Windmolenverzet in Brielle |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het massale protest in Brielle tegen de komst van twee gigantische windmolens?1
Ik ben bekend met de gestarte petitie tegen de komst van twee windmolens in de gemeente Brielle.
Bent u bekend met het feit dat de normen waarop windmolenprojecten worden getoetst in 2021 door het Europese Hof van Justitie buiten werking zijn gesteld, omdat ze niet voldoen aan Europese wet- en regelgeving en dat het Europese Hof heeft bepaald dat de gezondheid van mens en dier onvoldoende is gewaarborgd met de in Nederland gehanteerde normen? Zo ja, kunt u alle windmolenptojecten op land per direct stopzetten omdat u altijd wijst het belang van Europese wet- en regelgeving? Graag een gedetailleerd antwoord.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 30 juni 2021 geoordeeld dat de algemene regels voor windturbines in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de bijbehorende Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) voor windturbineparken (windturbinebepalingen) buiten toepassing moeten worden gelaten vanwege een procedurefout bij de totstandkoming ervan. Voor deze algemene regels had op grond van EU-recht een planmilieueffect-rapport (plan-MER) moeten worden gemaakt. De Afdeling heeft zich alleen uitgesproken over de procedure, maar niet over de inhoud van de regels. Ik heb u eerder, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), geïnformeerd over de gevolgen van deze uitspraak en het proces om te komen tot nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines op basis van een plan-MER (Kamerstuk 33 612, nr. 80 en 33 612, nr. 76).
Met de Regionale Energiestrategieën is het aan de regio’s om een afweging te maken waar nieuwe windparken en/of zonneparken komen. Dit gebeurt door middel van een zorgvuldig proces. Als gevolg van de uitspraak is het nu aan bevoegde gezagen om zelf vast te stellen en te onderbouwen welke milieunormen zij bij hun besluitvorming hanteren. Zij maken in dat verband een eigenstandige specifieke afweging om te bepalen wat voor de betreffende locatie een aanvaardbaar milieubeschermingsniveau is. Ik zie dat decentrale overheden dit zeer zorgvuldig doen.
Eigen normen van decentrale overheden dienen goed onderbouwd te worden, onder andere op basis van de wetenschappelijke kennis over windenergie en gezondheid. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek.
Bent u bekend met het feit dat op basis van nieuwe Europese normen in Denemarken en Duitsland geen windmolens van deze grootte zo dichtbij woongebieden geplaatst worden, ook niet als zij los staan? Zo ja, wilt u ook om deze reden alle windmolenprojecten op land stilzetten? Graag een gedetailleerd antwoord.
Ik ben bekend met de verschillende afstandsnormen die gelden binnen Europa, zo ook de geldende normen in Denemarken en Duitsland. Uit het onderzoek naar afstandsnormen, waarover ik u eerder heb geïnformeerd, blijkt dat in de acht onderzochte landen op verschillende manieren milieu en afstandsnormen zijn vorm gegeven (Kamerstuk 33 612, nr. 80). Nederland en het Verenigd Koninkrijk hanteren geen landelijke afstandsnorm. Andere landen hebben verschillende afstandsnormen. In landen met een afstandsnorm is deze afstandsnorm meestal ingesteld om de visuele impact van windturbines te beperken. Voor het (aanvullend) reguleren van windturbinegeluid hanteren alle acht onderzochte landen geluidsnormen, waarbij er ook grote verschillen zijn tussen de landen. De verschillen zitten zowel in de wijze van normering, als in het beschermingsniveau dat wordt geboden.
In Nederland zijn de gezondheidseffecten van windturbines tot nu toe gereguleerd met normen voor geluid, externe veiligheid en slagschaduw. Voor de toekomst werkt de Staatssecretaris van IenW aan nieuwe landelijke milieunormen op basis van een plan-MER. Begin 2023 zal het plan-MER en de ontwerpAMvB voor het publiek ter inzage worden gelegd. Rond het zomerreces van 2023 zal de Staatssecretaris van IenW het plan-MER en de ontwerpAMvB aan de Kamer sturen. Het rapport over afstandsnormen wordt betrokken in het plan-MER en bij het opstellen van de AMvB.
Vindt het acceptabel om ten faveure van de natte klimaatdroom een loopje te nemen met de volksgezondheid? Zo ja, wat zegt u tegen al die mensen die overlast ervaren van knipperende verlichting, geluid en slagschaduw voor omwonenden?
Allereerst merk ik op dat de woordkeuze van dhr. Van Haga niet getuigd van het fatsoen en respect waarmee leden van Kamer en kabinet elkaar horen te bejegenen. Ik beantwoord de vraag, omdat ik de zorgen van mensen in Brielle serieus neem, maar wil dhr. Van Haga verzoeken zich voortaan in fatsoenlijker woorden uit te laten.
Windmolens op land produceren schone energie, maar veroorzaken ook hinder, zoals geluid en slagschaduw. Ik vind het daarom belangrijk dat bij vergunningverlening voor windturbines alle effecten op een zorgvuldige manier worden afgewogen. In afwachting van landelijke normen voor milieuaspecten kunnen bevoegde gezagen vergunningen op basis van een lokale milieubeoordeling milieuvoorschriften opnemen in de omgevingsvergunning milieu en het bestemmingsplan om milieubescherming te bieden voor omwonenden. Daarbij hebben belanghebbenden bij vergunningverlening de mogelijkheid hun zienswijze kenbaar te maken.
De gezondheidseffecten als gevolg van windturbines worden serieus genomen. Bij het opstellen van beleid worden de meest recente relevante wetenschappelijke inzichten over gezondheidseffecten betrokken. Daarom actualiseren we de bestaande kennisbasis met betrekking tot windturbines en gezondheidsrisico’s. Hierover heb ik u op 6 juli 2022 geïnformeerd (Kamerstuk 32 812, nr. 76). We richten ons op het waarborgen van een goede bescherming van omwonenden en omgeving en het daarnaast mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen zoals windparken voor schone energie.
De knipperende verlichting bij bestaande windturbines (hoger dan 150 meter) is nodig voor de luchtvaartveiligheid. Om de effecten voor omwonenden te verkleinen, wordt gewerkt aan naderingsdetectie. Naderingsdetectie maakt het mogelijk dat de verlichting alleen gaat branden als een luchtvaartuig de windmolen nadert. Naar verwachting zal het gebruik van naderingsdetectiesystemen voor windparken verankerd worden op 1 januari 2024 in de Omgevingswet. In de tussenliggende periode wordt vooruitlopend op wettelijke verankering invoeren van naderingsdetectie mogelijk gemaakt. Daarvoor is per project toestemming van de ILT vereist (Kamerstuk 32 813, nr. 1085). Samen met provincies, gemeenten en de windsector vind ik het van belang dat de ervaren hinder zo veel mogelijk wordt beperkt.
De gevolgen van de Porthos uitspraak van de Raad van State voor de vergunningaanvraag voor gaswinning bij Ternaard |
|
Tjeerd de Groot (D66), Faissal Boulakjar (D66) |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de Raad van State in de Porthos-zaak voor het vergunningverleningsproces rondom de gaswinning bij Ternaard?1
De uitspraak in de Porthos-zaak heeft tot gevolg dat ook de stikstofdepositie die in de bouw- en aanlegfase op Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt, moet worden getoetst bij de aanvraag om een natuurvergunning. Zoals vermeld in mijn brief aan uw Kamer d.d. 3 november jl. over de uitspraak Porthos, geldt immers voor ieder project dat alsnog moet worden gekeken naar de stikstofeffecten van de aanlegfase.
Wanneer denkt u de besluitvorming rondom de vergunning voor Ternaard af te kunnen ronden?
Op dit moment kan ik nog niet aangeven wanneer de besluitvorming precies kan worden afgerond. De besluitvorming loopt door het alsnog betrekken van de stikstofeffecten in de aanlegfase bij de beoordeling, vertraging op. Omdat het project valt onder de Rijkscoördinatieregeling, ben ik in contact met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het vervolg van de procedure. Ik heb de NAM tot en met het eerste kwartaal van 2023 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen, om zo alsnog deze effecten te kunnen toetsen. Daarna zal de procedure omtrent de besluitvorming hervat kunnen worden.
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de Raad van State in de Porthos-zaak voor gaswinning op de Noordzee en de vergunningverlening daaromtrent?
De gevolgen voor de vergunningverlening voor gaswinning op de Noordzee zijn gelijk aan die voor alle andere projecten waarbij bouw- en/of aanlegwerkzaamheden plaatsvinden. Ik verwijs hierbij ook naar mijn eerder genoemde brief van 3 november.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Natuur dat gepland staat op 9 november 2022?
Tot mijn spijt is dat niet gelukt.
Het bericht 'Hong Kong’s Cathay Pacific to restart polar route flight path over Russia after it was axed in March because of invasion of Ukraine' |
|
Raoul Boucke (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hong Kong’s Cathay Pacific to restart polar route flight path over Russia after it was axed in March because of invasion of Ukraine»?1
Ja.
Welke vliegmaatschappijen zijn niet gebonden aan sancties en mogen nog van deze zogenaamde «polar route» over Rusland gebruikmaken?
De Russische luchtvaartautoriteiten hebben de toegang tot het Russisch luchtruim, waaronder de zogenaamde «polar route» gedeeltelijk valt, ontzegd aan de luchtvaartmaatschappijen afkomstig uit alle lidstaten van de Europese Unie, alsmede Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Noord-Ierland en zijn overzeese Rijksdelen, Gibraltar, Anguilla en de Britse Maagdeneilanden, Noorwegen, IJsland, Albanië, Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw-Zeeland, Japan en Zuid-Korea.
Ik hecht er belang aan u mee te geven dat de ontzegging van de toegang tot het Russisch luchtruim door de Russische luchtvaartautoriteiten aan luchtvaartmaatschappijen uit de opgesomde landen niet is ingegeven uit veiligheidsoverwegingen, maar in reactie op de door die landen getroffen sancties jegens Rusland.
Luchtvaartmaatschappijen afkomstig uit alle overige landen hebben nog wel toegang tot het Russisch luchtruim en mogen daarmee gebruik maken van de zogenaamde «polar route», die zich gedeeltelijk uitstrekt over het Russisch luchtruim. Eerder werd naar aanleiding van de Russische inval in Oekraïne door de Europese Unie en haar lidstaten een vliegverbod opgelegd aan Russische luchtvaartuigen in het luchtruim boven het territoir van de lidstaten van de EU.
Bent u het ermee eens dat het gebruik van deze route door vliegmaatschappijen die niet aan sancties gebonden zijn, zorgt voor oneerlijke concurrentie?
Het gebruik van de zogenaamde «polar route» door luchtvaartmaatschappijen afkomstig uit landen die nog wel toegang hebben tot het Russisch luchtruim kan hen concurrentievoordeel opleveren ten opzichte van luchtvaartmaatschappijen die geen toegang meer hebben tot het Russisch luchtruim vanwege de tijdwinst en verminderd brandstofgebruik die dat kan opleveren.
Landen er vluchten op of vertrekken er vluchten van Schiphol die over deze route vliegen?
Nee, volgens de ons bekende informatie wordt deze route niet gebruikt voor vluchten van en naar Schiphol.
Is de veiligheid van reizigers in het geding bij het gebruik van deze route?
Op dit moment opereren er geen commerciële luchtvaartmaatschappijen via het Russisch luchtruim die gevestigd zijn in de EU-lidstaten of de overige expliciet genoemde landen in het antwoord op vraag 2.
Deze operationele beperking is niet genomen op basis van veiligheidsoverwegingen, maar opgelegd door de Russische luchtvaartautoriteiten, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Is het voor reizigers inzichtelijk of deze route wordt gevlogen voordat zij voor een vlucht van deze niet uitgesloten vliegmaatschappijen kiezen?
De niet uitgesloten luchtvaartmaatschappijen betreffen luchtvaartmaatschappijen die niet in Nederland gevestigd zijn. Over de overige luchtvaartmaatschappijen die wereldwijd opereren is mij slechts in algemene zin bekend dat ze weinig of geen informatie verstrekken of publiceren over de door hen geselecteerde vliegroutes.
Klopt het dat de polar route nu nog is goedgekeurd door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO)?
Nee, dit is niet aan de orde. ICAO heeft geen bevoegdheid om vliegroutes goed te keuren. Staten zijn hier zelf voor verantwoordelijk.
Kunt u toezeggen dat u zich op de kortst mogelijke termijn inzet om het gebruik van deze route te verbieden, zodat de veiligheid van reizigers niet in het geding is, Rusland niet indirect wordt geholpen en er geen oneerlijke concurrentie kan plaatsvinden?
Ik kan commerciële luchtvaartmaatschappijen afkomstig uit landen die nog wel via het Russisch luchtruim mogen opereren niet verbieden om gebruik te maken van de zogenaamde «polar route», omdat ik daar geen juridische bevoegdheden toe heb. Het EU vliegverbod voor Russische luchtvaartuigen dat naar aanleiding van de Russische inval in Oekraïne geldt, heeft uitsluitend betrekking op het luchtruim van de EU staten.
Ik overweeg ook niet om voor te stellen de huidige EU luchtvaartsancties uit te breiden naar luchtvaartmaatschappijen van andere landen zo lang er onvoldoende indicatie is dat die landen betrokken zijn bij de Russische daad van agressie jegens Oekraïne. Een dergelijke uitbreiding kan daarbij ook leiden tot mogelijke repercussies door de getroffen landen die de concurrentiepositie van Nederlandse luchtvaartmaatschappijen aan kunnen tasten en mogelijk ook in bredere zin schadelijke neveneffecten hebben op de Nederlandse handelsbelangen met die landen.
Het kabinet is er in algemene zin wel voorstander van dat de EU er bij derde landen op blijft aandringen om vergelijkbare sancties als de EU in te stellen en de Europese sancties in ieder geval niet te ondermijnen.
Op welke manier gaat u zich hiervoor inzetten?
Zie antwoord vraag 8.
Wat is de status van de aanscherping van het luchtruimbeheer, zodat er niet wordt gevlogen over conflictgebieden, zoals aanbevolen door de Onderzoeksraad voor Veiligheid?
In relatie tot vliegen over en nabij conflictgebieden hebben de ICAO-lidstaten stilgestaan bij de maatregelen die sinds 2014 zijn genomen tijdens de driejaarlijkse Algemene Vergadering van ICAO die in september en oktober van dit jaar werd gehouden.
Daarbij werd het Canadese «Safer Skies Initiative» verwelkomd en is er een vernieuwd werkprogramma vastgesteld over de risico’s die conflictgebieden vormen voor de internationale civiele luchtvaart.
Parallel daaraan zijn er verschillende wereldwijde en regionale initiatieven ontplooid om de zogenaamde «effective airspace risk management» te verbeteren, waarbij geconcludeerd werd dat er gewerkt moet blijven worden om de veiligheid van internationale commerciële luchtdiensten boven en nabij conflictgebieden verder te verbeteren.
In dat verband werd het mede namens Nederland ingediende voorstel gesteund om de herziening van de «Risk Assessment Manual for Civil Aircraft Operations Over or Near Conflict Zones» (ICAO Doc 10084) te prioriteren. De Kamer is eerder over deze inzet geïnformeerd met de Kabinetsreactie op het OVV rapport Veilige Vliegroutes van 26 november 20212.
Op welke manier motiveert u andere lidstaten in het ontwikkelen van een voorstel hiervoor?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht dat bedrijven de door de mbo-school aangedragen stagiair moeten accepteren |
|
Nicki Pouw-Verweij (JA21) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat uw ministerie met het plan komt om bedrijven te verplichten om de door een mbo-scholen aangedragen stagiair aan te te nemen?
