Dividendstripping door de staatsbank Fortis |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving in Follow the Money over dividendstripping (CumEx-transacties) door de staatsbank Fortis in 2009 en in de jaren daarna?1
Ja.
Klopt het dat in het interne document uit januari 2009 bewust wordt gekozen voor het dividendstrippen als economische activiteit?
Onze voorgangers hebben eerder de Tweede Kamer geïnformeerd dat het ministerie met de bank heeft gesproken over de strategische richting in de periode nadat de staat aandeelhouder was geworden van het «oude» ABN AMRO en de Nederlandse delen van Fortis. In deze gesprekken wees het toenmalige Fortis voornamelijk op de winstgevendheid van dividendarbitrage-activiteiten. De staat en het huidige ABN AMRO hebben uiteindelijk gezamenlijk besloten om deze activiteiten af te bouwen. In eerdere Kamerbrieven is daarnaast toegelicht dat ABN AMRO de afgelopen jaren in toenemende mate beleid heeft geformuleerd en aangescherpt, waaruit blijkt dat de bank hoe dan ook niet (meer) betrokken wil zijn bij dergelijke activiteiten.
Zoals bekend onderzoeken de Duitse autoriteiten of banken in de periode tot 2012 al dan niet terecht Duitse dividendbelasting hebben teruggevorderd. In dit kader is ook bij ABN AMRO informatie opgevraagd. Deze onderzoeken en rechtszaken zijn nog niet zijn afgerond. Via verschillende Kamerbrieven en de beantwoording van Kamervragen hebben mijn voorgangers de Kamer hierover geïnformeerd.2
In zijn algemeenheid hebben mijn voorgangers daarbij aangegeven dat financiële instellingen, waaronder banken, integer behoren te handelen. Hieronder valt in ieder geval dat geen fraude wordt gepleegd of dat daaraan wordt meegewerkt. Gezien hun maatschappelijke verantwoordelijkheid zouden banken transacties die zijn gericht op dividendstripping niet moeten willen verrichten, niet voor zichzelf en niet voor hun klanten. Dit onderschrijf ik en ik zal de sector blijven aanspreken op haar maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Het gaat hierbij overigens om de Duitse dividendbelasting. Op deze belasting hebben de Nederlandse anti-dividendstripping-maatregelen die sinds 2001 zijn genomen geen betrekking. Deze maatregelen zien namelijk op de vrijstelling, verrekening en teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting. De CumEx-transacties in Duitsland kunnen dus niet met Nederlandse anti-dividendstripping-regels worden aangepakt.
Overigens beschik ik niet over het interne document waarnaar Follow the Money verwijst en kan daarom de authenticiteit daarvan niet beoordelen. In het door Follow the Money gepubliceerde deel van het interne document worden risico’s beschreven die samenhangen met dividendarbitrage-activiteiten. Op basis van dit gepubliceerde deel van het document kan ik daarom niet de conclusie trekken dat bewust is gekozen voor dividendstrippen als economische activiteit.
Waarom besloot een bank, die samen met ABN Amro in 2008 met 16,8 miljard euro aan belastinggeld was genationaliseerd, om in Duitsland over te gaan tot belastingontwijking?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u dat in het licht van de maatregelen die de Nederlandse overheid sinds 2001 tegen dividendstrippen heeft genomen?
Zie antwoord vraag 2.
Was bij ANB Amro en Fortis, met de kennis van nu, sprake van belastingontwijking of belastingontduiking?
De transacties waarover door Follow the Money wordt bericht, zien met name op de Duitse dividendbelasting. De beoordeling of er in deze situatie sprake is van belastingontwijking of belastingontduiking berust dan ook bij de Duitse autoriteiten.
Klopt het dat allerlei afdelingen binnen Fortis allerlei afdelingen hiervan op de hoogte waren, zoals de Global Securities Financing Group, Risk, Legal, Tax en Compliance, het Complex Transaction Committee en het Merchant Bank Committee?
In de periode na nationalisatie is gesproken over de nieuwe strategische richting van de verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen. Uit deze gesprekken bleek dat verschillende afdelingen van de bank bekend waren met de deze activiteiten, maar ik beschik niet over informatie om te concluderen welke afdelingen dan wel «committee’s» dit waren.
Klopt het dat ook het Ministerie van Financiën hiervan ook op de hoogte was? Gold dit ook voor de politieke top?
Hiervoor dient onderscheid gemaakt te worden tussen de verschillende rollen van het Ministerie van Financiën. Enerzijds is het ministerie de aandeelhouder van ABN AMRO (sinds 2011 via NLFI). Daarnaast is de Belastingdienst onderdeel van het ministerie.
Het ministerie is in 2008 aandeelhouder geworden van het «oude» ABN AMRO en de Nederlandse delen van Fortis. Zoals ook aangegeven in eerdere Kamerbrieven, is in de eerste jaren na de verwerving van de Nederlandse delen van het «oude» ABN AMRO en Fortis, de staat door ABN AMRO geïnformeerd over onderzoeken van buitenlandse belastingautoriteiten naar dividendarbitrage-activiteiten en de afhandeling daarvan. Daarnaast is gesproken over de nieuwe strategische richting van de verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om activiteiten die verband houden met dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen. In 2010 is de toenmalige Minister van Financiën geïnformeerd over de gesprekken die ABN AMRO/Fortis op dat moment had met de Italiaanse belastingautoriteiten.
De Belastingdienst kent een fiscale geheimhoudingsplicht. Over de kennis die de Belastingdienst heeft over fiscale positie van individuele belastingplichtigen kunnen daarom geen uitspraken worden gedaan.
Klopt het dat via de vestiging van GSFG in Frankfurt in Duitsland Fortis ook aan een andere vorm van dividendstrippen deed, namelijk CumCum?
Ik heb er geen zicht op of de vestiging van GSFG in Frankfurt in Duitsland zich bezighield met cum/cum transacties.
Klopt het dat dit inhoudt dat dividendbelasting terug werd gevraagd die nooit is betaald? Oftewel klopt het dat dit een ergere vorm van belastingontwijking/ontduiking is dan CumEx?
In de brief van de Minister en Staatssecretaris van Financiën van 3 december 20183 is over het onderscheid tussen cum/ex- en cum/cum-transacties het volgende opgemerkt.
Een cum/ex-transactie betreft een transactie in aandelen van beursgenoteerde bedrijven in Nederland of daarbuiten. «Cum dividend» betekent dat de koers van een aandeel het aangekondigde dividend bevat. «Ex dividend» betekent dat een aandeel een lagere koers heeft als gevolg van het feit dat op dat moment is vastgesteld wie recht heeft op dividend en er dus vanaf dat moment geen recht bestaat op dividend over de voorgaande periode. Bij het aangaan van een cum/ex-transactie zijn de aandelen met dividend (cum dividend) aan de beurs genoteerd, terwijl bij de afwikkeling van de transactie de aandelen een lagere koers hebben (ex dividend). Er kan dus enige tijd zitten tussen het aangaan van de transactie en de afwikkeling daarvan.
Voorbeeld van koers cum- en ex-dividend
Een cum/ex-transactie betreft een reguliere transactie in beursgenoteerde aandelen. Voor de fiscale gevolgen van dergelijke transacties sluit de Belastingdienst aan bij de zogenoemde «record datum» (het peilmoment).4 Dit betekent dat de partij die op het peilmoment gerechtigd is tot het dividend de belastingplichtige voor de dividendbelasting is. Aan die partij moet ook de dividendnota worden uitgereikt en uitsluitend die partij heeft mogelijk recht op vermindering, teruggaaf of verrekening van de ingehouden dividendbelasting.5
In Duitsland is echter geconstateerd dat op basis van de nationale wetgeving tot 2012 middels cum/ex-transacties de ene partij dividendbelasting kon inhouden zonder deze af te dragen, terwijl de andere partij met de aan haar uitgereikte dividendnota de niet afgedragen dividendbelasting kon verrekenen. Inmiddels is de Duitse nationale wet op dit punt aangepast. In Nederland bestond en bestaat een dergelijke mogelijkheid niet. Wel kunnen zich in Nederland andere situaties voordoen rondom teruggaaf en verrekening van dividendbelasting. Deze worden hieronder besproken.
Net als een cum/ex-transactie vindt een cum/cum-transactie ook plaats rondom het moment dat het dividend wordt vastgesteld. Hoewel dit begrip in de praktijk soms verschillend wordt gehanteerd, wordt de term cum/cum in dit verband gebruikt om aan te geven dat de verkoper van het aandeel het economische belang bij het dividend (cum) behoudt en een indirect belang bij de te verrekenen dividendbelasting verkrijgt (cum). Die twee tezamen maken het voor de verkopende partij, de oorspronkelijk aandeelhouder, een cum/cum transactie. Indien wordt uitgegaan van deze uitleg, zal over het algemeen sprake zijn van dividendstripping.
Van dividendstripping is sprake indien een buitenlandse aandeelhouder met behoud van het economisch belang bij de aandelen de dividendbelasting ontloopt door slechts het juridisch eigendom van de aandelen over te dragen aan een ander persoon. Deze andere persoon heeft een gunstiger recht op verrekening, teruggaaf of vermindering van dividendbelasting dan de oorspronkelijke aandeelhouder. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als deze andere persoon wel in Nederland is gevestigd en dus de ingehouden dividendbelasting kan verrekenen met de door deze rechtspersoon verschuldigde vennootschapsbelasting. De transactie is er daarmee op gericht om de ingehouden dividendbelasting gunstiger te verrekenen of terug te ontvangen waardoor een belastingvoordeel wordt behaald. Het belastingvoordeel wordt vervolgens tussen de bij de dividendstripping betrokken partijen verdeeld.
Dividendstripping komt voor in verschillende verschijningsvormen en onderscheidt zich van normale effectentransacties doordat in de periode waarin afstand wordt gedaan van de aandelen, het economisch belang bij die aandelen blijft rusten bij de oorspronkelijke aandeelhouder waardoor de oorspronkelijke aandeelhouder het belang bij de inkomsten en waardestijgingen van de aandelen blijft houden.
Was het Nederlandse deel van Fortis/ABN Amro hier ook van op de hoogte?
In de periode na nationalisatie is gesproken over de nieuwe strategische richting van de verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen. Deze gesprekken werden gevoerd met medewerkers van de Nederlandse onderdelen van ABN AMRO en Fortis.
Klopt het dat ook in andere landen aan dividendstripping gedaan werd, namelijk in Zwitserland, Frankrijk, Spanje en Portugal?
Ik beschik niet over de informatie om dit te kunnen beoordelen.
Klopt het dat Fortis/ABN Amro doorging met deze activiteiten ondanks het onderkende reputatierisico?
Tot de wetswijziging in Duitsland in 2012 met betrekking tot cum/ex-transacties heeft ABN AMRO dergelijke transacties uitgevoerd.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar ABN Amro, dat in augustus 2021 in de kwartaalcijfers van deze bank bekend werd?
Hierover is geen nieuwe informatie bekend geworden. Het is aan het Openbaar Ministerie om daar verder over te communiceren. Ik wil en mag mij niet mengen in dit soort onderzoeken.
Deelt u de mening van hoogleraar belastingrecht Jan van de Streek dat dit interne document keihard bewijs is van een niet-integere bedrijfsvoering en duistere transacties?
Ik beschik niet over het interne document. Het is aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten om hierover te oordelen. Zoals in de voorgaande beantwoording reeds toegelicht heeft ABN AMRO de afgelopen jaren in toenemende mate beleid geformuleerd en aangescherpt, waaruit blijkt dat de bank hoe dan ook niet (meer) betrokken wil zijn bij deze activiteiten.
Klop het dat ook de overheidstoezichthouder DNB op de hoogte was van het CumEx dividendstrippen? Klopt het dat in 2006–2007 afspraken zijn gemaakt over een zeker «marktvolume»?
Over individuele instellingen mag DNB geen uitspraken aan derden doen, dit is toezichtvertrouwelijke informatie. Wel heeft DNB mij in algemene zin laten weten dat DNB in die periode bij meerdere financiële instellingen heeft geconstateerd dat er sprake was van dividendarbitrage-activiteiten. DNB heeft via een moreel appèl (moral suasion) hier herhaaldelijk actie tegen ondernomen. De open norm van maatschappelijke betamelijkheid is opgenomen in de Wet op financieel toezicht (Wft); dit biedt de toezichthouder een basis om instellingen aan te spreken op geldende maatschappelijke normen, waaronder ook normen van fiscale aard (zie verder het antwoord op de volgende vraag).
Hoe verklaart u het handelen van de toezichthouder in het licht van artikel 3:10 van de Wet op het Financieel toezicht?
Artikel 3:10 Wft bepaalt dat financiële instellingen, waaronder banken, een adequaat beleid voeren dat een integere uitoefening van hun bedrijf waarborgt. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij dienen tegen te gaan dat handelingen worden verricht die op een dusdanige wijze ingaan tegen hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, dat hierdoor het vertrouwen in de onderneming of in de financiële markten ernstig kan worden geschaad. Kort gezegd, het is eerst en vooral de verantwoordelijkheid van financiële instellingen zelf om integer te handelen, en dat betekent in elk geval dat geen fraude wordt gepleegd of aan fraude wordt meegewerkt. DNB houdt doorlopend toezicht op de naleving van deze norm. Hoe dit toezicht wordt ingevuld, is aan de onafhankelijke toezichthouder zelf. Zorgen daarover kunnen voor de toezichthouder aanleiding zijn om handhavend op te treden maar ook om de geschiktheid van beleidsbepalers te hertoetsen. In algemene zin geldt verder dat de naleving van belastingwetgeving zelf geen onderwerp van toezicht van de toezichthouder vormt.
Het is niet aan de Minister van Financiën om het toezicht in concrete gevallen te verklaren of beoordelen, vanwege de toezichtvertrouwelijkheid kan dat ook niet.
Hoe kan het volgens u mogelijk zijn dat de Nederlandse bankentoezichthouder akkoord gaat met overduidelijke frauduleuze CumEx-transacties die de schatkist van een zeer goed bevriend EU-land (Duitsland) schade berokkenen?
Zoals ik aangaf in het antwoord op vraag 15 en 16, mag DNB gezien de toezichtvertrouwelijkheid geen uitspraken aan derden doen over individuele instellingen en haar contacten met die instellingen. Wel heeft DNB mij laten weten dat zij in algemene zin en voor zover zij binnen haar mandaat bevoegd is, optreedt tegen onrechtmatig handelen door de instellingen die onder haar toezicht staan en samenwerkt met de relevante bevoegde autoriteiten. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen.
Uit eerder onderzoek van Follow the Money blijkt dat ambtenaren van het Ministerie van Financiën door de FIOD waren geïnformeerd over de CumEx-activiteiten van Fortis Bank Nederland. Hoe verklaart u dat er zelfs niet na de nationalisatie bij de bank werd ingegrepen?
De FIOD heeft een fiscale geheimhoudingsplicht en kan geen informatie over individuele belastingplichtigen delen met het ministerie als dat niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of de inning van rijksbelastingen. Zelfs niet wanneer het ministerie aandeelhouder is van de belastingplichtige.
Wel heeft de staat als aandeelhouder, zoals hierboven reeds toegelicht, gesproken over de nieuwe strategische richting van de in 2008 verworven onderdelen. De staat en ABN AMRO hebben toen gezamenlijk besloten om dividendarbitrage-activiteiten af te bouwen.
Klopt het dat Fortis van de Nederlandse Belastingdienst een ruling heeft gekregen met duidelijke richtlijnen over de vraag wanneer de bank «met een gerust hart» dividendbelasting kan terugkrijgen? Klopt het dat dit in strijd is met de maatregelen, die in 2001/2002 door de Nederlandse overheid tegen dividendstrippen zijn genomen? Hoe verklaart u dat?
Rulings geven zekerheid vooraf over de fiscale gevolgen van een voorgenomen rechtshandeling binnen de kaders van wet, beleid en jurisprudentie. De Belastingdienst kent een fiscale geheimhoudingsplicht. Derhalve kan ik geen mededelingen doen over de handelingen die de Belastingdienst al dan niet uitvoert ten aanzien van individuele belastingplichtigen.
Klopt het dat Follow the Money het volgende citeert uit het interne document: «De Belastingdienst heeft in 2007 onderzoek gedaan naar de GSFG-activiteiten. Er zijn geen vragen binnengekomen over de C-E-activiteiten.»? Klopt het dat volgens Follow the Money hier de CumEx-deals van Fortis worden bedoeld? Hoe verklaart u dat?
Ik beschik niet over de informatie om dit te verifiëren.
Klopt het dat de Belastingdienst volgens het interne stuk afspraken maakte over het dividendstrippen? Werden daar ambtenaren op het Ministerie van Financiën in gekend? Zo ja, wat deden deze ambtenaren met deze kennis? Zo nee, waarom niet?
Ik beschik niet over het interne document waarover Follow the Money schrijft en kan daarom niet beoordelen wat er in dat stuk wordt beweerd. Voor het overige geldt dat de Belastingdienst vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht geen mededelingen kan doen over de handelingen die de Belastingdienst al dan niet uitvoert ten aanzien van individuele belastingplichtigen.
Werden de Staatssecretaris en de Minister hiervan op de hoogte gesteld?
Zie antwoord vraag 21.
Klopt het dat de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) al in 2004 hun leden heeft opgeroepen om hun deskundigheid in te zetten om dividendstrippen te voorkomen?
Ja.
Klopt het dat dit eveneens bleek uit eerder eerder onderzoek van Follow the Money? Klopt het dat uit het interne stuk uit 2009 blijkt, dat die oproep aan dovemansoren was gericht en dat zelfs de bankentoezichthouder én de Belastingdienst het door de vingers wilden zien?
Zoals ik eerder heb opgemerkt, beschik ik niet over het interne document uit 2009. Ik kan u hierover dan ook niet nader informeren.
De Belastingdienst pakt dividendstripping aan. Uit een inventarisatie binnen de Belastingdienst komt naar voren dat over de jaren 2000–2020 de Belastingdienst voor ongeveer 250 miljoen euro aan correcties heeft opgelegd vanwege dividendstripping. Dit betreft 59 casussen.6 Voor zover u vraagt naar het handelen van de Belastingdienst in het individuele geval kan ik daar vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht geen mededelingen over doen.
Dit geldt eveneens voor het handelen van DNB in het individuele geval, waar ik vanwege de toezichtvertrouwelijkheid geen mededelingen over kan doen. Zoals eerder aangegeven als antwoord op de vragen 15 en 17 heeft DNB in algemene zin op basis van moreel appèl (moral suasion) herhaaldelijk actie ondernomen tegen dividendarbitrage-activiteiten.
Klopt het dat dividendstrippen uiteindelijk niet alleen met fiscale wetgeving kan worden aangepakt, maar dat ook toezichthouders DNB en AFM een cruciale rol op dit dossier zouden moeten vervullen?
De naleving van fiscale wet- en regelgeving is geen onderwerp van toezicht van DNB. Dit is namelijk aan de belastingdiensten. Signalen over fraude kan DNB wel betrekken bij haar integriteitstoezicht. Die signalen kunnen van belang zijn bij de beoordeling van de verplichting tot het beschikken over een beheerste en integere bedrijfsvoering. Daarnaast dienen banken maatschappelijk betamelijk te handelen, waarbij fiscale risico’s een bijzonder aandachtspunt zijn. Verder kan het handelen van individuen een rol spelen bij het toetsen van de geschiktheid of betrouwbaarheid van bestuurders van een bank.
De AFM heeft vanaf 2018 door nieuwe transactierapportageverplichtingen als gevolg van geïmplementeerde Europese regelgeving een beter beeld van activiteiten van in Nederlandse financiële instrumenten. Door het verstrekken van deze gegevens aan de Belastingdienst levert de AFM een bijdrage aan de detectie van mogelijke dividendstripping.
Autoriteiten in de financiële sector werken samen in het Financieel Expertise Centrum (FEC). Het FEC heeft een diepgaand onderzoek gedaan naar dividendstripping. De resultaten hiervan zijn weergegeven in een kennisdocument uit 2021.7 In het kennisdocument over dividendstripping is de kennis van vijf partners binnen het FEC gebundeld: de Belastingdienst, de FIOD, de AFM, de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en het Openbaar Ministerie. Het doel van het document is de kans te vergroten dat de FEC-partners in hun reguliere dagelijks werk signalen van dividendstripping eerder herkennen, wat de aanpak van dividendstripping kan verbeteren. In het kennisdocument is een beschrijving gegeven van de diverse vormen van dividendstripping. Het kennisdocument maakt ook duidelijk welke gereedschappen de FEC-partners binnen de bestaande regelgeving tot hun beschikking hebben om dividendstripping te detecteren en terug te dringen.
Verder merk ik op dat op 15 juli 2022 een brief naar de Tweede Kamer is verzonden inzake de «Versterking van de aanpak van dividendstripping».8 In deze brief zijn de uitkomsten van de internetconsultatie (die op 26 januari 2022 is gesloten), de fiscale mogelijkheden om de aanpak van dividendstripping verder te versterken en de voor- en nadelen van elke geconsulteerde oplossingsrichting besproken. In de brief is opgemerkt dat de komende tijd verder onderzoek wordt gedaan en wordt beoordeeld hoe de maatregelen ter versterking van de aanpak van dividendstripping uitgewerkt kunnen worden in een wetsvoorstel. Tijdens het Commissiedebat Internationale Fiscaliteit van 25 januari 2022 is deze Kamerbrief besproken. Tijdens dit debat is ook opgemerkt dat per 1 januari 2024 fiscale maatregelen zullen worden genomen.
Hoe verklaart u dat uw eigen ambtenaren een oogje hebben toegeknepen?
Ik herken dit beeld niet. In de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 15 juli 20229 is opgemerkt dat reeds in 2001 in de wet antimisbruikbepalingen zijn opgenomen om dividendstripping tegen te gaan. Op grond van deze bepalingen wordt vermindering, verrekening of teruggaaf van dividendbelasting uitgesloten voor diegene die het dividend heeft ontvangen (of om vermindering, verrekening of teruggaaf heeft verzocht), maar niet de uiteindelijk gerechtigde is tot dat dividend. De wetgever heeft destijds gekozen voor een generieke maatregel die verschillende vormen van dividendstripping aanpakt. Het doel was om een maatregel te introduceren die uitvoerbaar zou zijn in de praktijk en geen overkill zou bevatten. Dit was een belangrijke afweging aangezien destijds werd verondersteld dat strengere maatregelen ingrijpend zouden uitwerken op de reguliere beurshandel. Bij de inwerkingtreding van de antimisbruikwetgeving is onderkend dat de aanpak van dividendstripping niet makkelijk zou zijn en dat hiermee waarschijnlijk enkel evidente vormen van dividendstripping zouden kunnen worden aangepakt.
