De mogelijke ontmanteling van oceaninsche monitoringsystemen door de Verenigde Staten en de gevolgen voor het AMOC-onderzoek |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Berendsen , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten dat de regering-Trump voornemens is oceanische monitoringssystemen te ontmantelen, waaronder de systemen in de Irminger Zee die van cruciaal belang zijn voor het monitoren van de Atlantische Meridionale Omwentelingsstroming (AMOC)?1
Deelt u de opvatting dat de genoemde monitoringssystemen onmisbaar zijn voor wetenschappelijk onderzoek naar de AMOC, en dat ontmanteling ervan de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van AMOC-voorspellingen ernstig zou ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het voornemen van de Amerikaanse overheid om deze monitoringssystemen te ontmantelen, en wat zijn de consequenties van het stoppen voor Nederland en Europa?
Bent u bereid deze kwestie expliciet aan de orde te stellen in bilaterale contacten met de Verenigde Staten en daarbij de Nederlandse en Europese zorgen over het mogelijke verlies van onvervangbare wetenschappelijke kennis en meetdata kenbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met de uitspraak van NIOZ-directeur Han Dolman dat de Amerikanen op het gebied van dit soort internationale wetenschappelijke projecten «een onbetrouwbare partner zijn geworden», en deelt u deze kwalificatie? Zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de wetenschappelijke samenwerking met de VS op het gebied van klimaatonderzoek? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken of het, in nationaal dan wel Europees verband, mogelijk is financiering beschikbaar te stellen teneinde de continuïteit van deze monitoringssystemen te waarborgen en ontmanteling ervan te voorkomen? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo nee, waarom niet?
Bent u bekend met het feit dat na 2028 nog geen financiering beschikbaar is voor de boeien van het NIOZ, en dat ook in Canada en het Verenigd Koninkrijk onderzoekers naarstig zoeken naar middelen om hun eigen meetnetwerken overeind te houden? Wat doet u om de continuïteit van de Nederlandse bijdrage aan dit mondiale meetnetwerk na 2028 veilig te stellen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en binnen de geldende termijn?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
In de vragen wordt verwezen naar verschillende (vormen van) organisaties die de regering op enigerlei wijze van advies (kunnen) voorzien. Ten behoeve van de beantwoording wordt onderscheid gemaakte tussen deze organisatievormen.
De regering wordt onder meer geadviseerd door onafhankelijke adviescolleges. Op grond van artikel 79 van de Grondwet en de Kaderwet adviescolleges worden vaste adviesorganen van het Rijk die adviseren over wetgeving en beleid, bij wet ingesteld. Adviescolleges kunnen op verzoek van regering of parlement, of ongevraagd, adviseren over beleid en wetgeving op het terrein waarop zij zijn ingesteld. De in de vraagstelling genoemde Wetenschappelijke Klimaatraad en de Nederlandse Sportraad zijn adviescolleges in de zin van de Kaderwet. De adviescolleges onder de Kaderwet die in 2025 actief waren, zijn opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2025.1 Een actueel overzicht van de adviescolleges onder de Kaderwet wordt bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.2
Naast adviescolleges in de zin van de Kaderwet adviescolleges, bestaan er ook onafhankelijke externe commissies. Niet alle externe commissies zijn adviescommissies. Voor zover deze commissies (ook) een adviestaak hebben, adviseren zij de regering onafhankelijk over de uitvoering van bestaand beleid. De lijst van externe commissies wordt zo goed als mogelijk bijgehouden in het Register van Overheidsorganisaties.3 Voor de instelling van externe commissies hanteert het kabinet de Leidraad instellen externe commissies.4
Voor de meeste adviescolleges en -commissies worden begrote uitgaven niet apart op de departementale begroting vermeld. Om tegemoet te komen aan het informatieverzoek uit vragen 1 en 2, zal het kabinet eenmalig een overzicht opstellen met de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving. Dit zijn de adviescolleges onder de Kaderwet adviescolleges en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.5 Er is enige tijd nodig om deze informatie bij de departementen te verzamelen en op een inzichtelijke wijze te kunnen presenteren. Ik zal dit overzicht voor het einde van het derde kwartaal aan de Kamer doen toekomen.
Het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten (Cft), ook genoemd in vraag 1, valt niet onder de reikwijdte van de Kaderwet adviescolleges. De taken, inrichting en werkwijze van het Cft zijn onder meer vastgelegd in de Rijkswet financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten. Het Cft toetst aan de normen zoals opgenomen in de Rijkswet financieel toezicht en adviseert hierover gevraagd en ongevraagd aan de Rijksministerraad. De uitgaven aan het Cft komen ten laste van Hoofdstuk IV Koninkrijksrelaties, artikel 6 (Apparaat) en zijn in de onderstaande tabel weergegeven. De in de tabel opgenomen uitgaven hebben betrekking op de volledige organisatie die de werkzaamheden verricht ten behoeve van het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, het College financieel toezicht BES (Cft BES) en het College Aruba financieel toezicht (CAft). De colleges financieel toezicht hebben als toezichthouder tot doel om met de besturen van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba duurzame overheidsfinanciën te realiseren. Het Cft BES voert zijn taken uit op basis van Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; het CAft doet dit op grond van de Landsverordening Aruba financieel toezicht.
6.063
4.519
4.308
4.735
4.624
4.612
In vragen 1 en 2 wordt daarnaast verwezen naar «non-gouvernementele organisaties». Departementen kunnen aan organisaties die geen onderdeel uitmaken van de Rijksoverheid subsidies verstrekken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. De Kamers worden structureel geïnformeerd over welke subsidies door de departementen verstrekt worden. Op grond van de Rijksbegrotingsvoorschriften6 worden in alle begrotingen per begrotingsartikel in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» de subsidies opgenomen, met een ondergrens van € 1 miljoen.7 In bijlage 3 bij elke begroting, het subsidieoverzicht, wordt een overzicht van alle subsidies voor het betreffende departement opgenomen, zonder budgettaire ondergrens. Hierbij wordt ook het subsidiebedrag tot twee jaar voor en vier jaar na het betreffende begrotingsjaar vermeld. Tevens dient voor elke subsidie het betreffende begrotingsartikel, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie te worden opgenomen. In de vraag wordt specifiek aandacht gevraagd voor het Voedingscentrum. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Ook deze subsidies worden vermeld in de betreffende begrotingen, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Minister van VWS, in antwoord op vragen van leden van uw Kamer, recent aanvullende informatie verstrekt over de subsidies aan het Voedingscentrum.8
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Zie antwoord vraag 1.
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Het is niet mogelijk om specifiek aan te geven of er op enig moment in het afgelopen jaar, op een ministerie, een beleidsvoorstel is aangepast vanwege «informele invloed» van een orgaan dat onder de brede definitie uit de vraagstelling valt. In algemene zin kan ik zeggen dat het kabinet hecht aan een transparant openbaar bestuur. Het kabinet heeft die inzet onder meer beschreven in de beleidsbrief Binnenlandse Zaken.9 Van «formele invloed» van non-gouvernementele organisaties is uiteraard geen sprake.
Hoogwaardige en onafhankelijke advisering van adviescolleges komt de beleidsvorming ten goede en levert een bijdrage aan de kwaliteit en het functioneren van het openbaar bestuur. Het rapport «Deskundige Overheid» van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wijst erop dat een deskundige overheid in staat moet zijn om relevante kennis en kunde binnen het brede kennisecosysteem rond de overheid op een goede manier te betrekken bij de beleidsvorming. Adviezen van adviescolleges, net als andere adviezen die het kabinet ontvangt, kunnen daarmee uiteraard invloed hebben op het beleid. Daar gaat echter altijd een politieke weging aan vooraf. Adviezen zijn, naar hun aard, namelijk niet bindend. De formele kaders van het adviesstelsel zijn erop gericht om transparantie over ontvangen adviezen te bevorderen en het primaat van de politiek te borgen. Artikel 80, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat adviezen van adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving openbaar gemaakt dienen te worden. De Kaderwet adviescolleges verplicht de verantwoordelijk bewindspersoon om binnen drie maanden na ontvangst van een dergelijk advies diens standpunt kenbaar te maken aan de Eerste en Tweede Kamer. Ook de Kamers vragen het kabinet geregeld om te reageren op adviezen van adviescolleges, bijvoorbeeld als de Kamer zelf om het betreffende advies verzocht heeft. Met dit alles wordt richting de Kamers en de samenleving inzichtelijk gemaakt welke adviezen de regering gehad heeft van adviescolleges en hoe de regering met deze adviezen is omgegaan. Het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer. Het is goed te markeren dat het kabinetsbeleid is om geen «adviesverplichtingen» in te voeren, waarbij de regering verplicht is om advies te vragen alvorens zij beleid of wetgeving maakt. Dit is verankerd in de Aanwijzingen voor de regelgeving.10 Voor de instelling van externe commissies, buiten de Kaderwet adviescolleges, geldt de Leidraad instellen externe commissies. Hierbij worden dezelfde uitgangspunten gehanteerd als onder de Kaderwet. Ook daar geldt dat bewindspersonen de Kamers informeren over adviezen van onafhankelijke externe commissies en de reactie van het kabinet op deze adviezen.
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Leden van adviescolleges worden conform de Kaderwet adviescolleges benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het beleidsterrein waarop het adviescollege is ingesteld. Adviescolleges opereren onafhankelijk. Ambtenaren die werkzaam zijn bij een ministerie of een onder het ministerie ressorterende instelling zijn daarom bij wet uitgesloten van het lidmaatschap van een adviescollege dat adviseert op het beleidsterrein waarop de ambtenaar werkzaam is. Ook legt de secretaris van het adviescollege over diens werkzaamheden slechts verantwoording af aan het college. Voor externe adviescommissies worden, conform de Leidraad instellen externe commissies, dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Er is daarnaast wet- en regelgeving omtrent de vergoedingen van leden van adviescolleges- en commissies en de openbaarmaking daarvan. Het kabinet hecht er daarnaast aan dat adviescolleges transparant zijn over nevenfuncties van raadsleden.11
Over non-gouvernementele organisaties kan ik in algemene zin zeggen dat de Kamer via de begrotingen structureel geïnformeerd wordt over welke subsidies worden verstrekt en welke wet- en regelgeving hierop van toepassing is.
Voor subsidies dient in het subsidieoverzicht bij elk begrotingshoofdstuk vermeld te worden ten laste van welk begrotingsartikel een subsidie komt, de grondslag van de subsidie in wet- of regelgeving en de laatst beschikbare evaluatie. Langs die weg wordt inzichtelijk gemaakt welke voorwaarden er aan subsidies gesteld worden.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Zie mijn antwoord op vragen 1 en 2. Adviescolleges kunnen zich, op grond van artikel 19 van de Kaderwet adviescolleges, laten bijstaan door andere personen voor zover dat voor de invulling van hun wettelijke adviestaak noodzakelijk is. Het is passend dat adviescolleges hierin onafhankelijk opereren. Conform de Leidraad instellen externe commissies geldt hetzelfde uitgangspunt voor externe (advies)commissies.
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Het kabinet houdt niet bij hoeveel uren ambtenaren besteden aan dergelijke werkzaamheden. Het is een regulier en integraal onderdeel van het werk van een beleidsdepartement om contact te hebben met partijen die de regering gevraagd of ongevraagd van kennis en advies voorzien, om reacties op deze adviezen voor te bereiden en vervolgens de bewindspersoon te ondersteunen bij het afleggen van verantwoording aan het de Staten-Generaal.
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft hier in het commissiedebat Leefstijlpreventie op 23 april jl. en in het navolgende Tweeminutendebat op 18 juni jl. uitgebreid met leden van uw Kamer over gesproken. Het Voedingscentrum voorziet in de onafhankelijke voorlichting over voedsel en voeding. De Schijf van Vijf die hiervoor de basis vormt, is een vertaling van de Richtlijnen goede voeding van de Gezondheidsraad. De Gezondheidsraad is een onafhankelijk adviesorgaan voor regering en parlement. Het Voedingscentrum is geen adviesorgaan van de overheid, maar een stichting die werkt op basis van subsidies van de Ministeries van VWS en LVVN. Zowel de Gezondheidsraad als het Voedingscentrum zijn onafhankelijk werkende organisaties die zich baseren op de wetenschap. De onderbouwing van zowel de Richtlijnen van de Gezondheidsraad en de totstandkoming van de Schijf van Vijf zijn online beschikbaar en daarmee transparant. Het kabinet hecht waarde aan de onafhankelijke rol en taken van het Voedingscentrum en waakt ervoor dat ministeries hierop inhoudelijk invloed uitoefenen. Het kabinet vindt dat het Voedingscentrum naar haar rol heeft gehandeld en ziet daarom geen aanleiding voor verbetermaatregelen.
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het kabinet vindt het in algemene zin wenselijk dat adviescolleges, vanuit hun onafhankelijke deskundigheid, de adviestaak vervullen die de wetgever hun heeft opgedragen. Het staat adviescolleges, zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, daarmee vrij om beleidsmaatregelen voor te stellen ter uitvoering van hun wettelijke adviestaak. Adviezen zijn, naar hun aard, niet bindend. Zoals beschreven bij antwoord 3, is er een duidelijke en transparante rolverdeling tussen adviescolleges en regering. Adviescolleges adviseren; het kabinet weegt adviezen, geeft zijn reactie, neemt besluiten, en legt daarover verantwoording af aan uw Kamer.
De gevolgen van het Circulair Materialenplan voor de verwerking van bodemas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen bij het bedrijfsleven over de gevolgen van het Circulair Materialenplan (CMP) voor de verwerking van bodemas van afvalverbrandingsinstallaties1 in combinatie met de afnemende afzetmogelijkheden in eigen land?
Ja.
Hoe waardeert u deze zorgen?
Het Ministerie van EZK en het Ministerie van IenW voeren regelmatig gesprekken met de sector, zowel voor als na de inwerkingtreding van het Circulair Materialenplan (CMP). Naast deze gesprekken loopt er een traject van de Speciaal Regeringsvertegenwoordiger Circulaire Economie (SRCE) dat de rijksoverheid, decentrale overheden en de sector samenbrengt om het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas te herstellen.
Is de veronderstelling juist dat de huidige afzetproblematiek en de snel opgelopen voorraden van ongereinigde bodemas niet zijn meegenomen bij de vaststelling van het CMP?
Ten behoeve van een verantwoorde toepassing en het versterken van het vertrouwen hierin, is in het CMP opgenomen dat bodemas moet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Daarnaast zien we dat het reinigen van AVI-bodemas technisch goed mogelijk is en al geruime tijd in de praktijk toegepast wordt.
De sector is nauw betrokken geweest bij de voorbereidingen van de maatregelen in het CMP. Er hebben verschillende gesprekken met partijen uit de sector plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken hebben belanghebbenden zorgen kunnen uiten en inbreng kunnen leveren. Mede op basis van deze gesprekken is besloten tot een overgangstermijn van twee jaar om de sector in staat te stellen om (de capaciteit van) hun reinigingsinstallaties aan te passen.
Verwacht u dat de huidige overgangstermijn voldoende is voor het realiseren van voldoende wascapaciteit voor het reinigen van bodemas? Zo ja, waar baseert u dat op?
Het concept-CMP is begin 2025 gedeeld. Daarnaast zien we dat de reiniging van AVI-bodemas al geruime tijd wordt toegepast in de praktijk. Twee jaar lijkt om deze reden een redelijke overgangstermijn. Het Rijk is en blijft ook met de sector (exploitanten van AVI’s en opwerkers van AVI-bodemas) in gesprek over de voortgang. In het afvalplan AVI-bodemassen is in de paragraaf Toekomstplannen opgenomen dat, als blijkt dat de overgangstermijn van twee jaar niet voor alle situaties toereikend is terwijl de sector zich naar het oordeel van de rijksoverheid wel voldoende heeft ingespannen, wordt gekeken of uitstel nodig is.
Ziet u mogelijkheden voor het tijdelijk toestaan van export van bodemas ten behoeve van nuttige toepassingen, bijvoorbeeld voor opvulling of andere toepassing in de diepe ondergrond, om zo de voorraadproblematiek op te lossen?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is het bevoegd gezag dat export van afvalstoffen toetst aan de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) via de zogenaamde kennisgevingsprocedure. ILT hanteert, naast de regels van de EVOA, het toetsingskader van het CMP voor de beoordeling van kennisgevingen. Als er concrete verzoeken om export ten behoeve van «andere nuttige toepassing» komen, beslist de ILT van geval tot geval of kan worden ingestemd met deze export. Mocht de ILT vinden dat het noodzakelijk is om af te wijken van het toetsingskader van het CMP, dan zullen zij een melding «afwijken CMP» doen. Deze meldingen worden door het Ministerie van EZK van advies voorzien.
Is het u bekend dat verschillende gemeenten het gebruik van gewassen bodemas verbieden dan wel sterk beperken, terwijl het CMP deze ruimte voor gebruik van gewassen bodemas, gelet op de gewenste circulariteit, nadrukkelijk wel biedt en zich verzet tegen dergelijke generieke verboden en beperkingen?
Ja.
Hoe waardeert u deze beperkingen?
In het CMP is een oproep gedaan om geen generieke beperkingen op te nemen voor de toepassing van secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen in wet- en regelgeving, maar om specifiek per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging te maken.
Deze oproep betekent echter niet dat een generieke beperking niet mogelijk is. Een bevoegd gezag mag hiertoe besluiten. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Het CMP verandert hier niets aan. Hierover is 23 april jongstleden een brief naar de Kamer gestuurd.2
Wat bent u voornemens te doen om onnodige inperking van de ruimte voor gebruik van gewassen bodemas te beperken?
Er vinden verschillende gesprekken plaats tussen de rijksoverheid, de sector en decentrale overheden in het traject van de SRCE. Dit traject focust zich op lokale overheden via IPO, VNG en ODNL en op herstel van het vertrouwen in de verantwoorde toepassing van gewassen bodemas.
Deelt u de analyse dat de kwaliteit van Nederlands bodemas relatief slecht is ten opzichte van de bodemas uit onder meer België en Frankrijk, mede vanwege de keuze voor snelle verbranding?
Er zijn mij signalen bekend van opwerkers van bodemas dat er relatief grote verschillen bestaan tussen de kwaliteit van bodemas van Nederlandse AVI’s (dit betreft ongereinigde «ruwe» bodemas) en bodemas uit het buitenland.
Welke maatregelen neemt u voor verbetering van de kwaliteit van het bodemas?
Om de kwaliteit van de bodemas in Nederland te verbeteren zijn met het CMP de eisen aangescherpt. Het is niet langer toegestaan om bodemas die niet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 voldoet, toe te passen of te gebruiken voor de productie van vulstof voor vormgegeven bouwstoffen of inzet als granulaat in vormgegeven bouwstoffen. Dit vanwege milieutechnische redenen en met het oog op een circulaire toekomst. Het reinigen van AVI-bodemas is technisch goed mogelijk en wordt al geruime tijd in de praktijk toegepast.
Ook wordt op dit moment een studie voorbereid waarbij de verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse bodemas concreter en specifieker worden uitgelicht en de gevolgen daarvan voor de reinigbaarheid van de ongereinigde «ruwe» bodemas. In dit onderzoek zal ook gekeken worden naar de noodzaak en mogelijkheden om te sturen op een betere kwaliteit van ongereinigde «ruwe» bodemas en naar mogelijke gevolgen daarvan voor het verbranden zelf. Wanneer dit onderzoek klaar is, zal de Kamer hierover geïnformeerd worden.
De klimaatzaak Bonaire |
|
Sjoukje van Oosterhout (GroenLinks-PvdA), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Zijn de verschillende verantwoordelijke ministeries reeds in gesprek met de eisers in de Klimaatzaak Bonaire, zijnde Greenpeace Nederland en de acht inwoners van Bonaire? Zijn alle verantwoordelijke ministeries van plan dit te doen in het geval dit nog niet is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Vanaf de eerste sommatie Greenpeace op 11 mei 2023 tot op heden zijn er gesprekken geweest met Greenpeace en/of met een afvaardiging van de acht inwoners van Bonaire. De primair betrokken ministeries – het Ministerie van EZK, het Ministerie van IenW en het Ministerie van BZK – zijn aanwezig geweest bij deze gesprekken.
Wat zijn de consequenties van het vonnis voor het huidige doel voor 55% reductie van broeikasgasemissies in 2030 uit de nationale Klimaatwet?
De rechtbank heeft de Staat bevolen om binnen achttien maanden bindende emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, waaronder tussentijdse doelstellingen en trajecten voor de gehele periode tot 2050. De uitspraak van de rechtbank is uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het kabinet de bevelen uit het vonnis direct moet uitvoeren, ook als hoger beroep wordt ingesteld. Vanzelfsprekend houdt het kabinet zich aan gerechtelijke uitspraken en werkt zij aan de uitvoering daarvan. In het vonnis stelt de rechtbank een aantal eisen, maar laat de rechtbank ook ruimte voor invulling voor hoe het vonnis uitgewerkt moet worden. Momenteel wordt bezien op welke wijze uitvoering kan worden gegeven aan dit mitigatiebevel. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 hierover nader te informeren, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Gezien het feit dat de rechtbank oordeelt dat de Staat heeft nagelaten om te kwantificeren hoeveel emissieruimte Nederland nog heeft als eerlijk deel van het mondiale emissiebudget dat resteert om de opwarming tot 1,5 °C te beperken, hoe gaat u dit nu alsnog kwantificeren zodat het klimaatbeleid en de klimaatdoelen in lijn komen met dit resterende budget?
Onderdeel van het mitigatiebevel is dat inzichtelijk gemaakt moet worden wat de (resterende) emissieruimte voor Nederland is. Het kabinet neemt dit mee in de uitwerking van het vonnis. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Bent u bekend met de kwantificering van de emissieruimte door het Ministerie van Financiën in het «Blauwe Boekje 2023–2024», waar de rechtbank in het vonnis naar verwijst? Zo ja, kunt u overwegen om de Minister van Financiën te vragen om een actualisatie van deze berekening? Hoe zorgt u dat er bij deze kwantificering en het vaststellen van nieuwe klimaatdoelen ruimte is voor inspraak en publieksconsultatie en dat dit proces gebaseerd is op de meest recente inzichten van de klimaatwetenschap?
Ja. Deze kwantificering combineert data van de mondiale emissieruimte op basis van het IPCC AR6 rapport (2023) om de opwarming van de aarde tot 1,5°C te beperken met data van het Planbureau voor de Leefomgeving, om inzichtelijk te maken welke bijdrage Nederland kan leveren aan het beperken van de klimaatverandering. Daarbij worden verschillende aannames gehanteerd om tot de becijferde emissieruimte te komen. Omdat het gaat om ramingen voor de toekomst, moet de berekening uitgaan van een bepaalde kans waarmee een scenario zich voordoet. Hierbij is gekozen voor een emissieruimte die correspondeert met een kans van 50% om het temperatuurdoel van 1,5°C te halen. Daarnaast bevat de berekening de aanname dat Nederland naar verhouding van zijn bevolkingsomvang ten opzichte van de wereldbevolking een bijdrage levert aan het tegengaan van klimaatverandering. Historische emissies zijn daarbij buiten beschouwing gelaten.
Het kabinet zal uitvoering geven aan het rechterlijk bevel om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Hierbij zal het begrip emissieruimte en de manieren waarop dit kan worden berekend, worden betrokken. Het kabinet zal bezien of een berekening op basis van bovengenoemde aannames de meest navolgbare en robuuste manier is om de emissieruimte inzichtelijk te maken. Voor het vaststellen van beleid wordt gebruik gemaakt van de meest recente wetenschappelijke inzichten. Bij de voorbereiding van regelgeving ter uitvoering van het vonnis wordt voorzien in een internetconsultatie, zodat er ruimte is voor inspraak.
Welke concrete stappen neemt u nu, gezien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, om uitvoering te geven aan de veroordeling van de rechtbank om uiterlijk binnen 18 maanden, dus 28 juli 2027 nieuwe, bindende en economie-brede klimaatdoelen in de Klimaatwet vast te leggen?
Het kabinet treft de nodige voorbereidingen om aan de uitspraak van de rechtbank te voldoen. Hiervoor wordt een wetsvoorstel tot wijziging van de Klimaatwet voorbereid en daarvoor worden verschillende opties in kaart gebracht. Het kabinet heeft aangegeven uw Kamer uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader te informeren over de wijze waarop aan het vonnis uitvoering wordt gegeven, en zal dat doen in de Klimaat- en Energienota.
Hoe interpreteert u de vaststelling van de rechtbank dat het onrechtmatig is dat er geen bindende nationale klimaatdoelstellingen zijn om de emissies van internationale lucht- en scheepvaart terug te dringen?
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat de overweging van de rechtbank dat emissies van internationale lucht- en zeevaart bij het vaststellen van de nationale emissiereductiedoelen moeten worden meegenomen, naar de overtuiging van het kabinet niet aansluit bij de internationale aanpak, waarin deze emissies worden gereguleerd via gespecialiseerde VN-organisaties (ICAO en IMO). Dit vormt dan ook één van de gronden die in hoger beroep wordt aangevoerd.
Wat betekent het vonnis in de Bonaire Klimaatzaak voor het CO2-plafond voor de internationale lucht- en scheepvaart dat is voorgenomen in het coalitieakkoord? En hoe verhoudt het openen van Lelystad Airport zich tot de uitspraak?
In het coalitieakkoord is afgesproken dat de totale CO2-uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol en Lelystad Airport in 2030 lager moet zijn dan de uitstoot op Schiphol in 2024. Aan de uitwerking van deze afspraak wordt momenteel gewerkt. Daarbij wordt ook bezien wat de gevolgen van het vonnis in de Klimaatzaak Bonaire zijn voor deze afspraak. De komende maanden wordt nader uitgewerkt op welke wijze de afspraak kan worden geborgd. Uw Kamer wordt hierover rond de zomer geïnformeerd via een beleidsbrief luchtvaart.
Bent u bekend met het rapport «Effectinschatting klimaatmaatregelen Coalitieakkoord» van onderzoeksbureau Kalavasta, waaruit volgt dat er een gat van tenminste 6 megaton is tussen het huidige Nederlandse klimaatbeleid en het 2030-doel van 55% reductie? Welke maatregelen, zowel normerend als beprijzend, gaat u nemen om dit gat te dichten en uitstootreductie te versnellen, inclusief voor lucht- en scheepvaart?
Het kabinet is bekend met dit rapport. In het coalitieakkoord heeft het kabinet afgesproken om in het voorjaar van 2027, indien nodig, nationaal geborgde maatregelen te treffen om het doel van 2040 te halen. Het kabinet zal dit rapport bestuderen en meenemen in de voorbereiding voor het voorjaar van 2027.
Kunt u aangeven wat de consequentie van het klimaatzaakvonnis is voor methaan en andere broeikasgasemissies in de landbouw en hoe dit zich verhoudt tot het eerdere vonnis van de rechtbank Den Haag in de rechtszaak van Greenpeace tegen de Staat over stikstofdepositie?
Het bevel van de rechtbank is om absolute emissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgeving op te nemen, dus inclusief landbouw.
Ten aanzien van de uitspraak van de rechtbank Den Haag in de bodemprocedure van Greenpeace over de maatregelen die de Staat treft om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen, heeft voormalig Minister van LVVN uw Kamer op 11 april 2025 geïnformeerd dat het kabinet heeft besloten om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen1. De uitkomst van dit hoger beroep is nog niet bekend. Aangezien ook dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is, worden – in lijn met het kabinetsbeleid – maatregelen genomen om de stikstofbelasting op de meest kwetsbare natuur te verminderen. Een aantal van deze maatregelen heeft ook een effect op de reductie van broeikasgasemissies in de landbouw.
