Het bericht ’Politie: schietpartij gayclub Oslo was islamitische terreurdaad’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie: schietpartij gayclub Oslo was islamitische terreurdaad»1?
Ja, ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. Het is verschrikkelijk wat er in Oslo is gebeurd. Het mag nooit zo zijn dat mensen worden aangevallen om wie ze zijn.
Kunt u schetsen wat er in Oslo is gebeurd?
Uit officiële verklaringen van de Noorse politie en het Noorse Openbaar Ministerie (OM) is gebleken dat in de nacht van vrijdag 24 juni 2022 op zaterdag 25 juni 2022 een man met een vuurwapen heeft geschoten op personen in het uitgaansdistrict in het centrum van de Noorse hoofdstad Oslo. Dit deed hij op drie vlakbij elkaar gelegen locaties. Eerst bij een jazzclub die bekend staat als ontmoetingsplek voor homoseksuelen. Daarna bij een nabijgelegen populaire homobar (London Pub). En later nog op een derde locatie. Er vielen daarbij in totaal twee doden en 21 gewonden (van wie tien zwaargewond).
Weet u of er inmiddels een dader is aangehouden? Is u bekend wat het motief voor deze aanslag was?
Uit officiële verklaringen van de Noorse politie en het Noorse OM blijkt dat de schutter ter plekke werd gearresteerd door de politie nadat omstanders hem hadden overmeesterd. Hij bleek in het bezit van zowel een pistool als een automatisch geweer. De man zit vast op verdenking van moord, poging tot moord, en het plegen van terroristische aanslagen.
De verdachte heeft tot nu toe geweigerd een verklaring af te leggen. De politie onderzoekt verschillende mogelijke motieven, waaronder «islamistisch-extremisme», psychische problematiek en haat tegen de LHBTIQ+-gemeenschap. De Noorse inlichtingendienst van de politie, de Police Security Service (PST) spreekt (vooralsnog) van een «extreme daad van islamistisch terrorisme».
Heeft u contact met de Nederlandse LHBTI-gemeenschap? Hoe loopt dat contact?
In mijn functie als Minister van Justitie en Veiligheid spreek ik regelmatig met individuen en organisaties. Zo ben ik onlangs nog in gesprek geweest met het COC, Transgender Netwerk Nederland (TNN) en de vereniging voor intersekse personen (NNID) om te praten over de aanpak van discriminerend geweld en beleid dat raakt aan de LHBTIQ+-gemeenschap.2
Heeft u concrete signalen dat deze gemeenschap ook in Nederland extra risico loopt? Zo ja, welke maatregelen zijn er tot dusver genomen?
Op dit moment zijn er geen concrete signalen dat de LHBTIQ+-gemeenschap in Nederland extra risico loopt om slachtoffer te worden van terrorisme en/of gewelddadig extremisme.
Meer in zijn algemeenheid zet het kabinet zich op verschillende manieren in om de veiligheid van LHBTIQ+-personen te bevorderen. Het Actieplan Veiligheid LHBTI 2019–20223 geeft een overzicht van de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de veiligheid van LHBTI-personen te bevorderen. Ook wordt de komende tijd gewerkt aan de uitvoering van het Regenboogakkoord. In het Coalitieakkoord 2021–2025 staat opgenomen dat dit akkoord zorgvuldig uitgevoerd zal worden met (initiatief)wetgeving en beleid. Voor een verdere toelichting op de maatregelen die genomen worden om geweld tegen de LHBTIQ+-gemeenschap tegen te gaan verwijs ik ook naar de antwoorden op de vragen van het lid Koekkoek die op 13 juli jl. door de Minister van BZK naar uw Kamer zijn verzonden.4
Hoe groot schat u dat het aantal IS-sympathisanten in Nederland op dit moment is? Heeft de AIVD deze groep in beeld?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) schrijft in zijn Openbaar Jaarverslag 2021 dat de jihadistische beweging in Nederland lijkt te stagneren, maar de dreiging ervan aanzienlijk blijft. Deze jihadistische beweging bestaat uit vijfhonderd tot zeshonderd onderkende personen in Nederland en er bevinden zich ongeveer honderdvijftig gekende Nederlandse personen in het buitenland. De AIVD geeft aan dat deze groep sinds 2018 niet of nauwelijks groeit.
Kunt u schetsen wat de consequenties zijn van het feit dat de NCTV al geruime tijd niet meer deelneemt aan lokale casusoverleggen, de Taskforce Problematisch Gedrag en ongewenste buitenlandse financiering voor de mitigatie van veiligheidsrisico’s door geradicaliseerde eenlingen en groeperingen?
De NCTV kan gebeurtenissen op dit moment beperkt duiden in afwachting van de Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid, welke een grondslag moet creëren voor het verwerken van persoonsgegevens. Er is sprake van persoonsgegevens bij dergelijke gebeurtenissen, dus hier past daarom ook terughoudendheid. De Wet verwerking persoonsgegevens coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid, is momenteel in behandeling bij uw Kamer.
Dit betekent dat momenteel het maatschappelijk debat (veelal op openbare fora en sociale media) niet goed geanalyseerd kan worden. Dit heeft als gevolg dat de NCTV, in afwachting van het wetsvoorstel, gestopt is met het duiden van (online) openbare uitingen om te beoordelen of deze passen binnen een bepaalde trend of fenomeen die in potentie de stabiliteit van Nederland kan ontwrichten, en of er in dat kader maatregelen ter verhoging van de weerbaarheid moeten worden bevorderd.
Dit geeft beperkingen bij de uitvoering van analysetaken, waaronder analyses gerelateerd aan het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). Dit geldt dus eveneens voor deze schietpartij in het centrum van Oslo. Zolang de NCTV voor de uitvoering van deze analyse- en coördinatietaken geen persoonsgegevens kan of mag verwerken is de NCTV niet in staat om al zijn verantwoordelijkheden ten behoeve van de nationale veiligheid waar te kunnen maken.
Zoals ook beschreven in mijn brief van 31 mei 20225 is de NCTV op dit moment ook beperkt in de coördinatietaak doordat de NCTV niet, of alleen in uitzonderlijke gevallen, kan aansluiten bij het lokale casusoverleg als er persoonsgegevens van individuen worden gedeeld. Dit betekent dat de NCTV bij complexe casuïstiek of nieuwe dreigingen de lokale partners niet vroegtijdig kan adviseren en geen gerichte ondersteuning kan bieden in bijvoorbeeld het lokale casusoverleg.
Concreet betekent dit dat om de coördinerende rol goed uit te kunnen voeren, de NCTV kennis moet nemen van casuïstiek waarbij ook informatie over individuen wordt gedeeld. Bijvoorbeeld als iemand vrijkomt uit detentie. Dergelijke vraagstukken vergen een actieve en gecoördineerde inzet zodat zicht wordt gehouden op de ontwikkelingen en waar nodig mitigerende maatregelen worden toegepast. De NCTV is hierdoor momenteel beperkt in het uitvoeren van deze taak.
Ten aanzien van de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering betekent het stopzetten van de deelname van de NCTV dat het duidings-en adviesteam van de Taskforce voor wat betreft casuïstiek is stopgezet per april 2021. Het vorige Kabinet heeft uw Kamer op verschillende momenten geïnformeerd over de specifieke problemen omtrent de grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens van een aantal partners6. Ook de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft hier onder meer op gewezen in het Commissiedebat Inburgering en Integratie op 19 april 2022. Gemeenten kunnen alleen nog advies krijgen over het fenomeen waar zij mee te maken hebben, zonder dat daarbij persoonsgegevens worden uitgewisseld.
Wat kan er worden verbeterd aan de informatie-uitwisseling over mogelijke signalen over terreurdaden tussen landen door Europol en Eurojust?
De systemen en platformen bij Europol bieden in beginsel voldoende mogelijkheden tot het snel uitwisselen van informatie over (mogelijke) terreurdaden. Op 28 juni jl. is de aangepaste Europolverordening in werking getreden. Europol’s bevoegdheid om grote en complexe datasets te verwerken is daarbij verduidelijkt, wat nuttig kan zijn bij onderzoek naar terrorisme. Daarnaast is Europol’s bevoegdheid om data uit te wisselen met private partijen enigszins uitgebreid, bijvoorbeeld om de verspreiding van online content die verband houdt met terrorisme te voorkomen. Er wordt eveneens onderhandeld over aanpassing van de Prüm-verordening7 en een nieuwe Richtlijn over informatie-uitwisseling om informatie-uitwisseling tussen rechtshandhavingsautoriteiten in het kader van het voorkomen, opsporen en onderzoeken van strafbare feiten te versnellen en te verbeteren.
In deze samenwerkingsverbanden is de politie gebonden aan de kaders die de Wet Politiegegevens (Wpg) stelt aan informatie-uitwisseling. De Wpg (art. 10 lid 1 onder b Wpg en art. 15a Wpg) verplicht weliswaar tot het ter beschikking stellen van politiegegevens met andere EU/EER landen, maar staat niet toe dat zachte signalen over personen die zich mogelijk bezig zouden kunnen houden met het beramen of plegen van terroristische misdrijven worden verstrekt aan het buitenland (art. 5:3, lid 8 jo art. 5:1, lid 4 Bpg). Dat is overigens niet voor niets. Deze personen zijn immers (nog) geen verdachte. Ook de informatie-uitwisseling met Europol kent deze beperking. De praktijk laat echter zien dat de mogelijkheid om in individuele gevallen met collega-diensten over deze personen te overleggen wenselijk kan zijn. Bijvoorbeeld met buurlanden omdat die personen grensoverschrijdend actief zijn in Nederland en in die buurlanden. Binnen Schengen worden zij namelijk op geen enkele manier gehinderd door grenzen. Overleg over behoefte aan aanpassing in wet- en regelgeving wordt daarom regelmatig gevoerd met het oog op de verbetering van de informatiepositie en het eerder starten van onderzoeken.
Is een gerichte terrorismedreiging jegens de LHBTI-gemeenschap reeds een aandachtsgebied van de «European Counter Terrorism Centre» van Europol?
Met de ervaring en expertise binnen het European Counter Terrorism Centre (ECTC) op alle gebieden van terroristische fenomenen heeft het als doel om een alomvattend antwoord te bieden op de voortdurende veranderende dreigingen van terrorisme in de Europese Unie. Het ECTC is in 2016 opgericht door Europol. Het is niet aan mij als Minister om te sturen op wat wel en niet een gericht aandachtsgebied zou moeten zijn van het ECTC.
Bent u bekend met het rapport «World Drug Report 2022, Drug Market Trends Canabis and Opioids»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de conclusies uit het rapport waaruit blijkt dat het legaliseren van cannabis in (delen van) de Verenigde Staten onder meer heeft geleid tot een toenemend gebruik van cannabis in algemene zin en onder jongeren, een hogere THC-waarde, meer gevallen van rijden onder invloed van cannabis en toenemend druggerelateerd geweld?
De genoemde conclusies uit het World Drug Report zijn zorgwekkend, maar behoeven wel enige toelichting. Uit het rapport blijkt dat de effecten van legalisering in delen van de Verenigde Staten afhankelijk zijn van de lokale omstandigheden en per staat verschillen. In het rapport wordt onder meer genoemd dat legalisering van cannabis voor recreatief gebruik niet als de oorzaak, maar als het gevolg gezien kan worden van de uitbreiding van de cannabismarkt. Het cannabisgebruik nam in de Verenigde Staten al eerder toe, na het wettelijk toestaan van cannabis voor medicinaal gebruik. Cannabis werd toen gemakkelijker verkrijgbaar en ook het recreatief gebruik nam toe. Vervolgens is het naar aanleiding van referenda in bepaalde staten ook voor recreatief gebruik gelegaliseerd.
Ook bij de conclusies dat legalisering heeft geleid tot een hogere THC-waarde, meer gevallen van rijden onder invloed van cannabis en toenemend druggerelateerd geweld wordt in het World Drug Report context geplaatst. De genoemde trends zijn niet eenduidig. Zo is in de ene staat waar cannabis is gelegaliseerd het druggerelateerde geweld afgenomen na de legalisering, terwijl het in de andere staat juist is toegenomen.
Kan het legaliseren van softdrugs door middel van het «wietexperiment» in Nederland naar uw oordeel tot soortelijke gevolgen leiden? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan? Zo nee, waarom denkt u dat dit anders zal uitpakken in Nederland?
Met het Experiment gesloten coffeeshopketen (ook wel: het wietexperiment) is geen sprake van het legaliseren van softdrugs. In het wietexperiment wordt in een uniform en beperkt experiment van vier jaar bekeken of en hoe een gesloten coffeeshopketen kan worden ingericht. Het onderzoek hiernaar wordt uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoekconsortium in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). In het begeleidend onderzoek wordt tevens gekeken naar de effecten van dit experiment op onder meer openbare orde, veiligheid, overlast en volksgezondheid in de experimenteer- en controle-gemeenten. Ook worden ontwikkelingen in kaart gebracht door de huidige situatie (door middel van een nulmeting) te vergelijken met de situatie gedurende de experimenteerjaren. Op dit moment is de experimenteerfase nog niet gestart. In de voorbereiding van de experimenteerfase breng ik met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport mogelijke risico’s met betrekking tot de veiligheid en overlast in kaart, zoals die ook uit internationale onderzoeken blijken, en bezie wat mogelijke mitigerende maatregelen hierbij zijn.
Gedurende het experiment wordt op verschillende wijzen aandacht besteed aan preventie, van voorlichtings- en waarschuwingsboodschappen op de verpakking tot het ondersteunen van gemeenten bij het ontwikkelen van een lokale preventieaanpak die bijdraagt aan het voorkomen van een eventuele stijging van cannabisgebruik ten tijde van het experiment. Voor meer informatie over preventie verwijs ik u naar de brief aan uw Kamer van 16 april 20212. Naast preventiemaatregelen geldt voor zowel de telers als de deelnemende coffeeshophouders dat zij geen enkele vorm van affichering mogen voeren.
Hoe verklaart u het feit dat uit het rapport blijkt dat het legaliseren van de cannabismarkt niet heeft geleid tot een verdringing van de illegale markt?
Uit het rapport blijk dat legalisatie de illegale cannabismarkten niet heeft verdrongen in de landen waar cannabis is gelegaliseerd. In het rapport worden geen definitieve uitspraken gedaan over hoe dit te verklaren is en dit is mij dan ook onbekend.
Verwacht u desondanks dat in Nederland de legalisatie van (de teelt van) hennep wel tot een afname cq. verdringing van de illegale handel zal leiden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom acht u legalisatie desondanks wenselijk?
Met het wietexperiment is geen sprake van legalisatie, maar slechts een tijdelijke regulering op beperkte schaal bij wijze van een experiment. We bezien met een uniform en afgebakend experiment van vier jaar of en hoe een gesloten coffeeshopketen kan worden ingericht, waarin op kwaliteit gecontroleerde wiet gedecriminaliseerd aan de coffeeshops toegeleverd kan worden en wat de effecten hiervan zijn. Het is niet mogelijk vooruit te lopen op de effecten hiervan en of hieruit gevolgen voor de illegale handel blijken.
Acht u het zorgwekkend dat uit het rapport blijkt ook een toenemende invloed van grote bedrijven en de tabaks- en alcoholindustrie in de (gelegaliseerde) cannabismarkt? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat dit in Nederland gaat gebeuren? Zo nee, waarom niet?
In Nederland is geen sprake van een gelegaliseerde cannabismarkt. Binnen het experiment staat het telers vrij investeerders aan te trekken, ook investeerders vanuit de tabak- of alcoholindustrie. De huidige wet- en regelgeving staat hier niet aan in de weg. Op voorhand vind ik deelname van deze investeerders ook niet zorgwekkend. Indien een teler nieuwe investeerders aantrekt of zijn organisatiestructuur wijzigt, is de teler verplicht dit te melden. Hierop kan besloten worden opnieuw een Bibob-onderzoek te starten. Komt er uit het Bibob-onderzoek dat er een gevaar bestaat dat de aanwijzing mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen, dan kan de aanvraag onder bepaalde omstandigheden worden ingetrokken of kunnen de ministers van JenV en VWS besluiten om aan de aanwijzing voorschriften te verbinden gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.
Het bericht: ‘Woede over autobranden in Eindhoven’ |
|
Geert Wilders (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de verschrikkelijke autobranden in Eindhoven?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat onder andere auto’s in brand zijn gestoken die dicht op woningen geparkeerd staan?
Ja.
Bent u het met eens met de stelling dat hiermee door de daders het risico is genomen dat menselijke slachtoffers zouden vallen?
Het in brand steken of anderszins vernielen van eigendommen van een ander is per definitie onacceptabel. Het is echter niet aan mij als Minister om te duiden of de daders dit risico hebben genomen. Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie (OM) om onderzoek te doen naar het genomen risico en vervolgens aan de rechter om hier mogelijk een uitspraak over te doen.
Is het u opgevallen dat het logo van Extinction Rebellion is gespoten op de muur van een woning, waar een auto in brand is gestoken, die dicht tegen de gevel van de woning geparkeerd stond?2
Op individuele gevallen kan ik zoals bekend niet ingaan. Politie en OM doen zoals gesteld in het antwoord op vraag 3 nader onderzoek.
Hoeveel autobranden worden sinds mei 2018 gelinkt aan deze organisatie?
Het is voor de politie en het OM niet mogelijk om een betrouwbaar overzicht te geven van betreffende dergelijke strafbare activiteiten sinds mei 2018. De verklaring hiervoor is dat er geen specifieke classificering is met betrekking tot deze organisatie. Hierdoor kan uitsluitend op zoektermen gezocht worden naar misdrijven in de politiesystemen.
Hoeveel misdrijven worden sinds mei 2018 gelinkt aan deze organisatie?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het met het eens met de stelling dat het plegen van misdrijven met als doel een bevolking ernstig angst aan te jagen, de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen een handeling te verrichten of na te laten, de definitie van terreur is?
Nee. De NCTV gebruikt in haar dreigingsbeeld terrorisme de volgende definitie van terreur: «Schrikbewind van een staat tegen haar eigen onderdanen, veelal met als doel de macht van de heersende politieke, religieuze of etnische elite te handhaven; in media en elders vaak gebruikt in plaats van «terrorisme.»» Terrorisme noemt de NCTV: «Het uit ideologische motieven plegen van op mensenlevens gericht geweld, dan wel het aanrichten van maatschappij-ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke ondermijning en destabilisatie te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.»3 Ik sluit mij aan bij deze definities.
Bent u bereid Extinction Rebellion aan te merken als een terroristische organisatie?
In Nederland hanteren we de lijst van terroristische organisaties die ook gehanteerd worden binnen de Europese Unie (EU) en de Verenigde Naties (VN)4, Extinction Rebellion staat niet aangemerkt als terroristische organisatie. De lijst bevat personen, groepen en entiteiten die zowel in de EU als daarbuiten actief zijn en wordt ten minste om de zes maanden opnieuw bezien. In het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB staan de criteria voor het op de lijst plaatsen van personen, groepen en entiteiten. Het Gemeenschappelijk Standpunt bepaalt dat de lijst wordt opgesteld op basis van nauwkeurige informatie waaruit blijkt dat een besluit is genomen door een rechterlijke of gelijkwaardige bevoegde instantie met betrekking tot de betrokken persoon, groep of entiteit. Dit besluit kan betrekking hebben op 1) het instellen van een onderzoek of van vervolging wegens een terroristische daad of een poging tot het plegen of faciliteren van een dergelijke daad of 2) veroordeling voor één van die daden. Personen, groepen en entiteiten die door de VN-Veiligheidsraad in verband worden gebracht met terrorisme en waartegen sancties zijn afgekondigd, kunnen ook op de lijst worden geplaatst.
Bent u het met mij eens dat alle mogelijke middelen ingezet moeten worden om verdere terreur van deze terroristische organisatie te voorkomen?
Ik ben het met u eens dat alle mogelijk middelen binnen de wettelijke kaders in moeten worden gezet om terroristische misdrijven te voorkomen.
Het bericht 'Onderzoek naar rol OR-voorzitter politie na uitreizen jihadistische broer' |
|
Geert Wilders (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Onderzoek naar rol OR-voorzitter politie na uitreizen jihadistische broer»?1
Ja.
Klopt het dat er een onderzoek is gestart naar de voorzitter van de ondernemingsraad (OR) van de Landelijke Eenheid vanwege het feit dat haar broer een naar Syrië uitgereisde IS-terrorist is?
Het klopt dat een oriënterend onderzoek wordt ingesteld. Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de feiten en de mogelijke rol van een of meer politiemedewerkers, om vast te stellen of er al dan niet sprake is van een redelijk vermoeden van plichtsverzuim.
Waarom is door de (toenmalige) politietop nagelaten een onderzoek te starten?
Uit het strafrechtelijk onderzoek naar de broer is gebleken dat er geen strafbare feiten zijn gepleegd door zijn zus, thans voorzitter van de OR LE. Er is daarom door de toenmalige eenheidsleiding van de LE niet gekozen voor een eigen onderzoek.
Hoe kan het dat gesteld wordt dat «haar screening voldoet» terwijl er sinds 2020 een wet geldt (Wet Screening ambtenaren van politie en politie-externen) die het verplicht om een onderzoek te starten naar gedrag, familiebanden en de directe omgeving van een politieambtenaar welke een verhoogd risico kunnen vormen voor de integriteit van de betreffende politieambtenaar?
Hoewel de wet Screening ambtenaren van politie en politie-externen is aangenomen, is die nog niet in werking getreden. Op grond van deze wet dienen de uitvoeringsregels bij AMvB te worden opgesteld. Momenteel ligt de AMvB voor adviesaanvraag bij de Raad van State. Ondanks dat deze wet en AMvB formeel nog niet in werking zijn getreden, wil dat niet zeggen dat de huidige screeningscriteria niet voldoen. De wet regelt de aanscherping en verruiming van het betrouwbaarheidsonderzoek.
Waarom is er niets gedaan met de al vijf jaar geleden binnen de Landelijke Eenheid gegeven signalen en het feit dat toen al alarm is geslagen over het feit dat de betreffende persoon een broer heeft die naar IS-gebied is afgereisd?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording bij vraag 3.
Hoe heeft deze persoon ondanks die signalen voorzitter van de OR van de Landelijke Eenheid kunnen worden, ofwel: waarom is er geen onderzoek gedaan voordat zij deze functie kreeg?
Een Ondernemingsraad bestaat uit democratisch gekozen leden die ten behoeve van de werknemers invulling geven aan het grondwettelijk verankerde recht op medezeggenschap (art. 19 lid 2 Grondwet). Het is de taak van een Ondernemingsraad zelf om uit haar midden een voorzitter te kiezen (art. 7 van de Wet op de Ondernemingsraden). Het voorzitterschap van de OR LE is een tijdelijke rol, geen functie. Er is geen beleid binnen de politie dat een dergelijke rol een P/A2 screening vereist. De screeningsniveaus binnen de politie hebben alleen betrekking op een formele functie die iemand bekleedt, niet op een tijdelijke rol, tenzij daar andere afspraken over worden gemaakt.
Klopt het dat deze persoon inzage heeft in personeelsdossiers, waaronder die van de agenten van Bewaken en Beveiligen en de afdeling Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER)? Zo ja, gaat u daar persoonlijk per direct een einde aan maken?
Nee, dat klopt niet.
Klopt het dat zij ook inzage heeft in personeelsbestanden van de agenten van de Dienst Koninklijke en diplomatieke Beveiliging (DKDB)? Zo ja, gaat u daar persoonlijk per direct een einde aan maken?
Nee, dat klopt niet.
Wat is de rol van het, inmiddels weggepromoveerde, voormalige hoofd van de Landelijke Eenheid, mevrouw van den Berg?
