Erkenning van foltering in gesloten jeugdzorg, bescherming van kritische rechters en herbezinning op het ketenpartnerschap binnen de jeugdsector |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Struycken , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in Trouw van Marten van de Wier van d.d. 10 Juli 2025 met de titel « Pijnprikels in de gesloten jeugdzorg zijn mogelijk foltering» en met het artikel in de Volkskrant van Elsbeth Stoker met de titel «Anti-folteringscomité: nog steeds gebruik van verboden pijnprikkels in gesloten jeugdzorg»?1
Ja.
Bent u bekend met de stelling van kinderrechter Bart Tromp in het Volkskrant-artikel van september 2023 dat het toebrengen van pijnprikkels in de jeugdzorg een vorm van foltering is?
Ja.
Is er destijds door de betrokken Staatssecretarissen contact opgenomen met kinderrechter Bart Tromp om zijn visie te vernemen op zijn standpunten omtrent de situatie bij Woodbrookers? Zo ja, wat is de uitkomst van dat gesprek, zo nee, waarom niet en bent u van mening dat het achteraf wel wenselijk was geweest? Wat is nu uw mening met betrekking tot het standpunt van deze kinderrechter met daarbij in het achterhoofd het artikel van de Trouw en de conclusies van het (Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing) CPT?
Destijds is geen contact opgenomen met de betreffende kinderrechter. Zijn standpunt was helder. Nader contact met hem was niet nodig voor de beantwoording van de vragen die de afgelopen jaren over de situatie bij Woodbrookers zijn gesteld.2 Het Openbaar Ministerie heeft onderzoek gedaan naar aanleiding van aangiften van oud-cliënten. Daaruit is niet gebleken dat de medewerkers van Woodbrookers strafrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.
De instellingen voor gesloten jeugdhulp hebben afgesproken dat hun medewerkers in de gesloten jeugdhulp structureel training krijgen in de-escalerend werken en voorkomen van vrijheidsbeperkend handelen. Zij horen gebruik te maken van methodieken waarbij ontwikkelingsgericht gewerkt wordt en die de-escalatie bevorderen. Voorbeelden van deze methodieken zijn de presentiebenadering, geweldloos verzet of non violent resistance en positive behaviour support. Alle medewerkers volgen training voor het inzetten van specifieke vrijheidsbeperkende maatregelen. Toetsen van vaardigheden is onderdeel van de training. Medewerkers die toetsing niet halen of nog niet gehaald hebben, mogen geen vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen.3
Evenwel heeft het bezoek van het CPT geleerd dat jeugdigen met wie de delegatie heeft gesproken, voorbeelden noemden die op gespannen voet staan met deze voorschriften en veldnormen. Bijvoorbeeld het gebruik van technieken die pijn veroorzaken. Medewerkers vertelden de CPT-delegatie dat zij behoefte hebben aan heldere richtlijnen en meer training. Gelet op deze bevindingen is nadrukkelijk in de kabinetsreactie op het CPT-rapport herhaald dat de Jeugdwet niet toestaat om bij de maatregel van «vastpakken en vasthouden» pijn-veroorzakende technieken te gebruiken. Gesloten jeugdhulpaanbieders moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers adequaat opleiden, opdat zij de maatregel «vastpakken en vasthouden» alleen op een proportionele en verantwoorde wijze toepassen en zonder toediening van pijnprikkels. Na de preliminary observations van het CPT (december 2024) is gesproken met de bestuurders van gesloten jeugdhulpaanbieders. Zij hebben toegezegd om waar nodig trainingen te verbeteren. Op basis van evaluaties hebben zij trainingen aangepast, alternatief aanbod ingekocht en deze trainingen meer cyclisch ingepland. Tevens gaan ze beter toezien op de kwalificaties van medewerkers die de maatregel «vasthouden en vastpakken» toepassen, om ervoor te zorgen dat dit alleen gebeurt door medewerkers die daarvoor opgeleid zijn.
Bent u bekend met het artikel van de Leeuwarden courant d.d. 9 december 2022 met de titel « kinderrechter Bart Tromp: «Ik plaats geen jongeren meer in Woodbrookers in Kortehemmen»»2 Wat is uw visie nu met de kennis van nu met het advies en conclusies van het CPT dat er mogelijk sprake kan zijn van foltering ook op de in het artikel beschreven zorgen over de Woodbrookers?
Het genoemde artikel uit de Leeuwarder Courant is bekend. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3 is het niet toegestaan om bij de maatregel «vastpakken en vasthouden» pijn-veroorzakende technieken te gebruiken. Aanbieders van gesloten jeugdhulp moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers adequaat opleiden opdat zij de maatregel «vastpakken en vasthouden» alleen op een proportionele en verantwoorde wijze toepassen en zonder toediening van pijnprikkels.
Onderschrijft u de stelling van het CPT dat het gebruik van pijnprikkels en het structureel ontbreken van medische waarborgen, mogelijke schendingen vormen van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), waarin het verbod op foltering en onmenselijke behandeling is neergelegd? En wat vindt u van het feit dat dit in Nederland onder uw bewind voorkomt?
Dat bij het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen intentioneel pijn-veroorzakende technieken worden gebruikt, is onacceptabel. Zoals in de voorgaande antwoorden is toegelicht, is het niet toegestaan om bij de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel pijn-veroorzakende technieken te gebruiken. Zie in dit verband ook de beantwoording van eerdere Kamervragen.5 De Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet stellen nadrukkelijk voorwaarden aan de maatregel «vastpakken en vasthouden», op grond waarvan gesloten jeugdhulpaanbieders ervoor moeten zorgen dat zij hun medewerkers adequaat opleiden, opdat dit alleen op proportionele en verantwoorde wijze wordt toegepast. Een handeling die intentioneel pijn veroorzaakt past niet in het zorgvuldig toepassen van deze vrijheidsbeperkende maatregel. Een medische controle vindt plaats als sprake is van een vermoeden van medisch letsel.
Gesloten jeugdhulpaanbieders moeten ervoor zorgen dat zij hun medewerkers opleiden volgens de geldende richtlijnen zodat vrijheidsbeperkende maatregelen alleen worden toegepast op basis van het «nee, tenzij»-beginsel en zonder toediening van pijnprikkels. Zoals toegelicht bij antwoord 3 hebben bestuurders van gesloten jeugdhulpaanbieders toegezegd om waar nodig trainingen te verbeteren. Tevens gaan ze beter toezien op de kwalificaties van medewerkers die de maatregel «vastpakken en vasthouden» toepassen, om ervoor te zorgen dat dit alleen gebeurt door medewerkers die daartoe opgeleid zijn. Ook hebben de aanbieders kenbaar gemaakt dat bij de minste verdenking van mogelijk letsel of ander (medisch) nadeel, de aanbieder beoordeelt of een medische controle nodig is. Bij twijfel zal deze altijd plaatsvinden, en dit gebeurt ook als de jongere hier zelf om vraagt.
Vindt u het niet zorgelijk als het gaat om het toedienen van pijnprikkels dat kennelijk het CPT nodig is om tot inzicht te komen over wat een Nederlandse rechter al publiekelijk had benoemd? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Het is nooit toegestaan geweest om pijn-veroorzakende technieken te gebruiken bij «vastpakken en vasthouden». De Jeugdwet heeft die ruimte dan ook nooit geboden. Sinds de wetswijziging van 2024 (inwerkingtreding van de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp) zijn strengere voorwaarden verbonden aan de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen zoals de maatregel «vastpakken en vasthouden». Zoals toegelicht in de voorgaande antwoorden is in de gesprekken die het CPT heeft gevoerd met medewerkers naar voren gekomen dat zij behoefte hebben aan meer training en heldere richtlijnen. Inmiddels hebben de bestuurders van de gesloten jeugdhulp toegezegd dat zij waar nodig trainingen gaan verbeteren. Ook gaan ze beter toezien op de kwalificaties van medewerkers die de maatregel «vastpakken en vasthouden» toepassen, om te zorgen dat dit alleen gebeurt door medewerkers die daarvoor opgeleid zijn.
Vindt u dat gelet op de bevindingen van het CPT dat ondanks jarenlang beloofde verbeteringen er toch weer schendingen van artikel 3 EVRM mogelijk zijn, Nederland wel voldoende heeft gedaan om geweld tegen kinderen in de (gesloten) jeugdzorg te signaleren en te voorkomen?
Kwalitatief goede en veilige jeugdzorg staat voorop. Dat geldt ook voor de aanbieders van (gesloten) jeugdhulp, professionals en gemeenten. De afgelopen jaren is opvolging gegeven aan de aanbevelingen van Commissie De Winter om geweld tegen kinderen in de (gesloten) jeugdhulp te signaleren en te voorkomen. Vertrouwenspersonen van Jeugdstem gaan via een vaste bezoekfrequentie langs bij instellingen om ook laagdrempelig beschikbaar te zijn voor jongeren. In de gesloten jeugdhulp zijn vertrouwenspersonen elke week aanwezig. Deze vertrouwenspersonen kunnen ook onveiligheid signaleren en aankaarten binnen instellingen of melden bij de IGJ.
Belangrijke ontwikkelingen zijn de invoering van de nieuwe Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp, de inzet om (gesloten) plaatsingen te voorkomen, de ombouw van grote instellingen en het verkleinen van de groepsgrootte. Op deze wijze wordt ook voor de toekomst gewerkt aan passende en veilige jeugdhulp. Uit de bevindingen van het CPT is naar voren gekomen op welke vlakken verdere verbetering nodig is. Deze bevindingen sluiten aan bij de ontwikkelingen binnen de sector en worden ook opgepakt.
Wat vindt u van de situatie dat er instellingen zijn die aangeven de wet niet na te willen leven omdat zij te kennen geven de wet niet hanteerbaar te vinden?3 Is het wat u betreft acceptabel dat de Nederlandse overheid jeugdzorg en jeugdbescherming in handen legt van instellingen die op voorhand aangeven zich niet aan de wet te zullen houden? Zo ja, kunt u toelichten op grond waarvan dat acceptabel kan worden gevonden?
Alle aanbieders van de gesloten jeugdhulp moeten de wet naleven. Dat geldt ook voor de wetswijziging waarin per 1 januari 2024 strengere eisen zijn gesteld aan het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen met als doel deze terug te dringen. In de brief van 19 december 2023 van Jeugdzorg Nederland waarnaar deze vraag verwijst, hebben de bestuurders van de gesloten jeugdhulp de uitgangspunten en de ambities van deze wetgeving volledig onderschreven. Alleen op het punt van het niet meer toestaan van de maatregel kamerinsluiting hebben zij geschreven dat die nog niet volledig uitvoerbaar is. Zij hebben benoemd dat de inzet is om het aantal insluitingen zo veel mogelijk te beperken, maar dat zich ook situaties voordoen waarin insluiting noodzakelijk is om de veiligheid van jeugdigen en medewerkers te waarborgen. Sindsdien is overleg geweest met de aanbieders om te bezien hoe zij wel aan de wet kunnen voldoen. In de voortgangsbrief Jeugd van 5 november 2024 is aangegeven dat de normafwijking niet langer mag voortduren. Ten aanzien van één knelpunt, namelijk het nachtelijk insluiten op de eigen kamer, is geconcludeerd dat het in specifieke omstandigheden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, te rechtvaardigen is dat de deur van de eigen kamer gedurende de nachtelijke uren op slot gaat. Om hierin duidelijke kaders en rechtszekerheid te bieden, worden zoals aangegeven in de brief van 17 juni 2025 voorbereidingen getroffen voor een wetsvoorstel.
Klopt het dat de Staatssecretaris zich meerdere malen heeft uitgesproken dat rechters kritischer zouden moeten zijn richting Gecertificeerde Instellingen (GI’s), raad voor de kinderbescherming en gemeenten als het gaat over jeugdzorg en jeugdbescherming? Hoe verhoudt zich dat tot de juridische cultuur in jeugdzorgzaken, waarin samenwerking («ketenpartnerschap») centraal staat? En wij vele signalen horen uit het veld dat kinderrechters niet kritisch zijn op het handelen van de professionals omdat deze professionals bijvoorbeeld onder druk staan wegens personeelstekorten?
Het kabinet kan en wil zich niet mengen in de opstelling van rechters. Dat is een belangrijke basis van de democratische rechtstaat. De verdeling van taken en bevoegdheden tussen de rechter en een bewindspersoon brengt met zich mee dat wij geen zeggenschap hebben over hoe rechters zich moeten opstellen richting GI’s, Raad voor de Kinderbescherming of gemeenten in individuele jeugdbeschermingszaken.
Wij vinden het belangrijk dat rechters bij de beoordeling van iedere aan hen voorgelegde zaak de ruimte hebben om recht te doen aan het belang van het kind, de ouders en het gezin. Rechters beslissen op basis van relevante feiten, volledig en naar waarheid aangereikt en waar mogelijk met bewijsstukken onderbouwd (Artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering artikel 3.3 Jeugdwet). De signalen dat rechters hierop niet kritisch zouden zijn, herkennen wij niet.
Er zijn signalen bekend dat rechters soms aanlopen tegen tekortkomingen in de uitvoering in het stelsel van jeugdhulp en de jeugdbescherming, zoals een tekort aan jeugdbeschermers en/of gespecialiseerde jeugdhulp, waardoor niet de benodigde hulp kan worden geboden. Als in die situaties blijkt dat een GI een minderjarige niet adequaat kan beschermen, kan de rechter concluderen dat de kinderbeschermingsmaatregel geen doel (meer) treft. Het is aan de rechter om steeds zorgvuldig te toetsen of een kinderbeschermingsmaatregel doelmatig, noodzakelijk en proportioneel is.
Bent u het met ons eens dat stelselmatig overleg met ketenpartners snel kan uitmonden in beinvloeding van de rechter en de wijze waarop deze zijn of haar zaken mag behandelen en beslissen, bijvoorbeeld doordat begrip wordt gevraagd voor organisatorische problemen of personeelstekort? Kunt uw antwoord toelichten?
Nee, wij delen deze opvattingen niet. De rechtspraak is onafhankelijk en onpartijdig. De rechtspraak draagt uit dat besprekingen op strategisch niveau individuele rechters op geen enkele manier juridisch inhoudelijk kunnen binden. Die toetsen immers zelfstandig aan de wet en het recht.
Kan het zijn dat het ketenpartnerschap bijdraagt aan het in stand houden van problematische praktijken in bijvoorbeeld de gesloten jeugdzorg, doch niet uitsluitend, zoals bij Woodbrookers en zoals nu vastgesteld door het CPT? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Wat is uw visie over het feit dat CPT een zeer zorgelijk rapport heeft opgesteld en kinderen nog steeds geplaatst worden in die instellingen? Wat is de rol van een kinderrechter in dit verhaal volgens u?
Het CPT heeft verschillende aanbevelingen gedaan. Omdat de signalen en aanbevelingen van het CPT serieus worden genomen, zijn we direct na ontvangst van de preliminary observations van het bezoek in december 2024 gestart met acties tot verbetering.7 Zo zijn twee observaties van het CPT gemeld bij de IGJ. De eerste betrof dat op één afdeling van de bezochte locaties de maatregel «onderzoek aan het lichaam» op een niet-toegestane wijze gebeurde. De betreffende instelling heeft meteen na het CPT-bezoek besloten de uitvoering van deze maatregel zodanig aan te passen dat deze binnen de toegestane regels past. De tweede observatie was dat de CPT-delegatie bij letsel dat ontstaan was, in het dossier geen zicht kon krijgen op de vraag of het letsel het gevolg was van onbekwame toepassing van «vastpakken en vasthouden» of van een ongelukkige val. De instelling had overigens dit incident al gemeld bij de IGJ en nader onderzocht.
De IGJ neemt de signalen van het CPT mee in het lopende toezicht bij deze instellingen. Het is van belang om hierbij te noemen dat het CPT naast de aanbevelingen en verbeterpunten ook waardering heeft uitgesproken voor de bezochte instellingen, met name voor de toewijding van medewerkers en hun inzet om een «zo thuis mogelijke» omgeving te creëren.
Het is aan de rechter om te beslissen op een verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdhulp. Rechters maken daarbij hun eigen afwegingen. Daarin kunnen en willen wij niet treden. De kinderrechter toetst of verzoeken van verzoekers zoals de Raad voor de Kinderbescherming en een gecertificeerde instelling, in het belang van het kind zijn en of het bijvoorbeeld noodzakelijk is een kind te plaatsen in een gesloten instelling. Kinderrechters hebben sinds 1995 een lijdelijke rol en hebben beperkte mogelijkheden tot aansturing bij verzoeken om een (verlenging van de) maatregel van kinderbescherming. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, zoals ondertoezichtstelling en (gesloten) uithuisplaatsing, ligt sinds 2015 bij de gecertificeerde instellingen. Het is de taak van de kinderrechter om in een concrete casus kritisch te toetsen of een uithuisplaatsing (nog steeds) voldoet aan de uit kinder- en mensenrechtenverdragen voortvloeiende rechten van het kind. Deze verdragsrechten gaan over het belang van het kind (art. 3 IVRK), het recht op veiligheid (art. 19, 20 en 39 IVRK) en het recht op familie- en gezinsleven (art. 8 EVRM en art. 9 en art. 20 IVRK).
Vindt u het nog van deze tijd dat Rechtspraak, Raad voor de Kinderbescherming, GI’s en instellingen zo hecht samenwerken als ketenpartners? Kunnen en durven rechters zich nog wel kritisch uit te laten over organisaties waar hun organistatie vaak mee aan tafel zitten? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, waarom niet?
De rechtspraak is met betrekking tot logistieke en administratieve processen een belangrijke schakel in de keten. Ook adviseert de rechtspraak gevraagd en ongevraagd over verbeteringen in het stelsel. In zoverre is de rechtspraak een partner van de keten.
De rechtspraak neemt nooit deel aan ketenoverleggen (zoals een jeugdbeschermingstafel) waar casuïstiek van gezinnen en beslissingen in concrete gevallen op de agenda staan. De rolzuiverheid van de individuele rechter staat niet onder druk als de rechtspraak overleg voert binnen de jeugdketen. Doel daarvan is immers algemene de samenwerking op het gebied van logistiek en administratieve processen bevorderen en adviseren over stelselverbeteringen. Een onderzoek hiernaar achten wij dan ook niet nodig noch opportuun.
Vindt u dat een instelling die een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, een ketenpartner is van de rechterlijke macht? Bent u bereid te onderzoeken of het ketenpartnerschapoverleg de rolzuiverheid van rechters onder druk zet?
Zie antwoord vraag 13.
Zou het doorknippen van die institutionele banden (in lijn met een striktere trias politica) niet noodzakelijk zijn voor het herstel van vertrouwen van ouders en kinderen in de rechtspraak? Kunt u uw antwoordt toelichten?
Het doorknippen van banden achten wij niet noodzakelijk noch wenselijk. Wij verwijzen hierbij ook naar het antwoord op vraag 13 en 14.
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid richt zich op de versterking van de rechtsbescherming van ouders en kinderen in de jeugdbescherming, wat kan bijdragen aan het bevorderen van vertrouwen. Concrete voorbeelden daarvan zijn het verlagen van de leeftijdsgrens voor het hoorrecht van kinderen en kosteloze rechtsbijstand voor ouders. Uw Kamer is daarover geïnformeerd in de brief met de contouren van het Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming en de brief over de voortgang aanpak versterking toegang tot het recht.
De rechtspraak reflecteert ook zelf kritisch op het functioneren door middel van de reflectiecommissie familie- en jeugdrechters van de rechtbanken en gerechtshoven. Dat kan eveneens bijdragen aan het bevorderen van vertrouwen van ouders en kinderen in de rechtspraak.
Hoeveel ruimte hebben rechters in de praktijk om zich kritisch uit te laten in hun uitspraken over jeugdbescherming en de gesloten jeugdzorg?
Rechters zijn onafhankelijk en onpartijdig. Daarmee zijn rechters in staat zonder invloed of druk van buitenaf een oordeel te vellen. Wij hebben geen signalen ontvangen dat binnen de rechtspraak geen ruimte zou zijn om kritische uitlatingen te doen op de rechtspraktijk.
Wordt binnen de Rechtspraak voldoende ruimte geboden voor kritische publieke uitlatingen op de rechtspraktijk, zoals die van rechter Tromp?
Zie antwoord vraag 16.
Is het mogelijk dat een instelling (GI, raad voor de kinderbescherming of jeugdzorgaanbieder) een klacht indient tegen een kinderrechter bij de President van de Rechtbank of bij de Raad voor de Rechtspraak? Komt het weleens voor dat een instelling (GI, raad voor de kinderbescherming of jeugdzorgaanbieder) klachten indient tegen rechters? Hoe worden die klachten dan geregistreerd en opgevolgd? Zo nee, waarom worden deze klachten niet geregistreerd? Zo ja, kunt u de Kamer een opgave geven van de aard van de klachten die worden ingediend door instellingen inclusief de namen van de instellingen die klachten indienen?
Een GI, RvdK of jeugdzorgaanbieder kan net als andere procespartijen een klacht tegen een kinderrechter indienen bij het gerecht waar de kinderrechter werkzaam is, zolang deze niet gaat over de inhoud van de uitspraak. Het gerecht registreert de klacht en toetst daarbij altijd eerst of de klacht ontvankelijk is. Van intimidatie kan derhalve geen sprake zijn.
Het is niet mogelijk om te klagen bij de Raad voor de rechtspraak over gedragingen van medewerkers van de gerechten. Wel kan worden geklaagd over gedragingen van medewerkers van de Raad voor de rechtspraak. Als een klager zich niet kan verenigen met de afhandeling van de klacht door het gerecht, dan kan de klager zich na afronding van de interne klachtprocedure wenden tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad als het gaat om een gedraging van een rechterlijke ambtenaar met rechtspraak belast of tot de Nationale ombudsman als het gaat om een andere medewerker van het gerecht.
Instellingen moeten te allen tijde uitvoering geven aan rechterlijke uitspraken, ook als de instelling het niet eens is met de uitspraak. Indien partijen het niet eens zijn met de inhoud van de uitspraak, kunnen zij in hoger beroep.
Hoe vaak klachtenprocedures worden gebruikt tegen kinderrechters is niet bekend. Wij kunnen u daarvan geen overzicht verstrekken. De klachtenprocedure is beschreven op de website van de rechtspraak.8
Mag een klachtenprocedure worden gebruikt door een instelling (GI, raad voor de kinderbescherming of jeugdzorgaanbieder) om de rechter die onwelgevallige uitspraken doet of beschikkingen afgeeft te imponeren of in het ergste geval te intimideren? Wat zou u ervan vinden als dit gebeurd? Acht u dit wenselijk?
Zie antwoord vraag 18.
Is een klachtenprocedure tegen een rechter überhaupt wel het juiste middel om een onwelgevallige beschikking aan te kaarten?
Zie antwoord vraag 18.
Zijn er bij u signalen bekend van klachten, druk of interne correctie richting rechters die kritisch zijn over GI’s of jeugdzorginstellingen?
Nee, deze signalen zijn ons niet bekend.
Acht u het gebruik van de klachtenprocedure door een partij uit de keten tegen een rechter een vorm van druk of intimidatie die de rechterlijke onafhankelijkheid kan aantasten? Deelt u de zorg dat het indienen van een klacht tegen een rechter vanwege de inhoud van zijn oordeel effect kan hebben op andere rechters, met name in zaken waar veel bestuurlijke of politieke druk speelt (zoals in de jeugdzorg)?
Nee, wij delen uw zorgen niet. Zoals uit het eerdere antwoord blijkt kunnen instellingen gebruikmaken van hun klachtenprocedures, zolang deze niet gaan over de inhoud van de uitspraak van een rechter. Daarbij beoordeelt de Raad voor de Rechtspraak altijd eerst de ontvankelijkheid van de klacht. Zoals ook in vraag 16 en 17 is toegelicht zijn rechters onafhankelijk en onpartijdig, waardoor voldoende ruimte bestaat om een kritisch oordeel te vellen.
Acht u het in het belang van de rechtspraak dat rechters zich vrij voelen om zonder vrees voor repercussies kritisch te oordelen over bijvoorbeeld de handelwijze van een GI? En deelt u de opvatting dat klachten over rechters, zeker wanneer een klacht over de inhoud van een uitspraak gaat, niet mogen worden ingezet als pressiemiddel om onafhankelijke rechtspraak te beïnvloeden?
Zie antwoord vraag 22.
Vindt u dat het indienen van klachten, zeker als deze betrekking heeft op de inhoud van een uitspraak, een gevaar oplevert voor de mogelijke onafhankelijkheid en rechtsbescherming van de rechter? Kan dit de onafhankelijkheid van de rechtspraak aantasten? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
Zie antwoord vraag 22.
Herkent u het standpunt van advocaten en ouders dat zij aangeven dat zij van mening zijn dat rechters blindelings vertrouwen wat de GI ter zitting naar voren brengt? Wat is uw mening hierover?
De rechter vormt zijn oordeel op basis van het dossier en de informatie op zitting. Wanneer een kinderrechter te maken krijgt met een dossier dat vragen oproept, kan hij of zij ter zitting in gesprek gaan met betrokkenen om onduidelijkheden op te helderen. Eventueel kan de kinderrechter de behandeling van de zaak aanhouden zodat benodigde informatie alsnog kan worden ingebracht in de procedure.
Het kabinet investeert daarbij verder in familie- en jeugdrechtspraak, zodat de kinderrechter beter in staat wordt gesteld een goede en juiste afweging te maken in kinderbeschermingszaken en recht te doen aan kinderen en ouders. Mede hierom investeert het kabinet ook in rechtsbijstand om kinderen en ouders die te maken krijgen met een kinderbeschermingsmaatregel te ondersteunen. Uw Kamer is hierover geïnformeerd; zie ook het antwoord op vraag 15.
Worden rechters in opleidingen of via gerechtsbesturen gestimuleerd om «samen te werken» met jeugdzorgpartijen? Zo ja, hoe borgt u dat dit geen invloed heeft op hun onafhankelijke afweging?
In een procedure is nooit sprake van inhoudelijke samenwerking tussen rechter en jeugdinstellingen. De rechter is onafhankelijk en onpartijdig. Jeugdinstellingen zijn in een procedure voor de rechter enkel verzoeker, verweerder, belanghebbende of – in voorkomende gevallen – informant. In dat kader voorzien zij de rechter van informatie aan de hand waarvan de rechter zijn of haar oordeel kan vormen. Voor zover er vanuit de rechtspraak andere contacten zijn met jeugdinstellingen dan is dat op het (strategische) niveau van leidinggevenden c.q. voorzitters. Dit is vooral bedoeld om logistieke en administratieve processen te stroomlijnen of te verbeteren, en kritisch te reflecteren op stelselniveau.
Acht u het wenselijk dat de Nederlandse Staat, na bevestiging door het CPT, nu expliciet erkent dat er sprake is geweest van mogelijk foltering in gesloten jeugdzorg?