Klopt het dat de Verenigde Staten en/of Amerikaanse bedrijven gas en/of olie willen winnen voor de kust van de BES-eilanden en de CAS-eilanden? Kunt u een overzicht bezorgen van alle fossiele winningsprojecten op de eilanden, in de territoriale wateren en in de nabijheid van de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden?
Er zijn geen actieve winningsprojecten in de territoriale wateren van de BES- en CAS-eilanden. Voor Aruba heeft Compania Arubano di Petroleo N.V. (CAP) in 2024 een overeenkomst gesloten met Armstrong Oil & Gas Exploration (een Amerikaanse onderneming) om exploratieonderzoek uit te voeren in de territoriale wateren van Aruba. Volgens de huidige stand van zaken betreft dit nog uitsluitend studies en exploratieactiviteiten. Er vindt geen commerciële winning plaats. Het verdere verloop hangt af van de resultaten van technische evaluaties en de besluitvorming door de Arubaanse regering.
Welke instantie beslist of dergelijke winningsprojecten al dan niet mogen doorgaan? Vallen dergelijke winningsprojecten onder de Nederlandse Mijnbouwwet?
De Nederlandse Mijnbouwwet is niet van kracht in de Caribische delen van het Koninkrijk. Specifiek op de Saba Bank is de Petroleumwet Saba Bank BES van kracht. Hier heeft Saba Bank Resources N.V. een vergunning voor exploratie. Voor de CAS-eilanden geldt dat zij als autonome landen binnen het Koninkrijk zelf bevoegd zijn voor besluitvorming over eventuele opsporings- en winningsactiviteiten in hun territoriale wateren.
Bent u het ermee eens dat dergelijke fossiele winningsprojecten door een niet-Europese mogendheid tot een geopolitiek onwenselijke ontwikkeling kan leiden?
Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat eventuele winning van olie of gas in de Caribische delen van het Koninkrijk zou leiden tot een significante positie op de internationale olie- of gasmarkt. Eventuele aanvragen voor exploratie- of winningsactiviteiten worden beoordeeld op basis van de geldende wet- en regelgeving en een integrale afweging van alle relevante belangen. Daarbij moet een bedrijf voldoen aan de geldende milieu-, veiligheids- en andere vereisten. Ook worden economische, veiligheids- en geopolitieke aspecten betrokken, waarbij rekening wordt gehouden met bredere strategische belangen en afhankelijkheden.
Waarom zijn adaptatiemaatregelen op Bonaire systematisch later opgepakt dan in Europees Nederland, en hoe gaat u deze achterstand inhalen? Zal een dergelijke inhaalbeweging voldoende zijn om de mensen op Bonaire effectief te beschermen tegen schade ten gevolge van klimaatrampen?
Sinds Bonaire onderdeel werd van het land Nederland in 2010 zijn er substantiële investeringen geweest op het eiland. Aanvankelijk richtte dit zich op het op orde brengen van de basisvoorzieningen. Er is veel geïnvesteerd in verschillende domeinen, waaronder in zaken die bijdragen aan het verminderen van kwetsbaarheden van kleine eilanden zoals weerwaarschuwingssystemen, drink- en afvalwatersystemen, natuurbeheer. Al deze zaken dragen bij aan klimaatadaptatie.
Verder is recent het klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege Bonaire. Dit plan is lokaal opgesteld door de Klimaattafel Bonaire, in opdracht van het openbaar lichaam Bonaire en met ondersteuning vanuit het Rijk. In dit plan zijn verschillende maatregelen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties op de verschillende eilanden. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren.
Daarnaast is het streven dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) vast te stellen. De NAS omvat ook Caribisch Nederland. In de NAS geeft het Rijk aan wat de nationale ambitie is voor klimaatadaptatie, welke concrete doelen daarbij horen en hoe we ons als Rijk de komende jaren zullen inspannen om deze ambitie en doelen te halen. Recent is de ontwerp-NAS vastgesteld. Dit ontwerp ligt nu in consultatie. Het streven is om samen met de definitieve NAS ook een uitvoeringsprogramma vast te stellen waarin ook voor Caribisch Nederland concreet wordt gemaakt hoe deze inspanningen tot uitvoer zullen komen. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zal ook het Klimaatplan Bonaire worden meegenomen.
Wat betekent het vonnis voor Saba en Sint-Eustatius, en in hoeverre wordt hier nu opvolging aan gegeven, inclusief preventieve maatregelen om alle inwoners van de BES-eilanden te beschermen tegen klimaatrampen en daarbij de gelijkwaardigheid van inwoners te borgen?
Het vonnis van de rechtbank gaat over Bonaire. Het kabinet is er echter van doordrongen dat het net zo goed de taak heeft om de inwoners van Saba en Sint Eustatius voldoende te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering. Het kabinet neemt die taak serieus en geeft daar invulling aan, onder meer door te werken aan de NAS en het uitvoeringsprogramma die ook Saba en Sint Eustatius beslaan. Het streven is om beide dit jaar vast te stellen. Zie hierover het antwoord op vraag 13.
Verder wordt op Saba en Sint Eustatius gewerkt aan klimaatplannen. Op Sint Eustatius is het klimaatplan vastgesteld door het Bestuurscollege. Op Saba bevindt dit plan zich in een afrondende fase. Bij de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma zullen naast het Klimaatplan Bonaire ook de klimaatplannen van Saba en Sint Eustatius worden meegenomen.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de rechtbank Den Haag stelt dat het huidige adaptatiebeleid voor Bonaire onvoldoende en zelfs discriminatoir is? Welke conclusies trekt u uit de erkenning dat het Nederlandse beleid discriminatoir is?
De rechtbank oordeelt dat de inwoners van Bonaire bij het nemen van adaptatiemaatregelen anders zijn behandeld dan de inwoners van Europees Nederland, zonder goede redenen waaruit volgt dat die afwijkende behandeling passend, noodzakelijk en evenredig is. De rechtbank erkent wel dat er sinds 2023 goede stappen zijn genomen om tot passende maatregelen te komen. Het kabinet zal deze inspanningen doorzetten en samen met het Openbaar Lichaam Bonaire doen wat voor de inwoners van Bonaire nodig is.
Hoe gaat u om die discriminatie tegen te gaan het «gelijkwaardig beschermingsniveau» voor de BES-eilanden wettelijk verankeren? Is er voor Bonaire, Saba en Sint-Eustatius reeds een analyse gebeurd, waarbij voor ieder eiland afzonderlijk een inschatting is gemaakt van de kwetsbaarheid voor toenemende klimaatrampen alsook van hun financiële en andere capaciteit om adequaat op rampen te reageren? Krijgen de eilanden dezelfde veiligheidsnormen (overstromingskansen) als de Nederlandse kust?
Er zijn verschillende gevolgen van klimaatverandering. Mede als gevolg van de geografische en klimatologische omstandigheden op deze eilanden zullen deze gevolgen zich op verschillende wijze manifesteren op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES). In 2016 is een onderzoek naar de gevolgen door overstromingen uit zee en hevige neerslag uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Dit onderzoek is in 2024 geactualiseerd aan de hand van de KNMI’23 klimaatscenario’s. Voor andere gevolgen van klimaatverandering worden soortgelijke analyses voorbereid in het kader van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS). De situatie tussen Europees Nederland en de BES-eilanden en tussen de BES-eilanden onderling verschilt. Daardoor is het niet mogelijk en niet wenselijk om overal dezelfde veiligheidsnormen te hanteren en is er reden voor maatwerk. Er wordt dan ook per eiland een inschatting gemaakt van de relevante risico’s en hierop wordt het beleid afgestemd. Hierbij geldt het grondwettelijk verankerde gelijkheidsbeginsel als uitgangspunt.
Bent u bereid om per direct dezelfde overstromingskansnormen wettelijk te verankeren voor Bonaire als voor Europees Nederland of, indien deze overstromingskansnormen onvoldoende zijn om alle inwoners van Bonaire afdoende te beschermen, bent u bereid striktere normen voor Bonaire wettelijk te verankeren? Zo nee, welke normen zullen dan worden toegepast om te voldoen aan het discriminatieverbod?
Bij de verdere uitwerking van het waterveiligheidsbeleid voor Bonaire zal het discriminatieverbod worden betrokken. Het kabinet gaat daarbij voor de BES-eilanden uit van een beschermingsniveau dat, rekening houdend met de lokale omstandigheden, vergelijkbaar is met dat van Europees Nederland. Van belang is dat de aard en gevolgen van overstromingen op Bonaire wezenlijk verschillen van die in Europees Nederland, dat wordt gekenmerkt door de ligging in een laaggelegen delta met polders, rivieren en primaire waterkeringen. Bonaire daarentegen, is grotendeels boven de zeespiegel gelegen en heeft vooral te maken met tropische stormen en daardoor veroorzaakte stormvloeden en de effecten van hevige neerslag die met name samenhangen met onvoldoende afwatering. Het handelingsperspectief op Bonaire richt zich dan ook op het tijdig waarschuwen, inzet van de crisisorganisatie en ruimtelijke ordening.
Overigens wordt in Europees Nederland voor waterveiligheid gewerkt met het principe van meerlaagsveiligheid. Dit houdt in dat we overstromingsrisico’s aanpakken via drie pijlers: preventie (dijken en keringen), ruimtelijke inrichting en rampenbeheersing. Een vergelijkbare benadering ligt ook voor Bonaire in de rede. Verder is relevant dat er momenteel geen wettelijke grondslag is voor het vastleggen van waterveiligheidsnormen voor de BES-eilanden.
Hoe garandeert u dat de geëiste kustbescherming op Bonaire uiterlijk in 2030 volledig geïmplementeerd is, en welk budgettair pad is hiervoor nu reeds vastgelegd om te voorkomen dat plannen slechts bij ambities blijven?
In het ontwerp van de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) worden de doelen en inspanningen genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. De verdere uitwerking van deze doelen vindt plaats in de uitvoeringsstrategie, die naar verwachting eind 2026 gelijktijdig met definitieve NAS wordt vastgesteld.
In het kader van de Klimaattafel Bonaire is de afgelopen jaren gewerkt aan voorstellen om de weerbaarheid van Bonaire tegen onder meer zeespiegelstijging, oceaanopwarming en kusterosie te vergroten. Naar verwachting zullen de aanbevelingen van de Klimaattafel, waaronder die ten aanzien van kustbescherming, worden betrokken bij de verdere uitwerking van het uitvoeringsprogramma om zo tijdig maatregelen te treffen die bijdragen aan het verminderen van klimaat gerelateerde risico’s.
Waarom is de waterveiligheid van Bonaire nog niet structureel gekoppeld aan het Deltafonds? In hoeverre kan en zal het Deltafonds worden opengesteld voor de BES-eilanden? Zal de regering ervoor zorgen dat er voldoende budget in het fonds is voor de adaptatienoden van zowel Europees als Caraïbisch Nederland? Wat is hiervoor nodig?
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Voor de BES-eilanden geldt dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie en waterbeheer momenteel via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen, het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Bent u bereid om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten zodat naast de benodigde en omvangrijke investeringen in adaptatiemaatregelen ten aanzien van waterveiligheid, ook maatregelen in het kader van bijvoorbeeld hitte, gezondheid en natuur tijdig kunnen worden gefinancierd? Of middels welke fondsen zal u zorgen voor een equivalent beschermingsniveau tegen klimaatverandering op Bonaire?
Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Er is op dit moment niet voorzien om aanvullend een meerjarig Klimaatadaptatiefonds Caribisch Nederland op te richten. De inspanningen en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van Caribisch Nederland te vergroten tegen de verschillende gevolgen van klimaatverandering zullen gefinancierd worden vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen.
Tot welke Europese fondsen hebben de BES-eiland toegang voor de financiering van adaptatie- en mitigatiemaatregelen? Hebben ze gelijke toegang tot alle fondsen die de lidstaten ter beschikking staan als gemeenten in continentaal Europa of worden ze hiervan uitgesloten? Hebben ze toegang tot Europese fondsen voor internationale klimaatadaptatie?
Niet alle EU fondsen zijn toegankelijk voor de BES-eilanden, sommige programma’s echter wel zoals BESTLIFE 2030 en Life IP. De Kamer is in 2023 geïnformeerd over de fondsen waarvoor de LGO in aanmerking komen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 410 IV, nr. 35). Daarnaast is het ook niet altijd makkelijk om vanuit de BES-eilanden een succesvol aanvraag in te dienen. Om het identificeren van geschikte fondsen en het succesvol indienen van aanvragen te bevorderen, heeft Nederland in 2023 een speciaal gezant voor Caribisch Nederland voor EU-fondsen benoemd., De speciaal gezant zet zich in voor betere benutting van fondsen van de EU voor de BES-eilanden.
Is de toegang van BES- en CAS-eilanden tot Europese financiering gelijkwaardig aan de toegang van de Franse overzeese departementen en gebieden, zoals het Franse gedeelte van Sint-Maarten?
Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint-Maarten hebben binnen de Europese Unie (EU) allen de status van landen en gebieden overzee (LGO). De geoormerkte financiële middelen voor de LGO zijn per Meerjarig Financieel Kader (MFK)-periode geregeld in het LGO-besluit. Het Franse Saint Martin heeft echter de status van ultraperifeer gebied (UPG) en is daarom, in tegenstelling tot de LGO, onderdeel van de interne markt van de EU. Dit gaat samen met de toegang tot Europese structuurfondsen, zoals het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Daartegenover staat dat de UPG’s alle interne marktregels moeten toepassen, met uitzondering van enkele uitzonderingen.
Voor de horizontale/thematische, niet geoormerkte, fondsen geldt dat de Europese Commissie in de huidige MFK-periode (2021–2027) de toegang tot de verschillende fondsen voor de LGO heeft verbeterd. Deze ambitie wordt voortgezet in het voorstel voor het nieuwe LGO-besluit, waarbij wordt ingezet op het verbeteren van de aansluiting van de LGO op de brede EU-financieringsarchitectuur. Er bestaan echter wel verschillen tussen de LGO en UPG ten aanzien van EU financiering. In het verslag van EU-rapporteurs Roelien Kamminga (VVD) en Jorien Wuite (D66) uit 2023 wordt gedetailleerd weergegeven om welke fondsen het gaat.2
Hoe kan het dat na orkaan Irma het Franse deel van Sint-Maarten beter beschermd was en/of sneller kon heropbouwen dan het deel binnen het Koninkrijk der Nederlanden? Wat zijn de oorzaken hiervan? Welke verschillen zaten er in de toegang tot Europese financiering? En hoe verschilde de financiering voor zowel preventieve maatregelen als voor wederopbouw vanuit Den Haag met de financiering vanuit Parijs?
De verschillen in herstel tussen het Franse Saint-Martin en het Nederlandse Sint Maarten na orkaan Irma (2017) komen voornamelijk door verschillen in politieke structuren, toegang tot EU-middelen, financieringsstructuren en bestuurscapaciteit. Saint-Martin is Frans gebied, terwijl Sint-Maarten een autonoom land is binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Saint-Martin had hierdoor de voordelen van snelle toewijzing van EU-gelden zoals Noodfondsen, centrale coördinatie door Parijs, en integratie in Franse noodplannen. Frankrijk zegde direct € 1,2 miljard toe voor alle Franse Caribische eilanden. Nederland stelde € 550 miljoen beschikbaar aan Sint-Maarten, waarmee snelle noodhulp is geboden voor de acute gevolgen van de orkaan en vervolgens steun is geleverd via het Trustfonds wederopbouw Sint Maarten van de Wereldbank, waarvan de projecten voorspoedig verlopen.
Wat zijn de risico's voor de CAS- en BES-eilanden van de aangekondigde Super El Niño? Wat is de huidige staat van paraatheid van de verschillende eilanden? Wat doet u om de eilanden te ondersteunen in hun weerbaarheid tegen dit fenomeen? Welke extra stappen worden er gezet?
Er is inderdaad een grote kans op een El Niño3, en ook dat het een relatief zware El Niño kan worden. El Niño zorgt in de regio van de CAS en BES eilanden doorgaans voor een kleinere kans op orkanen, hogere temperaturen en minder neerslag. In termen van risico betekent het dus een lagere kans op orkanen (maar de kans op een orkaan blijft natuurlijk altijd bestaan tijdens het orkaanseizoen), een hogere kans op droogte en daarbij horende impacts waaronder gezondheidsrisico's gerelateerd aan droogte en hitte, en gevolgen voor biodiversiteit en landbouw. In het kader van weerbaarheid worden met alle eilanden kennis en planvorming op gebied van crisisbeheersing uitgewisseld, onder andere tijdens de Week van de crisisbeheersing Caribische delen van het Koninkrijk. Crisisbeheersing is verder een landsaangelegenheid.
Welke extra expertise en uitvoeringskracht acht het Rijk voor het Openbaar Lichaam Bonaire nodig om ervoor te zorgen dat er voldoende lokale capaciteit is om de plannen uit te voeren?
Het gebrek aan uitvoeringskracht en specialistische expertise is een terugkerende uitdaging. Het Rijk werkt met het Openbaar Lichaam Bonaire aan structurele verbetering hierin. Daarnaast zal bij de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) en het bijbehorende uitvoeringsprogramma bezien worden of er aanvullende inspanningen nodig zijn om deze klimaatplannen uit te voeren.
Welke bijkomende maatregelen gaat u nemen opdat de BES-eilanden op korte termijn volledig overgaan op duurzame energie, zodat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import?
Het kabinet zet zich samen met de eilandelijke overheden en energiebedrijven in voor de verdere verduurzaming van de energievoorziening op de BES-eilanden. De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat middelen beschikbaar gesteld voor de uitbreiding van duurzame energie op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De uitvoering van deze projecten beslaat meerdere jaren en draagt eraan bij dat de eilanden minder afhankelijk worden van fossiele import. Op Saba en Sint Eustatius verlopen de verduurzamingsprojecten voorspoedig. Er zijn plannen voor 90% duurzame energie op Saba (huidig 38%) en 85% op Sint Eustatius (huidig 55%)4. De elektriciteitsproducent van Bonaire beschikt over middelen en geheel uitgewerkte plannen voor de verdere verduurzaming met zonne- en windenergie tot 70% duurzame elektriciteit. Een uitdaging bij de realisatie is de vergunningverlening door het openbaar lichaam Bonaire.
Eventuele bijkomende maatregelen worden in nauwe samenwerking met de betrokken stakeholders op de eilanden uitgewerkt. Daarbij wordt gekeken naar welke aanvullende stappen technisch, financieel en bestuurlijk haalbaar zijn om de verduurzaming van de energievoorziening verder te versnellen, rekening houdend met de lokale omstandigheden en de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de energievoorziening. Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat blijft hierover in gesprek met de openbare lichamen, energiebedrijven en andere betrokken partijen en zal waar nodig ondersteuning bieden in de vorm van expertise, facilitering en financiering.
Hoe kunt u ervoor zorgen dat energie betaalbaar is voor inwoners van Bonaire, ook gezien de toenemende noodzaak van energieverbruik voor airconditioning als gevolg van de opwarming van de aarde?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat verstrekt structurele subsidies om de kosten voor netbeheer van elektriciteit op Bonaire te verlagen. Hierdoor zijn deze kosten de afgelopen jaren teruggebracht tot een niveau dat vergelijkbaar is met dat in Europees Nederland. Daarnaast investeert het kabinet in de uitbreiding van duurzame energie op het eiland. Door het vergroten van het aandeel duurzame energie wordt de afhankelijkheid van invoer van fossiele brandstof verminderd, wat bijdraagt aan lagere energiekosten voor inwoners. Zie hierover het antwoord op vraag 26.
Kunt u aangeven welke maatregelen u treft tegen de gevolgen van de toenemende hitte en extreme neerslag op Bonaire? Welke aanvullende stappen zijn noodzakelijk en wat is de investeringsopgave hiervan?
Voor de toenemende hitte ondersteunt het kabinet de publieke gezondheid via de openbare lichamen, waarbij ook aandacht is voor hittestress, Zo verkent de GGD Bonaire wat er nodig is om een hitteplan op te stellen. Het kabinet verkent ook hoe kennis te ontwikkelen over wateroverlast door extreme neerslag binnen de verschillende lagen van meerlaagsveiligheid. Dit betreft zowel het modelleren van de gevolgen van extreme neerslag als het opzetten van een regenwaterbeheerplan. Deze verkenningen zullen ook leiden tot betere inzichten over aanvullende stappen en de benodigde financiering hiervan.
Welke maatregelen kan het kabinet nemen tegen de onder andere door klimaatverandering veroorzaakte sargassumcrisis, die de economie van Caraïbisch Nederland ernstig schaadt, met name in toerisme en visserij?
Aangespoelde sargassum kan verwijderd worden op plaatsen waar het hinder veroorzaakt langs de kust. In de eerste fase van het Natuur en Milieu Beleidsplan zijn daarom door het kabinet middelen ter beschikking gesteld voor Bonaire voor de aanschaf van apparatuur en materialen om sargassum langs de kust op te ruimen. Indien er in Caribisch Nederland grote problemen ontstaan met aangespoeld sargassum zal het kabinet in gesprek gaan over een gepaste oplossing.
Hoe beoordeelt u de relevantie van de rechtsoverwegingen in het Bonaire-vonnis voor de overige landen binnen het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten), gezien de gedeelde verantwoordelijkheid voor de waarborging van mensenrechten (artikel 43 Statuut)? Erkent u dat de Staat der Nederlanden een coördinerende en faciliterende verantwoordelijkheid heeft om te waarborgen dat ook de inwoners van de CAS-eilanden een gelijkwaardig niveau van mensenrechtelijke bescherming tegen klimaatgevaren genieten, met in ogenschouw nemend het vereiste respect voor de autonome status van deze landen?
Het vonnis gaat over Bonaire. Bonaire maakt deel uit van het land Nederland. Curaçao, Aruba en Sint Maarten (CAS-landen) maken geen deel uit van het land Nederland maar zijn autonome landen binnen het Koninkrijk. Dat staatkundige verschil maakt dat de rechtsoverwegingen uit het vonnis niet 1-op-1 van toepassing zijn voor de CAS-landen.
In artikel 43 Statuut is opgenomen dat elk land zorgdraagt voor de verwezenlijking van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden. Daarmee is het primair een taak van de landen om ervoor te zorgen dat de mensenrechten gerealiseerd en beschermd worden. In het geval dat niet lukt of kan, kan het Koninkrijk via de waarborgfunctie ingrijpen. De vier landen van het Koninkrijk zijn het erover eens dat dit een ultimum remedium is.
Bent u bereid om, in de geest van het vonnis, proactief met de regeringen van de CAS-eilanden in gesprek te gaan over een Koninkrijksbreed Klimaatfonds, zodat ook daar de noodzakelijke adaptatiemaatregelen om mensen(rechten) te beschermen in de klimaatcrisis gefinancierd kunnen worden die de lokale draagkracht te boven gaan?
Op dit moment is niet voorzien om een meerjarig Koninkrijksbreed Klimaatfonds op te richten. De CAS-eilanden zijn zelf verantwoordelijk voor het financieren van inspanningen en maatregelen die nodig zijn om de weerbaarheid van de CAS-eilanden te vergroten tegen de gevolgen van klimaatverandering. Wel is actieve ondersteuning mogelijk via kennisuitwisseling als bijdrage aan de klimaatadaptatie strategie op de eilanden.
Bent u het ermee eens dat, aangezien het Koninkrijk der Nederlanden de officiële verdragspartij is bij de UNFCCC, de belangen van de CAS-landen en BES-eilanden integraal onderdeel moeten zijn van de Nederlandse en dus ook Europese inzet in internationale klimaatonderhandelingen? Kunt u toelichten hoe de structurele consultatie met de regeringen en lokale besturen van deze eilanden is vormgegeven in de aanloop naar de jaarlijkse COPs?
Het Koninkrijk der Nederlanden is als geheel verdragspartij bij het VN Raamverdrag inzake klimaatverandering (UNFCCC) en de Overeenkomst van Parijs. De Overeenkomst van Parijs is op internationaal niveau alleen voor Europees Nederland aanvaard. Dit betekent dat de territoriale gelding van de Overeenkomst van Parijs beperkt is tot het Europese deel van het Koninkrijk. De uit de verdragen voortvloeiende verplichtingen zijn dan ook alleen van toepassing op het Europese deel van het Koninkrijk. Ook de dataverzameling van broeikasgasemissies en de rapportage aan de UNFCCC en aan de Europese Commissie hebben alleen betrekking op het Europese deel van het Koninkrijk.
Het gehele jaar door vindt er op ambtelijk niveau overleg plaats met het Caribisch deel van het Koninkrijk, met een intensivering richting de COP. Alle zes de eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk worden gevraagd om een gezamenlijke inzet te formuleren voor de COP, die wordt opgenomen in de Koninkrijksinstructie. Deze inzet wordt op het hoogste niveau (ministerieel voor de landen en met de gezaghebber op de eilanden) afgestemd en geaccordeerd op de CAS-eilanden, de BES-eilanden en uiteindelijk in de Rijksministerraad. De zes Caribische delen van het Koninkrijk worden ook in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan de COP. Tijdens COP28 heeft bijvoorbeeld de MP van Curaçao deelgenomen en tijdens COP29 hebben de BES-gezant en ambtelijke vertegenwoordiging van Curaçao deelgenomen. Tijdens COP25 en COP26 is er ministeriële deelname geweest van respectievelijk Curaçao en Aruba. Tijdens COP21 is er op politiek niveau deelname geweest van alle drie de CAS-landen.
Erkent u dat «effectieve bescherming», zoals geëist in het vonnis, onmogelijk is zonder een structurele meerjarige financiering die direct aansluit op de lokale behoeften die aan de Klimaattafel zijn geformuleerd? Hoeveel extra middelen zijn er volgens u nodig, en hoeveel middelen zal het Rijk beschikbaar stellen en wanneer besluit u hierover?
Zoals in vraag 18 is toegelicht zullen de benodigde inspanningen genoemd die nodig zijn om Caribisch Nederland weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering verder uitgewerkt worden in het uitvoeringsprogramma bij de NAS. In dit proces worden ook de klimaatplannen van alle drie de BES eilanden betrokken.
Het uitvoeringsprogramma zal ook een financiële paragraaf bevatten waarin duidelijk wordt gemaakt wat de benodigde financiering is om dit uit te voeren. Zoals in antwoord 20 is toegelicht zullen de inspanningen gefinancierd worden vanuit de begrotingen van de daarvoor verantwoordelijke departementen. Afhankelijk van de type inspanning zal gekeken worden of hier structureel meerjarig financiering voor nodig is.
Op welke wijze beschermt het kabinet het cultureel erfgoed op de zuidpunt van Bonaire (zoals de slavenhuisjes) dat door de zeespiegelstijging reeds in 2050 dreigt te verdwijnen?
De Monumentenwet Bes vormt het kader voor beheer en behoud van cultureel erfgoed op Bonaire. Dit wordt nader ingevuld door de monumenteneilandsverordeningen. Binnen deze kaders is het de taak van het Openbare Lichaam Bonaire (OLB) om het cultureel erfgoed te beschermen, bijvoorbeeld door aanwijzing als monument en door ruimtelijke bescherming. Het Rijk ondersteunt daarbij. De huisjes van slaafgemaakten zijn door het OLB aangewezen als monument.