De Belastingdienst pakt – op basis van de huidige wettelijke instrumenten – dividendstripping aan. Deze instrumenten blijken echter niet altijd adequaat te zijn voor de bestrijding van dividendstripping. In de eerste plaats komt dat vooral door de zware bewijslast die op grond van de hiervoor beschreven nationale antimisbruikwetgeving op de inspecteur rust om te bewijzen dat sprake is van dividendstripping. Daarnaast wordt de bestrijding van dividendstripping verder bemoeilijkt doordat in de praktijk de verschijningsvormen van dividendstripping complex en divers zijn. Dit is geen typisch Nederlands fenomeen. Dividendstripping gebeurt ook in de landen om ons heen. Professionele partijen hebben zich erin gespecialiseerd om door middel van dividendstripping voordelen te behalen. Deze partijen gebruiken vaak ingewikkelde structuren, gericht op het verhullen van de rechtsbetrekkingen tussen de verschillende actoren, waarbij vaak ook buitenlandse partijen betrokken zijn. Dit maakt het verzamelen van informatie door de Belastingdienst complex en zeer tijdrovend.
In de Kamerbief van 15 juli 2022 zijn ook de uitkomsten van de internetconsultatie (die op 26 januari 2022 is gesloten), de fiscale mogelijkheden om de aanpak van dividendstripping verder te versterken en de voor- en nadelen van elke geconsulteerde oplossingsrichting besproken. In de brief is opgemerkt dat de komende tijd verder onderzoek wordt gedaan en wordt beoordeeld hoe de maatregelen ter versterking van de aanpak van dividendstripping uitgewerkt kunnen worden in een wetsvoorstel. Tijdens het Commissiedebat Internationale Fiscaliteit van 25 januari 2022 is deze Kamerbrief besproken. Tijdens dit debat is ook opgemerkt dat per 1 januari 2024 fiscale maatregelen zullen worden genomen.
Hoe ziet u dat in het licht van de misstanden bij de Belastingdienst met betrekking tot het toeslagenschandaal?
Zie antwoord vraag 26.
Uit het interne stuk van Fortis blijkt dat controlerend accountant KPMG geen problemen zag in de dividendstripping-activiteiten van Fortis. De opmerkingen van KPMG zagen slechts op een betere procesbeheersing en administratieve vastleggingen. Hoe kijkt de Autoriteit Financiële Markten (AFM) aan tegen de rol van controlerende accountants als het gaat om dividendstripping?
De AFM houdt primair toezicht op accountantsorganisaties. De uitvoering van wettelijke controles door externe accountants speelt daarin een belangrijke rol, maar is niet de hoofddoelstelling van het toezicht. De AFM heeft geen onderzoek verricht specifiek naar de rol of betrokkenheid van externe accountants bij dividend stripping. De AFM heeft daarom geen concreet standpunt ingenomen ten aanzien van de rol of verantwoordelijkheid van externe accountants bij dividendstripping. De AFM is daarnaast gehouden aan geheimhouding, waardoor zij niet kan aangeven of zij bekend is met deze specifieke casus en de inhoud daarvan. In de periode van 2009–2022 heeft de AFM diverse rapportages uitgebracht over de accountancysector, en in algemene zin aandacht gevraagd voor de kwaliteit van uitgevoerde accountantscontroles.
Klopt het dat uit het interne stuk van Fortis blijkt dat controlerend accountant KPMG geen problemen zag in de dividendstripping-activiteiten van Fortis?
Ik beschik niet over het interne document. Op basis van de mij beschikbare informatie kan ik deze conclusie niet trekken.
Klopt het dat de opmerkingen van KPMG slechts zagen op een betere procesbeheersing en administratieve vastleggingen?
Zie antwoord vraag 29.
Hoe kijkt de AFM aan tegen de rol van controlerende accountants als het gaat om dividendstripping?
Zie antwoord vraag 28.
Tot wanneer ging het dividendstrippen door bij ABN Amro? Kunt u uitsluiten dat op dit moment binnen ABN Amro, en daaraan gelieerde bedrijven, nog activiteiten plaatsvinden op het gebied van dividendstrippen en/of vergelijkbare activiteiten?
Zie antwoord op vragen 2,3, 4 en 9. ABN AMRO heeft eerder aangegeven gestopt te zijn met cum/ex-transacties na de wetswijziging in Duitsland in 2012. In eerdere Kamerbrieven is ook opgenomen dat ABN AMRO de afgelopen jaren in toenemende mate beleid heeft geformuleerd en aangescherpt, waaruit blijkt dat de bank hoe dan ook niet (meer) betrokken wil zijn bij dividendarbitrage-activiteiten.
Een gesprek met de Eilandsraad van Sint Eustatius |
|
Wieke Paulusma (D66), Joba van den Berg-Jansen (CDA), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Klopt het dat er binnen de pilot met direct doorverwijzen, die is gestart vanaf de derde week van november 2022, alleen wordt doorverwezen naar het ziekenhuis op Sint Maarten, dat slechts beperkte faciliteiten heeft en vaak niet de behandeling kan geven die nodig is? Zo nee, waar wordt dan naartoe doorverwezen? Zo ja, waarom alleen naar Sint Maarten?
De pilot directe verwijzingen is gestart op 21 november 2022 en houdt in dat de verwijzingen op een zelfde manier worden georganiseerd als op Bonaire. Huisartsen op Bonaire verwijzen direct naar het lokale ziekenhuis Fundashon Mariadal (FM) zonder tussenkomst van de medisch adviseur van Zorg en Jeugd Caribisch Nederland (ZJCN). Sint Maarten Medical Center (SMMC) is het aangewezen ziekenhuis voor Saba en St. Eustatius. Huisartsen op Saba en St. Eustatius kunnen in het kader van de pilot nu direct doorverwijzen naar SMMC. De nieuwe werkwijze wordt geëvalueerd na zes maanden met een tussentijdse evaluatie na drie maanden. Voor de verwijzingen naar andere zorgbestemming op Curaçao, Sint Maarten, Aruba, Colombia en Nederland (derdelijnszorg) is afgesproken dat het zal blijven gaan zoals gewoonlijk op initiatief van de behandelend specialist. Dit is gelijk op zowel Bonaire als Saba en St. Eustatius.
Klopt het dat er geen goedkeuring komt als een arts bijvoorbeeld doorverwijzing naar Columbia adviseert? En zo ja, waarom wordt het advies van de arts niet gevolgd?
Alle verwijzingen worden getoetst aan de Regeling Aanspraken Zorgverzekering BES (RAZ-BES) waarin aangegeven staat aan welke voorwaarden een verwijzing moet voldoen. Afkeuring geschiedt alleen indien de verwijzing daaraan niet voldoet. Belangrijk uitgangspunt bij dat bij de doorverwijzingen wordt gehanteerd is «zo dichtbij mogelijk als kan en verder weg als het moet».
Klopt het dat er mensen zijn overleden door «lack of handling»?
Nee.
Wat is de reactie van u op de vele klachten dat medische informatie verloren gaat en dat deze dus niet meer vindbaar is in dossiers c.q. niet aanwezig is bij overdracht?
Het verloren gaan van medische informatie moet zoveel mogelijk voorkomen worden. Specialisten en huisartsen zijn onderling verantwoordelijk voor het delen van medische informatie over patiënten. Ter verbetering van de digitale gegevensuitwisseling onderzoek ik de mogelijkheden van een (regionaal) elektronisch patiënten dossier en op welke vlakken aansluiting gevonden kan worden op lopende ontwikkelingen in Europees Nederland.
Kunt u aangeven welke afspraken op 10 oktober 2010 onder leiding van de heer Bernard ter Haar van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn gemaakt, aangezien de indieners berichten ontvangen dat het toen goed was geregeld en er adequate doorverwijzingen waren?
Wij kunnen niet nagaan op welke afspraken u doelt. De heer Bernard Ter Haar kan geen afspraken gemaakt hebben namens het Ministerie van VWS, omdat hij niet werkzaam geweest is binnen het Ministerie van VWS.
Hoeveel meldingen heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ontvangen van zorginstellingen/zorgprofessionals c.q. van burgers over inadequate gezondheidszorg? Kunt u een overzicht over de laatste 5 jaar geven?
In de wetgeving voor Caribisch Nederland is geen meldingsplicht voor calamiteiten beschreven zoals in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). De IGJ stimuleert zorgaanbieders wel om incidenten en calamiteiten te melden om hiervan te kunnen leren en/of te verbeteren. Ook kunnen bijvoorbeeld burgers en medewerkers van zorginstellingen via het Landelijk Meldpunt Zorg of het Meldpunt IGJ een melding doen of een signaal doorgeven. In totaal heeft de IGJ in die periode 13 meldingen en signalen ontvangen. Deze meldingen en signalen kunnen betrekking hebben op de kwaliteit of de organisatie en bekostiging van de zorg of op specifieke gebeurtenissen in of rond de zorg.
Hoe is de vertegenwoordiging van de IGJ georganiseerd in Caraïbisch Nederland?
Het toezicht op de gezondheidszorg en jeugdhulp op Caribisch Nederland is onderdeel van het reguliere toezicht van de IGJ, met aandacht voor de bijzondere situatie op de eilanden. Het toezicht krijgt op vergelijkbare manier invulling, dus met regelmatige gesprekken en inspectiebezoeken.
Klopt het dat op Bonaire patiënten wel dialyse krijgen onder toezicht van een verpleegkundige, maar dat wordt gesteld dat dat niet mogelijk is voor Sint Eustatius? Zo ja, wat is uw toelichting hierop?
Op Bonaire is er een dialysecentrum, dat onderdeel is van FM, waar dialyse wordt uitgevoerd door een gespecialiseerd dialyse verpleegkundige, onder verantwoordelijkheid van een nefroloog.
Hemodialyse is op St. Eustatius niet mogelijk. De mogelijkheden voor peritoneale dialyse voor St. Eustatius is onderzocht op initiatief van het ziekenhuis (SEHCF) op St. Eustatius in samenwerking met SMMC en Curaçao Medical Center (CMC). Tevens heeft het Amsterdam UMC een onafhankelijke toets gedaan naar deze vorm van dialyse op St. Eustatius. De conclusie is dat er onder strikte voorwaarden peritoneale dialyse op St. Eustatius mogelijk zou kunnen plaats vinden. Op dit moment vinden er gesprekken plaats tussen ZJCN, SEHCF en SMMC over de wijze waarop deze vorm van dialyse op een veilige wijze plaats zou kunnen vinden op St. Eustatius.
De privatisering van politietaken |
|
Michiel van Nispen (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke «maatschappelijke partners» deelnemen aan de dialoogtafels om tot een visie op de functie van de politie te komen?1, 2
De visie op de politiefunctie vereist een maatschappelijk en politiek debat als fundament. Hiertoe organiseer ik onder andere drie strategische dialoogtafels in de eerste helft van 2023 met als onderwerp de invloed van (1) maatschappelijke ontwikkelingen, (2) veranderende hulpbronnen en innovaties en (3) ordeningsvraagstukken3 op de politiefunctie in de toekomst. Over de precieze vorm en invulling van de strategische dialoogtafels wordt nog nagedacht, maar mijn uitgangspunt is dat het karakter hiervan onderzoekend moet zijn. Het doel is om verschillende invalshoeken op de politiefunctie in de toekomst op te halen ten behoeve van een white paper.
Gelet op de strekking van motie Den Boer4, de aanbeveling uit de Working Paper van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om de visie vorm te geven door middel van een breed maatschappelijk gesprek5, het brede karakter van de politiefunctie en de noodzaak van een gedragen visie, zal de totstandkoming hiervan in nauwe samenwerking met verschillende publieke, non-profit en private organisaties worden opgesteld. Een vertegenwoordiging vanuit publieke, non-profit en private organisatie aan de strategische dialoogtafel is daarom gewenst. Naast het gericht uitnodigen van partijen zal het mogelijk zijn voor geïnteresseerden om eventuele interesse in deelname kenbaar te maken bij mijn departement. De definitieve deelnemerslijsten zal ik door middel van het volgende Halfjaarbericht Politie met uw Kamer delen.
Dit breed maatschappelijk overleg over de impact van (maatschappelijke) ontwikkelingen op de politiefunctie moet periodiek gevoerd worden. De visie politiefunctie zal een voorstel hiertoe bevatten. Op deze manier borg ik de relevantie, effectiviteit en een stevig draagvlak vanuit de samenleving voor de politiefunctie in de toekomst.
Welke dialoogtafels vinden wanneer plaats, met welke deelnemers en welke agendapunten? Kunt u de Kamer het volledige overzicht sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van welke organisaties en personen («stakeholders») naast de dialoogtafels betrokken worden bij het proces om tot een nieuwe visie op de functie van de politie te komen?
Naast de strategische dialoogtafels vraag ik essays uit bij wetenschappers uit verschillende disciplines. Op deze manier wil ik borgen dat de visie op de politiefunctie multidisciplinair en niet uitsluitend binnen de bestaande paradigma’s wordt vormgegeven. Ook laat ik een literatuuroverzicht maken van relevante, internationale (wetenschappelijke) publicaties op dit onderwerp. De schrijvers van de essays en de opstellers van het literatuuroverzicht zal ik met uw Kamer delen door middel van het volgende Halfjaarbericht Politie. Ten slotte onderzoek ik hoe burgers betrokken kunnen worden bij het proces, bijvoorbeeld door het gebruik van burgerpanels en een internetconsultatie.
Het proces van visievorming wordt begeleid door de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB).
Welke wetenschappelijke disciplines zijn er betrokken bij het «komen tot een normatieve beschouwing van taken die onverdeeld tot de verantwoordelijkheid van de (rijks-)overheid behoren en taken waar synergie mogelijk is door andere en/of nieuwe samenwerking»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of er nu al taken zijn die u «onverdeeld tot de verantwoordelijkheid van de (rijks-)overheid vindt behoren»? Zo ja, welke zijn dit? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in mijn brief van 5 juli 2022 wil ik komen tot een grondige verdieping en ik hecht eraan alle onderdelen van het hiervoor noodzakelijke proces zorgvuldig te doorlopen, alvorens een inhoudelijk antwoord te formuleren op bovenstaande vragen.
Kunt u aangeven of er nu al taken zijn waarbij u «synergie» mogelijk acht? Zo ja, welke zijn dit?
Zie antwoord vraag 5.
Waarom is uw voorstel om de Tweede Kamer via een rondetafelgesprek te betrekken bij de politieke afweging over wat publieke politietaken zijn en wat geprivatiseerd kan worden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb de vraag van uw Kamer om nauw betrokken te worden bij dit proces goed gehoord. Mijn voorstel is om de opbrengst van het rondetafelgesprek met uw Kamer te gebruiken als input voor het white paper dat geagendeerd zal worden op een afsluitende conferentie. Uiteraard staat het uw Kamer vrij om het white paper te agenderen voor een commissiedebat. Wanneer de conferentie (en/of het commissiedebat) aanleiding geeft tot wijzigingen zal ik deze verwerken, waarna ik uw Kamer de visie op de politiefunctie kan toesturen. Indien gewenst ga ik dan opnieuw met uw Kamer in gesprek.
Erkent u dat het een politieke discussie en afweging vraagt wat in essentie een publieke politietaak is en wat een gedeelde of geprivatiseerde taak kan zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Vandaar dat ik ook in mijn brief van 5 juli 2022 schrijf dat de visie van de politiefunctie een maatschappelijk en politiek debat als fundament vereist.
Zijn er bij het regeerakkoord side-letters of niet opgenomen afspraken gemaakt over het gedeeltelijk privatiseren van politietaken?
Nee.
Hoe geeft u uitvoering aan de aangenomen Kamermotie, waarbij gevraagd is om een onderzoek te doen naar het huidige aandeel van de private beveiligingsbranche binnen het publieke domein?3
De gevraagde analyse wordt zo goed als mogelijk gemaakt en conform de strekking van de motie aan de Tweede Kamer aangeboden alvorens de visie op de politiefunctie zal worden aangeboden.
De uitvoering van de motie Mutluer om meer hoogopgeleide mensen bij de politie te krijgen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie van het lid Mutluer (Kamerstuk 29 628, nr. 1137) om te zorgen voor alternatieve mogelijkheden en versnelde trajecten om meer hoogopgeleide mensen bij de politie te krijgen en uw reactie daarop? (Kamerstuk 29 628, nr. 1139)
Ja.
Hoeveel rechercheurs zijn de komende jaren nodig? Zijn naast de basisrecherche nog meer rechercheurs nodig? Zo ja, om welke specialismes en onderwijsniveaus gaat het?
In de opsporing zijn momenteel 10.750 fte’s werkzaam.1 Ongeveer een kwart daarvan is hbo- of universitair opgeleid.
Tot 2026 zijn er jaarlijks in de opsporing zo’n 1.400 fte’s nodig ter vervanging van de (leeftijdsgebonden en niet-leeftijdsgebonden) uitstroom of in verband met formatie-uitbreidingen. Het overgrote deel van deze fte’s komen in de basisrecherche via interne doorstroom. Ongeveer een derde van de behoefte aan vervangende en aanvullende fte’s betreft specialisten met een hbo- of universitaire opleiding. Concreet gaat het om ongeveer 500 specialisten per jaar met o.a. de expertises financieel, digitaal, forensisch, zeden en milieu. Van deze 500 specialisten komt ongeveer een derde binnen via zij-instroom.
Wat zijn de streefcijfers van hoger opgeleiden binnen de politie? Zijn die al behaald? Zo nee, waarom niet? Hoeveel is er wel behaald?
De politie werkt niet zozeer met een streefcijfer, maar met een personeelsplan waaruit een wervingsopgave en een doorstroomopgave met bijbehorende opleidingsbehoefte volgt. Het personeelsplan is gekoppeld aan de formatie van de politie, bestaande uit functies met functie-eisen (waaronder opleidingseis). De eenheden geven aan in de toekomst meer hbo- en WO-geschoolden te willen werven dan momenteel in de formatie is opgenomen. Deze keuze kan gemaakt worden, mits dit past binnen de formatieve en financiële kaders welke ik vaststel. Binnen deze kaders gaat het lokaal gezag over het inrichten van de exacte functies. De afgelopen jaren is het aantal hbo- en universitair opgeleiden iets toegenomen. Over het algemeen zijn de functies met een hbo- en universitaire eis voldoende bezet.
Zijn de 720 opleidingsplekken voor specifieke zij-instromers die jaarlijks beschikbaar zijn bij de Politieacademie afdoende om, zowel in aantal als in gevraagd opleidingsniveau, in de behoefte aan gespecialiseerde hoogopgeleide politiemensen waaronder rechercheurs te voorzien? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat de opleidingscapaciteit tot het gewenste niveau verhoogd wordt?
De politie stelt op basis van zijn Strategische Personeelsplanning (SPP) een opleidingsbehoefte vast. Het gaat daarbij zowel om de kwantitatieve behoefte aan politieopleidingen als om de kwalitatieve behoefte aan nieuwe opleidingen. Deze opleidingsbehoefte omvat ook de zij-instromers, bestaande uit opleiding voor functies waarvoor een aanstelling voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie (ook wel genoemd ATH-aanstelling) in combinatie met een boa-aanwijzing benodigd is, en de opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet, die opleidt voor een aanstelling voor de uitvoering van de politietaak (ook wel genoemd executieve aanstelling) met specifieke inzetbaarheid (veelal hoogopgeleide specialisten). Voor dit jaar en volgend jaar zijn er jaarlijks 720 opleidingsplekken voor deze laatste categorie zij-instromers beschikbaar. Deze opleidingsplekken worden gebruikt voor nieuwe instroom, maar ook voor interne doorstroom en politievrijwilligers.
Het instroom- en opleidingsproces is inmiddels flexibel ingericht zodat lopende het jaar tijdig keuzes gemaakt kunnen worden en de beschikbare capaciteit kan worden ingezet op een zo groot mogelijke instroom. De huidige capaciteit van 720 opleidingsplekken voor specifieke zij-instroom is vooralsnog voldoende voor de vraag vanuit de eenheden en kan indien nodig opgeschaald worden.
Dit betekent niet dat alle benodigde specialisten geworven kunnen worden, daarin speelt de arbeidsmarktkrapte een belangrijke rol. In de arbeidsmarktstrategie van de politie, die binnenkort met uw Kamer wordt gedeeld, worden hiervoor maatregelen opgenomen.
Deelt u de mening dat ten minste voor rechercheurs en politiemensen die gespecialiseerde opleidingen op een hoog niveau nodig hebben, er op universiteiten onderwijscapaciteit beschikbaar is die bij de Politieacademie zelf niet in voldoende mate aanwezig is? Zo ja, aan welke opleidingen bij universiteiten denkt u? Heeft u hierover reeds contact met universiteiten opgenomen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
Zoals beschreven in het Tweede Halfjaarbericht Politie 2022 biedt de Politieacademie sinds 2018 opleidingen aan gericht op hoog opgeleide zij-instromende specialisten, die in het regulier hoger onderwijs een relevante opleiding hebben afgerond met een diploma. Zij worden door het Korps aangesteld als executief politieambtenaar met specifieke inzetbaarheid in bijvoorbeeld de digitale en forensische opsporing en in de Intelligence. Deze specifieke zij-instromers kunnen zonder de basispolitieopleiding direct op hun functie aan de slag nadat zij de korte opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet hebben gevolgd. Deze kortdurende opleiding is gericht op het verwerven van algemene kennis over de politietaak en de politieorganisatie waarbinnen ze hun vak en specialisme gaan uitoefenen. Het onderwijzen in de politietaak in algemene zin en het overdragen van kennis over de politieorganisatie is voorbehouden aan de Politieacademie. Daarom krijgen zij-instromende specialisten deze korte aanvullende opleiding.