Zoals het CPT in paragraaf 43 van het rapport verwoordt, is het CPT geen onderzoeks- of gerechtelijk orgaan dat schending van artikel 3 EVRM – waarin het verbod op foltering is opgenomen – vaststelt. Wel benoemt het CPT in paragraaf 45 dat het gebruik van pijn-veroorzakende fixatiemethoden, zoals het gebruiken van pijnprikkels, een mogelijke schending vormt van artikel 3 EVRM. Het CPT heeft drie gesloten jeugdhulpaanbieders bezocht. Het CPT rapporteert dat zij tijdens het bezoek geen meldingen van opzettelijke fysieke mishandeling van jeugdigen door het personeel heeft geconstateerd. Wel vond geweld tussen jeugdigen onderling plaats, waarbij het personeel over het algemeen snel ingreep. Het CPT ontving echter wel meldingen van buitensporig geweld bij de toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel «vastpakken en vasthouden». Ook komt in het rapport naar voren dat fixatietechnieken/handelingen die intentioneel pijn veroorzaken – hoewel verboden – nog steeds worden toegepast.
De bevindingen bij deze drie aanbieders zijn zorgelijk. Tegelijkertijd is in dit rapport niet vastgesteld dát sprake is geweest van foltering bij de bezochte instellingen. Daarom erkent de Nederlandse staat niet dat sprake is geweest van mogelijk foltering in de gesloten jeugdhulp. Dit neemt niet weg dat de aanbieders de aanbevelingen van het CPT ter harte hebben genomen. Zij hebben in een gesprek direct na de preliminary observations van het CPT toegezegd de trainingen die nodig zijn voor het zorgvuldig kunnen toepassen van de maatregel «vastpakken en vasthouden» te verbeteren.
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar structurele mensenrechtenschendingen in gesloten jeugdzorg tussen 2008 en 2025?
In een nieuw onafhankelijk onderzoek naar structurele mensenrechtenschendingen in gesloten jeugdzorg tussen 2008 en 2025 zien wij onvoldoende meerwaarde. Zeker omdat in de afgelopen jaren meerdere onderzoeken uitgevoerd zijn naar de (gesloten) jeugdhulp. Wij wijzen bijvoorbeeld op het onderzoek naar geweld in de jeugdzorg van de Commissie De Winter: Onvoldoende beschermd – Geweld in de Nederlandse jeugdzorg van 1945 tot heden (2019). Daarnaast noemen wij de vijfjaarlijkse verantwoording die Nederland aflegt aan het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties. Daarin komt ook de gesloten jeugdhulp aan de orde. Tot slot noemen we de recente rapportage van het CPT over de gesloten jeugdhulp. De uitkomsten van deze gebruiken we voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp naar meer kleinschalige jeugdhulp en minder vrijheidsbeperkingen.
Welke concrete stappen gaat u zetten om de ruimte voor rechtsstatelijke tegenspraak binnen de Rechtspraak structureel te vergroten?
Het kabinet ziet geen noodzaak dergelijke stappen te zetten. De rechtspraak is onafhankelijk en onpartijdig.
Heeft u al navraag gedaan bij de Rijksuniversiteit Groningen zoals toegezegd in de beantwoording op de Kamervragen van 26 februari 2025 van het lid Bruyning van NSC en beantwoord door de Staatssecretaris op 1 april 2025?4 Zo ja, kunt u deze vraag dan ook hier beantwoorden? Zo nee, waarom is er nog geen navraag gedaan?
Er is navraag gedaan bij Rijksuniversiteit Groningen, afdeling Orthopedagogiek. Daarnaast is het consortium Kleinschaligheid betrokken om te bezien of de onderzoeksopzet handvatten biedt voor de ontwikkeling van alternatieven voor de gesloten jeugdhulp.
Het artikel Trouw waarin de staatssecretaris het opsluiten van jongeren in de gesloten jeugdzorg weer mogelijk wil maken |
|
Faith Bruyning (NSC) |
|
Judith Tielen (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel in Trouw van 10 juli 2025 met de titel «Jeugdzorg mag jongeren weer opsluiten, als het aan het kabinet ligt. «Dit is schadelijk»»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat u op dezelfde dag (13 juni 2025) zowel een brief naar de Kamer heeft gestuurd waarin u voorstelt de Jeugdwet aan te passen zodat kamerinsluiting ’s nachts weer mogelijk wordt2, als een reactie op het rapport van het Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT), waarin Nederland benadrukt werk te maken van het afbouwen van vrijheidsbeperking in de jeugdzorg3?
De kabinetsreactie op het CPT-bezoek is op 13 juni 2025 naar de Kamer verstuurd. De brief over het aanpassen van wet- en regelgeving voor de gesloten jeugdhulp is op 17 juni 2025 naar de Kamer verstuurd.
Hoe verhoudt uw wetsvoornemen zich tot de toezeggingen aan het CPT over het terugdringen van vrijheidsbeperkende maatregelen in de jeugdzorg? Is hier sprake van beleidsinconsistentie en zo nee, waarom niet?
Uitgangspunt is en blijft dat vrijheidsbeperkende maatregelen tot een minimum beperkt moeten blijven. Derhalve is geen sprake van beleidsinconsistentie. Ik licht dat hieronder nader toe.
De aankondiging van een wetsvoorstel om in de gesloten jeugdhulp de verplichting ‘s nachts in de afgesloten eigen kamer te verblijven (verder genoemd nachtelijke kamerinsluiting), is het resultaat van een zorgvuldige afweging tussen zo min mogelijk vrijheidsbeperkingen en het borgen van de veiligheid van jeugdigen en medewerkers. De noodzaak van deze wijziging is in de brief van 17 juni 2025 toegelicht.
De voorgenomen wetswijziging zal uitsluitend realiseren dat de maatregel «insluiten in de eigen kamer» als vrijheidsbeperkende maatregel wordt toegestaan als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag van een jeugdige een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid of gezondheid van andere jeugdigen of medewerkers in de instelling. En net zoals bij de toepassing van alle vrijheidsbeperkende maatregelen geldt dat het om een individueel afgewogen maatregel gaat. Het «nee, tenzij»-principe blijft onverkort van toepassing: insluiting op de eigen kamer is uitsluitend toegestaan wanneer geen minder bezwarende alternatieven mogelijk zijn, de maatregel proportioneel is en een redelijke verwachting bestaat dat deze effectief zal zijn. Dit houdt onder andere in dat aanbieders verplicht zijn in elk afzonderlijk geval te onderbouwen waarom inzet van deze maatregel noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met een minder bezwarend alternatief, zoals de mogelijkheid van nabijheid, of het inzetten van minder ingrijpende maatregelen als persoonlijk toezicht of het verplicht verblijven op de eigen kamer (zonder dat de deur op slot gaat). Uit het «nee, tenzij»-principe vloeit voort dat vrijheidsbeperkende maatregelen niet mogen worden ingezet met als reden dat bij aanbieders randvoorwaarden, zoals voldoende gekwalificeerd personeel, ontbreken. Verder dient kamerinsluiting te worden vastgelegd in het hulpverleningsplan en dient een gekwalificeerde gedragswetenschapper in te stemmen. De reeds bestaande rechtswaarborgen voor vrijheidsbeperkende maatregelen blijven onverkort van toepassing. Dit houdt onder meer in: betrokkenheid van de jeugdhulpverantwoordelijke, periodieke evaluatie rondom de inzet- en het afbouwen van de maatregel, het wijzen van de jeugdige op de mogelijkheid tot contact met een vertrouwenspersoon en het recht om een klacht in te dienen. In het geval van een klachtenprocedure beoordeelt de klachten- of beroepscommissie de toepassing van de vrijheidsbeperkende maatregel en doet daarover een bindende uitspraak.
Deelt u de analyse dat deze beleidswijziging de geloofwaardigheid van Nederland ondermijnt in de internationale rapportagecyclus van onder andere het CPT en het VN-Kinderrechtencomité?
Deze analyse deel ik niet. Zoals hierboven toegelicht in antwoord 3 is het aangekondigde wetsvoorstel het resultaat van een zorgvuldige afweging. Het zo min mogelijk inzetten van vrijheidsbeperking staat altijd voorop. Tegelijkertijd moeten de gesloten jeugdhulpinstellingen een veilige omgeving zijn voor zowel alle opgenomen jeugdigen als de medewerkers. In specifieke omstandigheden is het voor de veiligheid van andere jeugdigen en medewerkers noodzakelijk om onder strikte voorwaarden dat nachtelijke kamerinsluiting mogelijk te maken. Een wettelijke basis versterkt daarnaast de rechtspositie van jeugdigen bij wie deze maatregel nachtelijke kamerinsluiting wordt toegepast.
Op basis van welke gegevens of concrete risico-inschatting is besloten dat kamerinsluiting noodzakelijk is? Waarom is daarbij niet gekozen voor een tijdelijke uitzonderingsbepaling met strikte toetsing, zoals het CPT aanbeveelt?
In het rapport van 14 maart 2025 heeft het CPT gevraagd om te worden geïnformeerd over hoe de Nederlandse overheid zal omgaan met insluiten op de eigen kamers gedurende de nacht.4 Een tijdelijke uitzonderingsbepaling met strikte toetsing, heeft het CPT niet aanbevolen. In de brief van 17 juni 2025 is de Kamer geïnformeerd over het voornemen om een wetsvoorstel in te dienen. De aanleiding voor het wetsvoorstel om onder strikte voorwaarden nachtelijke kamerinsluiting mogelijk te maken, is dat het gedrag van sommige jeugdigen zeer gevaarlijk kan zijn voor andere jeugdigen en medewerkers. De praktijk bij instellingen voor gesloten jeugdhulp heeft geleerd dat het kan gaan om bedreigend en gewelddadig gedrag, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag, afpersing of ronselen. Instellingen moeten de rechten van alle in een instelling opgenomen jeugdigen kunnen borgen: zowel de rechten van jeugdigen die worden ingesloten in de eigen kamer als de rechten van andere jeugdigen die worden geconfronteerd met schadelijk grensoverschrijdend gedrag. Ook de medewerkers van de instelling hebben recht op een veilige werkomgeving. Deze rechten moeten met grote zorgvuldigheid worden afgewogen. In die afweging ben ik tot de conclusie gekomen dat het in specifieke omstandigheden te rechtvaardigen is dat de deur van de eigen kamer gedurende de nachtelijke uren op slot gaat.
Waarom is in de brief van 13 juni jl. geen enkele inhoudelijke verwijzing opgenomen naar de reactie op het CPT-rapport, terwijl beide documenten op dezelfde dag zijn verzonden en inhoudelijk sterk samenhangen? Wat zegt dit over de onderlinge afstemming tussen de afdelingen en verschillende departementen die deze dossiers behandelen?
Op 13 juni 2025 heeft uw Kamer de reactie ontvangen op het CPT-rapport.5 In de reactie op de punten 15 en 16 staan inhoudelijke verwijzingen naar het voorstel over de nachtelijke kamerinsluiting. De brief daarover heeft u op 17 juni 2025 ontvangen. In deze brief wordt eveneens gerefereerd aan het CPT-rapport en de kabinetsreactie. Beide brieven zijn afgestemd tussen de betrokken afdelingen en departementen.
Bent u op de hoogte van het feit dat het CPT in haar meest recente rapport4 stelt dat kamerinsluiting op een eigen slaapkamer ’s nachts, zelfs met open toilet, zonder directe toezichtsmogelijkheid, als een vorm van separatie kan worden opgevat? Hoe beoordeelt u het risico dat het CPT of het VN-Kinderrechtencomité deze praktijk als mensenrechtenschending beschouwt?
In het rapport van 14 maart 2025 heeft het CPT gevraagd om te worden geïnformeerd over hoe de Nederlandse overheid zal omgaan met het op slot doen van eigen kamers. Nu is het insluiten in de eigen kamer niet toegestaan volgens de wet. Zoals toegelicht in de brief van 17 juni 2025 en antwoord 3 wordt met het wetsvoorstel een wettelijke basis gecreëerd om nachtelijke kamerinsluitingen in specifieke omstandigheden en onder strikte voorwaarden wel mogelijk te maken als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag van een jeugdige een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid of gezondheid van andere jeugdigen of medewerkers in de accommodatie voor gesloten jeugdhulp. Daarbij gelden het belang van het kind en andere internationale maatstaven als proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid als uitgangspunt. Zo zal (in ieder geval) het «nee, tenzij»-principe ook bij deze maatregel gelden. Door rekening te houden met deze uitgangspunten en beginselen beperk ik de risico’s op mensenrechtenschending.
Overigens komt de omschrijving uit de vraagstelling «kamerinsluiting op een eigen slaapkamer ’s nachts, zelfs met open toilet, zonder directe toezichtsmogelijkheid» niet voor in het CPT-rapport.
Wat zegt het u dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) eerder heeft geconcludeerd dat kamerinsluiting geen veilige interventie is, en op die basis instellingen onder verscherpt toezicht heeft gesteld? Wat betekent dit voor de uitvoerbaarheid van het voorgestelde beleid?
De IGJ heeft op basis van vier normen zes aanbieders onder verscherpt toezicht geplaatst. Het verscherpt toezicht was de uitkomst van een toets op drie wettelijke normen (geen insluitingen op de eigen kamer van de jeugdige, een veilige en afzonderlijke ruimte waarin jeugdigen zich vrijwillig kunnen terugtrekken en geen generieke vrijheidsbeperkende maatregelen in huisregel) en de veldnorm van een groepsgrootte van maximaal zes kinderen. Het afwijken van de normen «geen insluitingen op de eigen kamer van de jeugdige» en «de groepsgrootte» waren in combinatie met een inschatting van de verbeterkracht van de gesloten jeugdhulpaanbieder reden voor het onder verscherpt toezicht plaatsen van die aanbieder(s).
De voorgenomen wetswijziging ziet alleen op insluiting in de eigen kamer tijdens de nacht bij jeugdigen, als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid van andere jeugdigen in de instelling of de medewerkers. Ik wil het insluiten in eigen kamers niet toestaan als de gezondheid of veiligheid van de jeugdige zelf in gevaar is, bijvoorbeeld bij suïcidaliteit of zelfbeschadigend gedrag. Insluiting kan dan immers juist risico’s opleveren voor de jeugdige zelf. Ook wil ik strikte voorwaarden verbinden aan het insluiten in de eigen kamer tijdens de nacht. Die staan uitgebreider beschreven bij antwoord 3.
Kunt u toelichten waarom u in uw Kamerbrief expliciet stelt dat personeelsgebrek geen reden mag zijn voor kamerinsluiting, terwijl de roep uit de sector om herinvoering5 juist voortkomt uit structurele personeelstekorten en gebrekkige alternatieven? Is het kabinet niet in feite gezwicht voor druk uit een sector die, zoals ook de IGJ en Defence for Children constateren, de bestaande wet niet naleeft?
Deze wijziging is niet ingegeven door het personeelstekort in de jeugdzorg. Dat doet ook geen recht aan de inspanningen van de instellingen voor gesloten jeugdhulp bij wie sinds 2024 het aantal kamerinsluitingen fors gedaald is. Deze daling hebben de instellingen gerealiseerd na hun brief van december 2023 waarnaar in de vraag wordt verwezen. Dat hebben zij gedaan door uitbreiding van het personeelsbestand om continu toezicht en begeleiding te kunnen bieden zonder insluiting, evenals training en ontwikkeling van kennis en vaardigheden zoals alternatieve conflictbeheersings-technieken en traumasensitief werken. Ook hebben zij facilitaire aanpassingen gedaan, zoals het aanpassen van de fysieke omgeving om controles te doen en zicht te houden.
Dat laat onverlet dat we onder ogen moeten zien dat het gedrag van jeugdigen in sommige gevallen een gevaar kan zijn voor anderen. Vanuit het uit oogpunt van de veiligheid van andere jeugdigen en medewerkers is het noodzakelijk dat het mogelijk wordt om onder strikte voorwaarden een jeugdige ’s nachts in de eigen kamer in te sluiten, zoals in de brief van 17 juni 2025 is toegelicht.
Deelt u de zorgen van kinderrechtenorganisaties dat deze wetswijziging zal leiden tot normalisering van een praktijk die oorspronkelijk als uitzondering was bedoeld? Wat gaat u doen om dat risico te beperken?
Ik begrijp de zorgen van de kinderrechtenorganisaties. Ik wil daarom benadrukken dat het doel van het wetsvoorstel juist is dat insluiten in de eigen kamer slechts in specifieke omstandigheden en onder strikte voorwaarden mag plaatsvinden. In beginsel mogen jeugdigen niet worden ingesloten. Dat uitgangspunt blijft voorop staan. Daarnaast zal, net zoals bij andere vrijheidsbeperkende maatregelen, het «nee, tenzij»-principe van toepassing zijn. Ook indien een jeugdige gevaarlijk gedrag ten opzichte van anderen vertoont, zal nachtelijke kamerinsluiting alleen zijn toegestaan als voor de jeugdige geen minder bezwarende alternatieven mogelijk zijn, zoals het bieden van fysieke nabijheid, of het inzetten van minder ingrijpende maatregelen zoals persoonlijk toezicht of het verplicht verblijven op de eigen kamer (zonder dat de deur op slot gaat). Voorts moet de insluiting evenredig zijn en redelijkerwijs te verwachten zijn dat de maatregel effectief is. Een individuele afweging zal altijd ten grondslag liggen aan de inzet van deze maatregel: generieke toepassing is niet toegestaan. De IGJ toetst aan deze voorwaarden in het toezicht. Bij de uitwerking van het wetsvoorstel betrek ik ook jongerenorganisaties en kinderrechtenorganisaties.
Bent u bereid om, in lijn met de aanbevelingen van het CPT, te kiezen voor noodmaatregelen met externe toetsing, tijdelijke duur en duidelijke evaluatiecriteria in plaats van het wettelijk opnieuw mogelijk maken van een generieke vrijheidsbeperking? Zo nee, waarom niet?
De essentie van het wetsvoorstel is dat geen sprake kan zijn van een generieke vrijheidsbeperking. Nachtelijke kamerinsluiting van een jeugdige wordt alleen toegestaan als sprake is van een gegrond risico dat het gedrag van deze jeugdige een ernstig gevaar vormt voor de veiligheid van andere jeugdigen in de instelling of de medewerkers. En net zoals bij andere vrijheidsbeperkende maatregelen is het «nee, tenzij»-principe van toepassing. Dat heb ik in het antwoord op vraag 10 uitgewerkt.
De genoemde aanbevelingen heeft het CPT niet gedaan.
Het bericht Meisje (3) kan glimlachen en kijkt Peppa Big, maar van rechter mag haar beademing stoppen |
|
Mirjam Bikker (CU), Rosanne Hertzberger (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van dit bericht?1
Ja.
Deelt u de mening dat dit een schrijnende zeldzame en medisch-ethische ingewikkelde vraag is waar integer handelende en hardwerkende artsen tegenover verdrietige en wanhopige ouders komen te staan?
Ja, in deze hartverscheurende situatie ligt een schrijnende medisch-ethische vraag voor over medisch zinloos handelen. De behandelaren van een ernstig ziek meisje hebben na uitgebreide behandeling en monitoring, second opinions, een advies van de Commissie Medisch-Ethische Aangelegenheden en bespreking met de auteurs van toonaangevend wetenschappelijk onderzoek beslist dat verdere behandeling medisch niet zinvol was, niet in het belang van het meisje was en niet zou leiden tot een minimale kwaliteit van leven. De ouders van dit driejarige meisje hebben vervolgens bij de voorzieningenrechter gevorderd dat de beslissing van Academisch Ziekenhuis Maastricht (AZM) om de kunstmatige beademing te beëindigen, te verbieden. Zonder beademing zou het meisje komen te overlijden.
Haar ouders en haar behandelaren hadden dus verschillende gezichtspunten in dit drama. Beide gezichtspunten vind ik begrijpelijk en invoelbaar. Zo leef ik mee met haar ouders. Zij hielden hoop op een behandeling – op kortere of langere termijn – van haar zeer zeldzame en ernstige ziekte. Zij vonden dat hun dochtertje nog voldoende levensvreugde had en accepteerden dat het een langdurig traject kon zijn. Daarnaast hadden ze er op basis van hun geloof moeite mee dat artsen volgens de wet mogen beslissen over de beëindiging van kunstmatige beademing.
Tegelijkertijd denk ik aan haar behandelaren van het AZM die zich inspanden voor een ernstig zieke peuter, haar lijden zagen en een uiterst moeilijke beslissing hebben moeten nemen. Haar behandelaren en andere betrokken artsen beschouwden de verdere behandeling van het meisje als «medisch niet zinvol» en niet in haar belang.
Wanneer is medisch handelen zinloos en hoe ziet u het verschil met palliatief verplegen? Hoe wordt de beslissing beïnvloed door het feit dat dit kind bij volledig bewustzijn is? Is het «kunnen voelen, bewegen en communiceren om tot leren en meedoen te komen» zoals in het vonnis werd genoemd een criterium om de behandeling van een ziek kind medisch zinvol te achten?
Medisch handelen is zinloos, als het niet in het belang van de patiënt is. In het KNMG-standpunt «Beslissingen rond het levenseinde» staat nader omschreven wanneer dat het geval is: als het te verwachten effect van de behandeling onvoldoende is (effectiviteit), als er geen redelijke verhouding meer is tussen het beoogde doel en de daarvoor in te zetten middelen (proportionaliteit), of als het niet meer mogelijk is om een beoogd minimumniveau van functioneren te bereiken. Deze lezing komt overeen met de algemeen aanvaarde criteria uit het Handboek voor gezondheidsrecht.2 3 Medisch zinloos handelen is voor artsen niet toegestaan en zij mogen lijden niet verlengen. Dat volgt uit de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden.
Palliatieve zorg is juist gericht op het verbeteren van de kwaliteit van leven van patiënten met een levensbedreigende of levensduur verkortende ziekte, waarbij genezing niet meer mogelijk is of de kans groot is dat deze zal falen. Palliatieve zorg richt zich op het verlichten van symptomen, pijn en het bieden van steun in de laatste periode tot het onafwendbare overlijden. Kinderpalliatieve zorg is gericht op de kwaliteit van leven van het kind met een levensbedreigende en levensduur verkortende aandoening én op het gezin waarvan het kind onderdeel uitmaakt.4
De behandelend artsen beantwoorden de vraag wanneer in een specifieke situatie van medisch zinloos handelen sprake is. Belangrijke factoren die zij voor een zorgvuldige beantwoording moeten meenemen, zijn inderdaad onder meer: het al dan niet bij bewustzijn zijn van een patiënt en in hoeverre de patiënt kan voelen, bewegen en communiceren.
Zijn er medische alternatieven om het lijden van het kind te verlichten? Hoe wordt het lijden van een kind in een situatie als deze vastgesteld?
Het lijden van een kind in een situatie als deze, waarbij een kind vanwege de leeftijd en ernstige beperkingen niet in staat is zelf aan te geven of het lijdt, moet worden vastgesteld aan de hand van objectieve meetgegevens en door op ervaring en expertise gebaseerde waarnemingen van de behandelend artsen en het verplegend personeel. Daarbij kan ook het advies van andere zorgverleners worden ingewonnen.
Het uitzichtloos lijden van dit meisje was vastgesteld op basis van een combinatie van objectieve meetgegevens en op ervaring en expertise gebaseerde waarnemingen van haar zorgverleners. De objectieve meetgegevens op basis waarvan haar pijn, leed en stress kon worden bepaald, waren bijvoorbeeld haar hartslag, bloeddruk en saturatiewaarde. Daarnaast namen de artsen en verpleegkundigen, met hun ervaring en expertise op het gebied van de kindergeneeskunde, met eigen ogen waar dat het meisje leed.
In het vaststellen of een behandeling medisch zinloos is, wordt verkend of er alternatieven zijn voor genezing, verbetering of – als dit niet haalbaar is – over alternatieven om het lijden te verlichten. Voor dit meisje hebben de behandelaren de alternatieven uitgebreid verkend. Daaruit volgde naar hun oordeel helaas dat er geen alternatieven waren. Doorbehandelen zou alleen het lijden van het meisje verlengen. Ook twee second opinions van artsen uit andere UMC’s hebben blijkbaar geen alternatief opgeleverd om het lijden te verlichten.
Wat gebeurt er als de ouders wel graag willen dat hun kind wordt doorbehandeld en het ziekenhuis dit medisch zinloos acht? Hoe zit dit Europeesrechtelijk, binnen het EVRM, voor wat betreft het recht op leven, en het recht op family life?
De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak de botsende rechten en belangen tegen elkaar afgewogen. Enerzijds het recht op leven en het recht op family life uit het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en anderzijds de verplichting van hulpverleners om bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en daarbij te handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden.5
In de uitspraak stelt de voorzieningenrechter dat het belang om te leven en het belang van family life in deze situatie minder zwaar wegen dan het belang van het ziekenhuis om in het belang van de patiënte te handelen. Daarbij stelt de voorzieningenrechter dat het doorgaan met medisch handelen voor dit meisje alleen verlenging van het lijden of verlenging van het stervensproces zou opleveren. De EVRM-rechten leiden volgens de voorzieningenrechter daarom niet tot de conclusie dat de beslissing van het ziekenhuis om de beademing van het meisje te beëindigen, verboden moet worden.
Moeten de ouders uit de ouderlijke macht worden ontzet als ze geen toestemming geven de behandeling te staken?
Nee. Deze ouders bevonden zich in een hartverscheurende situatie en wilden gewoonweg datgeen wat zij beschouwen als het beste voor hun dochtertje. Tegelijkertijd hadden de behandelaren voor de beëindiging van de beademing geen toestemming nodig van de ouders. Uiteraard kan een dergelijke beslissing niet plaatsvinden zonder dat de behandelaren de ouders hierover goed informeren.
Klopt het dat een revalidatiekliniek het kind wil opnemen en verplegen? Valt het meewerken aan verplaatsing ook onder medisch zinloos handelen? Als een ziekenhuis wordt gevraagd om de behandeling op afstand in een revalidatiekliniek medisch te ondersteunen, kan dat los worden gezien van medisch zinloos handelen?
Ik heb begrepen dat revalidatiekliniek Adelante had aangegeven dat ze de verzorging van het meisje onder meerdere voorwaarden kon overnemen, waaronder:
Verplaatsing van het meisje naar Adelante zou dus in feite alleen hebben betekend dat de medische zorg op een andere plek zou worden verricht. De artsen van het AZM zouden die medische zorg dan nog steeds zinloos hebben gevonden en niet in het belang van het meisje. Het aanbod van de revalidatiekliniek bood daarom geen oplossing.
