Het niet informeren van de Kamer over een nieuw paspoort |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op het bericht «Over een jaar een nieuw paspoort op de markt»?1
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar mijn brief d.d. 23 september 2010 en naar de beantwoording van de vragen van het lid Van Raak (TK 2009–2010 nummer 2067) en van het lid Teeven (TK 2009–2010 nummer 2280).
Is het waar dat op 1 oktober 2011 een nieuw paspoort in gebruik moet worden genomen? Zo ja, waarom is de Kamer hier niet over geïnformeerd? Deelt u de mening dat het ongepast is dat burgers en Kamerleden over deze plannen worden geïnformeerd via de media?
Zie antwoord vraag 1.
Is dit besluit door het huidige kabinet genomen? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot de demissionaire status?
Zie antwoord vraag 1.
Indien er inderdaad een nieuw paspoort in gebruik moet worden genomen, wat is hier de aanleiding voor? Zijn er beveiligingsproblemen met het huidige paspoort?
Zie antwoord vraag 1.
Welke wijzigingen worden ten opzichte van het huidige paspoort doorgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel kosten zijn gemoeid met het ontwikkelen en invoeren van een nieuw paspoort?
In de prijs van de huidige documenten zijn de kosten die verbonden zijn met het ontwerp van de documenten inbegrepen. Dat blijft ook na 1 oktober 2011 het geval.
Wat zijn de praktische implicaties van het naast elkaar bestaan van verschillende soorten paspoorten?
Het naast elkaar voorkomen van verschillende modellen van de reisdocumenten is dé praktijk. Thans komen de modellen 2001 en 2006 in de praktijk voor. Op 1 oktober 2011 zullen dat de modellen 2006 en het model 2011 zijn.
Deelt u de mening dat het niet opportuun is nu het paspoort te wijzigen, terwijl de problemen met vingerafdrukken en biometrische data in paspoorten nog niet zijn opgelost?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de levensduur van paspoortgeneraties steeds korter wordt? Waardoor komt dit?
Neen dat is niet juist, zoals blijkt uit onderstaand overzicht van de data waarop in de laatste 20 jaar modellen van Nederlandse reisdocumenten zijn ingevoerd:
• 1989 («Europees model»);
• 1995;
• 1997;
• 2001 (model «Nieuwe generatie reisdocumenten»);
• 2006 (model «Elektronische reisdocumenten»).
Welke gevolgen heeft de wijziging van het paspoort voor de leges die burgers betalen bij het aanvragen van dit reisdocument?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u exact aangeven op welke wijze het bedrijf Sagem betrokken is bij het productieproces van paspoorten? Kunt u aangeven hoe deze taken zich verhouden tot het jaarverslag van de AIVD, waarin de dienst aangeeft dat het uitbesteden van activiteiten als systeem- en serverbeheer, datawarehousing en gegevensverwerking aan (buitenlandse) private partijen spionagerisico’s met zich mee brengt?2 Kunt u tevens aangeven op welke wijze een integere omgang met persoonsgegevens gewaarborgd wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Aanvullende vraag over de mogelijke overname van Crucell door Johnson & Johnson |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de bestuursvoorzitter van Crucell, de heer Brus, 11,9 miljoen euro ontvangt als het bedrijf wordt overgenomen?1 Bent u van mening dat bij een dergelijk persoonlijk financieel belang bij overname, het bedrijfsbelang in de verdringing kan komen? Is dit te verenigen met de strekking van het door de Tweede Kamer aangenomen amendement Tang/Irrgang?2 Zo ja, wilt u dit toelichten? Zo nee, welke maatregelen bent u bereid te nemen?
Het bericht is gebaseerd op een inschatting door derden van het optiepakket van de heer Brus dat voortvloeit uit de beloningsstructuur van Crucell. Het is niet aan mij om te beoordelen of door een persoonlijk financieel belang het bedrijfsbelang in het gedrang komt. Het bedrijfsbelang wordt bij een overname niet alleen beoordeeld door de bestuurders maar ook door de commissarissen en aandeelhouders. Uiteraard zal bij de overname aan de wetgeving moeten worden voldaan.
Explosieve toename van discriminatie op het werk |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Vindt u een explosieve groei van discriminatie op het werk tegen vooral ouderen, allochtonen, homo's, gehandicapten en zwangere vrouwen, kortom alle minderheden ook onacceptabel? Zo ja, wat is uw analyse en wat gaat u hiertegen doen?1
Elke discriminatoire handeling of bejegening is onacceptabel. Discriminatie dient met kracht te worden bestreden. De overheid blijft strijden voor de bescherming van het gelijkheidsbeginsel dat is neergelegd in artikel 1 van onze Grondwet.
Een toename van het aantal klachten over discriminatie hoeft niet te betekenen dat de discriminatie toegenomen is. De stijging is grotendeels het gevolg van de publiekscampagne in 2009 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in samenwerking met Art.1 om het melden van discriminatie te bevorderen. De explosieve groei waar het Algemeen Dagblad melding van maakt, wordt door de Discriminatiemonitor niet-westerse migranten op de arbeidsmarkt 2010 en de Monitor Rassendiscriminatie niet bevestigd (TK, vergaderjaar 2009–2010, kamerstuk 30 950, nr. 18). Uit deze monitors blijkt dat niet-westerse allochtonen in 2009 minder discriminatie op de arbeidsmarkt hebben ervaren dan in 2005.
Uit het landelijk Criminaliteitsbeeld Discriminatie van de politie (Poldis 2009) blijkt dat het aantal (2212) in 2009 geregistreerde discriminatie-incidenten lager is dan van 2008 (26 incidenten minder). Van de geregistreerde discriminatie-incidenten heeft slechts 10,5% betrekking op de werkomgeving.
Hoeveel medewerkers hebben zich in 2009 ziek gemeld vanwege discriminatie op de werkvloer? Kunt u dit toelichten?
Er is geen nationale registratie van ziekte wegens discriminatie beschikbaar.
Is het waar – zoals de FNV en Artikel 1 aangeven – dat er weinig terecht komt van de verplichting voor werkgevers om maatregelen te nemen tegen discriminatie op de werkvloer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Werkgevers zijn sinds 2009 verplicht maatregelen te nemen tegen discriminatie. Het onderzoek «Goede praktijken tegen geweld» (2006), uitgevoerd door DSP-groep in opdracht van SZW, toont aan dat werkgevers het onderwerp discriminatie al langer meenemen in hun algemene beleid inzake «ongewenst gedrag». Sinds 2007 zijn sociale partners bezig met het opstellen van arbocatalogi op sectorniveau. Een snelle rondgang langs sectoren laat zien dat het onderwerp ongewenst gedrag in de meeste relevante sectoren wordt opgepakt.
Of werknemers ervaring hebben met discriminatie op de werkplek wordt jaarlijks bevraagd in de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Daarbij wordt gevraagd of er op de werkplek van de werknemer discriminatie voorkomt naar sekse/ huidskleur/ geloofsovertuiging/ seksuele geaardheid/ leeftijd. De resultaten van de NEA onderzoeken laten een lichte daling zien in de «regelmatig» voorkomende discriminatie van ruim 3% van de werknemers in 2005 en 2006 tot bijna 2% in 2008. Deze vragen worden opnieuw gesteld in de NEA 2010; de resultaten worden openbaar in mei 2011.
Er zijn geen NEA cijfers over 2009. Momenteel wordt een evaluatieonderzoek voorbereid van de Arbeidsomstandighedenwet 2007 dat inzichtelijk moet maken in hoeverre sociale partners invulling hebben gegeven aan het onderwerp psychosociale arbeidsbelasting (PSA).
Kunt u een overzicht geven van de maatregelen die werkgevers – sinds de verplichting in 2009 – hebben genomen tegen discriminatie op de werkvloer?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel werkgevers zijn er in 2009 en 2010 gewaarschuwd, beboet of terechtgewezen vanwege het niet nemen van maatregelen tegen discriminatie op de werkvloer? Hoeveel situaties van discriminatie op de arbeidsmarkt heeft de arbeidsinspectie in 2009 behandeld en wat heeft dit opgeleverd?2
Er zijn bij de Arbeidsinspectie 13 klachten binnengekomen die (al dan niet mede) betrekking hebben op discriminatie op de werkvloer. Van de binnengekomen klachten zijn er 4 in behandeling genomen. Een van die klachten heeft betrekking op beleid ongewenste omgangsvormen. In dat kader loopt momenteel een handhavingstraject, waarin aan de betreffende werkgever een eis is gesteld. De overige 9 zaken zijn niet in behandeling genomen om verschillende redenen. Onder andere: de klager is een ex-werknemer of is nog geen werknemer, de klacht is ingetrokken want inmiddels door de werkgever opgelost, enkele klachten zijn niet in behandeling genomen maar wel doorgezonden naar andere relevante instanties, zoals de Commissie gelijke behandeling.
Kunt u uiteenzetten op welke schaal er wordt gediscrimineerd op ras en leeftijd bij sollicitaties? Wat heeft het project «Vacatures voor alle leeftijden» in 2009 opgeleverd?3
Uit de publicatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) «Liever Mark dan Mohammed» (januari 2010) blijkt onder meer dat autochtoon Nederlandse sollicitanten gemiddeld 44% kans hebben een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek te ontvangen. Vergelijkbare niet-westerse migranten hebben gemiddeld 37% kans op een sollicitatiegesprek. Daarnaast blijkt uit dit onderzoek dat wanneer niet-westerse werkzoekenden voldoen aan het functieprofiel en een goede brief en passend curriculum vitae kunnen overleggen, zij vaak voor een sollicitatiegesprek worden uitgenodigd.
Het Hugo Sinzheimer Instituut (HSI) heeft in 2008 in het kader van de evaluatie van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd (WGBL) onderzoek gedaan naar leeftijdsonderscheid. Een op de zeven respondenten uit dit onderzoek zegt wel eens last te hebben gehad van leeftijdsdiscriminatie (Kamerstukken II 2008–2009, 30 347, nr. 2). De Commissie gelijke behandeling heeft in 2009 105 verzoeken om een oordeel binnen gekregen over discriminatie op grond van leeftijd. In 2008 waren dat er 106. Het rapport «Kerncijfers 2009» van Art. 1 bevat een landelijk overzicht van klachten die bij antidiscriminatiebureaus (ADB’s) in Nederland zijn geregistreerd in het jaar 2009. Voor de discriminatiegrond leeftijd zijn er 798. 624 klachten die betrekking hadden op het terrein arbeidsmarkt. In 2008 registreerde Artikel 1 in totaal 970 klachten over de discriminatiegrond leeftijd.
Het Expertisecentrum LEEFtijd heeft sinds 2005 jaarlijks het project «Vacatures voor alle leeftijden» uitgevoerd. Het project is er op gericht ongerechtvaardigd leeftijdsonderscheid in vacatures tegen te gaan. Volgens LEEFtijd is het aantal vacatures met direct leeftijdsonderscheid fors afgenomen. Dit duidt er op dat werkgevers beter op de hoogte zijn van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd (WGBL) zoals dat ook naar voren komt in onderzoek van het HSI. LEEFtijd constateerde in 2009 dat vacatures met indirect leeftijdsonderscheid nog met regelmaat voorkomen. In 2010 is het project «Vacatures voor alle leeftijden» wederom herhaald. Het project is nog niet afgerond maar LEEFtijd meldt de volgende voorlopige resultaten. Er zijn in totaal 500 vacatures met leeftijdsonderscheid gevonden op landelijke vacaturesites. Op enkele uitzonderingen na werd in de meeste van deze vacatures geen leeftijd genoemd, maar wel een term die aan leeftijd is gerelateerd zoals junior, senior, oud, en student. De werkgevers die verantwoordelijk zijn voor de gescreende vacatures zijn aangeschreven met het doel hen te attenderen op de gelijke behandelingswetgeving. Daarnaast is de brochure «Diversiteit werkt» meegestuurd, waarin tips staan voor een divers personeelsbestand. Organisaties en wervings- en selectiebureaus die in eerdere projecten gescreend zijn hebben een aparte brief ontvangen. Zij zijn gewezen op het feit dat zij hun wervingsgedrag ondanks eerder schrijven niet hebben aangepast.