Om de instroom van hoog opgeleide specialisten te vergroten en doorlopende leerroutes tot stand te brengen heeft de Politieacademie diverse soorten samenwerkingsverbanden met zowel hogescholen als universiteiten. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de Hogeschool Saxion, Avans Hogeschool, Universiteit Leiden en de Radboud Universiteit Nijmegen. Door samen te werken met deze onderwijsinstellingen ontstaat er een groter opleidingsaanbod. Daarnaast versterkt de samenwerking kennisuitwisseling en stimuleert het onderwijsinnovatie. Ook andere hogescholen zoals de Hogeschool Leiden en de Haagse Hogeschool bieden specialistische opleidingen aan. Het gaat bijvoorbeeld om de Masteropleiding Digital Forensics en de Bacheloropleiding Cyber Security Management.
Deelt u de mening dat er ook buiten de Politieacademie bij hoger onderwijsinstellingen onderwijs kan worden verzorgd voor met name recherche en specialistisch onderwijs om te zorgen voor het benodigd aantal hoogopgeleide politiemensen? Zo ja, hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Grondwater duwt weg omhoog, A7 tussen Joure en Sneek mogelijk maanden dicht’ |
|
Habtamu de Hoop (PvdA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grondwater duwt weg omhoog, A7 tussen Joure en Sneek mogelijk maanden dicht»?1
Ja.
Rijkswaterstaat constateerde dat de grondankers, die het tunneldeel op zijn plaats moeten houden, zijn gebroken. Hoe heeft dit kunnen gebeuren?
De exacte oorzaak van het probleem bij de Prinses Margriettunnel is op dit moment nog niet duidelijk. Daar doet Rijkswaterstaat momenteel onderzoek naar.
Klopt dat voor het herstel van de weg mogelijk maanden nodig is?
Omdat de exacte oorzaak nog onbekend is, zijn ook mogelijke oplossingen en de hersteltijd op dit moment nog niet bekend.
Realiseert u zich dat de A7 een cruciale weg is voor woon-werkverkeer in Fryslan?
Ja, de A7 is een belangrijke doorgaande route voor zowel woon-werkverkeer in de regio als voor het transport van goederen.
Vindt u het acceptabel als deze weg maanden lang niet toegankelijk is?
De onverwachte schade en afsluiting van deze weg is een ramp voor Friesland, het zo snel mogelijk weer in bedrijf krijgen van de weg is voor mij de grootste prioriteit. Vanwege het belang van de A7 in het verkeernetwerk van Noord-Nederland werkt Rijkswaterstaat al met de hoogste prioriteit aan het oplossen van dit acute probleem. Het kost tijd om zorgvuldig de exacte oorzaak te achterhalen en de oplossing te bepalen. De inspanning is er op gericht om die tijd zo beperkt mogelijk te houden en de Prinses Margriettunnel zo snel mogelijk weer open te stellen voor verkeer.
Deelt u de mening dat er zo snel mogelijk een oplossing moet worden gevonden om deze cruciale weg weer toegankelijk te maken?
Ja.
Hoe wordt in de tussentijd met de gemeente Sudwest-Fryslan en de provincie Fryslan tot een tijdelijke oplossing gekomen?
Tijdens mijn bezoek op 11 januari jl. bevestigden de lokale bestuurders de goede contacten tussen de provincie, de gemeenten en Rijkswaterstaat. Zij werken nauw samen om de overlast tot een minimum te beperken en de omleidingsroutes voortdurend zo veel mogelijk te optimaliseren. Zo zijn er bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen ingesteld om verkeer veilig door dorpen en over bruggen te laten rijden en zijn op enkele locaties verkeerslichten geplaatst om langzaam verkeer veilig over te laten steken.
Ook onderzoekt Rijkswaterstaat op dit moment de mogelijkheden om de tunnel zo snel mogelijk weer (deels) open te stellen, en zo de wegen in de directe omgeving te ontlasten. De urgentie hiervan is duidelijk maar toezeggingen of en wanneer dit gaat lukken kunnen nog niet gedaan worden, omdat eerst de oorzaak duidelijk moet zijn.
De lage straf voor het doodrijden van Shana Leurs |
|
Gidi Markuszower (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Mohamed L. zes maanden de cel in voor doodrijden Shana (22)»?1
Ja
Heeft u begrip voor het feit dat de ouders van Shana deze straf te laag en onrechtvaardig vinden?
Wij hebben vanzelfsprekend begrip voor de positie van de nabestaanden. Een ernstig verkeersongeval waarbij iemand overlijdt, leidt bij nabestaanden tot ongelofelijk veel pijn en verdriet. Geen straf zal in dergelijke zaken hoog genoeg zijn om het leed bij de familie van het slachtoffer weg te kunnen nemen. Wij wensen te benadrukken dat wij zeer meeleven met het verlies van de familie.
Echter kan ik, zoals u weet, als Minister van Justitie en Veiligheid niet ingaan op individuele gevallen, zeker niet in gevallen waarbij de zaak nog onder de rechter is en er dus geen onherroepelijk vonnis ligt. Dit opdat het OM zelfstandig beslissingen moet kunnen nemen om zo zijn rol in het strafproces optimaal te kunnen vervullen. Daarnaast moet voorkomen worden dat ik mij als Minister van Justitie en Veiligheid met uitlatingen over een concrete zaak begeef op het terrein van de rechter.
Wat staat er in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie (OM) over de strafeisen bij een dodelijke aanrijding waarbij een bestuurder veel te hard rijdt?
De strafeisen in de richtlijn van het Openbaar Ministerie (OM) in geval van een dodelijke aanrijding waarbij geen sprake is van alcohol- of drugsgebruik lopen uiteen. De standaard strafeis is afhankelijk van de mate van schuld van de verdachte aan het ongeluk en de gevolgen daarvan. Het wegenverkeersrecht kent vier oplopende gradaties van schuld:
Voor de lichtste vorm van schuld, aanmerkelijke schuld, geldt er een standaard strafeis van een taakstraf van 240 uur in combinatie met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar. In geval van ernstige schuld volgt een standaard strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. Als er sprake is van een zeer hoge mate van schuld aan de kant van de verdachte is de standaard strafeis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar.
De vierde en zwaarste mate van schuld vormt roekeloosheid, waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid – die ingaat na de gevangenisstraf – kan worden opgelegd. Voor deze zwaarste categorie is in de OM richtlijn geen standaard strafeis geformuleerd, maar er wordt altijd een hogere straf geëist dan bij de in de hiervoor beschreven gradaties.
Wanneer er bij de verdachte ook sprake is van alcohol- of drugsgebruik liggen de standaard strafeisen in de richtlijn hoger, evenals de mogelijke maximumstraffen. Zo is de maximale straf bij roekeloosheid op negen jaar gevangenisstraf gesteld.
Voor meer informatie over de richtlijn voor strafvordering verkeersongevallen van het OM verwijzen wij u naar: https://www.om.nl/onderwerpen/beleidsregels/richtlijnen-voor-strafvordering-resultaten/richtlijn-voor-strafvordering-verkeersongevallen-2022r004.
Kunt u aangeven, waarom als bewezen is dat iemand veel te hard rijdt binnen de bebouwde kom, er volgens de rechtspraak geen sprake is van roekeloos rijden?
We begrijpen dat situaties waar een straf voor het gevoel van betrokkenen te laag zou zijn, moeilijk te aanvaarden kunnen zijn. Het is in strafzaken uiteindelijk aan de rechter om op basis van het geheel aan feiten en omstandigheden in een individuele zaak te oordelen of een bepaald strafbaar feit bewezen kan worden verklaard. Daarnaast heeft het openbaar ministerie in de zaak waar uw vraag op ziet hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om op deze zaak, en andere individuele zaken, in te gaan.
Wat in dit geval ook belangrijk is om in aanmerking te nemen, is dat roekeloosheid in juridische zin is iets anders dan wat men in de volksmond roekeloos rijgedrag noemt. Ten aanzien van roekeloosheid in de zin van de Wegenverkeerswet kan ik aangeven dat er hier recent aanscherpingen zijn geweest: met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten is sinds 1 januari 2020 een nieuw artikel 5a in de Wegenverkeerswet is toegevoegd. Het artikel noemt een aantal concrete schendingen van verkeersregels die – indien zij opzettelijk in ernstige mate worden geschonden en indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is – roekeloosheid kunnen opleveren. Het gaat daarbij onder andere om gevaarlijk inhalen, niet verlenen van voorrang, overschrijden van de maximumsnelheid, door rood licht rijden, tegen de verkeersrichting inrijden en tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Daarnaast is in artikel 175 Wegenverkeerswet bepaald dat bij ernstige verkeersongevallen van de zwaarste schuldvorm van roekeloosheid in ieder geval sprake is wanneer het rijgedrag dat heeft geleid tot het ongeval kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a Wegenverkeerswet. Deze wetswijziging geeft de rechtspraktijk meer handvatten om in zaken naar aanleiding van ernstige verkeersongevallen tot een bewezenverklaring van roekeloosheid te komen. Daarnaast bevat de genoemde wet verschillende andere wijzigingen waarmee daders van ernstige verkeersdelicten steviger kunnen worden aangepakt.
Bent u bereid te regelen dat daders van dit soort misdrijven altijd een rijontzegging krijgen?
De mogelijkheid om in dergelijke gevallen een rijontzegging op te leggen, staat al in de wet. De Wegenverkeerswet stelt al dat iemand die wordt veroordeeld voor – kort samengevat – een ernstig verkeersdelict gedurende lange tijd de bevoegdheid te ontzeggen om een motorrijtuig te besturen. Het is aan de strafrechter om in een individueel geval te beslissen of het opleggen van een dergelijke rijontzegging geboden is en zo ja, voor welke duur de rijontzegging wordt opgelegd. Bij die beslissing kan de strafrechter alle relevante omstandigheden meewegen. We hechten aan die rechterlijke vrijheid en willen daaraan vasthouden. Daarom zijn we er geen voorstander van dat automatisch een rijontzegging wordt opgelegd indien iemand voor bepaalde misdrijven wordt veroordeeld.
Het standaard opleggen van een rijontzegging voegt ook niet veel toe: uit de praktijk blijkt dat in vrijwel alle zaken waarbij sprake was van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet – schuld aan verkeersongeval met letsel – een ontzegging van de rijbevoegdheid werd opgelegd2.
Hoeveel dodelijke aanrijdingen zijn er per jaar? In hoeveel gevallen is bewezen dat de maximumsnelheid in ernstige mate is overschreden? Hoe vaak is er sprake van roekeloosheid? Wat is de gemiddelde straf die door rechters in deze gevallen is opgelegd?
In 2021 waren er 371 door de politie geregistreerde verkeersongevallen met dodelijke afloop, waarbij de eenzijdige ongevallen buiten beschouwing zijn gelaten. De cijfers van de in 2022 door politie geregistreerde verkeersongevallen met dodelijke afloop komen na de zomer beschikbaar.
Uit cijfers van het Openbaar Ministerie blijkt dat er in 2022 440 personen werden gedagvaard voor het veroorzaken van een ernstig ongeval met schuld als bedoeld in artikel 6 Wegenverkeerswet. De oorzaken van aanrijdingen worden in het algemeen door de politie niet separaat geregistreerd. Er is geen recent onderzoek of overzicht waaruit blijkt bij hoeveel ongevallen er sprake was van een (ernstige) overschrijding van de maximumsnelheid of roekeloosheid en wat de gemiddeld opgelegde straf was indien er vervolging is ingesteld. Ook het Openbaar Ministerie heeft deze aantallen niet voorhanden. Het CBR heeft in 2022 1964 keer een cursus «Educatieve Maatregel Gedrag» opgelegd. Deze cursus wordt door het CBR opgelegd naar aanleiding van een melding van de politie van zwaar overtredend gedrag van een verkeersdeelnemer.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat daders van dit soort misdrijven een minimumstraf opgelegd krijgen die substantieel hoger ligt dan de aan Mohamed L. opgelegde straf?
In ons rechtsstelsel is het aan de rechter om een oordeel te vellen over welke straf passend is. Deze moet daarbij alle relevante omstandigheden – zowel verzwarende als verzachtende – betrekken. Het introduceren van minimumstraffen past hier niet bij.
Hierbij moet ook overwogen worden dat het verkeersrecht een ingewikkeld rechtsgebied is, met vele soorten ongevallen, daders en slachtoffers, waarbij de mate van schuld aan de kant van de dader zelden in verhouding staat tot de gevolgen voor het slachtoffer. Zo kan een kleine verkeersfout bij een aanrijding tot enorme gevolgen voor het slachtoffer leiden, terwijl een grove verkeersovertreding van een ander zonder ernstige gevolgen blijft. Het verkeersrecht moet voor al die gevallen een passende bestraffing bieden. Ook in dat licht is een minimumstraf niet passend.
We zien in de praktijk al dat er zwaarder wordt gestraft naar mate de schuld aan de kant van de dader en de gevolgen voor het slachtoffer groter zijn. Wanneer er sprake is van artikel 6 Wegenverkeerswet kan er dus een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meerdere jaren volgen.
Indien u niet bereid bent minimumstraffen voor dit soort misdrijven in te voeren, bent u dan bereid te kijken naar andere mogelijkheden om de strafmaat te verhogen voor daders van dit soort misdrijven?
Afgelopen december is de motie3 van de leden Koerhuis en Alkaya aangenomen waarin de regering wordt verzocht uw Kamer te informeren over de mogelijkheden tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 om aan bestuurders die zware overtredingen hebben begaan een levenslange rijontzeggingen op te kunnen leggen. Tijdens het begrotingsdebat heeft de Minister van IenW aangegeven de motie breder te interpreteren en te onderzoeken wat er gedaan kan worden om roekeloos rijgedrag beter aan te pakken en hierover ook met de Minister van Justitie en Veiligheid in gesprek te gaan. De Kamer zal over de uitwerking van deze motie naar verwachting in het tweede kwartaal van dit jaar geïnformeerd worden.
Met de eerder aangehaalde Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelictenuit 2020 is er daarnaast reeds voor gezorgd dat daders van ernstige verkeersdelicten steviger kunnen worden aangepakt. Zie ook het antwoord op vraag 4. Indien de rechtbank bewezen acht dat er sprake is van roekeloosheid wordt overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet waarbij het slachtoffer is komen te overlijden gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. Dit kan oplopen tot een gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wanneer blijkt dat de verdachte onder invloed was ten tijde van het ongeval. Dit zijn naar mijn mening forse strafmaxima die het mogelijk maken dat daders van verkeersdelicten ook in de meest ernstige zaken stevig kunnen worden gestraft. De eerste ervaringen van deze aanscherping uit de praktijk zijn gunstig, maar de effecten van de wet zullen in volle omvang blijken uit de evaluatie van de wet in 2025.
ent u bereid om samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in gesprek te gaan met de ouders van het slachtoffer, Shana Leurs?
De vader van het slachtoffer heeft reeds contact opgenomen en verzocht om een gesprek met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Justitie en Veiligheid. Dit gesprek heeft inmiddels op ambtelijk niveau plaatsgevonden.
De druk van de zorgverzekeraar op de huisarts voor het gebruik van een nieuw, onbekend en goedkoper spiraaltje |
|
Corinne Ellemeet (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuws dat zorgverzekeraar VGZ huisartsen heeft proberen op te leggen om een nieuw, onbekend en goedkoper spiraaltje te gaan gebruiken?1
Ja.
Vindt u het wenselijk dat de soort spiraal en bijbehorende methode van inbrengen waar een huisarts mee moet werken, afhankelijk is van de voorkeur van individuele verzekeraars? Zo ja, waarom? Zo nee, hoe zou hier eenduidig landelijk beleid op gevoerd kunnen worden?
Allereerst vind ik het belangrijk dat de patiënt kwalitatief goede zorg ontvangt.
De voorkeur van de zorgverzekeraar voor de Levosert spiraal betreft een toepassing van het preferentiebeleid. Het preferentiebeleid geldt voor een aantal onderdelen binnen de Zorgverzekeringswet. Het houdt in dat een individuele zorgverzekeraar kan bepalen welke vorm van zorg aangewezen wordt. Deze keuze mag echter niet ten koste gaan van de te leveren kwaliteit of beschikbaarheid van zorg. De gevolgen voor kwaliteit en beschikbaarheid van zorg moeten de verzekeraars ook meenemen in hun beleid. Het preferentiebeleid levert een bijdrage aan de betaalbaarheid en beschikbaarheid van geneesmiddelen. Ik sta dan ook achter het preferentiebeleid en vind niet dat hier een eenduidig landelijk beleid gevoerd moet worden. Wel ben ik van mening dat de uitvoering van het preferentiebeleid zorgvuldig dient te gebeuren en de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg voor de patiënt daarbij goed geborgd wordt.
In het geval van hormoonspiraaltjes is goede afstemming met de beroepsgroep die de spiraaltjes moet plaatsen van belang. Dat is in deze specifieke casus in eerste instantie niet goed gegaan; inmiddels heeft VGZ het voorkeursbeleid voor de hormoonspiraal herzien.
Wat vindt u ervan dat een zorgverzekeraar uit kostenoverweging in dit geval een spiraal en in algemeenheid iets oplegt aan huisartsen/zorgverleners terwijl het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) uit zorgvuldigheid dit juist niet opneemt in praktijkrichtlijnen?
Zoals eerder aangeven in mijn antwoord op vraag 2, mag de keuze voor een preferent middel niet ten koste gaan van de kwaliteit van zorg.
Het NHG heeft aangegeven dat het niet helemaal juist is dat zij de Levosert niet heeft opgenomen in de NHG-Standaard Anticonceptie. Het NHG heeft voor deze spiraal nog geen plaats bepaald in de standaard, omdat deze nog niet beschikbaar was bij de vorige herziening van de standaard. Het NHG heeft in nieuwsberichten al wel aangegeven dat ze deze spiraal niet zonder meer aanbevelen, omdat bij de plaatsbepaling van spiralen niet alleen werkzame stof en dosering, maar ook het inbrengmechanisme meeweegt. De NHG-Standaard Anticonceptie beveelt aan dat de huisarts die de spiraal inbrengt, bepaalt welke spiraal hij/zij inbrengt, vanwege de verschillen die er zijn in inbrengmechanismen. De huisarts kiest voor de spiraal waar hij of zij ervaring mee heeft. Het NHG pleitte daarom in deze specifieke casus, vanwege de onbekendheid van veel huisartsen met het inbrengmechanisme van de Levosert, voor zorgvuldige introductie op kleine schaal, op basis van vrijwillige keuze door de huisarts2.
VGZ heeft aangegeven dat zij in eerste instantie op 4 november 2022 de nieuwe hormoonspiraal als preferent middel hadden aangewezen, omdat het dezelfde werking en hetzelfde kwaliteitsniveau heeft als het bestaande middel. Om de huisartsen zo goed mogelijk te informeren en te ondersteunen heeft VGZ afspraken gemaakt met de leverancier ter ondersteuning van de implementatie bij huisartsen. VGZ heeft een uitleg opgesteld en beschikbaar gemaakt via een instructievideo, er is gelegenheid geboden tot het stellen van vragen bij de leverancier en indien gewenst is het mogelijk om een demo pakket of hands-on training te krijgen. Dit past binnen het preferentiebeleid dat zorgverzekeraars mogen voeren.
Naar aanleiding van het bericht van 4 november ontving VGZ echter veel klachten en vragen van huisartsen over de bekendheid van de spiraal en plaatsing ervan bij patiënten. VGZ heeft deze signalen serieus genomen en vindt het belangrijk dat huisartsen vertrouwd zijn met de hormoonspiraal. Op basis van deze signalen en na overleg met huisartsen, de LHV en het NHG, heeft VGZ vervolgens besloten het voorkeursbeleid per 1 januari 2023 regionaal en gefaseerd te implementeren op basis van gezamenlijke ervaringen en afspraken3. Dit houdt in dat VGZ een project is gestart waarin een groep huisartsen kan ervaren en leren wat er nodig is om vertrouwd te raken met de nieuwe hormoonspiraal. Tijdens dit project wordt onder andere onderzocht welke scholing huisartsen nodig hebben en worden de ervaringen van huisartsen in de praktijk onderzocht. Totdat het project is afgerond vergoedt VGZ tijdelijk hormoonspiraaltjes van andere merken. En VGZ heeft toegezegd de huisartsen tijdig over deze vergoeding te informeren.
Hoe worden zorgverleners, zoals huisartsen, in positie gesteld om met zorgverzekeraars een gelijkwaardig gesprek te voeren over niet alleen de kosten, maar ook de kwaliteit van de te leveren zorg?
Zorgverzekeraars kunnen eigenstandig een afweging maken hoe zij de vergoedingsvoorwaarden van verzekerden invullen. Om doelmatigheidsredenen begrijp ik heel goed dat zorgverzekeraars keuzes maken ten aanzien van het preferentiebeleid. Maar ik vind het ook belangrijk dat zorgverzekeraars daarbij aandacht hebben voor de werkwijze van huisartsen (voorschrijvers) en apothekers. Indien het beleid van een zorgverzekeraar invloed heeft op de werkwijze van de behandelaar zou ik graag zien dat dit vooraf met de zorgverleners wordt besproken. Ik heb van VGZ begrepen dat zij de gang van zaken betreuren en hier in de toekomst rekening mee zullen houden.
Deelt u de mening dat deze casus laat zien dat te vaak een lage prijs leidend is boven kwaliteit? Zo nee, waarom niet? Hoe duidt u dit voorbeeld?
Zorgverzekeraars hebben de wettelijke taak om betaalbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van zorg voor hun verzekerden te borgen. Voorkeurskeuzes die zorgverzekeraars binnen het preferentiebeleid maken, moeten altijd aan de gestelde kwaliteitskaders voldoen. Ik verwacht ook van zorgverzekeraars dat zij hun preferentiebeleid vormgeven met de hele zorgketen in gedachten; de rol van de behandelaar en de voorschrijver is immers ook relevant om betaalbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid te garanderen. In deze casus ging VGZ er in eerste instantie vanuit dat de nieuwe hormoonspiraal gelijkwaardig was aan de bestaande hormonspiraal voor wat betreft werkzame stof, dosering en afgiftepatroon. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat er voldoende waarborgen in het huidige systeem zijn om veiligheid en kwaliteit in plaats van prijs leidend te laten zijn? Zo ja, welke waarborgen zijn dat en werken deze voldoende? Zo nee, welke stappen gaat u zetten zodat er beter op kwaliteit gestuurd wordt?
