdraagt als vulstof, en de hars bijdraagt aan het verbrandingsproces. Naast hergebruik, recycling en gebruik in de cementindustrie kan geshredderd composiet van de rotorbladen ook terechtkomen in afvalverbrandingsinstallaties. In de toekomst zou het natuurlijk ideaal zijn als via een circulair ontwerp van rotorbladen de toegepaste materialen aan het einde van de levensduur ook daadwerkelijk weer kunnen worden teruggebracht in een nieuw product.
Hoeveel windturbines zullen er in Nederland tot 2030 weggehaald worden? Hoeveel materiaal van die turbines zal worden hergebruikt? Hoeveel materiaal is waarschijnlijk niet herbruikbaar en zal moeten worden weggegooid?
In opdracht van het innovatiecentrum Smart Port uit de provincie Zuid-Holland, heeft TNO op basis van aannames een inschatting gemaakt van de hoeveelheid materiaal die terug zal komen van het Noordzeegebied2. Tot 2030 zijn de hoeveelheden materiaal die terugkomen beperkt, maar nemen daarna snel toe. Het gaat hierbij om in potentie opnieuw in te zetten materialen. Het is niet op voorhand aan te geven welk deel niet herbruikbaar of recyclebaar is, mede vanwege de duurzame innovatiekracht die snel toeneemt en die nuttige toepassingsmogelijkheden snel vergroot. De besproken innovatie in het Volkskrant-artikel is hier een voorbeeld van.
Wat is uw reactie op de in het Volkskrant-artikel genoemde innovatie, waarbij het composiet kan worden omgesmolten tot glasvezel en koolstofvezel?
Het artikel biedt inzicht in de technologische ontwikkelingen rond het bereiken van circulariteit van een product als rotorbladen. Die technologie, van thermisch en chemisch scheiden van thermoharde composiet in vezel en hars, wordt al langere tijd getest, maar een economisch rendabele uitvoering vergt nog een verdere inspanning op productontwerp en het deel van het materiaal dat daadwerkelijk kan worden hergebruikt via recycling.
Daarnaast laat het artikel veel vragen over de nieuwe technologie onbeantwoord, zoals hoeveel energie dit vereist en welke kosten daarmee samenhangen, of er in het proces schadelijke stoffen vrijkomen en of er alternatieven denkbaar zijn voor het verbranden van de hars uit het composiet. In elk geval komen door het verbranden van de hars ook CO2 en mogelijk andere gassen vrij, die zullen moeten worden afgevangen. De lagere temperatuur waarbij de materialen kunnen worden teruggewonnen is dus een knappe verbetering door TNO, maar er zijn waarschijnlijk nog de nodige uitdagingen voordat dit procedé in de praktijk toepasbaar zal zijn.
De grote uitdaging is het uiteindelijk realiseren van de optimale condities voor een circulaire levenscyclus van rotorbladen. Dat wil zeggen: bij het ontwerp van de rotorbladen wordt rekening gehouden met de uiteindelijke recycling ervan, en recyclers hebben technologieën die waardevolle stromen opleveren die aansluiten bij de vraag vanuit de markt.
Deelt u de opvatting dat deze innovatie een essentiële schakel lijkt bij het verder verduurzamen van de opwek van windenergie? Zo ja, hoe kan u ervoor zorgen dat deze innovatie op grote schaal kan worden toegepast?
Voor het stimuleren van R&D&I gericht op transities levert het missiegedreven innovatiebeleid een belangrijke bijdrage. Allereerst via de sturing op inhoud zoals de vraag welke technologie nodig is, het bij elkaar brengen van de publiek private innovatiepartners, en het brede innovatie-instrumentarium over alle missies heen in aanvulling op generiek innovatie-instrumentarium. Het kabinet zet daarmee vol in op het versneld duurzame oplossingen beschikbaar te hebben voor belangrijke thema’s zoals de energie- en de circulaire transitie. De genoemde innovatie in het artikel is een mooi voorbeeld van een circulaire innovatie die met het bestaande instrumentarium zoals de regelingen Demonstratie Energie- en Klimaatinnovatie (DEI+) of Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie (MOOI) opgeschaald kan worden.
Welke veelbelovende technieken voor het hergebruiken van windturbines en andere producten in de energietransitie, zoals zonnepanelen, batterijen, kabels, etc., zijn bij u bekend? Wat doet u zodat deze innovaties op grote schaal kunnen worden toegepast?
Zie het antwoord op vraag 8.
Wie is er verantwoordelijk voor een goede verwerking na einde levensduur van producten die worden gebruikt in de energietransitie, zoals windmolens, zonnepanelen, batterijen, kabels, etc.?
Voor de productengroepen zonnepanelen en batterijen is een wettelijke uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van toepassing. In dat geval zijn de producenten verantwoordelijk voor het doelmatige afvalbeheer van hun afgedankte producten. In Nederland wordt de uitvoering van de wettelijke verplichtingen collectief uitgevoerd door de respectievelijke producentenorganisaties: Stichting OPEN (Organisatie Producentenverantwoordelijkheid E-waste Nederland) voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, Stichting Batterijen en Stichting EPAC (Electric Power Assisted Cycle) voor draagbare en fietsbatterijen en Stichting Auto & Recycling voor elektrisch aangedreven auto’s. Voor windmolens en kabels is geen wettelijke producentenverantwoordelijkheid ingevoerd maar is doorgaans de eigenaar van de installatie verantwoordelijk voor de ontmanteling en correcte afvoer van afgedankte materialen, dat wil zeggen conform de Wet milieubeheer en het Landelijk Afvalbeheerplan.
Deelt u de mening dat de energietransitie gaat om duurzaamheid in alle facetten en dat er daarom ook heel specifiek aandacht moet zijn voor circulariteit?
Ja, duurzaamheid gaat niet alleen over CO2-uitstoot, ook over het minimaliseren van milieu-impact, behoud van biodiversiteit en het verminderen van de grondstof voetafdruk en circulariteit is een belangrijk middel om aan deze aspecten van duurzaamheid bij te dragen. Dit rechtvaardigt dan ook specifieke aandacht voor circulariteit in de energietransitie. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) wordt deze brede opvatting van duurzaamheid één van de publieke belangen waarlangs beslissingen over het energiesysteem van de toekomst worden afgewogen. Ter illustratie: eerder heeft de Minister voor Klimaat en Energie u al geïnformeerd over het speerpunt dat zonne-energie moet passen binnen de circulaire economie, en dat circulariteit meegenomen gaat worden in de vergunningverlening voor windparken.
In hoeverre werkt u aan circulariteit in de energietransitie, waarbij de afvalberg van windmolens, zonnepanelen, batterijen, kabels, etc. zo veel mogelijk wordt beperkt en kritieke en waardevolle materialen zo veel mogelijk worden teruggewonnen en hergebruikt?
Het kabinet zet zich actief in om de transitie naar een circulaire economie te versnellen. Hiervoor zal een nieuw Nationaal Programma Circulaire Economie begin volgend jaar aan uw Kamer worden gestuurd. Als onderdeel van dit traject hebben de verschillende transitieteams voor prioritaire productgroepen adviesroutekaarten aangeboden aan het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De adviesroutekaart van de circulaire maakindustrie inclusief de prioritaire productgroep circulaire windparken bevat (in bijlage 2) een overzicht van relevante circulaire oplossingen in verschillende fasen van volwassenheid3. In de adviesroutekaart is expliciete aandacht voor kritieke grondstoffen. In het kader van het nieuwe Nationaal Programma Circulaire Economie zullen de doelen en vervolgacties rond circulaire windparken en de bredere Kennis en Innovatie Agenda Circulaire Economie4 nader worden uitgewerkt, inclusief aandacht voor terugwinnen en hergebruiken van kritieke materialen. Daarnaast zal in de nationale grondstoffenstrategie expliciet aandacht worden gegeven aan het vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen op middellange termijn. Circulariteit is hiertoe één van de vijf handelingsperspectieven, waarmee ook de negatieve impact van winning en verwerking van grondstoffen op mens en milieu verminderd gaat worden. Deze grondstoffenstrategie zal naar verwachting einde van dit jaar naar uw Kamer worden toegezonden.
Voor hergebruik van zonnepanelen specifiek is het initiatief van ZonNext bij mij bekend, deze organisatie brengt vraag en aanbod van gebruikte zonnepanelen bij elkaar en faciliteert zo hergebruik van deze panelen. Stichting OPEN is in Nederland verantwoordelijk voor de recycling van zonnepanelen en beoogt dit op een zo hoogwaardig mogelijke manier te doen. De Minister voor Klimaat en Energie heeft regelmatig contact met stichting OPEN en andere stakeholders in dit proces, om de afvalberg van zonnepanelen zo veel mogelijk te beperken en terugwinning van grondstoffen te realiseren.
Klopt het dat, vanuit de doelen van het programma Nederland Circulair 2050, het doel voor de energievoorziening (i.e. energie-opwekkers, energiedragers en overige infrastructuur) ook is om in 2050 volledig circulair te zijn?
Sinds 2016 wordt er ingezet op een volledige circulaire economie in 2050. Daarmee streeft het kabinet ook naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050 dat bijdraagt aan de doelen van de circulaire economie. De manier waarop circulariteit en klimaatneutraliteit bij elkaar komen in het toekomstige energiesysteem, zal terugkomen in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), waarvan het eerste concept voor de zomer van 2023 naar de Kamer wordt gestuurd. In het NPE wordt «duurzaamheid» (en daarbinnen o.a. circulariteit en duurzaam grondstoffengebruik) ook één van de publieke belangen op basis waarvan beslissingen over het energiesysteem van de toekomst worden afgewogen.
Daarnaast wordt in het kader van het Nationaal Programma Circulaire Economie ingezet op prioritaire productgroepen zoals circulaire zon-PV-systemen, windparken en klimaatinstallaties. Hierbij worden doelen en acties richting 2030 nader uitgewerkt om circulariteit in die ketens te versnellen. Specifieke doelen voor het energiesysteem als geheel zijn niet voorzien. De voortgang wordt gemonitord door het Planbureau voor de Leefomgeving.
Betekent dat dat de energievoorziening in 2050 voor 100% bestaat uit herbruikbare materialen en dat er faciliteiten zijn om die materialen ook daadwerkelijk te hergebruiken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke tussendoelen heeft u geformuleerd tot aan een 100% circulaire energievoorziening in 2050?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre ligt u op koers voor het halen van de tussendoelen en het einddoel?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u toezeggen om tweejaarlijks te monitoren in hoeverre de tussendoelen en het einddoel voor een 100% circulaire energievoorziening gehaald zullen worden?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe maakt u werk van de uitvoering van de motie Hagen c.s., die oproept om een grondstoffenstrategie te ontwikkelen, onder andere voor het veiligstellen van circulaire grondstoffen voor de energietransitie?2
Het kabinet heeft richting uw Kamer eerder aangegeven te streven naar verzending van de nationale grondstoffenstrategie einde dit jaar. De motie die oproept tot het versnellen van de circulaire economie, een groene industriepolitiek en het veiligstellen van cruciale grondstoffen voor de energietransitie zal hier goed in worden meegenomen. Het doel van de grondstoffenstrategie is om de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen op de middellange termijn te vergroten en de negatieve impact van winning en verwerking van kritieke grondstoffen op mens en milieu te verkleinen. Circulariteit en het bijbehorende nationale programma circulaire economie zullen hier een belangrijk handelingsperspectief in vormen.
Vindt u dat de energiesector genoeg werk maakt van circulariteit ten aanzien van productie en inkoop, onderhoud en verwerking na einde levensduur? Wat zou er beter kunnen? Bent u hierover met de sector(en) in gesprek?
Circulariteit is een grote prioriteit voor dit kabinet. Het doel is om de windenergie-industrie te stimuleren op een verantwoorde wijze te produceren en exploiteren en om de duurzame leveringszekerheid van grondstoffen te stimuleren, ook gelet op de geopolitieke ontwikkelingen. De afgelopen periode heeft de Minister voor Klimaat en Energie samen met de sector gewerkt aan het Moonshot Circulaire Windparken project van ECHT. Hierna is het rapport «The ideation process focussed on circular strategies in the wind industry» gepresenteerd. Dit rapport is een initiatief van het Versnellingshuis Nederland Circulair! (een samenwerking tussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, VNO-NCW, MKB-Nederland, MVO Nederland en het Groene Brein), en is uitgevoerd als onderdeel van het «Uitvoeringsprogramma Circulaire Maakindustrie» van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. Het kabinet wil de energiesector stimuleren om nog verder te gaan en concrete stappen te zetten op gebied van circulariteit bij windparken op zee. Daarom heeft de Minister voor Klimaat en Energie aangegeven in de brief over de vergunningverlening voor de komende 4 gigawatt in IJmuiden Ver dat in die procedure criteria opgenomen zullen worden over circulariteit (Kamerstuk 35 092, nr. 33).
Welke wet- en regelgeving ziet toe op circulariteit bij materiaalgebruik en productiemethoden voor windturbines, zonnepanelen, batterijen, kabels etc.?
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 6 is een wettelijke producentenverantwoordelijkheid van toepassing op zonnepanelen en batterijen, gereguleerd via de EU Richtlijn afgedankte elektrische en elektronische apparaten respectievelijk de EU Richtlijn batterijen en accu’s. Daarnaast is op zonnepanelen de Europese Ecodesign-richtlijn van toepassing. Nieuwe Europese product- en productiegerichte eisen voor batterijen zijn opgenomen in de ontwerpBatterijenverordening, die zich momenteel in een afrondende fase bevindt. Voor zonnepanelen zijn toegesneden product- en productiegerichte eisen in voorbereiding. In het zogeheten Ecodesign Consultation Forum, het Ecodesign informatieplatform voor lidstaten en bedrijfsleven, heeft de Europese Commissie inmiddels een eerste voorstel voor een verordening voor zonnepanelen met alle partijen besproken. De verwachting is dat medio 2023 een verordening voor zonnepanelen in werking kan treden.
