Het bericht dat gemeenten uit de losse pols strooien met religieuze subsidies |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat driekwart van de gemeenten geen specifiek beleid heeft voor subsidies aan religieuze organisaties?1
Ja.
Deelt u de conclusie van Forum (multicultureel instituut voor multiculturele vraagstukken) dat subsidies aan religieuze instellingen worden uitgekeerd op basis van «natte vingerwerk»? Zo ja, wat heeft u eraan gedaan om dat te voorkomen of wat bent u van plan hieraan te doen? Zo nee, waarom niet?
Alvorens deze vragen te beantwoorden stel ik voorop dat het verlenen van subsidies aan religieuze instellingen voor maatschappelijke doelen niet in strijd hoeft te zijn met het beginsel van scheiding tussen kerk en staat. Dit laat onverlet dat het verlenen van subsidies niet willekeurig moet geschieden.
Uit het onderzoek van Forum blijkt dat bij de geënquêteerde gemeenten niet altijd even duidelijk is vastgelegd hoe moet worden omgegaan met subsidieaanvragen van organisaties met godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag.
Voor zover het aanwijzingen mijnerzijds aangaat richting gemeenten, past mij bescheidenheid. In principe zijn decentrale overheden vrij om – binnen de grenzen van de wet – zelf hun subsidiebeleid te bepalen.
Met betrekking tot de rol die ik voor mijzelf zie weggelegd inzake de naleving van het principe van scheiding tussen kerk en staat, wil ik het volgende opmerken.
De rijksoverheid heeft ter ondersteuning van gemeenten aangegeven binnen welk kader gemeenten uitvoering kunnen geven aan het door hun beoogde beleid. Hiertoe is, in samenwerking met de VNG, het «Tweeluik religie en publiek domein» ontwikkeld.2 Het Tweeluik geeft een uiteenzetting van het geldende juridisch kader alsmede door gemeenten aangedragen casusvoorbeelden en biedt als zodanig handvatten voor gemeenten om te kunnen bepalen of het toekennen van een subsidie aan een organisatie met een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag al dan niet indruist tegen het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat.
Forum heeft aangegeven dat er met verschillende geïnteresseerde gemeenten gesprekken zullen worden gevoerd over de uitkomsten van het onderzoek. Dit gebeurt op initiatief van Forum. Ik zal in overleg met de VNG en andere betrokken partijen bezien of, en zo ja welke, mogelijkheden er zijn om gemeenten aanvullende ondersteuning te bieden bij een heldere en consistente uitvoering van het subsidiebeleid ten aanzien van levensbeschouwelijke organisaties. Daarbij zullen ook de resultaten van het onderzoek van Forum worden betrokken.
Deelt u de mening dat nu de economische situatie ongunstig is, het des te belangrijker is dat de (lokale)overheid bewust met haar budget omspringt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat het altijd belangrijk is dat de (lokale) overheid bewust met haar budget omspringt, niet uitsluitend in het huidige economische klimaat.
Deelt u de mening dat dit willekeurige subsidiebeleid indruist tegen het principe van scheiding van kerk en staat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke rol ziet u voor uzelf weggelegd in de naleving van de scheiding van kerk en staat door gemeenten?
Zie antwoord vraag 2.
De warme banden van een Rotterdamse topambtenaar met een jihadistische organisatie |
|
Sietse Fritsma (PVV), Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het dat een Rotterdamse topambtenaar bevriend is met mensen van een organisatie die terrorisme steunt, het martelaarschap voor jihadisten verheerlijkt en Israël en de V.S. bedreigt?1
Wij hebben kennis genomen van het bericht in De Telegraaf. De gemeente Rotterdam heeft reeds in antwoorden op vragen uit de gemeenteraad aangegeven geen enkele reden te hebben om te twijfelen aan de integriteit van de betrokken ambtenaar. Wij hebben vertrouwen in het oordeel van de gemeente Rotterdam en sluiten ons daarom aan bij deze conclusie. De antwoorden van de gemeente Rotterdam zijn ter informatie bijgevoegd.
Indien deze informatie klopt, hoe is het mogelijk dat deze man, die door leden van genoemde verschrikkelijke organisatie zelfs «broeder» wordt genoemd, bij de gemeente Rotterdam is aangesteld?
Zie antwoord op vraag 1.
Bent u bereid na te gaan op welke manier de Rotterdamse topambtenaar precies bij de jihadistische organisatie is betrokken en of hij daarvoor vervolgd kan worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1.
Bent u bereid er zorg voor te dragen dat deze man, die door zijn banden met terreurverheerlijkers de Nederlandse en Rotterdamse samenleving beslist geen goed zal doen, zo snel mogelijk wordt ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 1.
Kunt u garanderen dat geen enkele andere (Rotterdamse) ambtenaar of bestuurder banden heeft met dergelijke organisaties en bent u bereid daar onderzoek naar te doen? Zo nee, waarom niet?
De integriteit van medewerkers van de (Rijks)overheid wordt op verschillende manieren geborgd. Hiervoor heeft een werkgever meerdere middelen beschikbaar, zoals een controle op de echtheid van diploma's, het nagaan van de juistheid van een curriculum vitae bij referenten of vorige werkgevers en de verklaring omtrent het gedrag (VOG). Iedere medewerker van de (rijks-)overheid doorloopt een zorgvuldige sollicitatieprocedure. Indien er aanvullend aanleiding is tot onderzoek naar individuele gevallen of organisaties, kan dit door de daartoe bevoegde instanties worden opgestart.