Bent u bekend met het antwoord van de voormalig Minister van VWS op de vraag over de opvang van extreem premature kinderen: «NVK geeft aan dat het medisch team de medische risico’s en de mogelijke gevolgen kent. De ouders zijn het beste in staat om aan te geven wat voor hen de belangrijkste waarden zijn die moeten worden meegenomen bij het uiteindelijke besluit. De besluitvorming is geïndividualiseerd, dat wil zeggen maatwerk voor dit kind bij deze ouders.»2 Waarom is het hier niet gelukt om binnen de waarden van de ouders tot overeenstemming te komen in het belang van het kind?
Dit antwoord van voormalig Minister Dijkstra op vragen van de leden Bikker en Hertzberger over perinatale zorg is mij bekend.7 Bij perinatale zorg gaat het om het in leven houden en de intensieve zorg voor extreem vroeggeboren kinderen. Daar staat de vraag centraal of een behandeling gestart wordt bij een kind waarvan er nog een onvolledige rijping is van de organen. Omdat de uitkomst van een behandeling per individueel geval volledig onzeker is, weegt in zo’n situatie het oordeel van de ouders zwaar.
Bij medisch zinloos handelen is de uitkomst van de behandeling wel duidelijk, op basis van zorgvuldige afweging van beschikbare informatie en feiten. Dan is het oordeel van de arts leidend, omdat die in die situatie tegen een begrenzing van de zorgplicht aanloopt, omdat medisch zinloos handelen in strijd is met de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden. Kort gezegd: bij extreme prematuriteit gaat het om handelen onder grote onzekerheid; bij medisch zinloos handelen gaat het om het handelen wanneer een behandeling niets meer kan betekenen.
Beslissingen over medische behandelingen worden genomen binnen een shared decision making-proces. Daarbij komen zorgverleners, patiënt en/of diens vertegenwoordigers samen tot een beslissing die bij de patiënt past. In dit geval kon niet overeenstemmend gehandeld worden met de wensen en waarden van de ouders, omdat zij de behandeling wilden voortzetten, maar de artsen deze medisch zinloos achten.
Wanneer beslissen artsen tot een niet-reanimeren beleid en wat is de rol van de ouders hierin?
Patiënten of diens vertegenwoordigers beslissen zelf of zij wel of niet gereanimeerd willen worden. Een uitzondering daarop is als reanimeren naar het oordeel van de behandelend arts medisch zinloos is. In dat geval besluit de arts om de patiënt niet te reanimeren op medische gronden en is dat besluit leidend.8 Het streven is om in samenspraak met de patiënt te komen tot goed geïnformeerde besluitvorming.
In de kindergeneeskunde is dit niet anders. Er zijn twee situaties waarin een arts besluit tot niet-reanimeren bij een kind:
Hoe kijkt u in dit geval naar het marginaal toetsen door de rechter? Is het denkbaar en noodzakelijk dat in het geval van hoger beroep er integraler wordt getoetst?
Het is niet aan mij, als Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, om op de stoel van de rechter te zitten. Uiteraard kan een gerechtshof anders oordelen dan de voorzieningenrechter over de marginale toets.
Moet het ziekenhuis in deze casus het hoger beroep van de ouders afwachten voordat ze de beademing beëindigen?
In een dergelijke casus kunnen ouders bij de voorzieningenrechter vorderen dat de kunstmatige beademing niet zal worden beëindigd gedurende hoger beroep. In deze casus hebben de ouders uiteindelijk geen hoger beroep ingesteld.
Judolessen niet langer te erkennen als volwaardige invulling van het bewegingsonderwijs |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Marleen Haage (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van de Inspectie van het Onderwijs om de door Judoschool Van der Hoek aangeboden judolessen op de Gooise Daltonschool niet langer te erkennen als volwaardige invulling van het bewegingsonderwijs en wat is daarop uw reactie?
Ja, het oordeel van de Inspectie is mij bekend. De Inspectie heeft, in lijn met de wettelijke bepalingen hierover, aangegeven dat het bestuur ervoor moet zorgen dat de school voor alle leerlingen ten minste twee lesuren per schoolweek bewegingsonderwijs verzorgt met als inhoud de wettelijk verplichte kerndoelen. Met het structureel aanbieden van judolessen als onderdeel van het bewegingsonderwijs kan een school niet voldoen aan de uitvoering van de kerndoelen.
Erkent u dat pedagogiek, motorische ontwikkeling, veiligheid en sociale vorming centraal staan bij judo en het daardoor juist geschikt is als gymles?
Het is goed voorstelbaar dat deze zaken een belangrijke plaats innemen bij judo. Aspecten van een sport als judo, en van andere sporten, kunnen geschikte onderdelen zijn van de gymles. Zoals ook in het antwoord op vraag 1 genoemd moet het bewegingsonderwijs gegeven worden volgens de wettelijk verplichte kerndoelen. Het staat scholen daarentegen altijd vrij om op niet-structurele wijze judoles aan te bieden of andere sporten (of elementen ervan) te integreren in de gymles. Met het structureel aanbieden van judolessen als onderdeel van het bewegingsonderwijs kan echter onvoldoende worden gewerkt aan de brede ontwikkeling van leerlingen waar de kerndoelen op zien.
Kunt u nader toelichten waarom u judo, mits gegeven door een gediplomeerde leraar, niet als een volwaardige vorm van bewegingsonderwijs beschouwt?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven kan met het structureel aanbieden van judolessen onvoldoende worden gewerkt aan de brede ontwikkeling van leerlingen waar de kerndoelen voor bewegingsonderwijs op zien. Judo kan wel ingezet worden als niet-structurele invulling van het bewegingsonderwijs, bijvoorbeeld als kennismaking met de sport tijdens de gymles.
Het gaat erom dat leerlingen een brede basis binnen bewegingsonderwijs krijgen en dat een bevoegd groeps- of vakleerkracht de gymles geeft. De kerndoelen voor bewegingsonderwijs zien toe op die brede basis. Het uitgangspunt van de kerndoelen voor bewegingsonderwijs is dat de leerlingen op een verantwoorde manier leren deelnemen aan de omringende bewegingscultuur en dat ze de hoofdbeginselen van de belangrijkste bewegings- en spelvormen leren ervaren en uitvoeren.
Waarom is het ontbreken van een onderwijsbevoegdheid bij een gediplomeerde judoleraar een gegronde reden om judo niet te erkennen als volwaardig bewegingsonderwijs, zelfs als er een bevoegde leraar bij aanwezig is?
De Wet op het primair onderwijs bepaalt dat de lessen bewegingsonderwijs moeten worden gegeven door leraren die daartoe bevoegd zijn. Leerkrachten zijn bijvoorbeeld bevoegd om gymles te geven als ze in het bezit zijn van een getuigschrift Lichamelijke Opvoeding (HBO-ALO), een PABO Getuigschrift van voor 1 september 2005 of een PABO Getuigschrift met post-initiële leergang bewegingsonderwijs.1 Een judodocent kan onder verantwoordelijkheid van een leraar die bevoegd is voor bewegingsonderwijs een judoles verzorgen als onderdeel van het bewegingsonderwijs.
Bent u bekend met de inhoud en kwaliteit van de opleidingen van Judo Bond Nederland en de pedagogische kaders waarbinnen de leraren opereren?
Het Ministerie van VWS is in grote lijnen bekend met de inhoud van de opleidingen in de sport. Met de Kwalificatie Structuur Sport (KSS) ziet sportkoepel NOC*NSF toe op de kwaliteit van deze opleidingen.
Bent u bereid in gesprek te aan met de judobond en te zoeken naar een oplossing? Zo nee, waarom niet?
De inzet van de Judobond om het onderwijs te inspireren en te ondersteunen bij bewegingsonderwijs is op zichzelf te waarderen.
Tegelijkertijd is het van belang te noemen dat de Judobond, als het gaat om onderwijsinhoudelijke activiteiten, een individuele aanbieder is. Vanuit de Ministeries van OCW en VWS is er geen beleidsmatige of structurele samenwerking met afzonderlijke aanbieders van lesprogramma’s op het gebied van sport of andere leergebieden. Dit past binnen het principe van gelijkwaardige behandeling van partijen en het voorkomen van voorkeursposities. Gegeven bovenstaande redenen is het niet gepast voor de ministeries om, voor deze specifieke casus, in gesprek te treden met één specifieke aanbieder zoals de Judobond.
Daarnaast zijn scholen vrij in de wijze waarop zij invulling geven aan de kerndoelen. Zij hebben te allen tijde de vrijheid samenwerking op te zoeken met (lokale) sportorganisaties. Zoals eerder aangegeven kunnen scholen de samenwerking opzoeken met partijen zoals de judobond voor een tijdelijke samenwerking. Daarbij wordt nogmaals opgemerkt dat het structureel aanbieden van judolessen als onderdeel van het bewegingsonderwijs niet volstaat om aan de kerndoelen te voldoen.
Heeft u inmiddels de gevolgen van de door u geschrapte subsidieregeling bewegingsonderwijs inzichtelijk? Hoeveel scholen en leerlingen worden hiervan de dupe?
Met de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingsonderwijs konden scholen een procesbegeleider aanstellen die hen hielp met het behalen van de urennorm voor bewegingsonderwijs of de integratie van meer bewegen tijdens de schooldag.
De opdracht van de procesbegeleiders binnen de subsidieregeling was tijdelijk van aard. Het aflopen van de subsidieregeling leidt niet tot vermindering van het aantal uur bewegingsonderwijs dat op scholen gegeven wordt.
Hoeveel minder uur bewegingsonderwijs kan er worden gegeven door het schrappen van deze regeling?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat sportmedium Sport Knowhow XL wordt overgenomen door een Golazo Media |
|
Michiel van Nispen |
|
Judith Tielen (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat sportmedium Sport Knowhow XL wordt overgenomen door Golazo Media?1
De overname betreft een overeenkomst tussen private mediapartijen. Vanuit de regering kan ik daar slechts in beperkte mate iets van vinden aangezien Nederlandse media onafhankelijk zijn en opereren binnen een vrije markt. De betreffende overname was niet meldingsplichtig bij de ACM, gelet op de geldende omzetdrempels.
Klopt het dat het bedrijf achter Golazo Media ook al meerdere andere sportmedia bezit en zelf meerdere sportevenementen organiseert?
Ja, ik heb begrepen dat Golazo Media onder andere de vakbladen zoals Sport & Strategie en Sport & Gemeenten uitgeeft. Daarnaast organiseert «Golazo Events», een zusteronderneming van Golazo Media, sportevenementen zoals de CPC Loop in Den Haag en de Marathon Rotterdam.
In hoeverre zijn er risico’s voor de onafhankelijkheid en diversiteit over de berichtgeving rondom sport en sportbeleid, wanneer een groot deel van de titels die daarover publiceren in handen zijn van hetzelfde concern?
Als Minister van OCW zet ik mij in voor het waarborgen van een onafhankelijk, gevarieerd en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod dat toegankelijk is voor alle lagen van de bevolking. Onafhankelijke media zijn onmisbaar in onze democratische rechtsstaat en vrije samenleving. Vrije, onafhankelijke en toegankelijke media informeren de samenleving met betrouwbare informatie en bieden ruimte voor verschillende perspectieven en ideeën.
Ik constateer dat er op dit moment nog diverse andere (onafhankelijke) media-outlets zijn – zoals kranten, tijdschriften, radio, tv en websites – die berichten over sport en sportbeleid of waar vacatures geplaatst kunnen worden.
Welke stappen onderneemt u in het algemeen om ervoor te zorgen dat er diversiteit en onafhankelijkheid blijft bestaan als het gaat om het aanbod aan media die schrijven over sport(beleid)?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vaccineffectiviteit en vaccinveiligheid |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Is het u bekend dat een epidemioloog van het RIVM, als medeauteur, heeft meegewerkt aan de in de voetnoot genoemde studie1?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de resultaten van deze studie?
Ja.
Wat vindt u van de conclusie van de auteurs dat «niet gemeten confounders» en mogelijk «misclassificatie-effecten» de vaccin-effectiviteit (VE) waarschijnlijk kunstmatig hebben verhoogd? Deelt u de conclusie dat op basis daarvan kan worden gesteld dat de door de RIVM eerder gerapporteerde VE waarschijnlijk te rooskleurig is voorgesteld?
Nee, die conclusie deel ik niet. In wetenschappelijke artikelen en rapporten van het RIVM is beschreven dat de vaccin-effectiviteitschattingen beïnvloed kunnen zijn door ongemeten confounding en misclassificatie. Zo heeft het RIVM volop aandacht besteed aan misclassificatie door incompleetheid van het vaccinatieregister CIMS door informed consent, zie Van Werkhoven et al.2. Ook wordt dit besproken in het paper door De Gier et al. in het wetenschappelijke tijdschrift Vaccine 3. In de discussie van dit artikel wordt beschreven dat ongemeten confounding waarschijnlijk een overschatting van vaccineffectiviteit zal geven, en misclassificatie een onderschatting. Een vorm van ongemeten confounding wordt soms aangeduid als «healthy vaccinee bias», wat ook wordt omschreven in het artikel van De Gier et al.4. De misclassificatie die wordt onderzocht in het paper door Humphreys et al. gaat over het tijdsinterval tussen data-input en -extractie, welke een bescheiden effect heeft op vaccin-effectiviteitschattingen.
Kunt u zich het oversterfte-onderzoek2 van prof. Meester, dr. Bakker en dr. Walk nog herinneren?
Ja.
Kunt u zich nog herinneren dat u van mening was dat er twijfels waren aan de expertise van de auteurs van die studie en dat u hun rapport daarom naast u neerlegde?
Mijn ambtsvoorganger heeft deze uitspraak gedaan tijdens het commissiedebat Oversterfte van 20 februari jl. Hij baseerde zijn uitspraak op een oordeel van ZonMw in het kader van een subsidieoproep voor het onderzoeksprogramma naar redenen en oorzaken van oversterfte in de coronacrisis. De auteurs hadden een onderzoeksvoorstel ingediend dat inhoudelijk overeenkwam met een gedeelte van het rapport. De aanvraag was door ZonMw niet gehonoreerd omdat er onder andere twijfels waren over de uitvoerbaarheid van het onderzoek in de beschikbare tijd en de expertise van de onderzoekers. Dit oordeel benoemen de auteurs zelf in hun rapport en mijn ambtsvoorganger refereerde hiernaar.
Dit was echter niet de voornaamste reden om het rapport niet te betrekken bij de beleidsvorming. De onderzoekers concluderen in hun studie onder meer dat er een mogelijke relatie is tussen de COVID-19-vaccins en oversterfte. Voor het maken van het beleid omtrent vaccinaties laat ik mij adviseren door, onder andere, de Gezondheidsraad. De raad baseert haar advies op de laatste wetenschappelijke inzichten die zij nauwlettend in de gaten houdt. Daarnaast verzamelt, registreert en onderzoekt Lareb meldingen van mogelijke bijwerkingen. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen beoordeelt de werkzaamheid en veiligheid van het vaccin en neemt maatregelen als dat nodig is. De breed gedragen wetenschappelijke consensus is dat COVID-19-vaccinatie veilig is en zeer veel overlijdens heeft voorkomen. Dit betekent niet dat geluiden die tegen de wetenschappelijke consensus in gaan, worden genegeerd. Het rapport van prof. Meester, dr. Bakker en dr. Walk is echter vanaf het moment van publicatie controversieel en is (nog) niet peerreviewed. Ik vertrouw erop dat de adviezen aan mij worden aangepast als blijkt dat dit nodig is.
Kunt u verklaren waarom deze drie auteurs – met volgens u een twijfelachtige expertise – veel eerder tot dezelfde conclusie kwamen als de zojuist aangehaalde onderzoeker van het RIVM in het artikel genoemd in de eerste voetnoot, namelijk dat er sterke confounding en misclassificatie was waardoor de VE van de Covid-19 vaccins waarschijnlijk sterk overschat wordt?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Reeds bij publicatie van het RIVM-onderzoek in een peerreviewed wetenschappelijk tijdschrift is ongemeten confounding en misclassificatie uitgebreid besproken. De inzichten van de drie auteurs zijn niet nieuw.
Hoe kijkt u nu terug op uw uitspraak met betrekking tot het oversterfte-onderzoek van prof. Meester, dr. Bakker en dr. Walk, temeer deze auteurs zelf grotendeels de financiering voor hun rapport moesten verzorgen?
Waarom komt deze bevinding niet terug in rapporten van het RIVM, zeker nu een onderzoeker van het RIVM zelf tot een vergelijkbare conclusie is gekomen?
Zie het antwoord op vraag 3. In RIVM-onderzoeken is ongemeten confounding en misclassificatie altijd erkend. Dit zijn geen nieuwe inzichten.
Gaat u het Nederlandse volk voorlichten over deze resultaten of laat u het volk in de veronderstelling dat de vaccins tegen Covid-19 mensen (bijna) onsterfelijk maken, zoals de rapporten van het RIVM en CBS (en later ook NIVEL) suggereren?
De rapporten van het RIVM, CBS en NIVEL suggereren zeker niet dat vaccins tegen COVID-19 mensen (bijna) onsterfelijk maken en ik heb niet de impressie dat de Nederlandse bevolking deze veronderstelling heeft. De studies van het RIVM en uitgebreide internationale peerreviewed literatuur concluderen wel dat de COVID-19-vaccins zeer veel sterfte hebben voorkómen. Ik zie geen aanleiding om deze boodschap aan te passen.
Legt u dit onderzoek, waarvan een prominente medewerker van het RIVM coauteur is, ook weer naast u neer zoals u eerder deed bij het oversterfte-onderzoek van prof. Meester, dr. Bakker en dr. Walk?
Zoals ik noemde bij het antwoord op vraag 5 laat ik mij door verschillende instanties adviseren als het gaat om vaccinaties. Ik vertrouw erop dat de adviezen aan mij worden aangepast als dat uit studies noodzakelijk blijkt. Ditzelfde principe geldt ook voor het rapport van prof. Meester, dr. Bakker en dr. Walk. Dit is niet noodzakelijk gebleken.
Het bericht 'Alleen garantie op gescheurde borstimplantaten als je ze laat vervangen' |
|
Elke Slagt-Tichelman (GroenLinks-PvdA), Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u, naast uw eigen bijdrage aan de uitzending, ook bekend met verdere berichtgeving van Radar, over onder meer de beperkingen van de garantie en de ervaringen van vrouwen?1 2 3
Ja, ik ben bekend met de uitzending en met de bijdrage van mijn ambtsvoorganger.
In hoeverre was bij u bekend dat meerdere fabrikanten van borstimplantaten dergelijke voorwaarden hanteren? Wat denkt u dat dit doet met vrouwen die gezondheidsklachten ervaren door kwalitatief slechte implantaten en geen vervanging willen, en vervolgens zelf met hoge kosten te maken krijgen?
Dat was mij niet bekend. Ik vind het onwenselijk dat juridische constructies van fabrikanten ertoe zouden leiden dat vrouwen niet de schade vergoed krijgen die wordt veroorzaakt door mogelijk gebrekkige producten. Wel moet ik opmerken dat het uiteindelijk niet aan mij als Minister is om te bepalen of een juridische constructie door de beugel kan en of de benadeelde recht heeft op schadevergoeding. Dat is uiteindelijk aan de civiele rechter (op vordering van de benadeelde).
Overigens wil ik graag benadrukken dat het verwijderen van gescheurde borstimplantaten bij medische noodzaak voor vergoeding in aanmerking kan komen vanuit het basispakket.4
Kunt u aangeven hoeveel meldingen of klachten er bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) of andere instanties zijn binnengekomen over misleidende garanties bij borstimplantaten?
Er is tussen 2017 en 2025 één melding gedaan bij Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI) waarbij de melder het aanbieden van «levenslange garantie» misleidend noemt. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) laat mij weten tussen 2020 en 2025 geen meldingen of klachten te hebben ontvangen over misleidende garanties bij borstimplantaten.
Op welke wijze worden mensen (inclusief artsen) geïnformeerd over de mogelijkheid van een melding maken? Is de bekendheid en de bereikbaarheid van het Meldpunt Bijwerkingen Implantaten voldoende? Zo niet, wat gaat u doen om deze te verbeteren?
Ik vind het belangrijk dat mensen weten waar zij klachten kunnen melden. Ik heb al eerder aangegeven dat ik de huidige meldstructuur, waarbij bijwerkingen en klachten afhankelijk van de aard van de klacht en het product gemeld kunnen worden bij het MEBI, de IGJ en in sommige gevallen ook het Lareb, niet optimaal vind. Daarom houd ik deze momenteel tegen het licht.
Mensen die een melding willen doen, wordt op verschillende manieren informatie aangeboden. Zo staat op de IGJ website hoe een zorgprofessional of een persoon met een borstimplantaat een vraag of een klacht over de zorg of een medisch hulpmiddel kan doen bij de inspectie.
Zorgprofessionals wordt gevraagd melding te doen via een formulier, personen met een borstimplantaat kunnen zowel via een formulier als ook telefonisch een melding doen bij het landelijk Meldpunt Zorg (LMZ) van de IGJ.
Indien de melding gaat over een bijwerking van een implantaat wordt de zorgprofessional of persoon doorgestuurd naar de website van het Meldpunt en Expertisecentrum Bijwerkingen Implantaten (MEBI).
Om te zorgen dat mensen het MEBI beter weten te vinden en gemakkelijker een melding kunnen doen, heb ik recent verschillende acties ondernomen. Zo heeft tussen november 2024 en februari 2025 een communicatiecampagne plaatsgevonden in huisartspraktijken en gezondheidscentra. Verder is de website van het MEBI verbeterd en zal dit jaar een verkort meldformulier worden ingevoerd.
Om de IGJ website makkelijker vindbaar te maken, is IGJ ook aangesloten op de «Productenmeldwijzer» van de overheid. Via een aantal vragen over de melding wordt de melder doorgestuurd naar het juiste loket van de overheid. In het geval van melding over een medisch hulpmiddel komt de melder uit bij de IGJ en in het geval van een melding over een bijwerking van een implantaat bij het MEBI.
Zoals hierboven aangegeven vind ik deze acties nog niet voldoende en bekijk ik hoe het melden van dergelijke klachten nog beter kan worden georganiseerd.
Bent u het met de advocaat uit de berichtgeving eens dat de voorwaarden misleidend gepresenteerd worden? Zo nee, waarom niet?
De voorwaarden moeten eerlijk en begrijpelijk zijn voor de patiënt. Ik kan echter geen uitspraken doen over de rechtmatigheid van bepaalde juridische constructies en bepalingen uit contracten in concrete casussen. Het is aan de civiele rechter om – op basis van een vordering van de patiënt – te beoordelen of bepaalde voorwaarden al dan niet rechtmatig zijn en wat daarvan vervolgens de juridische gevolgen zijn.
Deelt u de mening dat vrouwen met gescheurde borstimplantaten (met alle gevolgen van dien) aanspraak moeten kunnen maken op een volledige vergoeding voor het verwijderen van de implantaten, ongeacht of zij kiezen voor vervangende implantaten? Zo nee, waarom niet?
Patiënten hebben het recht om de fabrikant aansprakelijk te stellen wanneer zij schade hebben opgelopen vanwege een gebrek aan een borstimplantaat. Het is uiteindelijk aan de civiele rechter om de vordering van een patiënt te beoordelen.
Net als bij antwoord 2 wil ik benadrukken dat het verwijderen van gescheurde borstimplantaten vergoed kan worden vanuit het basispakket in het geval van een medische noodzaak.
Wat is de reden dat u de verantwoordelijkheid voor de garantie op gescheurde borstimplantaten primair bij de behandelend chirurg legt? Deelt u de mening dat primair de fabrikanten verantwoordelijk zijn voor de veiligheid van de implantaten?
Ik leg de verantwoordelijkheid voor de garantie op gescheurde borstimplantaten niet bij de chirurg. Mijn ambtsvoorganger heeft willen benadrukken dat artsen verantwoordelijk zijn voor het leveren van goede zorg. Dit betekent dat een chirurg de patiënt moet informeren over de voorgestelde behandeling, de risico’s van de behandeling en alternatieven. Het is niet aan mij om een oordeel uit te spreken over de juridische aansprakelijkheid van de arts wanneer een borstimplantaat scheurt. Wel heeft mijn ambtsvoorganger de IGJ verzocht vanuit het bredere perspectief van «goede zorg leveren» te kijken naar de rol van de behandelend arts. De IGJ heeft mij laten weten hiernaar te zullen kijken en ik ben in afwachting van hun conclusies.
Klopt het dat implantaten medische hulpmiddelen zijn en dus moeten voldoen aan de Medical Devices richtlijn? Kunt u nader toelichten hoe de procedure eruitziet voor toelating op specifiek de Nederlandse markt? Hoe kan het dat deze borstimplantaten niet lijken te voldoen aan het doel van deze richtlijn, namelijk de patiëntveiligheid? Wat bent u bereid te doen om de patiëntveiligheid beter te borgen?
Ik vind het allereerst belangrijk dat vrouwen goed wordt uitgelegd dat borstimplantaten niet eindeloos meegaan en dat er op den duur een nieuwe operatie nodig is om het implantaat te verwijderen of te vervangen. Een chirurg heeft hierin een belangrijke verantwoordelijkheid in het gesprek met de patiënt over de voor- en nadelen van het plaatsen van een borstimplantaat.
Borstimplantaten zijn medische hulpmiddelen en moeten voldoen aan de Europese verordening rondom medische hulpmiddelen, de Medical Device Regulation (MDR). De toelating van borstimplantaten op de Nederlandse markt verloopt volgens deze Europese regelgeving. Implantaten die voldoen aan de strenge Europese eisen voor veiligheid, werking en kwaliteit kunnen na beoordeling door een aangewezen instantie, zogenaamde notified bodies, een CE-markering krijgen. Alleen producten met een CE-markering mogen vervolgens op de Nederlandse markt komen. Fabrikanten zijn vervolgens verplicht om de kwaliteit van hun product in de praktijk te volgen. Dat implantaten kunnen scheuren is een bekende bijwerking en fabrikanten moeten daarom bijhouden hoe vaak dat gebeurt. In Nederland wordt dit ook bijgehouden door de leden van de Nederlandse Vereniging van Plastische Chirurgie.5 Wanneer borstimplantaten eerder, of vaker, scheuren dan gemiddeld moet een fabrikant de IGJ inlichten en maatregelen nemen. Op dit moment heb ik geen aanwijzingen dat borstimplantaten op de Nederlandse markt niet aan Medical Devices richtlijn voldoen.
Hoe is het toezicht op informatievoorziening rondom borstimplantaties en garanties geregeld? Bent u bereid om aan de IGJ te vragen om de rol van fabrikanten mee te nemen in het toezicht? Of kunt u concretere actie ondernemen? Zo ja, hoe?