De politiechef Landelijke Eenheid kan, als bevoegd gezag, te allen tijde een intern oriënterend of disciplinair onderzoek kan instellen. Dit is destijds niet gebeurd, zie hiervoor de beantwoording van vraag 3.
Waarom onderzoekt de politie deze zaak intern, ofwel door de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK), terwijl de rol van de politie in dezen zelf ook ter discussie staat en thans wordt onderzocht?
De politiechef Landelijke Eenheid kan, als bevoegd gezag, te allen tijde een intern oriënterend of disciplinair onderzoek instellen. Van deze bevoegdheid maakt de politiechef gebruik om inzicht in de feiten en omstandigheden te verkrijgen over de handelwijze destijds van zowel de politie als de voorzitter van de OR. In dit stadium is nog geen sprake van een vermoeden van plichtsverzuim. De aard van de aanleiding tot dit onderzoek maakt dat er voor de politiechef geen reden is om nu een extern onderzoek te gelasten.
Interne onderzoekers van de teams Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) voeren oriënterende en disciplinaire onderzoeken uit. Voor dit onderzoek zullen medewerkers van de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van andere eenheden dan de Landelijke Eenheid het oriënterende onderzoek uitvoeren, zo heeft de politiechef besloten.
Is onderdeel van dat onderzoek ook dat wordt nagegaan of zij informatie van of over medewerkers van de in vragen 7 en 8 genoemde onderdelen van de Landelijke Eenheid heeft gelekt? Zo nee, bent u bereid hier alsnog per direct onderzoek naar te (laten) doen? Zo nee, waarom niet?
Over de inhoud van het onderzoek worden geen uitspraken gedaan.
Deelt u de mening dat beide onderzoeken (naar de betreffende medewerker en naar de rol van de politie) onafhankelijk en door een externe partij onderzocht moeten worden en op de kortst mogelijke termijn?
Nee, dat ben ik niet met de PVV eens. Ik heb vertrouwen in de wijze waarop beide onderzoeken momenteel plaatsvinden.
Deelt u daarnaast de mening dat de betreffende persoon vanaf heden tot het moment waarop het onderzoek is afgerond en een conclusie is getrokken, op non actief gesteld moet worden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de korpschef als werkgever om hier een afweging in te maken. Het past niet bij mijn rol in het politiebestel mij hierin te mengen.
Het gebruik van dieren als actiemiddel bij boerendemonstraties. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Henk Staghouwer (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wist u dat boeren twee koeien hebben meegenomen naar een demonstratie voor het Tweede Kamergebouw op 28 juni jongstleden?
Ja.
Deelt u de inschatting dat bij de dieren angst en stress is veroorzaakt door het transport, de mensenmassa, het lawaai en het voorbijrijdende verkeer?
Wij delen uw inschatting dat transport, lawaai en andere omstandigheden angst en stress kunnen hebben veroorzaakt.
Vindt u dat de boeren al het redelijke hebben gedaan om angst en stress bij de dieren te vermijden?
De veehouder heeft zich ten aanzien van de zorg voor het welzijn van de koeien te houden aan de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De politie heeft laten weten dat de koeien ter plaatse zijn gecontroleerd en een gesprek met de houders is gevoerd. Daaruit kwamen geen zorgen met betrekking tot het welzijn van de dieren naar voren.
Vindt u dat de boeren hebben voldaan aan hun wettelijke plicht om hun dieren de nodige zorg en bescherming te bieden?
Wij verwijzen hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Klopt het, dat het in het algemeen is toegestaan om dieren in te zetten als actiemiddel bij een demonstratie? Zo ja, hoe garandeert u het welzijn van de dieren? Zo nee, waarom heeft de politie dan niet ingegrepen?
Er is geen verbod op het inzetten van dieren als actiemiddel bij een demonstratie. Uiteraard dient daarbij wel voldaan te worden aan de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Daarnaast geldt voor het transport van landbouwhuisdieren dat er voldaan moet worden aan de bepalingen uit de Transportverordening.
Welke risico’s ziet u voor het welzijn van dieren wanneer zij worden ingezet als actiemiddel bij een demonstratie?
De risico’s voor dierenwelzijn kunnen per diersoort en per omstandigheid erg verschillen. Juist vanwege de onvoorspelbaarheid van de situatie ter plekke vinden wij het inzetten van dieren bij demonstraties dan ook onwenselijk.
Vindt u dat mensen die dieren als actiemiddel inzetten bij een demonstratie de intrinsieke waarde van het dier conform de Wet dieren, dat wil zeggen als wezens met een eigen waarde en gevoel, respecteren?
Over de intrinsieke waarde van het dier merken wij op dat de wettelijke bepaling hierover (artikel 1.3 van de Wet dieren) een instructienorm is, gericht aan de overheid, voor het stellen van regels en het nemen van besluiten waarbij de intrinsieke waarde van het dier moet worden afgewogen tegen andere gerechtvaardigde belangen. Het gaat hier dus niet om een aan de houder van dieren gericht voorschrift. Daarom moet het handelen van een houder niet direct worden beoordeeld in het licht van het respect voor de intrinsieke waarde van het dier. Wel vinden wij, zoals gemeld in het antwoord op vraag 6, het inzetten van dieren als actiemiddel bij een demonstratie onwenselijk.
Welke bestuurlijke en/of juridische mogelijkheden zijn er om aantasting van het welzijn van dieren bij demonstraties te voorkomen?
De houders van de dieren moeten voldoen aan de bepalingen in de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Daarnaast geldt voor het transport van landbouwhuisdieren dat er voldaan moet worden aan de bepalingen uit de Europese Transportverordening. Hierop kan gecontroleerd en gehandhaafd worden.
Welke bestuurlijke en/of juridische mogelijkheden heeft een burgemeester om het gebruik van dieren als actiemiddel bij een demonstratie vooraf of tijdens een demonstratie te verbieden?
Bij demonstraties is de Wet openbare manifestaties (Wom) het leidende wettelijke kader voor mogelijke maatregelen of beperkingen. Het grondrecht op demonstratie kan in beginsel dus alleen worden beperkt op grond van deze wet. Op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) heeft de burgemeester de bevoegdheid om een demonstratie te beperken of in het uiterste geval zelfs te verbieden. Dit mag alleen als dit noodzakelijk is in het kader van drie doelcriteria: (1) ter bescherming van de gezondheid, (2) in het belang van het verkeer of (3) ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Vindt u het onwenselijk dat dieren worden ingezet als actiemiddel bij een demonstratie? Zo ja, deelt u de mening dat het verboden zou moeten zijn om dieren in te zetten als actiemiddel bij een demonstratie? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven bij het antwoord op vraag 6 vinden wij het inzetten van dieren als actiemiddel bij demonstraties onwenselijk. Het is de verantwoordelijkheid van de houder om te allen tijde het welzijn, met inbegrip van de gezondheid, van zijn of haar dieren niet te benadelen. Bestaande wet- en regelgeving geven voldoende mogelijkheden om op te treden als dierenwelzijn wordt geschaad.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de NPO Radio 1-uitzending van Argos op zaterdag 11 juni jl.: «Een onzichtbare muur»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het VPRO-artikel: «Een onzichtbare muur – verstrikt in het web van de terrorisme-aanpak?»2
Ja.
Kunt u een reactie geven op deze radiouitzending van Argos op zaterdag 11 juni: «Een onzichtbare muur», het VPRO-artikel: «Een onzichtbare muur – verstrikt in het web van de terrorisme-aanpak» en de geconstateerde problemen voor de benadeelde burgers? Zo nee, waarom niet?
De overheid doet er alles aan om te voorkomen dat Nederlanders onterecht gesignaleerd worden. Als er mensen zijn die bewezen ten onrechte op buitenlandse lijsten staan en hierdoor hinder ondervinden bij het reizen is dit zeer vervelend.
Een persoon die het vermoeden heeft onterecht te zijn gesignaleerd kan bij de daartoe bevoegde organisaties nagaan of er een signalering op diens naam is gezet. Indien er sprake is van een aantoonbare onterechte signalering kan Nederland een verzoek doen aan een derde land om deze signalering te verwijderen. Het is echter aan het derde land om te bepalen of zij aan dit verzoek willen voldoende. Mijn Ministerie staat in contact met de politie en Buitenlandse Zaken om te bezien hoe we deze mensen kunnen helpen. Op individuele zaken kan ik echter niet in gaan.
Kunt u aangeven wat het beleid is met betrekking tot het uitwisselen van informatie met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Uitwisseling van informatie met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, vindt primair plaats tussen de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten en hun buitenlandse tegenhangers. Internationale samenwerking is van essentieel belang voor het werk van de AIVD en de MIVD, en daarmee voor de nationale veiligheid. Het uitwisselen van gegevens met collegadiensten geschiedt altijd op grond van de Wet op inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv 2017). Dit houdt in dat gegevens die door de diensten zelf verwerkt zijn, verstrekt kunnen worden in het kader van de eigen goede taakuitvoering (artikel 62, Wiv 2017) of in het kader van de taakuitvoering van een collegadienst (artikel 89, eerste lid, Wiv 2017). De basis voor een samenwerking met een collegadienst is een wegingsnotitie. In de wegingsnotitie wordt aan de hand van een aantal wettelijke criteria vastgesteld of er risico’s kunnen zijn bij een samenwerking met de collegadienst en, zo ja, welke mitigerende maatregelen er dan gelden. De CTIVD houdt toezicht op deze gegevensuitwisseling.
Kunt u uitsluiten dat de Nederlandse autoriteiten gegevens van Nederlanders, die geen strafblad hebben en geen verdachte zijn, uitwisselt met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Kunt u aangeven waaruit dit blijkt? Zo nee, waarom niet?
Binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders mogen de verschillende onderdelen van de Nederlandse overheid informatie uitwisselen met buitenlandse autoriteiten. Daartoe hebben de verschillende onderdelen van de Nederlandse overheid eigen wettelijke mandaten die ook voorzien in waarborgen en toezicht.
Bent u het eens dat de Nederlandse autoriteiten gegevens van Nederlanders, die geen strafblad hebben en geen verdachte zijn, onder geen beding mogen uitwisselen met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u het met de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) eens dat: «Je er blind op moet kunnen vertrouwen dat de overheid je persoonsgegevens niet onrechtmatig gebruikt.»? Zo nee, waarom niet?3
Ja, dat ben ik het met de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) eens.
Klopt het dat alleen mensen, die veroordeeld zijn, opgenomen mogen worden in de database van Interpol of SIS (Schengen Informatie Systeem)? Zo nee, waarom niet?
Nee dat klopt niet, het gaat bij beide databases niet alleen om personen die veroordeeld zijn. Opname in de systemen van Interpol en SIS II geschiedt pas nadat is voldaan aan daarvoor gestelde eisen. Hiervoor verwijs ik naar de INTERPOL’s Rules on the processing of Data en voor het SIS II naar het Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni en de Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006.
De International Criminal Police Organisation INTERPOL (verder: Interpol) is er, met haar databanken en een informatiesysteem, op gericht om rechtshandhavingsautoriteiten van individuele landen te ondersteunen in het uitvoeren van hun respectievelijke taken. Zo kan via Interpol een notificatie verspreid worden waarmee de lokalisering en arrestatie van een persoon verzocht wordt omdat deze persoon gezocht wordt omwille van een strafrechtelijk onderzoek ofwel ter executie van een straf. Interpol biedt ook de mogelijkheid om landen over vermiste personen te notificeren en heeft databanken met informatie over bijvoorbeeld gestolen reis- en identiteitsdocumenten en ter voorkoming van seksuele uitbuiting van kinderen.
Het Schengen Informatiesysteem II (SIS II4) is een hit/no-hit informatiesysteem dat grenscontroles en samenwerking tussen rechtshandhavings- en migratieautoriteiten ondersteunt in en tussen de Schengenlidstaten. Hoofddoel van SIS II is het behouden van interne veiligheid binnen het Schengengebied bij het ontbreken van interne grenscontroles. Een bevoegde autoriteit van een lidstaat kan signaleringen invoeren met als doel dat een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat de aan de signalering verbonden actie uitvoert. Het gaat hierbij onder meer om signaleringen van personen met het oog op bijvoorbeeld aanhouding, overlevering of uitlevering of het houden van toezicht op onderdanen van derde landen voor wie een verbod op binnenkomst of verblijf (inreisverbod) is genomen. Ook kunnen personen voor onopvallende of gerichte controle worden gesignaleerd om informatie te verkrijgen over die personen met het oog op het vervolgen van strafbare feiten en het voorkomen van dreigingen ten aanzien van de publieke of nationale veiligheid. Daarnaast bevat SIS II signaleringen op objecten zoals reis- en identiteitsdocumenten, vuurwapens, voertuigen of containers ten behoeve van opsporing en inbeslagname.
Kunt u aangeven welke procedure er is om inzage te krijgen in de opgenomen persoonsgegevens in het SIS of Interpol? Zo nee, waarom niet en is er de mogelijkheid bezwaar of beroep aan te tekenen?
Bij Interpol heeft iedereen de mogelijkheid om bij de Commission for the Control of INTERPOL Files (CCF) een schriftelijk verzoek in te dienen voor toegang tot of wijziging ofwel verwijdering van de gegevens in het Interpol informatiesysteem die hem aangaan. Deze onafhankelijke commissie functioneert op basis van een eigen statuut en neemt definitieve en bindende besluiten, bijvoorbeeld tot correctie van de gegevens en het toekennen van remedies. Bezwaar en beroep zijn dus niet mogelijk.
Voor het SIS II geldt dat iedereen recht heeft om kennis te nemen van gegevens (overeenkomstig de SIS II Verordening en het SIS II Besluit) die over hem zijn opgenomen. Iedere lidstaat heeft hiervoor zijn eigen procedure en het verzoek dient dan ook bij dat lidstaat te worden ingediend. Voor Nederland kan een verzoek hiertoe schriftelijk worden ingediend bij de Landelijke Eenheid van de politie, overeenkomstig de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Wet Politiegegevens (Wpg). Het staat iemand ook vrij om in beroep te gaan bij de nationaal bevoegde rechter of instantie van elke lidstaat indien men het niet eens is met een signalering.
Kunt u uitsluiten dat persoonsgegevens van Nederlanders, die opgenomen zijn in het informatieknooppunt Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering (CTER) van de landelijke eenheid van de politie worden gedeeld met buitenlandse veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Hoewel er geen directe uitwisseling van persoonsgegevens is tussen het CTER-Cluster van de Landelijke Eenheid en buitenlandse veiligheidsdiensten, kunnen personen waaromtrent informatie wordt verwerkt door het CTER-Cluster van de Landelijke Eenheid binnen de wettelijke kaders die hiervoor gelden geplaatst wordenn in andere informatiesystemen zoals SIS II waarvan ook daartoe bevoegde instanties uit andere landen gebruikmaken.
Kunt u aangegeven wie verantwoordelijk is voor de data en meldingen, die zichtbaar zijn in het systeem van de CTER, en wie verantwoordelijk is voor de beheer hiervan? Zo nee, waarom niet?
De CTER teams van alle eenheden van de politie en de KMar verwerken informatie betreffende CTER registraties in de applicatie SummIT. Alle informatie heeft een label waaruit blijkt welke eenheid deze informatie heeft verwerkt. De verwerkende politie-eenheden en de KMar zijn zelf verantwoordelijk voor de door hen verwerkte informatie. In het kader van de Wpg zijn uiteindelijk de korpschef en de Minister van Defensie verwerkingsverantwoordelijken.
Hebben burgers recht op volledige inzage op alles wat het CTER (politie) qua persoonsgegevens heeft bijgehouden? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Wpg heeft eenieder het recht om een schriftelijk verzoek in te dienen bij de politie tot inzage of wijziging ofwel verwijdering van de gegevens die de politie over hem heeft geregistreerd.5 Dit recht is echter geen absoluut recht De privacyfunctionaris van de politie beoordeelt het verzoek. Het recht op inzage kan worden beperkt als dit noodzakelijk is in het belang van onder andere de bescherming van de openbare veiligheid, de voorkoming, opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de bescherming van de nationale veiligheid. Indien er een reden is om het recht op inzage te beperken wordt een burger hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Indien men zich niet kan vinden in het besluit kan er een verzoek worden ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Heeft de Koninklijke Marechaussee (KMAR) toegang tot de persoonsgegevens en data in het CTER?
Aan de KMar is op grond van artikel 4 van de Politiewet 2012 (Pw 2012) de nader omschreven politietaken opgedragen. In het kader van de uitvoering van die taken kan de KMar voor zover dit nodig is persoons- en/of politiegegevens ten aanzien van CTER personen verwerken. De KMar en de politie werken, onder meer, op het gebied van CTER samen, binnen de kaders van de aan hen opgedragen taken en bevoegdheden, zoals deze uit respectievelijk artikel 4 en 3 van de Pw 2012 volgen. De personen waarvan het voor het uitvoeren van hun taak noodzakelijk is dat zij toegang hebben tot bepaalde gegevens en/of systemen, kunnen geautoriseerd worden om die toegang te verkrijgen.
De gegevensverwerking voor politietaken van zowel de politie als de KMar valt onder de Wpg. Voor persoonsgegevens die te maken hebben met grensbewaking en vreemdelingen geldt de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De KMar verwerkt politiegegevens in haar eigen systemen, maar kan deze politiegegevens ook ter beschikking stellen aan de politie op basis van de bovengenoemde artikelen. De KMar is ook bevoegd om deze gegevens zelf te registreren in de politiesystemen waarvoor zij geautoriseerd zijn.
De politie verwerkt deze gegevens vervolgens binnen de kaders van haar, bij artikel 3 van de Politiewet 2012, opgedragen politietaak in de politiesystemen.
Kunt uitsluiten dat persoonsgegevens uit het CTER worden gedeeld met buitenlandse veiligheidsdiensten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Klopt het dat de KMAR niet bevoegd is data in te voeren in de CTER?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u aangeven wie er verantwoordelijk is voor de Landelijke Opsporingslijsten (LOP)? Zo nee, waarom niet?
Het landelijke overzicht politie (LOP, ook wel LOP-lijst genoemd), bestaat niet meer. De LOP-lijst werd gebruikt om binnen de politie overzicht te houden van alle personen die betrokken waren bij uitreizen van personen naar het strijdgebied in o.a. Syrië en Irak. Dit overzicht werd tot 2018 bijgehouden door de landelijke eenheid, die ook verantwoordelijkheid droeg voor het beheer.
In 2018 is een landelijk uniform werkproces ingevoerd waarin alle politie-eenheden de informatie over personen die mogelijk betrokken zouden kunnen zijn bij het plegen of beramen van terroristische misdrijven worden verwerkt in een afstemmingslijst. De LOP lijst is opgegaan in de afstemmingslijst. Op basis hiervan worden personen, indien mogelijk en noodzakelijk, besproken worden in het lokale casusoverleg. Per individuele casus wordt door de politie afgewogen of internationale signalering noodzakelijk en proportioneel is. De KMar kan zelf geen personen op de afstemmingslijst plaatsen, maar kan de politie verzoeken om dit te doen en heeft tevens wel inzage in deze lijst.
Kunt aangeven of ID-controles of verkeerscontroles (Wegenverkeerswet), uitgevoerd door de politie, ook opgenomen worden in de database van het CTER of de LOP? Kunt u aangeven met welke overheidsinstanties de informatie uit de LOP en CTER wordt gedeeld? Kunt u uitsluiten dat deze informatie direct of indirect uitgewisseld wordt met buitenlandse veiligheidsdiensten?
Alle gegevens, en dus ook gegevens van ID-controles of verkeerscontroles kunnen worden opgenomen in de CTER-registratie in het kader van art 10 lid 1 onder b, Wpg6 als deze relevant zijn voor de uitvoering van de CTER-taak. Op de LOP-lijst stonden tot 2018 personen die betrokken waren bij het uitreizen van personen naar het strijdgebied (o.a. Irak en Syrië).
Informatie op de voormalige LOP-lijst of informatie die wordt beheerd door het CTER-cluster konden/kunnen binnen de wettelijke kaders worden gedeeld met andere overheidsinstanties. Zo kunnen personen in het kader van de samenwerking binnen de lokale persoonsgerichte aanpak eventueel worden besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis.
Voor verdere beantwoording met betrekking tot de buitenlandse veiligheidsdiensten verwijs ik u naar het antwoord op vraag 14.
Kunt u aangeven hoeveel weekberichten van de Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en overige signalerings- en duidingsberichten betrekking hebben op Nederlandse burgers, hoeveel burgers betreft dit en met wie is dit gedeeld en waarom? Zo nee, waarom niet?
De NCTV doet en deed geen onderzoek naar Nederlandse burgers. De NCTV doet onderzoek naar de algemene ontwikkelingen van dreigingen jegens de nationale veiligheid. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli jl.7 heeft de NCTV geen persoonsdossiers of registers van personen of namen ter uitvoering van de coördinatie- en analysetaken. Dit betekent dat niet werd en wordt bijgehouden hoeveel persoonsgegevens er exact voorkomen in signalerings- en duidingsberichten van de NCTV. In de brief van 8 juli wordt ook aangegeven dat de verzendlijst voor het herstelbericht aan ontvangers van de Weekberichten Internetmonitoring op organisatieniveau ter inzage zal worden gelegd bij de Tweede Kamer.8 Op dit moment ligt er een wetsvoorstel in uw Kamer dat de grondslagen voor deze activiteiten van de NCTV verder zal inkaderen.
Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar de NCTV en met wie zij in de afgelopen jaren data heeft uitgewisseld en over welke personen? Bent u bereid dit onderzoek te laten uitvoeren door een bedrijfsrecherchebureau? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 18 is gesteld doet de NCTV geen onderzoek naar personen en daarom is een onderzoek mijn inziens niet noodzakelijk. De NCTV kijkt naar de algemene ontwikkelingen van dreigingen jegens de nationale veiligheid. Aan het monitoren van uitingen ten behoeve van het duiden van trends en ontwikkelingen die in potentie de stabiliteit van Nederland kunnen ontwrichten is soms bepaalde informatie over personen verbonden; uitingen worden immers door personen gedaan. Zoals al eerder aan uw Kamer gemeld is de internetmonitoring is sinds februari 2021 opgeschort.
Kunt u garanderen dat data van de politie van onschuldige burgers, waar geen verdenking tegen is, niet belandt bij buitenlandse veiligheidsdiensten of in de systemen van Interpol en het SIS? Zo nee, waarom niet?
Het gaat bij de databases van Interpol en SIS II niet alleen om personen die verdacht worden van een strafbaar feit danwel veroordeeld zijn. Opname in de systemen van Interpol en SIS II geschiedt pas nadat is voldaan aan daarvoor gestelde eisen. Hiervoor verwijs ik naar de INTERPOL’s Rules on the processing of Data en voor het SIS II naar het Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni en de Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006. Ik verwijs u verder naar het antwoord op vraag 8.
Bent u bereid de email-headers op te vragen en te laten analyseren door een onafhankelijk bureau, om zo tot een samenstelling van landen te komen, waarmee informatie is gedeeld? Bent u bereid een eventueel onderzoek te laten uitvoeren door FOX-IT? Zo nee, waarom niet?
Ik ga er vanuit dat u hier doelt op de verzendlijst van de Weekberichten Internetmonitoring. Zie ook de beantwoording van vraag 19 waarin ik aangeef dat aanvullend onderzoek in mijn ogen niet nodig is. Hierbij verwijs ik naar de Kamerbrief van 8 juli jl. waarin is opgenomen op welke wijze de verzendlijst voor het herstelbericht voor ontvangers van de Weekberichten Internetmonitoring tot stand is gekomen.9
Bent u op de hoogte van het feit dat email-headers teruggehaald kunnen worden via Microsoft, om te achterhalen naar wie de mails zijn verzonden? Bent u op de hoogte van het feit dat Microsoft dit niet verwijdert en dit dus te allen tijde opvraagbaar is?
Zie antwoord vraag 21.