Bent u van plan om met de antidiscriminatiebureaus in gesprek te gaan om te bekijken of er aanvullende maatregelen nodig zijn om discriminatie op de arbeidsmarkt en werkvloer te verminderen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer kunt de Kamer over de uitkomsten informeren?
Veel ADB’s zijn onafhankelijke stichtingen. Alle ADB’s voeren in het kader van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen voor gemeenten twee wettelijke taken uit, namelijk bijstand verlenen bij discriminatieklachten en het registreren van die klachten. Afhankelijk van de contractrelatie met gemeenten kunnen ADB's ook facultatieve taken uitvoeren, zoals voorlichting over discriminatie. Die keuze wordt op lokaal niveau gemaakt. Ik heb geen directe invloed op de ADB’s. De landelijke vereniging Art. 1 bestaat uit een landelijk expertisecentrum en een branche die veel van de ADB's vertegenwoordigt. Het kabinet heeft regelmatig contacten met Art. 1 over de bestrijding van de discriminatie.
Het door de Palestijnse Autoriteit bekrachtigen van de doodstraf voor de verkoop van grond aan Joden |
|
Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «PA affirms death penalty for land sales to Israelis»?1
Ja.
Kent het in Ramallah zetelende regime van de Palestijnse Autoriteit strafrechtelijke of anderszins beperkende bepalingen met betrekking tot de verkoop van onroerend goed aan a) Joden; b) Israëlische staatsburgers; c) christenen? Zo ja, sinds wanneer zijn die bepalingen van kracht? Op welk rechtsbeginsel en/of religieus concept zijn zij gebaseerd? Voor welk grondgebied gelden zij precies? Wat zijn de concrete consequenties ervan – in de zin van aanklachten, strafzaken, veroordelingen en de tenuitvoerlegging van vonnissen, sinds het instellen van de bedoelde bepalingen?
Tot eind 2009 waren op zowel de Westelijke Jordaanoever als in Gaza 93 gevallen bekend van veroordeling tot de doodstraf, maar in geen van die gevallen was de verkoop van onroerend goed aanleiding tot deze ernstige strafmaatregel.
De Palestijnse Basic Law staat de doodstraf toe, echter noch de Jordaanse «Penal Code» uit 1960 (en de amendementen sindsdien)nochde «Revolutionary Military Penal Code» van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie PLO uit 1979 omschrijven de verkoop van land in de Westelijke Jordaanoever aan genoemde categorieën personen tot een delict dat kan leiden tot de doodstraf. Aan de verkoop van land aan buitenlanders (niet nader gespecificeerd) is de voorwaarde van goedkeuring door de Palestijnse overheid verbonden, op straffe van een gevangenisstraf van maximaal vijf jaar. Overigens wordt ook de verkoop van land aan Palestijnen die woonachtig zijn in Oost-Jeruzalem, Jordanië en elders, met deze voorwaarde verbonden.
De interpretatie van de wetgeving door rechtbanken geeft wel aanleiding tot verwarring. In het aangehaalde artikel van de Jerusalem Post wordt het geval vermeld van een Palestijn die wegens verraad tot vijf jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, omdat hij grond aan een Israëlische kolonist had verkocht. De beklaagde tekende beroep aan tegen dit vonnis, maar dat werd verworpen. Vervolgens ging hij naar het Hof van Cassatie. Deze oordeelde dat verkoop van land geen verraad is en verwees de zaak terug naar het Hof van Beroep. Deze instantie oordeelde op zijn beurt dat de verkoop van land aan een andere staat wél verraad is. De zaak ligt nu opnieuw voor aan het Hof van Cassatie.
Kent het in de Gazastrook zetelende regime van Hamas strafrechtelijke of anderszins beperkende bepalingen met betrekking tot de verkoop van onroerend goed aan a) Joden; b) Israëlische staatsburgers; c) christenen? Zo ja, sinds wanneer zijn die bepalingen van kracht? Op welk rechtsbeginsel en/of religieus concept zijn zij gebaseerd? Voor welk grondgebied gelden zij precies? Wat zijn de concrete consequenties ervan – in de zin van aanklachten, strafzaken, veroordelingen en de tenuitvoerlegging van vonnissen, sinds het instellen van de bedoelde bepalingen?
In Gaza geldt in beginsel dezelfde wetgeving als op de Westelijke Jordaanoever, met uitzondering van de wetten en regels die voortvloeien uit de Jordaanse administratie over de Westelijke Jordaanoever. Het Egyptische bestuur over Gaza tussen 1947 en 1967 hanteerde met name de wetgeving uit de Britse Mandaatperiode. Ook deze wetgeving uit de Mandaatperiode (met name de «Penal Code» van 1936) biedt geen aanknopingspunten voor het veroordelen tot de doodstraf voor de verkoop van land in Gaza aan genoemde categorieën personen.
Uitgaande van de veronderstelling dat het nieuwsbericht correct is, hoe beoordeelt u dan het met de dood bestraffen van onroerendgoedtransacties (in het algemeen en met Joden in het bijzonder) en wat gaat u er in dit specifieke geval tegen ondernemen?
Nederland is tegen de doodstraf, ongeacht het delict, en pleit voor het instellen van een universeel moratorium.
Bevat de wetgeving van Oost-Palestina (het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië) nog steeds een strafrechtelijke beperking met betrekking tot de verkoop van onroerend goed aan Joden? Zo ja, hoe luidt deze precies? Bent u dan met ons van mening dat dit een vorm van staatsantisemitisme is die in de bilaterale relaties met Nederland niet zonder consequenties kan blijven?
Nee. Volgend op het vredesverdrag tussen Jordanië en Israël is in 1995 de wet ingetrokken houdende het verbod op de verkoop van onroerend goed aan Israëlisch staatsburgers. Zij kunnen thans onder dezelfde voorwaarden als andere niet-Arabieren in Jordanië onroerend goed kopen. Ten overvloede zij opgemerkt dat de aanduiding Oost-Palestina voor Jordanië volkenrechtelijk onjuist is.
Een werkbezoek van Israëlische burgemeesters |
|
Geert Wilders (PVV), Raymond de Roon (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Holland calls off settlement heads’ visit»?1
Ja
Is het waar dat u en/of de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bezwaren heeft/hebben gemaakt tegen de deelname van Israëlische lokale bestuurders uit Judea en Samaria aan een werkbezoek aan Nederland? Zo ja, waaruit bestaan die bezwaren?
Gaarne verwijs ik naar mijn antwoorden op de soortgelijke vragen die gesteld zijn door het lid Voordewind, luidende:
De ambassade in Tel Aviv is begin september 2010 benaderd door de Israëlische vestiging van de Amerikaans-Joodse organisatie Joint Distribution Committee (JDC) met het verzoek om een briefing ter voorbereiding van een reis van 23 Israëlische burgemeesters naar Nederland. Volgens JDC zou de VNG betrokken zijn bij de organisatorische ondersteuning van dit bezoek. In dat verband heeft de JDC de ambassade een lijst overhandigd van de voorgenomen delegatie. Op deze lijst waren zes burgemeesters van nederzettingen vermeld. Hierop heeft de ambassade contact opgenomen met het departement met het verzoek om instructie.
Het ministerie heeft vervolgens navraag gedaan bij de VNG naar de achtergronden van de reis. Desgevraagd heeft het ministerie de VNG geïnformeerd dat vertegenwoordigers van de Rijksoverheid in het algemeen geen contacten onderhouden met de lokale overheden in de nederzettingen. Andere organisaties in Nederland – waaronder de VNG – staat het evenwel vrij zelfstandig te beslissen of het contacten wil aangaan.
Over de status van de nederzettingen bestaat volkenrechtelijk geen verschil van mening. Deze zijn in strijd met het internationaal recht, zoals onder meer is vastgesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en herbevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof d.d. 9 juli 2004 over de bouw van de veiligheidsbarrière op de Westelijke Jordaanoever. De Europese Raad van 16 september 2010 heeft de strijdigheid van de nederzettingen met het internationaal recht nogmaals bevestigd in zijn verklaring over het Midden-Oosten Vredesproces.
De regering onthoudt zich actief van handelingen die kunnen bijdragen aan de legitimering van deze nederzettingen. Daaronder is ook te verstaan het onderhouden van contacten met autoriteiten in de nederzettingen, zoals burgemeesters. Dit betekent echter niet dat de regering anderen verhindert om contacten met hen te onderhouden.
Betwist u de legitimiteit van de bestuurlijke functie van die lokale bestuurders? Zo ja, waarom?
Waar het hier om gaat is de vraag of de nederzettingen als zodanig legitiem zijn en het antwoord daarop luidt ontkennend.
Deelt u de mening dat een werkbezoek van lokale bestuurders uit een democratische rechtsstaat als Israël, dat er op is gericht om kennis te krijgen van organisatie en werkwijze van Nederlands lokaal bestuur, niet moet worden verhinderd om overwegingen van internationale politiek? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin ondersteun ik de stelling dat bedoelde uitwisselingen tussen lokale overheden zeer nuttig zijn en ik juich toe dat VNG ook een actieve bijdrage levert aan dergelijke uitwisselingen met en tussen gemeentelijke overheden, onder meer in haar hoedanigheid van voorzitter van de «Municipal Alliance for Peace».
De VNG is een autonome ledenorganisatie die eigenstandig een positie in deze zaak inneemt.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om dit werkbezoek op korte termijn door te laten gaan en de VNG op te roepen om daar alle medewerking aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het weigeren van een delegatie burgemeesters uit Israël |
|
Atzo Nicolaï (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft besloten een delegatie van burgemeesters uit Israël, die volgende maand een bezoek aan Nederland zou brengen, te weigeren?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse ambassade een negatief advies heeft gegeven aan de VNG ten aanzien van het ontvangen van sommige leden van deze delegatie, namelijk diegene die komen uit de westelijke Jordaanoever? Zo nee, welke rol heeft de Nederlandse ambassade in Israël dan wel gespeeld hierin?
Neen, dat kan ik niet bevestigen. De ambassade in Tel Aviv is begin september 2010 benaderd door de Israëlische vestiging van de Amerikaans-Joodse organisatie Joint Distribution Committee (JDC) met het verzoek om een briefing ter voorbereiding van een reis van 23 Israëlische burgemeesters naar Nederland. Volgens JDC zou de VNG betrokken zijn bij de organisatorische ondersteuning van dit bezoek. In dat verband heeft de JDC de ambassade een lijst overhandigd van de voorgenomen delegatie. Op deze lijst waren zes burgemeesters van nederzettingen vermeld. Hierop heeft de ambassade contact opgenomen met het departement met het verzoek om instructie.
Het ministerie heeft vervolgens navraag gedaan bij de VNG naar de achtergronden van de reis. Desgevraagd heeft het ministerie de VNG geïnformeerd dat vertegenwoordigers van de Rijksoverheid in het algemeen geen contacten onderhouden met de lokale overheden in de nederzettingen. Andere organisaties in Nederland – waaronder de VNG – staat het evenwel vrij zelfstandig te beslissen of het contacten wil aangaan.
Op welke volkenrechtelijke gronden heeft de Nederlandse ambassade zijn zorgen uitgesproken over de samenstelling van deze delegatie?
Over de status van de nederzettingen bestaat volkenrechtelijk geen verschil van mening. Deze zijn in strijd met het internationaal recht, zoals onder meer is vastgesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en herbevestigd in het advies van het Internationaal Gerechtshof d.d. 9 juli 2004 over de bouw van de veiligheidsbarrière op de Westelijke Jordaanoever. De Europese Raad van 16 september 2010 heeft de strijdigheid van de nederzettingen met het internationaal recht nogmaals bevestigd in zijn verklaring over het Midden-Oosten Vredesproces.
