Milieunormen voor windturbines op land |
|
Felix Klos (D66), Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brede oproep van onder andere bouwbedrijven, netbeheerders, gemeenten en milieuorganisaties om te kiezen voor milieunormen voor windturbines op land op basis van geluid en slagschaduw, in plaats van vast te houden aan generieke afstandsnormen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stelling dat generieke afstandsnormen een slechte voorspeller zijn van ervaren hinder door windturbines, in vergelijking met normen gebaseerd op geluid en slagschaduw?
Een generieke afstandsnorm biedt op zichzelf geen aanvullende bescherming tegen hinder voor bewoners in de nabijheid van windturbines.2 Het geluidniveau op de gevel van een woning kan niet een-op-een vertaald worden naar een vaste afstand tot de windturbine, omdat dit van vele factoren afhankelijk is. Voorbeelden hiervan zijn: het type windturbine, bodemgesteldheid, bebouwing/obstakels/begroeiing in de omgeving, en weersomstandigheden. De mate van hinder door slagschaduw wordt niet alleen bepaald door de afstand vanaf de windturbine, maar ook door de oriëntatie van het windpark, de blootstellingsduur en de frequentie van het passeren van de wieken. Een afstandsnorm zal daarom normering voor geluid en slagschaduw niet kunnen vervangen en kan alleen als aanvullende norm gehanteerd worden om duidelijkheid en zekerheid te bieden aan omwonenden.
Kunt u toelichten in hoeverre het uitblijven van definitieve, werkbare milieunormen momenteel leidt tot stilstand of vertraging van windprojecten, met name op locaties waar de ruimte schaars is, zoals nabij bedrijventerreinen, infrastructuur en havens?
De Monitor Wind op Land laat zien dat de realisatiegraad van windturbines op land na 2021 afneemt. Ook zitten er minder projecten voor de realisatie van windturbines op land in de pijplijn. Dit komt door meerdere factoren, zoals netcongestie, vertragingen door bezwaar- en beroepsprocedures, beperkingen als gevolg van defensieactiviteiten, en door onzekerheid over de besluitvorming rond landelijke milieunormen.3
Sinds de uitspraak van de Raad van State in juni 2021 (het Nevele-arrest) wordt er gewerkt aan nieuwe landelijke milieunormen; welke specifieke factoren hebben ertoe geleid dat dit proces tot op heden nog niet is afgerond, en op welk moment kan de Kamer de normen tegemoetzien?
Het vorige kabinet heeft besloten de indiening van de AMvB milieunormen aan de Tweede Kamer aan het volgende kabinet te laten. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel over de afstandsnormen. In het commissiedebat Hernieuwbare Energie van 15 april jl. is toegezegd voor de zomer de Tweede Kamer hierover te informeren.
In hoeverre kunnen landelijke normen voor geluid en slagschaduw bijdragen aan zowel de bescherming van omwonenden als aan het vergroten van onze energieonafhankelijkheid?
Bij de totstandkoming van de geluidsnormen in het ontwerpbesluit is uitgegaan van de bestaande kennisbasis over de relatie tussen windturbinegeluid en gezondheid. Deze toont aan dat er een duidelijk verband is tussen het geluidniveau van windturbines en de kans op hinder. De geluidnormen regelen daarom het beschermingsniveau voor omwonenden tegen hinder door windturbinegeluid.
Ook zijn in het ontwerpbesluit bepalingen opgenomen ter beperking van hinder van slagschaduw. Voor beide normeringen geldt dat deze enerzijds voldoende bescherming moeten bieden aan omwonenden en anderzijds plaatsingsruimte moet bieden aan windenergie omdat dit nodig is in het voorzien van leveringszekerheid en onafhankelijkheid van energie, en voor het behalen van klimaatdoelstellingen.
Naar verwachting leiden de nieuwe milieunormen tot meer duidelijkheid en zekerheid voor investeerders en exploitanten, wat bijdraagt aan het vergroten van de investeringsbereidheid in windturbines die bijdraagt aan het voorzien van leveringszekerheid.
Bent u bereid om landelijke milieunormen voor windturbines op land vast te stellen die gebaseerd zijn op geluid, slagschaduw en externe veiligheid, met ruimte voor lokaal maatwerk om specifieke gebiedskansen (zoals in havengebieden) te benutten?
Het ontwerpbesluit bevat landelijke milieunormen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Voor geluid en externe veiligheid geldt dat hierbij ruimte wordt gelaten voor lokaal maatwerk door het gebruik van grenswaardes en standaardwaarden. Dit biedt het bevoegd gezag ruimte om lokaal een goede afweging te kunnen maken van economische en maatschappelijke belangen, zoals de gezondheidsbescherming van bewoners en de duurzame energiedoelstellingen.4
Kunt u reflecteren op de mogelijke negatieve effecten van starre afstandsnormen voor de technologische innovatie, zoals de ontwikkeling van stillere, efficiëntere en hogere windturbines?
Innovatie is essentieel in de doorontwikkeling van windturbines. Deze markt is constant in ontwikkeling en aan innovatie onderhevig, en betreft een Europese en mondiale markt aangelegenheid. Met een generieke afstandsnorm geldt in het algemeen dat deze minder ruimte biedt om effecten van innovaties te accommoderen.
Hoe beoordeelt u het risico dat generieke afstandsnormen dwingen tot de bouw van meer, maar lagere turbines, en wat zijn daarvan de gevolgen voor de maatschappelijke kosten, de efficiëntie van het stroomnet en de impact op de biodiversiteit?
Nieuwe milieunormen kunnen de mogelijkheden voor grotere windturbines op land beperken. De maatschappelijke kosten, efficiëntie van het stroomnet en impact op de biodiversiteit worden per project beoordeeld, hier kunnen beperkt generieke uitspraken over worden gedaan. Ter ondersteuning van een zorgvuldige belangenafweging geldt een mer-beoordelingsplicht bij een park van 3 turbines of meer waarmee de milieueffecten en de effecten op biodiversiteit in beeld worden gebracht.
In hoeverre vormen generieke afstandsnormen een barrière voor de broodnodige «repowering» (het vervangen van oude door moderne turbines) op bestaande locaties, en acht u deze belemmering wenselijk in het licht van de klimaatdoelen en onze energie-afhankelijkheid?
Het repoweren van windturbines is van groot belang om ook in onze toekomstige vraag naar elektriciteit te kunnen voorzien. Dit laten recente studies naar de potentie van windturbines op land ook zien.5 Generieke afstandsnormen kunnen de mogelijkheden voor repowering beperken. Deze overweging neemt het kabinet mee in de besluitvorming over de milieunormen.
Het artikel 'Wereldeconomie op de rand van afgrond door blokkade Hormuz: bijna 9 miljoen vaten per dag te weinig' |
|
Bart Bikkers (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht en hoe beoordeelt u de geschetste situatie?1
Ja
Het kabinet deelt de zorgen met betrekking tot de economische gevolgen van de verstoringen in wereldwijde energiestromen. De internationale oliemarkt staat als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten onder grote druk. De verstoring van de doorvoer via de Straat van Hormuz heeft directe gevolgen voor de beschikbaarheid en prijsvorming van ruwe olie en olieproducten. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet besloten op te schalen naar fase 1 («alertering») van het Landelijk Crisisplan Olie. Deze fase stelt het kabinet in staat om de situatie intensiever te volgen en tijdig voorbereid te zijn op een mogelijke verdere verslechtering. De situatie wordt constant en nauwlettend gemonitord en we blijven in contact met marktpartijen, het Internationaal Energie Agentschap, de Europese Commissie en andere lidstaten voor afstemming.
Met welke concrete scenario’s houdt het kabinet momenteel rekening, aangezien het kabinet werkt aan scenario’s en maatregelen in het kader van een mogelijke energiecrisis?
Het kabinet bereidt zich goed voor, getuige de scenario's zoals geschetst in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.2 Deze variëren van een situatie met beperkte impact tot een scenario met ernstige verstoringen en fysieke tekorten van olie en gas.
De scenario's geven inzicht in de mogelijke gevolgen voor het energieaanbod, de economie en voor huishoudens en bedrijven en zijn gebaseerd op analyses van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en uit het bedrijfsleven mee.
Deelt u de zorg van verschillende energie experts dat Nederland en Europa mogelijk op korte termijn (april/mei) met fysieke tekorten aan diesel en kerosine te maken kunnen krijgen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet begrijpt de zorgen van energie-experts en houdt rekening met mogelijke verstoringen en de economische gevolgen daarvan. Op dit moment voorzien we, ondanks de verstoring, nog geen acuut probleem voor de leveringszekerheid van olie of olieproducten. Maar, hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en de leveringszekerheid.
Ter context, de EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang voldoende ruwe olie beschikbaar blijft, kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden. Dit dempt het onmiddellijke effect, maar is op de middellange termijn een zorg.
Bovendien is de oliemarkt mondiaal en kunnen de prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU stimuleren.
Hoe bereidt u zich voor op mogelijke fysieke tekorten aan diesel en kerosine? Worden er mitigerende maatregelen bedacht voor verschillende sectoren?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote strategische olievoorraden. Bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer kunnen we met deze voorraden nog maanden vooruit. In het kader van de collectieve actie, aangekondigd door het Internationaal Energie Agentschap op 11 maart, bereidt Nederland zich voor op de inzet van een deel van deze voorraden.
Tegelijkertijd bereidt het kabinet zich voor op verschillende scenario's, inclusief situaties met dreigende schaarste of tekorten. Voor een specifieke crisis op het gebied van schaarste van olie en/of olieproducten ligt het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O)3 klaar. Dit plan is onderdeel van de nationale crisisbeheersingsstructuur en vastgesteld door de Tweede Kamer.4 In dit plan zijn maatregelen per escalatiefase uitgewerkt, waarbij alle relevante publieke en private actoren worden betrokken. Momenteel bevindt Nederland zich in fase 1 (alertering), waarmee de voorbereiding en coördinatie worden geïntensiveerd. Bij verdere verslechtering van de situatie kan worden opgeschaald naar fase 2 (vroegtijdige waarschuwing), fase 3 (alarmering) en uiteindelijk fase 4 (afkondiging van een oliecrisis of noodsituatie).
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is een inventarisatie van mogelijke maatregelen voor een energieschok gedaan. In bijlage 2 van die brief is uiteengezet wat de sectorale doorwerking van de energieschok is.
Welke maatregelen kunt u treffen om de leveringszekerheid van diesel en kerosine te vergroten? Kan de aanvoer hiervan via alternatieve routes of bronnen worden vergroot?
Alternatieve routes of bronnen voor kerosine en diesel zijn op dit moment beperkt. Het aanbod van kerosine in de twee regio's waarvan Europa afhankelijk is, het Midden-Oosten en Azië, is op dit moment verstoord. Hetzelfde geldt, in mindere mate, voor diesel, waarvan het aanbod voor Europa gedeeltelijk verstoord is. De hogere prijzen in Europa trekken wel kerosinevolumes aan ten koste van Azië, maar dit is beperkt. Dieselvolumes worden in grotere mate uit de VS en Azië gehaald in plaats van het Midden-Oosten.
Met de opschaling naar fase 1 van het LCP-O onderstreept het kabinet dat het de ernst van de ontwikkelingen onderkent en zich voorbereidt op mogelijke verdere verstoringen. Op dit moment is er geen sprake van acute tekorten of directe ingrepen in de markt. Het kabinet monitort de ontwikkelingen continu en is voorbereid om, als de situatie daartoe aanleiding geeft, tijdig over te gaan tot verdere opschaling van het crisisniveau.
Wat zouden de economische gevolgen zijn van dergelijke tekorten, in het bijzonder voor de Nederlandse economie en voor de transport- en luchtvaartsector (zowel civiel als militair)?
In de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok is uiteengezet wat de economische gevolgen zijn van alle mogelijke scenario's van de energieschok voor de Nederlandse economie, maar ook voor specifiek de transport- en luchtvaartsector5.
Is er een mogelijkheid voor Nederlandse raffinaderijen om hun productie van kerosine te vergroten?
Momenteel draaien de raffinaderijen op gebruikelijk niveau. Er is aangegeven dat er tot eind juni geen tekort aan ruwe olie wordt verwacht om kerosine te maken. Raffinaderijen zullen altijd een mix maken van olieproducten en zullen niet overgaan op het produceren van slechts één product. Ongeveer 10% van de productie in Nederlandse raffinaderijen is kerosine. Als de prijsprikkels zodanig zijn dat het loont om meer kerosine te produceren dan zullen raffinaderijen daarvoor optimaliseren, maar dat is in de praktijk beperkt. Daarbij moet wel gezegd worden dat de flexibiliteit van raffinaderijen om van product te wijzigen naar schatting enkele procenten is, wat zou betekenen dat productie van kerosine in Nederlandse raffinaderijen zou kunnen stijgen met enkele procenten. Daarnaast is de ruimte voor optimaliseren zeer afhankelijk van de opzet van de raffinaderij en het type ruwe olie dat beschikbaar is; lichtere ruwe olie geeft bijvoorbeeld meer kerosine dan zwaardere ruwe olie.
Energieschaarste |
|
Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Nederland grootste exporteur van diesel en kerosine – Schaarste «niet aan de orde»»1 en «Olieschaarste gaat pijn doen – Analisten waarschuwen: grote tekorten»?2
Ja.
Hoe kan het dat ambtenaren in een technische briefing3 de Kamer hebben verteld dat energieschaarste nog lang niet aan de orde is, maar dat twee dagen later energie-experts waarschuwen voor grote tekorten? Wie hebben gelijk?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke en objectieve toelichting gegeven op de oliemarkt en de olie-leveringszekerheid. Hierbij is aangegeven dat de aanvoer van kerosine naar Europa verstoord is en dat de aanvoer van diesel gedeeltelijk verstoord is.
Het kabinet houdt rekening met alle mogelijke scenario's, ook met scenario's van dreigende schaarste of tekorten. Deze zijn uiteengezet in de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok die aan de Kamer is gestuurd.4
Klopt het dat er volgens de ambtenaren in Nederland geen tekorten aan diesel en kerosine zullen ontstaan, omdat (1) Nederlandse raffinaderijen een overschot produceren, (2) Nederland de grootste netto-exporteur is en (3) de olie-import en -voorraden op orde zijn?
Tijdens de technische briefing is een feitelijke toelichting gegeven op de Nederlandse raffinagesector en de omvang van de strategische voorraden. Er is aangegeven dat er geen acute fysieke tekorten zijn, niet dat er nooit tekorten kunnen ontstaan.
De EU is voor circa 23% van haar kerosinegebruik afhankelijk van import. Ongeveer 77% wordt gemaakt in raffinaderijen binnen de EU. Zolang er voldoende ruwe olie beschikbaar blijft kunnen raffinaderijen in de EU op gebruikelijk niveau blijven produceren. Daarnaast beschikken Nederland en andere EU-lidstaten over strategische olievoorraden.
Deze combinatie van Europese productie en strategische voorraden maakt dat bij een gelijkblijvende verstoring van de aanvoer nog geruime tijd in de vraag kan worden voorzien. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat de oliemarkt mondiaal is en dat prijsverschillen de handel naar, maar ook uit de EU kunnen stimuleren. De termijn van een Europese kerosinevoorraad van vijf maanden kan korter worden wanneer de Europese voorraden beperkt worden ingezet of wanneer marktpartijen de op de markt gezette strategische voorraden opkopen en verschepen naar andere delen van de wereld. Ook als Europese raffinaderijen minder ruwe aardolie beschikbaar hebben, of om andere redenen hun productie verlagen, neemt de aanbodverstoring toe.
Hoe valt dat te rijmen met de uitspraken van energie-expert Van den Beukel van «The Hague Centre for Strategic Studies»: «Wij maken heel veel olieproducten in onze raffinaderijen hier in Rotterdam. Dat maakt het probleem voor Nederland wellicht ietsjes minder. Maar de diesel of kerosine of het plasticproduct dat uit zo’n raffinaderij komt, gaat uiteindelijk naar de hoogste bieder. Dat kan Nederland zijn, maar niet noodzakelijk»?
De toelichting tijdens de technische briefing sluit aan bij de in de vraag geciteerde uitspraak van de heer Van den Beukel. Nederland beschikt over een sterke raffinagesector en produceert veel olieproducten, wat de positie van Nederland relatief gunstig maakt.
Tegelijkertijd opereren raffinaderijen op volle capaciteit binnen een open en transparante, internationale markt waarin een olieproduct vrijelijk kan worden verplaatst naar waar de vraag en prijs het hoogst zijn. Dit betekent dat productie in Nederland niet automatisch leidt tot beschikbaarheid voor de Nederlandse markt.
Hoe reageert u op de uitspraak van energie-expert Van Geuns van kennisinstituut «The Hague Centre for Strategic Studies» die de woorden van de ambtenaren als volgt kwalificeert: «Heel bijzonder. Het klinkt als: ga maar slapen, we hebben het goed. Maar Nederland is geen eiland»?
Het kabinet herkent zich niet in de geschetste kwalificatie en bereidt zich voor op alle scenario's, zoals ook blijkt uit de recente Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok.5 Daarbij is een bandbreedte gehanteerd van beperktere impact tot zeer zware impact op de wereld- en de Nederlandse economie. Kort samengevat wordt de impact op het energieaanbod, de economie en op huishoudens en bedrijven uiteengezet. De scenario's geven de gemene deler van publicaties van onder andere het Internationaal Energie Agentschap (IEA), De Nederlandsche Bank (DNB), het Centraal Planbureau (CPB), de Europese Centrale Bank (ECB), de OESO en het IMF.
Het kabinet bereidt zich voor op alle scenario's, onder andere door breed maatregelen te inventariseren en uit te werken om bedrijven en huishoudens te ondersteunen en neemt hiervoor signalen uit de samenleving en het bedrijfsleven mee.
Kunt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor beantwoording van deze vragen is de gebruikelijke termijn van drie weken aangehouden.
De uitwerking van een capaciteitsmechanisme om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen en de rol van kolencentrales |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe het tijdspad eruitziet voor het invoeren van de capaciteitsmarkt voor de leveringszekerheid van elektriciteit, zoals afgesproken in het coalitieakkoord? Welke concrete stappen moeten nog worden gezet en binnen welke termijn verwacht u dat het capaciteitsmechanisme operationeel kan zijn?
Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet in op een capaciteitsmarkt om de voorzieningszekerheid van elektriciteit te borgen. Op dit moment werkt het kabinet aan de uitwerking van het tijdspad en de benodigde stappen hiervoor. Het kabinet beoogt voor de zomer een brief over voorzieningszekerheid van elektriciteit naar uw Kamer te sturen. In deze brief zal nader worden ingegaan op het tijdspad en de benodigde concrete stappen.
Op welke manier wordt bij het ontwerp van het capaciteitsmechanisme rekening gehouden met de voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943, met name ten aanzien van de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales uit artikel 22 lid 4?
Het kabinet bekijkt momenteel hoe de afspraak uit het coalitieakkoord over introductie van een capaciteitsmarkt het beste kan worden vorm gegeven. Hierbij wordt rekening gehouden met de CO2-emissienormen voor elektriciteitscentrales en andere voorschriften uit Verordening (EU) 2019/943. In de eerdergenoemde brief over het capaciteitsmechanisme zal dit onderdeel worden toegelicht.
Klopt het dat deze verordening voorschrijft dat energiecentrales alleen mogen deelnemen aan een capaciteitsmechanisme indien zij minder dan 550 g CO2 per kWh uitstoten en gemiddeld minder dan 350 kg CO2 per kW geïnstalleerd vermogen per jaar?
Ja. Of cumulatief aan beide voorwaarden moet worden voldaan zal worden nagevraagd in gesprekken met de Europese Commissie tijdens de verdere uitwerking van het capaciteitsmechanisme.
Kunt u bevestigen dat het kabinet bij de verdere vormgeving van aanvullend beleid voor leveringszekerheid van elektriciteit blijft streven naar de beste balans tussen maatschappelijke kosten en baten, zoals eerder aangegeven in Kamerstuk 29 023, nr. 570?
Ja, dat kan ik bevestigen.
In hoeverre zal er bij de inrichting van de capaciteitsmarkt aansluiting worden gezocht bij hoe een dergelijk mechanisme in ons omringende landen zoals België al is ingericht?
Het kabinet vindt het belangrijk om de ontwikkelingen van omringende landen zoals België aandachtig te volgen, zoals ook benadrukt in de Kamerbrief van mei 20251. De concrete inrichting van een capaciteitsmarkt en keuzes die daaruit voortvloeien, worden momenteel uitgewerkt en zullen worden toegelicht in de aanstaande Kamerbrief.