Bent u bereid de NCTV de opdracht te geven mee te werken en mensen, die een verzoek indienen voor inzage in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), daadwerkelijk inzage te geven in hun verwerkte persoonsgegevens? Zo nee, waarom niet?
Het is verplicht om mee te werken aan AVG-verzoeken en dit doet de NCTV dan ook. Sinds het voorjaar van 2021 is door meer dan 270 mensen een inzageverzoek gedaan en deze verzoeken zijn allemaal in behandeling genomen.
Kunt u aangeven hoe kan het zijn, dat in mailwisselingen tussen de NCTV en de politie staat, dat de NCTV geen loket is waar burgers vrije inzage kunnen krijgen in hun verwerkte persoonsgegevens, hoewel dit in eerste instantie al niet mocht vanwege het ontbreken van een juridische grondslag?
Gelet op uw vraag vind ik het belangrijk om duidelijkheid te geven over hetgeen er gedeeld is tussen de politie en de NCTV.De mailwisseling tussen de NCTV en politie heb ik openbaar gemaakt. Zoals u kunt lezen in de mailwisseling is er door de NCTV niet gezegd dat de NCTV geen loket is waar burgers vrije inzage kunnen krijgen in hun verwerkte persoonsgegevens. De NCTV heeft aangegeven dat betrokkene zich niet tot de NCTV kan wenden omdat hij geen paspoortmaatregel heeft gehad. De NCTV heeft geen taak om op persoonsniveau, anders dan in haar eigen systeem, onderzoek te doen of een persoon gesignaleerd staat. In deze context wordt het woord «loket» gebruikt. Zoals u in de mailwisseling kunt lezen, heeft de NCTV actief meegedacht hoe betrokkene geholpen zou kunnen worden.
In algemene zin heeft iedereen het recht heeft om een inzageverzoek te doen bij de NCTV voor het inzien van eventueel opgeslagen persoonsgegevens. Een inzageverzoek wordt door de NCTV altijd uitgevoerd. Zie ook het antwoord op vraag 23.
Kunt u aangeven hoe kan het zijn dat de NCTV, los van de weekberichten, ook deelneemt aan de samenwerking tussen politie, Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) wat betreft het verwerken en bespreken van persoonsgegevens van het LOP?
De NCTV heeft nooit een rol gehad in het opstellen van de LOP-lijst. Zie ook het antwoord op vraag 16 en 17. Wel heeft de NCTV tot februari 2021 deelgenomen aan lokale casusoverleggen radicalisering, waarbij personen werden besproken die uitgereisd zijn naar strijdgebied. Deze personen stonden logischerwijs ook op de LOP-lijst.
Klopt het dat Landelijke Opsporingslijsten afkomstig zijn van de politie en zij als enige dit mogen beheren? Zo nee, wie mogen dit verder beheren?
Ja, deze lijst werd voor en door de politie beheerd. Zie ook het antwoord op vraag 16.
Kunt u aangeven waarom de NCTV persoonsgegevens van het LOP kan aanvullen, zonder dat de NCTV hier een juridische grondslag voor heeft? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is deze grondslag?
De NCTV had op geen enkele manier toegang tot de voormalige LOP-lijst en kon deze dan ook niet aanvullen. Zie ook het antwoord op vraag 16, 17 en 25.
Kunt u uitsluiten dat burgers, die niet veroordeeld of verdachte zijn, worden opgenomen in het Register Paspoort Signalering (RPS)?
Er zijn verschillende gronden op basis waarvan een persoon kan worden opgenomen in het RPS, zoals meervoudige vermissingen, een vermoeden van het opzettelijk beschadigen van reisdocumenten, (vermoedens van) fraude met het reisdocument, de onttrekking aan een opgelegde straf, in het geval van een faillissement of indien een persoon een publiekrechtelijke schuld heeft en het gegronde vermoeden bestaat dat deze persoon zich aan zijn betalingsverplichtingen wil onttrekken. Ook indien het gegronde vermoeden bestaat dat de betrokken persoon buiten het Koninkrijk handelingen zal verrichten die een bedreiging vormen voor de veiligheid en andere gewichtige belangen van (een of meerdere landen van) het Koninkrijk of de veiligheid van met het Koninkrijk bevriende mogendheden, danwel de intentie heeft om uit te reizen naar een strijdgebied, kan een verzoek worden gedaan voor opname in het RPS. Niet voor al deze gronden is vereist dat de betreffende burger veroordeeld of verdachte is.
Kunt u aangeven welke instanties burgers mogen opnemen in het RPS? Zo nee, waarom niet?
Het RPS wordt namens de Staatssecretaris van BZK beheerd door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG). Als beheerder van het RPS verwerkt RvIG persoonsgegevens van personen die worden voorgedragen om te worden opgenomen in het RPS. Onderstaande signalerende instanties kunnen een verzoek tot signalering van een persoon indienen, als de instantie van mening is dat er sprake is van een van de in de paspoortwet genoemde gronden (artikel 28 tot en met 24 en 47 en 49). RvIG neemt de signalering dan op in het RPS nadat is vastgesteld dat aan de formele voorwaarden van een dergelijk verzoek is voldaan.
Afhankelijk van de grond op basis waarvan het verzoek tot opname in het RPS wordt gedaan, zijn er verschillende instanties bevoegd tot het doen van een verzoek tot opname in het RPS. De volgende instanties zijn bevoegd:
Gemeenten;
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Openbaar Ministerie;
Dienst Uitvoering Onderwijs;
Belastingdienst;
Rechter-commissaris;
Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen;
(Gemeentelijke) sociale dienst;
Minister van Buitenlandse Zaken;
Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid10.
Voor meer informatie over de signalerende instanties en de werking van en de gronden voor opname in het RPS verwijs ik u naar de website van het RvIG.11
Kunt u aangeven welke instanties, zowel nationaal als internationaal, data uit de database van het RPS mogen overnemen? Klopt het dat uitsluitend Interpol en SIS bevoegd zijn data uit het RPS over te nemen, indien burgers zijn veroordeeld?
Het RPS wordt namens de Staatssecretaris van BZK beheerd door de RvIG. Vanuit de RvIG wordt informatie uit het RPS alleen verstrekt aan de instanties aan wie op grond van artikel 25, vierde lid, van de Paspoortwet moet worden medegedeeld dat een persoon is opgenomen in het RPS. Het betreft de volgende instanties:
Burgemeesters (gemeenten);
Gouverneurs van Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
Gezaghebbers van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
De Minister van Buitenlandse Zaken;
De Koninklijke Marechaussee, belast met de uitgifte van nooddocumenten;
Politie.
Ook wordt informatie uit het RPS verstrekt aan de instanties die hebben verzocht om opname van een persoon in het RPS. Het gaat dan uitsluitend om informatie over de opnames in het RPS waar de betreffende instantie om heeft verzocht.
Interpol en SIS II zijn niet bevoegd om data uit het RPS over te nemen.
Kunt u uitsluiten dat data uit het RPS oneigenlijk worden overgenomen en gedeeld met het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Vanuit de RvIG wordt informatie uit het RPS alleen gedeeld met de in het antwoord op vraag 30 genoemde instanties in het kader van de uitvoering van de Paspoortwet. Het wettelijk kader dat van toepassing is op het RPS biedt geen ruimte om informatie uit het RPS te delen met partijen in het buitenland. Ook zijn er binnen de RvIG voorzieningen getroffen om te voorkomen dat het RPS oneigenlijk wordt gebruikt en de in het RPS opgenomen informatie onbevoegd wordt gedeeld. Hiertoe hebben slechts specifieke medewerkers rechtstreekse toegang tot het RPS. Ook zijn er vastgestelde en vastgelegde (werk-) processen met betrekking tot het RPS.
Begrijpt u dat data gekopieerd uit het RPS een eigen leven kunnen gaan leiden en dit verregaande gevolgen kan hebben voor burgers? Begrijpt u dat het voor gedupeerde burgers lastig is dit weer recht te trekken?
De instanties zoals genoemd in vraag 30 aan wie informatie uit het RPS wordt verstrekt, krijgen deze informatie in het kader van de uitvoering van de Paspoortwet en daarvan afgeleide regelgeving. Bij de verstrekking van deze informatie mogen de betreffende instanties deze informatie slechts gebruiken ter uitvoering van hun taken op grond van de Paspoortwet en daarvan afgeleide regelgeving. Verder verwijs ik u naar het antwoord op vraag 31.
Klopt het dat burgers, die problemen ondervinden doordat informatie over hen is gedeeld in het kader van terrorismebestrijding, zelfs als zij onschuldig blijken te zijn, nauwelijks kunnen worden geholpen? Kunt u aangeven wat u van plan bent te ondernemen om de lat te verlagen voor mensen, die onterecht zijn opgenomen in diverse systemen?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven van hoeveel burgers Nederland sinds 2015 internationaal informatie heeft uitgewisseld in het kader van internationale politie- en justitiesamenwerking met betrekking tot terrorismebestrijding? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aantal burgers in Nederland waarvan informatie is uitgewisseld in het kader van internationale politie- en justitiesamenwerking met betrekking tot terrorismebestrijding. Het is niet mogelijk om binnen de huidige registratiesystemen voor de processen van in- en uitgaande verzoeken inzake rechtshulp in strafzaken dergelijke informatie op te vragen.
Kunt u aangeven hoeveel van de burgers het etiket opgeplakt hebben gekregen van terrorismeverdachte? Kunt u tevens aangeven hoeveel van deze burgers daadwerkelijk veroordeeld zijn, dan wel strafrechtelijk zijn vervolgd?
Omwille van de vertrouwelijkheid van deze informatie is het niet mogelijk om hierop antwoord te geven.
Bent u het eens met Terrorisme-expert Jelle van Buuren van de Universiteit Leiden, die stelt dat: «wanneer blijkt dat je ten onrechte bent gelabeld, je erop moet kunnen vertrouwen dat je uit die databanken kunt komen. Als dan blijkt dat je nog steeds geregistreerd staat als gevaarlijk persoon en geen toegang krijgt tot een land dan is dat een directe schending van hele primaire burgerrechten.»? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat een persoon vanwege een onterecht label op een of meer buitenlandse lijsten staat en hierdoor geen toegang heeft tot bepaalde derde landen is dit problematisch Indien registratie in een derde land, ondanks een onterechte label, blijft voortduren, vind ik dat zeer kwalijk. In voorkomende gevallen en afhankelijk van de specifieke situatie, kan dit op gespannen voet staan met primaire burgerrechten. Mijn Ministerie staat in contact met de politie en Buitenlandse Zaken om te bezien hoe we deze mensen kunnen helpen.
Kunt u aangeven hoeveel burgers in totaal op dit moment een signalement hebben in het RPS? Zo nee, waarom niet?
Op 13 juli 2022 stonden er in totaal 8284 personen in het RPS. Dit is het totaal van alle gronden voor opname in het RPS.
Kunt u aangeven welke criteria de NCTV hanteert c.q. hanteerde bij het (online) volgen van burgers? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 18 en 19. De handelwijze van de NCTV is uitvoerig toegelicht in meerdere Kamerbrieven waarbij de eerste brief hierover dateert van 12 april 2021.
Daarbij was internetmonitoring niet gericht op het doen van onderzoek naar personen. Om trends en ontwikkelingen op het terrein van terrorismebestrijding en nationale veiligheid goed in te schatten is het bij internetmonitoring onvermijdelijk gebleken dat relevante openbare uitingen van personen in beeld komen.
Deelt u de mening dat het volgen van onschuldige burgers door de NCTV kan leiden tot afnemend vertrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Zoals hiervoor ook aangegeven volgt de NCTV geen personen, helaas is dat beeld wel ontstaan en dat is in meerdere Kamerbrieven en debatten ook uitgelegd door mijn voorganger en door mij.
Op dit moment ligt een wetsvoorstel in uw Kamer. Het wetsvoorstel begrenst wat wel en niet mogelijk is ter uitvoering van de taken van de NCTV. Duidelijkheid en transparantie zijn een belangrijke stap voor het terugwinnen van vertrouwen in de overheid en de NCTV.
Kunt u aangeven wat u van plan bent te ondernemen, om het vertrouwen van gedupeerde burgers in de overheid en NCTV te herstellen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 39.
Deelt u de mening dat het niet de taak is van de NCTV allerlei stigmatiserende (voor)oordelen te plakken op onschuldige burgers? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening, zoals ik eerder heb aangegeven, dat als de NCTV ontwikkelingen analyseert of duidt, deze analyses of duidingen feitelijk van aard moeten zijn en gericht op relevante ontwikkelingen voor de nationale veiligheid. Hierin is geen ruimte voor persoonlijke meningen.
Kunt u aangeven wat u zult ondernemen teneinde ervoor te zorgen, dat de NCTV uitsluitend op basis van objectieve criteria haar werkzaamheden zal uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals eerder aan uw Kamer aangegeven heeft de NCTV verschillende werkzaamheden opgeschort in afwachting van een stevigere juridische basis. Producten die in het verleden zijn gemaakt, zoals de Weekberichten Internetmonitoring komen niet meer in die vorm terug. Zoals reeds genoemd in de beantwoording van vraag 18 ligt er een wetsvoorstel in de Kamer dat de grondslagen voor de activiteiten van de NCTV verder zal inkaderen. De NCTV beziet voortdurend kritisch het proces van totstandkoming en de inhoud van zijn analyseproducten en brengt waar nodig verbeteringen aan.
Kunt u aangeven over hoeveel burgers in totaal de NCTV signalen heeft, dat zij een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid? Hoeveel van deze burgers hebben een strafblad of zijn verdachte in een strafrechtelijk onderzoek? Zo nee, waarom niet?
De NCTV doet en deed geen onderzoek naar Nederlandse burgers. De NCTV ontvangt ten behoeve van de analysetaak geen signalen over personen, dit behoort niet tot zijn taken. Daarbij monitort de NCTV geen personen (burgers) en er zijn dan ook geen dossierhouders op «personen».
Naast de analysetaak heeft de NCTV coördinatietaken ten behoeve van de coördinatie op (beleidsvorming rond) de integrale aanpak van terrorisme en (gewelddadig) extremisme. Voor deze coördinatietaken ontvangt de NCTV nog in zeer beperkte mate persoonsgegevens, bijvoorbeeld voor de coördinatie op personen die terugkeren uit strijdgebied van Syrië.
Kunt u aangeven wat het kader is en welke criteria er zijn voor de NCTV, om over burgers te rapporteren in de weekberichten? Zo nee, waarom niet?
De weekberichten internetmonitoring hadden tot doel om vroegtijdig inzicht te bieden in ontwikkelingen met betrekking tot thema’s als (gewelddadig) extremisme, radicalisering en polarisatie. Zij hadden niet tot doel om te rapporteren over burgers.
Bij internetmonitoring is het onvermijdelijk gebleken dat personen die relevante openbare uitingen deden in beeld kwamen. Het criterium voor de Weekberichten Internetmonitoring was of de uiting een raakvlak had met de relevante trends en ontwikkelingen. De Weekberichten Internetmonitoring zijn na februari 2021 niet meer opgesteld.
Kunt u aangeven welke waarborgen er zijn om te voorkomen dat weekberichten van de NCTV een eigen leven zullen gaan leiden en verregaande consequenties kunnen hebben voor onschuldige burgers? Zo nee, waarom niet?
De NCTV is inmiddels gestopt met het maken en verzenden van deze Weekberichten Internetmonitoring en deze keren in deze vorm ook niet meer terug. Inmiddels heeft de NCTV aan de ontvangers van de meest recente verzendlijst (lijst van 1 maart 2021) van de Weekberichten Internetmonitoring een herstelbericht gestuurd. Om zoveel mogelijk ontvangers uit het verleden te bereiken en volledige transparantie te betrachten ten aanzien van zaken die in het verleden niet goed zijn gegaan, is een herstelbericht ook op de NCTV website geplaatst zodat deze informatie publiekelijk toegankelijk is voor een ieder. Op deze wijze is het al het mogelijke gedaan om eventuele consequenties van deze Weekberichten Internetmonitoring te voorkomen.
Klopt het dat burgers al meegenomen kunnen worden in weekberichten, als er sprake zou zijn van «een interessant netwerk»?
Voor de Weekberichten Internetmonitoring keek de NCTV naar trends en ontwikkelingen op het gebied van de nationale veiligheid. Om trends en ontwikkelingen op het terrein van terrorismebestrijding en nationale veiligheid goed in te schatten is het bij internetmonitoring onvermijdelijk gebleken dat relevante openbare uitingen van personen in beeld komen. Dat komt ook naar voren in de Weekberichten Internetmonitoring.
Deelt u de mening dat analyses en duidingen van de NCTV, over burgers feitelijk moeten zijn en dat er geen ruimte dient te zijn voor persoonlijke meningen dan wel (voor)oordelen en stigmatiserende kwalificaties? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik. Zoals ik in mijn brief van 31 mei jl. heb aangegeven moeten de analyses en duidingen van de NCTV feitelijk van aard zijn en gericht zijn op relevante ontwikkelingen voor de nationale veiligheid.12 Hierin is geen ruimte voor persoonlijke meningen.
Sluit u uit dat bij het opstellen van de weekberichten, naast het raadplegen van open bronnen, door de NCTV ook gebruik is gemaakt van andere bronnen? Kunt u tevens aangeven welke gesloten bronnen er zijn c.q. worden geraadpleegd? Zo nee, waarom niet?
Voor het opstellen van Weekberichten Internetmonitoring werd gebruik gemaakt van vrij toegankelijke bronnen als krantenberichten, wetenschappelijke verhandelingen en open online bronnen, zoals Twitterberichten.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat burgers die een inzage-verzoek indienen, naast de door de NCTV verzamelde informatie uit open bronnen waarin zij voorkomen, tevens inzage te geven in andersoortige persoonsgebonden informatie? Zo nee, waarom niet?
Elk verzoek tot inzage wordt behandeld via hetzelfde proces, zoals wettelijk vastgelegd. Er wordt gekeken naar welke persoonsgegevens van de verzoeker aanwezig zijn bij de NCTV. Hierin wordt geen onderscheid gemaakt waar deze gegevens vandaan komen of wie deze heeft opgesteld. In het besluit wordt zoveel mogelijk inzicht gegeven in de bron waarin het betreffende gegeven is opgenomen en wordt ook de context waarin een gegeven wordt verwerkt weergegeven. Ik verwijs u ook graag naar het antwoord op vraag 23.
Kunt u aangeven of überhaupt toezicht wordt gehouden op de analysetak van de NCTV? Zo ja, door wie en op welke manier? Zo nee, waarom niet?
De NCTV valt onder de AVG. Toezicht op de naleving van AVG is belegd bij de Autoriteit Persoonsgegevens in samenwerking met de functionaris voor de gegevensbescherming.
De Inspectie JenV kan daarnaast in haar onderzoeken de werkwijze van de NCTV betrekken als er een relatie is met de uitvoeringsorganisaties waarop de Inspectie JenV toeziet. Een voorbeeld is de analyse van de Inspectie JenV naar de tramaanslag in Utrecht in 2019. Hier keek de Inspectie JenV naar de samenwerking tussen de NCTV en de veiligheidsregio’s inzake de (tijdelijke) op-en afschaling van het dreigingsbeeld. Indien het wetsvoorstel met betrekking tot de werkzaamheden van de NCTV in werking treedt heeft de inspectie wel een wettelijke taak om toezicht te houden op de naleving ervan.
Kunt u aangeven of u bereid bent verantwoordelijkheid te nemen en excuses aan te bieden aan onschuldige burgers, die ten onrechte door de NCTV onder de loep zijn genomen en waarover informatie is gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 31 mei jl. heb ik aangegeven op welke punten ik vind dat de NCTV anders had moeten handelen en dat ik betreur dat dit niet goed gegaan is13. Zie ook mijn beantwoording van vraag 19 waarin ik nader in ga op de genomen stappen.
Kunt u aangeven wat u zult doen om ervoor te zorgen, dat de informatie van onschuldige burgers die ten onrechte door de NCTV onder de loep zijn genomen en ten onrechte met buitenlandse inlichtingendiensten zijn gedeeld, wordt verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangeven in het antwoord op vraag 18 en 19 doet en deed de NCTV geen onderzoek naar Nederlandse burgers, maar naar de algemene ontwikkelingen van dreigingen jegens de nationale veiligheid. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli jl.14 heeft de NCTV geen persoonsdossiers of registers van personen of namen ter uitvoering van de analysetaken.
In de Kamerbrief van 8 juli jl.is aangeven op welke wijze de verzendlijst voor het herstelbericht voor ontvangers van de Weekberichten Internetmonitoring tot stand is gekomen.15 Deze lijst is op organisatieniveau ter inzage gelegd bij de Tweede Kamer. Er is reeds een herstelbericht verzonden aan de ontvangers van de Weekberichten Internetmonitoring, dit bericht is ook op de website van de NCTV geplaatst. Daarnaast heb ik aangegeven dat deze berichten in deze vorm niet meer terug zullen keren. Tot slot is op de website van de NCTV aangegeven hoe personen die dit willen, middels een inzageverzoek, zich kunnen vergewissen of ze op één of andere wijze voorkomen in de interne documenten van de NCTV.
Kunt u aangeven op basis waarvan u stelt dat tot enkele jaren geleden de heersende opvatting was dat er voldoende juridische basis was voor internetmonitoring? Kunt u aangeven in welke wet die grondslag expliciet was vastgelegd? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de Kamerbrieven van 12 april en 21 mei 2021 is vermeld, is bij het gebruiken van internetmonitoring binnen de NCTV terugkerend gesproken over de juridische grondslag ervan, maar was de heersende opvatting dat deze er voldoende was op basis van het Organisatiebesluit.16 Als persoonsgegevens werden verwerkt bij de totstandkoming van fenomeenanalyses zoals het DTN, deed de NCTV dat ter uitoefening van een taak van algemeen belang: het versterken van de nationale veiligheid en het bevorderen van de identificatie en de analyse van dreigingen en risico's op het gebied van terrorisme en nationale veiligheid (artikel 50 Organisatiebesluit JenV).
Het Organisatiebesluit, waarin de publieke taak is vastgelegd, is gebaseerd op artikel 3, tweede lid, van het Coördinatiebesluit organisatie, bedrijfsvoering en informatiesystemen rijksdienst, dat weer zijn grondslag vindt in artikel 44 van de Grondwet (dat de instelling van Ministeries regelt). Tenslotte is de internationaalrechtelijk de taak voor de NCTV ook terug te voeren op de op de Nederlandse staat rustende verplichting om het recht op leven te beschermen.
Kunt u aangeven hoeveel burgers in totaal een signalement hebben in het RPS? Kunt u tevens aangeven hoeveel van deze burgers geen strafblad hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 37 voor het aantal personen dat is opgenomen in het RPS.
Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel van deze personen geen strafblad hebben, aangezien het al dan niet hebben van een strafblad niet wordt bijgehouden in het RPS en ook bij geen van de gronden voor opname in het RPS een toetsingscriterium is voor opname.
Kunt u aangeven of signaleringen in het RPS na een bepaalde periode opnieuw getoetst worden en indien nodig verwijderd worden? Zo nee, waarom niet?
De signalering komt te vervallen als de signalerende instantie vaststelt dat er geen gronden voor registratie meer bestaan. De signalerende instantie doet hiervan melding bij de RvIG, die het RPS beheert namens de Staatssecretaris van BZK. Deze zal vervolgens naar aanleiding van de melding de signalering uit het RPS verwijderen. Als een signalering twee jaar heeft geduurd, dan is de RvIG namens de Staatssecretaris van BZK verplicht om de signalering onverwijld te verwijderen uit het RPS op grond van artikel 25, vijfde lid van de Paspoortwet, tenzij er grond is voor een verlenging.