De regering onthoudt zich actief van handelingen die kunnen bijdragen aan de legitimering van deze nederzettingen. Daaronder is ook te verstaan het onderhouden van contacten met autoriteiten in de nederzettingen, zoals burgemeesters. Dit betekent echter niet dat de regering anderen verhindert om contacten met hen te onderhouden.
Zou zonder het advies van de Nederlandse ambassade het bezoek aan de VNG wel zijn doorgegaan?
Er is geen sprake van schade in de vriendschappelijke betrekkingen met Israël. De Israëlische regering is goed op de hoogte van het feit dat de VNG een autonome ledenorganisatie is die eigenstandig een positie in deze zaak mag innemen. De woordvoerder van het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft dat in zijn persreacties ook onderstreept.
Van groter belang is dat partijen in het Midden-Oosten voortgang maken met onderhandelingen gericht op een duurzame vredesregeling, zodat in de toekomst dit soort incidenten niet meer voorkomt. De regering steunt Israëli’s en Palestijnen in dit streven.
Wat gaat u doen, nu er grote ophef in Israël is ontstaan over de weigering van een Israëlische delegatie naar Nederland, om de schade in de vriendschappelijke betrekkingen met Israël te beperken en te bevorderen dat het bezoek van de Israëlische delegatie alsnog doorgang kan vinden?
Een informatief bericht voor diplomaten over de deelname aan coalitie(-onderhandelingen) door de PVV |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u in aansluiting op uw antwoorden d.d. 13 september 2010 op de schriftelijke vragen terzake aangeven welke ambassades een informatief bericht met enkele elementen van publieksdiplomatie hebben ontvangen over het formatieproces in Nederland?1
Het betreffende bericht is gezonden aan ambassades in Afrika (waaronder Cairo), Azie (waaronder Jakarta en Kaboel), Amerika (waaronder Washington) en Europa (waaronder Brussel).
Is het informeren van bepaalde ambassades gebleven bij dit informatieve bericht of zijn meerdere informatieve berichten dan wel instructies verzonden?
Over de stand van zaken in het formatieproces is dat het enige informatieve bericht dat is toegegaan aan de betreffende posten.
Heeft u signalen ontvangen van één of meerdere ambassades dat extra informatie over de onderhandelingen ten aanzien van een kabinet van CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV gewenst is, en zo ja, wat was de strekking van deze signalen?
Neen, ik heb voorafgaand aan de publicatie van het concept-regeerakkoord geen verzoeken gekregen om nadere informatie.
Het massaal kopen van stemmen bij de verkiezingen op Sint Maarten |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Duncan: Heyliger koopt stemmen»1 en «National Alliance wint verkiezingen Sint Maarten»?2
Ja, ik heb daar kennis van genomen.
Is het waar dat bij de verkiezingen op Sint Maarten van 17 september 2010 massaal stemmen zijn gekocht, onder andere door middel van «laptops, betaling van het schoolgeld, van de huur, de stroomrekening, een ijskast [en] bouwblokken»? Is het waar dat per persoon meer stemkaarten zijn uitgereikt?
Ik kan dergelijke berichten niet bevestigen of ontkennen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is niet betrokken bij of verantwoordelijk voor de wijze waarop in andere landen binnen het Koninkrijk verkiezingen worden georganiseerd en uitslagen daarvan worden vastgesteld.
Dat geldt derhalve ook voor de verkiezingen op Curaçao van 27 augustus 2010.
Is het waar dat zich bij de verkiezingen op Curaçao van 27 augustus 2010 soortgelijke praktijken hebben voorgedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe zou u – in licht van deze ontwikkelingen – het verloop van de verkiezingen op Sint Maarten willen karakteriseren? In hoeverre kan gesteld worden dat er zich in grote mate onrechtmatigheden hebben voorgedaan?
Zie antwoord vraag 2.
Is het kopen van stemmen op de Nederlandse Antillen en Aruba strafbaar? In hoeverre is het verstrekken van goederen door politieke partijen in strijd met de eed die de gekozen volksvertegenwoordigers hebben afgelegd of zullen afleggen? In welke mate wordt er in de huidige situatie door lokale autoriteiten opgetreden tegen dit soort activiteiten?
Naar het destijds geldende recht is zowel het kopen van stemmen als het verkopen van het eigen stemrecht strafbaar, zo is onder meer bepaald in het Wetboek van Strafrecht van de Nederlandse Antillen in artikel 132. Die bepaling geldt nu ook voor de beide nieuwe landen. Nog afgezien van het feit dat dergelijk handelen strafbaar is, is het duidelijk dat het op een dergelijke wijze beïnvloeden van het stemgedrag van kiezers, de legitimiteit van aldus verkozen Statenleden ondermijnt en de deugdelijkheid van bestuur op voorhand negatief wordt beïnvloed. Daarmee is geen uitspraak gedaan over de vraag of en in welke mate dergelijk handelen ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Mij is bekend dat er binnen het politiekorps van Sint Maarten een intern onderzoek plaats vindt naar aanleiding van aanwijzingen dat er sprake zou kunnen zijn van overtreding van eerder genoemde bepaling van het Wetboek van strafrecht. Indien daartoe aanleiding is zal het Openbaar Ministerie moeten bezien of strafrechtelijke vervolging dient te worden ingesteld.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is daarbij op geen enkele wijze betrokken.
Deelt u de mening dat het kopen van stemmen in strijd is tot de uitgangspunten van deugdelijk bestuur die centraal staan in het thans lopende traject van staatkundige hervorming? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om op te treden tegen dergelijke praktijken in het Caribische gedeelte van het Koninkrijk?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe verhoudt het verloop van de verkiezingen op Sint Maarten zich tot de conclusie van de Commissie van Deskundigen in het Rapport Toetsing Overheidsapparaten Curaçao en Sint Maarten dat verkiezingen en referenda op het eiland «naar behoren [worden] uitgevoerd?» Strookt deze conclusie met de praktijk op Sint Maarten?
Het oordeel van genoemde commissie heeft uitsluitend betrekking op de wijze waarop door de betrokken autoriteiten verkiezingen uitgeschreven en georganiseerd worden en waarop de uitslag wordt vastgesteld. De wijze waarop individuele kandidaten en partijen dan wel kiesgerechtigden zich gedragen voorafgaand en tijdens verkiezingen is onvoorspelbaar. Het oordeel van de commissie heeft daar derhalve geen betrekking op.
Overweegt u om de Electorale Raad alsnog onder het regime van de Algemene Maatregel van Rijksbestuur Waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten te brengen? Zo niet, waarom niet?
Nee. Uit artikel 2 van de samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak volgt dat de verplichting voor het opstellen en uitvoeren van een plan van aanpak alleen geldt voor taken (of diensten) die als zodanig benoemd en bekrachtigd zijn door de Slot Ronde Tafel Conferentie.
Welke vooruitgang is geboekt bij het nemen van maatregelen om de onafhankelijkheid van het hoofdstembureau blijvend te verzekeren?
Zie antwoord vraag 8.
Onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nieuw onderzoek van Michigan State University dat wijst op 1 miljoen kinderen die mogelijk onterecht zijn gediagnosticeerd met aandachtsstoornis ADHD?1
Ja.
Bent u van mening dat het stellen van de diagnose ADHD gecompliceerd is, dat het mogelijk is dat daardoor onvoldoende rekening wordt gehouden met leeftijd en achtergrond, en dat er sprake kan zijn van een onjuiste diagnose ADHD? In hoeverre is hiervan sprake in Nederland?
In Nederland is een diagnostiekprotocol met gestandaardiseerde instrumenten beschikbaar voor diagnostiek rondom ADHD, waarin rekening wordt gehouden met leeftijd en achtergrond van de patiënt. Diagnostiek wordt uitgevoerd door BIG geregistreerde professionals. Ik ga er vanuit dat deze professionals bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor worden de kansen op een onjuiste diagnose geminimaliseerd.
Bent u ervan op de hoogte dat de Gezondheidsraad2 al in 2000 aangaf dat de afbakening van het begrip ADHD tot op zekere hoogte arbitrair is, dat richtlijnen en protocollering een sterk positieve invloed op de kwaliteit van diagnostiek en behandeling hebben en dat de overheid een kenniscentrum op dit gebied zou moeten ontwikkelen? Zo ja, wat is er sindsdien door de overheid in gang gezet? Zo nee, bent u bereid een regierol te vervullen in het opzetten van een kenniscentrum en onderzoek naar de kwalitatieve en kwantitatieve praktijk van diagnostiek en behandeling te stimuleren?
Ik ben op de hoogte van de aanbevelingen die de Gezondheidsraad destijds heeft gedaan.
In opdracht van het ministerie van VWS en met betrokkenheid van het ministerie van OCW is destijds door het Trimbosinstituut het project Actieplan ADHD opgezet om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Gezondheidsraad voor verbeterde zorg bij ADHD. Concrete producten daarvan op het gebied van diagnostiek en behandeling zijn onder andere:
Om niet alleen de bundeling en verspreiding van kennis over ADHD te stimuleren, maar dit ook voor andere stoornissen mogelijk te maken, is destijds bewust gekozen om de oprichting van een algemeen kenniscentrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie te stimuleren. Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie, waarbij alle academische centra voor kinder- en jeugdpsychiatrie en alle regionale partnerinstituten voor kinder- en jeugdpsychiatrische zorg en de relevante ouder/patiëntenverenigingen zijn aangesloten, heeft tot taak het bundelen en verspreiden van actuele wetenschappelijke kennis over kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen en de beschikbare protocollaire behandelvormen. Tegen deze achtergrond is er voor mij geen aanleiding om het oprichten van een specifiek kenniscentrum ADHD te stimuleren.
Over ADHD is op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie informatie over het ziektebeeld, diagnostiek, medicatie en protocollaire behandelvormen te vinden, die gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze website is voor iedereen toegankelijk.
ADHD is in deze periode ook het onderwerp geweest van vele wetenschappelijke onderzoeken. Gelet op al deze ontwikkelingen vind ik het niet opportuun om onderzoek naar de praktijk van diagnostiek en behandeling verder te stimuleren.
Maakt u zich zorgen over de enorme stijging van het aantal jonge kinderen met de diagnose ADHD en ook over de grote toename van het medicijngebruik door hen? Welke alternatieve behandelingen zijn er voor ADHD? Welke van deze behandelingen worden in Nederland toegepast en in welke mate?3
Mede dankzij de acties genoemd in het antwoord op vraag 3 is de kennis over ADHD de laatste jaren toegenomen. Het wordt steeds beter en eerder herkend, waardoor kinderen sneller in zorg komen. Tevens spelen ontwikkelingen als het verminderen van het taboe op psychiatrische stoornissen en het steeds ingewikkelder worden van de maatschappij waardoor kinderen eerder tegen problemen aanlopen een rol bij het toegenomen aantal jeugdigen dat in behandeling komt bij de jeugd-ggz.
De multidisciplinaire richtlijn ADHD (2005) stelt dat de behandeling van ADHD in het algemeen op twee pijlers berust: medicatie en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling. Er is tevens een medicatieprotocol ADHD beschikbaar op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie. Methylfenidaat, het middel dat als eerste wordt ingezet bij de behandeling van ADHD, is uitgebreid wetenschappelijk onderzocht bij kinderen. Het medicatieprotocol ADHD is in maart 2010 geactualiseerd en gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten.
Tot gedragstherapeutische / psychosociale behandeling behoren psycho-educatie, gedragstherapie en begeleiding gericht op de ouders, de leerkracht en de school en niet-medicamenteuze behandeling van het kind, bijvoorbeeld via zelfregulatietraining. Waarbij de gedragstherapeutische / psychosociale behandeling van kortere duur kan zijn dan het medicatiegebruik. Mij zijn geen signalen bekend dat deze richtlijn niet goed nageleefd wordt.
Bent u op de hoogte van het onderzoek van Trimbos-onderzoeker Van de Glind, in samenwerking met onderzoekers uit elf landen, die stelt dat ADHD’ers extra gevoelig zijn voor verslaving?
Ik ben bekend met het onderzoek.