Welke mogelijkheden ziet u om bij de verdere uitwerking van een capaciteitsmechanisme rekening te houden met de rol van bestaande kolencentrales in de voorzieningszekerheid van elektriciteit, zoals dat o.a. ook in België is gedaan?
Volgens Europese verduurzamingseisen als onderdeel van de staatssteunregels waaraan een capaciteitsmechanisme moet voldoen, zijn volledig kolengestookte centrales uitgesloten van deelname aan dit mechanisme. Deze verordening geldt voor alle lidstaten waardoor volledig kolengestookte centrales geen onderdeel van het Belgische capaciteitsmechanisme zijn, of kunnen worden van een Nederlands capaciteitsmechanisme.
Wel zijn andere vormen van regelbaar vermogen, zoals gas-, waterstof- en biomassacentrales toegestaan. Gelet op de Europese verduurzamingseisen en het beginsel van technologieneutraliteit, kunnen kolencentrales deelnemen aan het capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan de CO2-eisen. Dit kan door bijvoorbeeld gebruik te maken van een andere brandstof zoals biomassa.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om het capaciteitsmechanisme zo in te richten dat deze centrales alleen in aanmerking komen voor deelname aan een capaciteitsmechanisme indien zij voldoen aan strenge emissie-eisen zoals die uit de genoemde Europese Verordening, waarmee een in aanmerking komende centrale minstens zo schoon dient te zijn als het uitstootniveau van een gascentrale?
Zie antwoord vraag 6.
Is het mogelijk om het capaciteitsmechanisme flexibel vorm te geven zodat ook innovatieve technologieën, zoals waterstofcentrales of batterijsystemen, kunnen bijdragen aan de leveringszekerheid?
Ja. Een capaciteitsmechanisme moet technologieneutraal zijn. Het is mogelijk om in het ontwerp van een capaciteitsmechanisme keuzes te maken die gelijkwaardige deelname van CO2-vrije technologieën zoals vraagrespons en energieopslag (o.a. via batterijsystemen) stimuleren.
Blauwe waterstof, CO2-opslag en publiek risico |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Kamerbrief van 14 juli 2025 over waterstof, groen gas en andere energiedragers en met de Klimaat- en Energienota 2025?1, 2, 3
Ja
Klopt het dat het kabinet nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas met Carbon Capture and Storage (CCS) wel mogelijk en in bepaalde gevallen kansrijk acht, maar daarvoor op dit moment geen aanvullend financieel instrumentarium inzet vanwege onzekere vraag, hoge kosten en een pas na circa 2035 realistisch geachte substantiële afzetmarkt?
In de beleidsverkenning koolstofarme waterstof, als onderdeel van de Kamerbrief «Voortgang waterstofbeleid» waaraan u refereert, is dit beeld geschetst. De markt voor deze projecten lijkt op korte termijn beperkt. Bestaande grijze waterstofgebruikers zetten namelijk vooral in op het toepassen van CCS op hun eigen productie-installaties. Wel zijn er potentiële nieuwe toepassingen voor koolstofarme waterstof, zoals partijen die kijken naar inzet hiervan voor het vervangen van aardgasgebruik in gascentrales, of voor hoge-temperatuur warmte in cluster 6 op plekken waar elektrificatie zeer uitdagend of niet mogelijk is. Het vervangen van aardgas voor deze toepassingen met koolstofarme waterstof kent vooralsnog relatief hoge kosten, waardoor dit alleen met significante subsidies uit kan. Op dit moment lijkt aanvullende interventie niet doelmatig. Mogelijk ontstaat op langere termijn een kosteneffectieve businesscase voor deze toepassingen van waterstof. De noodzaak hiervoor zal ook afhangen van de beschikbaarheid en kostenontwikkeling van alternatieven, zoals groen gas.
Hoe verhoudt deze terughoudendheid zich tot de forse publieke betrokkenheid bij CO2-infrastructuur, waaronder het afdekken van vollooprisico’s en de deelname van Energie Beheer Nederland (EBN) in CCS-projecten?
Zonder CCS worden de CO2-reductiedoelstellingen voor de industrie niet gehaald. Voor diverse industriële sectoren is CCS de enige manier om op korte manier te verduurzamen. Bovendien is CCS nodig voor koolstofverwijdering om klimaatneutraal te worden. Het belang van CO2-infrastructuur is daarmee breder dan alleen koolstofarme waterstof. De Staat zet daarom met diverse maatregelen in op het tijdig op gang brengen van de CCS-markt, zodat projecten kunnen bijdragen aan de CO2-reductiedoelen voor 2030.
Kunt u een integraal overzicht geven van alle directe en indirecte publieke middelen, garanties, leningen, kapitaalstortingen, Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie-beschikkingen (SDE++) en overige risico’s die samenhangen met CCS-infrastructuur en projecten die voor blauwe waterstof relevant zijn?
Hieronder vindt uw Kamer een integraal overzicht van alle publieke middelen die beschikbaar zijn gesteld voor activiteiten die samenhangen met CCS.
SDE++
Voor de SDE++ is in enkele jaren subsidie toegekend aan CCS-projecten. De daadwerkelijke uitgekeerde subsidie hangt af van de ETS-prijs in het betreffende subsidiejaar. Tot nu toe is nog geen SDE++-subsidie uitgekeerd aan CCS, omdat subsidie wordt uitbetaald op basis van daadwerkelijk gerealiseerde CO2-reductie en er nog geen CCS-projecten zijn gerealiseerd die SDE++ toegekend hebben gekregen. Hieronder staat een uitsplitsing van de CCS-projecten uit de verschillende SDE++-openstellingen die op dit moment in beheer zijn. De getoonde bedragen zijn de maximale subsidieverplichtingen. De uiteindelijke kasuitgaven zullen fluctueren en naar verwachting aanzienlijk lager uitvallen. Niet alle CCS-projecten zijn automatisch relevant voor koolstofarme waterstof.
2020
€ 2,1 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2022
€ 0,2 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2023
€ 0,3 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2024
€ 1 mld.
Beschikt, (nog) niet uitbetaald
Subsidie toegekend voor CCS
2025
n.t.b.
Aanvragen in behandeling
€ 8 mld. in totaal beschikbaar voor de 2025-ronde
Leningen EBN
In 2021 is een marktconforme lening verstrekt aan EBN van € 53,4 miljoen voor ontwikkeling en realisatie van het Porthos-project. In 2023 is een marktconforme lening verstrekt aan EBN van € 32 miljoen voor deelname aan de FEED-fase van de ontwikkeling van de opslaglocaties aan het Aramis-project.
Subsidies EBN
EBN heeft in 2019 € 9,8 miljoen subsidie ontvangen voor deelname aan de FEED-fase van het Porthos-project.
EBN heeft in 2021 € 8,25 miljoen subsidie ontvangen voor deelname aan de pre-FEED fase van het Aramis-project.
EBN heeft in 2023 € 6,24 miljoen, in 2024 € 24,6 miljoen en in 2025 € 10,15 miljoen subsidie ontvangen voor de ontwikkeling van opslaglocaties in de Noordzee.
Kapitaalstorting EBN grotere deelname Aramis
Er is € 639,2 miljoen gereserveerd op de begroting van het Klimaatfonds voor een kapitaalstorting aan EBN om verder deel te kunnen nemen aan de Aramis-buisleiding. De middelen worden pas overgemaakt op het moment dat het investeringsbesluit voor Aramis is genomen.
Incidentiele maatwerksubsidie
Yara Sluiskil heeft een maatwerksubsidie gekregen van € 30 miljoen voor CO2-transport en -opslag (0,8 Mt/j) in Northern Lights (Kamerstuk 29 826, nr. 199).
Energie-investeringsaftrek (EIA)
Sinds 2019 hebben ca. 10 bedrijven voor 116 CCS-investeringen EIA aangevraagd. Van deze aanvragen wordt een aantal momenteel nog beoordeeld. Tot nu toe is voor deze investeringen € 65 miljoen aan EIA «uitgekeerd». Als de overige aanvragen positief worden beoordeeld, kan dit oplopen tot € 83 miljoen. Het is niet mogelijk voor een bedrijf om tegelijk van de SDE++ en de EIA gebruik te maken.
R&D-subsidie CCS internationale
samenwerkings-verbanden
Tot 2022 gold de ACT-regeling (Accelerating CCS Technologies) waarvoor per twee jaar € 4 miljoen beschikbaar was. Vanuit deze regeling is aan projecten die zijn gestart vanaf 2020 in totaal € 6,6 miljoen aan subsidie verstrekt.
Sinds 2022 geldt de CETP-regeling (Clean Energy Technology Partnerships) waarvoor jaarlijks € 3 miljoen beschikbaar is. Vanuit deze regeling is tot op heden voor € 7 miljoen aan subsidie verstrekt.
Algemene innovatiesubsidie-regelingen
Er zijn vier verschillende generieke innovatiesubsidie-regelingen die openstaan voor veel technieken, waaronder CCS. Dit betreft de TSE, EKOO, DEI+ en de HER-regeling. Er is vanuit deze regelingen € 28 miljoen aan subsidie verstrekt voor CCS-projecten met startdatum vanaf 2020.
Diverse onderzoeks-opdrachten
Sinds 2025 is in totaal € 18,45 miljoen subsidie verleend aan onderzoeken naar diverse aspecten van CCS. De opdrachtnemers hiervan zijn (samenwerkingen tussen) TNO, DNV, RIVM en KNMI.
Volloopsubsidie Aramis
In 2025 heeft het kabinet besloten om middelen vrij te maken om het vollooprisico van de Aramis-zeeleiding en de terminal CO2next gedeeltelijk af te dekken. Hiervoor is € 662 miljoen gereserveerd op de begroting van het Klimaatfonds.
Garantieregeling Porthos
In 2022 heeft het kabinet een garantie van maximaal € 175,6 miljoen verstrekt aan de initiatiefnemers van het CCS-project Porthos (EBN, Gasunie en Havenbedrijf Rotterdam) om vertraging van het project en in het uiterste geval zelfs mogelijk afstel te voorkomen. Hiervoor hebben de initiatiefnemers een marktconforme premie van € 21,9 miljoen betaald in 2023. De garantieregeling is in 2023 vervallen en kan niet meer worden ingeroepen door de partijen.
Connecting Europe Facility (CEF) (Europese gelden)
In 2022 en 2023 heeft de Europese Commissie CEF-subsidies toegekend aan Aramis (€ 124 miljoen, 2023) voor de realisatie van een open-toegang CO2-transportleiding, CO2next (€ 33 miljoen, 2022) voor de ontwikkeling van een CO2-importterminal, en het Eni L10-project (€ 55 miljoen, 2023) voor de ontwikkeling van CO2-opslagcapaciteit in lege gasvelden op zee.
Innovation Fund (Europese gelden)
In 2023 heeft de Europese Commissie via het Innovation Fund € 118 miljoen aan subsidies toegekend voor de ontwikkeling van de opslagvelden op zee van Shell (K14) en TotalEnergies (L4A). Deze projecten zijn gericht op het demonstreren van veilige en schaalbare permanente CO2-opslag als onderdeel van de Europese CCS-keten.
Welke exacte definitie hanteert u voor «koolstofarme» of «blauwe» waterstof in termen van maximale ketenemissies per kilogram waterstof?
De Europese Unie heeft een geharmoniseerd EU-raamwerk opgesteld voor het definiëren van koolstofarme brandstoffen waaronder «koolstofarme waterstof» (gedelegeerde verordening (EU) 2025/2359). Kernpunt hierin is dat ten minste 70% broeikasgasemissiereductie in de productieketen moet worden gerealiseerd.
Met de term «blauwe waterstof» wordt over het algemeen gerefereerd aan waterstof geproduceerd uit fossiele grondstoffen (aardgas of anders) met toepassing van CCS. Deze term is niet specifiek gedefinieerd. Om deze reden spreekt het kabinet over koolstofarme waterstof in plaats van blauwe waterstof.
Op welke wijze worden methaanemissies in de aardgasketen, emissies uit compressie en transport en verschillen tussen binnenlands en geïmporteerd gas in die definitie en toetsing meegenomen?
De voornoemde gedelegeerde verordening neemt methaanemissies in de keten expliciet mee in de berekening van de totale broeikasgasemissies van koolstofarme waterstof. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen aardgas geproduceerd in de EU en aardgas geïmporteerd van buiten de EU. Daarnaast kent de verordening een onderscheid tussen productie van koolstofarme waterstof in een geïntegreerd productieproces («incorporated process») en andere productie. In de verordening zijn standaardwaarden vastgesteld voor emissies van broeikasgassen in de keten. Voor een deel moeten deze worden toegepast, voor een deel is er ook ruimte voor het gebruik van eigen meetgegevens. Voor LNG geldt dat de emissies van vervloeiing, transport en hervergassing expliciet zijn uitgesloten van deze standaardwaarden en afzonderlijk moeten worden bepaald. De verordening verwijst voor de bepaling van methaanemissies bij productie en transport van buiten de EU naar de Methaanverordening. Als onderdeel daarvan wordt naar verwachting in 2027 een database uitgebracht met methaanemissies bij transport. Producenten mogen in de tussentijd terugvallen op literatuurwaarden. De verwachting is echter dat eventuele investeringsbeslissingen pas volgen wanneer de uiteindelijke database is vastgesteld.
Hanteert u bij CO2-afvang als maatstaf de totale emissiereductie op installatieniveau, of volstaat afvang op afzonderlijke deelstromen? Kunt u dit precies toelichten?
De SDE++, het belangrijkste instrument voor het stimuleren van grootschalige CO2-reductie, verleent subsidie aan de projecten die het meest kosteneffectief CO2 reduceren. Het Planbureau voor de Leefomgeving, dat over de belangrijkste parameters van de SDE++ adviseert, kijkt hiervoor naar de scope 1 en scope 2 emissies van de verschillende technologieën die voor SDE++-subsidie in aanmerking komen. Voor CO2-afvang betekent dit dat ook de emissies van de energie die nodig is voor het afvangen en eventueel comprimeren of vervloeien van CO2 wordt meegenomen bij de berekening van de CO2-reductie per opgeslagen ton CO2.
Welke eisen gelden voor permanente opslag, monitoring, aansprakelijkheid, eventuele lekkages en langjarige nazorg van opgeslagen CO2?
Dergelijke eisen zijn vastgelegd in onder andere de Mijnbouwwet en de EU-ETS-richtlijn (Richtlijn 2003/87/EG). Deze wet- en regelgeving bepaalt bijvoorbeeld dat vergunningen voor CO2-opslag alleen worden verleend indien de risico's van CO2-opslag – zoals het weglekken van CO2 – voldoende zijn geborgd. Vervolgens zijn de exploitant van het transportsysteem en de opslagvergunninghouder verantwoordelijk voor respectievelijk de CO2 die wordt getransporteerd en opgeslagen. Nadat het opslagveld gevuld is, wordt deze door de vergunninghouder afgesloten en gemonitord gedurende een periode van (in beginsel) 20 jaar. Daarna, en pas als genoegzaam is aangetoond dat de CO2 goed is opgeslagen, wordt de vergunning ingetrokken en gaat het beheer en de verantwoordelijkheid voor de opslaglocatie over op de Staat. De voormalig vergunninghouder is verplicht te voorzien in de kosten voor het beheer gedurende een periode van 30 jaar. Daarnaast gelden de aansprakelijkheidsbepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Hierin is bepaald dat de Staat kosten op de voormalig vergunninghouder kan verhalen indien er onzorgvuldig is gehandeld voorafgaand aan de intrekking van vergunning.
Kunt u per industriecluster aangeven waar u blauwe waterstof nog als reële transitieroute ziet, met welke orde van grootte aan volumes, voor welke periode en onder welke afbouwvoorwaarden?
Koolstofarme waterstof vormt een reële transitieroute met een aanzienlijk emissiereductiepotentieel bij het verduurzamen van onvermijdelijke reststromen overeenkomstig de voornoemde beleidsverkenning4. Vanwege de lage ketenemissies, de bijdrage aan strategische onafhankelijkheid en de rol in een circulaire economie, blijven deze stromen op de lange termijn relevanter dan aardgasroutes. Om deze ontwikkeling te stimuleren, wordt de SDE++-ronde 2026 uitgebreid voor productie van koolstofarme waterstof uit restgassen en restafval.
De totale potentiële CO2-reductie via koolstofarme waterstof bij bestaande installaties en via reststromen wordt geschat op ruwweg 15 megaton. Het grootste deel van dit potentieel bevindt zich in de clusters Rotterdam-Moerdijk en Zeeland, met gezamenlijk circa 700 kiloton waterstofproductie uit restgassen. Daarnaast is er een initiatief op Chemelot voor de productie van 55 kiloton koolstofarme waterstof uit restafval. De potentiële vraag in de clusters Noord-Nederland, Noordzeekanaalgebied en cluster 6 wordt lager ingeschat. Het betreft hier met name processen op hoge temperatuur die uitdagend of niet te elektrificeren zijn. De omvang hiervan is onzeker, mede omdat groen gas of hybride technologieën alternatieven kunnen zijn. Aangezien volumes op clusterniveau herleidbaar kunnen zijn tot individuele bedrijven en projecten, worden deze niet gedeeld.
Er zijn inmiddels al investeringsbeslissingen genomen voor verduurzaming van productie-installaties voor grijze waterstof, die ruim 3 megaton CO2-reductie opleveren. Hierbij wordt 50–60% van de CO2-emissies afgevangen, waardoor de geproduceerde waterstof doorgaans niet voldoet aan de Europese definitie van koolstofarme waterstof (zie beantwoording vraag 5). De Europese Commissie stelt dit echter niet als voorwaarde voor subsidie, aangezien alleen de CCS-component wordt vergoed. Dit geldt ook voor koolstofarme waterstof uit reststromen. Voor eventuele steun aan nieuwe productie van koolstofarme waterstof uit aardgas is de verwachting dat wel aan deze definitie moet worden voldaan.
Klopt het dat het kabinet in februari 2025 voor ammoniakproductie een uitzonderingspercentage van 60% consulteerde, mede rekening houdend met CCS en andere vormen van koolstofarme waterstof? Op basis van welke aannames over kosten, volumes en beschikbaarheid is dat percentage gekozen?
Op 29 april jl. is het wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie bij de Kamer ingediend. Hierin is opgenomen dat het kabinet voornemens is om de ammoniaksector voor 60% uit te zonderen van deze voorgenomen jaarverplichting. In de achterliggende periode heeft het kabinet de Kamer verscheidene keren geïnformeerd over deze ammoniakuitzondering met inbegrip van de overweging van het percentage van 60% en het niet kunnen uitvoeren van de aangenomen motie om de ammoniaksector volledig vrij te stellen. Hiervoor verwijs ik naar de Kamerbrief «Voortgang waterstofbeleid» d.d. 14 juli 20255 die onder meer ingaat op de motie van Flach c.s. over de volledige vrijstelling van de ammoniaksector6. Reden voor het gedeeltelijk uitzonderen is gelegen in de beperkte technische haalbaarheid om over te stappen op hernieuwbare waterstof, zoals nader onderbouwd in de memorie van toelichting bij het voornoemd wetsvoorstel jaarverplichting hernieuwbare brandstoffen van niet-biologische oorsprong in de industrie. Ammoniakproducenten kunnen op andere wijze hun productieprocessen verduurzamen. Yara Sluiskil gaat jaarlijks 0,8 megaton CO2 afvangen voor opslag in Noorwegen, ondersteund door een maatwerksubsidie van € 30 miljoen. OCI verkent de inzet van koolstofarme waterstof uit afvalvergassing via het FUREC-project van RWE. Over nadere financiële gegevens worden geen uitspraken gedaan gezien het om bedrijfsgevoelige gegevens gaat.
Hoe voorkomt u dat tijdelijke inzet op blauwe waterstof feitelijk leidt tot langdurige fossiele lock-in, verdringing van elektrificatie of vertraging van groene waterstof?
Het kabinet ziet koolstofarme waterstof als een transitietechnologie voor emissiereductie. Voor de routes waarop het kabinet zich richt, is het risico op fossiele lock-in beperkt. De grootste potentie ligt in de verduurzaming van onvermijdelijke restgassen in de petrochemie. Omdat deze stromen inherent zijn aan het productieproces en in de toekomst ook een biogene oorsprong kunnen krijgen, leiden zij niet tot nieuwe fossiele afhankelijkheden. Ook voor de productie van waterstof uit restafval kan er een rol op lange termijn blijven. Bestaande waterstoffabrieken (smr-installaties) die op aardgas draaien worden ondertussen geleidelijk uitgefaseerd, gedreven door de opschaling van hernieuwbare waterstof, de resterende emissies bij toepassing van CCS en de krimp van de fossiele raffinagesector waar zij nu aan leveren. De door het kabinet voorgestelde toenemende verplichtingen voor hernieuwbare waterstof in de industrie en het vervoer versterken deze beweging weg van productie op basis van fossiel.