De procedure op grond van Wet overdracht en tenuitvoerlegging van strafvonnissen |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat gedetineerden, nadat zij in het kader van de Wet overdracht en tenuitvoerlegging van strafvonnissen (WOTS) overgebracht zijn naar Nederland, hier soms een langere straf uit moeten zitten dan in het land van herkomst werd opgelegd?1 Zo ja, wat vindt u daarvan?
Er worden na overbrenging naar Nederland geen hogere straffen opgelegd dan in het land waar de gedetineerde is veroordeeld. Evenmin komt de veroordeelde na overbrenging naar Nederland in een ongunstiger positie voor wat betreft zijn vervroegde of voorwaardelijke strafrechtelijke invrijheidstelling. Het op 21 maart 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP) bepaalt dat de strafrechtelijke positie van de gevonniste persoon door de overbrenging niet verzwaard dient te worden. Dat gebeurt in de praktijk dan ook niet.
Wat vindt u ervan dat een Nederlander die in Noorwegen werd veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf en in dat land naar alle waarschijnlijkheid na 4,5 jaar vervroegd in vrijheid zou worden gesteld, in Nederland na een WOTS-procedure pas na 6 jaar voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld?2 Hoe is dat te rijmen met de bepaling in het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, die een verzwaring van de strafrechtelijke positie bij de strafoplegging in het thuisland uitsluit?
De veroordeelde om wie het gaat heeft de Noorse autoriteiten verzocht om zijn resterende straf in Nederland te mogen ondergaan. De Noorse autoriteiten hebben Nederland in 2008 verzocht om de in Noorwegen opgelegde gevangenisstraf van negen jaar verder in Nederland ten uitvoer te leggen. In het verzoek deelden de Noorse autoriteiten eenduidig mee dat de veroordeelde in Noorwegen in vrijheid zou worden gesteld nadat hij tweederde van de aan hem opgelegde straf had ondergaan. De door de Noorse autoriteiten meegedeelde datum van vrijlating is leidend bij de verdere behandeling van het verzoek. Er is in deze casus geen sprake van een verzwaring van de strafrechtelijke positie van betrokkene. Hij komt in Nederland op dezelfde datum vrij als het geval zou zijn geweest wanneer hij in Noorwegen was gebleven. Er is derhalve geen aanleiding om maatregelen te treffen.
In meer algemene zin merk ik nog op dat het ministerie van Buitenlandse Zaken Nederlandse gedetineerden in het buitenland alsmede hun contactpersonen zowel schriftelijk als mondeling voorziet van informatie, waarbij uiteengezet wordt welke mogelijkheden er in de staat van veroordeling bestaan inzake vervroegde invrijheidsstelling of vreemdelingenrechtelijke uitwijzing. Voorts wordt erop gewezen dat na overname van de tenuitvoerlegging door Nederland, de Nederlandse regeling over voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing zal zijn.
Hoe beoordeelt u het feit dat diezelfde Nederlander niet alleen een langere straf uit moet zitten na de WOTS-procedure, maar ook in een zwaarder regime (huis van bewaring) terecht komt, terwijl hij in Noorwegen al na eenderde van de straf naar een lichter regime werd geplaatst?2 Op basis van welke wet of regel gebeurt dit?
Zoals uit de voorgaande antwoorden blijkt, is de stelling onjuist dat betrokkene een langere straf moet uitzitten. Betrokkene is op dit moment onder een regulier regime geplaatst. Voorzover er sprake is geweest van verblijf in een huis van bewaring, was dit aansluitend aan zijn overbrenging uit Noorwegen.
De overdracht van de tenuitvoerlegging van een strafvonnis op basis van het VOGP ziet op de vrijheidsstaf. Het verdrag schrijft voor dat de tenuitvoerlegging van die straf geschiedt volgens de regels van de tenuitvoerleggende staat. Het is dus niet zo, dat de tenuitvoerlegging op eenzelfde type detentieplaats of onder hetzelfde regime moet plaatsvinden als in de staat van veroordeling.
Bent u bekend met het feit dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter in Nederland moet onderzoeken of het waarschijnlijk zou zijn dat de veroordeelde in het buitenland vervroegd in vrijheid zou zijn gesteld?3 Gebeurt dat in alle gevallen? Welke gevolgen heeft deze uitspraak, vooral ten aanzien van die veroordelende landen waar het indienen van een verzoek tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling doorgaans wordt ingewilligd? Is het waar dat het hier met name gaat om Duitsland en enkele Scandinavische landen?1 Zo nee, om welke landen gaat het?
Ja. Het oordeel van de Hoge Raad wijkt niet af van de lijn die in de jurisprudentie terzake in 1998 is ingezet (27-01-1998, LJN ZD8172). Het is sindsdien praktijk dat het bedoelde onderzoek wordt verricht. Dit geldt voor alle landen.