Het is bekend dat er een relatie bestaat tussen enerzijds ADHD en verslaving en anderzijds tussen depressie en verslaving. De relatie tussen ADHD en depressie wordt verondersteld. Het beantwoorden van de vraag naar de aard, de relevantie en de consequenties van deze relatie, moet worden overgelaten aan de professionals en wetenschappers.
Dit is door het veld ook opgepakt. Ik licht enkele punten uit. Zo heeft ZonMW in het kader van het Richtlijnenprogramma Jeugdgezondheid opdracht gegeven voor de ontwikkeling van een Richtlijn Jeugdgezondheidszorg ADHD. Deze richtlijn geeft aan hoe artsen op het consultatiebureau of schoolartsen ADHD in een vroeg stadium kunnen signaleren en wanneer zij voor verdere diagnostiek door moeten verwijzen. Daarbij geeft de richtlijn aandacht aan de samenwerking met huisartsen, kinderartsen en Jeugd-GGZ. Ook is een Richtlijn ADHD voor de behandeling van ADHD in ontwikkeling. Via het programma Zorg voor jeugd heeft ZonMw opdracht gegeven om een proefimplementatie van de Richtlijn ADHD voor behandelaars uit te voeren. Deze is gericht op medewerkers in de Jeugd-GGZ en Jeugdzorg.
Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie ontwikkelt in 2011 samen met het Trimbos instituut en het Nederlands Jeugdinstituut een evidence-based protocol voor diagnostiek, behandeling met psychofarmaca en effectieve interventies voor jeugdigen waarbij comorbiditeit van psychiatrische stoornissen en middelengebruik speelt. Dit protocol wordt ontwikkeld met behulp van een gerichte subsidie van VWS in het programma «effectieve interventies» van ZonMw Jeugd.
Door het Trimbos wordt naar aanleiding van Nemesis II, een grootschalige studie naar de psychische gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking van 18 tot en met 64 jaar,gewerkt aan een onderzoek met als doel het nagaan van in welke mate ADHD en gedragsstoornissen een effect hebben op het ontstaan en beloop van alcoholstoornissen.
Wat is uw reactie op zijn opvatting dat mensen in de verslavingszorg, maar ook cliënten in de geestelijke gezondheidszorg en patiënten van huisartsen met depressieve klachten als onderliggende oorzaak ADHD hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het goed mogelijk is dat enerzijds veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen, terwijl anderzijds de diagnose ADHD bij volwassenen met depressieve klachten wordt gemist?
Ik ben niet van mening dat veel kinderen ten onrechte de diagnose ADHD krijgen en daarmee samenhangend ten onrechte behandeld worden met geneesmiddelen. Ik ga er vanuit dat de professionals die deze diagnose kunnen stellen bekend zijn met de beschikbare protocollen en werken met de gestandaardiseerde instrumenten die hen beschikbaar zijn en die gebaseerd zijn op wetenschappelijke kennis. Hierdoor wordt de kans op een onjuiste diagnose geminimaliseerd. Overigens zijn minder jeugdigen in behandeling zijn voor ADHD dan op grond van prevalentiecijfers verwacht mag worden. Het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie wijst er op dat er in het veld eerder zorgen zijn over dat bepaalde groepen jeugdigen die nog onvoldoende bereikt worden, bijvoorbeeld allochtone jeugdigen en jeugdigen in de jeugdzorg. In de visie van het demissonaire kabinet «Perspectief voor jeugd en gezin» wijzen wij er wel op dat door dicht bij het kind en het gezin tijdig passende ondersteuning te bieden in aansluiting op de eigen kracht en het sociale netwerk, ernstiger problemen later zo veel mogelijk voorkomen kunnen worden. Naar onze mening is hier nog veel winst te boeken.
De relatie tussen ADHD en depressie is nog onderwerp van professioneel / wetenschappelijk debat. Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Derhalve kan over de in de vraag gesuggereerde relatie tussen beide mijnerzijds geen uitspraak worden gedaan.
Vormt dit gegeven voor u extra aanleiding om nu het opzetten van een kenniscentrum ADHD te stimuleren? Zo ja, hoe en wanneer?
Het Landelijk Kenniscentrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie heeft tot taak het bundelen en verspreiden van actuele wetenschappelijke kennis over kinder- en jeugdpsychiatrische stoornissen en de beschikbare protocollaire behandelvormen.
Over ADHD is op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie informatie over het ziektebeeld, diagnostiek, medicatie en protocollaire behandelvormen te vinden, die gebaseerd is op de laatste wetenschappelijke inzichten. Deze website is voor iedereen toegankelijk.
Voor volwassenen is door het veld in 2002 het Kenniscentrum ADHD bij volwassenen opgericht bij Psyq. Dit kenniscentrum heeft tot doel het ontwikkelen, verspreiden en implementeren van kennis over ADHD bij volwassenen. Hiernaast coördineert het Kenniscentrum de Stichting Netwerk ADHD bij volwassenen, dat professionals verenigt met interesse in deze stoornis in Nederland, en het European Network Adult ADHD, voor Europese onderzoekers en behandelaars. Ook werkt het Kenniscentrum samen met patiëntenorganisaties en vele anderen in het veld.
Gezien bovenstaande zie ik geen aanleiding om een kenniscentrum ADHD te stimuleren.
Jaarlijkse verlofreizen van ambassadepersoneel |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Ambassadeverlof kost 3 miljoen euro» en «Meerderheid wil soberder reisregeling»?1
Ja.
Is het waar dat uw departement drie miljoen euro per jaar besteedt aan verlofreizen voor uitgezonden werknemers? Zo nee, wat is het correcte bedrag?
Mijn departement besteedt gemiddeld 3,5 miljoen euro per jaar aan verlofreizen naar Nederland voor uitgezonden ambtenaren en hun op de standplaats verblijvende afhankelijke gezinsleden. Dit bedrag kan per jaar variëren, afhankelijk van het aantal uitgezonden ambtenaren (momenteel 1155) en afhankelijke gezinsleden (momenteel 1648), de ticketprijzen en de valutakoersen.
Is het waar dat uitgezonden werknemers buiten Europa één keer per jaar recht hebben op een businessclassticket terug naar Nederland voor het hele gezin?
Alle uitgezonden ambtenaren en op de standplaats verblijvende afhankelijke gezinsleden maken inderdaad één keer per jaar aanspraak op een verlofreis naar Nederland. Hiermee worden zij onder meer in staat gesteld voeling met Nederland te houden, contacten met familie en kennissen in Nederland te onderhouden, de bedrijfsarts te bezoeken en op het departement besprekingen te voeren en cursussen te volgen. Voor nabije standplaatsen zoals binnen Europa en Noord-Afrika wordt economy class gereisd. Bij verre bestemmingen mag business class worden gereisd. Dit is onderdeel van de secundaire arbeidsvoorwaarden die met de vakbonden zijn overeengekomen. Een eventuele bijstelling hiervan vereist daarom overeenstemming met de vakbonden.
Kunt u aangeven welk deel van de totale verlofreiskosten wordt opgemaakt door deze businessclasstickets?
Ongeveer 90%.
Welke besparing zou gerealiseerd worden als de uitgezonden werknemers buiten Europa (en hun gezinnen) economyclass zouden reizen?
Jaarlijkse verlofreizen naar Nederland horen bij het werken bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is een regeling die geldt voor alle uitgezonden ambtenaren en die ook gebruikelijk is voor medewerkers van organisaties die wereldwijd werken. Indien bij alle verlofreizen economy class gereisd zou worden, zou dat naar verwachting besparing kunnen opleveren van 25% tot 30% van de kosten van de business class. Die schatting is gebaseerd op tickets onder vergelijkbare voorwaarden en met aanzienlijke kortingen die het ministerie van Buitenlandse Zaken op al haar vliegtickets heeft bedongen met marktpartijen.
Wat is uw oordeel over het bericht dat steeds meer kinderen en volwassenen gediagnosticeerd worden met ADHD en het gebruik van ADHD-medicatie de afgelopen vijf jaar is verdubbeld?12
Cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) laten zien dat er inderdaad sprake is van een forse groei in het aantal voorschriften en gebruikers van methylfenidaat, het middel wat gebruikt wordt tegen ADHD klachten. Dit geldt zowel voor jeugdigen als volwassenen. De cijfers laten het volgende zien.
Gebruikers:
Medicijngebruik:
Wat is uw verklaring voor het feit dat de afgelopen vijf jaar het gebruik van ADHD-medicatie is verdubbeld?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de antwoorden op vraag 2 en vraag 4 van het lid Bouwmeester over onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 740).
Bent u van mening dat er een mogelijke overdiagnosticering is van ADHD bij kinderen? Zo ja, wat gaat u doen om dit probleem aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat uit het MTE onderzoek blijkt dat op de lange termijn ADHD-medicatie onvoldoende werkt maar behandeling wel positieve effecten laat zien? Zo ja, wat gaat u eraan doen dat kinderen ook behandeling krijgen voor hun ADHD?
Nee. Uit de eerste MTA studie bleek dat afname van ADHD symptomen na 14 maanden het grootst was bij de jeugdigen die behandeld werden met medicatie, al dan niet in combinatie met gedragstherapie. Na dit onderzoek gingen de deelnemers verder met een behandeling naar eigen keuze in de eigen omgeving. Daarna zijn er twee follow-upstudies gedaan onder dezelfde personen, een na 24 maanden en een na 36 maanden.
Bij de follow-up studie na 36 maanden werd geconstateerd dat de verschillen tussen de jeugdigen die tijdens de eerste 14 maanden werden behandeld met medicatie en de jeugdigen die tijdens de eerste 14 maanden niet werden behandeld met medicatie, waren verdwenen. Of voortzetting van de intensieve medicatiebehandeling na 14 maanden wel geleid zou hebben tot meerwaarde bij de 36-maandenmeting is niet onderzocht, dus niet bekend.
Voor verdere beantwoording verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 van het lid Bouwmeester over onterechte en gemiste diagnose ADHD en de gevolgen voor behandeling. (ingezonden 21 september 2010)
Hoeveel kinderen krijgen ADHD-medicatie voorgeschreven zonder dat zij ook behandeld worden voor hun ADHD? Bent u bereid dit te onderzoeken wanneer dit niet bekend is? Zo nee, waarom niet?
Mij zijn geen signalen bekend dat de multidisciplinaire richtlijn ADHD, waarin gesteld wordt dat de behandeling van ADHD over het algemeen op twee pijlers berust, te weten medicamenteuze behandeling en gedragstherapeutische / psychosociale behandeling, niet wordt nageleefd. Naast deze richtlijn is ook een medicatieprotocol ADHD beschikbaar op de website van het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie.
Navraag bij het Landelijk Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie leert dat wanneer in een behandeltraject ADHD gestart wordt met medicatie, dit vrijwel altijd in combinatie is met een psychosociale / gedragstherapeutische behandeling. Als de benodigde veranderingen die de psychosociale / gedragstherapeutische behandeling tot doel had zijn bewerkstelligd, kan worden volstaan met alleen medicatie met periodieke controle.
Gezien bovenstaande zie ik geen reden te onderzoeken hoeveel kinderen alleen medicatie krijgen voor ADHD.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat leraren in staat worden gesteld om goed les te geven aan zowel zorgleerlingen (bijvoorbeeld drukke kinderen of kinderen met ADHD) als aan reguliere leerlingen?
Onderzoek heeft uitgewezen dat als leraren goed zijn in het bieden van structuur voor zorgleerlingen, dit ook een positief effect heeft op de «reguliere» leerlingen in de klas. Goed klassenmanagement is dan ook essentieel om in de klas een leerklimaat te creëren waarin alle leerlingen kunnen werken.
In de uitzending van Zembla (18 september 2010) wordt hier terecht door een van de moeders aandacht voor gevraagd.
In het beleid rond passend onderwijs is deskundigheidsbevordering van leraren op het gebied van het omgaan met zorgleerlingen dan ook een belangrijk speerpunt. Uw Kamer is eerder in de brief over de voortgang van passend onderwijs (Kamerstukken 31 497, nr. 21) en in de beleidsreactie op het advies van de Onderwijsraad ("De school en leerlingen met gedragsproblemen", Kamerstukken 31 497, nr. 23) geïnformeerd over wat er door verschillende partijen in het onderwijs gedaan wordt om leraren beter toe te rusten op het omgaan met leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.