Welke kansen ziet u om met wet- en regelgeving een circulaire energievoorziening verder te bevorderen, bijvoorbeeld door het stellen van normen voor het gebruik van biobased materiaal voor energieopwekkers, -dragers en overige energieinfrastructuur en het formuleren van een afbouwpad voor het gebruik van materialen die niet herbruikbaar zijn?
In het kader van de betere samenhang tussen circulaire economie en klimaatbeleid zoals aangekondigd in het coalitieakkoord wordt in de breedte bekeken op welke wijze circulariteit in het instrumentarium voor de klimaat- en energietransitie kan worden opgenomen. Dat zou inderdaad kunnen leiden tot (verdere) regelgeving ten aanzien van het gebruik van primaire abiotische grondstoffen, van recyclaat en duurzame biogebaseerde grondstoffen en van herbruikbaarheid. De Europese wet- en regelgeving speelt hier een belangrijke rol. Dit gebeurt in aanvulling op bredere regelgeving voor de circulaire economie die ook van toepassing is op het grondstofgebruik voor de energietransitie, zoals diverse initiatieven uit het Circular Economy Package van de Europese Commissie, in het bijzonder de regelgeving gericht op de milieuprestatie van producten. Het afgeven van nieuwe subsidies voor het gebruik van biogrondstoffen voor energieopwekking is, conform het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen, afgebouwd voor het opwekken van elektriciteit en lage temperatuurwarmte. Gebruik van duurzame biogrondstoffen voor materiaal voor de energie-infrastructuur kan, waar gepast en mits dit gebeurt binnen het Duurzaamheidskader Biogrondstoffen, wel een rol spelen in het creëren van een circulaire energievoorziening.
Wat is de voortgang van de verkenning van de mogelijkheden en wenselijkheid van het stellen van normen aan PV-panelen en het instellen van een keurmerk of certificaat, die u met de Zonnebrief heeft toegezegd?3
Zoals reeds in vraag 16 besproken wordt niet alleen op Nederlands, maar ook op Europees niveau ingezet op circulariteit en verlaging van de CO2-voetafdruk van zonnepanelen. De Europese Commissie heeft een eerste voorstel voor een Ecodesign-maatregel en een Energielabel voor zon-PV-modules besproken; hierbij is Nederland nauw betrokken geweest. Op dit moment staat hier de openbare raadpleging voor open. Met deze maatregelen worden er minimumnormen vastgelegd voor PV-modules en wordt transparantie over duurzaamheid van PV-modules vergroot. Het heeft de voorkeur om normering op Europees niveau te organiseren. In aanvulling op deze minimumeisen verkent Nederland of het, eventueel in samenwerking met andere Europese landen, waardevol is om een keurmerk of certificaat in te voeren voor duurzame zonnepanelen. Deze verkenning is nog voortgaand. Voor batterijen is, zoals benoemd in het antwoord op vraag 16, een Europees wetsvoorstel in de maak om circulariteit veel meer de norm te maken op de Europese markt. Andere productgroepen kunnen op termijn ook worden opgepakt in het kader van de Ecodesign-richtlijn.
Loopt eenzelfde soort verkenning voor windturbines, batterijen, kabels, etc.? Zo nee, kunt u toezeggen om zo’n verkenning te starten?
Zie antwoord vraag 18.
In hoeverre is circulariteit onderdeel van de tenders voor Wind op Zee?
In de vergunningverlening van windparken op zee kunnen criteria worden meegenomen op gebied van circulariteit. In de recente Kamerbrief over de vergunningverlening windenergie op zee IJmuiden Ver (4 GW) heeft de Minister voor Klimaat en Energie aangekondigd dat deze criteria worden opgenomen in de komende tenders voor IJmuiden Ver 1 t/m 4 (Kamerstuk 35 092, nr. 33). Ook is de Minister voor Klimaat en Energie gestart met de voorbereiding van de herziening van de wet windenergie op zee. Hierin wordt circulariteit als thema meegenomen om ervoor te zorgen dat eisen ten aanzien van circulariteit ook in toekomstige vergunningverleningen voor windparken op zee een plek krijgen. De criteria zullen ambitieus en haalbaar zijn, waarbij het halen van de 2030 en 2050 doelen op gebied van circulariteit het uitgangspunt is.
In hoeverre is circulariteit onderdeel van de tenders in het programma Opwek Energie op Rijksvastgoed?
In tenders is het in principe mogelijk om eisen te stellen ten aanzien van circulariteit. Voorwaarde is dan wel dat de eisen objectief meetbaar zijn en de markt hierin kan voorzien. Er is nu nog onvoldoende zicht op in hoeverre marktpartijen circulaire windmolens en zonnepanelen kunnen leveren. De Minister voor Klimaat en Energie gaat na of middels een marktconsultatie de mogelijkheden kunnen worden verkend. Tevens zal op de samenhang tussen het programma OER en eventuele aanvullende regelgeving voor circulariteit in de toekomst worden gelet. Zie verder ook de beantwoording van vraag 17.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat?
Ja.
Het stoppen met het gedogen van het veel te vroeg weghalen van biggen bij hun moeder |
|
Leonie Vestering (PvdD) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Wat ging er door u heen toen u zag dat de Stichting Wakker Dier aan de bel trekt over het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) volgens hen het veel te vroeg weghalen van kleinere biggen bij hun moeder gedoogt?1
Ik herken me niet in dit bericht. In antwoord op vragen van de Partij voor de Dieren in het schriftelijk overleg ten behoeve van de Landbouw- en Visserijraad van 26 september 2022 is aangegeven dat de NVWA dit jaar bij enkele bedrijven waar moederloze opfok voorkwam, handhavend heeft opgetreden (Kamerstuk 21 501–32 nr. 1465).
Herinnert u zich dat u in antwoord op het schriftelijk overleg bevestigde dat moederloze opfok, ofwel het weghalen van pasgeboren biggen bij hun moeder om ze in een hok of bak te leggen met andere «overtollige» biggen, in beginsel verboden is?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het op grond van het Besluit houders van dieren, alleen is toegestaan om biggen jonger dan 21 dagen bij hun moeder weg te halen wanneer dit noodzakelijk is vanwege de gezondheid en het welzijn van de big of de moeder?
Ja. Zie ook mijn reactie op Kamervragen van de Partij van de Dieren uit het schriftelijk overleg ten behoeve van de Landbouw- en Visserijraad van 26 september 2022 over dit onderwerp (Kamerstuk 21 501–32 nr.1465).
Heeft u gelezen dat European Food Safety Authority (EFSA) concludeert dat biggen lijden aan grote welzijnsproblemen wanneer zij te vroeg bij hun moeder worden weggehaald, waarbij geldt dat de problemen exponentieel toenemen naarmate de biggen eerder worden weggehaald?3
Ja. EFSA concludeert dat het voor 90 – 100% zeker is dat abrupt spenen leidt tot een reeks gevolgen voor het welzijn, waaronder scheidingsstress, langdurige honger, langdurige dorst, maag-darmstoornissen en onvermogen tot het uitvoeren van zuiggedrag, wat verdere schadelijke gevolgen heeft voor rustproblemen, groepsstress en letsel aan weke delen en schade aan het integument (de huid / beschermlaag van het lichaam).
Begrijpt u dat EFSA om die reden stelt dat moederloze opfok alleen als laatste redmiddel mag worden toegepast en zeker niet als gangbare managementmaatregel?
Ja.
Wat is op dit moment het gemiddelde aantal biggen dat een zeug in de Nederlandse varkenshouderij per worp krijgt en wat was dit gemiddelde vijftig jaar geleden? Kunt u bevestigen dat de worpgrootte nog steeds toeneemt?
Ik heb geen gegevens over de worpgrootte 50 jaar geleden, maar de trend is inderdaad dat de worpgrootte de afgelopen 20 tot 30 jaar is gestegen. Uit gegevens van het Bedrijveninformatienet blijkt dat een zeug in 2020 gemiddeld 15,0 levend geboren biggen kreeg per worp.
Heeft u gezien dat EFSA concludeert dat 12 tot 14 biggen gemiddeld per worp het maximum zou moeten zijn?
Ja, daarnaast adviseert EFSA om het aantal levend geboren biggen per zeug te beperken tot het aantal functionele tepels die gemiddeld voorkomen in het ras of de zeugenlijn.
Volgens informatie van een grote fokkerijorganisatie bezitten zeugen van hun in Nederland meest gebruikte zeugenlijn gemiddeld ruim 16 functionele tepels.
Deelt u de mening dat bij bedrijven die zeugen houden die doelbewust zijn gefokt op meer dan 12 tot 14 aantallen biggen per worp, sprake is van een managementmaatregel en dus van overtreding van artikel 1.20 Besluit houders van dieren, wanneer zij overgaan tot moederloze opfok voor (een deel van) de biggen die de moederzeug niet meer kan voeden? Zo nee, kunt u dit toelichten?
EFSA adviseert het kunstmatig grootbrengen van biggen (moederloze opfok) alleen toe te passen als laatste redmiddel en niet als een gangbare managementmaatregel. Het nemen van andere maatregelen verdient de voorkeur, zoals selectie van zeugen die minder biggen voortbrengen, of het gebruik van pleegzeugen. Ik kan mij hierin vinden. Uit het Besluit houders van dieren volgt dat moederloze opfok voor een bepaalde leeftijd alleen in uitzonderingssituaties is toegestaan, en dus niet als (structurele) managementmaatregel.
Op grond van artikel 2.2 zevende lid van de Wet dieren is het verboden om bij algemene maatregel van bestuur aangewezen diersoorten of diercategorieën van het ouderdier te scheiden voordat die dieren een bepaalde leeftijd hebben bereikt. Het Besluit houders van dieren bepaalt ter uitvoering daarvan in artikel 1.20 dat die leeftijd voor varkens 28 dagen is, maar staat als biggen naar gespecialiseerde voorzieningen worden gebracht onder voorwaarden ook toe dat die leeftijd 21 dagen is. Moederloze opfok is tot de desbetreffende leeftijd is bereikt dus niet toegestaan. Uitzondering daarop is de situatie waarin de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid en het welzijn van het dier of het ouderdier; uit artikel 1.20, zesde lid, van het Besluit houders van dieren volgt dat het verbod van artikel 2.2, zevende lid, van de Wet dieren dan niet van toepassing is.
In welke specifieke situaties is volgens u sprake van de in het Besluit houders van dieren genoemde «noodzakelijkheid» (art 1.20, lid 6) om biggen weg te halen bij hun moeder op een leeftijd jonger dan drie weken? Kunt u deze situaties zo specifiek mogelijk beantwoorden, zodat voor zowel sector als andere belanghebbenden duidelijk is hoe met dit artikel dient te worden omgegaan?
Het vroegtijdig spenen beperkt het natuurlijk gedrag van de zeug en haar biggen. Daarbij kan dit nadelige gevolgen voor het dierenwelzijn hebben. Daarom is in het Besluit houders van dieren een minimum speenleeftijd van biggen van 21 dagen opgenomen op voorwaarde dat aan bepaalde (huisvestings)voorwaarden is voldaan. Met het opnemen van de minimumleeftijd bij spenen van biggen in dit Besluit wordt beoogd excessen te voorkomen en de ondergrens te duiden die bij het niet respecteren daarvan kan leiden tot vervolging.
De minimum speenleeftijd is alleen niet van toepassing als de houder aannemelijk kan maken dat het scheiden van een dier van het ouderdier noodzakelijk is met het oog op de gezondheid of het welzijn van het dier of het ouderdier. Hier moet gedacht worden aan situaties waarin ziekte van het jonge dier of het ouderdier, verhongering, agressief gedrag van of verstoting door het ouderdier het vroegtijdig scheiden noodzakelijk maakt.
Hoe vaak heeft de NVWA in de afgelopen tien jaar gecontroleerd op en handhavend opgetreden tegen moederloze opfok van biggen?
Controle op de wettelijke speenleeftijd van biggen is onderdeel van reguliere inspecties op varkensbedrijven. De afgelopen 10 jaar (2012 – september 2022), is twee keer een niet-akkoord op speenleeftijd van biggen specifiek in het kader van moederloze opfok vastgesteld en is hierop gehandhaafd.
Gaat het hierbij uitsluitend om de bedrijven waar Stichting Wakker Dier heeft verzocht om handhaving? Zo ja, waarom treedt de NVWA niet uit zichzelf op?
De twee bedrijven waar handhavend is opgetreden zijn bedrijven waar Stichting Wakker Dier heeft verzocht om handhaving. Controle op de wettelijke speenleeftijd is onderdeel van reguliere welzijnsinspecties op varkensbedrijven. Om de paar jaar wordt een naleefmeting uitgevoerd, gebaseerd op een aselecte steekproef. Deze naleefmetingen vormen de basis voor het inrichten van risico gebaseerde toezicht.
Tijdens controles gebruiken inspecteurs een checklist met betrekking tot welzijnsregelgeving die op dat bedrijf van toepassing kan zijn. Als aspecten niet in orde lijken te zijn op het bedrijf, krijgen deze meer aandacht van de inspecteur, om het vaststellen van een mogelijke overtreding goed te kunnen onderbouwen. Het gebruik van zogeheten rescue desks en nursery’s waarin biggen gescheiden van de zeug worden gehouden (moederloze opfok), is een relatief nieuwe ontwikkeling in de sector. Deze methode wordt heel beperkt toegepast en is vrij arbeidsintensief. De NVWA betrekt naar aanleiding van het handhavingsverzoek het gebruik hiervan bij het toezicht op de regelgeving omtrent spenen.
Klopt het dat op alle vier de bedrijven waar de NVWA controleerde op moederloze opfok vanwege het handhavingsverzoek van Stichting Wakker Dier, de biggen minder leefruimte bleken te hebben dan de wet voorschrijft? Wat zegt dit volgens u over de naleving van de wet op dit punt?
De overtreding op het minimum vloeroppervlakte werd geconstateerd bij de vier bedrijven waar toezicht plaats vond naar aanleiding van het handhavingsverzoek van Wakker Dier. Op basis van deze 4 inspecties kunnen geen conclusies getrokken worden over de naleving ten aanzien van dit onderdeel van de regelgeving in de gehele sector. Ook de vloeroppervlakte van gespeende biggen is een onderdeel van reguliere welzijnsinspecties bij varkenshouderijen, welke worden uitgevoerd zoals beschreven bij het antwoord op vraag 11.