Is het uitzitten van langere en zwaardere straffen niet in strijd met de WOTS en de internationale verdragen op dit gebied? Zo ja, heeft Nederland de beleidsvrijheid om ervoor te zorgen dat straffen niet langer duren en zwaarder ten uitvoer worden gelegd dan in het veroordelende land? Welke maatregelen gaat u nemen om hier voor te zorgen? Wat betekent dit voor de mensen die op dit moment in Nederland na de WOTS-procedure een langere of zwaardere straf uitzitten dan in het buitenland is opgelegd?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid zich in te zetten voor een betere voorlichting van gedetineerden in het veroordelende land, alvorens zij definitief kiezen voor de WOTS-procedure, zodat zij tenminste op de hoogte zijn van het feit dat de straf in Nederland langer kan duren en zwaarder kan zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Dreigende raketaanvallen door Hezbollah op Israël |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten die wijzen op voorbereidingen voor raketaanvallen op Israël door de terreurbeweging Hezbollah?1 Kunt u nadere informatie verstrekken omtrent de juistheid en achtergronden van deze berichten?
Ja, ik heb kennisgenomen van deze berichten. Vanwege het feit dat deze niet verifieerbaar zijn gebleken door onafhankelijke bronnen, kan ik geen nadere informatie verstrekken omtrent de juistheid en achtergronden ervan.
Heeft Hezbollah inderdaad afgelopen week geoefend met Iraanse raketten, die vanuit Zuid-Libanon vrijwel alle grote Israëlische steden kunnen bereiken? Wat is u bekend over de precieze betrokkenheid van Iran hierbij?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe valt te verklaren, dat blijkbaar volstrekt de hand wordt gelicht met resoluties van de Verenigde Naties (VN) op grond waarvan Hezbollah geen raketten mag hebben?
Conform VNVR-resolutie 1701 is het bezit van wapens in Libanon onderhevig aan de goedkeuring en de controle van de Libanese overheid. In Zuid-Libanon is bewapening alleen toegestaan aan de Libanese strijdkrachten of UNIFIL. Het werk van UNIFIL richt zich op het herstellen van het geweldsprimaat van de Libanese autoriteiten. Dat de VN zich bewust is van hetgeen wordt gesteld over de bewapening van Hezbollah, blijkt uit de rapportage van de Secretaris-generaal van de VN aan de Veiligheidsraad van de VN (S/2010/352) d.d. 1 juli 2010 waarin hij aangaf bekend te zijn met berichten dat deze organisatie raketten zou hebben ontvangen. Het onderwerp heeft derhalve de actieve aandacht van de VN. Op 30 augustus jl. heeft de VN-Veiligheidsraad unaniem besloten tot verlenging van de missie van UNIFIL met één jaar. Hierbij is van de gelegenheid gebruik gemaakt om (o.a.) nog eens uitdrukkelijk te wijzen op de verplichting van het instellen van een zone vrij van gewapende milities en van wapens in Zuid-Libanon (tussen de Litani-rivier en de zogeheten «blue line»: een door de VN in 2000 ingestelde grens tussen Israël en Libanon).
Klopt het bericht dat de aanwezige Unifil-macht al geruime tijd niet in staat is om daadwerkelijke controle uit te oefenen in gebieden waar Hezbollah actief is? Wat wordt er door de internationale gemeenschap gedaan om aan deze onaanvaardbare situatie snel een eind te maken? Wordt op deze wijze Israël niet gedwongen om opnieuw militair in te grijpen in Libanon met alle consequenties van dien?
Dit bericht klopt niet. Wel werden in juli jl. Franse contingenten van UNIFIL door geërgerde dorpsbewoners tweemaal gehinderd in de uitvoering van routine patrouilles. Deze kwestie kreeg tot op het hoogste niveau aandacht. De Special Coordinator for Lebanon van de VN (Michael Williams) sprak met de President van Libanon, de Premier, de Parlementsvoorzitter en de Minister van Defensie en liet na afloop weten dat elke gesprekspartner de onvoorwaardelijke verbondenheid van Libanon aan de tenuitvoerlegging van de verplichtingen voortvloeiende uit VNVR-resolutie 1701 had benadrukt.
Voor wat betreft uw vraag over een noodzakelijk militair ingrijpen van Israël wijs ik u op het navolgende. Ten behoeve van het bewerkstelligen van een duurzame vrede tracht de internationale gemeenschap, waaronder Nederland, de voorwaarden te scheppen waaronder partijen in dialoog hun geschillen kunnen uitwerken. De missie van UNIFIL past binnen deze gedachte en vastgesteld moet worden dat het werk en de aanwezigheid van deze vredesmacht er in hoge mate aan heeft bijgedragen dat het al vier jaar rustig is in het gebied.
Klopt het bericht dat de VN-eenheden onder het huidige mandaat geen onderzoek mogen doen in huizen en andere privédomeinen, terwijl Hezbollah (zo blijkt uit geleverd foto- en videomateriaal van Israël) juist haar raketten en ander wapentuig in woongebieden verbergt? Is de VN-controle op deze wijze geen wassen neus?
Het mandaat van UNIFIL omvat o.a. het assisteren van de Libanese strijdkrachten bij het uitvoeren van de verplichtingen uit VNVR-resolutie 1701 (w.o. het weren van wapens en het ontwapenen van milities). Deze samenwerking geschiedt naar volle tevredenheid van de Libanese regering
In de huidige opzet van de missie is afgesproken dat UNIFIL, in samenwerking met de Libanese autoriteiten, claims van illegaal wapenbezit onderzoekt zodra zij hierover specifieke informatie ontvangt. Privédomeinen of huizen mogen onderzocht worden op voorwaarde dat er concrete aanwijzingen zijn van mogelijke schendingen van VN-resoluties.