Het kabinet beschouwt elektrificatie als de voorkeursroute waar dat technisch en economisch haalbaar is en verwacht dat koolstofarme waterstof zich zal concentreren in sectoren zonder reëel elektrisch alternatief. Het ligt niet voor de hand om in sectoren waar elektrificatie op termijn de logische oplossing is alternatieve transitiepaden te volgen.
Bent u bereid de Kamer voortaan jaarlijks te informeren over de kosten, emissiereductie, capture rate, benuttingsgraad van CO2-infrastructuur en het publieke risicoprofiel van projecten die samenhangen met blauwe waterstof?
Deze informatie is al grotendeels via openbare rapporten beschikbaar. De jaarlijkse rapportage van de interviews met de Top-60 uitstoters, het dashboard Klimaatbeleid en de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) geven inzicht in de (verwachte) emissiereductie en capture rate, en daarmee ook de verwachte benuttingsgraad van Nederlandse infrastructuurprojecten als Porthos en Aramis. De kosten van de CCS- en koolstofarme waterstofprojecten zijn doorgaans vertrouwelijk; publieke kosten en risico’s kunnen worden gedeeld met uw Kamer.
Diepzeemijnbouw |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Berendsen , van Essen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA)-Raad van maart 2026 het besluit heeft genomen om onderzoek naar mogelijke schendingen van contractuele verplichtingen door contractanten voort te zetten, en welke positie heeft Nederland hier tijdens de Raad over ingenomen?
Het besluit van 19 maart 2026 van de Raad van de Internationale Zeebodemautoriteit (Autoriteit) biedt de Juridische en Technische Commissie van de Autoriteit (JTC) inderdaad grondslag om het onderzoek voort te zetten naar contractanten die mogelijk hun contractuele verplichtingen hebben geschonden of het risico lopen hun contractuele verplichtingen te schenden. Dat onderzoek richt zich onder andere op de vraag of deze contractanten handelen in overeenstemming met het multilaterale juridische raamwerk dat is opgetuigd door het VN-Zeerechtverdrag en de daarbij horende Overeenkomst betreffende de uitvoering van Deel XI van het VN-Zeerechtverdrag (1994 Overeenkomst). Nederland heeft dit jaar geen stem in de totstandkoming van Raadsbesluiten, omdat Nederland in 2026 geen Raadszetel heeft. Niettemin heeft Nederland als waarnemer bij de Raadsvergadering onder meer uitgesproken de JTC te steunen in het voortzetten van dit onderzoek. Ook heeft Nederland nogmaals herhaald dat alle activiteiten op de zeeën en de oceaan, met inbegrip van de zeebodem en de ondergrond daarvan, dienen plaats te vinden binnen het alomvattend juridisch kader van het VN-Zeerechtverdrag.
Is er voor Nederland nog een bijzondere rol binnen de ISA weggelegd, aangezien één van de contractanten een Zwitsers-Nederlands bedrijf is? Zijn er door de ISA ook directe vragen gesteld aan de Nederlandse overheid? Zo ja, wat was de reactie van het kabinet hierop?
De JTC heeft voor het onderzoek, zoals benoemd in het antwoord op vraag 1, enkel vragen gesteld aan contractanten van de Autoriteit. De JTC heeft dan ook geen vragen gesteld aan Nederland. Contractanten zijn namelijk in eerste instantie ook zelf verantwoordelijk voor hun diepzeemijnbouwactiviteiten, en het naleven van alle contractuele verplichtingen. Zoals ook toegelicht in de beantwoording van Kamervragen van het lid Teunissen (PvdD)1, is in het VN-Zeerechtverdrag verder geregeld dat contractanten een Sponsoring State moeten hebben die garant staat voor naleving van de internationale regels voor diepzeemijnbouw onder het VN-Zeerechtverdrag door hun contractanten, en die de Autoriteit ondersteunen bij het toezicht op de activiteiten van en handhaving van de naleving door contractanten. Nederland is niet betrokken bij de activiteiten van bedrijven in het kader van de Autoriteit, niet als Sponsoring State en niet als vlaggenstaat. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat diepzeemijnbouwactiviteiten op de internationale zeebodem plaatsvinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag en onder auspiciën van de Autoriteit.
Bent u bekend met het rapport «Inquiry On Potential Breaches By ISA Contractors» van Greenpeace International1?
Ja.
Kunt u bevestigen dat Allseas inderdaad valt onder het ISA-onderzoek, aangezien in het rapport staat dat Allseas, via dochterbedrijf Blue Minerals Jamaica (BMJ) en de samenwerking met TMC, mogelijk onder het lopende ISA-onderzoek valt naar overtreding van contractregels?
Het tussentijdse rapport van de voorzitter van de JTC noemt geen namen van partijen waar de JTC (vervolg)onderzoek naar doet. Het is wel bekend dat de Autoriteit vragen heeft gesteld aan alle contractanten van de Autoriteit in hoeverre zij voldoen aan contractuele verplichtingen om zich aan het VN-Zeerechtverdrag en de 1994 Overeenkomst te houden. Ook is bekend dat alle contractanten van de Autoriteit hierop hebben gereageerd.
Erkent u dat Allseas een sleutelpositie inneemt binnen de plannen voor diepzeemijnbouw door The Metals Company via de Amerikaanse vergunningaanvraag, aangezien het bedrijf de essentiële technologie en het diepzeemijnbouwschip «Hidden Gem» levert? Hoe weegt u deze rol?
Het kabinet is ermee bekend dat Allseas een samenwerkingspartner is van The Metals Company (TMC). Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bedrijfsvoering en samenwerkingsrelaties van individuele bedrijven.
Erkent u dat Nederland, gezien de betrokkenheid van een Nederlands bedrijf in deze keten, daarmee ook een sleutelrol vervult en een verantwoordelijkheid draagt om het mandaat van de ISA en het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS) actief te beschermen en te handhaven?
Nederland is niet betrokken bij de activiteiten van bedrijven (of andere partijen) in het kader van de Autoriteit, niet als Sponsoring State en niet als vlaggenstaat. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, regelt het VN-Zeerechtverdrag ten aanzien van diepzeemijnbouwactiviteiten op de internationale zeebodem dat elke contractant een zogenaamde «Sponsoring State» moet hebben, die garant staat voor naleving van de internationale regels voor diepzeemijnbouw onder het VN-Zeerechtverdrag door de contractant, en die de Autoriteit ondersteunt bij toezicht op en handhaving van naleving van de regels door de contractant. Als verdragspartij zal Nederland zich ervoor blijven inzetten dat alle activiteiten op de zeeën en de oceaan, met inbegrip van de zeebodem en de ondergrond daarvan, dienen plaats te vinden binnen het juridisch kader van het VN-Zeerechtverdrag. Nederland staat voor de integriteit van het VN-Zeerechtverdrag en de Autoriteit als de exclusief aangewezen instantie om diepzeemijnbouwactiviteiten op en in de internationale zeebodem te organiseren en daar toezicht op uit te oefenen.
Het kabinet heeft eerder met Allseas gesproken naar aanleiding van de motie-Postma, en heeft daarbij benadrukt dat Nederland staat voor de integriteit van UNCLOS en dat diepzeemijnbouw in internationale wateren alleen binnen het ISA-kader mag plaatsvinden; wat was de reactie van Allseas op deze boodschap? Heeft het bedrijf zich daarbij expliciet gecommitteerd om uitsluitend binnen het ISA-kader te opereren?
Het kabinet kan geen verdere uitspraken doen over de inhoud van gesprekken met individuele bedrijven, omdat deze vertrouwelijk zijn.
Gezien het feit dat Allseas de plannen om via de Verenigde Staten buiten het ISA-kader te opereren voortzet en een dergelijke vergunning op korte termijn verleend kan worden, welke concrete stappen zal Nederland zetten op het moment dat zo’n buitenlandse vergunning wordt verleend voor diepzeemijnbouw buiten het ISA-kader, waarbij een Zwitsers-Nederlands bedrijf zoals Allseas betrokken is?
Indien een dergelijk scenario zich voordoet, zal het kabinet deze op zijn merites beoordelen. Hierbij zal het kabinet de geldende juridische kaders in acht nemen. Het kabinet doet verder geen uitspraken over de bedrijfsvoering en samenwerkingsrelaties van individuele bedrijven.
De Joint Letter of Intent met Tata Steel en het vervolg van de maatwerkafspraak |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Bertram |
|
|
|
|
Kunt u toelichten welke rol u voor de Expertgroep Gezondheid IJmond ziet in de verdere uitwerking van de maatwerkafspraak met Tata Steel en de opvolging van de afspraken?
Kunt u toelichten hoe u de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond heeft meegewogen – en waarom bepaalde adviezen wel of niet zijn overgenomen – bij het opstellen van de Joint Letter of Internt (JLoI) met Tata Steel?
Bent u van plan om in lijn met de motie-Tijssen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 307) de adviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond, ook voor zover deze niet in de JLoI zijn opgenomen, als harde voorwaarde mee te nemen in de onderhandelingen en uitwerking van de uiteindelijke maatwerkafspraak?
Kunt u een toelichting geven op het proces, inclusief de tijdlijn, om te komen tot een MER en een GER, en op de rol die beide instrumenten hebben bij vergunningverlening en het al dan niet verstrekken van subsidie?
Indien de maatwerkafspraak in september wordt ondertekend, heeft u, en daarmee de Kamer, dan voldoende inzicht in de gezondheidseffecten van de afspraken, afrekenbare garanties op vermindering van schadelijke effecten, vergunningverlening en de mogelijk te verstrekken subsidie?
Wordt de GER, naast een informatief instrument, ook een sturend instrument?
Zullen, zoals geadviseerd door de Expertgroep Gezondheid IJmond, naast de MER ook de resultaten van de GER voorwaardelijk worden gemaakt voor vergunningverlening?
Hoe gaat u de kennis- en meetlacunes ten aanzien van gezondheidseffecten, bijvoorbeeld van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en ultrafijnstof, adresseren?
Hoe gaat u de noodzakelijke omvang van het meetnetwerk, nieuwe meetmethoden en de resultaten daarvan een integraal en afdwingbaar onderdeel maken van de maatwerkafspraken?
Bent u van plan om, in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond, afdwingbare gezondheidsdoelen op te nemen in de uiteindelijke maatwerkafspraak, en hoe worden deze doelen vastgesteld (bijvoorbeeld op basis van waarden voor een gemiddelde stad of WHO-richtlijnen)?
Gaat u naast emissiedoelen ook immissiedoelen opnemen in de maatwerkafspraak?
Hoe bent u voornemens op dergelijke doelen te handhaven, en welke consequenties – zoals ontbindende voorwaarden, boetes of terugvorderingen – worden verbonden aan het niet behalen van de gezondheidsdoelen?
Bent u voornemens om periodieke evaluatiemomenten (bijvoorbeeld elke twee jaar) vast te leggen, waarin wordt beoordeeld of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn?
Bent u van plan om in lijn met het advies van de Expertgroep Gezondheid IJmond naast gezondheidsafspraken en -doelen voor nieuwe installaties ook afspraken over bestaande installaties op te nemen in de maatwerkafspraak?
Hoe gaat u de weging en toetsing van het kosteneffectiviteitsbeginsel specifiek voor investeringen in Best Beschikbare Technieken (BBT) voor ZZS, versterken en verbreden met maatschappelijke waarden zoals gezondheid?
Heeft u Tata Steel verzocht om in de MER-alternatieven op te nemen die bijvoorbeeld de gezondheidswinst of de CO2-reductie maximaliseren, zodat een betere afweging kan worden gemaakt?
Waarom hanteert Tata Steel in de MER een andere productiecapaciteit – en daarmee mogelijk een andere uitstoot – dan in de JLoI, en wat zijn daarvan de consequenties?
Hoe (juridisch) zeker zijn de vergunningen voor emissies van Tata als de gezondheid en dus het belang van omwonenden onvoldoende is meegewogen? Kunt u bij het beantwoorden van deze vraag de jurisprudentie van de RBV-zaak van omwonenden tegen Schiphol meewegen, waarbij de rechter oordeelde met verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Hoe houdbaar zijn de maatwerkafspraken als deze vergunningen vereisen die niet vergunbaar zijn of door de rechter worden vernietigd? Wat zijn de gevolgen van een vernietigde vergunning voor de maatwerkafspraken en de subsidies of andere incentives?
Kunt u toelichten hoe de economische en maatschappelijke baten van Tata Steel voor Nederland zich verhouden tot de NOx-emissie en welke maatschappelijke baten gegenereerd kunnen worden door deze emissie te verminderen of anders «te besteden»?
Kunt u toelichten op welke wijze de voorgenomen maatwerkafspraak met Tata Steel leidt tot additionele CO2-reductie ten opzichte van de geldende Nederlandse en Europese klimaatdoelstellingen?
Onderschrijft u dat binnen het EU ETS productbenchmarks worden toegepast om de hoeveelheid gratis emissierechten voor individuele installaties te bepalen en niet bepalend zijn voor de hoeveelheid emissierechten binnen het EU ETS?
Onderschrijft u dat ETS-benchmarks primair gebaseerd zijn op de prestaties van bestaande installaties en daarmee een afspiegeling vormen van de huidige stand van de techniek, niet het reductiepotentieel of de beschikbare transitie- of mitigatieopties?
Kunt u toelichten welke rol ETS-benchmarks spelen in de beoordeling of de voorgenomen CO2-reductie door Tata Steel additioneel is ten opzichte van wat reeds door het EU ETS wordt afgedwongen, en heeft een aanpassing van de benchmarks – zoals aangekondigd door de Europese Commissie – hier invloed op?
Welke criteria hanteert u om te bepalen of sprake is van «versnelde» CO2-reductie in het geval van Tata Steel, en hoe verhouden deze criteria zich tot het reductietempo dat reeds volgt uit het EU ETS?
Kunt u toelichten welke rol deze criteria, en specifiek de ETS-benchmarks, spelen in de beoordeling of Tata Steel in aanmerking komt voor staatssteun?
Hoe weegt u in dit kader de Europese CO2-grensheffing (CBAM) en de versnelde afbouw van gratis rechten en de prikkel die daarmee ontstaat, ongeacht mogelijke staatssteun, om te investeren in verduurzaming?
Is er nog steeds sprake van «versnelde» CO2-reductie, en voldoende onderbouwing voor staatssteun, als Tata Steel slechts de overstap van kolen naar aardgas maakt in fase 1 – en niet overstapt op groen gas of -waterstof?
Worden er harde doelen en tijdlijnen opgenomen over CO2-reductie en investeringen in fase 2 – de tweede helft van de fabriek – of staat het Tata Steel vrij om die investeringen niet te doen of zelfs de tweede helft van de fabriek te sluiten?
Worden er met het oog op de strategische autonomie en importafhankelijkheid harde garanties opgenomen in de maatwerkafspraak dat Tata Steel ten laatste voor 2032 overstapt op hernieuwbare energie en dat nieuwe installaties niet nog vele jaren op aardgas draaien?
Hoe worden de ketenemissies van aardgas – zoals methaanlekkage en transportkosten – meegenomen in de afspraken? Zijn daar analyses van en worden ook daar doelen voor gesteld?
Kunt u bevestigen dat Tata Steel, afgaande op afspraken in de intentieverklaring, de 200 miljoen euro staatssteun kan gebruiken om, mogelijk zelfs buiten Nederland, certificaten voor groen gas te kopen en dus kan beslissen om fysiek door te draaien op aardgas?
Hoe wordt de businesscase van wind op zee meegewogen in de beslissing om te kiezen voor groen gas of groene waterstof?
Waarom wordt wat betreft groen gas of waterstof enkel gekozen voor optionele subsidiering, in plaats van, of in combinatie met afdwingbare afspraken – en wordt dit in de maatwerkafspraak aangepast?
Is er door u een vergelijking gemaakt tussen de (maatschappelijke) kosten van het huidige plannen en een scenario waarbij afspraken worden gemaakt met andere landen of producenten over de import van met hernieuwbare energie geproduceerde Hot Briquetted Iron (HBI), dat vervolgens door Tata Steel IJmuiden wordt verwerkt tot groen staal?
Hoe weegt u de maatschappelijke kosten, zoals werkgelegenheid, benodigde subsidie en investeringen met een scenario met (ten dele) HBI-import?
Hoe weegt u consequenties van de import van HBI tegenover de import van aardgas, kolen, groen gas, waterstof en ijzererts voor de Nederlandse en Europese strategische autonomie?
In hoeverre wordt de ambitie uit het coalitieakkoord om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben meegenomen in de uitwerking van de intentieverklaring?
Worden er circulaire (tussen)doelen opgenomen in de afspraken – zowel in fase 1 als 2 – en die afrekenbaar gemaakt?
Hoe betrekt u de rest van de keten – denk aan afspraken over het oplopend gebruik van schroot, maar ook vraagcreatie voor circulair- en groen staal – bij de uitwerking van de intentieverklaring?
Ziet u het borgen van de financiële verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van Tata Steel Ltd. als een belangrijk onderdeel van de maatwerkafspraak?
In hoeverre zal Tata Steel Ltd. financieel bijdragen aan de investeringen aan de kant van Tata Steel en op welke manier?
Wat zijn de financiële consequenties voor de staat als de vergunningverlening vertraging oploopt en daarmee afspraken zoals nu uitgewerkt niet meer haalbaar blijken?
Maakt u zich in de onderhandelingen hard voor een financiële garantstelling – een zogenaamde 403-verklaring – van Tata Steel Ltd voor zaken als schulden, schoonmaakkosten of een sociaal plan?
Hoe wordt het Sociaal Contract Groen Staal – bedoeld om de werknemers zekerheid te verschaffen over hun toekomst – betrokken in de uitwerking van de intentieverklaring?
Gaat u een koppeling maken tussen de ondertekening van de maatwerkafspraak en de activering van het Sociaal Contract Groen Staal?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het plenaire debat over de intentieverklaring met Tata Steel?
De inzet op blauwe waterstof in de industrie |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oost-Groningen zet in op blauwe waterstof als betaalbare stap richting duurzame industrie. «Wie tempo wil maken kan hier niet omheen»»1?
Ja
Deelt u de constatering dat de ontwikkeling van blauwe waterstof in Nederland achterblijft, terwijl dit volgens het rapport «Naar een eerste regionaal industrieel waterstofcluster rond Oost-Groningen» van de New Energy Coalition wél een noodzakelijke tussenstap is om CO2-reductie te bewerkstelligen in de industrie?
Koolstofarme waterstof speelt een belangrijke rol in de verduurzaming van de industrie. Tegelijkertijd is het van belang onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe toepassingen en tussen verschillende vormen van koolstofarme waterstof. In de beantwoording van de volgende vragen ga ik hier nader op in.
Kunt u verduidelijken welke concrete rol u ziet voor blauwe waterstof in het energiesysteem van de toekomst, zowel als vervanger in het opschalen van de Nederlandse waterstofketen en als tijdelijk alternatief voor aardgas?
In de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 20252 is de beleidsverkenning koolstofarme waterstof. In deze verkenning heeft het kabinet aangegeven dat het beleid voor koolstofarme waterstof zich vooral richt op het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Daarbij merk ik op dat blauwe waterstof op systeemniveau geen vervanger van aardgas is. Voor de productie ervan is door energieverliezen in de keten juist meer aardgas vereist dan de hoeveelheid die wordt vervangen. Nieuwe productie van blauwe waterstof uit aardgas vergroot daarmee de afhankelijkheid van aardgas(import) in plaats van deze te verminderen.
Directe elektrificatie is de voorkeursroute voor de verduurzaming van de industrie. Waterstof is met name een optie voor proceswarmte op hoge temperaturen of processen die een vlam vereisen. Voor deze toepassingen ziet het kabinet een mogelijke rol weggelegd voor koolstofarme waterstof. De beschikbaarheid van een alternatief zoals groen gas zal mede bepalen of nieuwe koolstofarme waterstofprojecten noodzakelijk zijn om de beoogde sectoren te verduurzamen. De in het voorjaar 2025 aangekondigde bijmengverplichting voor CO2-vrije energiedragers (waterstof) in gascentrales en bijbehorende subsidie voor ombouw van gascentrales is komen te vervallen. Hierdoor wordt op korte termijn geen grootschalige vraag voorzien in regelbaar vermogen met inzet van (blauwe) waterstof.
Op dit moment werkt het kabinet aan de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), dat een gedetailleerd beeld geeft van de rol van waterstof in ons energiesysteem, inclusief een reflectie op de rol van koolstofarme waterstof. Momenteel vindt een uitgebreide consultatie met de sector plaats over de actualisatie van het NPE. Het NPE bouwt hierbij voort op voornoemde beleidsverkenning koolstofarme waterstof.