De signalerende instantie kan er voor kiezen, indien de instantie van oordeel is dat de grond voor signalering nog steeds bestaat, om tegen het aflopen van deze termijn van twee jaar opnieuw een verzoek tot opname in het RPS in te dienen (hernieuwing). Er vindt dan – evenals bij een nieuwe signalering – een marginale toetsing plaats door RvIG namens de Staatssecretaris van BZK. Hierbij wordt bekeken of het verzoek voldoet aan de procedurele voorwaarden van de grond voor opname in het RPS waar een beroep op wordt gedaan. Het gaat hier met name om een toetsing of aan de formele voorwaarden wordt voldaan. De marginale toetsing is, met andere woorden, geen inhoudelijke toetsing of er een (inhoudelijke) grond voor signalering is. Deze afweging wordt door de signalerende instantie gemaakt. De Staatssecretaris van BZK maakt deze inhoudelijke afweging niet. Als na deze marginale toetsing blijkt dat aan de formele voorwaarden is voldaan, wordt de betrokken persoon opgenomen in het RPS.
Kunt u toelichten wat u bedoelt met «De Weekberichten zijn niet op basis van formele afspraken gedeeld met buitenlandse inlichtingendiensten, maar wel met enkele individuele medewerkers van veiligheidsorganisaties»? Kunt u aangeven welke informele afspraken er zijn c.q. waren? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 31 mei jl. ga ik hier op in17. Dit betrof persoonlijke contacten tussen analisten van de NCTV en medewerkers van veiligheidsorganisaties. In gesprekken die zij voerden, is in een aantal gevallen toegezegd om hen de Weekberichten Internetmonitoring toe te zenden.
Kunt u aangeven of de NCTV een juridische grondslag heeft, om informatie over Nederlanders te delen met individuele medewerkers van veiligheidsorganisaties, dan wel buitenlandse inlichtingendiensten? Zo nee, waarom niet?
In de internationale samenwerking is de AVG van toepassing. De NCTV kan dan ook alleen persoonsgegevens delen met en ontvangen van organisaties buiten Nederland voor zover daarvoor een wettelijke grondslag toereikend is. Zoals bekend is die grondslag op dit moment niet voor alle taken toereikend. Vanwege het ontbreken van deze grondslag heb ik in mijn brief van 8 juli jl. toegelicht dat er een herstelbericht is verzonden aan de ontvangers van de Weekberichten Internetmonitoring, dit bericht is ook op de website van de NCTV geplaatst.
Het wetsvoorstel gegevensverwerking coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid bevat ook op dit punt een nadere inkadering voor de toekomstige situatie. Voor activiteiten van de NCTV waarvoor wel een wettelijke grondslag bestaat, zal per geval beoordeeld moeten worden of er ook een grondslag is voor verstrekking van dergelijke gegevens aan derden, waaronder internationale contacten.
Is volgens u de Tweede Kamereerder geïnformeerd over de wens van «buitenlandse partners die graag meer wilden weten over de jihadistische dreiging in Nederland»? Zo nee, waarom niet?
Mondiaal jihadisme is per definitie een internationale kwestie, waarbij internationale samenwerking niet alleen zeer gewenst maar ook onmisbaar is. Dit was zeker het geval in de periode waarin een reeks Europese partners te maken kregen met herhaaldelijke aanslagen op hun grondgebied. Internationale samenwerking en informatie-uitwisseling is ook speerpunt in opeenvolgende CT-strategieën. Uitwisseling van informatie met buitenlandse partners over deze dreiging lag en ligt dan ook voor de hand. Uw Kamer is geregeld geïnformeerd over de stappen genomen op het gebied van internationale samenwerking.
Kunt u aangeven of buitenlandse inlichtingendiensten in het kader van de internationale samenwerking ook hun informatie over hun burgers delen met de NCTV? Zo nee, waarom niet?
Ik wil benadrukken dat de NCTV geen inlichtingendienst is en dit ook niet wil worden.
Er zijn in het buitenland met de NCTV vergelijkbare organisaties. Deze organisaties delen hun analyses en duidingen van trends en ontwikkelingen met de NCTV, het gaat dan bijvoorbeeld om een analyse met betrekking tot rechts-extremisme of jihadisme in dat desbetreffende land. De NCTV gebruikt deze producten alleen ten behoeve van het in kaart brengen van trends en ontwikkelingen.
Kunt u aangeven of de NCTV een grondslag heeft om internationaal te opereren? Zo nee, waarom niet?
De NCTV werkt vanuit het belang van de Nederlandse nationale veiligheid. Daartoe is het ook van belang en noodzakelijk contact te onderhouden met internationale partners en dat er deel wordt genomen in internationale gremia zoals bijvoorbeeld het Global Counter Terrorism Forum. Ook in de internationale samenwerking is de AVG van toepassing zijn. De NCTV kan dan ook alleen persoonsgegevens delen met en ontvangen van organisaties buiten Nederland voor zover daarvoor een wettelijke grondslag toereikend is. Het wetsvoorstel gegevensverwerking coördinatie en analyse terrorismebestrijding en nationale veiligheid bevat ook op dit punt inkadering voor de toekomstige situatie.
Bent u het eens dat de NCTV, zoals de naam Nationaal Coördinator al stelt, uitsluitend binnen de Nederlandse grenzen dient te opereren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 60.
Kunt u toelichten waarom het laatste weekbericht van mei 2022 door de NCTV is gedeeld, met partners uit Spanje, België, Duitsland en Canada? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds behandeld in het debat van 2 juni jl. De NCTV maakte gebruik van een reguliere verzendlijst. Zodra een partij op deze verzendlijst stond, ontving deze partij de Weekberichten Internetmonitoring. De partners uit Spanje, België, Duitsland en Canada zijn in de loop van de tijd op de verzendlijst gekomen en ontvingen daarom het laatste Weekbericht Internetmonitoring, dat in maart 2022 is verzonden.
Kunt u toelichten waarom u stelt dat het niet mogelijk is, te achterhalen of buitenlandse partners actie hebben ondernomen op basis van informatie, afkomstig uit weekberichten van de NCTV? Zo nee, waarom niet?
De NCTV heeft geen onderzoek gedaan naar personen, maar naar ontwikkelingen van de dreiging. In producten van de NCTV komen echter wel in voorkomende gevallen persoonsgegevens voor in relatie tot die dreigingsonderwerpen. Zie ook de antwoorden op vraag 44 en 46. Om met absolute zekerheid te kunnen stellen, zou met terugwerkende kracht moeten worden vastgesteld in welke Weekberichten Internetmonitoring welke persoonsgegevens zijn opgenomen. Vervolgens zou moeten worden nagegaan bij de partners of er op basis van deze informatie is gehandeld. Dit zou betekenen dat er alsnog aandacht zou worden gevestigd op de personen, in plaats van op ontwikkelingen van de dreiging. Ik acht dit niet wenselijk.
Heeft u überhaupt een poging gewaagd en een formeel verzoek ingediend bij buitenlandse partners om te achterhalen of zij actie hebben ondernomen op basis van informatie, afkomstig uit weekberichten van de NCTV? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 63.
Bent u bereid alsnog een formeel verzoek in te dienen, bij buitenlandse partners om te achterhalen of zij actie hebben ondernomen op basis van informatie, afkomstig uit weekberichten van de NCTV? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 63.
Bent u op de hoogte dat Muslim Rights Watch Nederland (MRWN) sinds medio mei 2022 een meldpunt heeft geopend en inmiddels tientallen meldingen en klachten heeft ontvangen van gedupeerden? Bent u tevens op de hoogte dat de gedupeerden aangeven dat zij van het kastje naar de muur worden gestuurd en zich machteloos voelen? Zo nee, zou u hier contact over willen opnemen met MRWN?
Ik ben op de hoogte van het meldpunt dat MRWN heeft geopend. Indien burgers van mening zijn dat er sprake is van een misstand in de wijze waarop zij door een overheidsorganisatie zijn behandeld, is er altijd de mogelijkheid om bij de desbetreffende instantie een klacht in te dienen. Indien de afhandeling van de klacht niet afdoende wordt bevonden, staat het iedereen vrij om een klacht in te dienen bij de Nationale ombudsman.
Bent u bereid in gesprek te treden met MRWN om samen met hen naar een oplossing toe te kunnen werken voor alle gedupeerden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 66.
Bent u voornemens om de (onrechtmatige) gegevensverzameling over onschuldige burgers te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangeven in het antwoord op vraag 18, 19 en 52 doet en deed de NCTV geen onderzoek naar Nederlandse burgers, maar naar de algemene ontwikkelingen van dreigingen jegens de nationale veiligheid. Om trends en ontwikkelingen op het terrein van terrorismebestrijding en nationale veiligheid goed in te schatten is het bij internetmonitoring onvermijdelijk gebleken dat relevante openbare uitingen van personen in beeld komen. Zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 8 juli jl.18 heeft de NCTV geen persoonsdossiers of registers van personen of namen ter uitvoering van de analysetaken.
In afwachting van een stevigere juridische basis voor de werkzaamheden van de NCTV zijn deze persoonsgegevens verwijderd uit het primaire proces. Dit proces is echter tijdrovend en hier wordt nog steeds aan gewerkt. Dit geldt echter niet voor persoonsgegevens waar de NCTV, vanuit haar coördinatietaken, wel een juridische basis voor heeft, zoals de paspoortwet en de tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding.
Bent u bereid de bovenstaande vragen afzonderlijk te beantwoorden en te voorzien van een toelichting? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zoveel mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Het bericht 'OM schendt hoorplicht burgers bij beroep tegen verkeersboetes' |
|
Joost Sneller (D66), Lisa van Ginneken (D66) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM schendt hoorplicht burgers bij beroep tegen verkeersboetes»?1
Ja, daar ben ik bekend mee.
Bent u op de hoogte van het feit dat het Openbaar Ministerie (OM) jarenlang bezwaarmakers van verkeersboetes niet heeft gehoord terwijl zij daar wel recht op hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht?
Mijn departement is in de zomer van vorig jaar op de hoogte gesteld door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) dat het OM in de administratieve beroepsprocedure tegen opgelegde verkeersboetes op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv) het recht om gehoord te worden niet actief onder de aandacht heeft gebracht bij betrokkenen. De verplichting om dat te doen vloeit voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uiteraard moet ook het OM zich houden aan de plichten die het heeft. Het OM meldt dat betrokkenen die zelf hebben aangegeven gehoord te willen worden, ook daadwerkelijk zijn gehoord.
Het OM heeft kenbaar gemaakt verschillende pogingen te hebben ondernomen om volledige invulling te geven aan deze plicht. Het OM geeft echter aan dat wanneer zij alle betrokkenen actief zou wijzen op het recht om te worden gehoord dit een zware last legt op de huidige capaciteit van het OM. Vanaf het moment dat dit bij mijn departement bekend was, hebben er verschillende ambtelijke overleggen met het OM plaatsgevonden om te zorgen dat het OM wel invulling gaat geven aan de hoorplicht. Gekeken wordt bijvoorbeeld naar de mogelijkheid om meer telefonisch, digitaal of schriftelijk te horen. Verder onderzoekt het OM in het kader van de burgergerichte beroepsprocedure hoe het proces voor het indienen van administratief beroep kan worden geoptimaliseerd. De wijze waarop het recht om gehoord te worden actief onder de aandacht kan worden gebracht bij betrokkenen is hier onderdeel van.
Kunt u verklaren waarom het OM bezwaren als «kennelijk ongegrond» bleef afdoen in maar liefst 90% van de gevallen in 2021 zonder onderzoek te doen naar de kans van slagen van het verweer, ondanks dat uit jurisprudentie van het gerechtshof blijkt dat op geen enkel inhoudelijk bezwaar tegen een boete zo’n afwijzing mag volgen?
Het artikel waarnaar u verwijst, stelt dat het OM in 2021 in ongeveer 90 procent van de gevallen waarin het betrokkene niet hoort, heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat is niet juist. Uit cijfers van het OM blijkt dat in 2021 in slechts 1,9% van de 249.122 beroepszaken het beroep kennelijk ongegrond of kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard.
Kunt u verklaren waarom het OM sinds 2017 is gestopt met het actief communiceren in boetebrieven aan burgers dat ze recht hebben om gehoord te worden, zoals het OM wettelijk verplicht is?
De boetebeschikking op basis van de Wahv is in 2017 in overleg met het OM aangepast door het Centraal Justitieel Incassobureau met het oog op begrijpelijkheid en overzichtelijkheid van de beschikking. Daarbij is een aantal passages in de beschikking komen te vervallen, waaronder de tekst ten aanzien van het recht om gehoord te worden. Bij aanpassing van de beschikking, is bekeken of de tekst elders in de beroepsprocedure terug kon komen. Onder andere is geprobeerd om dit via het Digitaal Loket Verkeer van het OM onder de aandacht te brengen. Via het loket zijn betrokkenen gedurende een korte periode in 2020 weer actief gewezen op hun recht te worden gehoord. Dit leidde echter volgens het OM tot een dermate groot aantal verzoeken tot horen, dat het OM met de huidige capaciteit niet al die verzoeken in behandeling kon nemen. Daarop heeft het OM besloten om de tekst op het Digitaal Loket te verwijderen.
Voorop staat dat het OM zich aan haar wettelijke verplichting moet houden. Zoals gemeld in de beantwoording van vraag 2, onderzoekt het OM op dit moment hoe het recht om gehoord te worden weer actief onder de aandacht kan worden gebracht bij betrokkenen. Ik zal ook zelf hierover in gesprek gaan met het College van Procureurs-Generaal.
Hoe beoordeelt u het feit dat bezwaarmakers van verkeersboetes alleen worden gehoord door het OM als ze zich door een professioneel gemachtigde laten vertegenwoordigen, in het licht van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid?
In elke beroepszaak waarin wordt verzocht om te worden gehoord, wordt dit verzoek door de officier van justitie beoordeeld aan de hand van de daarvoor geldende regels in de Awb. Bij deze beoordeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen zaken waarin betrokkene wordt vertegenwoordigd door een professioneel gemachtigde en waarin betrokkene zelf beroep instelt.
Hoe beoordeelt u het stelselmatig overtreden van de wet door het OM in het kader van de hoorplicht bij verkeersboetes in het licht van de rechtsbescherming voor burgers en het legaliteitsbeginsel?
Uiteraard moet het OM zich houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en het recht om gehoord te worden proactief onder de aandacht brengen bij betrokkenen. Samen met het OM wordt bezien hoe hier het beste invulling aan kan worden gegeven.
Welke stappen onderneemt u om te zorgen dat in de toekomst bezwaarmakers van verkeersboetes wel worden gehoord zodat hun rechten door het OM niet meer geschonden worden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de rechtsbescherming voor burgers bij verkeersboetes, nu niet alleen stelselmatig de hoorplicht in de bezwaarfase door het OM wordt geschonden, maar ook het in beroep gaan lastiger wordt gemaakt doordat de appelgrens in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften zal worden verhoogd van 70 naar 110 euro?2
Deze verhoging is onderdeel van de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022, die onlangs (op 12 juli 2022) door de Eerste Kamer is aangenomen (Kamerstukken 36 003). De voorgestelde verhoging van de appelgrens volgt uit de jaarlijkse indexering van boetebedragen in de Wahv. Deze boetebedragen worden elk jaar geïndexeerd, terwijl de appelgrens in de afgelopen 20 jaar gelijk is gebleven. Als gevolg hiervan staat er inmiddels hoger beroep open voor veel zaken van gering (financieel) belang. Met de verhoging van de appelgrens worden deze zaken van gering (financieel) belang weer van hoger beroep uitgesloten. De hoogte van de appelgrens wordt daarmee in lijn gebracht met de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever. Er is dan ook geen sprake van een inhoudelijke beleidskeuze die een verslechtering van de rechtsbescherming van burgers tot gevolg heeft.
Op welke wijze is controle op het OM in onderhavige casus vormgegeven en welke instanties zijn hier mee belast? Kunt u tevens toelichten hoe dit stelsel van checks and balances naar uw mening heeft gefunctioneerd in dit geval?
Verschillende instanties houden toezicht op het OM. Zo ziet de rechter in individuele zaken toe of het OM goed de regels naleeft. Dat is ook in het geval van de hoorplicht gebeurd. Daarnaast zijn er nog diverse andere instanties die toezien op het functioneren van het OM, zoals de procureur-generaal bij de Hoge Raad (die thematische onderzoeken uitvoert naar de vraag of het OM bij de uitoefening van zijn taak de wettelijke voorschriften naar behoren handhaaft of uitvoert) en de Nationale ombudsman die op basis van een klacht een onderzoek kan instellen. In onderhavige casus is mijn departement op de hoogte gesteld over het niet actief onder de aandacht brengen van het recht om te worden gehoord. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 wordt op dit moment met het OM bezien op welke wijze het OM gaat voldoen aan deze wettelijke verplichting.
Het de vertrouwelijkheid van meldingen die binnenkomen bij de meldkamer |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat de ouders van een schutter, die zich hebben gemeld bij de meldkamer van de politie, hebben aangegeven vlak daarna te zijn gebeld door een journalist, die ervan op de hoogte was dat de ouders contact hebben gezocht met de meldkamer?1
Ja.
Is er een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het signaal dat er vertrouwelijke persoonsgegevens vanuit de meldkamer zouden zijn doorgespeeld aan een journalist? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is geen onderzoek ingesteld. De politie heeft geen aanwijzingen dat vertrouwelijke persoonsgegevens zouden zijn gedeeld met derden. Overigens heeft de politie mij gemeld dat gebleken is dat de ouders geen contact hebben gezocht met de meldkamer (via het alarmnummer 1-1-2), maar dat er contact is gezocht met het Regionale Service Centrum van de politie (via het niet-spoed-nummer 0900–8844).
Heeft u er begrip voor dat het afbreuk doet aan het vertrouwen van mensen in de politie en mensen kan ontmoedigen in dergelijke gevallen contact op te nemen met de meldkamer als er eventueel vertrouwelijke persoonsgegevens zijn doorgespeeld? Zo nee, waarom niet?
De reputatie van de politie en het vertrouwen dat burgers hebben in de politie zijn voor de legitimiteit van de politie essentieel. Politiemedewerkers dienen daarom zorgvuldig om te gaan met de persoonlijke gegevens van burgers. Mocht dit onverhoopt in situaties mis zijn gegaan, dan begrijp ik uiteraard dat dit effect heeft op de betreffende burgers en hun kijk op de politie. Als blijkt dat onzorgvuldig is omgegaan met vertrouwelijke persoonsgegevens, wat in deze casus volgens de politie niet is gebleken, zal de politie hier passend op reageren.
Hoe beoordeelt u in het licht van bovenstaande vraag de weigering van de politie om op deze kwestie te reageren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals gezegd heeft de politie geen aanwijzingen dat er vertrouwelijke persoonsgegevens zijn gedeeld met derden. Het is verder aan de politie om hierover al dan niet te communiceren.
Hoeveel meldingen over schending van het ambtsgeheim zijn er in de afgelopen vijf jaar geweest? Hoeveel van die meldingen zijn onderzocht? Bij hoeveel van dergelijke meldingen volgde een sanctie, door ofwel de eigen organisatie of de rechter?
Voor het beantwoorden van deze vraag heb ik gebruik gemaakt van de jaarverantwoordingen van de politie over de periode 2017–2022. De politie kent meerdere soorten onderzoeken:
In de jaarverantwoordingen van de politie wordt over de aantallen disciplinaire onderzoeken gerapporteerd. Voor het jaar 2021 heeft de politie gerapporteerd dat er landelijk 77 disciplinaire onderzoeken hebben plaatsgevonden aangaande het lekken, misbruiken en/of achterhouden van informatie. De sancties die daarop volgden betreffen bijvoorbeeld (onvoorwaardelijk/voorwaardelijk) ontslag, inhouden vakantie-uren, schriftelijke berisping of een waarschuwing. Voor een uitgebreider overzicht verwijs ik u naar de eerder genoemde jaarverantwoording.2 In 2020 zijn 81 integriteitsschendingen vastgesteld op het gebied van lekken, misbruiken en/of achterhouden van informatie. In 2019 betroffen dit 68 integriteitsschendingen. In de jaarverantwoordingen over 2018 en 2017 is hierover niet zo gedetailleerd gerapporteerd. Ook in de jaarverantwoordingen van het Openbaar Ministerie, voor de onderzoeken door de Rijksrecherche, wordt niet gedetailleerd gerapporteerd over de onderzochte integriteitsschendingen per organisatie en de daaropvolgende sancties.
Het rapport van VN-rapporteur Melzer |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport1 van VN-rapporteur Melzer waarin hij vernietigend oordeelt over het optreden van de Nederlandse politie bij coronademonstraties?
Ja. Dit betreft een reactie op mijn brief van 10 maart jl.2
Klopt de bewering van de heer Melzer2 dat hij geen antwoord heeft gekregen, meer dan 60 dagen na het verschijnen van dit rapport, op de vragen die hij hierin stelt aan de Nederlandse regering? Indien zijn bewering niet klopt, kunt u in dat geval het document sturen waarin de vragen van de heer Melzer worden beantwoord?
De brief van VN-rapporteur Melzer is bij ontvangst niet op de juiste plaats terechtgekomen. Daarom is reactie hierop vertraagd.
Een reactie is op dit moment in voorbereiding. In deze reactie wijs ik VN-rapporteur Melzer nogmaals op de zorgvuldigheid waarmee het gebruik van geweld door politie wordt getoetst. Het zorgvuldig informeren van Speciaal Rapporteurs past bij het belang dat Nederland hecht aan de VN-inspanningen voor mensenrechten, inclusief de inspanningen door de onafhankelijke Speciaal Rapporteur, en de voortrekkersrol die Nederland zelf vervult om mensenrechten internationaal en nationaal te bevorderen.4 Ik verwacht de reactie op korte termijn te versturen naar het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Mensenrechten (OHCHR).
Indien de bewering van de heer Melzer wel klopt, waarom heeft u deze vragen niet binnen de gestelde termijn van 60 dagen beantwoord en bent u van plan of bent u bereid deze vragen (alsnog) te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Het direct of indirect volgen van politiek geëngageerde burgers op de social media en het mogelijk plegen van censuur |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u naar aanleiding van uw eerdere antwoord op vraag drie, aangeven welke bijdragen u levert aan de Europese en internationale beleidsontwikkelingen rond desinformatie?1
Het uitgangspunt voor bijdragen aan Europese en internationale beleidsontwikkeling wordt altijd vastgelegd in BNC-fiches die met uw Kamer worden gedeeld. Op hoofdlijnen is deze inzet dat het kabinet internationale samenwerking, binnen de respectievelijke verantwoordelijkheden, om desinformatie aan te pakken steunt, omdat desinformatie niet ophoudt bij grenzen. Het waarborgen van grondrechten staat hierbij altijd voorop.
Ter illustratie kunt u het BNC-fiche over de mededeling Europees Democratie Actieplan bekijken.2 Daarnaast kan het ook voorkomen dat bijdragen geleverd worden op basis van het Nederlandse beleid rondom desinformatie, die per Kamerbrief ook gedeeld worden met uw Kamer.3
Bent u bekend met de zin uit de actiepuntenlijst uit het WOB-document 279135: «Positieve communicatie over multilaterale verbanden door middel van Strategic Communications (StratCom) om ondermijnende narratieven over EU/NAVO tegen te gaan»?2 Levert u direct of indirect bijdragen aan de bestrijding van desinformatie aan de NATO, bijvoorbeeld StratCom Centre of Excellence (COE) in Litouwen? Zo ja, kunt u specificeren welke bijdragen worden geleverd?
StratCom wordt door de NAVO ingezet ter ondersteuning van het bondgenootschappelijk beleid en de militaire operaties en activiteiten om de doelstellingen van de NAVO te bevorderen. Nederland levert een aantal militairen aan de NAVO op StratCom functies. Het NAVO StratCom Centre of Excellence (CoE) in Letland maakt geen deel uit van de NAVO commandostructuur. Dit CoE doet onderzoek naar en geeft trainingen over strategische communicatie.
