De antwoorden op vragen van de leden De Hoop, Kwint en Westerveld over het feit dat veel reformatorische scholen nog altijd homoseksualiteit afwijzen en identiteitsverklaringen hanteren |
|
Nico Drost (CU), René Peters (CDA), Nicki Pouw-Verweij (BBB), Caroline van der Plas (BBB), Harm Beertema (PVV), Roelof Bisschop (SGP) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u bij de beantwoording van de vragen van de leden De Hoop, Kwint en Westerveld de volledig identiteitsverklaring van het Gomarus College gelezen, waarin wel gesproken wordt over het kwaad en het tegengaan van het kwaad en dit nadrukkelijk niet over seksuele oriëntatie van jongeren gaat?1
Ja, ik heb het volledige identiteitsdocument gelezen. Vervolgens is eerst in de vraagstelling en daarna in de beantwoording onbedoeld de link gelegd tussen het identiteitsdocument van het Gomarus College en het afwijzen van homoseksualiteit.
Hierover heeft mijn ministerie telefonisch contact gehad met de school. In dat gesprek is aangegeven dat ik de ontstane commotie betreur.
Vervolgens heb ik op 31 maart jl. een brief naar de Kamer gestuurd.2 In de brief geef ik ook aan dat ik dit ook richting de Kamer recht wil zetten. Het identiteitsdocument van de school spreekt niet over het afwijzen van homoseksualiteit.
Bent u het ermee eens dat zorgvuldigheid voor daadkracht moet gaan?
Ja. Daarom doe ik ook zorgvuldig onderzoek naar de uitvoering van de moties Kwint c.s. en Gündoğan/Simons.3 Hierover informeer ik de Kamer in de loop van dit jaar.
Ziet u ook dat u in schriftelijke vragen en in de beantwoording daarvan onjuist een paar zinnen uit de identiteitsverklaring van het Gomarus College gekoppeld zijn aan opvattingen over het huwelijk, gelijke behandeling voor iedereen, de seksuele oriëntatie van jongeren en een veilig schoolklimaat?
Ja. In de vraagstelling van de Kamervragen en de beantwoording van de Kamervragen is onbedoeld de link gelegd tussen een passage uit het identiteitsdocument van het Gomarus College en opvattingen over het huwelijk en seksuele oriëntatie.
Bent u bereid om te rectificeren en te verklaren dat deze passage uit de identiteitsverklaring van het Gomarus College niet gaat over seksuele oriëntatie van jongeren?
Ja, zeker.
Bent u bereid om de uitspraken die voortvloeien uit het onjuist gebruik van de passage uit de identiteitsverklaring terug te nemen?
Ja, zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om uw excuses aan te bieden?
Zeker, mijn ministerie heeft telefonisch contact gehad met de school, en aangegeven de ontstane situatie te betreuren, en zo excuses over te brengen. De school heeft aangegeven het contact en de rectificatiebrief op prijs te hebben gesteld.
Bent u bereid om u te laten informeren over hoe het Gomarus College invulling geeft aan christelijk onderwijs en werkt aan een veilig schoolklimaat waarin iedereen zichzelf kan en mag zijn?
Ja, daartoe ben ik bereid. Ambtenaren van mijn ministerie gaan binnenkort ook op werkbezoek op het Gomarus College om zich te laten informeren over het beleid van de school op dit terrein. Ik hou mijzelf ook aanbevolen voor een werkbezoek.
Bent u het ermee eens dat de toetssteen voor een identiteitsverklaring de Grondwet is, met daarin zorgvuldig verwoorde en omkaderde rechten en vrijheden, en niet een naar politiek inzicht in te kleuren vaag begrip als «basiswaarden van de rechtsstaat»? Bent u het in dat licht ermee eens dat scholen een verklaring mogen laten ondertekenen, mits het binnen de grenzen van de Grondwet en de Algemene wet gelijke behandeling blijft?
Scholen hebben op basis van artikel 23 Grondwet een recht om aan ouders en leerlingen te vragen de grondslag van de school te onderschrijven. Een belangrijke grens van de bevoegdheid om denominatief selectiebeleid te voeren is dat geen onderscheid mag worden gemaakt op basis van de seksuele gerichtheid van de leerling of de ouders.
Naar de uitvoering van de eerdergenoemde aangenomen moties Kwint c.s. en Gündoğan/Simons, die oproepen om (delen van) identiteitsverklaringen te verbieden, doe ik op dit moment zorgvuldig onderzoek. Hierover informeer ik de Kamer in de loop van dit jaar.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Berichten over schermtijd |
|
Jeanet van der Laan (D66), Hind Dekker-Abdulaziz (D66) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op beide berichten?1
Mediagebruik is onderdeel van het moderne leven en brengt zowel voor- als nadelen met zich mee. Het feit dat het schermgebruik onder kinderen toeneemt, is onlosmakelijk verbonden met de snelheid waarmee onze wereld digitaliseert. Onderzoek leert mij dat het gebruik van digitale producten en diensten door kinderen zowel positieve als negatieve gevolgen kan hebben. Voordelen zijn dat beeldschermen kunnen bijdragen aan een efficiënter leerproces bij kinderen en meer rust voor de ouder. Er zijn ook nadelen van beeldschermgebruik, zoals op het gebied van houding en bewegen, oogproblemen, achterblijvende algemene ontwikkeling, overgewicht en slaapproblemen.2 De mate van schermgebruik die beschreven wordt in de artikelen, vind ik daarom zorgwekkend. Ouders moeten alert zijn op deze nadelen. Het beleid van het kabinet is erop gericht om de negatieve effecten aan te pakken, waarbij de positieve effecten blijven bestaan.
Hoe duidt u het gegeven dat een kwart van de onderzochte baby’s meer dan twee uur schermtijd heeft? Welke gevolgen heeft dit volgens u?
Als alle digitale media-activiteiten samengenomen worden, blijkt dat kinderen van 9 maanden tot en met 6 jaar hier volgens hun ouders gemiddeld zo’n 100 minuten per dag aan besteden. Oftewel bijna een uur en drie kwartier. Of dit een toename is ten opzichte van vorig jaar is moeilijk te zeggen omdat de data niet helemaal vergelijkbaar zijn. Desalniettemin lijkt het erop dat ten opzichte van 2022 een kleine toename is van 7 minuten media-tijd per dag. Gemiddeld 100 minuten beeldschermgebruik per dag is voor kinderen tot en met 6 jaar redelijk veel. Bovendien betekent een gemiddelde dat sommige kinderen hier (ver) boven zitten. In het beweegadvies van de Gezondheidsraad voor kinderen onder de 0–4 jaar is zelfs opgenomen dat schermtijd voor kinderen onder de twee jaar compleet wordt afgeraden.
Jonge kinderen gebruiken steeds meer soorten beeldschermen (bijv. tablet, laptop, vaste computer en smartphone) en zij besteden hier meer tijd aan. Deze beeldschermen worden door kinderen en ouders gebruikt voor zowel ontspannende als leerzame activiteiten. Zie antwoord vraag 1 voor mogelijke positieve en negatieve effecten van dit schermgebruik.
Vindt u dat de gevolgen van het onderzoek waaruit blijkt dat schermgebruik jaarlijks blijft toenemen, ook onder jongeren en kleine kinderen, genoeg in kaart zijn gebracht? Zo nee, wat is daarvoor nodig?
Het Trimbos-instituut inventariseert in opdracht van de Alliantie Digitaal Samenleven in welke mate bestaande onderzoeken beeld kunnen geven van de relatie tussen mentale, sociale en fysieke gezondheid en schermtijd. Er wordt wereldwijd veel onderzoek gedaan naar de effecten van schermtijd op baby’s en/of jonge kinderen. Die onderzoeken worden ook bijgehouden door de WHO.
Het Iene Miene Media-onderzoek, waarover geschreven wordt in het NOS-artikel, heeft als doel om te meten hoe kinderen binnen huishoudens omgaan met, en gebruik maken van, verschillende media(apparaten) en hoe hun ouders hen hierbij begeleiden. Met relevante stakeholders wordt gewerkt aan de vertaling naar de praktijk van dit soort onderzoeken. Dit blijkt ook uit bijvoorbeeld het Digitale Balans Model3 dat het Trimbos-instituut en Netwerk Mediawijsheid in 2019 hebben ontwikkeld. Vanuit dit model is in kaart gebracht hoe mensen meer grip kunnen krijgen op schermtijd en balans.
In hoeverre bent u bekend met ander onderzoek dat zich richt op lange termijn effecten van schermtijd bij baby’s en/of jonge kinderen?
Ik ben hiervan op de hoogte. Er wordt wereldwijd veel onderzoek gedaan naar de effecten van schermtijd op baby’s en/of jonge kinderen. Die onderzoeken worden bijgehouden door de WHO, die met een richtlijn rond schermtijd is gekomen, gebaseerd op deze verschillende onderzoeken.4 Veel onderzoek richt zich op deelzaken zoals de invloed op mentale problemen of de invloed op lichamelijke ontwikkeling (fysieke activiteit, maar ook ontwikkeling van oogfunctie).
De beschikking van schermen speelt nog niet lang en de ontwikkelingen daarin volgen elkaar in hoog tempo op. De richtlijn van de WHO biedt daarbij houvast. Dit is verwerkt in de adviezen van de jeugdgezondheidszorg, bijvoorbeeld in de 20-20-2 regel, die specifiek ingaat op schermtijd in relatie tot buitenspelen.5
Kunt u reflecteren op de uitkomsten van ander onderzoek dat in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) werd uitgevoerd, waaruit blijkt dat de meeste jongeren zeer intensief gebruik maken van «schermen» (smartphone, laptops, televisie, etc.) en dit kan leiden tot concentratiestoornissen en een lager welzijn?2
Zoals beschreven in de Kamerbrief van het Ministerie van BZK over de voortgang digitale inclusie 20217, waarin het onderzoek wordt benoemd, kunnen digitale apparaten ons functioneren zowel op een positieve als negatieve manier beïnvloeden. Om de negatieve invloeden te beperken, zijn nieuwe vaardigheden, meer regulering en voorlichting nodig. Het onderzoek laat zien dat veel jongeren bijvoorbeeld beschikken over onvoldoende vaardigheden om grote hoeveelheden informatie te kunnen verwerken en kritisch te beoordelen. Bij 2 op de 5 jongeren en 1 op de 4 jonge werknemers is sprake van problematisch smartphonegebruik. Het smartphonegebruik stoort dan andere activiteiten, zoals (huis)werk of sociale activiteiten. Een continue versnippering van de aandacht kan leiden tot overprikkeling, stress en mentale klachten. De ontwikkelingen gaan snel en onze vaardigheden zijn nog niet voldoende aangepast op de digitale samenleving, en dat maakt sommigen kwetsbaarder dan anderen voor de negatieve gevolgen. Hierin ligt een rol voor zowel ouders als de overheid om op tijd te waarschuwen voor risico’s. Zie ook antwoord 6.
Welke concrete stappen neemt u om ouders te informeren over schermgebruik en de (nadelige) effecten daarvan?
Het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg (JGZ) wordt ingezet om gezondheidsproblemen en nadelige effecten van schermgebruik te voorkomen. De JGZ-professionals kunnen tijdens de contactmomenten met ouders spreken over verantwoord schermgebruik. In de JGZ wordt gewerkt met de Richtlijn Houding en bewegen uit 2020. Hierin staan welke effectieve adviezen JGZ-professionals kunnen geven aan ouders en jeugdigen over mediagebruik in relatie tot houding en bewegen. Er is geen specifieke JGZ-richtlijn mediaopvoeding. Voor deze professionals is wel een e-learning Mediaopvoeding beschikbaar.
Daarnaast heeft het NJI de Toolbox Mediaopvoeding: «Media? Gewoon opvoeden!» ontwikkeld. Hierin zijn factsheets voor professionals en leerkrachten en tipsheets voor ouders opgenomen. Tenslotte werkt BZK aan een publiekscampagne over kinderen in de digitale wereld waarin schermgebruik onder kinderen en de risico’s daarvan een belangrijk thema zal zijn. Over deze publiekscampagne en andere fundamentele acties om kinderen in de digitale wereld beter te beschermen, zal de Staatssecretaris van BZK uw Kamer voor de zomer informeren in een brede beleidsbrief.
Welke stappen kunnen ouders nemen om de schermtijd van kinderen te beperken?
Naast de inzet door JGZ-professionals tijdens de contactmomenten, kunnen ouders ook gebruik maken van de NJI Toolbox Mediaopvoeding «Media? Gewoon opvoeden!» en van de praktische adviezen op Mediawijsheid.nl.
Welke concrete stappen neemt u om de nadelige effecten van schermtijd bij kinderen en jongeren te verminderen?
Met de inzet van het basistakenpakket JGZ wil ik gezondheidsproblemen voorkomen. De jeugdgezondheidsprofessionals kunnen tijdens de contactmomenten met ouders spreken over verantwoord schermgebruik, wat schermgebruik doet met ontwikkeling van een kind en ze hierover adviseren.
Verder zet het kabinet met de landelijke aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal» in op de mentale gezondheid van jongeren en jongvolwassenen. Hierbij is nadrukkelijk aandacht voor de effecten van teveel online activiteiten. Samen met jongeren zelf en organisaties zoals MIND Us en het netwerk Mediawijsheid, wordt onder meer ingezet op het stimuleren van mediawijsheid, digitale vaardigheden en digitale balans.
Kunt u toelichten welke stappen techbedrijven zoals Instagram, Youtube en TikTok zouden moeten nemen om problematisch gebruik te voorkomen?
Sociale media platforms hebben de verantwoordelijkheid om de rechten en belangen van minderjarigen te allen tijde te borgen. Vanuit het Verenigde Naties Verdrag inzake de Rechten van het Kind dienen zowel publieke als private partijen het belang van het kind mee te nemen bij activiteiten die kinderen raken. De Staatssecretaris van BZK spreekt sociale media platforms aan op deze verantwoordelijkheid en gaat met hen hierover in gesprek. De negatieve effecten worden tijdens gerichte gesprekken met grote techbedrijven onder de aandacht gebracht. Een voorbeeld hiervan is de klankbordgroep publiek-private samenwerking over online content. Verder hebben de Staatssecretaris van BZK en ik recentelijk met diverse partijen, waaronder social media platforms, gesproken over kinderrechten in relatie tot digitalisering. Verder zet de Staatssecretaris van BZK zich ervoor in dat online platforms in het kader van de opkomende verplichtingen vanuit de Digital Services Act (DSA) meer transparantie gaan bieden over de effecten van hun platforms, over de risico´s voor minderjarigen, over de maatregelen die zij nemen om risico´s te verminderen en over de effectiviteit van die maatregelen.
In hoeverre bent u bereid om in gesprek te gaan met techbedrijven om ze ertoe te bewegen om serieuze stappen te nemen, zoals het beperken van de maximale tijd per app, leeftijdscontroles en het aanpassen van de aanbevelingsalgortimes?
Het Ministerie van BZK is reeds met techbedrijven in gesprek om hen te wijzen op de verantwoordelijkheid die zij hebben om de rechten van kinderen online te beschermen. Ook heeft het Ministerie van BZK experttafels georganiseerd waarin oplossingen zijn besproken om de leeftijdscontrole te verbeteren. Op dit moment is de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zich hierop aan het beraden. Daarnaast treedt binnenkort de DSA in werking waarmee strengere voorwaarden gesteld worden aan het gebruik van aanbevelingsalgoritmes. Zo moeten zeer grote online platforms nadrukkelijk rekening gaan houden met de negatieve effecten die hun algoritmes kunnen hebben op kinderen en moeten zij deze systemen zo nodig aanpassen. Ze moeten dit bovendien laten onderzoeken door externe auditors. Een overzicht van fundamentele acties die verder worden ondernomen om kinderen beter te beschermen in de digitale wereld, zal voor de zomer door de Staatssecretaris van BZK naar uw Kamer worden gestuurd.
Ziet u kans om deze vraagstukken ook mee te nemen in het Nationaal Preventieakkoord?
Vanuit de brede preventieaanpak komt het thema schermtijd op een aantal plaatsen terug, zoals bijvoorbeeld bij het thema bewegen en bij het programma Gezonde School.
Binnen de Beweegalliantie is er een cirkel van organisaties (onder meer vanuit onderzoek, kennisinstituten, maatschappelijke organisaties, fondsen en kinderopvang) gestart voor 0–4 jarigen die aan de slag gaat met het in beweging krijgen van de doelgroep 0–4 jarigen. Schermtijd is in deze cirkel ook als thema besproken. Dit wordt de komende tijd verder uitgewerkt.
Het thema schermtijd komt ook terug in het beweegadvies van de Gezondheidsraad voor kinderen onder de 0–4 jaar. Daarin is opgenomen dat schermtijd voor kinderen onder de twee jaar compleet wordt afgeraden en bij kinderen tussen de 2 en 4 jaar moet worden beperkt tot maximaal 1 uur per dag. Op basis van dit advies heeft het Kennis Centrum Sport en Bewegen (KCSB) een infographic8 omtrent bewegen en zitgedrag gepubliceerd. Dit om het bewustzijn rondom het beweegadvies te vergroten. De infographic wordt met alle relevante partijen betrokken bij 0–4 jarigen gedeeld.
In de verdere implementatie van het beweegadvies zal schermtijd voor deze groep dan ook worden meegenomen.
Binnen de Gezonde School kunnen scholen aan de slag met het thema mediawijsheid. Scholen krijgen dan richtlijnen en adviezen voor schermtijd en kunnen aan de slag met verschillende interventies. Daarnaast zie ik de trend dat steeds meer thema’s een link hebben met schermtijd. Binnen het programma wordt bezien of en hoe schermtijd ook binnen de andere thema’s een grotere rol kan krijgen. Dit zal ook worden meegenomen in het programmaplan voor de nieuwe programmaperiode.
Bent u bekend met de Franse wetgeving over kinderen en sociale media, en vindt u het ook wenselijk om ook dergelijke concrete maatregelen in Nederland te nemen?3
Ja, ik volg met belangstelling de Franse wetgeving over kinderen en sociale media. Wetgeving over kinderen en sociale media in Europees verband heeft grotere schaal en impact. De Franse wetgeving omtrent de verhoging van de leeftijdsgrens naar 15 jaar voor het gebruik van sociale media zonder toestemming van de ouders is in onze ogen in Nederland niet noodzakelijk, aangezien de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) de verwerking van gegevens van kinderen onder de 16 jaar zonder de toestemming van ouders reeds verbiedt. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de naleving hiervan.
Burgerslachtoffers als gevolg van Nederlandse bombardementen in Irak tijdens de oorlog tegen Islamitische Staat |
|
Frank Futselaar (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66) |
|
|
|
|
Wanneer verwacht u dat het onderzoek naar het bombardement van 22 maart 2016 is afgerond en wie doet het onderzoek?1
Zoals aangekondigd in de brief van 30 maart jl. heb ik opdracht gegeven tot het starten van een intern onderzoek naar een inzet op 22 maart 2016 op een gebouw in Mosul (Irak) dat volgens de coalitie door ISIS werd gebruikt als hoofdkwartier. Zodra het onderzoek is afgerond wordt uw Kamer zo spoedig mogelijk over de uitkomsten geïnformeerd.
Wat is de waarde van eerdere uitlatingen dat het Amerikaanse Central Command (CENTCOM) serieus onderzoek deed maar het bombardement van 22 maart 2016 niet op ware aard heeft beoordeeld? Is duidelijk waarom CENTCOM deze fout heeft gemaakt?2
Op de uitkomsten van het interne onderzoek kan ik niet vooruit lopen.
Is het waar dat u op geen enkel moment bent ingelicht door CENTCOM en dat u nooit, ook niet na de debatten over het bombardement op Hawija, navraag heeft gedaan? Zo ja, waarom niet?
Onze eigen informatie over de inzet van 22 maart 2016 leverde geen indicaties op van mogelijke burgerslachtoffers. Er is geen navraag gedaan bij CENTCOM.
Is het waar dat CENTCOM alleen een beoordeling deed en geen onderzoek? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Geldt het onderzoek ook andere incidenten?
Nee, het interne onderzoek waarover ik uw Kamer op 30 maart jl. heb geïnformeerd, richt zich op de Nederlandse wapeninzet op 22 maart 2016 op een gebouw in Mosul (Irak).
Kan nu worden uitgesloten dat de door journalisten voorgelegde lijst van 148 vermoedens daadwerkelijk burgerslachtoffers tot gevolg hebben gehad?
Nee. Deze lijst bevat 148 meldingen van vermoedens van burgerslachtoffers als gevolg van coalitie-inzet (cq. alle landen die destijds deelnamen aan deze luchtcampagne). Als ik besluit een onderzoek te starten naar een nieuw vermoeden van burgerslachtoffers door Nederlandse wapeninzet i.h.k.v. artikel 100 van de Grondwet zal ik uw Kamer informeren conform de afspraken die in 2020 zijn gemaakt.3
Leidt deze informatie tot een herziening van uw eerdere stellingname dat er zeker geen andere van de bijna 2200 bombardementen tot burgerslachtoffers heeft geleid?
Ik herken mij niet in een dergelijke stellingname.
De brief van Eurocommissaris Sinkevicius aan de minister voor Natuur en Stikstof over de stikstofdoelen |
|
Pieter Omtzigt |
|
van der Ch. Wal-Zeggelink , Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
Klopt het dat u op 28 maart 2023 een overleg had met Eurocommissaris Sinkevičius in Brussel? Kunt u een gespreksverslag van die bijeenkomst openbaar maken?
Nee, ik heb op 28 maart 2023 geen overleg gehad met Eurocommissaris Sinkevičius en kan u zodoende geen gespreksverslag toezenden.
Kunt u de brief van 14 februari 2023, waarnaar de Eurocommissaris verwijst, openbaar maken?
Ik heb op 3 april uw Kamer zowel mijn brief van 14 februari 2023 aan Eurocommissaris Sinkevičius toegezonden als de antwoordbrief van de Eurocommissaris van 28 maart 2023.
Op welke wijze en op welk tijdstip heeft u de brief van 28 maart 2023 (niet op officieel briefpapier en zonder adres) ontvangen?1
De brief van Eurocommissaris Sinkevičius is op 28 maart 2023 aan de Permanente Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering in Brussel aangeboden en is die avond laat doorgestuurd aan mijn ministerie. De brief is mij op 29 maart om 11:30 uur per email toegezonden.
Kunt u aangeven of en zo ja, welke bemoeienis, invloed, overleg de Nederlandse regering heeft gehad bij de totstandkoming van deze brief? Kunt u hier een uitputtend overzicht van geven?