Hoe beoordeelt u de huidige ontwikkeling en de concurrentiepositie van blauwe waterstof in Nederland ten opzichte van omringende landen?
In het algemeen heeft Nederland een goede uitgangspositie voor blauwe waterstof indien wordt gekeken naar bestaand aardgasinfrastructuur met inbegrip van LNG-faciliteiten en de waterstof- en CO2-infrastructuur die in ontwikkeling is. De onzekerheden rondom marktontwikkeling, kosten en vraag naar additioneel koolstofarme waterstof zijn groot. Bij blauwe waterstof blijft Nederland grotendeels afhankelijk van import van fossiele grondstoffen in plaats van deze af te bouwen. De vergelijking met omringende landen is niet eenvoudig te maken. Dit is mede afhankelijk van de samenstelling en omvang van de energie-intensieve industrie en de toekomstige industriële vraag naar waterstof in relatie tot andere verduurzamingsroutes als elektrificatie, groen gas en CCS, en de beleidskeuze voor de rol van waterstof in CO2-vrije elektriciteitsproductie.
Hoe verklaart u het huidige trage tempo van projecten voor blauwe waterstof, mede in het licht van recente uitstel of afstel van grootschalige initiatieven?
Ik heb kennisgenomen van de verschillende initiatieven voor nieuwe blauwe waterstofproductie en de besluiten die een aantal initiatiefnemers hebben genomen om hun projecten uit te stellen of stop te zetten. Dit illustreert de onzekerheden die er zijn over de vraag naar koolstofarme waterstof om te komen tot lange-termijnafnamecontracten. Dit komt ook omdat vraag naar koolstofarme waterstof uit buurlanden achterblijft, terwijl deze doorgaans een belangrijke potentiële afzetmarkt biedt voor nieuwe projecten die koolstofarme waterstof willen produceren. Het kabinet maakt nu tempo met het verduurzamen van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen, omdat hier het grootste potentieel zit, ook richting de klimaatdoelen voor 2030.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat projecten op het gebied van blauwe waterstof uitwijken naar het buitenland vanwege ongunstige randvoorwaarden in Nederland?
Zoals beschreven onder vragen 3 en 5, focust de beleidsinzet van het kabinet op het gebied van koolstofarme waterstof zich op het verduurzamen van het bestaande gebruik van grijze waterstof, waterstofproductie uit restafval en de verduurzaming van restgassen in de petrochemie. Voor projecten die op deze wijze koolstofarme waterstof willen produceren, heeft het kabinet ook maatregelen genomen om ze van de grond te krijgen, bijvoorbeeld via aanpassingen in de SDE++. In aanvulling hierop zet het kabinet in op het op orde krijgen van de randvoorwaarden om de industrie in Nederland te verduurzamen. Hierbij is de inzet van hernieuwbare en koolstofarme waterstof een middel en geen doel.
In hoeverre ziet u het gebrek aan stabiel en voorspelbaar beleid als belangrijke belemmering voor investeringsbeslissingen in o.a. de industrie op het gebied van blauwe waterstof?
Het kabinet is zich ervan bewust dat de industrie gebaat is bij duidelijkheid en lange-termijnzekerheid om investeringsbeslissingen te kunnen nemen. Zo is het kabinet aan de slag met de implementatie van de herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED-III) en het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Met de beleidsverkenning koolstofarme waterstof in de Kamerbrief voortgang waterstofbeleid van 14 juli 2025 is invulling gegeven aan de beoogde beleidsinzet op koolstofarme waterstof, zoals beschreven onder vragen 3 en 5.
Hoe voorkomt u dat een te absolute focus op groene waterstof op korte termijn de ontwikkeling van blauwe waterstof vertraagt, terwijl deze ontwikkeling juist kan bijdragen aan snelle CO2-reductie?
In het beleid wordt ingezet op zowel de opschaling van hernieuwbare waterstof als de verduurzaming van bestaande grijze waterstofproductie en industriële restgassen door toepassing van CCS. Het kabinet ziet potentieel om via deze vormen van koolstofarme waterstof op snelle wijze CO2-reductie in de industrie te realiseren en hiervoor worden via de SDE++ middelen voor vrijgemaakt. Daarnaast zet het kabinet zich ook in op het realiseren van de benodigde infrastructuur voor waterstof- en CO2-transport en -opslag. Vanwege verplichtingen in RED-III moet het kabinet ook fors inzetten op het opschalen van hernieuwbare waterstof voor de industrie, wat tevens ook de bandbreedte bepaalt voor de inzet van koolstofarme waterstof.
Hoe voorkomt u dat de volgorde die u tijdens het commissiedebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers op 4 maart 2026 schetste met betrekking tot de voorwaarden voor de inzet van blauwe waterstof (eerst het systeem en pas daarna concrete randvoorwaarden en ondersteuning) in de praktijk leidt tot uitstel en vertraging, terwijl snelheid maken met CO2-reductie juist een reden is om blauwe waterstof in te zetten?
Zie de beantwoording op vragen 3, 5 en 6.
Bent u bereid om vooruitlopend op het volledige systeemplaatje op korte termijn in ieder geval de voorlopige kaders en voorwaarden voor de productie en inzet van blauwe waterstof te schetsen, zodat kansrijke projecten niet onnodig vertragen of Nederland verlaten? Zo nee, waarom niet?
De voorlopige kaders en voorwaarden voor de verschillende routes voor de productie en inzet van koolstofarme waterstof zijn geschetst in voornoemde Kamerbrief van 14 juli 2025 en in deze beantwoording nader toegelicht. Het kabinet zal in de actualisatie van het NPE schetsen hoe koolstofarme waterstof past in de bredere systeemontwikkeling.
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.
De stijgende uitstoot en het effect van de stijging van de zeespiegel op de Waddenzee |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de Nederlandse uitstoot van broeikasggassen vorig jaar is toegenomen?1
Ja.
Houdt u vast aan het doel om in 2030 de uitstoot met 55 procent te doen afnemen ten opzichte van het referentiejaar 1990?
Het klimaatdoel van 2030 wordt lastig, maar we houden de ambitie vast. In 2026 komt de Europese Commissie met voorstellen voor het 2040-maatregelenpakket. Nederland spant zich in voor een ambitieus Europees pakket ten behoeve van een gelijk speelveld. We sluiten na het vaststellen van de Europese maatregelen zoveel mogelijk aan bij deze aanpak. In het voorjaar van 2027 nemen we indien nodig aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het doel van 2040 te halen en hebben daarbij oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief. De huidige geopolitieke situatie in de wereld onderstreept nogmaals het belang van verdere verduurzaming. Met verduurzaming vergroten we onze onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen en versterken we onze weerbaarheid tegen toevoerproblemen en prijsschokken door ontwikkelingen elders in de wereld. Bovendien lopen de kosten door de gevolgen van klimaatverandering ook in Europa op, terwijl er juist kansen liggen in een groene economie. Verduurzaming is daarom niet alleen goed voor onze onafhankelijkheid en een schonere leefomgeving, maar ook voor onze economische stabiliteit.
Zult u doen wat nodig is om dat doel effectief te bereiken?
Het kabinet blijft met volle kracht werken om de klimaatdoelen te halen. Het kabinet wil daarbij zoveel mogelijk aansluiten bij de Europese aanpak om het Europese 2040-klimaatdoel te behalen. De Europese Commissie komt dit najaar met voorstellen voor het behalen van dit klimaatdoel. In het voorjaar van 2027 neemt het kabinet indien nodig aanvullende nationaal geborgde maatregelen om het klimaatdoel van 2040 te halen. Daarbij heeft het kabinet oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief zodat mensen de transitie ook daadwerkelijk mee kunnen maken. Ook richt het kabinet zich daarbij het op vergroten van onze weerbaarheid, door onder andere in te zetten op een toekomstbestendige en meer onafhankelijke economie en industrie.
Welk gevolg geeft u aan de vaststelling van gestegen uitstoot in de vorm van eventuele bijsturingen van uw beleid om de uitstoot weer te doen dalen en dat voldoende snel om de klimaatdoelen te halen?
Het klimaatdoel voor 2050, klimaatneutraliteit, is het einddoel van de energietransitie en is leidend. De klimaatdoelen voor 2030 en 2040 zijn belangrijke tussenstappen daarnaartoe. We moeten ook vooruitkijken en het perspectief richten op de lange termijn. Daarom neemt het kabinet bij de verdere vormgeving van het beleid de transitie richting 2050, met 2030 en 2040 als duidelijke tussenstappen, als basis. Tegelijkertijd kijken we daarbij wat we kunnen leren van waarom de uitstoot nu toeneemt. Afgelopen jaar was de uitstoot van de elektriciteitssector hoger, met name door meer export van elektriciteit vanwege toegenomen vraag uit België en Duitsland. De uitstoot in de industrie daalde juist door het gebruik van minder gas. Ook de uitstoot in de mobiliteit nam af door de afname van benzine- en dieselauto’s en de toename van elektrisch rijden. Het kabinet blijft kijken naar wat de uitstoot zegt over het Nederlandse beleid.
Bent u bekend met het feit dat de stijging van de zeespiegel gemiddeld 30 centimeter hoger staat dan voorheen gedacht?2
In Nederland zijn er voldoende lokale metingen van zeepspiegelhoogten, waardoor deze berekeningsfout hier niet is opgetreden. Het klopt dat in mondiale studies de risico’s van zeespiegelstijging in de meeste gevallen zijn onderschat, door het hanteren van verkeerde aannames voor de bestaande hoogten van de zeespiegel. De oorzaak hiervan is gelegen in een onjuiste verwerking van satellietmetingen voor de berekening van zee en kusthoogten in mondiale studies naar de gevolgen van zeespiegelstijging. Die satellietmetingen worden in die studies gebruikt omdat er geen of onvoldoende lokale metingen zijn, met name voor het Mondiale Zuiden.
Deelt u de mening dat het voor een land dat voor een groot deel onder de zeespiegel ligt, de betrouwbaarheid van modellen die gebruikt worden om ons land en inwoners te beschermen tegen een steeds sneller stijgende zeespiegel, essentieel is?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Wat betekent dit nieuwe wetenschappelijke inzicht voor de situatie in Nederland? Welke impact heeft deze nieuwe informatie op eerder genomen besluiten over het beschermen van ons land, waarbij mogelijks gebruik gemaakt is van achterhaalde en onjuiste modellen?
Zoals ik in antwoord 5 reeds heb aangegeven zijn er in Nederland voldoende lokale metingen van zeepspiegelhoogten, waardoor deze berekeningsfout hier niet is opgetreden. Er zijn dan ook geen consequenties voor de reeds genomen besluiten.
Klopt de berichtgeving dat ook Nederlandse onderzoeken naar zeespiegelstijging langs de kust van verkeerde aannames zijn uitgegaan? Kunt u de Kamer informeren over welke Nederlandse onderzoeken dat gaat?
Zoals ik in antwoord 5 reeds heb aangegeven, geldt deze situatie niet voor Nederland.
Kunt u aangeven hoe u met deze nieuwe informatie omgaat bij besluiten die raken aan de kern van het behoud van de eilanden en het werelderfgoed Waddenzee, zoals bijvoorbeeld dijknormering en delfstofwinning?
De normen voor de waterkeringen, waaronder dijken, zijn mede gebaseerd op de potentiële gevolgen bij een overstroming. Bij de bepaling van deze gevolgen is rekening gehouden met de afhankelijkheid van zeespiegelstijging. Er is in Nederland geen sprake van een onderschatting van de zeespiegelstijging, dus daar hoeft ook niet voor te worden gecorrigeerd.
Het huidig wettelijk kader ziet er daarnaast op toe dat het werelderfgoed Waddenzee niet wordt aangetast door mijnbouwactiviteiten. Sinds 1 mei 2024 is ook wettelijke vastgesteld dat geen nieuwe winning van delfstoffen (zout en gas) meer wordt toegestaan in de Wadden.
Gas- en zoutwinning in de Waddenzee wordt uitgevoerd met de toepassing van het «hand aan de kraan»-principe om negatieve effecten te voorkomen. Het «hand aan de kraan»-systeem is primair gebaseerd op de vierjaarlijkse Zeespiegelmonitor en de rapportages van het KNMI over klimaatverandering en zeespiegelstijging.
Op de website van de Zeespiegelmonitor1 wordt jaarlijks de zeespiegelstijging bijgehouden. Hierin wordt aangegeven dat de zeespiegelstijging tot en met 2024 3,1 mm/jaar is. Dit is hoger dan de 2,9 mm/jaar die genoemd wordt in de Zeespiegelmonitor van 2022. In het «hand aan de kraan»-systeem wordt rekening gehouden met een zeespiegelstijging van 3,6 mm/jaar in 2024 met een stijging van 0,5 mm/jaar. De zeespiegelstijging die wordt gehanteerd in de «hand aan de kraan» is daarmee conservatiever dan de Zeespiegelmonitor en biedt daarmee meer zekerheid. Er wordt een nieuwe versie van de Zeespiegelmonitor verwacht in 2026.
Gezien in beleid en vergunningverlening voor gas- en zoutwinning in de Waddenzee (met het «Hand aan de Kraan»-principe) zeespiegelstijging een belangrijke parameter is, bent u bereid om verleende vergunningen met deze nieuwe inzichten te herijken en aan te passen?
Het «hand aan de kraan»-systeem is de basis van het huidige beleid. In vergunningen is vastgelegd dat winning steeds binnen de op enig moment geldende gebruiksruimte moet blijven. Als blijkt dat, vanwege nieuwe inzichten zoals de zeespiegelstijging, het gebruiksruimtebesluit dient te worden herzien, kan het zijn dat de beschikbare gebruiksruimte naar beneden wordt bijgesteld. Als vervolgens blijkt dat een winning de gebruiksruimte dreigt te overschrijden dient de productie daarop te worden aangepast (verlaagd) of zo nodig gestaakt. Dit volgt reeds uit bestaande vergunningsvoorwaarden. Op de naleving van het «hand aan de kraan»-beleid wordt toegezien door de toezichthouder.
Herinnert u zich dat in 2021 het beleid voor mijnbouw in de Waddenzee (het de «Hand aan de Kraan»-principe) is geëvalueerd en dat het kabinet de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat ieder jaar geëvalueerd zou worden of er nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn die moeten leiden tot een bijstelling van het gebruikte zeespiegelstijgingsscenario?3 Is dat gebeurd? Kunt u de evaluaties van 2022, 2023, 2024 en indien al beschikbaar 2025 aan de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Jaarlijks informeert het kabinet uw Kamer over de monitoringsrapportages voor gas- en zoutwinning van de NAM en Frisia op de Waddenzee. NAM en Frisia zijn destijds gevraagd om een paragraaf hieromtrent op te nemen in hun jaarlijkse monitoringsrapportage. De MER Auditcommissie Zoutwinning Waddenzee en de MER Auditcommissie Gaswinning Waddenzee beoordelen jaarlijks deze monitoringsrapportages en adviseren hierover. Deze adviezen worden jaarlijks gepubliceerd en met uw Kamer gedeeld4.
Kunt u naar aanleiding van recente inzichten over zeespiegelstijging nieuwe berekeningen laten maken van de te verwachten zeespiegelstijging langs de Nederlandse (wadden)kust? Kunt u daarbij de wetenschappers achter bovenvermelde studie en het KNMI betrekken?
Dit jaar zal naar verwachting de nieuwe Zeespiegelmonitor 2026 worden uitgebracht in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Deltares maakt deze Zeespiegelmonitor in samenwerking met het KNMI. Als de Zeespiegelmonitor aanleiding geeft om nieuw advies te vragen over de zeespiegelstijging in de Waddenzee dan zal advies gevraagd worden om te bezien of de nieuwe inzichten moeten leiden tot een aanpassing van de gebruiksruimte.
Bent u bereid om gezien de veiligheid voor eiland- en kustgemeenten en de liefde van veel Nederlanders voor het Wad geen onomkeerbare stappen te nemen bij vergunningverlening voor delfstofwinning tot het moment waarop u het onderzoek bedoeld in de vorige vraag met de Kamer heeft besproken?
De Waddenzee is een uniek natuurgebied, met een Unesco Werelderfgoed-status. Het kabinet hecht dan ook grote waarde aan de bescherming van dit unieke gebied. Zoals ik eerder aangaf in mijn antwoorden op vragen 9 tot en met 11 ziet de huidige regelgeving hierop toe en kan indien nodig tijdig ingegrepen worden, mocht blijken dat de winning de gebruiksruimte dreigt te overschrijden. De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de monitoringsrapportages en de adviezen hierover van de MER Auditcommissies. Hiermee zijn afdoende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de unieke natuurwaarden van de Waddenzee als gevolg van mijnbouwactiviteiten niet worden aangetast.
De wetenschappelijke onderbouwing van windturbinenormen, de bescherming van omwonenden en afstandsnormen |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en met de voorbereiding van nieuwe landelijke windturbinenormen?
Ja, de Staatssecretaris van IenW is op de hoogte van de meest recente versie van de RIVM-factsheet over gezondheidseffecten van windturbinegeluid en de voorbereiding van de nieuwe landelijke milieunormen voor windturbines op land.
Kunt u aangeven welke inhoudelijke wijzigingen sinds 2021 in deze factsheet zijn aangebracht, welke nieuwe wetenschappelijke inzichten daarbij zijn betrokken en op welke wijze die wijzigingen zijn verwerkt in de voorbereiding van nieuwe windturbinenormen?
De factsheet is gebaseerd op wetenschappelijke literatuur tot en met juli 2020. Inhoudelijk is de factsheet daarna niet meer gewijzigd. Wel zijn daarna enkele zaken verduidelijkt in de factsheet naar aanleiding van een aantal vragen en commentaren. Deze worden toegelicht op de website van het RIVM1 en in de beantwoording van eerdere Kamervragen2.
Kunt u uiteenzetten welke internationale wetenschappelijke literatuur sinds 2022 door het RIVM en het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid is betrokken bij de advisering over windturbinegeluid, en kunt u daarbij specifiek ingaan op het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek uit 2022 naar hinder van moderne windturbines?
Het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid publiceert elke drie maanden een overzicht van nieuwgevonden wetenschappelijke artikelen en andere relevante informatie over windturbines en gezondheid3. Het Duitse Umweltbundesamt-onderzoek wordt, naast andere studies op dit gebied, ook meegenomen in de kennisopbouw van het RIVM ter advisering op het gebied van windturbines en gezondheid.
Op welke wijze is dit Duitse Umweltbundesamt-onderzoek betrokken bij het plan-MER, de nota van toelichting en de voorbereiding van de nieuwe landelijke windturbinenormen?
Deze publicatie dateert van na de afronding van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan-MER. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Hierbij zijn ook de toen beschikbare buitenlandse wetenschappelijke onderzoeken meegenomen en wordt een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van de verschillende onderzoeken. Het Duitse onderzoek is hier gezien de publicatiedatum niet bij betrokken. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de in het plan-MER gebruikte publicaties achterhaald zijn of dat het Duitse onderzoek tot heel andere conclusies zou leiden, zoals ook geantwoord op eerdere Kamervragen van het lid Eerdmans.4
Welke blootstelling-responsrelatie ligt thans ten grondslag aan de in het ontwerpbesluit en het plan-MER beschouwde normopties voor windturbinegeluid?
In het plan-MER is voor de beoordeling van de normopties enerzijds gekeken naar de WHO-advieswaarden voor omgevingsgeluid en anderzijds naar de op dat moment internationaal beschikbare blootstelling-responsrelaties. Daarbij is ook onderzocht of de eerdere uitgangpunten gericht op de Nederlandse en Europese context, zoals die ook beschreven staan in de factsheet van het RIVM, nog van toepassing zijn. Een vergelijking met meer recente internationale blootstelling-responsrelaties laat geen wezenlijke verschillen in uitkomsten zien.
Kunt u per beschouwde normoptie, waaronder in ieder geval 37, 40, 43, 45, 47 en 50 dB Lden, aangeven welk percentage ernstige hinder binnenshuis en, indien beschikbaar, buitenshuis daarbij volgens de door het kabinet gebruikte modellen hoort?
De bij deze blootstellingen behorende verwachte kans op ernstige hinder binnenshuis en buitenshuis, volgens twee verschillende modellen voor de blootstelling-responsrelaties, wordt in Tabel 9–3 van het plan-MER weergegeven5. In de nota van toelichting die samen met het ontwerpbesluit naar de Tweede Kamer wordt gestuurd zal hier dieper op worden ingegaan.