Klopt het dat deze bedrijven op dit punt wegkwamen met een waarschuwing? Acht u een waarschuwing een doelmatige maatregel? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Conform het interventiebeleid Is de overtreding van regels vanwege een te kleine vloeroppervlakte bij de bedrijven afgedaan met een schriftelijke waarschuwing, omdat dit incidenteel plaatsvond bij een aantal hokken op het bedrijf. Na een schriftelijke waarschuwing vindt een herinspectie plaats. Bij een volgende constatering bij hetzelfde bedrijf kan dit conform interventiebeleid worden afgedaan met een boete. Deze manier van bestuursrechtelijk toezicht is gericht op het herstel van de overtreding.
Bent u bereid om het toezicht en de handhaving op het gebied van moederloze opfok van biggen te intensiveren, gezien de waarschuwing van de EFSA dat de moederloze opfok kan toenemen? Kunt u dit toelichten?
De controle op de wettelijke speenleeftijd blijft een onderdeel van reguliere welzijnsinspecties bij varkenshouderijen zoals beschreven in het antwoord op vraag 11, en blijft daarmee onder de aandacht. Ook wordt het gebruik van de rescue desks en nursery’s betrokken bij het toezicht op de regelgeving omtrent spenen.
Deelt u de mening dat voor een structurele oplossing van dit probleem, de oorzaak – de hoge biggenproductie per zeug – moet worden aangepakt? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken?
Zoals ik in mijn reactie op vraag 8 en 9 heb aangegeven is het spenen van biggen voor de leeftijd van 21 dagen alleen toegestaan in bijzondere omstandigheden, waarbij de houder aannemelijk kan maken dat dit met het oog op de gezondheid of het welzijn van het dier noodzakelijk is. Een structurele overschrijding van het aantal biggen per worp ten opzichte van het aantal tepels bij de zeug vormt geen bijzondere omstandigheid. Houders bij wie deze situatie zich op het bedrijf voordoet, zullen zo nodig (management)maatregelen moeten nemen om de minimum speenleeftijd na te leven.
Bovenal hebben fokkerijorganisaties een maatschappelijke verantwoordelijkheid om in hun fokbeleid het belang van dierenwelzijn en diergezondheid zwaar mee te laten wegen. Dit betekent dat varkensfokkerij-organisaties zich moeten richten op fok van robuuste en gezonde biggen die zoveel mogelijk door de eigen moederzeug worden gezoogd.
Ik wil hierover in gesprek gaan met de varkensketen. In het kader van het convenant over de ontwikkeling naar een dierwaardige veehouderij wil ik afspraken maken over het terugdringen van het gebruik van rassen en lijnen die het welzijn en de diergezondheid van de fokdieren en / of hun nageslacht kunnen schaden. Gezien fokkerijorganisaties veelal op Europees of mondiaal niveau opereren, is bovennationale c.q. Europese aandacht voor de problematiek van belang. Daarom heeft mijn voorganger de Europese Commissie verzocht om bij de herziening van de Europese dierenwelzijnsregelgeving de problematiek van fokken met kenmerken die schadelijk kunnen zijn voor de diergezondheid en dierenwelzijn mee te wegen (Kamerstuk 28 286 nr. 1255).
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. De beantwoording van de vragen binnen de termijn van drie weken is niet gelukt. Ik heb u op 1 november hierover een uitstelbrief gestuurd.
Het voorafgaand toezicht op televisieuitzendingen van Ongehoord Nederland |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ongehoord Nederland mag Zwarte Piet van NPO niet op tv brengen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit van de Stichting Nederlandse Publieke Omroep (NPO) om Ongehoord Nederland geen toestemming te verlenen voor het uitzenden van het Zwarte Pietenjournaal?
De redactionele onafhankelijkheid van mediaorganisaties is een groot goed. Het mediawettelijk systeem zit zo in elkaar dat ik als bewindspersoon geen oordeel vel over de inhoud van de programma’s of over het wel of niet plaatsen van programma’s. De NPO treedt niet in de inhoudelijke en redactionele keuzes van de omroepen. Wel heeft de NPO een coördinerende rol bij het plaatsen van media-aanbod. Omdat er geen oneindig budget of zendtijd beschikbaar is, moet de NPO hier keuzes in maken.
Hoe verhoudt het besluit van de NPO zich tot de uitspraken van de directeur van de NPO eind 2020, toen hij zei dat een Zwarte Pietenjournaal wél zou worden toegelaten, mits het voldeed aan de criteria van de NPO?2 Aan welke criteria zou niet zijn voldaan?
Beantwoording van deze vraag is niet aan mij. De beoordeling van programmavoorstellen is niet aan mij. Hoe deze beoordeling zich verhoudt tot eerder gedane uitspraken kan ik dan ook niet beoordelen.
Is de NPO bevoegd om voorafgaand toezicht uit te oefenen op de inhoud van televisieuitzendingen? Zo ja, op grond waarvan? Hoe verhoudt zich dit met artikel 7, tweede lid, tweede volzin, van de Grondwet, luidende: «Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisieuitzending.»?
Nee, de NPO is niet bevoegd voorafgaand toezicht uit te oefenen op de inhoud van televisie-uitzendingen. Artikel 7, tweede lid, tweede volzin van onze Grondwet is van toepassing op de NPO.
Bent u het ermee eens dat een eventuele toetsing door de NPO in beginsel achteraf en te allen tijde «grondwetsconform» dient plaats te vinden?3 Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot de werkwijze van de NPO?
Uiteraard dient de NPO te handelen conform de Grondwet. Naleving van inhoudelijke eisen die aan programma’s worden gesteld wordt achteraf beoordeeld. De omstandigheid dat zendtijd en productiebudget niet ongelimiteerd zijn brengt wel met zich mee dat de NPO niet elk voorstel kan inwilligen. De NPO moet uit alle ingediende voorstellen een selectie maken van programma’s die geprogrammeerd zullen worden. In deze fase kan de NPO, mede op grond van artikel 2.52 Mediawet 2008 voorstellen afwijzen omdat zij bijvoorbeeld niet voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik van de landelijke publieke mediadienst, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, bedoeld in artikel 2.22, de profielen van de aanbodkanalen, de afspraken, bedoeld in artikel 2.55, de regeling, bedoeld in artikel 2.57, en de begroting, bedoeld in artikel 2.147. De inhoudelijke beoordeling van de voorstellen door de NPO is beperkt tot het strikt noodzakelijke om tot een programmering te kunnen komen. Bij de verzorging van eenmaal gecoördineerde programma’s gaan omroepen over vorm en inhoud. Dat is niet aan de NPO.
Erkent u dat de grondwettelijke bescherming van de uitingsvrijheid niet beperkt is tot uitingen, ideeën, gevoelens of informatie die gunstig worden ontvangen, als onschuldig worden beschouwd, dan wel die neutraal zijn? Erkent u dat ook schokkende of kwetsende uitlatingen vallen binnen de reikwijdte van het grondrecht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het besluit van de NPO?
De vrijheid van meningsuiting is inderdaad niet beperkt tot uitingen, ideeën, gevoelens of informatie die gunstig worden ontvangen, als onschuldig worden beschouwd, dan wel die met onverschilligheid worden ontvangen, maar strekt zich inderdaad ook uit tot uitingen die kunnen worden ontvangen als kwetsend, schokkend of storend. Het is niet aan mij om het besluit van de NPO te beoordelen. De NPO is als zelfstandig bestuursorgaan bevoegd om de keuze voor het al dan niet plaatsen van een programma, te maken.
Welke mogelijkheden heeft u om de NPO ertoe te bewegen zijn besluit te herzien? Bent u bereid deze mogelijkheden optimaal te benutten? Zo nee, waarom niet?
Uit de Mediawet en de Grondwet volgt dat de publieke omroep onafhankelijk van de regering opereert. Dit is een groot goed in een rechtstaat. Als bewindspersoon past het mij dan ook niet te oordelen over individuele besluiten van de NPO. Als een omroep het niet eens is met een besluit van de NPO staat de weg van bezwaar, beroep en hoger beroep open.
Wilt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De inbreuk op de privacy van Nederlandse studenten door Amerikaanse techbedrijven |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de alarmerende nieuwsberichten van de NOS («Driekwart Nederlandse studentendata opgeslagen bij Amerikaanse techbedrijven»1), Scienceguide2 en KNAW3 waaruit blijkt dat nu 3/4 van de gegevens van Nederlandse studenten in handen is van datacentra van commerciële Amerikaanse Tech bedrijven ten opzichte van 25% in 2015?
Ja.
Erkent u dat de onafhankelijkheid en integriteit van universiteiten sterk in het geding is nu de gegevens grotendeels in handen zijn van Amerikaanse «tech bedrijven» als Amazon, Microsoft en Google en dat dit een ongewenste situatie is die onderzocht en gestopt dient te worden?
De onafhankelijkheid en integriteit van universiteiten is niet (per definitie) in het geding door het gebruik van clouddiensten. Het gebruik van zulke diensten is sterk groeiend vanwege de voordelen die het biedt. Instellingen moeten zich tegelijkertijd bewust zijn van de risico’s en van de afhankelijkheden die door zulke overeenkomsten kunnen ontstaan.
Ik vind dat de keuze voor leveranciers onderdeel is van de autonomie die universiteiten hebben. Bij elke afspraak tot commerciële dienstverlening bestaat een zekere afhankelijkheid. Deze is niet inherent beperkend voor de vrije keuze van universiteiten, en ondermijnt niet inherent de wetenschappelijke integriteit. Dergelijke risico’s moeten onderdeel zijn van de afweging van de instelling voordat en terwijl de dienst wordt afgenomen.
Verder is het belangrijk om open source alternatieven te verkennen, op nationaal en Europees niveau. Mijn voorganger heeft dit ook eerder in Brussel aangekaart bij de Europese Commissie en hen verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen4. Tegelijkertijd bevordert SURF het onderzoeken van mogelijke alternatieven. SURF biedt een mix van eigen clouddiensten en aanbod van marktpartijen. Binnen de SURFcumulus cloud dienst van SURF bieden 13 leveranciers hun diensten aan. Zo is SURF actief in de European Open Science cloud van de EU en lid van GAIA-X. Daarnaast draait bijvoorbeeld SURFdrive, voor het opslaan en delen van data, op daar onderliggende Europese open software zoals ownCloud. SURF is continu met leden in gesprek over deze kwesties.
In mijn kamerbrief van 14 juli 2022, over het verhogen van digitale veiligheid in onderwijs en onderzoek5, ga ik dieper in op hoe wij de sector bij hun digitale veiligheid ondersteunen, ondanks het feit dat zij daar zelf verantwoordelijk voor zijn. Zo faciliteren wij Data Protection Impact Assessments (DPIA’s), op producten die in het onderwijs veel gebruikt worden. Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de motie van de leden Kwint en Van Meenen.6 Door de DPIA’s kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten. De DPIA’s, waarbij de instellingen worden ondersteund door SURF, sluiten aan op het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Een eerder uitgevoerde DPIA van Microsoft maakte ook duidelijk dat er voor het gebruik van bepaalde Microsoft-producten geen grote risico’s overblijven, mits de gebruiker een aantal maatregelen neemt om de risico’s te mitigeren. Bij het assessment van Google zijn privacyrisico’s geconstateerd, met name over hun omgang met metadata. Vervolgens zijn met Google afspraken gemaakt over het mitigeren van deze geconstateerde risico’s. In algemene zin is het beheersen van risico’s ook een essentieel onderdeel in de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) 2022–2028 die recent is gepubliceerd.7
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de VH en UNL.
Ziet u ook de ernst van de gevaren in van het afstandsonderwijs dat halsoverkop in Coronatijd moest worden ingevoerd en kunt u deze in kaart brengen alsmede eventuele oplossingen?
Gedurende de lockdown was fysiek onderwijs zeer beperkt mogelijk. Om de studievoortgang van studenten te bewaken, zijn onderwijsinstellingen destijds tijdelijk overgestapt naar voornamelijk afstandsonderwijs. Volledig afstandsonderwijs kent nadelen, maar daardoor konden studenten gedurende de lockdown wel blijven studeren. Daarnaast is het bekend dat afstandsonderwijs risico’s met zich kan meebrengen rondom privacy en digitale veiligheid. Het is daarbij wel belangrijk om te noemen dat er vele soorten van afstandsonderwijs mogelijk zijn en dat zij ook een eigen risicoprofiel kennen. De risico’s moeten worden afgewogen, waarbij de voordelen kunnen opwegen tegen de nadelen.
Hoger onderwijsinstellingen werken aan de privacybescherming naar aanleiding van het advies van de AP. Daarin krijgen onderwijsinstellingen ondersteuning van SURF, bijvoorbeeld met betrekking tot DPIA’s. Eind juni 2022 publiceerde SURF het nieuwe «SURF audit toetsingskader Privacy 2022» waarmee een pilot wordt gestart bij de bij SURF aangesloten onderwijsinstellingen. Het toetsingskader zal door het hoger onderwijs worden gebruikt voor gegevensbeschermingsbeleid in overeenstemming met privacyregelgeving. De verwachting van SURF is dat het nieuwe toetsingskader inzicht zal geven in het privacy volwassenheidsniveau van het hoger onderwijs. Eind 2022 worden de resultaten van de pilot door SURF bekendgemaakt.
Wat is er aan concrete maatregelen genomen sinds hoogleraren en internetexperts al jaren geleden waarschuwden voor het gevaar van dat data van studenten konden worden misbruikt voor commerciële en politieke doeleinden?