Er is geen inhoudelijke betrokkenheid geweest van de Nederlandse regering met betrekking tot de totstandkoming van de brief van Eurocommissaris Sinkevičius.
Kunt u deze vagen een voor een en uiterlijk dinsdag 4 april 2023 om 14.00 uur beantwoorden in verband met het plenaire debat later die dag?
Met deze beantwoording heb ik voldaan aan uw verzoek.
Het Warenwetbesluit attractie- en speeltoestellen (WAS) |
|
Rudmer Heerema (VVD) |
|
Kuipers |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief «Stand van zaken moties en toezeggingen zomerreces 2022»?1
Ja.
Klopt het dat er een verkenning is naar het eventueel betrekken van klim- en boulderwanden bij de nieuwe verplichtingen van het WAS en dat deze dan bestempeld zullen worden als speeltoestel? Wanneer is de verkenning afgerond?
Op dit moment wordt bekeken hoe eisen kunnen worden gesteld aan klim-en boulderwanden wanneer zij, behalve voor sportbeoefening, ook voor vermaak en ontspanning gebruikt worden. Te denken valt aan kinderfeestjes of recreatie. Het doel hiervan is het verhogen van de veiligheid van zowel bestaande als toekomstige faciliteiten. Het is echter niet zo dat hiermee direct besloten wordt dat deze toestellen aan dezelfde eisen zoals gesteld in het WAS moeten voldoen als bijvoorbeeld wipkippen en glijbanen. Onderdeel van het eerder genoemde onderzoek is bezien of de veiligheid van deze faciliteiten verhoogd kan worden wanneer zij gebruikt worden voor andere doeleinden dan sporten en wat daarvoor nodig is. De ontwikkeling van dit nieuwe beleid loopt al meerdere jaren en zal zeker nog enige tijd in beslag nemen. Bij de beleidsvorming zullen belanghebbenden betrokken worden.
Bent u op de hoogte van de ontwikkelingen op het gebied van sportklimmen, dat sinds 2021 een Olympische sport is? Zo ja, herkent u de signalen dat klim- en boulderhallen zich zorgen maken over de consequenties van dit besluit? Wat is uw reactie op deze zorgen?
Ik ben op de hoogte van de ontwikkelingen en ik herken de signalen dat klim- en boulderhallen zich zorgen maken dat de toestellen in de klim- en boulderhallen als speeltoestel worden beschouwd. Ik zal bij de uitwerking van het reguleren van de veiligheid van klim- en boulderhallen rekening houden met de toepasselijkheid van de eisen. Dit betekent dat de eisen die aan speeltoestellen, zoals een glijbaan of een schommel in een speeltuin, worden gesteld niet één op één van toepassing hoeven te zijn op klim- en boulderwanden die geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties. Er is recent contact geweest met de branchevereniging en de bond van de klimsport. Gedurende de uitwerking van de regelgeving zal ik met hen in contact blijven over het reguleren van de veiligheid van klim- en boulderhallen die behalve voor sportbeoefening ook voor vermaak en ontspanning worden gebruikt.
Wat zullen de gevolgen zijn voor de klimsport en klimsportaccommodaties wanneer klim- en boulderwanden worden bestempeld als speeltoestel in het kader van het WAS?
Zoals eerder benoemd wordt op dit moment bezien hoe de veiligheid van klim- en boulderwanden gereguleerd kan worden wanneer zij behalve voor sportbeoefening ook voor vermaak en ontspanning worden gebruikt. Ik wil niet vooruitlopen op de uitkomsten van dit inventarisatietraject.
Hoe wordt er onderscheid gemaakt tussen sport en spel bij het WAS? Hanteert de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij het toezicht de regel dat, zodra er twijfel bestaat of er uitsluitend sprake is van sport, er sprake is van spelen?
Het WAS maakt onderscheid tussen sport- en speeltoestellen. Speeltoestellen worden omschreven als een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning. Sporttoestellen, zoals turntoestellen, voetbaldoelen en fitnessapparatuur, die primair zijn bestemd voor het uitoefenen of aanleren van een sport en geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties vallen niet onder het WAS, zolang de nadruk ligt op behendigheid, lichaamsoefening en training, in plaats van op vermaak en ontspanning.
Sporttoestellen zijn uitgesloten van het WAS en vallen daarom buiten het toezicht van de NVWA. De grens tussen sport- en speeltoestellen is onder de huidige regelgeving niet altijd even scherp. Er wordt verkend hoe er beter onderscheid tussen sport- en speeltoestellen kan worden gemaakt.
De NVWA gebruikt naast de wet- en regelgeving jurisprudentie over sport in relatie tot kinderfeestjes als leidraad bij toezicht en handhaving. De NVWA beschouwt recreatieve activiteiten zonder begeleiding en zonder duidelijk doel om prestaties te verbeteren als spel. Hierdoor worden toestellen bij sportactiviteiten of -locaties soms onder het WAS geplaatst. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van toestellen op een (sport)locatie die hoofdzakelijk is opengesteld voor «vrij» spelen en feestjes en waar geen of nauwelijks sportbeoefening plaatsvindt. Toestellen geplaatst op een voor sportbeoefening bestemde locatie en die primair worden gebruikt voor sportbeoefening en af en toe opengesteld worden voor recreatieve activiteiten bedoeld als kennismaking met de sport (bijvoorbeeld kinderfeestjes), vallen niet onder het WAS.
Bent u het eens dat sportklimmen (top)sport is en dus niet thuishoort bij het WAS, dat van toepassing is op speeltoestellen en niet op sportvoorzieningen?
Ik ben het eens dat sportklimmen (top)sport is. Klim- en boulderwanden die uitsluitend gebruikt worden voor sportbeoefening vallen niet onder het WAS, omdat het WAS over attractie- en speeltoestellen gaat en niet over sport. Zodra klimsporttoestellen naast sportbeoefening ter beschikking worden gesteld voor recreatie vervaagt echter het onderscheid tussen sport en spel. Daarom wordt op dit moment bezien of de veiligheid van deze toestellen verhoogd kan worden wanneer zij gebruikt worden voor andere doeleinden dan sporten en wat daarvoor nodig is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat klim- en boulderwanden oneigenlijk bestempeld worden als speeltoestel?
Klim- en boulderwanden die primair zijn bestemd voor het uitoefenen of aanleren van een sport en geplaatst zijn op voor sportbeoefening bestemde locaties zijn op dit moment uitgezonderd van het WAS, omdat dit als sport wordt gezien en niet als spel. Ook in het nieuwe WAS blijft dit zo. Zodra klim- en boulderwanden ter beschikking worden gesteld voor recreatie vervaagt dit onderscheid. Ik ben aan het verkennen hoe het onderscheid tussen een sport- en een speeltoestel verduidelijkt kan worden in situaties waarin een toestel zowel voor sportbeoefening als voor vermaak of ontspanning wordt gebruikt, en welke veiligheidseisen er aan deze toestellen gesteld zouden moeten worden. Hierbij is het uitgangspunt zoveel mogelijk aan te sluiten bij de toepasselijke veiligheidsnormen voor klim- en boulderwanden. Ik kan echter niet uitsluiten dat hierdoor klim- en boulderwanden die primair bestemd zijn op voor sportbeoefening bestemde en ter beschikking worden gesteld voor recreatie onder de definitie van een speeltoestel komen te vallen.
VN-resolutie 2664 die humanitaire uitzonderingen mogelijk maakt in VN-sanctieregimes |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met VN-resolutie 2664?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de mogelijkheden om een «carve-out» in VN-sanctieregimes aan te brengen om humanitaire hulp door gerenommeerde humanitaire organisaties makkelijker mogelijk te maken?
VN-Veiligheidsraadsresolutie 2664 introduceert een humanitaire exemptie in alle VN-sanctieregimes. Het invoeren van humanitaire exempties2 komt tegemoet aan een breed en lang gedragen wens van humanitaire actoren en zal hun werk vergemakkelijken. Mede door uitdagingen als overcompliance en derisking door leveranciers en financiële dienstverleners tegen te gaan. Tevens maakt het harmoniseren van regelgeving compliance voor zowel banken als humanitaire actoren eenvoudiger en daarmee goedkoper. Daarnaast biedt de resolutie een unieke kans om humanitaire uitzonderingen te harmoniseren op basis van een nieuwe internationale standaard, zowel tussen de verschillende EU-sanctieregimes als t.o.v. sleutelpartners als de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk.
In welke mate is de VN-resolutie 2664 reeds verwerkt in de EU-sanctieregime? Kunnen Nederlandse en Europese humanitaire organisaties al gebruik maken van de uitzonderingen gemaakt in VN-resolutie 2664?
VN-Veiligheidsraadresolutie 2664 voorziet in een uitzondering op het verbod om economische middelen ter beschikking te stellen aan entiteiten en personen op de sanctielijst. De uitzondering geldt voor bepaalde humanitaire actoren en enkel voor activiteiten die noodzakelijk zijn voor het leveren van humanitaire hulp en het ondersteunen van menselijke basisnoden. De EU heeft eerder dit jaar de benodigde aanpassingen gemaakt om de humanitaire exemptie door te voeren in de Europese wetteksten die VN-sanctieregimes implementeren. Ook is de exemptie, mede op Nederlands initiatief, reeds ingevoerd voor zogenaamde «gemengde» sanctieregimes, waar zowel EU- als VN-listings onder vallen. Nederland is in EU-kader voorvechter van het doorvoeren van de humanitaire exemptie in EU-autonome sanctieregimes, in lijn met VN-resolutie 2664. Zo werd in het EU-autonome sanctieregime ten aanzien van Syrië voor een initiële periode van zes maanden een humanitaire exemptie op basis van VN-Resolutie 2664 aangenomen. Met gelijkgezinden zet Nederland zich in om deze exemptie ook in andere regimes in te voeren. Dit gebeurt op een casy-by-case basis met inachtneming van eventuele risico’s en de specifieke context van elk sanctieregime.
Wat voor geschat effect heeft deze carve-out op de lokale bevolking in onder sancties geplaatste regimes, zoals Syrië en Iran?
Het is nog te vroeg om een precieze inschatting te maken van het effect van de implementatie van VN-Veiligheidsraadresolutie 2664. In gebieden waar al langer humanitaire exempties van kracht zijn (zoals Afghanistan en bezette delen van Oekraïne) rapporteren humanitaire organisaties dat deze maatregel hulpverlening daadwerkelijk vergemakkelijkt. Ook ten aanzien van Syrië ontvangt het kabinet signalen dat de recente exemptie de levering van humanitaire hulp al eenvoudiger maakt. Daarmee is de inschatting dat deze humanitaire exempties een positief effect zullen hebben op het welzijn van die delen van de bevolking die humanitaire hulp nodig hebben. Het kabinet zal de effecten actief blijven monitoren.
Hoe werkt u samen met banken en financiële dienstverleners om deze resolutie te implementeren?
Het kabinet voert regelmatig overleg met Ngo’s en banken via de Ronde Tafel Financiële Toegang, waar op verzoek van het kabinet ook VN-Veiligheidsraadresolutie 2664 is geagendeerd en toegelicht. Daarnaast voert het kabinet separate gesprekken met de Nederlandse Vereniging van Banken over de humanitaire exempties onder VN-Veiligheidsraadresolutie 2664. Bij deze gesprekken bespreekt het kabinet ook met banken en ngo’s hoe de harmonisering van regels op basis van resolutie 2664 kan helpen om problemen rond derisking en overcompliance te helpen oplossen – bijvoorbeeld bij het faciliteren van de aardbevingsrespons in Syrië. Banken en ngo’s geven aan deze inzet te verwelkomen.3 Ten slotte kunnen humanitaire organisaties en banken bij specifieke vragen direct contact opnemen met het humanitaire contactpunt van de EU, of het Ministerie van Financiën.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het van overheidswege uitschakelen van internet terwijl de autoriteiten jagen op een Sikh-prediker |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over het van overheidswege uitschakelen van het internet in de deelstaat Punjab, terwijl de autoriteiten jagen op een Sikh-prediker?1
Ja.
Klopt het dat de media black-out in Punjab (India) ongeveer 30 miljoen Punjabi’s heeft getroffen?
Op 18 maart 2023 werd door de deelstaatregering van Punjab een bevel uitgevaardigd voor de sluiting van internetdiensten voor een periode van 24 uur. Deze periode werd uiteindelijk verlengd tot 23 maart 2023. De genoemde bevelen zijn uitgevaardigd onder de relevante bepalingen van de «Indian Telegraph Act» en «Temporary Suspension of Telecom Services (Public Emergency or Public Safety Rules), 2017» die de opschorting van internetdiensten toestaan in situaties die een bedreiging vormen voor de openbare veiligheid of neerkomen op een openbare noodsituatie.
De gedeeltelijke, tijdelijke opschorting van internetdiensten heeft volgens berichtgeving de gehele deelstaat Punjab geraakt, die bijna 30 miljoen inwoners telt. De breedbanddiensten zijn niet opgeschort. Bankfaciliteiten, ziekenhuisdiensten en andere essentiële diensten zijn niet verstoord.
Hoe beoordeelt u de bestraffing van een volledige bevolkingsgroep voor de daden van de radicale prediker Amritpal Singh?
Het kabinet is van mening dat toegang tot online media en diensten een essentieel onderdeel van mediavrijheid en vrijheid van meningsuiting vormt, en daarmee tot de mensenrechten gerekend kan worden. Het kabinet is dan ook van mening dat tot tijdelijke sluiting van internetdiensten alleen in uiterste noodsituaties, onder strikte voorwaarden en met de uiterste terughoudendheid zou moeten worden overgegaan, zoals bijvoorbeeld beschreven in het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten artikel 19.3.
De regering kan geen oordeel geven over de vraag of de vermeende dreiging voor de openbare orde en veiligheid dermate ernstig was dat deze een tijdelijke opschorting van internetdiensten voor de gehele bevolking van de deelstaat Punjab zou rechtvaardigen, omdat de regering over onvoldoende informatie over de exacte situatie en context beschikt.
Voegt u zich bij de constatering van de fractie van DENK, dat collectieve bestraffing een inperking van de mensenrechten is van de 30 miljoen Punjabi’s gevestigd in Punjab (India)?
Voor het standpunt van het kabinet verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 3.
Volgens de Punjab-regering was er een «duidelijk potentieel voor bedreiging van de openbare veiligheid, verstoring van openbare voorzieningen, schade aan openbare activa en verstoring van de openbare orde in de staat Punjab vanwege misbruik van mobiele internetdiensten».
Graag voeg ik hier aan toe dat de vergaande bevoegdheden van de autoriteiten om internetdiensten tijdelijk af te sluiten in India zelf ter discussie staan. Het Indiase Hooggerechtshof heeft in een aantal recente uitspraken geoordeeld dat «het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht om zijn beroep uit te oefenen zich uitstrekt tot het medium internet» en dat «opschorting van het internet een drastische maatregel is, en alleen toegepast kan worden na beoordeling van minder ingrijpende oplossingen». De Permanente Commissie voor communicatie en informatietechnologie van het Indiase parlement heeft in haar rapport getiteld «Suspension of Telecom Services/Internet and Its Impact» een reeks aanbevelingen gedaan, waaronder een herziening van de wettelijke regeling voor de schorsing van internetdiensten en het opzetten van een database met internetdiensten stopzettingsbevelen. De aanbevelingen zijn echter nog niet uitgevoerd.
Het is van belang dat de discussie over verlenging en inzet van bevoegdheden voor tijdelijke sluiting van internetdiensten door betrokken partijen in India zelf gevoerd wordt, en dat besluitvorming hierover langs democratische en constitutionele weg verloopt.
Bent u bereid om zich uit te spreken over de inperking van de mensenrechten van de Punjabi’s gedurende de klopjacht naar de radicale prediker Amritpal Singh?
Nederland voert een mensenrechtendialoog met India in bilateraal, EU- en in VN-verband. De mensenrechtenambassadeur heeft vorige maand een bezoek aan India gebracht. Met vertegenwoordigers van de regering en de Nationale Mensenrechtencommissie heeft zij onder meer gesproken over het belang van vrijheid van meningsuiting en media (online en offline) alsmede de rechten van minderheden en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. In Kolkata heeft de mensenrechtenambassadeur een interreligieuze dialoog gevoerd met religieuze leiders van verschillende geloofsovertuigingen, waaronder ook van de Sikhs. In de mensenrechtendialoog tussen de EU en India, die naar verwachting later dit jaar weer zal plaatsvinden, zullen vrijheid van meningsuiting, de rechten van minderheden en vrijheid van godsdienst en levensovertuiging ongetwijfeld ook weer nadrukkelijk op de agenda staan.
Deelt u de mening dat de rechten van een bevolkingsgroep zoals de Punjabi’s niet onderdrukt mogen worden door India? Zo ja, kunt u dan uiteenzetten op welke wijze u dit uitdraagt naar India? Zo nee, waarom niet?
Zie de antwoorden op de vragen 4 en 5.
Bent u bereid om in gesprek te treden met uw counterpart in India, al dan niet via de Indiase ambassadeur, over de situatie in India betreffende het censureren van de media in de deelstaat Punjab?
Zie het antwoord op vraag 5.
Bent u bereid om het gesprek aan te gaan met de Sikh-diaspora in Nederland, om een uiteenzetting te krijgen van hun legitieme zorgen en tevens deze over te brengen bij uw counterpart in India, al dan niet via de Indiase ambassadeur?
Zoals in het antwoord op vraag 5 aangegeven, voert Nederland op verschillende niveaus een mensenrechtendialoog met India. Het kabinet laat zich hiervoor graag informeren door vertegenwoordigers van de Sikh-gemeenschap in Nederland en Europa. De mensenrechtenambassadeur gaat hierover graag in gesprek met vertegenwoordigers van de Sikh-gemeenschap zoals ze in Kolkata heeft gedaan.
Tevens hebben op 4 november 2022 vertegenwoordigers van de World Sikh Parliament Europa en voorzitter van de Punjab Right organisation een petitie aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken aangeboden in verband met de (jaarlijkse) herdenking van de Anti-Sikh-rellen van 1984. De vertegenwoordigers vroegen aandacht voor de kwetsbare positie van Sikh in India.
Het bericht 'Grote stroom aan nieuwe leerlingen op internationale scholen levert problemen op' |
|
Bente Becker (VVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote stroom aan nieuwe leerlingen op internationale scholen levert problemen op»1?
Ja.
Deelt u de mening dat het belangrijk is voor de integratie dat jonge nieuwkomers via het onderwijs zo snel mogelijk Nederlands leren en worden voorbereid om te werken en zo maximaal mee te doen in de samenleving? Deelt u tevens de mening dat Internationale Schakelklassen (ISK’s) daarin een cruciale rol spelen?
Ja, het is belangrijk dat jonge nieuwkomers zo snel mogelijk naar school gaan zodat ze de taal kunnen leren, kunnen integreren en participeren in onze samenleving. Daarom hebben we in Nederland zowel voor het po (taalklassen of nieuwkomersscholen) als het vo (internationale schakel klassen) scholen met een onderwijsprogramma dat specifiek gericht is op nieuwkomers. Dit programma biedt deze kinderen de mogelijkheid om de taal te leren en om zich voor te bereiden op instroom in het reguliere of speciaal onderwijs.
Is het juist dat op dit moment honderden jonge nieuwkomers op een wachtlijst staan voor een ISK-school en daardoor noodgedwongen thuis zitten? Welke mogelijkheden ziet u om de gemiddelde looptijd te verkoren? Welke mogelijkheden zijn er om in de tussentijd alsnog een vorm van onderwijs te geven in de opvang? Ziet u hier bijvoorbeeld mogelijkheden om met gemeentes en azc’s afspraken te maken om te werken aan het leren van de taal?
Isk-scholen kampen met ernstige capaciteitstekorten door het grote aantal jongeren dat een beroep doet op dit onderwijs. Dit aantal zal de komende periode verder toenemen2. Het tekort aan onderwijsplekken is een urgent maatschappelijk probleem en op heel korte termijn niet op te lossen zonder scholen en gemeentebesturen meer ruimte te geven om het onderwijs op een andere manier te organiseren.
Op 30 november 2022 heb ik aan uw Kamer toegezegd om met een voorstel te komen dat ruimte biedt om op een andere manier het onderwijs voor een bredere groep nieuwkomers te organiseren en daarmee terug te komen naar de Kamer.
Het streven blijft daarbij om kinderen onderwijs te bieden dat het meest in het belang is van het kind. Dit betekent dat de inspanningen erop gericht zijn om kinderen zo snel mogelijk een regulier onderwijsaanbod te doen.
In verschillende bijeenkomsten heb ik de afgelopen periode gesproken over hoe ik de onderwijspraktijk op korte termijn kan helpen. Om dit zo goed mogelijk te garanderen heb ik besloten om op korte termijn met een spoedwetsvoorstel te komen waarmee voor nieuwkomers in het onderwijs tijdelijke voorzieningen mogelijk worden gemaakt. Met dit voorstel wil ik ruimte bieden aan scholen om het onderwijs voor nieuwkomers tijdelijk op een andere manier te organiseren, zodat de wachtlijsten worden tegengegaan. Er wordt momenteel nog gewerkt aan het wetsvoorstel.
Ik verwacht het wetsvoorstel begin juniaan uw Kamer te kunnen voorleggen en ga graag met uw Kamer hierover in gesprek.
Vanwege de massale toestroom van Oekraïense ontheemden heb ik medio 2022 de Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden opgesteld. Hiermee heb ik de mogelijkheid gecreëerd om voor deze groep ontheemden tijdelijke onderwijsvoorzieningen (tov's) in te richten. Dit zorgde ervoor dat Oekraïense ontheemden een plek werd geboden binnen het onderwijs. Daarmee werd de druk op het reguliere nieuwkomersonderwijs enigszins verlicht. Desalniettemin zie ik dat de druk op het nieuwkomersonderwijs groot blijft.
Hoe wordt geanticipeerd op het toenemende aantal Oekraïense kinderen dat een beroep zal blijven doen op de capaciteit van ISK-scholen en het lesaanbod? Bent u bereid in samenspraak met het ISK-onderwijs plannen te maken om verdringing van andere doelgroepen te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Is het juist dat het recht op tweejarige financiering voor nieuwkomers die onderwijs zullen volgen op een ISK wordt gestart op het moment van aankomst in Nederland? Bent u bekend met de klacht vanuit ISK-scholen dat deze financieringsmethode tot een probleem leidt omdat minderjarige nieuwkomers die onderwijs zullen gaan volgen veel later op een ISK starten dan dat zij Nederland binnenkomen en daarmee het recht op financiering dus in de praktijk veel korter is dan twee jaar?