Onderzoek toont aan dat de huisjes van tot slaafgemaakten in 2050 dreigen te verdwijnen door zeespiegelstijging indien er geen maatregelen worden getroffen. De effecten van klimaatverandering op cultureel erfgoed zijn relatief nieuw en hangen sterk samen met andere opgaven zoals kustbescherming en natuur. Er zal daarom integraal verkend moeten worden wat passende maatregelen zijn en hoe dit in het klimaatbeleid van Bonaire past, zoals opgenomen in de ontwerp-NAS’26. Het Rijk ondersteunt het OLB hier bij.
Hoe waarborgt u dat inwoners van Bonaire en de Klimaattafel Bonaire een doorslaggevende stem krijgen in het nationale adaptatieplan dat uiterlijk in 2030 geïmplementeerd moet zijn?
De ontwerp NAS is momenteel ter inzage gelegd. De hoofdstukken over CN zijn vertaald naar het Engels en Papiaments, om de inspraak toegankelijk te maken voor de inwoners van Caribisch Nederland. Bonaire heeft een klimaatplan opgesteld waarbij veel aandacht is besteed aan de consultatie van de inwoners van het eiland. Dit klimaatplan vormt de basis voor de uitwerking naar prioriteiten en uitwerking.
Hoe zult u garanderen dat adaptatieprocessen op de BES-eilanden lokaal geleid kunnen worden?
Het ligt voor de hand dat maatregelen die lokaal genomen kunnen worden ook lokaal geleid zullen worden. Het opstellen van de eilandelijke klimaatplannen is dan ook in opdracht van de openbare lichamen gebeurd, met ondersteuning vanuit het Rijk. In die processen is ruime aandacht besteed aan lokale participatie. Daar waar er sprake is van grotere processen waar het Rijk in grotere mate bij betrokken is, zal dat altijd in nauwe afstemming zijn met de openbare lichamen.
Bent u bekend met de motie van de Eilandsraad van Bonaire, waarin het Bestuurscollege wordt opgeroepen om de Nederlandse Staat te houden aan de rechtskracht van het vonnis? Welke aspecten van deze motie gaat u uitvoeren? En kunt u toezeggen dat alle aanbevelingen die voortvloeien uit de motie van de Eilandsraad integraal onderdeel worden van de Nederlandse inzet tijdens de komende Klimaattop (COP), om Bonaire als internationaal voorbeeld van «Small Island Justice» te positioneren? Hoe beoordeelt u de passage in de motie die spreekt over de «historische schuld» en de plicht van Nederland om de kwetsbaarste delen van het Koninkrijk prioritair te beschermen?
Het kabinet is bekend met deze motie aan het Bestuurscollege. Bij de voorbereiding van het hoger beroep beziet het kabinet over welke onderdelen van de uitspraak er grieven worden ingediend. Voor de VN-klimaattop hanteren we de aanpak zoals beschreven in het antwoord op vraag 32. De CAS en BES formuleren hierbij hun inzet voor de COP, als onderdeel van de Koninkrijksinstructie. Op deze wijze nemen we de belangen van de Caribische delen van het Koninkrijk, en dus ook Bonaire, mee tijdens de COP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden voorafgaand aan het plenaire debat over het vonnis inzake de Bonaire Klimaatzaak?
Ja.
Windturbines en grensregio’s |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Deelt u dat bij windturbines net over de Duitse grens ook de Nederlandse Staat verantwoordelijk is voor naleving van Europese en internationale verplichtingen?
Zoals in eerdere Kamervragen toegelicht1, geldt er Europees en internationaal recht dat terug te vinden is in het Verdrag van Espoo en de EU-richtlijnen over milieueffectrapportage om aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van ruimtelijke plannen, zoals windturbines nabij de grens, zo goed mogelijk in beeld te brengen en buurlanden daarbij te betrekken. Zolang dit recht gevolgd wordt, is er logischerwijs geen reden tot ingrijpen door de nationale overheid en zijn landen soeverein. Daarbij geldt dat in Nederland elke overheidslaag zijn eigen bevoegdheden heeft. Het is in beginsel aan de betrokken medeoverheden om indien er een vermoeden is dat het Europees recht niet wordt nageleefd, hierop actie te ondernemen.
Op basis waarvan concludeert u dat geen sprake is van significante grensoverschrijdende milieueffecten bij windturbines van circa 250 meter hoog, op korte afstand van de Nederlandse grens?
Deze conclusie is niet aan het kabinet. In eerste instantie is de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten bij een Duits windproject aan het Duitse bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid voor de lokale fysieke leefomgeving in Nederland ligt in beginsel bij de medeoverheden. Indien een Nederlandse overheidsinstantie meent dat er sprake is van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten van een Duits mer-plichtig initiatief, kan zij dit bij het Duitse bevoegd gezag kenbaar maken. Hiernaast geldt dat de Nederlandse overheidsinstantie de Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan vragen contacten te onderhouden met de bevoegde Duitse autoriteiten indien het niet lukt om contact met hen te leggen aangaande een mer-plichtig initiatief of als het overleg hierover niet tot het gewenste resultaat heeft geleid.
Erkent u dat het Verdrag van Espoo en artikel 7 van de MER-richtlijn gelden zodra grensoverschrijdende effecten niet kunnen worden uitgesloten, los van nationale MER-drempels?
Op basis van het Verdrag van Espoo geldt een mer-plicht voor gespecificeerde activiteiten waarbij aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten niet kunnen worden uitgesloten. Daarnaast geldt op basis van de Europese mer-richtlijn een directe mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht voor bepaalde activiteiten. De uitkomst van een mer-beoordelingsplicht kan vervolgens ook leiden tot mer-plicht. Zowel de vereisten uit het Verdrag als uit de mer-richtlijn zijn omgezet in nationale regelgeving. Hierbij geldt dat het aan het bevoegd gezag van de mer-plichtige activiteit is om de beoordeling te maken of er sprake kan zijn van aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten. Alleen als uit de beoordeling volgt dat deze effecten niet kunnen worden uitgesloten, bieden het Verdrag en art. 7 van de mer-richtlijn verplichtingen rondom informatie-uitwisseling en overleg met een andere Verdragspartij.
Hoe beoordeelt u dat Nederlandse inwoners in de praktijk nauwelijks effectief kunnen participeren in Duitse procedures door taal-, kosten- en juridische drempels?
Participeren in Duitse procedures kan inderdaad complex zijn voor Nederlandse inwoners. Daarom is recent door de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) een speciale brochure2 opgesteld die inwoners van Nederland een overzicht geeft van de planningsprocessen in Duitsland, alsmede van wat de belangrijkste termen en bijzonderheden van het Duitse recht zijn. Ook verheldert de brochure welke rechten Nederlandse inwoners hebben volgens het Duitse recht, als het gaat om participatie en inspraak in de planningsprocessen.
Heeft het Rijk hierover overleg gevoerd met de provincie Overijssel, en zo ja wanneer en met welk resultaat richting Duitsland?
Er vindt vier maal per jaar overleg plaats tussen ambtenaren van de Nederlandse overheid, alle grensprovincies en ambtenaren van de Duitse deelstaten en grensregiobesturen in de NDCRO. Dit overleg is informerend en informeel van karakter en gaat over ruimtelijke plannen in het grensgebied. Tijdens dit overleg hebben de Nederlandse provincies de windmolens in het grensgebied aangekaart. De Duitse collega’s hebben uitleg gegeven over de uit te werken plannen van de Bondsregering en hoe de deelstaatregeringen hier vervolgens uitwerking aan dienen te geven. Daarnaast heeft het Rijk op ambtelijk niveau overleg met de Duitse Bondsregering over het gehele grensgebied tussen Duitsland en Nederland, waar ook gesproken is over de plaatsing van windmolens in het grensgebied. Hierbij hebben wij aangegeven wat het grensoverschrijdend effect is van de nationale beleidskeuzes van de Duitse Bondsregering. Hierop heeft Duitsland enkele zoeklocaties nabij de grens verplaatst.
Kunt u de verslagen hiervan aan ons doen toekomen?
Vanwege het informele karakter van deze overleggen worden er geen verslagen vastgesteld.
Deelt u dat overlegstructuren zoals de Nederlands Duitse Commissie Ruimtelijke Ordening (NDCRO) geen vervanging zijn voor juridisch afdwingbare verplichtingen uit het EU-milieurecht?
De NDCRO heeft inderdaad geen juridische status of beslisbevoegdheid. Dat is ook niet de doelstelling van het overleg. Hier brengt men elkaar op de hoogte van de ruimtelijke plannen en ontwikkelingen aan beide zijden van de grens en deelt men kennis inzake de ontwikkelingen en vraagstukken waar de partijen mee te maken hebben. Omdat de commissie het ook belangrijk vindt dat de betrokkenen aan de grens goed weten wat hun juridische rechten zijn, heeft de NDCRO voor inwoners van de Nederlandse grensstreek in de Nederlandse taal deze samengevat in de eerdergenoemde brochure.
Bent u bereid te komen tot een helder Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten ter bescherming van leefomgeving, inwoners en gemeenten?
We voorzien momenteel geen specifiek aanvullend Rijkskader voor grensoverschrijdende windprojecten. Bestaande afspraken, zoals het verdrag van Espoo, maken voldoende duidelijk aan welke eisen moet worden voldaan. Hier is een contactpunt voor ingericht om medeoverheden daar waar nodig te ondersteunen. Dit is online te vinden. Wel zijn en blijven we in gesprek met de grensprovincies om te bezien of, en zo ja op welke wijze, we hen nader kunnen ondersteunen.
En zo ja, per wanneer?
N.v.t.
En zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Zie hierboven.
Kunt u bevestigen dat nationaal en internationaal onderzoekers al bijna tien jaar waarschuwen dat het RCP8.5-scenario onwaarschijnlijk is en niet meer gebruikt zou moeten worden voor beleidsdoeleinden?1, 2, 3
Ja en nee. Het is in de laatste 10 jaar steeds duidelijker geworden dat het emissiescenario RCP8.5/SSP5-8.5 steeds onwaarschijnlijker is geworden maar het kan nog wel gebruikt worden, zie het antwoord op vraag 2.
Waarom heeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en in het verlengde daarvan het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) dit advies al die jaren in de wind geslagen
Emissiescenario's zijn geen klimaatscenario's. In de KNMI'23 klimaatscenario's is gebruik gemaakt van het hoge emissiescenario SSP5-8.5 om een hoog klimaatscenario af te leiden als worst-case scenario voor de effecten van klimaatverandering. Dit hoge klimaatscenario is ook mogelijk bij lagere emissies als het klimaat gevoeliger blijkt te reageren op een toename in broeikasgassen dan gedacht en/of als terugkoppelingen in de koolstofcyclus de CO2 concentratie sneller doet toenemen dan gedacht.
Kunt u bevestigen dat sinds de publicatie van dit RCP8.5-scenario in 2011 er wereldwijd naar schatting meer dan 100.000 wetenschappelijke artikelen zijn verschenen die gebruikmaken van dit scenario en een veelvoud aan media-uitingen?
Nee. De schatting van 100.000 betreft zowel artikelen waar het RCP8.5 wordt gebruikt als wordt gerefereerd en kan niet worden gecontroleerd. Het aantal artikelen waar het RCP8.5 scenario daadwerkelijk is gebruikt in de analyses ligt naar verwachting veel lager. Verder geldt dat in veel gevallen het RCP8.5 niet als enige scenario is gebruikt. Daar komt bij dat klimaatscenario’s op basis van het RCP8.5 emissiescenario veel zijn gebruikt om de mogelijke gevolgen van een klimaatverandering door te rekenen, specifiek om de worst-case situatie in kaart te brengen. Zie het antwoord bij vraag 2.
Hoe kijkt u daarop terug, nu blijkt dat dat scenario nooit plausibel is geweest?
Zie de antwoorden op vraag 2 en 3.
Kunt u bevestigen dat het midden-scenario voortaan als «business as usual» mag worden gezien/gebruikt?
Het te gebruiken scenario hangt af van de toepassing. Waarbij het te gebruiken scenario één van de aspecten is bij besluiten over te treffen maatregelen, en afhankelijk is van onder andere verwachte levensduur en mogelijkheden tot aanpassen in de toekomst van bijvoorbeeld waterkeringen.
Deelt u de mening dat op basis van het RCP8.5- (en diens opvolger het SSP5-8.5) scenario het IPCC, het KNMI en in het verlengde daarvan ook de Nederlandse overheid veel te alarmistisch zijn geweest over klimaatverandering?
Het hoge en lage KNMI'23 klimaatscenario geven de spreiding aan waarbinnen het Nederlandse klimaat zich waarschijnlijk gaat ontwikkelen. Het verloop van de emissies is daarbij afhankelijk van menselijke keuzes. Dat is de reden dat met verschillende scenario's wordt gewerkt, die de volledige bandbreedte aan mogelijkheden omvatten, zie ook de antwoorden op de voorgaande vragen.
Gaat u de overheidspagina over klimaatverandering met spoed herschrijven in het licht van de «nieuwe» inzichten omdat daar bijvoorbeeld nog staat dat de zeespiegel in 2100 wel 1,2 meter (of zelfs 2 meter) kan stijgen maar dat dit was gebaseerd op het RCP8.5-scenario?4
De daar beschreven verwachtingen zijn nog steeds mogelijk en schetsen een bandbreedte zoals uit de KNMI’23 klimaatscenario’s blijkt. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3.
Heeft u de reactie van het KNMI gezien5 op de nieuwe scenario’s en vindt u het acceptabel dat het instituut zelfs nu nog doet alsof er niets veranderd is dat hoewel het KNMI erkent dat RCP8.5 niet langer realistisch is, toch weigert haar eigen scenario’s, die op RCP8.5 gebaseerd zijn, aan te passen?
Ja. Echter, het KNMI stelt niet dat er niets veranderd is in de inzichten over emissiescenario’s. Wel gaf het KNMI al bij het uitbrengen van de KNMI’23 scenario’s aan dat de emissies van het RCP8.5 scenario onwaarschijnlijk waren. Maar gezien de onzekerheden in het vertalen van emissies naar klimaateffecten voor Nederland is ervoor gekozen om RCP8.5 te blijven gebruiken als worst-case scenario en daar is dit scenario ook nog steeds bruikbaar voor.
Misleidt het KNMI hiermee alle sectoren en (lagere) overheden die gebruikmaken van de KNMI-scenario’s en gedraagt het KNMI zich in Nederland daarmee niet veel te veel als eenoog Koning (een kennismonopolist)?
Het KNMI maakt afgewogen keuzes die gebaseerd zijn op wetenschappelijke gronden, ook ten aanzien van klimaatscenario's. Het KNMI is open in de communicatie van deze keuzes. KNMI maakt die keuzes dan ook niet in isolatie, de keuzes worden gemaakt in overleg met maatschappelijke partijen en getoetst door een internationaal panel van klimaatonderzoekers.
Hoe kan het dat het IPCC in haar zesde rapport in 2021 al waarschuwde dat RCP8.5 (en SSP5-8.5) niet langer plausibel was en het KNMI bij de 2023 klimaatscenario’s dit scenario toch gewoon weer inzette?6
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Kunt u het KNMI vragen met spoed en in het Engels een reactie te schrijven op de kritiek van Pielke Jr, aangezien de internationaal zeer goed in dit dossier ingevoerde onderzoeker Roger Pielke Jr op social media onmiddellijk de publieke reactie van het KNMI op de nieuwe scenario’s bekritiseerde7 en volgens hem de reactie van het KNMI diverse «onjuiste beweringen» zou bevatten en ook Volkskrant-journalist Maarten Keulemans constateerde dat op social media platform X8 wat natuurlijk zeer ernstig zou zijn voor een overheid die zelf zegt het bestrijden van mis- en desinformatie zo belangrijk te vinden?
Er is geen sprake van misinformatie. De inhoudelijke kritiekpunten worden beantwoord in het Klimaatbericht op de website van het KNMI en het wetenschappelijke artikel over de nieuwe emissiescenario’s. Het KNMI geeft aan dat de vragen die aan hen worden gesteld over dit onderwerp zullen worden beantwoord.
Kunt u ervoor zorgen dat het PBL, het KNMI en bewindslieden als uzelf voortaan de echte reden geven voor het verlaten van RCP8.5 en kunt bevestigen dat een belangrijk kritiekpunt van Pielke Jr klopt dat diverse onderzoekers, waaronder Detlef van Vuuren van het PBL, de eerste auteur van de nieuwe scenariopaper9, en ook het KNMI, ten onrechte beweren dat het «rampenscenario» is verlaten vanwege het succes van het beleid, met name het goedkoper worden van zonne- en windenergie en ook de Minister suggereerde dit in haar interview bij het programma Ongehoord Nieuws maar dat de werkelijke reden dat het «rampenscenario» is verlaten is dat de aannames erachter altijd al onrealistisch geweest zijn, namelijk een explosieve stijging van steenkoolgebruik in de 21e eeuw?
Gezien de feitelijke situatie zie ik hier geen aanleiding toe.
Kunt u laten onderzoeken hoe het mogelijk is geweest dat juist dit niet plausibele RCP8.5-scenario gebruikt werd als het enige referentie- of ook wel business-as-usual-scenario?
Nee. Dat is niet nodig, het RCP8.5 emissiescenario is niet door het KNMI als referentiescenario of business-as-usual scenario gebruikt maar als het hoog emissiescenario, naast een midden en laag emissiescenario. Daarbij gebruikt het KNMI de term referentiescenario in de regel niet.
Deelt u de mening dat RCP8.5 nooit als referentiescenario gelabeld had moeten worden en dat beleidsmakers daarmee jarenlang op het verkeerde been zijn gezet?
Zie het antwoord op vraag 13. In de communicatie over de KNMI'23 klimaatscenario's geeft het KNMI aan dat het hoge en lage klimaatscenario hoekpunten zijn, waarbinnen toekomstige klimaatverandering zich naar verwachting zal begeven.
Kunt u navragen en toelichten waarom het PBL het niet eens opportuun achtte om een persbericht de deur uit te doen, terwijl een PBL-medewerker eerste auteur van de internationale paper is waarmee de nieuwe IPCC-scenario’s zijn gelanceerd?
Dat is aan het PBL zelf. Zie het antwoord op vraag 2, het gaat niet om nieuwe IPCC scenario’s maar om de ontwikkeling van emissiescenario’s ten behoeve van een internationale vergelijkende modelanalyse van klimaateffecten.
Zou dit ook niet gebeurd zijn als het nieuwe hoogste scenario hoger uitgevallen zou zijn dan RCP8.5, met andere woorden als de boodschap had kunnen zijn «it is worse than we thought» en deelt u de mening dat dergelijke institutionele bias ongewenst is?
Dat kan ik niet beoordelen.
Kunt u bevesboektigen dat het nieuwe hoogste scenario CMIP7 High geen referentiescenario is en dus niet als zodanig gebruikt en gecommuniceerd moet worden?
Ja. Het nieuwe, hoogste emissiescenario is bruikbaar als hoog emissiescenario, waarin wordt verondersteld dat ingezet klimaatmitigatiebeleid wordt teruggedraaid. Het is dus geen referentiescenario, maar een mogelijk toekomstig scenario.
Kunt u bevestigen dat dit betekent dat toekomstig eventueel beleidssucces nooit gerelateerd kan worden aan dit scenario?
Ja. Waar het gaat om klimaatmitigatiebeleid.
Kunt u bevestigen dat het nieuwe hoge scenario (CMIP7 High) gebaseerd is op het SSP3-scenario en niet op het eerder gebruikte SSP5-scenario?
Ja.
Kunt u met spoed laten uitzoeken hoe het mogelijk is dat dit scenario uitgaat van een bevolkingstoename in 2100 van maar liefst 14,5 miljard mensen10, wat haaks staat op projecties van de VN (+/– 10 miljard in 2100) en het IMHE (+/– 9 miljard in 2100)?
De genoemde projecties van de VN en IHME zijn gemiddelde prognoses die het meest waarschijnlijk zijn, maar in de range van bevolkingsscenario’s komen ook hogere projecties voor: VN: 12–13 miljard; IHME: 14,5 miljard. Dit zijn worst case scenario’s waarbij de geboortecijfers in ontwikkelingsregio’s door blijvende armoede minder snel dalen.
Deelt u de mening dat het niet opnieuw moet gebeuren dat de klimaatgemeenschap tien jaar of langer gaat werken met scenario’s die uitgaan van achterhaalde aannames?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2. En bij het ontwikkelen van klimaatscenario’s wordt cyclisch gewerkt om nieuwe inzichten te verwerken.
Kunt u bevestigen onder de aanname van staand beleid («current policies») dat temperatuurprojecties in 2100 uitkomen op ongeveer 2,5 graden opwarming11 en als je dat zou combineren met realistischere aannames voor bevolkingsgroei en economische groei het tweegradendoel van Parijs zelfs haalbaar lijkt zonder aanvullend beleid?12
Nee. Volgens het meest recente UNEP Emissions Gap-rapport komen temperatuurprojecties met staand beleid uit op 2,8 (bandbreedte 2,1–3,9) °C in 2100 met een 66% kans. Aanvullend beleid is dus nodig om aan de klimaatdoelen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen.
Deelt u de mening dat er veel meer toezicht nodig is op de samenstelling en de werkwijze van de internationale commissie die de IPCC-scenario’s vaststelt, bijvoorbeeld omdat Roger Pielke Jr zijn zorgen heeft uitgesproken13 over de samenstelling en het gebrek aan toezicht op de internationale commissie en waar slechts twee instituten (IIASA en PIK) die commissie domineren en transparantie over wat er besproken wordt tijdens meetings volledig ontbreekt?
Het IPCC ontwikkelt geen scenario’s. Dat doen internationaal samenwerkende onderzoeksgroepen om hun modelanalyses vergelijkbaar te maken, zoals in het geval van de CMIP-scenario’s. IPCC beoordeelt in haar assessmentrapporten alleen de resultaten van scenario-analyses. Het wetenschappelijke artikel in kwestie is geschreven door 44 auteurs van 26 verschillende instituten, onder coördinatie van het World Climate Research Programme (WCRP). Er zijn geen redenen om aan te nemen dat dit proces onzorgvuldig zou zijn. De wetenschappers verantwoorden zich voor hun scenario’s en worden extern beoordeeld door collega wetenschappers bij publicatie in wetenschappelijke media, hiermee is wereldwijd de onafhankelijke wetenschappelijke peerreview geborgd. Het is niet gewenst dat beleidsmakers zich gaan bemoeien met welke scenario’s door de wetenschap dienen te worden gebruikt en welke niet.
Zo ja, wat gaat u internationaal doen om dat voor elkaar te krijgen?
Niet van toepassing, zie het antwoord op vraag 23.
Gaat u het KNMI nu de opdracht geven haar scenario’s op de nieuwste ontwikkelingen aan te passen en hiermee niet te wachten tot het KNMI volgens eigen planning pas in 2029 of 2030 met een update komt?
Op basis van de doorrekeningen van de nieuwe scenario’s zal het KNMI in 2030/2031 komen met een nieuwe set klimaatscenario’s voor Nederland, waarin dan ook de nieuwe IPCC-inzichten in de gevolgen van klimaatverandering wereldwijd worden meegenomen (bijvoorbeeld mate van zeespiegelstijging).
Kunt u de Kamer met spoed een eerste inventarisatie sturen van de projecten in Nederland die gebaseerd zijn op RCP8.5 en/of SSP5-8.5 zodat de Kamer kan zien hoe dit scenario heeft doorgewerkt in de samenleving?
Nee, ik zie daarvoor onvoldoende aanleiding. De Kamerbrief «KNMI ’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid» van 8 mei 2024 geeft reeds een uitgebreid overzicht. Het belangrijkste voorbeeld zijn namelijk de KNMI ’23-klimaatscenario’s. Door het KNMI worden meer specifieke klimaatscenario’s voor Nederland gemaakt; de meest recente versie komt uit 2023. Die scenario’s vormen de basis voor verder onderzoek en het beleid gericht op aanpassing aan klimaatverandering in Nederland. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in de Nationale Klimaatadaptatiestrategie, de Nationale Risicokaart, en de PBL-studie «Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving».
Kunt u in het bijzonder aangeven wat de consequenties zijn van de nieuwe inzichten voor het Nationaal Deltaprogramma waarin de Deltascenario’s 202414 voor 50% zijn gebaseerd op het nu geschrapte SSP5-8.5-scenario?
Het Deltaprogramma werkt niet met één enkel scenario, maar met meerdere scenario’s om een bandbreedte van mogelijke toekomstige ontwikkelingen in beeld te brengen. Zie ook het antwoord op vraag 6. De inzichten die met de huidige Deltascenario’s zijn opgedaan blijven relevant.
Betekenen de nieuwe inzichten dat we fors kunnen bezuinigen op het jaarlijkse budget voor het Deltaprogramma dat ongeveer 1,9 miljard euro bedraagt?
Nee. Investeren in onder andere bescherming tegen overstromingen en beschikbaarheid van zoetwater is voor Nederland als laaggelegen delta cruciaal, ook zonder klimaatverandering. Door klimaatverandering wordt de opgave groter, zo moet er bijvoorbeeld worden geïnvesteerd in gemalen omdat spuien minder vaak mogelijk is door de stijgende zeespiegel, en zijn er door het optreden van droogte in afgelopen jaren grote gevolgen voor onder andere de landbouw en de natuur. De nieuwe inzichten betekenen dus niet dat de opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwaterbeschikbaarheid en klimaatadaptatie verdwijnen. Er is daarom geen aanleiding om te concluderen dat op het Deltaprogramma kan worden bezuinigd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het artikel «Energiezuinige warmtepomp dreigt fors duurder te worden, vooral voor huishoudens die flink verduurzamen: «Een grote strategische fout»», waarin zorgen worden geuit over stijgende kosten voor warmtepompen door flexibele nettarieven voor kleinverbruikers?1
Ja, dit artikel is mij bekend.
Voorziet u dat de verwachte prijsstijging zal zorgen voor een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een warmtepomp?
Ik snap de zorgen dat een aanpassing van de nettarieven zou kunnen leiden tot een remmend effect op de bereidheid van huishoudens om over te stappen op een (hybride) warmtepomp. Huishoudens met een (hybride) warmtepomp verbruiken doorgaans meer elektriciteit dan huishoudens die nog verwarmen met aardgas of op een warmtenet zijn aangesloten. Met het voorstel om de nettarieven voor kleinverbruikers te differentiëren gaan huishoudens die meer elektriciteit verbruiken hogere netkosten betalen. Het voorgestelde nettarief varieert daarnaast op het moment van de dag. Dit geeft een prikkel om het verbruik van elektriciteit waar mogelijk te verschuiven naar de rustigere momenten op het net, waarvoor lagere tarieven gelden. Daarbij kunnen huishoudens voor een deel hun kosten weer beperken. Minder hoge verbruikspieken bespaart bovendien weer veel investeringen wat stijging van de nettarieven dempt. Hoeveel huishoudens met een warmtepomp daadwerkelijk meer gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt dus af van hoeveel elektriciteit zij verbruiken en wanneer zij dit verbruiken.
Momenteel wordt door Berenschot in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat een onderzoek uitgevoerd naar de financiële effecten van de tijdsafhankelijke nettarieven op verschillende typen huishoudens. Ik zal deze effecten ook bezien in context van de volledige energierekening. De onderzoeksresultaten worden naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld.