Ja, ik ben van mening dat deze waarborgen voor veiligheid en kwaliteit er in het stelsel zijn. Zorgaanbieders zijn op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg verplicht om zorg van goede kwaliteit en van goed niveau aan te bieden. Zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van cliënt.
Voor zorgverzekeraars geldt dat zij bij de inkoop van zorg op de kosten letten, zodat de premie betaalbaar blijft. Maar zij zijn in het kader van zorgplicht ook verplicht om er op te letten dat de ingekochte zorg van voldoende kwaliteit is en voldoende beschikbaar is. Dit geldt ook voor de inzet van het preferentiebeleid.
Om de kwaliteit en betaalbaarheid op langere termijn te garanderen, heb ik ook het Integraal Zorgakkoord afgesloten4. Hierin zijn afspraken gemaakt om ook in de toekomst er voor te zorgen dat er beter op kwaliteit wordt gestuurd.
De toenemende georganiseerde criminaliteit in Limburg |
|
Raymond Knops (CDA), Anne Kuik (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «De Limburgse politie worstelt met zware misdaad»1 en «In Limburg staat de poort voor misdaad wagenwijd open»2?
Ja.
Bent u het eens met de burgemeester van Maastricht dat er een urgentiebesef moet komen om de georganiseerde misdaad in Limburg een halt toe te roepen?
Ja. Ons land is helaas een cruciale spil in de internationale drugshandel. Om de georganiseerde misdaad in Limburg, maar ook in de rest van Nederland, een halt toe te roepen moeten álle onderdelen ervan worden aangepakt. Dat kan alleen met een brede aanpak, een lange adem en door een betere samenwerking tussen betrokken partijen, publiek én privaat, ook over onze landsgrenzen heen. De strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit is voor dit kabinet een topprioriteit. Er is daarom structureel geld vrijgemaakt om de aanpak op alle fronten uit te breiden.
Deelt u de zorgen dat Limburg een ideale schuilplaats lijkt te zijn voor de internationale Taghi’s? Hoe kunt u ervoor zorgen dat dit soort criminelen ons land niet meer kunnen gebruiken als een toevluchtsoord?
Het feit dat leden van (internationale) criminele groeperingen in Nederland verblijven, baart mij uiteraard zorgen. De brede aanpak van georganiseerde criminaliteit is er daarom (ook) op gericht om Nederland zo onaantrekkelijk mogelijk te maken als verblijf- of schuilplaats. Zo is fors geïnvesteerd in de opsporing en vervolging zodat criminelen nog sneller en effectiever worden aangepakt. Ook de inzet van de bestuurlijke aanpak tegen criminaliteit draagt ertoe bij dat criminelen zich minder makkelijk in Nederland kunnen vestigen door een bedrijf op te richten.
Hoe kunt u de effectieve samenwerking tussen politie, Openbaar Ministerie (OM), gemeenten, woningcorporaties, Belastingdienst en Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) verder uitbouwen/versterken, zodat we Limburg beter kunnen beschermen tegen (opkomende) georganiseerde misdaad?
Het kabinet zet fors in op de aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. De regionale aanpak is ook een belangrijk onderdeel van deze brede maatschappelijke opgave. Met Prinsjesdag 2021 is in totaal € 40 miljoen beschikbaar gesteld voor de versteviging van de regionale aanpak van georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Ook wordt jaarlijks € 10 miljoen geïnvesteerd in de regionale Platforms Veilig Ondernemen om in heel Nederland de weerbaarheid van bedrijven tegen georganiseerde en ondermijnende criminaliteit te vergroten.
Deze aanpak wordt in Limburg door het RIEC Limburg en alle lokale partners vormgegeven. De aanpak kent drie versterkingspijlers: 1) «Criminele aanwas jeugd», met als doel het voorkomen dat jeugd op het criminele pad terecht komt, 2) «Weerbare samenleving», met als doel het voorkomen dat ondermijnende criminaliteit voet aan de grond krijgt en 3) «Intergemeentelijke bestuurlijke handhaving», met als doel het verstevigen van de bestuurlijke handhaving in de hele regio.
Binnen deze aanpak zijn meerdere initiatieven opgestart die bijdragen aan het terugdringen van ondermijnende invloeden in Limburg. Zo wordt bijvoorbeeld met het initiatief «Follow the Money» ingezet op het afpakken van crimineel vermogen. Ook wordt er nauw samengewerkt met private partners zoals het Platform Veilig Ondernemen, wordt ingezet op het verstevigen van de bestuurlijke handhaving, en het duurzaam versterken van de opsporingsdiensten zoals de politie en de Belastingdienst.
Op basis van het versterkingsplan van het RIEC Limburg heeft het Ministerie van JenV aan de regio structureel een bedrag van € 2.836.960 per jaar beschikbaar gesteld. Ook is de structurele algemene rijksbijdrage aan het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Limburg (RIEC Limburg) met € 700.000 verhoogd. De resultaten van de regionale versterking verwacht het kabinet de komende jaren te gaan zien.
Bent u zich ervan bewust dat er sprake is van een disbalans, omdat 44% van alle verzoeken voor internationale rechtshulp die er landelijk binnenkomen in Limburg terechtkomt terwijl Limburg maar 8% van de nationale capaciteit heeft om deze af te handelen? Hoe kunt u zorgen voor een meer evenredige verdeling van de aanvragen voor internationale rechtshulp?
Ja, ik ben mij ervan bewust dat er sprake kan zijn van een disbalans. De verzoeken over en weer komen voort uit de geografische ligging van Limburg en de transitie van goederen, personen en voertuigen. Hierdoor heeft nagenoeg elk opsporingsonderzoek in Limburg een buitenlandcomponent. Het IRC is verplicht om hieraan te voldoen. Dit maakt dat evenredigheid alleen gerealiseerd kan worden door de capaciteit bij het IRC aan te passen aan het werkaanbod, dat naar de toekomst toe eerder meer en complexer wordt.
Daarom is onderzocht hoe er slimmer gewerkt kan worden met de bestaande capaciteit. De mogelijkheden daartoe blijken echter beperkt. Er wordt aan gewerkt om te komen tot een uniforme registratie, werkwijze, functionaliteiten en capaciteit. Dit proces bevindt zich in de beginfase, waardoor de effecten hiervan nog niet zichtbaar en meetbaar zijn. Ik hou de voortgang in de gaten en verwacht in de loop van het jaar beter zicht op de maatregelen.
In hoeverre deelt u de mening dat, gezien de geografische en demografische situatie in Limburg, het uiterst zorgwekkend is dat deze provincie met afstand de kleinste politie-eenheid heeft?
Politiecapaciteit is schaars, die schaarste wordt in alle eenheden gevoeld. De verdeling van de totale sterkte over de regionale eenheden is gebaseerd op de grootte van de eenheid voor de vorming van de nationale politie.
In de jaren daarna is nieuwe sterkte verdeeld over de eenheden op basis van de sterkteverdelingsystematiek die ten grondslag ligt aan de percentages voor politiesterkte per eenheid uit het Besluit verdeling sterkte en middelen, en op basis van politieke en/of bestuurlijke afspraken voortvloeiend uit maatschappelijke problematiek. De komende jaren wordt gewerkt aan een nieuwe sterkteverdelingsystematiek, waarbij ook de huidige demografische situatie in alle regionale eenheden tegen het licht zal worden gehouden.
Hoe kunt u de coördinatoren georganiseerde misdaad in de Limburgse regio versterken met kennis, training en kunde, zodat georganiseerde misdaad vroegtijdig kan worden herkend en opgerold en er maatwerk in de regio kan worden geleverd?
Binnen RIEC-verband wordt in Limburg goed samengewerkt. Dat wordt ondersteund door adequate organisatiestructuren op zowel bestuurlijk, strategisch als operationeel niveau. Zo kennen alle gemeenten coördinatoren bestuurlijke aanpak die als centraal punt fungeren binnen gemeenten. Zij kunnen voor kennis, training en kunde terecht bij het RIEC Limburg, maar ook voor ook daadwerkelijke ondersteuning met capaciteit door bijvoorbeeld specialisten op het terrein van de Wet Bibob, projectleiders en accountmanagers.
In hoeverre werkt het ministerie samen met de omringende landen en in Europees verband via bijvoorbeeld Europol om deze criminaliteit aan te pakken?
De Minister van Buitenlandse Zaken en ik hebben een internationaal offensief ingezet, waar de samenwerking met ons omringende landen integraal deel van uit maakt3. Dit doen onze ministeries samen met de Nederlandse diensten die al volop werken met internationale partners, zoals het Openbaar Ministerie, de politie, de Douane, de Koninklijke Marechaussee en de Fiscale inlichtingen en opsporingsdienst (FIOD). Samen met België, Frankrijk, Spanje, Duitsland en Italië hebben we een coalitie gesloten om samen op te trekken in de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit. We hebben een actieplan vastgesteld en zijn nu gestart met de uitvoering.
In EU verband werken bovengenoemde diensten en andere partijen intensief samen in de zogenoemde EMPACT samenwerking (European multi-disciplinary platform against criminal threats) waarbij op basis van dreigingsanalyses en informatie gestuurd acties worden ondernomen tegen door de EU geprioriteerde criminele fenomenen en hoge risico criminele netwerken en hun machtsstructuren. Op basis van jaarlijkse actieplannen op deze fenomenen worden grootschalige opsporingsonderzoeken, controleacties en preventieve acties uitgevoerd en worden Joint Investigation Teams (JIT’s) ingesteld. De nationale instanties van lidstaten worden daarbij sterk ondersteund door Europol, Eurojust en andere EU agentschappen en werken ook met niet-EU landen en derde partijen samen. Europol ondersteunt de lidstaten met behulp van strategische, tactische en operationele analyses, faciliteert het leggen van contacten en samenwerking voor en relaties tussen opsporingsonderzoeken via onder meer de landendesks van de lidstaten bij Europol en verschaft veel hoogwaardige technische expertise via bijvoorbeeld haar Europol Cybercrime Center (EC3). In bijgesloten link vindt u de resultaten van de EMPACT samenwerking in 2021: EMPACT results in 2021 (europa.eu) 4
Hoe kunt u de tijdrovende bureaucratie die grensoverschrijdende opsporingsacties met zich meebrengen indammen? Bent u bereid om met uw Europese collega’s in gesprek te gaan om op korte termijn nauwere en effectievere samenwerking tussen (Europese) grenspolitie en lokale politie te bewerkstelligen?
Een overleg met mijn collega’s in België en Duitsland bestaat reeds. Wat betreft de samenwerking met België, zal het nog in werking te treden Benelux-politieverdrag (dit jaar) de grensoverschrijdende samenwerking makkelijker maken hetgeen de efficiëntie ten goede zal komen. In dit verband vinden reeds gesprekken plaats met de Benelux-landen. Om de samenwerking met Duitsland te verstevigen wordt overleg gepland met Duitsland over reguliere politiesamenwerking.
In hoeverre vindt u dat grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tot op heden ontoereikend is gebleken? Hoe kunt u op korte termijn zorgen voor een intensievere samenwerking met internationale opsporingsdiensten om dit soort criminelen op te pakken, voordat ze onze grenzen over komen?
De grensoverschrijdende operationele samenwerking verloopt naar behoren en partijen weten elkaar te vinden. Om grensoverschrijdende informatie-uitwisseling meer te faciliteren loopt een aantal trajecten om de politie operationeel zonder hindernissen te kunnen laten samenwerken, informatie uit te wisselen en met elkaar te communiceren als ware er geen grenzen. Zo zal het aanstaande Benelux-politieverdrag de samenwerking nog meer faciliteren met meer mogelijkheden in de bestrijding van grensoverschrijdende drugscriminaliteit. De mogelijkheden worden in vergelijking met het huidige Senningen-verdrag uitgebreid met het oog op een nog nauwere samenwerking inzake de handhaving van de openbare orde en veiligheid en de voorkoming, verstoring en opsporing van strafbare feiten.
De uitbreiding van de grensoverschrijdende samenwerking ligt op het gebied van informatie-uitwisseling, te weten de rechtstreekse toegang tot elkaars politiedatabanken tijdens gezamenlijke acties en in gemeenschappelijke politieposten en uitwisseling van ANPR-gegevens volgens het eigen geldende recht. Het herziene Verdrag verruimt bovendien de mogelijkheden tot grensoverschrijdende achtervolging. Zo zal een rechtmatig ingezette achtervolging in het eigen land kunnen worden voortgezet over de grens, zonder de drempels voor strafbare feiten die de huidige regeling kenmerken.
Gelet op de bijzondere geografische ligging van Limburg is sprake van een samenwerkingsstructuur in het politieel samenwerkingscentrum genaamd EPICC tussen België, Duitsland en Nederland. Hun politiediensten werken sinds 2005 samen om politiële informatie uit te wisselen en rechtshulpverzoeken uit het grensgebied af te handelen. Nederlandse bijdragen aan EPICC-werkzaamheden vinden plaats via het Internationale Rechtshulpcentrum Limburg, waar het centrum bovendien is gevestigd. Vanuit de Nederlandse Politie wordt ook bijgedragen aan de potentiële doorontwikkelingsmogelijkheden van het EPICC. Samen met de operationele partners wordt gekeken naar hoe bestaande samenwerking verder kan worden versterkt.
Bij de aanpak van grensoverschrijdende ondermijnende criminaliteit speelt verder het Euregionaal Informatie- en Expertisecentrum (EURIEC) al enkele jaren een belangrijke rol om de bestuurlijke samenwerking tussen België, Duitsland en Nederland te verstevigen. Dat doet het EURIEC door het vergroten van bewustwording bij lokale bestuurlijke overheden in de drie landen en door de kansen en uitdagingen bij grensoverschrijdende informatie-uitwisseling te onderzoeken. Daarnaast ondersteunt het EURIEC ook bij concrete casuïstiek met een internationale component. Inzet daarbij is om te voorkomen dat criminelen die aan de ene kant van de grens effectief worden geweerd, aan de andere kant van de grens ongestoord hun criminele activiteiten kunnen voortzetten.
Ondanks de grote inspanningen van alle betrokken partijen zijn we er nog niet. Ik zal mijn beleid nog meer richten op het zichtbaar maken van obstakels die een effectieve grensoverschrijdende informatie-uitwisseling in de weg staan en daar oplossingen voor aandragen.
Op 14 december jongstleden is met MKB-Nederland en VNO-NCW het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 vastgesteld: hoezeer is daarin ook rekening gehouden met de gegevensuitwisseling tussen private en publieke partijen in de aanpak van criminaliteit?
Bij de uitwerking van de inhoudelijke thema’s van het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 is aandacht besteed aan een aantal strategische invalshoeken – die als rode draad door het actieprogramma lopen – waaronder informatie- en gegevensdeling. Gedurende het actieprogramma onderzoeken we hoe we meer gestructureerde informatiedeling kunnen aanmoedigen, waar de ruimte in de wetgeving zit voor gegevensdeling met private partners en zoeken we goede praktijkvoorbeelden op het gebied van informatie- en gegevensdeling om breder onder de aandacht te brengen. Daarbij is ook aandacht voor de vraag hoe informatie uit de opsporing, bijvoorbeeld trends en modus operandi, ondernemers kan helpen.
Het artikel ‘Thijs Zonneveld: "Alleen een topsporter voor de klas is niet genoeg"’ |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Conny Helder (minister zonder portefeuille volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Thijs Zonneveld: «Alleen een topsporter voor de klas is niet genoeg»»?1
Ja.
Bent u bekend met de business case «Sporthelden op School» en afgeronde pilot van Thijs Zonneveld in samenwerking met het Sportbedrijf Rotterdam, waarbij de samenwerking tussen topsporters, sportverenigingen, gemeenten en het onderwijs wordt gestimuleerd?
Ja, ik ben bekend met deze business case en afgeronde pilot. Op 12 januari jl. heeft een gesprek op ambtelijk niveau plaatsgevonden waar de heren Zonneveld, Luyendijk en Demuyt de details hiervan nader hebben toegelicht.
Bent u het eens dat een verbinding tussen onderwijs, sportverenigingen en gemeenten een positief effect kan hebben op het aantal kinderen dat in aanraking komt met sport en dat met name kinderen in kwetsbare posities juist via het onderwijs bereikt kunnen worden?
Ik ben het eens dat een verbinding tussen onderwijs en sportsector bij kan dragen aan de kans voor (kwetsbare) kinderen om in aanraking te komen met sport en bewegen. Vanuit het onderwijs komt ieder kind vanaf de basisschoolleeftijd in contact met bewegingsonderwijs en in toenemende mate ook met sport- en beweegaanbod gedurende de lesdag zoals pauzespelen, bewegen tijdens de les en naschools aanbod2. Voor juist de groep kinderen in een meer kwetsbare positie investeert dit kabinet sinds de zomer middels het programma School en Omgeving in het realiseren van een extra naschools of tussenschools aanbod om kinderen meer te kunnen bieden naast de reguliere lestijd.
Vanuit het Ministerie van VWS omarmen we het programma School en Omgeving, en de mogelijkheid die het programma biedt voor extra sport- en beweegmomenten. We werken dan ook mee aan dit landelijke programma dat is opgezet door het Ministerie van OCW. Daarbij faciliteren we de sportaanbieders (zowel de verenigingen als de commerciële aanbieders) om aan dit programma deel te nemen en de samenwerking lokaal met schoolbesturen aan te gaan.
Bent u het eens dat een buurtsportcoach vanuit de sportvereniging het contact met het onderwijs een belangrijke rol kan spelen in het betrekken van niet alleen kwetsbare kinderen bij de sportvereniging, maar een rol heeft om alle kinderen in contact te brengen met verschillende takken van sport?
Ja, in die zin dat de buurtsportcoach zowel vanuit de gemeente, het onderwijs als de sportsector een belangrijke rol vervult. Sinds de ingang van de regeling in 2008 is de buurtsportcoach een verbinder en aanjager voor sport en bewegen voor alle kinderen binnen het netwerk van lokale partijen. Ook met de herziening van de brede regeling combinatiefunctionaris blijft die rol van kracht en zie ik de buurtsportcoach ook in nabije toekomst als kennispartner, uitvoerder en coördinator en daarmee als spin in het lokale web.
Op welke wijze kunt u de businesscase «Sporthelden op School» betrekken bij het opzetten van de pilots van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, zoals toegezegd door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tijdens respectievelijk het wetgevingsoverleg Sport en Bewegen (28 november jl.) en het commissiedebat Leefstijlpreventie (14 december jl.), om de infrastructuur van het onderwijs dichter bij de infrastructuur van de sportsector te brengen?
Daar kan ik nog geen uitspraken over doen omdat we met de verkenning over de nadere invulling van deze pilots in het begin van 2023 starten. Daarbij zal ook de sportsector worden betrokken. Wel kan ik de businesscase in deze verkenning meenemen.
Kunt u het voorbeeld van de businesscase «Sporthelden op School», die een maatschappelijke inzet van topsporters aan de sportsector vraagt om deze sterker en krachtiger te maken, betrekken bij de herijking van de stipendiumregeling om te zorgen dat onze Nederlandse topsporters voor deze maatschappelijke inzet gewaardeerd worden?
Ik werk in het eerste halfjaar van 2023 samen met NOC*NSF en VSG de afspraken uit het Sportakkoord II uit. Voor de topsport ontwikkelen we een strategisch kader om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten. De inzet van topsporters op scholen kan hierbij een concrete actie zijn. Ik wil dit voorbeeld dan ook vanuit dit topsportkader nader bekijken en vandaar uit een eventuele maatschappelijke inzet van (top)sporters in de stipendiumregeling bezien. Zoals ik tijdens het WGO op 28 november jl. al aan gaf is het nadeel van een extra verplichting op de stipendiumregeling dat het ten koste gaat van trainingsprogramma’s. En nog belangrijker, het moet uit mensen zelf komen en bij iemand passen en doordat topsporters met hun topsport waardevolle prestaties leveren dragen ze ook al bij aan maatschappelijke waarde van topsport.
Het door u ingediende amendement3 beschrijft de inzet van € 200.000 uit de niet-juridisch verplichte middelen op artikel 6 Sport en bewegen voor de herijking van de stipendiumregeling. Een herijking van het totale voorzieningenpakket voor topsporters waar de stipendiumregeling deel van uitmaakt, wordt momenteel uitgevoerd door NOC*NSF die hierin de regie neemt. Deze herijking zal na Parijs 2024 tot veranderingen leiden. Om de € 200.000 als beschreven in het amendement op de korte termijn efficiënt te benutten, stel ik voor om deze te koppelen aan de inzet van topsporters op scholen als concrete actie voor 2023 in Sportakkoord II. Om zo bij te dragen aan het inzetten van topsporter voor het stimuleren van bewegen onder scholieren.
Het bericht 'Bruggen, viaducten en nu een aquaduct dicht: dat kan geen toeval zijn, denken transporteurs' |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het Friesch Dagblad «Bruggen, viaducten en nu een aquaduct dicht: dat kan geen toeval zijn, denken transporteurs»1? Zo ja, zou u op de belangrijkste bevindingen in dit nieuwsbericht willen reageren?
Ja.
In het artikel wordt aangegeven dat de situatie bij de Prinses Margriettunnel in de A7 achterstallig onderhoud als oorzaak zou hebben. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het betreft hier een onverwachte calamiteit. Onderhoud en inspecties aan de tunnel hebben altijd plaatsgevonden en niets wees op een situatie zoals die nu ontstaan is. Dat de tunnel nu is afgesloten betreur ik zeer en deze situatie is erg vervelend voor de regio en weggebruikers zoals transporteurs. Rijkswaterstaat doet er dan ook alles aan om deze situatie zo snel mogelijk op te lossen.
Het verkeer wordt omgeleid over de A31 en de A32. Rijkswaterstaat heeft nauw contact met de provincie Fryslân, de gemeenten Súdwest Fryslân en De Fryske Marren en de hulpdiensten om overlast in de regio door omrijdend verkeer zoveel mogelijk te beperken. Het is echter helaas niet uit te sluiten dat het in dorpen tijdelijk drukker is door sluipverkeer.
Zou u zich willen inspannen om tegelijk met de nodige reparaties ook het reguliere onderhoud aan de A7 naar voren te halen?