De betrokken zorgprofessional informeert een patiënt of cliënt voor iedere medische behandeling over de medische risico’s, de te verwachten resultaten en alternatieve behandelmogelijkheden. Na het ontvangen van deze informatie geeft de patiënt wel of geen toestemming voor de betreffende behandeling (informed consent). Dit geldt ook voor het implanteren van borstimplantaten. De IGJ toetst in haar reguliere toezicht of de zorgprofessional het informed consent voldoende heeft uitgevoerd. De garantieregeling die een fabrikant heeft opgesteld, valt buiten het toezicht van de IGJ.
Welke stappen bent u bereid te nemen om patiënten beter te beschermen tegen vage of misleidende garantiebeloften bij medische hulpmiddelen en op welke termijn kan de Kamer daar informatie over verwachten?
In het antwoord op vraag 9 heb ik aangegeven dat de garantieregeling die de fabrikant heeft opgesteld buiten het toezicht valt van de IGJ. De IGJ heeft wél een rol waar het gaat om het leveren van goede zorg. Wanneer er twijfels zijn over het leveren van goede zorg, dan roep ik mensen op dit bij de IGJ te melden.
Het bericht ‘Gemeente Almelo zeer teleurgesteld na vrijspraak’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «gemeente Almelo zeer teleurgesteld na vrijspraak gokkende zorgonderneemster»?1 Bent u hierover ook onthutst?
Ja, ik ben bekend met dit artikel.
Deelt u de mening dat een dergelijke vrijspraak schadelijk is voor het vertrouwen van mensen, zorginkopers en bonafide zorgaanbieders in het rechtssysteem en de effectiviteit van wetgeving?
Ik vind het moeilijk te verkroppen dat er slechte, of zelfs helemaal geen zorg is geleverd. Tegelijkertijd worden strafzaken beoordeeld op basis van bewijsmiddelen. In het strafrecht ligt de drempel om te veroordelen hoger dan in het civiel- en bestuursrecht. Strafrecht is immers ultimum remedium. Daarbij wil ik opmerken dat deze zorgaanbieder in eerdere uitspraken van de Raad van State en de civiele rechter wel is veroordeeld. Deze uitspraken laten zien dat inkopers, zoals gemeenten, juridische mogelijkheden hebben om bij misbruik zorggelden terug te kunnen vorderen. Deze uitspraken geven juist een duidelijk signaal dat zorgaanbieders moeten voldoen aan de wettelijke verantwoordingseisen en dat bij misbruik zorggelden worden teruggevorderd.
Welke mogelijkheden ziet u om bestaande wetgeving zodanig aan te passen, dat deze meer juridische houvast geeft voor strafrechtelijke vervolging en sanctionering van zorgfraude? Bent u het ermee eens dat een koppeling van bestuurlijke bepalingen omtrent zorgfraude aan de Wet op de economische delicten een goed begin kan zijn?
De Minister van Justitie en Veiligheid is verantwoordelijk voor wetgeving over het strafrecht. De beslissing om al dan niet over te gaan tot strafrechtelijke vervolging is de discretionaire bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Ik zie geen noodzaak om bestuursrechtelijke bepalingen te koppelen aan de Wet op de economische delicten. Het bestuursrecht biedt namelijk voldoende mogelijkheden om effectief te handhaven. Bovendien kan ook zonder een wettelijk vastgelegde koppeling met het strafrecht een beroep gedaan worden op strafrechtelijke bepalingen. Daarbij zal het strafrecht vanwege langere doorlooptijden en een zwaardere bewijslast in de praktijk minder effectief zijn dan bestuursrechtelijke handhaving.
Op welke manier bent u van plan wetten te verbeteren om te zorgen dat overduidelijke fraude breed en stevig aangepakt kan worden? En welke potentiële mogelijkheden acht u niet haalbaar en om welke reden wilt u daar niet mee aan de slag?
Ik ben het met u eens dat fraude met zorggeld stevig moet worden aangepakt. Een belangrijke kanttekening is dat de zaak waar dit nieuwsartikel over gaat, speelt voor 2020. Sindsdien is er veel gebeurd om fraude in de zorg te bestrijden en aan te pakken. Met de Proeftuinen aanpak zorgfraude is erop ingezet om aan de voorkant goede maatregelen te treffen en dat te delen met alle (gemeentelijke) inkopers in het hele land. Bijvoorbeeld de ontwikkelde werkwijzen voor betere selectie en screening van zorgaanbieders en de toepassing van de Wet Bibob. Verder is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) per 1 januari 2025 in werking getreden. Ook is per 1 januari 2025 de vergunningplicht van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) uitgebreid naar alle zorginstellingen, dus ook de kleine instellingen. Tevens ligt het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) bij u voor in de Kamer, dat bijvoorbeeld extra weigerings- en intrekkingsgronden aan de Wtza-vergunning mogelijk maakt. Daarnaast verken ik aanvullende maatregelen om malafide aanbieders uit de zorg te weren, zoals aangegeven in mijn brief van 4 april jongstleden.2 Uw Kamer wordt in het najaar nader geïnformeerd over deze maatregelen.
Welke mazen in wet- en regelgeving maken dat de betreffende verdachte beschermd blijkt te zijn tegen vervolging van zorgfraude in het strafrecht, terwijl civiel- en bestuursrechtelijk wel is vastgesteld dat deze verdachte misbruik maakte van zorggeld? Bent u bereid deze mazen in de wet te dichten en zo ja, op welke termijn kan de Kamer daar voorstellen voor ontvangen?
Het is niet gezegd dat hier sprake is van een maas in de wet. In het strafrecht is de bewijslast hoger dan in het civiel- en bestuursrecht. Het kan daarom gebeuren dat de uitkomsten van een civiele- of bestuursrechtelijke procedure verschillen van een strafrechtelijke procedure. De beslissing om al dan niet over te gaan tot strafrechtelijke vervolging is aan het Openbaar Ministerie. Overigens is in deze zaak wel vervolging ingesteld, maar was er voor de rechtbank onvoldoende bewijs dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zorggeld, waardoor strafrechtelijke veroordeling is uitgebleven.
Op welke manier kan met de nieuwe Wet Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, zorgfraude beter worden aangepakt en kunnen zaken zoals die uit het nieuwsbericht in de toekomst beter (strafrechtelijk) worden aangepakt, vervolgd en gesanctioneerd?
Het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) heeft primair tot doel het borgen van een integere bedrijfsvoering en het aanpakken van niet integere zorg- en jeugdhulpaanbieders. Dit gebeurt door het stellen van randvoorwaarden aan de bedrijfsvoering, zodat zorggeld goed wordt besteed en niet weglekt naar bevriende partijen. Daardoor kunnen ook frauderende aanbieders beter worden geweerd of aangepakt. Het wetsvoorstel verbindt extra weigerings- en intrekkingsgronden aan de Wtza-vergunning voor zorgaanbieders. Hiermee kunnen niet-integere en frauderende zorgaanbieders worden geweerd en wordt voorkomen dat zij misbruik kunnen maken van geld voor de zorg. Want patiënten, cliënten en jeugdigen moeten er op kunnen vertrouwen dat zij goede, toegankelijke en betaalbare zorg en/of jeugdhulp kunnen ontvangen. Daarnaast worden extra voorwaarden gesteld aan winstuitkering en de bedrijfsvoering van aanbieders, waardoor het voor aanbieders moeilijker wordt om niet-integer te handelen of te frauderen. Ook daarmee draagt het wetsvoorstel bij aan het bestrijden van zorgfraude.
De Minister van Justitie en Veiligheid gaat over (de effectiviteit van) het strafrecht.
In hoeverre is het mogelijk om met wet- en regelgeving sneller in te spelen op de nieuwe manieren die fraudeurs en criminelen bedenken en toepassen om misbruik te maken van zorggeld? Wat bent u bereid te doen om de signalen en ontwikkelingen vanuit onder andere het Informatieknooppunt Zorgfraude sneller in effectieve regels om te zetten?
De afgelopen jaren is ingezet op het verstevigen van wet- en regelgeving met onder andere de Wbsrz en met Wibz. Het maken en aanpassen van wet- en regelgeving duurt lang. De realiteit is dat wetgeving de snelle, nieuwe manieren die fraudeurs en criminelen gebruiken om misbruik te maken van zorggelden moeilijk bij kan benen. Het is daarom belangrijk dat alle partijen in het zorgveld inzetten op wat er allemaal al mogelijk is. Zowel vanuit eigen hun taken en bevoegdheden, zoals het opvragen van VOG’s, het toepassen van de vergewisplicht, het hanteren van duidelijke contractvoorwaarden en het inzetten van civiel- en bestuursrechtelijke mogelijkheden. Deze procedures kunnen zonder afhankelijkheid van de inzet van het strafrecht worden ingezet en leveren ook positieve resultaten, zoals het terugvorderen van zorggelden.
Per 1 januari 2025 zijn partijen verplicht om vermoedens van fraude te melden bij Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ). IKZ heeft de wettelijke taak om op basis van de gemelde signalen trends en ontwikkelingen met betrekking tot zorgfraude te signaleren en daarover beleidsinformatie en statistische gegevens te ontwikkelen. Aan de hand van deze rapportages bezie ik wat nodig is om de aanpak van fraude verder te verstevigen.
Kunt u een overzicht geven van recente rechtszaken tegen zorgfraudeurs die wel en die niet tot vervolging en veroordeling hebben geleid? Welke inzichten levert dit overzicht op als het gaat om organisatie, wet- en regelgeving?
Het Ministerie van VWS houdt geen registratie bij van rechtszaken tegen zorgfraudeurs. Een overzicht van jurisprudentie over zorgfraude heb ik daarom niet voor handen.
Bent u het eens dat dit het zoveelste bericht is dat laat zien dat de hele zorgfraude-aanpak (ook breder dan wetgeving) ernstig tekortschiet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer een stevige en effectieve zorgfraudeaanpak verwachten? En in hoeverre betrekt u bij deze aanpak uw eerdere reactie op de voorstellen uit het Zevenpuntenplan tegen Zorgfraude van de VVD?2
De zaak waar dit artikel over gaat speelt voor 2020. Sindsdien is veel gebeurd om de aanpak van zorgfraude te verbeteren. Deze maatregelen noemde ik in de beantwoording van vraag 4. Ook is er door betrokkenen geleerd van deze casus. Zo heeft de gemeente Almelo de inkoopvoorwaarden aangescherpt naar aanleiding van deze zaak. Het is goed om te zien dat gemeenten veel leren van de casussen waarmee zij te maken krijgen en hun mogelijkheden aan de voorkant, zoals het inkoopproces, en inrichting van het toezicht daarop aanpassen en verbeteren. De afgelopen tijd is de inzet verder versterkt en wordt er goed samengewerkt met onder meer andere ministeries, uitvoeringsorganisaties, inspecties om het net rondom zorgfraudeurs te sluiten. In mijn brief van 31 maart jongstleden aan uw Kamer is deze inzet verder uiteengezet.4
Uw Kamer ontvangt in het najaar een brief over aanvullende maatregelen om malafide aanbieders uit de zorg te weren. Mijn reactie op het Zevenpuntenplan is onveranderd. Een aantal punten uit het plan wordt meegenomen, zoals uiteengezet in de eerdere beantwoording.
Bent u bekend met bovenvermeld artikel1 en wat is uw reactie hierop?
Ja. We vinden fraude en criminaliteit ernstig, onaanvaardbaar en deze moet worden tegengegaan.
Kunt u aangeven om welke aantallen mogelijk malafide jeugdzorgmedewerkers en jeugdigen (en het aantal (licht) verstandelijk beperkten daarbinnen) het gaat?
Dat is ons niet bekend. Jeugdigen, hun ouders en werkgevers die hiermee te maken hebben (gehad) wordt aangeraden om aangifte te doen, zodat het Openbaar Ministerie tot vervolging kan overgaan.
Waarom is er – gegeven de desastreuze gevolgen voor jongeren – vooralsnog niet voor gekozen alle 62.000 geregistreerden te controleren en enkel een steekproef uit te voeren? Op basis waarvan worden de 3.500 medewerkers geselecteerd? En hoe verhoudt deze controle zich tot de controle van professionals die op basis van een Erkenning Verworven Competenties (EVC) geregistreerd staan, zoals aangegeven in de brief van 31 maart 2025?2
Naar aanleiding van signalen van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) over fraude met EVC-certificaten heeft de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) op 8 november 2024, na overleg met het Ministerie van VWS, besloten om tijdelijk alle lopende aanvragen voor registratie in het register op basis van een EVC-certificaat op te schorten, dat zijn er momenteel 490. Professionals met deze lopende registratie-aanvragen wordt op korte termijn gevraagd om hun complete EVC-portfolio in te dienen en aan te tonen dat zij een geaccrediteerd praktijkprogramma hebben doorlopen of dit nog in hun eerste registratiejaar gaan doorlopen. De SKJ start vervolgens met het beoordelen van deze aanvragen.
Naast lopende aanvragen zijn er onder de 62.000 geregistreerden ongeveer 3500 professionals die afgelopen jaren door de SKJ geregistreerd zijn op basis van een EVC-certificaat. SKJ wil op termijn alle dossiers van professionals die op basis van een EVC geregistreerd staan onderzoeken op rechtmatigheid. 3500 dossiers onderzoeken is een enorme operatie voor de SKJ. Daarom is de SKJ gestart met een steekproef van 274 dossiers om op basis daarvan de inhoud en het tempo van het vervolg te kunnen bepalen. Het onderzoek van de 274 dossiers is nog niet afgerond. SKJ kan nog niet vooruitlopen op de uitkomsten. Daarnaast heeft de SKJ aanvullende maatregelen genomen en haar registratiereglement aangepast. Professionals die na 1 maart 2025 starten met een EVC-traject zijn voortaan verplicht om bij de SKJ een scholingsadvies aan te vragen voor het starten met een EVC-traject.
Deze maatregelen moeten er gezamenlijk toe leiden dat fraude via deze route wordt tegengegaan en dat de betrouwbaarheid en kwaliteit van professionals uit het Kwaliteitsregister Jeugd geborgd blijft.
Klopt het dat er tevens sprake is van fraude met bijscholingspunten en zo ja, hoe is het toezicht hierop geregeld? Zal hier nader onderzoek naar worden verricht en zo nee, waarom niet?
Voor herregistratie na vijf jaar in het register moet een professional aan drie eisen voldoen. Het gaat om voldoende contacturen, uren aan reflectie en uren aan deskundigheidsbevordering. De laatste eis betreft de bij- en nascholing die worden geregistreerd als punten. Alleen door de SKJ, de Nederlandse Vereniging van pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) of het Nederlandse Instituut van Psychologen (NIP) geaccrediteerde of geaccepteerde na/bijscholingen zijn geldig. De SKJ heeft een accreditatiecommissie die scholingen voor maximaal 3 jaar accrediteert. De accreditatiecommissie is bevoegd om scholingsaanbieders aan visitatie te onderwerpen wanneer er sprake is van twijfel over de kwaliteit/betrouwbaarheid van de opleider of opleiding. Accreditatie kan beëindigd worden wanneer daar gegronde redenen voor bestaan. De SKJ heeft naar aanleiding van het signaal uit het artikel, intern onderzocht of dit signaal bekend was. De SKJ geeft aan dat zij tot op heden geen signalen van fraude met scholingspunten heeft ontvangen.
Kunt u aangeven hoe het toezicht op de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) geregeld is en wat de consequenties zijn (behalve dat ze uit het register van SKJ worden geschrapt) voor de personen die frauduleus waren/zijn geregistreerd en wat de consequenties voor SKJ zelf zijn?
Er is momenteel een nauwe samenwerking tussen de SKJ, IGJ, Jeugdzorg Nederland, beroepsverenigingen en andere sociale partners uit het jeugddomein. Er zijn al diverse maatregelen genomen om het register op te schonen. Zo worden dossiers op basis van EVC-registratie op rechtmatigheid gecontroleerd. Daarnaast worden maatregelen voor de toekomst getroffen, waarbij strengere eisen worden gesteld aan nieuwe aanvragen.
De problematiek van fraude en zware georganiseerde criminaliteit speelt niet alleen bij Jeugd, maar op meer plekken in het zorgdomein. Samenwerking tussen partijen is essentieel voor het tegengaan van zorgfraude. Zo is per 1 januari de stichting Informatieknooppunt zorgfraude (IKZ) gestart. Deze maakt gegevensdeling tussen betrokken instanties mogelijk, waardoor fraude beter wordt aangepakt. Om het probleem bij de bron aan te pakken, heeft de Minister van OCW onderwijsinstellingen geadviseerd om terughoudend te zijn bij het verzilveren van EVC-bewijzen. In de brief van 31 maart jl. door de Minister van VWS en OCW, mede namens het Ministerie van JenV en SZW, is de gehele fraudeaanpak aan Uw kamer toegelicht.
De doorgehaalde professionals beschikken niet langer over een SKJ-registratie en mogen daarom niet worden ingezet op taken binnen de jeugdzorg waarvoor een SKJ-geregistreerde professional nodig is. De SKJ onderzoekt de mogelijkheid om aangifte tegen bepaalde EVC-bureaus en individuele professionals te doen. De IGJ is hier ook over in overleg met het Openbaar Ministerie. Daarnaast is de IGJ, als één van de vaste samenwerkingspartners, deelnemer van de fenomeentafel «Valse diploma’s en EVC’s», georganiseerd door de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude.
Bent u het ermee eens dat het ronselen van kwetsbare jongeren voor criminele activiteiten haaks staat op de aanbeveling «Zorg dat dienstverleners mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) (tijdig) herkennen, en weten hoe ze vervolgens effectief kunnen communiceren en handelen» uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek mensen met een Licht Verstandelijke Beperking?3 Zo ja, op welke manier wordt deze aanbeveling opgevolgd en ziet u hierin verbetermogelijkheden? Welke concrete stappen bent u van plan te zetten om kwetsbare jongeren te beschermen tegen de praktijken die worden genoemd in het artikel? En kunt u hiervoor een tijdspad schetsen?
In de situatie die wordt beschreven in het artikel, dat ons niet op casusniveau bekend is, lijkt niet zozeer sprake van een gebrek aan herkenning van de LVB, maar dat jongeren met een LVB kwetsbaarder zijn om slachtoffer te worden van criminele uitbuiting en dat criminelen graag gebruik maken van jongeren in een kwetsbare positie.
Verschillende departementen hebben opvolging gegeven aan de aanbevelingen uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek mensen met een Licht Verstandelijke Beperking (IBO LVB). Zo heeft het Landelijk Kenniscentrum LVB op verzoek van VWS in november 2024 een webinar georganiseerd over LVB in het veiligheidsdomein. Deze webinar was gericht op bewustwording van en kennis over LVB vergroten onder verschillende groepen professionals.
Om de aantrekkingskracht van het snelle geld en het aflossen van (criminele)schulden tegen te gaan, zet het kabinet in op het vergroten van de weerbaarheid van deze jongeren, hun ouders en hun sociale leefomgeving. Dit doet het via het programma Preventie met Gezag (PmG), dat in 47 gemeenten inzet op het voorkomen dat jongeren in aanraking komen met (georganiseerde en ondermijnende) criminaliteit, daarin afglijden of doorgroeien. PmG is een lerende aanpak, waarbij het streven is om de geleerde lessen te delen met de rest van Nederland.
Jongeren die geronseld worden voor de criminaliteit en/of slachtoffer zijn van criminele uitbuiting kunnen zich melden bij het online hulpportaal Keerpunt. Keerpunt biedt een veilige en laagdrempelige plek, waar jongeren vertrouwelijk kunnen praten over hun situatie in de beveiligde chatomgeving van Chat met Fier. Deze jongeren worden begeleid naar passende hulporganisaties of opsporingsinstanties in de regio. Keerpunt doet aan proactieve online outreach op social media waarbij actief (potentiële) slachtoffers worden benaderd. Het portaal is ontwikkeld door Fier, het Centrum tegen Kinder- en Mensenhandel en Spine, met financiële middelen van het PmG.
Bent u het ermee eens dat dit zoveelste bericht over de vermenging van zorg- en diplomafraude met criminele activiteiten en netwerken laat zien dat de zorgfraude-aanpak ernstig tekortschiet ten koste van kwetsbaren? Zo ja, bent u bereid de fraude-aanpak te verstevigen en op welke termijn informeert u de Kamer hierover?
Fraude in de zorg moet stevig worden aangepakt. Dit doet de Minister van VWS op verschillende manieren en waar nodig in samenwerking met andere ministeries. De afgelopen tijd heeft de Minister ingezet op nieuwe wetgeving, zoals de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz), deze wet is ingegaan op 1 januari 2025. Ook is per 1 januari 2025 de vergunningplicht van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) uitgebreid naar alle zorginstellingen, dus ook de kleine instellingen. Tevens ligt het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) bij u voor in de Kamer. De Wibz heeft primair tot doel het borgen van een integere bedrijfsvoering en het aanpakken van niet integere zorg- en jeugdhulpaanbieders. Bijvoorbeeld door het mogelijk maken van extra weigerings- en intrekkingsgronden aan de Wtza-vergunning. Daarnaast wordt ingezet op verschillende maatregelen, zoals de Proeftuinen aanpak zorgfraude, waarin werkwijzen worden ontwikkeld voor een betere selectie en screening van zorgaanbieders en de toepassing van de Wet Bibob.
De afgelopen tijd is de inzet verder versterkt en wordt er goed samengewerkt met o.a. andere ministeries, uitvoeringsorganisaties en inspecties om het net rondom zorgfraudeurs te sluiten. In de brief van Minister van VWS van 31 maart jl. aan uw Kamer is deze inzet verder uiteengezet.4 Daarnaast verkent de Minister aanvullende maatregelen om malafide aanbieders uit de zorg te weren, zoals aangegeven in de brief van 4 april jl.5 Bijvoorbeeld de actualisatie van de Wet marktordening gezondheidszorg, waardoor de Nederlandse Zorgautoriteit bestuursrechtelijk zal kunnen handhaven op niet-geleverde zorg. In de Verzamelwet gegevensverwerking VWS IV zal gegevensuitwisseling tussen de Sociale Verzekeringsbank en de verstrekkers van een persoonsgebonden budget (pgb) worden geharmoniseerd met de grondslagen in de Wmo 2015. Hierdoor komen signalen van misbruik en oneigenlijk gebruik van een pgb aan het licht. Uw Kamer wordt dit najaar nader geïnformeerd over deze maatregelen.
Bent u bekend met het bericht «Zorgverleners steeds vaker slachtoffer van agressie van patiënten én hun naasten. «Ik durfde niet meer voor de patiënt te zorgen»»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Herkent u de signalen van zorgverleners die steeds meer te maken krijgen met hevige vormen van verbale of fysieke agressie van patiënten of hun naasten? Herkent u ook de signalen dat agressie andere, ernstiger vormen aanneemt? Zo ja, wat doet u met deze signalen?
Agressie tegen zorgmedewerkers is nooit acceptabel. Helaas komt agressie wel voor en dat beschouw ik inderdaad als een groot probleem.
Via de werknemersenquête (WNE) van het programma Arbeidsmarkt in Zorg en Welzijn is voor de periode 2019–2024 bekend welk aandeel van de werknemers in de zorg jaarlijks te maken heeft met verschillende vormen van agressie en ongewenst gedrag door patiënten of cliënten en diens naasten. Er is in de resultaten van die enquête zichtbaar dat het aandeel werknemers dat te maken heeft gehad met verbale of fysieke agressie tussen het tweede kwartaal van 2019 en het vierde kwartaal van 2024 licht is afgenomen. Het aandeel werknemers dat te maken krijgt met bedreiging en intimidatie is ongeveer gelijk gebleven.
Echter, zoals gezegd, agressie is nooit acceptabel. Zorgverleners zouden hun werk altijd veilig moeten kunnen doen.
Hoe verloopt de uitvoering van het puntenplan van de VVD met maatregelen om agressie tegen zorgmedewerkers aan te pakken (ingediend tijdens het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid in de zorg d.d. 27 september 2023)? Hoe gaat u deze voorstellen verder uitvoeren en wat is daarvoor het tijdspad?
De meeste punten uit het puntenplan zijn inmiddels uitgevoerd of in uitvoering. Hier is onder andere tijdens het debat arbeidsmarktbeleid in de zorg op 6 maart 2024 op ingegaan. Ik zal hieronder ingaan op alle punten uit het puntenplan:
In hoeverre is de KNMG-richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst» bekend bij zorgverleners en biedt deze voldoende handvatten?
Voordat wordt ingegaan op bovenstaande vraag is het belangrijk om toe te lichten welke reikwijdte de KNMG-richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst» heeft. De KNMG-richtlijn is geschreven voor artsen. De richtlijn geeft invulling aan de wettelijke bepaling dat een hulpverlener een behandelingsovereenkomst niet kan opzeggen tenzij daarvoor «gewichtige redenen» zijn (art. 7:460 BW). De richtlijn geeft voorbeelden van «gewichtige redenen». Deze voorbeelden vloeien voort uit (de toelichting bij) de wet en uit uitspraken van (tucht)rechters over dit thema. Een voorbeeld van een gewichtige reden is zeer onheus of agressief gedrag van de patiënt. Daarnaast geeft de richtlijn aan welke zorgvuldigheidseisen artsen in acht moeten nemen als zij besluiten een behandelingsovereenkomst op te zeggen. Kort samengevat: de KNMG-richtlijn is de professionele norm voor artsen bij het beëindigen van een behandelingsovereenkomst. De KNMG-richtlijn geldt in principe niet voor andere zorgverleners. Wel is het mogelijk dat als andere beroepsgroepen geen «eigen» normen voor hun achterban hebben vastgesteld, de KNMG-richtlijn als maatstaf wordt gebruikt door bijvoorbeeld de tuchtrechter. Dat is in het verleden bijvoorbeeld gebeurd bij gz-psychologen die een tuchtklacht hadden gekregen vanwege het beëindigen van de behandelingsovereenkomst (inmiddels hebben de gz-psychologen overigens hun eigen normen).
Navraag bij de KNMG leert dat zij ervan uitgaat dat de Richtlijn «Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst», net als haar overige richtlijnen, codes en handreikingen, goed bekend is bij haar achterban (artsen en geneeskundestudenten). Daarbij wijst zij er ook op dat artsen kennis behoren te nemen van de professionele normen die voor hun beroepsuitoefening relevant zijn. Wat betreft de handvatten die de KNMG-richtlijn biedt, geeft zij aan dat er geen recent onderzoek is gedaan naar de ervaringen met de richtlijn in de praktijk. Of de handvatten in de KNMG-richtlijn op dit moment door haar achterban als voldoende worden ervaren, kan zij dus niet zo zeggen.