Bent u het ermee eens dat uit het WOB-document 279135 en het artikel «Zeg me dat het niet waar is» blijkt dat ambtenaren van het Ministerie van Binnenlandse Zaken regelmatig overleg voeren met verschillende socialmediabedrijven over de bestrijding van desinformatie, onder meer met Google, Twitter, Microsoft, LinkedIn, Facebook en Mozilla?3 4 Bent u bereid de Kamer de verslagen te doen toekomen van al deze gesprekken sinds 1 januari 2020? Zo nee, waarom niet?
Het klopt inderdaad dat er contacten zijn met sociale media bedrijven, mede op verzoek van uw Kamer.7 Sociale media bedrijven zijn belangrijke partners in de aanpak van desinformatie. Het contact ziet voornamelijk op het inzicht krijgen in de werkwijze van deze platformen, hun beleid op het gebied van desinformatie, en de uitvoering van de Europese praktijkcode tegen desinformatie. Van deze gesprekken zijn geen officieel vastgestelde verslagen beschikbaar. De Staatssecretaris van BZK zal bezien welke overige documenten hierover in bezit zijn. Deze informatie is tevens opgevraagd in een Woo-verzoek en zal daarom waar mogelijk openbaar gemaakt worden en naar uw Kamer gezonden worden.
Kunt u naar aanleiding van uw eerdere antwoord op vraag vier, aangeven of ook ambtenaren van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en/of het Ministerie van Justitie en Veiligheid gesprekken over desinformatie hebben gevoerd met socialmediabedrijven? Bent u bereid de Kamer de verslagen te doen toekomen van al deze gesprekken sinds 1 januari 2020? Zo nee, waarom niet?5
Gesprekken over desinformatie met sociale media bedrijven worden over het algemeen op incidentele basis door het Ministerie van BZK georganiseerd. Voor een deel van deze gesprekken zijn ook ambtenaren van het Ministerie van JenV en de NCTV uitgenodigd. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 zijn er geen officieel vastgestelde verslagen beschikbaar van gesprekken met sociale media bedrijven over desinformatie. De NCTV voert van tijd tot tijd gesprekken met sociale mediabedrijven onder andere over het tegengaan van de verspreiding van terroristische content (zie ook het antwoord op vraag 5). In de context van deze gesprekken komt ook (de ervaring van sociale mediabedrijven met) desinformatie en misinformatie aan de orde, zoals ook toegelicht in vraag 3. Het Ministerie van JenV voert ook gesprekken met onder meer sociale mediabedrijven in het kader van de aanpak van online seksueel kindermisbruik.
De Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die op dit moment in oprichting is, zal naast een handhavende taak ook een rol spelen bij het stimuleren van de samenwerking tussen deze marktpartijen.
Kunt u uw eerdere antwoord op vraag vier toelichten, voor wat betreft de passage «Met online platformen worden geen afspraken gemaakt om berichten te verwijderen, alleen op grond dat deze desinformatie zouden zijn». Kan daaruit afgeleid worden dat er wel afspraken met online platformen gemaakt zijn over het verwijderen van berichten? Zo ja, kunt u aangeven welke afspraken dat zijn?6
In de Kamerbrief over content moderatie en vrijheid van meningsuiting op online platformen schetst de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties samen met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de aanpak en beleid rondom illegale content.11 Ten aanzien van online kinderporno en terroristische inhoud ziet het kabinet een taak voor de overheid weggelegd om de verspreiding van deze online inhoud actief tegen te gaan12.
Ten aanzien van de aanpak van hate speech is het kabinet terughoudender om actief op te treden. Online discriminatie kan worden gemeld bij het Meldpunt internet discriminatie (MiND), dat een onafhankelijke juridische toetsing uitvoert om te bepalen of sprake is van een discriminatoire uiting, al dan niet gevolgd door een verwijderverzoek. Daarnaast kan het Openbaar Ministerie besluiten om bepaalde uitingen strafrechtelijk te vervolgen. Deze terughoudendheid heeft deels te maken met het feit dat bij hate speech veelal niet eenvoudig is vast te stellen of sprake is van een strafbare uiting en bij een te strikte handhaving een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van meningsuiting op de loer ligt.
Het gaat hierbij om illegale content wat naast strafbare content ook bestaat uit andere onrechtmatige content. Daaronder vallen onder meer aantastingen van het privéleven, de eer en goede naam en onrechtmatige verwerkingen van persoonsgegevens. De voornemens van het kabinet om onrechtmatige content die mensen persoonlijk raakt aan te pakken zijn uiteengezet in de beleidsreactie op het onderzoek naar een laagdrempelige voorziening voor de verwijdering van onrechtmatige content.13
Kunt u naar aanleiding van uw eerdere, ontkennende antwoord op vraag vijf, een nadere toelichting geven op het zogenoemde Directeurenoverleg Desinformatie als vorm van georganiseerde aanpak?7 8 Kunt u eveneens een nadere toelichting geven op de zogenoemde Table Top Excercise?9ent u van mening dat dit valt onder georganiseerde aanpak? Zo nee, waarom niet?
Er is sprake van een rijksbrede aanpak desinformatie, waarbij meerdere ministeries acties ondernemen om de impact van desinformatie op de Nederlandse samenleving te verminderen. Het Directeurenoverleg Desinformatie is een interdepartementaal overleg op directeurenniveau. Dit overleg, onder voorzitterschap van BZK, zorgt voor coördinatie bij de beleidsvorming rondom desinformatie met de betrokken departementen. Wanneer het gaat om de specifieke beleidsterreinen van de departementen is de beslissingsbevoegdheid belegd bij de politieke leiding van ieder departement. De overkoepelende beleidsvorming valt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van BZK.
Zoals de naam ook aangeeft, gaat het bij de Table Top Excercise om een oefening. Dit is een interdepartementale oefening geweest waarbij een vrije inventarisatie is gemaakt van wat de mogelijkehandelingsopties zouden kunnen zijn i.r.t. de aanpak van desinformatie. Het gaat hier slechts om een concept stuk met geïnventariseerde opties, die niet daadwerkelijk allemaal verder zijn uitgewerkt door het Directeurenoverleg Desinformatie. Ieder departement is zelf verantwoordelijk voor het eventueel ondernemen van acties tegen desinformatie als deze specifiek gaat over een thema binnen de verantwoordelijkheden van dat ministerie. Het Ministerie van VWS heeft m.b.t. covid-19 daarom enkele acties ondernomen om desinformatie over het corona virus te adresseren en uw Kamer hierover ook geïnformeerd.17
Om tot kaders voor de ontwikkeling van beleid te komen, kunnen dergelijke oefeningen behulpzaam zijn. Daar waar het daadwerkelijk omgezet wordt in beleid, wordt dit per Kamerbrief met uw Kamer gedeeld.
Kunt u een toelichting geven op het actiepunt «Desinformatie alliantie opzetten»?10 Bent u van mening dat dit valt onder georganiseerde aanpak? Zo nee, waarom niet?
Dit actiepunt is genoteerd als mogelijke optie om verder uit te werken. Hier is geen verdere betrokkenheid bij geweest van het Directeurenoverleg Desinformatie. Uiteindelijk heeft, in het kader van de Vaccinatiealliantie een team van experts zich wel verenigd in de denktank desinformatie. Hierover zijn recentelijk door het Ministerie van VWS vragen beantwoordt.19
Bent u bekend met de zin «Personen buiten de overheid die het gesprek over/tegen desinformatie online kunnen voeren»?11 Kunt u aangeven op welke wijze deze personen buiten de overheid – direct of indirect – worden of werden aangestuurd?
Die zin is ons bekend. Zie ook het antwoord op vraag 7, deze optie is niet uitgevoerd door het Directeurenoverleg Desinformatie en hier is daarom geen verdere betrokkenheid van het Directeurenoverleg bij geweest.
Kunt u nadere informatie geven over deze «personen buiten de overheid», zoals naam, functie, werkgever, et cetera? Zo nee, waarom niet? Indien uw mogelijke weigering voortkomt uit de bescherming van persoonsgegevens, bent u dan bereid een geanonimiseerd overzicht naar de Kamer te sturen, eventueel vertrouwelijk? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u aangeven of en hoe deze «personen buiten de overheid» worden of werden betaald? Welk budget was hiermee gemoeid vanaf 1 januari 2020 en uit welke begrotingspost werd dit betaald?
Nee. Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u aangeven hoeveel burgers door toedoen van de overheid, direct en indirect, zijn gedebunked sinds 1 januari 2020? Kunt u tevens aangeven op welke wijze dat is gebeurd? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de eerdere beantwoording is aangegeven, kent ieder departement de mogelijkheid om berichten te ontkrachten via de eigen sociale mediakanalen21. Hierbij is ook het voorbeeld aangehaald waarbij het Ministerie van EZK in een sociale media post een bericht in de campagnestijl van de vaccinatiecampagne waarin stond dat het kabinet ondernemers verplichtte om zicht te laten vaccineren heeft ontkracht. Er wordt niet gemonitord wat hiervan het effect is. Omdat ook niet wordt bijgehouden welke burgers deze informatie mogelijk verspreid hebben, kunnen hier geen cijfers van worden gegeven.
Kunt u naar aanleiding van uw eerdere antwoord op vraag acht, nogmaals aangeven of er wel of niet sprake is van structureel beleid om burgers direct of indirect te benaderen over hun berichten op social media, mede in het licht van de inzet van «personen buiten de overheid», het opzetten van een desinformatie alliantie, het Directeurenoverleg Desinformatie, het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie (NKC) kernoverleg, et cetera?12 Bent u het eens met de stelling dat er wel degelijk sprake was van structureel beleid? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals de Staatssecretaris van BZK eerder heeft aangegeven is er sprake van een rijksbrede aanpak desinformatie, waarbij ook de vrijheid van meningsuiting altijd voorop staat. Zoals ook aangegeven in brief over de beleidsinzet bescherming democratie tegen desinformatie, ligt er voor de overheid een rol in het weerspreken van desinformatie bij een dreiging voor de politieke, economische stabiliteit, volksgezondheid of nationale veiligheid.23 Als illustratie is in de eerdere beantwoording u het voorbeeld gegeven waarbij het Ministerie van EZK een bericht heeft ontkracht24. Wij zijn van mening dat het plaatsen van een dergelijk bericht gerechtvaardigd is. Daarnaast is de strategie om desinformatie aan te pakken veel breder dan alleen het ontkrachten van berichten en ziet deze bijvoorbeeld ook toe op het vergroten van mediawijsheid en het creëren van meer transparantie op online platformen.
Kunt u een toelichting geven op het huisbezoek aan de burger in Enschede, door de wijkagent en een tweede persoon in burger? Kunt u daarbij ingaan op het proces van signalering dat tot het huisbezoek leidde, cq. de omgevingsanalyse, tot en met de acties die werden ondernomen, inclusief de aansturing daarbij en de chain of command?
Zoals u weet kan er niet worden ingegaan op individuele casuïstiek. In algemene zin wil de Minister van Justitie en Veiligheid wel aangeven dat het een taak van de politie is om signalen en/of informatie over mogelijke openbare orde verstoringen te verifiëren c.q. te duiden. Het actief contact opnemen door de wijkagent met betrokkene(n) naar aanleiding van dergelijke signalen is daartoe een van de mogelijkheden en behoort tot het normale politiewerk. Dit doet zij onder verantwoordelijkheid van het lokaal bevoegd gezag. Echter is het ingaan op individuele casuïstiek dus niet mogelijk. Zie hiervoor ook de beantwoording van schriftelijke vragen door de heer van Houwelingen (FvD) van 22 augustus jl. over het schorsen van een Twitteraccount.25
Kunt u nadere informatie geven van de tweede persoon in burger (functie, organisatieonderdeel) die naast de wijkagent betrokken was bij het huisbezoek? Wat waren zijn bevoegdheden om deel te nemen aan het huisbezoek?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 13 kan er niet worden ingegaan op individuele casuïstiek. In algemene zin wil de Minister van Justitie en Veiligheid graag aangeven dat, indien burgers vragen hebben over het contact dat diegene met de politie heeft gehad, er altijd mogelijkheden zijn om hierover vragen te stellen bij de politie, dat kan bijvoorbeeld via de wijkagent.
Kunt u zich voorstellen dat dit huisbezoek als intimiderend en belastend werd ervaren? Bent u zich ervan bewust dat het huisbezoek werd uitgevoerd met een goed herkenbare politiebus die zichtbaar was voor de buurt, en dat daardoor het imago van de burger die thuis werd opgezocht is beschadigd? Zo ja, wat vindt u daarvan en kunt u uitleggen waarom dat machtsvertoon nodig was?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 13 kan er niet worden ingegaan op individuele casuïstiek. In algemene zin wil de Minister van Justitie en Veiligheid erop wijzen dat politieagenten vaak in herkenbare politievoertuigen hun werk doen. Een huisbezoek kan om diverse redenen plaatsvinden en hoeft geen negatieve connotatie te hebben.
Bent u ermee bekend dat kort na dit huisbezoek het Twitteraccount van de burger is verwijderd door Twitter? Kunt u bevestigen of ontkennen of dit gebeurde met of zonder enige inmenging door de overheid of gelieerde partners? Graag een gedetailleerd antwoord.
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 13 kan er niet worden ingegaan worden op individuele casuïstiek. In algemene zin wil de Minister van Justitie en Veiligheid graag aangeven dat de politie geen contact opneemt met bedrijven met als doel een account te verwijderen. De politie kan wel contact opnemen met bedrijven om hen erop te wijzen dat er bijvoorbeeld strafbare content op hun website wordt gepubliceerd.
Het bericht 'Advies: stop met de crisisaanpak van asielzoekers, creëer meer buffercapaciteit aan opvangplekken' |
|
Sylvana Simons (BIJ1) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Advies: stop met de crisisaanpak van asielzoekers, creëer meer buffercapaciteit aan opvangplekken»1, «Kabinet pakt vastgelopen asielopvang aan als nationale crisis»2, «Nog geen akkoord veiligheidsregio’s en kabinet over asielopvang»3, «Inspecties: rechten van jonge vluchtelingen geschonden»4 en «Kabinet en veiligheidsregio’s steggelen nog over asielopvang»?5
Ja.
Deelt u met de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) en de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) de mening dat migratie één van de fundamenten van onze samenleving vormt, en dat dit geldt voor zowel gereguleerde vormen, zoals arbeids- en studiemigratie, als voor niet-gereguleerde vormen zoals asielmigratie? Zo nee, waarom niet?
Migratie is van alle tijden en heeft een grote invloed gehad op de Nederlandse geschiedenis en samenleving. Uitgangspunt voor dit kabinet is dat migratie, in welke vorm dan ook, van grote invloed zal blijven, in het bijzonder op de demografische ontwikkeling van Nederland. Hieruit volgt de ambitie dat migratie moet aansluiten op de draagkracht en behoefte van de Nederlandse samenleving. Deze ambitie staat niet op zichzelf, maar is van belang om het draagvlak voor de komst en het verblijf van migranten te behouden en versterken. Wanneer migratie de samenleving overvraagt, kalft het draagvlak immers af. Om die reden wil het kabinet meer grip krijgen op migratie. Een uitgebreide toelichting op de kabinetsinzet kan gelezen worden in de Staat van Migratie 2022.6
Gezien het feit dat migratie niet weg te denken is uit onze samenleving en dat de internationale geopolitiek, klimaatverandering en imperialisme er blijvend voor zorgen dat mensen gedwongen op de vlucht slaan, kunt u uitleggen waarom asielopvang in Nederland tot op de dag van vandaag gestoeld is op ad-hoc beleid waarbij het «chronische gebrek aan anticipatie en een krampachtig vasthouden aan [niet werkende] financieringssystematiek en bestuurlijke inrichting ervoor zorgen dat de kwaliteit van de opvang geregeld door de humanitaire ondergrens zakt»?6 Bent u voornemens deze problematiek aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse asielopvang is in de eerste plaats gestoeld op beginselen volgend uit wet- en regelgeving op het terrein van asielbescherming. Dat laat onverlet dat het kabinet erkent dat de huidige situatie van onvoldoende beschikbaarheid van asielopvang en de focus op de kortetermijnmaatregelen ten koste gaat van de kwaliteit van de opvang en een negatieve invloed heeft op het draagvlak voor het asielbeleid en de uitvoering daarvan. Dat het anders moet, is evident en daarom werkt het kabinet aan de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap. Stabiel door structureel voldoende reguliere opvanglocaties beschikbaar te hebben om gemiddelde schommelingen in het aantal asielzoekers aan te kunnen en flexibel door standaard reservecapaciteit voorhanden te hebben of snel beschikbaar te kunnen maken. Daarnaast is het van belang om instroom beheersbaar te laten zijn en tegelijkertijd uitstroom van vergunninghouders uit de opvang te bevorderen. Tot slot moet het mogelijk zijn om in tijden van lagere bezetting de opvangvoorzieningen ook in te zetten voor huisvesting van andere aandachtsgroepen die met spoed een tijdelijk onderkomen zoeken. Leidraad voor de realisatie van deze uitgangspunten is de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen.8
Deelt u de mening dat de asielopvang in Nederland niet moet worden beschouwd als een incidentele crisis die om de paar jaar moet worden opgelost, maar dat het opvangen van asielzoekers als een maatschappelijke verantwoordelijkheid gezien moet worden die duurzaam en humaan beleid vereist? Zo nee, waarom niet?
De opvang en begeleiding van asielzoekers is een maatschappelijke, maar evenzeer een juridische verantwoordelijkheid. Nederland heeft zich via internationale en Europese wet- en regelgeving verbonden aan het opvangen en begeleiden van asielzoekers. De Europese Opvangrichtlijn verdient bijzondere vermelding in dit verband.9 De normen uit deze richtlijn zijn een minimum voor Nederland om zich aan te houden. Daarmee wordt beoogd de menselijke waardigheid ten volle te eerbiedigen. Omdat deze normen hun beslag hebben gekregen in het Nederlandse asielbeleid, kan het vigerende beleid met recht humaan worden genoemd.10 Dat betekent uiteraard niet dat het beleid niet vatbaar is voor structurele verbetering. De inzet van het kabinet om een stabiel en flexibel opvanglandschap te realiseren, getuigt hiervan (zie onder 3). Daarbij wil ik opmerken dat uit de activering van de crisisstructuur niet kan worden afgeleid dat de asielopvang wordt beschouwd als «een incidentele crisis die om de paar jaar moet worden opgelost». Wel is het een gegeven dat door de jaren heen grote schommelingen in de asielinstroom en -opvang hebben plaatsgevonden. Het is nu zaak om het asielsysteem daar nog beter op toe te rusten.
Hoe beoordeelt u het asielbeleid, in het kader van mensenrechtenbescherming, nu asielzoekers in Ter Apel bijvoorbeeld al nachtenlang noodgedwongen op een stoel moeten slapen en duizenden kinderen en jongeren in asielzoekerscentra (AZC’s) gebrekkige zorg en onderwijs krijgen?
Internationale en Europese wet- en regelgeving, onder meer op het terrein van mensenrechtenbescherming, geven in belangrijke mate invulling aan het Nederlandse asielbeleid. Nederland biedt in beginsel opvang met een toereikend en zelfs hoger kwaliteitsniveau ten opzichte van de minimumnormen die volgen uit de Europese Opvangrichtlijn. De gebruikelijke kwaliteit staat echter onder grote druk door het tekort aan reguliere opvangplekken. Dit wordt vooral zichtbaar aan het begin van het asielproces in Ter Apel. Het komt helaas voor dat nieuw binnenkomende asielzoekers de nacht doorbrengen op stoelen, in tenten of in de buitenlucht. Omdat dit voor inhumane en onveilige situaties zorgt, wordt binnen de crisisstructuur alles op alles gezet om de acute tekorten in de asielopvang op te lossen en de enorme druk op Ter Apel te verlichten. Omdat de situatie in Ter Apel niet stabiel is, valt niet uit te sluiten dat de onwenselijke omstandigheden aanhouden.
Hoewel de situatie nergens zo acuut is als in Ter Apel, geldt ook voor (crisis)noodopvanglocaties dat sprake is van een afwijkend kwaliteitsniveau ten opzichte van de opvang die normaliter wordt geboden. Deze locaties hebben een afdoende, doch lager kwaliteitsniveau11 en zijn daardoor minder geschikt voor langdurig verblijf, zeker waar het kwetsbare asielzoekers betreft. Specifiek ten aanzien van kinderen is het van het grootste belang dat zij zo kort mogelijk op dergelijke locaties verblijven. De realiteit is dat een passende opvangplek op een reguliere locatie in de huidige situatie niet snel genoeg beschikbaar is. In de tussentijd wordt door betrokken partijen met de grootst mogelijke inzet geprobeerd om de noodopvanglocaties zo kindvriendelijk mogelijk te maken. Het is staand beleid om kwetsbare asielzoekers, waaronder kinderen, niet op te vangen in de crisisnoodopvang. Wanneer dit onverhoopt wel gebeurt, wordt gewerkt om hen zo snel mogelijk elders op te vangen. Zoals toegezegd tijdens het commissiedebat op 6 juli 2022 geef ik uw Kamer na het zomerreces een actuele stand van zaken omtrent de situatie van kinderen in de (crisis)noodopvang.
Gezien het feit dat de structurele financiering voor het opvangen van asielzoekers in de gemeenten met ruimte voor buffers minder kostbaar is dan de kosten voor het ad-hoc op- en afschalen van opvanglocaties, kunt u uitleggen waarom u blijft vasthouden aan de tweede benadering?
Ik herken mij niet in het beeld uit de vraagstelling onder 6. In het coalitieakkoord is immers opgenomen dat de financiering van de organisaties in de asielketen stabieler en daarmee toekomstbestendiger moet worden. Daartoe zijn structureel middelen toegekend aan de organisaties in de asielketen ter hoogte van 200 miljoen euro. Voor het COA betekent dit dat het budget voor de komende vijf jaren op EUR 1,1 miljard ligt. Naast de middelen uit het coalitieakkoord zijn bovendien aanvullende middelen toegekend op basis van de zogeheten Meerjaren Productie Prognose (MPP). Vanwege deze constructie kan de financiering onder druk komen te staan in het geval de eindbezetting van het COA hoger uitvalt dan verwacht in de MPP. Om dat te ondervangen, wordt beoogd de aanvullende middelen meerjarig in de begroting te verwerken. Hierdoor ontstaat meer stabiliteit in de financiering, zeker ten opzichte van eerdere jaren waarbij de middelen veelal voor een kortere periode werden toegekend.
Stabiliteit in financiering is vooral van belang wanneer de aantallen asielzoekers met recht op opvang teruglopen. Dit voorkomt namelijk dat direct moet worden afgeschaald in personeel of capaciteit, waardoor schommelingen beter kunnen worden opgevangen. Om die reden zijn sinds 2021 middelen beschikbaar om reservecapaciteit aan te houden. Op de langere termijn gaat het om ongeveer 2.000 opvangplekken.12 Bij een teruglopende bezetting kan de vrijgekomen capaciteit, uitgaande van het asielsysteem zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen, worden benut voor tijdelijke bewoning door andere groepen woningzoekenden. De inzet is om de Uitvoeringsagenda versneld tot uitvoering te brengen (zie onder 12).
Bent u voornemens het advies van het ROB en de ACVZ op te volgen en de financieringssystematiek in te richten op het noodzakelijke aantal beschikbare bedden, inclusief buffers voor de lange termijn, zodat humane opvangplekken voor asielzoekers worden gewaarborgd? Zo ja, welke vervolgstappen gaat u zetten om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom bent u niet bereid het advies van de ROB en de ACVZ op te volgen? Hoe verhoudt een dergelijke onwelwillendheid zich tot het feit dat u de vastgelopen opvang nu als landelijke crisis beschouwt?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven wat de status is van de plannen van u en van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening om uiterlijk begin volgend jaar een wet in te voeren die gemeenten zal verplichten niet alleen statushouders, maar ook asielzoekers op te nemen?