Besluitvorming over de nettarieven is aan de ACM. Naar verwachting zal de ACM in het beoordelingstraject van het codewijzigingsvoorstel ook de lengte van de tijdsblokken en het effect daarvan op het handelingsperspectief van huishoudens met een warmtepomp betrekken. Het ontwerpbesluit van de ACM zal bovendien ook worden geconsulteerd. Bovendien heeft de ACM in haar brief aan uw Kamer over volume- en tijdsafhankelijke nettarieven van 10 juni jl. ook aangegeven bereid te zijn om na de zomer een technische briefing te geven aan de Tweede Kamer over dit ontwerpbesluit.
Hoe waarborgt u dat congestieverlichtende maatregelen niet ten koste gaan van verduurzaming?
Congestieverlichtende maatregelen, zoals tijdsafhankelijke nettarieven, leiden tot een betere benutting van het elektriciteitsnet. Dat creëert juist ruimte op het elektriciteitsnet voor verduurzaming via elektrificatie. Bovendien worden mensen met tijdsafhankelijke nettarieven beloond voor gebruik op rustige momenten op het net. Daarnaast zorgt een slimmere benutting van het net ervoor dat er minder netuitbreidingen nodig zijn waardoor de totale netkosten minder toenemen. Dit draagt bij aan de betaalbaarheid van de netten voor alle gebruikers op lange termijn en daarmee ook aan de verduurzaming. Het is dan wel wenselijk dat huishoudens voldoende handelingsperspectief hebben om hun gebruik te schuiven.
U vraagt terecht aandacht voor een goede balans tussen verschillende maatregelen. We blijven er op sturen dat de financiële prikkels goed afgesteld staan om ook de verduurzaming te stimuleren, waaronder via elektrificatie. Uiteindelijk moet elk gebouw in Nederland aardgasvrij worden verwarmd. Het kabinet ziet de warmtepomp als een belangrijke techniek voor het verduurzamen van woningen en gebouwen. Het is daarom belangrijk dat een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft als verduurzamingsoptie voor ruimteverwarming. Hierbij zijn niet alleen de netkosten bepalend maar ook de aanschafkosten, leveringstarieven en energiebelasting in vergelijking met de kosten van alternatieven zoals gas of warmtenet.
Hoe waarborgt u dat warmtepompen ook in de toekomst kunnen blijven bijdragen aan een slim en flexibel energiesysteem?
Samen met de netbeheerders en de ACM zijn er in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN) al verschillende acties in gang gezet, gericht op het gebruik van slimme apparaten om piekmomenten te vermijden. Zo werkt de Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) in opdracht van het kabinet aan een Nederlands Technische Afspraak (NTA) voor slimme warmtepompen. Deze NTA wordt naar verwachting vanaf 2028, wanneer de NTA en bijbehorende certificering gereed zijn, geïmplementeerd via de voorwaarden voor de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE).
Hoe waarborgt u dat huishoudens die reeds in een warmtepomp hebben geïnvesteerd niet door wijzigingen in nettarieven geconfronteerd worden met fors stijgende kosten?
De nettarieven voor elektriciteit zullen de komende jaren voor iedereen stijgen in verband met de investeringen in het elektriciteitsnet die nodig zijn voor de energietransitie. De voorgestelde tariefwijzigingen dragen bij aan het zo laag mogelijk houden van deze kosten en een meer evenwichtige verdeling er van. Dit vormt bovendien een extra prikkel voor de markt om innovatieve oplossingen aan te bieden waarmee ook al geïnstalleerde warmtepompen kunnen reageren op dynamische tarieven.
Hoeveel huishoudens met een warmtepomp door wijzigingen in nettarieven meer zullen gaan betalen dan onder het huidige nettarief hangt af van de hoeveelheid elektriciteit die zij precies gebruiken en wanneer zij dit gebruiken. Zoals ook aangegeven bij de beantwoording van vraag 2 moet goed worden gekeken naar de juiste prikkels zodat dat het gebruik van een (hybride) warmtepomp aantrekkelijk blijft.
Hoe reflecteert u op het risico dat juist huishoudens die verduurzamen financieel zwaarder worden belast?
We gebruiken steeds vaker elektriciteit om te koken, onze huizen te verwarmen of de auto op te laden. Daardoor wordt het elektriciteitsnet zwaarder belast. Op dit moment betalen alle huishoudens jaarlijks hetzelfde bedrag aan de netbeheerder: een vast nettarief. Een huishouden in een vrijstaande woning met een warmtepomp en een eigen laadpaal voor de elektrische auto betaalt nu dus evenveel voor het gebruik van het elektriciteitsnet als een huishouden in een klein appartement met cv-ketel of warmtenet en zonder laadpaal. Het beoogde nettarief heeft tot doel de stijgende kosten voor het elektriciteitsnet meer evenredig te verdelen en slim netgebruik te belonen. Naast de nettarieven wordt gekeken naar de ontwikkeling van de totale energielasten. Zo betalen huishoudens met een volledige elektrische warmtepomp bijvoorbeeld geen netkosten meer voor aardgas. Ook zal naar verwachting de rekening voor huishoudens met een gasaansluiting de komende jaren stijgen. We blijven erop sturen dat de financiële prikkels in die kostenmix goed afgesteld staan om duurzame warmte, waaronder elektrificatie, te stimuleren. Momenteel worden de financiële effecten voor verschillende typen huishoudens in kaart gebracht. Voor meer informatie hierover, zie de beantwoording van vraag 2.
Bent u bereid hierover in gesprek te gaan met de netbeheerders en Autoriteit Consument & Markt (ACM)?
De ACM is exclusief bevoegd om nettarieven vast te stellen. De ACM heeft het voorstel van de netbeheerders nu in behandeling en zal daar – na een consultatieronde – een besluit overnemen. In overleg met het kabinet en de ACM hebben de netbeheerders eerder op verzoek van de Tweede Kamer hun voorstel voor een nieuw nettariefstelsel reeds aangepast (zie Kamerbrief aanpak netcongestie van 6 oktober 2025). Het kabinet is verantwoordelijk voor flankerend beleid om de wijziging van het nettarief stelsel waar nodig te ondersteunen.
Bent u bereid gerichte maatregelen te nemen indien warmtepompeigenaren fors hogere netkosten krijgen?
De overstap naar een warmtepomp moet een aantrekkelijke verduurzamingsoptie blijven. Dit is echter niet alleen afhankelijk van de netkosten, maar van de combinatie van aanschaf, nettarieven, leveringstarieven en energiebelasting. Of er maatregelen nodig zijn, moet dan ook worden bezien vanuit dit totale kostenplaatje voor warmtepompen in verhouding tot alternatieve vormen van ruimteverwarming. Uitgangspunt is dat verduurzaming van de woning aantrekkelijk blijft. Het kabinet monitort de hoogte van de energierekening continu.
Hoe beoordeelt u voorstellen, zoals een flexbonus, die huishoudens stimuleren warmtepompen te combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen?
Het is een goede ontwikkeling dat huishoudens warmtepompen steeds vaker combineren met zonnepanelen, opslag of slimme aansturing om zowel de energierekening als de belasting van het stroomnet te verlagen. Zodra er meer zicht is op de terugverdientijd en businesscase voor warmtepompen (voor meer informatie over het onderzoek, zie antwoord bij vraag 2), zal worden bezien of, en zo ja, welke extra maatregelen nodig zijn om de overstap naar warmtepompen aantrekkelijk te houden. Daarnaast zet ik in op een verbeterde informatievoorziening aan consumenten over de mogelijkheden, bijvoorbeeld via de landelijke Zet ook de knop om campagnes vanuit de Rijksoverheid en de informatievoorziening door Milieu Centraal over bijvoorbeeld de praktische mogelijkheden van slim energieverbruik en van hoger eigen verbruik van zelf opgewekte energie.
Kunt u toezeggen de Kamer voor de ACM de tarieven definitief vaststelt te informeren over de verwachte invloed van flexibele nettarieven op de terugverdientijd en businesscase van warmtepompen?
Ja, zoals aangegeven in de beantwoording bij vraag 2 worden de onderzoeksresultaten van het Berenschot onderzoek naar verwachting dit najaar met uw Kamer gedeeld. De ACM verwacht eind dit jaar een definitief besluit te nemen over het nieuwe tariefstelsel. Gezien de benodigde implementatietijd kan het nieuwe stelsel in 2029 ingevoerd worden, wat betekent dat de ACM in 2028 de hoogte van de tarieven voor 2029 definitief vaststelt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Data en normen windturbines op land |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aantonen dat de jaargemiddelde geluidsnorm (Lden) een aantoonbare relatie heeft met feitelijke hinder en slaapverstoring van omwonenden?
Ja, er zijn internationaal meerdere studies gedaan (o.a. in Nederland, Zweden en Canada) waarin een directe relatie is vastgesteld tussen geluid van windturbines (uitgedrukt in Lden) en de kans op ernstige hinder. Voor slaapverstoring is het beeld niet eenduidig, hiervoor wordt soms een relatie gevonden en soms niet.
Op welke recente datasets zijn de gehanteerde bron-hinderrelaties gebaseerd, en zijn deze representatief voor moderne windturbines van >150 meter?
In het plan-milieueffectrapport (planMER) is de stand van de kennis over de relatie tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Hierbij zijn de beschikbare wetenschappelijke onderzoeken meegenomen en is een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten van de verschillende onderzoeken. Daarbij is onderzocht of de eerdere uitgangpunten gericht op de Nederlandse en Europese context (Nederlands en Zweeds onderzoek) nog van toepassing zijn. Een vergelijking met meer recente internationale hinderrelaties laat geen wezenlijke verschillen in uitkomsten zien. Overigens is het niet zo dat moderne hogere windturbines noodzakelijkerwijs gepaard gaan met meer geluid. Daar waar dat wel het geval is, zal de geluidsnorm bescherming bieden tegen te hoge geluidniveaus.
Kunt u voorbeelden geven van Nederlandse veldstudies waarin modelberekeningen zijn gevalideerd met gemeten hinder bij omwonenden?
In een Nederlandse veldstudie, die is opgenomen in de hinderrelatie zoals gehanteerd in de geluidnormering voor windturbines in 20111, zijn omwonenden van windturbines bevraagd over hun ervaren hinder. Deze gegevens zijn gekoppeld aan modelberekeningen voor het windturbinegeluid bij hun woning om voor elk geluidniveau te kunnen bepalen wat de bijbehorende kans op ernstige hinder is. Deze manier om de relatie tussen geluidniveaus en hinder vast te stellen komt overeen met de methode die gebruikt is in ander internationaal onderzoek naar geluidhinder, zowel door windturbines als door andere geluidbronnen. Het RIVM voert momenteel een soortgelijk (blootstelling-respons) onderzoek uit naar hinder en slaapverstoring door windturbinegeluid in de Nederlandse context, waarvan de resultaten eind 2026 worden verwacht.
Hoe is in de planMER rekening gehouden met nachtelijke piekbelasting en hinderincidenten per nacht en per seizoen?
In het planMER is een uitgebreide analyse gedaan naar hoe de jaargemiddelde geluidmaat zich verhoudt tot het maximale geluid dat kan optreden gedurende een korte periode. Deze analyse laat zien dat dit maximale geluid een min of meer vaste relatie heeft met het jaargemiddelde geluid, met een variatie van 2 dB die afhankelijk is van het type windturbine en de lokale windsnelheidsverdeling. Een jaargemiddelde geluidnorm beperkt dus bij voorbaat ook het maximale geluid dat kan optreden gedurende de nacht, evenals het aantal keer of de tijdsduur dat het naar verwachting (op basis van de lokale windsnelheidsverdeling) zal optreden.
Erkent u dat gemiddelde meetdata piekgeluid en hinderincidenten onvoldoende zichtbaar maken?
Nee, dat onderschrijf ik niet. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 4, hangt het maximale geluidniveau bij woningen (de piekbelasting) rechtstreeks samen met het jaargemiddelde geluid. Het jaargemiddelde geluid wordt overigens niet direct gemeten, maar berekend op basis van het eenvoudig te meten geluid dat de windturbine voortbrengt bij verschillende windsnelheden. Bij hinder of klachten kan via metingen bij de windturbine worden nagegaan of dit geluid vanuit de bron overeenkomt met dat waarop de jaargemiddelde geluidberekening is gebaseerd.
Kunt u aantonen dat de voorgestelde normen minimaal hetzelfde beschermingsniveau bieden als afstandsnormen zoals in Denemarken?
De afstandsnorm die in Denemarken wordt gehanteerd is niet gericht op de bescherming tegen geluid, daartoe dienen de geluidnormen. Een afstandsnorm is geen geschikt middel om tegen windturbinegeluid te beschermen, omdat het geluid zeer sterk kan verschillen op een bepaalde vaste afstand. De Deense afstandsnorm van 4 x de tiphoogte beoogt de visuele hinder door onder andere lichtschitteringen en slagschaduw te beperken. In Nederland worden de effecten van lichtschittering en slagschaduw met technische maatregelen tegengegaan.
Kunt u onderbouwen dat de nieuwe normering leidt tot gelijke of lagere feitelijke hinder dan de Handreiking industrielawaai (1998)?
Bij de wijziging van de regelgeving voor windturbines in het Activiteitenbesluit in 20111 werd in plaats van de eerder gehanteerde Handreiking Industrielawaai een nieuwe berekeningsmethodiek voor windturbinegeluid ingevoerd. Uit berekeningen met deze nieuwe methodiek volgde dat de eerdere normstelling omgerekend overeenkwam met een aangepaste norm van 47 dB Lden. De normering bleef daarmee in lijn met de uitvoeringspraktijk van de voorgaande jaren. In het nieuwe ontwerpbesluit voor windturbines is een standaardwaarde van 45 dB Lden voorgesteld, in combinatie met een grenswaarde van 47 dB Lden. Daarmee zou een betere (tot gelijke) bescherming tegen hinder worden geboden dan voorheen.
Waarom is geen volwaardige vergelijking gemaakt tussen de huidige normering en alternatieven, zoals strengere afstandsnormen of andere meetmethoden?
In het planMER is een volwaardige vergelijking gemaakt tussen alternatieven, waaronder varianten van de geluidnormen en verschillende afstandsnormen. Daarnaast is de handhaafbaarheid via de meetmethode beschouwd en zijn aanbevelingen gedaan tot verduidelijking, met name in de uitleg hiervan. Deze inzichten zijn meegenomen in de uitwerking van het ontwerpvoorstel voor regelgeving.
Hoe is geborgd dat effecten van slijtage en veroudering van windturbines zijn meegenomen in de beoordeling van hinder en geluid?
Wanneer slijtage of veroudering van windturbines leidt tot overmatige hinder en klachten over geluid, kan het bevoegd gezag een meting eisen van de exploitant. Met deze meting van het bronvermogen van de windturbine kan worden nagegaan of het geluid dat de windturbine voorbrengt nog overeenkomt met dat waarop de oorspronkelijke geluidberekening in Lden voor toetsing aan de norm is gebaseerd. Zo niet, dan kan het zijn dat de norm wordt overschreden en er (technische of operationele) maatregelen moeten worden getroffen.
Kunt u uitsluiten dat de normering vooral gebaseerd is op modelaannames zonder voldoende empirische onderbouwing bij omwonenden?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1, 2 en 3 is de normering gebaseerd op empirisch onderzoek naar ervaren hinder door omwonenden van windturbines en dus niet op modelaannames zonder voldoende empirische onderbouwing.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De stapeling van overtredingen en niet voldoen aan wet- en regelgeving door Tata Steel |
|
Christine Teunissen (PvdD), Ines Kostić (PvdD) |
|
Bertram , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Wanneer heeft u de brief die de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) op 23 april 2026 naar Tata Steel verstuurde, die ziet op de intrekking van de vergunningen voor de Kooksgasfabrieken (KGF) 1 en 2, ontvangen?
De Ministeries van EZK en IenW hebben de brief op 23 april 2026 ter informatie ontvangen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG).
Wanneer wist u dat de ODNZKG voornemens was de vergunningen van de KGF 1 en 2 in te trekken? Kunt u aangeven of dit voor of na het plenaire debat van 7 april jl. was?
De ministeries zijn op 20 april jl. mondeling vertrouwelijk geïnformeerd over de situatie. Dat is dus na het plenaire debat van 7 april 2026. Voor Kooksgasfabriek 2 geldt dat de OD NZKG al eerder heeft aangegeven intrekking van de vergunning te overwegen, daar liep immers al een aanzeggingsprocedure.5
Indien u de brief op hetzelfde moment of rond dezelfde tijd ontving: waarom heeft u die brief dan niet meteen met de Kamer gedeeld?
Vergunningverlening, toezicht en handhaving zijn aan het bevoegd gezag, de provincie Noord-Holland en de door haar gemandateerde OD NZKG. Het is dan ook allereerst aan de provincie en de OD NZKG om publiekelijk te informeren over stappen op dit gebied. De Kamer is steeds zo snel mogelijk daarna geïnformeerd in het kader van het maatwerktraject, bijvoorbeeld met de brief van 19 mei jl.6
Bent u het ermee eens dat de Staat zeer zorgvuldig en terughoudend moet omgaan met het uitgeven van geld van burgers aan een commercieel, Indiaas bedrijf, al helemaal in tijden waarin het kabinet kiest voor harde bezuinigingen op o.a. de Nederlandse zorg? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het (algemene) principe dat er zeer zorgvuldig omgegaan moet worden met de besteding van middelen. Het kabinet heeft de intentie om deze subsidie te verstrekken aan Tata Steel Nederland omdat verduurzaming van het bedrijf hiermee mogelijk wordt gemaakt en dit tot positieve effecten voor het klimaat en het milieu leidt. Het kabinet toetst de haalbaarheid van de plannen en de businesscase van het bedrijf (doorlopend) zorgvuldig en maakt hierbij ook gebruik van externe deskundigen. In de uiteindelijke overeenkomst zullen allerlei (financiële) zekerheden door de staat gevraagd worden aan TSN. Voor de staat is het essentieel dat de ondersteuning gebruikt gaat worden voor het beoogde doel: gezondheidswinst en verduurzaming van de productiefaciliteit.
Weet u nog dat de Partij voor de Dieren in debatten en in schriftelijke vragen van de afgelopen jaren de regering er meermaals op heeft gewezen dat Tata Steel zich al jaren niet houdt aan wet- en regelgeving en dat er een grote kans bestaat dat niet alleen KGF 2, maar ook KGF 1 gedwongen dicht moet, dat dat het plan waar de Staat over aan het onderhandelen is zou veranderen en dat geld geven aan Tata Steel een extra risico vormt voor de belastingbetaler? Zo ja, bent u het ermee eens dat deze signalen te licht zijn opgevat in het verleden, en hoe gaat u ervoor zorgen dat dit soort signalen in de toekomst evenwichtig worden meegenomen?
Het kabinet is zich bewust van de diverse handhavingszaken die bij het bedrijf lopen. Hierover is de Kamer in de afgelopen jaren ook regelmatig geïnformeerd.7
Het is mede om die reden dat het kabinet in de Joint Letter of Intent (JLoI) specifieke afspraken overeen is gekomen op het gebied van compliance en cultuur. Zo is in artikel 12.4 van de JLoI vastgelegd dat het bedrijf een cultuurverandering moet doormaken en de control en compliance van haar operaties moet verbeteren. TSN moet hiervoor een plan aanleveren bij de staat. Dit plan wordt extern getoetst. Dit is belangrijk om tot een maatwerkafspraak te komen en het kabinet is hier dan ook intensief over in gesprek met het bedrijf. Daarnaast zijn in de JLoI ook afspraken vastgelegd met als doel om de (financiële) risico's voor de staat te minimaliseren.
Zoals in de eerdere Kamerbrief aangegeven8 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Bent het ermee eens – tegen de achtergrond dat de omgevingsdienst overgaat tot intrekking van de vergunningen voor beide kooksfabrieken, omdat Tata Steel de normen stelselmatig jarenlang overschrijdt en er geen reden is om te veronderstellen dat dat nog gaat veranderen – dat er in lijn met de Joint Letter of Intent (JLoI) art.15.3 (d) sprake is van een (potentiële) opzeggingsgrond? Waarom wel/niet?
Bedrijven in Nederland moeten zich aan de wet houden, ook TSN. Ondanks dat handhaving en toezicht hierop primair bij het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Noord-Holland – ligt, is compliance van TSN van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4.
Zoals opgenomen in het antwoord op vraag 5 moet TSN een plan aanleveren bij de staat voor het verbeteren van de compliance en cultuur. Dit plan wordt extern getoetst. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Bent u voornemens deze opzeggingsgrond aan te wenden om de inspanningsverplichting te stoppen, aangezien in de kabinetsbrief van 7 april jl. (Kamerstuk 28 089, nr. 350) wordt gesteld dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft»? Zo nee, kunt u dat heel nauwkeurig onderbouwen?
Zie antwoord vraag 6.
Wat gebeurt er op het moment dat uit het lopende strafrechtelijk onderzoek1 blijkt dat Tata Steel opzettelijk en onrechtmatig de gezondheid van mensen in gevaar heeft gebracht? Welke invloed heeft het lopende onderzoek op de gesprekken over de maatwerkafspraken?
Hoewel de vraag begrijpelijk is, kan het kabinet niet vooruitlopen op de mogelijke uitkomsten van een onafhankelijk strafrechtelijk onderzoek en/of strafrechtelijke vervolging. Het kabinet hecht zeer aan het naleven van wet- en regelgeving door alle burgers en bedrijven. Daarom gelden bepaalde uitkomsten van onderzoeken en strafrechtelijke veroordelingen ook als mogelijke opzeggrond voor de JLoI. Bij de vormgeving van de definitieve maatwerkafspraak wordt hier rekening mee gehouden.
Kunt u bevestigen dat er geen enkele invloed op de ILT en de ILT-IOD, direct of indirect, wordt uitgeoefend vanuit het ministerie in hun werk rondom Tata Steel en dat de instanties onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraken tot hun oordeel kunnen komen?
De ILT en ILT-IOD doen hun onderzoek onafhankelijk en kunnen dus ook onafhankelijk van de gesprekken over de maatwerkafspraak tot hun oordeel komen.
Bent u ermee bekend dat experts zeggen dat KGF 2 zo verouderd is dat het al in de jaren negentig gesloten had moeten worden, maar dat het nooit gebeurd is, omdat kortetermijnwinst belangrijker werd geacht dan de gezondheid voor omwonenden?
Het kabinet verwijst hiervoor naar eerdere antwoorden op schriftelijke vragen uit 2023.10 Zie verder het antwoord op vraag 5 t/m 7.
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het stilleggen van een bedrijfsonderdeel door Tata Steel op verzoek van de toezichthouder, omdat na metingen is gebleken dat het te veel van de kankerverwekkende stof chroom-6 uitstoot? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overschrijden van verschillende normen voor gevaarlijke stoffen bij de Sinterfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het overtreden van regels bij de Oxystaalfabriek door Tata Steel? Wanneer moet Tata dit hebben opgelost volgens u, om in aanmerking te komen voor geld van de Nederlandse belastingbetaler?
Welke invloed op de maatwerkafspraakgesprekken heeft het feit dat de toezichthouder heeft geconstateerd dat Tata Steel toezicht en controles belemmert en vertraagt? Welke consequenties zijn er vanuit het kabinet richting Tata Steel als belemmering en vertraging van de toezichthoudende taken nogmaals worden geconstateerd?
Wat vindt u ervan dat de omgevingsdienst al in 2025 heeft geconstateerd dat Tata Steel een aanzienlijk hogere uitstoot van schadelijke stoffen rapporteert in het elektronisch milieujaarverslag (e-MJV) van 2024 ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de omgevingsdienst nog steeds geen goede verklaring voor deze veel hogere uitstoot heeft ontvangen van Tata Steel? Wat zegt dit over de bedrijfscultuur en betrouwbaarheid van Tata Steel?
De OD NZKG is vaker eigen metingen gaan uitvoeren en heeft daarmee meer inzicht gekregen in de emissies van het bedrijf. Zo heeft de OD NZKG in 2024 stoffen gemeten die niet eerder door Tata Steel zijn gemeten of gerapporteerd. Ook meet de OD NZKG op meerdere plaatsen op andere manieren dan het staalbedrijf dat zelf eerder heeft gedaan. Tata Steel heeft deze nieuwe metingen op aandringen van de OD NZKG meegenomen in het e-MJV over 2024. Er kunnen ook andere oorzaken zijn voor verschillen tussen uitstootgegevens, bijvoorbeeld wijzigingen in de productie- of procesomstandigheden van de fabriek.
Verder is het noodzakelijk dat Tata Steel zich open en transparant opstelt om te voorkomen dat dit soort zaken zich in de toekomst opnieuw voordoen. Dit is ook afgesproken in artikel 8.2 van de JLoI, waarin Tata Steel zich heeft gecommitteerd om te onderzoeken hoe onafhankelijke en transparante monitoring versterkt kan worden.
Klopt het dat Tata Steel tot nu toe meer dan 25 miljoen euro aan boetes heeft moeten betalen voor het overtreden van regels? Zo nee, wat is het bedrag precies?
Navraag bij de OD NZKG levert op dat Tata Steel in de periode 2025–2026 € 22.215.000 aan dwangsommen heeft voldaan. Op de website van de OD NZKG is een overzicht te zien van alle handhavingsacties, zo ook het verbeuren van dwangsommen.12
Wat vindt u van de cultuur van het buitenlandse bedrijf, dat zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt, handhaving en toezicht traineert en belemmert, onvolledige of misleidende cijfers en informatie deelt, door de toezichthouder «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, en onvoldoende en ontijdig heeft geïnvesteerd in gezonde bedrijfsvoering en onderhoud?
Een goede cultuur is van belang om compliant te kunnen zijn met regelgeving. De cultuurverandering die in de JLoI (artikel 12.4) genoemd wordt, moet eraan bijdragen dat het bedrijf zich proactief en transparant opstelt in het voldoen aan de wet- en regelgeving. Zie hiervoor ook antwoord 5 t/m 7.
Welke risico’s voor de maatwerkafspraken, de Staat en de belastingbetaler zijn er door de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving (waarvan een aantal in vorige vragen genoemd), de bovengeschetste cultuur van het bedrijf en door de lopende rechtszaken? Kunt u met de Kamer delen welke adviezen u daarover heeft ontvangen?
Het kabinet zal een analyse van de juridische consequenties en risico’s voor de staat van (bepaalde bepalingen uit) de maatwerkafspraken laten uitvoeren door een externe juridisch adviseur. Dat is conform de motie Van Oosterhout en Kostic,13 ingediend tijdens het debat over de JLoI met Tata Steel op 7 april jl. Deze analyse is op dit moment nog niet beschikbaar. Voor het belang van een transparant en compliant bedrijf, zie antwoorden op de vragen 5 t/m 7.
Kunt u uitgebreid uitleggen en onderbouwen hoe u de stapeling van alle schendingen van wet- en regelgeving en lopende onderzoeken en rechtszaken beoordeelt vanuit art.15.3 van de JLoI?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met deze situatie.
Aangezien u eerder schreef dat bij het sluiten van een maatwerkafspraak het «van groot belang is dat het bedrijf wet- en regelgeving naleeft», en Tata Steel zich al jaren niet aan wet- en regelgeving houdt, tot wanneer precies geeft u Tata Steel de tijd om eindelijk aan de wet- en regelgeving te voldoen?
In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet hiermee omgaat.
Kunt u uitsluiten dat u een maatwerkafspraak maakt met Tata Steel, als het bedrijf zich nog steeds niet aan wet- en regelgeving kan houden? Zo nee, wat is dan uw uitspraak over het belang van naleving van wet- en regelgeving waard?