De KNMG weet en begrijpt dat artsen het opzeggen van een behandelingsovereenkomst vaak complex vinden, zeker als sprake is van zeer onheus of agressief gedrag. Daarbij komt dat de vraag of sprake is van een «gewichtige reden» afhangt van de omstandigheden van het geval, en dat die vrijwel nooit identiek zijn aan de voorbeelden die in de richtlijn worden besproken. Goed om hierbij te vermelden is dat het opzeggen van een behandelingsovereenkomst vanwege zeer onheus of agressief gedrag een belangrijk punt van aandacht is in het door het Ministerie van VWS gesubsidieerde project Zorgveilig van de KNMG. Zo is de KNMG-richtlijn meegenomen in de juridische analyse, die onderdeel is van het project Zorgveilig. Mocht uit dat project blijken dat aanvullende handvatten nodig zijn, dan zal dat worden meegenomen bij een volgende herziening van de KNMG-richtlijn.
Wat is de stand van zaken omtrent de uitvoering van de motie van de leden Van den Hil en Agema over een verplicht anti-agressieprogramma voor mensen die agressief gedrag tegen zorgmedewerkers vertonen en de motie Agema c.s. over minimaal een gevangenisstraf voor daders van agressie tegen zorgpersoneel?2 3
Deze motie is overgedragen aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De motie is onlangs afgedaan in een brief bij de aanbieding van de evaluatie van de Eenduidige Landelijke Afspraken aan de Kamer4.
Klopt het dat ziekenhuizen elkaar door privacywetgeving niet mogen informeren over incidenten? Welk onderdeel van de privacywetgeving weerhoudt dit en bent u bereid te kijken naar mogelijkheden om dit wel mogelijk te maken? Zo nee, hoe kunnen ziekenhuizen dan voorkomen dat wangedrag zich verplaatst naar andere ziekenhuizen?
De antwoorden op deze vragen behoeven een genuanceerde uitleg. Niet alleen Europese privacywetgeving speelt een rol, maar ook Nederlandse wetgeving. Om gegevens van een patiënt te mogen delen, dient op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vastgesteld te worden of er een grond is voor een uitzondering op het beroepsgeheim in het geval dat een zorgverlener over wil gaan tot het verstrekken van gegevens over een patiënt. Bijvoorbeeld als gesteld kan worden dat sprake is van een serieuze dreiging. Dit is in lijn met de KNMG-richtlijn die in vraag 4 wordt beschreven. Dat zou betekenen dat sprake dient te zijn van een concrete bedreiging van in dit geval een zorgverlener in een ander ziekenhuis. In de praktijk zal het ingewikkeld zijn om aan te tonen dat de patiënt die agressief gedrag vertoont jegens een zorgverlener in ziekenhuis A, ditzelfde gedrag ook jegens een zorgverlener in ziekenhuis B zal vertonen. Bovendien moet op voorhand al worden gespecificeerd in wiens vitale belang de persoonsgegevens van de patiënt worden verstrekt.
Ook heeft een zorgverlener, die onder de Wet BIG valt, een geheimhoudingsplicht. Daarnaast heeft de zorgverlener een medisch beroepsgeheim op het moment dat sprake is van een behandelrelatie tussen de zorgverlener en de patiënt op grond van de WGBO. Aan anderen dan de patiënt zelf mogen geen inlichtingen over de patiënt, dan wel inzage in of afschrift van de gegevens uit het dossier worden gegeven, tenzij de patiënt hiervoor toestemming geeft.
Het medisch beroepsgeheim kan in een beperkt aantal gevallen doorbroken worden, bijvoorbeeld bij conflict van plichten. De arts moet hierbij afwegen of de zwijgplicht mag worden doorbroken in verband met een ander belang, namelijk het voorkomen van mogelijk ernstige schade voor de patiënt of een ander. Bij acuut gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of dood van een volwassene, mag het medisch beroepsgeheim worden doorbroken. De arts dient deze afweging zelfstandig te maken. Over een eventueel conflict van plichten wordt dus niet lichtzinnig gedacht en doorbreking van het medisch beroepsgeheim kan alleen plaatsvinden bij een concrete dreiging van ernstig gevaar.
Uiteindelijk dient in iedere situatie een belangenafweging te worden gemaakt tussen het recht op privacy van de patiënt en het belang van de zorgverlener bij wie deze patiënt onder behandeling komt. Het beroepsgeheim heeft een belangrijke positie binnen onze samenleving. Ook het recht op privacy is met de jaren juist aangescherpt en op Europees niveau vastgelegd in de AVG.
Het beroepsgeheim en het daarin impliciet opgenomen recht op privacy is van grote waarde voor de bescherming van patiënten. Echter, dit neemt niet weg dat agressie tegen medewerkers in zorg en welzijn onacceptabel is. Daarom besteed ik hier op verschillende manieren aandacht aan en blijft het ook voor werkgevers van belang om een duidelijk beleid voeren en melding of aangifte te doen na een incident. Door aangifte te doen maakt de sector duidelijk dat agressie niet wordt getolereerd in zorg en welzijn.
Bent u het eens met de trainer uit het artikel dat verhalen over agressie in de zorg niet helpen in de werving van nieuw personeel? Hoe neemt u dit mee in uw plannen omtrent de aanpak van het arbeidsmarkttekort?
Het is van belang te onderstrepen dat berichtgeving in de media soms een onevenwichtig beeld kan schetsen. Het betreffende artikel belicht slechts één aspect van het werk in zorg en welzijn. Het is daarom van belang dit te plaatsen in perspectief van de bredere ervaringen binnen de sector. De recente Werknemersenquête (WNE) van het programma Arbeidsmarkt in Zorg en Welzijn laat immers zien dat een aanzienlijke meerderheid van de medewerkers, te weten 79%, tevreden is met hun werkzaamheden. En het percentage medewerkers dat de sector uitstroomt ligt lager dan in de meeste andere sectoren: 11% in de sector zorg en welzijn, terwijl het gemiddelde in de economie 21% is (derde kwartaal 2023).
Niettemin wil ik benadrukken dat agressie tegen medewerkers in de zorg en welzijn een onacceptabele realiteit is die serieuze aandacht verdient. Daarom wordt actief ingezet op onder andere het vergroten van het bewustzijn rond dit probleem middels de bewustwordingscampagne tegen agressie die op de zorgtop gelanceerd is.
Ten aanzien van de aanpak van het arbeidsmarkttekort is de primaire focus op dit moment gericht op het verminderen van de administratieve lasten in de zorgsector, op het bevorderen van de juiste inzet van medewerkers en op het versterken van vakmanschap en werkplezier binnen de sector.
De beantwoording van schriftelijke vragen over de uitzending van de Oranjezondag van 9 maart (Kamerstuk 2025Z05070) |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Wat is de reden dat de drie sportbonden voor bodybuilding niet zijn aangesloten bij NOC*NSF? Is bekend welke overwegingen sportbonden maken om zich al dan niet aan te sluiten bij NOC*NSF? En welke voordelen heeft het om als sportbond niet aangesloten te zijn bij deze koepel?1
Sportorganisaties maken zelf een afweging of zij een lidmaatschap van NOC*NSF willen nastreven of niet. De voordelen van een lidmaatschap van NOC*NSF zijn dat gebruik gemaakt kan worden van collectieve voorzieningen en eventuele financiering die beschikbaar is via NOC*NSF. Daarnaast kan samen opgetrokken worden bij ontwikkelingen die individuele sporten overstijgen. Deze drie sportorganisaties geven aan dat zij als nadelen van een NOC*NSF-lidmaatschap zien dat het ten koste zou gaan van hun zelfstandigheid, dat zij niet meer hun eigen afwegingen kunnen maken en een eigen koers kunnen bepalen ten aanzien van bijvoorbeeld dit onderwerp. En er moet een contributie worden betaald aan NOC*NSF.
Hoeveel leden hebben de drie sportbonden voor bodybuilding, elk afzonderlijk en gezamenlijk? Hoe groot is de organisatiegraad binnen deze sport?
De drie organisaties die actief zijn in het Nederlandse bodybuilden zijn de Nederlandse tak van IFNB (International Federation for Natural Body-Building), de Nederlandse tak van IFBB (International Federation of Body-Building), en NPC-Worldwide. IFNB-NL, een organisatie waarbij zich sporters aansluiten die de sport bewust dopingvrij («naturel») willen beoefenen, heeft momenteel 115 actieve leden. IFBB-NL werkt in plaats van lidmaatschap met licenties, en schat dat er zo’n 100 licentiehouders via hen actief zijn. NPC-Worldwide schat in dat zij in Nederland zo’n 2.000 leden hebben.
Het is niet bekend hoeveel mensen in Nederland in totaal, structureel of incidenteel, en op amateurniveau of als topsport, aan bodybuilding doen. Daarmee kan ik geen uitspraak doen over de organisatiegraad binnen deze sport.
Is er toezicht mogelijk op de WADA-dopinglijst als een sportorganisatie het Nationaal Dopingreglement niet heeft opgenomen in de eigen reglementen? Deelt u de mening dat het vreemd is dat een sportorganisatie zich dan zo kan onttrekken aan algemene afspraken over doping- en middelengebruik? Op welke manieren is het alsnog mogelijk om toezicht op de WADA-dopinglijst te faciliteren? In hoeverre worden die toegepast?
Zonder juridische basis is geen toezicht mogelijk op het gebruik van middelen die op de WADA-dopinglijst staan. In Nederland wordt die juridische basis gecreëerd doordat sportbonden het Nationaal Dopingreglement (laten) vaststellen als eigen reglement, waarmee deze regels bindend worden voor de sporters die bij deze bonden zijn aangesloten. Een alternatieve juridische basis kan gecreëerd worden door de regels in wetgeving op te nemen. Sommige landen hebben dat gedaan. Een dergelijke stap zou de in Nederland geldende autonomie van de sport aantasten, in die zin dat sportbonden dan geen verantwoordelijkheid meer hebben voor de vaststelling van de dopingregels die gelden in hun sport. Het Wereld Anti-Doping Agentschap adviseert bovendien tegen het opnemen van de inhoudelijke dopingregels in nationale wetgeving, onder meer omdat wijzigingen minder snel zouden kunnen worden doorgevoerd dan nu het geval is vanwege de parlementaire processen die moeten worden doorlopen. Ook kan minder goed geborgd worden dat regels tijdens die processen ongewijzigd blijven, wat nodig is om tussen internationale sporters een gelijk speelveld qua dopingregels te hebben. Alles afwegende vind ik wetgeving daarom geen wenselijke stap.
Hoe wordt ervoor gezorgd dat er een gezond en veilig sportklimaat is binnen de drie bonden voor bodybuilding als zij zich niet houden aan de richtlijnen van het Nationaal Dopingreglement? Hoe zetten die bonden zich in om wedstrijden veilig en gezond te houden?
De drie sportorganisaties zijn daar zelf voor verantwoordelijk. Zij vullen die verantwoordelijkheid in door te zorgen dat tijdens wedstrijden informatie voorhanden is over de effecten en risico’s van dopinggebruik, of faciliteren voorlichtingsbijeenkomsten (IFBB-NL). Soms wordt die informatie door de Dopingautoriteit gepresenteerd, zoals op wedstrijden van IFNB-NL. Daarnaast worden er, op verschillende schaal, door twee van de drie sportorganisaties (IFNB-NL en NPC-Worldwide) ook dopingcontroles ingezet op wedstrijden om gebruik te identificeren. Bij IFNB-NL wordt daarbij de lijst met niet toegestane middelen van het Wereld Anti-Doping Agentschap gehanteerd en worden er ook strikte consequenties verbonden aan een positieve uitslag van een controle.
In hoeverre vindt u het wenselijk dat er sportwedstrijden georganiseerd worden door organisaties/bonden die niet het anti-dopingreglement hebben opgenomen in de eigen reglementen?
Natuurlijk vind ik dat onwenselijk. Daarom is er een subsidievoorwaarde voor sportsubsidies opgenomen dat er antidopingbeleid gevoerd wordt op een manier die aansluit bij het Nationaal Dopingreglement. Het staat eenieder echter vrij sportwedstrijden te organiseren, daaraan zijn op zichzelf geen specifieke voorwaarden verbonden. Zoals ik al aangaf vind ik het een verantwoordelijkheid van de sport om daarbij ook oog te hebben voor het welzijn van sporters en in het verlengde daarvan voor mogelijk dopinggebruik.
Deze drie organisaties ontvangen geen subsidies van VWS; er zijn de afgelopen jaren daartoe ook geen verzoeken gedaan door deze drie organisaties.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er sportwedstrijden in Nederland worden georganiseerd waarbij doping/anabolen worden gebruikt?
Zie antwoord vraag 5.
Krijgen deze drie sportbonden voor bodybuilding op enige manier subsidie van het Ministerie van VWS? Zo ja, op welke wijze en om hoeveel geld gaat het?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe wordt de Wet op de economische delicten gehandhaafd binnen de bodybuildingwereld als het gaat om het zonder vergunning produceren en afleveren van geneesmiddelen? Hoe wordt deze wet gehandhaafd met betrekking tot het bereiden, verkopen, afleveren, invoeren, verhandelen of ter aflevering in voorraad hebben van ongeregistreerde geneesmiddelen?
Anabole steroïden zijn geregistreerde geneesmiddelen. Het produceren en verhandelen van geneesmiddelen is geregeld in de Geneesmiddelenwet. De Geneesmiddelenwet verbiedt het produceren en verhandelen van geneesmiddelen zonder vergunning; dit is vervolgens strafbaar gesteld in de Wet op de economische delicten.
Het toezicht op naleving van de Geneesmiddelenwet is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De IGJ handhaaft de Geneesmiddelenwet in brede zin en hanteert geen specifieke aanpak voor de bodybuildingwereld.
De signalering en opsporing van handel in doping en de van toepassing zijnde wettelijke kaders worden in detail beschreven in het rapport Sterk Spul2, over de aard, omvang en ernst van handel in doping in Nederland, dat in 2020 aan uw Kamer is gezonden.
In hoeverre vindt er in Nederland opsporing en vervolging plaats naar mensen die zich schuldig maken aan de niet-gecertificeerde productie en/of handel in anabolen?
Zie antwoord vraag 8.
Is het de bedoeling dat het toezicht van doping straks onder het onafhankelijk integriteitscentrum gaat vallen? Zo ja, heeft de overheid hier dan een rol in en houdt zij dan toezicht, zoals overheden in meerdere landen om ons heen?
De verhouding tussen het toezicht op dopinggebruik en het onafhankelijk integriteitscentrum zal ik duiden bij het indienen van het wetsvoorstel dat dient ter oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum. Ik wil daar nu niet op vooruit lopen.
Ik ben op dit moment een internetconsultatie voor het conceptwetsvoorstel aan het voorbereiden. Het streven is het wetsvoorstel rond de zomer voor te leggen ter internetconsultatie.
Wat wordt er nu gedaan aan het tegengaan van doping/anabolengebruik bij wedstrijden en onder amateurs? Bent u bereid om meer te doen ter bevordering van een gezondere en veiligere sportomgeving voor bodybuilding, met name als het gaat om amateurwedstrijden? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover meer informatie ontvangen?
Voor de inzet van sportorganisaties bij bodybuilding wedstrijden en onder amateurs verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4.
In mijn beantwoording van eerdere schriftelijke vragen over dopinggebruik bij bodybuilding3 heb ik aangegeven dat ik, naar aanleiding van onderzoek naar middelengebruik in de kracht- en vechtsport, inzet op het goed informeren van sporters over de effecten en gezondheidsrisico’s van dopinggebruik.
De documentaire ‘Crowdfunding: vloek of zegen?’ gemaakt door Omroep Gelderland |
|
Daniëlle Jansen (NSC), Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u ook gekeken naar de documentaire «Crowdfunding: vloek of zegen?» die gemaakt is door Omroep Gelderland en sinds half maart online te zien is?1
Ja.
Herkent u de gevoelens van geluk én van wanhoop die gedeeld worden door de MS-patiënte die genezen is respectievelijk door de patiënten die nog geen gebruik kunnen maken van stamceltherapie? En denkt u ook niet dat deze gevoelens leiden tot veel herkenning bij andere MS-patiënten? Herkent u dat patiënten naar het buitenland (willen) uitwijken voor een behandeling voor verbetering van hun kwaliteit van leven?
Ik voel zeer mee met de patiënten die aan het woord zijn gekomen tijdens deze documentaire, zowel het geluk als de wanhoop zijn zichtbaar. Ik kan me voorstellen dat er andere patiënten zijn in Nederland die zich herkennen in hun verhaal. De wens van deze patiënten en hun naasten om toegang te krijgen tot een behandeling die mogelijk de kwaliteit van leven kan verbeteren is zeer invoelbaar. Deze wens staat niet op zichzelf, maar wordt door zowel uw Kamer als door mijzelf gedeeld. Na een eerdere documentaire «Remco vs. Pharma» heeft uw Kamer, in de tijd dat ik daar zelf ook onderdeel van uitmaakte, ook schriftelijke vragen2 gesteld over de rol van stamceltherapie3 bij MS. Er is toen een mooie stap gezet: eind 2022 heeft het Zorginstituut Nederland (hierna: Zorginstituut) bepaald dat stamceltherapie voor een specifieke groep MS-patiënten beschikbaar en vergoed kan worden uit het basispakket. Een verdere uitleg over het gelopen proces daaromtrent en de evaluatie die het Zorginstituut nu uitvoert leest u in mijn beantwoording van vraag 3.
MS kent meerdere varianten, die allemaal helaas niet te genezen zijn. Behandelingen voor MS hebben tot doel het ziekteproces zo goed als mogelijk te vertragen. Het is aan de zorgprofessionals zelf om een maatstaf op te stellen wat de beste zorg is voor (groepen) MS-patiënten. Deze maatstaf kent zijn uitwerking in richtlijnen die door de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) en andere betrokken beroepsgroepen worden opgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat elke behandeling een gedegen wetenschappelijke onderbouwing kent. Een zorgprofessional dient vervolgens op grond van medisch criteria te beoordelen of een patiënt, gezien de medisch indicatie, in aanmerking komt voor een specifieke behandeling zoals stamceltherapie. Desalniettemin blijft het op voorhand niet altijd duidelijk of een dergelijke behandeling ook voor elke MS-patiënt daadwerkelijk effectief is. Stamceltherapie is immers een zware medische behandeling en kent ook risico’s voor de patiënt.
Ik wil graag ook stilstaan bij medische crowdfunding. Dit heeft namelijk, hoe begrijpelijk ook vanuit het perspectief van deze patiënten, ook problematische kanten. Crowdfunding wordt volgens het Centrum voor Ethiek en Gezondheid (CEG)4 relatief vaak ingezet bij wat het CEG niet-reguliere zorg noemt. Het gaat dan om behandelingen die niet in het basispakket van de zorgverzekering zijn opgenomen omdat de effectiviteit daarvan onvoldoende bewezen is voor de gestelde indicatie. Het kan hierbij gaan om alternatieve of experimentele behandelingen, die ook risico’s met zich mee brengen. Een keerzijde van crowdfunding is dat dergelijke niet-reguliere zorg meer wordt genormaliseerd en daarmee tot (te) hoge verwachtingen kan leiden bij patiënten.
Wat is de huidige status van het door één van uw voorgangers – aan u – gedane toezegging om nader onderzoek te laten doen in hoeverre stamceltherapie op een passende manier kan worden ingezet en wanneer wordt de website van het Zorginstituut daarover geupdatet?2
Een behandeling komt in aanmerking voor vergoeding vanuit de zorgverzekering, wanneer deze voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Vaak is zonder meer duidelijk of zorg uit het basispakket kan worden vergoed, maar niet altijd. Wanneer daar onduidelijkheid over is, voert het Zorginstituut een pakkettoets uit. Zoals ik eerder heb benoemd heeft in 2022 een dergelijke toets plaatsgevonden, dit op verzoek van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVN) en de MS Vereniging Nederland. Dit ging over de toepassing van stamceltherapie bij een groep patiënten met zeer actieve relapsing remitting multiple sclerose (RRMS), een van de varianten van MS. Bij deze groep hielpen andere middelen, zogenaamde hoog effectieve tweedelijns ziektemodulerende medicatie, onvoldoende. Het Zorginstituut heeft 13 december 2022 geconcludeerd dat stamceltherapie voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk voor deze specifieke patiëntengroep en dit gepubliceerd in een zogenaamd standpunt.6 Sindsdien wordt stamceltherapie bij deze indicatie vergoed. Voor andere vormen van MS is stamceltherapie niet geïndiceerd, omdat niet vaststaat dat stamceltherapie voor deze vormen van MS ook daadwerkelijk bewezen effectief is.
Het Zorginstituut heeft aan de betrokken beroeps- en patiëntenverenigingen gevraagd om een waarborgendocument bij dit standpunt op te stellen. In dit waarborgendocument staan kwaliteitsafspraken om passende zorg te garanderen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het afspraken over de indicatiestelling en centra die stamceltherapie bij de genoemde patiëntengroep mogen uitvoeren.7 Het Zorginstituut evalueert of de toepassing van stamceltherapie bij patiënten met zeer actieve RRMS loopt volgens deze afspraken. Daarnaast zal het Zorginstituut het aantal patiënten en de kosten monitoren. De evaluatie wordt in nauwe samenwerking met de beroepsgroep en patiëntenvertegenwoordigers uitgevoerd. De website van het Zorginstituut wordt geüpdatet zodra nieuwe informatie beschikbaar komt.8
Op basis van welke wetenschappelijke onderzoeksresultaten wordt stamceltherapie in andere landen wél toegepast, terwijl dat in Nederland slechts zeer beperkt gebeurt? Welk verschil ligt hieraan ten grondslag? Welke stappen in de wetenschappelijke ontwikkeling van stamceltherapie zouden er moeten worden gezet voordat deze behandeling volgens u geschikt is om aangeboden te worden aan patiënten met MS? En op welke termijn?
Het Zorginstituut heeft bij de beoordeling van stamceltherapie onder andere gekeken naar Nederlandse en internationale richtlijnen, standpunten en protocollen van internationale organisaties over stamceltherapie bij patiënten met zeer actieve RRMS. De meeste internationale richtlijnen zien actieve of zeer actieve RRMS als indicatie voor stamceltherapie. Het merendeel van deze richtlijnen vermeldt expliciet dat alleen patiënten die relapses hebben op hoog effectieve tweedelijns ziektemodulerende medicatie in aanmerking komen voor stamceltherapie. Er zijn enkele internationale standpunten die stamceltherapie nog als experimenteel of onvoldoende bewezen beschouwen. De gebruikte literatuur wordt uitgebreid beschreven in het standpunt. Voor een volledige weergave van de in de beoordeling meegenomen literatuur, (internationale) richtlijnen en standpunten verwijs ik u daarom naar het standpunt van het Zorginstituut. Indien toekomstige informatie daar aanleiding toe geeft, kan het Zorginstituut een herbeoordeling uitvoeren.
Is bekend hoeveel Nederlandse MS-patiënten naar het buitenland zijn gegaan om stamceltherapie te ondergaan? Zo ja, hoeveel zijn er dat? En hoeveel van hen zijn zo goed als genezen na deze therapie, zoals de patiënt in de documentaire? In hoeverre zijn dergelijke resultaten onderdeel van de evaluatie van het Zorginstituut?
Het is onbekend hoeveel MS-patiënten naar het buitenland zijn gegaan om stamceltherapie te ondergaan en hoeveel van hen zijn genezen na deze therapie. Dit vormt geen onderdeel van de evaluatie van het Zorginstituut, alleen de uitvoering van de in het waarborgendocument gemaakte afspraken zijn hier onderdeel van.
Is het Zorginstituut voornemens om opnieuw te toetsen bij welke patiënten met MS stamceltherapie in aanmerking komt voor vergoede zorg en zo ja, op welke termijn?
Het Zorginstituut volgt met belangstelling de wetenschappelijke publicaties over stamceltherapie. Indien informatie daar aanleiding toe geeft, kan het Zorginstituut een herbeoordeling uitvoeren.
Bent u het met de makers van de documentaire eens dat het voor veel MS-patiënten onduidelijk is of en hoe zij in aanmerking komen voor een stamceltherapie in Nederland en of deze vergoed wordt? Zo ja, bent u bereid hier meer duidelijkheid over te verschaffen en hoe?
Zie tevens mijn antwoord op vraag 2. Een arts bepaalt of een bepaalde medische behandeling voor de desbetreffende patiënt redelijkerwijs noodzakelijk is. Vervolgens nemen patiënt en arts samen een besluit welke behandeling het beste bij de patiënt past. Hierbij bespreekt de arts met de patiënt de medische opties, de voor- en nadelen en de gevolgen van de nadelen. Welke behandelingen mogelijk en passend zijn bij een bepaalde diagnose, zijn terug te vinden in de richtlijnen van de beroepsverenigingen van de medisch specialisten, zo ook bij MS . Deze medisch specialistische richtlijnen vormen het fundament onder het medisch handelen. Zij ondersteunen de klinische besluitvorming en dragen bij aan betere zorg en meer transparantie.
Behandelingen die voldoen aan de stand van de wetenschap en de praktijk worden vergoed uit het basispakket van de zorgverzekering. Als onduidelijk is of een bepaalde behandeling uit het basispakket vergoed moet worden, dan kan het Zorginstituut daarover een uitspraak doen. Het Zorginstituut kan dan besluiten om te toetsen of de zorg voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk.
Het bericht: ‘Meer seksueel grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners dan gedacht’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Meer seksueel grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners dan gedacht»?1
Ja.
Bent u geschrokken van de genoemde cijfers in de zorg? Deelt u de mening dat met zulke cijfers over seksueel wangedrag het basisvertrouwen in de zorg wordt aangetast? Zo nee, hoe duidt u deze cijfers dan?
Ja, seksueel grensoverschrijdend gedrag kan en mag niet geaccepteerd worden. Wij vinden de door Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) genoemde cijfers2 ernstig. Ze geven weer dat seksueel grensoverschrijdend gedrag helaas nog veel voorkomt, ook in de zorg. Het is voorstelbaar dat het vertrouwen in de zorg wordt aangetast wanneer mensen seksueel grensoverschrijdend gedrag meemaken in de zorg.
Onderschrijft u de uitspraak van de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) dat deze cijfers slechts «een hele voorzichtige schatting' zijn? Zo ja, wat zegt dat volgens u over de manier waarop er in de zorg wordt omgegaan met seksueel grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners? En wat zegt dat over de cultuur in (delen van) de zorg, waar patiënten sowieso afhankelijk zijn van zorgverleners?
Op bespreekbaar maken van seksueel grensoverschrijdend gedrag heerst helaas nog altijd een taboe. Slachtoffers ervaren een hoge drempel om te melden. Gevoelens van schaamte, schuld en angst liggen hier vaak aan ten grondslag. Daarbij is de pleger vaak een bekende, kan er sprake zijn van een afhankelijkheids- en/of hiërarchische relatie. Dit bevestigt de veronderstelling dat de meldingen die worden gedaan een voorzichtige schatting zijn.