Op dit moment is het inderdaad zo dat de financiering voor onderwijs aan nieuwkomers start op het moment van aankomst in Nederland. Het klopt dat dit er in de praktijk toe kan leiden dat een schoolbestuur voor minder dan twee jaar nieuwkomersbekostiging ontvangt voor een leerling. Ik verken de mogelijkheden om deze systematiek aan te passen en zal de uitkomst daarvan ook met uw Kamer delen.
Bent u bereid deze financieringsmethode aan te passen en meer recht te doen aan de daadwerkelijke verblijfsduur in het onderwijs? Zo ja, op welke termijn? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid een feitelijk overzicht te verstrekken van de volgende cijfers:
Om te beginnen zaten er op 1 januari 2023 20.825 leerlingen binnen de voorwaarden van de nieuwkomersbekostiging in het voortgezet onderwijs. Deze leerlingen gaan niet allemaal naar een isk. Zij zijn niet verplicht om naar een isk te gaan maar kunnen er ook voor kiezen om meteen in te stromen in het regulier onderwijs.
Ik heb beperkt inzicht in het soort onderwijs dat deze leerlingen volgen. Binnen het register onderwijs deelnemers (ROD) is het mogelijk om leerlingen het onderwijskenmerk isk mee te geven, dit is in het lopende schooljaar voor 13.980 leerlingen het geval. Echter het is niet verplicht om leerlingen in een isk dit kenmerk mee te geven en hier is ook geen bekostiging aan verbonden. Daardoor is er een reële kans dat deze registratie niet compleet is en er meer leerlingen isk onderwijs volgen dan nu uit de registratie blijkt. Hierdoor kan ik op dit moment geen sluitend antwoord geven op de vragen over het aantal leerlingen, het aantal klassen en scholen en de spreiding.
Verder heeft LOWAN-vo recent een vragenlijst uitgezet onder alle isk’s. Uit de resultaten3 van deze vragenlijst blijkt dat naar schatting in totaal 30.000 leerlingen onderwijs volgen op de isk’s. In beginsel volgen leerlingen 2 jaar onderwijs op een isk. Er worden geen gegevens bijgehouden over de doorstroom naar het vervolgonderwijs en de loopbaan van nieuwkomers.
De inspectie heeft eerder wel in beeld gebracht in hoeverre de schoolloopbanen van nieuwkomers verschillen van schoolloopbanen van niet-nieuwkomers. In dit themarapport4 wordt onder andere gekeken naar verschillen in opgelopen vertraging, uitstroom naar het speciaal(basis)-onderwijs, schooladviezen, eindexamenresultaten en doorstroom naar het vervolgonderwijs. Het rapport concludeert dat nieuwkomers te maken hebben met meer moeilijkheden in de schoolloopbaan, maar ze krijgen ook kansen en benutten deze ook. De schoolloopbanen van nieuwkomers verlopen enerzijds moeizamer dan bij niet-nieuwkomers: ze lopen vaker vertraging op, wisselen vaker van school, krijgen een lager definitief basisschooladvies, slager minder vaak de eerste keer voor hun examen en starten minder vaak met vervolgonderwijs. Anderzijds maakt een deel van de nieuwkomers gedurende hun schoolloopbaan gebruik van kansen om door te stromen naar een niveau dat meer aansluit bij hun mogelijkheden. In het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs zijn nieuwkomers vaker dan niet-nieuwkomers opgestroomd en doen ze vaker op een hoger niveau eindexamen dan het niveau van hun basisschooladvies. Het merendeel van de nieuwkomers studeert door op een niveau passend bij hun eindexamen.
Tot slot is er geen sluitend beeld van de kwaliteit van eerste opvang anderstaligen (eoa’s) ofwel isk-scholen. Isk’s hebben geen eigen brin-of vestigingsnummer maar worden gekoppeld aan een afdeling binnen een school. Vaak is dat een afdeling van een vmbo-school. Hierdoor bestaat het risico dat de inspectie van het Onderwijs geen of onvoldoende zicht heeft op de isk’s. Om die reden voert de inspectie sinds 2021 jaarlijks een prestatieanalyse uit. In de prestatieanalyse analyseert de inspectie op basis van een aantal gegevens de onderwijskwaliteit en eventuele risico’s bij de eoa-afdelingen. Dit kan leiden tot een kwaliteitsonderzoek of een bestuursgesprek. In 2024 start de inspectie daarnaast met kwaliteitsonderzoeken over de onderwijskwaliteit van eoa-afdelingen in Nederland.
Als u (enkele van) bovenstaande getallen niet kunt verstrekken vanwege een gebrek aan specifieke registratie en monitoring op ISK, bent u dan bereid deze cijfers te gaan bij houden en de Kamer daarover te informeren?
Op dit moment is er geen wettelijke verplichting om het nieuwkomersonderwijs als dusdanig te registreren. Dit wil ik op termijn wel regelen, maar dit vergt een wetswijziging en is dus niet op korte termijn te realiseren. Tussentijds houd ik de vinger aan de pols via gesprekken met de scholen en betrokken organisaties als LOWAN en VNG. Ook kan ik tussentijds een peiling uitvoeren. De instroom fluctueert sterk waardoor een peiling altijd een momentopname zal zijn.
Bovendien bestaan isk’s volgens de wet niet, waardoor het niet mogelijk is om isk’s te onderscheiden bij DUO. Na de zomer verwacht ik te starten met een verkenning naar regulier nieuwkomersonderwijs, waar registratie en monitoring onderdeel van zullen zijn.
Zijn de aparte hoofdstukken van het toezichtskader voortgezet onderwijs in uw ogen voldoende om de kwaliteit van het specifieke onderwijs op de ISK scholen te borgen en is er binnen de inspectie voldoende kennis van ISK-onderwijs om goed toezicht te kunnen houden?
Ja, het onderzoekskader vo en het waarderingskader eerste opvang anderstaligen ofwel isk, wat daar onderdeel van is, zijn in mijn ogen voldoende om de kwaliteit van het onderwijs op de isk’s te borgen. In dit waarderingskader wordt specifiek rekening gehouden met de kenmerken van nieuwkomersonderwijs.
Binnen de inspectie is voldoende kennis aanwezig om toezicht te kunnen houden op dit type onderwijs. Het gaat om onderwijs dat valt onder de WVO. De inspecteurs zijn goed in staat om dit type onderwijs te beoordelen. Voor de eoa ofwel isk kent de inspectie specifieke richtlijnen en procedures, die onderdeel zijn van de Kennisbasis waarvan de inspecteurs gebruik maken. De inspectie schoolt nieuwe medewerkers hierin.
Is ooit overwogen een apart toezichtskader voor ISK onderwijs te ontwikkelen en zo ja, waarom is daar niet voor gekozen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet overwogen. Isk’s vallen onder de WVO. Het toezicht maakt daarom integraal onderdeel uit van het toezicht op scholen voor voortgezet onderwijs. De werkwijze zoals in het onderzoekskader VO 2021 staat beschreven, geldt voor alle onderwijsvoorzieningen die onder de WVO vallen. Zoals in het antwoord op vraag 9 beschreven, is er een apart waarderingskader voor eoa’s ofwel isk’s met een aantal standaardaanpassingen ten opzichte van het kader voor reguliere vo-scholen.
Is er voldoende aandacht voor benchmarking in de ISK-sector en zo nee, bent u bereid dit aan te jagen en zo ja, op welke wijze?
Nee, isk’s worden niet gebenchmarkt. Isk’s bestaan in verschillende varianten en zijn daarmee onderling niet goed vergelijkbaar.
Wel is er onderling contact tussen isk’s, bijvoorbeeld om goede voorbeelden uit te wisselen. Dat moedig ik aan. Daar heeft ook LOWAN een ondersteunende rol in en leveren ook mijn regiocoördinatoren een belangrijke bijdrage aan. LOWAN-vo heeft bijvoorbeeld de LOWAN-vo community. Deze community biedt de mogelijkheid om in gesprek te gaan met vakgenoten en kennis met elkaar de delen.
Welke belemmeringen zijn er in de aansluiting tussen het onderwijs in een ISK-klas en het vervolgonderwijs, zoals het middelbaar beroepsonderwijs, en hoe werkt u eraan deze weg te nemen?
Een leerling stroomt zo spoedig mogelijk en in beginsel binnen twee jaar van een isk naar vmbo, havo of vwo. Afhankelijk van het niveau en de leeftijd van een leerling kan ook doorstroom naar mbo, hbo of wo aan de orde zijn. Leerlingen kunnen overigens ook rechtstreeks in regulier vo of mbo instromen, afhankelijk van hun niveau, beheersing van het Nederlands en de ondersteuning die een vo-school of mbo-instelling kan bieden.
Om leerlingen een passende aansluiting van nieuwkomersonderwijs op vervolgonderwijs te kunnen bieden, is een warme overdracht en goede samenwerking tussen scholen van belang. Dit gaat in veel regio’s goed, maar nog niet overal. Ook de onderwijsbehoefte van de specifieke leerling in combinatie met het onderwijsaanbod op de isk en de nieuwe school kan een probleem vormen. Dit speelt bijvoorbeeld als een leerling nog langere tijd extra ondersteuning in de Nederlandse taal nodig heeft, of kan aan de orde zijn als in het nieuwkomersonderwijs niet (voldoende) kan worden aangesloten bij het niveau van de leerling.
Om de overstap soepel te laten verlopen, biedt Lowan vo aan scholen en onderwijsinstellingen een handreiking «In gesprek over doorstroom van isk naar mbo». Verder zijn er ook voorbeelden van isk en mbo-instellingen die gezamenlijk een onderwijsaanbod vorm geven en bestaat de mogelijkheid om een leerling met een beroepsgericht profiel vanuit de isk uit te besteden aan het mbo. Specifiek ten behoeve van de in- en doorstroom van ontheemden uit Oekraïne wordt ook gewerkt aan een aanpak van de doorstroom. Hier verwachten we lessen uit te trekken voor alle nieuwkomers.
Is het juist dat ISK onderwijs binnen de PABO-opleidingen weinig aandacht geniet? Ziet u mogelijkheden om binnen PABO-opleidingen meer aandacht te besteden aan ISK-onderwijs om aankomend docenten bekender te maken met ISK-onderwijs en om het aanbod van ISK-docenten te vergroten? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Isk’s verzorgen nieuwkomersonderwijs aan leerlingen in het voortgezet onderwijs. Docenten binnen het voortgezet onderwijs worden opgeleid op eerste- of tweedegraads lerarenopleidingen. Pabo-opleidingen daarentegen leiden studenten op om les te geven in het primair onderwijs. Nieuwkomersonderwijs aan leerlingen in het primair onderwijs wordt gegeven op zogenoemde nieuwkomersscholen of taalscholen.
Uit een recente uitvraag aan pabo-opleidingen via de Vereniging Hogescholen bleek dat de meeste pabo-opleidingen binnen het curriculum aandacht besteden aan onderwijs aan anderstalige leerlingen. Dit kan zijn onder de naam NT2, maar ook onder andere namen zoals meertaligheid, anderstaligen, differentiëren of taalverwerving. Daarnaast bieden de meeste pabo-opleidingen ruimte voor verdere verdieping in het onderwerp, bijvoorbeeld via een minor. Ook is er in de helft van de opleidingen de mogelijkheid stage te lopen of een bezoek te brengen aan een azc-school, een nieuwkomersschool, een internationale school of een internationale groep binnen een reguliere school.
De meeste hogescholen bieden een vorm van bij- of nascholing aan leraren in het primair én voortgezet onderwijs op het gebied van NT2/nieuwkomersaanwijs aan. Dit kan in verschillende vormen, van losse modules tot post-initiële opleidingen.
Bent u bereid een aparte brief te sturen over de stand van het ISK-onderwijs en uw plannen hieromtrent zodat de Kamer in staat wordt gesteld zich meer bezig te houden met deze belangrijke vorm van onderwijs? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Bij de Wet tijdelijke onderwijsvoorzieningen bij massale toestroom van ontheemden heb ik aangekondigd in 2023 aan de slag te gaan met het reguliere nieuwkomersonderwijs. Na de zomer verwacht ik te starten met een verkenning hierop. Hiermee wil ik in kaart brengen wat de stand van zaken is en waar we naartoe willen werken. Wanneer ik de resultaten hiervan heb ga ik graag met uw Kamer hierover in gesprek.
Het bericht 'Afschaffing btw op groente en fruit dreigt te sneuvelen' |
|
Pieter Grinwis (CU), Romke de Jong (D66) |
|
Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Afschaffing btw op groente en fruit dreigt te sneuvelen»?1
Ja.
Bent u bekend met de uitspraak van de Minister-President in de Eerste Kamer dat «het niet zo is dat de Belastingdienst een nultarief niet zou kunnen uitvoeren door ICT-problemen», maar dat het probleem zit in het «vormgeven en afbakenen van wat groente en fruit is»?2
Ja.
Waarom twijfelt u dan over het introduceren van een nultarief voor groente en fruit, terwijl er blijkens de afspraak in het coalitieakkoord en uitspraken van de Kamer breed politiek draagvlak is voor de introductie van een nultarief in de btw op groente en fruit, én de Belastingdienst – zoals blijkt uit de uitspraken van de Minister-President – het nultarief kan uitvoeren?
Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over het al dan niet invoeren van een btw-nultarief op groente en fruit en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet. Hierop kan niet vooruit worden gelopen. Dat geldt ook voor wat betreft de reden(en) waarom eventueel van de maatregel zal worden afgezien.
Klopt het dat de oorzaak van deze twijfel ligt in de gedachte dat dit voor de Belastingdienst «leidt tot veel juridisch getouwtrek van producenten die vinden dat ze ook onder het nultarief moeten vallen»?
Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 3.
Waarom zijn dergelijke juridische procedures een probleem voor de Belastingdienst? Is de Belastingdienst inmiddels niet buitengewoon bedreven in het voeren van dit soort procedures? Is het niet zo dat in het verleden, bijvoorbeeld bij de differentiatie tussen het hoge en het lage btw-tarief, ook sprake was van «juridisch getouwtrek»? Zo ja, waarom was dit destijds geen bezwaar om tot invoering over te gaan, maar nu bij het nultarief op de btw op groente en fruit wel?
In tegenstelling tot de andere producten waarvoor het verlaagde btw-tarief geldt, zoals geneesmiddelen, is voor groente en fruit geen afbakening op basis van bestaande wetgeving mogelijk. Het verlaagde btw-tarief op geneesmiddelen is bijvoorbeeld slechts van toepassing op geneesmiddelen waarvoor een handelsvergunning is verleend op grond van de Geneesmiddelenwet. Desondanks worden op dit moment nog altijd tientallen procedures gevoerd waarbij ook deze scherpe afbakening wordt aangevochten op basis van het neutraliteitsbeginsel. Bij een btw-nultarief op groente en fruit is een dergelijke wettelijke verankering niet mogelijk waardoor ondergraving door toepassing van het neutraliteitsbeginsel nog eerder aan de orde is.
Indien sprake is van een niet juridisch-houdbare definitie levert dit niet alleen problemen op voor de Belastingdienst. Een btw-nultarief voor groente en fruit vraagt om een wettelijk onderscheid tussen groente en fruit enerzijds en andere voedingsmiddelen anderzijds. Voor andere voedingsmiddelen dan groente en fruit geldt het verlaagde btw-tarief van 9%. Het Unierechtelijke neutraliteitsbeginsel in de btw brengt mee dat op goederen en diensten die in de ogen van de «modale consument» met elkaar concurreren hetzelfde btw-tarief moet worden toegepast. Verschillen in btw-tarieven mogen, met andere woorden, geen concurrentieverstoring teweegbrengen. Als niet onder het nultarief vallende producten door de modale consument potentieel als vergelijkbaar worden gezien met producten die als groente en fruit zijn aangemerkt, kunnen verkopers van die producten ervoor kiezen om een juridische procedure te starten. Als de rechter ze gelijk geeft, zal dan op de door hen verkochte producten ook het nultarief kunnen worden toegepast. Deze producten concurreren op hun beurt weer met andere producten, die dan ook weer onder het nultarief zouden kunnen gaan vallen. Deze procedures zijn niet eenmalig, maar zullen zich blijven voortzetten omdat door elke procedure de afbakening van «groente en fruit» verandert. Dit levert rechtsonzekerheid op voor ondernemers. Er ontstaat dan bovendien olievlekwerking, waardoor er steeds meer ongezonde producten onder het btw-nultarief gaan vallen, waardoor het doel van het nultarief steeds meer verloren gaat, de maatregel ondoelmatiger wordt en de kosten van de maatregel steeds verder oplopen.
Verder verwacht de Belastingdienst juridische procedures over de toepassing van de zogeheten «eenheid-van-prestatie-leer». Deze leer bepaalt welk btw-tarief van toepassing is wanneer groente en fruit worden gecombineerd met andere prestaties (zoals toevoegingen aan groenten en fruit en samenstellingen van groente en fruit met andere voedingsmiddelen).
De bereidheid bij belastingplichtigen om te procederen wordt versterkt door het directe financiële voordeel dat zij bij een gewonnen procedure behalen. De door de consument betaalde btw hoeven zij dan niet af te dragen (of krijgen zij terug van de Belastingdienst) en is direct winst, omdat er geen plicht is om dit voordeel aan de consument door te geven. Dit voordeel is met name aanzienlijk bij grootwinkelbedrijven en loopt op met het verstrijken van de tijd. Procederen is in feite een loterij zonder nieten, omdat bij verlies geen extra heffing plaatsvindt en de consument de btw al heeft betaald.
Klopt het dat het afschaffen van de btw op groenten en fruit, afhankelijk van de vormgeving en afbakening waar de Minister-President aan refereerde, tussen de 550 en 950 miljoen euro kost? Welke dekkingsopties hebt u hierbij in gedachten?
Ja, dat klopt. Besluitvorming over eventuele invoering van deze maatregel en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen, alsmede de dekking daarvoor, is aan een volgend kabinet.
Is het nog steeds mogelijk om de btw op groenten en fruit per 1 januari 2024 af te schaffen?
De Belastingdienst is ICT-technisch in staat om het btw-nultarief in te voeren, maar gelet op het feit dat afbakeningen juridisch onhoudbaar zijn is invoering per 1 januari 2024 niet verstandig voor zowel de handhaving als het bedrijfsleven. Besluitvorming door het demissionaire kabinet lijkt bovendien niet realistisch, gezien de datum van de verkiezingen.
Het bericht ‘’Schrikbarende’ conclusies in zeer kritisch advies: Den Haag heeft ‘de regio’ stelselmatig verwaarloosd’. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht ««Schrikbarende» conclusies in zeer kritisch advies: Den Haag heeft «de regio» stelselmatig verwaarloosd»?1
Ja.
Onderschrijft u de conclusie van het advies, dat het overheidsbeleid de verschillen tussen rijke en arme regio's in ons land heeft vergroot?2
Dit advies stelt dat er mede door beleidskeuzes van de overheid te grote verschillen zijn ontstaan tussen hoe goed het gaat met regio’s. De groeiende verschillen in welvaart en welzijn, samen met het afnemende vertrouwen in overheid en politiek, stemmen tot grote zorg. En vragen om actie van het hele kabinet, omdat de analyse vele beleidsterreinen raakt.
Welke stappen gaat u zetten om «principieel niet te rechtvaardigen regionale achterstanden» aan te pakken?
We hebben hierop de eerste stappen gezet. Zoals bijvoorbeeld met Regio Deals, door gezamenlijk als regio’s en rijk te investeren in regionale opgaven en kansen. En dit kabinet zet in op sterke regio’s aan de grens door interbestuurlijk te werken aan de (gebieds)opgaven in deze regio’s én door het versterken van de grensoverschrijdende samenwerking met grensregio’s in onze buurlanden. Maar het vraagt nadrukkelijk om meer actie, ook voor de lange termijn. We zijn als kabinet op dit moment bezig om te komen tot een reactie op het adviesrapport «Elke regio telt!». Voor het zomerreces zal deze aan de Kamer worden gestuurd.
Herkent u de conclusie, dat inwoners van achterstandsregio's een groot gebrek aan aandacht, begrip en respect vanuit de overheid voelen?
Tijdens de vele gesprekken die ik overal in Nederland voer, ervaar ik steeds weer de kracht en eigenheid van de regio’s. Van Noardwest Fryslân tot Zeeuws-Vlaanderen. Van Zuid-Limburg tot de Achterhoek. De meeste mensen zijn trots op het gebied waar ze wonen, voelen zich er mee verbonden en leven er graag. Maar ik ervaar daar zeker ook dat veel mensen vinden dat de overheid onvoldoende naar hen luistert en twijfelen aan haar vermogen om de grote uitdagingen van onze tijd aan te pakken.
Herkent u het beeld, dat vertegenwoordigers van de rijksoverheid in de onderzochte regio’s onbekend zijn?
Het kabinet hecht aan de aanwezigheid en zichtbaarheid van de rijksoverheid in de regio. Het gaat daarbij om meer dan alleen een fysieke aanwezigheid. Het gaat er ook om duurzame samenwerkingsverbanden tussen het Rijk en de regio te leggen. Door een betere spreiding van rijksdiensten over het land en door de mogelijkheden die het hybride werken biedt waardoor medewerkers niet per se in de nabijheid van hun standplaats hoeven te wonen, kunnen medewerkers uit velerlei regio’s bij de rijksoverheid werken. Dit biedt belangrijke voordelen voor zowel de regio als het Rijk, onder meer bij het werven van medewerkers op de (krappe) arbeidsmarkt alsook om zo in het rijksbeleid het regioperspectief beter over het voetlicht te brengen. De bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zullen worden versterkt, zodat zij binnen het kabinet een stevigere coördinerende en adviserende rol kan vervullen bij de spreiding over het land. In de jaarlijkse Kamerbrief over de stand van de spreiding van rijkswerkgelegenheid zal hier nader op worden ingegaan.
Hoe bevordert u op uw eigen ministerie de betrokkenheid van ambtenaren bij regio’s op afstand van Den Haag?
Binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) wordt op verschillende manieren de betrokkenheid van ambtenaren bij de verschillende regio’s in Nederland bevordert. De laatste jaren trekken we op bepaalde onderdelen (denk hier bijvoorbeeld aan Regio Deals, het programma Regio’s aan de grens, NOVEX, het Nationaal programma Landelijk Gebied) steeds meer samen op met de verschillende regio’s in Nederland. Verder zijn er medewerkers van BZK die ook gedeeltelijk in dienst zijn van de provincie en wordt er in de tweede helft van dit jaar een rijkshub geopend in Assen.
Hoe verklaart u de eenzijdige focus op bedrijfsmatige efficiëntie en doelmatigheid bij de overheid?