De verkenning naar een juridisch instrumentarium voor asielopvang is afgerond. Op basis van de uitkomsten heeft het kabinet geconcludeerd dat het nodig is om een wettelijke taak te beleggen bij gemeenten om opvangvoorzieningen mogelijk te maken. De verkende varianten voor een dergelijke taak worden nauwgezet beschreven in de brief aan uw Kamer van 8 juli 2022,13 maar op hoofdlijnen gaat het om (1) het beleggen van een wettelijke taak bij iedere gemeente, zodat de asielopvang evenredig wordt verdeeld of (2) het beleggen van de taak bij enkele gemeenten op basis van een jaarlijks verdeelbesluit, te nemen door (2a) gedeputeerde staten ofwel (2b) door het Rijk.
Nadere uitwerking vindt deze zomer plaats in nauw overleg met de medeoverheden. Uw Kamer wordt daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.
Bent u voornemens structureel voldoende financiering beschikbaar te stellen aan gemeenten om asielzoekers op te vangen en te begeleiden, om woningen geschikt te maken voor de doorstroom en huisvesting van statushouders en zowel de sociale samenhang in gemeenten als de kans van slagen van gemeentelijke opvangverplichtingen te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Gemeenten ontvangen voor de vestiging van een opvanglocatie een uitkering op grond van het Faciliteitenbesluit opvangcentra 1994. De uitkering dient ter compensatie van middelen die gemeenten normaliter uit het Gemeentefonds ontvangen, ware het niet dat asielzoekers nog niet hoeven te worden ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Het is mogelijk dat de uitvoering van de nieuwe wettelijke taak gepaard gaat met extra kosten. In het kader van de eerder genoemde uitwerking (zie onder 8) wordt daarom gekeken naar financiële gevolgen in lijn met de vereisten van artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet en artikel 108 Gemeentewet. Uitgangspunt is een reële compensatie, waarbij geldt dat de daadwerkelijke hoogte en omvang vragen om een politiek-bestuurlijke afweging.
Op het gebied van huisvesting zet het kabinet in op de realisatie van meer woningen voor alle woningzoekenden, waaronder vergunninghouders. Het programma Woningbouw, dat op 11 maart 2022 aan uw Kamer is gestuurd,14 beschrijft de aanpak om de woningbouw te versnellen. Gemeenten kunnen aanspraak maken op de regeling Woningbouwimpuls voor de bouw van betaalbare woningen. Per augustus 2022 wordt de vierde tranche hiervan opengesteld. Daarnaast is op 18 juli 2022 een nieuwe regeling aandachtsgroepen gepubliceerd voor gemeenten. Het doel is om meer betaalbare woningen voor alle aandachtsgroepen te realiseren, inclusief vergunninghouders. Dit is onderdeel van het programma Een thuis voor iedereen, waarover uw Kamer op 11 mei 2022 is geïnformeerd.15 Tot slot is voor de zomer de taskforce versnelling tijdelijke huisvesting van start gegaan. De taskforce ondersteunt gemeenten bij het realiseren van flexwoningen en het transformeren van gebouwen. In lijn met het programma Een thuis voor iedereen en het Woningbouwprogramma wordt EUR 100 miljoen vanuit de middelen voor de Woningbouwimpuls versneld ingezet voor de transformatie van bestaande gebouwen en de bouw van nieuwe flexwoningen voor onder meer vergunninghouders.
Gezien het feit dat gemeenten een gebrek aan beleidsruimte ervaren, wat het effectief monitoren en coördineren van opvangplekken moeilijk maakt, bent u bereid gemeenten meer ruimte te geven de opvang en huisvesting van asielzoekers naar eigen inzicht te organiseren? Bent u bereid meer ruimte te bieden voor een gedecentraliseerde aanpak waarin gemeenten zelf het soort maatwerk kunnen bepalen dat nodig is om hun gemeentelijke opvangverplichtingen te volbrengen? Zo nee, waarom niet?
Het staat buiten kijf dat de opvang en begeleiding van asielzoekers in de bestuurlijke praktijk een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle Nederlandse overheden is. Strikt juridisch bezien, geldt echter dat de verplichtingen die voortvloeien uit internationale en Europese wet- en regelgeving op het niveau van de staat zijn belegd. Het is derhalve aan het Rijk om de nationale rechtsorde zodanig in te richten dat dergelijke verplichtingen kunnen worden nageleefd, daarbij ook rekening houdend met een zekere mate van uniformiteit. Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen om de uitvoering van de asielopvang op Rijksniveau te organiseren en daartoe een aparte organisatie op te richten met de wettelijke taak voor de opvang en begeleiding van asielzoekers.16 Van in de vraagstelling genoemde »gemeentelijke opvangverplichtingen« is geen sprake.
Twee nuanceringen zijn op zijn plaats. Allereerst is er een verschil tussen het opvangen van asielzoekers en het beschikbaar stellen van locaties. In de beleidsreactie op het advies van het ROB en de ACVZ wordt de stellingname onderbouwd dat het Rijk verantwoordelijk moet blijven voor asielopvang. Dat laat onverlet dat het kabinet wél een noodzaak ziet voor een wettelijke taak van gemeenten om opvangvoorzieningen mogelijk te maken (zie onder 8). Daarnaast merk ik op dat gemeenten op dit moment al ruimte hebben om mee te denken over de invulling van de asielopvang en daaraan een bijdrage te leveren. Omdat het kabinet de meerwaarde van dergelijke lokale accenten van harte onderschrijft, biedt de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen nog meer ruimte daartoe. Zo kunnen gemeenten met het COA bepalen hoe specifieke regionale opvanglocaties worden ingericht. Deze gezamenlijke afspraken kunnen gaan over het eigendom en beheer van de locatie, alsmede het aanbod van diensten en activiteiten.
Kunt uitleggen waarom het wel mogelijk is in korte tijd een grote hoeveelheid opvanglocaties voor Oekraïense ontheemden beschikbaar te stellen terwijl vluchtelingen uit andere landen alleen maar in aanmerking komen voor kortdurende noodopvang? Bent u van mening dat Oekraïense vluchtelingen meer recht hebben op humane opvanglocaties dan vluchtelingen van buiten Europa? Zo nee, hoe verklaart u het grote contrast tussen de geboden hulp aan Oekraïense vluchtelingen en vluchtelingen die elders vandaan komen?
Iedereen die in Nederland bescherming zoekt tegen oorlog en geweld heeft evenveel recht op opvang. In februari 2022 zag Nederland zich geconfronteerd met buitengewone omstandigheden als gevolg van de plotselinge hoge instroom van ontheemden uit Oekraïne. Vanaf het begin is de inzet van betrokken partijen geweest om in samenhang te zoeken naar opvangplekken voor ontheemden uit Oekraïne en asielzoekers die elders vandaan komen, juist om verschillen in de wijze waarop zij behandeld worden te voorkomen. Wel constateer ik dat een ander juridisch kader van toepassing is op ontheemden uit Oekraïne. Zij vallen namelijk onder de reikwijdte van de Europese richtlijn tijdelijke bescherming die op 4 maart 2022 via een Raadsbesluit is geactiveerd.17 Verder was het nodig om, door middel van het staatsnoodrecht, burgemeesters een formele taak te geven ten aanzien van het opvangen van personen die anders niet opgevangen hadden kunnen worden door het COA. Deze regels zijn onder grote druk tot stand gekomen, met het reële risico op onvoorziene effecten. Dit neemt niet weg dat het kabinet nog altijd een gelijkwaardige opvang voor beide doelgroepen voorstaat. Het streven is om materiele en procedurele verschillen in de opvang en geboden verstrekkingen zoveel mogelijk te voorkomen.
Hoe beoordeelt u het idee om van alle permanente satelliet- en regionale opvanglocaties een deel van de capaciteit vrij te houden voor het opvangen van asielzoekers om leegstand te voorkomen, en een ander deel open te stellen voor bewoning door andere doelgroepen, bijvoorbeeld spoedzoekers, zoals mensen die net gescheiden zijn of tijdelijke arbeidsmigranten? Kunt u een uitgebreide reactie hierop geven?
Het geopperde idee sluit naadloos aan bij het toekomstbeeld van het asielsysteem zoals beschreven in de Uitvoeringsagenda Flexibilisering Asielketen. Belangrijk onderdeel daarvan is dat satellietlocaties en regionale opvanglocaties kunnen worden ingericht als zogeheten flexibele opvangvormen. Dit zijn vormen waar naast asielzoekers en vergunninghouders, gelijktijdig of volgtijdelijk, ook andere groepen woningzoekenden tijdelijk kunnen worden ondergebracht. Voor de asielopvang is het voordeel dat bij schommelingen sneller kan worden op- en afgeschaald, zonder dat locaties moeten worden geworven of gesloten. Het voordeel voor de betrokken gemeente(n) is dat deze opvangvormen tijdelijk woonruimte kunnen bieden voor andere groepen die met spoed een woning zoeken. Het mengen van groepen bewoners heeft bovendien een positief effect op inburgering alsook het lokaal draagvlak voor asielopvang.
De Uitvoeringsagenda wordt met medeoverheden op onderdelen geactualiseerd c.q. verrijkt en versneld tot uitvoering gebracht. Daarbij wordt onder andere de (door)ontwikkeling van flexibele opvangvormen betrokken. In de huidige vorm van de Uitvoeringsagenda is de toepassing van flexibele opvangvormen beperkt tot de situatie dat opvangcapaciteit van het COA wordt benut voor tijdelijke woonruimte in geval van leegstand. Een nieuwe ontwikkeling is dat binnen de crisisstructuur wordt gewerkt aan de realisatie van zogeheten tussenvoorzieningen door gemeenten. Gegeven de huidige situatie zijn die in eerste instantie bedoeld voor een snellere uitplaatsing van vergunninghouders. Het is echter niet ondenkbaar dat tussenvoorzieningen op termijn ook kunnen worden ingezet voor opvang van asielzoekers. Eenmaal verkend, zullen de mogelijkheden hiertoe een plek krijgen in de geactualiseerde Uitvoeringsagenda.
Waarom zoekt u niet proactief naar noodlocaties (zoals in Heumensoord), waar in crisissituaties snel noodopvang kan worden gerealiseerd, om te voorkomen dat dergelijke locaties moeten worden gezocht wanneer daar eigenlijk geen tijd meer voor is? Bent u bereid gemeenten te verplichten proactief locaties aan te wijzen, en deze qua bezit, vereisten op het gebied van ruimtelijke ordening, vergunningen en nutsvoorzieningen gebruiksklaar te maken zodat daar snel een noodopvanglocatie kan worden ingericht? Bent u bereid gemeenten te ondersteunen met de benodigde geldmiddelen en menskracht bij het realiseren daarvan? Zo nee, waarom niet?
Het COA zet zich voortdurend in om te zorgen dat de capaciteit in haar vastgoedportefeuille aansluit op de verwachte capaciteitsbehoefte. De beschikbare capaciteit kan echter veranderen als lopende bestuursovereenkomsten met reguliere en tijdelijke (nood)opvanglocaties niet worden verlengd of vervangen. Ook de verwachte capaciteitsbehoefte is aan verandering onderhevig. De capaciteitsbehoefte is gebaseerd op de doorvertaling van de MPP. Inherent aan een prognosemodel als de MPP en dus de capaciteitsbehoefte is dat deze is omgeven met vele aannames, risico’s en onzekerheden, De uitkomsten bieden geen garantie voor daadwerkelijke realisatie. Deze omstandigheden maken dat de beschikbaarheid van voldoende opvangplekken bewerkelijk is, zoals het huidige capaciteitstekort illustreert,
Nu de vastgelopen asielopvang wordt aangepakt als nationale crisis, welke stappen en plannen kunnen we van het crisisorganisatieteam verwachten?
Vooropgesteld moet worden dat het doel van de crisisstructuur is om de doorstroom in de migratieketen te verbeteren. Alle inzet is erop gericht om snelle resultaten te boeken, maar tegelijkertijd is een structurele oplossing niet van de ene op de andere dag gevonden. Daarom hanteert het kabinet een stapsgewijze aanpak bestaande uit plannen voor de korte, middellange en lange termijn om voldoende opvang- en huisvestingscapaciteit te realiseren. Stip op de horizon is in ieder geval de realisatie van een stabiel en flexibel opvanglandschap (zie onder 3). De gezamenlijke inzet en verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen zal bepalen in hoeverre we hierin slagen. Voor de precieze inhoud van de plannen verwijs ik naar de brief die uw Kamer op 24 juni 2022 heeft ontvangen.18 In de Kamerbrief van 28 juli 2022 wordt de actuele stand van zaken gegeven.19 Tot slot wil ik benoemen dat de ontwikkelingen op het gebied van de crisisbesluitvorming elkaar razendsnel opvolgen. Dat heeft tot gevolg dat het beeld zeer snel verandert en het kabinet zich daar continu op moet aanpassen. Ik span mij, samen met mijn collega’s, in om uw Kamer tijdig en accuraat te informeren.
Kunt u uitleggen waarom het crisisorganisatieteam is ondergebracht bij de NCTV? Overwegende dat de NCTV een uitgebreide geschiedenis kent van onwettelijk en onrechtmatig handelen en etnisch profileren, wat maakt de NCTV volgens u gekwalificeerd om de rechten, belangen en noden van asielzoekers te garanderen, waarborgen en beschermen?
Het in de vraag geschetste beeld wordt niet herkend. De afgelopen periode is de situatie in de migratieketen onder kritieke druk komen te staan. Vanwege de almaar verslechterende situatie was volgens het kabinet de inzet noodzakelijk van een optimaal flexibele en wendbare crisisorganisatie van de rijksoverheid die in alle situaties bestuurlijk en operationeel snel en slagvaardig kan handelen. Hiertoe is op 17 juni 2022 de structuur voor nationale crisisbesluitvorming geactiveerd. De Minister van Justitie en Veiligheid is de coördinerend Minister op het gebied van crisisbeheersing. Het is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid die steevast invulling aan deze coördinerende verantwoordelijkheid geeft, zo ook in deze crisisstructuur die specifiek is gericht op het verbeteren van de doorstroom in de migratieketen. De structuur bestaat uit het Interdepartementaal Afstemmingsoverleg (IAO), de Interdepartementale Commissie Crisis Beheersing (ICCb) en de Ministeriele Commissie Crisisbeheersing (MCCb). Ook is het Nationaal Kernteam Communicatie (NKC) actief. Binnen de crisisstructuur wordt nauw samengewerkt met veiligheidsregio’s, gemeenten, IND, COA en andere partners.
Gezien het tekort aan personeel één van de knelpunten is waardoor een structurele oplossing voor het opvangen van asielzoekers niet kan worden gerealiseerd, hoe bent u van plan het gebrek aan personeel aan te pakken?
Het COA werkt hard aan de werving van nieuw personeel. Dit is niet alleen van belang in het kader van de opvang van asielzoekers, maar ook om de hoge werkdruk op de huidige medewerkers te verminderen. Ondanks de krappe arbeidsmarkt is het COA erin geslaagd om in de afgelopen periode 1.400 mensen aan te nemen. In de komende periode moeten nog 1.000 mensen worden geworven. Om die opgave te realiseren, zet het COA verschillende instrumenten in. Zo kan gedacht worden aan aangepaste wervingscampagnes. Waar het COA voorheen gewend was om lokaal te werven rond een specifieke locatie wordt nu gewerkt aan brede wervingscampagnes. Andere voorbeelden zijn referral recruitment, waarmee wordt geworven via (huidige en oude) medewerkers en andere relaties, en actief gebruik van sociale media.
Bepaalde vacatures zijn bijzonder lastig in te vullen, bijvoorbeeld op het gebied van ICT en alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Door een gerichte strategie voor het aantrekken van personeel wordt, stapsgewijs en met een passend actieplan, gezocht naar de meest geschikte medewerkers. In dat kader is niet uitgesloten dat het COA bepaalde functievereisten versoepelt. Dat betekent overigens niet dat de kwaliteit van de personele capaciteit uit het oog wordt verloren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het commissiedebat over Vreemdelingen- en Asielbeleid op 30 juni 2022?
Om recht te doen aan de omvang en gedetailleerde aard van de vragen was het niet mogelijk om de beantwoording binnen de gevraagde termijn gereed te hebben.
De verschillen in handhaving bij boerenprotesten en klimaatdemonstraties. |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Erkent u dat bij de demonstraties van boeren en klimaatactivisten op 22 juni jl. verschillen waren in de manier waarop de politie ingreep?1, 2
Ja. Daarbij merk ik wel op dat ook de omstandigheden waarin deze twee demonstraties hebben plaatsgevonden niet dezelfde zijn.
Erkent u dat dit niet de eerste keer is dat verschillend wordt gehandhaafd bij boeren- en klimaatdemonstraties?3, 4
Mijn ambtsvoorganger heeft naar aanleiding van de eerdere boerenprotesten met uw Kamer van gedachten gewisseld over de handhaving van de rechtsorde tijdens acties door boeren- en klimaatdemonstranten en daarover op 5 november 2019 een brief gestuurd5. Recenter heeft mijn ambtsvoorganger geantwoord op vergelijkbare Kamervragen.6 Aangegeven is steeds dat de verschillende situaties zich slecht laten vergelijken en dat het lokaal gezag afwegingen maakt op basis van de lokale situatie. Dat was ook op 22 juni jl. het geval.
Erkent u dat het feit dat de politie niet tegen trekkers op de snelweg is opgewassen ervoor zorgt dat een boerendemonstrant een aanzienlijk kleiner risico loopt belemmerd te worden in zijn demonstratierecht dan een klimaatdemonstrant zonder een trekker als machtsmiddel?
Allereerst merk ik op dat het recht om te demonstreren in Nederland een groot goed is. De uitoefening daarvan kan enkel worden beperkt ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Daarin is geen verschil tussen boerendemonstranten en klimaatdemonstranten.
Het demonstratierecht biedt evenwel geen vrijbrief voor het plegen van strafbare feiten. Daarbij geldt dat de wet voor iedereen geldt. De wijze waarop wordt gehandhaafd is afhankelijk van de omstandigheden en wordt afgestemd met het bevoegd gezag. De wijze waarop de politie tijdens demonstraties optreedt, wordt bepaald binnen de lokale driehoek.
Rondom de recente boerenprotesten heeft ter ondersteuning van het bevoegd gezag bestuurlijke afstemming plaatsgevonden met vertegenwoordigers lokaal bestuur, OM en politie. Daarbij zijn enkele uitgangspunten als advies voor de lokale driehoeken gedeeld met burgemeesters, onder meer dat de overheid zichtbaar en merkbaar optreedt tegen blokkades en andere buitenwettelijke acties. Waar directe handhaving niet mogelijk is wordt ingezet op opsporing en vervolging na de acties.
In het geval van het gebruik van landbouwvoertuigen was het met het oog op de veiligheid van medeweggebruikers en politiemedewerkers niet altijd goed mogelijk om ter plaatse handhavend in te grijpen. Dat is in sommige gevallen wel gebeurd bij excessen, zoals blokkades van de snelweg. Daarnaast is en wordt achteraf geverbaliseerd op basis van kentekengegevens en beeldmateriaal.
Omdat opgelegde boetes bij de politie niet op doelgroepen worden geregistreerd, is het niet mogelijk om precies na te gaan hoeveel tractorbestuurders een boete hebben ontvangen. Sinds 22 juni 2022 zijn in totaal in ieder geval 700 extra verkeersboetes uitgeschreven voor overtredingen die zijn te relateren aan de boerenprotesten. Het daadwerkelijke aantal ligt mogelijk hoger. Daarnaast zijn de afgelopen periode ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met de boerenprotesten.
Vindt u dat een wenselijke situatie?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat het lokale gezag verantwoordelijk is voor het handhaven van de wet, de openbare orde en de veiligheid bij een demonstratie, maar dat het aan u is rechtsongelijkheid bij de handhaving van demonstraties te voorkomen? Zo ja, hoe gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Het is inderdaad niet aan mij als Minister om in de verantwoordelijkheid van het lokaal gezag te treden. Zoals aangegeven meen ik dat in dezen geen sprake is van rechtsongelijkheid. De wet geldt voor iedereen. Ook bij de demonstraties door boeren is handhavend ingegrepen.
Het bericht ‘Tbs-kliniek Nijmegen: ontsnapping ging te snel om in te grijpen’ |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tbs-kliniek Nijmegen: ontsnapping ging te snel om in te grijpen»?1
Ja, ik heb hiervan kennis genomen.
Wat is uw reactie op de gebeurtenissen in de Pompekliniek waarbij twee tbs’ers zijn ontsnapt en nog steeds voortvluchtig zijn?
Ontvluchtingen zijn niet acceptabel. Het is zorgelijk dat twee tbs-gestelden uit één van onze hoogst beveiligde klinieken zijn ontsnapt. Deze ontvluchting klemt des te meer nu er eerder in 2017 en in 2019 ontvluchtingen uit de Pompekliniek hebben plaatsgevonden.
Ik vind het belangrijk dat heel nauwkeurig wordt gekeken hoe de ontvluchting heeft kunnen gebeuren. Dat doet de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie betrekt daarbij de eerdere ontvluchtingen en de naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen (waaronder de bouw van een tweede hek). Aan de hand van het inspectieonderzoek beslis ik of er verdergaande maatregelen nodig zijn.
Ik wacht het onderzoek echter niet af. Om eenzelfde soort ontsnapping te voorkomen zijn er aanvullende maatregelen getroffen in de kliniek, zoals extra hekken, extra prikkeldraad en extra cameratoezicht. DJI toetst deze zomer of de aanvullende maatregelen die de kliniek treft, volstaan.
Donderdag 30 juni heeft de politie één van de twee tbs-gestelden aangehouden. Politie en OM doen er ondertussen alles aan om de andere tbs-gestelde ook op te pakken.
Wat vindt u ervan dat de bewaking van de Pompekliniek direct in de gaten had dat er dinsdagavond twee tbs’ers een ontsnappingspoging ondernamen, maar dat zij te laat waren om in te grijpen? Heeft dit te maken met een capaciteitstekort?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat de veiligheidsmaatregelen ernstig tekort zijn geschoten nu het tweede hek na drie jaar nog niet af is en dat dit mogelijk tot de derde geslaagde ontsnappingspoging in vijf jaar heeft geleid?
Zie antwoord vraag 2.
Worden naar aanleiding van deze ontsnapping nieuwe veiligheidsmaatregelen gesteld aan de Pompekliniek?
Zie antwoord vraag 2.
Gaat u meer bestuurlijke druk op de kliniek zetten nu de Pompekliniek eerder het advies van het ministerie over een hek van vijf meter om de kliniek heen, in de wind heeft geslagen?
DJI heeft samen met de kliniek na de eerdere ontsnapping in 2017 en daarna in 2019 vastgesteld welke aanvullende materiële veiligheidsmaatregelen de Pompekliniek diende te nemen. Eén daarvan was een extra hekwerk. Daarom is in 2020 gestart met de bouw van een nieuw penitentiair hekwerk om het gehele terrein van de kliniek. Dit wordt eind van dit jaar afgerond.
Bent u van mening dat het ijzeren hek, dat volgens de directie slechts zorgt voor tijdwinst bij een ontsnapping, klaarblijkelijk niet voldoende functioneert om tbs’ers binnen de kliniek te houden en welke maatregelen gaat u nemen om ontsnappingspogingen onmogelijk te maken?