Kunt u bevestigen dat in de toelichting bij de nieuwe normering 45 dB Lden wordt gekoppeld aan een lager percentage ernstige hinder binnenshuis dan 47 dB Lden, en kunt u exact uiteenzetten welke beleidsmatige en wetenschappelijke afweging ten grondslag ligt aan de uiteindelijke normkeuze?
Het klopt dat een geluidniveau van 45 dB Lden naar verwachting gepaard gaat met een lager percentage (oftewel een lagere kans op) ernstige hinder dan een geluidniveau van 47 dB Lden. Bij de beleidsmatige afweging over de normkeuze geldt dat de normen enerzijds omwonenden moeten beschermen en anderzijds ruimte moeten bieden voor wind op land. In de nota van toelichting zal nader worden aangegeven hoe deze afweging is gemaakt.
Bent u bereid een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling te laten uitvoeren van de door Leonard Baart de la Faille gepubliceerde omzetting van de Duitse dosis-effectrelatie naar de Nederlandse systematiek, en de Kamer over de uitkomsten daarvan te informeren?
Nee, het is niet duidelijk in hoeverre de dosis-effectrelatie, die op een kleine steekproef is gebaseerd, van toepassing is op de Nederlandse situatie. Wanneer de resultaten van het Nederlandse onderzoek van het RIVM beschikbaar komen, kunnen deze op een zorgvuldige manier naast eerdere bevindingen worden gelegd, waaronder die van het Duitse onderzoek. De resultaten worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het RIVM geïnformeerd worden.
Waarom kiest het kabinet bij windturbinegeluid voor normering op basis van Lden en Lnight, en welke alternatieven, zoals aanvullende maximum- of gebeurtenisnormen, zijn onderzocht om met name slaapverstoring beter te adresseren?
Normering op basis van Lden en Lnight is in lijn met die voor andere geluidbronnen en met de advieswaarden voor omgevingsgeluid van de WHO. Deze geluidmaten sluiten aan bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn. Voor de mate van bescherming wordt aansluiting gezocht bij de WHO-advieswaarde voor windturbinegeluid en de algemene WHO-advieswaarde voor geluid in de nacht.
Welke praktijkgegevens over klachten, hinder, slaapverstoring, handhaving en ervaren overlast rond bestaande windparken zijn betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe normen?
Bij de voorbereiding van de nieuwe normen zijn relaties betrokken tussen blootstelling en ernstige hinder zoals gerapporteerd in uitgebreide vragenlijstonderzoeken. Verder gaat het plan-MER in op hoe de methodiek van handhaving in de praktijk wordt ervaren en doet het voorstellen ter verduidelijking. In de nota van toelichting zal worden aangegeven hoe met deze voorstellen is omgegaan.
Klopt het dat het RIVM momenteel een nieuw blootstelling-responsonderzoek uitvoert waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht, terwijl de beoogde inwerkingtreding van de definitieve windturbinenormen uiterlijk per 1 januari 2027 is voorzien?
Het RIVM voert inderdaad op dit moment een blootstelling-responsonderzoek uit. De resultaten worden eind 2026 verwacht. De tijdelijke overbruggingsregeling loopt af op 1 januari 2027. Er wordt gestreefd naar zo spoedig mogelijke inwerkingtreding van de milieunormen.
Hoe waarborgt u dat de resultaten van dit blootstelling-responsonderzoek nog daadwerkelijk en zorgvuldig kunnen worden meegewogen bij de definitieve vaststelling van de normen?
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB recent gepubliceerd onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Worden in dit blootstelling-responsonderzoek ook personen betrokken die na plaatsing van windturbines zijn verhuisd wegens ervaren overlast, en zo nee, op welke wijze wordt mogelijke selectiebias dan ondervangen?
Nee, wanneer deze personen niet in het onderzoeksgebied (op 2,5 km of minder van een windturbine) woonden in de onderzoeksperiode (september–november 2025), maakten zij geen kans om meegenomen te worden in het onderzoek. Voor bias in het algemeen probeert het RIVM waar mogelijk te corrigeren met wegingen zodat de onderzoekspopulatie zoveel mogelijk lijkt op de totale populatie van mensen die wonen in de buurt van windturbines.
Bent u bekend met het besluit van provinciale staten van Gelderland om voor nieuwe windturbines uit te gaan van een minimale afstand van twee keer de tiphoogte tot geluidsgevoelige gebouwen, en met het voorstel om deze afstandsnorm in de Omgevingsverordening Gelderland op te nemen?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze Gelderse afstandsnorm in het licht van de bescherming van omwonenden tegen hinder en slaapverstoring door windturbines?
Totdat de nieuwe windturbinenormen in werking treden, is het aan gemeenten en provincies om hun eigen normen te stellen voor onder andere geluid, slagschaduw en externe veiligheid, waarbij ook een lokale afstandsnorm mogelijk is. In de consultatieversie van de nota van toelichting is opgenomen dat een afstandsnorm op zichzelf geen aanvullende bescherming biedt tegen geluid van windturbines.6
Waarom is bij de voorbereiding van landelijke windturbinenormen niet gekozen voor een expliciete minimale afstandsnorm, terwijl een provincie als Gelderland daar inmiddels wel toe overgaat dan wel deze norm concreet heeft voorgesteld?
In het ontwerpbesluit is wel een afstandsnorm van twee keer de tiphoogte opgenomen7. Het nieuwe kabinet beraadt zich op dit moment op de nieuwe milieunormen voor windturbines. Zodra hier meer informatie over bekend is, zal de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer hierover informeren.
Bent u bereid expliciet te onderzoeken en uit te spreken of naast geluidsnormen ook een landelijke minimale afstandsnorm voor windturbines wenselijk en juridisch houdbaar is?
Zoals onder vraag 16 vermeld, is er een afstandsnorm opgenomen in het ontwerpbesluit. Dit is het gevolg van het regeerakkoord Rutte IV, waarin was afgesproken dat er heldere afstandsnormen voor de bouw van wind op land kwamen. Het nieuwe kabinet beraadt zich momenteel op de nieuwe milieunormen.
Welke instructies, handreikingen of tijdelijke beleidskaders gelden in de tussenperiode voor gemeenten en provincies die besluiten nemen over windprojecten, zodat ook op lokaal niveau wordt aangesloten bij de meest recente stand van de wetenschap?
Op dit moment wordt gewerkt aan nieuwe milieunormen voor windturbines. In de tussenliggende periode kunnen gemeenten en provincies hun eigen normen stellen voor onder andere geluid, slagschaduw en externe veiligheid, waarbij ook een lokale afstandsnorm mogelijk is. Zij maken daarbij een afweging over het aanvaardbare milieubeschermingsniveau, op basis van een zorgvuldige lokale milieubeoordeling. Eigen normen van decentrale overheden dienen dus goed onderbouwd te worden, onder andere op basis van wetenschappelijke kennis over windenergie en gezondheid. Deze kennisbasis wordt door het RIVM, via het Expertisepunt Windenergie en Gezondheid, regelmatig aangevuld met relevant (internationaal) onderzoek.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de vraag of en, zo ja, in welke gevallen decentrale overheden vooruitlopend op de nieuwe landelijke normstelling eigen normen of vergunningvoorwaarden hanteren?
Nee. Op meerdere plekken zijn medeoverheden bezig met eigen milieunormen vast te stellen in afwezigheid van landelijke milieunormen. Deze informatie is lokaal openbaar beschikbaar en kan daar worden opgezocht.
Bent u bereid geen onomkeerbare keuzes in de definitieve landelijke normstelling te maken voordat de Kamer expliciet is geïnformeerd over de betekenis van nieuwe wetenschappelijke inzichten voor de bescherming van omwonenden?
De Staatssecretaris van IenW ziet geen reden om het proces nu stop te zetten, want voor deze AMvB wordt een regulier besluitvormingsproces doorlopen. Zie ook het antwoord op vraag 12. In algemene zin geldt dat nieuwe wetenschappelijke inzichten na vaststelling reden kunnen zijn om regelgeving aan te moeten passen.
Deelt u de opvatting dat bij normstelling rond windturbinegeluid en afstandsnormen maximale transparantie over gebruikte wetenschappelijke bronnen, aannames en hinderpercentages noodzakelijk zijn om het vertrouwen van omwonenden in de overheid te versterken?
De Staatssecretaris van IenW vindt het van groot belang dat de besluitvorming rondom de landelijke milieunormen zorgvuldig en transparant verloopt. Bij de totstandkoming van het ontwerpbesluit is een plan-MER-procedure doorlopen. Als eerste stap van het plan-milieueffectrapport is een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld die ter inzage heeft gelegen. Inbreng op de NRD is vervolgens meegenomen in het ontwerpbesluit. Het plan-MER heeft de stand van kennis op basis van wetenschappelijke onderzoeken in beeld gebracht. Het ontwerpbesluit dat met behulp van de informatie uit het plan-MER is opgesteld heeft vervolgens ook ter inzage gelegen. Ook heeft de Commissie MER advies uitgebracht over de NRD en het plan-MER. Bij verzending van het ontwerpbesluit aan de Tweede Kamer zal ook de reactienota worden gepubliceerd waarin wordt toegelicht tot welke aanpassingen de inbreng heeft geleid.
De aardbeving met een kracht van 3.0 in Drenthe |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Sandra Beckerman (SP), Julian Bushoff (PvdA) |
|
de Bat , Pieter Heerma (CDA), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Erkent u dat het zeer pijnlijk is dat een aardbeving in Drenthe opnieuw voor schade heeft gezorgd zonder dat de rijksoverheid tijdig heeft gezorgd voor een rechtvaardige schaderegeling?
Het vorige kabinet heeft afgelopen januari naar aanleiding van twee uitgevoerde evaluaties aangegeven dat de landelijke aanpak voor de afhandeling van schade door bodembeweging als gevolg van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk (hierna: mijnbouwschade) door de Commissie Mijnbouwschade (hierna: CM) niet op alle punten voldoet aan de verwachtingen en dat het kabinet deze samen met de mijnbouwondernemingen wil verbeteren1.
Deze structurele verbeteringen vragen om gesprekken met alle partijen uit de mijnbouwsector, die actief zijn in verschillende mijnbouwactiviteiten, zoals zout-, gas- en oliewinning. Een proces om met al deze partijen tot nieuwe afspraken te komen kost tijd. Het feit dat gedurende dit proces een aardbeving door gaswinning heeft plaatsgevonden die schade heeft veroorzaakt betreur ik. Daarom wil ik zo snel mogelijk – binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt – tot een specifieke aanpak komen voor de schade die veroorzaakt is door de beving van 14 maart 2026. Ik ben hierover met NAM en de CM in gesprek en betrek hierbij ook de medeoverheden. In mei zal ik uw Kamer hier verder over informeren.
Erkent u dat bewoners zeggen dat «de breuk in het vertrouwen groter is dan de scheur in het huis»?1 Snapt u dat de woede van bewoners diep zit gezien de ongelijkheid tussen de schaderegelingen in Drenthe en de bureaucratie rondom de schadeafhandeling? Kunt u uw antwoord toelichten?
Naar aanleiding van de beving heb ik maandag 16 maart 2026 een bezoek aan het getroffen gebied gebracht om persoonlijk in gesprek te gaan met inwoners en de lokale en provinciale bestuurders (de drie burgemeesters van Assen, Midden-Drenthe en Aa en Hunze, de commissaris van de Koning en de gedeputeerde van de provincie). Tijdens het bezoek heb ik uit eerste hand kunnen horen hoe het met de inwoners gaat en wat de weerslag van de bevingen is geweest. Deze gesprekken hebben mij er nog meer van bewust gemaakt dat aardbevingen door mijnbouwactiviteiten en de schade die dit veroorzaakt een stevige impact kunnen hebben, niet alleen op huizen, maar ook op het leven van mensen.
In het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg geldt een andere aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade dan in de rest van Nederland. Hier werden in korte tijd tienduizenden gelijksoortige gevallen van fysieke schade gemeld waarvan het grootste deel te herleiden was tot bodembeweging door gaswinning uit het Groningenveld. Kortgezegd, de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld verschillen in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland (waaronder Eleveld). Daarnaast heeft de schade in het effectgebied van het Groningenveld en de afhandeling daarvan tot een grote mate van maatschappelijke ontwrichting geleid. Het kabinet vindt het daarom gerechtvaardigd dat er voor de afhandeling van mijnbouwschade in het effectgebied van het Groningenveld en de gasopslagen Grijpskerk en Norg een andere aanpak geldt dan in de rest van Nederland (waaronder Eleveld).
Dat neemt niet weg dat het de hoogste prioriteit heeft dat ook de schade buiten het IMG-effectgebied op een snelle, gedegen en menselijke wijze afgehandeld wordt. Gelet op de ervaringen na de beving bij Ekehaar in 2023 vind ik het van belang dat er zo spoedig mogelijk een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt.
In maart 2024 werd de motie van de leden Beckerman en Bushoff2 aangenomen om het bewijsvermoeden voor alle mijnbouwactiviteiten in Nederland te laten gelden: kunt u deze motie alsnog spoedig uitvoeren, zodat gedupeerden in Drenthe eindelijk een rechtvaardige schadevergoeding krijgen?
Voor de introductie van een wettelijk bewijsvermoeden is een dragende motivering nodig. Een wettelijk bewijsvermoeden is namelijk een uitzondering op de standaardregel in het Nederlands burgerlijk recht «wie stelt, bewijst». Om te kunnen bepalen of uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden, zoals dat in het IMG-effectgebied geldt2, naar de rest van Nederland juridisch houdbaar is, heeft het toenmalige kabinet voorlichting gevraagd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor het effectgebied van het Groningenveld is het wettelijk bewijsvermoeden dragend gemotiveerd door onder meer te wijzen op 1) het grote aantal schadegevallen in dat gebied en 2) de gelijksoortigheid daarvan die 3) in het grootste deel van deze gevallen het gevolg is van één oorzaak, namelijk gaswinning uit het Groningenveld. Zoals in reactie op vraag 2 toegelicht, verschillen de schadegevallen in het effectgebied van het Groningenveld in aantal, ernst en omvang met schadegevallen als gevolg van de gaswinning in de rest van Nederland. De uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden kan daardoor onvoldoende dragend gemotiveerd worden en is daarmee niet juridisch houdbaar.
Daarbij is het goed om te noemen dat de instelling en werkwijze van de CM ervoor heeft gezorgd dat het resultaat voor schademelders in de rest van Nederland praktisch gelijk is aan toepassing van het bewijsvermoeden. De CM neemt de bewijslast van de schademelder over en doet zelfstandig onderzoek naar de oorzaak van de schade. Indien niet aan te tonen, maar ook niet uit te sluiten is dat de schade veroorzaakt is door bodembeweging als gevolg van een mijnbouwactiviteit gaat de CM ervan uit dat deze schade is veroorzaakt door een mijnbouwactiviteit. Dit geeft praktisch eenzelfde resultaat als met toepassing van het bewijsvermoeden. Uitbreiding van de reikwijdte van het wettelijk bewijsvermoeden zal daarom voor schademelders geen meerwaarde bieden en niet leiden tot andere uitkomsten wat betreft de toekenning van schadevergoedingen. Voor een meer uitgebreide onderbouwing van dit standpunt verwijs ik naar de brief van het vorige kabinet van 27 maart 20254.
Uw beleidsvoorganger heeft Drenthe reeds een nieuwe, soepelere regeling met terugwerkende kracht beloofd, maar beloftes dichten echter geen scheuren: hoe snel kunt u met daden komen? Welke stappen gaat u wanneer zetten?
Om zo snel mogelijk tot goede schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 te komen, beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en de belangrijkste elementen van de aangekondigde verbeteringen reeds bevat. Zoals uiteengezet in de recente brief over de beving bij Geelbroek5, wordt er nu hard gewerkt aan de schadeafhandeling door de CM, in twee stappen.
Ten eerste wil ik dat er zo snel mogelijk tot een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026 komt, binnen de ruimte die het instellingsbesluit van de CM biedt. Ik ben reeds met NAM en de CM in gesprek over een specifieke aanpak voor de beving van 14 maart 2026. Het uitgangspunt is dat deze snel, gedegen en menselijk is. Met de lokale en provinciale bestuurders is maandag 16 maart besproken dat we vier tot zes weken de tijd nemen om duidelijkheid te bieden over deze aanpak.
In het verlengde daarvan ga ik – als tweede stap – samen met de mijnbouwondernemingen (waaronder NAM, maar ook andere mijnbouwondernemingen die actief zijn op land) in gesprek om te komen tot generieke verbeteringen binnen de huidige systematiek van de landelijke aanpak van de afhandeling van mijnbouwschade.
Welke zekerheid kunt u gedupeerden geven? Kunt u een einddatum noemen waarvoor u alle schades beoordeeld wilt hebben? Gaat u hierbij direct onterecht afgewezen of te laag beoordeelde schades vergoeden?
De komende weken sta ik in nauw contact met de CM, de lokale bestuurders van het gebied waar de beving heeft plaatsgevonden en de NAM om zo snel mogelijk tot een schadeafhandeling van de beving van 14 maart 2026 komen. Zoals hierboven aangegeven beoog ik een aanpak die snel, gedegen en menselijk is en reeds de belangrijkste elementen van de in januari geschetste verbeteringen bevat. In deze fase kan ik nog niet vooruitlopen op de inhoud van de aanpak. Ik zal uw Kamer hier in mei verder over informeren.
Hoe kunt u bewoners ontzorgen? Welke extra stappen wilt u zetten voor deze bewoners die hun thuis en hun vertrouwen beschadigd zien?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe voorkomt u dat er, net als bij andere mijnbouwschaderegelingen, weer een nieuwe regeling wordt opgetuigd met hoge uitvoeringskosten?
Alle betrokken partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen. Het is van groot belang om hierbij oog te hebben voor de schaal van de schadeafhandeling. Gegeven de zwaarte van de beving is de uitvoerbaarheid van de aanpak een belangrijk criterium. Er moet immers voorkomen worden dat schademelders lang in onzekerheid zitten, in het bijzonder degenen met de zwaarste schades. Het instellingsbesluit van de CM biedt ook ruimte om bij een groot aantal schademeldingen voor een versnelde en vereenvoudigde aanpak te kiezen. Bij de aanpak zal ik ook nadrukkelijk oog hebben voor het feit dat een deel van de schademelders woonachtig is in het IMG-effectgebied.
Wat is volgens u een goede balans tussen schadevergoedingen en uitvoeringskosten? Vindt u voor elke geadviseerde euro schadevergoeding 5,65 euro aan onderzoekskosten in balans?
De standaard werkwijze van de CM brengt met zich mee dat voor elke schademelding (waarbij het vermoeden bestaat dat schade door mijnbouw zou kunnen zijn veroorzaakt) onderzoek ter plaatse door een expert plaatsvindt. Dit onderzoek zorgt voor een werkwijze die zorgvuldig, betrouwbaar en deskundig is. De CM geeft in haar verslag over de schadeafhandeling in Ekehaar6 aan onderzoek ter plaatse belangrijk te vinden om de oorzaak en omvang van schade vast te stellen, ook omdat dit het vertrouwen bij schademelders bevordert.
Tegelijkertijd wordt terecht opgemerkt dat de onderzoekskosten van schade-experts voor hoge uitvoeringskosten van de CM zorgen. Zoals aangekondigd wil ik de landelijke aanpak voor de afhandeling van mijnbouwschade door de CM verbeteren, onder meer door samen met de mijnbouwondernemingen een betere verhouding tussen geadviseerde schadevergoedingen en onderzoekskosten te realiseren. Ik wil ook dat dit element terugkomt in de specifieke aanpak van de beving van 14 maart 2026 die momenteel wordt ontwikkeld.
Tot slot is het goed om hier nog bij te vermelden dat de mijnbouwondernemingen de onderzoekskosten vergoeden voor die gevallen waarin de CM adviseert een vergoeding voor mijnbouwschade uit te keren. In andere gevallen komen kosten voor rekening van de overheid.
Hoe zorgt u dat Noord-Nederland nu eindelijk boven gas gaat, gelet op het feit dat Noord-Nederland klappen blijft krijgen door bestaande en oude gaswinning en ontoereikende regelingen voor herstel en compensatie en er stemmen blijven opgaan voor nieuwe gaswinning uit kleine velden en het Groningenveld?
Ik ben in nauw contact met lokale bestuurders, de CM en NAM, die verantwoordelijk is voor de (inmiddels ingesloten) gaswinning uit het Eleveld gasveld en aansprakelijk is voor schade die bodembeweging als gevolg van de gaswinning uit dat veld veroorzaakt. Alle partijen vinden het van belang om de ontstane schade zo snel, gedegen en menselijk mogelijk af te handelen, met oog voor de uitvoerbaarheid. Zoals ook reeds in antwoord op vraag 1 aangegeven wil ik daarom dat er snel een specifieke aanpak komt voor de beving van 14 maart.