Ja. In mijn Kamerbrief over de inzet op de werkagenda MBO1 heb ik mijn inzet op stagematching voor de eerste stage van studenten in hun eerste jaar toegelicht. Stagediscriminatie is een maatschappelijk probleem dat raakt aan het zelfvertrouwen en de ontwikkeling van jonge mensen. Daarom hebben we als kabinet bij de start van deze kabinetsperiode met elkaar afgesproken dat we stagediscriminatie willen uitbannen.
Zijn er behalve discriminatie andere mogelijke redenen waardoor studenten met een migratieachtergrond vaker worden afgewezen dan scholieren zonder een migratieachtergrond?
Onderzoek geeft duidelijk aan dat discriminatie op basis van migratieachtergrond een probleem is.2 Hieruit blijkt dat studenten met een migratieachtergrond vaker solliciteren dan studenten zonder migratieachtergrond, minder kans hebben op een stageplek en tijdens de stage vaker te maken krijgen met stagediscriminatie. In onderzoek onder Utrechtse mbo-studenten bleek bijvoorbeeld dat studenten met een naam die verwijst naar een migratieachtergrond minder kans hebben op een positieve reactie dan studenten met dezelfde productieve kenmerken die geen migratieachtergrond hebben.3 Dit is een maatschappelijk probleem. Zeker bij de eerste stage in het eerste jaar, die voor studenten een belangrijke eerste kennismaking met de arbeidsmarkt markeert, wil ik dat afkomst geen invloed heeft op de kans op het opdoen van een leerzame en veilige ervaring.
Ziet u het belang van wederzijdse betrokkenheid, van zowel de student als het betreffende leerbedrijf, in een stagetraject waarvan het sollicitatiegesprek de start is?
Zeker. Stages en het leren in de beroepspraktijk zijn een essentieel onderdeel van de opleiding van de mbo-student en wederzijdse betrokkenheid van de student en het leerbedrijf zijn inderdaad van belang voor een succesvolle stage. Deze wederzijdse betrokkenheid ontwikkelt zich vooral tijdens de stage onder deskundige begeleiding van de werkplek professional en met intensieve betrokkenheid van de stagebegeleider van school. Voorafgaand aan de stage kan hiermee worden gestart. Zo gaan studenten van ROC Nijmegen bij de pilot stagematching voorafgaand aan de stage op kennismakingsgesprek zodat zij goed voorbereid aan hun stage kunnen beginnen.
Hoe kijkt u naar het ontnemen van elke zeggenschap op wie er bij een bedrijf komt werken, door bedrijven te verplichten een aangedragen stagiair aan te nemen?
Het voorstel is om studenten te plaatsen op basis van leerwens en competenties, waarbij ook wordt gekeken naar wat een bedrijf kan bieden. Het is hierbij van belang dat de onderwijsprofessional zowel de student als het leerbedrijf goed kent. Daarnaast gaat het alleen om eerstejaarsstudenten bij hun eerste stageplek. Ik ben van mening dat bedrijven samen met het onderwijs een stevige verantwoordelijkheid hebben om deze jongeren een positieve eerste kennismaking met het beroepenveld te gunnen in het belang van hun verdere persoonlijke ontwikkeling.
Onderkent u het risico dat bedrijven minder genegen zijn stagiairs aan te nemen als hen een acceptatieplicht wordt opgelegd die een inbreuk maakt op hun vrijheid om zelf te bezien of een stagiair bij hun bedrijf past?
Het gaat hier om eerstejaarsstudenten bij hun eerste stageplek, voor deze studenten hebben leerbedrijven samen met het onderwijs een maatschappelijke verantwoordelijkheid om deze jongeren een veilige eerste kennismaking met de arbeidsmarkt te bieden. Eerstejaars studenten zijn aan de vooravond van een eerste stage natuurlijk nog een relatief onbeschreven blad. Zoals aangegeven is het hierbij van belang dat de onderwijsprofessional kijkt wat het bedrijf kan bieden als stageplaats en een goede match maakt.
Kunt u aangeven welke risico’s een bedrijf oploopt wanneer de sollicitatieprocedure wordt vervangen door een acceptatieplicht?
Ik zie geen risico’s die het bedrijf kan lopen. Mochten er tijdens de stage problemen ontstaan, dan gelden vanzelfsprekend dezelfde procedures als bij stages waarbij de studenten zelf solliciteren. Ik zet mij in om de stagebegeleiding te verbeteren en ook het contact tussen leerbedrijf en de school te versterken voor alle stages. Zodat de begeleider vanuit het leerbedrijf en de begeleider vanuit de school elkaar beter kennen, zicht hebben op wat er speelt op de werkvloer en eerder en makkelijker het gesprek kunnen voeren zodra de school, de student of het leerbedrijf een probleem signaleren. Voordeel voor het bedrijf kan zijn dat eventuele vooroordelen verminderen als zij het contact met de stagiair positief aangaan en inzetten op een goede werkrelatie waarbij ze de student echt leren kennen. Dit verruimt de mogelijkheden om een grotere diversiteit aan werknemers aan te nemen.
Vindt u het belangrijk dat studenten tijdens de studie leren te solliciteren?
Ja, dat vind ik belangrijk. Zie ook het antwoord op vraag 8.
Waarom ontneemt u studenten de kans al in een vroeg stadium te leren solliciteren en zich in te leven in een bedrijf?
Niemand wordt iets ontnomen. Studenten die geen gebruik willen maken van de mogelijkheid tot matching bij hun eerste stage, hoeven hier geen gebruik van te maken. In het eerste jaar kunnen studenten ook in het onderwijs in een veilige omgeving leren solliciteren door middel van simulatie en betrokkenheid van echte leerbedrijven. Vervolgens solliciteren ze bij volgende studiejaren zelf voor hun stageplek bij het leerbedrijf. Dan hebben studenten al ervaring door hun eerste stageplek en kunnen ze met die ervaring en met zelfvertrouwen solliciteren bij hun tweede stageplek.
Waarom neemt u de meerwaarde weg van de prestatie en de stimulans van solliciteren naar een stageplek en aangenomen worden door een bedrijf?
Ik hecht er grote waarde aan dat jonge eerstejaarsstudenten een veilige kennismaking maken met de arbeidsmarkt hebben en niet worden geconfronteerd met uitsluiting door discriminatie op basis van hun afkomst. Dat dit nu nog te vaak voortkomt, is een maatschappelijk probleem. Niet voor niets hebben we in het Coalitieakkoord dan ook met elkaar afgesproken dat we stagediscriminatie uitbannen. Discriminatie is schadelijk voor de persoonlijke ontwikkeling en het zelfvertrouwen van een student. Daarom zet ik mij in voor stagematching bij eerstejaarsstudenten, waardoor elke eerstejaarsstudent in het mbo een stageplek krijgt op basis van leerwens en competenties. De school speelt hier een cruciale rol in. Met de ervaring en de vaardigheden die zij hebben opgedaan in hun vakgebied tijdens de eerste stage en eerste jaar van de opleiding, kunnen studenten vervolgens in de volgende studiejaren solliciteren naar een stageplek.
Bent u bereid om naar andere oplossingen te zoeken voor vermeende discriminatie die inhoudelijker zijn dan grijpen naar het middel van dwang?
Ik vind het onacceptabel dat stagediscriminatie groepen jongeren uitsluit van deelname aan de maatschappij en de arbeidsmarkt. Het uitbannen van stagediscriminatie is daarom een topprioriteit van dit kabinet, die we zoals gezegd ook hebben vastgelegd in het Coalitieakkoord. De afgelopen jaren is er weinig tot niets ten goede veranderd aan de helaas voorkomende discriminatie van studenten. Ik zet mij nu daarom ook in voor maatregelen zoals stagematching, omdat eerdere maatregelen onvoldoende effect hadden op het tegengaan van stagediscriminatie.
In het stagepact maken we gezamenlijk met betrokken partners afspraken over een samenhangend pakket aan maatregelen om stagediscriminatie tegen te gaan, waarin stevige en meer zachte maatregelen elkaar versterken. Zo is het belangrijk om naast stagematching ook maatregelen te nemen die discriminatie voorkomen tijdens de stage, bijvoorbeeld door het verbeteren van de stagebegeleiding of door leerbedrijven via SBB adviseurs te stimuleren en te ondersteunen in het creëren van een veilige sfeer op de werkvloer. Mijn inzet voor stages en de maatregelen om stagediscriminatie tegen te gaan heb ik toegelicht in de Kamerbrief Inzet werkagenda MBO. Ik beoog het stagepact dit najaar te sluiten en voor het kerstreces aan uw Kamer te sturen.
Welke mogelijke gevolgen heeft het voornemen om bedrijven te dwingen stagiairs te accepteren voor mbo-scholen gelet op de werkdruk in een schooljaar?
De school plaatst eerstejaars stagiairs op basis van leerwens en competenties en op basis van wat het leerbedrijf kan bieden. Scholen hebben nu al een wettelijke verantwoordelijkheid om te zorgen voor de beschikbaarheid van een stageplek voor de student.4 De extra middelen uit het Coalitieakkoord die straks deels onderdeel zijn van de kwaliteitsafspraken kunnen door scholen worden ingezet voor bijvoorbeeld het verbeteren van de stagebegeleiding en voor de inzet van extra personele capaciteit.
Hoe kijkt u aan tegen de opvatting van de MBO Raad dat de verantwoordelijkheid te veel eenzijdig bij de bijdrage van de scholen komt te liggen?
Stages zijn een belangrijk onderdeel van de mbo-opleiding en zonder stage kunnen studenten hun diploma niet halen. Scholen zijn wettelijk al verantwoordelijk voor de beschikbaarheid van de stageplaats en horen hun verantwoordelijkheid hier te nemen. Daarnaast hebben vanzelfsprekend ook bedrijven een verantwoordelijkheid in het bieden van een sociaal veilige leer- en werkomgeving en mag een bedrijf niet discrimineren. Bedrijven zijn immers gebaat bij goed opgeleide en voldoende vakmensen, in deze tijden van krapte op de arbeidsmarkt zelfs meer dan ooit. In het stagepact beoog ik gezamenlijke afspraken te maken met alle partijen waarin eenieder zijn verantwoordelijkheid neemt om stagediscriminatie tegen te gaan.
Het bericht ‘Bedreigde Iraans-Nederlandse activist kreeg telkens nul op rekest bij Nederlandse politie voordat hij werd vermoord’ |
|
Tom van der Lee (GL), Kati Piri (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bedreigde Iraans-Nederlandse activist kreeg telkens nul op rekest bij Nederlandse politie voordat hij werd vermoord»?1
Ja.
Hoe verklaart u het feit dat ondanks dat de heer Nissi verschillende meldingen heeft gedaan van (doods)bedreigingen door de Iraanse autoriteiten, meerdere keren aangifte heeft gedaan en vreesde voor zijn leven, de politie niet adequaat heeft opgetreden?
Omwille van veiligheidsredenen kan ik niet ingaan op een specifieke casus en de afwegingen die wel of niet gemaakt zijn. In algemene zin kan ik het volgende melden: de verantwoordelijkheid voor het treffen van aanvullende beveiligingsmaatregelen ligt primair bij het lokaal bevoegd gezag. Beveiligingsmaatregelen kunnen variëren van relatief lichte, technische maatregelen tot intensieve persoonsbeveiliging, afhankelijk van de aard van de dreiging.
Hoe verklaart u bijvoorbeeld dat deze casus nooit is aangemeld bij het Stelsel Bewaken en Beveiligen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verklaart u de mededeling van de politie aan de heer Nissi dat, ondanks dat hij wist dat hij op een Iraanse dodenlijst stond, het bureau hem niet op de juiste manier kon beveiligen, en dat hij zelf voorzorgsmaatregelen moest nemen? Wat is zijn appreciatie van deze uitspraak?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een overzicht geven van de inspanningen van de overheid om deze problematiek adequaat aan te pakken in afgelopen twee jaar, en een appreciatie geven van de gebleken effectiviteit van deze inspanningen?
Zoals aangegeven in de Kamerbrief d.d. 8 januari 20192 heeft het kabinet in juni 2018 diplomatieke maatregelen getroffen tegen Iran. De Iraanse ambassadeur is ontboden en twee medewerkers van de Iraanse ambassade zijn uitgezet. Deze diplomaten zijn niet uitgezet op basis van strafrechtelijk vastgestelde betrokkenheid van Iran bij de (aansturing van) de liquidaties. Zij zijn uitgezet op basis van de bevindingen van de AIVD dat Iran waarschijnlijk achter deze ernstige zaken zit. Daarmee gaf Nederland een duidelijk signaal af dat dit ontoelaatbaar is. Op 8 januari 2019 heeft de Europese Unie daarnaast, mede op voordracht van Nederland, in het kader van de EU-sanctielijst (Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB) sancties opgelegd tegen het Iraanse Ministerie van Inlichtingen en Veiligheid (MOIS) en twee Iraanse personen. Dit betekent dat van deze entiteit en deze twee personen tegoeden en andere financiële activa zijn bevroren. Bij het afkondigen van de sancties heeft Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Denemarken en België bij de Iraanse autoriteiten de ernstige zorgen overgebracht over de waarschijnlijke betrokkenheid van Iran bij deze vijandelijke acties op Europees grondgebied. Iran is te kennen gegeven dat betrokkenheid bij dergelijke zaken totaal onacceptabel is en onmiddellijk gestaakt moet worden.3
Om in bredere zin ongewenste buitenlandse inmenging tegen te gaan, heeft het kabinet in 2018 een nationale driesporenaanpak ontwikkeld, bestaande uit het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor. In de diplomatieke relatie merkt het kabinet dat landen zich bewuster zijn van de alertheid en assertiviteit van Nederland om ongewenste buitenlandse inmenging tegen te gaan. Ten aanzien van de weerbaarheid van gemeenschappen in Nederland tegen ongewenste buitenlandse inmenging is een stijgende lijn in de bewustwording waar te nemen. De verruiming van de strafbaarheid van spionageactiviteiten, waarvan uw Kamer recent het wetsvoorstel heeft ontvangen, zal naar verwachting een nog effectievere aanpak van ongewenste inmengingsactiviteiten door derde landen mogelijk maken. Tevens vindt er een constante toets plaats of de aanpak volstaat en of zich nieuwe dreigingen op dit gebied aandienen.
In aanvulling op de bestaande aanpak is uw Kamer op 28 november jl. geïnformeerd over het (verder) vergroten van de weerbaarheid tegen ongewenste buitenlandse inmenging. Hiertoe zal de NCTV de komende jaren, in nauwe samenwerking met onder meer de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, binnen de bestaande inzet op een zogenoemd «landen-neutraal bewustwordingsinitiatief» inzetten om de bewustwording rondom dit thema verder te vergroten. Hierbij worden statelijke actoren die inmengingsactiviteiten verrichten (alsmede hun intenties) benoemd en worden de doelgroepen/doelwitten die zij onderscheiden, de instrumenten die zij inzetten en de ongewenste maatschappelijke effecten die kunnen optreden, in generieke zin beschreven. Beoogde doelgroepen voor het verhogen van bewustwording zijn gemeenschappen die slachtoffer kunnen worden van ongewenste buitenlandse inmenging, (decentrale) politieke ambtsdragers, maar ook overheidsorganisaties en (beleids)medewerkers op lokaal niveau.
Het probleem van buitenlandse inmenging beperkt zich echter niet tot Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft daarom in Benelux-verband in de EU Raad Buitenlandse Zaken van 14 november aangedrongen op een review van deze problematiek en betere informatiedeling en samenwerking om te komen tot een effectiever beleid. Hiervoor is tevens gesproken met de Hoge Vertegenwoordiger, die deze oproep steunde en toezegde dit onderwerp op de agenda te zetten. Ook is dit onderwerp bilateraal met diverse counterparts besproken.
Op welke termijn bent u van plan om het aangekondigde meldpunt voor diaspora die zich bedreigd voelen in Nederland in werking te laten treden?