Door instellingen worden DPIA’s uitgevoerd om risico’s scherp te krijgen en te kunnen mitigeren. Daarnaast worden contractonderhandelingen met grote leveranciers in het onderwijs centraal gevoerd.8 Zo kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten en kunnen alle instellingen gebruikmaken van dezelfde contractvoorwaarden. We sluiten daarmee aan op het advies van de AP. In de Kamerbrief over het verhogen van digitale veiligheid in onderwijs en onderzoek van 14 juli jl. ga ik ook in op de genomen maatregelen9. Het risico dat statelijke actoren toegang krijgen tot gegevens van instellingen wordt door het kabinet tegengegaan met de aanpak Kennisveiligheid en de aanpak Tegengaan Statelijke Dreigingen.10, 11
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de VH en UNL. SURF, koepels en marktpartijen trekken gezamenlijk op in de uitvoering en er wordt continu bekeken of er waarborgen kunnen worden verbeterd.
Denkt u ook niet dat zolang de veiligheid van studentengegevens niet gegarandeerd kan worden, digitaal onderwijs beperkt dient plaats te vinden, mede in acht genomen dat digitaal onderwijs niet automatisch leidt tot beter onderwijs4?
Door de instellingen en de koepels wordt hard gewerkt aan het verhogen van de digitale weerbaarheid naar een niveau dat aantoonbaar veiligheid biedt en de continuïteit en kwaliteit van onderwijs en onderzoek waarborgt. Daarbij is 100 procent veiligheid moeilijk te garanderen. Om dit zo goed als mogelijk te bewerkstelligen worden gemeenschappelijke uitgangspunten voor de hele onderwijs en -onderzoeksector gehanteerd. Ook worden sectorspecifieke afspraken gemaakt, omdat de risico’s en de mate van volwassenheid tussen sectoren kunnen verschillen. In de Kamerbrief Verhogen digitale veiligheid onderwijs en onderzoek van 14 juli jl. heb ik uiteengezet welke maatregelen de instellingen hebben genomen en verder gaan nemen om de cyberweerbaarheid van hun instelling te verhogen.13 Het gaat hierbij om maatregelen ten aanzien van vergroten van bewustzijn, borgen van risicomanagement en kennis-en informatiedeling.
Het is de verantwoordelijkheid van scholen en instellingen om goed onderwijs te bieden en de risico’s die digitaal onderwijs met zich meebrengen in ogenschouw te nemen. Digitalisering kan helpen de onderwijskwaliteit te verbeteren, mits scholen en instellingen vanuit hun eigen onderwijskundige visie passende en doordachte keuzes maken. Wanneer instellingen ervoor kiezen om digitale hulpmiddelen in te zetten in hun onderwijs, dan zijn zij verantwoordelijk voor een zorgvuldige en weloverwogen omgang met persoonsgegevens, conform de AVG. Het is dan ook van groot belang dat gegevens van studenten en leerlingen veilig en verantwoord verwerkt worden door scholen en instellingen.
Bestaan er plannen om universiteiten eigen programma’s en datacentra te laten ontwikkelen, zoals de Universiteit van Osnabrück het programma BigBlueButton heeft ontwikkeld5?
Nee, deze plannen zijn er niet. Wel helpt SURF om mogelijke Europese alternatieven te bevorderen of onderzoeken. SURF biedt een mix van eigen clouddiensten en aanbod van marktpartijen. Binnen de SURFcumulus cloud dienst van SURF bieden 13 leveranciers hun diensten aan. Zo is SURF actief in de European Open Science Cloud van de EU en lid van GAIA-X. Daarnaast draait bijvoorbeeld SURFdrive, voor het opslaan en delen van data, op daar onderliggende Europese open software zoals ownCloud. SURF gaat continu met leden in gesprek over alternatieven om zo onder andere vendor lock-in tegen te gaan.
Overigens wordt BigBlueButton ook door Nederlandse onderwijsinstellingen ingezet. SURF biedt met Filesender een dienst voor het veilig en versleuteld online versturen van bestanden, via Nederlandse servers. Filesender is open source en SURF draagt actief bij aan de ontwikkeling hiervan. Andere voorbeelden van programma’s die in eigen beheer zijn ontwikkeld en vervolgens aan instellingen worden aangeboden zijn SURFconext, eduVPN, eduroam en SURFdrive.
Kunt u deze vragen op tijd beantwoorden voor het begrotingsdebat in week 47?
Helaas is dit niet gelukt.
Het dreigende vertrek van gasbedrijven uit Nederland |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat gasbedrijven uit Nederland dreigen te vertrekken door de tijdelijke accijnsverhoging en het invoeren van een solidariteitsbijdrage?1
Ja, ik ben bekend met het artikel uit de Telegraaf.
Klopt het dat er straks van iedere euro ongeveer 90 cent naar de staat gaat, zoals Menno Snel, voorzitter van Element NL, aangeeft?
Nee, dat is niet juist. Naast de vennootschapsbelasting (vpb) met een percentage van 25,8% over het belastbare bedrag in het hoge tarief, die geldt voor alle bv’s en nv’s, betalen bedrijven actief in de exploratie en productie van olie en gas ook zogeheten mijnbouwheffingen. Dit zijn:
Cijns: Een heffing berekend op basis van de behaalde omzet, met een staffel van 0 tot 7% op basis van geproduceerde hoeveelheden geldend voor gaswinning op land.
Oppervlakterecht: Een bedrag per km2 voor het houden van een opsporings- of winningsvergunning, variërend van € 288 tot € 865 op basis van het tijdvak van de vergunning.
Winstaandeel: 50% berekend op basis van de winst- en verliesrekening van de vergunninghouder.
Als gevolg van de tijdelijke verhoging van de cijns in de Mijnbouwwet, voor zowel gaswinning op land als op zee, wordt het tarief verhoogd van maximaal 7% naar 65% voor 2023 en 2024, ten aanzien van de omzet van het geproduceerde gas boven de prijsdrempel van € 0,50 per m3. De bovengenoemde heffingen werken op elkaar in, doordat de heffingen berekend over de omzet (zoals cijns) en het oppervlakterecht leiden tot een lagere winst, op basis waarvan het winstaandeel en de vpb berekend worden. Het winstaandeel kent een wisselwerking met de vpb. Het winstaandeel is als kosten aftrekbaar voor de vpb, terwijl een fictief berekende vpb verrekenbaar is met het winstaandeel, het zogenaamde verrekenbare bedrag. Per saldo komt voor de jaren 2023 en 2024 cumulatief gemiddeld zo’n 83% van de winst toe aan de Staat. Overigens valt niet uit te sluiten dat voor een individueel bedrijf, en met name een kleinere operator, de belastingdruk in enig jaar hoger kan zijn dan het berekende gemiddelde.
Voor de voorgestelde tijdelijke solidariteitsbijdrage voor 2022 geldt vervolgens dat deze wordt ingevoerd conform de op 6 oktober 2022 door de Raad van de Europese Unie (EU) aangenomen verordening betreffende een noodinterventie op de energiemarkt (de verordening)2. Op basis van de solidariteitsbijdrage uit deze verordening wordt de overwinst met 33% wordt belast. De overwinst in 2022 is vervolgens de winst voor de vpb voor zover die de gemiddelde winst voor de vpb van de jaren 2018 t/m 2021 met 20% overschrijdt. Deze solidariteitsbijdrage zal in aanvulling op de vpb worden geheven. Als gevolg hiervan is de overwinst over 2022 belast met circa 83% (toevalligerwijs is dit in beginsel hetzelfde percentage als ten aanzien van de verhoging van de cijns in de Mijnbouwwet voor 2023 en 2024).
Bij beide percentages van wat aan de Staat toekomt, is reeds rekening gehouden met het winstdeel van 40% dat Energie Beheer Nederland (EBN) ontvangt.
Vindt u dit redelijk of buitenproportioneel?
Het kabinet ziet in het gekozen tarief van 65% de juiste balans tussen het belang van de burgers die lijden onder de hoge energieprijs en de bijdrage die van de vergunninghouders die van de hoge energieprijs profiteren mag worden verwacht. Voor de voorgestelde solidariteitsbijdrage voor 2022 geldt dezelfde argumentatie. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij beide voorstellen.3
Moeten gasbedrijven nu juist niet ruimte hebben om te investeren? Werkt een extreem hoge heffing dan niet averechts?
Het is door de hoge gasprijzen nog nooit eerder zo rendabel geweest om te investeren in gaswinning op de Noordzee. De ingevoerde extra heffingen zien enkel op een extra belasting op onvoorziene extreme overwinsten voor de jaren 2022 tot en met 2024. Ter referentie, de gasprijzen voorafgaand aan deze energiecrisis hebben de € 0,35 per m3 niet overschreden. Investeringsbeslissingen, die over het algemeen genomen worden voor een termijn van minimaal 10 tot 15 jaar, houden hier geen rekening mee. Dit geldt des te meer omdat bij de huidige voorliggende investeringen pas over enkele jaren gas wordt geproduceerd.
Het kabinet kijkt nog nader, ook in overleg met de sector, of er mogelijkheden zijn om naast de verhoogde mijnbouwheffingen ook investeringsprikkels in te bouwen om te zorgen dat bedrijven blijven investeren in de gasproductie in Nederland. De wenselijkheid van een dergelijk instrument zal gewogen moeten worden op basis van doeltreffendheid en doelmatigheid. Mochten hier kosten aan verbonden zijn dan zullen die binnen de begroting gedekt moeten worden.
Kunt u aangeven wat de gasbedrijven bijdragen aan de Nederlandse economie? Kunt u dit uitsplitsen in belastingen, directe- en indirecte banen?
Bedrijvigheid van de gassector, door de gaswinning uit de kleine velden, leidt tot economische activiteiten. Op de eerste plaats in de regio’s waar het gas wordt gewonnen, maar ook in de rest van Nederland. Deze activiteiten door de gaswinning uit de kleine velden vertegenwoordigen voor de Nederlandse economie een aanzienlijk grotere waarde dan de omvang van de aardgasbaten. De gasbedrijven zijn, net als andere ondernemingen in Nederland, onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Daarbovenop zijn zij ook mijnbouwheffingen verschuldigd, te weten het winstaandeel, oppervlakterecht en cijns (dat laatste alleen bij winning op land in het huidige systeem).
Via het Extractive Industries Transparency Initiative (EITI) wordt jaarlijks gerapporteerd over de betaalstromen van de Nederlandse delfstoffenindustrie. De rapporten richten zich op de olie-, gas- en zoutindustrie en rapporteren over de geldstromen tussen deze bedrijven en de Nederlandse overheid. Afgelopen jaar zijn middels een brief aan uw Kamer de reconciliatierapporten over 2019 en 2020 gepresenteerd4. Volgens de branchevereniging Element-NL zorgt de sector in Nederland voor zo’n 16.500 banen. Daarbij gaat het om mensen op de productielocaties, onderzoekers en technisch ontwerpers, maar ook om banen bij de toeleveringsbedrijven en bijvoorbeeld in de bouw van installaties en offshore platforms.5
Kunt u toelichten hoe de solidariteitsbijdrage en de tijdelijke accijnsverhoging zich met elkaar verhouden?
De voorgestelde tijdelijke verhoging van de cijns in de Mijnbouwwet geldt voor 2023 en 2024 en is van toepassing op het deel van de omzet in een kalenderjaar dat behaald is met de verkoop van aardgas tegen een gemiddelde prijs hoger dan € 0,50 per m3. Deze verhoging is slechts van toepassing op houders en medehouders van een winningsvergunning voor aardgas. De voorgestelde tijdelijke solidariteitsbijdrage geldt voor 2022 en is van toepassing op de overwinst van fossiele bedrijven met activiteiten in de ruwe olie, aardgas, kolen en de raffinage van aardolie. Voor de wijze waarop deze overwinst wordt berekend en welk tarief van toepassing is, wordt verwezen naar het antwoord bij vraag twee.
De voorgestelde tijdelijke solidariteitsbijdrage en de voorgestelde verhoging van de cijns in de mijnbouwheffingen hebben beiden als doel om het surplus aan winsten als gevolg van onvoorziene omstandigheden – die met name zijn veroorzaakt door verstoringen op de markt in de aanloop naar en als gevolg van de Russische oorlog in Oekraïne – additioneel te belasten. De beide heffingen gelden echter volgtijdelijk voor verschillende jaren, de solidariteitsbijdrage voor 2022 en de verhoging van de cijns voor 2023 en 2024.
Waarom komt de solidariteitsbijdrage bovenop de cijns-verhoging, die ook gezien kan worden als invulling van de EU-noodverordening?
De oorsprong van de voorgestelde tijdelijke solidariteitsbijdrage ligt in de verordening. Daarmee is op het niveau van de EU-actie ondernomen om de directe economische gevolgen van de scherpe stijging van de energieprijzen voor de begrotingen van overheidsinstanties, consumenten en bedrijven in de hele EU te verzachten. Om de effecten van de energiecrisis voor huishoudens te mitigeren is onder andere een solidariteitsbijdrage voorgesteld, waarvan de opbrengst dient te worden aangewend voor de ondersteuning van onder andere huishoudens. De uitzonderlijk gestegen energieprijzen hebben een bepalend en sterk effect op de inflatie en koopkracht van Nederlandse huishoudens en in het bijzonder de laagste inkomens kunnen de sterk gestegen energiekosten moeilijk of niet dragen. Het kabinet heeft maatregelen aangekondigd om burgers incidenteel en structureel te compenseren voor de sterk gestegen energieprijzen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de Miljoenennota 2023 en het Belastingplan 2023.
Daarnaast is tijdens de augustusbesluitvorming besloten om een tijdelijk prijsplafond in te stellen om burgers te compenseren voor de stijgende energieprijzen en zekerheid te bieden. Dit alles heeft geleid tot een aanvullende dekkingsopgave van vele miljarden.6 Gegeven de dekkingsopgave als gevolg van het hiervoor genoemde tijdelijke prijsplafond heeft het kabinet besloten om in aanvulling op de verhoging van de cijns in 2023 en 2024 de door de verordening voorgeschreven tijdelijke solidariteitsbijdrage te introduceren in 2022. Hiermee wordt ook voor het jaar 2022 een extra opbrengst verzekerd. De opbrengst van de solidariteitsbijdrage dient daarbij ten eerste specifiek ter dekking van de tussenvariant voor het prijsplafond op energie voor kleinverbruikers in de maanden november en december van dit jaar, die via de energieleveranciers een tegemoetkoming van € 190 per maand ontvangen als korting op de energierekening.