Welke garanties kunt u in Noord-Nederland geven dat de overheid die zo vaak onbetrouwbaar is geweest, nu eindelijk problemen gaat oplossen in plaats van nieuwe problemen gaat veroorzaken?
Zie antwoord vraag 9.
Welke voorwaarden en aannames waren aan de oorspronkelijke winningsvergunning gekoppeld om de veiligheid te garanderen? Zijn al deze voorwaarden ook effectief uitgevoerd? Zo nee, welke niet en waarom niet? Hoe kan het dat er dan alsnog bevingen hebben plaatsgevonden? Wat leert u van de veronderstellingen van toen die nu negatief uitpakken? Zult u op basis daarvan nieuwe, bijkomende voorwaarden stellen aan eventuele nieuwe vergunningen voor gaswinning in Nederland om daar de veiligheid wel te garanderen, ook na het beëindigen van de winningsactiviteiten?
Om gas te mogen winnen is, in aanvulling op een winningsvergunning, instemming met een winningsplan nodig. Het gasveld Eleveld valt binnen het winningsplan Westerveld, waarin meerdere gasvelden zijn opgenomen. Het winningsplan Westerveld is voor het gasveld Eleveld in 2018 voor het laatst beoordeeld (op 26 maart 2024 is ingestemd met een actualisatie van het winningsplan voor het gasveld Assen). Ten behoeve van de beoordeling is advies gevraagd aan TNO, SodM, de Technische Commissie Bodembeweging (Tccb, tot en met 2023 adviseur) en de Mijnraad. Bij de beoordeling van winningsplannen wordt altijd gekeken naar de kans op bodemtrilling.
In het gasveld Eleveld zijn al vaker bevingen geweest met lagere magnitudes. Naast de kans op beven wordt ook de kenmerken van het gasveld, de mogelijke magnitudes van een beving en de effecten aan de bovengrond meegenomen zoals bebouwing en infrastructuur. Tezamen is dit het seismisch risico (SRA), dat in het winningsplan wordt aangegeven. Uit deze SRA is naar voren gekomen dat het gasveld Eleveld in de laagste categorie valt (I) maar dicht bij de grens naar een hogere categorie zit (II). Om deze reden zijn specifiek voor het gasveld Eleveld, mede naar aanleiding van de adviezen van de adviseurs, voorwaarden in het besluit opgenomen die normaliter voor SRA II-velden gelden. NAM heeft versnellingsmeters moeten bijplaatsen en een seismisch risicobeheersplan (SRB) moeten opstellen voor het gasveld Eleveld. Daarnaast is in het besluit een voorschrift opgenomen dat NAM bouwkundige vooropnamen moeten uitvoeren. NAM heeft deze voorwaarden van het besluit uitgevoerd. Op dit moment bezie ik hoe om te gaan met de veiligheidsrisico’s en schade door bevingen in het kader van de herziening van de Mijnbouwwet. Ik heb SodM, TNO, Mijnraad en het KNMI gevraagd om hier een gezamenlijk beleidsadvies voor op te stellen.
Het versnellen van energieonafhankelijkheid en een betaalbare energierekening. |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat Spanje in deze nieuwe energiecrisis een van de Europese landen is met de goedkoopste energierekeningen juist dankzij de grote toename van hernieuwbare energie?1
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u leren van de toegenomen weerbaarheid en goedkopere energierekeningen in Spanje?
Spanje is minder afhankelijk van gas voor de elektriciteitsvoorziening, waarbij gascentrales maar een klein deel van de tijd de elektriciteitsprijs bepalen. Dit leidt onder andere tot goedkopere energierekeningen dan in andere Europese landen die minder hernieuwbare energie tot hun beschikking hebben. In Nederland bepalen gascentrales steeds minder vaak, maar nog wel het grootste deel van de tijd de elektriciteitsprijs. Hoe meer wind, zon en kernenergie er is in Nederland, hoe minder in de toekomst schokken in de internationale gasmarkt leiden tot hogere elektriciteitsprijzen in Nederland.
Bent u op de hoogte van de vaststelling dat de transitie naar net zero voor het Verenigd Koninkrijk goedkoper zou uitkomen dan de kostprijs van één enkele fossiele energiecrisis?2
Ja, ik ben van deze berichtgeving op de hoogte.
Wat kan Nederland volgens u hiervan leren?
Deze berichtgeving laat onder meer zien dat afhankelijkheid van de import van fossiele energie, in tijden van crises, direct raakt aan de betaalbaarheid van energie en gevolgen heeft voor de economie. Dit geldt ook voor Nederland. Afhankelijk blijven van fossiele energie heeft niet alleen gevolgen voor het klimaat, maar ook voor onze economie door onzekerheid over energieprijzen en prijsschokken. De les die Nederland hieruit kan trekken is dat energie van eigen bodem deze risico’s en effecten op de economie aanzienlijk verkleint.
Werkt u naar aanleiding van de olie- en gascrisis aan een versnellingsplan voor hernieuwbare energie en energiebesparing?
Op dit moment vindt binnen het kabinet een inventarisatie plaats van maatregelen om de gevolgen van de huidige situatie in het Midden-Oosten tegen te gaan. Daar worden de voorstellen van de NVDE (zie ook de antwoorden op vragen 9 t/m 12) in meegenomen.
Hernieuwbare energie van eigen bodem en energiebesparing zijn essentieel voor een weerbaar energiesysteem met minder strategische afhankelijkheden. Het kabinet zet daarom, zoals ook in voorgaand antwoord beschreven, in op het opschalen van schone energie. Daarnaast is het belangrijk dat we het voor onze industrie, die internationaal moet concurreren, aantrekkelijk maken om ook de overstap te maken naar elektrificatie. In het coalitieakkoord heeft het kabinet een versnelling ingezet door gericht middelen uit te trekken voor zowel wind op zee als ondersteuning voor de elektrificatie van de industrie.
Specifiek voor hernieuwbare energie op land heeft het kabinet daarnaast onderzoek laten doen naar doorgroei, waarde en potentie van hernieuwbare energie op land na 2030. Dit onderzoek wordt binnenkort met de Kamer gedeeld. In de actualisatie van het NPE zal ik nader ingaan op de ambitie voor de verdere groei van hernieuwbaar op land. Hierover ga ik uiteraard ook met medeoverheden in gesprek om te bezien hoe we deze doorgroei mogelijk kunnen maken.
Hoe zult u bijvoorbeeld uitwerking geven aan de aangenomen motie Van Oosterhout c.s. om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen (Kamerstuk 36 800 XXIII, nr. 26)?
In navolging van de motie van het lid Van Oosterhout c.s., die aanspoort tot versnelde uitrol van wind op zee, voert het kabinet deze uit door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW. Hierover heb ik de Kamer inmiddels geïnformeerd. De motie draagt hiermee bij aan de opschaling van hernieuwbare energie, waarbij het coalitieakkoord inzet op 40GW windenergie op zee.
Welke mogelijkheden ziet u bovenop het coalitieakkoord om toch nog versneld te vergroenen om zo weerbaarder te worden, de energierekeningen van mensen en bedrijven te doen dalen en te vermijden dat de onvermijdelijk volgende olie- of gascrisis Nederland nóg meer geld gaat kosten?
Hernieuwbare energie van eigen bodem realiseren heeft hoge prioriteit voor het kabinet. Het coalitieakkoord stelt een aantal ambitieuze doelstellingen om versneld te vergroenen en weerbaarder te worden. Dit is een flinke opgave en vraagt volledige inspanning van het kabinet om tijdig te realiseren, want er zijn ook maakbaarheidsuitdagingen zoals netcongestie, die om maximale creativiteit en samenwerking vragen.
Specifiek kiest het kabinet ervoor om wind op zee te stimuleren via contracts for difference en is budget gereserveerd om de SDE++ regeling de komende 6 jaar open te stellen, waardoor initiatiefnemers worden ondersteund om te verduurzamen. Dit betreft zowel de productie van hernieuwbare energie alsook elektrificatie en CO2-reductie. Hiermee draagt het kabinet bij aan de vraagontwikkeling van elektriciteit. Daarnaast voert het kabinet, zoals ook benoemd in het antwoord op vraag 6, de motie om versneld de 1 GW wind op zee uit te rollen uit. Dit doet het kabinet door nog dit jaar een extra subsidietenderronde van 1 GW voor windenergie op zee open te stellen, bovenop de reeds geplande 1 GW.3
Welke investeringen in verduurzaming zouden er vervroegd kunnen worden in de tijd om sneller te kunnen genieten van die voordelen van meer weerbaarheid en goedkopere energierekeningen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE)?3
Ja, ik ben op de hoogte van het Spoedplan voor minder aardgas van de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (NVDE).
Welke elementen uit dit plan kunnen volgens u versneld uitgevoerd worden?
Ik verwelkom alle ideeën van partijen uit de praktijk die bijdragen aan energiebesparing en het versnellen van de transitie naar meer energie van eigen bodem. In dat kader is er regelmatig contact tussen de NVDE en mijn ministerie.
Het spoedplan bevat interessante aanknopingspunten. Op andere punten roept het plan vragen op. Beide zal ik binnenkort met de NVDE bespreken en betrek ik bij de actualisering van het NPE.
Om te beginnen roept het spoedplan op om onverminderd in te zetten op het oplossen van netcongestie en het verkorten van doorlooptijden van projecten. Beide zijn prioriteit voor dit kabinet. Daarnaast noemt het plan een aantal maatregelen voor de verduurzaming van woningen. Ook daar wil het kabinet verder op doorpakken, door het verplicht uitfaseren van energielabels E, F en G bij huurwoningen en het normeren van slimme (hybride) warmtepompen waar dit de beste oplossing is. Met een Nationaal Isolatie Offensief wil het kabinet de ingezette lokale isolatieaanpakken versnellen en versterken. Ook heeft het kabinet dit voorjaar extra middelen (77 miljoen) uitgetrokken voor warmtenetten.
De lopende publiekscampagne «zet ook de knop om» wordt voortgezet. Daarnaast loopt momenteel het Interdepartementaal Beleidsonderzoek energietransitie van de woningvoorraad. Dit zal rond de zomer een rapport opleveren, met daarin wat nodig is om de woningvoorraad tijdig aardgasvrij te maken.
Verder gaat het spoedplan van de NVDE in op het voortvarend uitrollen van hernieuwbare energie en het versnellen van elektrificatie van fossiele energievraag. Hier zet het kabinet vol op in.
Ook onderschrijft het kabinet het belang van opschaling van groen gas, onder andere via het programma groen gas.
In lijn met het coalitieakkoord gaat het kabinet door met de bestaande maatwerkafspraken en richten nieuwe maatwerkafspraken zich op clusters of gebieden. Hiermee kan verdere reductie in gasverbruik behaald worden.
Tot slot maken thermische isolatie en het beter inregelen van installaties onderdeel uit van de energiebesparingsplicht.
Sommige maatregelen zijn echter niet voldoende gespecificeerd om concreet aan te geven of ze wenselijk zijn en welke blokkades er potentieel nog zijn. Of ze zijn lastig uitvoerbaar, zoals de energiebesparingsplicht als voorwaarde voor de subsidies. Zoals aangegeven zal ik in gesprek gaan met de NVDE om hierover nader van gedachten te wisselen.
Welke delen kunnen volgens u niet versneld uitgevoerd worden en waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien bepaalde blokkades de uitvoering van die delen in de weg staan, wat zou er nodig zijn om die blokkades op te heffen?
Zie antwoord vraag 10.
Zou u deze vragen kunnen beantwoorden voor het commissiedebat Hernieuwbare energie van 1 april a.s.?
De vragen zijn beantwoord voor het commissiedebat Hernieuwbare energie, dat is verplaatst naar 15 april 2026.
De juridische implicaties van het on hold zetten van gaswinning |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zou een tijdelijk staken van reeds vergunde gaswinning om bepaalde onderzoeken naar de gevolgen ervan af te wachten, neerkomen op contractbreuk met de gaswinningsbedrijven?
In de Mijnbouwwet zijn limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan (zie art 21 en art 36 Mijnbouwwet). Buiten deze gronden is geen intrekking of wijziging mogelijk omdat een dergelijk besluit in strijd met de Mijnbouwwet en dus onrechtmatig is.
Tevens betekent het tijdelijk staken van een reeds vergunde gaswinning een inbreuk op het eigendomsrecht van een gaswinningsbedrijf. Dit kan alleen als is voldaan aan de eisen die artikel 1, Eerste Protocol, van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (artikel 1 EP EVRM) stelt voor de bescherming van eigendom.
Heeft u binnen de huidige wetgeving juridische mogelijkheden om een algemene tijdelijke of permanente stop op nieuwe gasboringen in te voeren in een specifiek gebied, inclusief wanneer er exploratievergunningen zijn toegekend? Is er daarbij een verschil tussen projecten die nog in een proefboorfase zitten en projecten die al volop gas aan het winnen zijn? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u?
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat geen mogelijkheid om een algemene tijdelijke of permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, gelden voor bestaande vergunningen en instemmingen limitatieve intrekkings- en weigeringsgronden en moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Dit geldt zowel voor projecten die nog in de proefboorfase zitten als voor projecten die al volop gas aan het winnen zijn.
Ook bij een wijziging van de Mijnbouwwet moet worden voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM.
Welke juridische mogelijkheden heeft u om reeds verleende vergunningen voor gasboringen weer in te trekken?
Zie het antwoord bij vraag 1.
Heeft u juridische mogelijkheden om reeds lopende gaswinningsprojecten tijdelijk of permanent stil te leggen in een specifiek gebied? Zo ja, welke?
Zie het antwoord bij vraag 2.
In welke van deze gevallen zullen betrokken bedrijven financieel gecompenseerd moeten worden en in welke gevallen is dat niet nodig?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven kan het tijdelijk of permanent stilleggen van reeds lopende gaswinningsprojecten alleen als sprake is van één van de limitatieve gronden uit de Mijnbouwwet en daarnaast wordt voldaan aan de eisen van artikel 1 EP EVRM voor de bescherming van eigendom. Hierbij zijn de volgende voorwaarden van belang. De inmenging moet rechtmatig zijn, dat wil zeggen bij wet voorzien (legaliteitsbeginsel) en de inmenging moet een legitieme doelstelling hebben die dient ter bevordering van het algemeen belang (legitimiteitsbeginsel). Als aan deze voorwaarden is voldaan, dan moet sprake zijn van een «fair balance» oftewel een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemeen belang waarvoor de inmenging nodig zou zijn, en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, in casu de getroffen vergunninghouders (evenredigheidsbeginsel). Om aan die laatste eis te voldoen, zou een financiële compensatie een mogelijkheid kunnen zijn.
Zijn er omstandigheden waarin u meer ruimte heeft om vergunningen in te trekken of vergunde projecten stil te leggen, bijvoorbeeld in het geval van nieuwe inzichten over risico’s die bij op het moment van vergunningverlening niet bekend waren of als minder riskant werden ingeschat?
Zoals bij antwoord 1 aangeven zijn in de Mijnbouwwet limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het wijzigen of intrekken van instemming met een winningsplan. Tevens moet worden voldaan aan de eisen met betrekking tot de bescherming van eigendom volgens artikel 1 EP EVRM, zoals in het antwoord op vraag 5 toegelicht.
De brief van meer dan honderd economen over de economische doelmatigheid van de maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de open brief van meer dan honderd economen, waaronder ruim tachtig hoogleraren, gepubliceerd op ESB.nu, waarin zij de economische doelmatigheid en effectiviteit van de voorgestelde maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland ter discussie stellen?1 Hoe beoordeelt u de daarin geuite kritiek?
Herinnert uw zich uw antwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt dat een maatwerkafspraak de snelste weg is om klimaatwinst en gezondheidswinst voor omwonenden te behalen? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u aangeven waar de economen volgens u dan verkeerd redeneren?
Herinnert u zich uw anwoord op schriftelijke vragen d.d. 2 februari 2026, waarin u stelt geen aanleiding te zien de intentieverklaring te beëindigen en de onderhandelingen voort te zetten, onder meer omdat uitstel of afstel zou leiden tot het later of niet optreden van klimaatwinst en gezondheidswinst? Komt u, als u de overwegingen van de economen in de brief betrekt bij deze afweging, tot dezelfde conclusie? Zo ja, kunt u gemotiveerd toelichten waarom?
Erkent u dat Tata Steel Nederland over de periode 2023–2025 gemiddeld circa 157 miljoen euro per jaar operationeel verlies heeft geleden en daarmee structureel onvoldoende winstgevend is? Zo nee, op basis van welke cijfers of analyses komt u tot een andere beoordeling?
Hoe beoordeelt u het risico dat de voorgestelde eenmalige bijdrage van twee miljard euro zich ontwikkelt tot een open-eindverplichting, gezien de structureel zwakke financiële positie van Tata Steel Nederland?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat een Europese aanbesteding voor waterstofstaal economisch efficiënter is dan een nationale steunoperatie? Hoe kijkt u kabinet tegen een dergelijk Europees aanbestedingsproces, en bent u bereid zich hiervoor in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat Tata Steel Nederland, gelet op het feit dat negentig procent van de staalproductie wordt geëxporteerd, geen wezenlijk verschil maakt voor de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie en daarmee geen cruciale schakel vormt in een innovatief ecosysteem? Zo nee, op welke onderbouwing baseert u een ander oordeel?
Hoe beoordeelt u de juridische kwetsbaarheid van de maatwerkafspraken, zowel wat betreft de staatssteunrechtelijke verdedigbaarheid als de lopende juridische procedures rondom gezondheidsschade voor omwonenden, en kunt u daarbij ingaan op de stelling van de economen dat publieke middelen worden ingezet zonder het onderliggende gezondheidsprobleem op te lossen?
Hoe ziet u de voorgestelde maatwerkafspraken in het licht van het rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad (2026) dat stelt dat Nederland onvoldoende ruimte heeft om de huidige omvang van de energie-intensieve industrie in stand te houden, en het rapport-Wennink dat het kabinet oproept tot het maken van scherpe keuzes?
Gezien EU-ETS Tata Steel al tot CO2-neutraliteit vóór 2040 verplicht en de maatwerkafspraken sturen op 2045, kunt u aantonen dat de subsidie van twee miljard euro een transitie ondersteunt die aantoonbaar sneller of verder gaat dan waartoe Tata Steel al wettelijk verplicht is? Zo nee, hoe houdt deze staatssteun juridisch stand?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat de schaarse middelen die worden voorgesteld voor Tata Steel, waaronder technisch geschoolde arbeid, netcapaciteit, duurzame energie en stikstofruimte, doelmatiger kunnen worden ingezet voor innovatieve maakindustrie, netverzwaring en circulaire ketens. Deelt u deze analyse? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit per punt uiteenzetten?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat strategische autonomie behoud van staalproductie in Europa vereist, maar niet specifiek in Nederland? Deelt u deze redenering? Zo nee, op welke gronden meent u dat staalproductie specifiek in Nederland noodzakelijk is voor onze strategische autonomie?
Heeft u kennisgenomen van de stelling van de economen dat afzien van steun aan structureel verliesgevende bedrijven in een economie met schaarste geen politieke keuze maar een economische noodzaak is? Deelt u deze kwalificatie? Zo nee, op welke analyse baseert het de conclusie dat steun aan Tata Steel per saldo welvaartswinst oplevert?
Deelt u de mening dat een nationale steunoperatie Europese coördinatie op basis van comparatief voordeel doorkruist? Zo ja, waarom kiest u hier toch voor in plaats van in te zetten op een Europese aanbesteding?
Gezien de nationale steunoperatie voor Tata Steel bijdraagt aan een Europese subsidierace waarbij lidstaten elkaar overbieden met publieke middelen, zoals Duitsland illustreert met zijn energieprijsplafond, erkent u dat deze wedloop per saldo duurder uitvalt voor Nederland dan wanneer het zou inzetten op Europese samenwerking en coördinatie?
Gezien de schaarse middelen die Nederland tot haar beschikking heeft en het essentiële belang van het steunen van de Nederlandse maakindustrie, erkent het kabinet dan dat de middelen die voor de maatwerkafspraken met Tata Steel worden gebruikt doelmatiger kunnen worden ingezet? Zo nee, kunt u toelichten waarom niet?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor het debat over de maatwerkafspraken en/of binnen de geldende termijn beantwoorden?
Het artikel 'Von der Leyen: ‘Europese afbouw kernenergie was strategische fout’' |
|
Henk Jumelet (CDA), Alisha Müller (VVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), de Bat |
|
|
|
|
Hoe apprecieert u het krantenartikel «Von der Leyen: «Europese afbouw kernenergie was strategische fout»»?1 Deelt u de mening van Von der Leyen dat het een strategische fout is geweest van Europese landen om kernenergie de rug toe te keren omdat het Europa kwetsbaarder heeft gemaakt voor hoge energieprijzen en afhankelijkheid van energie-import?