De IGJ geeft aan dat het in elke sector voorkomt: in de zorgrelatie bestaat een risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag dat te lang niet gezien is. Het gevolg is dat er te weinig aan wordt gedaan, het slecht gesignaleerd wordt en cliënten een drempel ervaren zich te melden.
Hoe verklaart u de verschillen in meldings- en aangiftebereidheid tussen de zorgdomeinen zoals terug te zien is in de cijfers van de IGJ?2
Uit de publicatie van de IGJ blijkt dat er de afgelopen jaren een stijging was van het aantal meldingen, maar dat deze nu stabiliseert. Inderdaad is te zien dat het aantal meldingen verschilt per zorgdomein; wat de precieze verklaring hiervoor is, is onduidelijk.
Bij hoeveel meldpunten kunnen patiënten en zorgvragers seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg melden? Wat bent u bereid te doen om de drempel voor het doen van een melding te verlagen en de bekendheid van de meldpunten te vergroten?
Wanneer patiënten en zorgvragers te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg, kunnen zij dit op twee plekken melden: ze kunnen aangifte doen bij de politie en/of dit melden bij de zorgorganisatie. Binnen zorgorganisaties gelden meld-, klacht- en onderzoeksprocedures. De regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (zie antwoord op vraag 6) heeft een handreiking ontwikkeld voor organisaties om hen te helpen bij een cultuurverandering op de werkvloer om seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen en aan te pakken.
Bent u bereid om verantwoordelijkheid en initiatief te nemen om samen met zorgprofessionals en zorgaanbieders seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg te bestrijden? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
Ja, vanuit het kabinet loopt een meerjarig Nationaal Actieprogramma Aanpak Seksueel Grensoverschrijdend Gedrag, onder coördinatie van de Ministeries van OCW en SZW, in samenwerking met JenV en VWS. Voor de duur van het programma is een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld aangesteld. De regeringscommissaris zorgt voor het aanjagen van het maatschappelijk gesprek over dit thema. Daarnaast stimuleert zij verbeteringen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld binnen verschillende sectoren. Zoals de zorg. Op 5 juni organiseert zij een congres voor zorgprofessionals, branche- en beroepsverenigingen van verschillende zorgdomeinen. Op dit congres zal het zorgmanifest tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag ondertekend worden door de verenigingen. Het is belangrijk dat de organisaties uit de sector hun regierol pakken om de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag te versterken.
Daarnaast lopen er vanuit het Ministerie van VWS verschillende initiatieven in het voorkomen en tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg. Een voorbeeld hiervan is (de uitvoering van) beleidsvisie «intimiteit en seksualiteit voor mensen met een beperking»4, samen met de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN). Hierin is preventie van grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners ook een thema. Als onderdeel van de beleidsvisie verstevigen VWS en de VGN het Netwerk Seksualiteit Gehandicaptenzorg5, waarin professionals in de gehandicaptenzorg proactief kennis en ervaring uitwisselen over het thema (positieve) seksualiteit en preventie van grensoverschrijdend gedrag in de zorgrelatie. In aanvulling gaat de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg aan de slag met het bespreekbaar maken van grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg, zoals benoemd in de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda. De Staatssecretaris wil ervoor zorgen dat er voor cliënten toegankelijke en begrijpelijke informatie is over grensoverschrijdend gedrag. En zij werkt uit hoe deskundigheidsbevordering van zorg- en veiligheidsprofessionals over onder andere geweld en misbruik bij mensen met een beperking structureel kan worden versterkt.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met zorgaanbieders, zorgprofessionals en slachtoffers over het tegengaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg en samen met hen tot acties te komen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben desgewenst bereid om gesprek te gaan. Het zorgcongres op 5 juni is, zoals genoemd bij antwoord 6, bij uitstek een moment waarop zorgaanbieders en professionals met elkaar het gesprek voeren over goede inzet om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld te voorkomen en tegen te gaan in de zorg. Het is mooi dat het veld gezamenlijk in actie komt en stappen zetten in het tegengaan die aansluiten bij de specifieke zorgcontexten.
Waar ligt wat u betreft het zwaartepunt als het gaat om vervolging en sanctionering; in het tucht- of in het strafrecht? Hoe geeft u vervolging en sanctionering een plek in de aanpak tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag in de zorg?
Zorgaanbieders moeten seksueel grensoverschrijdend gedrag melden bij de inspectie. Wanneer sprake is van strafbare feiten kunnen zorgaanbieders of cliënten aangifte doen bij de politie.
In eerste instantie ligt de verantwoordelijkheid voor het doen van een melding bij de zorgsector. Dan gaat het om het doen van een melding bij de IGJ en/of aangifte bij de politie.
De IGJ houdt toezicht en kan ingrijpen binnen haar wettelijke bevoegdheden. Het inzetten van een tuchtrechtelijke maatregel is echter alleen mogelijk bij zorgverleners met een BIG- of een SKJ-registratie. In dat geval kan naast de IGJ de zorgaanbieder zelf ook een tuchtklacht indienen. Seksueel grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners komt ook voor in situaties waar de zorgverlener geen (BIG) registratie heeft en dan is het niet mogelijk om een tuchtklacht in te dienen.
Daarbij ziet de inspectie dat in ruim 70% van de meldingen die zij ontving dat de zorgaanbieder of melder geen aangifte heeft gedaan bij de politie. Zorgaanbieders doen minder vaak aangifte dan meldende cliënten.
Bovenstaande laat zien dat de focus in de aanpak niet alleen moet liggen op vervolging en sanctionering, maar dat meer nodig is in de preventieve aanpak: onder andere in het bewustzijn van de mogelijkheden die er zijn in vervolging en wat de toegevoegde waarde daarvan is.
Is al eens uitgezocht of en hoe er een correlatie is tussen seksueel grensoverschrijdend gedrag, diplomafraude, valse VOG's en fraude? Zo ja, wat zijn daarvan de inzichten? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te laten doen?
Er is geen onderzoek gedaan naar de correlatie, omdat hiertoe geen aanleiding is. Uit de analyse van de IGJ blijkt dat seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt gepleegd door zowel mensen met een BIG en SKJ registratie, als mensen zonder registratie maar met de benodigde papieren en certificaten.
Welke acties zijn de afgelopen jaren ondernomen vanuit het Ministerie van VWS om seksueel wangedrag te voorkomen en te bestrijden? Bent u bereid om te komen met een (verstevigd) actieplan op basis van de input vanuit onder andere de IGJ?3 Zo ja, kunt u de Kamer voor de zomer van dit jaar hierover informeren?
Sinds 2023 is het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld gestart. Op 15 april jl. is de Kamer via een voortgangsbrief7 geïnformeerd over de voortgang van dit actieprogramma. Hierin is inzichtelijk gemaakt wat de inzet vanuit VWS op dit terrein is. De bevindingen uit de rapportage van IGJ worden meegenomen in het lopend beleid. Over de voortgang van het Nationaal Actieprogramma wordt u volgend voorjaar geïnformeerd.
De uitzending van de Oranjezondag van 9 maart 2025 |
|
Jacqueline van den Hil (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van de Oranjezondag van 9 maart 2025 gezien met daarin het verhaal van een Nederlandse bodybuilder over anabolengebruik?1
Ja, die uitzending heb ik gezien.
Had u ook de indruk dat werd gesuggereerd dat anabolengebruik genormaliseerd is in deze sportsector? Zo ja, weet u in hoeverre dit daadwerkelijk zo is bij wedstrijden in Nederland? Kunt u betrouwbare cijfers geven van de mate van anabolengebruik door sportbodybuilders en door amateurbodybuilders? Zo nee, waarom niet?
Ik kreeg ook de indruk dat anabolengebruik voor bodybuilders in wedstrijdverband genormaliseerd is. Of dat ook daadwerkelijk zo is, kan ik niet met zekerheid zeggen. Er is niet één, maar er zijn drie sportbonden voor bodybuilding in Nederland (waaronder één die zich toelegt op naturel bodybuilding, dat wil zeggen beoefening van de sport zonder prestatie bevorderende middelen). Deze organisaties vallen geen van allen onder sportkoepel NOC*NSF. Ook heeft geen van deze organisaties het Nationaal Dopingreglement, dat leidend is voor de Dopingautoriteit voor de uitvoering van het antidopingbeleid, opgenomen in de eigen reglementen.
Overigens wordt in de volksmond gesproken over anabolengebruik, maar in de praktijk gaat het over een palet aan middelen die de prestatie en het uiterlijk kunnen verbeteren. Daaronder horen onder andere androgene anabole steroïden, groeihormonen, schildklierhormonen, insuline, stimulantia en diuretica, die elk hun eigen effecten kunnen hebben op de gezondheid van de sporter.
Er is onderzoek gedaan naar middelengebruik in de kracht- en vechtsport in bredere zin; mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer daar in de loop van 2022 en 2023 over geïnformeerd.2 Er waren bodybuilders onder de respondenten van dit onderzoek, maar dat aantal was niet groot. Specifieke cijfers over het middelengebruik in bodybuilding heb ik daarom niet ter beschikking. De betrokken bonden herkennen echter de dynamiek die in deze onderzoeksrapporten werd geschetst als aanleiding voor sporters om middelen te gaan gebruiken: de natuurlijke progressie die met trainen geboekt wordt vlakt af, de sporter wil wèl progressie blijven boeken en anabole steroïden bieden op dat moment die mogelijkheid. Ik vermoed daarom dat het middelengebruik binnen het bodybuilden niet veel afwijkt van de mate van middelengebruik dat voor de kracht- en vechtsport in brede zin in de onderzoeken in 2022 en 2023 is gevonden. Als die aanname klopt, ligt het gebruik van prestatie bevorderende middelen in het bodybuilden hoog.
Klopt het dat anabolengebruik illegaal is, ook bij bodybuilding? Zo ja, wat vindt u ervan dat werd gesuggereerd dat het legaal en normaal is om anabole steroïden te gebruiken in deze vorm van sport?
Nee, dat klopt niet. De stelling dat het gebruik van anabole steroïden niet verboden is, is feitelijk juist. En dat het gebruik ervan in het bodybuilden genormaliseerd lijkt, lijkt mij helaas eveneens juist.
Voor een volledig beeld moet ik daarbij melden dat, vanwege de aanwezigheid van farmacologische stoffen, de meeste dopinggeduide middelen ook aan te merken zijn als geneesmiddelen en dus onder de Geneesmiddelenwet vallen. Daarin is, in tegenstelling tot het gebruik, onder meer de fabricage en de handel in geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning is afgegeven wèl verboden.
In de Wet op de economische delicten is het zonder vergunning produceren en afleveren van geneesmiddelen gekwalificeerd als economisch delict, net als het bereiden, verkopen, afleveren, invoeren, verhandelen of ter aflevering in voorraad hebben van ongeregistreerde geneesmiddelen.
Bent u van mening dat de controle en het toezicht op anabolengebruik bij bodybuildingcompetities in Nederland voldoende zijn? Zo ja, kunt u toelichten hoe en waarom?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 2 aangaf, is geen sprake van één sportbond in bodybuilding maar er zijn drie organisaties actief. Deze hebben allen het Nationaal Dopingreglement niet onderschreven, waardoor geen sprake is van voorlichting en/of toezicht door de Dopingautoriteit. Er is geen sprake van een gecoördineerde inzet op integriteit of toezicht op middelengebruik, omdat deze organisaties ieder zelf wedstrijden en competities organiseren. Er zou bij elk van de organisaties sprake zijn van tenminste enig toezicht, maar in welke mate is mij niet in detail bekend, al profileert één organisatie zich zoals gezegd op naturel bodybuilding.
Welke instantie is verantwoordelijk voor de integriteit van bodybuildingcompetities in Nederland? In hoeverre is deze instantie in staat en actief om deze integriteit te waarborgen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het van belang is om te voorkomen dat bodybuilders anabole steroïden gebruiken en gebruik krachtig te ontmoedigen? Deelt u de mening dat de sportscholen hierbij een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hebben? Zo ja, wat bent u bereid te doen om sportscholen hierop aan te spreken?
De dopingregels worden in Nederland gezien als onderdeel van het tuchtrecht in de sport, en het is daarmee aan de sport zelf om die regels te stellen. In het bodybuilden is dat punt nog niet of nauwelijks bereikt. Ik vind het belangrijk dat sportorganisaties zich inzetten voor een «schone» beoefening van hun sport, maar vind het ook belangrijk dat daar draagvlak voor is. Om die reden moedig ik het stellen van dopingregels aan, maar dwing ik dat niet af.
Met dat als gegeven vind ik het van belang dat sporters weten wat de gezondheidseffecten van het gebruik van prestatie bevorderende middelen als anabole steroïden kunnen zijn wanneer zij overwegen die te gaan gebruiken. Daar wordt door de Dopingautoriteit, naar aanleiding van de eerder genoemde onderzoeken en met mijn financiële steun, op ingezet. De Dopingautoriteit heeft een programma3 waarin wetenschappelijk onderbouwde informatie over de gezondheidseffecten van het gebruik van prestatie bevorderende middelen wordt ontwikkeld, die vervolgens zowel via sportscholen als rechtstreeks de sporter moet gaan bereiken. Zo kunnen deze sporters, ook al zijn zij misschien niet aan dopingregels gebonden, in ieder geval een goed geïnformeerd besluit nemen over het gebruik van prestatie bevorderende middelen.
Het bericht 'Geen ‘kerst’, maar wel ramadan mét scheiding mannen en vrouwen bij overheidsorgaan' |
|
Bente Becker (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geen kerst maar wel Ramadan met scheiding van mannen en vrouwen bij overheidsorgaan»?1
Ja.
Klopt het dat het personeelsbeleid van het CAK dusdanig is dat de viering van kerst is omgezet in een winterglowfeest en binnenkort een iftar-maaltijd georganiseerd wordt met gescheiden gebedsruimtes voor mannen en vrouwen, waarbij de medewerkers wordt opgeroepen mee te doen aan vasten voor een dag?
Onder mijn ministerie vallen 12 zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) en in totaal 21 concernorganisaties. Zij melden mij niet bij welke feestdagen of andere momenten zij gedurende het jaar stil staan. Ik begrijp dat Iftars bij veel ministeries en concernorganisaties al geruime tijd plaatsvinden, ook reeds tijdens vorige kabinetten.
Ik heb navraag gedaan en het CAK heeft mij laten weten dat ze geen gescheiden gebedsruimtes aanbieden. Het klopt ook niet dat kerst bij het CAK is omgezet in winterglowfeest. Er werd het afgelopen jaar een kerstontbijt of -lunch georganiseerd. Het eindejaarsfeest van het CAK heet winterglow.
Deelt u de mening dat een overheidsorganisatie wordt geacht (religie-)neutraal te zijn en het dan ook niet past om eenzijdig de iftar te promoten? Deelt u de mening dat door het afschaffen van de oorspronkelijke kerstviering er op zijn minst de indruk wordt gewekt dat voor één specifieke religie ruimte wordt geboden en voor de ander niet? En deelt u de mening dat dat zeer ongepast is voor een organisatie die van belastinggeld wordt betaald?
Ik deel uw mening dat een overheidsorganisaties wordt geacht (religie-)neutraal te zijn. De kerstviering is echter niet afgeschaft bij het CAK. Er werd het afgelopen jaar een kerstontbijt of -lunch georganiseerd.
Kunt u zich voorstellen dat er medewerkers bij het CAK zijn die hebben aangegeven zich niet prettig te voelen bij deze gang van zaken? Wat zegt u tegen hen en waar kunnen zij terecht?
Medewerkers van het CAK kunnen terecht bij het management, de ondernemingsraad, collega’s, een intern meldpunt en vertrouwenspersonen.
Deelt u de mening dat het scheiden van mannen en vrouwen überhaupt niet past binnen een overheidsorganisatie?
Ja. Het CAK heeft mij laten weten dat ze geen gescheiden gebedsruimtes aanbieden.
Komt het aanbieden van gescheiden (gebeds)ruimtes op meer plekken voor binnen (evenementen van) het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) of organisaties die onder de financiering van het miniserie van VWS vallen? Als u dit niet weet, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Ik heb een inventarisatie uitgevoerd bij de grootste VWS-organisaties. Bij de meeste organisaties wordt gedurende het jaar aandacht besteed aan diverse feestdagen en/-of belangrijke momenten. Bij geen van deze organisaties en/-of activiteiten is sprake van gescheiden gebedsruimtes.
Is het juist dat het CAK momenteel jaarlijks 190 miljoen euro aan belastinggeld ontvangt voor het uitvoeren van wettelijke taken rond onder andere de langdurige zorg en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015?
In 2024 is circa € 150 miljoen euro door het CAK ontvangen. Dit bedrag betrof circa € 127 miljoen euro aan reguliere uitvoeringskosten voor wettelijke taken en 23 miljoen euro voor projecten en incidentele uitgaven.
Welke afspraken heeft u met het CAK gemaakt over zijn governance en personeelsbeleid? Hoe past de eenzijdige inzet op het vieren van de ramadan en het afschaffen van kerst binnen deze afspraken? Hoe kon het CAK inschatten dat dit voor u akkoord zou zijn?
De kerstviering is niet afgeschaft bij het CAK. Er werd het afgelopen jaar een kerstontbijt of -lunch georganiseerd.
Is het juist dat het CAK volgens de laatste kaderbrief nog moet werken aan betere dienstverlening voor klanten die zorg gebruiken en aan een doelmatiger besteding van belastinggeld? Hoe verhouden dergelijke religieuze programma’s zich tot deze opgave?
Er is geen sprake van religieuze programma’s bij het CAK. Het CAK werkt doorlopend aan het verbeteren van haar dienstverlening.2 Deze ontwikkelingen komen periodiek ter sprake in bestuurlijke gesprekken met het CAK. Ik zie dat de ingezette ontwikkelingen bij het CAK zijn vruchten afwerpen.
Bent u bereid op korte termijn in overleg te treden met het CAK om te waarborgen dat het een neutralere insteek kiest ten aanzien van personeelsbeleid en vieringen voor het personeel?
Naar aanleiding van het artikel in HP/DeTijd heb ik gesproken met de bestuurder van het CAK.
Bent u bereid deze vragen binnen een week te beantwoorden?
Om de vragen goed te kunnen beantwoorden zal ik mij houden aan de standaard beantwoordingstermijn van 3 weken.
Ontwikkelingen en Europese samenwerking op het gebied van postcovid, mede n.a.v. het bericht ‘Postcovidklinieken boeken eerste resultaten’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de resultaten van de eerste drie postcovidklinieken, zoals beschreven in het artikel «postcovidklinieken boeken eerste resultaten»1, ten opzichte van de verwachtingen en doelstellingen die tevoren zijn gedeeld?
Ik ben verheugd dat alle inspanningen in het afgelopen jaar zich hebben uitbetaald en dat de post-COVID expertisecentra nu echt van start zijn gegaan om patiënten te zien. Dat de zoektocht naar een adequate diagnose en een effectieve behandeling bepaald niet gemakkelijk zou zijn, was bekend. Immers, anders zouden alle onderzoeken in binnen- en buitenland in de afgelopen jaren al iets hebben opgeleverd. Dat de artsen desalniettemin aangeven heel voorzichtig de eerste resultaten te boeken, met name waar het gaat over interventies die enige verlichting bieden bij de voornaamste klachten, stemt mij hoopvol.
Wat zijn de verwachtingen ten aanzien van het aantal postcovidpatiënten dat dit jaar nog terecht kan in de huidige drie derdelijnsklinieken? Wanneer gaan de volgende klinieken open en wat is de verwachting als het gaat om het aantal patiënten dat daar terecht kan?
Na de opening van de eerste drie post-COVID expertisecentra voor volwassenen in november 2024, zijn op 1 februari 2025 de drie centra voor kinderen opengegaan. De opzet van de expertisecentra is er niet op gericht om alle patiënten met post-COVID te zien, maar om kennis en expertise op te doen en om deze te delen. Op dit moment worden patiënten heel uitgebreid onderzocht, wat de zorg per patiënt relatief duur maakt. Voordat andere centra opengaan, wordt in de centra die reeds open zijn eerst geëvalueerd wat efficiënter kan zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van diagnostiek en behandeling.
De bedoeling is dus zo snel mogelijk kennis en expertise op te doen. Om die opbouw van kennis en expertise te versnellen, is het streven de komende maanden meer expertisecentra in academische centra te openen. Zo kunnen ook meer patiënten in de expertisecentra worden gezien, en wordt daarmee de landelijke dekking vergroot. In de daarop volgende fase vindt verspreiding naar de 1e en 2e lijn plaats, zodat de opgedane kennis kan worden gedeeld met algemene ziekenhuizen, huisartsen en andere zorgverleners, om de post-COVID-zorg juist dicht bij de patiënten te kunnen organiseren. Op die manier hebben uiteindelijk alle post-COVID patiënten hier baat bij.
In hoeverre staat ook verspreiding van kennis en behandelmogelijkheden naar algemene ziekenhuizen op het programma, bijvoorbeeld in de provincie Noord-Brabant waar de meeste patiënten lijken te wonen2? Wat gaat u doen om te zorgen dat postcovidpatiënten ook in de tweede en eerstelijn terecht kunnen voor behandeling?
Zoals hierboven beschreven, is het nadrukkelijk de bedoeling zo spoedig mogelijk kennis en expertise op te doen en deze te delen met algemene ziekenhuizen, huisartsen en andere zorgverleners, om de post-COVID-zorg juist dicht bij de patiënten te kunnen organiseren, waar ook patiënten in de provincie Noord-Brabant baat bij hebben. Deze verspreiding van kennis en behandelmogelijkheden naar de algemene ziekenhuizen en de huisartsen staat op het programma in fase 3, dat is de fase die aansluit op de uitbreiding naar de andere academische centra. In deze fase zal naar verwachting ook een beter beeld te geven zijn over welke vormen van diagnostiek en behandeling zinvol zijn, en welke niet.
In welke andere Europese landen zijn er soortgelijke expertisecentra als in Nederland? Welke leerpunten komen voort uit deze expertisecentra en welke geeft u mee aan de huidige en op korte termijn te starten postcovidklinieken in Nederland?
De Nederlandse post-COVID expertisecentra staan niet op zichzelf, maar maken deel uit van een breder internationaal netwerk. Er is op verschillende manieren contact met collega’s uit het buitenland, waarbij kennis en ervaringen actief worden uitgewisseld. Tegelijkertijd geldt, dat de centrale coördinatie van diagnostiek en behandeling, zoals deze plaatsvindt in de post-COVID expertisecentra in Nederland, uniek is in de wereld. Het Nederlandse model van de post-COVID expertisecentra heeft internationaal veel belangstelling gewekt. Onlangs werd het gepresenteerd tijdens een Long-COVID-congres in Barcelona, waar het als een unieke landelijke aanpak werd gezien. De resultaten, inzichten en ervaringen die in de expertisecentra worden opgedaan, zullen via dit soort congressen en andere internationale platforms, maar uiteraard ook via de internationale vakliteratuur, verder worden gedeeld.
Bij de opstart van de expertisecentra is uitgebreid gekeken naar zorgpaden in buitenlandse ziekenhuizen, wat waardevolle inzichten heeft opgeleverd voor het ontwikkelen van de Nederlandse aanpak. Ook nu blijven artsen en onderzoekers de internationale ontwikkelingen op de voet volgen. Via het Post-COVID Netwerk Nederland (PCNN) en wetenschappelijke literatuur worden bevindingen actief gedeeld met buitenlandse collega’s. Daarnaast zijn Nederlandse experts aanwezig op internationale symposia om de structuur en werkwijze van de expertisecentra toe te lichten.
Wat is de reden dat bij de recent geopende expertisecentra voor kinderen3 wederom is gekozen voor universitaire ziekenhuizen?
Het combineren van onderzoek en innovatieve patiëntzorg en het samenwerken in de regio zijn bij uitstek taken die passen bij een umc. Daarom zijn de umc’s door mijn ambtsvoorganger in april 2024 gevraagd om het voortouw te nemen bij de oprichting van de expertisecentra. Dat geldt voor zowel voor de centra voor volwassenen als voor de centra voor kinderen. Bovendien staan de kindercentra en de expertisecentra voor volwassenen in nauwe verbinding met elkaar en zijn ze deels ook in dezelfde umc’s ondergebracht.
Waar doelt u op als u aangeeft dat er «voor ouders en kinderen nu een sprankje hoop gloort»? Waar kunnen patiënten terecht die niet geselecteerd worden voor één van de centra?
Zoals hierboven aangegeven is niet voor iedereen plek in de centra. Post-COVID is een relatief nieuwe aandoening, en er is nog geen adequate diagnose en behandeling. Het onderzoek vergt zorgvuldigheid en dat kost helaas tijd. Ik hoop dat ook de ouders en kinderen, die nu niet in de centra terecht kunnen, steun ervaren uit het feit dat gespecialiseerde zorg nu echt van de grond komt, want iedere patiënt die gezien wordt in een expertisecentrum kan leiden tot nieuwe inzichten voor het verbeteren van zorg en behandeling voor álle patiënten. De bedoeling is dat deze opgebouwde kennis en expertise zo snel mogelijk zijn weg vindt naar de eerste en tweede lijn, waar alle patiënten terecht kunnen.
Post-COVID patiënten kunnen ondertussen wel gewoon gebruik maken van verschillende voorzieningen. Zij kunnen altijd terecht bij de huisarts en andere reguliere zorgaanbieders met hun klachten. Daarnaast kunnen mensen met post-COVID terecht bij de patiënten nazorgorganisatie C-support voor advies en ondersteuning op verschillende domeinen zoals het medische domein, werk en inkomen en het (psycho-)sociale domein. Ten slotte treden patiëntenorganisaties zoals PostCovid NL op als patiëntvertegenwoordiger, waarbij informatievoorziening en lotgenotencontact belangrijke elementen zijn.
Kunt u een update van het eerdere overzicht4 geven van (lopende en afgeronde) onderzoeken naar mogelijke diagnostiek van en effectieve behandelingen bij postcovid? Zijn er (gepubliceerde) onderzoeksresultaten beschikbaar en zo ja, kunt u deze met de Kamer delen? Kunt u eenzelfde overzicht geven van wetenschappelijke onderzoeken op Europees niveau?
Op dit moment legt het Instituut Verantwoord Medicijngebruik een laatste hand aan een update van een eerdere door hen en C-Support uitgevoerde inventarisatie naar de huidige kennis en het lopende onderzoek op het gebied van post-COVID. Dit doen zij in opdracht van ZonMw. In de inventarisatie worden de kenmerken en uitkomsten van beschikbare resultaten van klinische studies opgenomen. Dit geeft een overzichtelijk beeld van de laatste stand van zaken van de wetenschappelijke literatuur. De bijlagen bij de publicatie bieden een overzicht van zowel lopende klinische studies5 als de studies gefinancierd vanuit ZonMw en Stichting Long COVID. In een volgende stand van zakenbrief over post-COVID zal ik uw Kamer het rapport van het IVM doen toekomen.