Bent u bereid om met kracht te bevorderen dat resolutie 1 701 daadwerkelijk wordt uitgevoerd en alle strijdgroepen in Libanon worden ontwapend, met uitzondering van het leger? Op welke wijze en wanneer wilt u dit doen?
Libanon is op grond van genoemde VN-veiligheidsraadresoluties gehouden uitvoering te geven aan het ontwapenen van milities. Nederland acht van groot belang dat UNIFIL de Libanese regering bijstaat in het bereiken van deze doelstelling. Een duurzame oplossing zal uiteindelijk langs politieke weg moet worden gevonden, geleid door de Libanese regering. Dat laatstgenoemde zich hiervan bewust is blijkt uit het feit dat zij, in het begin van dit jaar aangenomen regeringsverklaring, zich gecommitteerd heeft aan de naleving van deze resoluties.
Bent u tevens bereid om te bevorderen dat de in Libanon aanwezige VN-troepen een gepast mandaat krijgen om ook in woongebieden en privéwoningen controle kunnen uitoefenen op mogelijke wapenopslag? Op welke wijze en wanneer wilt u dit doen?
Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 5: het mandaat van UNIFIL omvat o.a. het assisteren van de Libanese Armed Forces (LAF) bij het uitvoeren van de verplichtingen uit VNVR-resolutie 1701. Ik hecht eraan te benadrukken dat het mandaat reeds voorziet in het in samenwerking met de Libanese autoriteiten verrichten van onderzoek naar claims van illegaal wapenbezit wanneer hierover gerichte informatie wordt ontvangen. Op basis van dit mandaat ondersteunt UNIFIL de LAF reeds in het controleren van woongebieden en privéwoningen.
Onderwijsassistenten die worden ingezet als goedkope leerkrachten |
|
Manja Smits (SP) |
|
André Rouvoet (CU) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «onderwijsassistenten misbruikt als goedkope leerkrachten»?1
Het is niet wenselijk dat onderwijs- en klassenassistenten worden ingezet voor taken waar zij niet voor zijn opgeleid en/of niet voor worden beloond. De kwaliteit van leraren is van doorslaggevend belang voor de prestaties van leerlingen. Daarom moeten we alles op alles zetten om goede, bevlogen en bevoegde docenten voor de klas te krijgen en de huidige docenten zoveel als mogelijk te behouden.
Ik zet me dan ook in om het aandeel onbevoegd gegeven lessen te verminderen. Daarvoor hebben wij ook het Actieplan LeerKracht opgesteld.
Daarnaast raad ik, precies zoals de heer Rog aangeeft in het artikel, assistenten die zich benadeeld voelen aan zich te melden bij de bonden en de MR bij hen op school. De medezeggenschapsraden en de onderwijsbonden kunnen op deze manier hun positie innemen om samen met werkgevers(organisaties) het scholingsbeleid binnen scholen voortvarend ter hand te nemen en on(der)bevoegdheid en de verkeerde inzet van personeel te bestrijden.
Onderschrijft u de getallen van het onderzoek van het CNV dat 75 procent van de klassen- en onderwijsassistenten zelfstandig lesgeeft bij vervanging van een zieke leraar, 85 procent van hen leerlingen begeleidt op basis van instructie en handelingsplannen, 77 procent van hen werk van leerlingen nakijkt, 74 procent van hen de voortgang van leerlingen volgt en bespreekt met de leraar en 51procent van hen assisteert en participeert bij oudergesprekken? Zo nee, bent u bereid de onderwijsinspectie onderzoek te laten doen naar de juiste omvang?
Kerntaak in de functie van onderwijsassistent is het ondersteunen van de leraar op zijn aanwijzingen bij het verrichten van onderwijsinhoudelijke taken en het begeleiden van leerlingen bij de verwerving van vaardigheden. Zolang bovengenoemde werkzaamheden plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van een bevoegde docent zie ik hier geen probleem. Echter, geen van de ondersteuners kan worden belast met de volledige vervanging van zieke leraren en als invaller het zelfde werk doen als de leraar.
Om goed toezicht te kunnen blijven houden ben ik voornemens de Wet op het onderwijstoezicht te wijzigen waardoor de inspectie ook gaat toezien op de kwaliteit van het leraarschap en op het vraagstuk van bevoegdheden. De inspectie is bezig de consequenties hiervan voor het toezicht uit te werken.
Deelt u de mening dat het slecht is voor de kwaliteit van het onderwijs wanneer klassen- en onderwijsassistenten zelfstandig voor de klas staan, omdat ze hiervoor niet zijn opgeleid? Zo ja, waarom gebeurt dit dan wel? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat enkel gekwalificeerd personeel deze taken uitvoert?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Daarnaast zet ik mij ook op andere manieren in om het aandeel onbevoegd gegeven lessen te verminderen. Er is veel geld uitgetrokken voor een betere beloning om bevoegde leraren aan te trekken en de lerarenopleiding aantrekkelijker te maken. Er wordt daarnaast ingezet op scholing van zij-instromers en een lerarenbeurs waarmee bevoegde docenten hoger of breder bevoegd kunnen worden.