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van vragen 6 en 7 dienen bedrijven in Nederland zich aan de wet te houden, ook TSN. Compliance van TSN is van groot belang voor het kabinet en om die reden is dit ook expliciet opgenomen in de JLoI, bijvoorbeeld in artikel 12.4. Als er ontwikkelingen op het gebied van handhaving- en toezicht, de uitkomsten van bovengenoemde onderzoeken zijn en dit invloed heeft op de conclusies die het kabinet hieraan verbindt (mede in het licht van artikel 15.3), wordt de Kamer hiervan op de hoogte gebracht. Op dit moment kan hier niet op vooruit worden gelopen.
Aangezien Tata Steel zich jarenlang, structureel, niet aan wet- en regelgeving houdt en door toezichthouders «calculerend en opportunistisch» wordt genoemd, welk signaal denkt u dat het afgeeft dat de Staat alsnog bereid is om zo’n bedrijf belastinggeld te geven? Waarom zou u Tata Steel belonen voor het jarenlang overtreden van regels, het traineren van handhaving en toezicht, het onvoldoende investeren in onderhoud en tijdige vervanging van fabrieken en het uitstoten van te veel kankerverwekkende stoffen waar mensen aantoonbaar ziek van worden?
De maatwerkafspraak waarover het kabinet onderhandelt met Tata Steel dient ertoe afspraken met het bedrijf te maken om te komen tot CO2-reductie en verbetering van de leefomgeving voor gezondheid van omwonenden. Dit is de snelste manier om, binnen een bredere belangenafweging, tot een verbetering van de leefomgeving rond het bedrijf en klimaatwinst te komen.
Zoals eerder in deze beantwoording al benoemd is onderdeel van de JLoI het verbeteren van de cultuur en compliance. In het antwoord op de vragen 5 t/m 7 is uitgebreid toegelicht hoe het kabinet omgaat met dit onderwerp.
Hoe beïnvloedt het vroegtijdig sluiten van KGF 2 en met name KGF 1 de levensvatbaarheid van de plannen zoals vastgelegd in de JLoI, aangezien het originele plan op basis waarvan de Staat de onderhandelingen in is gegaan, uitgaat van het nog jarenlang openhouden van KGF 1? Op welke onafhankelijke experts baseert u zich hierin?
Zoals eerder aangegeven14 wordt onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft.
Zoals bekend toetst het kabinet of de plannen van het bedrijf haalbaar zijn en leiden tot een levensvatbaar bedrijf. De staat heeft experts ingehuurd om de voorstellen en businesscase juridisch, technisch en financieel te toetsten, zoals KPMG en Mott Macdonald. Ook de Europese Commissie (EC) hanteert als uitgangspunt voor steunverlening dat een bedrijf economisch levensvatbaar moet zijn.
Hoe ziet het plan van Tata er dan nu precies uit, welke wijzigingen zijn/worden gemaakt ten opzichte van het plan op basis waarvan de Staat een JLoI is aangegaan?
De provincie Noord-Holland en de OD NZKG volgen voor de intrekking van de vergunningen een zorgvuldige procedure. Voor beide KGF’en is een vooraankondiging gestuurd. Hierna volgen ontwerp-intrekkingsbesluiten, waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. Na het wegen van de zienswijzen, volgen definitieve intrekkingsbesluiten van de vergunningen. Voor de termijn waarbinnen sluiting plaats moet vinden worden onder andere het gedrag van de overtreder, de milieueffecten van de sluiting zelf, de bescherming van het milieu in het algemeen, verschillende technische aspecten en de bedrijfsvoering van Tata Steel in overweging genomen. De provincie Noord-Holland heeft recent ook een brief gestuurd waarin uitgebreide toelichting staat over dit proces15. Wanneer er meer duidelijkheid is over de termijn waarop sluiting plaats moet vinden, kan ook inzichtelijk gemaakt worden of en in hoeverre de huidige plannen aangepast moeten worden. Zodra hierover meer bekend is zullen wij de Kamer informeren.
Aangezien Tata Steel Nederland in 2025 een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert, welk financieel risico neemt de Staat bij de toekenning van 2 miljard euro subsidie? Hoe is dit risico bepaald en afgewogen en kunt u de exacte onderbouwing daarvan delen met de Kamer?
In het proces wordt er doorlopend getoetst op de levensvatbaarheid van het bedrijf en de (langetermijn) vooruitzichten. Dit gebeurt zowel door externe adviseurs van de staat als door de EC aangezien er op basis van het staatssteunkader dat van toepassing is geen staatssteun mag worden verleend om een verlieslatend bedrijf overeind te houden.
Daarnaast is de staat voornemens om garanties en zekerheden in te bouwen in de maatwerkafspraak. Zo wordt de maximaal 2 miljard euro aan subsidie niet in één keer overgemaakt, maar in tranches na het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen en na bewijs van gemaakte kosten en volledige financiering van het project. De laatste tranche van de subsidie wordt pas overgemaakt nadat alle projecten zijn opgeleverd. Door aan de voorkant zekerheden voor de verstrekte tranches te stellen kan in het uiterste geval het uitbetaalde voorschot worden teruggevorderd.
Tot slot kijken TSL en externe financiers ook kritisch naar de financiering van hun eigen investering en de levensvatbaarheid van het bedrijf voor er geld beschikbaar wordt gesteld.
Is dit risico volgens u nog verantwoord, nu de materiële en financiële situatie bij Tata Steel Nederland volledig anders is dan bij het ondertekenen van de JLoI en nu de auditor van Tata Steel spreekt van «material uncertainty to going concern»?2 Kunt u nauwkeurig onderbouwen waarom wel/niet?
De eerdere sluiting van de Kookgasfabrieken heeft naar verwachting impact op het verdienvermogen van het bedrijf. Het bedrijf moet haar processen versneld aanpassen en dit brengt kosten en risico's met zich mee. Om die reden heeft TSL ook melding gemaakt over deze materiële onzekerheden. Het doen van deze melding in het jaarverslag is immers een verplichting voor beursgenoteerde ondernemingen zoals TSL. Zoals hiervoor aangegeven wordt de mogelijke impact op de maatwerkafspraak nog verder onderzocht.
Hoe verhoudt de geambieerde staatssteun zich nog tot de financiële feiten, gezien het oordeel van de auditor van Tata Steel dat de aangekondigde intrekking van vergunningen «material uncertainty to going concern» oplevert, gezien het feit dat Tata Nederland een verlies van ruim 200 miljoen euro noteert én gezien het feit dat volgens Europese regels geen staatssteun gegeven mag worden aan een financieel noodlijdend bedrijf? Hoe onderbouwt u dit en op welke onafhankelijke experts baseert u zich?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vorige vraag is TSL, in het kader van de accountantsverplichtingen die TSL als beursgenoteerd bedrijf heeft, verplicht elke zogenaamde materiele onzekerheid over de continuïteit van de onderneming te vermelden.
Daarbij betekent het feit dat het bedrijf een verlies heeft gemaakt van ruim 200 miljoen euro nog niet dat het bedrijf ook een financieel noodlijdend bedrijf is. Zoals eerder aangegeven wordt momenteel onderzocht of, en zo ja welke, implicaties het voornemen van de OD NZKG tot het intrekken van de vergunningen van KGF2 en KGF1 voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft. Hierbij wordt ook de levensvatbaarheid van het bedrijf en de financiële haalbaarheid betrokken.
Heeft u naar aanleiding van de ontstane situatie al contact gehad met de Europese Commissie, die de eventuele subsidie moet goedkeuren in lijn met de Europese regels? Zo ja, kunt u de inhoudelijke reactie van de Commissie met de Kamer delen?
Vooruitlopend op formele toetsing door de EC, wordt informeel met de EC gesproken over alle voor de staatssteunbeoordeling relevante aspecten. Gelet op het informele en vertrouwelijke karakter van het overleg van de EC worden geen inhoudelijke reacties van de EC gedeeld. Voor zover er (financiële) gevolgen zijn voor de plannen en de businesscase, wat naar verwachting zo zal zijn zoals in antwoord 25 aangegeven, is dit relevant voor de formele beoordeling van de EC. Op dit moment zijn de consequenties nog niet precies bekend en kan dus ook geen beoordeling op grond van de staatssteunregels worden gemaakt. Helder is dat het bedrijf zich aan de wet- en regelgeving dient te houden, dat geen staatssteun mag worden verleend voor activiteiten die niet aan Europese regelgeving voldoen en dat een eventuele maatwerksubsidie moet (blijven) voldoen aan de Europese voorwaarden voor staatssteun onder het geldende staatssteunkader, de Guidelines on State aid for climate, environmental protection and energy 2022 (CEEAG).
Aangezien tijdens de aandeelhoudersvergadering op 16 mei jongstleden CEO Thachat Narendran de volgende uitspraak over de winstgevendheid van Tata Steel Nederland bij het sluiten van de beide kooksfabrieken heeft gedaan: «So going forward, if the coke ovens close, we expect it to continue to be EBITDA positive, maybe making less EBITDA than we had hopefully would make, but it will always be EBITDA positive. And so far, the Netherlands operation has operated without any support from India. So I think we expect that to continue»3, onderschrijft de Minister dat de overgangstermijn voor het sluiten van de beide kooksgasfabrieken beperkt kan worden tot de technische haalbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 24 volgen de provincie Noord-Holland en de OD NZKG een zorgvuldige procedure, waarin verschillende belangen gewogen worden. De OD NZKG heeft (in mandaat van de provincie Noord-Holland) de expertise om te bepalen welke termijn Tata Steel krijgt voor een veilige, verantwoorde en gecontroleerde sluiting.
Is de datum van de sluiting van de kooksgasfabrieken onderwerp van de onderhandelingen, of is dit een zuiver technische afweging van de omgevingsdienst?
De datum van de sluiting is een afweging van het bevoegd gezag. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 24.
Wat vindt u ervan dat de omwonenden al heel lang aandringen op sluiting van de kooksgasfabrieken wegens jarenlange overtredingen van de regels, maar dat Tata Steel de provincie Noord-Holland en de Tweede Kamer steeds heeft voorgehouden dat het een vroegtijdige sluiting van alleen al KGF 2 financieel niet kan dragen?
Het klopt dat hier sprake is van een andere positie van het bedrijf dan voorheen. Hierover is navraag gedaan bij het bedrijf. Het bedrijf geeft aan dat het in de context van de handhavingstrajecten door de OD NZKG en in reactie op de aanvullende normen uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), waar KGF1 niet op korte termijn aan kan voldoen, op basis van nieuwe inzichten is gaan kijken naar mogelijkheden om de Kooksgasfabrieken eerder te sluiten en de financiële gevolgen hiervan. Zoals bekend zijn hier ook gesprekken met de staat over gevoerd.18
Deze ontwikkeling benadrukt het belang van zorgvuldige en onafhankelijke beoordeling van de plannen en de businesscase, wat de staat dus ook doet met financieel adviseur KPMG en ook de beoordeling van de EC voordat eventuele goedkeuring voor de staatssteun wordt verleend.
Het kabinet wil nogmaals benadrukken dat de staat alleen bovenwettelijke maatregelen kan steunen en niet meer steun zal verlenen dan zij in de JLoI maximaal heeft toegezegd.
Beweert Tata Steel nu wel die vroegtijdige sluiting van de kooksgasfabrieken te kunnen betalen en, zo ja, hoe en wat is er dan precies veranderd in die korte tijd?
Zie antwoord vraag 31.
Gezien artikel 15.4 van de JLoI waarin opzeggronden voor Tata zijn bepaald voor de inspanningsverplichting rondom de maatwerkafspraken, hoe interpreteert u deze zin uit het persbericht van Tata India: «Tata Steel Netherlands is also engaged with the regulators on evolving standards relating to classification and disposal of steel slag, where local requirements in Netherlands now not only exceed EU standards but are threatening to become infeasible.»?
De inhoud van deze presentatie laat ik voor rekening van het bedrijf. Het kabinet maakt een eigenstandige afweging over het al dan niet aangaan van de maatwerkafspraak en over beleid en wet- en regelgeving. Zoals in eerdere beantwoording van Kamervragen aangegeven maakt de staat beleid dat zij nodig acht voor klimaat, gezondheid en veiligheid. De opzeggronden in de JLoI beperken de staat hier op geen enkele manier in, noch geven ze enige financiële garanties of enig recht op subsidies aan TSN.19
Aangezien de beslisnota van 18 mei schrijft dat het kabinet een vinger aan de pols hierover houdt en dat wordt onderzocht of en, zo ja, welke implicaties dit voor de maatwerkafspraak met het bedrijf heeft, kunt u precies uitleggen wat u bedoelt met het onderzoek en welke implicaties mogelijk zijn?
Zoals aangegeven in de beslisnota van 18 mei jl. heeft TSL in het jaarverslag aangegeven dat TSN in gesprek is met de regelgevende instanties over de classificatie en verwijdering van staalslakken. De lokale eisen in Nederland overschrijden momenteel volgens TSL de EU-normen en dreigen onhaalbaar te worden. Naar aanleiding hiervan heeft de staat haar technische en financiële adviseurs gevraagd deze ontwikkeling en de implicaties voor de maatwerkafspraak te onderzoeken.
Houdt u daarbij de uitvoering van de opdracht van de moties-Zalinyan/Kostic (Kamerstuk 28 089, nr. 343) en -Teunissen c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 428) nog scherp, en zorgt u ervoor dat onderhandelingen over de maatwerkafspraken op geen enkele manier invloed hebben op de noodzakelijke beleidsstappen die moeten worden gezet om mens, dier en milieu (uit voorzorg) te beschermen tegen staalslakken?
Het kabinet heeft deze moties scherp. Zoals eerder ook aangegeven laten de JLoI en beoogde maatwerkafspraak met TSN de mogelijkheden voor het kabinet om nationaal beleid op staalslakken aan te passen onverlet.20 Daarbij staan ook in de maatwerkafspraak de verbetering van gezondheid en leefomgeving centraal.
Hoe interpreteert u het feit dat in het laatste kwartaalverslag van Tata Steel India voor het eerst in twee jaar (en dus acht kwartaalverslagen) het «Groen» Staalplan en de maatwerkafspraken niet worden genoemd in de investeerderspresentatie?
De inhoud van deze investeerderspresentatie laat het kabinet voor rekening van het bedrijf.
Aangezien Tata India investeerders liet weten dat er onzekerheid is rondom de plannen in Nederland en de CFO tijdens de investors call zei; «there is an alternative path forward too», bent u op de hoogte van dat alternatieve pad? Zo ja, kunt u de Kamer daar zo snel mogelijk, maar in ieder geval bij de beantwoording van deze vragen, schriftelijk over informeren?
Het kabinet is niet bekend met een alternatief pad.
Bent u zelf ook bezig met een plan B, tegen de achtergrond van deze ontwikkelingen en de mogelijke gevolgen van die ontwikkelingen voor de inwoners van de IJmond en meer specifiek de werknemers van Tata Steel? Waarom wel/niet? Zo ja, kunt u de Kamer dan zo snel mogelijk informeren over alternatieve plannen?
Zoals in de beantwoording van eerdere Kamervragen21 al aangegeven, zet het kabinet in op een maatwerkafspraak met TSN. Met een maatwerkafspraak met TSN wil het kabinet de verduurzaming en het schoner worden van de staalproductie met oog op de gezondheid van omwonenden in de IJmond helpen realiseren en de staalindustrie, en de economische en strategische waarde daarvan, behouden in Nederland. Er wordt nog onderzocht of en zo ja welke implicaties het intrekken van de vergunningen heeft voor de maatwerkafspraak met het bedrijf. Op basis van die uitkomsten worden vervolgstappen geformuleerd.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór half juni 2026 beantwoorden, gezien de urgentie?
Vanwege de hoeveelheid vragen en de benodigde interbestuurlijke afstemming is het niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het bericht dat Moerdijk mogelijk mag blijven bestaan |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Herbert , Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de berichtgeving vanuit het bestuur van Moerdijk dat het dorp mogelijk mag blijven bestaan?1
Het kabinet is bekend met de berichtgeving. Het kabinet heeft op 29 mei 2026 met een brief2 de Tweede Kamer geïnformeerd over het verkennen van een scenario met een kleiner ruimtebeslag waarbij het dorp Moerdijk kan blijven bestaan.
Is de lijst van zaken die volgens de gemeente verduidelijkt moet worden volledig, of liggen er nog andere vragen voor?
Het kabinet is in gesprek met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant over de randvoorwaarden voor een alternatief scenario, met kleinere opgave. De hoofdpunten hierin zijn het borgen van de leefbaarheid van de omgeving en woonkernen en de lange termijn levensvatbaarheid van het haven- en industriecluster.
Klopt het dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk? Zo ja, waar zit dit verschil in met eerdere plannen? Waarom kon dit niet eerder duidelijk worden?
Het klopt dat er mogelijk minder ruimte nodig is voor energieprojecten en industrie in Moerdijk. Een aantal ontwikkelingen, zoals de nationale energieprojecten die al in procedure zijn, worden met grote zekerheid gerealiseerd in de regio Moerdijk. Hetzelfde geldt voor de verduurzaming van de bestaande industrie. Voor andere ontwikkelingen, zoals additionele circulaire en industriële activiteiten en energie-infrastructuur na 2040 zijn nog andere ruimtelijke keuzes te maken. Die hoeven niet per se in Moerdijk te landen. Het niet realiseren van deze projecten in Moerdijk betekent wel dat de ruimtelijke druk op andere gebieden in Nederland zal toenemen, bijvoorbeeld in de andere energie-intensieve haven- en industrieclusters van nationaal belang. Hiervoor werkt het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, verder aan een nationale ruimtelijk-economische strategie voor de haven- en industrieclusters van nationaal belang. Het niet afwentelen op andere ruimtelijke opgaven is hierbij van essentieel belang en wordt meegewogen in de besluitvorming.
Wanneer komt er duidelijkheid vanuit het Rijk voor de inwoners van Moerdijk? Hoe veel langer heeft het Rijk nodig voor haar onderzoek en besluitvorming? Kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
Dat is onderdeel van gesprek tussen het kabinet, de gemeente Moerdijk en de provincie Noord-Brabant. Het kabinet is van mening dat inwoners en ondernemers uit dorp Moerdijk en bredere omgeving zo spoedig mogelijk duidelijkheid moeten krijgen. Het kabinet vindt tegelijkertijd dat een besluit niet lichtvaardig genomen moet worden en wil daarom tijd nemen om tot goede besluitvorming te komen. Ook is het belangrijk om hierin gezamenlijk op te trekken met de gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant. Het is daarom lastig voor het kabinet om eenzijdig inschattingen over het tijdspad te geven.
Deelt u de mening dat inwoners rust verdienen?
Zie antwoord op vraag 4. Het kabinet begrijpt dat gesprekken over de toekomst van het dorp en het uitstellen van besluitvorming tot onzekerheid leiden bij inwoners en ondernemers uit de regio.
Deelt u de mening dat wanneer er duidelijkheid is dat het dorp kan blijven hiervoor dan ook langjarige garanties moeten worden afgegeven, zodat deze discussie niet wéér op kan laaien binnen een paar jaar? Welke juridische of bestuurlijke middelen bestaan er om zulk een garantie af te geven?
Het kabinet is aan het onderzoeken welke garanties er gegeven kunnen worden aan mensen in de regio, de gemeente en provincie, zodat de discussie niet opnieuw oplaait. In de ruimtelijke ordening kunnen overheden toezeggingen doen die enige zekerheid bieden, maar absolute juridische garanties kunnen niet gegeven worden. Ruimtelijke plannen kunnen namelijk weer gewijzigd worden op een later moment in de tijd.
Hoe gaat u zorgen dat wanneer het dorp mag blijven, de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit hier gegarandeerd worden?
Het kabinet is met gemeente Moerdijk en provincie Noord-Brabant in gesprek over hoe de gestelde randvoorwaarden door de gemeente zo goed mogelijk ingevuld kunnen worden, waaronder de leefbaarheid, voorzieningen en omgevingskwaliteit van en rondom het dorp Moerdijk, de overige kernen en het buitengebied.
Als het Rijk de voorkeur heeft het dorp op te heffen, hoeveel tijd en financiering zou het kosten om hierover een bindend referendum onder de bewoners te organiseren, waarbij zij de kans krijgen zich voor of tegen uit te spreken en voorwaarden te stellen? Kunt u deze vraag serieus en inhoudelijk beantwoorden, ook als u niet van mening bent dat er een referendum zou moeten komen?
Een juridisch bindend referendum zoals in de vraag geformuleerd is in Nederland staatsrechtelijk niet mogelijk. Dat vergt een grondwetswijziging die o.a. onderdeel is van het initiatiefwetsvoorstel tot aanpassing van de Grondwet voor een bindend correctief referendum.
Daarbij doet een bindend referendum gericht op het gebied alleen geen recht aan de complexiteit en de afwegingen die gemaakt dienen te worden. In Powerport Moerdijk komen nationale, regionale en lokale belangen samen. Het is wel van groot belang dat de belangen, wensen en meningen van het dorp Moerdijk en de omliggende woonkernen meegewogen worden. Daarom wordt ingezet op een zorgvuldig participatietraject met omwonenden. Daarnaast is het lastig in te schatten hoeveel tijd en financiering het kost om een referendum te organiseren voor bewoners, omdat dit sterk afhangt van de hoeveelheid mensen die in aanmerking komen voor het referendum. De verwachting is dat het organiseren van een referendum voor het dorp Moerdijk enkele maanden tot een halfjaar zou duren en enkele tienduizenden euro’s kost. Voor een precieze inschatting zou nader onderzoek gedaan moeten worden.
Het voordeel van meer gebruik van steenkolen ten opzichte van geïmporteerd gas |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat het vullen van de Nederlandse gasvoorraden op dit moment door de huidige gasprijzen in bepaalde scenario’s duurder kan uitpakken dan de verwachte gasprijs in de komende winter? Bent u bereid dit te kwantificeren aan de hand van actuele marktprijzen en winter-forwardprijzen?
De gasprijzen zijn momenteel hoger dan de prijs voor gas in de komende winter. Het verschil tussen de prijs voor gas die in de zomer moet worden betaald, en de prijs voor aankomende winter (de zogenoemde «spread») is een belangrijke prikkel voor het opslaan van gas. Op dit moment is er sprake van een negatieve spread (een hogere zomerprijs ten opzichte van de prijs in de aankomende winter). In eerdere jaren kon een positieve spread de kosten van het opslaan van gas (deels) dekken.
Gasleveranciers hebben verplichtingen om te leveren in de winter en kiezen zelf hoe ze dat doen, bijvoorbeeld door import van LNG, gas via pijpleidingen of gebruik van gasopslagen. Zij moeten ook bij een zeer koude periode, een periode met uitzonderlijk hoge vraag, of bij uitval van een installatie in staat zijn om hun afnemers te beleveren. Ik kan niet aangeven of en zo ja hoeveel méér kosten leveranciers zullen maken als gevolg van het vullen van gasopslagen, omdat commerciële informatie voor mij onbekend is.
Kunt u per gasopslag aangeven wat de actuele vulgraad is, welke vuldoelen gelden, welke volumes nog moeten worden ingekocht en tegen welke verwachte kosten?
Nederland heeft een nationaal vuldoel gesteld van 115 TWh voor de Nederlandse seizoensopslagen op 1 november 2026. Dat doel komt overeen met een vulgraad van 80%. Dit doel houdt rekening met een koude winter die zich eens in de 30 jaar voordoet, waarbij tegelijkertijd de grootste bron van aanvoer uitvalt, waarbij wordt aangenomen dat de LNG-terminals in Europa geen extra gas leveren in de winter (wat zij doorgaans wel kunnen) én waarbij de vraag uit buurlanden als constant wordt aangenomen. Het nationale vuldoel is hoger vastgesteld dan waar Europa ons toe verplicht.
Voor Nederland zijn de belangrijkste gasopslagen Norg, Grijpskerk, Bergermeer en de PGI Alkmaar. Voor de meest actuele cijfers verwijs ik naar de Aggregated Gas Storage Inventory.1 Zoals bekend heeft EBN de opdracht om 80 TWh gas op te slaan, voor zover de markt dat niet doet. Daarnaast is 5 TWh opgeslagen in de PGI Alkmaar als tijdelijke noodvoorraad.
Welke financiële risico’s lopen inwoners, gebruikers van het gasnetwerk, marktpartijen, Energie Beheer Nederland (EBN) en de Nederlandse Staat wanneer gas nu tegen relatief hoge prijzen wordt ingekocht om de voorraden te vullen, terwijl de gasprijs in de winter lager blijkt te liggen?
Het financiële risico hangt af van het verschil tussen zomer- en winterprijzen, hoe die prijzen zich ontwikkelen en de volumes die tegen bepaalde prijsverschillen gekocht en al dan niet opgeslagen worden.
Kunt u aangeven welk deel van het in Nederland opgeslagen gas naar verwachting daadwerkelijk beschikbaar blijft voor Nederlandse huishoudens, bedrijven en elektriciteitsproductie, en welk deel mogelijk via de interne Europese gasmarkt naar het buitenland stroomt?
Het is niet mogelijk om aan te geven waar het gas uit de Nederlandse gasopslagen uiteindelijk voor bestemd is. Internationale gastromen zijn een integraal en onmisbaar onderdeel van de normale werking van een goed functionerende Europese interne markt.
Welke gevolgen heeft het voor EBN en uiteindelijk voor de Rijksbegroting wanneer EBN of andere door de Staat aangewezen partijen gas inkopen tegen hoge zomerprijzen en dit gas later tegen lagere marktprijzen moeten verkopen of beschikbaar stellen? Kunt u aangeven hoe eventuele verliezen worden gedragen en of deze uiteindelijk bij de belastingbetaler terecht kunnen komen?
De netto-kosten die EBN maakt in het uitvoeren van opslagactiviteiten (d.w.z. de kosten na aftrek van de opbrengsten van de uitvoering van deze activiteiten), worden verhaald door een heffing bovenop de tarieven van het landelijk transmissiesysteem voor gas van GTS volgens het principe «de gebruiker betaalt».
Deelt u de opvatting dat het vanuit betaalbaarheid en leveringszekerheid onwenselijk is als Nederland tegen te hoge kosten gasvoorraden vult, terwijl dat gas vervolgens niet primair ten goede komt aan Nederlandse huishoudens en bedrijven?
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief2 van 28 mei 2026, zoek ik samen met EBN de balans tussen het borgen van de leveringszekerheid voor volgende winter, het beperken van marktverstoring, en het zo laag mogelijk houden van de kosten.
Ik acht het niet onredelijk dat de kosten voor het opslaan van gas worden verhaald op buitenlandse gebruikers voor zover zij gebruik maken van de Nederlandse opslagen. Temeer omdat Nederland ten opzichte van andere landen relatief veel opslagcapaciteit heeft. Het exclusief bestemmen of reserveren van bepaald gas voor Nederlandse afnemers met uitsluiting van afnemers in andere lidstaten is op grond van Europese regelgeving daarbij niet toegestaan.
Dit kabinet zet zich in de Raad van de Europese Unie in om een eerlijke kostendeling te bewerkstelligen.
Hoeveel aardgas wordt in Nederland gemiddeld ingezet voor elektriciteitsproductie, en welk deel daarvan is volgens u direct of indirect nodig om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen?
Uit cijfers van het CBS blijkt dat de laatste jaren gemiddeld ca. 45 TWh elektriciteit per jaar uit gas is opgewekt3 en hiervoor gemiddeld circa 12 bcm gas per jaar is ingezet. Er is geen specificatie mogelijk welk deel van het gasgebruik voor elektriciteitsproductie nodig is om schommelingen in wind- en zonne-energie op te vangen.