De focus op efficiëntie en doelmatigheid is een filosofie die door veel landen is geadopteerd in de tweede helft van vorige eeuw toen de overheidsuitgaven sterk stegen. Toentertijd is gekozen voor een meer bedrijfsmatige aanpak in de besteding van publieke middelen om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Dit gebeurde vanuit een sturingsfilosofie die we betitelen als het «New Public Management», waar waarden als efficiëntie en doelmatigheid dominant zijn. Hoewel efficiëntie en doelmatigheid onverminderd nastrevenswaardig blijven, vind ik het van belang om niet langer uit te gaan van New Public Management, maar te werken vanuit het toevoegen van publieke waarde (public value). De maatschappelijke opgave is het uitgangspunt. Hierbij luistert de overheid naar wat er leeft, zorgt dat signalen over wat er wel of niet goed gaat haar bereiken en zorgt dat er ruimte is om in de gevallen waarin beleid en wetgeving niet heeft voorzien of onbedoelde onevenredige uitkomsten heeft, oplossingen kunnen worden geboden. De overheden werken daarbij samen, over grenzen van organisaties heen. Soms worden er belemmeringen ervaren in de inrichting, die het toevoegen van publieke waarde niet ondersteunen. Ik werk aan een visie op de inrichting en sturing van de rijksoverheid door te leren van veranderinitiatieven van beleid- en uitvoeringsorganisaties om te werken aan een overheid die dienstbaar, rechtvaardig en responsief kan zijn. Verschillende rijksbrede initiatieven bieden daarbij ondersteuning, zoals een gewijzigde ambtseed, een gids Ambtelijk Vakmanschap waarin de gezamenlijke basisprincipes en waarden voor ons werk zijn beschreven, het Beleidskompas en dialoogvoering over ethische en morele vraagstukken op de werkvloer.
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat de overheid «dienstbaar en dichtbij» is?
Een belangrijke opdracht aan het kabinet is om ervoor te zorgen dat mensen ervaren dat de overheid er ook voor hen is. Om vertrouwen te krijgen, moet de overheid betrouwbaar, dienstbaar en rechtvaardig zijn. Daar werk ik aan, samen met de collega’s in het kabinet, door te investeren in het verbeteren van de uitvoering, in het vakmanschap van ambtenaren en in het vergroten en versterken van de mogelijkheden voor burgers om invloed uit te oefenen. Dit laatste onder meer via het aan Uw Kamer voorgelegde wetsvoorstel Versterking participatie op decentraal niveau.3 Verder wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om de Algemene wet bestuursrecht aan te passen en het waarborg karakter van deze wet te versterken. Daarnaast heeft elk departement de eigen wetten en regels onderzocht op hardvochtige effecten voor mensen, om deze waar mogelijk weg te nemen (zie onder meer Kamerstukken II 2021/22, 35 510, nr. 102).
Deelt u de mening, dat het beleid van een overheid die niet dienstbaar en dichtbij is, niet werkelijk efficiënt en doelmatig kan worden genoemd?
Ja, die mening deel ik. Wij moeten als overheid bijdragen aan de mogelijkheden die mensen hebben om bij te dragen aan onze samenleving en de economie. Dat vraagt ook om gerichte aandacht voor gebieden waar die inzet niet zo wordt ervaren. Ik kom hier in de kabinetsreactie op het adviesrapport «Elke regio telt!» op terug.
Deelt u de mening, dat een regionaal kiesstelsel de parlementaire aandacht voor regio’s zou kunnen vergroten?
Een van de aanbevelingen van de drie adviesraden in het rapport «Elke regio telt» is om te werken aan wederzijdse vertegenwoordiging: van regio’s op nationaal niveau en van het Rijk in de regio’s. Hiertoe zijn door de staatscommissie parlementair stelsel en het Burgerforum Kiesstelsel concrete voorstellen gedaan, die nu worden uitgewerkt in de vorm van het wetsvoorstel «Met een stem meer keus». De kiezer krijgt met dit wetsvoorstel de mogelijkheid om een stem uit te brengen op de gehele lijst van een partij, of op één enkele kandidaat van die partij («kandidaatsstem»). Kandidaten die zogeheten «kandidaatsstemmen» verwerven worden in de meeste gevallen makkelijker verkozen dan dat nu het geval zou zijn op basis van voorkeursstemmen, zodat kandidaten met bijvoorbeeld een aansprekend regionaal profiel laagdrempeliger door de kiezer kunnen worden gehonoreerd met een zetel. Het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel draagt er op die manier aan bij dat de parlementaire aandacht voor regio’s vergroot kan worden.
Hoe vertaalt u de conclusies van het advies naar een regio die nog verder weg ligt van Den Haag, namelijk Caribisch Nederland?
De conclusies en bevindingen uit het adviesrapport «Elke regio telt» sluiten aan bij de eerdere bevindingen van rapporten die specifiek over Caribisch Nederland zijn geschreven, zoals de voorlichting van de Raad van State uit 2019 en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Koninkrijksrelaties. Hier wordt op teruggekomen in de kabinetsreactie op het adviesrapport «Elke regio telt!».
Kent u het bericht «Onderhoud Schiphol loopt wéér uit, bewoners nog langer in de herrie»?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat de leden van Raan en Vestering u hierover op 11 november 2022 al bevroegen en specifiek wezen op de te verwachten vertraging vanwege de plannen om asfalt aan te leggen bij temperaturen die dat onmogelijk maken?2
Zie antwoord vraag 1.
Staat u nog altijd achter uw antwoord dat «in de planning rekening is gehouden met de weersomstandigheden in deze periode van het jaar»?
Ja. Schiphol is verantwoordelijk voor de planning en uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden op Schiphol. Zoals ook in de beantwoording van deze Kamervragen is benoemd, is er in de planning enige ruimte gereserveerd om eventuele verstoringen door het weer in deze periode vroeg in het jaar, op te vangen en een, mede voor de omgeving gewenste, beheersbare einddatum aan te houden.
De Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023 geeft vrijstelling van baangebruiksregels en stelt vervangende grenswaarden in de handhavingspunten voor het jaar 2023 vast in verband met onderhoud. Het is niet in het belang van omwonenden om bij het opstellen van een dergelijke regeling op voorhand uit te gaan van een langere doorlooptijd. Dat zou immers een langere vrijstelling en grote aanpassing van de grenswaarden met zich meebrengen.
Staat u nog altijd achter uw antwoord dat «in de planning ruimte is gereserveerd om eventuele kleine verstoringen, die optreden als gevolg van het weer (te lage temperatuur, te nat of te veel wind) op te vangen»?
Zie antwoord vraag 3.
Kent u het bericht van Schiphol «Groot onderhoud Zwanenburgbaan duurt langer vanwege slecht weer»?3
Ja.
Waarom voert Schiphol als argument voor de vertraging aan dat er in week 10 een aantal dagen met nachtvorst waren terwijl dit absoluut niet ongewoon is begin maart?
In de planning van Schiphol zijn een paar dagen opgenomen om eventuele vertragingen in te lopen. Echter, een bovengemiddelde hoeveelheid slecht weer leidde tot een vertraging die niet meer in te lopen was binnen de oorspronkelijke planning.
Waarom wordt überhaupt gewezen naar vorst als reden voor vertraging aangezien in de «Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023» werd gemeld dat asfalt al niet meer kan worden verwerkt bij een temperatuur onder de 10 graden?
Vorst is aangegeven als voorbeeld, maar naast temperatuur zijn wind en neerslag ook van invloed op de werkzaamheden. Deze invloed is niet voor alle materialen en bewerkingen hetzelfde. Er worden bijvoorbeeld verschillende soorten asfalt verwerkt, die niet allemaal op een gelijke manier beïnvloed worden door weersomstandigheden.
Deelt u de mening dat deze vertraging absoluut te voorzien was? Waarom heeft u niet ingegrepen?
Schiphol is verantwoordelijk voor de planning en uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden op Schiphol. In de beantwoording van eerdere Kamervragen4 is toegelicht dat de rol van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat beperkt is tot het verlenen van vrijstellingen van regels in het Luchthavenverkeerbesluit voor het baan- en routegebruik en het vaststellen van vervangende regels en grenswaarden geluid vanwege het afwijkende baangebruik tijdens de onderhoudsperioden. Mede voor het onderhoud aan de Zwanenburgbaan is de «tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023» opgesteld. Met betrekking tot het onderhoud aan de Zwanenburgbaan zijn specifieke vrijstellingen in de regeling opgenomen voor de periode van 2 januari 2023 tot en met 19 april 2023. Schiphol heeft aangegeven geen verlenging van deze regeling aan te vragen als gevolg van de vertraging. Dit betekent dat Schiphol bij de uitloop van het onderhoud zich aan de normaal geldende regels moet houden.
Zoals aangegeven bij de antwoorden op de vragen 3 en 4, houdt Schiphol in de planning van onderhoudswerkzaamheden een redelijke onzekerheidsmarge aan om gemiddelde vertragingen als gevolg van weersomstandigheden (temperatuur, regen en wind) op te vangen. Daarover zijn in de review in 2022 van de werkplanning van het huidige grootbaanonderhoud door een onafhankelijke derde partij, geen onvolkomenheden geconstateerd. Door (combinaties van) verstoringen kan er evenwel toch meer dan gemiddeld vertraging optreden. Het aanhouden van een ruimere marge voor de onderhoudsperiode om met dergelijk extreme omstandigheden rekening te houden, is zoals toegelicht in antwoord op vragen 3 en 4 niet gewenst.
Herinnert u zich dat ook het onderhoud aan de Polderbaan in 2021 weken vertraging opliep, zogenaamd door kou?4
Ik herinner mij het onderhoud aan de Polderbaan en de daarbij opgelopen vertraging.
Wat vind u ervan dat twee Kamerleden de vertraging wel aan zagen komen en de I&W- en Schipholbestuurders, met al hun ondersteuning, niet?
Er is in de planning een onzekerheidsmarge aangehouden om rekening te houden met de impact van jaarlijks voorkomende verstoringen door het weer in de onderhoudsperiode. Kortdurende verstoringen tijdens de onderhoudsperiode kunnen worden opgevangen door werkzaamheden te verplaatsen of te intensiveren. Echter niet alle mogelijke verstoringen die tot (grotere) vertraging kunnen leiden zijn in de planning meegenomen.
Kunt u zich voorstellen dat na zo’n flagrante tekortkoming het beeld blijft hangen dat het bestuur incapabel dan wel kwaadwillig is?
Zie antwoord op vraag 10. Dit beeld wordt niet gedeeld.
Kunt u aangeven waarom u eerder weigerde om de gestelde vragen 5, 6 en 7 te beantwoorden, die inzichtelijk moesten maken hoeveel stikstofneerslag er zou worden veroorzaakt op Natura 2000-gebieden door de 5.400 vrachtwagenbewegingen om asfalt aan te voeren, de 5.600 vrachtwagenbewegingen om bestaand asfalt af te voeren en de overige activiteiten? Kunt u die vragen alsnog beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Van een weigering de gestelde vragen te beantwoorden is geenszins sprake geweest. Zoals in de kamerbrief van 5 december 2022 is aangegeven, was er op 22 november 2022 bij de Minister voor Natuur en Stikstof een handhavingsverzoek ingediend met betrekking tot het aangekondigde groot onderhoud en werd het onwenselijk geacht om bij de beantwoording van de vragen 2 t/m 9 op de uitkomst daarvan vooruit te lopen. Bij kamerbrief van 3 februari 2023 heeft de Minister voor Natuur en Stikstof alsnog een antwoord gegeven op deze vragen, waaronder de vragen 5, 6 en 7.6
In voornoemde brief van 3 februari is aangegeven dat bij de vragen 5 en 6 kennelijk wordt gerefereerd aan de in de Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023 beschreven onderhoudswerkzaamheden aan de Zwanenburgbaan. Immers, het genoemde aantal vrachtwagenbewegingen heeft blijkens de Tijdelijke regeling groot onderhoud banenstelsel Schiphol 2023 betrekking op het onderhoud van de Zwanenburgbaan. In dezelfde brief is aangegeven dat de onderhoudswerkzaamheden aan de Zwanenburgbaan vallen binnen het bestaand gebruik waarvoor op de referentiedatum toestemming was verleend. Die werkzaamheden hoeven dus niet passend te worden beoordeeld. Schiphol heeft hiervoor dus geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig.
Deelt u de mening dat verwijzen naar de juridische constructie van het «bestaand recht» geen antwoord is op hoeveel stikstof er neerslaat?
De Minister voor Natuur en Stikstof heeft met de verwijzing naar het bestaand recht evenwel willen aangeven dat Schiphol niet inzichtelijk hoeft te maken hoeveel stikstofdepositie er zou worden veroorzaakt op Natura 2000-gebieden door de desbetreffende vrachtwagenbewegingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het reguliere onderhoud nu anno 2023 (de mate, frequentie, activiteiten) zich verhoudt tot de situatie van voor 1994? Heeft de toename in het aantal vluchten of aanscherping in veiligheidsregelgeving invloed gehad op de mate en frequentie waarin onderhoud nodig is? En, valt een toegenomen stikstofuitstoot door frequenter onderhoud als gevolg van intensiever gebruik onder het «bestaand recht» uit 1994?
De Zwanenburgbaan is gebouwd in de jaren »60 van de twintigste eeuw. De aard van werkzaamheden vandaag de dag verschilt niet van de onderhoudswerkzaamheden in de jaren »90. Wel heeft Schiphol er, met de baanonderhoudsstrategie, voor gekozen om werkzaamheden meer te clusteren. Dit betekent dat er minder vaak groot onderhoud wordt uitgevoerd op de baan, maar áls er onderhoud wordt uitgevoerd, de baan een langere periode buiten gebruik is. Hierdoor neemt de totale tijd dat de baan over de jaren heen buiten gebruik is af en daarmee ook de totale impact op de omgeving. Het wijzigen van de baanonderhoudsstrategie maakt het lastig het onderhoud van voor 1994 een-op-een te vergelijken met de huidige situatie.
Zoals in de Kamerbrief van 3 februari 2023 is aangegeven, is voor het project Schiphol als luchthaven met vier banen toestemming verleend vóór de vroegste Europese referentiedatum van 10 juni 1994 (Vogelrichtlijngebieden). Die toestemming geldt ook voor het daarmee onlosmakelijk verbonden beheer en onderhoud, zodat deze activiteiten deel uitmaken van de referentiesituatie.
In 2003 is Schiphol uitgebreid met de Polderbaan. Dat betekent dat voor Natura 2000-gebieden aangewezen vóór 2003 geen sprake is van bestaand recht en ook het onderhoud ervan niet als bestaand recht kan worden aangemerkt. De Minister voor Natuur en Stikstof heeft in haar rol als bevoegd gezag voor de Wnb-aanvraag geconstateerd dat in de aanvraag en de daarbij behorende passende beoordeling geen (of in ieder geval onvoldoende) rekening is gehouden met het beheer en onderhoud van de Polderbaan met betrekking tot de Natura 2000-gebieden die vóór 2003 zijn aangewezen. Schiphol is gevraagd haar Wnb-aanvraag en de daarbij behorende passende beoordeling op dit punt aan te vullen.
Met oog op in hoeverre frequenter onderhoud als gevolg van intensiever gebruik en aanscherping van regelgeving onder het «bestaand recht» uit 1994 valt is het vaste jurisprudentie dat de referentiesituatie en de daarmee samenhangende bestaande rechten wordt ontleend aan hetgeen maximaal was toegestaan op de referentiedatum.7 Beperkingen in de toestemming op de Europese referentiedatum kunnen alleen voortvloeien uit die toestemming of eventuele latere inperkingen op die toestemming en niet uit wat feitelijk aanwezig was ten tijde van de toestemming. Dat zou zich ook niet verdragen met de rechtszekerheid die de basis is voor bestaande rechten.8 Rechtszekerheid kan alleen voortvloeien uit een toestemming en niet uit de feitelijk aanwezige situatie op de Europese referentiedatum. Het voorgaande betekent dat een intensivering van gebruik en het daarmee samenhangende frequentere onderhoud onder bestaand recht valt. Voor zover geen sprake is van bestaande rechten is, zoals hiervoor aangegeven, Schiphol gevraagd haar Wnb-aanvraag en de daarbij behorende passende beoordeling op dit punt aan te vullen.
Kunt u aangeven wat het «speciaal materiaal» is dat volgens Schiphol is ingezet om de baan te verwarmen en te drogen?
Er is om de beschikbare productietijd te maximaliseren een hydrojet ingezet. Dit is een speciale wegdekdroger en is ingezet om het werkoppervlak sneller droog te maken na neerslag.
Kunt u aangeven of bij de inzet van dit speciale materiaal stikstof is vrijgekomen? En zo ja, hoeveel? Hoeveel daarvan is neergeslagen op Natura 2000-gebieden?
Er is geen inschatting gemaakt van de uitstoot van de inzet van de hydrojet.
Immers, zoals is aangegeven in de Kamerbrief van 3 februari, verzonden door de Minister voor Natuur en Stikstof, vallen de onderhoudswerkzaamheden binnen het bestaand gebruik waarvoor op de referentiedatum toestemming was verleend. Deze werkzaamheden hoeven dus niet passend te worden beoordeeld.
Is het gebruik van zulk «speciaal materiaal» ook vergund onder het bestaande recht uit 1994? Deelt u de mening dat de inzet van dit materiaal helemaal niet strikt noodzakelijk is voor het onderhoud?
Zie het antwoord op vraag 16. De omstandigheid dat gebruik wordt gemaakt van nieuwe technieken, laat onverlet dat beheer en onderhoud onder bestaand gebruik valt. De inzet van de hydrojet was nodig om de werkzaamheden in een zo kort mogelijke tijd uit te voeren en was daarmee strikt noodzakelijk.
Wat vindt u ervan dat Schiphol met een nieuwsbericht komt dat ze de verwarming in de gebouwen lager zetten om gas te besparen, maar tegelijkertijd sneeuw weghaalt met asfaltverwarming/asfaltverwarmers?5
Het is goed om te lezen dat Schiphol zich bewust is van de noodzaak om gas- en energieverbruik terug te dringen.
Welke stappen gaat u nemen richting Schiphol? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Schiphol door falend management de omwonenden van de andere banen nog langer aan extra herrie blootstelt?
Er wordt bij de voorbereiding van de onderhoudswerkzaamheden rekening gehouden met mogelijk te verwachten effecten van het weer op de werkzaamheden. Daarnaast heeft Schiphol geen verlenging aangevraagd van de verleende vrijstelling middels de ministeriële regeling. Dit betekent dat Schiphol bij de uitloop van het onderhoud zich aan de normaal geldende regels moet houden.
Schiphol blijft evalueren hoe het onderhoud betrouwbaarder, sneller en efficiënter uitgevoerd kan worden. De aankomende maanden evalueert Schiphol de Baanonderhoudsstrategie, onder andere met luchthavenpartners en omwonenden. De mogelijke verbeterpunten voor het plannen van baanonderhoud worden meegenomen in de toekomst. De huidige situatie is mede ontstaan vanuit het spanningsveld tussen het beperken van de duur van het onderhoud en daarmee de impact op de omgeving en de gemiddelde weerssituatie die wordt gebaseerd op ervaring en historische weerbeelden.
Zijn er mogelijkheden om Schiphol te beboeten, te beperken of te bestraffen voor de uitgelopen werkzaamheden en bijbehorende overlast? Zo ja, bent u bereid daartoe over te gaan?
Zie antwoord vraag 19.
Hoe gaat u zorgen dat dit soort situaties in de toekomst niet meer voorkomen?
Zie antwoord vraag 19.
Deelt u de mening dat het verstandig zou zijn om in de toekomst in te grijpen wanneer u zo expliciet gewaarschuwd wordt voor duidelijke fouten-in-de-maak?
Zie ook het antwoord op vraag 8. De rol van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat is beperkt tot het verlenen van vrijstellingen van regels in het Luchthavenverkeerbesluit voor het baan- en routegebruik en het vaststellen van vervangende regels en grenswaarden geluid vanwege het afwijkende baangebruik tijdens de onderhoudsperioden.
Het rapport 'State of play of academic freedom in the EU Member. States Overview of de facto trends and developments' |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Europees parlement «State of play of academic freedom in the EU Member. States Overview of de facto trends and developments»?1
Ja.
Hoe bent u van plan om de aanbevelingen uit het rapport uit te voeren?
Er is nader onderzoek nodig om de aanbeveling van het rapport van het Europese parlement goed te kunnen opvolgen. Ik zal bijvoorbeeld in gesprek gaan de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) en De Jonge Akademie (DJA) om de conclusies van het rapport wat betreft hiërarchische besluitvorming beter te kunnen beoordelen. Daarnaast wordt een aantal van de vraagstukken in het rapport meegenomen in het lopende onderzoek over zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs.2 In mijn brief aan uw Kamer verstuurd op 17 april 2023 ga ik verder in op de acties die ik zal ondernemen.
Op welke wijze kan gekomen worden tot een heldere definitie van het begrip «academische vrijheid»?
Ik wacht graag de resultaten af van het lopende onderzoek naar zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs voor ik een uitspraak doe over de noodzaak van het aanscherpen van het begrip «academische vrijheid» in de Nederlandse context. Tot die tijd sluit ik mij aan bij de definitie van het begrip «academische vrijheid» opgesteld in het KNAW rapport Academische Vrijheid in Nederland.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat met de intreding van de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie in 1997 de democratische medebeslissingsraden, bestaande uit academici, studenten en administratief personeel vervangen zijn door de medezeggenschapraden en dat dit heeft geleid tot een meer hiërarchische, uitvoerende bestuurspraktijk in de Nederlandse universiteiten?
Ik heb onvoldoende beeld of er een causaal verband is tussen de intreding van de wet Modernisering Universitaire Bestuursorganisatie en de ontwikkeling van een hiërarchische, uitvoerende bestuurspraktijk die de academische vrijheid belemmert. Ik zal hierover in gesprek gaan met betrokkenen zoals de KNAW en DJA. Daarnaast neem ik deze zorg mee in het onderzoek dat loopt naar aanleiding van de motie van der Woude c.s.3 over zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek mogelijk inzichten bieden op dit onderwerp. Dit licht ik verder toe in mijn reactie op het Academische Vrijheid rapport van het Europees parlement, verzonden aan uw Kamer 17 april 2023.