Rijkswaterstaat zal zich uiteraard inspannen om herstelwerkzaamheden en het in 2023 geplande reguliere onderhoud zo veel mogelijk gelijktijdig uit te laten voeren, om zo de overlast voor het verkeer en de omgeving zo beperkt mogelijk te laten zijn. Op dit moment is het echter nog niet bekend of dat ook daadwerkelijk mogelijk is, omdat het onderzoek naar de oorzaak en oplossingsrichtingen van het probleem bij de Prinses Margriettunnel nog loopt.
Wat gaat u, in samenwerking met de betrokken gemeenten en provincie, eraan doen om overlast in de gemeenschappen, waaronder economische schade, sluipverkeer, harder rijden door weggebruikers en onveilige verkeerssituaties door drukte zoveel mogelijk te voorkomen?
Rijkswaterstaat werkt met de hoogste prioriteit aan het oplossen van dit acute probleem. Het kost tijd om zorgvuldig de exacte oorzaak te achterhalen en de oplossing te bepalen. De inspanning is er op gericht om die tijd zo beperkt mogelijk te houden en de Prinses Margriettunnel zo snel mogelijk weer open te stellen voor verkeer.
Tijdens mijn bezoek op 11 januari jl. bevestigden de lokale bestuurders de goede contacten tussen de provincie, gemeenten en Rijkswaterstaat.
Zij werken nauw samen om de overlast tot een minimum te beperken en de omleidingsroutesm voortdurend zo veel mogelijk te optimaliseren. Zo zijn er bijvoorbeeld snelheidsbeperkingen ingesteld om verkeer veilig door dorpen en over bruggen te laten rijden en zijn op enkele locaties verkeerslichten geplaatst om langzaam verkeer veilig over te laten steken.
Zou u in kaart willen brengen of het probleem met ankers waarmee tunneldelen zijn vastgemaakt een breder probleem kan worden in de toekomst, ook bij andere infrastructuur?
Op dit moment is de exacte oorzaak van het probleem nog niet duidelijk. Daar doet Rijkswaterstaat momenteel onderzoek naar. Zodra de oorzaak bekend is, wordt in kaart gebracht of het een probleem is wat zich elders in Nederland voor kan doen.
Wat zegt in uw ogen het feit dat dit aquaduct in principe negentig jaar zou moeten meegaan, maar er halverwege de levensduur al ernstige problemen zijn, over de urgentie en de staat van het onderhoud aan dit soort infrastructuur in Nederland?
Omdat de oorzaak van dit onverwachte probleem bij de Prinses Margriettunnel nog niet bekend is, kan nu nog niets gezegd worden over wat het mogelijk voor andere infrastructuur in Nederland kan betekenen.
Zou u de Kamer willen informeren over de oorzaken van de problemen aan het aquaduct, zodra deze bekend zijn?
Ja, ik zal de Kamer zo spoedig mogelijk informeren zodra de oorzaak bekend is.
Wat zegt in uw ogen het feit dat niet de inspecteur, maar een ingeschakelde aannemer het bredere probleem bij dit aquaduct constateerde, over de vraag of de inspectie van infrastructuur in Nederland voldoende en goed genoeg geregeld is?
Alle reguliere inspecties en onderhoud aan de Prinses Margriettunnel zijn tijdig uitgevoerd. Niets wees daarbij op de situatie zoals die nu is ontstaan.
Een weginspecteur van Rijkswaterstaat heeft als eerste ontdekt dat er scheuren in het asfalt van de Prinses Margriettunnel zaten. Juist door het adequate optreden van deze weginspecteur kon tijdig de weg worden afgesloten om onveilige situaties te voorkomen. Daarna kon een uitgebreidere inspectie van de Prinses Margriettunnel plaatsvinden. Op basis van de uitkomsten daarvan, zijn circa 10.000 bigbags met zand geplaatst, waardoor de situatie op dit moment stabiel is. Experts richten zich nu op het onderzoek naar de exacte oorzaak en mogelijke oplossingen.
Hoe beziet u de analyse van Transport en Logistiek Nederland (TLN) over de urgente noodzaak van een overzicht van alle infrastructurele kunstwerken in Nederland en een bijbehorend programma voor planmatig beheer en onderhoud, en dat daar meer geld voor vrijgemaakt zou moeten worden?
Rijkswaterstaat rapporteert in de rapportage Staat van de Infrastructuur3 over de actuele toestand van het areaal. Op 30 november jl. heeft uw Kamer de laatste versie van deze rapportage ontvangen. Deze rapportage onderbouwt ook de eerdere boodschappen die met uw Kamer in de diverse instandhoudingsbrieven zijn gedeeld: het areaal nadert op delen het einde van de levensduur en voor een deel van de objecten is deze al overschreden. Daarnaast staat de levensduur onder druk omdat de kunstwerken in het verleden niet zijn ontworpen op de huidige omstandigheden en veranderd gebruik, zoals meer en zwaarder verkeer en grotere schepen. Dit speelt niet alleen op de RWS-netwerken maar ook op infrastructuur van andere beheerders.
Het is dan ook goed dat in het Coalitieakkoord deze problematiek is erkend en middelen beschikbaar zijn gesteld. De genoemde € 1,25 miljard is daarbij bestemd voor het inlopen van achterstanden bij beheer en onderhoud van onze wegen, bruggen, viaducten, vaarwegen én spoor en voor het onderhoud en renoveren en vervangen ervan in de toekomst.
Tegelijk met de rapportage Staat van de Infrastructuur is het door Rijkswaterstaat opgestelde prognoserapport Vervanging en Renovatie aan uw Kamer toegezonden.4 Het prognoserapport geeft een eerste globaal beeld van de objecten die komende periode aan vernieuwing toe zijn. Daarbij is ook een inschatting gegeven van de bijbehorende budgetbehoefte voor de looptijd van de investeringsfondsen (Mobiliteitsfonds en Deltafonds) en doorkijk naar 2050.
In het beleidsprogramma IenW 20225 is aangegeven dat er, ondanks de extra middelen uit het Coalitieakkoord, keuzes moeten worden gemaakt over prestatieniveaus voor instandhouding en nieuwe eisen aan de infrastructuur op het gebied van klimaatadaptatie, circulariteit en cyberveiligheid. De extra middelen uit het coalitieakkoord zijn niet toereikend om al onze wensen en ambities (tegelijk) te realiseren. In maart ontvangt u, voorafgaand aan het Commissiedebat strategische keuzes bereikbaarheid van 30 maart 2023, nadere informatie over het basiskwaliteitsniveau dat voor het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en het hoofdwatersysteem wordt nagestreefd, zoals aangekondigd in de brief van 11 november «Basiskwaliteitsniveau Rijkswaterstaat netwerken».6
De Nelson Mandelabrug betreft een gemeentelijke brug, de Merwedebrug wordt vervangen in het kader van het MIRT-project A27 Houten-Hooipolder.
Zou u de voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht dat er in het coalitieakkoord weliswaar 1,25 miljard euro is vrijgemaakt voor onderhoud, maar dat dit bedrag bij lange na niet genoeg is om het achterstallige onderhoud aan wegen, bruggen en tunnels volledig aan te pakken?
Zie antwoord vraag 8.
Zou u de voorgaande twee vragen ook willen beantwoorden in het licht van recente voorvallen zoals het instortingsgevaar bij de Nelson Mandelabrug in Zoetermeer, maar ook de eerdere acute sluiting van de Merwedebrug bij de A27, en het aanhoudende pleidooi van de Tweede Kamer voor meer urgentie en een structurele aanpak van onderhoud, zoals ook verwoord in het opinieartikel van Kamerlid Jaco Geurts: «Het onderhoud aan bruggen is veel te lang verwaarloosd: ook in Nederland staan ze op instorten.»?2
Zie antwoord vraag 8.
Wat gaat u eraan doen om het proces waaraan Rijkswaterstaat nu bezig is: het grondig analyseren en permanent in beeld brengen van de staat van de infrastructuur en de kunstwerken die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat, te bespoedigen?
Zoals bij het antwoord op vraag 10 al is aangegeven, heeft uw Kamer onlangs de rapportage Staat van de Infrastructuur ontvangen. Deze rapportage beschrijft een zo compleet mogelijk en feitelijk beeld van de actuele technische toestand van het areaal van de drie door Rijkswaterstaat beheerde netwerken. Het beeld is echter nog niet volledig. Aandachtpunten zijn het op orde krijgen van de areaaldata en de herijking van de prestatieafspraken. Deze worden opgepakt binnen het kader van het ontwikkelplan Assetmanagement.
Deelt u in het licht van de voorgaande vragen de opvatting dat het instellen van een nationale aanjager, als gezicht van onze «infraveiligheid» en al het onderhoud aan de Nederlandse infrastructuur om die veiligheid te bereiken, een raadzame stap is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals ook aangegeven in antwoord 1, is er in de situatie bij de Prinses Margriettunnel in de A7 geen sprake van achterstallig onderhoud. Het betreft hier een onverwachte calamiteit. Onderhoud en inspecties aan de tunnel hebben altijd plaatsgevonden en niets wees op een situatie zoals die nu ontstaan is. De toegevoegde waarde van een nationale aanjager naar aanleiding van deze casus wordt daarom momenteel niet gezien.
Het bericht ‘Kennis in kinderopvang over wat te doen na misbruik en mishandeling schiet tekort’ |
|
Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kennis in kinderopvang over wat te doen na misbruik en mishandeling schiet tekort»?1
Ja.
Bent u in overleg met de sector over hoe dit probleem zo effectief mogelijk aangepakt kan worden? Zo nee, bent u bereid om dit te doen?
Ja, ik ben in overleg met de brancheorganisaties om de kennis over de
meld-, overleg- en aangifteplicht (hierna: MOA) te vergroten. Een eerste stap is door de Inspectie van het Onderwijs (hierna: IvhO) gezet door het verspreiden van een flyer «Vertrouwensinspecteurs voor onderwijs en kinderopvang: een luisterend oor en een goed advies».2 Verder voeren de brancheorganisaties overleg met elkaar en met hun leden over hoe de twijfels en aarzeling in het handelen rondom de MOA kunnen worden aangepakt.
Is de Inspectie van Onderwijs (de inspectie) in overleg getreden met de relevante veldpartijen om te bezien hoe dit probleem opgepakt kan worden? Zo nee, bent u bereid om de inspectie aan te sporen dit op korte termijn te doen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heeft de inspectie een flyer uitgegeven. Deze bevat uitleg van de MOA en de rol van de vertrouwensinspecteur. De flyer is verstuurd naar alle houders en locatiemanagers van kindercentra, houders van gastouderbureaus en besturen van scholen. Via de website van de IvhO blijft de mogelijkheid bestaan om de flyer door een ieder te downloaden. Ook zal de IvhO met mij meewerken aan het opstellen van informatiemiddelen gericht op specifieke doelgroepen om de bekendheid rondom de MOA te vergroten zoals hierna is genoemd in het antwoord op vraag 4.
In de themaverdieping in het Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2021 is naar voren gekomen dat in de sector en in het toezicht de alertheid op de bekendheid van de MOA in de sector scherper kan.3 Uit de themaverdieping blijkt dat een deel van de verbeterslag die kan worden gemaakt bij GGD GHOR Nederland ligt, namelijk vertaling van de wettelijke voorwaarden naar de items in de inspectierapporten. GGD GHOR Nederland gaat, in samenspraak met de VNG, dit jaar wetteksten en de vertaling daarvan in de itemlijsten naast elkaar leggen om te onderzoeken welke verbetering kan bijdragen aan beter toezicht op de MOA.
Een ander deel ligt bij de IvhO en GGD GHOR Nederland samen, namelijk het door de IvhO bevorderen van de deskundigheid bij GGD’en over de kennis van de MOA en de vertrouwensinspecteur. De IvhO en GGD GHOR Nederland organiseren hiervoor reeds een jaarlijkse themadag. Sinds 2022 is dit aangevuld met digitale opfriscursussen en een vragenuur die meerdere keer per jaar georganiseerd worden. In 2022 heeft de IvhO bij alle GGD’en geïnventariseerd of zij behoefte hebben aan deskundigheidsbevordering over de vertrouwensinspecteur en de MOA. Bij de GGD’en die daar behoefte aan hebben, zal de vertrouwensinspecteur in 2023 een bezoek brengen. Het toezicht op de MOA draagt bij aan bewustwording van de MOA bij de houders.
De IvhO onderhoudt daarnaast contacten met de branchepartijen. De IvhO heeft bijvoorbeeld een presentatie over de vertrouwensinspecteur verzorgd en input geleverd aan aanbieders van trainingen over grensoverschrijdend gedrag. De IvhO besteedt in deze contacten aandacht aan de noodzaak tot kennisbevordering en zal dit blijven doen.
Hoe zet u zich, samen met de sector, in om de bekendheid van de meld-, overleg- en aangifteplicht (moa) te vergroten? Welke stappen bent u specifiek voornemens te zetten om de bekendheid over het belang van de moa te vergroten onder stagiaires en vrijwilligers?
Ik heb bij de branchepartijen navraag gedaan waar specifieke behoefte ligt omtrent het vergroten van de bekendheid van de MOA. Hieruit is gebleken dat met name informatiefolders gericht op specifieke doelgroepen geschikt zouden zijn. Ik ga deze dan ook dit jaar laten maken en verspreiden. Vervolgens zal bekeken worden in hoeverre er behoefte is aan aanvullende middelen, zoals informatiefilmpjes of infographics.
In de informatievoorziening zal gericht aandacht worden besteed aan wat er specifiek verwacht wordt van (en wat de verschillen zijn voor) houders en medewerkers in de kinderopvang, gastouders, stagiaires en vrijwilligers. Ook in de nieuwsbrief van SZW zal ik aandacht besteden aan de MOA.
Naast het vergroten van de bekendheid voeren, zoals hierboven aangegeven, de brancheorganisaties overleg met elkaar en met hun leden over hoe de handelingsverlegenheid kan worden aangepakt.
Wordt er momenteel voldoende aandacht in de opleidingen besteed met betrekking tot de omgang met situaties waarin er misbruik of mishandeling plaatsvindt? Zo nee, hoe kan dit beter geïntegreerd worden in de relevante opleidingen?
In de twee meest gangbare opleidingen gericht op de kinderopvang, namelijk Pedagogisch medewerker kinderopvang en Gespecialiseerd pedagogisch medewerker, is kennis van relevante wetgeving standaard onderdeel van de opleiding. Dit omvat de Wet kinderopvang, AVG en Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De MOA is onderdeel van de Wet kinderopvang.
Overigens hebben de grootste examenleveranciers in zorg- en welzijnsopleidingen in het mbo geven aan dat de MOA niet standaard expliciet aan bod komt in de examinering. In voorkomende gevallen is het wel onderdeel bij toetsing van het «pedagogisch klimaat», «professionele ontwikkeling en kwaliteit» en «leven en ontwikkelen in een veilige sfeer».
Heeft u een specifieke aanpak om de bekendheid over het belang van de moa te vergroten in de gastouderopvang en kleine aanbieders van kinderopvang? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat deze groep aanbieders niet achterblijft in het naleven van de moa?
De informatie over de MOA zal de gastouderopvang en de kleine aanbieders ook bereiken. De in antwoord 2 genoemde flyer is naar alle houders en locatiemanagers van kinderopvangorganisaties verstuurd, waaronder de gastouderbureaus. Uit de wet volgt dat het gastouderbureau alle aangesloten gastouders op de hoogte moet brengen van de MOA en de kennis ervan in stand houdt en bevordert. Zoals aangegeven in antwoord 4, zal in de informatievoorziening om de bekendheid verder te vergroten, gericht aandacht besteed worden aan wat er van een houder, gastouder, vrijwilliger, stagiaire en medewerker verwacht wordt. Ik blijf mij hiervoor inzetten.
Het bericht ‘ETZ verhoogt zorgdrempel, ziekenhuis is geen supermarkt’ |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «ETZ verhoogt zorgdrempel, ziekenhuis is geen supermarkt»?1
Ja.
Wat vindt u van het voornemen van het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis (ETZ) om de zorgdrempel te verhogen? Steunt u deze nieuwe beleidslijn? Zo ja, kunt u hiervoor uw overwegingen geven?
Mijn inschatting is dat het ETZ een drempel wil opwerpen voor het verlenen van niet medisch noodzakelijke zorg. Dat vind ik vanuit het perspectief van toegankelijkheid en betaalbaarheid een verstandig initiatief. Daarbij wil ik de indruk wegnemen dat met dit interview een nieuwe weg wordt ingeslagen. De verschillende veldpartijen waarmee ik in het kader van het Integraal Zorgakkoord (IZA) in gesprek ben zijn allen doordrongen van de noodzaak ervan.
Kunt u reflecteren op het «probleem» van «zelfredzame en veeleisende» zorgvragers, waaraan door het ETZ gerefereerd wordt? Wat is, naar uw mening, de reden dat steeds meer mensen het heft in eigen handen nemen en zorg «eisen»?
Er is niet één oorzaak aan te wijzen voor deze ontwikkeling. Recent is een signalement uitgebracht over «wensgeneeskunde».2 Een nieuw fenomeen is het zeker niet. In 1964 werd er in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde reeds melding gemaakt van veeleisende patiënten.3
Denkt u niet dat de stelselmatige bezuinigingen op de Nederlandse zorg en de uitholling van het zorgstelsel die daarmee gepaard is gegaan mede heeft geleid tot een populatie die in toenemende mate gefrustreerd is over dat zorgstelsel en over het feit dat zij vaak lang moeten wachten op zorg, moeten vechten voor een verwijzing, en/of niet de zorg krijgen die zij nodig hebben?
Nee dat denk ik niet. Er is immers geen sprake van stelselmatige bezuinigingen.
Is het niet onrealistisch om van burgers te verwachten dat zij zelf een inschatting kunnen maken op basis van de symptomen die zij ervaren, aan de hand waarvan zij medische zorg verzoeken? Hoe moet een leek weten of diegene slechts «gewoon rugpijn» heeft die vanzelf over gaat, of een MRI-scan nodig heeft voor nader onderzoek?
Huisartsen of medisch specialisten kunnen patiënten, wanneer daar een indicatie voor bestaat, (door)verwijzen naar een ziekenhuis. Burgers hoeven dus geen eigen afweging te maken.
Hoe verantwoord is het om patiënten zorg te ontzeggen, zonder dat duidelijk is of hun klachten ernstig zijn en/of nader onderzoek behoeven? Hoe groot is het risico dat hierdoor (ernstige) diagnoses worden misgelopen?
Het is aan de verwijzende huisarts of medisch specialist om die risico’s te vermijden door de medische noodzaak tot verwijzing zo scherp mogelijk te bepalen.
Hoe reflecteert u op de grote druk op de huisartsen, die daardoor vaak maar weinig tijd hebben om patiënten te zien en aan goede diagnostiek te kunnen doen, ten opzichte van de voorgenomen verhoging van de drempel voor onderzoek/behandeling in het ziekenhuis? Ontstaat hierdoor niet een nog grotere, noodgedwongen, prikkel bij huisartsen om patiënten dus maar niet door te verwijzen en daarmee mogelijk (te lang) te laten rondlopen met potentieel zorgwekkende symptomen?
Ik herken het vraagstuk van de grote werkdruk van huisartsen en ben daarover met hen in gesprek. Huisartsen hebben geen eigen belang bij niet, later of juist versneld doorverwijzen van hun patiënt.4
Heeft u cijfers met betrekking tot de hoeveelheid medisch niet-noodzakelijke handelingen die nu in ziekenhuizen worden verricht? Hoe wordt bepaald of een handeling «niet-noodzakelijk» is/was?
Ik beschik niet over kwantitatieve gegevens. Zie mijn antwoord op vraag 11 voor mijn reactie op het onderscheid tussen noodzakelijk versus niet noodzakelijk.
Aangezien preventie een belangrijke pijler is voor goede, efficiënte en zuinige gezondheidszorg, is het dan niet juist van belang om triage aan de voorkant van het zorgtraject zo gedegen mogelijk te maken, teneinde meer invasieve en kostbaarder medische handelingen in een later stadium te voorkomen, ook als dat betekent dat wellicht een percentage handelingen uiteindelijk onnodig zal blijken te zijn geweest?
Ik vind de term preventie hier ongelukkig gekozen. Maar als ik in plaats daarvan «het terugdringen van medisch niet noodzakelijke verwijzingen» mag lezen, onderschrijf ik het belang daarvan.
Weet u in hoeverre zorgverzekeraars een rol spelen in het opwerpen van een hogere zorgdrempel, aangezien het resultaat daarvan ook zal zijn dat zij minder hoeven te vergoeden?
Zorgverzekeraars hebben zorgplicht jegens hun verzekerden. Om daaraan te voldoen zullen zij vanuit hun rol als zorginkopers in gesprek gaan met zorgaanbieders om de daarvoor noodzakelijke zorg te contracteren. Met het oog op de (toekomstige) toegankelijkheid van noodzakelijke zorg voor hun verzekerden hebben zij hier een rol in te spelen.
Is er een afwegingskader waarbinnen zorgvragen in de toekomst worden geclassificeerd als «medisch niet-noodzakelijk» en wat zijn hiervoor de criteria? Wordt hiervoor bij alle zorgverleners een uniforme aanpak uitgerold en zo ja, op welke manier gaat dat gebeuren?
Ja, zo’n kader is er namelijk de richtlijnen van huisartsen5 en medisch specialisten6. Juist met het oog op de niet-noodzakelijke zorg zijn er daarnaast ook «beter-niet-doen» lijsten voor huisartsen7 en medisch specialisten8 gekomen.
Spelen financiële overwegingen mee bij het honoreren van bepaalde zorgvragen en/of diagnostiek, in zowel negatieve, als positieve zin? Worden zorgvragen voor mogelijke aandoeningen waar zorgorganisaties/verleners/verzekeraars potentieel aan kunnen verdienen sneller gehonoreerd dan zorgenvragen die geen geld opleveren? Zo ja, hoe verantwoordt u dat en op basis van welke criteria zal dit worden gedaan? Zo nee, kunt aantonen dat financiële belangen geen rol spelen?
Bij het bepalen van het behandelbeleid bij zorgvragen is de medische noodzaak en wat er medisch kan en (door de patiënt) gewenst is bepalend. Uiteraard spelen financiële overwegingen een rol als het gaat om de keuze uit medisch gelijkwaardige behandelmodaliteiten. Dan is in principe het goedkoopste alternatief preferent. Ik lees in het interview echter vooral het streven om door juiste keuzes de toegankelijkheid van noodzakelijke zorg te borgen.