Bent u bereid om uw bezuiniging van 90 miljoen euro op het basisonderwijs terug te draaien nu blijkt dat geldgebrek een van de redenen is dat scholen klassen- en onderwijsassistenten taken laten uitvoeren waarvoor zij niet zijn opgeleid en ingeschaald? Zo neen, waarom niet?
Geldgebrek kan in principe geen rol spelen in situaties waarbij sprake is van vervanging van zieke leraren. Scholen ontvangen immers middelen voor het vervangen van leraren vanuit het vervangingsfonds. Het is daarnaast zeer de vraag of situaties waarbij medewerkers in ondersteunende functies te laag worden ingeschaald zich laten verklaren door geldgebrek. De omvang van de bekostiging is voldoende om voor iedere klas een bevoegde leraar aan te stellen en daarnaast een aantal ondersteunende functies te creëren. Het is aan schoolbesturen om hier de optimale keuzes te maken binnen de grenzen van de wet en bindende afspraken over arbeidsvoorwaarden.
Ik wijs er daarnaast op dat deze bezuiniging destijds genomen is in verband met de economische crisis. Ik zie dan ook geen mogelijkheden deze bezuinigingsmaatregel terug te draaien omdat hiervoor geen financiële dekking aanwezig is. Door te kiezen voor een bezuiniging op het budget bestuur en management is het signaal gegeven dat de bezuiniging niet ten koste mag gaan van het werk in de klas.
Gedragsregels voor voormalige EU-commissarissen |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Oostenrijkse oud-commissaris Ferrero-Waldner, voorheen verantwoordelijk voor het buitenlands beleid van de Europese Unie (EU), dit voorjaar is overgestapt naar twee bedrijven die nauw betrokken zijn bij haar voormalige politieke agenda?1
Mevrouw Ferrero-Waldner was gedurende haar ambtsperiode bij de Commissie verantwoordelijk voor externe betrekkingen en nabuurschapsbeleid en heeft haar nieuwe activiteiten gemeld bij de Commissie. De Commissie heeft de verenigbaarheid van haar nieuwe activiteiten getoetst met haar functie als commissaris en was van oordeel dat de voorgenomen activiteiten verenigbaar waren met de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 245, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Werking van de EU (hierna VWEU). Hierin is bepaald dat leden van de Commissie verplicht zijn om eerlijkheid en kiesheid te betrachten in het aanvaarden van bepaalde functies na afloop van hun ambtsperiode. Toezicht op de naleving van deze regel vindt het kabinet in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de Commissie zelf.
Indien ja, acht u dit in overeenstemming met de Europese regels voor ex-bestuurders van de EU?
Zie antwoord vraag 1.
Is het tevens waar dat het ethisch comité van de Europese Commissie, dat toeziet op bijbanen van Europese bestuurders, Ferrero-Waldner heeft gevraagd geen «gevoelige en vertrouwelijke» informatie vrij te geven?
Het ethisch comité van de Commissie achtte de voorgenomen activiteiten verenigbaar, en heeft aangegeven dat als mevrouw Ferrero-Waldner onderwerpen zou moeten behandelen die verband houden met haar eerdere functies, zij de vertrouwelijkheid van gevoelige en vertrouwelijke informatie waar zij toegang tot heeft gehad tijdens haar ambtsperiode dient te waarborgen.
Indien ja, wie controleert of dit ook daadwerkelijk niet gebeurt?
De verplichting om geen vertrouwelijke informatie openbaar te maken waartoe de commissarissen toegang hebben gehad bij de uitoefening van hun taken, geldt voor alle voormalige commissarissen. De commissarissen zijn zelf verantwoordelijk voor de naleving. Ingeval deze verplichtingen niet worden nagekomen, kan de Raad of de Commissie zich wenden tot het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie kan sancties opleggen.
Is het waar dat oud-commissaris Verheugen een eigen lobbybedrijf is begonnen?
De heer Verheugen heeft de Commissie in kennis gesteld van zijn betrokkenheid bij de oprichting van «The European Experience Company GmbH», waarvan hij niet-uitvoerend bestuurder is.
Is het tevens waar dat de regels van de Europese Commissie uitdrukkelijk lobbyactiviteiten door oud-commissarissen verbieden?
Lobbyactiviteiten zijn niet als zodanig verboden. Elke activiteit moet worden beoordeeld in de praktijk, afhankelijk van de betrokken sector en dossiers en de potentiële risico's van belangenconflicten. Als een lobbyactiviteit een belangenconflict zou doen ontstaan, is zij niet verenigbaar. De Commissie heeft nog geen besluit genomen over de door de heer Verheugen gemelde activiteit.
Indien ja, gaat u aandringen op het naar letter en geest toepassen van de regels voor ex-bestuurders van de EU?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de regels ex-bestuurders van de EU zo spoedig mogelijk moeten worden aangescherpt om het weglekken van vertrouwelijke politieke informatie te voorkomen? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Is het waar dat oud-commissarissen van de EU in aanmerking komen voor een «gewenningstoelage» die kan oplopen tot elfduizend euro per maand?