Kunt u berekenen hoeveel aardgas Nederland kan besparen wanneer bestaande kolencentrales tijdelijk meer elektriciteit produceren en gascentrales daardoor minder draaiuren maken?
Nee, dit is niet mogelijk. Het valt niet te voorspellen welke gascentrale in Nederland en welke gas- of kolencentrale in het buitenland in dat geval zou uitgaan en welke besparing dat zou opleveren.
Welke technische, juridische, vergunningtechnische en Europese belemmeringen bestaan er op dit moment om Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra te laten draaien met als doel gas te besparen?
Er zijn op dit moment geen belemmeringen voor kolencentrales in Nederland tot en met 31 december 2029, volgens de Wet verbod op kolen bij elektriciteitsproductie. De markt bepaalt autonoom via de prijs wanneer welke centrales aan en uit gaan.
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of de inzet van bestaande kolencentrales tijdelijk kan worden verruimd zolang gasprijzen hoog zijn, gasvoorraden kostbaar moeten worden gevuld en de leveringszekerheid onder druk staat? Kunt u dit onderzoek vóór Prinsjesdag aan de Kamer sturen?
Nee, de kolencentrales in Nederland mogen nog steeds produceren en de markt bepaalt autonoom welke centrales aan en uit gaan op basis van de prijs.
Welke gevolgen zou een tijdelijke hogere inzet van kolencentrales hebben voor de elektriciteitsprijs, de gasvraag, de netstabiliteit en de energierekening van huishoudens en het mkb?
De kolencentrales zijn vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ook kunnen kolencentrales vrij ingezet worden voor netstabiliteit als dat nodig en concurrerend is met alternatieven. De elektriciteitsprijs komt tot stand op de Europese markt, waardoor het effect van drie kolencentrales uit Nederland beperkt is op de Europese prijsvorming.
Hoe weegt u het risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van duur geïmporteerd LNG, terwijl bestaande Nederlandse kolencentrales mogelijk tijdelijk kunnen bijdragen aan het beperken van gasverbruik en LNG-import?
De kolencentrales zijn, zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 8 t/m 11, vrij om meer elektriciteit op te wekken. Ik zie geen risico dat Nederland door het huidige beleid afhankelijker wordt van LNG.
Hoeveel LNG heeft Nederland in 2024, 2025 en tot dusver in 2026 geïmporteerd, uitgesplitst naar land van herkomst? Welk deel daarvan is afkomstig uit de Verenigde Staten en in hoeverre bestaat dit LNG uit, of hangt het samen met, Amerikaans schaliegas?
In de afgelopen jaren heeft Nederland de volgende LNG-volumes geïmporteerd:
Verenigde Staten
17,5
14,4
19,9
Noorwegen
1,4
1,4
0,9
Rusland2
1,1
2
2,4
Afrika
2,5
1
2,2
Azië
0,8
0
0
Amerika excl. de VS
1,2
2,3
1,2
Overig/onbekend
0,2
0
0
Bron: CBS (update 21 mei 2026).
(Nader) voorlopige cijfers
Vanaf 1 januari 2027 is import van Russische LNG onder REPowerEU en het 19e sanctiepakket volledig verboden (zie Kamerstukken II, 2025/2026 29 023, nr. 664). Eerdere volumeontwikkelingen zijn toegelicht in onder meer aanhangsel van de Handelingen 2023–2024, nr. 2515 en aanhangsel van de Handelingen 2024–2025, nr. 136.
Nederland produceert ongeveer 1/3e van ons gas zelf, importeert ongeveer 1/3e via pijpleidingen en importeert ongeveer 1/3e aan LNG. Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat van die LNG-import sinds 2023 gemiddeld 71% van de LNG afkomstig is uit de Verenigde Staten. Het overgrote deel van de totale gasproductie in de Verenigde Staten wordt gewonnen uit schaliegasvelden (78% in 2023 (IEA))4. Het is niet mogelijk om precies te bepalen hoeveel van de geïmporteerde Amerikaanse LNG afkomstig is uit schaliegasvelden. De reden is dat in de VS het schaliegas gemengd wordt op het gasnet met conventioneel gas.
Bent u bereid de volledige levenscyclusuitstoot van elektriciteitsproductie met Nederlandse kolencentrales te vergelijken met elektriciteitsproductie met gascentrales op basis van geïmporteerd Amerikaans LNG of schaliegas?
Het IEA stelt dat de klimaatimpact van steenkool aanzienlijk hoger ligt dan van aardgas. Bij aardgas speelt het type gas een rol: geïmporteerd LNG heeft een grotere klimaatimpact dan in Nederland gewonnen aardgas of aardgas dat via pijpleidingen afkomstig is uit bijvoorbeeld Noorwegen. Over het algemeen is de klimaatimpact van LNG echter nog altijd aanzienlijk lager dan die van steenkool. Uit onderzoek van het IEA bleek dat in 2024 99% van het geconsumeerde LNG een lagere klimaatimpact had dan steenkool. Er mag dan ook redelijkerwijs worden verondersteld dat dit ook voor de Nederlandse centrales geldt. Ook stelt het IEA dat wereldwijd de gemiddelde levenscyclusuitstoot van broeikasgassen per eenheid elektriciteit uit LNG ongeveer 40% lager is dan die van elektriciteit uit steenkool. Dit komt doordat gascentrales over het algemeen efficiënter elektriciteit opwekken dan kolencentrales (de wereldwijde gemiddelde efficiëntie van gascentrales is 48%, tegen 37% voor kolencentrales) (Bron IEA5). Met dit antwoord wil ik ook mijn toezegging aan het lid Boomsma6 (JA21) tijdens het Commissiedebat van 15 april over Hernieuwbare Energie gestand doen.
Klopt het dat in bepaalde scenario’s, afhankelijk van de aannames over methaanlekkage en LNG-ketenemissies, elektriciteitsproductie met steenkool mogelijk een lagere totale ketenemissie kan hebben dan elektriciteitsproductie met uit Amerika geïmporteerd schaliegas/LNG?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een kosten-batenanalyse aan de Kamer te sturen van een scenario waarin Nederlandse kolencentrales tijdelijk extra draaien om aardgas te besparen, gasopslagkosten te beperken en de afhankelijkheid van LNG-import te verminderen?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid vóór Prinsjesdag een concreet scenario uit te werken waarin Nederland (tijdelijk) meer inzet op bestaande kolencapaciteit en minder op gasgestookte elektriciteitsproductie, inclusief de effecten op leveringszekerheid, energiekosten, gasvoorraden, importafhankelijkheid en CO2-uitstoot?
Nee, zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Kunt u deze vragen één voor één uitwerken?
Enkel de vragen 14 & 15 heb ik gezamenlijk beantwoord.
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Met de term «right to repair» wordt verwezen naar Richtlijn (EU) 2024/1799 betreffende gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen. Op dit moment wordt deze richtlijn in nationaal recht geïmplementeerd. Het implementatiewetsvoorstel is voor advies aangeboden aan de Raad van State. Het advies wordt deze zomer verwacht. Daarna wordt het wetsvoorstel naar de Staten-Generaal gestuurd. De implementatie van het wetsvoorstel wordt voltooid na instemming van de Tweede en Eerste Kamer met het wetsvoorstel.
Op grond van de wetgeving worden bedrijven verplicht om een groot aantal producten1 op verzoek van de consument te repareren wanneer deze defect zijn. Wat betreft de uitvoering van de richtlijn voorziet het kabinet geen hoge lasten voor bedrijven om aan de nieuwe bepalingen te voldoen. Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) oordeelde op 5 november 2025 geen aanleiding te zien een formeel adviespunt te geven over de berekening van de regeldruk voor bedrijven.
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Ja, ik ben bekend met het onderzoek. De uitkomsten bevestigen dat de transitie naar een circulaire economie niet alleen in het belang is van het verminderen van (kritieke) grondstoffenverbruik (en daarmee onze afhankelijkheid daarvoor van derde landen) en CO2 uitstoot, maar ook besparingen op kan leveren voor ondernemers en consumenten. Daarom zet ik mij als coördinerend Minister ook vol in om de overgang naar een circulaire economie te versnellen. Voor meer informatie over de beleidsinzet in het kader van deze transitie verwijs ik graag naar het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) 2025.3
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Om reparatie te bevorderen, zijn (tenminste) drie zaken nodig. Ten eerste moeten spullen zo ontworpen zijn dat ze (makkelijker) te repareren zijn. Ten tweede is een goede reparatie-infrastructuur nodig, met voldoende beschikbare vakmensen om de reparaties uit te voeren. Ten derde moet het voor consumenten makkelijk en aantrekkelijk zijn om spullen te laten repareren.
Dit zijn dan ook de drie sporen waarlangs de huidige beleidsinzet voor reparatie is ingericht: (1) beter productontwerp, met name via ontwerpeisen op EU niveau onder de Ecodesignregelgeving; (2) versterking van de reparatie-infrastructuur en -vakmanschap, bijvoorbeeld door aandacht voor reparatie in het onderwijs en het opzetten van een Nationaal Reparateursregister; en (3) consumenten stimuleren om hun producten te (laten) repareren, bijvoorbeeld door betere informatie voor consumenten en door reparatie goedkoper te maken.
Voor meer details over de beleidsinzet op de genoemde sporen verwijs ik graag naar de Kamerbrief «reparatie in de circulaire economie»4 en de Kamerbrief over uitvoering van de motie Stoffer over reparatie en hergebruik van elektrische en elektronische apparatuur.5
Verder wordt de Kamer binnenkort door de Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst geïnformeerd over de bijdrage van de fiscaliteit aan meer reparatie van huishoudelijke apparaten en andere productgroepen, naar aanleiding van de motie Grinwis.6
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Aanbestedende diensten hebben binnen de aanbestedingskaders de autonomie om diverse belangen af te wegen en te vertalen naar voorwaarden in hun aanbestedingen. Ik ondersteun het opnemen van voorwaarden in overheidsaanbestedingen die levensduurverlenging en hoogwaardige recycling van producten bevorderen. Dit doe ik met de Agenda Maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen (MVOI) 2026–2030 die dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd. Hiermee worden overheden gestimuleerd en ondersteund om circulair in te kopen. Dit gebeurt via Buyer Groups, de mvi-criteriatool en het Versnellingsnetwerk Circulair Inkopen voor productketens zoals bedrijfskleding, ICT en zonnepanelen. Terugname, hergebruik, repareerbaarheid en hoogwaardige recycling zijn daarbij belangrijke onderdelen.
Ten aanzien van de Rijksinkoop wordt dit jaar tevens de actualisatie van de Rijksinkoopstrategie, onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid, naar de Kamer gestuurd. Hierin wordt in de hernieuwde beleidsstrategie MVOI ook ingezet op levensduurverlenging en hoogwaardige recycling. Overigens kan het per productketen verschillen hoe levensduurverlenging het beste geborgd kan worden. Zo is het soms beter om een product zo lang mogelijk in eigen beheer te behouden voor meerdere levens, en is het in andere gevallen gunstiger om een product-as-a-service-model op te zetten. Van beide zijn voorbeelden te vinden bij het Rijk, zoals kantoormeubilair dat in eigen beheer blijft en ICT, dienstauto’s of printers die worden ingekocht als product-as-a-service.
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Het is belangrijk te benadrukken dat de consument een koopovereenkomst sluit met de verkoper en niet met de producent. De wettelijke garantierechten kunnen dan ook uitsluitend richting de verkoper worden ingeroepen. Met de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen in het Nederlandse recht in 2022 geldt dat als er in het eerste jaar na aanschaf sprake is van een gebrekkig product de bewijslast bij de verkoper ligt om aan te tonen dat het product niet al gebrekkig was bij levering. Met deze implementatie werd de termijn van zes maanden, die voor de inwerkingtreding van de richtlijn werd gehanteerd, verdubbeld. Na twaalf maanden verschuift de bewijslast naar de consument. Dit betekent dat wanneer het gebrek zich na twaalf maanden voordoet, het aan de consument is om te bewijzen dat dit niet door zijn toedoen is gebeurd om aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging.
Bij de implementatie van de EU-richtlijn verkoop goederen is geprobeerd een goede balans te waarborgen tussen de bescherming van de positie van de consument enerzijds en de verplichtingen van de verkoper anderzijds. Naarmate de termijn tussen de aanschaf van een product en de openbaring van een gebrek van het product langer is, zal het voor een verkoper lastiger zijn te bewijzen dat het gebrek geheel of gedeeltelijk is veroorzaakt door het gebruik door de consument. Het verlengen van deze termijn naar bijvoorbeeld twee jaar zou daarmee voor de verkoper een onevenredige last betekenen. Op dit moment ziet het kabinet dan ook geen aanleiding om de bewijslast verder richting verkopers te verschuiven.
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
Reparatie is een belangrijke activiteit binnen een circulaire economie en reparatiebedrijven en andere ondernemingen kunnen in aanmerking komen voor subsidies gericht op het bevorderen van de transitie naar een circulaire economie.
Het NPCE 2030 bevat een overzicht van de structurele en incidentele middelen die beschikbaar zijn voor circulaire economie in de jaren 2025–2030.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn om reparatie te bevorderen niet alleen middelen nodig voor de genoemde ondernemingen, maar is een bredere beleidsinzet nodig. Het onderzoek van TNO en de NVCE laat zien dat reparatie nu in veel gevallen al loont. Toch kiezen veel consumenten nog voor vervanging, ook wanneer reparatie tot de mogelijkheden behoort en kosten zou besparen.
Ook het Burgerberaad Klimaat heeft in haar advies de betaalbaarheid van reparatie geadresseerd. Het kabinet heeft eveneens de ambitie om te zorgen dat spullen langer meegaan. Ik blijf dan ook prioriteit geven aan het bevorderen van reparatie als onderdeel van de beleidsinzet voor de transitie naar een circulaire economie.
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Ja.
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Met het besluit tot instemming met het winningsplan van maart 2025 mag de NAM tot en met 2032 maximaal nog 2213 miljoen Nm3 gas winnen.
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Nee. Voor een nieuwe put zou een wijziging van het winningsplan nodig zijn en een omgevingsvergunning. De gebruikelijke juridische procedures, zoals vastgelegd in de Mijnbouwwet en de Omgevingswet, zullen in dat geval van toepassing zijn op deze aanvragen. Zo zal voor de wijziging van het winningsplan advies worden gevraagd aan TNO, SodM en de decentrale overheden. Tegen eventuele besluiten kan bezwaar en beroep worden aangetekend. Ik merk voor de volledigheid op dat ik op dit moment geen aanvraag voor een nieuwe put van de NAM heb ontvangen.
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Bij een eventuele wijzing van het winningsplan zal de NAM informatie moeten aanleveren over het seismisch risico. Deze informatie wordt getoetst door TNO en SodM. Ik laat nu dan ook geen risicoanalyse uitvoeren naar een eventuele nieuwe boring.
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nee. Ik kijk zeer zorgvuldig naar aanvragen voor activiteiten in de diepe ondergrond en vraag hierover advies aan onder meer TNO en SodM. Alleen als dit veilig en verantwoord kan, verleen ik een vergunning.
Op basis van de huidige Mijnbouwregelgeving bestaat ook geen mogelijkheid om een algemene permanente stop op gaswinning in te voeren in een specifiek gebied.
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Als de NAM een nieuwe put wil boren moet de NAM een omgevingsvergunning aanvragen en een aanpassing van het winningsplan indienen. Deze aanvragen zal ik indien dit zich zou voordoen toetsen aan het wettelijke kader. Het feit dat er een rechtszaak loopt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het huidige instemmingsbesluit op het winningsplan, staat buiten een dergelijke beoordeling.
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Zie mijn antwoord bij vraag 3.
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Nee. Op basis van het geldende wettelijke kader is ingestemd met de aanvraag van de NAM om langer gas te winnen uit het gasveld Warffum. Ik kan voor een individuele aanvraag geen besluiten nemen buiten het wettelijke kader. Dit geldt ook voor het intrekken of opschorten van reeds genomen besluiten. Hiervoor moet een juridische grondslag zijn en die is niet aanwezig.
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
De vraag of SodM nu anders zou adviseren kan ik niet beantwoorden. Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat zeer zorgvuldig naar de aanvraag van de NAM is gekeken, alvorens een besluit is genomen. Hiervoor is zoals gebruikelijk advies gevraagd aan onder meer TNO, SodM en de Mijnraad. Deze adviseurs hebben aangegeven dat de winning technisch veilig kan plaatsvinden. Daarbij heeft het toenmalig kabinet recht willen doen aan de zorgen. Om deze reden is met de NAM afgesproken dat het seismisch risicobeheersplan wordt aangescherpt voor het gasveld Warffum. De NAM zal de winning uit het gasveld Warffum bij een beving eerder stilleggen dan bij de andere kleine gasvelden in Nederland.3
Zoals bij vraag 8 aangegeven, dient er een juridische grondslag te zijn om een vergunning in te trekken of te herzien en die is niet aanwezig.
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Zoals bij vraag 9 aangegeven heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Zoals bij vraag 9 aangegeven, heeft, op basis van de wettelijke kaders, een zorgvuldig proces plaatsgevonden.
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
Nee. Bij de aanvraag Ternaard speelden specifieke omstandigheden: juridisch, ruimtelijk en procedureel. Juist vanwege die unieke combinatie heeft het toenmalig kabinet aanleiding gezien om een afwijkend besluit te overwegen en uiteindelijk tot een vaststellingsovereenkomst te komen. Dat besluit stond dus in directe relatie tot die bijzondere context. Dat betekent ook dat dit elders niet zal plaatsvinden; een uitzondering vormt geen nieuw beleidskader. Het uitgangspunt blijft dat beslissingen over gaswinning worden genomen binnen het bestaande wettelijke kader, de daarin vastgelegde verantwoordelijkheden en toetsingskaders. Daarbij wil ik benadrukken dat vergunningen voor activiteiten in de diepe ondergrond alleen worden verleend als dit veilig en verantwoord kan.
Een dreigend tekort aan benzine en kerosine |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de bevindingen van de Rabobank?1
Ja.
In hoeverre rijmt de uitkomst van dit onderzoek van de Rabobank met uw woorden van 18 april 2026, waarin u aangeeft dat er voldoende voorraad kerosine is?2
De uitspraken van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de kerosinevoorraad tijdens het Vragenuur van 18 april zijn in overeenstemming met de uitkomst van het Rabobank-onderzoek. Beiden hebben betrekking op verschillende scenario’s en op de korte respectievelijk langere termijn.
Zoals eerder aangegeven beschikken Nederland en Europa op dit moment over voldoende voorraden kerosine. Er is momenteel dus geen sprake van acute tekorten. Tegelijkertijd is het noodzakelijk dat wij ons voorbereiden op scenario’s voor het geval de situatie in het Midden-Oosten verder escaleert of langdurig aanhoudt.
Het onderzoek van Rabobank kan gezien worden als een analyse van juist dat langdurige scenario. De bank wijst op het risico dat de beschikbaarheid van kerosine na verloop van tijd onder druk kan komen te staan wanneer de verstoring van aanvoer via de Straat van Hormuz langere tijd aanhoudt bij een vergelijkbaar blijvende vraag.
Hoe lang is de huidige Europese olievoorraad nog toereikend? Kunt u daarbij het meest negatieve en meest positieve scenario ook uitlichten? Kunt u ook toelichten hoe lang Nederland zelfstandig kan functioneren met die voorraad?
Nederland en Europa beschikken over relatief grote olievoorraden die voor vijf maanden toereikend zijn. De daadwerkelijke duur waarvoor deze voorraden volstaan, hangt sterk af van de ontwikkeling van de verstoring, de mate waarin handelsstromen zich aanpassen, de vraagontwikkeling en de inzet van raffinaderijen. Een vaste termijn is daarom niet goed te geven. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet in op zoveel mogelijk energiebesparing door de energie-efficiëntie in de luchtvaart verder te verbeteren. Leveringen ruwe olie gaan door en de vraag kan worden bediend. We zien dat handelsstromen en raffinaderijen zich aanpassen op de ontwikkelingen in de oliemarkt. Er komt op dit moment meer import uit landen als de Verenigde Staten en Nigeria en de raffinagesector schaalt productie op naar waar de vraag het grootst is; op dit moment kerosine en diesel. Tegelijkertijd zien we wel dat er krapte ontstaat in de markt en dat prijzen stijgen en volatiel blijven. De markt staat dus onder druk, maar er is in Nederland op dit moment geen sprake van tekorten.
In Nederland en Noordwest-Europa is op dit moment voldoende voorraad beschikbaar. De beschikbare dekking verschilt per product: voor kerosine is deze beperkter dan voor diesel en benzine, maar ook daar is nog voorraad beschikbaar. Voor diesel en benzine is de dekking ruimer en gaat het eerder om maanden dan om weken, afhankelijk van handelsstromen, raffinage-inzet en vraagontwikkeling.
Bent u van mening dat de Nederlander niet nóg meer de dupe mag worden van de situatie rondom de Straat van Hormuz en bent u bereid maatregelen te nemen ten voordele van de Nederlander? Zo ja, welke maatregelen wilt u nemen? Zo nee, waarom niet?
De situatie in het Midden-Oosten is veranderlijk en onvoorspelbaar. Ook in Nederland zijn de economische gevolgen merkbaar. Dit leidt bij mensen tot begrijpelijke zorgen over prijzen, energie en bestaanszekerheid. Het kabinet heeft daarom op 20 april een pakket aan maatregelen gepresenteerd.3 Met dat pakket wordt ondersteuning geboden aan huishoudens en bedrijven die door de hogere energieprijzen acuut in de problemen kunnen komen. Zo is de maximale onbelaste reiskostenvergoeding verhoogd, en krijgen bedrijven meer toegang tot financiering en liquiditeit via een uitbreiding van de toegang tot garantieregelingen. Bovendien zet het kabinet in op verhoging van de weerbaarheid, door de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Huishoudens worden geholpen met energiebesparing en isolatie, voor bedrijven worden verduurzamingsmaatregelen aantrekkelijker door de verhoging van het aftrekpercentage van de Energie-investeringsaftrek (EIA) en het wegvervoer wordt tijdelijk ondersteund door een verlaging van de vrachtwagenheffing.
Het kabinet heeft in de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok verschillende scenario's geschetst voor het geval dat de situatie rondom de Straat van Hormuz zou verslechteren. Een mogelijke inzet van nieuwe maatregelen vraagt om een zorgvuldige weging. De realiteit is ook dat de economische effecten niet altijd weg te nemen zijn door te compenseren. Maatregelen die de energieprijs dempen, hebben immers als direct effect dat de vraag toeneemt en de schaarste toeneemt.
Bent u concreet bezien bereid de accijns op benzine te schrappen, al dan niet te verlagen, als er fysieke brandstoftekorten dreigen te ontstaan? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief Acties Weerbaarheid Energieschok4 van 20 april jl. heeft het kabinet een aantal concrete maatregelen aangekondigd en uiteengezet welk type maatregel kan worden overwogen in scenario’s waarin de situatie verder verslechtert. Denk aan situaties waarin de Straat van Hormuz langdurig blijft gesloten of als er sprake is van een fysiek brandstoftekort. Dit vraagt op dat moment een zorgvuldige weging, waar het kabinet nu niet op gaat vooruitlopen.
Kunt u garanderen dat een verhoging van de brandstofaccijns in elk geval van tafel is, zolang de blokkade van de Straat van Hormuz nog aan de orde is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Welke alternatieven worden door het kabinet onderzocht voor het geval de straat van Hormuz dicht zal blijven en de aanvoer van energie via die weg onbetaalbaar zal worden?
Het kabinet bereidt zich voor op alle mogelijke scenario's. We houden rekening met mogelijk langdurige verstoringen en potentieel grote economische gevolgen. Hoe langer het conflict duurt en hoe meer energie-infrastructuur beschadigd raakt, hoe groter de impact op de prijzen en leveringszekerheid. Het kabinet is opgeschaald naar fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie waarin de situatie intensief wordt gemonitord om tijdig voorbereid te zijn op mogelijke verdere verslechtering.
Zoals genoemd zien we op dit moment dat de wereldwijde oliemarkt zich aanpast en effectief is in het opvangen van de aanbodverstoring. De oliemarkt is wereldwijd en ongereguleerd. Dit betekent dat marktpartijen kunnen importeren uit andere delen van de wereld en handelsstromen kunnen verplaatsen, hetzij tegen een hogere prijs als gevolg van concurrentie.
Er is op dit moment geen sprake van fysieke tekorten en Nederland en Europa beschikken over relatief grote voorraden, waarmee bij een aanhoudende aanbodverstoring maanden vooruit kan. Voor het mogelijk inzetten van de strategische voorraden zijn we in continu contact met het IEA, de Europese Commissie, andere lidstaten en marktpartijen. Om die zo effectief mogelijk te laten zijn en weglekeffecten te voorkomen is het belang ze op strategische en gecoördineerde wijze in te zetten. Het kabinet is voorbereid om de strategische voorraden in te zetten wanneer signalen rond de leveringszekerheid daartoe aanleiding geven.
Bent u van mening dat bestaanszekerheid, energiezekerheid en betaalbaarheid prioriteit moeten genieten boven (ideologisch) klimaatbeleid en dat dus maatregelen ten voordele van de portemonnee van de Nederlander altijd de voorkeur moeten genieten? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De crisis in het Midden-Oosten onderstreept het belang om de afhankelijkheid van buitenlandse energiebronnen, zoals olie en gas, te verminderen. Dit vergroot de leveringszekerheid en leidt tot stabielere energieprijzen voor burgers en bedrijven. Het toewerken naar meer hernieuwbare energie van eigen bodem en het halen van de klimaatdoelen gaan dus hand in hand.
In hoeverre overweegt het kabinet de snelheid waarmee Nederland afstand neemt van de eigen gasproductie en fossiele levenszekerheid, nu internationale energieaanvoerlijnen steeds instabieler lijken? En waarom?
Gezien de huidige geopolitieke situatie zet het kabinet in op verdere vraagbeperking en het zo veel mogelijk beperken van de importafhankelijkheid van gas. In het kader van de importafhankelijkheid blijft gaswinning op de Noordzee en land van belang, mits dat veilig en verantwoord gewonnen kan worden en met oog voor de omgeving. Hierover zijn afspraken gemaakt in het Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie.
De Timmermans-taks |
|
Alexander Kops (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Ja.
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Het kabinet ziet de impact van hogere energieprijzen op huishoudens. Vanwege de actuele energieschok als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten heeft het kabinet het Actieplan Weerbaarheid Energieschok aangekondigd.
De actuele hoge prijzen bevestigen deels de kwetsbare positie van Nederland als gevolg van de afhankelijkheid van import van fossiele brandstoffen. Om minder afhankelijk en kwetsbaar te worden moeten we overschakelen naar duurzame alternatieven.
Het ETS-2 geeft vanaf 2028 een extra prikkel voor het overschakelen naar duurzame energiedragers. Daarbij hebben huishoudens hulp nodig, die het kabinet biedt door middel van het Actieplan Weerbaarheid, het Warmtefonds, het Noodfonds Energie en het Sociaal Klimaatfonds. Met het omschakelen naar duurzame energiebronnen versterken we de weerbaarheid van Nederland.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
De € 720 mln. die Europees beschikbaar wordt gesteld, wordt conform verplichting door Nederland aangevuld tot ongeveer € 1 mld. Deze middelen kunnen worden gebruikt om kwetsbare huishoudens, kwetsbare micro-ondernemingen en kwetsbare vervoergebruikers te ondersteunen bij verduurzaming.
Het kabinet zal de Kamer binnenkort nader informeren over de besteding van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds.