Het kabinet is van mening dat gezien de dreiging zoals ook in het tweede dreigingsbeeld statelijke actoren wordt geschetst, het van belang is beter zicht te krijgen op de manifestatie en potentiële gevolgen van ongewenste buitenlandse inmenging. Het kabinet wil aansluiten bij lokale en nationale inspanningen die reeds plaatsvinden in het kader van de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging, waarbij meldingen die binnenkomen in het veiligheidsdomein dan wel het sociale domein, op een centrale plek bij elkaar komen. Hoe aan dit meldpunt precies invulling wordt gegeven wordt door het kabinet op dit moment bezien. De samenhang met diplomatieke, weerbaarheidsverhogende, bestuurlijke en eventueel strafrechtelijke maatregelen heeft hierbij bijzondere aandacht. Uw Kamer wordt hierover zo spoedig mogelijk nader geïnformeerd.
Het is altijd mogelijk om aan een bureau, online of via 0900–8844/112 melding te doen van intimidatie of bedreiging, en/of daarvan aangifte te doen. Dat geldt voor alle vormen van intimidatie en bedreiging en dus ook wanneer deze intimidatie of bedreiging mogelijk voortkomt uit handelen van statelijke actoren. Een dergelijke melding of aangifte wordt serieus genomen en met prudentie behandeld. De verwachting van het kabinet is dat het hierboven reeds genoemde «landen-neutraal bewustwordingsinitiatief» dat de NCTV met de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid inzet, zal bijdragen aan een toename van de meldingsbereidheid.
Hoe gaat dit meldpunt er concreet voor zorgen een melding ook daadwerkelijk opgevolgd wordt met acties die de veiligheid van bedreigde personen vergroten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven hoe gezorgd wordt dat het melden van intimidatie of bedreiging laagdrempelig wordt voor melders, en dat zij zich veilig genoeg voelen om dit te doen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke maatregelen bent u van plan om naast het openen van een meldpunt verder in te voeren om de bedreiging van diaspora ’s door buitenlandse regimes te adresseren?
Als sluitstuk van de aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging kan strafrechtelijk worden opgetreden. Onder meer smaad, laster en bedreiging zijn al strafbaar. Daarnaast heeft uw Kamer recent een wetsvoorstel voor de uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten ontvangen, op grond waarvan het strafbaar wordt gesteld schadelijke handelingen te verrichten ten behoeve van een buitenlandse mogendheid als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen of voor (andere) fundamentele belangen in relatie tot de nationale veiligheid.
Erkent u het feit dat de politie de juiste expertise mist om in deze specifieke gevallen van bedreigingen en intimidatie adequaat op te treden?
De politie kan samen met het OM een waardevolle bijdrage leveren aan de strafrechtelijke aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging. De politie beschermt immers de democratie, handhaaft de wet en is het gezag op straat. Vanuit deze brede maatschappelijke taakstelling kunnen meldingen van dreiging en intimidatie door statelijke actoren bij de politie worden gedaan. Het is altijd mogelijk om aan een bureau. online of via 0900–8844/112 melding te doen van intimidatie of bedreiging en/of aangifte te doen. Dat geldt voor alle vormen van intimidatie en bedreiging en dus ook wanneer deze intimidatie en bedreiging mogelijk voortkomt uit handelen van statelijke actoren. Ten aanzien van de opvolging van meldingen en aangiften merk ik op dat in het verleden is gebleken dat strafrechtelijke opvolgingsmogelijkheden veelal beperkt zijn. Om deze reden is het van belang om helder te zijn ten aanzien van de verwachtingen. Dat heeft evenwel niet te maken met een gebrek aan kennis of expertise bij de politie. De ervaringen met deze thematiek wijzen namelijk uit dat enkel een strafrechtelijke aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging niet voldoende resultaat heeft. De driesporige aanpak blijft in mijn ogen cruciaal, waarbij naast strafrecht ook aandacht is voor een diplomatieke aanpak, het verhogen van de weerbaarheid en een bestuursrechtelijke aanpak.
Zo ja, acht u het een goed idee om in samenwerking met de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en diasporagroepen een speciale dienst op te richten bij de politie die zich specialiseert in deze problematiek, zodat zij meer expertise kunnen opbouwen om deze dreiging in kaart te brengen en adequate opvolging te geven aan meldingen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou volgens u het nemen van hardere maatregelen tegen personen die in dienst van een buitenlands regime personen bedreigen of intimideren een passend instrument kunnen zijn om de veiligheid van deze mensen te vergroten?
Het hierboven genoemde wetsvoorstel voor uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten bevat de mogelijkheid schadelijke handelingen die worden verricht ten behoeve van een buitenlandse mogendheid te bestraffen als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen.
Kunt u aangeven in hoeverre de ambassadeurs van landen als Marokko, Turkije, China en Iran in Nederland in het afgelopen jaar zijn aangesproken op het feit dat deze landen zich schuldig maken aan het bedreigen en intimideren van diaspora's?
Als onderdeel van de aanpak Ongewenste Buitenlandse Inmenging treedt het kabinet met landen in dialoog en spreekt hen consequent aan indien daar aanleiding toe is. Daarbij maakt het kabinet een afweging of dit het beste via vertrouwelijke, diplomatieke kanalen of publiekelijk kan plaatsvinden. Dat geldt voor alle landen. Indien blijkt dat de ambassade van het betreffende land betrokken is bij deze ongewenste inmenging, kan er sprake zijn van een schending van het Verdrag van Wenen. Het gehele diplomatieke instrumentarium kan worden gebruikt door het kabinet om hierop te reageren, variërend van de ambassade er in stevige bewoordingen op aanspreken, tot -in uiterst geval- ertoe overgaan de ambassadeur of andere ambassademedewerkers ongewenst te verklaren (persona non grata), waarop zij Nederland zullen moeten verlaten.
Voor personen zonder diplomatieke status geldt dat gedwongen vertrek naar het land van herkomst aan de orde kan zijn wanneer iemand niet (langer) in het bezit is van geldig verblijfsrecht voor Nederland. Er zijn verschillende redenen om een verblijfsrecht in te trekken. Er kan bijvoorbeeld tot intrekking worden overgegaan omdat iemand een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Een gevaar voor de openbare orde zou kunnen blijken uit een onherroepelijke veroordeling. Een gevaar voor de nationale veiligheid kan in ieder geval blijken uit een ambtsbericht van de AIVD. Naast de intrekking van het verblijfsrecht kan ook een inreisverbod worden opgelegd.
Kunt u aangeven in hoeverre u kennis heeft van het feit of medewerkers van de ambassades van deze landen medewerking hebben verleend aan deze praktijken?
Zie antwoord vraag 13.
Wat zijn de mogelijkheden om daders van dit type intimidatie het land uit te zetten? En welke mogelijkheden zijn er specifiek als het om mensen met een diplomatieke status gaat?
Zie antwoord vraag 13.
Garanties om de Haringvlietbrug en de Heinenoordtunnel nooit tegelijk dicht te doen voor verkeer. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ondernemers willen harde garanties: «Haringvlietbrug en Heinenoordtunnel nooit tegelijk dicht voor verkeer»»?1
Ja.
Bent u zich ervan bewust dat een gelijktijdige afsluiting een verkeersinfarct zal veroorzaken dat ongekend van aard is, bedrijven compleet platlegt en onacceptabel grote veiligheidsrisico's met zich meebrengt voor de regio's Zuid-Holland Zuid, Zeeland en Noord- en West-Brabant?
Er ontstaat inderdaad zeer ernstige verkeershinder bij een gelijktijdige afsluiting van beide schakels in de A29. Daarom zullen de Haringvlietbrug en de Heinenoordtunnel niet gelijktijdig afgesloten worden.
Wat vindt u van het feit dat Rijkswaterstaat de zorgen van belangenbehartigers niet serieus neemt en niet in staat is om de terechte zorgen over gelijktijdige afsluiting weg te nemen?
Rijkswaterstaat neemt de begrijpelijke zorgen van de belanghebbenden zeer serieus. Rijkswaterstaat spreekt sinds de voorbereiding van de renovatie van de Heinenoordtunnel in 2018 zijn gestart al met belanghebbenden en behartigers van belanghebbenden. Met de toezegging dat de Heinenoordtunnel en de Haringvlietbrug niet gelijktijdig afgesloten zullen worden hoop ik de zorgen te kunnen wegnemen.
Het risico op overlap van beide projecten en de beheersmaatregelen om dit te voorkomen zijn op 2 juni van dit jaar besproken in het Bestuurlijk Overleg Gebiedstafel Hoeksche Waard. De provincies Zeeland en Noord-Brabant zitten niet zelf aan tafel, maar laten zich vertegenwoordigen door de provincie Zuid-Holland. De bestuurders vroegen in dit overleg om inzicht te krijgen in de terugvalscenario’s voor het geval het risico op de samenloop van beide projecten te groot dreigt te worden. Op 12 oktober zijn de bestuurders schriftelijk geïnformeerd over de terugvalscenario’s. Deze zijn besproken in het overleg van 19 oktober. In het antwoord op vraag 4 zijn de risico’s, de beheersmaatregelen en de terugvalscenario’s beschreven.
Kunt u klip-en-klaar garanderen dat de Haringvlietbrug en de Heinenoordtunnel nooit tegelijk dichtgaan voor verkeer?
Ja, deze zullen niet tegelijk worden afgesloten als gevolg van de vervangings- en renovatieprojecten.
Het dicht tegen elkaar aan plannen van beide projecten komt voort uit de noodzaak om de Haringvlietbrug zo snel mogelijk aan te pakken. Dit kwam naast de al geplande renovatie van de tunnel. Daarbij is gekozen voor een aanpak waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van het werken in de verkeersluwe vakantieperiode. Dit om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Als het nodig is om de start van de uitvoering van de renovatie van de Heinenoordtunnel in de tijd naar achteren te verschuiven zullen de werkzaamheden niet meer of niet meer geheel in de verkeersluwe vakantieperiode uitgevoerd kunnen worden.
De zomerafsluiting van de Haringvlietbrug staat gepland in de periode 9 juni – 28 juli 2023. De zomerafsluiting van de Heinenoordtunnel is gepland van 5 augustus – 28 augustus 2023. RWS ziet drie risico’s op samenloop van de projecten:
Voor deze risico’s zijn de volgende beheersmaatregelen en terugvalscenario’s ontwikkeld.
Binnen het project Haringvlietbrug is inmiddels een aantal beheersmaatregelen genomen om samenloop van beide projecten te voorkomen:
Als het risico dat de aanvangsdatum niet wordt gehaald te groot wordt beoordeeld, wordt de renovatie van de Haringvlietbrug uitgesteld tot na afronding van de zomerafsluiting 2023 van de Heinenoordtunnel. Hiervoor is een periode in het najaar van 2023 op het oog (half september – half november 2023). Werkzaamheden aan de Heinenoordtunnel die tijdens deze periode gepland staan (5 – 6 weekenden) moeten dan worden verplaatst.
Dit terugvalscenario is niet zonder gevolgen. Uitstel van werkzaamheden aan de Heinenoordtunnel levert een risico op voor het afronden van het project eind 2024. Het verplaatsen van de werkzaamheden aan de Haringvlietbrug naar het najaar van 2023 heeft bovendien gevolgen voor het wegverkeer en de scheepvaart. In het najaar wordt namelijk niet geprofiteerd van de verkeersluwe zomerperiode en de weersomstandigheden in het najaar leiden over het algemeen al tot meer verkeershinder. Voor het wegverkeer zou uitstel van het project tot de zomer van 2024 beter zijn, maar vanwege de technische staat van de klep acht ik dit niet verantwoord. Voor de scheepvaart betekent uitstel naar het najaar van 2023 dat de brug langer niet bediend kan worden en niet gepasseerd kan worden door de hoge scheepvaart.
Mogelijke oorzaken hiervan kunnen problemen zijn met het transport en het plaatsen van de nieuwe klep. Hierdoor zou afronding van de werkzaamheden aan de Haringvlietbrug voor de start van de renovatie van de Heinenoordtunnel in het gedrang kunnen komen. In dat geval worden de werkzaamheden aan de Haringvlietbrug in eerste instantie zo afgerond dat de brug in elk geval beschikbaar komt voor het wegverkeer. Werkzaamheden om de brug beweegbaar te maken t.b.v. scheepvaart worden zo nodig uitgesteld tot na afronding van de zomerafsluiting van de Heinenoordtunnel. De brug kan hierdoor langer niet bediend worden voor de hoge scheepvaart.
De klep van de brug heeft het einde van zijn levensduur bereikt. Er zijn met name zorgen over één van de dwarsliggers. Ook een aantal platen in het rijdek vormen een risico omdat de klemmen waarmee ze aan de klep bevestigd zijn alleen bereikt kunnen worden als de brug geopend is. Vanaf 1 januari 2023 is dat echter niet meer mogelijk, omdat de brug vanaf dat moment niet meer wordt bediend. Dit risico op falen van de klep wordt groter naar mate de vervanging van de klep langer duurt. Rijkswaterstaat werkt beheersmaatregelen uit voor de risico’s op het falen van de brug.
Tot slot is het een feit dat ook zonder samenloop de hinder van dit soort werkzaamheden (ook in individuele gevallen) tijdelijk fors zal zijn. Zeker in de Randstad is de druk op het (vaar)wegennet zodanig dat elk groot onderhoudsproject, en zeker een groot Vervanging- en Renovatieproject, veel of zelfs zeer veel hinder oplevert. Gezien de leeftijd van het areaal zullen (vaar)weggebruiker de komende tijd steeds vaker met dit soort situaties
geconfronteerd worden. Rijkswaterstaat doet zijn uiterste best om de overlast te beperken, maar de aanpak van de hinder vraagt ook veel van andere betrokkenen zoals andere beheerders en ondernemers.
Het bericht ‘Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen’ |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inhoud van dit bericht – een stijging die mogelijk 67 euro zou moeten zijn – tegen de achtergrond van de aangekondigde stijging van het collegegeldtarief voor 2023/2024, namelijk 105 euro? Kunt u een toelichting geven?
Het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (artikel 2.2) schrijft voor dat de omvang van het volledig wettelijk collegegeld jaarlijks bij ministeriële regeling aangepast wordt aan de hand van de consumentenprijsindex (cpi). De ministeriële regeling dient voor 1 november, voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld geldt, te zijn vastgesteld. Het is belangrijk dat dit tijdig gebeurt zodat zowel studenten als hogeronderwijsinstellingen hier rekening mee kunnen houden.
De hoogte van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 is in oktober 2022 vastgesteld op € 2.314. De hoogte van het collegegeld is berekend conform de nieuwe indexatiesystematiek die gebaseerd is op een jaargemiddelde van de cpi, over de periode mei tot en met april ten opzichte van dezelfde periode het jaar ervoor. Het collegegeld voor studiejaar 2023/2024 is zodoende geïndexeerd met het gemiddelde van de cpi van mei 2021-april 2022 ten opzichte van de gemiddelde cpi van mei 2020-april 2021.
Het CBS heeft aangegeven te werken aan een nieuwe methode om de energieprijzen te berekenen waardoor de inflatie vermoedelijk lager uitkomt. Het CBS verwacht de nieuwe methode medio 2023 in te kunnen voeren. Het CBS geeft tevens aan dat de reeds gepubliceerde inflatiecijfers bij het moment van overstap naar de nieuwe methode niet worden aangepast.
De nieuwe methode om energieprijzen te berekenen heeft geen invloed op de hoogte van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 omdat het collegegeld reeds is vastgesteld, de nieuwe methode naar verwachting pas medio 2023 wordt ingevoerd en de inflatiecijfers waarop het collegegeld 2023/2024 is gebaseerd niet met terugwerkende kracht zullen worden aangepast.
Het kabinet is bovendien van mening dat er met de herinvoering van de basisbeurs per 2023/2024 en de eenmalige verhoging van de basisbeurs van uitwonende studenten ter tegemoetkoming van de hogere kosten een gebalanceerd pakket ligt voor studenten.