Ja2. De overgangsvergoeding waarvoor een oud-commissaris in aanmerking komt bedraagt (bruto) tussen de 40% en 65% van het laatste maandelijkse basissalaris, afhankelijk van de lengte van het dienstverband bij de Commissie. Deze vergoeding wordt verlaagd als hij of zij een nieuwe betaalde baan aanvaardt en is afhankelijk van de hoogte van het nieuwe salaris. Dit houdt in dat het nieuwe salaris samen met de overgangsvergoeding niet hoger mag zijn dan het salaris dat de oud-commissaris verdiende toen hij of zij nog lid was van de Commissie. De overgangsvergoeding is fors en kan minder. Daarom zal Nederland zich kritisch blijven opstellen ten aanzien van de hoogte van de administratieve uitgaven van de EU en de hoogte van salarissen van EU-functionarissen. Tijdens de lopende onderhandelingen over de EU-begroting 2011 kaartte Nederland dit meerdere malen aan.
Indien ja, deelt u de opvatting dat dit veel te riant is en bent u bereid aan te dringen op beperking hiervan? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Het onder de pet houden van een rapport dat de financiële wanorde bij de provincies aan de kaak stelt |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Noord-Brabant spekt kas Zuid-Holland»?1
Ja.
Is het waar dat het rapport «Beheerst verdelen» van de commissie-Stuiveling officieel niet is aangeboden aan de fondsbeheerders Binnenlandse Zaken en Financiën? Zo ja, deelt u de mening dat u het rapport onder de pet heeft gehouden?
De kwalificatie dat het rapport «onder de pet is gehouden» door het kabinet, is onjuist. De commissie Stuiveling is een onafhankelijke commissie die is ingesteld door het bestuur van het Interprovinciaal Overleg (IPO). Het IPO heeft naar aanleiding van het rapport van de commissie onderling gediscussieerd over de verdeling van de verlaging van het provinciefonds over de provincies. De inzet was om te komen tot een voorstel voor een duurzame financiële verhouding dat op draagvlak kon rekenen bij alle 12 provincies. Er is echter geen eensgezindheid bereikt over de noodzaak c.q. wenselijkheid om op basis van de uitkomsten van het rapport tot een herzien verdeelmodel te komen. De provincies hebben in dat licht besloten om geen stappen te nemen in de richting van het distribueren van het rapport van commissie Stuiveling. Het rapport is dan ook niet aangeboden aan de fondsbeheerders.
Het niet aanbieden van dit rapport laat echter onverlet dat de situatie omtrent de provinciale financiën een aandachtspunt is van dit Kabinet. De fondsbeheerders (de Staatssecretaris van BZK en de Minister van Financiën.) hebben, mede op verzoek van het IPO, zelf de verantwoordelijkheid genomen om tot een nieuw verdeelmodel te komen, dat recht doet aan de uitgangspunten van de Financiële verhoudingswet (artikel 7) dat overheden (in dit geval provincies) in gelijke omstandigheden een gelijke financiële uitgangspositie hebben, dat wil zeggen dat in het nieuwe verdeelmodel een maatstaf voor vermogen zal worden opgenomen. Zoals aangegeven in het kabinetstandpunt (TK 2009/2010, 32 123C) dat ik op 22 april jongstleden naar uw Kamer heb gestuurd, vindt er in die hoedanigheid op dit moment onderzoek plaats naar een nieuwe verdeelsystematiek.
Naar aanleiding van het zojuist genoemde kabinetstandpunt, streven de fondsbeheerders ernaar om per 1 januari 2012 het nieuwe verdeelsysteem in te laten gaan. De specifieke invulling hiervan is aan een nieuw kabinet.
Deelt u de mening dat een rapport dat de financiële problemen van provincies beschrijft grote urgentie heeft? Zo ja, kunt u uitleggen waarom dit rapport zo lang onbesproken blijft?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw eerste reactie op dit rapport? Bent u bereid om een kabinetsreactie op dit rapport te formuleren?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de conclusie van de commissie-Stuiveling is, dat het praktisch onmogelijk is om de provincies op basis van het beschikbare cijfermateriaal over de provinciale financiën onderling te vergelijken?2 Zo ja, gaat u naar aanleiding van de conclusie van de commissie werk maken om binnen vijf jaar een systeem te realiseren dat een permanente vergelijking mogelijk maakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat verschillende geldstromen door elkaar lopen, zelfs met geldstromen van andere overheden? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat eenduidigheid, vergelijkbaarheid en transparantie met betrekking tot deze geldstromen gerealiseerd gaan worden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op het hieraan verwante artikel «Onduidelijke Provinciereserves»?3
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de conclusies van de Randstedelijke rekenkamer dat Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland hun financiële reserves beter moeten verantwoorden? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat een nieuw verdeelmodel in 2012 te laat komt voor de benodigde herschikking van de provinciefondsen, terwijl verschillende provinciefondsen kampen met een tekort? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de verwachte problemen aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Verlies van vertrouwelijke stukken door een lid van de Hoge Raad |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tas met dossiers Hoge Raad gestolen»?1
Ja.
Is dit bericht waar? Zo ja, deelt u de mening dat de raadsheer van de Hoge Raad zeer onzorgvuldig heeft gehandeld door de vertrouwelijke stukken in een bagagerek van een trein te leggen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik verwijs naar het persbericht van de Hoge Raad der Nederlanden (Hoge Raad) van 23 september 2010 (www.rechtspraak.nl).