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Voor een huishouden met een gemiddeld jaarverbruik (gas en elektriciteit) bestaat de rekening voor ongeveer 10% uit energiebelasting; dit lagere percentage komt o.a. door de korting op de energiebelasting met een vast bedrag, een belastingvermindering die de afgelopen jaren bovendien verhoogd is.2 Ik ben bekend met de relatieve hoogte van de Nederlandse benzineprijzen. Generieke verlaging van de prijs aan de pomp is echter een maatregel die veel geld kost: de Minister van Financiën heeft dit in debat over het Actieplan Weerbaarheid aan de Kamer toegelicht.3 Een lagere energiebelasting of brandstofaccijns zou betekenen dat er alternatief beleid nodig is om de klimaatdoelen te halen en om de budgettaire derving op te vangen.
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het PBL noemt als mogelijkheid het instellen van een prijsplafond in het ETS-2. In het ETS-2 is tenminste tot 2030 een prijsbeheersingsmechanisme ingebouwd, waardoor de prijs niet hoger zal oplopen dan € 45/ton CO2 (in 2020-prijzen). Bij de uitwerking van de Europese klimaatarchitectuur voor na 2030 zal opnieuw het gesprek gevoerd worden over welk prijsniveau acceptabel wordt geacht.
Daarnaast beveelt het PBL aan om naast het ETS-2 aanvullend nationaal klimaatbeleid te voeren in ETS-2 sectoren, om te voorkomen dat omwille van doelbereik de prijs tot maatschappelijk onacceptabele hoogte moet stijgen. Het kabinet betrekt deze aanbeveling in de klimaatbesluitvorming.
Bent u bekend met het bericht in de Volkskrant «IPCC schrapt rampscenario: opwarming hooguit nog «maar» 3,5 graden in 2100»1 en met het recent gepubliceerde peer-reviewed artikel van Van Vuuren et al., The Scenario Model Intercomparison Project for CMIP7 (ScenarioMIP-CMIP7), in Geoscientific Model Development2?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de auteurs stellen dat de hoge emissieniveaus uit CMIP6, gekwantificeerd als SSP5-8.5, voor de 21e eeuw niet langer plausibel zijn, mede door kostentrends voor hernieuwbare energie, de opmars van kernenergie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends?
De auteurs stellen inderdaad dat de hoge emissieniveaus behorend bij SSP5-8.5 niet meer plausibel zijn door de kostentrends in hernieuwbare energie, bestaand klimaatbeleid en recente emissietrends. Kernenergie wordt in het artikel niet genoemd.
Kunt u bevestigen dat de temperatuurprojecties in het artikel voor de voorgestelde CMIP7-scenarioset uitkomen op een bandbreedte van ongeveer 1,5 graden tot bijna 3,5 graden opwarming in 2100 ten opzichte van 1850–1900, terwijl IPCC AR6 voor SSP5-8.5 voor 2081–2100 een schatting van 4,4 graden rapporteerde, met een zeer waarschijnlijke bandbreedte van 3,3 tot 5,7 graden?
In de vraag worden twee verschillende bandbreedtes met elkaar vergeleken: de spreiding in de centrale waarden voor de verwachte opwarming voor de nieuwe set emissiescenario’s en de spreiding in opwarming voor het huidige hoogste scenario.
Het IPCC bereidt nu het zevende Assessment Report (AR7) voor. Als input daarvoor zijn door verschillende onderzoeksgroepen met geïntegreerde mondiale modellen nieuwe emissiescenario’s ontwikkeld (CMIP7). Deze zijn recent gepubliceerd. De berekende temperatuurprojecties voor de nieuwe emissiescenario’s hebben nog een voorlopig karakter. Hoe de klimaatscenario’s op basis van CMIP7 emissiescenario’s eruit zullen zien, is pas duidelijk wanneer de deze zijn doorgerekend en verwerkt door het IPCC.
Kunt u bevestigen dat de recente scenarioherijking niet alleen de bovenkant van de scenariobandbreedte raakt, maar dat de auteurs ook aangeven dat meerdere zeer lage CMIP6-emissietrajecten inmiddels niet meer consistent zijn met waargenomen trends in de periode 2020–2030?
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze ontwikkeling vraagt om een scherper onderscheid tussen scenario’s, prognoses, plausibiliteit, waarschijnlijkheid, stresstests en beleidsreferenties in kabinetsstukken en publieke communicatie?
Scenario’s zijn inderdaad geen prognoses of toekomstvoorspellingen, maar samenhangende projecties van mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Ze zijn nodig om bandbreedtes van mogelijke klimaateffecten te kunnen doorrekenen. Wij zijn het eens dat het belangrijk is in publieke communicatie deze begrippen op duidelijke wijze te gebruiken.
Deelt u de opvatting dat klimaatbeleid moet worden gebaseerd op realistische scenario’s en niet mag worden gedomineerd door scenario’s die niet langer als realistische beleidsbasis gelden?
De emissiescenario’s zijn altijd bedoeld geweest om een bandbreedte van mogelijkheden aan te geven, met het genoemde (SSP5-8.5) scenario als worst-case. Tegenover het worst-case scenario stond ook een best-case scenario dat volgens de onderzoekers helaas buiten bereik is gekomen. Met de scenario’s wordt Nederland in staat gesteld zich voor te bereiden op de mogelijke klimaatomstandigheden die ons te wachten kunnen staan. Daarvoor is het ook belangrijk een realistisch worst case scenario te hebben.
Bent u bereid voortaan bij grote klimaat- en energiebesluiten expliciet te vermelden op welk klimaatscenario of welke scenariobandbreedte het besluit is gebaseerd, welk zichtjaar wordt gebruikt, of het gaat om een centrale beleidsreferentie of om een stresstest, en wat dit betekent voor de inschatting van kosten, baten en risico’s?
Ja, waar dat mogelijk is. Bij beleidsdoorrekeningen wordt reeds gekeken naar de mate waarin de gebruikte scenario’s robuust en plausibel zijn en dat zal ook in de toekomst het geval blijven. Het kabinet neemt de laatste wetenschappelijke inzichten als uitgangspunt en kijkt in het klimaatbeleid beleidsmatig welke ontwikkeling het meest realistisch wordt geacht, tegen welke risico’s bescherming nodig is en welke risico’s we bereid zijn te accepteren. Op basis daarvan wordt dan bepaald welke maatregelen worden genomen om klimaatbestendigheid te vergroten. Het gebruik van scenario’s verschilt niet per besluit en er is dus geen reden dat te specificeren per besluit. Waar dat wel het geval is, bijvoorbeeld ten behoeve van een stresstest, zal de Kamer daar expliciet op worden gewezen.
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van alle Nederlandse klimaatbeleidsstukken, PBL-, CPB-, KNMI- en RIVM-doorrekeningen, adaptatiestrategieën, maatschappelijke kosten-batenanalyses (mkba’s), schadeanalyses, risicokaarten, kabinetscommunicatie en processtukken sinds 2019 waarin RCP8.5, SSP5-8.5, SSP3-7.0 of vergelijkbare high-endscenario’s zijn gebruikt?
Rapporten van PBL, CPB, KNMI en RIVM worden in beginsel openbaar gemaakt en zijn in te zien via de websites van de verschillende organisaties. Daarnaast geeft de Kamerbrief «KNMI ’23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid» van 8 mei 2024 een uitgebreid overzicht. Op basis van de IPCC klimaatscenario’s worden specifieke klimaatscenario’s voor Nederland gemaakt; de meest recente versie komt uit 2023. Die scenario’s vormen de basis voor het beleid gericht op aanpassing aan klimaatverandering in Nederland. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt in het Nationaal Klimaatadaptatieplan, de Nationale Risicokaart, en de PBL-studie «Voorbij de risico’s: keuzes voor een klimaatbestendige leefomgeving». Op basis van de nieuwe scenario’s zal het KNMI in 2030/2031 komen met een nieuwe set klimaatscenario’s voor Nederland, waarin dan ook de nieuwe IPCC-inzichten in de gevolgen van klimaatverandering wereldwijd worden meegenomen (bijvoorbeeld de mate van zeespiegelstijging).
Welke Nederlandse klimaatmaatregelen, normen, investeringsbeslissingen of financiële onderbouwingen zouden materieel anders worden beoordeeld als SSP5-8.5 niet langer als realistische beleidsreferentie wordt gebruikt, maar uitsluitend als historisch vergelijkingspunt of extreme stresstest?
Geen, omdat SSP5-8.5 al niet als «realistische beleidsreferentie» werd gebruikt, maar als onderdeel van de volledige bandbreedte (zie ook het antwoord op vraag 15).
Welke gevolgen heeft deze wetenschappelijke herijking volgens u voor de proportionaliteit en betaalbaarheid van klimaatbeleid voor huishoudens, het midden- en kleinbedrijf (mkb), de industrie, mobiliteit en landbouw, in het bijzonder waar het gaat om energieprijzen, nationale koppen op Europees beleid, netverzwaring, subsidies en verplichtingen?
Zie het antwoord op vraag 9.
Bent u bereid de komende Klimaatnota, Energienota en relevante begrotingsstukken te voorzien van een scenarioparagraaf waarin per hoofdmaatregel wordt aangegeven op welk klimaatscenario, emissiepad en welke kosten-batenveronderstellingen de maatregel berust?
Het Nederlandse adaptatiebeleid is geijkt op de KNMI klimaatscenario’s voor Nederland. Voor de doorwerking van deze scenario’s in Rijksbeleid, zie het antwoord op vraag 8. Het mitigatiebeleid is gericht op het beperken van de emissies om de 1,5 graad doelstelling binnen bereik te houden. Dit is gebaseerd op de inzichten van het IPCC en het PBL. De beleidsimplicaties van IPCC-rapporten worden door het kabinet in de appreciaties van deze rapporten aangegeven.
Bent u bereid PBL, CPB, KNMI en RIVM te vragen bij toekomstige beleidsdoorrekeningen expliciet aan te geven of uitkomsten robuust zijn onder centrale scenario’s, plausibele high-endscenario’s en extreme stresstestscenario’s, en waar conclusies afhankelijk zijn van een inmiddels minder plausibel high-endscenario?
Zoals al aangeven wordt bij beleidsdoorrekeningen reeds gekeken naar de mate waarin de gebruikte scenario’s robuust en plausibel zijn en dat zal ook in de toekomst het geval blijven.
Bent u bekend met het VU/IVM-onderzoek The Impacts of Climate Change on Bonaire, uitgevoerd in opdracht van Greenpeace Nederland, en kunt u bevestigen dat daarin onder meer SSP5-8.5 en een «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant zijn gebruikt?
Ja.
Kunt u de Kamer een analyse sturen van welke onderdelen van de Bonaire-zaak en de onderliggende rapporten afhankelijk zijn van SSP5-8.5 of van de «SSP5-8.5 Low Confidence»-variant?
Het Ministerie van het IenW heeft het rapport «Risicoprofielen voor overstromingen op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba» van het bureau HKV-Lijn in water op 12 november 2024 met de Kamer gedeeld.3 Voor het opstellen van risicoprofielen uit het rapport, het kaartmateriaal en de redeneerlijnen is gebruik gemaakt van het SSP 5-8.5 scenario. Dit scenario is vergelijkbaar met het hoge uitstootscenario van de KNMI’23 scenario’s. Het SSP 5-8.5 LC is daarbij gebruikt voor het uitvoeren van gevoeligheidsanalyses en niet als uitgangspunt voor de risicoprofielen zelf.
De inbreng van Greenpeace in de rechtszaak is gebaseerd op het VU/IVM onderzoek en daarin is het SSP 5-8.5 LC scenario wel meegenomen. Het VU/IVM-rapport laat zien dat de impact van zeespiegelstijging sterk scenario-afhankelijk is. Bij beperkt klimaatbeleid en hoge mondiale uitstoot in combinatie met instabiele ijskappen (scenario SSP 5-8.5 LC) wordt berekend dat zeespiegelstijging op lange termijn zonder maatregelen delen van Kralendijk kan raken. Bij alle andere klimaatscenario’s blijft de berekende directe kustinundatie aanzienlijk meer beperkt. Dit beeld komt overeen met het rapport van HKV-Lijn in water.
Acht u het wetenschappelijk en bestuurlijk verantwoord wanneer beleidsmakers, belangenorganisaties of procespartijen effecten voor Bonaire presenteren op basis van SSP5-8.5 of «SSP5-8.5 Low Confidence», zonder duidelijk te vermelden dat SSP5-8.5 in de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-literatuur niet langer als plausibel high-endemissieniveau voor de 21e eeuw wordt beschouwd?
Bij wetenschappelijke onderzoeken en analyses wordt gebruik gemaakt van een reeks aan scenario’s. Zo wordt een bandbreedte geschetst waarbinnen klimaatverandering zich voor kan doen en welke gevolgen daar bij kunnen horen. Het kabinet kan enkel primair voor zichzelf spreken. Het kabinet neemt de laatste wetenschappelijke inzichten als uitgangspunt en kijkt in het klimaatbeleid beleidsmatig welke ontwikkeling het meest realistisch wordt geacht, tegen welke risico’s bescherming nodig is en welke risico’s we bereid zijn te accepteren. Op basis daarvan wordt dan bepaald welke maatregelen worden genomen om klimaatbestendigheid te vergroten.
Bent u bereid de nieuwe ScenarioMIP-CMIP7-inzichten expliciet te betrekken bij de onderbouwing van dat hoger beroep, nu het kabinet heeft aangekondigd in hoger beroep te gaan in de Klimaatzaak Greenpeace Bonaire en schorsing van de uitspraak te vragen?
Het kabinet neemt altijd nieuwe wetenschappelijke inzichten mee in wat het voorneemt en doet.
Zal de Staat in hoger beroep betogen dat rechterlijke verplichtingen tot nationale, bindende emissiedoelen niet mogen worden gebaseerd op scenario’s die wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden, maar hooguit als extreme stresstest kunnen dienen?
Op 10 april jl. heeft het kabinet aangekondigd hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. De Kamer is hierover geïnformeerd. In hoger beroep beoordeelt het gerechtshof Den Haag de onderdelen van de uitspraak van de rechtbank waartegen argumenten (grieven) worden gericht. Het kabinet zal de precieze argumenten van het hoger beroep nog nader bepalen en uitwerken. Het rechterlijk bevel dat de Staat gehouden is absolute emissiereductiedoelen in nationale regelgeving op te nemen, berust overigens niet op scenario’s waarvan wordt gesteld dat deze wetenschappelijk niet langer als plausibele beleidsreferentie gelden.
Kunt u voor Bonaire aangeven welke middelen inmiddels zijn gereserveerd of beschikbaar komen voor klimaatadaptatie, per maatregel uitgesplitst naar budget, verantwoordelijke partij, planning, onderliggend scenario en verwacht risicoreducerend effect?
Het kabinet zet in op het vaststellen van een klimaatadaptatieplan om ervoor te zorgen dat Caribisch Nederland klimaatbestendig is, nu en in de toekomst. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals reeds aangegeven in het coalitieakkoord. Deze plannen zullen aan de Kamer worden aangeboden, inclusief de financiële onderbouwing ervan.
Deelt u de opvatting dat inwoners van Bonaire het meest geholpen zijn met concrete, lokale adaptatiemaatregelen tegen hitte en wateroverlast en dat eventuele nationale emissiedoelen afzonderlijk en aantoonbaar proportioneel moeten worden onderbouwd?
Het klopt dat Bonaire het meest gebaat is bij concrete maatregelen en dit Kabinet zet zich ook in om die snel te realiseren. Het kabinet streeft in algemene zin naar doelen, dus ook eventuele nationale emissiedoelen, zorgvuldig te onderbouwen.
Kunt u toezeggen dat inwoners van Bonaire niet worden gebruikt als juridisch argument voor steeds zwaardere nationale klimaatdoelen, maar daadwerkelijk worden geholpen met concrete maatregelen die hun veiligheid, leefbaarheid en weerbaarheid vergroten?
Het beleid op Bonaire is bedoeld om de weerbaarheid van inwoners van Bonaire te vergroten ten aanzien van de gevolgen van klimaatverandering. De noodzaak om maatregelen te treffen zal groter worden naarmate de gevolgen van klimaatverandering groter worden, bijv. indien de lage emissiescenario’s verder uit zicht raken.
Deelt u de opvatting dat de nieuwe scenario’s nopen tot klimaatrealisme: minder alarmistische communicatie, meer transparantie over onzekerheden, meer aandacht voor betaalbaarheid en meer focus op adaptatie die aantoonbaar werkt?
De nieuwe scenario’s reflecteren dat de mondiale emissies door ingezet klimaatbeleid en technologische ontwikkelingen minder sterk zullen stijgen dan eerder werd verondersteld. Dat toont aan dat klimaatbeleid werkt. Tegelijkertijd laten ze zien dat door onvoldoende klimaatbeleid het beperken van de mondiale opwarming tot 1,5 graad alleen mogelijk is na een tijdelijke overschrijding van dat niveau, wat meer klimaateffecten met zich meebrengt. Daarom, en gezien de al zichtbare effecten van klimaatverandering en wetenschappelijke berichten dat de risico’s van klimaatverandering mogelijk groter zijn dan eerder gedacht, ziet het kabinet in de nieuwe CMIP7-scenario’s juist bevestiging van de noodzaak van ambitieus klimaatbeleid.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het rapport 'No fuel, no fight: The Dutch fuel industry and European military readiness' |
|
Peter de Groot (VVD), Alisha Müller (VVD) |
|
Derk Boswijk (CDA), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recente rapport van The Hague Centre for Strategic Studies (HCSS) getiteld «No fuel, no fight: the Dutch fuel industry and European military readiness»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de toenemende tekorten aan kerosine en diesel in het licht van de voortdurende afbouw van de nationale productiecapaciteit? In hoeverre deelt u de expliciete zorgen van de onderzoekers over de risico’s die deze trend met zich meebrengt voor de stabiliteit en capaciteit van de Nederlandse kritieke energie-infrastructuur?
Op de korte termijn zijn er binnen Nederland geen signalen voor tekorten aan kerosine en diesel. Nederland monitort de prijzen en voorraden van olie en zorgt voor strategische olievoorraden.
Als gevolg van de energietransitie neemt de fossiele raffinagecapaciteit in Europa af. Dit wordt daarnaast gedreven door toenemende mondiale concurrentie en stijgende operationele kosten in Europa. Belangrijk hierbij is dat de afbouw van deze capaciteit in Europa in lijn is met de opbouw van hernieuwbare alternatieven.
Fossiele raffinaderijen hebben een rol tijdens de transitie naar duurzame energie. Zolang de wereldeconomie nog in belangrijke mate op fossiele brandstoffen draait, vormt het behoud van stabiele, regionale raffinagecapaciteit een belangrijke pijler voor de leveringszekerheid. Een grotere en structurele leveringszekerheid wordt op de langere termijn bereikt door de transitie naar een hernieuwbare energievoorziening, waarbij bronnen zoals wind, zon en duurzame grondstoffen binnen Europa zelf benut respectievelijk gewonnen kunnen worden.
Hoe weegt u de strategische waarde van de Nederlandse energie-infrastructuur voor de bredere leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie, zeker gezien de Nederlandse rol als logistiek knooppunt?
Nederland speelt een belangrijke rol als toegangspoort voor olie en (duurzame) brandstoffen en huisvest een van de grootste raffinageclusters van Europa. Nederland is bovendien de grootste Europese exporteur van kerosine. De Nederlandse brandstof- en chemiegrondstoffen (BCP)-sector maakt deel uit van het ARRRA-cluster, een netwerk van raffinaderijen, krakers en chemiebedrijven tussen Antwerpen, Rotterdam en het Duitse Rijn-Ruhrgebied, verbonden via pijpleidingen, waterwegen, spoor en wegen.
De kracht van de Nederlandse raffinaderijen berust mede op hun positie in de aan-, door- en uitvoer van aardolieproducten en de nabijheid van liquid bulk zeehavens, die ook fungeren als bunkering hubs. Behoud van de bestaande energie-infrastructuur – pijpleidingen, waterwegen, terminals, opslag en logistieke verbindingen – is van belang, zodat een deel kan worden gebruikt voor productie van hernieuwbare brandstoffen en de levering van fossiele producten die in de transitiefase nog nodig zijn.
Bent u bereid om samen met de Ministeries van I&W, Defensie en EZK in kaart te brengen hoe de toekomstige afhankelijkheden van brandstoffen zich ontwikkelen en wat de concrete gevolgen hiervan zijn voor defensie, de burgerluchtvaart en kritieke energie-infrastructuur?
I&W, Defensie en EZK werken intensief samen op het gebied van weerbaarheid en energiezekerheid. Dit krijgt onder meer vorm binnen de aanpak weerbaarheid en militaire paraatheid tegen hybride en militaire dreigingen, de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie, het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), de Visie Verduurzaming Bunkerbrandstoffen en de Roadmap Energiezekerheid voor Defensie.
Binnen deze trajecten is er structureel aandacht voor het vergroten van de strategische autonomie door fossiele grondstoffen te vervangen door hernieuwbare alternatieven, met name daar waar elektrificatie niet mogelijk is. Tegelijkertijd richten de ministeries zich op de rol van de bestaande raffinagesector tijdens de transitiefase, bijvoorbeeld voor sectoren als Defensie die de komende jaren voorlopig sterk afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen.
Wat is uw reactie op de prognose uit het rapport dat de importafhankelijkheid voor brandstoffen in 2040 zal stijgen naar 46% voor Nederland en maar liefst 72% voor de gehele Europese Unie? Welke risico’s ziet u hierin voor onze strategische autonomie?
Nederland is op dit moment al in hoge mate afhankelijk van import van ruwe olie voor de productie van kritieke brandstoffen. Voor de strategische autonomie van Nederland is een betrouwbare en ononderbroken brandstofvoorziening een basisvoorwaarde. De afnemende fossiele raffinagecapaciteit moet daarom gepaard gaan met het ontwikkelen van kansen op import- en productiediversificatie via de productie van biodiesel en SAF. Binnen deze ontwikkelingen spant het kabinet zich in om economische robuustheid, maatschappelijke weerbaarheid, militaire paraatheid en energiezekerheid te waarborgen (zie ook antwoord 4).
Hoe reflecteert u op de aanbeveling dat de Nederlandse overheid, in EU-verband, een kritieke ondergrens voor productiecapaciteit moet vaststellen en de noodzakelijke instrumenten moet inzetten om deze capaciteit operationeel te houden voor de vitale brandstofvoorziening?
Het kabinet wil een tekort aan olie kunnen voorkomen en de gevolgen van hoge prijzen beperken. Daarom worden strategische olievoorraden aangehouden en ligt er een landelijk crisisplan olie (LCP-O). Het LCP-O beschrijft hoe publieke en private actoren in verschillende fases van een (dreigende) oliecrisis kunnen samenwerken om vitale brandstofvoorziening te garanderen.
Uit het oogpunt van leveringszekerheid acht ik het wenselijk dat in elk geval een deel van de productie van (hernieuwbare) brandstoffen in Nederland en Europa plaatsvindt. Hiervoor zijn de opbouw van productie van hernieuwbare brandstoffen en verduurzaming van bestaande raffinaderijen noodzakelijk. Dit komt aan de orde in de Toekomstvisie op Brandstoffen- en chemiegrondstofproductie en het Aanpak Aanbod Duurzame Koolstofdragers (AADK), die na de zomer aan uw Kamer worden verzonden.
Onderschrijft u de conclusie dat Nederland en de EU stevenen op een verhoogde kwetsbaarheid door een groeiende afhankelijkheid van externe brandstofimporten? Welke stappen ziet u om deze trend te keren?
De kwetsbaarheid van Nederland en de EU hangt samen met risico’s in de aanvoer van kerosine en diesel. Deze importafhankelijkheid vraagt om gericht beleid om leveringszekerheid te borgen. Het kabinet erkent de risico’s voor economie, veiligheid en energiezekerheid, mede zichtbaar in de situatie rond de Straat van Hormuz. Daarom wordt actief ingezet op maatregelen om de vraag te verlagen door te elektrificeren waar dat kan, de toeleveringsketens te versterken, waaronder diversificatie van import, uitbreiding van infrastructuur en versterking van opslag- en productiefaciliteiten (zie ook antwoord 4).
Op welke wijze borgt u het behoud van de kritieke energie-infrastructuur op Nederlands grondgebied? In hoeverre worden hierbij de specifieke vereisten voor militaire mobiliteit en de collectieve Europese verdediging meegewogen?
Het kabinet borgt de kritieke energie-infrastructuur door deze expliciet te beschermen, te onderhouden en waar nodig te versterken via ruimtelijke inpassing, regulering en investeringen in netverzwaring, waterstof- en brandstofinfrastructuur en strategische opslagcapaciteit.
Bij besluitvorming wordt leveringszekerheid structureel meegewogen, inclusief risico’s op verstoringen en de weerbaarheid tegen sabotage of uitval.
De eisen voor militaire mobiliteit maken hier integraal onderdeel van uit: energie-infrastructuur moet geschikt blijven voor snelle verplaatsing en inzet van bondgenoten in het kader van Host Nation Support en voor de krijgsmacht, inclusief gegarandeerde beschikbaarheid van brandstoffen. Ook in EU-verband wordt afgestemd op de vereisten voor collectieve verdediging, zodat infrastructuur aansluit op gezamenlijke defensieplanning en crisisrespons.
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de huidige Methaanverordening potentieel 90% van de huidige wereldwijde olie-import diskwalificeert en de kosten voor het Europese bedrijfsleven kan laten oplopen tot 80 miljard euro?
Nederland acht de methaanverordening belangrijk om de klimaatdoelen te halen. Ik neem hierbij de zorgen over de uitvoerbaarheid serieus en heb daar op verschillende manieren aandacht voor gevraagd bij de Europese Commissie. Ik steun de flexibiliteit die de Europese Commissie heeft aangekondigd voor importeurs bij de uitvoering van de verordening en kijk uit naar het concrete voorstel. Tegelijkertijd blijf ik in gesprek met de Europese Commissie, andere lidstaten, marktpartijen en toezichthouders over de implementatie van de verordening en de zorgen die daarbij spelen.
Bent u bereid de conclusies uit dit rapport te integreren in de aangekondigde «Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie»? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze visie tegemoet zien?
In de Toekomstvisie brandstoffen- en chemiegrondstoffenproductie, die naar verwachting in het najaar naar de Kamer wordt verzonden, worden scenario’s voor de opbouw van hernieuwbare brandstoffen en de afbouw van fossiele brandstof- en chemiegrondstofproductie gewogen op een aantal publieke belangen. Een van deze belangen is strategische autonomie, in het bijzonder leveringszekerheid. Daarbij zal ik ook de inzichten van het rapport betrekken.
Bent u, mede in het licht van de bevindingen over de leveringszekerheid, bereid om de extra voorwaarden voor de indirecte kostencompensatie (IKC-ETS) voor de raffinagesector te heroverwegen, aangezien dit momenteel fungeert als een nationale kop op Europese regelgeving?
Op dit moment komen raffinaderijen die brandstoffen produceren met meer dan 50% fossiele herkomst niet in aanmerking voor de IKC-ETS. Dit onderwerp is momenteel onderdeel van de bredere lopende gesprekken rondom de verlaging van de elektriciteitskosten. Op Prinsjesdag zal hierover meer duidelijkheid komen.
Hoe kijkt u aan tegen de gereedstelling van de krijgsmacht en de risico’s van brandstoftekorten die kunnen optreden in de toekomst?