Het bericht 'Boekenprogramma 'Brommer op zee' mocht toch doorgaan, maar dat hoorden de makers te laat' |
|
Lucille Werner (CDA) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Keek u ook wel eens naar het tv-programma «Brommer op zee»?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Boekenprogramma «Brommer op zee» mocht toch doorgaan, maar dat hoorden de makers te laat»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in de suggestie die in het artikel wordt gedaan, namelijk dat de Nederlandse Publieke Omroep invloed uitoefent op de inhoud van programma’s? Kunt u specifiek ingaan op de genoemde voorbeelden «de NPO wilde én lange, inhoudelijke interviews met schrijvers, én gesprekken met lezers van de boekenclub» en «...zegt toenmalig netcoördinator van NPO2 Gijs van Beuzekom dat er meer interactie met de lezers moet komen»? Mag dit volgens de Mediawet?
Volgens de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep moet de programmering gericht zijn op en een relevant bereik hebben onder zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling (artikel 2.1 Mediawet 2008). Het is aan de NPO en de omroepen om daar samen invulling aan te geven en de juiste afwegingen te maken. Dat vereist een goed samenspel tussen de NPO vanuit zijn wettelijke taak als coördinerend en sturend orgaan en de omroepen die de concrete vorm en inhoud van de programma’s bepalen. De NPO en de omroepen maken vooraf afspraken over inhoudelijke, financiële en bereiksdoelstellingen van programma’s (artikel 2.55 Mediawet 2008). De NPO toetst of programma’s voldoen aan die afspraken en aan de kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod en het publieksbereik, vervat in het concessiebeleidsplan, de prestatieovereenkomst, de profielen van de aanbodkanalen, het coördinatiereglement en de begroting (artikelen 2.52 en 2.54 Mediawet 2008). Programma’s worden dus tegen die achtergrond voortdurend beoordeeld, geëvalueerd en aangepast of geschrapt. Zo ook in dit geval. Die dynamiek en vernieuwing is in het belang van de kijkers en luisteraars omdat zo de programmering actueel en aansprekend gehouden kan worden. Het is onvermijdelijk dat in het genoemde samenspel de inhoud van programma’s wordt betrokken voor zover dat strikt nodig is om tot goede programmering te komen. Bij de verzorging van eenmaal gecoördineerde programma’s gaan omroepen over vorm en inhoud. De NPO en de omroepen opereren onafhankelijk van de overheid. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over de afwegingen die in het genoemde samenspel ten aanzien van programma’s, in dit geval «Brommer op zee», gemaakt worden.
Wat is in deze casus uw reflectie op de verhoudingen tussen de NPO en de omroepverenigingen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat voor soort contracten hadden medewerkers van het programma «Brommer op zee»?
De VPRO deelde mij hierover het volgende mee. Drie medewerkers zijn in vaste dienst bij de VPRO. Van zes medewerkers liep het contract af per 31 december 2022. Voor twee van hen is ander passend werk gevonden binnen de VPRO. Voor vier van hen geldt dat hun contract niet verlengd kon worden. De presentatoren zijn freelancers.
Wat vindt u ervan dat op 13 december 2022 de NPO meldde dat er vanaf 5 februari 2023 tóch ruimte is voor negen nieuwe afleveringen van «Brommer op zee», maar omdat meerdere redacteuren al nieuw werk hebben en ook de agenda’s van presentatoren Wilfried de Jong en Ruth Joos inmiddels vol zitten, die afleveringen er niet komen?
Goede samenwerking vereist goede communicatie. Ik kan niet reconstrueren hoe in dit geval de communicatie tussen de NPO en de VPRO is gelopen. Ik heb begrepen van de NPO en de VPRO dat er verder overleg is over een vervolg van een boekenprogramma.
Hoe zouden volgens u omroepverenigingen moeten werken aan meer vaste contracten voor medewerkers?
Ik heb in het debat over de mediabegroting op 28 november 2022 gezegd dat ik hierover stevige gesprekken ga voeren met de NPO en de omroepen om te kijken hoe en waar afspraken hierover vastgelegd kunnen worden.
Bent u bereid om, zoals besproken tijdens het wetgevingsoverleg Media van 28 november jl., dit voorbeeld mee te nemen in het gesprek met de NPO om te onderzoeken of papier en praktijk inderdaad niet hetzelfde zijn, en bij de uitwerking van de gewijzigde motie van de leden Werner en Sjoerdsma over het succes van NPO-programma’s niet afmeten aan kijkcijfers en marktaandelen2?
Ja.
De motie Koerhuis/Van der Molen om de ratificatie van het luchtvaartverdrag Qatar op te schorten |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie Koerhuis/Van der Molen om de ratificatie van het luchtvaartverdrag Qatar op te schorten?1
Ja2
Wat betekent het in de praktijk dat de ratificatie is opgeschort?
Het EU-Qatar luchtvaartverdrag is op 27 oktober 2022 stilzwijgend goedgekeurd. De volgende stap in het ratificatietraject is dat Nederland het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis stelt van de voltooiing van deze goedkeuringsprocedure. Als invulling van de motie zal deze stap niet genomen worden in afwachting van het corruptieonderzoek. Als blijkt dat er niet langer reden is om de ratificatie aan te houden, wordt de Kamer hierover geïnformeerd.
Klopt het dat, ondanks het opschorten van de ratificatie, het luchtvaartverdrag Qatar al tijdelijk in werking is getreden op grond van het EU-verdrag?
Ja, het aanhouden van de ratificatie staat los van de voorlopige toepassing van het EU-Qatar luchtvaartverdrag. Die voorlopige toepassing is overeengekomen tussen de partijen en vastgelegd in het derde lid van artikel 29 van het verdrag. Zoals ook in de toelichtende nota3 bij het EU-Qatar luchtvaartverdrag aangegeven, wordt het verdrag vanaf de datum ondertekening, 18 oktober 2021, voorlopig toegepast. Dit betekent dat de Europese Unie en de staat Qatar het verdrag vanaf die datum voorlopig toepassen, en verder die lidstaten van de Europese Unie die een voorlopige toepassing kennen, waaronder Nederland.
Overeenkomstig artikel 15 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen (Rgbv) heeft de Minister van Buitenlandse Zaken de voorlopige toepassing bij brief van 8 november 2021 aan de Eerste en Tweede Kamer medegedeeld.4 In de Kamerbrief van 31 oktober jl. over luchtvaartverdragen5 is het principe van de voorlopige toepassing van EU-luchtvaartverdragen nader toegelicht.
Wat betekent het in de praktijk dat het luchtvaartverdrag Qatar al tijdelijk in werking is getreden?
Dit betekent onder meer dat het gemengd comité, waar vertegenwoordigers van de verdragspartijen de uitvoering van het verdrag afstemmen, ingesteld is. Op 22 juni 2022 is dit comité voor de eerste keer bijeengekomen. Binnen het comité is onder andere gesproken over financiering van Qatar Airways en de initiatieven die Qatar en Qatar Airways hebben ondernomen om de luchtvaart te verduurzamen. Een volgende bijeenkomst van het gemengd comité is voorzien voor de zomer van 2023. Zoals aangegeven in het Commissiedebat Luchtvaartveiligheid van 15 september 2022 zal Nederland de Europese Commissie verzoeken om in dit gemengd comité de zorgen over de toepassing van de Qatarese wetgeving op het gebied van werk- en rusttijden onder de aandacht te brengen.
Zoals vermeld in de toelichtende nota bij het EU-Qatar luchtvaartverdrag is de voorlopige toepassing in het economische belang van Nederland. Dit in verband met de verruiming van de luchtvaartbetrekkingen met Qatar, maar vooral met het oog op de bepalingen met betrekking tot eerlijke concurrentie en de instrumenten die het EU-Qatar luchtvaartverdrag biedt om gelijke concurrentievoorwaarden te handhaven en sancties in te kunnen stellen wanneer er sprake is van schending van die bepalingen. Verder is het in het belang van Nederland dat de bepalingen inzake de veiligheid en beveiliging van de luchtvaart, sociale aspecten en milieubescherming voorlopig worden toegepast.
De voorlopige toepassing betekent ook dat aangewezen luchtvaartmaatschappijen op basis van het EU-Qatar luchtvaartverdrag vluchten uit mogen voeren. Zoals uiteengezet in de beantwoording van het Schriftelijk Overleg Luchtvaartverdragen op 21 december jl. is voor een 5-tal lidstaten van de Europese Unie, waaronder Nederland, een 5-stappenplan onder de punten 2 en 7 e van bijlage 1 bij het EU-Qatar luchtvaartverdrag vastgelegd over markttoegang om plotselinge en/of ingrijpende markteffecten te voorkomen. Op routes tussen Qatar en de overige lidstaten van de Europese Unie geldt vanaf de «baseline» een ongelimiteerd aantal vluchten per week.
Voor Nederland betekent dit dat luchtvaartmaatschappijen op dit moment, tot het IATA winterseizoen 2023/2024:
Om deze toegestane frequenties uit te kunnen voeren, moeten luchtvaartmaatschappijen ook over de benodigde slots beschikken. Luchtvaartmaatschappijen kunnen geen slots opeisen bij de slotcoördinator op basis van de frequenties zoals overeengekomen in het EU-Qatar luchtvaartverdrag.
Hoeveel extra vluchten voert Qatar uit sinds het luchtvaartverdrag Qatar tijdelijk in werking is getreden? En vanaf welke luchthavens? Kunt u een overzicht sturen van de vluchten vanaf Schiphol en de regionale luchthavens?
Routes
Routes
Baseline
Per 7 juni 2019
Stap 1
Per IATA winter 2020/2021
Stap 2
Per IATA winter 2021/2022
Stap 3
Per IATA winter 2022/2023
Stap 4
Per IATA winter 2023/2024
Stap 5
Per IATA winter 2024/2025
Passagiers
Passagiers
Toegestaan
Naar/van punten in Qatar en Amsterdam
10
12
14
14
17
ongelimiteerd
Uitgevoerd
Naar/van punten in Qatar en Amsterdam
7
7
7
10
Toegestaan
Naar/van alle andere punten tussen NL en Qatar
7
7
14
17
21
ongelimiteerd
Uitgevoerd
Naar/van alle andere punten tussen NL en Qatar
–
–
–
–
Vracht
Vracht
Toegstaan
Naar/van alle punten tussen NL en Qatar
10
14
14
17
21
ongelimiteerd
Uitgevoerd
Naar/van alle punten tussen NL en Qatar
7 (AMS)
7 (AMS)
1 (MAA)
8 (AMS)
6 (MAA)
11 (AMS)
4 (MAA)
Daarnaast heeft Qatar Airways sinds de voorlopige toepassing van het EU luchtvaartverdrag met Qatar op ad hoc basis toestemming verkregen om in het winterseizoen 2021/2022 6 additionele wekelijkse vrachtvluchten uit te voeren vanaf Maastricht Aachen Airport. Deze toestemming is gebaseerd op het vigerende liberale beleid ten aanzien van Maastricht Aachen Airport dat in meer ruimte voorziet bij het verkrijgen van verkeersrechten en het aantrekken van buitenlandse luchtvaartmaatschappijen ter versterking van zowel de regionale economie als het verbindingennetwerk van Nederland.
In hoeverre kan Qatar al aanspraak maken op extra historische slotrechten, op basis van het luchtvaartverdrag Qatar dat al tijdelijk in werking is getreden?
Op grond van de EU slotverordening kan door luchtvaartmaatschappijen op gecoördineerde luchthavens binnen de Europese Unie historische aanspraak gemaakt worden op slots als ze in een serie (van tenminste vijf) voor 80% of meer zijn gevlogen in een bepaald IATA zomer- of winterseizoen. Dan is er een historische reeks voor het volgende vergelijkbare seizoen ontstaan.
Als Qatar Airways op een gecoördineerde luchthaven binnen de Europese Unie slots toegewezen heeft gekregen en deze volgens de slotcoördinator naar behoren heeft gebruikt dan kan Qatar Airways het eerstvolgende vergelijkbare seizoen aanspraak maken op dezelfde slotreeks(en). De specifieke capaciteitsdeclaratie van de desbetreffende gecoördineerde luchthaven binnen de Europese Unie is daarbij wel randvoorwaardelijk. Deze capaciteitsdeclaratie is een weergave van alle beschikbare capaciteit rekening houdend met operationele, technische en milieubeperkingen. Uit de capaciteitsdeclaratie blijkt hoeveel slots er beschikbaar zijn voor het betreffende seizoen. Er kunnen niet meer slots toegewezen worden door de onafhankelijke slotcoördinator dan de beschikbare capaciteit toelaat, ook niet als luchtvaartmaatschappijen zich beroepen op een historische aanspraak.
In hoeverre kan Nederland voorkomen dat Qatar al aanspraak kan maken op extra historische slotrechten, gezien het huidige en toekomstige slotbesluit voor Schiphol?
De onafhankelijke slotcoördinator beoordeelt (per seizoen) of een luchtvaartmaatschappij wel of niet historische aanspraak kan maken op slotreeksen (voor het eerstvolgende vergelijkbare seizoen). De overheid heeft daar geen invloed op. De slotcoördinator moet slots verdelen op basis van de verdeelregels en basisbeginselen (neutraal, transparant en non-discriminatoir) van de EU slotverordening. Aan deze basisbeginselen kan Nederland op grond van het kabinetsbesluit Schiphol geen afbreuk doen door bijvoorbeeld Qatar Airways historische rechten te ontzeggen. De slotcoördinator ontwikkelt op dit moment – in lijn met de basisbeginselen van de slotverordening – een reductiemethodiek ter voorbereiding op de inwerkingtreding van het kabinetsbesluit om het aantal vliegtuigbewegingen op Schiphol te reduceren.
Hoe lang kan het maximaal duren voordat het luchtvaartverdrag Qatar tijdelijk in werking kan treden?
Het verdrag treedt in werking nadat de Europese Unie en haar individuele lidstaten alsmede Qatar het verdrag hebben geratificeerd. Daarbij dienen alle benodigde parlementaire goedkeuringsprocedures doorlopen te worden en die nemen, net als in Nederland, geruime tijd in beslag. Op het moment dat alle partijen elkaar in kennis hebben gesteld van de voltooiing van hun nationale goedkeuringsprocedures treedt het verdrag in werking op de eerste dag van de tweede maand van de daaropvolgende maand. Voor het doorlopen van alle procedures valt geen termijn te geven. In het algemeen kan het bij een EU-luchtvaartverdrag jaren duren voordat er sprake is van inwerkingtreding. Zo is het luchtvaartverdrag tussen de Europese Unie en haar lidstaten en Israël op 10 juni 2013 ondertekend en vanaf die datum voorlopig toegepast, en is het verdrag op 2 augustus 2020 in werking getreden.
Welke juridische mogelijkheden heeft Nederland om, naast de ratificatie, ook de tijdelijke inwerkingtreding van het luchtvaartverdrag Qatar en de extra vluchten van Qatar op te schorten?
Artikel 29 van het EU-Qatar luchtvaartverdrag geeft partijen de ruimte om het verdrag voor wat betreft de bepalingen die tot de nationale bevoegdheid behoren voorlopig toe te passen als hun interne procedures daarin voorzien. Als er geen voorlopige toepassing zou worden overeengekomen in het verdrag zouden de bepalingen met betrekking tot bijvoorbeeld eerlijke concurrentie en de
instrumenten die het EU-Qatar luchtvaartverdrag biedt om gelijke concurrentievoorwaarden te handhaven en sancties in te kunnen stellen, pas bij inwerkingtreding van het verdrag van kracht worden.
Zowel de Europese Unie als Nederland zijn overgegaan tot voorlopige toepassing van het verdrag. Eenzijdige opschorting van de voorlopige toepassing door Nederland zou er voor Nederland toe leiden dat het verlenen van markttoegang tot het luchtruim van Nederland aan de hand van het uitwisselen van verkeersrechten op basis van het EU-Qatar luchtvaartverdrag wordt stilgelegd.
Het kabinet is van mening dat in het licht van rechtszekerheid een onderzoek van het Europees Parlement naar corruptie geen reden is voor opschorting van de voorlopige toepassing van het verdrag. Het opschorten van de voorlopige toepassing van de bepalingen in het EU-Qatar luchtvaartverdrag is namelijk een zeer verregaande maatregel. Er moet daarbij ook rekening worden gehouden met verplichtingen ten opzichte van derden die zijn ontstaan als gevolg van de voorlopige toepassing. Derden zouden daar nadeel van kunnen ondervinden.
Zoals ook blijkt uit de toelichtende nota bij het verdrag is de regering van oordeel dat in het EU-Qatar luchtvaartverdrag rechtstreeks rechten worden toegekend aan de door Qatar aangewezen luchtvaartmaatschappijen, in onder meer artikel 2, eerste lid, onder a) (verlening van rechten) en artikel 3, eerste lid, onder a) en d) (exploitatievergunning), en het overgangsrecht vastgelegd in punt 7 van Bijlage 1 van het verdrag.
Na het opschorten van de voorlopige toepassing van het EU-Qatar luchtvaartverdrag door Nederland zou een Qatarese luchtvaartmaatschappij een gerechtelijke procedure kunnen instellen tegen de Nederlandse staat met een beroep op deze bepalingen.
Het corruptieonderzoek binnen het Europees Parlement loopt nog. Dat wil de regering afwachten voordat er andere stappen worden overwogen.
Ook van belang om te vermelden is dat het EU-Qatar luchtvaartverdrag Nederland een aantal belangrijke extra waarborgen biedt ten opzichte van het bilaterale luchtvaartverdrag met Qatar, onder andere op het gebied van eerlijke concurrentie en financiële transparantie, maar ook door de instelling van het gemengd comité waar in de beantwoording op vraag 4 aan wordt gerefereerd. Opschorting van de voorlopige toepassing kan daarmee in het nadeel van Nederland werken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Luchtvaart op 25 januari 2023?
Ja
Het bericht ‘Besparing is beter dan financiële compensatie’. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Bent u aanwezig bij het topberaad woensdag in het Catshuis met Mark Rutte, «enkele ministers», Klaas Knot, Pieter Hasekamp, Marieke Blom, Arnoud Boot en Bas Jacobs?1
Ja, ik was daarbij aanwezig.
Waarom zijn deze personen geselecteerd voor het gesprek in het Catshuis?
Deze personen zijn geselecteerd vanwege hun expertise op het gebied van economie en begrotingsbeleid vanuit verschillende invalshoeken.
Over welke onderwerpen wordt in het beraad gesproken?
Er is gesproken over de recent uitgekomen ramingen van CPB en DNB. Daarna hebben de genodigde economen hun visie gegeven op de economische vooruitzichten en de gevolgen hiervan voor het te voeren begrotingsbeleid.
Bent u voornemens om de Kamer een verslag te sturen van het gesprek in het Catshuis?
Er wordt geen officieel verslag van deze Catshuissessie opgesteld. Deze Catshuissessie was een informele bijeenkomst en niet besluitvormend. Tijdens de sessie hebben de heren Knot en Hasekamp namens DNB en CPB hun onlangs verschenen ramingen toegelicht. Daarna hebben Marieke Blom (van ING), Arnoud Boot (hoogleraar UvA) en Bas Jacobs (hoogleraar VU) hun visie gegeven op de stand van de economie, de vooruitzichten en de gevolgen voor het te voeren begrotingsbeleid. In meer algemene zin zijn de volgende punten naar voren gebracht:
Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over vervolgstappen naar aanleiding van het beraad?
Het gesprek is onderdeel van gesprekken die worden gevoerd met experts over verschillende onderwerpen in voorbereiding op de voorjaarsbesluitvorming. Tijdens de voorjaarsbesluitvorming zal het kabinet integraal besluiten over zowel de uitgaven als de lasten. De inzichten uit dit beraad worden daarbij ook meegenomen en de uitkomst van de besluitvorming zelf landt in de Voorjaarsnota. Ter uitvoering van de motie Van der Lee en Kathmann2 zullen we de Kamer zo spoedig als mogelijk informeren over de beleidsopties en de koopkrachtmaatregelen die worden onderzocht en uitgewerkt.
Worden ook aanvullende topberaden gepland de komende maanden richting de Voorjaarsnota?
In voorbereiding op de Voorjaarsnota worden altijd verschillende gesprekken met verscheidene externe experts gevoerd. Op deze manier wordt op verschillende onderwerpen breed informatie opgehaald en wordt kennis met elkaar gedeeld om zo goed mogelijk voorbereid te zijn richting het voorjaar.
Wilt u de Kamer eerder dan pas bij de Voorjaarsnota meenemen in wat er wordt besproken en op welke manier?
De behandeling van politieagenten die hebben meegewerkt aan de documentaire De Blauwe Familie |
|
Corinne Ellemeet (GL), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht waarin staat dat de politieagenten die hebben meegewerkt aan de documentaire De Blauwe Familie over racisme binnen de politie geen enkele erkenning of rehabilitatie hebben gekregen? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Het bericht is mij bekend. Ik vind racisme en discriminatie in de samenleving onaanvaardbaar en dus ook in de politieorganisatie. De documentaire De Blauwe Familie heeft op indringende wijze laten zien hoe discriminatie en uitsluiting eruitziet binnen de politie en welk persoonlijk leed dit met zich brengt voor medewerkers. Het is daarom van groot belang dat incidenten van racisme en discriminatie bij de politie worden aangepakt.
De korpschef heeft mij aangegeven dat met elk van de (oud-)collega’s uit de documentaire De Blauwe Familie vanuit de politieleiding contact is geweest. De reacties van de betrokkenen tonen aan hoeveel pijn zij ervaren en de gedane inspanningen hebben tot nu toe nog niet in voldoende mate geleid tot het herstel van vertrouwen. Ik zal er bij de korpschef op aandringen zich voor herstel en verzoening in te blijven spannen, voor zover dat mogelijk is.
Op 19 oktober jl. heb ik uw Kamer het Plan aanpak Uitsluiting, Discriminatie en Racisme aangeboden.2 Door de korpsleiding is expliciet uitgesproken dat er voortaan altijd een reactie volgt op discriminatie en daar waar nodig zelfs ontslag kan worden verleend. De politieorganisatie heeft een voorbeeldfunctie bij het bestrijden van discriminatie en racisme. Ik ben daarom blij dat de korpsleiding de documentaire heeft aangegrepen als versneller bij de aanpak van uitsluiting, discriminatie en racisme.