Bent u het eens met de onderzoekers dat het sterk hiërarchisch karakter van het bestuur een direct gevaar vormt voor het zelfbestuur van Nederlandse universiteiten? Zo ja, hoe wilt u dit voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De governance van de universiteiten kent decanen als (mee-)bestuurders, en bij wet verankerde medezeggenschapsorganen op verschillende niveaus van de organisatie, met instemmings- en adviesrechten op de hoofdlijnen van strategie en begroting. Voor goed functionerend en kwalitatief hoogwaardig hoger onderwijs is het noodzakelijk dat de driehoek van zeggenschap, toezicht en medezeggenschap in balans is. Ik heb onvoldoende beeld of dit ook daadwerkelijk zo ervaren wordt, dus zal hierover in gesprek gaan met betrokkenen zoals de KNAW en DJA. Ik maak mij wel zorgen over de participatiegraad in deze organen. Hierom ben ik, in samenwerking met sector- en medezeggenschapsorganisaties, een campagne gestart om de opkomst bij medezeggenschapsverkiezingen te vergroten.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er sprake is van politieke sturing van onderzoek en tot op zekere hoogte van opleidingsprogramma door middel van publieke financiering en dat dit een potentiële bedreiging vormt voor institutionele autonomie, en daarmee indirect ook aan academische vrijheid onder druk zet?
De colleges van bestuur van de universiteiten zijn verantwoordelijk voor het borgen van de onafhankelijkheid van de wetenschap en de academische vrijheid4. Het bestuur van de universiteit staat onder toezicht van een onafhankelijke raad van toezicht5. De kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs wordt op basis van artikel 1.18 van de WHW door onafhankelijke deskundigen beoordeeld6. De examencommissies zijn onafhankelijk gepositioneerd7. Daarnaast staan in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit normen voor onderzoekers en zorgplichten voor instellingen. Bovendien vindt het grootste deel van de publieke financiering van onderzoek en onderwijs vindt plaats door middel van zogenoemde lumpsum-financiering. Hieraan worden door de overheid geen specifieke voorwaarden verbonden en daarmee is de mogelijkheid van politieke sturing (bijvoorbeeld in de zin van ideologische beïnvloeding) minimaal. NWO financiert ook een groot deel van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland (via de zogeheten tweede geldstroom). Zij is een zelfstandig bestuursorgaan en ik zie geen sprake van ongewenste sturing die academische vrijheid onder druk zet.
Ten aanzien van het onderwijs gelden als belangrijke bekostigingsvoorwaarden dat de opleidingen van kwaliteit zijn (de onafhankelijkheid van die beoordeling is geborgd via de accreditatie), dat de opleidingen toegankelijk zijn en dat het opleidingsaanbod op macroniveau bezien doelmatig is (onder andere met het oog op de arbeidsmarktvraag). Ik acht het van belang dat de overheid kan sturen op het starten van nieuwe opleidingen via het macrodoelmatigheidsbeleid en beschouw dit niet als een ongewenste vorm van sturing die de academische vrijheid onder druk zet. Een begrenzing van de autonomie van instellingen betekent overigens ook niet per definitie een beperking van de academische vrijheid.
Hoe bekijkt u de conclusies over de publieke financiering in relatie tot de ongewenste beïnvloeding door externe financiering, waaronder Europese subsidieprogramma’s en bedrijven?2
De colleges van bestuur van de universiteiten zijn verantwoordelijk voor het borgen van de onafhankelijkheid van de wetenschap en de academische vrijheid, onafhankelijk van de financieringsbron. De samenwerking tussen onderzoekers en het bedrijfsleven, de overheid en andere organisaties vind ik belangrijk. Samenwerking zorgt ervoor dat wetenschappelijk onderwijs en onderzoek goed aansluiten bij maatschappelijke uitdagingen en dat innovatie wordt gestimuleerd. Hierbij is het wel van belangrijk dat universiteiten informatie over externe financiering van leerstoelen actueel, volledig en publiek toegankelijk hebben. Daarmee kan voorkomen worden dat het vertrouwen in de wetenschap wordt geschaad.
Geeft de constatering dat de reeks aan tijdelijke contracten, specifiek bij jonge wetenschappers, de academische vrijheid schaadt u voldoende aanleiding om concrete en scherpere voorwaarden te verbinden aan de bekostiging? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het zorgelijk te lezen dat de reeksen tijdelijke contracten en de zogeheten «draaideurconstructies» onder jonge wetenschappers een risico vormen voor de academische vrijheid. Academische vrijheid moet te allen tijde geborgd worden. De kabinetsinzet is om draaideurconstructies te voorkomen. Om deze constructies te voorkomen is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voornemens de regelgeving rondom tijdelijke contracten aanscherpen. Daarnaast is het van belang om in te zetten op stevige structurele financiering van de wetenschap en stimulering van vaste contracten. Dat doe ik met de sectorplannen en starters- en stimuleringsbeurzen. Ook investeer ik de komende tien jaar jaarlijks € 60 miljoen extra in de open competitie. Met deze ophoging van de open competitie zet ik in op een versteviging van het ongebonden onderzoek.
Heeft u in kaart wat het effect is van bedreigingen van wetenschappers op sociale media op de academische vrijheid?
Het is belangrijk om een beter beeld te krijgen van het effect van bedreigingen van wetenschappers op sociale media op de academische vrijheid. Er loopt nu een onderzoekstraject in samenwerking met UNESCO om de korte en lange termijn effecten van bedreigingen van wetenschappers via sociale media beter in kaart te brengen. Hierover zal rondom de zomer een internationale expertbijeenkomst plaatsvinden. De resultaten van deze bijeenkomst en het aansluitende onderzoek zullen te zijner tijd gedeeld worden met uw Kamer. Ook zal het lopende onderzoek over zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek mogelijk inzichten bieden op dit onderwerp. De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht. Deze samenvatting zal ik te zijner tijd delen met uw Kamer.
Geven de conclusies van het rapport van het Europees parlement aanleiding tot nader onderzoek naar de academische vrijheid binnen de Nederlandse hoger onderwijsinstellingen?
Aan de hand van het de resultaten van het lopende onderzoek naar zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs kan worden bepaald of verder onderzoek binnen Nederlandse hoger onderwijsinstellingen nodig is. De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht.
Wat is uw beoordeling van de constatering dat er zorgen zijn over impact van de opkomende «cancel cultuur» op de diversiteit van wetenschappelijke perspectieven? Vindt u deze constatering voldoende onderbouwd door de twee artikelen in de verwijzingen?
De constatering dat «cancel culture» een (negatieve) impact heeft op de diversiteit van wetenschappelijke perspectieven wordt in het rapport onderbouwd aan de hand van drie artikelen, waarvan twee journalistieke stukken. Ik concludeer hieruit dat de effecten van «cancel cultuur» op de academische vrijheid nader onderzoek verdienen. De mogelijke impact van «cancel culture» wordt daarom meegenomen in het lopende onderzoek zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs. De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht.
Bent u van plan om te onderzoeken hoe het staat met de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen en wat het effect daarvan is op de academische vrijheid? Zo nee, waarom niet?
Er is reeds onderzoek voorhanden als het gaat om de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen. De uitkomsten hiervan licht ik toe in mijn brief die ik binnenkort naar uw Kamer stuur. In deze brief licht ik ook toe hoe ik samen met het veld wil werken aan het verbeteren van de sociale veiligheid binnen hoger onderwijsinstellingen. Ik zie vooralsnog geen reden om te onderzoeken in hoeverre een relatie bestaat tussen enerzijds de sociale veiligheid binnen hoger instellingen en anderzijds de academische vrijheid.
Kunt u garanderen dat onderzoekers aan Nederlandse universiteiten het gevoel hebben dat zij zonder angst voor vergelding kritiek kunnen uiten op hun werkgevers, het bestuur en het beleid? Zo nee, welke acties wilt u daartegen ondernemen?
Ik vind het belangrijk dat onderzoekers zonder angst voor vergelding kritiek kunnen uiten op hun werkgevers, het bestuur en het beleid. De resultaten van het lopende onderzoek zelfcensuur, academische vrijheid en beperking van diversiteit van perspectieven in het onderzoek en hoger onderwijs zullen inzicht bieden in de mate waarin onderzoekers het gevoel hebben dat zij zonder angst voor vergelding kritiek kunnen uiten.
De resultaten van dit onderzoek worden dit najaar verwacht. Afhankelijk van de resultaten kunnen eventuele acties worden bepaald. Deze samenvatting zal ik te zijner tijd delen met uw Kamer.
De problemen bij het afschaffen van btw op groente en fruit |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Kuipers , Marnix van Rij (staatssecretaris financiën) (CDA), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Afschaffing btw op groente en fruit dreigt te sneuvelen1»?
Ja.
Kunt u de voorspelde kosten, tussen de 550 en 950 miljoen euro, voor het afschaffen van de btw op groente en fruit gespecificeerd inzichtelijk maken? Kunnen deze kosten niet gecompenseerd worden door te snijden in andere overheidsuitgaven, die niet ten goede komen aan de verbetering van de volksgezondheid en het verminderen van de sociale ongelijkheid?
Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over het al dan niet invoeren van een btw-nultarief op groente en fruit en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen. Besluitvorming hierover, en over de bekostiging, is aan een volgend kabinet.
De kosten voor het eventueel afschaffen van de btw op groente en fruit zijn afhankelijk van de variant die gekozen wordt. Onderstaande tabel toont voor de door SEO onderzochte varianten een inschatting van de budgettaire kosten.
Variant Budgettaire impact (miljoen)
Variant 1 (beste aansluiting bij Schijf van Vijf) 600–650
Variant 2 (onbewerkte groente en fruit in Schijf van Vijf zonder toevoegingen) 550–600
Variant 3 (onbewerkte groente en fruit in de Schijf van Vijf, geen restricties op toevoegingen) 550–600
Variant 4 (groente en fruit in originele vorm en in de Schijf van Vijf) 500–550
Variant 5 (hoofdstuk 7 en 8 uit GN) 650–700
Variant 6 (hoofdstuk 7, 8 en 20 uit GN) 900–950
Waarom is het zo’n ontzettend ingewikkeld probleem om te definiëren wat valt onder de noemer «groente en fruit»? Vindt u het niet volstrekt absurd dat de Nederlandse overheid de regulering van beleid en bestuur dusdanig ver heeft doorgevoerd dat er hele onderzoeksrapporten gewijd moeten worden aan de vraag wat groente en fruit is, hoe het «neutraliteitsprincipe» daarop van toepassing is en of daaraan allerlei verregaande criteria, zoals de bereidingswijze, of het «maatschappelijk spraakgebruik» ten grondslag zouden moeten liggen
Een btw-nultarief voor groente en fruit vereist een duidelijk wettelijk en houdbaar onderscheid tussen groente en fruit enerzijds en andere voedingsmiddelen die belast zijn tegen het verlaagde btw-tarief van 9% anderzijds. Dit is van belang om te voorkomen dat steeds meer (ongezonde) voedingsmiddelen onder het nultarief gaan vallen. Als ook ongezonde producten onder het nultarief kunnen vallen zal het beoogde gezondheidseffect afnemen. Overheidsmiddelen worden dan ondoelmatig en ondoeltreffend besteed.
Het externe onderzoek heeft dan ook niet zozeer betrekking op de vraag wat «groente» en «fruit» is. Voor de begrippen «groente» en «fruit» bestaan diverse tuinbouwkundige, plantkundige, culinaire en culturele interpretaties. Het onderzoek is met name gericht op het in kaart brengen van wat een juridisch houdbaar onderscheid zou kunnen zijn tussen producten die wel en niet bij de gezondheidsdoelstellingen van de maatregel passen. Bij deze juridische houdbaarheid speelt met name het Unierechtelijk neutraliteitsbeginsel een rol. Uiteraard zijn daarnaast ook de effectiviteit (leidt een btw-verlaging daadwerkelijk tot een prijsverlaging en zo ja, leidt deze dan tot een toename in de consumptie van groente en fruit), uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en het budgettaire beslag van de maatregel van groot belang.
Om tot zorgvuldige besluitvorming te komen heeft het kabinet er dan ook voor gekozen om niet één afbakeningsvariant in kaart te brengen maar een aantal en die op de genoemde aspecten te beoordelen.
Waarom spelen de belangen van producenten en de vrees voor «juridisch getouwtrek» zo’n grote rol? Vindt u niet dat de politiek leidend zou moeten zijn in de besluitvorming over een dergelijke beleidsbepaling en dat de angst voor rechtszaken van commerciële partijen daarin geen rol zou moeten spelen?
Een niet-juridisch houdbare maatregel vergroot het risico op onbedoelde verruiming van de reikwijdte van de maatregel, doordat steeds meer ongezonde voedingsmiddelen onder het btw-nultarief kunnen gaan vallen. Dit doet af aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van de maatregel, heeft tot gevolg dat het budgettaire beslag van de maatregel steeds verder toeneemt en zorgt voor rechtsonzekerheid bij ondernemers. Dit laatste heeft mede tot gevolg dat ondernemers procedures kunnen starten over het neutraliteitsbeginsel. Deze procedures zijn naar verwachting niet eenmalig, maar zullen zich blijven voortzetten omdat door elke procedure de afbakening van «groente en fruit» verandert. De bereidheid bij belastingplichtigen om te procederen wordt versterkt door het directe financiële voordeel dat zij bij een gewonnen procedure behalen. Dit zorgt voor sterk verhoogde uitvoeringslasten voor de Belastingdienst en belast de rechterlijke macht. De juridische houdbaarheid van deze maatregel heeft dus brede gevolgen en gaat niet alleen over het belang van commerciële partijen. Daarom is het een belangrijk aspect om in kaart te brengen ten behoeve van de besluitvorming.
Bent u niet van mening dat het heffen van btw op primaire voedingsmiddelen zoals groente en fruit überhaupt vreemd is?
De Europese BTW-richtlijn 2006 heeft als uitgangspunt dat alle goederen en diensten in de heffing worden betrokken. (Super)verlaagde btw-tarieven en vrijstellingen worden beperkt toegepast omdat ze het systeem complexer maken en (daarmee) verstorend werken. Voor bepaalde primaire levensbehoeften als voedingsmiddelen wordt sinds jaar en dag het verlaagde btw-tarief (op dit moment 9%) toegepast.
Kunt u de conclusie uit het onderzoeksrapport2 dat het afschaffen van btw op groente en fruit slechts een «beperkt effect» heeft op de eetgewoonten van mensen rijmen met het feit dat meermaals is aangetoond dat de leefstijl binnen bevolkingsgroepen met lagere inkomens slechter is, omdat gezond eten voor deze populatie vaak te duur is en dat dit grote gevolgen heeft voor de gezondheid van deze mensen en daarmee samenhangend met de sociale en economische positie van deze groepen in de samenleving? Vindt u dit niet contrasterend?
Nee, beide conclusies kunnen tegelijkertijd juist zijn: dat gezond eten relatief duurder is, maar dat het geschatte effect van een btw-nultarief op groente en fruit een gemiddelde toename van 4% aan groente- en fruitconsumptie is. Volgens SEO zal de impact beperkt zijn omdat de vraag naar groente en fruit relatief ongevoelig is voor prijsveranderingen en omdat doorvertaling naar lagere prijzen niet gegarandeerd is. Daarbij komt dat de maatregel ongericht is voor ondersteuning van de lagere inkomensgroepen omdat, aangenomen dat een btw-verlaging wordt doorberekend in de prijs, iedereen van een verlaging profiteert, dus ook de hogere inkomens die relatief meer fruit eten. Als je specifiek lagere inkomensgroepen wilt ondersteunen moet worden nagedacht over een meer gerichte maatregel.
Overigens is prijs niet de enige factor die aankoopgedrag bepaalt. Ook in welke mate mensen als gewoonte hebben groente en fruit te kopen, bereiden en eten speelt bijvoorbeeld een rol.
Denkt u niet dat het beperkte effect dat het afschaffen van de btw op groente en fruit misschien heeft op de korte termijn, naar alle waarschijnlijkheid steeds groter wordt op de langere termijn, aangezien het niet alleen gaat om bestedingspatronen en financiële keuzes van mensen, maar vooral ook om een cultuuromslag in het leef- en eetpatroon, die tijd nodig heeft?
Nee, uit het onderzoek blijkt dat een juridisch houdbare afbakening niet mogelijk is en naar verwachting zal de categorie producten waar het btw-nultarief voor geldt steeds verder uitbreiden. Mogelijkerwijs zal het nultarief dan ook gelden voor producten die niet vallen onder de Schijf van Vijf. Bovendien is het, ook gezien de beantwoording op vraag 6, de vraag of het effect van een btw-verlaging sterk genoeg is om – ook door het kabinet – een gewenste cultuuromslag tot stand te brengen.
Denkt u niet dat de positieve gevolgen van zo’n cultuuromslag, bijvoorbeeld doordat volgende generaties opgroeien met gezondere voeding omdat hun ouders gaandeweg «geleerd» hebben dat dit voor hen financieel beschikbaar is en gezondheidswinst oplevert, op de langere termijn dusdanig positieve gevolgen heeft voor de algemene volksgezondheid, dat het effect van deze maatregelen steeds groter wordt en de kosten die voor de initiële afschaffing van de btw gemaakt zullen moeten worden, ruimschoots zullen worden terugverdiend, onder andere door een vermindering van de zorgkosten door mensen met obesitas, diabetes, kanker en andere leefstijlgerelateerde aandoeningen?
Nee, verwezen wordt naar het antwoord op vraag 7.
Kunt u, de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een schatting doen van de gezondheidswinst op de langere termijn die de in het onderzoek genoemde initiële vier procent stijging van groente en fruit zal opleveren? Hoeveel kinderen groeien hierdoor gezonder op? Hoeveel ziektelast en zorgkosten voor de maatschappij zal dit schelen? Indien u hiervan geen analyse kunt maken, bent u dan bereid om dit in kaart te gaan brengen?
Een schatting van de gezondheidswinst op langere termijn is niet onderzocht. Wel constateert SEO dat de gezondheidseffecten onder meer kunnen verwateren als de afbakening niet juridisch houdbaar is en als daardoor steeds meer producten aan de afbakening worden toegevoegd. Het is aan een volgend kabinet om besluiten te nemen over nadere vervolgacties omtrent het btw-nultarief op groente en fruit. In het verleden is echter wel reeds in het kader van de Brede Maatschappelijke Heroverweging een berekening gemaakt naar de verwachtte daling in ziektekosten en de verhouding tot de budgettaire derving bij een btw-verlaging van 9% naar 5% op leveringen van groente en fruit.
Wat vindt u ervan dat de uitvoeringsproblemen bij de Belastingdienst inmiddels zorgen voor de frustratie van verschillende beleidsmaatregelen, die kunnen bijdragen aan de financiële, economische en sociaal-maatschappelijke gezondheid van ons land? Hoe lang mag het tekortschieten van deze overheidsinstantie nog een excuus zijn voor het niet doorvoeren van noodzakelijk beleid en het tegenhouden van goed bestuur van ons land?
Er heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden over het al dan niet invoeren van een btw-nultarief op groente en fruit en/of alternatieve gezondheidsmaatregelen. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet. Hierop kan niet vooruit worden gelopen. Dat geldt ook voor wat betreft de reden(en) waarom de maatregel al dan niet wordt genomen. De maatregel is op verzoek van het demissionaire kabinet uitdrukkelijk niet alleen beoordeeld op uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, maar ook op diverse andere belangrijke aspecten.
De Belastingdienst heeft zorgen over de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de maatregel. Het beeld dat deze zorgen ongegrond zijn, doet het kabinet nadrukkelijk van de hand. De risico’s die de Belastingdienst ziet, hangen samen met de beperkte juridische houdbaarheid van de maatregel.
Overigens heeft hetgeen dat in dit onderzoek naar voren is gekomen over de uitvoerbaarheid geen betrekking op de uitdagingen waarvoor de Belastingdienst zich, met name op ICT-gebied, gesteld ziet. Het uitbreiden van het btw-nultarief naar groente en fruit is ICT-technisch mogelijk, maar stuit op de andere, reeds genoemde, uitvoeringsbezwaren. Die bezwaren hangen samen met de maatregel zelf, niet met de stand van de ICT-voorzieningen van de Belastingdienst.
Bent u het eens met de stelling van het onderzoek dat andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld het invoeren van een suikertaks, geschikter zijn voor het ontmoedigen van ongezond eten? Zo ja, denkt u niet dat dergelijke vormen van overheidsbetutteling en dwang en drang juist aversie oproepen bij mensen en bovendien de burger laten opdraaien voor het feit dat de overheid zelf jarenlang heeft verzaakt om goed voor de bevolking en de volksgezondheid te zorgen, door niet eerder in te zetten op leefstijlverbetering, preventie en educatie, met betrekking tot gezond eten en leven?
SEO heeft geconcludeerd dat er alternatieve instrumenten zijn om burgers aan te zetten tot een gezonder voedingspatroon. SEO heeft echter niet onderzocht of deze instrumenten inderdaad effectiever en efficiënter zijn. Het is aan een volgend kabinet om te beoordelen of nader onderzoek naar deze maatregelen nodig is. Het ontmoedigen van ongezond eten en het stimuleren van gezond eten vraagt een pakket aan maatregelen. Met de brief van 9 december jl. heeft het kabinet haar pakket van maatregelen aangekondigd op het gebied van leefstijl, overgewicht en voeding.
Wat heeft het onderzoek naar het afschaffen van de btw op groente en fruit gekost?
Het onderzoek is na aanbesteding door SEO uitgevoerd voor € 110.322 exclusief btw.
De zorgen van honderden techprominenten over de ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie |
|
Renske Leijten |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
Herkent en erkent u de kritiek van honderden techprominenten dat er onvoldoende oog is voor de mogelijke maatschappelijke ontwrichtende effecten die kunstmatige intelligentie toepassingen met zich mee brengen? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?1
Het is uiteraard belangrijk dat er aandacht is voor de impact die de inzet van (krachtige) AI-systemen op onze samenleving kan hebben. Het afgelopen half jaar heeft de aandacht voor met name generatieve AI-systemen daarbij een enorme vlucht genomen.
Enerzijds maakt het karakter van deze technologie het mogelijk om als zeer geavanceerd hulpmiddel taken uit handen te nemen of te vergemakkelijken en bij te dragen aan maatschappelijke opgaven, anderzijds heeft het de potentie om bij te dragen aan desinformatie of manipulatie. Deze ongewenste, en in sommige gevallen potentieel ontwrichtende, effecten zijn zorgwekkend. Het tempo waarin deze technologie zich ontwikkelt brengt daarnaast onzekerheden met zich mee en daarbij bestaan er nog vraagtekens.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schrijft in haar rapport «opgave AI» dat effecten van (nieuwe) AI op publieke waarden niet vooraf te voorspellen zijn.2 Het is daarom belangrijk dat er in de maatschappij een continu debat gevoerd wordt en dat de overheid structureel signalen uit de samenleving ophaalt en uitgaat van een lerende aanpak. Momenteel wordt er daarom gewerkt aan het ontwikkelen van een visie op generatieve AI, naar aanleiding van een motie van de leden Dekker-Abdulaziz en Rajkowski.3 Ik informeer uw Kamer nog voor de zomer over de vorderingen. Deze visie zal open tot stand komen en zullen burgers, bedrijven en overheden actief worden gevraagd om bij te dragen aan dit traject.