Op dit moment is duidelijk dat dit hekwerk niet bestand was tegen de middelen die bij deze ontvluchting zijn gebruikt. Een hekwerk is echter niet de enige maatregel die ontvluchtingen moet voorkomen. Het is onderdeel van een geheel aan maatregelen dat in gezamenlijkheid bij moet dragen aan het voorkomen van ontvluchtingen (en bijvoorbeeld ook de invoer van contrabande). Het gaat bijvoorbeeld niet alleen om materiële beveiligingsmaatregelen, maar ook om de alertheid van het personeel en de manier waarop het personeel handelt naar aanleiding van signalen. Wanneer er toch een ontvluchting heeft plaatsgevonden, kijken we dus altijd naar het geheel aan beveiligingsmaatregelen.
Op basis van de uitkomsten van het inspectie-onderzoek zal ik bezien of en zo ja, welke aanvullende beveiligingsmaatregelen nodig zijn. Een aantal maatregelen zijn al getroffen, zoals de genoemde extra hekken, extra prikkeldraad en extra cameratoezicht.
Bent u van mening dat ontsnappingen uit tbs-klinieken zorgen voor een groot gevaar voor de veiligheid en bent u bereid de veiligheidsmaatregelen van alle tbs-klinieken in Nederland door te lichten om ontsnappingen in de toekomst te voorkomen?
Tbs-gestelden verblijven in een hoog beveiligde kliniek vanwege hun hoge recidiverisico. Ontvluchtingen leveren dus een risico op voor de veiligheid van de samenleving. Hoe groot het risico op recidive is, zal van geval tot geval verschillen.
De Pompekliniek is één van de zeven Forensisch Psychiatrische Centra (FPC’s) op het hoogste beveiligingsniveau. Naar aanleiding van de eerdere ontvluchtingen uit de Pompekliniek zijn alle FPC’s doorgelicht om te kijken of ze voldoende aan de geldende veiligheidseisen.
Nog dit jaar bespreekt DJI met de FPC’s welke afspraken gemaakt moeten worden wanneer hier mogelijk niet aan voldaan is. Dat vergt per FPC maatwerk vanwege de specifieke kenmerken van de gebouwen en de omgeving.
Het bericht ‘Prijsexplosie GHB vanwege oorlog in Oekraïne, verslaafden stoppen met de drug’ |
|
Songül Mutluer (PvdA), Mirjam Bikker (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Prijsexplosie GHB vanwege oorlog in Oekraïne, verslaafden stoppen met de drug»?1
Ja.
Herkent u de kansen en risico’s die verslavingsdeskundigen zien als gevolg van de plotselinge prijsstijging, waardoor gebruikers plotseling moeten stoppen? Hoe beoordeelt u deze kansen en risico’s?
Er is geen eenduidige informatie of er sprake is van een prijsstijging van GHB. Indien sprake is van een prijsstijging is het mogelijk dat sommige verslaafde gebruikers kunnen overstappen naar andere meer betaalbare middelen (zoals alcohol, XTC/MDMA en amfetamine) die een gelijke werking hebben om hun onthoudingsklachten te onderdrukken. Dit laatste is uiteraard onwenselijk. Het zou beter zijn als gebruikers overgaan tot behandeling van hun verslaving.
Deelt u de opvatting dat het van belang is om laagdrempelige en toegankelijke hulpverlening te bieden en bekendheid te geven aan het aanbod om mensen te helpen op een verantwoorde wijze van hun verslaving af te komen? En dat deze situatie nog meer aanleiding geeft om de inzet hierop te versnellen?
Ik deel deze opvatting. Laagdrempelige toegang tot goede verslavingszorg is van groot belang en hierin is samen met partijen in het veld in geïnvesteerd. Het Trimbos instituut heeft in samenwerking met partners, een gemeentelijke casus-gerichte GHB-aanpak ontwikkeld. In deze aanpak gaat het over het centraal stellen van de cliënt en het verstevigen van de samenwerking tussen verslavingszorg, gemeente, politie en andere netwerkpartners. Een aantal gemeenten in Nederland voert deze aanpak momenteel uit met behulp van een ontwikkelde handreiking voor gemeenten die ondersteunt bij het opzetten van deze aanpak. Deze handreiking wordt regelmatig bijgewerkt. Daarnaast organiseert het Trimbos-instituut intervisiebijeenkomsten voor de gemeentelijke projectleiders die met de aanpak werken en is er eind 2021 een webinar georganiseerd voor het algemene publiek. Gemeenten die kampen met GHB-problematiek kunnen door het Trimbos-instituut een onderzoek laten uitvoeren naar de aard en omvang van de problematiek in de gemeente (een Scanner), wat kan leiden tot gerichte aanbevelingen voor de gemeente in de aanpak van GHB-problematiek.
Tevens heeft het Nijmegen Insitute for Scientist-Practitioners in Addiction (Nispa) in 2020 in samenwerking met instellingen voor verslavingszorg, het Bongers Instituut en het Trimbos-instituut een handreiking uitgebracht over hoe behandeling van de groep (zeer) problematische GHB-gebruikers vormgegeven moet worden. Deze handreiking bevat praktische informatie voor zowel professionals als voor ervaringsdeskundigen, patiënten en naasten. Tot slot wordt momenteel door Novadic-kentron in samenwerking met het Nijmegen Institute for Scientist-Practitioners in Addiction (NISPA-Radboud) gewerkt aan nieuwe innovatieve behandelingen die het effect van de bestaande behandeling en de toegang tot zorg voor personen met een GHB verslaving moet verbeteren.
Bent u bereid de voorlichting voor GHB-gebruikers en in het bijzonder mensen met een GHB-verslaving per direct op te schalen, bijvoorbeeld op sociale media, waarbij zij worden gewezen op hulpverlening en verslavingszorg? Zo ja, hoe geeft u dit vorm? Zo nee, welke stappen overweegt u om wel te zetten?
Het is zinvol om in te zetten op toeleiding naar zorg bij de groep GHB gebruikers. Door het vergroten van de bekendheid over het beschikbare aanbod om van de verslaving af te komen, zowel bij de zorgverlener als de gebruiker, kan dit worden bewerkstelligd. Sociale media kan hiervoor ingezet worden, waarbij gebruikers worden gewezen op hulpverlening en verslavingszorg. Het Trimbos-instituut, maar ook verslavingszorginstellingen, bepalen zelf hoe zij het meest effectief gebruik kunnen maken van sociale media voor de voorlichting over de beschikbare hulpverlening en zorg.
Gebruikers van GHB kunnen terecht op de websites https://www.drugsinfo.nl/ghb en https://www.drugsenuitgaan.nl/ghb. Op de website drugsenuitgaan.nl kunnen zij ook een gebruikerstest doen om te kijken of het gebruik riskant is. Naast het risico op «out gaan» wordt ook het risico op verslaving benadrukt. Mensen die de drugsinfolijnen bellen en bij wie problematisch gebruik wordt vermoed, worden doorverwezen naar de huisarts. Afhankelijk van de behoeften van de beller, wordt doorverwezen naar een andere instantie.
Bent u voorts bereid met spoed het gesprek te voeren met de aangewezen zorgpartners over de vraag hoe er voldoende hulpverlening en verslavingszorg beschikbaar kunnen zijn voor mensen die al dan niet noodgedwongen afkicken, zodat zij op een veilige en duurzame manier van hun verslaving af komen?
Ik blijf in gesprek met de betrokken zorgpartners om zo samen tot de beste oplossingen voor voldoende hulpverlening en verslavingszorg te komen. Er zijn reeds goede initiatieven bewerkstelligd zoals de ontwikkeling van een handreiking door het Nispa, onder andere in samenwerking met instellingen voor verslavingszorg, over hoe behandeling van de groep (zeer) problematische GHB gebruikers vormgegeven moet worden.
Op welke wijze houdt u er zicht op of gebruikers overstappen op andere gevaarlijke middelen, conform de vrees van Novadic-Kentron? Op welk moment verbindt u daar beleidsvoornemens aan?
Er zijn in Nederland diverse monitors actief op het gebied van middelengebruik, zoals het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS). Het Trimbos-instituut monitort het gebruik van middelen met verschillende monitors en periodieke onderzoeken. Ook verslaving aan middelen kan weer beter in beeld gebracht worden met behulp van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS). Het LADIS systeem is sinds 1 juli jl. weer in werking en draagt bij aan het verkrijgen van informatie in de ontwikkelingen binnen de verslavingszorg, zoals de verslavende middelen die verslaafden gebruiken en het aantal mensen dat zich heeft aangemeld voor verslavingszorg. Gelet op de vrees van Novadic-Kentron blijven we alert op signalen die aanleiding geven tot ingrijpen.
Hoe wordt voorkomen dat hier substitutie optreedt en criminelen een nieuwe «markt» aanboren?
De beste manier om substitutie te voorkomen is door de vraag weg te nemen. Het is daarom belangrijk mensen die verslaafd zijn aan middelen toe te leiden naar een behandeling, zodat zij ook geen behoefte ervaren om een substituut voor GHB te vinden. De inzet op drugspreventie2 ondersteunt ook de aanpak van drugscriminaliteit. Immers: hoe minder gebruikt wordt, hoe kleiner de vraag. Een vraag die een gevaarlijke en gewelddadige keten mede in stand houdt. De aanpak van de criminaliteit die met de productie en handel van drugs gepaard gaat en de ondermijnende effecten die deze criminaliteit op de samenleving heeft, vallen onder de coördinerende verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid. Het hele kabinet zet zich hiervoor in. Mijn inzet op drugspreventie is daarin een belangrijke schakel.
Naast het wegnemen van de vraag is het belangrijk om het aanbod en de bijbehorende georganiseerde drugscriminaliteit terug te dringen. De aanpak van georganiseerde criminaliteit is van groot belang voor dit kabinet en zal de komende periode topprioriteit zijn. In de Kamerbrief van 26 april jl. over de aanpak van georganiseerde criminaliteit op hoofdlijnen heeft de Minister van Justitie en Veiligheid het belang van een consistente en samenhangende repressieve en preventieve aanpak benadrukt.3 In deze brede aanpak gelden vier inhoudelijke prioriteiten: voorkomen, doorbreken van criminele netwerken en verdienmodellen, bestraffen en beschermen. Er zijn structurele middelen beschikbaar gesteld voor de aanpak van drugscriminaliteit.
De gevaren die boeren op snelwegen veroorzaken |
|
Hanneke van der Werf (D66) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeren massaal over de snelweg naar actiedag in Stroe, politie machteloos»?1
Ja.
Wat waren de gevolgen van het spookrijden en het blokkeren van vluchtstroken voor de verkeersveiligheid en voor de doorgang van ambulances?
Sinds woensdag 22 juni zijn er op meerdere momenten blokkades op de snelwegen en toegangswegen geweest. Er zijn op 22 juni op de wegen in beheer van Rijkswaterstaat vijf ongevallen geregistreerd in het interne systeem van Rijkswaterstaat die direct te relateren zijn aan de aanwezigheid van tractoren op het hoofdwegennet. Het valt niet uit te sluiten dat het totale aantal hoger ligt. Ook zijn hierbij eventuele ongevallen op autowegen en autosnelwegen in beheer van andere wegbeheerders niet meegerekend, zoals bijvoorbeeld ambulances die geen doorgang konden vinden.
Onderschrijft u de constatering van een chirurg uit het St. Antonius Ziekenhuis dat deze acties levensgevaarlijk zijn?2
Ja.
Waarom worden tractoren niet direct van de snelweg afgeleid, eventueel op straffe van aanhouding?
Het doen stilhouden van een rijdend landbouwvoertuig kan risico’s opleveren voor de veiligheid van medeweggebruikers of politiemedewerkers. Wanneer om die reden door de politiemedewerkers ter plaatse wordt besloten een voertuig niet stil te houden, wil dat niet zeggen dat bestuurders van deze voertuigen wegkomen met strafbare feiten.
Na vaststelling van de identiteit op basis van beeldmateriaal of op andere wijze volgt een bekeuring of aanhouding.
Deelt u de grote zorgen dat de politie naar eigen zeggen «simpelweg niet opgewassen tegen deze machines» is?3 Het mag toch nooit zo zijn dat het recht van de sterkste bepaalt tegen wie de politie optreedt en tegen wie niet?
De wet geldt voor iedereen. Er wordt door de politie handhavend opgetreden, direct of achteraf. Handhaving kan op verschillende manieren gebeuren. Het lokaal gezag maakt hierin afwegingen waarin ook de veiligheid van wegverkeer en politiemedewerkers wordt betrokken. In dit geval is ter plaatse waar mogelijk gehandhaafd en is er ook geverbaliseerd, zowel ter plaatse als achteraf.
Herinnert u zich het antwoord van vorig jaar, dat één boete was opgelegd bij blokkades op de A1 voor bellen achter het stuur, en dat er geen aanhoudingen werden verricht?4
Ja.
Denkt u dat uit dat optreden van de politie een afschrikwekkende werking is uitgegaan waardoor boeren dit soort acties in het vervolg niet zouden herhalen?
Van belang is dat personen die zich schuldig maken aan strafbare feiten daar niet mee wegkomen. Er wordt door de politie handhavend opgetreden. Wanneer dat ter plaatse niet lukt, gebeurt dat achteraf.
Hoe duidt u de uitspraak van de politie dat het niet hun «doel [is] om zo veel mogelijk boetes uit te schrijven»?5 Hoe kan worden voorkomen dat boeren dit soort acties herhalen als het beeld wordt gecreëerd dat boeren niet voor boetes hoeven te vrezen?
Het doel is duidelijk te maken dat strafbare feiten en gevaarlijke situaties niet worden geaccepteerd en daar waar mogelijk wordt ingegrepen. Dit is herhaaldelijk door politie en OM gecommuniceerd. Wanneer het de politie door de omstandigheden niet lukt om deze feiten te voorkomen of om daarop direct te handhaven, wordt ingezet op opsporing en vervolging achteraf. Het is cruciaal dat personen die doelbewust de wet overtreden daar niet mee wegkomen.
Hoe komt het dat de politie niet in staat of niet bereid was in alle situaties te handhaven? Is daarbij overwogen bijstand in te schakelen van de Koninklijke Marechaussee?
Ik wijs u op de voorgaande antwoorden. Er was voor de gezagen geen aanleiding om de Koninklijke Marechaussee te verzoeken om bijstand te leveren.
Hoeveel tractoren zijn op 22 juni 2022 op de snelweg gesignaleerd? Hoeveel van hen hebben een boete gekregen? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht?
Het is bij Rijkswaterstaat niet bekend hoeveel tractoren zich op 22 juni 2022 op de snelweg hebben bevonden en evenmin hoeveel bestuurders daarvan of automobilisten een snelweg hebben geblokkeerd. Rijkswaterstaat heeft namelijk geen systeem waarmee die informatie wordt verzameld. Bij politie is dit evenmin bekend.
Omdat opgelegde boetes bij de politie niet op doelgroepen worden geregistreerd, is het niet mogelijk om precies na te gaan hoeveel tractorbestuurders een boete hebben ontvangen. Wel is duidelijk dat de politie op 22 juni 2022 enkele honderden bekeuringen meer heeft uitgeschreven dan op andere woensdagen in 2022. Op 22 juni 2022 heeft de politie veertien aanhoudingen verricht die samenhangen met de voornoemde landelijke actiedag. Sinds 22 juni 2022 zijn in totaal in ieder geval 700 extra verkeersboetes uitgeschreven voor overtredingen die zijn te relateren aan de boerenprotesten. Het daadwerkelijke aantal ligt mogelijk hoger. Daarnaast zijn de afgelopen weken ruim honderd personen aangehouden vanwege overtredingen en misdrijven die verband houden met de boerenprotesten. Ook hierbij geldt dat het daadwerkelijke aantal mogelijk hoger ligt, omdat onderzoeken nog lopen.
Hoeveel automobilisten hebben op 22 juni 2022 snelwegen geblokkeerd? Hoeveel van hen hebben een boete gekregen? Hoeveel aanhoudingen zijn er verricht?
Zie antwoord vraag 10.
Wat gaat u in het vervolg doen om dit te voorkomen?
De politie treedt op onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en de burgemeester.
Rondom recente acties heeft ter ondersteuning van het bevoegd gezag bestuurlijke afstemming plaatsgevonden met vertegenwoordigers van het lokaal bestuur, OM en politie.
De volgende uitgangspunten zijn als advies voor de lokale driehoeken gedeeld met burgemeesters:
De overheid treedt zichtbaar en merkbaar op tegen blokkades en andere buitenwettelijke acties.
Demonstreren mag, blokkeren niet. De overheid begrenst vroegtijdig en treedt waar mogelijk direct op. Blokkades worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel zo snel mogelijk beëindigd (oplopend van vrijwilligheid naar vormen van dwang/handhaving).
Blokkades op en rondom snelwegen zijn niet acceptabel. Dit is voornamelijk gelegen in:
Gevaarzetting (ongevallen, gewonden, mogelijk zelfs dodelijke slachtoffers, bermbranden, gevaarlijke stoffen).
Snelweg is geen geschikte locatie, alternatieve locaties om te demonstreren worden in overleg met het lokaal bevoegd gezag aangewezen
Artikel 2 van de Wet openbare manifestaties biedt de mogelijkheid om een betoging in verband met de verkeersveiligheid te beperken of te verbieden.
Waar directe handhaving niet mogelijk is wordt ingezet op opsporing en vervolging na de acties. Er wordt ingezet op een hoge pakkans.
Het Kremlin aan de Zuidas |
|
Michiel van Nispen (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Sigrid Kaag (viceminister-president , minister financiën) (D66), Franc Weerwind (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Advocatenkantoor Houthoff verdiende miljoenen met werk voor gesanctioneerde Russische staatsbanken»?1
Zoals ook eerder al in antwoord op Kamervragen is aangegeven nemen advocaten een bijzondere positie in onze rechtsstaat in. De samenleving moet er op kunnen vertrouwen dat advocaten deze bijzondere positie waarmaken door de op hen van toepassing zijnde regelgeving na te leven.2 Het artikel van Follow The Money draait om de vraag of het uitbrengen van aandelen door Houthoff aangemerkt kan worden als «bijstand bij het uitbrengen van overdraagbare effecten» en of er dus sprake is van overtreding van de toen geldende sanctieregelgeving. Na onderzoek heeft de toezichthouder in kwestie, de Amsterdamse deken, vastgesteld dat Houthoff in de beschreven casus niet in strijd met de sanctieregeling heeft gehandeld.
Kunt u bevestigen dat Sberbank inderdaad in 2014 op de sanctielijst is gezet, dat Sberbank in de jaren erna is bijgestaan door het Kremlin aan de Zuidas en dat advocatenkantoor Houthoff dus inderdaad op tijd cliëntenonderzoek had moeten doen?
Sberbank was als entiteit niet gelist in 2014 waardoor de tegoeden van Sberbank niet waren bevroren en er geen algemeen verbod gold om zaken te doen met Sberbank. Wel golden er bepaalde beperkingen voor het verstrekken van specifieke (financiële) dienstverlening aan Sberbank. Specifiek gaat het om een verbod op de directe of indirecte aankoop, verkoop, tussenhandel of bijstand bij de uitgifte van, of andere vormen van handel in, overdraagbare effecten en geldmarktinstrumenten met een looptijd van meer dan 90 dagen die zijn uit gegeven tussen 1 augustus 2014 en 12 september 2014, of met een looptijd van meer dan 30 dagen, die zijn uitgegeven na 12 september 2014.
Gelet op de bijzonder positie van de advocatuur in onze samenleving vindt het toezicht op advocaten onafhankelijk van de Staat plaats. Daarbij hoort ook dat ik in beginsel terughoudend ben bij het reageren op individuele casus, zo ook deze.
In zijn algemeenheid geldt dat, zoals ook in antwoord op eerdere Kamervragen is aangeven4, als er sprake is van een advocaat-cliënt relatie, advocaten op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme weten (Wwft) en ook op grond van de Verordening op de advocatuur (Voda) moeten weten wie hun cliënten zijn en cliëntenonderzoek moeten doen. Dit onderzoek moet in beginsel plaatsvinden voordat wordt gestart met de zakelijke relatie (artikel 4 lid 1 Wwft). Indien het noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en indien er weinig risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat, mag met de zakelijke relatie worden gestart voordat het cliëntenonderzoek volledig is afgerond. De identiteit van de cliënt moet dan alsnog zo spoedig mogelijk na het eerste contact met de cliënt worden geverifieerd (artikel 4 lid 3 Wwft). Gelet op het geldende sanctieregime zullen advocaten bij hun dienstverlening tevens steeds na moeten gaan wat wel of niet is toegestaan, en of een ontheffing vereist is.
Uit het bericht op de website van de Amsterdamse orde van advocaten maak ik op dat de Amsterdamse deken kort gezegd onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er bij de dienstverlening door Houthoff aan de herstructurering van een Kroatisch detailhandelsconcern mogelijk sprake was van schending van de toen geldende sancties. De Amsterdamse deken heeft, volgens het bericht, na onderzoek geconcludeerd dat daar geen sprake van is en dat de bij de herstructurering betrokken kantoren voorafgaand aan die herstructurering zorgvuldig en adequaat onderzoek hebben gedaan naar de toelaatbaarheid van die transactie.
Klopt het dat de Deken van de Amsterdamse orde van advocaten niet heeft onderzocht of er wel een adequaat cliëntenonderzoek heeft plaatsgevonden bij Houthoff naar de Sberbank in het kader van de aanwezigheid van Sberbank op de sanctielijst?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid er voor te zorgen dat het bewijs dat FTM in handen heeft ook bij de toezichthouder op de Amsterdamse advocaten terecht komt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het is niet mijn rol om te zorgen dat eventueel bewijsmateriaal bij een toezichthouder terecht komt. Het staat de journalist en de Amsterdamse deken uiteraard vrij om met elkaar in contact te treden om te bezien of en zo ja op welke wijze eventueel bewijsmateriaal beschikbaar kan worden gesteld aan de toezichthouder.
Is het mogelijk om het desbetreffende advocatenkantoor alsnog strafrechtelijk te vervolgen voor eventuele overtreding van de sancties op basis van de Wet economische delicten, Wet ter voorkoming van witwassen of financieren van terrorisme of een andere wet? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Zowel overtredingen van verplichtingen bij of krachtens de Sanctiewet 1977 als de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme worden gezien als een economisch delict en kunnen binnen het strafrecht bestraft worden. In algemene zin geldt dat als er concrete signalen zijn dat de sanctiewetgeving wordt overtreden, het OM – zoals bij alle signalen die wijzen op mogelijke strafbare feiten – onderzoekt of er aanknopingspunten zijn om een strafrechtelijk onderzoek te starten.
Kunnen de miljoenen die Houthoff heeft opgestreken worden geconfisqueerd op basis van de sancties indien eventuele vervolging tot een veroordeling leidt?
Ik ga niet in op hypothetische juridische situaties. In de Aanwijzing Afpakken van het Openbaar Ministerie6 worden de verschillende strafrechtelijke afpakmogelijkheden beschreven.
Wat is de stand van zaken van de wettelijke regeling die in antwoord op eerdere schriftelijke Kamervragen werd aangekondigd4 en later ook door sanctiecoördinator de heer Blok werd aanbevolen?5
Met betrekking tot het toezicht op de naleving van de Sanctieregelgeving door advocaten werk ik samen met de Minister van Buitenlandse Zaken aan een noodzakelijke wettelijke regeling. Hierbij worden de rechtstatelijke uitgangspunten zoals de wettelijke geheimhoudingsplicht en het onafhankelijk toezicht in acht genomen. Zoals eerder door de Minister van Buitenlandse Zaken aan uw Kamer is gemeld streeft het kabinet ernaar uw Kamer voor de begrotingsbehandelingen een hoofdlijnenbrief te sturen over dit onderwerp.9
Voor de volledigheid meld ik dat ik uw Kamer op 13 juni jl. heb geïnformeerd over de versterking van het toezicht op de advocatuur.10 Die versterking houdt onder meer in dat er een landelijk toezichthouder op de advocatuur komt die verantwoordelijk wordt voor het toezicht op onder meer de naleving door advocaten van het bepaalde bij of krachtens de Advocatenwet, de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de Sanctieregelgeving.