Het werk in een rechterlijke organisatie vergt dat soms stukken mee naar huis worden genomen. De Hoge Raad is zich bewust van de zorgvuldigheid die daarbij dient te worden betracht. De inherente risico’s dienen zo veel mogelijk te worden beperkt. Deze risico’s kunnen echter nooit geheel worden uitgesloten.
Wat zijn de gevolgen van het verlies van deze dossiers voor de afhandeling van de zaken waarop die dossiers betrekking hebben?
Sinds 2007 worden in rechtszaken die bij de Hoge Raad dienen alle inkomende stukken gescand en opgeslagen in het elektronische zaakregistratiesysteem van de Hoge Raad. Daardoor kan een dossier altijd gereconstrueerd worden. De diefstal heeft geen gevolg voor de behandeling van de twee zaken.
Is de landelijke richtlijn2, welke per gerecht dient te worden uitgewerkt in een lokaal beveiligingsplan, ook van toepassing voor de Hoge Raad der Nederlanden? Zo ja, bestaat er voor de Hoge Raad zo'n beveiligingsplan en wat wordt daarin bepaald omtrent het meenemen door raadsheren of medewerkers van dossierstukken in het openbaar vervoer of in privévervoer? Zijn die regels naar uw oordeel voldoende? Zo nee, waarom niet en wat kan daaraan worden gedaan?
De betreffende landelijke richtlijn is opgesteld door de Raad voor de rechtspraak. Deze richtlijn is niet van toepassing op de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft op het gebied van de vertrouwelijke omgang met stukken een eigen verantwoordelijkheid. De Hoge Raad heeft meegedeeld dat het voorval wel aanleiding geeft om intern nogmaals op de risico’s te wijzen van verlies en diefstal van stukken.
Indien voornoemde richtlijn niet op de Hoge Raad van toepassing is en/of er geen beveiligingsplan voor de Hoge Raad bestaat, op welke wijze gaat u dan bevorderen dat er voor de Hoge Raad deugdelijke voorschriften gaan gelden om risico’s met betrekking tot de behandeling van vertrouwelijke stukken door zijn leden en/of medewerkers zo veel mogelijk terug te dringen?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn er regels ten aanzien van het disciplinair straffen van rechters indien zij op onzorgvuldige wijze vertrouwelijke stukken vervoeren? Zo nee, zijn er naar uw oordeel dan redenen om een disciplinaire straf voor rechters die vertrouwelijke stukken onzorgvuldig vervoeren in te voeren?
Het beoordelen van gedragingen van leden van de Hoge Raad is voorbehouden aan de Hoge Raad zelf. Het voorval heeft aanleiding gegeven voor de Hog Raad om intern nog eens te wijzen op de risico’van het verlies van stukken bij reizen.
Het faillissement van Kip caravans |
|
Roos Vermeij (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het faillissement van Kip caravans te Hoogeveen?1
Ja. De Rechtbank te Assen heeft op 28 september 2010 het faillissement van Kip caravans uitgesproken.
Is er inderdaad een reële kans dat er opnieuw een doorstart komt, zoals de organisatie vermeldt in haar persbericht?
Kip Nederland heeft in haar persbericht van 23 september aangegeven dat een eventuele doorstart met alle betrokkenen onderzocht wordt. Op 1 oktober meldde de curator in de Volkskrant dat zich 18 partijen hebben gemeld voor een eventuele doorstart. Er is dus een reële kans op een doorstart, maar of en in hoeverre resultaten bereikt worden met de 18 partijen, is op dit moment nog niet bekend.
In hoeverre zijn het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en het mobiliteitscentrum ingezet om de medewerkers van werk naar werk te begeleiden?
Op 27 september is er een bijeenkomst geweest met de medewerkers van Kip caravans. UWV was vertegenwoordigd met medewerkers van de afdeling faillissementen, het mobiliteitscentrum in Emmen en medewerkers van het Werkplein Hoogeveen. Er zijn concrete afspraken gemaakt met de medewerkers, zij worden uitgenodigd voor bijeenkomsten «Werken aan werk» en het maken van een CV en brief. UWV inventariseert alle vacatures in de regio (Zwolle, Emmen, Hardenberg, Steenwijkerland en Assen) welke vervolgens worden geplaatst in een speciale werkkrant voor de medewerkers van Kip caravans. Daarnaast is UWV in gesprek met uitzendbureaus over plaatsingsmogelijkheden in de regio.
Zijn er ook overheden, zowel lokale als provinciale, betrokken bij de voorkoming van het faillissement en bij de begeleiding van medewerkers naar nieuw werk?
Het mobiliteitscentrum in Emmen brengt alle partijen op het gebied van werk, scholing en inkomen uit de regio bijeen om de met ontslag bedreigde medewerkers zo snel mogelijk naar nieuw werk te begeleiden. Dit zijn onder andere de uitzendbureaus, de gemeenten, werkgevers en scholingsinstellingen. Er is ook contact gelegd met de arbeidsmarktregio IJsselvecht (Zwolle). Ook de provincie is nauw betrokken bij alle mobiliteitsinitiatieven.
Heeft het bedrijf gebruik gemaakt van de deeltijd-WW mogelijkheden die er in de afgelopen periode waren?