De korpsleiding heeft daarnaast een landelijk coördinator aanpak uitsluiting, discriminatie en racisme aangesteld. Hij werkt binnen de opgave Politie voor Iedereen en in nauwe samenwerking met de portefeuilles Integriteit en Beweging in Leiderschap. In de afgelopen maanden zijn op alle thema’s acties gestart om te komen tot een heldere norm, passende reacties en sancties bij het overschrijden van de norm, volgen en reflecteren op casuïstiek, het versterken van het leiderschap op dit thema en werken aan het herstel, erkenning en verzoening. Het doel is om sociale veiligheid binnen teams te bevorderen en duidelijkheid te bieden over de geldende normen en de wijze van sanctionering bij de overschrijding daarvan. De politie werkt hard om het plan aanpak Uitsluiting, Discriminatie en Racisme in de praktijk te brengen en deze te monitoren. Hiervoor worden nieuwe en bestaande instrumenten (door)ontwikkeld en beschikbaar gesteld.
Bent u het eens met de stelling dat discriminatie en racisme binnen de politieorganisatie keihard moet worden bestreden? Zo ja, wat vindt u ervan dat het in deze documentaire aangekaarte racisme bij de politie wordt doodgezwegen? Is dit symptomatisch en hoe verhoudt dit zich tot de reacties van de politietop op deze documentaire om racisme in eigen kring strenger aan te pakken? Begrijpt u dat de zes politiemensen uit De Blauwe Familie dit nu vooral als een manifestatie van schijnheiligheid ervaren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat slechts één van de politiecollega’s die meewerkten aan de documentaire een gratificatie «wegens moedig uitspreken in de documentaire» heeft gekregen en de anderen zelfs strafrechtelijk zijn aangepakt? En klopt het dat één van de betrokkenen hierover door de politiekorpschef zou worden gebeld over zijn strafzaak, maar dat tot op heden nooit contact is geweest?
Het past mij niet om in te gaan op individuele casuïstiek.
Wat vindt u van de manier waarop de politiekorpsleiding met betrokkenen is omgesprongen? Wat vindt u van deze gang van zaken? Bent u het eens met de stelling dat dit absoluut onaanvaardbaar is, een uiterst slecht voorbeeld is voor hoe in Nederland moet worden omgegaan met discriminatie en potentiële klokkenluiders zal afschrikken om melding te maken van misstanden, waardoor racisme en discriminatie kunnen blijven voortbestaan? Zo nee, waarom niet?
De korpschef heeft mij aangegeven dat met elk van de collega’s uit de documentaire De Blauwe Familie vanuit de politieleiding contact is geweest. Hun oproep is gebruikt als versneller bij de aanpak van uitsluiting, discriminatie en racisme in de politieorganisatie en ik ben de deelnemers aan de documentaire dan ook dankbaar voor hun getoonde moed. Het artikel geeft de persoonlijke beleving van de betrokken collega’s weer en het is duidelijk dat deze inspanningen tot nu toe nog onvoldoende hebben geleid tot het herstel van vertrouwen. Ik zal er bij de korpschef op aandringen zich voor herstel en verzoening in te blijven spannen, voor zover dat mogelijk is.
Ik vind het belangrijk dat politiemedewerkers die op de hoogte zijn van gedragingen of activiteiten binnen de organisatie die het algemeen belang kunnen schaden of bedreigen, moeten worden beschermd als zij dit melden. Door deze misstanden te melden dragen zij namelijk bij aan het onthullen of voorkomen van dergelijke inbreuken, waardoor zij een belangrijke bijdrage leveren aan het maatschappelijk welzijn van alle medewerkers. De korpschef en plaatsvervangend korpschef hebben uw Kamer op 29 september jl. persoonlijk een toelichting gegeven over hun plan om discriminatie en racisme te bestrijden. Zij werden hierin bijgestaan door de landelijk coördinator in het korps en het hoofd Veiligheid Integriteit en Klachten. Dit werd door de korpsleiding ervaren als een open gesprek met uw Kamer en deze lijn vervolg ik graag met u.
Bent u bereid om bij de politiekorpsleiding aan te dringen op voortvarendheid bij rehabilitatie van de betrokkenen en te onderzoeken hoe rechts- en eerherstel kan worden bevorderd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen voorafgaande aan het commissiedebat politie van donderdag 22 december aanstaande beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht ‘Regering Curaçao is het oneens met hof en wil niet dat huwelijk wordt opengesteld’ |
|
Roelien Kamminga (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de regering van Curaçao in cassatie wil gaan tegen een gerechtelijke uitspraak van Het Gemeenschappelijke Hof van Justitie met betrekking tot het openstellen van het huwelijk van personen van hetzelfde geslacht?1, 2
Ja.
Bent u het ermee eens dat het van het grootste belang is dat alle inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden en dus ook Curaçao, de mogelijkheid hebben om met een partner van hetzelfde geslacht te kunnen trouwen? Indien dit niet het geval is, waarom niet?
Ik ben het daar zeker mee eens. Ik vind het ook van groot belang dat overal binnen het Koninkrijk zorg wordt gedragen voor de verwezenlijking van de fundamentele mensenrechten. De keerzijde is echter dat die verwezenlijking in beginsel aan de autonome landen zelf is. Wat wel uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) volgt, is dat er een positieve verplichting op staten rust die het huwelijk niet openstellen voor partners van gelijk geslacht. Deze positieve verplichting houdt in dat er een alternatief, zoals bijvoorbeeld een vorm van een geregistreerd partnerschap, wettelijk moet worden verankerd. Een contractuele lappendeken, zoals het EHRM het noemt, is niet gelijkwaardig aan een wettelijk stelsel. Veel rechtsgevolgen van het huwelijk zijn immers niet contractueel te bereiken. Deze verplichting geldt ook voor de landen binnen het Koninkrijk.
Kunt u aangeven wat de Nederlandse regering de afgelopen jaren heeft gedaan op het gebied van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht in haar relaties met de autonome landen?
In 2010 is het Pink Orange Akkoord gesloten tussen de lhbtiq+ organisaties binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Het Ministerie van OCW ondersteunde deze Pink Orange Alliantie van 2012 tot 2017 door middel van subsidies voor emancipatie. Hiermee zijn jaarlijks verschillende activiteiten op de eilanden georganiseerd voor emancipatie van de lhbtiq+ gemeenschap. Ook met het huidige emancipatiebeleid wordt ingezet op de voortzetting van het Pink Orange Akkoord. Deze heeft tot doel om de lhbtiq+ organisaties te versterken om zo gelijke rechten en acceptatie van lhbtiq+ personen in het Caribische gebied te verwezenlijken. De Minister van OCW heeft als coördinerend Minister voor emancipatie tijdens zijn bezoek aan Aruba, Bonaire en Curaçao in januari 2023 tevens aandacht gevraagd voor de gelijke rechten van de lhbtiq+ gemeenschap.
Vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) zijn er onder andere verschillende gesprekken gevoerd met diverse op de landen gevestigde belangenpartijen. Daarnaast heeft BZK in 2022 een subsidie gegeven aan de organisatie van het Pride festival op Curaçao waar ook een medewerker van de Nederlandse Vertegenwoordiging, namens BZK, heeft gespeecht. Ook heb ik het onderwerp in het kader van de toezegging3 aan het lid Dittrich in verschillende overleggen met de landen ter sprake gebracht.
Verder wordt er bij de dienstreizen van bewindslieden steeds meer aandacht gevraagd voor de (geschiedenis van de) lhbtiq+ gemeenschap op de eilanden. Zo is de Minister van Justitie en Veiligheid recentelijk meegenomen op een tour door Otrabanda op Curaçao waarbij stilgestaan werd bij de uitdagingen voor de gemeenschap.
Heeft u contact gehad met de Curaçaose regering over het voornemen om in cassatie te gaan tegen de gerechtelijke uitspraak? Zo ja, op welke wijze?
Ja, er is contact geweest met de Curaçaose regering over de beweegredenen om cassatie in te stellen. Het al dan niet instellen van cassatie blijft wel een aangelegenheid van het land zelf. Aruba heeft overigens nog geen beslissing genomen over het wel of niet instellen van cassatie.
Kunt u een indicatie geven van het geschatte aantal huwelijken van personen van hetzelfde geslacht dat doorgang zou kunnen vinden als de gerechtelijke uitspraak van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie gehandhaafd blijft? Zo ja, hoe groot is dit aantal?
Een grove schatting zou zijn dat het om tientallen huwelijken zou gaan.
Wat vind u van het feit dat een geregistreerd partnerschap op Aruba wel mogelijk is voor personen van hetzelfde geslacht, maar dit op Curaçao niet het geval is?3
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 heb aangegeven: het is in beginsel aan het autonome land zelf om zorg te dragen voor de verwezenlijking van de fundamentele mensenrechten. Ook heb ik de positieve verplichting die uit de jurisprudentie van het EHRM volgt benoemd. Aruba heeft een eerste stap gezet met het wettelijk verankeren van een geregistreerd partnerschap. Al is hierbij wel de kanttekening te plaatsen dat het op dit moment nog niet helemaal een volwaardige vervanging is van het huwelijk daar de rechtsgevolgen nog niet hetzelfde zijn. Overigens is door het Hof geoordeeld dat ook Aruba het discriminatieverbod heeft geschonden door partners van gelijk geslacht uit te sluiten van het huwelijk.
Naast de schending van het discriminatieverbod, heeft het Hof geoordeeld dat Curaçao ook de door het EHRM bepaalde positieve verplichting heeft geschonden. Dit baart mij zorgen. Van belang is dat zij de mensenrechten in dit kader in ieder geval borgen. Feit is immers dat er iets zal moeten gebeuren. Ik zal de uitkomst hiervan nauwgezet volgen.
Wat is volgens u de impact van de uitspraak van het Gemeenschappelijke Hof van Justitie op de andere landen binnen het Koninkrijk? Hoe ziet u de dialoog met de autonome landen binnen het Koninkrijk op dit onderwerp in de toekomst?
Het Hof heeft op dezelfde datum ook vonnis gewezen in een Arubaanse zaak, met dezelfde conclusie. Uw vraag lijkt dan met name te zien op de impact van deze uitspraken op Sint Maarten. Mocht dit vonnis overeind gehouden worden door de Hoge Raad dan heeft dit zeker impact op Sint Maarten, daar de wettelijke kaders gelijkluidend zijn als op Aruba en Curaçao. De dialoog wordt op dit moment gevoerd in het kader van de toezegging aan het lid Dittrich. Dit heeft door de gevolgen en beperkingen van COVID vertraging opgelopen.
De inkomenseffecten van het afschaffen van de IACK |
|
Senna Maatoug (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat zijn de inkomenseffecten van het afschaffen van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)?
In het Belastingplan 2023 is geregeld dat de IACK vanaf 2025 wordt uitgefaseerd. Werkende ouders die op dit moment recht hebben op IACK, behouden recht op IACK. Dat geldt ook voor toekomstige ouders met kinderen die geboren zijn op of voor 31 december 2024. Voor deze twee groepen ouders (zogenaamde bestaande gevallen) heeft de afschaffing van de IACK geen gevolgen, en dus ook geen inkomenseffecten.
Toekomstige werkende ouders van kinderen die geboren worden op of na 1 januari 2025 (zogenaamde nieuwe gevallen) hebben nu geen recht op IACK, en krijgen in de toekomst ook geen recht op IACK. Dit effect komt niet tot uitdrukking in reguliere koopkrachtberekeningen. Berekeningen over inkomenseffecten van toekomstig beleid zijn altijd statisch: dat betekent dat veranderingen in de persoonlijke situatie, zoals de geboorte van een kind of het ouder worden van kinderen, niet worden meegenomen. Daarom heb ik in de brief van 9 oktober 2022 aangegeven dat er «technisch gezien» geen sprake is van een inkomenseffect door het afschaffen van de IACK.
Wat zijn de inkomenseffecten als daarbij ook het verhogen van het vergoedingspercentage in de kinderopvangtoeslag naar 96% en de verhoging van het minimumloon wordt meegenomen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het wegvallen van de IACK voor nieuwe ouders (met kinderen geboren na 2024) betekent dat zij een belastingkorting mislopen die er anders wel zou zijn?
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit een reële achteruitgang betekent voor nieuwe ouders, en dat de kwalificatie in uw brief1 dat dit «technisch gezien» niet een inkomenseffect is (aangezien zij nu geen IACK ontvangen en in de toekomst ook niet), geen recht doet aan de inkomensproblematiek en zorgen bij ouders, met name die met lagere inkomens? Deelt u de opvatting dat de inkomens van deze groepen onze onverminderde aandacht verdienen?
Het klopt uiteraard dat nieuwe cohorten ouders financieel nadeel ondervinden van het afschaffen van de IACK. Om dit inzichtelijk te maken is een simulatie gemaakt van de hypothetische situatie waarin alle werkende ouders die nu IACK ontvangen, in 2023 abrupt het recht op IACK verliezen. Huishoudens die nu geen IACK ontvangen zijn niet meegenomen de analyse. De simulatie heeft betrekking op 2023, omdat voor 2025 nog geen inkomensbeeld beschikbaar is dat kan worden gebruikt voor de analyse.
Tabellen 1 en 2 tonen de uitkomsten van de simulatie. De tabellen tonen voor vier inkomensklassen het mediane inkomenseffect van het volledige verlies van recht op IACK. De uitkomsten zijn uitgedrukt in zowel euro’s als procenten, en zijn afzonderlijk weergegeven voor alleenstaande ouders en samenwonende ouders. Het afschaffen van de IACK leidt tot een negatief inkomenseffect. Het mediane effect is -2.500 euro per jaar voor alleenstaande ouders, en dat betreft -4,6% van hun besteedbaar inkomen. Het mediane effect voor tweeverdieners is -2.400 euro, wat neerkomt op -2,5%. Dat een vergelijkbaar inkomenseffect in euro’s neerkomt op een ander percentage, wijst erop dat het mediane huishoudinkomen van alleenstaande ouders lager ligt dan van tweeverdieners. Dat is ook zichtbaar in de verdeling van huishoudens over de inkomensklassen. Tweeverdieners zitten vaker in hogere inkomensklassen, terwijl alleenstaande ouders vaker in lagere inkomensklassen zitten.
De tabellen laten ook zien dat het negatieve effect (in absolute zin) groter is voor huishoudens met een hoger inkomen. Hiervoor zijn twee verklaringen. De eerste verklaring is dat huishoudens met een hoger inkomen doorgaans recht hebben op meer IACK. De IACK bouwt op met het inkomen, tot het maximale IACK-bedrag van circa 2.700 is bereikt bij een persoonlijk inkomen van circa 28.500 euro. De tweede verklaring hangt samen met het zogenaamde verzilveringsprobleem. Sommige ouders betalen op basis van de tarieven niet genoeg belasting om alle heffingskortingen waar ze recht op hebben (arbeidskorting, algemene heffingskorting en IACK) volledig te benutten. Daardoor hebben ouders met een inkomen tot circa 28.000 euro in praktijk minder voordeel van de IACK dan het bedrag waarop zij op grond van hun brutoinkomen recht zouden hebben. Gevolg is ook dat zij de afschaffing van de IACK slechts deels merken.
De twee genoemde redenen verklaren ook waarom het effect bij alleenstaande ouders sneller oploopt met het inkomen dan bij samenwonende ouders. De hoogte van de IACK is bij samenwonende ouders gebaseerd op het inkomen van de minstverdienende partner. Het inkomen van de minstverdienende partner ligt altijd (minimaal de helft) lager dan het huishoudinkomen. Daardoor hebben zij – ook bij een hoger huishoudinkomen – vaker geen recht op het maximale IACK-bedrag, en bovendien speelt vaker dat ouders niet het volledige bedrag kunnen verzilveren.
Tot slot is belangrijk dat er binnen elke inkomensklasse sprake is van aanzienlijke spreiding in de uitkomsten van de simulatie, vooral bij tweeverdienershuishoudens. Deze spreiding is verder niet zichtbaar in de tabel, maar het kan voorkomen dat samenwonende ouders met een hoog huishoudinkomen (meer dan twee of drie keer modaal) weinig IACK kunnen verzilveren, omdat de minstverdienende partner slechts een klein deel van het huishoudinkomen verdient. In zo’n geval is het effect van afschaffing ook relatief beperkt.
*Getallen zijn afgerond op honderden euro’s
*Getallen zijn afgerond op honderden euro’s
In aanvulling op bovenstaande tabellen is een tweede simulatie gemaakt. Hierin is niet alleen gesimuleerd dat de IACK wordt afgeschaft per 2023, maar er is ook rekening gehouden met de reeds doorgevoerde verhoging van het wettelijk minimumloon2 en de voorgenomen verhoging van de vergoeding voor kinderopvang naar 96% voor alle werkende ouders. Dit is slechts een deel van het doorgevoerde en voorgenomen beleid dat relevant is voor het inkomen van deze groep huishoudens. Omdat ook geabstraheerd is van macro-economische ontwikkelingen (zoals de ontwikkeling van lonen en prijzen) geeft deze simulatie geen informatie over de verwachte koopkrachtontwikkeling van deze groep huishoudens.
Tabellen 3 en 4 tonen de uitkomsten van de simulatie. De simulatie laat zien dat een verhoging van het minimumloon en de kinderopvangvergoeding een positief effect hebben op het huishoudinkomen, maar dat per saldo een negatief inkomenseffect resteert. Voor alleenstaande ouders komt het mediane negatieve effect uit op 1.300 euro (-3,2% van hun besteedbaar inkomen). Voor samenwonende ouders komt het mediane negatieve effect uit op 500 euro (-0,7% van hun besteedbaar inkomen). Daarbij is relevant dat de simulatie ervan uitgaat dat alle ouders evenveel gebruik blijven maken van kinderopvang. Als ouders meer gebruik gaan maken van kinderopvang, dan hebben zij meer profijt van de hogere vergoeding voor kinderopvang.
Ook hier is binnen inkomensklassen sprake van aanzienlijke spreiding in de uitkomsten van de simulatie. Die spreiding wordt – naast de hierboven toegelichte spreiding in de verzilvering van IACK – veroorzaakt door verschillen in gebruik van kinderopvang. In elke inkomenscategorie zitten zowel huishoudens die relatief veel gebruik maken van kinderopvang (maximaal aantal uren) als huishoudens die relatief weinig gebruikmaken van kinderopvang (slechts één dagdeel, of helemaal niet). Daarnaast heeft een deel van de huishoudens met een benedenmodaal inkomen profijt van de verhoging van het minimumloon met ruim 10%. Dit effect is niet (goed) zichtbaar in de medianen, omdat in de laagste inkomenscategorie ook een grote groep werkenden is vertegenwoordigd met een inkomen dat nu al boven wml-niveau ligt. Die groep merkt wellicht weinig van de wml-verhoging. Daarnaast kan het voorkomen dat werkenden met een laag inkomen weinig merken van de minimumloonsverhoging omdat zij een beperkt aantal uren werken tegen een hoger uurloon. Voor werkenden die voltijd werken tegen wml is het positieve inkomenseffect van de minimumloonsverhoging circa 2.000 euro.
*Getallen zijn afgerond op honderden euro’s
*Getallen zijn afgerond op honderden euro’s
Kunt u bij het beantwoorden van vragen 1 en 2 ook het verschil in inkomen meenemen van de groep benoemd in vraag 3, namelijk die de IACK niet krijgt, maar in de toekomst wel zou hebben gekregen? Kunt u hun inkomen afzetten tegen de situatie waarin de IACK niet wordt afgeschaft en zij daarom in de toekomst wel IACK zouden ontvangen? Hoe groot is deze groep?
Zie antwoord vraag 4.
Gaat u de negatieve inkomenseffecten bij groepen met een kleinere portemonnee rechtzetten door extra te herverdelen buiten het domein van kinderen en de kinderopvang, bijvoorbeeld via de inkomstenbelasting?
Op dit moment zijn er geen concrete plannen om dit effect te compenseren. Wel kijkt het kabinet ieder jaar bij de besluitvorming over het inkomensbeleid naar de evenwichtigheid van de koopkrachtontwikkeling. Daarbij wordt ook gekeken naar verschillende groepen huishoudens, zoals huishoudens met en zonder kinderen.
Het artikel ‘Warmteleveranciers verhogen hun tarieven volgend jaar fors’ |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Warmteleveranciers verhogen hun tarieven volgend jaar fors»?1 Was u ervan op de hoogte dat de warmteleveranciers hun tarieven zouden verhogen voor het volgende jaar?
Ja, ik ben bekend met het nieuwsbericht.
Het was te verwachten dat de tarieven voor warmtelevering boven het prijsplafond in 2023 sterk zouden stijgen. Vattenfall heeft zijn hogere tarieven al eind november aangekondigd. In de loop van 2022 zijn gasprijzen sterk gestegen. De verwachting was dat dit ook tot veel hogere warmteprijzen zou leiden, om twee redenen. Ten eerste heeft de hogere gasprijs ook geleid tot hogere kosten van warmteleveranciers. Ten tweede is de maximumprijs die de ACM op basis van de Warmtewet vaststelt voor de levering van warmte afgeleid van de prijs van aardgas. Door de sterke stijging van de gasprijs is deze maximumprijs ook sterk gestegen, waardoor warmteleveranciers hun tarieven konden verhogen.
Overigens betalen warmteafnemers in 2023 bij de drie grootste warmteleveranciers minder dan ze zouden betalen als deze de maximumprijzen van de ACM zouden toepassen. De tabel hieronder toont het verschil tussen de totale jaarlijkse kosten voor warmte, de som van vast en variabel, voor een gemiddeld huishouden dat 35 GJ per jaar verbruikt, ten opzichte van de kosten bij de betreffende leverancier bij hetzelfde verbruik in het voorafgaande jaar. Voor 2023 is de vergelijking in twee varianten opgenomen: in de situatie waarin er geen prijsplafond zou gelden, en in de situatie waarin het prijsplafond wel van toepassing is.