Bent u van mening dat kleinere klassen kunnen bijdragen aan goede begeleiding van zorgleerlingen in de klas? Zo ja, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
Er is mij geen onderzoek bekend waarin een directe causale relatie tussen de grootte van de klassen en goede begeleiding van leerlingen is aangetoond. Kleinere klassen zijn niet per se in alle gevallen de oplossing. Geen twee scholen zijn immers hetzelfde. De ervaring van het team van leerkrachten, de samenstelling van de leerlingenpopulatie en de al aanwezige ondersteuning in en om de school kunnen zodanig verschillen, dat de ene school de zorg op een andere manier wil inrichten dan een andere school. De ene school kan dan ook kiezen voor de inzet van klassenassistenten terwijl een andere school kiest voor scholing, al dan niet in combinatie met de inzet van een remedial teacher, etc.
Bent u bereid om te onderzoeken welke rol de farmaceutische industrie heeft in de toename van ADHD-medicatiegebruik? Zo nee, waarom niet?
De farmaceutische industrie ontwikkelt geneesmiddelen en brengt deze op de markt. De registratie autoriteiten (European Medicines Agency / College ter Beoordeling van Geneesmiddelen) wegen de werkzaamheid en veiligheid af en laten het middel toe op de markt.
Het is aan de professional om af te wegen of hij dit middel voorschrijft aan een patiënt, rekening houdend met professionele richtlijnen hieromtrent.
Het staat alle partijen vrij een klacht in te dienen bij de stichting Code Geneesmiddelen Reclame over ongeoorloofde (publicitaire) druk van de farmaceutische industrie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg houdt toezicht.
Er bereiken mij geen signalen dat dit stelsel van checks and balances onvoldoende zou functioneren ten aanzien van het ADHD medicatiegebruik.
Gezien het bovenstaande en ook gezien de eerder genoemde oorzaken voor de stijging van het aantal diagnosen en behandeling voor ADHD zie ik geen noodzaak om de rol van de farmaceutische industrie in de toename van het medicatiegebruik voor ADHD te onderzoeken.
De betrokkenheid van o.a. de Nederlandse bedrijven Advanta en Bejo Zaden bij kinderarbeid in India |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Kunnen wij uit uw antwoord op vraag vijf, waarin u aangeeft dat de bedrijven Bejo Zaden en Limagrain Nederland (Advanta) geen subsidie hebben ontvangen voor projecten in India, afleiden dat ze ook niet gebruik hebben gemaakt van andere vormen van ondersteuning van de overheid voor projecten in India, bijvoorbeeld in het kader van de Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP), Funtamenteel Onderzoek der Materie (FOM), Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM), Programma ontwikkelingsrelevante exporttransacties (ORET), Exportkredietverzekering (EKV), of Stichting Economische Samenwerking Nederland Oost-Europa en Garantiefaciliteit voor Opkomende Markten (SENO/GOM)?1 Zo nee, welke gevolgen zal dat voor die vormen van ondersteuning hebben, hierbij in gedachten houdend de strekking van de motie Gesthuizen2 en de motie Voordewind3 alsmede het kabinetstandpunt dat in zulke gevallen een boete kan worden opgelegd?
Ja. U kunt uit het antwoord op vraag 5 afleiden dat de bedrijven Bejo Zaden en Limagrain Nederland (Advanta) ook geen gebruik hebben gemaakt van andere vormen van ondersteuning door de overheid voor projecten in India.
Hebben de genoemde bedrijven ondersteuning van de overheid ontvangen voor projecten in andere landen dan India? Zo ja, welke gevolgen zal dat voor die subsidies of vormen van ondersteuning hebben, hierbij in gedachten houdend de strekking van de motie Gesthuizen en de motie Voordewind alsmede het kabinetstandpunt dat in zulke gevallen een boete kan worden opgelegd?
Ja. Bejo Zaden heeft ondersteuning ontvangen voor projecten in andere landen dan India. Dit betreft drie projecten vanuit het Programma Economische Samenwerking Projecten (PESP) voor de landen Georgië, Roemenië en Rusland. Twee van de drie projecten zijn inmiddels afgerond. Het PESP-project in Rusland loopt nog. Bejo Zaden nam eerder ook deel in enkele projecten in het kader van het niet langer bestaande Programma Samenwerking Oost Europa (PSO). Het betrof projecten voor de landen Litouwen (goedgekeurd in 1995 en 1996), Kazachstan (2001 en 2004), Bosnia Herzegowina (2002), Macedonië (2003) en Rusland (2004). Al deze projecten zijn inmiddels afgerond. Limagrain (Advanta) heeft vanuit het Programma Samenwerking Opkomende Markten (PSOM) ondersteuning ontvangen bij een project in China dat in 2002 is afgerond.
Deze informatie heeft geen gevolgen voor de ondersteuning. Buiten de subsidierelatie kan niet worden teruggevorderd en ook kan geen boete worden opgelegd.
Verdubbeling in het aantal legionellagevallen |
|
Karen Gerbrands (PVV), Richard de Mos (PVV) |
|
Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Meer meldingen legionella dan normaal»?1
Ja.
Bent u bereid om uit te laten zoeken in hoeverre de weersomstandigheden van invloed zijn op de toename van het aantal gevallen van legionella? Zo nee, waarom niet?
Zoals blijkt uit het in de vorige vraag genoemde bericht, was er ook in de nazomer van 2006 sprake van een piek in het aantal legionellosegevallen. Naar aanleiding daarvan heeft het RIVM een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke bronnen en de mogelijke relatie met de weersomstandigheden2.
In een vervolg op het onderzoek uit 2006 is over een aantal jaar gekeken wat het verband was tussen het weer en het aantal legionellosepatiënten3. Hieruit bleek dat bij warm, vochtig en regenachtig zomerweer er meer legionellosebesmettingen werden vastgesteld. Deze weersomstandigheden lijken gunstig voor de groei en verspreiding van de bacterie. Het onderzoek geeft echter geen inzicht in de onderliggende oorzaak en bronnen. In welke mate natte koeltorens, opgewarmde leidingwaterinstallaties, bepaalde activiteiten zoals bijvoorbeeld het gebruik van hogedrukspuit of tuinslang en andere mogelijk nog onbekende bronnen bijdragen aan het aantal besmettingen is nog niet duidelijk. Aanvullende informatie over activiteiten wordt inmiddels verzameld om meer duidelijkheid te krijgen over de mogelijke bronnen.
Om meer zicht te krijgen op de bijdrage door koeltorens is een vollediger overzicht van de locaties van koeltorens nodig dan nu beschikbaar is. Over deze problematiek en de te treffen maatregelen wordt u separaat bij brief geïnformeerd.
Bent u bereid de kwaliteit van het water te onderzoeken, nu blijkt dat de meeste mensen de legionella naar alle waarschijnlijkheid in Nederland hebben opgelopen? Wat doet u eraan om mensen te waarschuwen voor de legionella?
In prioritaire instellingen, zoals ziekenhuizen en hotels, wordt het leidingwater regelmatig onderzocht op de aanwezigheid van legionellabacteriën. In het Waterleidingbesluit zijn hierover voorschriften opgenomen, in het kader van de legionellapreventie in leidingwater. De drinkwaterbedrijven voeren daarnaast regelmatig legionellametingen uit in het drinkwater op het punt waar het ter beschikking van de klant komt (voor de watermeter). Bij normoverschrijdingen geldt een meldplicht aan de VROM-Inspectie.
Voor de houder van een zwembad geldt op grond van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden eveneens een periodieke meetverplichting op de aanwezigheid van legionellabacteriën in het zwemwatersysteem en een plicht om normoverschrijdingen aan de toezichthouder (de provincie) te melden.
Voor natte koeltorens geldt wel de plicht om de legionellarisico’s te inventariseren en beheersmaatregelen uit te voeren, maar geldt er geen expliciet in de wet vastgelegde meetverplichting. Het wordt aan de verantwoordelijkheid van de houder van de installatie overgelaten om in het kader van het beheer metingen uit te voeren en de toezichthouder op de hoogte te stellen van de meetresultaten.
Ik zal u binnenkort bij afzonderlijke brief informeren over resultaten van legionella-analyses van het water in natte koeltorens, naar aanleiding van een onderzoek dat daarnaar is uitgevoerd in opdracht van de VROM-Inspectie.
Om mensen te informeren over de risico’s van stilstaand water in de huisinstallatie bij afwezigheid (bijvoorbeeld door vakantie) hebben de gezamenlijke drinkwaterbedrijven een speciale website ontworpen (www.kraandoorspoelen.nu).
Ook is door de rijksoverheid onder meer een folder uitgebracht met antwoorden op de 25 meestgestelde vragen over legionella (zie www.rijksoverheid.nl). De folder heeft tot doel om het publiek te informeren over de risico’s van legionella en de maatregelen die men kan nemen om het risico te beheersen.
Wat doet u om legionellabesmetting bij warm stilstaand water te voorkomen?
Voor mogelijke besmettingsbronnen, zoals natte koeltorens, leidingwaterinstallaties en whirlpools, bestaat regelgeving gericht op het beheersen van de legionellarisico’s. Basis voor die regelgeving is onder meer de Arbeidsomstandighedenwet, de Wet milieubeheer, de Waterleidingwet en de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.
Deze regelgeving verplicht de betreffende werkgevers, drijvers van inrichtingen, eigenaars van leidingwaterinstallaties en houders van badinrichtingen tot beheersing van de risico’s. De op basis van deze wetgeving aangewezen toezichthouders zijn verantwoordelijk voor toezicht en handhaving van deze regels.
Daarnaast wordt communicatie als instrument ingezet om de eigenaars en het publiek bewust te maken van de risico’s en de te nemen maatregelen, zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 heb beschreven.
Een onderzoek naar de relatie tussen abortussen en prenatale screening bij Downsyndroom |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het onderzoek van de Stichting Downsyndroom naar het afbreken van een zwangerschap, als na prenatale screening blijkt dat er sprake is van een kind met het syndroom van Down?1
Ja, ik heb het onderzoek naar «ervaringen van ouders met prenatale screening» gelezen. Dit is een enquête uitgevoerd door de Stichting Downsyndroom (SDS) onder ouders van kinderen met Downsyndroom in de leeftijd van 0 tot 21 jaar. Dat betekent dat de uitkomst slechts in beperkte mate iets kan zeggen over het beleid van de overheid dat sinds 2007 van kracht is. Belangrijke conclusie is wel dat de ouders van kinderen in de jongste categorie significant vaker aangeven een bewuste keuze te hebben gemaakt om wel of niet deel te nemen aan prenatale screening.
Hoe beoordeelt u een percentage zwangerschapsafbrekingen van negentig procent in het licht van het beleid dat uitgaat van een gelijkwaardige behandeling van gehandicapten en niet-gehandicapten?
Die negentig procent beoordeel ik in het kader van het aantal zwangeren dat kiest voor prenatale screening op Downsyndroom. In de eerste jaren na het verlenen van een vergunning op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO) is gebleken dat dit nog geen kwart is. Uit het onderzoek van de SDS naar de motieven om af te zien van prenatale screening blijkt dat er de laatste jaren een verschuiving plaatsvindt. Bij ouders van kinderen jonger dan vijf jaar geeft de meerderheid aan niet te hebben gekozen voor prenatale screening, omdat «een kind met een handicap als Downsyndroom sowieso welkom was in het gezin».