Tegelijkertijd zet het kabinet zich in om de reeds bekende risico’s van AI te adresseren, in de eerste plaats via regulering. Naast al bestaande voor AI relevante wet- en regelgeving (zoals de AVG en de Grondwet) richt de Europese AI-verordening – die op dit moment nog in onderhandeling is – zich specifiek op een aanscherping van het reguleren van AI-systemen in de Europese Unie. De AI-verordening is productwetgeving, opdat AI systemen pas op de markt komen als aan de eisen van de verordening is voldaan. In de concept AI-verordening4 zijn AI-systemen onderverdeeld in verschillende categorieën. Afhankelijk van de categorie waarin een AI-systeem valt, gelden zwaardere of minder zware eisen. Het merendeel van de eisen geldt voor AI-systemen met hoge risico’s voor gezondheid, veiligheid en mensenrechten.
Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten op het stimuleren van mensgerichte AI. Dit gebeurt onder andere door te investeren in de ontwikkeling van oplossingen voor verantwoorde en veilige AI via onder meer de ELSA-labs5 en het ROBUST-programma.6 Naast het weren van negatieve AI-toepassingen, moeten we positieve AI-toepassingen blijven omarmen.
Bent u het eens met de stelling dat de maatschappelijke vraagstukken die voortkomen uit de toepassing van kunstmatige intelligentie niet bepaald moeten worden door techbedrijven maar een maatschappelijk en politiek debat verdienen? Vindt u dit maatschappelijke en politieke debat tot op heden voldoende gevoerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ja, ik kan mij vinden in de stelling dat maatschappelijke vraagstukken die voortkomen uit AI-toepassingen een brede maatschappelijke dialoog verdienen. Daarbij onderstreep ik dat het debat zowel maatschappelijk als politiek hierover momenteel op veel verschillende manieren wordt gevoerd.
Door de recente ontwikkelingen op het gebied van AI is de aandacht voor AI in het publieke debat sterk toegenomen. Dit is bijvoorbeeld merkbaar aan de grote (social) media-aandacht voor het onderwerp. Het maatschappelijk debat over de impact van AI op onze samenleving wordt echter al langere tijd gevoerd. Hierbij is aandacht voor zowel de enorme kansen die met een technologie als AI gemoeid gaan, alsook de risico’s. Zo is er afgelopen jaren veel aandacht geweest voor onderwerpen als transparantie, bias en het belang van menselijk toezicht op AI. Deze signalen zijn actief meegenomen in het nationale AI-beleid.
Om zicht te houden op nieuwe maatschappelijke vraagstukken en risico’s van AI is het van groot belang het gesprek hierover met verschillende partijen te blijven voeren. Deze maatschappelijke dialoog staat ook centraal bij het in 2023 komen tot een (kabinets)visie op generatieve AI, waarbij een stevig maatschappelijk debat over de maatschappelijke impact van (generatieve) AI met burgers, overheden en bedrijven zal worden gevoerd en als belangrijke input fungeert.
Hier ligt ook een brede en gedeelde verantwoordelijkheid, ook bij aanbieders en gebruikers van AI, wetenschappers, onderwijsinstellingen, burgers en overheden. En daar zet het kabinet zich vol voor in, bijvoorbeeld via de Nederlandse AI Coalitie. Via dit publiek-private samenwerkingsverband werken overheid, bedrijfsleven, onderwijs- en onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties in gezamenlijkheid aan maatschappelijk verantwoorde AI-toepassingen.
Daarnaast is de (aankomende) AI-verordening een directe reactie op de in de maatschappij gesignaleerde risico’s. De Europese Unie pakt met deze verordening de regie rondom de maatschappelijke vraagstukken rondom AI. Dit geldt ook voor een aantal andere Europese wetten, zoals de Digital Markets Act en de Digital Services Act. Bedrijven mogen alleen (digitale) producten en diensten leveren op de Europese markt als deze veilig zijn en mensenrechten respecteren.
Kunt u de concrete uitwerking van het waardenkader sturen, naar aanleiding van aangenomen motie Leijten en Ceder? Zo nee, wanneer kan de Kamer deze concrete uitwerking verwachten?2
Met uw Kamer deel ik de behoefte aan één duidelijk waardenkader dat toegepast kan worden in digitalisering in alle sectoren. Tegelijkertijd constateer ik dat er al meerdere waardenkaders zijn die tegelijkertijd gelden. Zo zijn de waarden die wij als maatschappij van fundamenteel belang achten vastgelegd in de Grondwet. Hierbij valt te denken aan non-discriminatie, privacy en vrijheid van meningsuiting. De bescherming van deze waarden is uitgewerkt in wetgeving. De AVG ziet bijvoorbeeld toe op de bescherming van persoonsgegevens. Op basis van deze wet- en regelgeving zijn er diverse handreikingen opgesteld om organisaties te helpen deze waarden ook in de praktijk te beschermen. Voorbeeld hiervan zijn de Impact Assessment Mensenrechten Algoritmen (IAMA),8 de handreiking non-discriminatie by design en de Code Goed Digitaal Openbaar Bestuur (CODIO)9.
Welke publieke waarden een rol spelen in concrete situaties is (mede) afhankelijk van de sector en het specifieke geval. Zo is de hierboven genoemde CODIO voor digitalisering in het openbaar bestuur opgebouwd als een bouwwerk dat bestaat uit drie fundamenten: (1) democratie, (2) rechtstaat en (3) bestuurskracht; zes principes: (1) participatie, (2) maatschappelijke waarde, (3) mensenrechten, (4) procedurele rechtvaardigheid, (5) bestuurskwaliteit en (6) verantwoordelijkheid; en 30 specifieke waarden. De code biedt een rijkheid aan waarden maar ook drie heldere ankerpunten: democratie, rechtstaat en bestuurskracht. De vraag die in het openbaar bestuur wordt gesteld ziet minder op een aanvullend waardenkader dan op handreiking bij de toepassing van alle bestaande kaders. Daarom ontwikkel ik bijvoorbeeld een implementatiekader «verantwoorde inzet van algoritmes» met daarin alle verplichte en aanbevolen onderdelen waarmee rekening moet worden gehouden bij het ontwikkelen en inzetten van algoritmes.
Tegelijkertijd heb ook ik de behoefte om de bestaande waardenkaders in samenhang te beschouwen en te verbinden. In de brief over het implementatiekader, die u nog voor de zomer van mij ontvangt, zal ik aangeven hoe we daartoe willen komen.
Kunt u zich vinden in de oproep van de techprominenten om een pauze in te lassen met betrekking tot het gebruik van vergaande kunstmatige intelligentie en kunt u in uw antwoord betrekken hoe zich dit verhoudt tot het normenkader dat moet worden opgesteld door de Autoriteit Persoonsgegevens en dat nog niet ontwikkeld is?
Ik herken zorgen die genoemd worden in de oproep van techprominenten en het is goed dat zij daarvoor aandacht vragen.
De oproep richt zich echter in grote mate op toekomstige ontwikkelingen, terwijl we nu al impact zien van generatieve AI. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om desinformatie en gevolgen voor het onderwijs. Deze gevolgen worden niet opgelost met een pauze. Het is daarom van belang om ook nu al actie te nemen.
Op de korte termijn werkt het kabinet aan adresseren van die gevolgen.10 Het kabinet werkt ook aan een integrale visie op generatieve AI naar aanleiding van een motie11 van uw Kamer.
Daarnaast is de oproep een steun in de rug voor de Nederlandse en Europese aanpak om tot mensgerichte AI te komen. Zoals in antwoord 1 beschreven, investeren we in het veiliger kunnen maken van AI-systemen en stellen gaan we via de AI-verordening eisen stellen om deze veiligheid te waarborgen.
In Nederland werken we ook aan het versterken van toezicht op algoritmes en AI. Diverse toezichthouders hebben met AI en algoritmes te maken. De DCA bij de AP richt zich vanaf januari 2023, conform de doelen in de inrichtingsnota algoritmetoezichthouder, op het komen tot gezamenlijke en sectoroverstijgende normuitleg.12 Bijvoorbeeld over transparantieverplichtingen in wet- en regelgeving. Ook faciliteert de AP het gezamenlijk uitleggen van juridische normen en kaders op het gebied van algoritmes en AI. Dit moet bijdragen aan het scheppen van duidelijkheid aan ondertoezichtgestelden – bijvoorbeeld bedrijven of overheden – over hoe en aan welke normen zij moeten voldoen als het gaat om de (verantwoorde) inzet van AI. Naast deze inspanningen van de DCA zal het kabinet het toezicht op basis van de AI verordening vormgeven zodra deze definitief tot stand is gekomen. Bij de voorbereiding, die nu al loopt zijn diverse toezichthouders betrokken.
Kunt u aangeven welke adviescolleges, instanties of andere gremia de overheid en bestuurders adviseren over de ethische aspecten van het gebruik van kunstmatige intelligentie en nieuwe digitale toepassingen?
Bij de ontwikkeling en het gebruik van AI en nieuwe digitale toepassingen wint de overheid advies in over de ethische aspecten van een breed scala aan organisaties, bedrijven en personen, waaronder de wetenschap en het maatschappelijk middenveld. Recente voorbeelden daarvan zijn onderzoeken van het Rathenau Instituut en de WRR. Deze organisaties worden ook betrokken bij het opstellen van de kabinetsvisie op generatieve AI.
Onderdelen van de rijksoverheid en andere (mede-)overheden hebben daarnaast ook zelf adviesorganen voor de ethische aspecten van het gebruik van AI en digitale toepassingen. Voorbeelden daarvan zijn de Commissie Data Ethiek van het UWV en de Adviescommissie Analytics bij het Ministerie van Financiën en ethische commissies bij gemeenten en provincies.
Het bericht ‘Steeds meer Nederlandse leerkrachten in Vlaanderen’ |
|
René Peters (CDA), Harm Beertema (PVV) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is bij u bekend dat er steeds meer Nederlandse leerkrachten in Vlaanderen werken als leerkracht?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Zou een reden kunnen zijn dat er in Vlaanderen meer aandacht is voor een stevige theoretische basis?
Leraar zijn is een heel mooi en betekenisvol vak, of je nu werkt in Nederland of Vlaanderen. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom Nederlandse leerkrachten ervoor kiezen om te werken in Vlaanderen. Dat kunnen verschillen in onderwijssystemen of arbeidsvoorwaarden zijn, maar er zijn ook andere verklaringen denkbaar zoals culturele verschillen, verschillen in woningprijzen of persoonlijke motieven. De cijfers betekenen overigens niet noodzakelijk dat het gaat over personen die in Nederland hun lerarenopleiding volgden of wonen en dan naar Vlaanderen uitwijken om les te geven. Ruim de helft van de Nederlandse leerkrachten in Vlaanderen werkt bovendien in Antwerpen of Brussel, waar al jaren een vrij grote gemeenschap van Nederlanders woont en werkt. Ook dat verklaart een deel van de cijfers. Overigens verdienen leerkrachten in Nederland over het algemeen niet minder dan in Vlaanderen.2
Zou een reden kunnen zijn dat in Vlaanderen leerkrachten minder bezig moeten zijn met het onderhandelen met kinderen en het gezag van de leerkracht nog van betekenis is?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nederlandse leerkrachten in Nederland willen blijven werken?
Daarvoor moeten wat mij betreft alle registers open, zoals in de Lerarenstrategie beschreven staat.3 We moeten er samen voor zorgen dat het beroep leraar aantrekkelijk is en blijft, zodat leraren en schoolleiders graag in het onderwijs werken en er meer mensen in het onderwijs aan de slag willen. We hebben daarom onder andere investeringen gedaan in de salarissen van leraren en het aanpakken van werkdruk, we geven meer ruimte voor ontwikkeling en professionalisering, we zorgen dat meer mensen kiezen voor de opleiding via zij-instroom routes en we stellen extra geld beschikbaar voor ondersteunend personeel om leraar te worden. Daarnaast zetten we in op meer (regionale) samenwerking en maken we samen met onderwijsorganisaties afspraken over ingewikkelde dilemma’s over onderwijstijd, bevoegdheden en flexibilisering van de lerarenopleidingen. Voor de zomer informeren mijn collega, Minister Dijkgraaf en ik u over de voortgang.
Het artikel ‘Draagvlak voor hulp Oekraïense vluchtelingen in Slowakije staat onder druk’ |
|
Jeroen van Wijngaarden (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Draagvlak voor hulp Oekraïense vluchtelingen in Slowakije staat onder druk»?1.
Ja.
Hoe kijkt u naar het bericht dat Slowakije erg kwetsbaar blijkt voor desinformatie vanuit Rusland? Hoe kijkt u hier naar de rol van sociale media in het verspreiden van desinformatie?
De verspreiding van Russische desinformatie wereldwijd is zorgelijk en zeker ook de verspreiding hiervan in EU lidstaten, waaronder Slowakije. Sociale media spelen een grote rol bij het verspreiden van desinformatie. Berichten als dit onderstrepen het belang om in EU-verband gezamenlijk op te trekken in het verhogen van de weerbaarheid tegen desinformatie.
Welke risico’s ziet u voor aankomende verkiezingen in het najaar in Slowakije en de toenemende verspreiding van desinformatie uit Rusland?
Het is aan de kiesgerechtigde Slowaken om een keus te maken bij de verkiezingen in dit najaar. Wel weten we dat desinformatie invloed kan hebben op de politieke keuzes die mensen maken. Ook in die zin is groeiende verspreiding van desinformatie in Slowakije zorgelijk.
Welke risico’s ziet u voor het functioneren van de EU als de pro-Russische partij van Robert Fico de verkiezingen wint in Slowakije aankomend najaar?
Mocht de partij van Robert Fico de aanstaande verkiezingen in Slowakije winnen, dan kunnen we verwachten dat dit de besluitvorming binnen de EU ten aanzien van steun aan Oekraïne en inzet jegens Rusland niet vergemakkelijkt. Nederland zal er ook in dat geval alles aan blijven doen EU-eenheid te blijven bewerkstelligen.
Wat wordt er in EU-verband gedaan om gezamenlijk op te trekken tegen Russische desinformatie in EU-lidstaten? Welke maatregelen worden genomen om de verspreiding van desinformatie tegen te gaan? Bent u het ermee eens dat hier een belangrijke rol is weggelegd voor social media platformen aangezien hun digitale infrastructuur wordt gebruikt door kwaadwillenden om desinformatie te verspreiden? Zo ja, in hoeverre betrekt u social media bedrijven bij de aanpak van desinformatie? Zo nee, waarom niet?
De Europese Unie pakt desinformatie, of «Foreign Information Manipulation and Interference» (FIMI)2, afkomstig vanuit statelijke, of daaraan gelieerde, actoren aan, daar waar dit een risico vormt voor de nationale veiligheid. Voor het tegengaan van FIMI heeft de EU een instrumentarium ontwikkeld dat aangekondigd is in het Europees Democratie Actieplan.3 Hierbij horen nieuwe instrumenten die het mogelijk maken kosten te verhalen op actoren achter beïnvloedingsoperaties, de strategische communicatieactiviteiten van de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) te versterken en FIMI inzichtelijk te maken. Verder wordt middels de wet inzake digitale diensten (DSA) een wettelijke basis gecreëerd voor een co-regulerende aanpak van de vernieuwde gedragscode tegen desinformatie. Hiermee spreekt de EU sociale media bedrijven aan op hun verantwoordelijkheid voor het tegengaan van FIMI. Bij het ontwikkelen van eventuele nieuwe instrumenten staat voor het kabinet het waarborgen van fundamentele rechten altijd voorop. Zie voor de aanpak in Nederland de «Rijksbrede strategie effectieve aanpak van desinformatie»4, die uw Kamer op 23 december 2022 toeging.
Wat is de laatste stand van zaken van de herziening van de code of practice on online disinformation waar social media bedrijven zich aan hebben gecommitteerd in Europa? Heeft deze herziening reeds plaatsgevonden, zo ja wanneer en wat betekent dit concreet voor de aanpak van desinformatie van social media platformen? Zo nee, wanneer vindt deze herziening plaats?
Op 16 juni 2022 is de hernieuwde Praktijkcode tegen desinformatie gepubliceerd. Deze is ondertekend door 34 organisaties. Naast grote online platformen zoals Meta, Twitter en Google, hebben ook kleinere platformen, online advertentiebedrijven en fact-checkers zich aangesloten. Uw Kamer is op 29 november 2022 per brief geïnformeerd over de inhoud van deze praktijkcode en de concrete gevolgen ervan.5
Welke stappen moeten en kunnen volgens Nederland worden gezet in EU-verband om Russische desinformatie tegen te gaan? Welke rol kan Nederland hierin spelen?
In EU verband wordt gewerkt aan meer coördinatie tussen EU-lidstaten en inzet van EU-instrumenten om gezamenlijk op te trekken tegen de verspreiding van Russische desinformatie. Nederland ondersteunt de FIMI Toolbox, en zet zich in voor de verdere ontwikkeling hiervan, met als doel verschillende EU instrumenten samen te brengen en antwoord te bieden tegen ongewenste buitenlandse inmenging in het informatie domein.
Meer dan 40% van de Slowaken zou stellen dat Slowakije geen financiële steun aan Oekraïne zou moeten verlenen, zijn vergelijkbare cijfers te zien in andere EU-lidstaten? Zo ja, in welke?
Nederland houdt geen totaaloverzicht bij van steun onder de bevolking in EU lidstaten voor financiële steun aan Oekraïne.
Hoe monitort u toenemende euroscepsis sinds de start van de oorlog in Oekraïne in Slowakije of in andere Centraal- of Oost-Europese landen?
De ambassades van Nederland in Slowakije en andere Centraal-Europese lidstaten houden de ontwikkelingen in hun respectievelijke landen in de gaten, waaronder hoe er onder de bevolking wordt gedacht over de oorlog in Oekraïne, steun voor de EU en democratische waarden in het algemeen. Hierbij kunnen vele factoren een rol spelen en is het niet eenvoudig de link te leggen tussen de oorlog in Oekraïne en al dan niet toenemende euroscepsis.
Heeft u de informatie dat er sprake is van toenemende Russische beïnvloeding en verspreiding van desinformatie bij aankomende verkiezingen van andere EU-lidstaten? Zijn er lidstaten die een verhoogd risico lopen op actieve buitenlandse beïnvloeding vanuit Rusland? Zo ja, welke?
Russische beïnvloeding en verspreiding van desinformatie rondom verkiezingen zijn fenomenen die al jaren bekend zijn en waar Nederland, ook in EU-verband, tegen optreedt. Er kan niet zo eenvoudig en eenduidig een lijst gemaakt worden met EU-lidstaten die een verhoogd risico lopen op buitenlandse beïnvloeding vanuit Rusland.
Het bericht ‘Het geld is op, en dus verliest dit dorp tweederde van zijn bruggen: ‘Alsof we er hier niet toe doen’’ |
|
Harmen Krul (CDA) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van «Het geld is op, en dus verliest dit dorp tweederde van zijn bruggen: «Alsof we er hier niet toe doen»»1 en zou u op de belangrijkste bevindingen in zowel het nieuwsartikel als de bijbehorende videoreportage willen reageren?
Ja.
Deelt u de analyse dat het verdwijnen van bruggen in Pekela een bredere relevantie heeft dan alleen de vraag of de gemeente het onderhoud aan bruggen kan betalen? Zo ja, zou u op deze bredere relevantie over onder andere leefbaarheid en het verdwijnen van voorzieningen willen reflecteren?
Ja, als er wordt ingezoomd op het gebied, dan is er sprake van een complexe samenhang tussen demografische ontwikkeling, voorzieningenniveau, sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Een van de opgaven in het landelijk gebied is de maatschappelijke voorzieningen in stand te houden voor de inwoners, inclusief de bereikbaarheid daarvan.
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn voor het Rijk om Pekela te helpen bij de financiering van het onderhoud van deze bruggen?
Het vaarwegennet in Nederland is verdeeld in Rijksvaarwegen, provinciale vaarwegen en gemeentelijke vaarwegen. Het beheer en onderhoud hiervan is bij de betreffende overheden ondergebracht waarvoor zij dan ook een eigen verantwoordelijkheid hebben. Het Pekelerhoofddiep valt onder de gemeente en daar heeft Rijkswaterstaat of het Ministerie van IenW geen rol bij. Het kanaal is opgenomen in het recreatieve toervaartnet dat is vastgesteld in de omgevingsverordening van de provincie Groningen. De problematiek van te weinig onderhoudsbudget en achterstanden in onderhoud, waar de gemeente mee worstelt, is herkenbaar. Daar worstelt IenW ook mee. Daar is de gemeente Pekela niet mee geholpen, maar los van de verantwoordelijkheidsverdeling is er ook geen financiële mogelijkheid om bij te springen vanuit het Mobiliteitsfonds. Mogelijk kan het nieuwe verdeelmodel voor het Gemeentefonds hiervoor een uitkomst bieden.
Zou u willen reflecteren op het in eerdergenoemd nieuwsbericht beschreven gevoel van mensen dat zij niet gehoord worden en er zelfs niet toe doen, en dat in verband willen brengen met beslissingen over infrastructuur, het gepresenteerde rapport «Elke regio telt! Een nieuwe aanpak van verschillen tussen regio's» van De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving en de Raad voor het Openbaar bestuur2, evenals het plan «Voor Heel Nederland» van de CDA-fractie3?
Het kabinet komt met een reactie op de aanbevelingen van het rapport van RLI, ROB en RVS, «Elke regio telt!». Het recht op bereikbaarheid gaat niet alleen om het faciliteren van de toegang tot banen, voorzieningen en sociale contacten. Dat bleek ook al uit het PBL-rapport «Toegang voor iedereen» (oktober 2022). Zaken als ruimtelijke ordening en draagvlak voor de voorzieningen spelen een belangrijke rol. Daarom moet het gesprek breder worden gevoerd dan alleen over mobiliteit en infrastructuur en moet er aandacht zijn voor regionale verschillen. Deze grondgedachte is in de Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie 2050 opgenomen en wordt verder uitgewerkt in gesprek met andere departementen en medeoverheden.