Wat is het gevolg van de solidariteitsheffing en de tijdelijke accijnsverhoging voor het versnellingsplan van de aardgaswinning? Loopt dit hierdoor vertraging op?
Het versnellingsplan voor gaswinning op de Noordzee behelst verschillende maatregelen om de verwachte afname van gasproductie op de Noordzee te beperken en daarmee in aanvulling op energiebesparing en het opschalen van de productie van duurzame energie een bijdrage te leveren aan het beperken van de importafhankelijkheid van aardgas. Er is potentieel voor een versnelling van de gaswinning op de Noordzee, of beter gezegd het afvlakken van de dalende trend. Het realiseren hiervan vergt een voorspelbaar en stabiel investeringsklimaat. Ten aanzien van de voorspelbaarheid van het investeringsklimaat heb ik aangegeven dat ik in zal zetten op een verbetering van het vergunningenproces, waarbij voorspelbaarheid en versnelling van de procedures het doel is zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit en de zorgvuldigheid van het proces.
Het daadwerkelijke effect op de investeringsbereidheid is pas in de loop van 2023 zichtbaar. De sector geeft aan dat hierdoor het versnellingsplan dat extra gaswinning op de Noordzee beoogd, mogelijk in gevaar komt. Om die reden wordt er nader bezien of het wenselijk is om een investeringsprikkel in te bouwen om zo de negatieve effecten van de solidariteitsbijdrage en de verhoogde cijns op de gasleveringszekerheid te mitigeren. De wenselijkheid van een dergelijk instrument zal gewogen moeten worden op basis van doeltreffendheid en doelmatigheid. Mochten hier kosten aan verbonden zijn dan zullen die binnen de begroting gedekt moeten worden.
Wat is het effect van de accijns-verhoging op het investeringsklimaat ten opzichte van andere landen rondom de Noordzee? Klopt het dat deze heffingen hebben die vele malen lager zijn?
Ten aanzien van een stabiel investeringsklimaat zouden de voorgestelde verhoging van de cijns voor 2023 en 2024 en de tijdelijke solidariteitsbijdrage voor 2022 een negatieve impact kunnen hebben op de gewenste investeringen in de versnelling van de gasproductie evenals de beoogde investeringen in projecten in relatie tot de energietransitie. Dit komt met name doordat de heffingsvoet van de gasproductie activiteiten in Nederland hoger komt te liggen dan in sommige omringende landen. Zo kent het Verenigd Koninkrijk momenteel een belastingvoet van zo’n 65%, die overigens per 1 januari 2023 verhoogd zal worden naar 75% naar aanleiding van de recente bekendmaking van de verhoging van de zogeheten «windfall profit tax» aldaar7. Maar in Noorwegen is bijvoorbeeld de belastingvoet van olie- en gaswinningsactiviteiten zo’n 90%. Beide landen kennen echter ook een investeringsaftrek die in de buurt komt van de percentages gelijk aan de belastingvoet, wat het aantrekkelijker maakt om te investeren in nieuwe projecten.
Tegelijk vormen de hoge gasprijzen momenteel ook een stimulans om te investeren. De heffing wordt daarbij pas geheven vanaf een prijs die € 0,50 per m3 te boven gaat (cijns), wat als excessief kan worden beschouwd, dan wel ten aanzien van de overwinst (solidariteitsbijdrage). Investeringsbeslissingen voor dergelijke projecten zijn tot voor kort altijd genomen op basis van reguliere prijzen die niet boven de € 0,35 per m3 uit zouden komen.
Kunt u bevestigen dat de verhoging van het cijnstarief enkel in 2023 en 2024 zal gelden en daarmee dus tijdelijk zal zijn? Hoe wordt voorkomen dat de maatregel wordt verlengd?
Omdat er sprake is van een uitzonderlijke situatie, die naar verwachting tijdelijk is, is de maatregel ook tijdelijk en daarmee op dit moment voorzien voor 2023 en 2024. Mochten de verwachte ramingen uit de gasbaten uitwijzen dat er over de jaren na 2024 ook excessieve overwinsten verwacht worden en de hoge energierekeningen van consumenten ook vragen om een substantiële bijdrage in de koopkrachtreparatie zal nader worden heroverwogen of een verlenging van de maatregel nodig is.
Hoe wordt voorkomen dat incidentele winsten die los staan van de gasprijs niet in deze additionele cijnsheffing worden meegenomen?
De cijns wordt geheven over de omzet en die wordt alleen bepaald door de gasprijs (en de gewonnen hoeveelheid). Incidentele winsten die niet worden veroorzaakt door de gasprijs of de gewonnen hoeveelheid hebben dus geen invloed op de additionele cijns.
Bent u in gesprek met de gasbedrijven over deze maatregelen?
Ik ben samen met mijn collega’s de Minister van Economische Zaken & Klimaat en de Staatssecretaris van Financiën in gesprek met de sector over deze maatregelen en om te bezien of er mogelijkheden bestaan om eventuele onbedoelde effecten weg te kunnen nemen. Zo is er bijvoorbeeld naar aanleiding van deze gesprekken reeds een aanpassing gedaan aan de voorgestelde maatregelen om rekening te houden met het effect van hedgecontracten (die operators aangaan om het risico van de schommelende gasprijs te mitigeren) op de daadwerkelijke omzet van de operators en daarvoor het cijnsartikel in de Mijnbouwwet aan te passen.8
Wat zou het effect zijn op onze gaswinning als gasbedrijven daadwerkelijk zullen vertrekken?
Het staat bedrijven altijd vrij om hun activiteiten in Nederland af te bouwen of te verkopen. De laatste jaren hebben meerdere operators hun activiteiten verkocht aan andere partijen. Dit kan vervolgens ook weer voor een investeringsstimulans zorgen bij deze nieuwe spelers op de markt. Een vertrek van operators uit Nederland zonder opvolging van andere partijen zou de al aanwezige dalende trend van de gasproductie, die mede veroorzaakt wordt door de natuurlijke uitputting van de bronnen, echter nog sterker kunnen laten dalen. Hierdoor zal de importafhankelijkheid van aardgas toenemen. Mocht gaswinning onrendabel worden, dan zou de olie- en gasinfrastructuur voortijdig kunnen worden ontmanteld en verwijderd en kan dan dus ook niet meer worden ingezet voor vormen van duurzame energie. Op dit moment is gaswinning, ook na verhoging van de Mijnbouwheffingen, echter nog rendabeler dan ooit.
Zijn de accijnsverhoging en de solidariteitsbijdrage juridisch haalbaar, alsmede uitvoerbaar?
De voorgestelde verhoging van de cijns in de Mijnbouwwet en de voorgestelde tijdelijke solidariteitsbijdrage zijn naar mening van het kabinet juridisch haalbaar. De Belastingdienst heeft beide maatregelen daarnaast beoordeeld met een uitvoeringstoets, waaruit blijkt de beide maatregelen uitvoerbaar zijn. Voor verdere toelichting wordt verwezen naar de memorie van toelichting en de uitvoeringstoets bij beide voorstellen.9
Spreekkoren bij voetbalwedstrijden |
|
Jeanet van der Laan (D66), Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Fijke (43) hoort kwetsende homo-teksten in Grolsch Veste aan: Waarom treedt niemand op?»1
Ja.
Wat is volgens u het antwoord op deze vraag?
De wijze waarop Betaald Voetbal Organisaties (BVO’s) dienen op te treden bij discriminerende spreekkoren zoals homofobe, antisemitische en racistische spreekkoren staat omschreven in de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld, wat onderdeel is van het Handboek competitiezaken betaald voetbal van de KNVB. Uitgangspunt is dat BVO’s en supportersverenigingen primair verantwoordelijk zijn voor het gedrag van hun supportersaanhang c.q. leden en voor duidelijke tolerantiegrenzen ten aanzien van ongewenste spreekkoren en verbaal geweld. Deze grenzen worden onder meer bekendgemaakt in het huisreglement van de club
Met betrekking tot deze specifieke situatie heeft de BVO FC Twente haar zienswijze gedeeld. Deze is de volgende: de kwetsende spreekkoren werden in de slotfase van de wedstrijd FC Twente tegen FC Groningen een aantal keren gezongen, waarbij de spreekkoren tussendoor werden onderbroken. De spreekkoren waren op dat moment in de ogen van FC Twente steeds van zo'n korte duur dat ervoor werd gekozen om het protocol rondom kwetsende spreekkoren niet in werking te laten treden.
Een aantal mensen in het stadion heeft na de wedstrijd aangegeven zich aan de spreekkoren te hebben gestoord en van mening te zijn dat FC Twente had moeten optreden. FC Twente heeft na de wedstrijd door middel van een publiekelijk statement op hun website de spreekkoren afgekeurd en aangegeven de mening te delen dat zij tijdens de wedstrijd wel hadden moeten ingrijpen.
Is bekend hoe vaak homofobe of racistische spreekkoren klinken vanaf tribunes? Worden signalen die in meldkamers binnenkomen geregistreerd?
Exacte cijfers zijn niet bekend en meldingen worden niet centraal geregistreerd en voor langere tijd bijgehouden. Na een melding van kwetsende spreekkoren, zijn clubs verplicht hierover te rapporteren aan de KNVB en hierbij aan te geven wat ze eraan hebben gedaan voor, tijdens en na afloop van een wedstrijd.
Ook kan een melding worden voorgelegd aan de onafhankelijk aanklager betaald voetbal, die bepaalt of er tuchtrechtelijke sancties volgen.
In een reactie geeft FC Twente aan de wedstrijd niet te hebben stilgelegd omdat de spreekkoren van korte duur geweest zouden zijn. Welke overwegingen spelen hierin een rol? Hoe lang moeten spreekkoren duren om wedstrijden dan wel stil te leggen?
BVO’s zijn verantwoordelijk voor duidelijke tolerantiegrenzen ten aanzien van ongewenste spreekkoren en verbaal geweld. Het in werking treden van de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld gebeurt op basis van verschillende factoren zoals; verstaanbaarheid, waarneming en signalering, inhoud, frequentie, omstandigheden, en of de alternatieven om een spreekkoor te stoppen al in gang zijn gezet etc. De lengte of duur van een spreekkoor is daarbij niet van doorslaggevende betekenis. Wat het kabinet betreft, is iedere seconde dat een discriminerend spreekkoor aanhoudt, er één te veel. Discriminatie hoort niet thuis in Nederland, ook niet op het voetbalveld.
Hoe vaak is het voorgekomen dat een wedstrijd is stilgelegd na racistische en homofobe spreekkoren? Hoe vaak is dit gebeurd na het aannemen van de motie Westerveld/Vander Laan die vraagt om heldere afspraken en verantwoordelijkheden, zodat wedstrijden daadwerkelijk worden stilgelegd bij spreekkoren?2
De KNVB houdt niet expliciet bij hoeveel wedstrijden worden stilgelegd. Het antwoord daarop blijf ik u dan ook schuldig. Wel weet ik dat op 28 augustus
FC Utrecht – Ajax is stilgelegd door de scheidsrechter.
Bent u het met de geïnterviewde persoon en ons eens dat homofobe en racistische of andere kwetsende spreekkoren, ook effect kunnen hebben op de aanwezige kinderen in een stadion? Bent u bereid om hierover het gesprek met supportersverenigingen te voeren?
Ja dat ben ik met u eens. Spreekkoren kunnen effect hebben op zowel volwassenen als op kinderen. Kwetsende spreekkoren horen niet thuis in de sport en dus ook niet in het voetbal. Ook de supportersverenigingen moeten hierin hun verantwoordelijkheid pakken. Ik ben bereid hierover om de tafel te gaan met het Supporterscollectief Nederland en supportersverenigingen.
Welke concrete verbeterpunten zijn er na antwoorden op onze eerdere vragen, waarin u aangeeft met de KNVB in gesprek te zijn om spreekkoren meer onder de aandacht te brengen van de betaald voetbalorganisaties?3
De KNVB heeft recent de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld extra onder de aandacht gebracht bij de BVO’s. Ook is er een aanpassing gedaan met betrekking tot de rol van de scheidsrechter in de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld. Daarnaast is het OM momenteel met de partners in gesprek over welk gedrag in principe strafbaar is en dus (ook) voor die partners voldoende aanleiding kan zijn om in te grijpen én wordt de komende tijd binnen het OM opnieuw onder de aandacht gebracht welke mogelijkheden er strafrechtelijk zijn, mocht er voldoende bewijs bestaan richting individuen, of, welke rol het OM hierbij zou kunnen spelen in de lokale driehoeken.
Bij een mogelijk vervolg op het actieplan «Ons voetbal is van iedereen. Samen zetten we racisme en discriminatie buitenspel» (OVIVI) zal er aandacht zijn voor eerdergenoemde Richtlijn en zullen we samen met de John Blankenstein Foundation en de Anne Frank Stichting een proces in gang zetten gericht op het normeren van gedrag in stadions met betrekking tot onwenselijke uitingen zoals homofobe spreekkoren. Daarbij willen we de BVO’s en haar supporters bewust maken van de impact van kwetsende spreekkoren.
Bent u het met ons eens dat symboliek zoals het dragen van aanvoerdersbanden weinig waarde heeft als clubs en spelers hier geen concrete acties aan verbinden zoals het stilleggen van de wedstrijd?
Ik ben het met u eens dat een wedstrijd soms wel eerder stilgelegd mag worden. Toch ondersteun ik ook het gebruik van de OneLove aanvoerdersbanden. Het is een mooie manier om tijdens wedstrijden visueel te maken dat in het voetbal geen ruimte is voor discriminatie en racisme. De OneLove aanvoerdersbanden zijn slechts een onderdeel binnen de brede aanpak van racisme en discriminatie in het voetbal. OVIVI kent velerlei maatregelen gericht op preventie, signaleren en sanctioneren. Daarbij moet deze actie niet worden onderschat. Ook het gesprek hier over voeren en het maatschappelijk debat hierover vind ik van waarde, los van de overige concrete acties en het stilleggen van wedstrijden.