Welke concrete stappen zijn gezet sinds de uitspraken van de voormalige staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in april 2008 dat «de informatie over deze echo volledig moet zijn. Ook tijdens de opleiding moet specifieke aandacht worden besteed aan de wijze waarop men deze echo presenteert. Dat krijgt al alle aandacht door middel van aparte cursussen voor degenen die met deze echo’s werken. Het is nog wel voor verbetering vatbaar, maar wij zijn daar constructief mee bezig.»?2
Prenatale screening op Downsyndroom en het structureel echografisch onderzoek (20-wekenecho) hebben als doel om aanstaande ouders de mogelijkheid te bieden om zelf een goed geïnformeerde keuze te maken. Aanstaande ouders krijgen, indien zij dit wensen, uitgebreide informatie over de screening en de keuzes die zij misschien moeten maken. Dit stelt zware eisen aan de voorlichting. Prenatale screening is vergunningplichtig op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO). De regionale centra voor prenatale screening zijn WBO-vergunninghouder. Verloskundigen die onder contract met een WBO-vergunninghouder werken, zijn opgeleid om de voorlichting en counseling te doen bij die zwangeren die dit wensen. In de opleiding wordt het recht op niet weten ook expliciet aan de orde gesteld.
Het centraal orgaan prenatale screening, bestaande uit betrokken beroepsgroepen en de regionale centra, stelt landelijk voorlichtingsmateriaal en opleidingseisen vast. De SDS is betrokken bij het opstellen van de teksten voor de folders.
De folders, die zwangeren bij hun bezoek aan de verloskundige krijgen, zijn ook beschikbaar op www.rivm.nl/zwangerschapsscreening/ .
In het bijzonder wil ik hier wijzen op de keuzehulp die beschikbaar is via http://www.kiesbeter.nl/medische-informatie/keuzehulpen/prenatalescreening/ .
Deelt u de conclusies van deze onderzoekers dat er «duidelijk gebrek is aan objectieve informatie over het syndroom van Down»? Zo ja, welke concrete wegen wilt u dan bewandelen om deze objectieve informatie te bevorderen in opleiding en informatievoorziening?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 3. Wel ben ik van mening dat de voorlichting over prenatale screening zo belangrijk is in het faciliteren van een goed geïnformeerde keuze, dat dit continue aandacht verdient. Het centraal orgaan voor prenatale screening laat onderzoeken of zwangeren inderdaad een goed geïnformeerde keuze maken. Welke keuze dit is, is aan de zwangere zelf. Goed geïnformeerd betekent gebaseerd op voldoende kennis en in lijn met eigen normen en waarden.
Vraag 5 is weggevallen.
Bent u bereid de inspanningsverplichting op u te nemen, om te waarborgen dat ook beslissingen rond het leven van ongeboren kinderen met het syndroom van Down genomen kunnen worden op grond van objectieve en verantwoorde informatie over hun levenskansen en -perspectieven?
Subsidies van het Europees Sociaal Fonds (ESF) aan TNT ter waarde van meer dan vier miljoen euro |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maria van der Hoeven (minister economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is precies de inhoud van een aantal projecten waarvoor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds aan TNT is verstrekt, met een totale waarde van boven de vier miljoen euro?1
De desbetreffende projecten maken onderdeel uit van het ESF-programma 2007–2013. Daarbinnen bestaat een specifiek programma-onderdeel ten behoeve van additionele toerusting en bemiddeling van werklozen met een achterstand op of
tot de arbeidsmarkt (ESF-Actie A). Dit betreft in casu de re-integratie van werkzoekende niet-uitkeringsontvangers (nuggers), mensen met een arbeidsbelemmering respectievelijk gedeeltelijk arbeidsgeschikten of wajongeren en werkloze 55-plussers.
Het doel van de projecten van TNT is het aantrekken en begeleiden van met name niet-uitkeringsontvangers (nuggers) naar een betaalde baan als postbezorger. De doelgroep 55+ en gedeeltelijk arbeidsgeschikten betreft personen met een WWB en/of uitkering van het UWV die ofwel rechtstreeks door TNT geworven worden ofwel door de gemeenten of het UWV worden aangedragen. In die zin past dit project binnen het doel van actie A van het ESF programma 2007–2013 te weten het vergroten van duurzame arbeidsinpassing van personen die tot de bovengenoemde doelgroep horen.
De deelnemers worden door TNT geworven en binnen een periode van 4 weken opgeleid om de functie van postbezorger te kunnen uitoefenen.
Het grootste deel van de subsidie wordt aangewend om deze interne training te bekostigen. De opleiding duurt drie dagen in de eerste week waarin de nieuwe postbezorger werkt. In de drie weken daarna wordt een aantal coachingsgesprekken gevoerd.
Bestaat de kans dat de overheid een project subsidieert waarbij vaste krachten worden vervangen door flexwerkers? Kunt u uw antwoord toelichten?
De betreffende projecten hebben tot doel om moeilijk plaatsbare werklozen aan het werk te helpen. Het creëren van mogelijkheden voor deze specifieke groep is van groot belang, zeker in economisch mindere tijden.
Ik heb navraag gedaan bij TNT. Uit die informatie is mij gebleken dat het niet zo is dat vaste krachten worden vervangen door flexwerkers. Specifiek voor TNT geldt dat de ESF-projecten los staan van de reorganisatie. Dat is een bedrijfsinterne aangelegenheid waarbij – door marktontwikkelingen als volumedaling – banen verdwijnen. De nieuwe medewerkers wordt een parttime, maar vaste baan aangeboden op basis van een cao en arbeidsovereenkomst.
Wat is het totaalbedrag aan dergelijke subsidies verstrekt in de afgelopen tien jaar, zowel door de Europese Unie als door Nederland? Kunt u een overzicht geven van alle projecten die subsidie hebben gekregen, met het bedrag en een beschrijving van de inhoud?
De desbetreffende subsidies worden verstrekt in het kader van het ESF-programma 2007–2013, onderdeel Actie A (zie vraag 1). Dit betreffen Europese middelen, die via een nationale subsidieregeling (Subsidieregeling ESF 2007–2013, herzien) worden verstrekt. De ESF-subsidie bedraagt 40% van de projectkosten, de aanvrager moet 60% uit eigen middelen bijdragen.
Dit programma is gestart in 2007. In de jaren 2007 en 2008 konden alleen gemeenten deze subsidie aanvragen. Vanaf het jaar 2009 kunnen ook UWV en sectorale Opleidings- en Ontwikkelingsfondsen (O&O-fonds) als aanvragers optreden, als zij door de minister van SZW als ESF-aanvrager zijn erkend. Eén van de erkenningsvoorwaarden is dat het een samenwerkingsverband per bedrijfstak of bedrijf moet zijn dat wordt beheerd door vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers. De Stichting TNT Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voldoet daaraan.
In 2007 is € 8 369 092 toegekend aan alleen gemeenten. In 2008 is in totaal € 27 220 618 toegekend, eveneens alleen aan gemeenten. In 2009 is € 48 990 793 (aanvraagtijdvak maart) plus € 73 854 751 (aanvraagtijdvak november 2009), in totaal € 122 845 544 toegekend, waarvan € 90 743 047 aan gemeenten, € 18 000 940 aan UWV en € 14 101 557 aan O&O-fondsen. Jaarlijks is een overzicht aan de Tweede Kamer gezonden, met daarin een beschrijving van de programmaonderdelen op hoofdlijnen, met als bijlage een overzicht van alle verleende subsidie per project, inclusief bedragen. Zie hiervoor TK 2007–2008, 26 642, nr. 108 (2007) TK 2008–2009, 26 642, nr. 112 (2008) en TK 2009–2010, 26 642, nr. 113.
Zijn er nog meer subsidies uit het Europees Sociaal Fonds verstrekt aan TNT in de afgelopen tien jaar? Om wat voor bedragen en projecten ging het? Kunt u daar een overzicht van verstrekken?
Onderstaand treft u een overzicht van 5 subsidies die in de afgelopen 10 jaar zijn verstrekt aan TNT in het kader van ESF-programma’s gericht op scholing voor werkenden.
1.
2003
SAP trainingen TNT
€ 273 224
Het ESF3-project «SAP Trainingen TNT bestaat uit verschillende in gebruikerstrainingen (Back Office medewerkers) in het geautomatiseerde ERP-systeem SAP.
2.
2004
TNT Management Traject
€ 1 264 336
Het ESF-3 project «TNT Management Traject» bestaat uit trainingen die zich richten op het scholen en ontwikkelen van het middle management.
3.
2007
TNT Challenge 2007
€ 1 892 105
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
4.
2008
TNT Challenge 2009
€ 2 999 605
Binnen dit project bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– zorg en veiligheid
– management en diversity
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel is het mobility project van TNT dat erop gericht is medewerkers te laten uitstromen naar andere sectoren en hen hiervoor een passende opleiding aan te bieden om hun kansen op een functie binnen een andere sector te vergroten.
5.
2010
TNT Challenge 2010
€ 2 544 504
Binnen dit programma Challenge 2010 bestaan de volgende clusters van opleidingen:
– veiligheid
– management
– transport en logistiek
– computervaardigheden
– financieel-administratieve opleidingen
– vakopleidingen.
Een belangrijk onderdeel van het project betreft het mobility project van TNT. Dit project is erop gericht medewerkers additionele competenties te laten ontwikkelen, eventueel ook buiten het eigen werkveld.
De intimidatie van gevangenispersoneel door een gevangenisdirecteur |
|
Sharon Gesthuizen (SP), Gerard Schouw (D66) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van «Altijd Wat» over de intimidatie van gevangenispersoneel door een gevangenisdirecteur?1
In de eerste uitzending van het nieuwe NCRV-programma «Altijd Wat» op vrijdag 10 september worden verschillende uitlatingen gedaan over de penitentiaire inrichting Hoogvliet. De vermeende misstanden die in de uitzending worden genoemd, zijn in 2009 en 2010 onderzocht. Daarbij zijn geen onregelmatigheden aan het licht gekomen.
Herkent u deze signalen? Hoe beoordeelt u de situatie en de werksfeer in Penitentiaire Inrichting (PI) Rotterdam, locatie Hoogvliet (voorheen Stadsgevangenis Rotterdam)? Kunt u in uw antwoord ingaan op het ziekteverzuim, het aantal en de ernst van de incidenten en de fricties die tussen een aantal personeelsleden en de directeur bestaan in deze penitentiaire inrichting? Kunt u eveneens ingaan op het verwijt dat er structureel sprake is van onderbezetting, en dat er met grote regelmaat onveilige situaties zijn omdat het personeel er alleen voor staat? Welke genoemde problemen hangen samen met of zijn veroorzaakt door het landelijke beleid, zoals de voortdurende bezuinigingen?
De signalen zoals geschetst in de uitzending, herken ik niet. Drie maanden geleden is een nieuw dagprogramma ingevoerd samen met een nieuw dienstrooster. Dit ging gepaard met enige onrust onder het personeel. Inmiddels heeft een tweetal bijeenkomsten plaatsgevonden tussen personeel en de directie, waarbij goede afspraken rond de knelpunten zijn gemaakt. Een aantal knelpunten is intussen opgelost.
Het ziekteverzuim binnen penitentiaire inrichting Hoogvliet is met 5–6% verhoudingsgewijs aan de lage kant. Wat betreft de personele bezetting, deze is volgens de geldende normen op peil, er is geen sprake van onderbezetting. Een verband met landelijk beleid of bezuinigingen is niet aan de orde.
Sinds wanneer bent u bekend met alarmerende signalen over deze inrichting? Welke maatregelen heeft u genomen om de problemen in deze gevangenis op te lossen? Wat is er concreet gedaan met de conclusie uit het onderzoek uit 2007 dat 22 procent van het personeel aangeeft last te hebben van intimidatie door leidinggevenden?1
Er worden regelmatig gesprekken gevoerd tussen de sector gevangeniswezen van het hoofdkantoor DJI en de directie van de inrichting over de dagelijkse gang van zaken. Daarbij is de hele bedrijfsvoering onderwerp van gesprek, dus ook de knelpunten die zich voordoen. Het rapport van de Inspectie voor de Sanctietoepassing uit mei 2007 (inzake de doorlichting van PI Rijnmond locatie Stadsgevangenis) heeft geleid tot een plan van aanpak, dat is tot stand gekomen in samenspraak met de medezeggenschap. Ter uitvoering is aan het opleidingsprogramma «Leidinggeven als professie» deelgenomen door de leidinggevenden, met inbegrip van het middenkader en de directie, om nog beter toegerust te worden voor hun taken.