Ik blijf de berichtgeving van het CBS over deze nieuwe berekeningswijze volgen. Indien na de invoering van de nieuwe berekeningsmethode besloten wordt om deze methode te volgen dan zal de aangepaste berekening op zijn vroegst gebruikt kunnen worden bij het bepalen van de hoogte van het collegegeld voor studiejaar 2024/2025.
Erkent u dat het aannemelijk is dat de stijging van het collegegeldtarief lager zal uitvallen dan de voorgenomen stijging van 105 euro? Bent u bereid in dat geval de collegegeldstijging te reduceren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan hierover actief te communiceren richting studenten en instellingen?
Afgelopen maanden heb ik actief ingezet op de communicatie over het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 via gesprekken met vertegenwoordigende organisaties van studenten en hogeronderwijsinstellingen, via een brief aan alle hogeronderwijsinstellingen en via de websites van de rijksoverheid en DUO.
Het bericht ‘Busje komt weer niet: schrijnende crisis in leerlingenvervoer’ |
|
Stephan van Baarle (DENK) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn u signalen bekend van leerlingen die door de crisis niet naar school konden komen, door hun structurele afwezigheid een bezoek ontvangen van de leerplichtambtenaar?1
Die signalen zijn mij onbekend. Daarom heb ik dit bij diverse partijen – zoals LBVSO, Ouders & Onderwijs en de Kinderombudsman – nagevraagd. Ook die partijen herkennen deze signalen niet.
Vindt u het acceptabel als er leerplichtambtenaren op bezoek komen en vervolgens dreigen met het maken van een proces-verbaal bij Bureau HALT bij kinderen die niet naar school komen als de oorzaak alleen bij de crisis in het leerlingenvervoer ligt? Zo nee, wat gaat u doen om dit tegen te gaan?
Ik vind het onacceptabel als er leerplichtambtenaren op bezoek komen en dreigen met het maken van een proces-verbaal bij Bureau HALT bij kinderen die niet naar school komen als de oorzaak alleen bij de crisis in het leerlingenvervoer ligt. Gelukkig is dit tot nu toe – in zoverre ik nu kan overzien – niet voorgekomen.
Erkent u dat een maatregel als deze een extra schok teweegbrengt bij de desbetreffende kinderen en hun ouders, naast dat deze crisis ook veel pijn doet bij de desbetreffende leerlingen?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 aangeef, is een dergelijke maatregel niet aan de orde. Als een leerling te laat op school komt vanwege de vervoersproblematiek, ligt de oorzaak hiervan uiteraard niet bij de leerling en is er dus geen sprake van ongeoorloofd verzuim. De signalen die ik ontvang zijn dat scholen hier in hun verzuimadministratie ook rekening mee houden.
Bent u bereid om maatregelen te nemen die de rechtsbescherming van kinderen die geen goed onderwijs kunnen krijgen door welke oorzaak dan ook te verbeteren, zodat zij beschermd worden tegen straffen vanuit bestuursorganen om zaken waar zij niets aan hebben kunnen doen? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 3 aangeef, worden er door bestuursorganen geen maatregelen genomen als er sprake is van geoorloofd verzuim, zoals ook het geval is bij het te laat komen op school vanwege de vervoersproblemen.
Bijlesbureaus die misbruik maken van ouders |
|
Peter Kwint (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Basisscholen waarschuwen voor bijlesbureaus: «Ouders liggen krom terwijl hun kind de lessen niet nodig heeft»» en de beantwoording van de schriftelijke vragen van de Amsterdamse SP-fractie over dit bericht?1, 2
Ja, hiermee ben ik bekend.
Zijn er meer steden waar commerciële bijlesbureaus flyers uitdelen – of op andere wijze reclame maken – om zo op slinkse wijze ouders onder druk te zetten om bijles af te nemen voor hun kind(eren)?
Hierover heb ik onvoldoende onderzoek of peilingen uitgevoerd. Mijn beeld is wel dat dit gebeurt. Ik ga daarbij uit van signalen die ik krijg, dat er (incidenteel) ook in andere plaatsen in Nederland flyers worden uitgedeeld en er reclame wordt gemaakt voor huiswerkbegeleiding.
Bent u het eens dat de beweging die nu ingezet wordt door commerciële bijlesbureaus linea recta ingaat tegen de uitspraak van de Kamer met het aannemen van de motie van de leden Westerveld en Kwint over geen reclame maken voor private aanbieders van schaduwonderwijs? Wat heeft het kabinet sinds het aannemen van deze motie bijna drie jaar geleden concreet gedaan om uitvoering te geven hieraan? En is de situatie nu beter of slechter dan toen de motie werd aangenomen?3
Ja, ik ben het met u eens dat reclame voor private aanbieders van schaduwonderwijs via scholen zeer onwenselijk is. Wat dat betreft juich ik het overigens toe dat deze scholen zich roeren en zich uitspreken tégen het gebruik van betaald aanvullend onderwijs. De laatste jaren is het aantal commerciële partijen dat aanvullend onderwijs aanbiedt gestegen. In dat opzicht is de situatie zeker niet verbeterd ten opzichte van een aantal jaar geleden. Meer dan een kwart van de leerlingen in het funderend onderwijs maakt op een manier gebruik van dit aanbod. Tegelijkertijd kunnen niet alle ouders bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining betalen. Hierdoor treden er verschillen op tussen leerlingen.
Uw Kamer heeft mijn voorganger middels diverse moties opgeroepen om stappen te zetten rondom aanvullend onderwijs. In mijn brief van 29 juni jl. heb ik u geïnformeerd over de stappen die ik zet.4 Hieronder licht ik deze toe.
Uw Kamer heeft mij gevraagd betaald aanbod van aanvullend onderwijs op scholen te ontmoedigen en gratis aanbod te stimuleren. Ook verzocht u reclame voor aanvullend onderwijs via scholen te voorkomen. Ik vind het van belang dat ons onderwijs voor iedere leerling kansen biedt om zich optimaal te ontwikkelen, ongeacht de portemonnee van de ouders. Het inkopen van extra bijles, huiswerkbegeleiding of examentraining zou niet nodig moeten zijn. Het is onwenselijk wanneer het onderwijs meegaat in deze trend. Scholen horen leerlingen niet door te verwijzen naar commerciële bijlesbureaus.
In de brief schreef ik dat ik met de sectorraden in gesprek ga om tot strenge richtlijnen te komen. Deze gesprekken lopen en we zijn over de inhoud en de werkwijze in gesprek. Dit proces kost helaas tijd en duurt langer dan verwacht. Ik vind het goed dat u me hierop wijst en ik wil hierin ook tempo maken, maar het is nodig om de tijd te nemen voor het gesprek, om te komen tot een effectief resultaat. Ik richt me daarbij eerst op het onderwijs. Begin volgend jaar informeer ik u over de uitkomst van deze gesprekken.
Ondertussen sta ik in mijn communicatie naar scholen vaker stil bij de samenwerking met partijen die aanvullend onderwijs aanbieden. Mijn voorganger heeft in het kader van het NP Onderwijs een handreiking voor de inhuur van derde partijen opgesteld. Deze handreiking ga ik actualiseren en opnieuw onder de aandacht brengen bij scholen.
Begin 2023 zal de monitor naar aanvullend onderwijs starten. Dit is een vervolg op de monitor «Aanvullend en particulier onderwijs» uit 2019. Naar verwachting komt eind 2023 de monitor beschikbaar en wordt u hierover geïnformeerd. In de monitor wordt onderzocht wat de marktomvang is, hoe hoog de deelname van leerlingen is en welke kosten er per leerling worden gemaakt aan aanvullend onderwijs. De monitor gaat ook in op de toegankelijkheid en het aanbod vanuit scholen. Als laatste moet deze monitor ook inzicht geven in hoeveel onderwijsbudget er naar externe onderwijsbureaus doorstroomt. Dit vloeit voor uit een motie van het lid Ephraim.5
Hoe staat het met de gesprekken met scholen en gemeenten om onder andere het gebruik van commerciële bijlesbureaus te ontmoedigen, reclame via scholen te verbieden en gemeente hierbij te betrekken, zoals aangekondigd in de brief van 29 juni jl.? Kan de Kamer de uitkomst van deze gesprekken ontvangen voor de begrotingsbehandeling OCW?4
Zoals bij vraag 3 aangegeven, lopen momenteel de gesprekken met de sectorraden om tot strengere richtlijnen te komen. We voeren het gesprek over zowel de inhoud als de wijze waarop de afspraken kunnen worden vastgelegd. Daarvoor zijn tot nu toe verschillende opties verkend.
Als eerste is onderzocht of afspraken kunnen worden vastgelegd in een gedragscode. Doorgaans is dit een instrument waarin sector zichzelf afspraken oplegt. De overheid heeft hierin geen inhoudelijke rol, waardoor deze optie minder voor de hand ligt. Verder is bekeken of een convenant – opgesteld door het ministerie en de sectorraden – een geschikte vorm zou zijn, ook om gemeenten bij aan te haken. De VO-raad geeft de voorkeur aan een minder bindende vorm, zoals een handreiking. De Tweede Kamer heeft mij echter opgeroepen om daadwerkelijk afspraken met de sectorraden te maken en dat onderschrijf ik. De komende tijd spreek ik verder met de sectorraden om tot een passende vorm van afspraken te komen. Ik heb hier haast mee en had de hoop deze afspraken al te hebben. Ik zal spoedig in overleg treden met de sectorraden.
Bij deze gesprekken vind ik het van belang dat de richtlijnen effectief zullen zijn. In aanvulling daarop overweeg ik extra communicatie richting scholen en besturen in te zetten. Zoals ik heb toegezegd tijdens de OCW-begrotingsbehandeling informeer ik u begin volgend jaar opnieuw over de voortgang.
Vindt u het acceptabel dat iedereen op dit moment bijles mag verzorgen? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid ook hierover het gesprek aan te gaan en strengere eisen te stellen aan mensen die bijles mogen geven naast het hebben van een verklaring omtrent gedrag (VOG)?
Nee, zeker als het gaat om aanbod waar de school bij betrokken is, vind ik dat er waarborgen moeten zijn voor de veiligheid van leerlingen. Daarom breng ik nog deze winter een wetsvoorstel in internetconsultatie waarin staat dat scholen alleen personeel van aanbieders van aanvullend onderwijs mogen inhuren die een VOG bezitten.
Wanneer (bijles)docenten lessen verzorgen aan leerlingen moet dat natuurlijk met zorgvuldigheid worden gedaan. In het onderwijs zijn daar regels voor en wordt kwaliteitsbewaking nagestreefd, met name door de scholen en besturen zelf. Indien bijles wordt verzorgd in de privésfeer heb ik daar minder zicht op. De branche werkt zelf aan het opstellen van een keurmerk voor bijlesbureaus en huiswerkbegeleidingsinstituten. Dit moet het aanbod voor scholen overzichtelijker maken en de kwaliteit van bijles(docenten) waarborgen.
Op welke wijze kunnen scholen en gemeenten nu al de wervingspraktijken van commerciële bijlesbureaus inperken of stoppen?
Het onderwijsstelsel gaat uit van de autonomie en professionaliteit van scholen. Dit geldt ook voor de keuze van scholen om expertise of ondersteuning van een private partij in te zetten. Schoolleiders en leraren zijn meestal goed in staat die keuzes weloverwogen te maken. Het staat scholen vrij om de huiswerkbegeleiding instituties en bijlesbureaus te weren.
Zoals omschreven bij het antwoord op vraag 3, 4 en 5 ben ik met een pakket aan maatregelen aan de slag. Zo werken we vanuit de overheid, vanuit de schoolbesturen en vanuit de branche van aanvullend onderwijs aan verdere regulering, met kansen voor alle kinderen als belangrijkste uitgangspunt.
Kunt u deze schriftelijke vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling OCW?
Het is me helaas niet gelukt u antwoord te geven voor de begrotingsbehandeling. Tijdens de begrotingsbehandeling heb ik uw vragen over dit onderwerp schriftelijk beantwoord.
Het bericht ‘Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen’ |
|
Harry van der Molen (CDA) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Collegegeld hoeft misschien maar 67 euro te stijgen»?1
Ja.
Op welke grond heeft u de berekening aangepast waardoor het collegegeld per 2023 met 105 euro stijgt in plaats van met 212 euro?
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW, artikel 7.45, lid 6) schrijft voor dat het wettelijk collegegeld jaarlijks volgens de consumentenprijsindex (cpi) wordt geïndexeerd en dat de wijze waarop dat gebeurt bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald. In het Uitvoeringsbesluit WHW (artikel 2.2, lid 2) wordt de exacte wijze van indexatie op basis van de cpi bepaald.
Via het op 4 oktober 2022 in het Staatsblad gepubliceerde wijzigingsbesluit2 heb ik de wijze van indexatie van het wettelijk collegegeld aangepast zodat de indexatie van het wettelijk collegegeld niet langer wordt bepaald op basis van de procentuele wijziging over de maand april, voorafgaand aan de vaststelling van het wettelijk collegegeld (te weten: voor 1 november) ten opzichte van de maand april in het daaraan voorafgaande kalenderjaar, maar op basis van de gemiddelde procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over de periode mei tot en met april, voorafgaand aan de vaststelling van de ministeriële regeling, heeft ondergaan ten opzichte van dezelfde periode in het daaraan voorafgaande jaar. De ministeriële regeling waarmee de hoogte van het wettelijk collegegeld 2023/2024 is vastgesteld is op 10 oktober 2022 in de Staatscourant gepubliceerd3.
De verwachting is dat, met de nieuwe berekeningswijze, de indexatiesystematiek minder gevoelig is voor incidentele pieken en dalen van de inflatie.
Wat is de uiterlijke termijn waarop het collegegeld vastgesteld moet worden?
De uiterlijke termijn waarop het collegegeld vastgesteld moet worden is vóór 1 november voorafgaand aan het studiejaar waarvoor het aangepaste collegegeld zal gelden. Voor studiejaar 2023/2024 is dat 1 november 2022.
Bent u bereid om, vooruitlopend op de aangepaste inflatieberekening van het CBS, het collegegeld minder te laten stijgen?
Het CBS heeft aangegeven te werken aan een nieuwe methode om de energieprijzen te berekenen waardoor de inflatie vermoedelijk lager uitkomt. Het CBS verwacht de nieuwe methode medio 2023 in te kunnen voeren. Het CBS geeft tevens aan dat de reeds gepubliceerde inflatiecijfers bij het moment van overstap naar de nieuwe methode niet worden aangepast.
De nieuwe methode om energieprijzen te berekenen heeft geen invloed op de hoogte van het wettelijk collegegeld voor studiejaar 2023/2024 omdat het collegegeld reeds is vastgesteld, de nieuwe methode naar verwachting pas medio 2023 wordt ingevoerd en de inflatiecijfers waarop het collegegeld 2023/2024 is gebaseerd niet met terugwerkende kracht zullen worden aangepast.
Het kabinet is bovendien van mening dat er met de herinvoering van de basisbeurs per 2023/2024 en de eenmalige verhoging van de basisbeurs van uitwonende studenten ter tegemoetkoming van de hogere kosten een gebalanceerd pakket ligt voor studenten.
Ik blijf de berichtgeving van het CBS over deze nieuwe berekeningswijze volgen. Indien na de invoering van de nieuwe berekeningsmethode besloten wordt om deze methode te volgen dan zal de aangepaste berekening op zijn vroegst gebruikt kunnen worden bij het bepalen van de hoogte van het collegegeld voor studiejaar 2024/2025.