Deelt u de opvatting, zoals in eerdergenoemd nieuwsbericht beschreven, dat het Rijk een morele plicht heeft om Pekela te helpen de weg omhoog te vinden? Ziet u een vergelijkbare morele plicht richting meer gemeenten in ons land en deelt u de opvatting dat het hier zou moeten gaan om structurele aandacht en betrokkenheid?
Het Rijk draagt bij aan de financiering van de gemeentelijke taken via het Gemeentefonds. De fondsbeheerder zijn de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de Staatssecretaris van Financiën. Zij bestuderen elk jaar hoe de verdeling van het Gemeentefonds zich verhoudt tot de manier waarop de kosten van gemeenten zich ontwikkelen. Gemeenten bepalen zelf waar ze dit geld aan besteden. Dat zijn lastige keuzes als niet alle posten kunnen worden gedekt. Met het nieuwe verdeelmodel voor het Gemeentefonds is er meer aandacht voor de weerbaarheid van gemeenten met een beperkte financiële draagkracht. Het is niet de bedoeling dat de middelen fors achterblijven bij de ontwikkeling van de uitgaven en dat juist de kleine gemeenten die veel financiële problematiek hebben erop achteruitgaan. Dat heeft de aandacht van het kabinet. De Minister van BZK pakt dit samen met de medeoverheden op in het kader van de hele verdeelsystematiek van gelden.
Zou in contact willen treden met zowel de provincie als de actiegroep Bruggen Belang Pekela over de mogelijkheden om als Rijk bij te dragen aan een oplossing voor de financiering van het onderhoud aan bruggen?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 3, valt het Pekelerhoofddiep onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Los van de verantwoordelijkheidsverdeling, heeft het ministerie ook geen financiële mogelijkheid om bij te springen.
Deelt u de opvatting dat de rijksoverheid definitief afscheid moet nemen van de kosten-baten analyse als besluitvormingsinstrument? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit afscheid vormgeven?
In het Tweeminutendebat Verkeersveiligheid en Wegen van 13 april 2023 is de motie van de leden Krul en Van der Graaf4 aangenomen waarmee de Kamer het kabinet oproept om de maatschappelijke kosten-batenanalyse niet meer als enige besluitvormingsinstrument te gebruiken in het infrastructuurbeleid. De MKBA kent beperkingen, maar het blijft een nuttig instrument om objectief in te schatten wat de effecten en projectalternatieven behelzen. De MKBA levert beslisinformatie, maar is op zichzelf niet doorslaggevend en onderdeel van een bredere afweging in het kader van het MIRT. De motie wordt meegenomen in de herziening van de Werkwijzer MKBA die dit jaar wordt uitgevoerd.
De Week van de Lentekriebels en ander onderwijs gericht op seksuele voorlichting en vorming van jonge kinderen |
|
Thierry Baudet (FVD) |
|
Dennis Wiersma (minister zonder portefeuille onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Vanaf welke leeftijd acht u seksuele voorlichting en vorming van jonge kinderen noodzakelijk en waarom? Bent u van mening dat seksuele voorlichting en vorming al bij kinderen in groep 1 moet beginnen? Kunt u dit toelichten?
De kerndoelen in het primair onderwijs zijn doelen waarop basisscholen zich moeten richten in het geven van onderwijs aan leerlingen tussen de 4 en 12 jaar. Het aanbieden van de kerndoelen is verplicht maar scholen starten naar eigen inzicht de leerlijn in kwestie op een door hen gekozen moment. Zij dienen hierbij in vorm, tempo en inhoud natuurlijk oog te hebben voor de ontwikkeling en belevingswereld van het kind.
Relationele en seksuele ontwikkeling start al op jonge leeftijd. Daarom is het belangrijk dat vanaf de eerste jaren op de basisschool onder andere aandacht wordt besteed aan het opbouwen van een positief zelfbeeld, vriendschappen en verliefdheid, het respecteren van de grenzen en wensen van anderen en het kunnen aangeven van je eigen grenzen. Door de leerjaren heen kan een leraar lesstof toevoegen die passend is bij de belevingswereld van het kind. Zo is het belangrijk dat kinderen in de bovenbouw kennis hebben van de cognitieve, emotionele, lichamelijke en sociale aspecten van relaties en seksualiteit. In de bovenbouw is het dan onder andere belangrijk dat leerlingen weten wat hen te wachten staat in de puberteit, weten wat voortplanting is en welke invloed sociale media hebben op je zelfbeeld. Op deze manier worden zij toegerust om zelf goed geïnformeerde keuzes te kunnen maken op het gebied van seksuele gezondheid, seksualiteit en relaties.
Scholen kunnen onder andere, voor alle leergebieden, expertisecentra en aanbieders van lespakketten raadplegen om te bepalen wat pedagogisch-didactisch passend is en aansluit bij de (levensbeschouwelijke) visie van de school.
Kunt u toelichten wat in uw ogen het verschil is tussen seksuele voorlichting en seksuele vorming?
In de beleidsvisie seksuele gezondheid1 beschrijft het kabinet te staan voor een brede en positieve benadering van het toerusten én beschermen van de samenleving op het gebied van seksuele gezondheid. Seksuele voorlichting wijst op éénzijdige kennisoverdracht over seksualiteit en seksuele gezondheid. Brede relationele en seksuele vorming2 betreft het interactief leren over de cognitieve, emotionele, lichamelijke en sociale aspecten van relaties en seksualiteit zodat mensen zelf goed geïnformeerde keuzes kunnen maken op het gebied van seksuele gezondheid, seksualiteit en relaties.
Ziet u een probleem in de promotie van transgenders op (basis)scholen? Kunt u dit toelichten?
De door u genoemde promotie van transgenders, zoals de leden hier vragen, is geen onderdeel van de lespakketten die Rutgers aanbeveelt. Natuurlijk kunnen kinderen wel vragen hebben over genderdiversiteit, transgender personen en/of ervaringen. Ik vind het belangrijk dat het gesprek daarover gevoerd kan worden op scholen zodat leerlingen op school betrouwbare informatie krijgen, die zij kunnen bespreken met iemand die zij vertrouwen, en daarmee niet online op verkeerde informatie stuiten.
Ik wil dat álle leerlingen zich veilig voelen, geaccepteerd worden op school en dat leerlingen als onderdeel van kerndoel 38 leren dat onze samenleving divers is. Middels kerndoel 38 zijn scholen ook verplicht aandacht te besteden aan seksualiteit en diversiteit binnen de samenleving waaronder seksuele diversiteit. Daarom vind ik het ook belangrijk dat leerlingen leren dat je geaccepteerd wordt en moet worden als je bijvoorbeeld verliefd wordt op iemand van hetzelfde geslacht. De invulling van het kerndoel dat hierboven beschreven staat helpt leerlingen diversiteit te herkennen en te respecteren en leert kinderen dat ze mogen zijn wie ze willen zijn. In alle gevallen verwacht ik van scholen en leraren, en daar vertrouw ik op, dat zij een veilige sfeer creëren in de klas en zorgen voor betrouwbare informatie om het gesprek aan te gaan over (seksuele) diversiteit.
Bent u net als Rutgers1 van mening dat heteronormativiteit op (basis)scholen verminderd moet worden?2 Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer is deze vermindering geslaagd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u ingaan op de voorbeelden die het lid Baudet in zijn inbreng tijdens het Vragenuur op dinsdag 21 maart 2023 heeft genoemd en een oordeel geven over deze voorbeelden?
Tijdens het vragenuur is het lid Baudet ingegaan op een fragment uit het verhaal van de schrijver Pim Lammers (met de titel Trainer, dat is bedoeld voor volwassenen), liet hij een afbeelding zien uit een bespreekboek voor ouders, refereerde hij aan plaatjesboeken met volgens hem expliciete inhoud en benoemde hij een podcast van Dokter Corrie. Voor alle genoemde voorbeelden geldt dat deze geen onderdeel zijn van de Week van de Lentekriebels, noch van de lespakketten die Rutgers aanbiedt op hun website. Scholen en leraren kunnen er zelf voor kiezen om aanvullend materiaal in te zetten tijdens lessen relationele en seksuele vorming. Ik vertrouw op hun expertise om te bepalen wat wel en niet past bij de leeftijd, ontwikkeling en belevingswereld van kinderen. Naast het onderwijsaanbod biedt Rutgers ouders en opvoeders online tips en suggesties om als primaire opvoeder thuis (ook) met seksuele opvoeding aan de slag te gaan, waarbij ouders zelf keuzes kunnen maken die passen bij hun (pedagogische) visie en behoeften.
In Nederland geldt vrijheid van expressie, die een basisvoorwaarde vormt voor een open en democratische samenleving. Deze vrijheid van expressie geldt ook voor schrijvers. Het is daarom niet aan mij om als Minister een mening over te hebben of een oordeel te vellen over de inhoud van een kunstuiting, zoals het fragment uit het verhaal van Pim Lammers.
Daarnaast vertrouw ik erop dat scholen en leraren zorgvuldig afwegen of lesmateriaal en beeldmateriaal dat ondersteunend is aan lesstof geschikt is om invulling te geven aan de kerndoelen, voor alle leergebieden. Scholen en leraren zijn voortdurend bezig passend lesmateriaal te vinden aansluitend bij de kerndoelen, passend bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind en in lijn met de (levensbeschouwelijke) visie van de school. Indien scholen merken dat er zorgen en vragen leven bij ouders over de invulling van relationele en seksuele vorming, verwacht ik dat zij samen het gesprek aangaan over deze zorgen.
Bent u een voorstander van deze seksualisering van jonge kinderen? Ziet u mogelijke problemen in deze seksualisering van jonge kinderen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet? Kunt u dit toelichten?
Het is een kwalijke zaak dat er door informatie die de afgelopen periode is verspreid, zowel in de Tweede Kamer als online, de suggestie wordt gewekt dat kinderen zouden worden geseksualiseerd door de lessen die tijdens de Week van de Lentekriebels zijn gegeven op scholen. Ik betreur de vergaande en negatieve effecten van deze onjuiste informatie op een organisatie als Rutgers.
Dit kabinet streeft ernaar dat inwoners van Nederland dusdanig goed geïnformeerd zijn dat zij op basis hiervan in staat zijn om keuzes te maken over hun seksuele gezondheid en de keuzes van anderen te respecteren. Scholen zijn sinds 2012 verplicht om aandacht te besteden aan relationele en seksuele vorming. Door brede relationele en seksuele vorming binnen het onderwijs leren kinderen en jongeren dat je in vrijheid zelf keuzes mag maken en worden zij ondersteund om ook goed geïnformeerde keuzes te maken op het gebied van seksuele gezondheid en seksualiteit.
Brede relationele en seksuele vorming sluit aan bij elke fase van de ontwikkeling die kinderen en jongeren doormaken en de vragen die zij per leeftijds- en ontwikkelingsfase hebben. Het zet daarmee niet aan tot seksuele handelingen. Integendeel: onderzoek toont aan dat jongeren die goede voorlichting hebben gehad, gemiddeld genomen bewuster en later beginnen aan seks.5 Juist omdat ze hier van tevoren beter over hebben nagedacht.
Bovendien hangt brede relationele en seksuele vorming ook samen met het bewuster beginnen aan seks, meer consistent gebruik van voorbehoedsmiddelen en een lager cijfer onbedoelde zwangerschappen. Dergelijke vorming lijkt bij te dragen aan meer kennis, een positiever zelf- en lichaamsbeeld, betere vaardigheden en meer zelfregie, respectvollere omgangsvormen en vermindert daarmee het risico op seksuele grensoverschrijding (in zowel de rol als slachtoffer als die van pleger), seksueel overdraagbare aandoeningen en onbedoelde zwangerschap.6
Scholen en leraren geven zelf invulling aan de lessen relationele en seksuele vorming. Dat kan door bijvoorbeeld een vrijwillige deelname aan de Week van de Lentekriebels, maar ook op een andere manier of ander moment. Scholen kunnen daarnaast ervoor kiezen om zich aan te melden voor het Stimuleringsprogramma Relaties en Seksualiteit van de Gezonde School. Hierbij kunnen scholen ook gebruik maken van lespakketten.
Bent u bereid het gehele lespakket voor de Week van de Lentekriebels 2023 aan de Kamer ter beschikking te stellen?
Allereerst vind ik het belangrijk om te benoemen dat er geen formeel of standaard lespakket is voor de themaweek «Week van de Lentekriebels». Daarbij is deelname vrijwillig en zijn de Week van de Lentekriebels, noch de lespakketten van Rutgers of andere aanbieders, mijn eigendom. Scholen en leraren bepalen bovendien zelf welke lespakketten en materialen zij inzetten voor hun lessen relationele en seksuele vorming, en die kunnen dus ook buiten de «Week van de Lentekriebels» vallen.
Uw vraag om het lesmateriaal dat gebruikt kan worden bij het geven van relationele en seksuele vorming ter beschikking te stellen, heb ik voorgelegd aan Expertisecentrum Rutgers. Zij geven aan dat de leerdoelen van het lespakket «Kriebels in je buik» online te bekijken zijn. Verder zijn grote delen van dit lespakket ook openbaar en is inzage in de lessen mogelijk, via Rutgers.
Wat vindt u zelf van het lespakket behorende bij de Week van de Lentekriebels 2023?
In alle gevallen, ook bijvoorbeeld bij financiële educatie, cultuur en duurzaamheid, vind ik het belangrijk dat de keuze om wel of niet deel te nemen aan dit soort themaweken en het in gebruik nemen van lespakketten bij de school ligt. Ik ben verantwoordelijk voor het wettelijke curriculum in het funderend onderwijs, waar relationele en seksuele vorming onderdeel van is. Door deelname aan de Week van de Lentekriebels kunnen scholen daar invulling aan geven. De keus om deel te nemen aan die Week van de Lentekriebels is vrijwillig en ligt bij scholen.
Ook kunnen scholen zelf kiezen welke lespakketten, delen van een lespakket of welke andere ondersteunende materialen zij inzetten om relationele en seksuele vorming te geven. Een meerderheid van de scholen biedt relationele en seksuele vorming op een andere manier aan dan door deelname aan de Week van de Lentekriebels, al dan niet met een lespakket. Ik vind het goed dat er publieke organisaties zijn die vanuit hun expertise scholen ondersteunen in het geven van onderwijs en hun expertise inzetten om lespakketten te (laten) ontwikkelen, zoals het geval is bij de Week van de Lentekriebels.
Bent u bereid ook ander materiaal (zoals het lespakket van voorgaande jaren) in het kader van leerdoel 38 van het Besluit vernieuwde kerndoelen WPO aan de Kamer ter beschikking te stellen?3
Zoals eerder aangegeven ben ik geen eigenaar van lesmateriaal of lespakketten. Noch is er een vast lespakket behorende bij de Week van de Lentekriebels. Lesmateriaal dat ondersteunend is aan het aanbieden van de kerndoelen zijn continu in ontwikkeling. Ik vertrouw op de deskundigheid van leraren in het kiezen van het lesmateriaal of de lespakketten die het beste aansluiten bij hun pedagogisch-didactische of onderwijskundige visie.
Kunt u aangeven of er inmiddels klachten zijn ontvangen door de Inspectie van het Onderwijs over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan seksuele voorlichting (bijvoorbeeld de Week van de Lentekriebels, Paarse Vrijdag, etc.) in het (basis)onderwijs? Zo ja, wat is de aard en de omvang van deze klachten?
Navraag bij de Inspectie van het Onderwijs leert dat zij enkele tientallen telefoontjes en berichten heeft ontvangen over de lessen relationele en seksuele vorming naar aanleiding van de aandacht voor onder meer de Week van de Lentekriebels. Vaak kwamen deze telefoontjes en berichten van ouders die hun zorgen wilden uiten. Deze zorgen kwamen in grote lijnen overeen met de inhoud van berichten die in de media rondgingen. De inspectie heeft aan ouders informatie gegeven over de ruimte die scholen hebben in de aanbieding van leerstof en heeft tevens aangegeven dat scholen en besturen het eerste aanspreekpunt zijn bij vragen en zorgen over de invulling van het onderwijs. Indien ouders er met de school niet uitkomen, kunnen zij een klacht indienen via de formele klachtenprocedure van de school; deze klachten worden niet centraal geregistreerd.
Bent u bereid de subsidieverlening aan Rutgers te staken danwel te heroverwegen, indien blijkt dat deze instelling lespakketten met grensoverschrijdende inhoud ontwikkelt? Kunt u dit toelichten?
Ik vertrouw erop dat alle betrokken partijen zorgvuldig kijken naar de inhoud van de lespakketten en advies (blijven) geven als aanpassing nodig blijkt. Expertisecentrum Rutgers is een van de instellingen die door het Ministerie van VWS wordt gesubsidieerd voor specifieke activiteiten die zij uitvoeren op het gebied van seksuele gezondheid ten behoeve van alle Nederlanders. Uiteraard waakt de gehele rijksoverheid bij subsidierelaties, met welke partij dan ook, ervoor dat alle activiteiten binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat plaatsvinden.
Kunt u een lijst van onderzoeken toesturen die zouden bewijzen dat (een vroeg begin met) seksuele voorlichting leidt tot een later begin met seksuele handelingen en dat het normaliseren van seks bij jonge kinderen ertoe leidt dat zij beter weerstand kunnen bieden wanneer volwassenen aan hen zitten, zoals bijvoorbeeld wordt gesuggereerd in het krantenbericht van De Volkskrant op 24 maart 2023?4
In de beleidsvisie seksuele gezondheid wordt ingegaan op de onderbouwing van het belang van brede relationele en seksuele vorming.9 Brede relationele en seksuele vorming (dus niet het normaliseren van seks) hangt samen met het bewuster beginnen aan seks en draagt bij aan meer kennis, een positiever zelfbeeld, betere vaardigheden en meer zelfregie en vermindert daarmee het risico op seksuele grensoverschrijding (in zowel de rol als slachtoffer als die van pleger), seksueel overdraagbare aandoeningen en onbedoelde zwangerschap.10 Het sluit bovendien aan bij wat jongeren zelf belangrijk vinden.11 Het ervaren van seksueel genot, plezier en een positief seksueel zelfbeeld maakt deel uit van seksuele gezondheid, en daarmee van de mentale gezondheid en fysieke gezondheid.12 Als het seksueel welzijn door die persoon als goed wordt ervaren, weet diegene ook beter grenzen en wensen aan te geven en is daarmee ook beter beschermd tegen ongewenste zwangerschap of soa.13
Kunt u alle communicatie tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Rutgers delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Ik kan de communicatie delen tussen OCW en de Rutgers stichting voor zover het communicatie betreft van de beleidsdomeinen waar ik verantwoordelijk voor ben.
Ik zal de door u opgevraagde communicatie zo snel mogelijk delen na verzending van deze antwoorden.
Wat is het verband tussen de International Planned Parenthood Federation (IPPF) en Rutgers?
Rutgers is lid van de International Planned Parenthood Federation (IPPF).
Zijn er verbanden tussen de inmiddels verboden Stichting Martijn en (voorlopers van) Rutgers? Kunt u dit toelichten?
Nee. Navraag leert dat expertisecentrum Rutgers informatie geeft aan professionals – bijvoorbeeld in de zorg en in het onderwijs – over alle aspecten van seksualiteit. Rutgers staat voor gelijkwaardige seksuele relaties. Kinderen kunnen nooit op een gelijkwaardige manier wederzijdse toestemming of «consent» geven, omdat dit een continu proces van afstemming is op basis van gelijkwaardigheid. Seksueel gedrag en/of een seksuele relatie tussen een volwassene en een kind is inherent ongelijkwaardig, schadelijk voor kinderen en bovendien strafbaar. De standpunten van Stichting Martijn sluiten dan ook niet aan bij de visie en het werk van Rutgers.
Rutgers is een expertisecentrum dat zich richt op een gezonde seksuele ontwikkeling. Rutgers wijst pedoseksualiteit en seksueel kindermisbruik te allen tijde af, en heeft dat altijd gedaan.
Kunt u uitsluiten dat Rutgers of een voorloper daarvan ooit in verband is gebracht met het promoten van pedofilie of het pleiten voor legalisatie daarvan? Kunt u dit toelichten?
Expertisecentrum Rutgers heeft pedofilie nooit gepromoot, noch gepleit voor legalisatie.
Het nieuws dat kringloopwinkels zich grote zorgen maken om het moeten bijhouden van een verplicht register voor alle binnengekomen producten middels het Digitaal Opkopers Register |
|
Renske Leijten , Michiel van Nispen (SP) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u ingaan op de zorgen die een aantal kringloopwinkels en de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland (BKR) heeft geuit over de nieuwe wetgeving die kringloopwinkels mogelijk verplicht tot het bijhouden van een register van alle producten die binnenkomen?1
De afgelopen weken was de registratieplicht in de kringloopbranche veelvuldig in het nieuws. Ik betreur het dat hierdoor veel onrust is ontstaan in deze branche en mij is er veel aan gelegen deze onrust weg te nemen. De kringloop vervult immers een belangrijke functie in onze circulaire economie. Bovendien is de kringloop een uitkomst voor mensen die niet veel geld hebben, of die niet steeds nieuwe spullen willen kopen. Ten slotte bieden veel kringloopwinkels een werkplek voor mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt en leveren daarmee een waardevolle bijdrage aan hun arbeidsparticipatie. Met de beoogde wijziging van artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht en het hierbij behorende Uitvoeringsbesluit, waarin de registratieplicht van handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen verder uitgewerkt is, is het dan ook geenszins mijn bedoeling de belangrijke maatschappelijke functie van de kringloop te frustreren. In tegendeel. Het is mijn overtuiging dat de bestaande versie van voornoemde wetsbepaling ongewenste obstakels kan opwerpen voor de kringloopbranche, die ik met een wijziging van deze wet en de algemene maatregel van bestuur juist wil wegnemen. Helaas is de berichtgeving in de media rond de wetswijziging niet altijd correct. Hierdoor is het beeld ontstaan dat er ongewenste regels voor de kringloop ingevoerd gaan worden, terwijl de gesignaleerde problematiek veeleer door de huidige wet veroorzaakt wordt.
Kunt u zich voorstellen dat veel kringloopwinkels zich grote zorgen maken als zij een register moeten bijhouden van vele duizenden of voor sommige kringloopwinkels zelfs miljoenen producten die jaarlijks binnenkomen?