Vindt u de locatie en dan vooral de inrichting van het gebouw eigenlijk wel geschikt voor de doelgroep die daar thans gedetineerd zit? Zo nee, wat gaat u daar aan doen? Is het waar dat verschillende gevangenisregimes door elkaar lopen, waardoor kruimeldieven en grote criminelen elkaar tegenkomen? Wat vindt u daarvan?
Sinds enkele maanden heeft een afgesloten deel van het gebouw een gevangenisregime gekregen. Dit deel van het gebouw is volledig afgescheiden van het huis van bewaring gedeelte. De gedetineerden in het gevangenisgedeelte komen dus niet in contact met gedetineerden in het huis van bewaring. Overigens is het voeren van meerdere regimes binnen één locatie niet ongewoon en is de bedrijfsvoering hier op aangepast.
Wat is uw reactie op het feit dat het gevangenispersoneel spreekt van «sleutelen», omdat zij hun werk steeds meer ervaren als het open en dicht doen van celdeuren, waarbij zij steeds minder contact met de gedetineerden hebben? Is het verminderen van het aantal contactmomenten bewust beleid? Zo nee, vindt u het dan een gewenst of een ongewenst neveneffect van de veranderingen in het gevangeniswezen? Welk effect denkt u dat dit heeft op het personeel? Denkt u dat het verminderen van het contact een positief of een negatief effect heeft op het resocialiseren van gedetineerden?
In het kader van het programma modernisering gevangeniswezen (MGW) staat de persoonlijke aanpak van gedetineerden centraal in het gevangeniswezen. Contact met de gedetineerde is een essentieel onderdeel van dit programma. Daarom volgt het hele personeel op dit moment een training motiverende bejegening om juist meer en intensiever contact te onderhouden met de gedetineerden. Daarnaast wordt er landelijk een vorm van mentorschap ingevoerd. In de naaste toekomst zal een uitbreiding van het aantal programma-uren plaats vinden door de invoering van het avond- en weekendprogramma. Het verminderen van contact of het terugbrengen van contactmomenten is beleid noch neveneffect van in het verleden getroffen maatregelen.
Uit welk recent rapport of onderzoek van maart 20101 zou blijken dat de situatie inmiddels is verbeterd en dat er geen sprake zou zijn van veiligheidsrisico’s? Bent u bereid dit rapport of onderzoek naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Uit de externe security audit blijkt dat de veiligheid binnen de penitentiaire inrichting goed op orde is. Informatie die betrekking heeft op de beveiliging van een inrichting wordt niet naar buiten gebracht.
Bent u bereid op korte termijn een onderzoek in te stellen naar de situatie in PI Rotterdam, locatie Hoogvliet? Zo nee, waarom niet?
Er is momenteel geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. De dagelijkse gang van zaken wordt nauwlettend gevolgd door de directie van de inrichting, waarbij voortdurend overleg met de medezeggenschap wordt gevoerd.
De proef arbeidstoeleiding vanuit detentie |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de berichten «UWV helpt gedetineerden aan baan» van augustus 20091, alsmede de toezegging van de staatssecretaris van Justitie dat de proef in Lelystad zo succesvol was verlopen dat de arbeidsbemiddeling van gedetineerden en de samenwerkende instanties, zoals het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), de penitentiaire inrichting en de gemeente, naar zes andere plaatsen in het land zou worden uitgebreid?2 Wat is op deze zes locaties de stand van zaken?
Ja. Er heeft in 2010 uitbreiding plaatsgevonden naar zes nieuwe locaties. Daar wordt de werkwijze tussen het Gevangeniswezen, gemeenten, en het UWV WERKbedrijf op dit moment verder beproefd.
Is het waar dat de zes genoemde locaties en gemeenten (Alkmaar, Almere, Arnhem, Grave, Ter Apel en Krimpen aan de IJssel) nauwelijks tot geen aantoonbare resultaten hebben geboekt met deze proef, en dat men op enkele plaatsen zelfs in het geheel niet bekend is met het bestaan van deze proef? Wat is uw reactie hierop?
De locaties zijn op verschillende momenten in 2010 gestart met de werkwijze. Ik kan u verzekeren dat de proef bij alle betrokken medewerkers van de locaties bekend is. De medewerkers hebben met actieve begeleiding vanuit de pilot met elkaar kennisgemaakt en voorlichting en trainingen gekregen. Verder zijn er ICT maatregelen (werkplekken, internet) getroffen die nodig zijn om aan de pilot deel te kunnen nemen.
Hoeveel gedetineerden zijn in het kader van deze proef en de samenwerking tussen UWV, de penitentiaire inrichting en gemeente aan het eind van hun detentie succesvol naar werk toe geleid? Kunt u deze aantallen uitsplitsen per locatie?
Er zijn in het kader van deze proef in de eerste fase (Lelystad) van de 60 aanmeldingen, 10 deelnemers naar werk toegeleid. In de tweede (uitbreidings)fase zijn nog geen gedetineerden naar werk toegeleid. Er zijn 95 gedetineerden aangemeld voor toeleiding naar arbeid bij het UWV WERKbedrijf.
Is het waar dat de intentie was dat in 2010 in alle gevangenissen deze nieuwe samenwerking tussen het UWV, de penitentiaire inrichting en de gemeente zou worden gehanteerd? (1) Wat is hierin de stand van zaken?
De intentie was om de pilot in 2010 uit te breiden met zes locaties om de ontwikkelde werkwijze van Lelystad te beproeven. In Alkmaar is per februari gestart, in Arnhem en Grave per maart, in Krimpen a/d IJssel in mei en in Almere en Ter Apel in juli 2010.
Hoe beoordeelt u nu, meer dan twee jaar na het starten van de proef in Lelystad en een jaar na de uitbreiding van de arbeidstoeleiding van gedetineerden naar zes locaties, de concrete resultaten die hiermee zijn geboekt?
Binnen de uitbreidingsfase wordt een werkwijze arbeidstoeleiding ontwikkeld die landelijk bruikbaar is. De pilot loopt tot 31 december 2010 en levert als eindresultaat de beschrijving van de beproefde werkwijze inclusief toolkit op. Dit loopt op schema. Deze wordt in januari 2011 beschikbaar gesteld aan alle penitentiaire inrichtingen, het UWV WERKbedrijf en gemeenten waarmee zij desgewenst gezamenlijk de samenwerking in de regio kunnen aangaan. Door de werkwijze arbeidstoeleiding gezamenlijk in te voeren kunnen penitentiaire inrichtingen, Werkpleinen en gemeenten tijdens detentie een arbeidstoeleidingstraject (zo nodig inclusief opleiding) voor gedetineerden starten zodat hun kansen op de arbeidsmarkt toenemen én de detentietijd optimaal benut wordt.
Deelt u de mening dat hier veel meer uit te halen is, en dat het van groot belang is dat gedetineerden worden gestimuleerd en begeleid om direct na het uitzitten van detentie aan het werk te gaan omdat dit in belangrijke mate bij kan dragen aan het verminderen van recidive? Welke verbeteringen gaat u aanbrengen om van de arbeidstoeleiding vanuit detentie wel een succes te maken? Op welke termijn kunnen er concrete resultaten worden verwacht?
Ik heb vertrouwen in de werkwijze en zal mij inzetten om deze verder gestalte te geven. Het totaal aantal deelnemers van 95 aan de pilot tot nu toe is laag gelet op de potentiële doelgroep. Uit de monitor nazorg van het WODC blijkt 58,6% van de gedetineerden direct na detentie over een inkomen te beschikken. Hiervan is niet bekend of dit inkomen uit werk of uitkering is, waardoor het aantal gedetineerden dat in aanmerking zou komen voor toeleiding naar werk ver boven de 40% ligt.
Tijdens de detentie is het gevangeniswezen eerstverantwoordelijk voor de zorg van gedetineerde burgers. Het gevangeniswezen biedt gemeenten en maatschappelijke partners actief de mogelijkheid om al tijdens detentie met gedetineerde burgers aan hun re-integratie te werken (het zogenaamde importmodel). Door de veelheid aan prioriteiten zijn de pilots binnen het gevangeniswezen op de achtergrond geraakt. Vanuit het management wordt nu actief gestuurd op het aanmelden van gedetineerden voor toeleiding naar arbeid bij het UWV WERKbedrijf. Op basis van de uitkomsten van de evaluatie van de pilots zal ik begin 2011 met het gevangeniswezen afspraken maken over de invoering van de werkwijze arbeidstoeleiding als onderdeel van het regulier aanbod aan terugkeer activiteiten voor gedetineerden.
Steeds vaken opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers |
|
Nine Kooiman (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Hoeveel alleenstaande minderjarige asielzoekers zitten er momenteel opgesloten en waarom gebeurt dit?1 Deelt u de mening dat dit in strijd is met het Kinderrechtenverdrag en opvattingen van de Raad van Europa en de Verenigde Naties? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Op 1 september 2010 zaten er ongeveer 20 amv’s in vreemdelingenbewaring.
Artikel 37 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bepaalt dat geen enkel kind onwettig of op grond van willekeur van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. Verder vereist het Verdrag dat het inbewaringstellen van kinderen alleen als een ultimum remedium wordt toegepast voor een zo kort mogelijke duur. Bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid worden deze bepalingen van het IVRK in acht genomen. Waar mogelijk wordt in Nederland vrijheidsontneming van kinderen voorkomen en wordt gebruik gemaakt van alternatieve vormen van opvang of vrijheidsbeperking. Ten aanzien van amv’s wordt het instrument van vreemdelingenbewaring alléén toegepast indien een lichter middel niet toereikend is.
Ik verwijs u naar de brief van de minister voor Jeugd en Gezin van 19 februari 2009 naar aanleiding van de behandeling door het VN-Kinderrechtencomité van Nederlandse rapportages (Tweede Kamer 2008–2009, 31 000, nr. 66).
Voorzover u wat betreft de opvattingen van de Raad van Europa doelt op het rapport van de Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa, naar aanleiding van diens bezoek aan Nederland van 21–25 september 2008, verwijs ik u naar de Kabinetsreactie terzake van 27 april 2009, alsmede het daarop volgende verslag van een schriftelijk overleg van 31 mei 2010 (Tweede Kamer 2008–2009, 31 700 V, nr. 95 en Tweede Kamer 2008–2009, 32 123 V, nr. 90).
Worden de lichamelijke en psychische gezondheidsklachten van deze jongeren niet juist versterkt door het opsluiten in een gevangenis? Zo ja, waarom gebeurt dit dan toch? Zo nee, waarop baseert u uw mening?
Nee. De amv’s die in vreemdelingenbewaring zijn gesteld, verblijven in de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) De Maasberg, die onderdeel uitmaakt van de Hunnerberg. JJI De Maasberg is speciaal voor deze doelgroep ingericht. Het personeel in De Maasberg is opgeleid om vanuit een pedagogische invalshoek met amv’s te werken. Er wordt onderwijs verzorgd en er is aandacht voor vrijetijdsbesteding. Ook is er aandacht voor psychische en lichamelijke gezondheidsklachten bij amv’s. Hiervoor is speciaal opgeleid personeel aanwezig.
Sluit u de jongeren op in de verwachting dat hier een afschrikwekkende werking van uit zal gaan? Zo ja, kunt u dit nader toelichten?
Hoeveel opgesloten minderjarige asielzoekers zijn (verdeeld naar vrijwillig, gedwongen, Dublin-claim) vanuit bewaring in 2009 en 2010 aantoonbaar teruggekeerd naar hun land van herkomst?
Nee. Vreemdelingenbewaring wordt niet toegepast als middel om af te schrikken. Vrijheidsontneming wordt toegepast om te voorkomen dat vreemdelingen zich onttrekken aan het toezicht tijdens de voorbereiding van hun verwijdering uit Nederland. Vreemdelingenbewaring is een ultimum remedium en wordt alleen toegepast wanneer er geen lichtere middelen voorhanden zijn om hetzelfde doel te bereiken.