Jeugdbescherming |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat kinderen zonder tussenkomst van de rechter uit huis zijn geplaatst?1
In het vrijwillig kader is het mogelijk om kinderen zonder tussenkomst van de rechter uit huis te plaatsen. Een uithuisplaatsing in een vrijwillig kader kan en mag echter niet tegen de wil van een ouder plaatsvinden. Een kind kan alleen buiten het gezin worden geplaatst als een ouder met gezag – zonder daartoe onder druk te zijn gezet – daarmee instemt. Een kind kan dan bijvoorbeeld verblijven bij een familielid, in een pleeggezin, een gezinshuis of in een jeugdinstelling. Dit kan fulltime zijn, alleen in weekenden of voor een aantal dagen in de week.
Er zijn echter ook situaties denkbaar dat ouders en/of het kind en de hulpverlening van visie verschillen over de zorgen en wat het beste is voor een kind. In die gevallen zal de hulpverlening met ouders en kinderen hierover in gesprek gaan. De hulpverleningsopties in het vrijwillig kader zullen worden besproken, maar ook zal het inzetten van een kinderbeschermingsmaatregel worden toegelicht indien de zorgen hiertoe aanleiding geven. Het is denkbaar dat ouders het bespreken hiervan als drang kunnen ervaren. Het moet daarom ten alle tijden voor ouders en kinderen duidelijk zijn of hulp in het vrijwillige kader of in het gedwongen kader wordt ingezet en dat zij goed geïnformeerd zijn over hun rechtspositie. Professionals behoren het gezin hierover duidelijk te informeren.
De rechtsbescherming van ouders en van kinderen is een belangrijk punt van aandacht en niet alleen in het gedwongen kader. Rechtsbescherming van ouders en kinderen start wanneer een gezin in contact komt met de overheid, bij een wijkteam of bij Veilig Thuis. Er moet een scherper onderscheid komen tussen het vrijwillige en het gedwongen kader, niet alleen in juridische zin; dat verschil moet in de dagelijkse praktijk ook wezenlijk door ouders en kinderen worden ervaren.
Hoe vaak komt het jaarlijks voor dat kinderen zonder tussenkomst van de rechter uit huis worden geplaatst, en indien daar geen cijfers van zijn: wat is de schatting?
Er zijn geen betrouwbare, betekenisvolle gegevens over het aantal vrijwillige uithuisplaatsingen beschikbaar. Een schatting is ook niet te geven. Met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is een traject gestart om de monitoring van de jeugdzorg te verbeteren. In dit traject zal ook de wens ten aanzien van gedifferentieerde gegevens over vrijwillige uithuisplaatsingen worden meegenomen.
Hoe wordt in dergelijke situaties aan de ouder(s)/opvoeder(s) duidelijk gemaakt dat dit om een vrijwillig traject gaat, en hoe wordt ervoor gezorgd dat zij dit begrijpen?
Er kunnen zich omstandigheden voordoen dat ouders met gezag zelf vinden dat ze (tijdelijk) de zorg voor hun kind niet kunnen dragen. Zo’n besluit kan in samenwerking met hulpverleners worden genomen, waarbij ook de stem van het kind -afhankelijk van de leeftijd- wordt meegenomen. Het is belangrijk dat het kind en de ouders zich begrepen en gehoord voelen en zich in het besluit herkennen. Daarbij wordt van professionals verwacht dat zij ouders in begrijpelijke taal informeren over de rechten, plichten en verantwoordelijkheden van het gezin en de betrokken professionals, en dat het gezin wordt meegenomen in de afwegingen zodat sprake is van geïnformeerde toestemming. De Richtlijn Uithuisplaatsingen kan hierbij helpen.2 De professional bespreekt de richtlijn met ouders en kind en wijst hen op het bestaan van een cliëntversie.3
Helder moet zijn dat de ouder met gezag zélf beslist over vrijwillige uithuisplaatsing en over het verblijf van een kind buiten het gezin en dat zij altijd op deze beslissing mogen terugkomen. In dit proces is het zetten van druk op het gezin niet acceptabel.
Wat is de gebruikelijke gang van zaken wanneer bij een vrijwillige uithuisplaatsing de ouder(s)/opvoeder(s) zich bedenken, en hoe wordt voorkomen dat de vrijwilligheid van de uithuisplaatsing dan alsnog in geding komt?
Bij een vrijwillige uithuisplaatsing kan ten alle tijden worden teruggekomen op dit besluit. Een beslissing om een vrijwillige uithuisplaatsing weer ongedaan te maken, en het kind weer bij de ouders te laten opgroeien, wordt door de ouder(s) met gezag genomen. Bij voorkeur in samenspraak met het kind (afhankelijk van de leeftijd), het netwerk en/of de betrokken professionals.
Indien de hulpverlening toch grote zorgen heeft, zal de hulpverlening dit bespreken met ouders en kind. Blijven deze zorgen groot en is enerzijds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging of veiligheidsrisico van een kind en anderzijds ouders die geen gebruik willen of kunnen maken van vrijwillige hulpverlening, dan kan de betrokken professional een verzoek tot onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming. Uiteindelijk beslist de kinderrechter of een kinderbeschermingsmaatregel, een ondertoezichtstelling met een uithuisplaatsing, noodzakelijk is.
Hoe wordt in dergelijke situaties aan waarheidsvinding gedaan?
Feitenonderzoek is een kerntaak van alle organisaties in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Aan een ingrijpende beslissing zoals een vrijwillige uithuisplaatsing dient – net zoals dat bij een gedwongen uithuisplaatsing gebeurt- zorgvuldig feitenonderzoek ten grondslag te liggen.
Dat betekent een geheel aan activiteiten van betrokken hulpverleners, in samenspraak met ouders en kind(eren), die voorafgaan en samenhangen met een vrijwillige uithuisplaatsing: onderzoek naar de ontwikkelingsbehoefte van het kind, de opvoedcapaciteiten van de ouders, de analyse, de besluitvorming, de rapportage, hoor/wederhoor en de in- en externe tegenspraak. Heldere, begrijpbare communicatie, samenwerking van hulpverleners met ouders en kind zijn belangrijke onderdelen van het feitenonderzoek, waarop nog verbeteringen nodig zijn. Ik verwijs u hiervoor ook naar het VSO Feitenonderzoek en de brief over het verbeteren van de rechtsbescherming, die uw Kamer op 18 november 2022 heeft ontvangen4.
Wat is uw reactie op het feit dat mensen in de laagste inkomensgroep een vier keer grotere kans hebben op een kinderbeschermingsmaatregel dan mensen in de hoogste inkomensgroep?2, 3
Op verzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) heeft het CBS in een analyse zowel gekeken naar de factoren die samenhangen met de kans op gedupeerdheid door de kinderopvangtoeslagaffaire (tabel 4.5.1) als naar de factoren die samenhangen met de kans op een kinderbeschermingsmaatregel (tabel 4.5.2). Deze analyse is gedaan in het kader van het onderzoek van de IJenV naar de doorwerking van de kinderopvangtoeslagaffaire in de jeugdbeschermingsketen. Uit tabel 4.5.2 blijkt dat mensen in de laagste inkomensgroep ongeveer een twee keer zo grote kans hebben (en niet vier keer zo groot) op een kinderbeschermingsmaatregel dan mensen in de hoogste inkomensgroep.
Op 1 november 2022 ben ik in de tweede voortgangsbrief over de aanpak voor gedupeerde gezinnen die te maken hebben (gehad) met een uithuisplaatsing (tweede voortgangsbrief UHP KOT) reeds ingegaan op de conclusie (van de IJenV) dat de kans op een kinderbeschermingsmaatregel niet voor alle gezinnen in Nederland gelijk is.7 Ik neem de oproep van de IJenV tot bewustwording van deze kansenongelijkheid ter harte en zal dit in mijn gesprekken met de Gecertificeerde Instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtspraak meenemen. Een belangrijke vraag daarbij is hoe we kunnen voorkomen dat kwetsbare gezinnen onnodig met kinderbeschermingsmaatregelen te maken krijgen. Als overheid moeten we werken aan het versterken van bestaanszekerheid, het tijdig inzetten van gezinsbrede hulp en het steunen van ouders in kwetsbare situaties. Dit maakt expliciet onderdeel uit van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en de Hervormingsagenda Jeugd. Die zetten onder meer in op het versterken van de lokale teams die dichtbij het gezin de hulp moeten bieden die nodig is om verdergaande problemen te voorkomen.
Wat is uw reactie op het feit dat mensen die hoger opgeleid zijn 39% minder kans op een kinderbeschermingsmaatregel hebben dan mensen die lager opgeleid zijn?
Uit dezelfde tabel 4.5.2 van de CBS-analyse die ik in mijn antwoord op vraag 6 heb genoemd, blijkt dat mensen uit de groep hoger opgeleiden ongeveer een twee keer zo kleine kans hebben op een kinderbeschermingsmaatregel dan mensen uit de groep lager opgeleiden. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 6.
Wat is uw reactie op het feit dat mensen die een migratieachtergrond hebben veel vaker gepakt worden, en is hier naar uw mening sprake van ongelijke behandeling op basis van etniciteit door de Nederlandse overheid?
Uit bovengenoemde CBS-analyse is niet gebleken dat het hebben van een migratieachtergrond de kans op een kinderbeschermingsmaatregel vergroot, maar wel dat de kans op gedupeerdheid (door de kinderopvangtoeslagaffaire) veel groter was voor deze groep.
Zoals ik in de tweede voortgangsbrief UHP KOT heb vermeld, heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: Toeslagen) reeds aangegeven dat er binnen het intensief toezicht van de Belastingdienst en Toeslagen sprake is geweest van institutioneel racisme.8 Het is van belang om te benadrukken dat Toeslagen niet beschikt over informatie over etniciteit en afkomst van burgers en hier dan ook niet actief op geselecteerd is. Wel is bekend dat in het verleden in een aantal toeslaggerelateerde CAF-zaken onderzoeken hebben plaatsgevonden naar gastouderbureaus waarvan de eigenaren en/of klanten een bepaalde achtergrond hadden. Bij het risicoclassificatiemodel van Toeslagen gold dat onder andere Nederlanders met lage inkomens en alleenstaanden, maar ook mensen met een andere nationaliteit, relatief vaker geselecteerd werden voor handmatige behandeling. Ook hierbij was geen sprake van selectie op een specifieke nationaliteit. Er wordt door Toeslagen hard gewerkt aan het erkennen en herstellen van het leed van alle gedupeerden. De Staatssecretaris Financiën – Toeslagen en Douane informeert uw Kamer op structurele basis over de voortgang hiervan.
Kunt u deze antwoorden voor het wetgevingsoverleg Jeugd sturen, zodat we de antwoorden kunnen betrekken bij dit debat?
De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
De aantallen asielzoekers die gemeenten moeten opvangen als gevolg van de dwangwet. |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat gemeenten (al dan niet via de commissaris van de Koning (CdK) van hun provincie) te horen hebben gekregen hoeveel asielzoekers ze (indicatief) moeten gaan opvangen, mocht de dwangwet van kracht worden?
Nee, dit klopt niet. Op het moment van schrijven van deze beantwoording vinden er nog gesprekken plaats over de inhoud van het wetsvoorstel. Vanuit het Rijk zijn er geen mededelingen gedaan die de inhoud van het wetsvoorstel betreffen.
Zo ja, waarom worden dergelijke aantallen aan gemeenten gecommuniceerd terwijl er nog niet eens een wet ligt, laat staan dat de Kamer zich hierover – inclusief de verdeelsleutel als onderdeel hiervan – heeft kunnen uitspreken?
Zie antwoord op vraag 1
Kunt u deze aantallen (per gemeente) direct met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Ja.
Berichten dat artiesten hun tour annuleren vanwege onder meer te hoge kosten |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Gunay Uslu (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hoeveel Nederlandse artiesten zijn genoodzaakt hun tour te annuleren, omdat het vanwege te hoge kosten, door onder andere de hoge inflatie en hoge transport- en vervoerskosten, niet meer financieel rendabel is?1
Ik heb signalen ontvangen over de stijgende kosten voor artiesten en ik ben mij er van bewust dat de inflatie het organiseren van een tournee onder druk zet. Het is mij echter niet bekend in hoeveel gevallen dit geleid heeft tot het annuleren van tournees van Nederlandse artiesten.
Bent u nog steeds in gesprek met gemeenten en provincies over mogelijkheden om de popcultuur in Nederland te versterken en om te komen tot een gedeelde visie op wat nodig is voor een levendige popcultuur?2 Kunt u dit toelichten? Wanneer kunnen we de resultaten van deze gesprekken verwachten?
Ik ben en blijf in gesprek met gemeentes en provincies om de levendige popcultuur die we kennen te behouden en te versterken daar waar nodig. Ik wil de popsector ook betrekken in het proces over de vernieuwing van het bestel.
In mijn kamerbrief Toekomst culturele basisinfrastructuur3 ga ik in op verbeteringen die we al bij de aanvraagronde 2025–2028 mee kunnen nemen, maar geef ik ook aan dat er andere vraagstukken zijn die een langere adem en doordenking nodig hebben. Hieronder vallen onder andere de samenwerking tussen overheden, een breder instrumentarium en de verhouding tussen de bis en de rijkscultuurfondsen. De raad zal in het najaar 23 adviseren over de toekomstige herziening van het bestel. De uitwerking van de visie wat nodig is voor een levende popcultuur hangt hiermee samen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de popsector om te kijken op welke manier gerichte ondersteuning van de overheid de sector door deze periode heen kan helpen?
Het gesprek met de sector en diens vertegenwoordigers over gerichte ondersteuning is al langere tijd gaande. Naar aanleiding van de gesprekken die ik gevoerd heb en onder andere het rapport «Een Weerbare Popsector»4 heb ik besloten de Upstream regelingen van Fonds Podiumkunsten en het Stimuleringsfonds voor de Creatieve Industrie voor midcareer popartiesten met twee jaar te verlengen. Ook komen er extra middelen voor deze regeling beschikbaar. Daarnaast komt er vanuit de herstelmaatregelen een nieuwe subsidieregeling voor jonge muziekmakers: dit betreft een tourloket voor Nederlandse talentvolle artiesten die binnen Nederland op tournee gaan. Hierbij is ook specifiek gekeken naar de noden in de sector. Tevens heb ik een nieuwe regeling voor muziekhubs aangekondigd waarmee ik de ontwikkeling van makers op zowel zakelijk als artistiek vlak in de muzieksector ondersteun.
Hoe staat het met de verzekerbaarheid van tours voor Nederlandse artiesten? Is dit ook mogelijk, zeker nu de risico’s om ergens op tour een keer COVID op te lopen en daarna de rest van de tour te moeten afzeggen groot zijn?
In de «Kamerbrief Stand van zaken moties en toezeggingen inzake cultuur» van 4 november jl.5 ga ik in op een eerdere vraag van de Kamer wat betreft de stand van zaken met betrekking tot de onverzekerbaarheid van culturele evenementen tegen een pandemie. De verzekerbaarheid van evenementen is anders dan de verzekerbaarheid van tours voor Nederlandse artiesten. De stand van zaken met betrekking tot de onverzekerbaarheid is dat de evenementensector momenteel eerst zelf werkt aan een toekomstplan dat op enig moment aan de overheid zal worden voorgelegd ter bespreking. In zijn algemeenheid is het verzekeren van activiteiten iets dat in de markt plaatsvindt. De overheid is terughoudend met het overnemen van risico’s en ik zie daar in dit geval ook geen aanleiding voor. Overigens heb ik geen signalen ontvangen over de onverzekerbaarheid van tours voor Nederlandse artiesten.
Welke verantwoordelijkheid ziet u weggelegd voor de techreuzen en streamingplatforms in het ondersteunen van livemuzikanten? Bent u van mening dat de huidige streamingafdrachten voor een groot deel van de artiesten nog niet het begin van een leefbaar inkomen opleveren? Bent u bereid ook een streamingheffing voor audio-platforms te overwegen, evenals een bijdrage van techplatforms aan de sector?