In het rapport-Blok6 staat: «Om de meldplicht [van o.a. de advocatuur] te creëren en deze te versterken ten opzichte van de geheimhoudingsplicht zou deze verordening aangepast moeten worden. Er ligt inmiddels een verzoek van Nederland bij de Europese Commissie om dit voor te stellen. Mocht aanpassing van deze verordening weinig kansrijk lijken of lang gaan duren, dan beveel ik aan te onderzoeken of door aanpassing van wet- en regelgeving de meldplicht kan worden gecreëerd». Wat is hiervan de stand van zaken, mede gegeven het feit dat het kabinet aangaf alle aanbevelingen van dit rapport te omarmen?
Dit is momenteel onderdeel van gesprek in EU-kader. Het Europese traject om dit door te voeren heeft echter tijd nodig, gezien noodzaak van besluitvorming met 27 lidstaten. Zoals ook bij het antwoord op vraag 7 gemeld bereidt het kabinet tegelijkertijd een hoofdlijnenbrief voor ten behoeve van de herziening van nationale sanctiewet- en regelgeving. Het kabinet streeft ernaar deze brief voor de begrotingsbehandelingen aan uw Kamer te verzenden.
Oneigenlijk gebruik leefgeld. |
|
Wybren van Haga (BVNL) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Arbeidsmigranten willen ook leefgeld»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de gemeente Den Haag heeft vastgesteld dat er zeker 150 Oekraïners, die niet op de vlucht zijn en hier voor de Russische aanval al waren als arbeidsmigrant, ten onrechte om leefgeld (260 euro per maand en een faciliteit voor vluchtelingen) komen vragen?
We zijn bekend met het signaal vanuit de gemeente Den Haag.
Het kabinet heeft de Tweede Kamer op 30 maart 2022 geïnformeerd dat de volgende personen in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming2:
Op basis van bovenstaande omschrijving kunnen ook personen met de Oekraïense nationaliteit, die al voor 27 november 2021 in Nederland verbleven, in aanmerking komen voor opvang en het bijbehorende leefgeld.
Personen die voor de Russische aanval al in Nederland waren als arbeidsmigrant kunnen derhalve onder de doelgroep vallen en komen in dat geval ook in aanmerking voor opvang en het bijbehorende leefgeld.
Wat betreft Oekraïners die voor 27 november 2021 elders in Europa verbleven. Zij komen niet in aanmerking voor de ontheemdenstatus. We zijn op Europees niveau aan het onderzoeken hoe we beter zicht kunnen krijgen op de verhuisbewegingen binnen Europa.
Deelt u de mening dat het oneigenlijke gebruik van vluchtelingenfaciliteiten een bom legt onder de hulp aan échte vluchtelingen? Zo ja, hoe gaat u het oneigenlijke gebruik zo snel als mogelijk tegen? Kunt u hier gedetailleerd op antwoorden?
De voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne, zoals de gemeentelijke of particuliere opvang en het leefgeld, moeten gebruikt worden voor degene die daar recht op hebben volgens de Europese Richtlijn tijdelijke bescherming. Wij hebben van gemeenten signalen ontvangen dat zij het in specifieke situaties lastig vinden om vast te stellen of iemand onder de Europese Richtlijn valt. In samenwerking met de IND zijn we bezig handvatten te bieden voor gemeenten. Daarnaast is het mogelijk om bij twijfel de IND een controle te laten doen op de documenten die worden overlegd door ontheemden. Daar zijn mobiele teams voor opgericht die per veiligheidsregio worden ingeschakeld om gemeenten hierbij te ondersteunen. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan voor inschrijving in het BRP, heeft de ontheemde vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat hij onder de Europese Richtlijn tijdelijke bescherming valt. Hieruit volgt dat hij geen recht op opvang en voorzieningen (o.a. leefgeld) heeft. De vreemdeling moet terug naar het land van herkomst. De Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) kan het vertrek van de vreemdeling uit Nederland begeleiden. Indien de vreemdeling toch asiel wil aanvragen, dan wordt hij verwezen naar Aanmeldcentrum Ter Apel.
Bent u bekend met het feit dat er heel wat Oekraïners worden uitgebuit? Zo ja, hoe gaat dat in samenwerking met de Arbeidsinspectie beter en adequater bestrijden? Kunt u hier gedetailleerd op antwoorden?
Binnen de Arbeidsinspectie is sinds het begin van de oorlog in Oekraïne een speciaal team actief, dat acteert op meldingen van en over ontheemden uit Oekraïne. Alle meldingen met signalen van mogelijke arbeidsuitbuiting worden onderzocht, en waar mogelijk opgevolgd. Het is dan ook heel belangrijk dat organisaties en personen signalen van vermoedens van misbruik, uitbuiting of mensenhandel bij toezichthouders en opsporingsdiensten melden. Bij inspecties werkt de Arbeidsinspectie regelmatig samen met gemeenten en andere ketenpartners om misstanden integraal aan te pakken. Op dit moment lopen er bij de Arbeidsinspectie verschillende onderzoeken naar mogelijke overtredingen van arbeidswetten bij bedrijven en uitzendbureaus die Oekraïners in dienst hebben. Tot nu toe heeft dit nog niet geleid tot een constatering van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin, wel tot mogelijke overtredingen van arbeidswetten.
Daarnaast wordt er actief ingezet op zoveel mogelijk bewustwording bij gemeenten, particulieren en ontheemden zelf, om te bevorderen dat organisaties en personen signalen van vermoedens van misbruik, uitbuiting of mensenhandel bij toezichthouders en opsporingsdiensten melden. Zo zorgt het Rijk samen met partners uit het maatschappelijk middenveld voor goede voorlichting aan alle partijen over de risico’s van mensenhandel voor ontheemden uit Oekraine. Dit doen we door de bestaande handreikingen (voor gemeenten en particulieren) en informatieflyers (van CoMensha en het RIEC) te delen. Via websites maar bijvoorbeeld ook via contactpunten van het Rode Kruis op stations. Tevens wordt ingezet op informatievoorziening voor werknemers over hun rechten en plichten. Zo zal www.workinnl.nl binnenkort beschikbaar zijn in zowel het Oekraïens als het Russisch.
In algemene zin komen misstanden bij arbeidsmigranten helaas nog te vaak en te breed voor. Het uitvoeren van de aanbevelingen van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is daarom een belangrijke prioriteit van het kabinet. Hier wordt hard aan gewerkt, samen met andere betrokken partijen zoals provincies, gemeenten, sociale partners en handhavingsinstanties. Hoewel er al veel in gang is gezet, is het uitvoeren van de adviezen niet van de ene op de andere dag geregeld. Het advies van het Aanjaagteam bevatte aanbevelingen voor de korte termijn, die zijn inmiddels uitgevoerd. Bijvoorbeeld het verbeteren van de registratie en toegang tot een DigiD. Daarnaast zijn we nu flink op weg om de aanbevelingen voor de lange termijn, waar wet- en regelgeving voor nodig is, bij uw Parlement te krijgen.
Ard B. die vastzit in een Franse cel |
|
Pieter Omtzigt |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van het door RTV Oost op 14 juni 2022 gepubliceerde artikel over de ziekte van Ard B. die vastzit in een Franse cel?1
Ja.
Klopt het dat Ard B. zijn straf maximaal vier maanden zou uitzitten in Frankrijk om vervolgens uitgeleverd te worden aan Nederland? Zo ja, deelt u de mening dat Nederland zich actief moet inzetten voor deze uitlevering?
De rechtbank Amsterdam heeft in een lopende strafzaak de overlevering van betrokkene door Nederland aan Frankrijk toegestaan. De overlevering is toegestaan nadat Frankrijk aan Nederland een terugkeergarantie heeft afgegeven. Dit betekent dat is gegarandeerd dat betrokkene, na een onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf, naar Nederland kan terugkeren om de straf te ondergaan. Mij is geen toezegging bekend dat betrokkene maximaal vier maanden in een Franse cel zou doorbrengen.
Net als in andere zaken heeft de afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen (IOS) van de Dienst Justitiële Inrichtingen zich ook in deze zaak actief ingezet voor het tot stand brengen van de strafoverdracht door Frankrijk aan Nederland. Nadat het strafvonnis onherroepelijk is geworden, heeft de advocaat van betrokkene bij IOS kenbaar gemaakt dat hij zijn straf in Nederland wilde ondergaan. Hierop heeft IOS de Franse autoriteiten meerdere keren verzocht om de procedure tot strafoverdracht te starten. Op 10 juni jl. heeft Frankrijk aan Nederland verzocht om de tenuitvoerlegging van de straf over te nemen en is de procedure met voorrang gestart. Op 28 juni jl. heb ik ingestemd met de overbrenging van betrokkene op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (WETS). Dit betekent dat IOS, in overleg met de Franse autoriteiten, betrokkene zo spoedig mogelijk over laat brengen naar Nederland.
Is er met oog op het humane en medische aspect van deze gedetineerde aanleiding voor u om de uitlevering van deze gedetineerde van Frankrijk naar Nederland te bevorderen?
Het doel achter de strafoverdracht is gericht op resocialisatie. Om te oordelen of er een resocialisatiebelang is, wordt er getoetst aan de criteria binding met Nederland en strafrestant. Humanitaire omstandigheden hebben geen invloed op de beoordeling van deze criteria. In deze zaak hebben de humanitaire en medische omstandigheden er wel toe geleid dat de casus met voorrang in behandeling is genomen, zowel door IOS als door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het bericht dat een vanwege een personeelstekort bij de rechtbank Gelderland zaken niet meer voor de rechter worden gebracht |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Personeelstekort rechtbank noodzaakt tot sepot zaken»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer betreurenswaardig is dat maar liefst 1500 strafzaken niet meer voor de rechter kunnen komen omdat er niet genoeg capaciteit bij de rechtbank is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik vind het zeer betreurenswaardig dat het Openbaar Ministerie zich genoodzaakt voelt deze stap te nemen. Zeker voor zover het zaken betreft waarbij slachtoffers betrokken zijn. Daar waar slachtoffers erop vertrouwden dat een rechter een onafhankelijk oordeel zou vellen over de zaak waar ze bij betrokken waren, gebeurt dit nu niet.
Hoeveel van de genoemde 1500 zaken moeten geseponeerd worden bij gebrek aan capaciteit? Deelt u de mening dat seponeren van deze zaken niet voortkomt uit een bewuste keuze voor seponering maar alleen uit nood geboren is? Zo ja, wat is uit mening daarover? Zo nee, waarom niet?
Ondanks maximale inspanning van het Openbaar Ministerie om oudere zaken af te handelen, kon niet worden voorkomen dat de voorraden bleven oplopen. Dit heeft tot gevolg dat ongeveer 90% van deze 1500 zaken worden geseponeerd. Deze keuze is uit nood geboren en dat is zeer betreurenswaardig.
Is de situatie bij het Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak in Oost-Nederland symptomatisch voor de situatie elders in Nederland? Zo ja, voor welke delen van Nederland dreigen ook strafzaken via sepots of OM-strafbeschikkingen te worden afgedaan? Zo nee, kunt u dan garanderen dat elders in Nederland dit niet zal gaan voorkomen?
Nee. Hoewel ook in andere arrondissementen tekorten aan rechters zijn waardoor niet alle zaken op tijd kunnen worden behandeld, zijn de achterstanden bij de rechtbank Gelderland verreweg het grootst. Zowel het Openbaar Ministerie als de Rechtspraak spannen zich maximaal in om te voorkomen dat ook elders in
Nederland tot dit soort vergaande maatregelen moeten worden overgegaan. Sepotbeslissingen van een vergelijkbare omvang in andere arrondissementen liggen daarom niet voor de hand.
Hoe komt het dat terwijl al een aantal jaren bekend is dat er een tekort aan rechters bij de rechtbank Gelderland is, dat probleem niet eerder is opgelost? Welke garanties kunt u geven dat dit probleem binnen afzienbare tijd wel wordt opgelost en aan welke termijn denkt u dan?
De afgelopen jaren zijn zaken steeds complexer geworden en is de behandeltijd per zaak fors toegenomen. Er zijn reeds maatregelen getroffen om het tekort aan rechters bij de rechtbank Gelderland terug te dringen. Zo zijn er op dit moment 20–25 nieuwe rechters in opleiding bij de rechtbank Gelderland, waarmee de maximale opleidingscapaciteit volledig is benut. Dat lost de problemen op korte termijn echter niet meteen op. Het opleiden van nieuwe rechters kost 1 tot 3 jaar, de personeelstekorten zullen er daarom nog wel enige tijd zijn.
Deelt u de mening van het OM en de rechtbank dat de keuze om zaken niet voor de strafrechter te brengen «zeer pijnlijk kan zijn voor slachtoffers»? Zo ja, waarom en wat gaat er gebeuren om slachtoffers, anders dan de wijze op de mogelijkheid van art. 12 Sv, toch genoegdoening te geven? Zo nee, waarom niet?
Ik realiseer me dat met deze beslissing onvoldoende tegemoet wordt gekomen aan de wens van slachtoffers dat recht wordt gedaan aan wat hen is overkomen en dat betreur ik zeer. Daarom wordt gekeken op welke wijze het beste tegemoet kan worden gekomen aan de slachtoffers. In de zaken waarin slachtoffers schade hebben geleden, wordt beoordeeld of dat aanleiding is om de verdachte alsnog te dagvaarden op de geringe gereserveerde zittingsruimte of een OM-strafbeschikking op te leggen. Wanneer dat niet mogelijk is en de zaak wordt geseponeerd, krijgen de slachtoffers (en hun advocaat) een brief met een toelichting op het sepot. Daarnaast wordt – afgewogen in het geheel van de zaken die daarvoor in aanmerking komen – een tegemoetkoming in de schade uitgekeerd in die gevallen waarin het niet vergoeden van de schade tot schrijnende situaties zou leiden. Over de praktische uitvoering daarvan zullen nadere afspraken worden gemaakt.
Deelt u de mening dat nu eens te meer blijkt hoe nodig het is om slachtoffers ook bij OM-strafbeschikkingen altijd de mogelijkheid tot het uitoefenen van hun spreekrecht te geven? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
De OM-strafbeschikking is een vorm van buitengerechtelijke afdoening met als doel om veelvoorkomende criminaliteit snel te kunnen afdoen en de rechtspraak te ontlasten. Ook bij de keuze voor een strafbeschikking, houdt het OM – naast de ernst van het misdrijf en de persoon van de verdachte – rekening met de belangen van slachtoffers.
Het standaard regelen van een spreekrecht voor slachtoffers staat op gespannen voet met het hiervoor genoemde doel van de strafbeschikking. Desondanks ga ik hierover nog in gesprek met het College van Procureurs-Generaal. U wordt over de uitkomst hiervan geïnformeerd.
Getroffen maatregelen op het ministerie van Justitie en Veiligheid naar aanleiding van de lessen uit het toeslagenschandaal op gebied van hardheden en de informatiehuishouding |
|
Renske Leijten (SP), Michiel van Nispen (SP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op uw ministerie, onder andere naar aanleiding van het toeslagenschandaal, onderzoek gedaan naar wetten en andere maatregelen die leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties voor mensen bij de uitvoering daarvan? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet? (Kamerstuk 35 510, nr. 4) (Kamerstuk 35 510, nr. 95)1
Ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten2 verricht elk departement een inventarisatie naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen. Deze inventarisatie maakt onderdeel uit van een breed palet aan maatregelen die het kabinet treft om de menselijke maat in wet- en regelgeving te versterken. In de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels», die op 11 juli jl. met Uw Kamer is gedeeld,3 wordt ingegaan op de stand van zaken van de inventarisaties, waarbij in bijlage 3 bij die brief per departement een nadere toelichting wordt gegeven op de eigen inventarisatie.
In bijlage 2 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels» is daarnaast een verslag opgenomen van de rijksbrede internetconsultatie die heeft plaatsgevonden in het kader van de inventarisatie, waarbij eenieder voorbeelden kon aandragen van wetten en regels waardoor mensen buitensporig in de knel komen.4 Hiermee is beoogd het burgerperspectief te betrekken en te voorkomen dat departementen signalen uit de buitenwereld van knellende wetten en regels missen.
Aanvullend op de uitvoering van de motie Ploumen/Jetten wordt door het Ministerie van SZW in samenwerking met het Ministerie van VWS de motie Omtzigt5 uitgevoerd. In het kader daarvan is onafhankelijk onderzoek uitgevoerd naar hardvochtige effecten in de Participatiewet, de werknemersregelingen en het pgb. Dit onderzoek is op 7 juli jl. met uw Kamer gedeeld.6 Daarnaast is Uw Kamer op 21 juni geïnformeerd over het traject Participatiewet in balans7 en wordt u aan het eind van de zomer geïnformeerd over de hardheden in de WIA.
Is dit onderzoek of zijn deze onderzoeken met de Kamer gedeeld? Zo nee, kunt u uitgebreid motiveren waarom niet en kunt u het onderzoek onverwijld naar de Kamer sturen?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»8 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
In de kabinetsbrief wordt aangegeven dat «elk departement de voor het desbetreffende domein meest passende methodiek om hardvochtigheden op te sporen» hanteert. Kunt u aangeven welke methodiek op uw ministerie wordt gehanteerd? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ten behoeve van de inventarisaties ter uitvoering van de motie Ploumen/Jetten heb ik met de departementen gewerkt aan een gemeenschappelijk analysekader voor de analyse van de binnengekomen resultaten.9 Een gereedschapskist is ontwikkeld waar de departementen al naar gelang hun specifieke domein en behoefte instrumenten (beoordelingscriteria) uit kunnen halen. Zo biedt onder meer de uitvoering van de motie Lodders/Van Weyenberg een voorbeeld van hoe aangedragen knelpunten kunnen worden gecategoriseerd, besproken en aangepakt in een wisselwerking met de Tweede Kamer.10 Voorop staat dat elk aangedragen voorbeeld van hardvochtige effecten wordt onderzocht en waar nodig en mogelijk opgelost. In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»11 van 11 juli jl. wordt per departement nader ingegaan op de methodologie die door het departement wordt gehanteerd bij de inventarisatie.
Zijn er naar aanleiding van onderzoeken, quickscans, of andere signalen maatregelen getroffen op uw ministerie om wetten, maatregelen of procedures waarvan inmiddels bekend is dat ze tot onevenredige consequenties leiden aan te passen? Zo ja, welke maatregelen zijn dit en welk effect moet dit tegengaan? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom niet?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»12 van 11 juli jl. is per departement aangegeven wanneer de resultaten van de inventarisatie van het desbetreffende departement worden verwacht en op welke wijze uw Kamer daarover wordt geïnformeerd.
Kunt u aangeven of en hoe uw ministerie de «buikpijndossiers» die uit de inventarisatie van de Raad voor de Rechtspraak komen én de reflectie op knellende regelgeving en strenge uitvoeringspraktijken van de Raad van State heeft behandeld (Kamerstuk 35 510, nr. 91)?2
De «buikpijndossiers» en knelpunten die voortvloeien uit het jaarverslag van de Raad voor de Rechtspraak alsmede de reflectie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden betrokken bij de inventarisaties van de beleidsverantwoordelijke departementen naar wet- en regelgeving die hardvochtig uitpakt voor mensen.14 Hetzelfde geldt voor de signalen die de Hoge Raad in zijn jaarverslag heeft meegegeven aan de wetgever.15
Kunt u aangeven hoe bij nieuwe voorstellen vanuit uw ministerie voorkomen wordt dat deze voorstellen leiden tot onevenredige en/of hardvochtige consequenties? Wat is er ten opzichte van deze werkwijze anders dan voor het naar buiten komen van het toeslagenschandaal?
In bijlage 3 bij de brief «Acties kabinet bevorderen menselijke maat wetten en regels»16 van 11 juli jl. wordt vermeld welke acties de departementen nemen om op structurele basis knelpunten te inventariseren. Dit in aanvulling op de diverse acties die rijksbreed lopen om de menselijke maat in wet- en regelgeving te bevorderen, die tevens besproken worden in de voornoemde brief.17
Om te voorkomen dat nieuw beleid of nieuwe wetgeving leidt tot onevenredige consequenties zet het Ministerie van Justitie en Veiligheid onverminderd in op het realiseren van de verbeterpunten in de brief over versterking van de kwaliteit van beleid en wetgeving die in juni 2021 aan uw Kamer is verzonden.18 Eén van de maatregelen is ook het herzien van het Integraal afwegingskader voor beleid en regelgeving (het IAK) en het bevorderen van het gebruik hiervan. Het IAK bevordert dat in een beleidsproces met alle betrokkenen wordt nagedacht over wat goed is én wat werkt voor de samenleving met aandacht voor alle relevante te maken afwegingen. Hierbij moeten nadrukkelijk beleid, uitvoering en de doelgroep in de samenleving vanaf het begin zijn betrokken, ook om de consequenties in kaart te brengen. Onderdeel van de herziening van het IAK is dat het ook steviger in de ministeries wordt gepositioneerd, en daarmee wordt bevorderd dat de consequenties van voorstellen zo vroeg mogelijk in het beleidsproces in beeld worden gebracht. Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de voortgang van de herziening.
Heeft uw ministerie een nulmeting in het kader van het «Rijksprogramma voor Duurzaam Digitale Informatiehuishouding» gemaakt en een verbeterplan opgesteld (Kamerstuk 35 925-III, nr. 30)? Zo ja, kunt u deze nulmeting en het verbeterplan onverwijld naar de Kamer sturen?3
De actieplannen en nulmetingen van de departementen worden per afzonderlijke Kamerbrief gebundeld en gelijktijdig met deze beantwoording naar de Kamer gezonden voorzien van een nadere duiding.
Kunt u aangeven wat het beleid is op uw ministerie aangaande het bewaren van SMS’jes en ander berichtenverkeer, ook van uzelf?
Hierop is het rijksbrede beleid van toepassing waaruit volgt dat chatberichten over de bestuurlijke besluitvorming bewaard dienen te blijven wanneer de relevante informatie niet ook al op een andere manier is geborgd binnen de organisatie. Is het bestuurlijke besluit uit het chatbericht ook op een andere manier geborgd binnen de organisatie, bijvoorbeeld in een nota of een e-mail, dan kan het oorspronkelijke chatbericht worden verwijderd. Het is niet nodig dat dezelfde relevante informatie twee keer wordt bewaard. Dit ook in verband met het belang van ordentelijke archiefvorming. Deze staande praktijk is in lijn met de heersende Wob-rechtspraak.
De Instructie bewaren chatberichten belegt de verantwoordelijkheid voor het bewaren van relevante chatberichten bij de inhoudelijk verantwoordelijke dossierhouder. Voor bewindspersonen geldt dat zij alleen berichten hoeven te bewaren over de bestuurlijke besluitvorming waarvan de relevante inhoud nergens anders binnen de organisatie is geborgd. Berichten kunnen worden bewaard door middel van het maken van een screenshot of door middel van «export» van het chatbericht. In dit kader wijs ik er nog op dat de Minister-President tijdens het debat van 19 mei jongstleden heeft toegezegd door mij te laten bezien hoe de chatinstructie voor bewindspersonen op dit punt nader kan worden geëxpliciteerd aan de hand van het zogenaamde «vierogen-principe». Hiertoe wordt voor eind augustus een praktisch voorstel gedaan voor een uniforme werkwijze die door de bewindslieden gebruikt kan worden.
Hoeveel WOB/WOO-verzoeken (Wet openbaarheid van bestuur/Wet open overheid) heeft uw ministerie in behandeling en wat is van die verzoeken het tijdsverloop?4
In bijlage 1 is het overzicht te vinden van de antwoorden van de departementen.21