Het kabinet deelt de analyse over het belang van een robuuste, betaalbare en onafhankelijke energievoorziening in Europa. Deze vermindert onze kwetsbaarheid voor prijsvolatiliteit en geopolitieke risico’s. Keuzes omtrent energie – en daarmee de keuze voor kernenergie in de energiemix – zijn een nationale bevoegdheid. Het kabinet verwelkomt dan ook het stevige signaal van Commissievoorzitter Von der Leyen dat de grotere rol erkent die kernenergie in de toekomst zal spelen in de energiemix, in Europese lidstaten waaronder Nederland, om zo een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese strategische doelstellingen.
Heeft u er kennis van genomen dat de Europese Commissie (EC) heeft aangekondigd voor 200 miljoen euro aan garanties beschikbaar te stellen voor investeringen in innovatieve kerntechnologieën, waaronder small modular reactors (SMR’s)? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en projecten maximaal gebruik kunnen maken van deze middelen?
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 16 juni 20252, werkt het kabinet aan het versterken van het nucleaire ecosysteem via kennisopbouw, netwerkontwikkeling en concrete activiteiten op drie samenhangende terreinen:
Op deze manier zorgt het kabinet ervoor dat kennis- en onderzoeksorganisaties, onderwijsinstellingen en bedrijven kunnen aansluiten bij de bouw van nieuwe kerncentrales in Nederland (inclusief SMR’s) en waar mogelijk internationale mogelijkheden kunnen benutten, waaronder een rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten.
Ook de Europese Commissie is bezig met het vormgeven van de ondersteuning van innovatieve kerntechnologieën. Een voorbeeld hiervan is de genoemde € 200 miljoen aan garanties voor innovatieve nucleaire technologieën die onlangs door de Europese Commissie is aangekondigd en wordt toegevoegd aan het Europese InvestEU-fonds. Projecten kunnen hierop aanspraak maken via de Europese Investeringsbank; kleinere projecten in Nederland kunnen hierop via InvestNL aanspraak maken. Als onderdeel van het MMIP Kernenergie ondersteunt RVO Nederlandse partijen die SMR's willen ontwikkelen hierbij, zoals dat ook gebeurt bij het EU Innovatiefonds en andere EU-programma's.
Voor de zomer zal de Kamer nader per brief over de nationale aanpak voor de versterking van het nucleaire ecosysteem worden geïnformeerd.
Heeft u er kennis van genomen dat de EC de regels tevens wil versimpelen zodat nieuwe nucleaire technologieën sneller getest en opgeschaald kunnen worden? Welke nationale regels en/of procedures vormen momenteel de grootste belemmeringen in Nederland?
Nederland heeft een zorgvuldig doordacht kader voor de bouw en inpassing van kerncentrales. Dit kader is gericht op veiligheid, participatie en het waarborgen van een goede ruimtelijke inpassing en biedt ruimte voor innovatieve technologieën. De handreiking voor het Veilig Ontwerp en veilig Bedrijven van Kernreactoren (VOBK) is afgelopen jaar door de ANVS geactualiseerd, met als voornaamste stappen het beter harmoniseren met internationale richtlijnen en het toepasbaar maken op meer innovatieve technieken. Dit is behulpzaam voor SMR’s en internationale techniekleveranciers.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de aanpassingen van het EU staatssteunkader3 dat lidstaten meer ruimte geeft om nationale industrieën financieel te ondersteunen bij energie- en duurzaamheidsinvesteringen.
Hoe verlopen de gesprekken met bedrijven die geïnteresseerd zijn in de ontwikkeling of bouw van SMR’s in Nederland? Hoe kan de rol van de overheid bij het faciliteren van deze projecten worden versterkt?
Het kabinet is in contact met ontwikkelaars en partijen die geïnteresseerd zijn in de bouw van SMR's en heeft eerder in kaart gebracht wat zij nodig hebben voor verdere ontwikkeling. Naar aanleiding van deze gesprekken is het kabinet tot de conclusie gekomen dat ondersteuning op dit moment vooral gewenst is voor vroege haalbaarheidsstudies of vergunbaarheidsanalyses. Het kabinet zal met de SMR-strategie tot € 20 miljoen beschikbaar maken voor concrete initiatieven om hiermee de haalbaarheidsstudies en vergunbaarheidsanalyses te ondersteunen. Het kabinet is blijvend in gesprek met bedrijven en zal een marktconsultatie starten om inzicht te krijgen in de huidige status van initiatieven in Nederland om hiermee het financieringsinstrument (voor de genoemde € 20 miljoen) in te kunnen richten. Aanvullend verkent de marktconsultatie financieringsmogelijkheden voor latere fasen van private SMR-projecten, zoals bouw en exploitatie.
Wat kan het kabinet doen om de realisatie van nieuwe kerncentrales in Nederland verder te versnellen?
Het kabinet heeft voortdurend de mogelijkheden voor versnelling voor ogen, uiteraard met inachtneming van de risico's en kosten die hiermee gemoeid zijn. In de voortgangsbrief nieuwbouw kernenergie van mei en oktober4 jl. is ingegaan op versnellingsopties. Het kabinet zal u voor de zomer een volgende voortgangsbrief sturen.
Hoe zorgt het kabinet ervoor dat Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen maximaal kunnen profiteren van de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland, bijvoorbeeld via betrokkenheid in de toeleveringsketen en kennisontwikkeling?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe bereidt het kabinet Nederland voor op een mogelijke rol als exporteur van nucleaire technologie, kennis en diensten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Hoe gaat Nederland zich in Europees verband inzetten om de ontwikkeling van kernenergie en innovatieve nucleaire technologieën verder te versnellen, zodat Europa minder afhankelijk wordt van fossiele energie-importen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de ontwikkeling van kernenergie en SMR's binnen de Europese Unie. Nederland heeft een actieve rol binnen de Nucleaire Alliantie en binnen de SMR Industriële Alliantie. Daarnaast heeft het kabinet bilateraal contact met verschillende landen in Europa om synergiën op te zoeken. Het kabinet blijft zich binnen en buiten de genoemde gremia inzetten voor het ondersteunen en versnellen van de uitrol van kernenergie.
De impact van de EU Methane Emissions Regulation op de leveringszekerheid van aardgas |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «EU Methane Emissions Regulation – Analysis of Market Impacts»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u, mede in het licht van de huidige instabiele geopolitieke situatie en het belang van leveringszekerheid, de bevindingen uit het rapport dat door de importvereisten volgend uit de Europese Methane Regulation vanaf 2027 mogelijk tot 43% van de huidige gasimport van de EU (circa 114 bcm) en 87% van de ruwe olie niet meer aan de regelgeving voldoet en daarmee niet geïmporteerd kan worden?
Ik neem deze zorgen serieus en ik ben hierover in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders. Uiteraard onderschrijf ik daarbij het belang van voorzieningszekerheid en is het van het grootste belang dat Nederland genoeg gas en olie heeft om in de behoefte van onze huishoudens en bedrijven te voorzien, ook aangezien tijdens de transitie deze nog geruime tijd essentieel zijn.
Hoe beoordeelt u het risico dat deze regelgeving daardoor zal leiden tot een aanbodtekort aan aardgas in Europa, aangezien het rapport concludeert dat de hoeveelheid gas die aan de EU-eisen voldoet mogelijk lager is dan de Europese vraag vanaf 2027?
De methaanverordening bevat geen importbeperking, maar het valt niet uit te sluiten dat de gestelde rapportage- en onderzoeksverplichtingen een beperkend effect kunnen hebben. Dit risico wordt op Europees niveau aangekaart, aangezien de eisen die volgen uit de verordening en een eventuele oplossing dus ook op dat niveau gezocht moet worden.
Overigens kent de verordening een clausule die het risico op een aanbodtekort reeds zou kunnen mitigeren. De verordening bepaalt namelijk dat bevoegde instanties bepaalde sancties alleen kunnen opleggen bij overtreding van bepaalde artikelen, waaronder deze importverplichtingen, als die de energievoorzieningszekerheid niet in gevaar brengen.2
Deelt u de zorg uit het rapport dat een door regelgeving veroorzaakt aanbodtekort kan leiden tot sterk stijgende gasprijzen en mogelijke vraagvernietiging, met gevolgen voor huishoudens, elektriciteitsproductie en energie-intensieve industrieën?
De verordening kent een clausule die het risico op een aanbodtekort kan mitigeren, zoals ik ook bij het antwoord op vraag 3 heb aangegeven.
De verordening erkent verder dat de naleving van de verplichtingen uit deze verordening waarschijnlijk investeringen vereist. De verordening bepaalt echter ook dat de noodzakelijke kosten hiervoor geen disproportionele financiële last voor eindgebruikers en consumenten mogen meebrengen.3
De kosten van de verordening moeten daarbij worden afgewogen tegen de baten. Het recent gepubliceerde rapport, waar in vraag 1 naar wordt verwezen, laat de potentiële klimaatwinst zien die behaald kan worden door de inzet op methaanreductie wereldwijd, zolang de vraag naar olie, aardgas en steenkolen nodig blijft in de transitie naar schone energie. Methaan is één van de krachtigste broeikasgassen. De methaanverordening is één van de maatregelen van het Fit for 55-wetgevingspakket om de Europese reductiedoelstellingen van broeikasgasemissies in de energiesector tot stand te brengen.
Welke mogelijkheden ziet het u om bij de verdere implementatie van de Europese Methaanverordening te voorkomen dat de leveringszekerheid van aardgas in gevaar komt, bijvoorbeeld door aanpassingen in de eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs? In hoeverre zijn dergelijke aanpassingen volgens u wenselijk en mogelijk?
De eisen rond monitoring, rapportage en verificatie voor importeurs volgen rechtstreeks uit de Europese verordening. Aanpassing van deze eisen is op nationaal niveau niet mogelijk. Voor het volledige antwoord op deze vraag verwijs ik verder naar het antwoord op vraag 6.
In hoeverre en onder welke voorwaarden bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een pragmatische implementatie of gerichte aanpassing van de regelgeving, zoals in het rapport wordt voorgesteld, om verstoringen van de Europese gas- en olievoorziening te voorkomen?
Ik zet mij hier reeds voor in. De eisen zijn zoals hiervoor aangegeven opgenomen in de Europese methaanverordening en daar moet ook de oplossing in worden gezocht. Uw Kamer is op 18 februari jl. door mijn voorganger over de implementatie van de verordening en de aandachtspunten hierbij geïnformeerd4. Deze aandachtspunten zien ook op de monitoring-, rapportage- en verificatiemaatregelen die per 1 januari 2027 ingaan. Nederland wijst in de gesprekken met de Europese Commissie voortdurend op knelpunten die worden ervaren bij de uitvoering van de verordening en zoekt daarbij samen met de Commissie ook naar praktische oplossingen. Een brede groep landen deelt deze zorgen. Het kabinet is hierover eveneens in gesprek met het bedrijfsleven en toezichthouders.
Eventuele aanpassing van de regelgeving is niet aan een lidstaat en dus ook niet aan het kabinet. Daarover moet de Europese Commissie zich een oordeel over vormen. Gezien de huidige situatie in het Midden-Oosten zijn de knelpunten die zich voordoen bij de implementatie van de methaanverordening nog urgenter geworden. Ik breng deze knelpunten daarom opnieuw onder de aandacht van de Commissie met de vraag om een oplossing die rekening houdt met de geuite zorgen en de recente ontwikkelingen.
De brief van 117 economen betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland |
|
Ines Kostić (PvdD), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend de brief van 117 economen, waaronder 80 hoogleraren, betreffende de economische beoordeling maatwerkafspraken met Tata Steel Nederland?1
Ja.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de businesscase voor staalproductie in Nederland ontbreekt en dat zonder structurele winstgevendheid Tata Steel opnieuw om publieke steun zal vragen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Het doel van de maatwerkafspraak met Tata Steel is juist ook, naast de versnelde realisatie van schonere en groenere staalproductie in de IJmond, juist ook om een duurzaam verdienmodel te realiseren. Er moet zicht zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij is bij de maatwerkaanpak sprake van een wederkerig traject: het gaat om een grote investering van Tata Steel Nederland (TSN) en moederbedrijf Tata Steel Limited (TSL) zelf in de verduurzaming en het schoner maken van de productie, ondersteund vanuit de staat. Het bedrijf en moederbedrijf zullen niet investeren zonder zicht op een lange termijn verdienmodel.
De businesscase van het bedrijf doorlopend uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de Europese Commissie (EC).2 Naast de beleidsmatige toets of het verantwoord is om steun te verlenen aan een specifiek bedrijf zijn er ook strenge voorwaarden verbonden aan een subsidie die verleend wordt door de overheid. Zo geldt op basis van de Europese regels voor staatssteun voor verduurzaming dat steun niet ingezet mag worden om een verlieslatend bedrijf overeind te houden. De EC toetst hier op. Verder biedt de maatwerkafspraak ook de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, wat bij de huidige uitwerking van de maatwerkafspraak de aandacht heeft.
Deelt u de mening van de 117 economen dat wanneer het geld in Tata Steel wordt gestoken, er een reel risico is dat dit publieke geld verloren zal gaan omdat Tata Steel onvoldoende winstgevendheid heeft? Zo nee, kunt u toegelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangeven, wordt de businesscase uitvoerig getoetst door de staat, de financieel adviseur van de staat en de EC. Uitgangspunt hierbij is dat er zicht moet zijn op winstgevendheid van de onderneming, voordat een eventuele subsidie toegekend wordt. Daarbij zijn het bedrijf en moederbedrijf zelf ook voornemens een grote investering te doen. Dit geeft vertrouwen dat er ook na de transitie een winstgevende onderneming bestaat.
Het kabinet erkent dat er aan elke grote investering risico’s verbonden zijn. Als de investering risicovrij zou zijn, was steun vanuit de staat waarschijnlijk niet nodig geweest. Risico’s en onzekerheden zijn inherent aan de transitie. De maatwerkafspraak biedt de mogelijkheid voor de overheid om afspraken te maken over de beheersing van mogelijke risico’s, bijvoorbeeld door afspraken te maken over financiële garanties en clawback-mechanismen.
Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het scenario waarin de staat niks doet ook grote nadelige gevolgen kent. De huidige situatie is niet houdbaar en onwenselijk gezien de impact van de staalproductie op het klimaat en de gezondheid van omwonenden. Op basis van de adviezen van externe adviseurs Wijers en Blom3, de Expertgroep Gezondheid IJmond (Expertgroep)4 en de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI)5 is besloten om in te (blijven) zetten op een maatwerkafspraak met TSN omdat dit de snelste en effectiefste route is naar verduurzaming en verbetering van de gezondheid en leefomgeving.
Er wordt op dit moment nog nergens in de wereld op grote schaal groen staal geproduceerd. Zolang wij als samenleving staal blijven gebruiken, hebben we ook een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het verduurzamen van de productie daarvan. Als we dit niet doen, zal dit betekenen dat we nog langdurig gebruik maken van grijs staal. De maatwerkafspraak met TSN maakt het mogelijk om in Nederland groen staal te kunnen produceren; dit zal een economische en strategische meerwaarde hebben voor Nederland en Europa. Tot slot draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de afhankelijkheid van landen buiten Europa.
Deelt de Minister de mening van de 117 economen dat de investeringen in Tata Steel investeringen in industrieën met hogere maatschappelijke opbrengsten verdringen omdat we te maken hebben met schaarse arbeid, energie en ruimte? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De onderliggende suggestie uit de vraag dat de schaarse arbeid, energie en ruimte vraagt om het maken van keuzes, deel ik. De aanname dat al deze productiemiddelen zonder enige frictie elders in de economie ingezet kunnen worden, is echter een te simpele weergave van de werkelijkheid. Daarbij leren eerdere ervaringen, bijvoorbeeld uit Limburg, ons dat het verdwijnen van grote industrie nog decennialang kan doorwerken in de sociaaleconomische structuur.
Het kabinet heeft de keuze gemaakt om in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN en daarmee het realiseren van groenere, schonere en meer circulaire staalproductie in de IJmond.
Het kabinet heeft oog voor de maatschappelijke opbrengsten van verschillende industrieën. Onderdeel van deze maatschappelijke opbrengsten zijn ook weerbaarheid en zelfvoorzienendheid, zelf staal kunnen produceren draagt hieraan bij. Deze publieke waarden zijn de afgelopen jaren steeds belangrijker geworden in de nationale en vooral ook Europese context als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen die kwetsbare schakels in mondiale aanvoerlijnen hebben blootgelegd. Daarbij is staal extra relevant (maar ook brandstoffen en chemieproducten), omdat dit product deel uitmaakt van defensie-gerelateerde productieketens. Uit het onderzoek van Wijers en Blom is gebleken dat TSN binnen Europa een gunstige uitgangspositie heeft voor verduurzaming.
Basisindustrie is inherent energie-intensief, overal ter wereld. Zolang we deze producten gebruiken acht het kabinet het niet verstandig om voor onze consumptie (volledig) te leunen op productie in andere landen. Bovendien zou dat voorlopig neerkomen op weglek van productie, waarschijnlijk naar plekken waar staalproductie gepaard gaat met een relatief grotere klimaat- en milieu-impact dan in Nederland.6 Met de maatwerkafspraak met TSN kunnen we belangrijke stappen zetten op verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Zoals ook in het vorige antwoord aangegeven draagt een groenere, schonere staalindustrie ook bij aan het concurrentievermogen en onze weerbaarheid.
Bent u bereid een plan B te onderzoeken voor het gebied, de ontwikkeling van maakindustrie, huizen, energieopwek (windmolens) en natuur?
Zoals ook in het antwoord op vergelijkbare vragen is aangegeven, is het kabinet hier niet toe bereid, omdat eerder al uitvoerig naar alternatieven gekeken is.7 In een eerder stadium zijn diverse scenario’s, waaronder een scenario waarin TSN sluit, door Wijers en Blom onderzocht en door het kabinet gewogen.8 Het is de prioriteit van dit kabinet om TSN te verduurzamen en om de gezondheidssituatie voor omwonenden in de IJmond zo snel mogelijk te verbeteren. Dat doet het kabinet door in te zetten op een maatwerkafspraak met TSN: dat is de snelste en effectiefste manier om, met de beschikbare middelen, de gezondheidsrisico's (flink) te verminderen en tot verduurzaming te komen. Daarbij draagt de eigen productie van staal bij aan onze weerbaarheid en het verminderen van de strategische importafhankelijkheid van Europa. Daarom is het niet opportuun om nu opnieuw onderzoek te doen naar (de potentie van) deze alternatieve denkrichtingen.
In het rapport van Wijers en Blom werd de sluitingsroute als ongunstig beoordeeld, met zeer hoge financiële (juist ook voor de staat) en uitvoeringsrisico’s. Het kabinet kiest, mede gelet op de economische en strategische waarde, voor behoud van staalproductie in de IJmond. Om die reden wordt de sluitingsroute niet verder uitgewerkt.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de maatwerkafspraken met Tata Steel de markt verstoren en staatsteunrechtelijk kwetsbaar zijn, aangezien de plannen om volledig te verduurzamen (2045) niet verder gaan dan huidige Europese wetgeving (EU ETS die afloopt in 2040)? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. De Nederlandse staat mag alleen staatssteun verlenen als wordt voldaan aan de voorwaarden van het toepasselijke Europese staatssteunkader, in dit geval de Guidelines on State aid for Climate, Environmental Protection and Energy (CEEAG). De EC toetst hierbij onder meer of de Nederlandse staat alleen maatregelen steunt die verder gaan dan Unienormen, alleen steun verstrekt die geschikt, proportioneel en niet marktverstorend is en geen steun verleent aan een onderneming die in financiële moeilijkheden verkeert. De beoogde steunmaatregel wordt zo vormgegeven dat aan de voorwaarden en verplichtingen uit het CEEAG-kader wordt voldaan. Hierover vinden ook gesprekken plaats met de EC in het kader van de prenotificatiefase van deze steunmaatregel. De EC moet de uiteindelijke steunmaatregel beoordelen en zal de voorgestelde maatregel toetsen aan de hand van het CEEAG kader. De steun mag niet worden verleend zonder dat de EC deze heeft beoordeeld en goedgekeurd. Daarbij wordt opgemerkt dat het kabinet met verduurzamingssubsidies, zoals de maatwerksubsidies en ook de SDE++, juist beoogt om gedrag van bedrijven bij te sturen, in het publieke belang van een verduurzaming van de industrie en hele economie. De subsidie moet daarom worden afgezet tegen andere verduurzamingssubsidies, en niet tegen andersoortig beleid met andere doelstellingen.