Artiesten hebben vaak meerdere inkomstenbronnen. Streamingsafdrachten kunnen hier onderdeel van uitmaken. In het onderzoek over de Stand van zaken in de Nederlandse popsector6 dat mijn voorganger heeft laten uitvoeren wordt geconstateerd dat de popsector een complexe waardeketen kent. In dit onderzoek wordt ook ingegaan op de verschillende onderdelen van de waardeketen, hoe deze samenhangen en worden er adviezen gegeven. Specifiek over veranderende businessmodellen en in het bijzonder op het gebied van streaming wordt het volgende geschreven: «Voor de nabije toekomst geldt dat het business model voor de exploitatie van muziekopnamen via streamingdiensten nog geruime tijd ter discussie zal staan. Een van de geïnterviewden geeft aan dat het streamingmodel zoals Spotify dat heeft neergezet nog verder moet uitkristalliseren. Voor makers, zowel uitvoerende muzikanten als auteurs geldt dat, willen zij bouwen aan een stevige en veerkrachtige basis voor hun muzikale carrières, de inkomsten uit streaming in de toekomst substantiëler zullen moeten zijn dan nu het geval is. Daarvoor moeten ze zowel de platenmaatschappijen aanspreken, voor een aandeel in de vergoedingen die Spotify verstrekt, en de platforms waarvoor nu een evidente value gap geldt, YouTube in het bijzonder.» Ik zie hier vooral een rol weggelegd voor de makers om in gesprek te gaan met de platenmaatschappijen en de platforms waarvoor nu een evidente value gap geldt. Ik zal dit onderwerp terug laten komen in gesprekken met het veld om te horen wat de stand van zaken is.
Met betrekking tot de mogelijkheden voor een investeringsverplichting of heffing voor audio verwijs ik naar de Kamerbrief van 16 november 2021, «Stand van zaken moties en toezeggingen met betrekking tot cultuur».7 Hierbij is gewezen op de verschillen tussen de audiovisuele sector en de audiosector. Naast een kostenverschil tussen de beide soorten producties (audiovisuele producties zijn in veel gevallen (veel) duurder dan audioproducties) is er het gegeven dat grote aanbieders van video-on-demand-diensten, zoals Netflix, ook zelf produceren, en dat aanbieders van muziekdiensten, zoals Spotify, zelf geen muziek produceren maar een platform bieden. Daarnaast zijn de verdienmodellen verschillend. Indien men een heffing of een investeringsverplichting wil opleggen aan aanbieders die zijn gevestigd in andere EU-lidstaten (zoals Spotify) dan is daar EU-regelgeving voor nodig. Daarvan is op audiovisueel terrein wel sprake, namelijk de herziene richtlijn audiovisuele mediadiensten. In de audiosector is daarvan echter geen sprake. Naast de juridische vraag of EU-regelgeving ruimte biedt om een investeringsverplichting of een heffing in het leven te roepen, betreft het ook een politieke vraag: de wenselijkheid van een maatregel voor aanbieders – gevestigd in andere (EU)landen – van audio ter stimulering van Nederlandse muziek. Op grond van bovenstaande overwegingen zie ik voor de audiosector momenteel geen aanleiding voor een investeringsverplichting of een heffing.
Op welke wijze gaat u het verdienmodel van Nederlandse artiesten verbeteren? Bent u bereid om met een plan te komen voor verbetering van de inkomenspositie van livemuzikanten en deze voor de begrotingsbehandeling te presenteren? Zo nee, waarom niet? Wat is uw analyse van de huidige problematiek voor livemuzikanten om rond te kunnen komen? Gaat er niet genoeg geld rond in de sector of komt het op de verkeerde plekken terecht? En wat bent u bereid daaraan te doen?
Eén van de maatregelen die ik heb getroffen om het verdienmodel van Nederlandse artiesten te verbeteren is middels een bijdrage aan de ketentafels die Platform ACCT organiseert over de uitwerking van fair practice en fair pay.
Naast andere sectoren, neemt ook de popsector hier aan deel. Deze «ketentafel pop» verkent de inkomenspositie van onder andere popmuzikanten in het livecircuit. Naar verwachting zal de ketentafel popmuziek in het voorjaar van 2023 met een eerste instrument komen om de fase waarin popmuzikanten zich in hun loopbaan bevinden inzichtelijk te maken, zodat het veld en de makers handvatten krijgen om daden bij woorden te voegen waar het een eerlijke beloning betreft. De popsector stelt zich zeer constructief op tijdens deze gesprekken en vormt daarmee een voorbeeld voor andere sectoren. Ik volg deze ontwikkelingen met veel interesse.
Aanvullend heb ik ervoor gekozen om de komende twee jaar de middelen voor de arbeidsmarkt breed in te zetten. Ik zorg de komende periode voor financiële ondersteuning wanneer een opdrachtgever iemand in dienst neemt, en ik zorg voor de financiële ondersteuning van zzp’ers waar het sociale voorzieningen betreft (oogvoorimpuls.nl). Daar kunnen ook organisaties en werkenden in de popsector al op korte termijn gebruik van maken. De komende twee jaar benut ik om te onderzoeken welke deelsectoren een aantoonbare achterstand hebben, om zo te komen tot een zinvolle verdeling van de beschikbare middelen.
Tevens verwijs ik ook naar maatregelen ten behoeve van de positie van artiesten die ik heb aangekondigd in de Meerjarenbrief Cultuur – De Kracht van Creativiteit8: extra gelden voor de Upstream regelingen bij het Fonds Podiumkunsten en het Stimuleringsfonds voor de Creatieve industrie en de nieuwe regeling voor muziekhubs. Ook wordt vanuit de herstelmiddelen voor Impuls Makers een nieuw Tourloket voor Nederlandse artiesten geïnitieerd. Drie maatregelen waar artiesten, en met name ook juist de uitvoerende muzikanten in het livecircuit op korte termijn baat bij zullen hebben en die aanvullend zijn op reeds bestaande regelingen bij de fondsen.
Op welke manier bent u in gesprek met de podia van Nederland, die geconfronteerd worden met exploderende energierekeningen? Kunnen zij, indien nodig, op extra steun rekenen? Kunt u ervoor zorgdragen dat eventuele meerkosten niet afgewenteld worden op artiesten, bijvoorbeeld in de vorm van een commissiebedrag over verkochte merchandise of anderszins?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen en heb contact met de brancheverenigingen en het veld. Veel ZZP’ers in de culturele en creatieve sector zullen geholpen worden door het energieplafond dat het kabinet heeft aangekondigd. Het kabinet werkt tevens aan de uitwerking van de aangenomen motie van leden Paternotte, Kuiken en Klaver. Deze motie verzoekt het kabinet om bij de zoektocht naar oplossingen voor energie-intensieve MKB ook te kijken naar gerichte ondersteuning van scholen en culturele instellingen en te kijken of gemeenten daarbij een rol kunnen spelen.9 Over de uitvoering van de motie Paternotte, c.s., waar dit onderdeel van uitmaakt, zal de Kamer uiteraard worden geïnformeerd. Deze gerichte ondersteuning zal zicht bieden op energiecompensatie en niet op specifieke afspraken zoals dat meerkosten niet afgewenteld worden op artiesten.
Heeft u zicht op de besteding van coronasteunmaatregelen? Hoe wordt voorkomen dat deze op de plank belanden? Zijn er nog extra maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat deze middelen bij de makers belanden?
Ik hecht er belang aan de impact van de coronasteunmaatregelen goed in beeld te krijgen. Daarom laat ik het onderzoeken. Ik verwijs hierbij naar de «Kamerbrief Stand van zaken moties en toezeggingen inzake cultuur»10 van 4 november jl. waarin ik de Tweede Kamer informeer over het rapport van de Boekmanstichting over de gevolgen van corona op de financiële situatie van culturele instellingen en werkenden (waaronder ZZP’ers) in de culturele sector.
Dit onderzoek is een vervolg op het onderzoek over het jaar 2020. Het maakt gebruik van een enquête onder culturele instellingen en van CBS gegevens over werkenden in de sector.11 Het onderzoek zal in november worden afgerond en direct na verschijnen worden gepubliceerd. Het onderzoek is een belangrijke bouwsteen van de evaluatie van het corona steunpakket voor de culturele en creatieve sector. Deze evaluatie heb ik zojuist aanbesteed en zal in het voorjaar van 2023 worden afgerond. Zoals mijn voorganger Minister van Engelshoven in 2021 in haar brief aan uw Kamer heeft bericht zal deze evaluatie een synthese zijn van alle beschikbare gebruiksgegevens, onderzoeken, branche- en CBS-statistieken aangevuld met een procesevaluatie.12 Ik zal deze evaluatie na verschijning naar de Tweede Kamer sturen met mijn beleidsreactie, met een afschrift aan de Eerste Kamer. Overigens krijg ik in gesprekken die ik met het veld voer over dit onderwerp niet de indruk dat er middelen op de plank blijven liggen. Mijn verwachting is dat de te verschijnen onderzoeksresultaten het zich hierop sterk zullen vergroten.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het naderende wetgevingsoverleg over de cultuurbegroting3?
Ja.
Het bericht dat er Chinese politiebureaus in Nederland zijn. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «China heeft illegale politiebureaus in Nederland: aanwijzingen voor intimidatie»?1
Ja.
Hoe oordeelt u over dit bericht?
Het bericht is verontrustend. De vestiging in Nederland van dergelijke «overzeese politie service stations» is onacceptabel. Het kabinet heeft dan ook direct stappen genomen en de stations zijn inmiddels gesloten.
Hoe lang bent u al op de hoogte van deze Chinese politiebureaus op Nederlands grondgebied?
Het bestaan van dergelijke Chinese overseas police service stations werd begin september 2022 gesignaleerd. Nader onderzoek is direct ingesteld.
Hoe worden deze politiebureaus gefinancierd?
Dat is niet bekend. Nader onderzoek naar de opzet van deze stations en de activiteiten die zij hebben uitgevoerd, loopt nog.
Bent u het eens dat de aanwezigheid van deze politiebureaus een schending inhoudt van het verdrag van Wenen voor de diplomatieke relatie tussen Nederland en China? Bent u het eens dat de activiteiten en het gedrag van de vertegenwoordigers van deze bureaus ingaan tegen het Verenigde Naties (VN)-verdrag tegen foltering en het VN vluchtelingenverdrag (non-refoulement principe)?
Volgens het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen is het voor buitenlandse overheden slechts toegestaan in een ander land administratieve diensten en andere overheidstaken te verrichten met de expliciete goedkeuring van dat land. Het uitoefenen van overheidstaken door China op Nederlands grondgebied zonder expliciete instemming van de Nederlandse Staat is dan ook onrechtmatig.
Vooralsnog is niet vastgesteld dat deze stations betrokken waren bij operationele politietaken of intimidatie. Er is daarmee op dit moment geen reden om de activiteiten van deze stations aan te merken als in strijd met het VN-verdrag tegen foltering of het VN-vluchtelingenverdrag.
Bent u het eens dat deze bureaus illegaal zijn en gesloten dienen te worden? Bent u voornemens deze bureaus zo snel mogelijk te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Het uitoefenen van overheidstaken door China op Nederlands grondgebied zonder expliciete instemming van de Nederlandse Staat is zoals gezegd onrechtmatig. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op maandag 31 oktober de Chinese ambassadeur te verstaan gegeven dat de stations onmiddellijk dienen te sluiten en hun activiteiten moeten beëindigen. Daarnaast heeft de premier dit onderwerp ter sprake gebracht in zijn gesprek met president Xi tijdens de G20-top op Bali. De Chinese ambassade heeft sindsdien bevestigd dat de stations inmiddels zijn gesloten.
Staat u in contact met de Chinese diaspora die door deze bureaus zijn geïntimideerd? Zo ja, hoe wordt hun hulp aangeboden? Zo nee, waarom niet?
Ja, Buitenlandse Zaken staat in contact met (vertegenwoordigers van) de Chinese diaspora in Nederland. Daarbij komen sporadisch signalen binnen over ongewenste buitenlandse inmenging. Tot op heden is hierbij geen verband vastgesteld met deze stations. Personen in Nederland die te maken krijgen met intimidatie, manipulatie of ongewenste beïnvloeding kunnen altijd aangifte of melding doen bij de politie.
Een toelichting op het meldpunt Ongewenste Buitenlandse Inmenging is opgenomen in de Kamerbrief Aanpak Statelijke Dreigingen van 28 november 2022.
Wat is het bestaande beleid voor het beschermen van de Chinese diaspora in Nederland waarvan al bekend was dat ze geïntimideerd worden door de Chinese staat?2
Het kabinet heeft in 2018 een landenneutrale aanpak ontwikkeld tegen ongewenste buitenlandse inmenging (OBI). Daarbij zet het in op het versterken van onze informatiepositie, onder ander door onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarnaast is de inzet gericht op versterking van de samenwerking met onze internationale partners, met name binnen Europa.
De nationale aanpak bestaat uit drie sporen:
Het diplomatieke spoor: het aangaan van de dialoog met landen die zich schuldig maken aan ongewenste inmenging in Nederland en hen daar consequent op aanspreken;
Het weerbaarheidsspoor: het verhogen van de weerbaarheid van de kwetsbare groepen in Nederland, die mogelijk doelwit zijn van ongewenste buitenlandse inmenging;
Het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor: het gecoördineerd optreden en verstoren bij actuele of dreigende incidenten, waarbij het OM en de Nationale Politie onderzoek kunnen doen en strafrechtelijke maatregelen kunnen inzetten.
Er vindt een constante toets plaats of deze aanpak volstaat en of zich nieuwe dreigingen op dit gebied aandienen.
Het probleem van buitenlandse inmenging beperkt zich echter niet tot Nederland. Het kabinet zal dan ook in EU-verband oproepen tot een review van deze problematiek en betere informatiedeling en samenwerking om te komen tot een effectiever beleid.
Is de Chinese ambassadeur in Nederland reeds gevraagd om tekst en uitleg? Zo ja, wat is de verklaring van China voor deze illegale activiteiten op Nederlands grondgebied?
De Chinese ambassadeur is op 31 oktober aangesproken op deze kwestie en gesommeerd de stations onmiddellijk te doen sluiten en hun werkzaamheden te beëindigen. Daarbij is hem eveneens gevraagd om tekst en uitleg. De stations zouden zonder bemoeienis van de ambassade zijn opgezet door lokale Chinese autoriteiten om diensten te verlenen voor de migrantengemeenschappen vanuit de betreffende herkomstgebieden.Het zou gaan om inspanningen op vrijwillige basis om administratieve handelingen te verrichten, zoals de verlenging van rijbewijzen, zo lang reizen naar China door de covid-pandemie moeilijk is.
Bent u reeds in contact getreden met Europese en internationale partners om hen te attenderen van dit internationale politienetwerk van China? Zijn er andere landen met vergelijkbare situaties? Zo ja, bent u bereid dit te doen?
De Spaanse NGO Safeguard Defenders berichtte begin september in een rapport over een groeiend transnationaal netwerk van een dertigtal Chinese overzeese politie service stations.3 In een vervolgrapport geeft de NGO aan dat het om ten minste 102 stations in 53 landen gaat.4 In dit rapport worden geen nieuwe stations in Nederland genoemd. Het kabinet staat in nauw contact met collega’s in de EU en daarbuiten die ook met dit vraagstuk te maken hebben.
Bent u bereid het onderzoek naar de bureaus zo spoedig mogelijk na afronding aan de Kamer te sturen? Zo ja, wanneer denkt u dit af te ronden?
Wanneer het onderzoek is afgerond zal de Kamer hierover (indien noodzakelijk vertrouwelijk) worden geïnformeerd.
Wilt u deze vragen met spoed en afzonderlijk beantwoorden?
Gezien de afstemming met de betrokken departementen was het niet mogelijk om deze vragen eerder te beantwoorden.