Hoeveel opgesloten minderjarige asielzoekers zijn na te zijn opgesloten weer in vrijheid gesteld en hoe is de nazorg geregeld voor deze alleenstaande minderjarige asielzoekers?
Op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet kunnen vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf hebben met het oog op uitzetting uit Nederland in vreemdelingenbewaring worden gesteld. De geldigheid van de vrijheidsontnemende maatregel wordt periodiek door een onafhankelijke rechter getoetst. De maatregel wordt opgeheven in geval van aantoonbaar vertrek, indien er niet langer zicht is op uitzetting, of omdat er op basis van nieuwe feiten en omstandigheden in relatie tot de toelating rechtmatig verblijf onstaat.
In 2009 en 2010 zijn ongeveer 70 vreemdelingen vanuit vreemdelingenbewaring aantoonbaar uit Nederland vertrokken, waarvan ongeveer 10 vreemdelingen zelfstandig en ongeveer 60 vreemdelingen gedwongen.
Ongeveer 50 van de gedwongen vertrekken zijn op grond van een effectuering van een Dublin-claim, de overige 10 amv’s zijn gedwongen naar het land van herkomst teruggekeerd.
In ongeveer 80 gevallen is de vreemdelingbewaring op last van de rechter opgeheven omdat er niet langer zicht was op uitzetting. Het gaat hier in ongeveer 15 gevallen om vreemdelingen die 18 jaar of ouder waren ten tijde van de opheffing van de vreemdelingenbewaring.
In het geval dat de vreemdelingenbewaring wordt opgeheven op het moment dat een vreemdeling nog geen 18 jaar is, wordt de voogd hiervan in kennis gesteld.
Van hoeveel van deze jongeren is u niet bekend wat er na vrijlating met hen is gebeurd? Wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 5.
Wat is uw oordeel over de effectiviteit en de risico’s van het opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid te stoppen met het opsluiten van alleenstaande minderjarige asielzoekers die niets hebben misdaan? Zo nee, waarom niet?
Met name bij een kwetsbare groep als amv’s acht ik het van belang om zo veel als mogelijk te volstaan met lichtere toezichtsinstrumenten dan bewaring. In verband met de herijking van het amv-beleid is toegezegd dat in combinatie met de implementatie van de beschermende maatregelen voor zogenaamde risico-amv's wordt onderzocht of het karakter van JJI De Maasberg kan worden aangepast en de voorzieningen een meer open karakter kunnen krijgen, zodat slechts sprake is van vrijheidsbeperking in plaats van vrijheidsontneming (Kamerstukken II, 2009/10, 27 062, nr. 64 en 65). Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomst zodra het onderzoek is afgerond.
Een vermeende inspectie van Nederlandse militairen aan een ziekenhuis in Tarin Kowt |
|
Wassila Hachchi (D66) |
|
|
|
|
Kent u de artikelen «Faux pas in Uruzgan» en «We zijn hier niet trots op» uit de Groene Amsterdammer?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja.
Is het waar dat op 12 april 2009 gewapende Nederlandse militairen het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt hebben betreden? Zo ja, wat is de reden geweest?
Begin april 2009 was informatie ontvangen dat gewonde vijandelijke strijders in het provinciaal ziekenhuis in Tarin Kowt en het nabijgelegen Health Training Center van de Afghan Health and Development Services aanwezig zouden zijn. Bovendien was bekend dat vijandelijke strijders in Afghanistan in voorkomend geval onder dreiging van geweld medische behandeling afdwingen of zich medicijnen toe-eigenen. Op grond van deze informatie hebben Nederlandse militairen op 12 april 2009 een bezoek gebracht aan het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center, waarbij onder meer het ziekenhuis is betreden. Alvorens het ziekenhuis binnen te gaan, hebben de militairen daartoe toestemming gekregen van de aanwezige staf van het ziekenhuis. Bij het bezoek waren vrouwelijke militairen en militaire artsen aanwezig. Tijdens het bezoek hebben de desbetreffende militairen de normale gang van zaken in het ziekenhuis zo min mogelijk verstoord.
Nederland hecht sterk aan een goede samenwerking met het ziekenhuis en het Health Training Center. De regering betreurt dat het bezoek bij de betrokken instanties een negatieve indruk heeft gemaakt. Na het bezoek zijn er klachten ontvangen over de handelwijze van de Nederlandse militairen. De klachten zijn onderzocht en er zijn enkele deels gegrond verklaard. Het betrof het niet vooraf aankondigen van het bezoek, het zeer kort betreden van de vrouwenvleugel van het ziekenhuis en het forceren van het hangslot van een kast. Naar aanleiding van deze conclusies zijn enkele relevante procedures aangescherpt. Bovendien is de Task Force Uruzgan met de betrokken instanties in overleg getreden om de constructieve relaties en het vertrouwen te bestendigen. Er was geen sprake van schending van het internationaal recht.
Is het waar dat zij hierbij ziekenhuispersoneel en/of andere mensen in het ziekenhuis onder schot hebben gehouden?
Nee.
Wat is uw reactie op de stelling van dhr. Khan Agha Miakhil, dat er geen sprake was van een «rondleiding» onder zijn begeleiding, maar van dwingend binnentreden van Nederlandse militairen?
Zie antwoord vraag 2.
Zou u de gebeurtenis kenmerken als een inval, een inspectie, een bezoek of een rondleiding?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft u deze gebeurtenis niet aangemerkt als een incident? Hebben Nederlandse militairen in Afghanistan vaker gewapenderhand ziekenhuizen betreden, en zo ja, zijn deze handelingen gerapporteerd?
De gebeurtenissen zijn intern gemeld conform de daarvoor geldende procedures. Nederlandse militairen hebben in Afghanistan nooit gewapenderhand een civiel ziekenhuis betreden. Wel zijn bij het betreden van het ziekenhuis van Tarin Kowt wapens mee naar binnen genomen. Dit is overigens niet in strijd met het internationaal recht.
Is het waar dat tegelijk met de gebeurtenis bij het ziekenhuis het kantoor van de Afghaanse NGO AHDS werd omsingeld en doorzocht? Zo ja, kunt u uiteenzetten wat er gebeurde? Hoe zou u deze gebeurtenis kenmerken? Wat is de relatie tussen de genoemde gebeurtenissen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe verhouden uws inziens deze handelingen zich tot de Vierde Conventie van Genève?
De handelingen van Nederlandse militairen in Uruzgan op 12 april 2009 waren niet in strijd met de Vierde Conventie van Genève of enig ander onderdeel van het internationaal recht.
De Nederlandse regering hecht groot belang aan het internationaal recht. De Nederlandse krijgsmacht handelt ook in Afghanistan binnen de kaders die het internationaal recht stelt. Noch de Vierde Conventie van Genève noch enig ander onderdeel van het internationaal recht verbiedt het inspecteren of bezoeken van ziekenhuizen. Het is tevens toegestaan in voorkomend geval gewonde vijandelijke strijders te arresteren, onder de voorwaarde dat hun de noodzakelijke medische hulp niet wordt ontzegd. Bij het bezoek van het ziekenhuis van Tarin Kowt en het Health Training Center op 12 april 2009 zijn overigens geen personen gevangen genomen.
Het bericht dat de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) vanwege de fusie veel gegevens kwijt is |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Gerda Verburg (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «VWA: bij fusie zijn veel gegevens kwijt geraakt»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij de samenvoeging van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) en de Keuringsdienst van Waren (KvW) in 2006 veel gegevens vernietigd of verloren zijn gegaan? Kunt u de oorzaak en de gevolgen hiervan toelichten, en kunt u uiteenzetten om hoeveel gegevens en welke jaren het gaat, en of de gegevens vernietigd dan wel verloren zijn gegaan?
Bij de fusie van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) en de Keuringsdienst van Waren (KvW) in de periode 2003–2006 zijn keuringsgegevens vernietigd. Het gaat hier om documenten die niet relevant waren voor het bedrijfsdossier of voor algemene doeleinden en waar geen bewaartermijn voor geldt, zoals de dagelijkse controlelijsten van de keuringen. Niet vernietigd zijn inspectieverslagen en auditverslagen van de bedrijven.
Kunt u bevestigen dat de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) in de rechtszaak versus Compaxo eerst heeft gemeld te weigeren de gegevens te verstrekken, en dat later toegegeven moest worden dat de gegevens niet meer bestonden? Zo ja, hoe beoordeelt u deze gang van zaken? Zo nee, wat is dan de juiste toedracht geweest?
Dat kan ik niet bevestigen. De gegevens die eerst geweigerd en later openbaar zijn gemaakt, betreffen andere gegevens dan die waarover de VWA niet beschikte.
De juiste toedracht is als volgt. Compaxo heeft in 2004 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gevraagd om bandbezettingsgegevens (aantal keurders aan de slachtlijn) te verkrijgen van een aantal slachterijen. Naar aanleiding van dit verzoek zijn overzichten van bandbezettingsgegevens opgesteld voor de periode van eind september tot en met begin november 2004. Deze gegevens zijn in eerste instantie niet openbaar gemaakt vanwege onevenredig nadeel voor de betrokken bedrijven. Omdat de rechtbank (uitspraak mei 2008) zich niet in die motivering kon vinden, zijn deze gegevens later alsnog openbaar gemaakt.
Naar aanleiding van een signaal vanuit Compaxo omtrent het bestaan van méér bandbezettingsgegevens is bij de VWA bekeken of er inderdaad meer gegevens bestonden. Dit bleek niet het geval. Eén van de oorzaken waarom er niet meer gegevens aangeleverd konden worden, is dat er door de samenvoeging van de RVV en de KvW tot de VWA gegevens zijn vernietigd of verloren zijn gegaan. Dit is door de VWA tijdens de zitting bij de rechtbank ook naar voren gebracht.
In haar uitspraak van 9 september 2010 oordeelde de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat LNV niet over méér bandbezettingsgegevens beschikt dan de gegevens die reeds in de overzichten op grond van de Wob openbaar zijn gemaakt.
Kunt u uiteenzetten of bij deze rechtzaak voor het eerst is gebleken dat de VWA gevraagde gegevens niet kon leveren, of dat er eerder situaties zijn geweest waarbij informatie ontbrak doordat gegevens vermist waren?
Van situaties waarin bij een rechtszaak openbaarmaking werd verhinderd door vermissing van stukken van de VWA is mij niet gebleken.
Kunt u bevestigen dat de «ingewikkelde manier waarop de gegevens zijn opgeslagen in de beschikbare systemen» een probleem vormt bij het terugzoeken van gegevens bij de VWA? Zo ja, hoe beoordeelt u dit en welke consequenties verbindt u hieraan? Deelt u de mening dat het bevreemdend is dat een controlerende instantie controlegegevens niet meer terug kan vinden in het eigen systeem? Zo ja, op welke manier bent u voornemens het gesignaleerde probleem op te lossen? Zo nee, waarom niet?
De rapporten van de heren Hoekstra en Vanthemsche uit 2008 hebben aangetoond dat de ICT-voorzieningen bij de VWA niet op orde waren. De afgelopen jaren zijn er aanzienlijke inspanningen geleverd om dit te verbeteren. Ik heb uw Kamer daarover in mijn brief van 30 juni 2010 bericht (TK, 26 991, nr. 279). De verbetering van de ICT blijft een belangrijk aandachtspunt.
Deelt u de mening dat dit incident de noodzaak aantoont van het openbaar maken van alle controlegegevens door de VWA? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de VWA opdracht te geven voortaan al haar controlegegevens openbaar te maken? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, die mening deel ik niet. Het gaat hier niet om controleresultaten, maar om andersoortige gegevens. Daarbij is openbaarmaking niet aan de orde.
Voor mijn beleid betreffende het openbaarmaken van controleresultaten van de nVWA verwijs ik u naar mijn brief aan uw Kamer «Beleidsevaluatie openbaarmaking controlegegevens door de VWA» (10 december 2009; 2009–2010, 26 991, nr. 276).