Het ETS is een handelssysteem met een emissieplafond dat afloopt. Het feit dat er geen gratis rechten meer worden uitgekeerd betekent niet dat een bedrijf geen CO2 meer uit kan stoten. Zo kunnen rechten worden gekocht of overgehouden rechten van eerdere jaren worden meegenomen en later ingezet. Het ETS is een prikkel om CO2 te reduceren en zorgt ervoor dat er geen nieuwe rechten meer worden uitgegeven na 2039. Daarbij is het ETS alleen onvoldoende om tot investeringen in verduurzaming te leiden, zoals te zien is in de populariteit van de SDE++ en steunmaatregelen voor de industrie die buurlanden nemen. Ook andere Europese landen, waaronder België, Duitsland en Frankrijk, geven steun om hun staalproducenten te helpen met verduurzamen. Zoals door de AMVI geconcludeerd is het beoogde steunbedrag voor de verduurzaming van TSN laag ten opzichte van de steun die andere landen aan hun staalindustrie geven en ook zeer kosteneffectief.9
Deelt u de mening van de 117 economen dat medewerkers van Tata Steel waardevolle technische ervaring hebben die, met gerichte omscholing, inzetbaar kunnen zijn in sectoren met acute tekorten voor bijvoorbeeld de installaties van warmtepompen? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De waardevolle technische kennis en ervaring van de medewerkers van TSN en het belang hiervan voor de energietransitie, onderschrijf ik. De medewerkers van TSN zijn een van de drijfveren van deze transitie: het plan is vroeg op tafel gelegd door de vakbonden en de werknemers zijn hard nodig om het project uiteindelijk uit te voeren. Mede dankzij het technisch geschoolde personeel kan TSN een belangrijke bijdrage leveren aan de innovatiekracht van Nederland en behoort TSN tot de Top 30 R&D bedrijven in Nederland.10 TSN draagt met haar eigen MBO opleiding ook bij aan het opleiden van technisch geschoold personeel.11
Gelet op het aantal vacatures in de techniek zal een deel van de werknemers bij een eventuele sluiting van het bedrijf elders werk kunnen vinden. Desalniettemin zal de impact op de regio groot zijn. Daarnaast is het omscholen van werknemers minder eenvoudig dan het met een macro-economische bril lijkt. Ook uit gesprekken die het kabinet voert met regionale belanghebbenden, waaronder werkgever- en werknemersorganisaties zoals de FNV, blijkt dat het lastig is om personeel in de regio naar ander werk te begeleiden met een vergelijkbaar inkomens- en kennisniveau.
Deelt u de mening van de 117 economen dat de gezondheid van omwonenden onvoldoende wordt geborgd en hierdoor staatsteun economisch onverdedigbaar is en juridisch kwetsbaar? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Om de impact van het bedrijf op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden zo snel en ver mogelijk te reduceren zijn de meest kosteneffectieve maatregelen geselecteerd, waarmee de grootste reductie kan worden bereikt met de beschikbare middelen. Deze maatregelen leiden tot een forse reductie van de uitstoot van schadelijke stoffen en dragen daarmee bij aan de vermindering van de impact op de leefomgeving en gezondheid van omwonenden. De juridische borging van het behalen van de gezondheidsdoelen wordt nu uitgewerkt en opgenomen in de maatwerkafspraak.
Wat betreft de economische verdedigbaarheid en juridische kwetsbaarheid van de staatssteun, geldt dat de steun binnen een Europees steunkader moet passen en dat alleen maatregelen die verder gaan dan Unienormen in aanmerking komen voor steun. De staat en de EC zien hier streng op toe. Voor de milieumaatregelen specifiek is een juridische analyse gemaakt door de Landsadvocaat, hieruit volgt dat de voorgestelde milieumaatregelen op dit moment niet wettelijk afdwingbaar en dus bovenwettelijk zijn.12 Deze juridische analyse is samen met de JLoI met de Kamer gedeeld. De maatwerkafspraken zijn naar de overtuiging van het kabinet de snelste weg om tot verbetering te komen van de leefomgeving en gezondheid van omwonenden.
In het licht van de opmerking in de brief over de kooksgasfabrieken (KGF's) is het nog relevant op te merken dat de maatwerkaanpak alleen ziet op bovenwettelijke maatregelen. Op 19 december 2024 is door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) een aanzeggingsbesluit genomen en openbaar gemaakt. Vanwege de handhavingsstappen van de OD NZKG is dit onderdeel in het wettelijke traject terecht gekomen en kan op dit moment daarom geen steun worden verleend voor vervroegde sluiting van KGF2. De maatwerksteun is voor de bouw van de nieuwe groenere en schonere installaties.
Deelt u de mening van de 117 economen dat Tata Steel geen cruciale schakel is in Nederlands hoogwaardige maakindustrie? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
De economen stellen dat TSN geen cruciale schakel is in de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie omdat TSN veel staal exporteert. Dat TSN veel staal exporteert is juist een teken van concurrentiekracht. De Nederlandse industrie is grotendeels gericht op export en opereert in grote mate in een Europese context. TSN exporteert twee derde van de productie binnen Europa en draagt daarmee bij aan het verkleinen van de strategische importafhankelijkheid van Europa voor verschillende sectoren, waaronder de maakindustrie, zoals de automotive- en batterijensector. Zoals de economen terecht betogen, moet strategische autonomie altijd in een Europese context worden bezien. De activiteiten van TSN zorgen daarnaast voor veel omliggende bedrijvigheid in de regio en bij ketenpartners in verschillende sectoren13. De verduurzaming van TSN is een groot innovatief project en biedt ook kansen voor de regio en de Nederlandse economie.14
Deelt u de mening van de 117 economen dat strategische autonomie vereist dat we staalproductie in Europa hebben, maar dat in Nederland staal blijven produceren economisch juist irrationeel is? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Op dit moment is er in Europa voldoende staalproductie. Maar, zoals in het antwoord op vraag 3 ook aangegeven wordt voorlopig nog nergens in de wereld op commerciële schaal groen staal geproduceerd, onder meer door gebrek aan productie van (betaalbare) groene waterstof. In de Trajectverkenning Klimaatneutraal 2050 geeft PBL aan dat dit betekent dat import van onder andere groen staal naar Nederland voor 2050 niet erg waarschijnlijk is.15 Het opbouwen van nieuwe groene productiecapaciteit kost tijd en geld. Wijers en Blom16 gaven al aan dat het inderdaad zo is dat zon- en windenergie elders in Europa goedkoper kunnen zijn, maar er zijn ook studies die aangeven dat deze verschillen nog erg onzeker zijn17 en in de toekomst ook weer kleiner kunnen worden.18 Ook hebben zij in beeld gebracht dat Nederland juist een relatief logische plek is binnen Europa voor een staalfabriek. Daarnaast lopen ook nieuwe projecten, bijvoorbeeld in Zweden en Spanje, tegen vertraging en problemen aan, bijvoorbeeld met draagvlak voor de nieuwe fabrieken vanwege impact op de omgeving, de versterking van het elektriciteitsnet, infrastructuur, beschikbaarheid van water en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van groene waterstof, zoals een aantal andere economen in reactie op het ESB artikel ook beschreven.19, 20, 21 Daarbij is TSN gunstig gelegen ten opzichte van hernieuwbare energiebronnen (groene stroom uit wind op zee) en kan TSN gebruik maken van bestaande logistieke infrastructuur en de ligging aan zee, wat een concurrentievoordeel oplevert ten opzichte van de geheel nieuwe productielocaties.22
Vóór 2050 zal er naar verwachting geen substantiële groene staalproductie elders in Europa zijn die de productie van TSN kan vervangen. Het kabinet kiest ervoor om daar niet op te wachten en onze verantwoordelijkheid te nemen door in te zetten op een maatwerkafspraak om in Nederland groener en schonere staal te kunnen produceren.
Deelt u de mening van de 117 economen dat het gezien de feiten die voorliggen, het nu (economisch) verstandiger is om de stekker uit de Joint Letter of Intent te halen dan ermee door te gaan? Zo nee, kunt u toelichten op welke wetenschappelijke bronnen u dit standpunt baseert?
Nee. Zoals eerder in de beantwoording aangegeven wil het kabinet verantwoordelijkheid nemen en hier groenere en schonere staalproductie realiseren middels een maatwerkafspraak met TSN om zo onder andere bij te dragen aan ons toekomstige verdienvermogen en onze weerbaarheid en zelfvoorzienendheid te versterken, naast de doelen van verduurzaming en verbetering van de leefomgeving.
Kunt u de vragen één voor één en in alle volledigheid beantwoorden?
Ja.
Kunt u de vragen beantwoorden voorafgaand aan het debat over de Joint Letter of Intent met Tata Steel?
Ja.
Windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat Nederland het enige EU-land is dat jaargemiddelde geluidsnormen voor windturbines hanteert, terwijl landen als Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk korte-termijnnormen gebruiken (variërend van per uur tot per 10 minuten)?
De EU schrijft niet voor welke geluidmaat gebruikt moet worden voor normering, lidstaten kunnen hierin eigen keuzes maken. Er is geen uniforme benadering van de geluidnormen voor windturbines en er zijn veel verschillen tussen landen. In Europa hanteren Nederland – als enige EU-land – en Noorwegen een jaargemiddelde geluidnorm voor windturbines. De verschillen berusten vooral op vertrouwdheid met bepaalde maten, maar hebben op zichzelf geen consequenties voor de bescherming, aangezien deze wordt bepaald door de hoogte van de norm.
Waarom wijkt Nederland af van deze internationale praktijk van kortere beoordelingsperioden, vooral gezien het feit dat gezondheidseffecten zoals slaapverstoring juist samenhangen met piekgeluiden en niet met jaargemiddelden?
Met het gebruik van een jaargemiddelde geluidmaat wordt juist rekening gehouden met de effecten op de gezondheid van omwonenden. Hiermee wordt aangesloten bij de advieswaarden voor omgevingsgeluid van de WHO en bij de uit wetenschappelijk onderzoek beschikbare hinderrelaties. Het plan-MER laat zien dat een jaargemiddelde norm in de praktijk ook het maximaal optredende geluidsniveau van een windturbine begrenst en bovendien ook de tijdsduur begrenst dat het geluid maximaal mag zijn.
Kunt u bevestigen dat de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit-procedure (LOWI) heeft verklaard dat de RIVM-factsheet over windturbinegeluid «niet gelezen kan worden als de laatste stand van de wetenschap», maar slechts een «weergave van beleidsonderbouwing» is? Zo ja, hoe kan dit vervolgens de basis vormen voor gemeentelijke en provinciale besluitvorming?
Nee. Deze RIVM-factsheet geeft een overzicht van wat op het moment van opstellen (2021) bekend was over gezondheidseffecten van geluid van windturbines. De uitspraak van de DG-RIVM had betrekking op één passage in deze factsheet, namelijk over de gebruikte blootstelling-responsrelatie. Deze blootstelling-responsrelatie is destijds gekozen als onderbouwing van het Nederlandse beleid. De uitspraak ging niet over de hele factsheet.
Bent u bereid de gezondheidskundige basis van de normen te actualiseren op basis van recentere buitenlandse onderzoeken, zoals de Duitse dose-effect relatie (2022), die wel met feitelijke metingen is gevalideerd?
Het vaststellen van de milieunormen doorloopt het reguliere besluitvormingsproces van een algemene maatregel van bestuur. Bij de keuzes die ten grondslag liggen aan de nieuwe concept-windturbinenormen spelen de conclusies uit het plan-MER een belangrijke rol. In het plan-MER is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Indien na vaststelling van de AMvB, recent gepubliceerd onderzoek aantoont dat het beeld over hinder wezenlijk wijzigt, kan dit aanleiding vormen om dit proces opnieuw te doorlopen.
Hoe beoordeelt u de berekening1 dat bij Level day-evening-night (Lden) 45 decibel (dB) circa 40% van de omwonenden ernstige hinder ervaart? Bent u bereid een wetenschappelijke toets uit te laten voeren op deze berekening?
Het RIVM voert momenteel een blootstelling-responsonderzoek uit naar de relatie tussen windturbinegeluid en hinder en slaapverstoring in de Nederlandse context. Het gaat daarbij, net als in het Duitse onderzoek, om de kans op ernstige hinder bij een bepaalde blootstelling, niet om het percentage van alle omwonenden van een windpark dat naar verwachting ernstige hinder ervaart. Wanneer de resultaten van het Nederlandse onderzoek van het RIVM beschikbaar komen, zal het RIVM deze op een zorgvuldige manier naast eerdere bevindingen leggen, waaronder die van het Duitse onderzoek. De resultaten worden eind 2026 verwacht en de Kamer zal over de rapportage van het RIVM geïnformeerd worden.
Bent u bereid onafhankelijk veldonderzoek te laten uitvoeren naar de verspreiding van PFAS, BPA en andere schadelijke stoffen afkomstig van slijtage van windturbinebladen, zoals nu door meerdere experts wordt aanbevolen?
Nee. Primair is het aan het bevoegd gezag om voorwaarden te stellen ter voorkoming van schade aan gezondheid of milieu en daarop te handhaven. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat slijtage van windturbinebladen een bedreiging vormt voor gezondheid en milieu. Eerder onderzoek gaf aan dat de emissies marginaal zijn2 Daarom is er nu geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten doen.
Kunt u uitleggen waarom het voorzorgsprincipe niet wordt toegepast zolang er geen duidelijkheid is over zowel chemische emissies als mogelijke effecten van infra- en laagfrequent geluid?
Het voorzorgsprincipe houdt in dat bij serieuze indicaties van risico’s voor gezondheid of milieu, vooruitlopend op definitief bewijs, maatregelen getroffen worden ter voorkoming van die schade. In dit geval zijn dergelijke indicaties niet beschikbaar, noch voor chemische emissies, noch voor infra- en laagfrequent geluid. Het voorzorgsprincipe is bijvoorbeeld wel toegepast bij het gebruik van blusschuim en bestrijdingsmiddelen die significante bronnen zijn van PFAS-emissies naar het milieu.
Kunt u bevestigen dat volgens het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) de directe elektriciteitsvraag van 2050 (273 terawattuur (TWh)) volledig kan worden gedekt door wind op zee, zon en kernenergie, ook zonder extra wind op land? (NPE-cijfers: 315 TWh wind op zee, 135 TWh zon, 56 TWh kernenergie)
Nee. Naast de directe elektriciteitsvraag moet ook de vraag voor elektrolyse worden meegenomen. Daarnaast moet het aanbod en vraag ook in de tijd met elkaar worden afgestemd, wat vraagt om een bepaalde mate van overdimensionering. In de geplande actualisatie van het NPE is zij voornemens om de bijgewerkte cijfers van het verwachte CO2-vrije elektriciteitsaanbod uit kernenergie, windenergie op land, windenergie op zee en zon-PV op basis van de bijgestelde vraag te schetsen. Zij is van plan om hier ook o.a. de veranderende kosten voor waterstof in mee te nemen.
Waarom handhaaft het NPE dan een doorgroeiambitie van 29 TWh extra wind op land, terwijl uit de beantwoording van eerdere Kamervragen blijkt dat de waterstofgerelateerde vraag in Nederland waarschijnlijk grotendeels goedkoper via import wordt ingevuld?
Windenergie op land wordt niet gebruikt om te voldoen aan de waterstofgerelateerde vraag. Windenergie op land is nodig om woningbouw, bedrijvigheid en mobiliteit mogelijk te maken. Het is namelijk met zon-PV de meest kosteneffectieve manier om hernieuwbare energie op te wekken. Het draagt bij aan de diversificatie van het opwekportfolio in Nederland en op die manier aan meer energieonafhankelijkheid. Ook kan windenergie op land dichter bij de vraag en dus netefficiënt worden ingepast, en daarmee bijdragen aan het verminderen van netcongestie. Een goede inpassing van windenergie op land en betrokkenheid van omwonenden is van belang. Windenergie op land is daarom essentieel voor een betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam energiesysteem, naast windenergie op zee, zon-PV en kernenergie.
In de actualisatie van het NPE is de Minister van KGG van plan om o.a. in te gaan op een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land richting 2040. Ook is zij van plan om in te gaan op de relatie met waterstofproductie en -import in Nederland.
Kunt u bevestigen dat maatschappelijke kosten zoals slaapverstoring, stress, zorgkosten, uitval op werk en school, woningwaardedaling en leefomgevingsschade niet worden meegenomen in de huidige maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba) en systeemverkenningen voor het energiesysteem?
Om de beleidsinzet voor de energietransitie te bepalen worden verschillende perspectieven en systeemanalyses meegenomen. Er is niet één MKBA die hieraan ten grondslag ligt. Het RIVM doet in opdracht van EZK uitgebreid onderzoek naar gezondheidseffecten, zoals slaapverstoring en stress, waarvan de resultaten worden meegewogen in beleid, zoals de milieunormen voor windturbines. Het kabinet neemt deze inzichten mee in de beleidskeuzes, net als andere inzichten over de impact op leefomgeving zoals bijvoorbeeld ruimtegebruik. In het NPE wordt op nationaal niveau bepaald wat de beleidsinzet is voor de energietransitie. De Minister van KGG zal een geactualiseerd NPE rond de zomer naar de Kamer sturen. De vertaling naar de regio’s gebeurt in samenwerking met de decentrale overheden. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar het kostenperspectief, maar ook naar de impact op de leefomgeving en ruimtelijke inpassing. Indien nodig wordt op basis daarvan het landelijke beeld in het NPE weer bijgesteld.
Bent u bereid een integrale mkba uit te voeren waarin wind op land, wind op zee, kernenergie en import in verschillende scenario’s worden vergeleken, zodat de politiek een transparante keuze kan maken?
De Minister van KGG ziet geen meerwaarde in een aparte nationale MKBA. De impact op de leefomgeving van verschillende energieoplossingen wordt al onderzocht en meegewogen. Bovendien is de impact erg afhankelijk van specifieke locaties, waardoor een generieke MKBA op nationaal niveau weinig meerwaarde heeft voor besluiten in de regio.
Kunt u bevestigen dat wind op land vanwege de lagere vollasturen en grotere fluctuaties een ongunstiger productieprofiel heeft dan wind op zee, waardoor in de praktijk meer bijstook in gascentrales nodig is? Zo nee, kunt u dit onderbouwen met historische productiedata?
Windenergie op land heeft een lagere capaciteitsfactor dan windenergie op zee, en daardoor wordt er per geïnstalleerd vermogen minder energie opgewekt. Tegelijkertijd zijn de kosten van windenergie op land significant lager dan die van windenergie op zee. Windenergie op land en windenergie op zee zijn nodig om ook 's nachts elektriciteit op te wekken en sluiten goed aan bij het opwekprofiel van zon-PV. Op dit moment zijn er periodes waarop de zon niet schijnt en de wind niet waait. Op deze momenten zijn er andere bronnen nodig, zoals gas- of kerncentrales of flexibele oplossingen.
Bent u bereid dit CO2-verschil structureel te laten doorrekenen door Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) of TNO, zodat de klimaatimpact van extra wind op land objectief beoordeeld kan worden?
Nee. Het CO2-reductiepotentieel van de verschillende klimaattechnieken zoals windenergie op land en windenergie op zee wordt al door PBL doorgerekend om de maximale subsidiebedragen vast te stellen voor de Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++), Tijdelijk Ondersteuningsmechanisme Windenergie Op Zee (TOWOZ) en in de toekomst ook voor de tweerichtingscontracten voor zonne- en windenergie. Daaruit komt een objectieve maatstaf om de emissiereductie en kosten per techniek met elkaar te vergelijken: de subsidie-intensiteit (euro/tCO2).
Hoe rijmt u dat in officiële communicatie en in het Klimaatakkoord wordt gesteld dat windmolens «bij voorkeur op zee» moeten worden geplaatst, terwijl tegelijkertijd de ambitie voor wind op land wordt vergroot ondanks het al bereiken van de oorspronkelijke 35 TWh-doelstelling?
In het toekomstige energiesysteem is zowel windenergie op land als windenergie op zee nodig, zoals ook vermeld in het NPE 2023. De 35 TWh-doelstelling is voor 2030, ook daarna blijft de doorgroei van windenergie op land nodig. Daarom is de Minister van KGG van plan om in de actualisatie van het NPE een nieuwe richtwaarde voor windenergie op land op te nemen. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan 20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie en morfologie?
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen, met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages (MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief alle onzekerheden, dus ook deze.
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de omvang van hydrodynamische verstoring?
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten, zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden? Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken binnen Noordzeesamenwerking?
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten, gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen) de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart, mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.