Voor een overzicht van de toegekende onderzoeken binnen het ZonMw programma post-COVID, verwijs ik uw Kamer graag naar de website van ZonMw6. De studies die voortkomen uit de derde subsidieoproep binnen het Post-COVID ZonMw programma, getiteld «Post-COVID: van risicofactoren en preventie tot diagnostiek en behandeling», worden in de zomer van 2025 bekend.
Wat is de stand van zaken van het Europees expertisenetwerk postcovid? Heeft Nederland daarin een leidende rol, zoals bedoeld? Hoe werkt dit expertisenetwerk als het gaat om overleg, kennisontwikkeling en -uitwisseling? Wat heeft het netwerk opgeleverd en hoe verhoudt zich dat tot de Nederlandse resultaten?
Nederland investeert via ZonMw in wetenschappelijk onderzoek en in de nationale kennisinfrastructuur via het post-COVID Netwerk Nederland (PCNN). Zij nemen ook deel aan het «Network of Expertise on Long COVID» (NELC), dat in 2023 is opgericht door de Europese Commissie (DG SANTE) om de nationale expertise samen te brengen en de EU-brede respons op post-COVID te versterken. Binnen het NELC wordt informatie over Long COVID in verschillende EU landen verzameld en uitgewisseld. Het netwerk is zich nog aan het ontwikkelen en veel onderzoeken binnen het post-COVID programma en het NELC zijn net gestart. Hierdoor zullen resultaten nog even op zich laten wachten.
De WHO en OECD zijn op initiatief van de Europese Commissie (DG SANTE) gestart met een actieplan gericht op 7 acties die door het NELC zijn geformuleerd, te weten: het identificeren van hiaten in onderzoeksbehoeften; het trainen van gezondheidsprofessionals; het ontwikkelen van klinische richtlijnen; patiëntenparticipatie en -ondersteuning; onderzoek naar de socio-economische impact van Long COVID; verbeteren van de definitie van Long COVID en de mogelijkheden om toe te werken naar een surveillance systeem. Dit project loopt tot en met 2026. In aanvulling daarop is onlangs door de Europese Commissie ook de Open Stakeholder group gestart, met als doel om alle geïnteresseerde stakeholders de kans te geven met elkaar in gesprek te gaan op Europees niveau, om geïnformeerd te worden over wat er gebeurt in het EU-kader en op nationaal niveau.
Zoals hierboven beschreven maken ook de Nederlandse expertisecentra deel uit van een breder internationaal netwerk. Zo is er nauwe samenwerking met verschillende Europese groeperingen, maar ook buiten de Europese grenzen is er goed contact. Door deze continue kennisuitwisseling versterken we niet alleen de Nederlandse post-COVID zorg, maar dragen we ook bij aan een bredere internationale aanpak van deze complexe aandoening.
Is er naar uw mening voldoende Europese samenwerking als het gaat om postcovid? Zo nee, bent u dan bereid hier (alsnog) de leiding te nemen en de samenwerking te intensiveren? Wat is tot nu toe uw inzet geweest als het gaat om Europese samenwerking op het gebied van postcovid?
Zoals hierboven beschreven is er samenwerking op verschillende terreinen. VWS heeft partijen samengebracht om deel te nemen aan het NELC en één van de criteria bij de beoordeling van het PCNN en de andere subsidierondes van het post-COVID programma, was om verbinding te maken met lopend internationaal onderzoek en voort te bouwen op internationale initiatieven. In het PCNN wordt dan ook, waar mogelijk, verbinding gemaakt met internationale initiatieven. Zo wordt in samenwerking met de UK een internationale adaptieve platform trial geïnitieerd, waar naar verwachting in de toekomst meer Europese landen bij aan zullen sluiten. Daarnaast wordt binnen het PCNN ingezet op het harmoniseren en standaardiseren van dataverzameling, methoden en uitkomstmaten, zodat uitwisseling wordt bevorderd met internationale biobanken en andere initiatieven.
De paramedische zorg, o.a. naar aanleiding van het bericht ‘De paramedische zorg wankelt’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Herkent u de berichten over de niet-kostendekkende tarifering van paramedici, onder andere zoals opgetekend in het artikel in Arts en Auto «De paramedische zorg wankelt»?1
Ik herken de berichten over de niet-kostendekkende tarifering van de zorg geleverd door vrijgevestigde zelfstandige paramedische beroepsbeoefenaren. Deze signalen neem ik serieus.
In de paramedische zorgsectoren gelden vrije tarieven. Dat betekent dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) deze tarieven niet reguleert. Het is aan de zorgaanbieders en zorgverzekeraars om samen tot prijsafspraken te komen. Naar aanleiding van signalen en de motie van Kamerlid Krul (12 november 20242), heb ik de NZa gevraagd onderzoek te doen naar het functioneren van de paramedische zorgmarkten.
In hoeverre hebben het kostenonderzoek paramedische zorg van Gupta2 en het rapport over transparantie van tarieven paramedische zorg van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)3 geleid tot veranderingen in de (tarifering van) paramedische zorg? Welke stappen zijn sindsdien gezet?
De onderzoeken van Gupta en de NZa hebben tot verschillende stappen geleid. Zo wordt er bijvoorbeeld meer fysio- en oefentherapie vergoedt vanuit het basispakket voor patiënten met reumatoïde artritis en zijn er geen restricties meer op de zorg voor patiënten met chronic obstructive pulmonary disease (COPD). Ook start dit jaar een vijfjarig experiment om te onderzoeken of bundelbekostiging (een vergoeding per behandeltraject in plaats van per losse behandeling) voor COPD-zorg passende zorg meer stimuleert dan de huidige bekostiging. De NZa gebruikt daarnaast richtsnoeren om de transparantie van tarieven bij de contractering te verbeteren.
Ik heb de NZa gevraagd onderzoek te doen naar het functioneren van de markt van de paramedische sectoren. Uw Kamer wordt voor het Commissiedebat over het zorgverzekeringsstelsel op 19 juni a.s. geïnformeerd over een eerste analyse van de NZa met inzichten rondom het functioneren van de markt en de toegankelijkheid binnen de fysiotherapie.
Welke signalen krijgt u over de effecten van de handhaving van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA) in relatie tot de tarieven in de paramedische sector en de verwachting dat vele paramedische zorgprofessionals de (eerstelijns)zorg daardoor verlaten? Wat is uw reactie daarop?
Het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) geeft op zijn website aan dat er naar schatting 1.300 fysiotherapeuten werkzaam zijn als zzp’er5. Er waren 21.250 fysiotherapeuten werkzaam in de eerste lijn in 20236. Op dit moment heb ik geen concrete signalen ontvangen over de effecten van de wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA) en de verwachting dat vele paramedische professionals de (eerstelijns) zorg verlaten. Ook de NZa heeft geen concrete signalen ontvangen. De NZa heeft geen specifieke aandacht voor ZZP’ers, aangezien er ook andere vormen van arbeidsverhoudingen bestaan.
Herkent u de signalen die wij krijgen dat paramedische zorgprofessionals graag meewerken aan de transitie naar passende zorg, maar dat het huidige vergoedingensysteem deze transitie in de weg staat? Zo ja, welke signalen zijn daarin wat u betreft prominent? Wat doet u in reactie op deze signalen?
Paramedische zorgverleners spelen een belangrijke rol in de transitie naar passende zorg. Daarvoor is het nodig dat duidelijk is wat onder passende zorg wordt verstaan en dat de vergoeding daarop aansluit. De huidige systematiek bevat een behandelprikkel, wat remmend kan werken voor deze transitie. Daarom start dit jaar het experiment met bundelbekostiging voor COPD-zorg. Dat loopt vijf jaar en moet uitwijzen of deze bekostiging leidt tot betere, passende zorg. Daarnaast heeft Zorginstituut Nederland (ZIN) op verzoek van het Ministerie van VWS onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor een betere omschrijving van de aanspraak om de toegankelijkheid van eerstelijns fysio- en oefentherapie te kunnen bevorderen en bij te dragen aan passende zorg. Het advies verschijnt binnenkort.
Deelt u de mening dat het inzetten van digitale zorg en zorg op afstand, de eigen regie van de zorgvrager helpen vergroten en dat dit zeker in de paramedische zorg van grote toegevoegde waarde is? Zo ja, wat doet u momenteel om digitale zorg en zorg op afstand in de paramedie te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de mening dat digitale zorg en zorg op afstand kunnen bijdragen aan het versterken van de eigen regie van de zorgvrager. De inzet van digitale zorg is primair de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders, in samenspraak met zorgvragers en zorgverzekeraars. Ik ondersteun deze ontwikkeling vanuit het Ministerie van VWS met verschillende maatregelen, zoals:
Met deze en andere maatregelen wil ik bijdragen aan betere toegankelijkheid, effectiviteit en eigen regie in de paramedische zorg.
Wat is de reden dat de paramedische zorgsector nauwelijks wordt betrokken, laat staan mee kan praten, bij het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord? Bent u bereid de paramedische sector alsnog nauwer te betrekken bij deze akkoorden en de transitie naar passende zorg? Zo ja, wat doet u om dat voor elkaar te krijgen? Zo nee, waarom niet?
De paramedische zorgsectoren zijn geen formele onderhandelingspartner bij het IZA, maar zijn wel degelijk betrokken bij de inhoud en uitvoering ervan. Regelmatig worden alle zorgpartijen geïnformeerd en vinden gesprekken plaats om input op te halen.
Een belangrijk onderdeel van het IZA is het versterken van de eerstelijnszorg. De paramedische zorgsectoren hebben hierin een belangrijke rol. De partijen die de paramedische zorgsectoren vertegenwoordigen, het KNGF en het Paramedisch Platform Nederland (PPN), zijn daarom nauw betrokken bij de ontwikkeling en implementatie van de visie voor de versterking van de eerstelijnszorg en nemen deel aan de overleggen die hierover worden georganiseerd.
Op welke manier bent u bereid opvolging te geven aan de conclusie uit het Gupta-rapport dat grotere inzet van e-health een forse besparing kan opleveren, variërend van 4 miljoen euro (9%) bij diëtetiek tot 164 miljoen euro (11%) voor fysiotherapie?
Het Gupta-rapport laat zien dat een grotere inzet van e-health tot besparingen kan leiden voor de genoemde beroepsgroepen. Tegelijk blijkt uit het rapport ook dat succesvolle implementatie afhankelijk is van specifieke omstandigheden per beroepsgroep, zoals regelgeving, het bekostigingsmodel en de acceptatie door patiënten.
Om dit potentieel in de fysiotherapie beter te benutten, ondersteun ik deze ontwikkeling met diverse maatregelen. Deze zijn benoemd bij het antwoord op vraag 5.
Kunt u een overzicht geven van de kosten voor digitale zorgontwikkeling en dan met name de licentiekosten waarmee paramedische zorgaanbieders momenteel al te maken hebben en gaan krijgen? Herkent u dat in het vergoedingensysteem wel ruimte is voor digitale zorgontwikkeling voor huisartsen, medisch-specialisten en apothekers, maar niet voor paramedische zorgverleners? Zo nee, welke overeenkomsten en verschillen zijn er dan tussen de verschillende zorgverleners in de eerste- en tweedelijnszorg? Kunt u dat met cijfers toelichten?
Op dit moment beschik ik niet over een volledig overzicht van de kosten voor digitale zorgontwikkeling binnen de paramedische zorg, waaronder licentiekosten. Deze gegevens worden niet systematisch verzameld. Daarom kan ik ook geen onderbouwd cijfermatig onderscheid maken tussen paramedici en andere beroepsgroepen.
Wel zijn er verschillen tussen sectoren waar de tarieven (grotendeels) worden gereguleerd, zoals de huisartsenzorg, en sectoren waar dat (grotendeels) niet het geval is, zoals de paramedische zorg en de medisch-specialistische zorg. In sectoren waar de tarieven gereguleerd zijn, heeft de NZa de wettelijke taak om
ten minste redelijkerwijs kostendekkende tarieven vast te stellen. De kosten die in de voorliggende periode daadwerkelijk gemaakt zijn worden gemeten en gebruikt om de tarieven vast te stellen. Daaruit volgt dus ook meer directe informatie over de opbouw van de tarieven, zoals kostencomponenten als digitalisering.
Herkent u het aandachtspunt uit het Gupta-rapport dat de toename van verwachte ICT/licentiekosten niet op een passende manier wordt meegenomen in de vergoedingensystematieken? Zo ja, wat is uw reactie daarop?
De paramedische zorgsectoren kennen vrije prijsvorming. Dat betekent dat zorgaanbieders deze kosten zelf moeten inbrengen bij de contractonderhandelingen met zorgverzekeraars. De NZa heeft de prestaties voor paramedische zorg zo ingericht dat ruimte bestaat om dit soort kosten op te nemen in de prijsafspraken. Het is aan de zorgaanbieders en zorgverzekeraars om passende prijsafspraken te maken. Tegelijkertijd blijkt uit signalen dat dit niet altijd eenvoudig is. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1 voert de NZa een onderzoek uit naar het functioneren van de paramedische zorgmarkten.
Bent u bereid in kaart te brengen met rekenmodellen hoe hybride zorg wel arbeidsuren bespaart voor zorgprofessionals en regie voor zorgvragers en de effectiviteit van paramedische behandelingen vergroot, maar er voor de betrokken zorgverlener geen verlies van inkomsten plaatsvindt? Zo ja, kunnen deze rekenmodellen voor juni 2025 met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zijn geen rekenmodellen beschikbaar die in kaart brengen hoe hybride zorg bijdraagt aan arbeidsbesparing, regie voor de zorgvrager en behoud van inkomsten voor de zorgverlener. We verkennen mogelijkheden om hier meer inzicht in te krijgen.
Om de inzet van hybride zorg in de paramedische zorg te stimuleren werken we aan het op orde krijgen van de digitale basis, zoals gestandaardiseerde gegevensuitwisseling. Daarbij hoort ook het inzetten van online zorgmodules via de Persoonlijke Gezondheidsomgeving (PGO). Deze activiteiten vallen onder de eerdergenoemde subsidie aan paramedische beroepsgroepen.
Het bericht ‘Rechter doet uitspraak over mondkapjesmiljoenen van Sywert van Lienden' |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Wat is uw eerste reactie bij het lezen van het bericht «Rechter doet uitspraak over mondkapjesmiljoenen van Sywert van Lienden»?1
Het artikel geeft een weergave van een aantal gebeurtenissen die zich afspelen of hebben afgespeeld in de rechtszaak tegen RGA. Het is aan de rechter hoe hij deze gebeurtenissen kwalificeert. Op de dag van de publicatie van het artikel heeft de rechter uitspraak gedaan. Partijen hebben tot drie maanden na de uitspraak de gelegenheid om in hoger beroep te gaan. Daarna zal ik uw Kamer verder informeren voor zover dit mogelijk is gelet op de procespositie van de Staat.
Kunt u toelichten in hoeverre «kwaliteit» als één van de drie kerncriteria van het ministerie bij de inkoop van hulpmiddelen een rol heeft gehad in deze aanklacht van de Staat tegen Relief Goods Alliance (RGA)? Had het gebrek aan kwaliteit van de geleverde hulpmiddelen (mondkapjes) een even grote rol als de het vermeende «om-niet» handelen van RGA of speelde vooral dit laatste de hoofdrol in de aanklacht? Wat is daarvan de reden?
De kwaliteit van de mondkapjes speelt geen rol in de procedure tegen RGA. De Staat heeft RGA gedagvaard omdat hij van mening is dat de overeenkomsten met RGA kunnen worden vernietigd vanwege bedrog of dwaling en dat RGA en aan haar gelieerde (rechts)personen onrechtmatig jegens de Staat hebben gehandeld. Het standpunt van de Staat is dat zij in de veronderstelling verkeerde dat RGA bij het non-profit initiatief «Hulptroepen Alliantie» hoorde en wist niet dat de (rechts)personen achter RGA de overeenkomsten sloten met het oogmerk van persoonlijk gewin.
Kunt u een overzicht geven van de aantallen door de Staat bij RGA ingekochte hulpmiddelen, de betaalde kosten ervan en de mate waarin deze hulpmiddelen al dan niet aan de kwaliteitseisen voldeden en gebruikt zijn? Hoeveel van de geleverde mondkapjes voldeed niet aan de kwaliteitseisen en was dus ook niet bruikbaar? En welke kosten zijn dan ook als verspilling aan te merken?
De totale omvang van de twee RGA-orders van het LCH bedraagt € 100,8 miljoen. Het ging om 40 miljoen mondkapjes. Hoewel er bij aanvang verschillende vragen waren over de kwaliteit van de geleverde mondkampjes, is uiteindelijk door een zogeheten notified body vastgesteld dat de kwaliteit van de door RGA geleverde producten in orde was, zoals met de Kamer is gecommuniceerd.2
Deelt u de mening dat tijdens formele periodes van crisis, het logisch is dat de normaliter uitgebreide inkoop- en aanbestedingsprocedures tijdelijk versneld en minder zorgvuldig uitgevoerd moeten kunnen worden? Zo ja, deelt u de mening dat er gedurende een dergelijke crisisperiode «een versterkt juridisch regime tijdens crisistijd' zou moeten kunnen gelden, waarbij een – in onze woorden – crisisclausule onderdeel uitmaakt van inkoopovereenkomsten tussen de Staat en leveranciers, waarbij de Staat de koop achteraf ongedaan kan maken als niet aan de kwaliteits- of prijsvoorwaarden wordt voldaan? Zo nee, hoe voorkomt u dan verspilling van gemeenschapsgeld aan crisisgieren, mensen en bedrijfjes die een slaatje willen slaan uit crisisperiodes?
Ik deel uw standpunt dat het in tijden van crisis nodig kan zijn om inkoop- en aanbestedingsprocedures te versnellen. Hiervoor kan onder andere een beroep worden gedaan op de uitzonderingsclausule «dwingende spoed» in de aanbestedingswet. Dat betekent niet dat procedures onzorgvuldig uitgevoerd kunnen worden. Ook een beroep op dwingende spoed vraagt een gedegen juridische onderbouwing. Het is evident en ook logisch dat tijdens de covidpandemie snelheid soms ten koste is gegaan van de zorgvuldigheid. Desalniettemin heeft het ministerie al tijdens de crisis ingezet op het versterken van het financieel beheer en het structureel borgen hiervan in de organisatie. Hierover bent u in diverse voortgangsrapportages geïnformeerd. Verder zijn in principe op inkopen van het rijk de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden (ARIV), de Algemene rijksvoorwaarden voor het verstrekken van opdrachten tot het verrichten van diensten (ARVODI) of de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT) van toepassing. Al deze voorwaarden geven de mogelijkheid een overeenkomst te ontbinden als de opdrachtnemer of zijn producten en diensten tekort schieten. Ik ben van mening dat de ingezette versterking van het financieel beheer en het huidige instrumentarium voldoende handvatten geeft om bij een nieuwe crisis zo zorgvuldig mogelijk met algemene middelen om te gaan.
Bent u bereid een voorstel te doen van zo’n crisisclausule? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer daarover informatie verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
De ontwikkelingen rondom zelfstandige zorgprofessionals (zzp’ers in de zorg) onder andere zoals beschreven in het artikel van RTL ’In maand tijd ruim 4000 minder zzp’ers, vooral in de zorg’ |
|
Judith Tielen (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over het aantal zzp’ers in de zorg, onder andere in het RTL-artikel «In maand tijd ruim 4.000 minder zzp’ers, vooral in de zorg» en «In een maand tijd stopten ruim drieduizend zorg-zzp’ers» (Skipr)?1 2
Ja.
Welke definitie van «schijnzelfstandigheid» hanteert het Ministerie van VWS? Kunt u die definitie concreet beschrijven voor de praktijk van het dagelijks zorgwerk als het gaat om zorgprofessionals (incl. artsen) die werken in onder meer huisartsenzorg, medisch-specialistische zorg, paramedische zorg en langdurige zorg? En wat is de rol van «extern ondernemerschap» hierbij?
In algemene zin is van schijnzelfstandigheid sprake als iemand zich presenteert als zelfstandige, terwijl er volgens het arbeidsrecht sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Het gaat dus om de vraag of de arbeidsverhouding in kwestie voldoet aan de dwingendrechtelijke definitie van een arbeidsovereenkomst zoals opgenomen in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Dit geldt voor alle sectoren, dus ook ten aanzien van werkenden in de zorg en ongeacht in welke subsector of functie zij werken. Er is geen aparte VWS definitie van schijnzelfstandigheid.
De Hoge Raad heeft in de Deliveroo-uitspraak3 geoordeeld dat bij de beantwoording van de vraag of een bepaalde overeenkomst moet worden gezien als een arbeidsovereenkomst, alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien relevant zijn. Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen is tot stand gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Recent heeft de Hoge Raad op prejudiciële vragen over dit laatste gezichtspunt geantwoord dat dit niet als zodanig van ander gewicht is dan de andere gezichtspunten en op dezelfde wijze moet worden meegewogen.4 In het afwegingskader van de Belastingdienst dat is gebaseerd op wetgeving en jurisprudentie worden de Deliveroo-gezichtspunten nader beschreven.5
Per criterium bestaan indicaties en contra-indicaties voor werknemerschap, dan wel ondernemerschap. Enkele voorbeelden van indicaties van werknemerschap zijn dat iemand op vaste dagen/uren werkt, geen eigen bedrijfskleding draagt, maar dat van de aanbieder of geen eigen spullen zoals handschoenen en andere persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt maar die van de aanbieder. Zoals gezegd kan geen recht worden ontleend aan dergelijke losstaande indicaties; alle omstandigheden van het geval dienen immers in onderlinge samenhang bezien te worden om tot een arbeidsrechtelijk oordeel te kunnen komen.
Kunt u voorbeelden beschrijven van situaties waarbij volgens de VWS-definitie sprake is van schijnzelfstandigheid, en waar tegelijkertijd een modelovereenkomst voor is? Wat betekent dit voor de betrokkenen in de praktijk? En tot wanneer is een dergelijke situatie volgens u houdbaar?
Zoals benoemd onder 2 geldt de definitie van schijnzelfstandigheid in algemene zin, onafhankelijk om welke sector het gaat of in welke functie iemand werkt.
Daarnaast geldt dat we deze voorbeelden niet kunnen geven. Een modelovereenkomst betreft namelijk een schriftelijke overeenkomst over de wijze waarop partijen met elkaar werken. Of er vervolgens al dan niet sprake is van schijnzelfstandigheid, is afhankelijk van de wijze waarop er in de praktijk wordt gewerkt waarbij alle feiten en omstandigheden van belang zijn. Daarom hebben modelovereenkomsten een beperkte toegevoegde waarde voor de kwalificatie van individuele arbeidsrelaties voor de loonheffingen. Het aan de hand van een toetsing vooraf van (uitsluitend) de schriftelijke overeenkomsten zekerheid geven of sprake is van werken buiten dienstbetrekking, is moeilijk te verenigen met het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt dat alle omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld6. Zo gebruikte Deliveroo een algemene modelovereenkomst, maar oordeelde de rechter dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.7 Dit is de reden waarom het kabinet heeft besloten dat vanaf 6 september 2024 geen nieuwe modelovereenkomsten meer worden beoordeeld.8
Zoals in de Kamerbrief van 18 december 20249 opgenomen, worden naar aanleiding van de motie Van Oostenbruggen c.s.10 alle lopende, goedgekeurde modelovereenkomsten geëerbiedigd tot eind 2029. Dit betekent dat de modelovereenkomsten die op 6 september 2024 waren goedgekeurd en die voor eind 2029 zouden aflopen geldig blijven tot eind 2029. Een voorwaarde is uiteraard dat deze modelovereenkomsten voldoen aan wet- en regelgeving. Als dat niet meer het geval is, dan trekt de Belastingdienst de betreffende goedkeuring van de modelovereenkomst in. Ook nieuwe jurisprudentie kan aanleiding zijn een modelovereenkomst voor de toekomst in te trekken.
Verder kan de Belastingdienst een goedgekeurde modelovereenkomst intrekken als blijkt dat niet volgens de voorwaarden in de modelovereenkomst gewerkt wordt of kan worden. Daarbij neemt de Belastingdienst algemene beginselen van behoorlijk bestuur in aanmerking, hetgeen inhoudt dat hier een redelijke termijn voor gesteld wordt. Daarnaast biedt een goedgekeurde modelovereenkomst alleen zekerheid voor zover opdrachtgever en opdrachtnemer daadwerkelijk werken zoals is overeengekomen in de modelovereenkomst.
Welke signalen heeft u van deze beroepsgroepen/subsectoren gekregen naar aanleiding van het aantal stoppende zelfstandigen? Zijn dit positieve of kritische signalen? Wat doet u met deze signalen?
Tijdens het Commissiedebat van 19 december 2024, en in de brief van 17 december jl., hebben wij reeds aangegeven dat het gaan voldoen aan de wet- en regelgeving met betrekking tot de juiste inzet van zzp’ers inspanning vergt en een spannend moment kan zijn voor werkgevenden en werkenden. Daarbij hebben wij erkend dat het kan gebeuren dat er op bepaalde plekken (tijdelijk) gaten vallen doordat schijnzelfstandigen niet meer ingezet worden. Ook voor de opheffing van het handhavingsmoratorium was het soms al heel lastig om de roosters rond te krijgen; de uitstroom van medewerkers in loondienst naar het zzp-schap is daarbij vaak als een van de oorzaken genoemd. Wij herhalen onze boodschap dat we verwachten dat de voordelen van de opheffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid zullen opwegen tegen de situatie van voor 1 januari 2025 waarin het handhavingsmoratorium nog bestond. Uiteraard blijf ik, de Minister van VWS, de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
De signalen over het aantal stoppende zelfstandigen zijn redelijk beperkt gebleven. De ervaringen zijn daarbij verschillend, afhankelijk van de invalshoek. Veel van de zorginstellingen grijpen de handhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelatie aan om het aantal schijnzelfstandigen terug te brengen en te handelen conform wet- en regelgeving. Deze instellingen hebben eerder de nadelen ervaren van te veel (schijn)zelfstandigen en gaan nu toe naar een betere balans tussen personeel in loondienst en niet in loondienst. Dergelijke verandering gaat natuurlijk gepaard met strubbelingen, zoals in iedere overgangsfase. Er zijn gelukkig voorbeelden dat de capaciteit na tijdelijke afschaling snel weer kan worden opgeschaald. Ook zijn er goede voorbeelden van hoe volledig stoppen met schijnzelfstandigheid heeft geleid tot betere resultaten en meer tevredenheid bij werknemers en cliënten / patiënten.