Zware mishandeling en wurging van katten in Gouda |
|
Dion Graus (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel inzake zware mishandeling en wurging van katten in Gouda?1
Ja.
Bent u bereid om een onderzoek in te laten stellen naar de dader(s)? Zo neen, waarom niet?
Het is niet aan de Minister om te besluiten over het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Nadat een melding over een dode kat de politie had bereikt, is een onderzoek gestart. Ik kan daar als Minister van Justitie en Veiligheid niet nader op ingaan.
Zijn de kadavertjes ter onderzoek van mogelijke dadersporen voorgelegd aan het Veterinair Forensisch Team? Zo neen, waarom niet?
Zoals u weet doe ik geen uitspraken over strafrechtelijke onderzoeken.
Gaat u het mogelijk maken dat dierenbeulen in de toekomst na opsporing en mogelijke arrestatie een zware gevangenisstraf, torenhoge boete en een levenslang verbod op het houden van dieren te wachten staat? Zo neen, waarom niet?
Dierenmishandeling en -verwaarlozing zijn een grove miskenning van de intrinsieke waarde van dieren. Vanwege de ernst van deze strafbare feiten en het belang van de bescherming van dierenwelzijn zijn dierenmishandeling en -verwaarlozing in de Wet dieren als misdrijf strafbaar gesteld. Ik vind het belangrijk dat personen die zich aan deze ernstige strafbare feiten schuldig maken, hier niet mee wegkomen maar worden vervolgd en berecht. Dierenmishandeling en -verwaarlozing kan op dit moment worden gestraft met een gevangenisstraf van maximaal drie jaar of een geldboete van de vierde categorie (€ 22.500, artikelen 2.1, eerste lid, 2.2, achtste lid en 8.12, eerste lid, van de Wet Dieren). Indien deze misdrijven in de uitoefening van beroep of bedrijf zijn gepleegd, kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd (€ 90.000, artikel 8.12, zesde lid, van de Wet dieren). Dit zijn stevige strafmaxima die het mogelijk maken dat in gevallen van dierenmishandeling en -verwaarlozing een passende sanctie kan worden opgelegd. Daarnaast kan de rechter bij een (deels) voorwaardelijke veroordeling een houdverbod als bijzondere voorwaarde opleggen.
Op dit moment is bij uw Kamer het wetsvoorstel aanpak dierenmishandeling en dierverwaarlozing aanhangig. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk dat een verbod op het houden van dieren door de strafrechter als zelfstandige maatregel kan worden opgelegd. De maximale duur van deze maatregel bedraagt tien jaar. Indien sprake is van recidive, kan het zelfstandige dierenhoudverbod voor maximaal twintig jaar worden opgelegd. De wijzigingen in dat wetsvoorstel leveren daarmee een belangrijke bijdrage aan het beschermen van dierenwelzijn en aan het voorkomen van nieuw dierenleed. Vrijheidsbeperkende maatregelen zoals een dierenhoudverbod dienen altijd proportioneel te zijn ten opzichte van de doelen die met die maatregel worden gediend. In dat licht acht ik een langere maximumduur van het houdverbod onwenselijk. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het bovengenoemde wetsvoorstel (Kamerstuk 35 892, nr.2.
Wat gaat u ondernemen om dit soort mishandelingen in de toekomst waar en indien mogelijk te voorkomen en te zorgen voor voldoende capaciteit bij de landelijke alarmcentrale 144 Red een Dier, de Dierenpolitie en het Veterinair Forensisch Team?
Dierenmishandeling en -verwaarlozing is verwerpelijk en het staat voor mij buiten kijf dat er handhavend moet worden opgetreden tegen alle gevallen van dierenmishandeling en -verwaarlozing. Ik vind het minstens zo belangrijk dat wordt ingezet op preventie en dat effectieve maatregelen worden ingezet om dierenmishandeling te voorkomen. Enkele maatregelen uit het wetsvoorstel dat ik in het antwoord op vraag 4 heb genoemd, zijn ook uitdrukkelijk bedoeld om bij te dragen aan het voorkomen van nieuwe gevallen van dierenmishandeling. In dit verband wijs ik bijvoorbeeld op het mogelijk maken van de oplegging van een zelfstandig dierenhoudverbod en de mogelijkheid om een educatieve maatregel op te leggen, waardoor houders worden gestimuleerd om op een verantwoorde wijze dieren te houden.
In de praktijk zien we dat 144 Red een Dier, de themahouders Dieren van de politie en de Landelijke Inspectie Dierenbescherming niet alleen in de handhaving, maar ook in het voorkomen van dierenmishandeling een cruciale rol spelen. In het algemeen kunnen alle opsporingsambtenaren, die bij deze instanties werkzaam zijn optreden tegen dierenmishandeling. Met deze capaciteit kunnen dierenwelzijnszaken naar mijn mening adequaat worden opgepakt. Er is niet gebleken dat er onvoldoende capaciteit is bij de genoemde instanties onvoldoende capaciteit beschikbaar zou zijn.
Chinese infiltratie |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving over Chinese infiltratie in Nederland?1
Ja.
Heeft u de bereidheid om de Chinese ambassadeur op het matje te roepen om hem duidelijk te maken dat deze infiltratie volstrekt onaanvaardbaar is? Kunt u daar een gedetailleerd antwoord op geven?
Het kabinet heeft langs drie lijnen dit signaal afgegeven. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op maandag 31 oktober de Chinese ambassadeur te verstaan gegeven dat de stations onmiddellijk dienen te sluiten en hun activiteiten moeten beëindigen. De Nederlandse ambassade in Peking heeft deze boodschap herhaald bij de Chinese autoriteiten. Daarnaast heeft de premier dit onderwerp ter sprake gebracht in zijn gesprek met president Xi tijdens de G20-top op Bali.
De Chinese ambassade heeft sindsdien bevestigd dat de stations inmiddels zijn gesloten. Gezien deze uitkomst is er op dit moment geen aanleiding om dit onderwerp op te nemen met mijn Chinese ambtgenoot.
Heeft u de bereidheid om richting uw Chinese ambtsgenoot op krachtige wijze eenzelfde signaal af te geven? Kunt u daar een gedetailleerd antwoord op geven?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u de bereidheid om in Europees verband te pleiten voor sancties richting China als dit land haar geïnfiltreer niet direct stopt? Kunt u daar een gedetailleerd antwoord op geven?
Het kabinet staat in nauw contact met EU-partners en met andere landen die ook met dit vraagstuk te maken. Het probleem van buitenlandse inmenging beperkt zich immers niet tot Nederland. Ik heb daarom in Benelux-verband in de EU Raad Buitenlandse Zaken van 14 november aangedrongen op een review van deze problematiek en betere informatiedeling en samenwerking om te komen tot een effectiever beleid. Ik heb hiervoor ook gesproken met de Hoge Vertegenwoordiger, die deze oproep steunde en toezegde dit onderwerp op de agenda te zetten. Ook heb ik dit onderwerp bilateraal met diverse collega’s besproken.
Waar gaat uw onderzoek naar de infiltratie van China uit bestaan? Kunt u daar een gedetailleerd antwoord op geven?
Nader onderzoek ter zake wordt gedaan door de relevante Nederlandse autoriteiten. De NCTV coördineert het Nederlandse beleid gericht op het tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging. In dat kader wordt algemeen onderzoek uitgevoerd naar (potentiële) ongewenste inmenging door China in Nederland.
Ook op andere manieren wordt hier onderzoek naar gedaan. In maart 2021 verscheen een in opdracht van het China Kennis Netwerk verricht en door de Nederlandse overheid gefinancierd openbaar onderzoek van het Leiden Asia Centre, getiteld China’s invloed op de Chinese gemeenschap in Nederland.2 Hierin werd geconcludeerd dat de mate van invloed en beïnvloeding door de Chinese overheid en de Chinese Communistische Partij (CCP) onder de Chinese en Chinees-Nederlandse bevolking in Nederland tot op heden beperkt is. Tegelijkertijd constateert het rapport dat de basis voor beïnvloeding van Chinese Nederlanders wel gelegd is en de potentie voor inmenging daarmee aanwezig is. Dit onderzoek vormde aanleiding voor een vervolgonderzoek naar de kwetsbaarheid van de Nederlands-Chinese gemeenschap voor ongewenste inmenging door China, dat inmiddels is opgestart. De resultaten daarvan worden in het tweede kwartaal van 2023 verwacht.
Heeft u de bereidheid om de Chinese politiebureaus per direct te sluiten en de Chinese politieagenten per direct uit te zetten en een inreisverbod voor Nederland op te leggen? Kunt u daar een gedetailleerd antwoord op geven en ook aangeven of er nog meer van deze bureaus zijn opgespoord en ontmanteld?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de Chinese ambassadeur al op 31 oktober laten weten dat de stations onmiddellijk dienen te sluiten en hun activiteiten moeten beëindigen. De Chinese ambassade heeft sindsdien bevestigd dat de stations zijn gesloten.
Er zijn vooralsnog geen aanwijzingen dat personeel vanuit China is uitgezonden voor werkzaamheden in deze stations. Nader onderzoek door de relevante autoriteiten naar de opzet van deze stations en de activiteiten die zij hebben uitgevoerd, loopt nog.
Het verzoek om een overzicht van alle transacties die hebben plaatsgevonden van en naar de Stichting Open Nederland |
|
Gideon van Meijeren (FVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw reactie d.d. 27 september jl. op het verzoek d.d. 13 september jl. om een overzicht van alle transacties die hebben plaatsgevonden van en naar de Stichting Open Nederland (SON)?
Ja.
Waarom geeft u in uw reactie aan dat aan het verzoek is tegemoetgekomen, terwijl u het gevraagde transactieoverzicht niet heeft verstrekt? Erkent u dat een dergelijk overzicht niet via de normale financiële verantwoordingsprocedures inzichtelijk is?
Vanuit het Ministerie van VWS hebben we volgens de normale financiële verantwoordingsprocedures inzage gekregen en gegeven in de informatie van alle overboekingen die gedaan zijn vanuit het Ministerie van VWS naar SON en andersom. Uit uw vraagstelling begrijp ik dat u inzicht wil in alle transacties van SON met derden. Het klopt dat deze niet voor de normale financiële verantwoordingsprocedures opgevraagd worden door het ministerie. Naast dat dit zeer ongebruikelijk is, ontbreekt in dit specifieke geval ook de noodzaak daartoe.
Erkent u dat u op grond van de Dienstverleningsovereenkomst tussen de Staat der Nederlanden en de SON op uw verzoek, per omgaande en zonder enig voorbehoud, inzage kunt krijgen in alle transacties die van en naar de SON hebben plaatsgevonden?1
Ja.
Bent u bereid om alsnog te voldoen aan het informatieverzoek van 13 september jl. en een overzicht te verstrekken van alle transacties die hebben plaatsgevonden van en naar SON? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijke uitvraag aan opdrachtnemers is niet gebruikelijk en wordt zonder gegronde aanleiding niet gedaan door het Ministerie van VWS. Ik zag, en zie, geen aanleiding om onderzoek te doen naar alle individuele transacties van SON.
Op het moment is SON bezig met de financiële afhandeling van de opdracht die zij hebben uitgevoerd t.b.v. Testen voor Toegang, waaronder ook een jaarverslag en jaarrekening. Deze zal naar verwachting eind november afgerond worden.
Zodra deze stukken definitief zijn, zijn deze via het Handelsregister op te vragen en inzichtelijk voor iedereen.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De brief van 25 mei 2021 waarin de minister toezeggingen doet over de opvolging van de motie van het lid Von Martels over rondzwervende wolven |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Piet Adema (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven of de evaluatie van het huidige wolvenplan, waarbij samen met provincies wordt opgetrokken, is afgerond? Zo ja, kunt u de hierover beschikbare documenten aan de Kamer toe te sturen? Zo nee, kunt u aangeven waarom deze evaluatie niet is afgerond?1
Er zijn geen documenten over de evaluatie van het huidige interprovinciaal wolvenplan. In de Interprovinciaal Overleg (IPO) Wolvenwerkgroep zijn gesprekken gevoerd over de doorontwikkeling naar een nieuw wolvenplan, daarbij is ook geëvalueerd welke onderdelen geactualiseerd zouden moeten worden. In 2021 is op verzoek van de provincies en mijn ministerie een de Factfinding studie2 uitgevoerd door Wageningen Environmental Research (Kamerstuk 33 576, nr. 251), en is juridische analyse opgesteld3. Beide documenten vormen de basis van het geactualiseerde Wolvenplan. In het proces van actualisering worden nieuwe kennis en ervaringen uit de praktijk van de diverse provincies en organisaties meegenomen.
Kunt u aangeven wat de status is van een nieuw wolvenplan en de hierover beschikbare documenten aan de Kamer toesturen, gezien het feit dat u in de brief aangaf dat samen met de provincies aan de doorontwikkeling van een nieuw wolvenplan gaat worden gewerkt, dat in 2022 van kracht zal worden?
Vanuit de provincies wordt gewerkt aan het nieuwe Interprovinciaal Wolvenplan dat het huidige plan zal vervangen. Het plan bevat een actualisering van het door provincies gevoerde beleid. Tevens wordt het door LNV gevoerde internationale beleid toegevoegd. Het Interprovinciaal Wolvenplan is door de provincies in concept voorgelegd aan diverse stakeholders in het Landelijk Overleg Wolf (LOW). De reacties worden momenteel door BIJ12 verwerkt. De provincies besluiten over de definitieve tekst van het Wolvenplan. Door verschillende ontwikkelingen heeft de totstandkoming enige vertraging opgelopen. Naar verwachting zal het geactualiseerde Wolvenplan voor de zomer van 2023 worden gepubliceerd. Bijgevoegd vindt u het concept zoals dat in juni jl. is voorgelegd aan de stakeholders. Het betreft een versie waar provincies nog over moeten besluiten. Als gevolg van diverse ontwikkelingen nadien is het de verwachting van provincies dat het plan op verschillende plekken nog gewijzigd zal worden.
Kunt u aangeven welke maatregelen om faunaschade te beperken er in het wolvenplan zijn opgenomen, gezien het feit dat u in de brief aangaf dat het omgaan met een zwervende wolf die faunaschade veroorzaakt onderdeel zou worden van het wolvenplan?
De definitieve tekst van het Interprovinciaal Wolvenplan is nog niet vastgesteld. Besluitvorming over beschermende maatregelen door de provincies is onderdeel van de totstandkoming en heeft nog niet plaatsgevonden.
Kunt u de Kamer de verslagen toesturen van de tot op heden gehouden overleggen tezamen met een lijst van alle uitgenodigde en deelnemende stakeholders, gezien het feit dat u in de brief aangaf dat ambtenaren deelnemen aan het nieuw ingestelde Landelijk Overleg Wolf, waarbij stakeholders zijn vertegenwoordigd?
Het LOW is een onafhankelijke overlegvorm die niet onder verantwoordelijkheid van mijn ministerie of van de provincies valt. Het is derhalve niet aan mij om de verslagen van het LOW openbaar te maken. Daarbij speelt mee dat binnen het LOW is afgesproken om via de Chatham House Rule te opereren en dat alleen als zodanig vastgestelde gemeenschappelijke standpunten in verslagvorm zijn vastgelegd.
Stakeholders die deelnemen aan het LOW zijn: de 12 Landschappen, Dierenbescherming, Federatie Particulier Grondbezit, Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, LTO Nederland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Stichting
Beheer Platform Kleinschalige Schapen- en Geitenhouders, Vereniging Gescheperde Schaapskudden, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Wageningen Environmental Research, Wolf Fencing Nederland en de Zoogdiervereniging.
Wilt u bovengenoemde vragen allen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De migratieroute via Servië |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU bezorgd over nieuwe migratie via Servië»1 en het bericht «EU does not rule out suspending Servia visa waiver over migration spike»2?