Bent u tevreden over de aanpak tot nu? Zo nee, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Ik ben blij met de stappen die we tot nu toe hebben gezet. Over de voortgang en de opbrengsten van OVIVI zal ik u begin volgend jaar informeren. Maar we zijn er nog niet. Permanente aandacht is nodig om mensen bewust te maken van hun vooroordelen en van het effect van discriminatie (waaronder homofobie). Deze aanpak vergt een lange adem. Vandaar dat de huidige partners en het Ministerie van OCW met elkaar in gesprek zijn over een vervolg op OVIVI. Zodra daar over meer bekend is, zal ik u hierover informeren.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor het Wetgevingsoverleg Sport en Bewegen op 28 november?
Ja.
Het stoppen van fossiele subsidies in 2023 |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Erkent u dat Nederland met het ondertekenen van de Glasgowverklaring voor het in lijn brengen van internationale overheidssteun met de energietransitie zich eraan gecommitteerd heeft om directe overheidssteun voor internationale fossiele energiesector voor het einde van 2022 te stoppen met uitzondering van beperkte en duidelijk gedefinieerde omstandigheden die consistent zijn met een 1.5°C-scenario?
Ja. Op 3 november 20221 heb ik aan uw Kamer een brief verstuurd, met daarin de uitwerking van het voorgenomen beleid.
Bent u het met het Internationaal Energie Agentschap eens dat elke nieuwe investering in de winning van olie, kolen en gas, niet compatibel is met het bereiken van net-zero in 2050 en 1.5°C opwarming in 2100?1
Volgens het IEA is er in het Net-Zero Emissions Scenario geen ruimte voor nieuwe olie- en gasvelden, anders dan de velden die reeds goedgekeurd zijn. Verder zijn er geen investeringen in kolenmijnen of uitbreiding van kolenmijnen benodigd.
Kunt u garanderen dat de uitwerking van de ondertekening van de verklaring vasthoudt aan het stoppen met fossiele steun (downstream en midstream) voor einde 2022? En dat enkel het stapsgewijs uitfaseren niet compatibel is met het commitment aan de verklaring?
Op 3 november 2022 is een brief naar uw kamer verstuurd met de uitwerking van de COP26-verklaring. Die brief beschrijft in detail de reikwijdte van de implementatie van de COP26-verklaring. Dit betreft activiteiten gericht op exploratie en winning, verwerking, op- en overslag en transport van fossiele brandstoffen en elektriciteitsopwekking middels fossiele brandstoffen. Verkoop en gebruik van fossiele brandstoffen in gebouwde omgeving, fossiel gedreven transportmiddelen (voer- en vaartuigen), landbouw en industrie (inclusief staal en plastics) vallen buiten de definitie van de fossiele energiesector. Het kabinet kiest niet voor stapsgewijze uitfasering, maar voor beëindiging van nieuwe steun, die niet in lijn is met de verklaring, per eind 2022.
Bent u het ermee eens dat nieuwe investeringen in olie, gas en kolen niet vallen onder de uitzonderingsgrond uit de verklaring, omdat deze uitzonderingsgrond uitgaat van comptabiliteit met een 1.5°C-opwarmingsscenario?
In de brief die uw Kamer op 3 november 2022 heeft ontvangen, is het uitgangspunt geformuleerd dat geen nieuwe investeringen in de fossiele energie sector worden gedaan, behoudens enkele uitzonderingen die in lijn zijn met de 1,5°C doelstelling en de korte termijn Europese energieleveringszekerheid.
Bent u het ermee eens dat de verklaring alleen ruimte biedt voor 1.5°C-compatibele uitzonderingen en dat dit daarom de ondergrens zou moeten zijn van hoe Nederland deze uitzonderingen definieert?
De verklaring biedt ruimte voor uitzonderingen, die in lijn zijn met een 1,5°C-scenario. Het kabinet onderschrijft deze hoofdlijn. Daarbij behoudt het kabinet ruimte voor projecten, die toezien op de Europese energieleveringszekerheid en aanvragen die zijn ingediend voor 1 januari 2023. Er is een beoordelingskader3 opgesteld aan de hand waarvan bekeken zal worden of exporttransacties in lijn zijn met de COP26-verklaring.
Bent u het ermee eens dat het feit dat enkele landen, zoals Noorwegen en Zuid-Korea, de verklaring niet hebben ondertekend, niet van invloed moet zijn op hoe Nederland uitvoering geeft aan de verklaring, omdat Nederland in het volledig ondertekenen van de verklaring immers alle relevante factoren reeds heeft afgewogen?
Bij de uitwerking van de COP26-verklaring is vooral afstemming gezocht met medeondertekenaars, met hierbij in het bijzonder oog voor Frankrijk, België en Duitsland. Het kabinet hecht aan een gelijkwaardig speelveld, en zal daarom de nadere invulling van het beleid van medeondertekenaars nauwlettend volgen. Het voorgenomen beleid zal aangepast worden als de beleidsontwikkeling bij de andere ondertekenaars daar aanleiding toe geeft. Landen die de COP26-verklaring niet hebben ondertekend, zoals Noorwegen en Zuid-Korea, zijn uiteraard wel relevant voor het internationaal gelijkwaardige speelveld. Het kabinet blijft zich inspannen om landen tot ondertekening te bewegen.
Erkent u dat het in het belang is van de Nederlandse geloofwaardigheid in de internationale klimaatdiplomatie, zeker ook richting de COP in Egypte, als zij haar oproep tot «actie, actie, actie» en de ondertekening van het commitment voor einde 2022 fossiele steun te beëindigen, niet afzwakt door enkel stapsgewijs uit te faseren?
In de Kamerbrief van 7 juli 20224 heeft het kabinet aangegeven tijdig voor de COP27-conferfentie in Egypte beleid te zullen publiceren. Op 3 november 2022 is een brief aan Uw Kamer verstuurd, waarin het voorgenomen beleid om nieuwe steun aan de internationale fossiele energiesector te beëindigen, is gepresenteerd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Kermisterreur in Amsterdam |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Rellen verpesten kermis in Osdorp»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat ontspoorde jongeren de samenleving stelselmatig ontwrichten? Kunt een gedetailleerd antwoord verstrekken met een plan van aanpak hoe u reljeugd in den lande met lik-op-stuk-beleid actief gaat bestrijden?
We weten dat in delen van Nederland jongeren opgroeien in kwetsbare wijken en onder omstandigheden die een voedingsbodem zijn voor ongewenst en/of zelfs strafbaar en crimineel gedrag.
Daarom zet ik samen met de Minister voor Rechtsbescherming fors in op het voorkomen dat jongeren het criminele pad opgaan. In mijn brief d.d. 1 juli 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de brede preventieaanpak van (georganiseerde en ondermijnende) jeugdcriminaliteit. De aanpak is gericht op het bieden van kansen op een mooie toekomst met behulp van onder andere toeleiding naar school en werk, maar tegelijkertijd ook op het stellen van duidelijke grenzen wanneer jongeren toch over de schreef gaan. Bijvoorbeeld door het invoeren van supersnelrecht waarbij jongeren meteen lik op stuk krijgen bij het plegen van een misdaad. Zodat kinderen al jong leren dat misdaad niet loont. Amsterdam is met de wijk Nieuw-West (waar Osdorp onder valt) één van de gemeenten die betrokken is bij deze aanpak.
Wat vindt u van het feit dat reljeugd gisteren voor de derde avond op rij na het sluiten van de kermis in Osdorp de confrontatie heeft gezocht met de politie? Kunt u een gedetailleerd antwoord verstrekken over hoe u de kosten voor de tientallen agenten die werden ingezet om de orde te herstellen gaat verhalen op deze kermisterroristen, evenals de gemiste omzet voor ondernemers van de kermis, die op last van de gemeente de rest van de week, tot en met zondag, om 19.00 uur moet sluiten?
Dit geweld, waarbij onder andere met vuurwerk naar de politie is gegooid, is niet acceptabel. Het is goed dat hierop stevig is ingegrepen door de burgemeester, officier van justitie en politie. Er zijn 26 personen aangehouden.
Kosten gemaakt door politie voor handhaving van de openbare orde worden niet doorberekend. Dit werk hoort bij de overheidstaak en is onderdeel van maatschappelijke kosten. De politie gaat wel over tot verhaal van kosten wanneer eigendommen van politie worden beschadigd.
Ten aanzien van de door u genoemde ondernemers geldt dat zij veel last hebben van de situatie. Dit is zeer betreurenswaardig. Indien zij rechtstreeks schade hebben geleden door een strafbaar feit, dan kunnen zij zich met een vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kunnen voegen in het strafproces of zich wenden tot de burgerlijke rechter.
Heeft u naast het verhalen van de kosten de bereidheid om bezit van reljeugd, zoals scooters, af te pakken en reljeugd voor langere tijd te trakteren op gebiedsverboden of een avondklok, zodat deze respectloze jeugd heropgevoed kan worden? Kunt u hier gedetailleerd op reageren?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 2.
De rapportage van de Europese Rekenkamer |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraken van de president van de Europese Rekenkamer tegen Politico?1
Ja.
Deelt u de zorgen over het feit dat er in toenemende mate fouten worden gevonden in de budgetten van Europese Commissie door de Europese Rekenkamer?
Ja, ik deel de zorg dat nog steeds ieder jaar teveel fouten worden gemaakt in de rechtmatigheid van de uitgaven van de EU-begroting. Dit zijn overigens niet alleen de uitgaven in direct beheer van de Europese Commissie, maar met name ook uitgaven die in gedeeld beheer met de lidstaten worden gedaan. De ERK schat het foutenpercentage bij de uitgaven over 2021 op 3,0%, dit was in 2020 2,7%. De tolerantiegrens ligt op 2,0%. Het klopt dat het foutenpercentage voor de uitgaven in de afgelopen jaren licht gestegen is. In de jaren daarvoor is het foutenpercentage gedaald. Onderstaande grafiek geeft een beeld van de ontwikkeling van het foutenpercentage sinds 2007 en de Nederlandse stemming bij de Raadsaanbevelingen aan het Europees Parlement voor decharge van de EU-begroting.
Op welke wijze is de Nederlandse regering van plan de problemen met de controle op uitgaven en het tegengaan van frauderisico’s aan te kaarten mede gelet op het feit dat Nederland nettobetaler is aan de Europese Unie (EU) en de Europese Commissie nog nooit een goedkeurende verklaring heeft ontvangen?
Op basis van het jaarverslag stelt de Raad ieder jaar Raadsaanbevelingen op voor het Europees Parlement, dat decharge verleent aan de Europese Commissie over de uitvoering van de Europese begroting. Nederland zet zich in de discussies in de Raad al jaren actief in voor kritische Raadsaanbevelingen die de conclusies en aanbevelingen van de ERK voldoende reflecteren. Het kabinet heeft daarbij in het verleden tegengestemd indien het foutenpercentage te hoog was en daarnaast ook geen verbetering zichtbaar was of de Raadsaanbevelingen volgens het kabinet niet stevig genoeg waren. Nederland heeft hierbij vaak samen opgetrokken met Zweden. Het kabinet zal zich ook dit jaar in de discussie in de Raad hard maken voor Raadsaanbevelingen die de conclusies van de ERK in voldoende mate reflecteren.
Het kabinet is van mening dat het niet uit zou moeten maken of een land nettobetaler of -ontvanger is. Voorop staat dat voorkomen moet worden dat fouten worden gemaakt met publiek geld.
Met betrekking tot het voorkomen van fraude merkt het kabinet op dat het foutenpercentage geen indicator is voor fraude, zoals ook de ERK aangeeft in het jaarverslag, maar een indicator van rechtmatigheid. De ERK meldt gevallen van fraude bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Het is vervolgens aan OLAF om te besluiten of een administratief onderzoek wordt ingesteld. OLAF werkt hierbij zo nodig samen met de autoriteiten van de lidstaten en het EOM.
Deelt u de zorgen van de Europese Rekenkamer over risico’s op leningen aan derde landen? Hoe worden deze risico’s nu zichtbaar gemaakt in de EU-begroting en voor zover van toepassing op de Rijksbegroting?
De president van de ERK heeft aangegeven dat de oorlog in Oekraïne risico’s met zich meebrengt voor de EU-begroting, als gevolg van uitgegeven leningen en het risico dat Oekraïne deze niet kan terugbetalen. Eind 2021, dus nog voor het uitbreken van de oorlog en had Oekraïne nog 4,7 miljard euro aan leningen bij de Commissie lopen, met name vanuit enkele bestaande Macro Financiële Bijstand-programma’s (MFB). Sinds het uitbreken van de oorlog heeft Oekraïne verdere steun van de Unie ontvangen, waaronder in de vorm van concessionele leningen in het kader van nieuwe MFB-programma’s.
Op de Europese begroting is een gemeenschappelijk voorzieningenfonds (GVF) opgericht waar voor garanties een voorzieningspercentage wordt bepaald. Indien leningen niet terugbetaald worden door de ontvangende partij zal het GVF de eerste verliezen dekken.
De jaarrekeningen2 van de Europese Unie bevatten informatie over de verschillende financiële instrumenten van de Unie, waaronder leningen aan derde landen en daarbij behorende garanties. In de Rijksbegroting wordt het Nederlandse aandeel van Europese garanties verantwoord op de begroting van het Ministerie van Financiën.
Deelt het kabinet de zorgen dat de Europese Rekenkamer niet alle informatie krijgt die zij nodig heeft om haar werk te kunnen doen? Op welke wijze gaat het kabinet dit probleem aan de kaak stellen bij de Europese instellingen en in de Raad?
Het kabinet is eerder in antwoord op vragen van het lid van Wijngaarden ingegaan op deze kwestie.3 Het kabinet is van mening dat alle EU-instellingen, binnen de kaders van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) art. 287 en de regels uit het Financieel Reglement, door Europese Rekenkamer gevraagde informatie beschikbaar dienen te stellen.