Een deel van de partijen ervaart de gevolgen in de overgangsfase als een bedreiging, vanwege (tijdelijk) hogere tekorten, hogere werkdruk, en lagere capaciteit. Gelukkig is de afgelopen periode door veel zorgwerkgevers al actief ingezet op goed of modern werkgeverschap. Hierbij hebben zij rekening gehouden met de eerder door zzp’ers aangegeven redenen voor vertrek uit loondienst. Bijvoorbeeld de wens voor een betere werk/privé balans. In de leidraad vakmanschap en werkplezier ga ik, de Minister van VWS, binnenkort uitgebreider in op de verschillende elementen die kunnen bijdragen aan het verhogen van werktevredenheid.
Herkent u het signaal van huisartsenorganisaties (praktijken, regio’s en hap’s) dat het nog steeds onduidelijk is welke situaties beoordeeld worden als schijnzelfstandigheid? Kunt u op korte termijn uitsluitsel geven over de casuïstiek die hiervoor wordt gebruikt?
Ja, ik als Minister van VWS heb hierover regelmatig contact met de LHV. Over de hiervoor door de LHV opgestelde casuïstiek zal het kabinet op korte termijn reageren, voor zover mogelijk voor het commissiedebat zzp van 3 april a.s.
Herkent u de zorgen van regionale huisartsenorganisaties dat structurele inzet van waarnemend huisartsen als schijnzelfstandigheid zou kunnen worden beoordeeld, terwijl juist de inzet van zzp-waarnemers in de praktijken heeft geleid tot vermindering van werkdruk en druk van anw-diensten? Kunt u rondom de inzet van VIP-waarnemers op de huisartsenpost uitsluitsel geven met betrekking tot beoordeling van de arbeidsrelatie?
Ja, ik als Minister van VWS herken de zorgen die regionale huisartsenorganisaties hieromtrent hebben. De werkdruk voor praktijkhouders is de afgelopen jaren toegenomen en mede omdat het totale aantal praktijkhouders helaas niet evenredig is meegegroeid, zal iedere huisarts nodig zijn om de zorg laagdrempelig en toegankelijk te houden, nu en in de toekomst. De ANW-zorg door huisartsen is goed georganiseerd en in het Integraal Zorgakkoord (IZA) zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt. Daarbij wordt gestreefd naar een evenwichtige verdeling van de dienstendruk onder alle huisartsen – voor zowel praktijkhouders, huisartsen in loondienst als (wisselende) waarnemers. Er is samen met het veld veel werk gestoken in de totstandkoming van het huidige systeem. De voortgang van deze afspraak wordt door partijen goed gemonitord en eerste signalen vanuit de beroepsgroep (LHV) lijken positief; huisartsen ervaren een sterke verbetering in de ANW-zorg. Hoewel ik me uiteraard zal blijven inzetten om zoveel mogelijk huisartsen met een vaste patiëntenpopulatie te laten werken, blijven (wisselende) waarnemers noodzakelijk om de (acute) huisartsenzorg toegankelijk te houden. Of dit al dan niet buiten loondienst kan, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het specifieke geval. Met behulp van de door de LHV ingediende casusposities en de beoordeling daarvan door de Ministeries van SZW en VWS en de Belastingdienst wordt hopelijk aan de betrokkenen meer duidelijkheid gegeven over de beoordeling van de arbeidsverhouding in geval van waarnemers in de ANW-zorg.
Over de hiervoor door de LHV opgestelde casuïstiek zal het kabinet op korte termijn reageren, voor zover mogelijk voor het commissiedebat zzp van 3 april a.s.
Herkent u het signaal van huisartsenorganisaties (praktijken, regio’s en hap’s) dat het onwenselijk en ondoenlijk is dat waarnemend huisartsen voor piek, ziek en diensten alleen in dienstverband kunnen werken? Zo ja, wat bent u bereid te regelen ten behoeve van de noodzakelijke flexibele schil van zzp’ers? Kunt u toelichten hoe de Belastingdienst oordeelt over de modelovereenkomst vaste waarneming (Praktijkmedewerking) voor huisartsen in relatie tot deze flexibele schil?
Het beleid van de Minister van VWS is erop gericht dat huisartsen zich binden aan een vaste patiëntenpopulatie. Dit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd, waarbij, zoals eerder aangegeven bij vraag 6, het behouden van een flexibele schil noodzakelijk blijft om de huisartsenzorg 24/7 toegankelijk te houden. De Minister van VWS herkent het signaal dat huisartsenorganisaties het onwenselijk vinden voor kortere waarnemingen bij ziek en piek een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Het is onwenselijk als huisartsenorganisaties worden opgezadeld met extra (administratieve) lasten die ten koste gaan van de zorg. De reden van inhuur is echter niet relevant voor de vraag of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het is aan de betrokken partijen om te beoordelen of inzet van zzp’ers voor (kortdurende) waarnemingen in voorkomend geval in lijn is met het arbeidsrecht. Met behulp van de ingediende casusposities en de beoordeling daarvan door de Ministeries van SZW en VWS en de Belastingdienst streven we ernaar aan de betrokkenen meer duidelijkheid te geven over de beoordeling van arbeidsverhoudingen in de huisartsenzorg. Daarnaast gaan VWS en SZW door met het uitwerken van alternatieven voor een flexibele schil, in samenwerking met het veld, zoals geschreven in de brief van 17 december jl.
Op langere termijn kunnen partijen in de huisartsenzorg ook voor korte waarnemingen bij ziek en piek effectieve en aantrekkelijke vormen van een flexibele schil organiseren zonder dat er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. Dit kan in de vorm van regionaal werkgeverschap. Regionaal werkgeverschap draait in de kern om het flexibeler werken in loondienst in de regio, waarbij professionals kunnen werken voor een collectief van organisaties. Zo kan een Regionale Huisartsen Organisatie (RHO) aan bijvoorbeeld (jonge) huisartsen, praktijkondersteuners en praktijkmanagers een (fulltime) dienstverband aanbieden en deze vervolgens inzetten in verschillende huisartsenpraktijken. Dit kan voor zorgprofessionals aantrekkelijker zijn dan het aangaan van verschillende kleine dienstverbanden. Het ontlast praktijkhouders daarnaast in werkgeverslasten en biedt regionaal de mogelijkheid om capaciteit optimaal te benutten. Landelijke en regionale partijen uit de huisartsenzorg verkennen deze mogelijkheden al. De opheffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid biedt een kans om dergelijke initiatieven verder te ontwikkelen, wat de regionale continuïteit van zorg ten goede komt. Daarnaast helpt regionaal werkgeverschap voorkomen dat commerciële detacheringsbureaus in dit gat springen, met mogelijke negatieve gevolgen voor de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de huisartsenzorg.
Ten aanzien van de vraag over de modelovereenkomst geldt dat een goedgekeurde modelovereenkomst alleen zekerheid biedt voor zover opdrachtgever en opdrachtnemer daadwerkelijk werken zoals is overeengekomen in de modelovereenkomst.
De Belastingdienst toetst altijd hoe er feitelijk wordt gewerkt (zie ook het antwoord op vraag11. De modelovereenkomst praktijkmedewerking huisarts (nr. 905-2020-46241-1-0) is niet openbaar. Op grond van artikel 67 AWR kunnen wij hierover daarom geen mededelingen doen.
Herkent u de wens van jonge huisartsen om in hun eerste jaren als huisarts graag in veel en diverse soorten praktijken te werken voordat ze zich langdurig vestigen? Zo ja, wat bent u bereid te regelen om dit mogelijk te blijven maken?
Ja, ik als Minister van VWS heb begrip voor de wens van jonge huisartsen om in de eerste jaren na hun opleiding ervaring op te doen in diverse soorten praktijken voordat zij zich langdurig vestigen, bijvoorbeeld als praktijkhouder of in een andere vorm waarin zij zich verbinden aan een vaste patiëntenpopulatie. Deze fase van oriëntatie en professionele ontwikkeling is waardevol en draagt bij aan een bredere ervaring binnen de huisartsenzorg.
Het opdoen van deze ervaring hoeft niet uitsluitend te gebeuren via losse waarnemingen als zelfstandige. Er zijn andere mogelijkheden, zoals werken in loondienst via een al dan niet tijdelijke of flexibele arbeidsovereenkomst of als onderdeel van een regionale of lokale flexibele schil, zoals eerder beschreven bij vraag 7. Zo kunnen jonge huisartsen in dienst treden bij meerdere praktijken, die gezamenlijk als «werkgever» optreden in een zgn. potovereenkomst (hierbij wordt de personeelskosten gedeeld tussen meerdere huisartsenpraktijken zonder dat het btw-belast wordt).12 Jonge huisartsen kunnen zodoende ingezet worden binnen de praktijken die deelnemen aan de potovereenkomst. Ook zijn er initiatieven waarbij RHO’s in samenwerking met zorgverzekeraars een pool opzetten van startende huisartsen, die dan voor een bepaalde periode in dienst zijn van de RHO en bij verschillende praktijken kunnen werken. RHO’s en zorgverzekeraars spelen hierin dus een belangrijke rol. Zij kunnen bijdragen aan het aantrekkelijk maken van regio’s door goed regionaal werkgeverschap te organiseren en flexibiliteit te bieden, zodat jonge huisartsen de mogelijkheid krijgen om zich in verschillende praktijkvormen te oriënteren zonder dat dit ten koste gaat van de continuïteit van huisartsenzorg. Ik als Minister van VWS ga er dus vanuit dat regionale partijen – huisartsen, RHO’s en zorgverzekeraars – zich er gezamenlijk voor inspannen dat het ook in de toekomst goed mogelijk blijft dat jonge huisartsen ervaring opdoen bij verschillende praktijken.
Kunt u meer inzicht geven in de cijfers achter de cijfers die in het artikel genoemd worden? Is bijvoorbeeld bekend hoeveel van de gestopte zelfstandigen in de zorg zijn gebleven in een vorm van dienstverband en hoeveel van hen de zorg als werkdomein hebben verlaten?
Cijfers over het aantal werknemers en zzp’ers in de sector zorg en welzijn worden bijgehouden in het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn (AZW-programma). Cijfers over het eerste kwartaal van 2025 zijn nog niet beschikbaar, de meest recente data gaan over het vierde kwartaal van 2024. Ten opzichte van het derde kwartaal van 2024 is een lichte afname van het aantal zzp’ers te zien (daling van 2000 personen), een lichte stijging van het aantal werknemers (stijging van 3000 personen) en een lichte stijging van het aantal uitzendkrachten (stijging van 2000 personen). De data over het eerste kwartaal van 2025 verschijnen half mei 2025.
Binnen het AZW-programma worden in het voorjaar en het najaar enquêtes gehouden onder werkgevers in de sector. Naar aanleiding van de motie van het lid Tielen c.s. zijn vragen toegevoegd aan deze enquêtes om meer zicht te krijgen op de effecten van de handhaving op schijnzelfstandigheid. De resultaten van de enquête in het voorjaar verschijnen eind september 2025.
In welke subsectoren in de zorg zijn zowel absoluut als relatief de meeste zelfstandigen gestopt? In hoeverre is bekend of deze ontwikkeling synchroon loopt met het aantal schijnzelfstandigen in deze subsectoren?
In het vierde kwartaal van 2024 zijn de meeste zzp’ers (zowel in absolute aantallen als relatief) gestopt in de branche overige zorg. In die branche zijn o.a. tandartsen, praktijken van paramedici, verloskundigen en preventieve gezondheidszorg samengenomen. Het is niet bekend in hoeverre dat synchroon loopt met het aantal schijnzelfstandigen in deze sectoren.
In hoeverre is het (door sommige zorgexperts verwachte) risico voor een zorginfarct in bepaalde subsectoren of bepaalde regio’s groter dan wel kleiner geworden sinds de Belastingdienst is begonnen met handhaven?
Het gaan voldoen aan de wet- en regelgeving met betrekking tot de inzet van werkenden vergt inspanning en kan een spannend moment zijn voor werkgevenden en werkenden. Het kan daarbij gebeuren dat er op bepaalde plekken (tijdelijk) gaten vallen doordat schijnzelfstandigen niet meer ingezet kunnen worden. Ook voor de opheffing van het handhavingsmoratorium was het soms al heel lastig om de roosters rond te krijgen; de uitstroom van medewerkers in loondienst naar het zzp-schap is daarbij vaak als een van de oorzaken genoemd. We verwachten dat de voordelen van de opheffing van het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid zullen opwegen tegen de situatie van voor 1 januari 2025 waarin het handhavingsmoratorium nog bestond. We hebben daarbij nog geen signalen ontvangen dat er door de handhaving in een van de subsectoren of regio’s een (tijdelijk) zorginfarct dreigend is. Integendeel, uit de rapportage van het landelijk uitstroomonderzoek 2024 door RegioPlus blijkt dat de instroom van werkenden in zorg en welzijn harder is gestegen dan de uitstroom. Ten opzichte van 2023 is de instroom met 3,9% is gestegen naar 180.110, waarbij de uitstroom met 0,1% is gestegen naar 151.600. Uiteraard blijft de Minister van VWS de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Wat is uw verwachting van de ontwikkeling van stoppende zelfstandigen de komende maanden als het gaat om positieve en negatieve effecten? Wat doet u om te voorkomen dat deze trend uw ambitie om het «onbeheersbaar arbeidsmarkttekort af te wenden» belemmert?
Het moeilijke van een overgangsperiode is dat die vaak anders verloopt dan je vooraf verwacht. Ik, als Minister van VWS, vind het belangrijk om goed op de hoogte te blijven van alle relevante signalen, maar ik vind het tegelijkertijd ook belangrijk om de overgangsperiode goed te benutten door de zorgorganisaties waarbij de organisaties van elkaar kunnen leren. Er zijn immers al best wat zorgorganisaties die de ontwikkeling al eerder hebben doorgemaakt en er inmiddels de voordelen van ervaren.
In hoeverre zijn één of meerdere flexibele dienstverbanden een oplossing voor onder andere waarnemend huisartsen, wetende dat de Wet Arbeidsmarkt in Balans juist de urenflexibiliteit in contracten tegengaat door middelen van hogere premies en werkgeverslasten? Deelt u de mening dat deze wetgeving strijdig is aan elkaar? Zo ja, wat bent u bereid hiertegen te doen?
Welk type dienstverband passend is hangt af van de voorkeuren van de werkgever en de werkende. Daarbij geldt wel dat de voorkeur van de contractpartijen geen rol speelt bij de vraag of überhaupt sprake is van een dienstverband, of van werken als zelfstandige.13 Of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt namelijk dwingendrechtelijk bepaald door artikel 7:610 BW.
Het klopt dat met de Wet Arbeidsmarkt in Balans beoogd werd de verschillen tussen het vaste en flexibele contract te verkleinen en het vaste contract aantrekkelijker te maken voor werkgevers. Wij zien niet in hoe de maatregelen uit deze wet strijdig zouden zijn met de regeling van de arbeidsovereenkomst, of met de opheffing van het handhavingsmoratorium. De wetgeving die bepaalt wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst is namelijk niet veranderd. Het enige dat door de opheffing van het handhavingsmoratorium veranderd is, is dat de Belastingdienst in het geval van constatering van schijnzelfstandigheid weer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 correctieverplichtingen en naheffingen kan opleggen. De wetgeving op grond waarvan beoordeeld wordt of sprake is van schijnzelfstandigheid is dus hetzelfde als voor 1 januari 2025.
Daarbij blijft het onder de Wet arbeidsmarkt in balans mogelijk om vast personeel flexibel in te zetten onder de lage premie. Zo is het mogelijk om werknemers met een jaarurennorm flexibel over het jaar in te zetten. Indien daar sprake is van een schriftelijk vast contract kan dit onder de lage ww-premie.
Daarnaast kunnen natuurlijk ook waarnemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd worden aangeboden in bijvoorbeeld poolverband, zodat de waarnemers wel de zekerheid hebben van een vast contract met een vast aantal uren per jaar, maar zij ook flexibel over het jaar en tussen huisartsen ingezet kunnen worden.
Tegelijkertijd blijven flexibele contracten mogelijk onder de Wet arbeidsmarkt in balans. Als het de wens van werkgever en werknemer is om bijvoorbeeld een tijdelijk contract aan te gaan, is dit nog steeds mogelijk.
Welke mogelijkheden bent u bereid in te zetten voor het btw-vrij organiseren van een «huisartsenflexpool» binnen een regio als mogelijk alternatief?
In de btw geldt dat iedere levering of dienst tegen vergoeding, waaronder het ter beschikking stellen van personeel, als uitgangspunt belast is tegen het algemene btw-tarief (21%). Uitzonderingen hierop zijn alleen mogelijk als de Wet op de Omzetbelasting 1968 hierin voorziet. Welke mogelijkheden er zijn – voor bijvoorbeeld een huisartsenflexpool – om btw-vrijgesteld personeel ter beschikking te stellen of een andersoortige prestatie btw-vrijgesteld te verrichten, is beschreven in het Beleidsbesluit ter beschikkingstelling van personeel van 7 juni 2024. De Europese btw-richtlijn biedt geen mogelijkheden tot verdere verruiming op dit punt.
Welke stappen bent u bereid te zetten om beter in te springen op de grote behoefte van zorgprofessionals en zorgaanbieders als het gaat om onder andere flexibiliteit?
Gelukkig maken veel organisaties in zorg en welzijn al gebruik van een flexibele schil met werkenden in loondienst. Ook de inzet van een flexibele schil via detachering of een uitzendbureau kan een (tijdelijke) oplossing zijn. Aanvullend hierop denken wij mee over diverse vormen van regionaal werkgeverschap waarin mensen in loondienstverband bij verschillende organisaties werkzaam kunnen zijn. Dit komt tegemoet aan de wens van flexibiliteit bij veel zorgprofessionals en zorgaanbieders.
In de praktijk blijkt regionaal werkgeverschap geen gemakkelijk thema. Het implementeren vraagt lef en doorzettingsvermogen van werkgevers. Vanuit VWS, SZW en het Ministerie van Financiën ondersteunen wij hierbij door knelpunten, die te maken hebben met wet- en regelgeving, aan te pakken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om vraagstukken op het gebied van arbeidsrecht en btw-heffing bij uitleen van personeel. Rond het btw-vraagstuk hebben het Ministerie van Financiën en VWS een verkenning gedaan naar de mogelijkheden om binnen zorg en welzijn personeel btw vrij uit te lenen. Dat heeft geleid tot een nieuw beleidsbesluit «Ter beschikking stellen van personeel» (zie ook vraag14.
Van de mogelijkheden die geschetst worden in het voornoemde Beleidsbesluit lijken een aantal richtingen het meest passend te zijn voor de zorg. Dit zijnde volgende drie richtingen:15 Pot- of poolovereenkomst: Samenwerkende partijen sluiten één gezamenlijke arbeidsovereenkomst met een personeelslid en verdelen de brutoloonkosten via een zogenaamde pot- of poolovereenkomst;16 Onderaanneming van een zorgprestatie en17 Uitlenen van personeel als nauw samenhangende prestatie binnen de Wmo- zorg of de Jeugdzorg en binnen de vrijstelling voor het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen. VWS is samen met veldpartijen in de vorm van werkgroepen bezig om deze drie mogelijke richtingen zo optimaal mogelijk vorm te geven en makkelijker toepasbaar te maken voor werkgevers in zorg en welzijn. VWS faciliteert deze werkgroepen en SZW is ook betrokken. Het streven is om in Q2 2025 het eindproduct van één van de werkgroepen te delen. De planning is er verder op gericht om in de tweede helft van 2025 de resultaten van de andere twee werkgroepen te laten volgen.
Het bericht ‘Hoe zorginstellingen diplomafraude bestrijden: ‘Kwaadwillenden gaan ingenieus te werk’ |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
Fleur Agema (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe zorginstellingen diplomafraude bestrijden: «Kwaadwillenden gaan ingenieus te werk»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat diplomafraude vaak gepaard gaat met financieel misbruik van zorggeld, met onveiligheid voor patiënten en cliënten én gerelateerd is aan criminelen? Herkent u ook dat deze vormen van zorgfraude toenemen? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer uw aanpak hiertegen verwachten?
Ik herken het beeld dat diplomafraude vaak gepaard gaat met misbruik van zorggeld, dat het raakt aan veiligheid en kwaliteit van zorg en een mate van verwevenheid heeft met criminaliteit. Dit is verschrikkelijk. Zorggeld moet gaan naar de zorg, en uiteindelijk naar de mensen voor wie er gezorgd moet worden.
Uw Kamer is op 27 juni 2024 geïnformeerd over de verkenning van de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) naar mogelijke misstanden in het opleiden in de zorgsector en de eventuele verbanden tussen deze mogelijke misstanden en de risico’s voor de zorg.2 Uit de verkenning blijkt dat de Inspecties een toenemende verwevenheid zien van zorg met criminaliteit en fraudenetwerken. In navolging van de verkenning van de Inspecties wordt gewerkt aan vervolgacties. Dit is in samenwerking met onder andere de betrokken ministeries, gemeenten, toezichthouders, opsporingsdiensten, zorgkantoren, zorgverzekeraars en opleiders.
Het doel van de aanpak is om het zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor criminelen om in het zorgdomein actief te zijn en om de zorgsector weerbaarder te maken tegen criminelen. Er wordt op drie speerpunten ingezet om dit doel te bereiken. Het gaat om (1) het opwerpen van barrières, (2) het vergroten van de weerbaarheid en (3) het verstevigen van toezicht, handhaving en opsporing. Uw Kamer wordt op korte termijn per brief over deze aanpak geïnformeerd.
Wat verwacht u van de verplichting (vanaf 1 januari jl.) om signalen van fraude bij het Informatieknooppunt Zorgfraude te melden? Op welke wijze gaat deze verplichting leiden tot meer signalen en wat gaat u hiermee doen? Bent u bereid om voor de zomer een eerste meldingenoverzicht met de Kamer te delen?
De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) is per 1 januari 2025 in werking getreden. De mogelijkheden voor het uitwisselen van gegevens tussen de in de wet genoemde instanties in het zorgdomein zijn door deze wet vereenvoudigd, verbeterd en uitgebreid. Deze instanties worden beter in staat gesteld fraude te voorkomen en aan te pakken.
Stichting IKZ levert jaarlijks een rapportage op met daarin een overzicht van de signalen die het afgelopen jaar zijn ontvangen. De jaarrapportage wordt voor de zomer gepubliceerd en gedeeld met uw Kamer. Stichting IKZ is sinds 1 januari 2025 een zelfstandige juridische entiteit met een wettelijke taak en vervangt het samenwerkingsverband. Stichting IKZ bevindt zich momenteel in de overgangsfase van samenwerkingsverband naar stichting. Voor wat betreft het delen van een eerste meldingenoverzicht kan ik toezeggen dat ik in gesprek ga met Stichting IKZ om te kijken in hoeverre dit al mogelijk is voor de zomer, en anders later dit jaar zodra de stichting geheel zelfstandig operationeel is.
Op welke wijze verwacht u dat het Informatieknooppunt Zorgfraude met meer effectiviteit aan de slag kan om fraudesignalen op te volgen, fraude op te sporen en te sanctioneren? Is dit wat u betreft voldoende en zo nee, wat gaat u daaraan doen?
De inwerkingtreding van de Wbsrz zorgt ervoor dat problemen rondom het uitwisselen van gegevens bij het bestrijden van zorgfraude worden opgelost. Stichting IKZ kan een door instanties verstrekt signaal verrijken en vervolgens verstrekken aan de meest geëigende instantie(s). Instanties kunnen zo effectiever aan de slag om binnen hun taken en bevoegdheden opvolging te geven aan een signaal van zorgfraude. Deze instantie of instanties kunnen met het door Stichting IKZ verrijkte signaal fraude voorkomen, opsporen of sanctioneren. Stichting IKZ doet geen eigenstandig opsporingsonderzoek en heeft geen handhavende, toezichthoudende of opsporende functie, taken of bevoegdheden. Deze taken en bevoegdheden zijn belegd bij de controle-, toezicht-, en opsporingsinstanties.
Deelt u de mening dat het niet mogelijk zou moeten zijn voor zorgfraudeurs om opnieuw in de zorg aan de slag te gaan? Op welke manier gaat u een dergelijk beroepsverbod voor zorgfraudeurs mogelijk maken?
Samen met uw Kamer deel ik het standpunt dat het onwenselijk is dat zorgfraudeurs zomaar weer actief kunnen worden in de zorg. In aanvulling op de bestuurs- en beroepsverboden die al mogelijk zijn, zijn gerichte maatregelen getroffen om te voorkomen dat zorgfraudeurs (opnieuw) aan de slag kunnen gaan. Ik noem een aantal voorbeelden. In het kader van de vergunningplicht op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) kan naar het verleden van de dagelijkse leiding of de interne toezichthouders worden gekeken door een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen of door een integriteitsonderzoek op grond van de Wet Bibob. De doelgroep voor de vergunningplicht is per 1 januari 2025 uitgebreid. Alle zorginstellingen moeten nu beschikken over een toelatingsvergunning, ook de kleinere zorginstellingen met 10 of minder zorgverleners.
Een andere belangrijke maatregel is de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) die per 1 januari 2025 in werking is getreden. Deze wet regelt onder meer een zogenoemd Waarschuwingsregister zorgfraude, waarin gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren zorgfraudeurs kunnen registreren. Het Waarschuwingsregister kan hiermee voorkomen dat fraudeurs in een andere gemeente of in een ander zorgdomein een doorstart maken.
Tot slot noem ik de Proeftuinen aanpak zorgfraude, waarvoor ik subsidie heb verleend. In de regio’s Twente en Hart van Brabant worden beproefde werkwijzen ontwikkeld, zoals een structurele inzet van de Wet Bibob bij de contractering van aanbieders. De VNG zorgt ervoor dat de resultaten van de proeftuinen met alle gemeenten worden gedeeld.
Heeft inmiddels uw eerdere toegezegde2 gesprek met de Minister van Justitie en Veiligheid over uitbreiding van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) tegen zorgfraude, plaatsgehad? Zo ja, wat heeft u afgesproken gezamenlijk te gaan doen tegen zorgfraude?
Er heeft ambtelijk een eerste verkennend gesprek plaatsgevonden met het Ministerie van J&V. Aan dit gesprek wordt op korte termijn vervolg gegeven door gezamenlijk te kijken, ook met het CIBG, zorgkantoren en gemeenten, hoe de Wet Bibob nog beter kan worden ingezet.
Bent u bereid om een overzicht te maken van uw beleid, uw beoogde wetsvoorstellen en handhavingsaanpak tegen zorgfraude en deze met de Kamer te delen, inclusief beoogde resultaten? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer die verwachten? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven bij vraag 2 wordt uw Kamer op korte termijn geïnformeerd over de aanpak om zorgfraude en zorgcriminaliteit zorg tegen te gaan. Ook ontvangt uw Kamer dit voorjaar een reactie op de signaleringsparagraaf uit de jaarbrief van de Taskforce Integriteit Zorgsector (TIZ).4