Ja.
Deelt u de zorgen van onder andere Eurocommissaris Johansson over de toegenomen instroom door deze Servië-route? Deelt u de mening dat Nederland, gezien de asielcrisis, de opvang van deze nieuwe stroom niet aankan?
Het aantal succesvolle en gepoogde irreguliere grensoverschrijdingen vanuit de Westelijke Balkanroute is in de eerste 9 maanden van 2022 bijna verdrievoudigd ten opzichte van 2021. Het gaat om ruim 100.000 gevallen. Zoals de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in zijn brief van 4 november jl.3 heeft aangegeven is de situatie van de asielketen in Nederland zorgelijk. In deze analyse wordt gebruik gemaakt van de meest recent vastgestelde ramingen (instroom, productie, capaciteit en uitstroom) voor de asielketen, de zogeheten Meerjaren Productie Prognose (MPP). Op basis van deze bezettingsraming stelt het COA een capaciteitsbesluit op, waarmee geraamd wordt hoeveel opvangplekken benodigd zijn. De prognose gebruikt hiervoor de cijfers, trends en ervaring uit de achterliggende periode en verwachtingen en scenario’s op basis van onder meer geopolitieke ontwikkelingen, beleidsontwikkelingen en trends. In deze context deelt het kabinet de zorgen van Eurocommissaris Johansson over de toegenomen instroom via Servië en ziet de noodzaak om de instroom via de Westelijke Balkan tegen te gaan.
Deelt u de mening dat, gezien de asielcrisis in Nederland en de toegenomen asielinstroom in de EU als geheel, het de grootste prioriteit heeft om de instroom van asielzoekers via de «westelijke Balkanroute» te verminderen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen kunnen er op korte termijn genomen worden om het aantal migranten dat via de «westelijke Balkanroute» de EU binnenkomt te verminderen?
Tijdens de informele lunch van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) op 13 en 14 oktober 2022 werden recente ontwikkelingen en toegenomen migratiedruk op de Westelijke Balkan route besproken. Hierover is uw Kamer middels het verslag van de JBZ-Raad geïnformeerd.4 Tijdens deze bespreking stelde het voorzitterschap een aantal acties voor om deze migratiebewegingen aan te pakken, zoals de samenwerking met de Westelijke Balkanlanden op terugkeer en grensbeheer, alsook stappen om het visumbeleid van de betreffende landen in lijn te brengen met dat van de EU. Het kabinet steunt de geïdentificeerde acties en benadrukt het belang van diplomatieke outreach naar de landen op de Westelijke Balkan. Zo stelde Servië recent de visumplicht in voor Burundezen en Tunesiërs na het bezoek dat Commissaris Schinas recent bracht aan de regio o.a. vanwege de problematiek met betrekking tot het gebrek aan aansluiting bij het EU-visumbeleid. Na deze diplomatieke inzet heeft Servië het visumbeleid aangepast. Het kabinet zal de voortgang op deze toezegging nauwlettend monitoren en op voortgang blijven aandringen. Mocht dit niet tot de gewenste resultaten leiden dan moeten ook andere instrumenten worden verkend.
Deelt u de mening dat als er op korte termijn geen vorderingen zijn, er dan gevolgen moeten zijn voor de afspraken tussen de EU en Servië rond visumvrij reizen?
Het is een zorgelijke ontwikkeling dat irreguliere migratie via de Westelijke Balkan toeneemt mede als gevolg van de afwijkende visumregimes van o.a. Servië. Van kandidaat-lidstaten zoals Servië verwacht het kabinet dat zij hun visumbeleid harmoniseren met dat van de EU. Na diplomatieke druk vanuit de EU heeft Servië recent enkele maatregelen aangekondigd om de aansluiting bij het EU-visumbeleid te verbeteren. Het kabinet verwelkomt de Servische toezegging, en zal de implementatie van de cruciale aansluiting bij het Europese visumbeleid nauwlettend volgen en waar nodig op voortgang blijven aandringen. Het kabinet kijkt daarbij uit naar het rapport over 2021 over het visumopschortingsmechanisme. Het kabinet zal uw Kamer over dit rapport een appreciatie toesturen.
Bent u bereid diplomatieke druk dan wel financiële druk uit te oefenen om Servië zijn visumregime gelijk te trekken met de EU? Zo ja, voor de inzet van welke drukmiddelen pleit u in de EU? Ziet u hierbij een link met het toetredingsproces van Servië tot de EU?
De EU heeft in de afgelopen weken de diplomatieke druk op Servië reeds opgevoerd. Dit heeft ertoe geleid dat Servië recentelijk enkele maatregelen heeft aangekondigd om de aansluiting bij het EU-visumbeleid te verbeteren, zoals geschetst in het antwoord op vraag 4. Het kabinet verwelkomt de Servische toezegging, zal de implementatie van de cruciale aansluiting bij het Europese visumbeleid nauwlettend volgen en waar nodig op voortgang blijven aandringen. Het vraagstuk komt binnenkort terug in de kabinetsappreciatie van het rapport van 2021 over het visumopschortingsmechanisme.
Bij serieuze terugval op de voorwaarden in toetredingsproces kan de Commissie op ieder moment voorstellen maatregelen te treffen, op eigen initiatief of op initiatief van een lidstaat. De Raad kan vervolgens op basis van omgekeerde gekwalificeerde meerderheid reageren op de situatie. Actie van de Raad kan variëren van het stopzetten van EU-financiering, met uitzondering van steun aan het maatschappelijk middenveld, tot het heropenen van gesloten hoofdstukken en het pauzeren of volledig stop zetten van de onderhandelingen.
Welke mogelijkheden ziet u om de grensbewaking op de «westelijke Balkanroute» te intensiveren? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
Momenteel verkent de EU verschillende stappen om migratiebewegingen via de Westelijke Balkan route aan te pakken. De inzet is gericht op het intensiveren van samenwerking met de Westelijke Balkan landen op terugkeer naar derde landen, het versterken van de migratie- en asielsystemen en verstevigd grensbeheer in samenwerking met Frontex. Nederland draagt bij aan deze inzet.
De Raad is 18 november jl. akkoord gegaan met een aanbeveling om onderhandelingen te starten met Albanië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro over nieuwe statusovereenkomsten met Frontex. De Commissie zal nu op basis van dit mandaat starten met de onderhandelingen met deze vier landen. Het doel hiervan is een effectievere inzet van Frontex in Servië en daarmee betere samenwerking en versteviging ten aanzien van het grensbeheer. De Raad zal nu deze aanbeveling van de Europese Commissie moeten goedkeuren om de onderhandelingen te laten starten. Nederland heeft in beginsel een positieve grondhouding ten aanzien van het voorstel.
Ook heeft de Europese Commissie tijdens de buitengewone JBZ-Raad op 25 november jl. toegezegd met een actieplan te komen voor de Westelijke Balkanroute. Het verslag van de JBZ-Raad wordt uw Kamer spoedig toegezonden. Ten slotte zal er waarschijnlijk aandacht zijn voor dit onderwerp tijdens de Westelijke Balkantop van 6 december.
Chinese inmenging in Nederland |
|
Renske Leijten (SP), Michiel van Nispen (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn de berichten over Chinese «politiebureaus» in Nederland juist?1
Deze berichten zijn verontrustend. De vestiging in Nederland van «overzeese politie service stations» is onacceptabel. Het kabinet heeft dan ook direct stappen genomen en de stations zijn inmiddels gesloten.
Op welke basis verblijft het personeel van de Chinese «politiebureaus» in Nederland? Om hoeveel personen gaat het? Kunnen deze personen in Nederland blijven, nu gebleken is wat zij hier doen?
Tot op heden zijn er geen aanwijzingen dat personeel vanuit China is uitgezonden voor werkzaamheden in deze stations. Volgens de Chinese ambassade zou het gaan om lokale vrijwilligers. Nader onderzoek door de relevante autoriteiten naar de opzet van deze stations en de activiteiten die zij hebben uitgevoerd, loopt nog. Afhankelijk van de bevindingen kunnen nadere stappen volgen.
Worden deze personen strafrechtelijk vervolgd en zo ja, op welke basis?
Wanneer er sprake is van een vermoeden dat een strafbaar feit is gepleegd, kunnen politie en Openbaar Ministerie onderzoek instellen. Indien opportuun kan besloten worden tot strafrechtelijke vervolging. Het kabinet doet geen uitspraken of dat in dit geval aan de orde is.
Had de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) deze Chinese «politiebureaus» al in het vizier? Zo ja, waarom werd er geen actie ondernomen? Zo nee, hoe is dat mogelijk?
Over het kennisniveau, de werkwijze of de bronnen van de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten doet de AIVD, zoals bij u bekend, in het openbaar geen uitspraken.
Waar ligt voor u de grens als het gaat om buitenlandse inmenging in de Nederlandse samenleving? Acht u de kaders van het (straf)recht hiertoe voldoende?
Nederlandse burgers moeten, ongeacht hun achtergrond, in staat zijn om in vrijheid eigen keuzes te maken. Het kabinet hanteert dan ook als uitgangspunt dat het andere landen vrij staat om banden te onderhouden met personen die in Nederland wonen, mits dat gebeurt op basis van vrijwilligheid en zolang dit past binnen de grenzen van onze rechtsstaat en het de participatie van Nederlandse burgers niet belemmert.
Om ongewenste buitenlandse inmenging (OBI) tegen te gaan, heeft het kabinet reeds in 2018 een nationale drie sporenaanpak ontwikkeld, bestaande uit het diplomatieke spoor, het weerbaarheidsspoor en het bestuurlijke/strafrechtelijke spoor.
Personen in Nederland die te maken krijgen met ongewenste buitenlandse beïnvloeding, kunnen hiervan aangifte of melding doen bij de politie. In het geval van strafbare feiten, kunnen politie en Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek doen. Daarnaast helpen de meldingen bij het opbouwen van een integraal dreigingsbeeld rond OBI en bij het voeden van de twee andere bovengenoemde sporen van de nationale OBI-aanpak. Een toelichting op het meldpunt Ongewenste Buitenlandse Inmenging is opgenomen in de Kamerbrief Aanpak Statelijke Dreigingen van 28 november 2022.
Naast bovenstaande werkt de Minister van Justitie en Veiligheid momenteel aan een wetsvoorstel voor de uitbreiding van de strafbaarheid van spionageactiviteiten, op grond waarvan het strafbaar wordt gesteld schadelijke handelingen te verrichten ten behoeve van een buitenlandse mogendheid als daardoor gevaar ontstaat voor de veiligheid van een of meer personen of voor (andere) fundamentele belangen in relatie tot de nationale veiligheid.
Over dit wetsvoorstel is inmiddels advies ontvangen van de Raad van State. Het wetsvoorstel zal naar verwachting op korte termijn aan Uw Kamer worden aangeboden.
Wat onderneemt u om aan de Chinese autoriteiten kenbaar te maken niet gediend te zijn van dit soort activiteiten?
Het kabinet heeft langs drie lijnen dit signaal afgegeven. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft op maandag 31 oktober de Chinese ambassadeur te verstaan gegeven dat de stations onmiddellijk dienen te sluiten en hun activiteiten moeten beëindigen. De Nederlandse ambassade in Peking heeft deze boodschap herhaald bij de Chinese autoriteiten. Daarnaast heeft de premier dit onderwerp ter sprake gebracht in zijn gesprek met president Xi tijdens de G20-top op Bali.
De Chinese ambassade heeft sindsdien bevestigd dat de stations inmiddels zijn gesloten.
Wat vindt u van het besluit van de Duitse regering om akkoord te gaan met de overname van 24,5% van een haven in Hamburg door een Chinees staatsbedrijf?2
De fysieke hoofdinfrastructuur van Nederland (zoals hoofdwegen, vaar- en spoorwegen) is in publieke handen. Dat geldt ook voor de zeehavens van nationaal belang. Een deel van de deepsea containerterminals in de Rotterdamse haven is in bezit van Chinese bedrijven; van de totale capaciteit van 16,4 miljoen TEU3 wordt zo’n 12 miljoen TEU overgeslagen via de desbetreffende terminals.
Ieder land maakt een eigenstandige afweging ten aanzien van de economische belangen en mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid die uit kunnen gaan van investeringen en overnames. De aanwezigheid van Chinese bedrijven in Nederlandse infrastructuur is niet per definitie onwenselijk. Het wordt onwenselijk als de aanwezigheid van buitenlandse partijen onze publieke belangen in gevaar brengt door het ontstaan van risicovolle strategische afhankelijkheden of als de continuïteit van vitale processen kan worden aangetast.4
Het kabinet is van mening dat het essentieel is dat onze havens hun belangrijke maritiem-logistieke (hub) functie voor onze economie onafhankelijk en veilig kunnen uitoefenen. Waar de Chinese (economische) aanwezigheid, of inmenging van bedrijven uit andere landen, publieke belangen in gevaar brengt dient actie genomen te worden. Afstemming met onze buurlanden en de Europese Commissie is daarbij tevens essentieel, om te voorkomen dat havens tegen elkaar worden uitgespeeld.
Om ons weerbaarder te maken heeft het kabinet onder andere de versterkte aanpak ter bescherming van de vitale infrastructuur aangekondigd. Met deze versterkte aanpak wil het kabinet voorkomen dat risico’s een bedreiging vormen voor de continuïteit, integriteit en vertrouwelijkheid van de Nederlandse vitale processen en werkt daartoe aan adequate weerbaarheid. De versterkte aanpak vitaal zet in op het verbeteren van de bescherming van de Nederlandse vitale infrastructuur door het vitaalbeleid, de beleidscyclus en het vitaalstelsel te herzien. Het (laten) meewegen van nationale veiligheid bij inkoop en aanbestedingen in de vitale infrastructuur zal hierin worden meegenomen. Daarnaast wordt ook in dit traject doorlopend ingezet op bewustwording van de dreiging die uitgaat van statelijke actoren bij inkopers, binnen de rijksoverheid en bij vitale aanbieders. Uw Kamer wordt begin volgend jaar nader geïnformeerd over de versterkte aanpak vitaal.
Welke infrastructuur in Nederland is (gedeeltelijk) in handen van Chinese statelijke actoren? Kunt u een overzicht aan de Kamer leveren?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe voorkomt u dat China deze bezittingen als politiek drukmiddel inzet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat we cruciale sectoren, zoals onze energievoorziening, juist in eigen handen moeten nemen? Zo nee, hoe voorkomt u dat we daar geen enkele zeggenschap meer over hebben?
Ik deel dat we vitale processen moeten beschermen tegen investeringen die risicovolle strategische afhankelijkheden kunnen veroorzaken, de continuïteit van het vitale proces kunnen schaden of op een andere manier de nationale veiligheid of onze publieke belangen kunnen raken. Naast de acties die in het antwoord op vragen 8 en 9 zijn opgesomd, is de wet Veiligheidstoets Investeringen, Fusies en Overnames (Vifo) opgesteld. Deze voorziet in instrumenten om risico’s voor de nationale veiligheid als gevolg van investeringen, fusies en overnames te mitigeren. Met deze wet kunnen zeggenschapswijzigingen in bepaalde bedrijven ex ante worden getoetst, waarna eventueel mitigerende maatregelen kunnen worden opgelegd en in het uiterste geval transacties kunnen worden geblokkeerd. De wet Vifo is van toepassing op vitale aanbieders die buiten bestaande sectorale investeringstoetsen vallen (zoals de Elektriciteitswet, de Gaswet en de Telecommunicatiewet) alsmede op beheerders van bedrijfscampussen en ondernemingen actief op het gebied van sensitieve technologie. De wet Vifo treedt naar verwachting begin 2023 in werking, met een terugwerkende kracht vanaf 8 september 2020.
Wat onderneemt u om verwerving van Nederlandse infrastructuur door andere landen waaronder China in toom te houden?
Zie antwoord vraag 10.