Ik kan mij goed voorstellen dat er grote zorgen bij de kringloopwinkels gerezen zijn over het bericht dat zij een register moeten gaan bijhouden van de duizenden tot miljoenen producten die zij ontvangen. Echter, dit is geen nieuwe verplichting die in de voorgenomen wijziging van de wet is opgenomen, maar een plicht die al op hen rust sinds in 1886 artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht ingevoerd is. Dit wetsartikel schrijft thans voor dat de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen een inkoopregister moeten bijhouden. In dit inkoopregister dienen de handelaren onder meer alle goederen te noteren die zij verwerven of voorhanden hebben, de inkoopprijs of andere voorwaarden van verkrijgen en wie de goederen aangeboden heeft. Mochten de goederen van een misdrijf afkomstig zijn, dan kan de politie eenvoudig achterhalen wie de aanbieder was. De kringloopwinkels vallen onder de reikwijdte van de huidige wet en moeten op basis hiervan alle goederen die zij ontvangen registreren. Met de beoogde wijziging van de wet wil ik deze enorme administratieve last – ook voor handelaren in het algemeen – terugdringen door de registratieplicht te beperken tot een selectie van diefstalgevoelige goederen.
Hoe is het mogelijk dat er al sprake is van handhaving van deze nog niet ingevoerde wetgeving zoals, blijkt uit de berichtgeving, bij een kringloopwinkel in Den Haag is gebeurd?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 rust op de aangewezen handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen, waaronder de kringloopwinkels, nu al de verplichting om een inkoopregister bij te houden. In veel gemeenten is in de algemene plaatselijke verordening ook het bijhouden van een verkoopregister verplicht gesteld, alsmede het in acht nemen van een bewaartermijn – lokaal variërend van drie tot veertien dagen – gedurende welke de verkregen goederen niet doorverkocht mogen worden. De grondslag voor deze aanvullende lokale bepalingen wordt gevormd door artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht, dat in het eerste lid ruimte biedt voor maatwerk op lokaal niveau. De handhaving van de registratieplicht gebeurt onder meer in de gemeente Den Haag op basis van de huidige landelijke en lokale regels.
Vindt u het logisch dat kringloopwinkels onderdeel worden van het Digitaal Opkopers Register (DOR) met als doel heling en witwassen te voorkomen? Zo ja, waarom?
Volgens de huidige inrichting van de wet zijn gemeenten bevoegd de vorm van het inkoopregister te bepalen. Uit een eerdere inventarisatie van juli 2022 is gebleken dat 194 van de 344 gemeenten (56%) het gebruik van het Digitaal Opkopers Register op enigerlei wijze lokaal verplicht hebben gesteld. In veel gemeenten dienen de kringloopwinkels hierdoor nu al via het Digitaal Opkopers Register aan hun registratieplicht te voldoen. Met de beoogde wijziging van artikel 437 Sr wordt het gebruik van het Digitaal Opkopers Register landelijk verplicht gesteld. Oogmerk van de wetswijziging is niet alleen om een gelijk speelveld te creëren voor alle aangewezen handelaren in Nederland, maar ook om te komen tot een betere bestrijding van heling en witwassen.
Kringloopwinkels kopen deels tegen betaling goederen in. Het zou niet wenselijk zijn, wanneer zij met een algehele ontheffing van hun registratieplicht een potentieel afzetkanaal creëren waarlangs uit misdrijf verkregen goederen ongemerkt hun weg vinden naar de consument. Vanuit het oogpunt van de bestrijding van heling blijft mede hierom een registratieplicht voor goederen die tegen betaling zijn verworven in deze branche van belang. Deze registratieplicht wordt echter zowel voor de kringloop als andere handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen straks beperkt tot diefstalgevoelige goederen die als zodanig opgenomen zijn in het Ontwerpbesluit Digitaal opkopersregister en Digitaal opkopersloket. Veelal blijft de inkoop van kringloopbedrijven aangesloten bij de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland beperkt tot textiel en witgoed. Die goederen zullen straks buiten de registratieplicht vallen, omdat ze niet als diefstalgevoelig zijn opgenomen in het Ontwerpbesluit. Daarnaast is er ook sprake van een zekere vatbaarheid van met name de commerciële kringloop voor witwassen.2
In het geval van gratis verworven goederen, waarvan met name sprake is in de non-profit kringloopbranche, stel ik een zeer beperkte registratieplicht voor. Buiten de registratieplicht voor deze kringloopwinkels – en ook voor andere handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen – vallen gratis gekregen spullen bestemd voor de afvalverwerking of recycling. Volgens de benchmark BKN 2021 wordt iets meer dan de helft van de spullen in de kringloopbranche verzameld voor de afvalverwerking of recycling. Ook vallen gratis verworven spullen die als diefstalgevoelige geïdentificeerd zijn en bestemd voor de verkoop, buiten de registratieplicht, indien ze niet voorzien zijn van een uniek serienummer. Aldus resteert in de non-profit kringloopbranche bij de inname van gratis goederen slecht een registratieplicht, voor zover deze goederen én op de lijst staan als diefstalgevoelig én voorzien zijn van een uniek serienummer én bestemd zijn voor doorverkoop. Alleen het product zelf en het serienummer hoeven in het Digitaal Opkopers Register geregistreerd te worden, niet de persoonsgegevens van de aanbieder. Deze beperkte registratieplicht is met name gericht op fietsen, ICT en kleine apparaten, die de aanbieder van oorsprong – al dan niet bewust – geheeld kan hebben en niet opnieuw in het economisch verkeer gebracht moeten worden.
Bent u het ten aanzien hiervan eens met de argumentatie van mevrouw Bleij, directeur van Kringkoopwinkel Amersfoort-Leusden, dat er geen sprake kan zijn van heling en witwassen bij kringloopwinkels omdat er simpelweg niet wordt betaald voor de producten die binnenkomen?
Kringloopwinkels zijn deels te typeren als commercieel en deels als non-profit. Bij beide typen is niet alleen de inzameling van gratis spullen aan de orde, maar worden ook goederen tegen betaling verworven. Ook voor de non-profit bedrijven die aangesloten zijn bij de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland, zoals de Kringloopwinkel Amersfoort-Leusden, geldt dat zij tegen betaling goederen kunnen verwerven, zij het dat deze inkoop gemaximeerd is tot een percentage van de omzet.3
Bent u het eens met de analyse van mevrouw Heijne, directeur van de Branchevereniging Kringloop Nederland (BKR), dat deze wetgeving ten aanzien van de kringloopwinkels een helder voorbeeld is van wetgeving die haar doel voorbijschiet?2
De huidige bepalingen van artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht schieten voor de kringloopbranche inderdaad hun doel voorbij en vormen een ongewenst obstakel voor de circulaire economie. Met de branchevereniging voeren we constructief overleg, dat eertijds op initiatief van mijn ministerie tot stand is gebracht. Het doel van dit overleg is te komen tot een afgewogen inrichting van de registratieplicht die enerzijds recht doet aan het belang van de bestrijding van heling en witwassen en anderzijds geen bedreiging vormt voor de circulaire economie. Zoals mevrouw Heijne al schrijft in haar opiniestuk in Trouw, heeft dit overleg geresulteerd in een voorstel voor een zeer beperkte registratieplicht voor de kringloopbedrijven die aangesloten zijn bij haar branchevereniging. Dit voorstel zorgt ervoor dat de wetgeving haar beoogde doelen niet voorbijschiet en tegelijk de circulaire economie niet onnodig belemmert.
Bent u het eens met de analyse van mevrouw Heijne dat hier bovenop dit ook een bedreiging is voor ambities op het gebied van de circulaire economie omdat kringloopwinkels hier een grote rol in spelen, die belemmerd worden met het moeten voldoen aan verplichtingen voor het DOR?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat u deels bent tegemoetgekomen in het uitzonderingsverzoek van de BKR door in de wetgeving de reikwijdte van de te vermelde goederen te vernauwen naar: «Alleen gebruikte en ongeregelde goederen die gevoelig zijn om wederrechtelijk te worden verkregen en nog enige waarde in het economisch verkeer hebben»?
Het klopt dat in het wetsvoorstel de registratieplicht beperkt is tot «gebruikte of ongeregelde goederen die gevoelig zijn om wederrechtelijk te worden verkregen en nog enige waarde in het economisch verkeer hebben». Zoals uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel blijkt is deze begrenzing na de consultatiefase toegevoegd, zij het dat dit niet het gevolg was van een daartoe strekkend verzoek van de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland.5
Klopt het dat er, en in lijn met deze definitie, sprake zal zijn van een beperkte registratieplicht voor kringloopwinkels?
Inderdaad ben ik voornemens te komen tot een beperktere registratieplicht ten opzichte van de huidige situatie. Deze zal in ieder geval van toepassing zijn op de non-profit bedrijven aangesloten bij de Branchevereniging Kringloopbedrijven Nederland. Onderzocht wordt of deze regeling uitgebreid kan worden naar kringloopbedrijven met de formele status van een algemene nut beogende instelling (ANBI) of sociaal belang behartigende instelling (SBBI). Er zijn namelijk ook (kleine) non-profit kringloopbedrijven die, vooral uit financiële overwegingen, niet zijn aangesloten bij de branchevereniging en voorkomen moet worden dat zij tussen wal en schip belanden.
De beperking van de registratieplicht reikt verder dan hetgeen in de aangehaalde definitie aan de orde is. Samengevat staat mij bij de registratieplicht voor deze non-profit kringloopbedrijven het volgende voor ogen. Voor goederen die tegen betaling zijn verworven én op de lijst met diefstalgevoelige goederen staan6, blijft uiteraard een volledige registratieplicht van kracht. Voor de kringloop betekent dit – net als voor andere handelaren – een eerste reductie van hun administratieve last, omdat niet-diefstalgevoelige goederen buiten de registratieplicht gaan vallen.
Voor gratis verworven goederen bestemd voor afvalverwerking of recycling is geen registratieplicht aan de orde. Dit vloeit voort uit de hierboven aangehaalde definitie en heeft ook een bredere reikwijdte dan alleen voor de kringloop, omdat dit ook voor andere handelaren geldt. Ten slotte voorzien we specifiek voor voornoemde non-profit kringloopbedrijven in twee aanvullende bepalingen in het geval van gratis verworven diefstalgevoelige goederen die via de winkel verkocht worden. Als deze goederen geen eigen uniek serienummer hebben, dan vervalt de registratieplicht geheel. Bij diefstalgevoelige goederen mét een serienummer zal slechts een beperkte registratieplicht aan de orde zijn, op basis waarvan alleen het goed zelf in het Digitaal Opkopers Register geregistreerd hoeft te worden en niet de persoonsgegevens van de aanbieder.
Inmiddels heeft mijn ministerie een factsheet opgesteld waarin de huidige en toekomstige inrichting van de registratieplicht in de kringloopbranche op een rij zijn gezet. De factsheet is naar de kringloopbedrijven gestuurd met de uitnodiging een (digitale) bijeenkomst bij te wonen voor degenen die nog nadere vragen hebben.7
Bent u op de hoogte van de zorgen, zoals ook geuit door mevrouw Heijne in het opiniestuk, dat de beperkte registratieplicht als nog een grote en onnodige barrière is voor kringloopwinkels?
Nee, want zoals mevrouw Heijne al in haar opiniestuk schrijft, is ze juist blij met de voorgestelde inperking van de registratieplicht. Zoals de regeling vorm krijgt, acht ik deze ook geen grote of onnodige barrière voor de kringloopwinkels. Zoals hierboven in het antwoord op vraag 9 beschreven, vervalt de registratieplicht voor gratis aangeboden goederen grotendeels. Er resteert een kleine categorie van gratis verkregen diefstalgevoelige goederen met een uniek serienummer die in de kringloopwinkel verkocht worden en waarvoor een beperkte registratieplicht zal gelden. Volgens de benchmark BKN 2021 maken fietsen en ICT respectievelijk slechts 2% en 1% uit van de totale omzet in deze branche. De identificerende persoonsgegevens van de aanbieders hoeven niet in het Digitaal Opkopers Register vastgelegd te worden, maar slechts het type product en serienummer. Tijdens het sorteren en beprijzen van ingezamelde goederen bestemd voor de winkel kan de kringloop deze registratie eenvoudig in het proces incorporeren.
Bent u bereid om ook de beperkte registratieplicht voor kringloopwinkels te herzien en kringloopwinkels wél uit te zonderen van het DOR omdat dit simpelweg geen toegevoegde waarde heeft voor het voorkomen van heling en witwassen?
Ik acht het niet verstandig te tornen aan de hierboven geschetste invulling van de beperkte registratieplicht voor de kringloopbranche. De toegevoegde waarde voor de bestrijding van heling zit deels in het feit dat de kringloopwinkels ook goederen tegen betaling verwerven. Voor een ander deel is van specifieke goederen met unieke kenmerken, zoals fietsen, bekend dat ze sterk diefstalgevoelig zijn. Het feit dat ze gratis aangeboden worden aan de kringloop, betekent niet dat ze van oorsprong geen illegale herkomst hebben. Volgens de delictsomschrijving in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht valt onder heling niet alleen het verwerven of overdragen, maar ook het voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen goederen. Ten slotte is in de praktijk gebleken dat de (commerciële) kringloop vatbaar kan zijn voor witwassen. Vanwege deze omstandigheden acht ik het van belang vast te houden aan een vorm van registratieplicht voor de branche met de bijbehorende controlebevoegdheden voor de handhavers.
Bent u bereid om in contact te treden met gemeenten om ervoor te zorgen dat er niet nu al wordt gehandhaafd, vooruitlopend op deze wetgeving, om situaties, zoals bij een kringloopwinkel in Den Haag, te voorkomen?
De prioritering in de handhaving van wettelijke bepalingen wordt op lokaal niveau bepaald. Gemeenten kunnen goede redenen hebben om bij het uitvoeren van controles op de registratieplicht de kringloopwinkels mee te nemen. Ook na de beoogde inperking van de registratieplicht voor de non-profit kringloopwinkels zal dit het geval blijven. Het is niet aan mij om in deze lokale afwegingen te treden.
Het artikel 'Provincie Limburg zet nieuwe stap in grootschalig onderzoek naar kernenergie' |
|
Silvio Erkens (VVD), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Rob Jetten (minister zonder portefeuille economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Provincie Limburg zet nieuwe stap in grootschalig onderzoek naar kernenergie»? Hoe apprecieert u de ontwikkelingen op het gebied van small modudar reactors (SMR’s) in Limburg?1
Ja. Zoals het artikel vermeldt, is er in Limburg op initiatief van de Provincie Staten een alliantie opgericht: een samenwerkingsverband tussen publieke en private partijen, dat zich bezig houdt met een breed scala aan onderzoeksvragen om te kijken of en hoe de komst van een SMR mogelijk gemaakt zou kunnen worden.
Ik volg de ontwikkelingen rondom SMR’s met serieuze interesse en mede daarom heb ik me op ambtelijk niveau bij de startbijeenkomst laten vertegenwoordigen. Alliantievorming is een verstandige stap om snel antwoorden op de onderzoeksvragen te kunnen geven. Ik blijf de activiteiten van de alliantie dan ook graag volgen.
Zijn er andere provincies die overwegen om SMR’s in te zetten voor de energievoorziening van bedrijven? Welke voordelen biedt het inzetten van SMR’s voor de verduurzaming van de industrie ten opzichte van andere technieken?
Zoals in het antwoord op vraag 1 beschreven, kijkt de provincie Limburg naar de rol van SMR’s in de energievoorziening. Het is bekend dat verschillende andere provincies de ontwikkelingen rondom SMR’s volgen vanuit de invalshoek van kennisontwikkeling.
Afhankelijk van de lopende collegevorming na de Provinciale Statenverkiezingen 2023 zou dit beeld nog kunnen veranderen.
Voor het antwoord op het tweede deel van de vraag, verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening van de VVD en het CDA dat SMR’s kansen bieden voor de verduurzaming van bedrijven die niet aan de kust liggen en ook niet (tijdig) op nieuwe energie-infrastructuur kunnen worden aangesloten (waterstof, elektriciteit)?
Het begrip SMR’s omvat een heel divers scala aan reactorconcepten in verschillende stadia van ontwikkeling. Voor SMR’s zijn er meerdere toepassingen denkbaar waarin ze een rol zouden kunnen spelen; naast de productie van elektriciteit bijvoorbeeld ook als bron van hogetemperatuurwarmte voor de energie-intensieve industrie of voor de productie van waterstof.
Voor veel energieclusters geldt dat de beschikbaarheid van voldoende CO2-vrije elektriciteit een randvoorwaarde is voor elektrificatie. Dit zijn soms baseload processen met grote vermogens (zoals elektrisch kraken), waar een wisselend elektriciteitsaanbod uit wind en zon tot uitdagingen leidt.
Als de beoogde voordelen van SMR’s zich inderdaad in de praktijk voordoen, dan zou het een interessante complementaire energiebron kunnen zijn in de energiemix. Dit zou kunnen in de vorm van bijdragen aan het elektriciteitsnet op locaties ver van de kust, maar bijvoorbeeld ook als duurzame bron van energie direct toegepast in de industrie of voor de productie van waterstof.
Wat is de kabinetsinzet op het gebied van SMR’s? Deelt u de mening dat SMR’s kunnen bijdragen aan voldoende betrouwbare, betaalbare en schone stroom voor de industrie? Bent u het ermee eens dat inzetten op SMR’s voor de energietransitie van de industrie helpt om het elektriciteitsnet te ontlasten?
Voor het antwoord op de eerste deelvraag, verwijs ik naar het antwoord op vraag 5. Voor het antwoord op de tweede en derde deelvraag, verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Welke voorbereidingen en randvoorwaarden zijn er nodig om de inzet van SMR’s in de toekomst te ondersteunen? Kunt u aangeven welke acties er al lopen? Kunt u daarnaast schetsen wanneer de volgende stappen moeten worden ondernomen?
De inzet van dit kabinet is allereerst gericht op het realiseren van de opgaven uit het coalitieakkoord: de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele, de nemen van voorbereidende stappen voor twee nieuw te bouwen centrales, en het versterken van de nucleaire kennisinfrastructuur.
Tegelijk volg ik de nationale en internationale ontwikkelingen rondom SMR’s op de voet, zoals ik uw Kamer ook eerder informeerde (Aanhangsel van de Handelingen, 2022–2023, nr. 145). Daarom heeft de Nuclear Research & consultancy Group (NRG), in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, dit jaar een SMR-marktanalyse uitgevoerd. Deze marktanalyse biedt een overzicht van de verschillende toepassingsmogelijkheden en de verschillende stadia van ontwikkeling van een aantal SMR-ontwerpen. De marktanalyse wordt samen met deze antwoorden aan de Kamer ter informatie aangeboden.
In het internationale veld zijn er verschillende voorbereidende activiteiten die al geïnitieerd zijn. In Europees en IAEA-verband zijn bijvoorbeeld initiatieven gestart om tussen toezichthouders de samenwerking op SMR-gebied te versterken. Dit is belangrijk om voorbereid te zijn op de technische beoordelingen bij een vergunningaanvraag. Ook de Nederlandse toezichthouder, de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, is hierin actief.
Als het gaat om de toeleveringsketen die nodig zal zijn om de bouw van SMR’s te realiseren, lijkt er internationaal een gedeeld beeld te zijn dat een succesvolle aanpak bestaat uit de volgende pijlers:
Deze koppeling zorgt dat de industrie in een vroeg stadium kennis opdoet van de door ontwerpers voorziene codes en standaarden voor onderdelen die in aanmerking komen voor industriële productie.
Het in een vroeg stadium betrekken van de toezichthouder zorgt dat deze kan verifiëren dat industriële producten voldoen aan de nucleaire veiligheidseisen. Voor innovatieve producten zal kwaliteitscontrole ontwikkeld moeten worden, dus ook dat aspect moet in dit stadium worden opgepakt.
In het kader van de Voorjaarsbesluitvorming over aanvullende klimaat-maatregelen heb ik recent een programma gepresenteerd om de overgangsfase van ontwerp naar realisatie te versnellen. Het programma zal een omvang hebben van 65 miljoen euro en een looptijd tot 2030. Het bestaat uit een parallelle inzet op beide bovenstaande punten en is van toepassing op SMR’s gebaseerd op conventionele nucleaire concepten die kort staan voor de transitie naar realisatie. Dit sluit goed aan bij de opgave om kennis, kunde en arbeidskrachten in het brede nucleaire domein op peil te houden en te verbeteren. Dit programma biedt daarmee kansen voor de Nederlandse maakindustrie en heeft tegelijkertijd een positief effect op de voorbereiding van de realisatie van de twee nieuw te bouwen conventionele centrales.
Daarnaast zijn voorbereidingen nodig, waarvoor het initiatief bij de provincies ligt. Een belangrijke voorwaarde voor de introductie van SMR’s is namelijk de beschikbaarheid van locaties waar deze gerealiseerd kunnen worden én waar maatschappelijk draagvlak bestaat.
Hoe geeft u uitvoering aan de motie Bontenbal cs d.d. 20 december 2022 waarin de regering wordt verzocht een inventarisatie te doen bij de vijf industrieclusters en de grote bedrijven daarin over hun visie op de rol van de SMR’s en hun plannen daarmee?
Ik geef uitvoering aan deze motie middels een stapsgewijze aanpak. Als eerste stap zal ik de eerder genoemde SMR-marktanalyse van NRG aan de industrieclusters aanbieden. Daarmee krijgen zij inzicht in de toepassingen, eigenschappen en mogelijkheden van de verschillende types SMR’s.
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in zijn reflectie op Cluster Energiestrategieën 2022 (CES 2.0) aangegeven dat het nodig is de scope van de CES’en te verbreden, zodat ook de centrale elektriciteitsproductie erin wordt meegenomen. Uit deze tweede stap zal dus in CES 3.0 afgeleid kunnen worden wat de industriële vraag naar basislast vermogen zal zijn.
Deze stapsgewijze aanpak geeft dus uiteindelijk een indicatie van de rol die SMR’s kunnen vervullen in de verduurzaming van de industrie.
Bent u bekend met het rapport «The NEA Small Modular Reactor Dashboard» van de Nuclear Energy Agency van de OECD waarin de voortgang in de ontwikkeling van de meest kansrijke SMR-ontwerpen wordt beschreven? Bent u bereid met een aantal van de meest kansrijke ontwerpen het gesprek aan te gaan?
Ja, ik heb hierover ook contact met de OECD-NEA2.
In Nederland zijn diverse vertegenwoordigers en ontwikkelaars actief van verschillende SMR-ontwerpen die ook in het OECD-NEA Dashboard worden beschreven. Al sinds het aantreden van dit kabinet ben ik meermaals per jaar met hen in gesprek.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 5, zal ik daarnaast ontwerpers en ontwikkelaars van marktrijpe SMR’s koppelen aan de Nederlandse maakindustrie om de transitie van ontwerp naar realisatie te versnellen.