In dit geval betreft het een specifieke zaak tussen twee EU-instellingen, waar het kabinet geen partij is. In algemene zin zal de kabinet zich bij de besprekingen van het jaarverslag van de ERK uitspreken over transparantie en een oproep doen om de ERK van alle informatie te voorzien die zij nodig acht voor de uitvoering van haar taken.
Is het kabinet voornemens tegen het verlenen van décharge aan de Europese Commissie te stemmen en het signaal af te geven dat in een tijd van afnemend vertrouwen in de politiek de juistheid van de besteding van EU-gelden alleen maar in belang is toegenomen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 stelt de Raad ieder jaar Raadsaanbevelingen op voor het Europees Parlement, dat de daadwerkelijke decharge verleent aan de Europese Commissie over de uitvoering van de Europese begroting. Het kabinet kan dus niet voor of tegen decharge stemmen, maar wel voor of tegen de aanname van Raadsaanbevelingen aan het Europees Parlement over de decharge.
In januari 2023 starten de inhoudelijke en technische besprekingen in het ambtelijke Begrotingscomité, die resulteren in aanbevelingen van de Raad aan het Europees Parlement. Nederland wil deze besprekingen eerst afwachten voor het een standpunt in neemt. De Ecofinraad beslist, waarschijnlijk in februari of maart, met gekwalificeerde meerderheid over het dechargeadvies (op basis van art. 319 VWEU).
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zal het kabinet zich inzetten voor Raadsaanbevelingen die de conclusies van de ERK voldoende reflecteren en heeft Nederland in het verleden tegengestemd indien dit niet het geval was. Indien de concept-Raadsaanbevelingen dit jaar een onvoldoende krachtig signaal geven met betrekking tot het overschrijden van de materialiteitsgrens zal het kabinet tegen aanname daarvan stemmen.
Terhandstellingskosten |
|
Corinne Ellemeet (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de terhandstellingskosten de kosten van medicijnen, zeker als het gaat over medicijnen die maar in kleine hoeveelheden geleverd mogen worden, vele malen overstijgen?
Ja, ik ben ervan op de hoogte dat de terhandstellingskosten de kosten van medicijnen kunnen overstijgen. Terhandstellingkosten staan los van de kosten van een geneesmiddel. De terhandstellingskosten zijn de vergoeding voor de door de apotheek geleverde zorg. Deze zorg bestaat onder andere uit het nagaan of een patiënt een medicijn veilig kan gebruiken, het controleren of de sterkte van het voorgeschreven medicijn juist is en het informeren van de patiënt over juist gebruik van het medicijn. Een apotheker overlegt regelmatig met de voorschrijvende arts of gaat op zoek naar alternatieven in het geval van een tekort. De tijd die een apotheker hier in steekt is ook verwerkt in de terhandstellingskosten. De apotheker speelt als medicatiespecialist een belangrijke rol in goed en veilig geneesmiddelengebruik.
Welke afspraken zijn er met apothekers en andere zorgverleners over de terhandstellingskosten?
De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) is verantwoordelijk voor de prestaties en prestatiebeschrijvingen in de farmaceutische zorg. Deze prestaties zijn vastgelegd in een beleidsregel van de NZa.1 In de apotheekzorg gelden vrije tarieven. Dit betekent dat de NZa geen landelijke tarieven vaststelt, maar dat zorgverzekeraars en zorgverleners (in dit geval apotheken) zelf tarieven afspreken die gemiddeld voldoende kostendekkend zijn om kwalitatief goede zorg te kunnen leveren.
Hoe kan het dat de hoogte van de terhandstellingskosten zo verschillend is? Is het mogelijk om hier concrete landelijke afspraken over te maken en bijvoorbeeld een maximumprijs af te spreken?
Voor ieder afzonderlijk geneesmiddel moet de apotheker zorgactiviteiten verrichten, zoals de eerder genoemde controles. Een apotheek mag daarom over het algemeen voor ieder receptgeneesmiddel dat ter hand wordt gesteld een terhandstellingsprestatie in rekening brengen bij de patiënt of diens zorgverzekeraar.
Dat betekent dat de totale terhandstellingskosten voor de patiënt of diens zorgverzekeraar hoger zijn wanneer meerdere geneesmiddelen ter hand worden gesteld.
Zoals bij vraag 2. beschreven kunnen er geen landelijke tarieven worden vastgesteld aangezien de tarieven zijn vrijgegeven.
Is het mogelijk terhandstellingskosten, zeker als deze kosten herhaaldelijk worden gemaakt bij dezelfde patient, uit te sluiten van het eigen risico? Zo nee, waarom niet?
Op verzekerde zorg is in beginsel het eigen risico gewoon van toepassing en dus ook op alle zorg zoals apothekers die plegen te bieden. Ik vind het niet wenselijk om de terhandstelling uit te zonderen van het eigen risico, ook niet als het gaat om herhaalde terhandstellingen bij dezelfde patiënt. Ik verwacht ook dat een uitzondering voor de (herhaalde) terhandstelling voor de meeste verzekerden geen financieel voordeel zou opleveren. Het eigen risico is namelijk ook van toepassing op de verstrekte geneesmiddelen zelf en op de meeste andere zorg waar de verzekerden gebruik van maken.
Bent u bereid om, met oog op de kwetsbare financiële positie van chronisch zieken, met zorgverzekeraars en apothekers afspraken te maken om de hoogte van herhaaldelijke terhandstellingskosten naar beneden te brengen?
In de apotheekzorg gelden vrije tarieven. Dit betekent dat de NZa geen landelijke tarieven vaststelt. Het is aan zorgverzekeraars en zorgverleners (in dit geval apotheken) zelf om passende tarieven af te spreken. Om rekening te houden met de kwetsbare financiële positie van chronisch zieken neemt het kabinet al enkele maatregelen die zien op eigen betalingen voor o.a. geneesmiddelen. Zo wordt het verplicht eigen risico bevroren op € 385,00 per jaar tot en met 2025. Die maatregel is met name voordelig voor patiënten die het verplicht eigen risico volledig betalen en een zodanig inkomen hebben dat zij zorgtoeslag ontvangen. De zorgtoeslag wordt in 2023 bovendien met € 412,00 verhoogd. Ook worden de eigen bijdragen voor extramurale geneesmiddelen in het jaar 2023 gemaximeerd op € 250,00 per jaar.
Het bericht ‘UK to issue ‘threat alert’ over China’s attempts to recruit RAF pilots’ |
|
Peter Valstar (VVD), Ruben Brekelmans (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «UK to issue «threat alert» over China’s attempts to recruit RAF pilots»?1
Ja.
Zijn er bij het Ministerie van Defensie, het Ministerie van Buitenlandse Zaken of de veiligheidsdiensten gevallen bekend van voormalige piloten die trainingen geven aan de Chinese strijdkrachten, al dan niet via bedrijven in derde landen?
Het mogelijk rekruteren van Britse (ex)-vliegers door China is zorgelijk. Zoals in het openbare MIVD jaarverslag 2021 staat, onderkent Nederland dat China streeft naar een moderne krijgsmacht van wereldklasse en dat China omvangrijke en structurele inlichtingenactiviteiten uitvoert om dit doel te bereiken.2 De MIVD doet actief onderzoek naar deze Chinese activiteiten om de dreiging tegen te gaan. Vanwege het gerubriceerde karakter van dit onderzoek kunnen over de aard en inhoud in het openbaar geen uitspraken worden gedaan. Uw Kamer wordt hierover via de geëigende kanalen geïnformeerd.
Bent u bereid om bij de Britse autoriteiten na te gaan welke vliegschool in Zuid-Afrika in het bijzonder bekend staat om het met behulp van voormalige piloten van de Britse luchtmacht aanbieden van trainingen aan de Chinese strijdkrachten?
Ja. Het kabinet staat in nauw contact met de Britse autoriteiten over dit onderwerp. Vanwege het gerubriceerde karakter van deze informatie worden in het openbaar geen verdere uitspraken gedaan.
Zijn er heden of in het verleden piloten van de Nederlandse krijgsmacht verbonden aan deze vliegschool?
Zoals in antwoord op vraag 2 gemeld doet de MIVD actief onderzoek naar activiteiten om dreigingen tegen te gaan. Vanwege het gerubriceerde karakter van dit onderzoek kunnen hierover geen uitspraken worden gedaan in het openbaar. Ook hiervoor geldt dat uw Kamer hierover via de geëigende kanalen wordt geïnformeerd.
Wordt er gemonitord of voormalig defensiepersoneel na het verlaten van de actieve dienst trainings- of advieswerkzaamheden aanbiedt aan krijgsmachten van andere landen, zijnde niet NAVO-, EU- of gelijkgestemde partnerlanden?
Zie antwoord vraag 4.
Welke mogelijkheden bestaan er momenteel om dergelijke advieswerkzaamheden te verbieden of anderszins aan regels te onderwerpen?
De huidige wetgeving voorziet erin dat in geval militairen in actieve dienst zonder verlof daartoe en met inachtneming van de geheimhoudingsplicht in vreemde krijgsdienst treden, de strafbaarheid daarvan conform het Wetboek van Militair Strafrecht als desertie kan worden beschouwd. Voor burgers geldt dat in krijgsdienst treden bij een vreemde mogendheid alleen strafbaar is indien dit plaatsvindt wanneer een oorlog met die staat in het vooruitzicht ligt.
Op basis van de Wet ambtenaren defensie en de Ambtenarenwet 2017 geldt dat iedere (militair) ambtenaar verplicht is tot geheimhouding van enig gegeven, de dienst betreffende, tegenover een ieder die tot kennisneming daarvan niet bevoegd is, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt. Strafrechtelijke handhaving volgt uit het Wetboek van Strafrecht. Ook vloeit uit deze wetten voort dat medewerkers nevenwerkzaamheden moeten melden als die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met de functievervulling kunnen raken. Het verbieden van nevenactiviteiten is aan de orde indien goede vervulling van de functie of de dienst, onvoldoende gegarandeerd kan worden.
Voor zittend Defensiepersoneel, dat op basis van een verklaring van geen bezwaar (VGB) werkzaam is bij Defensie, geldt bovendien dat zij bij herhaling worden onderworpen aan een veiligheidsonderzoek door de MIVD, waarbij «loyaliteit» en «ongewenste beïnvloeding» een van de beoordelingsfactoren zijn (Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021).3 In dienst treden bij een andere mogendheid kan dus leiden tot een intrekking van de VGB en daarmee ontheffing uit de functie.
Bovenstaande is niet van toepassing op mensen die niet meer in dienst van Defensie zijn. Wel blijft voor hen, ook na beëindiging van het dienstverband, de wettelijke geheimhoudingsplicht gelden.
Deelt u de mening dat, indien deze regels niet bestaan, het een gevaar voor de Nederlandse en bondgenootschappelijke veiligheid vormt als voormalig Nederlands Defensiepersoneel bijdraagt aan de training van de Chinese strijdkrachten, en dat hiertegen maatregelen genomen dienen te worden? Zo nee, hoe verhoudt deze conclusie zich dan tot de conclusie in het strategisch concept van de NAVO dat China een bedreiging vormt voor onze belangen, veiligheid en waarden?
Het kabinet deelt de mening dat bijdragen aan het trainen van de Chinese strijdkrachten door voormalig Nederlands Defensiepersoneel onwenselijk is. Het kabinet beziet momenteel samen met het Verenigd Koninkrijk en andere internationale partners of acties, in aanvulling op de mogelijkheden zoals beschreven in antwoord op vraag 6, nodig en mogelijk zijn.
Deelt u de mening dat er in het bijzonder maatregelen genomen dienen te worden om overdracht van militaire kennis en vaardigheden te verhinderen richting landen die volgens het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren een offensief inlichtingenprogramma richting Nederland hebben? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inlichtingendiensten doen actief onderzoek naar activiteiten van statelijke actoren die raken aan onze nationale veiligheid. Vanwege het gerubriceerde karakter van deze onderzoeken kunnen hierover geen uitspraken worden gedaan in het openbaar. Ook hiervoor geldt dat uw Kamer hierover via de geëigende kanalen wordt geïnformeerd.
Bent u bekend met artikel 101 (treden in vreemde krijgsdienst) en 205 (werven voor vreemde krijgsdienst) uit het Wetboek van Strafrecht?
Zoals gemeld in het antwoord op vraag 6 zijn er verschillende mogelijkheden, waaronder de door u aangehaalde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht.
Ziet u mogelijkheden om voormalig medewerkers van de krijgsmacht die, al dan niet via derde landen, ingehuurd worden door de in het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren vastgestelde landen die een offensief inlichtingenprogramma richting Nederland hebben, onder deze wetsartikelen te vervolgen? Zo nee, bent u bereid om de wet dusdanig aan te passen dat dit wel tot de mogelijkheden behoort?
Zie antwoord vraag 9.
De modernisering van de Rijkswet op het Nederlanderschap |
|
Agnes Mulder (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Ruben Brekelmans (VVD), Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de volgende passage uit het regeerakkoord: «Voor mensen met een meervoudige nationaliteit die alleen de Nederlandse nationaliteit als enkelvoudige nationaliteit wensen maar hun andere nationaliteit(en) niet kunnen afstaan, ondersteunen we een privaatrechtelijk Nederlands register ongewenste nationaliteit»?
Ja, ik ben bekend met desbetreffende passage uit het coalitieakkoord.
Bent u bekend met de volgende passage uit het regeerakkoord: «De Rijkswet Nederlanderschap leidt in sommige situaties tot onwenselijke problemen. We herzien het automatisme waarbij Nederlanders met een meervoudige nationaliteit buiten het EU-grondgebied (na tien jaar) hun Nederlanderschap verliezen en maken het voor hen makkelijker het Nederlanderschap te behouden naast hun andere nationaliteit of, voor degenen die het na 1 april 2003 verloren, te herkrijgen»?
Ja, ik ben bekend met desbetreffende passage uit het coalitieakkoord.
Kunt u voor beide passages aangeven wanneer het kabinet verwacht het (wets)voorstel gereed te hebben? Bent u bereid deze voorstellen zo snel mogelijk af te maken?