2020
2021
2022
2023 zonder prijsplafond
2023 met prijsplafond
Totale jaarlijkse kosten met toepassing van maximumprijzen van de ACM
€ 1.534
€ 1.524
€ 2.541
€ 3.903
€ 2.380
Eneco
Verschil %
– 8,39%
– 7,01%
– 17,86%
– 2,33%
– 3,82%
Verschil absoluut
– € 129
– € 107
– € 454
– € 91
– € 91
Vattenfall
Verschil %
– 9,91%
– 8,24%
– 24,96%
– 16,07%
– 5,09%
Verschil absoluut
– € 152
– € 126
– € 634
– € 627
– € 121
Ennatuurlijk
Verschil %
– 10,56%
– 12,19%
– 18,71%
– 13,93%
– 4,21%
Verschil absoluut
– € 162
– € 186
– € 476
– € 544
– € 100
Hoe apprecieert u deze tariefsverhogingen? Acht u deze redelijk?
Voor veel warmteleveranciers hebben de hogere gasprijzen geleid tot hogere kosten. Ik acht het redelijk dat warmteleveranciers hun tarieven verhogen als hun kosten stijgen. Ik heb echter geen inzicht in de kosten van individuele warmteleveranciers en ik kan niet beoordelen of alle tariefverhogingen noodzakelijk waren om kostenstijgingen op te vangen. Warmteafnemers worden overigens in 2023 beschermd door het prijsplafond.
De leveranciers geven aan dat de tarieven stijgen omdat hun kosten zijn gestegen, onder andere doordat een deel van de warmtenetten ook gas gebruikt om warmte te creëren. Kunt u aangeven hoeveel warmtenetten gebruik maken van aardgas en als het niet aardgas is welke energiebronnen voor de andere warmtenetten worden gebruikt? Kunt u per energiebron aangeven met hoeveel de prijs is gestegen en of dit overeenkomt met de prijsstijgingen voor warmtelevering?
Volgens de gegevens van de RVO uit de Duurzaamheidsrapportage is voor de grote en middelgrote netten het aandeel van aardgas in de warmteproductie 58%. Het gaat hier voornamelijk om elektriciteitscentrales die zowel gas als warmte produceren, en om gasketels. Andere belangrijke bronnen zijn biogas en biomassa (17%) en restwarmte van afvalverbranding of van andere processen (24%). Daarnaast wordt warmte nog geproduceerd met aquathermie, geothermie of warmte-koude opslag waarbij een warmtepomp wordt gebruikt.
Ik heb geen gegevens over het totale aantal warmtenetten dat gebruik maakt van aardgas. Volgens de schatting van de RVO zijn er in Nederland meer dan honderd warmteleveranciers. Veel leveranciers hebben meerdere netten, die gebruik maken van verschillende bronnen. Ook binnen hetzelfde net kunnen verschillende bronnen worden gebruikt. De meeste grote en middelgrote netten in Nederland maken gebruik van een mix van bronnen, waaronder aardgas.
Warmteleveranciers hebben hun tarieven voor 2022 kort na de publicatie van het ACM-tariefbesluit voor 2022 vastgesteld. De prijzen van aardgas zijn sindsdien sterk gestegen (zie onderstaande grafiek). Op 15 december 2022 was de prijs ongeveer twee keer zo hoog als op 15 december 2022, met in de zomer van 2022 prijzen die drie tot zes keer zo hoog waren als in december 2022. Eind december 2022 zijn de prijzen weer gedaald tot het niveau van januari 2022.
Figuur 1 TTF prijsindex voor contracten met leveringen volgende maand
Bron: www.ice.com. 19 januari 2022.
De werkelijke stijging van inkoopkosten van gas verschilt echter per leverancier. Een leverancier die op de TTF veel gas in augustus 2022 heeft ingekocht, heeft veel hogere kosten dan een leverancier die dat in januari of december van dat jaar heeft gedaan, of die met de inkoop heeft gewacht tot januari 2023. Daarnaast wordt aardgas in veel gevallen ingekocht op basis van langlopende contracten, waarbij de prijsontwikkelingen anders kunnen zijn (hoewel deze contracten ook vaak op de huidige marktprijs worden geïndexeerd).
Ook de prijzen van andere bronnen zijn gestegen, al is het niet mogelijk om deze stijging cijfermatig te duiden. Er bestaat voor deze bronnen namelijk geen landelijke wholesalemarkt, de prijzen worden rechtstreeks tussen verkoper en afnemer afgesproken. Voor zover gebruik wordt gemaakt van vanuit de SDE++ gesubsidieerde duurzame warmtebronnen zoals biogas en biomassa, is het van belang dat gelet op de systematiek van de SDE++ de hoogte van de subsidie gekoppeld is aan de gasprijs. Een hoge gasprijs betekent een lage subsidie. Dat kan er toe leiden dat ook warmtenetten met vooral duurzame bronnen per saldo hogere kosten met zich meebrengen als gevolg van de gestegen gasprijzen. De prijzen van restwarmte zijn vaak ook gestegen, omdat de contractprijzen voor deze bron vaak op gas worden geïndexeerd.
Ook als prijzen van andere bronnen niet direct of indirect aan de aardgasprijs zijn gekoppeld, heeft de hogere aardgasprijs de vraag ernaar verhoogd met hogere prijzen als gevolg. Ten slotte is ook de prijs van elektriciteit, die gebruikt wordt voor warmtepompen bij duurzame bronnen, sterk gestegen.
Het is dus duidelijk dat de kosten zijn gestegen. Ik heb echter geen inzicht in kosten van iedere individuele leverancier en dat maakt het dus onmogelijk om antwoord te geven op de vraag of en in hoeverre in specifieke situaties de tariefstijging in verhouding staat tot de kostenstijging.
Eventuele bovenmatige stijgingen van contractuele tarieven worden in 2023 voorkomen door de rendementstoets als onderdeel van de subsidieregeling voor de bekostiging van prijsplafond voor energie, en door de rendementstoets van de ACM die op dit moment in voorbereiding is. Zie voor verdere toelichting over deze rendementstoetsen mijn brief aan de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat (kenmerk DGKE-DE/2616285). De controle op rendementen zorgt ervoor dat eventuele prijsverhogingen in verhouding moeten staan tot reële kostenstijging waarmee leveranciers geconfronteerd worden.
Heeft u zicht op hoeveel winst warmteleveranciers maken met de nieuwe tarieven? Vindt u de winsten redelijk?
Ik kan op dit moment niet beoordelen of de stijging van warmtetarieven volledig gebaseerd is op de werkelijke kosten. Zie ook mijn antwoord op vraag 1. Na afloop van 2023 komt er meer informatie beschikbaar. Dan moeten warmteleveranciers die gebruik maken van de subsidie in het kader van het prijsplafond informatie over hun rendementen aanleveren aan de RVO.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft de warmteleveranciers opgeroepen om de maximumtarieven niet te gebruiken om overwinsten te voorkomen, hoe wordt hier toezicht op gehouden? Is er volgens u voldoende toezicht op dit moment op de tariefsverhogingen?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat de totstandkoming van de warmtetarieven transparanter moet worden? Welke mogelijkheden ziet u hiervoor? Kunnen er eisen gesteld worden aan deze transparantie waardoor gebruikers van een warmtenet er meer zicht op krijgen?
De ACM kan in het kader van haar toezichtstaken inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de tarieven. Dit betreft echter bedrijfsgevoelige, vertrouwelijke informatie. De huidige Warmtewet bevat geen specifieke verplichtingen over de kostentransparantie naar de gebruikers toe. Ik onderzoek nog of aangescherpte bepalingen ten aanzien van transparantie in de nieuwe Warmtewet moeten worden opgenomen.
De warmtetarieven zijn momenteel nog steeds gekoppeld aan de gasprijs, wanneer wordt dit aangepast? Deelt u de mening dat deze koppeling leidt tot onnodig hoge warmtetarieven? Wat zouden de warmtetarieven zijn onder het cost-plus model? Hoeveel kost dit een gemiddeld huishouden op een warmtenet extra?
Voor het antwoord op de vraag of de koppeling aan de gasprijs losgelaten moet worden en op de vraag of het loslaten van deze koppeling leidt tot te hoge tarieven verwijs ik u naar mijn gelijktijdig verzonden brief aan de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat.
Het is niet mogelijk om een antwoord te geven op de vraag wat de tarieven zouden zijn onder het kostplus model, maar er is geen garantie dat de daadwerkelijke tarieven in alle situaties lager zullen zijn dan onder de huidige tariefregulering. De op kosten gebaseerde tariefregulering die ik voorzie in de nieuwe Warmtewet heeft wel het voordeel dat de maximale tarieven dan gekoppeld zullen zijn aan de kosten van warmtelevering in plaats van aan de gemiddelde kosten van gaslevering zoals dat nu het geval is.
Op welke manier moeten de warmteleveranciers op dit moment verantwoording afleggen over de warmtetarieven?
Zie mijn gelijktijdig verzonden brief aan de Vaste Kamercommissie voor Economische Zaken en Klimaat (kenmerk DGKE-DE/2616285).
Belemmeringen in het gebruik van elektrische voertuigen, terwijl we dit gebruik juist willen stimuleren |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe kijkt u aan tegen de ontwikkeling dat er steeds meer elektrische voertuigen in ontwikkeling zijn en op de markt komen, die zich niet zo makkelijk laten categoriseren en in feite tussencategorieën vormen tussen auto, motor, fiets en dergelijke? Zou u deze vraag willen beantwoorden in het licht dat deze tussencategorieën niet in de wet- en regelgeving zijn opgenomen?
De diversiteit aan elektrische en elektrisch ondersteunde voertuigen neemt toe. Voor de verkeersveiligheid is het belangrijk eisen te stellen aan deze voertuigen en aan het gebruik ervan.
Voor de eisen aan het voertuig geldt in beginsel Europese regelgeving, zoals de Europese verordening betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (Verordening (EU) nr. 168/2013). Een relatief klein deel valt vanwege de kenmerken van het voertuig buiten Europese voertuigkaders. In die gevallen is het aan de lidstaten om regels te stellen ten aanzien van toelating van voertuigen tot het verkeer op de weg. Nederland hanteert de Beleidsregel aanwijzing bijzondere bromfietsen (hierna: de Beleidsregel) voor voertuigen die buiten het toepassingsbereik van Verordening (EU) nr. 168/2013 vallen. De werking en inhoud van deze beleidsregel is vergelijkbaar met de Europese Verordening (EU) nr. 168/2013.
Op dit moment wordt gewerkt aan de implementatie van het nationale kader voor lichte elektrische voertuigen (het LEV-kader) in wet- en regelgeving. Het LEV-kader kan voor wat betreft de eisen aan het voertuig worden beschouwd als opvolger van de Beleidsregel. In het bij de Kamer aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en enige andere wetten in verband met het laten vervallen van de mogelijkheid tot het aanwijzen van bijzondere bromfietsen en het mogelijk maken van implementatie van het kader voor lichte elektrische voertuigen1 wordt voorgesteld dat een goedkeuring door de RDW nodig is in plaats van een aanwijzing. Daarnaast wordt in het LEV-kader een goedkeuring vereist voor grote elektrisch ondersteunde bakfietsen die zijn bedoeld voor het vervoer van goederen of personen. De voertuigcategorieën in het LEV-kader zijn zo gekozen dat voertuigen die buiten de reikwijdte van Verordening (EU) nr. 168/2013 vallen en na inwerkingtreding van het voornoemde wetsvoorstel een goedkeuring nodig hebben om op de weg te mogen worden gebruikt, in één van de categorieën van het LEV-kader vallen.
Zodoende borgen we de verkeersveiligheid met een «sluitend» systeem zonder tussencategorieën die buiten wet- of regelgeving vallen.
Zou u de voorgaande vraag ook willen beantwoorden in het licht dat we het gebruik van deze elektrische voertuigen willen stimuleren, maar dat gebruikers van in het bijzonder voertuigen die erg op een auto lijken of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, in de praktijk en in de wet- en regelgeving aanlopen tegen belemmeringen in het gebruik ervan, zoals de Virtos, de LEF (die eerst de naam E-one had) en de Carver S+?
Zoals ook in het antwoord op vraag 1 is aangegeven, is er sprake van een «sluitend» systeem aan voertuigcategorieën. Om een voertuig op de weg te mogen gebruiken moet het zijn goedgekeurd en aan de voor die categorie gestelde eisen voldoen, dan wel van goedkeuring zijn vrijgesteld. Dit systeem is kaderstellend en doet in zichzelf geen uitspraken over de wenselijkheid van het stimuleren van het gebruik.
De eisen die aan het gebruik en de gebruiker van een voertuig worden gesteld variëren per voertuigcategorie. Bij voertuigtoelating geldt dat een doorontwikkeling van een bestaand voertuig tot een nieuw voertuig goedkeuring vergt. Ten behoeve van de goedkeuring bepaalt degene die de aanvraag van een goedkeuring doet onder welke categorie dit gebeurt. Daarmee bepaalt de aanvrager aan de hand van welke technische eisen dat voertuig dan wordt beoordeeld en dus ook welke gebruikseisen gelden voor dat voertuig na goedkeuring.
Ter illustratie: een fabrikant past zijn elektrische fiets (die valt in de categorie fiets) zodanig aan dat de trapondersteuning niet stopt bij 25 km/u maar bij 45 km/u. Dan is het niet langer een fiets, maar een speed-pedelec (die valt in de categorie bromfiets). Hiervoor gelden andere voertuigeisen en gebruikerseisen dan voor fietsen. Om op een fiets te rijden is geen rijbewijs nodig, terwijl voor een speed-pedelec een rijbewijs AM nodig is.
Zou u op een rij willen zetten op welke elektrische voertuigen, die binnen dergelijke tussencategorieën vallen, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zicht heeft?
Aangezien Nederland een sluitend systeem van voertuigcategorieën kent zoals toegelicht bij vraag 1, is er geen sprake van tussencategorieën. Hieronder zijn daarom de voorgestelde rijbewijseisen voor bijzondere bromfietsen, voor iedere categorie van het LEV-kader, en voor de specifieke merken voertuigen, genoemd in vraag 2, geschetst. De voertuigen waarin examens mogen worden afgelegd staan voor elke categorie beschreven in de Europese rijbewijsrichtlijn2 en geïmplementeerd in het Reglement rijbewijzen. Met nationale regels kunnen hier nog aanvullende eisen voor worden gesteld. Daarin is ook bepaald dat het CBR beoordeelt of een voertuig geschikt is voor het examen. Zo mag niet op een speed-pedelec examen worden gedaan.3
De Carver S+, die in vraag 2 is aangehaald, is een Europees typegoedgekeurd voertuig in categorie L5e. Hiervoor geldt rijbewijs A of B (indien rijbewijs B voor 19 januari 2013 is behaald).
Binnen het LEV-kader is voor categorie 2 voor het rijbewijs AM gekozen, aangezien het om relatief zware voertuigen gaat die een groter risico vormen voor de bestuurder, inzittenden en medeweggebruikers. Voor personen die in bezit zijn van een Nederlands rijbewijs A (motorrijbewijs) of B (autorijbewijs) geldt al dat zij het rijbewijs AM automatisch bijgeschreven krijgen.
Zou u per elektrisch voertuig in een dergelijke tussencategorie inzichtelijk kunnen maken welk rijbewijs er nodig is, en waarom specifiek dat rijbewijs nodig is en andere categorieën van het rijbewijs kennelijk minder geschikt zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Zou u per elektrisch voertuig in een dergelijke tussencategorie inzichtelijk willen maken of dit voertuig ook gebruikt mag worden bij het afleggen van het rijexamen? Zou u daarbij willen aangeven waarom ervoor is gekozen om dit voertuig hiervoor wel of niet toe te staan?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe wordt er in de gaten gehouden of bepaalde doorontwikkelingen van voertuigen ervoor zorgen dat een andere categorie rijbewijs voor dat type voertuig meer op zijn plaats is? Zou u de criteria voor deze afwegingen inzichtelijk willen maken?
De rijbewijseis volgt uit de rijbewijsrichtlijn, die verwijst naar de voertuigcategorie. De categorisering van een voertuig gebeurt via indelingscriteria, die veelal Europees bepaald worden. Voor elke categorie voertuig is bepaald welk rijbewijs gepast is om de verkeersveiligheid te borgen. Daarmee kan worden vastgesteld dat iemand over de benodigde rijvaardigheid beschikt om het voertuig te besturen. Dit is ook geïllustreerd in het antwoord op vraag 2. Als de categorisering van voertuigen wordt aangepast is een mogelijk gevolg dat een (ander) rijbewijs nodig is. Aanpassingen van voertuigcategorieën kan om diverse redenen nodig zijn, zoals technologische ontwikkelingen of nieuwe inzichten op basis van (ongevals)data. Een doorontwikkeling van een voertuig kan er ook toe leiden dat deze tot een andere voertuigcategorie gaat behoren met bijbehorende rijbewijseisen.
Zou u twee voorbeelden kunnen geven van het proces en de criteria zoals genoemd in de voorgaande vraag; één waarbij een bepaalde doorontwikkeling voor de benodigdheid van een ander type rijbewijs heeft gezorgd en één waarbij op basis van de genoemde criteria is besloten dat dit niet nodig was? Zou u deze voorbeelden willen uitwerken op een manier die inzichtelijk maakt hoe dit proces verloopt en op welke manier deze criteria worden toegepast?
De rijbewijseis van een voertuigcategorie kan worden aangepast als de huidige rijbewijseis de verkeersveiligheid onvoldoende borgt. Op basis van het rapport «Veilig toelaten op de weg» van de Onderzoeksraad voor Veiligheid4 is dit voor het LEV-kader gebeurd. De aanbevelingen in dit rapport waren aanleiding om met experts en belangenorganisaties in gesprek te gaan of de eisen passend zijn en over eventuele aanpassingen. Over dit proces is ook uw Kamer geïnformeerd.5 Concreet betekent dit dat bij de implementatie van het LEV-kader een rijbewijs AM nodig is voor het besturen van bijvoorbeeld een BSO-Bus, waar tot nu toe voor bijzondere bromfietsen, waaronder de BSO-Bus, geen rijbewijs vereist is. In het geval van de e-bike heeft dit niet geleid tot het invoeren van een rijbewijs. Voor dit voertuig blijft de situatie, wat betreft het rijbewijs, gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat een deel van de genoemde elektrische voertuigen erg op een auto lijken of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, terwijl er een rijbewijs benodigd is voor een ander categorie voertuig?
Zoals in bovenstaande beantwoording is gesteld worden er bepaalde eisen gesteld aan voertuigen in een bepaalde categorie. Waar het voertuig op lijkt is hierin geen criterium. Daarnaast kan voor het besturen van een brommobiel een speciaal brommobiel examen worden gedaan, waarmee ook alleen een rijbewijs voor het brommobiel (AM4) kan worden behaald. Met dat rijbewijs mag geen personenauto of bromfiets worden bestuurd. Daarvoor zijn respectievelijk een rijbewijs B of AM nodig.
Welke mogelijkheden zijn er om wet- en regelgeving zo in te richten dat er voor het besturen van elektrische voertuigen die erg op een auto lijken of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, ook het bezit van een B-rijbewijs afdoende is? Zou u deze vraag willen beantwoorden in het licht van vraagstukken op het gebied van het acceleratievermogen, de wendbaarheid, de balans van het voertuig, de plaats op de weg, de zichtbaarheid voor andere weggebruikers, en niet in de laatste plaats de verkeersveiligheid?
De wet- en regelgeving is zo ingericht dat de rijbewijscategorie volgt uit de voertuigcategorie. Als een elektrisch voertuig een auto is, dan moet de gebruiker in het bezit zijn van een B-rijbewijs. Als een elektrisch voertuig op een auto lijkt, maar onder de voertuigcategorie «brommobielen» valt, dan is een AM-rijbewijs afdoende. In Nederland wordt het rijbewijs AM automatisch bijgeschreven als iemand in bezit is van een Nederlands rijbewijs B. Het motorvermogen en aantal wielen (gerelateerd aan de balans van het voertuig) zijn indelingscriteria. Per voertuigcategorie zijn er eisen aan de stuurinrichting (gerelateerd aan de wendbaarheid) en verlichting. Voor de verschillende voertuigcategorieën wordt ook de plaats op de weg bepaald. Gecombineerd moeten de voertuigindeling, technische eisen en gebruikerseisen de verkeersveiligheid borgen.
Welke mogelijkheden zijn er om de L2e- en de L5e-categorieën voor lichte voertuigen weer toe te voegen aan de regeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) en de Milieu-investeringsaftrek (MIA)-regelingen en een subsidie voor de L-categorie in te voeren, zodat verschillende elektrische voertuigen die op een auto lijken, of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken, niet tussen wal en schip vallen of dreigen te vallen omdat deze twee fiscale stimuleringsmaatregelingen vanaf 2022 niet meer van kracht zijn en deze lichte voertuigen niet onder de nieuwe subsidieregeling vallen?
In de vraagstelling wordt gerefereerd aan voertuigen die op een auto lijken, of door een doorontwikkeling op een auto zijn gaan lijken en die niet tussen wal en schip dienen te vallen door niet meer van kracht zijn van stimuleringsmaatregelen. De MIA en Vamil bieden verschillende mogelijkheden voor voertuigen in de L-categorie. Elektrische motorfietsen (L3e en L4e), kleine elektrische bezorgauto’s (L7e) en speed-pedelecs (L1e-B) komen voor steun via deze regelingen in aanmerking.
Driewielige bromfietsen (L2e) en elektrische driewielige motorrijtuigen (L5e) komen sinds 2022 niet meer in aanmerking. Elektrische varianten van dergelijke kleine lichte vervoersmiddelen zijn bij aanschaf nauwelijks duurder dan de equivalenten met verbrandingsmotor en worden steeds concurrerender. Gekeken naar de «total costs of ownership» van deze voertuigen is in steeds minder gevallen sprake van een onrendabele top voor ondernemers die overbrugd dient te worden. Daarom wordt door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een subsidie als minder doeltreffend en efficiënt geacht.
Deelt u de opvatting dat het goed zou zijn als er vaart gemaakt zou worden met de ontwikkeling van het zogenaamde Lichte Elektrisch Voertuigen (LEV) -kader?
Ja. Ik vind het belangrijk dat de implementatie van het LEV-kader in wet- en regelgeving voortvarend, zorgvuldig en ordentelijk verloopt. Ik verwacht in 2023 ook de aanpassingen van algemene maatregelen van bestuur voor de implementatie van het LEV-kader, zoals het kentekenen van bijzondere bromfietsen en de gebruikerseisen voor LEVs, aan uw Kamer te kunnen sturen in het kader van de voorhangprocedure.