Voor de krijgsmacht is energie mission critical: een essentiële voorwaarde voor gevechtskracht. Brandstoffen zijn nodig voor varen, vliegen en rijden en daarmee voor de gereedstelling met inbegrip van oefenen en trainen van de krijgsmacht. Defensie heeft eigen opslagcapaciteit en contracten met civiele leveranciers die momenteel worden herzien en waar nodig aangevuld om voldoende capaciteit nu en in de toekomst zeker te stellen. Voor de lange termijn richt Defensie zich ook op het beperken van de energiebehoefte en het versterken van energiezekerheid door diversificatie van energiebronnen zoals alternatieve brandstoffen, energie-efficiency en elektrificatie van materieel.
Kunt u uiteenzetten hoe hij tegen de conclusie aankijkt dat in geval van een conflict de krijgsmacht voorrang moet krijgen op de beschikbaarheid van brandstoffen?
In geval van een gewapend conflict of nationale noodtoestand zal de energiebehoefte voor uitvoering van defensietaken sterk toenemen en kan het daarom noodzakelijk zijn dat vitale middelen, waaronder brandstoffen, prioritair beschikbaar worden gesteld aan de krijgsmacht en andere essentiële diensten. In het LCP-O is uitgewerkt hoe voorrang wordt verleend in het geval van dreigende tekorten als gevolg van crisis of conflict. Defensie is als onderdeel van de vitale infrastructuur opgenomen als prioritaire gebruiker. Daarbij geldt verder dat in uitzonderlijke gevallen en onder strikte voorwaarden op basis van noodrecht maatregelen kunnen worden getroffen om de taakuitvoering door de krijgsmacht te waarborgen. Daarbij blijft het uitgangspunt dat maatregelen proportioneel worden ingezet en maatschappelijke ontwrichting zoveel mogelijk wordt beperkt. Voor het verlenen van voorrang op brandstof aan Defensie is een kabinetsbesluit vereist.
Welk specifiek beleid voert het Ministerie van Defensie op het hebben van voldoende brandstoffen in het geval van een conflict?
Defensie neemt verantwoordelijkheid voor haar energiezekerheid en richt zich op het in lijn met NAVO-afspraken aanhouden van eigen voorraden aan kerosine, diesel en scheepsdiesel. Deze opslagcapaciteit is verspreid over meerdere locaties van Defensie, waaronder militaire vliegvelden. Daarnaast heeft Defensie meerjarige raamcontracten voor de levering en het op peil houden van de brandstofvoorraden. Ook is Defensie verantwoordelijk voor het innemen, transporteren, (tijdelijk) opslaan en afleveren van vliegtuigbrandstof en voor de instandhouding van het kerosine transportsysteem van Central Europe Pipeline System (CEPS) in Nederland. Defensie kan in geval van crisis of conflict een beroep doen op brandstof via het CEPS. Indien de eigen voorraden van Defensie niet afdoende zijn, kan het noodzakelijk zijn dat in geval van een militair conflict of noodtoestand brandstof bestemd voor de civiele markt beschikbaar wordt gesteld aan de krijgsmacht. Daarom is de algemene leveringszekerheid van diesel en kerosine binnen de Europese Unie ook voor Defensie van belang.
Kunt u ingaan op de conclusies in het rapport in het licht van de huidige brandstofstrategie van Defensie, ook in NAVO en Europees verband?
Er wordt onder meer geconcludeerd dat de groeiende import afhankelijkheid tot strategische kwetsbaarheid leidt en dat alternatieve brandstoffen de brandstofzekerheid kunnen vergroten mits de aanvoerketens weerbaar zijn. Deze conclusies worden gebruikt om de brandstofstrategie verder te ontwikkelen en aan te scherpen op zowel nationaal niveau als in NAVO-verband.
Zoals in de kamerbrief Uitvoeringsagenda energie en duurzaamheid2 is aangekondigd, ontwikkelt Defensie dit jaar een roadmap voor energiezekerheid. Deze roadmap is gericht op het borgen van energiezekerheid voor Defensie in de volle breedte. Hiermee wil Defensie zowel de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen beperken als de energiezekerheid van defensieobjecten zoals kazernes en kampementen vergroten.
NAVO is in 2026 gestart met een groot vernieuwingsprogramma om de brandstof- en energievoorziening van het bondgenootschap toekomstbestendig te maken. Hierin wordt gekeken naar leveringszekerheid en interoperabiliteit tijdens en na de energietransitie. Onderdelen van het programma zijn: de herziening van de NAVO single fuel policy (gebruik van één standaard brandstof om de logistiek te vereenvoudigen) en bijbehorende doctrine; de integratie en toetsing van het gebruik van alternatieve (drop-in) brandstoffen; de versterking van de brandstofketen en logistieke infrastructuur (Nato Pipeline System); de verbetering van energiezekerheid, weerbaarheid en crisismanagement en de ontwikkeling van een nieuwe operationele energie-strategie en concepten.
Sinds de inval van Rusland in Oekraïne in 2022, werkt de Europese Unie aan het afbouwen van fossiele afhankelijkheid van Rusland. Met initiatieven als RePowerEU zijn EU-breed afspraken gemaakt over het stoppen van Russische olie- en gasimport per 2027. Andere Europese plannen zoals het EU Grids Package en Accelerate EU, focussen op het stimuleren van Europese energie opwek. Door afhankelijkheden af te bouwen en eigen energieproductie op te schalen, werkt ook Europa aan haar onafhankelijkheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de conclusies van het rapport?
Het rapport onderstreept de urgentie om de militaire gereedheid van Nederland mee te wegen bij interventies vanuit de overheid gericht op energie- en leveringszekerheid. In lopende en nog te starten trajecten op dit terrein zal daarom de samenwerking met Defensie, EZK en I&W onverminderd de aandacht krijgen. Militaire paraatheid zal worden meegenomen in de weging.
Kunt u deze vragen 1 voor 1 beantwoorden?
Ja.
Het geschrapte ‘rampscenario’ van het IPCC |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn meest extreme rampscenario (4 tot 6 graden opwarming in 2100) heeft geschrapt?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de analyse dat meer dan 80 procent van de mediaberichtgeving gebaseerd zou zijn op dit inmiddels achterhaalde scenario?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 1 en 2?
Door een internationale groep wetenschappers is een nieuwe set mondiale emissiescenario’s gepresenteerd met een beperktere bandbreedte dan voorheen. Dit zijn geen «IPCC-scenario’s», maar emissiescenario’s waar de IPCC na doorrekening haar beoordeling van de klimaateffecten op baseert. Sinds de opstelling van de eerdere scenario’s is er veel gebeurd. Daarmee is het ergste scenario- dat uitging van een situatie waarin er geen klimaatbeleid gevoerd zou worden, nu gelukkig niet meer plausibel. Helaas constateren de onderzoekers tegelijkertijd dat er ook onvoldoende klimaatbeleid is gevoerd om het laagste scenario nog als haalbaar te beschouwen. Het is niet meer mogelijk om de opwarming aan het eind van deze eeuw tot 1,5 graad te beperken zonder dat niveau eerst te overschrijden, zoals bij de eerdere lage scenario’s nog wel mogelijk was.
Bent u van mening dat de afgelopen jaren een vertekend en te alarmistisch beeld van de klimaatontwikkelingen is geschetst? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Nee. Scenario's zijn geen voorspellingen, maar projecties om een bandbreedte aan mogelijke toekomstige ontwikkelingen in kaart te brengen. Het hoogste scenario was lange tijd een realistisch scenario in een wereld zonder effectief klimaatbeleid. Bovendien worden de gevolgen van klimaatverandering bij toenemende wereldgemiddelde temperatuurstijgingen nu ernstiger beoordeeld dan voorheen zodat voorzichtigheid geboden is.
In hoeverre is het huidige Nederlandse klimaatbeleid gebaseerd op aannames en modellen van het IPCC, die inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Nederlands klimaatbeleid is gebaseerd op inzichten van het IPCC en Nederlandse kennisinstellingen zoals het KNMI en PBL. Het mitigatiebeleid richt zich op het beperken van de mondiale temperatuurstijging tot 1,5 graad aan het eind van deze eeuw met een zo beperkt en kort mogelijke overschrijding daarvan om de ernstigste effecten van klimaatverandering te vermijden en de risico’s van het bereiken van kantelpunten in het klimaatsysteem zo klein mogelijk te houden.
Voor het Nederlandse adaptatiebeleid zullen de doorrekeningen van de klimaateffecten van deze set aan nieuwe emissiescenario's een hulpmiddel zijn voor het opstellen van nieuwe klimaatscenario’s voor Nederland, inclusief Caribisch Nederland.
Acht u het verantwoord om door te gaan met beleid dat een zeer grote economische en maatschappelijke impact heeft, terwijl de onder dat beleid liggende en van het IPCC afkomstige aannames en modellen inmiddels door datzelfde IPCC zijn bijgesteld? Zo ja, waarom wel? Zo nee, welke wijzigingen bent u bereid door te voeren?
Ja. Dat zowel het meest ongunstige als het meest gunstige scenario zijn komen te
vervallen onderstreept het belang van de huidige koers. Daarbij moet immers worden opgemerkt dat de kosten van niets doen aanzienlijk hoger zijn dan de kosten van het tegengaan van klimaatverandering3.
Bent u bereid een volledige herijking uit te voeren van het Nederlandse klimaatbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Nee. Zoals aangegeven is daar geen aanleiding toe.
Bent u bereid om, in het licht van deze ontwikkelingen, maatregelen te nemen om de lasten voor burgers te verlagen, bijvoorbeeld door het klimaatbeleid (deels) te schrappen of zelfs terug te draaien? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Zoals aangegeven is daar geen aanleiding toe.
Hoe gaat u voorkomen dat beleid in de toekomst wordt gebaseerd op extreme en onrealistische scenario’s?
Zoals aangegeven is dat niet het geval geweest. Ook in de toekomst blijft het Nederlands klimaatbeleid gebaseerd op inzichten van het IPCC en Nederlandse kennisinstellingen, zoals het KNMI en PBL.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat alle klimaatrechtszaken van de afgelopen jaren zouden verwijzen naar het inmiddels geschrapte rampscenario van het IPCC?3
Ja.
Hoe beoordeelt u de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10?
Dat het hoge emissiescenario onwaarschijnlijk is geworden, is daarvoor niet wezenlijk van belang. In klimaatrechtszaken wordt veelal een aanscherping van het klimaatbeleid gevorderd. Daarbij gaat het niet om het vermijden van het hoogste emissiescenario, maar vooral om de vraag of staten een eerlijke bijdrage leveren aan het beperken van de mondiale opwarming tot 1,5 graad Celsius.
Erkent u dat, als de berichtgeving zoals genoemd in vraag 10 klopt, dit verstrekkende gevolgen heeft voor de juridische grondslagen op basis waarvan rechters de Nederlandse staat en Nederlandse bedrijven hebben veroordeeld tot vergaand en kostbaar klimaatbeleid? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Zie het antwoord op vraag 11.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de vonnissen in klimaatrechtszaken direct of indirect steunen op het rampscenario van het IPCC, dat inmiddels door datzelfde IPCC is geschrapt? Bent u bereid de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Dit is niet aan het kabinet.
In de klimaatrechtszaak inzake Bonaire (ECLI:NL:RBDHA:2026:1344) gaat de rechter onder punt 4.21 uit van een zeespiegelstijging van 27 cm in 2050 en 85 cm in 2100, gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte «rampscenario» SSP5-8.5; hoe beoordeelt u het feit dat deze rechterlijke uitspraak met verstrekkende gevolgen mede gebaseerd is op scenario’s van het IPCC die inmiddels door datzelfde IPCC zijn geschrapt? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 11 en vraag 15.
Bent u bereid om in het hoger beroep tegen de uitspraak inzake Bonaire expliciet mee te nemen dat de rechtbank zich mede heeft gebaseerd op het inmiddels door het IPCC geschrapte SSP5-8.5-scenario, en dat de onderbouwing van de uitspraak daarmee wezenlijk is gewijzigd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beraadt zich op de hoofdlijnen van de gronden voor het hoger beroep, om op basis daarvan de memorie van grieven te kunnen opstellen. In deze fase kunnen hierover geen mededelingen of toezeggingen worden gedaan.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bescherming van Bonaire tegen de klimaatcrisis |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66), Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het NOS-artikel over het bezoek van premier Jetten aan Bonaire1, bezien in samenhang met het nieuwe rapport van Greenpeace waaruit blijkt dat de kosten van klimaatverandering op Bonaire in de toekomst fors zullen oplopen2?
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat u naar Bonaire afreist met niets meer dan woorden, terwijl de inwoners van het eiland al jaren wachten op daadwerkelijke bescherming tegen de gevolgen van de klimaatcrisis?
Het bezoek van de Minister-President aan Bonaire stond in het teken van kennismaking, er hebben geen specifieke gesprekken plaatsgevonden over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie. Wel is uiteraard geluisterd naar de punten van zorg die tijdens de gesprekken aan de orde kwamen.
Het kabinet zet zich op verschillende manieren in als het gaat om klimaatadaptatie op Caribisch Nederland, bijvoorbeeld door in op het vaststellen van een klimaatadaptatieplan om ervoor te zorgen dat Caribisch Nederland klimaatbestendig is, nu en in de toekomst. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals aangegeven in het coalitieakkoord. Zie ook het antwoord op de vragen 10 en 11.
Welke boodschap denkt u af te geven aan de inwoners van Bonaire door in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak in de klimaatzaak, terwijl diezelfde inwoners juist dringend meer bescherming nodig hebben?
Het kabinet is na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn voor het laten toetsen van de uitspraak door het gerechtshof Den Haag. In de Kamerbrief van 10 april3 is een toelichting gegeven op de redenen van het kabinet voor het instellen van hoger beroep. Daarnaast zijn de acties beschreven waar het kabinet op inzet, zowel op het gebied van klimaatmitigatie in Europees Nederland als op klimaatadaptatie van Caribisch Nederland. Het kabinet kan zich voorstellen dat de keuze om in hoger beroep te gaan hard aankomt bij de inwoners van Bonaire. Het kabinet hecht er daarom aan om uit te spreken dat zij oog heeft voor de zorgen die de inwoners van Caribisch Nederland hebben over klimaatverandering en deze uiterst serieus neemt. Dit vertaalt zich in het handelen van dit kabinet. Het kabinet gaat door met alle inspanningen op het gebied van klimaat, zowel op het gebied van mitigatie als adaptatie. Inhoudelijk zet het kabinet de komende jaren in op het klimaatbestendig maken van Bonaire.
Begrijpt u dat het hoger beroep door veel inwoners van Bonaire zal worden ervaren alsof de Staat hun veiligheid, gezondheid en toekomst nog altijd niet serieus neemt?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten hoe u voorkomt dat Caribisch Nederland bij een volgend bezoek opnieuw met lege handen blijft achter in beleid, bescherming en middelen?
Het klimaatadaptatiebeleid voor Bonaire staat los van de vraag of de Minister-President in de toekomst Bonaire nog zal bezoeken. Zie voorts het antwoord op de vragen 10 en 11. Ook zet dit kabinet de tweede fase van het Natuur- en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland voort, zoals reeds aangegeven in het coalitieakkoord.
Kunt u aangeven welke gesprekken er zijn gevoerd met het Openbaar Lichaam Bonaire over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie? Hoe zijn deze gesprekken verlopen?
Het bezoek van de Minister-President aan Bonaire stond in het teken van kennismaking, er waren geen specifieke gesprekken voorzien over klimaatverandering en klimaatmitigatie en -adaptatie.
Overweegt u de eilanden nog eens in de zomer te bezoeken, zodat u zelf kunt ervaren hoe ondraaglijk de hitte daar werkelijk kan worden?
Het klimaatadaptatiebeleid en meer specifiek het hittebeleid staat los van de vraag of de Minister-President in de toekomst Bonaire nog zal bezoeken.
Waarom kiest u ervoor om tijd en geld te steken in een hoger beroep, terwijl die energie ook direct kan worden ingezet voor uitvoering, bescherming en financiering van urgente maatregelen op Bonaire?
In de Kamerbrief van 10 april jl. heeft het kabinet aangegeven dat het na een zeer zorgvuldige afweging tot de conclusie gekomen dat er zwaarwegende (juridische) redenen zijn om in hoger beroep te gaan tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag. Ongeacht hoger beroep zet het kabinet zich in voor een klimaatbestendig Bonaire. Er wordt onder meer al ondersteuning geboden aan Bonaire bij het maken van plannen, het nemen van maatregelen en het uitvoeren van onderzoek. Het kabinet zal deze ondersteuning dan ook voortzetten.
Deelt u de conclusie van Greenpeace dat de kosten voor bescherming van Bonaire fors kunnen oplopen als nu niet wordt ingegrepen? Zo nee, op welke grond wijkt u daarvan af?
Het klopt in algemene zin dat investeren in klimaatadaptatiemaatregelen minder kost dan de schade die deze investeringen veroorzaken. Met deze maatregelen kan ook de schade worden beperkt die veroorzaakt wordt door natuurrampen zoals overstromingen en orkanen. Let wel, adaptatiemaatregelen kunnen ook inhouden dat bepaalde functies op termijn verplaatst moeten worden naar minder risicovolle locaties. Zie voorts het antwoord op de vragen 10 en 11.
Welke nieuwe feiten of omstandigheden uit het recente rapport van Greenpeace zijn voor u aanleiding geweest om de schade en kosten van uitblijvend beleid op Bonaire opnieuw te beoordelen?
Eind mei is het Klimaatplan Bonaire aangeboden aan het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire. Dit plan is opgesteld in opdracht van het Openbare Lichaam met ondersteuning van het Rijk. In dit plan zijn voorstellen voor klimaatadaptatie opgenomen die zijn opgesteld met participatie van inwoners en organisaties. Dit proces is zorgvuldig opgebouwd, onder meer met als doel om een breed draagvlak te creëren. Het rapport van Greenpeace4 verscheen kort voor de aanbieding van het Klimaatplan Bonaire. Het kabinet zal bestuderen of dit rapport aanvullende elementen bevat die niet in het Klimaatplan Bonaire zijn meegenomen.
Kunt u aangeven welke concrete aanvullende maatregelen u op korte termijn neemt om Bonaire beter te beschermen tegen zeespiegelstijging, droogte, hittestress en andere klimaatrisico’s?
Het Rijk neemt continu maatregelen die bijdragen aan de weerbaarheid tegen klimaatverandering. Op Bonaire gaat het bijvoorbeeld om ondersteuning bieden aan het grootschalig herstel van regenwateropvang, ondersteuning aan de lokale GGD voor het opstellen van een hitteplan en onderzoeken ten behoeve van lange termijn verkenningen over de gevolgen van zeespiegelstijging. Daarnaast maakt klimaatadaptatie onderdeel uit van het Natuur en Milieubeleidsplan Caribisch Nederland. De tweede fase hiervan wordt momenteel vormgegeven, hierover zal de Kamer dit najaar verder worden geïnformeerd.
Op het gebied van adaptatie zet het kabinet in op het vaststellen van het klimaatadaptatiebeleid, inclusief Caribisch Nederland. Het kabinet streeft ernaar om nog dit jaar de Nationale Klimaatadaptatiestrategie vast te stellen, waarin nadrukkelijk aandacht is voor Caribisch Nederland, inclusief een uitvoeringsprogramma.
Klimaatadaptatie is een gedeelde verantwoordelijkheid. Net als gemeenten in Europees Nederland heeft ook het openbaar lichaam Bonaire een belangrijke rol bij de uitvoering van klimaatadaptatiemaatregelen. Dit geldt met name voor laagdrempelige maatregelen, zoals het tegengaan van hittestress, het vergroten van groen voor verkoeling en het beter opvangen van hevige regenval.
Bent u bereid om de financiering voor de bescherming van Bonaire structureel te borgen door deze onder te brengen in het Deltafonds of een vergelijkbare systematiek van meerjarige begrotingsreserveringen in plaats van te werken met incidentele bijdragen?
De bepalingen over het Deltafonds zijn onderdeel van de Waterwet. De reikwijdte van de Waterwet is beperkt tot Europees Nederland. Hierdoor maken de BES-eilanden (Caribisch Nederland) geen onderdeel uit van de scope van het Deltafonds. Het kabinet is bereid om te verkennen, in lijn met de inhoudelijke analyse die wordt gemaakt, hoe de financiering voor de bescherming van de BES-eilanden structureel geborgd kan worden en wat daarvoor nodig is. Voor de BES-eilanden geldt verder dat financiering van infrastructuur, klimaatadaptatie en waterbeheer via andere instrumenten verloopt, zoals bijzondere uitkeringen, het BES-fonds en aanvullende, thematische programma’s.
Bent u bereid om, gelet op het bezoek aan Bonaire, het hoger beroep in de klimaatzaak opnieuw te bezien en prioriteit te geven aan snelle uitvoering van beschermende maatregelen?
Zie antwoord op vraag 8.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voor het plenaire debat over de gerechtelijke uitspraak inzake de klimaatzaak Bonaire beantwoorden?
Ja, echter zijn vanwege de inhoudelijke overeenkomst vraag 3 en 4 gezamenlijk beantwoord.
Hogere CO₂-uitstoot door de export van Nederlandse elektriciteit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland exporteert voor miljard euro naar buren dankzij zonnepanelen en gascentrales»1?
Ja.
Klopt het dat Nederland in 2025 voor het vierde jaar op rij netto-exporteur van elektriciteit was?
Ja. Dit blijkt uit de recent gepubliceerde Annual Market Update 2025 door TenneT.2
Klopt het dat de netto-export van elektriciteit in 2025 circa 14 TWh bedroeg en een waarde vertegenwoordigde van meer dan één miljard euro? Zo nee, welke cijfers hanteert het kabinet?
Ja.
Kunt u aangeven welk deel van de in 2025 geëxporteerde elektriciteit is opgewekt met welke energiebron?
Nee, dat onderscheid is niet te maken.
Kunt u uitsplitsen hoe de kosten en baten van elektriciteitsexport zijn verdeeld over de verschillende stakeholders, waaronder netbeheerders, producenten, de industrie, huishoudens en de Staat? Kortom, wat is de totale (maatschappelijke) balans van de export van elektriciteit?
Nee, een dergelijke uitsplitsing en het geven van een totale (maatschappelijke) balans is niet mogelijk. Voor zover de elektriciteitsexport opwek uit gas- of kolencentrales zou betreffen, staan in de totale (maatschappelijke) balans voor de producent tegenover de inkomsten uit de verkoop van elektriciteit, ook de kosten van de inkoop van gas of kolen voor die opwek en de kosten van de benodigde emissierechten. Die totale kosten worden bij export doorberekend aan de klanten in het buitenland.
Klopt het dat de toegenomen elektriciteitsexport niet alleen samenhangt met extra zonneproductie, maar juist ook met extra productie uit gascentrales en kolencentrales?
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, is het onderscheid naar energiebron van de export niet te maken. Wel weten we dat de toename van de gehele productie ten opzichte van 2024 bestaat uit opwekking via gascentrales (+4.7 TWh), zonne-energie (+3.7 TWh) en kolencentrales (+2.4 TWh).
Klopt het dat de CO2-uitstoot van de Nederlandse stroomproductie is gestegen van circa 23 megaton naar circa 25 megaton? Zo ja, welk deel van deze stijging is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export?
Ja, dat klopt. De in het antwoord op vraag 2 genoemde Annual Market Update van TenneT verklaart de toename in CO2-uitstoot vooral door meer opwek uit kolen. Tegelijk is, zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, het onderscheid naar energiebron van de geëxporteerde elektriciteit en daarmee naar CO2-uitstoot niet te maken. Het is daarmee niet duidelijk welk deel van de stijging in CO2-uitstoot is toe te rekenen aan elektriciteitsproductie voor export
Telt de CO2-uitstoot van in Nederland opgewekte elektriciteit die vervolgens wordt geëxporteerd volledig mee in de Nederlandse emissiecijfers en bij de Nederlandse klimaatdoelen?
Ja.
Acht u het wenselijk dat Nederland de CO2-uitstoot draagt van elektriciteitsproductie die uiteindelijk in het buitenland wordt verbruikt?
Dit is een inherent onderdeel van het Europese systeem en de wijze waarop de elektriciteitsmarkt is ingericht. Deze geïntegreerde elektriciteitsmarkt zorgt voor meer zekerheid op energievoorziening, lagere prijzen voor consumenten en bedrijven, en efficiënter gebruik van infrastructuur en investeringen. In dit geval kan het ook zorgen voor uiteindelijk minder CO2-uitstoot in Europa als geheel, omdat hierbij geldt dat de Nederlandse centrales over het algemeen minder uitstoten dan de inefficiëntere kolen- of gascentrales uit andere Europese landen.
Wie betaalt uiteindelijk de extra kosten van de CO2-uitstoot die ontstaat doordat Nederlandse gas- en kolencentrales elektriciteit produceren voor export naar het buitenland?
Alle gas- en kolencentrales in de EU betalen zelf voor hun CO2-uitstoot. Omdat gas- en kolencentrales dit doorberekenen in de prijs waartegen zij elektriciteit verkopen, betalen dus uiteindelijk de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de CO2 van de productie die wordt geëxporteerd.
Klopt het dat de gemiddelde Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen naar circa 87 euro per MWh, mede door hogere CO2-prijzen en hogere gasprijzen? Welk aandeel van deze prijsstijging is toe te rekenen aan CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit?
Ja, het klopt dat de Nederlandse stroomprijs in 2025 is gestegen tot ca. 87 euro per MWh. Omdat de elektriciteitsprijzen in Nederland op een Europese elektriciteitsmarkt tot stand komen, zijn de CO2-kosten voor geëxporteerde elektriciteit niet specifiek aan deze prijsstijging toe te rekenen. De CO2-prijs varieert door het jaar heen, maar was gemiddeld in 2025 € 74 per ton CO2. Deze gemiddelde CO2-prijs verhoogt de elektriciteitsprijs op de Europese elektriciteitsmarkt met circa € 30 per MWh als gascentrales de prijs zetten en met circa € 60 per ton als kolencentrales dit doen. Zoals in het antwoord op vraag 10 is aangegeven, betalen de elektriciteitsverbruikers in andere landen voor de ETS-kosten van elektriciteit die wordt geëxporteerd naar hun land.
Kunt u uitsluiten dat Nederlandse huishoudens en bedrijven via hogere elektriciteitsprijzen, nettarieven, belastingen, heffingen of indirecte ETS-kosten meebetalen aan de productie van elektriciteit die naar het buitenland wordt geëxporteerd?
Via de SDE++ is subsidie beschikbaar voor de opwek van elektriciteit. Hier betalen Nederlandse gebruikers via belastingen aan mee. Een deel van deze elektriciteit kan ook worden geëxporteerd. Daartegenover staat dat Nederland op veel momenten ook stroom uit andere landen importeert die soms daar gesubsidieerd is. Het systeem werkt dus beide kanten op. Voor de ETS kosten op het gebruik van fossiele brandstoffen geldt dat die, zoals hierboven in het antwoord op vraag 10 is geschetst, worden doorberekend aan de gebruiker, waar die zich ook bevindt.
Kunt u inzichtelijk maken hoe de ETS-kosten bij elektriciteitsproductie voor export precies worden doorberekend?
Gas- en kolencentrales zullen de ETS-kosten meenemen bij de prijs waarvoor zij bereid zijn elektriciteit te verkopen. Bij verkoop op de beurs van de zogenoemde day ahead market weten deze producenten niet aan wie zij de elektriciteit verkopen en dus ook niet of de elektriciteit in Nederland of daarbuiten verbruikt wordt.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.