De passage over het ondersteunen van een privaatrechtelijk register ongewenste nationaliteit betreft geen wetsvoorstel of actieve uitwerking van het Kabinet. Het betreft het voornemen om, wanneer een maatschappelijk initiatief voor een privaatrechtelijk register wordt opgepakt, dit als overheid te ondersteunen. De precieze vorm van ondersteuning hangt af van een eventueel initiatief en de behoeften daarbij.
Een verkenning naar een Register Ongewenste Nationaliteit komt voort uit een viertal moties van Kamerlid Belhaj (D66) c.s. Deze moties zijn ingediend op 4 februari 2021 als vervolg van de initiatiefnota van Kamerlid Paternotte (D66) «Bescherm Nederlanders met een ongewenste tweede nationaliteit». Aanleiding van deze initiatiefnota was het Manifest «Keuzevrijheid in nationaliteit», aangeboden aan de Tweede Kamer, opgesteld door twaalf Nederlanders met een tweede Marokkaanse nationaliteit
Naar aanleiding en ter uitvoering van de motie Belhaj en Peters1, heeft het Ministerie van BZK een klankbordgroep samengesteld die de mogelijkheden voor een register ongewenste nationaliteit heeft onderzocht. Op 9 mei jl. is de Kamer geïnformeerd2 over o.a. het advies van de klankbordgroep en het standpunt van het Kabinet met betrekking tot het register. In deze brief staat dat vanuit de klankbordgroep, de aanbeveling is gekomen voor een publiekrechtelijk register. Vanuit de overheid wordt een publiekrechtelijke register echter niet als wenselijk gezien, vooral omdat er geen enkel recht aan kan worden ontleend, het de ervaringen/problemen die betrokkenen ervaren niet oplost en de overheid deze gegevens niet nodig heeft. Daarnaast dient de overheid voorzichtig om te gaan met persoonsgegevens.
Sinds de vorige Kamerbrief zijn er vervolggesprekken geweest met een deel van de initiatiefnemers van het Manifest «Keuzevrijheid in nationaliteit», onder andere over de (on)mogelijkheden van een register en het (onderliggende) doel van een register. De Kamer zal op korte termijn met een Kamerbrief over de uitkomsten van die gesprekken en de kabinetsinzet op het thema ongewenste tweede nationaliteit worden geïnformeerd.
Antwoord op vragen 3 en 4 bij passage coalitieakkoord vraag 2
De afspraak uit het coalitieakkoord tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) bevat twee onderdelen. Enerzijds is beoogd het automatisme te herzien waarmee het Nederlanderschap verloren gaat na een verblijf van dertien jaar3 buiten het Koninkrijk en het gebied waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.4 Anderzijds wordt het mogelijk het Nederlanderschap te herkrijgen als dat na 1 april 2003 op deze grond verloren is gegaan.
Ik bereid een wetsvoorstel voor dat de Rijkswet op het Nederlanderschap op deze twee onderdelen wijzigt. Daarin wordt de verliesregeling in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN zodanig gewijzigd dat het daarin opgenomen automatisme wordt herzien. Tevens wordt een nieuw optierecht geïntroduceerd waarmee het Nederlanderschap kan worden herkregen als dat na 1 april 2003 verloren is gegaan als gevolg van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN. Ik streef ernaar een conceptwetsvoorstel in het eerste kwartaal van 2023 in (internet)consultatie te geven.
Bent u bereid een eerste interpretatie te geven van de onder vraag 1 en 2 genoemde passages uit het regeerakkoord?
Kunt u deze vragen met spoed beantwoorden?
Bij deze ontvangt u de beantwoording.
Boetes voor huisartsen die niet-toegestane medicijnen tegen Corona voorschreven |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Boetes voor artsen die niet-toegestane medicijnen tegen Corona voorschreven»?1, 2
Ja.
Kunt u uitleggen waarom in de protocollen van de beroepsgroep expliciet staat opgenomen dat voor het gebruik van de off-label medicatie Ivermectine en/of Hydroxychloroquine bij COVID-19 geen plek is? Wat zijn hiervoor de medische overwegingen?
Het is niet aan mij om de protocollen van de medische beroepsgroepen te duiden – deze worden door en voor de beroepsgroep zelf opgesteld.
Kunt u verklaren waarom sommige andere experimentele behandelingen van COVID-19-infecties, zoals vaccineren met een nieuw vaccin waarover nog relatief weinig bekend was, wel geoorloofd zijn, maar het inzetten van Ivermectine en Hydroxychloroquine niet, terwijl over de antivirale werking en de potentiele bijwerkingen daarvan veel data beschikbaar is?
Ik wil allereerst duidelijk maken dat de coronavaccins die in Nederland worden ingezet geen experimentele behandelingen zijn, dat is een onjuiste bewering. Verder geldt in Nederland doorgaans dat geneesmiddelen worden ingezet voor de indicaties waarvoor zij op de markt zijn gebracht. Hier zijn enkele uitzonderingen op, bijvoorbeeld dat een arts een middel off-label (d.w.z. voor een andere indicatie) kan voorschrijven wanneer dit in de richtlijnen van de beroepsgroep is opgenomen. Het inzetten van ivermectine en hydroxychloroquine voor de behandeling van COVID-19 is niet opgenomen in de richtlijn van de beroepsgroep, dit wordt zelfs expliciet afgeraden, en is derhalve niet geoorloofd.
Deelt u de mening dat het in crisissituaties soms belangrijk is om beslissingen te nemen die buiten de gebaande paden en protocollen vallen? Zo ja, bent u dan niet van mening dat de betreffende artsen bij het voorschrijven van deze off-label medicatie gepoogd hebben te handelen in het belang van hun patiënten door aan preventie en vroegsignalering te doen, teneinde hen met veilige en non-invasieve behandelingen te behoeden voor een ernstig verlopende COVID-19-infectie? Zo ja, bent u dan niet van mening dat dat gegeven moet prevaleren boven het feit dat deze artsen off-label medicatie hebben voorgeschreven?
Ook bij crisissituaties moet het uitgangspunt zijn dat alleen werkzame en veilige geneesmiddelen worden toegepast. Dit geldt ook voor een preventieve behandeling. Het off-label voorschrijven van geneesmiddelen die niet aan deze voorwaarden voldoen, acht ik niet in het belang van de patiënt.
Weet u wat het effect is geweest van de behandelingen met off-label medicatie die de patiënten van deze artsen hebben gekregen? Hoeveel van deze mensen hebben alsnog een ernstig verlopende COVID-infectie doorgemaakt? Bij hoeveel van deze mensen namen hun klachten significant af na de behandeling met deze off-label medicatie? Als u hiervan niet op de hoogte bent, gaat u hiernaar dan nog onderzoek doen?
Deze cijfers heb ik niet en ik ben niet voornemens hier onderzoek naar te doen. Er zijn reeds veel data beschikbaar uit gecontroleerde klinische studies. De huidige consensus binnen de medische beroepsgroepen is dat zowel ivermectine als hydroxychoroquine niet werkzaam zijn tegen COVID-19.
Bent u ervan op de hoogte dat door de betreffende artsen duizenden hulpvragen zijn afgehandeld door middel van het inzetten van Ivermectine en Hydroxychloroquine en kunt u uitleggen waarom er door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en uw departement nooit gevraagd is naar de resultaten van deze behandelkeuzes van artsen? Vindt u niet dat het in het nationaal belang, in het belang van de volksgezondheid en in het belang van de toekomstige zogenaamde «pandemische paraatheid» is om de resultaten hiervan in kaart te brengen?
Ivermectine en Hydroxychloroquine zijn niet goedgekeurd voor de indicatie behandeling van een COVID-19 infectie. Er zijn geen data overlegd over de werkzaamheid en veiligheid van deze middelen voor bovengenoemde indicatie, waardoor geen beoordeling heeft plaatsgevonden. Uit de Geneesmiddelenwet volgt de hoofdregel dat een geneesmiddel slechts mag worden voorgeschreven voor de indicatie waarvoor het is geregistreerd. Alleen onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om hiervan af te wijken (het off-label voorschrijven). Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bij mogelijk off-label gebruik baseert de inspectie zich op de wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen die door de beroepsverenigingen worden opgesteld op basis van een kritische beschouwing van (inter)nationale literatuur.
Bent u ervan op de hoogte dat de IGJ voor het kunnen uitschrijven van boetes gegevens heeft opgevraagd die raken aan de privacywetgeving, bijvoorbeeld middels het opvragen van uitgeschreven recepten voor off-label medicatie? Kunt u verklaren op welke gronden de privacywetgeving voor deze doeleinden geschonden mocht worden? Op welke manier vindt u deze werkwijze van de IGJ te rechtvaardigen?
Van strijdigheid met privacywetgeving is geen sprake. Op grond van onder andere artikel 100, zesde lid, van de Geneesmiddelenwet is de inspectie bevoegd tot het opvragen van een recept.
Waarom gaat de IGJ direct over tot het uitgeven van geldboetes en worden niet eerst andere middelen ingezet, zoals bijvoorbeeld het aanscherpen van toezicht? Is het direct overgaan tot het uitschrijven van boetes bovendien niet tegen de eigen richtlijn van de IGJ zelf, waarin staat dat alvorens wordt overgegaan tot bestuursrechtelijke maatregelen, eerst geopteerd moet worden voor advies-, stimulerings, en corrigerende maatregelen?
Van een verplichting voor IGJ tot het altijd eerst kiezen voor adviserende of stimulerende maatregelen is geen sprake. Op grond van artikel 101 van de Geneesmiddelenwet is een overtreding van artikel 68 bestuurlijk beboetbaar. De IGJ heeft in diverse gevallen geoordeeld dat het opleggen van een bestuurlijke boete een passende maatregel is in die zaken en heeft hiervoor de «Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport» gevolgd. Daarin is opgenomen dat direct een bestuurlijke boete opgelegd wordt. IGJ handelt op basis van meldingen en signalen die zij daarover ontvangt. Bovendien heeft de IGJ op haar website meermaals aandacht gevraagd voor dit onderwerp, namelijk in de nieuwsberichten van 26 maart 2020, 8 april 2020, en 25 maart 2021. In die nieuwsberichten is ook gecommuniceerd dat dit off-label voorschrijven in strijd is met de wet en dat de inspectie zou ingrijpen als dit toch zou gebeuren.
Vindt u het uitschrijven van deze in sommige gevallen hoge geldboetes proportioneel voor deze kwestie, zeker gezien het feit dat er geen mensen schade hebben opgelopen van het gebruik van deze off-label medicatie en er bovendien goede resultaten mee geboekt zijn? Zo ja, waarom vindt u het opleggen van geldboetes geoorloofd?
De IGJ heeft zoals hierboven weergegeven in diverse gevallen geoordeeld dat het opleggen van een bestuurlijke boete een passende maatregel is en heeft hiervoor de «Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport» gevolgd. Tegen de besluiten hiertoe kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.
Is de IGJ in de keuze voor het direct overgaan tot het uitschrijven van geldboetes beïnvloed door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Zo ja, op welke manier en vindt u het gerechtvaardigd dat het ministerie zich actief mengt in de beleidskeuzes van de Inspectie?
De IGJ is als toezichthouder onafhankelijk in haar oordeel en maakt haar eigen afwegingen. De IGJ heeft in de betreffende gevallen op onafhankelijke wijze geoordeeld dat een boete een passende maatregel was en heeft deze boetes in mandaat opgelegd.
Waarom wordt het voorschrijven van andere off-label medicatie voor andere aandoeningen vaak wel degelijk gedoogd, maar wordt het protocol bij de behandeling van COVID-19 dusdanig strikt gehanteerd? Kunt u uitleggen waarin het verschil zit, zeker gezien het feit dat sommige andere medicatie die off-label wordt voorgeschreven soms hevige bijwerkingen kent en de off-label medicatie die voorgeschreven werd voor COVID-19 niet? Gaat u, met het oog op het gelijkheidsbeginsel, artsen die voor andere aandoeningen wel off-label medicatie voorschrijven voortaan ook beboeten? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in mijn eerdere beantwoording van 14 juni 20223 reeds uiteen heb gezet, volgt uit de Geneesmiddelenwet de hoofdregel dat een geneesmiddel mag worden voorgeschreven voor de indicatie waarvoor het is geregistreerd. Deze indicatie(s) (welke klachten of ziektes) staan in het registratiedossier dat door het CBG of EMA is beoordeeld. Alleen onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om hiervan af te wijken (het off-label voorschrijven). IGJ ziet toe op de naleving van deze regels en handhaaft als de regels niet worden nageleefd. Sinds 29 december 2018 is de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen vanwege off-label gebruik van medicijnen indien dit niet onder de juiste voorwaarden plaatsvindt, opgenomen in de Geneesmiddelenwet.
Off-label voorschrijven mag als daarover binnen de beroepsgroep protocollen of standaarden zijn ontwikkeld. Er zijn geen protocollen of standaarden van de beroepsgroep die het gebruik van ivermectine en hydroxychloroquine toestaan. Sterker nog, in de standaarden en protocollen van de beroepsgroep staat expliciet dat voor het off-label gebruik van deze middelen bij Covid-19 geen plek is. Voor deze 16 artsen was het off-label voorschrijven daarom niet toegestaan.
Op de website van de IGJ informeert de inspectie voorschrijvers over het off-label voorschrijven van medicijnen.4
Gaat u het gebruik van off-label medicatie zoals Ivermectine en Hydroxychloroquine heroverwegen bij de (lange termijn) aanpak van COVID-19, aangezien verscheidene onderzoeken inmiddels laten zien dat deze middelen wel degelijk een positief resultaat lijken te kunnen hebben op het voorkomen van een ernstig verlopende COVID-19 infectie? Worden de protocollen omtrent deze medicatie aangepast? Zo ja, worden de geldboetes die nu zijn uitgeschreven terugbetaald aan de betreffende artsen?
Ik heb u, zowel in deze beantwoording, alsook in de beantwoording van eerdere Kamervragen, en in plenaire debatten en in commissiedebatten, meermaals toegelicht dat ik de behandelrichtlijnen niet vaststel en ik hier geen invloed op heb. Dit is ook juist, wetenschappelijke data moeten op inhoud worden beoordeeld door de betrokken medische experts.