Kip Caravans heeft vanaf 29 juni 2009 gedurende drie maanden gebruik gemaakt van de deeltijd WW. Er waren toen 62 personen in dienst. Zestig medewerkers hebben toen voor 50% gebruik gemaakt van de deeltijd WW. Na afloop van deze periode heeft Kip Caravans aangegeven geen verlenging aan te vragen, omdat er voldoende orders waren voor de volgende drie maanden. De regeling deeltijd WW sluit uit dat daarna nog opnieuw een beroep op de regeling kan worden gedaan.
Eén van de verplichtingen bij het gebruik van deeltijd WW is dat arbeidsmarkt-relevante scholing plaatsvindt. De eerste drie maanden deeltijd WW zijn gebruikt voor oriëntatie, korte gerichte bijscholing en voorbereiding op lange termijn-scholing.
Is er in de afgelopen jaren geïnvesteerd in scholing, zodat medewerkers meer kansen hebben op de arbeidsmarkt?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat er alles op alles gezet moet worden om de werkgelegenheid in Drenthe te behouden en dat dit ook geldt voor het werk van deze medewerkers van Kip caravans? Wat zou uw rol daarin kunnen zijn?
Ik ben van mening dat alles in het werk gesteld moet worden om niet alleen de werkgelegenheid in Drenthe, maar in heel Nederland te behouden. Het bedrijfsleven en de overheid hebben daarin ieder een eigen verantwoordelijkheid. De overheid richt zich op het creëren van randvoorwaarden voor structurele economische ontwikkeling en heeft een rol bij het begeleiden van met werkloosheid bedreigde werknemers en werklozen naar ander werk. Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor de strategische beslissingen die zij nemen over de aard en inrichting van hun productieprocessen en daarmee ook voor de continuïteit van hun onderneming.
Ik besef dat het faillissement en het ontslag voor de medewerkers hard aankomt. Voor hen breekt een periode van onzekerheid aan. Ik verwacht dan ook van de samenwerkende partijen in het mobiliteitscentrum Emmen, dat zij alles in het werk zullen stellen om de betrokken medewerkers zo snel mogelijk naar ander werk te begeleiden.
De schandelijke uitlatingen van de Indonesische ambassadeur over PVV-leider Geert Wilders en de Nederlandse kiezers die op de PVV gestemd hebben |
|
Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Bezoek uit Jakarta ondanks Wilders», waarin de Indonesische ambassadeur in Nederland, Yunus Effendi Habibie, uitspraken doet over de vermeende ondeskundigheid, de «haatzaaierij» en het «schreeuwen» en «blaffen» van PVV-leider Geert Wilders en waarin hij insinueert dat de Nederlanders die op de PVV hebben gestemd aan een «angstpsychose» leiden?1
Ja.
Heeft de Indonesische ambassadeur namens de Indonesische regering gesproken?
Een ambassadeur spreekt in principe namens zijn regering.
Deelt u de mening dat de uitspraken van Habibie beledigend, onwaar en ongepast zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al eerder heb aangegeven staat het de ambassadeur in een land dat de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel heeft staan, vrij om te zeggen wat hij wil en zijn zorgen te uiten over de beelden die de PVV over de Islam oproept. Ik vond het evenwel niet verstandig van de ambassadeur zich in de termen zoals hij die heeft gebruikt uit te laten over de kiezers van de PVV. Ik heb hem dit nog dezelfde dag door een hoge ambtenaar van mijn ministerie laten mededelen. Tijdens dit gesprek heeft ambassadeur Habibie begrip getoond voor mijn opvatting en zijn uitspraak teruggenomen.
Bent u bereid ambassadeur Habibie te ontbieden om uw ongenoegen over deze uitspraken aan hem door te geven?
Neen.
Bent u bereid deze vragen per ommegaande, maar in ieder geval vóór het aanstaande staatsbezoek te beantwoorden?
Ja.
Salarissen boven de balkenendenorm bij de publieke omroep |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren waarom na de motie Voordewind1 er nog steeds salarissen bij de publieke omroepen worden uitgekeerd ver boven de balkenendenorm, zelfs van 450 000 euro per jaar?
De motie Voordewind/Atsma hangt samen met een uitgebreid overleg in en met de Tweede Kamer over het al dan niet toestaan van een aantal uitzonderingen op het door de NPO vastgestelde maximale beloningsplafond van € 181 000. De uitkomst van dat overleg was dat de Tweede Kamer er mee in kon stemmen dat er in totaliteit voor 8 presentatoren/programmamakers (5 voor televisie en 3 voor radio) een uitzondering op grond van het BPPO kon worden toegestaan. Tijdens het overleg is ook duidelijk door de toenmalige minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gesteld dat het daarbij alleen om nieuwe overeenkomsten kon gaan.
De verklaring dat er over de jaren 2009 en 2010 meer uitzonderingen zijn, is gelegen in het feit dat er sprake is van lopende overeenkomsten die (nog) niet opengebroken zijn. Het schema in de rapportage van de NPO laat zien dat er voor de jaren 2011 en 2012 nog vijf lopende overeenkomsten zijn die boven het beloningsplafond uitkomen. De raad van bestuur van de NPO bevordert dat nog lopende overeenkomsten zo snel als mogelijk worden aangepast aan de systematiek van het BPPO.
Ook over de hoogte van de beloning van de uitzonderingen is gesproken. In het overleg met de Tweede Kamer heeft de toenmalige minister opgemerkt: «Ik heb zojuist aangegeven dat ik denk dat het op de hele breedte een dempende werking moet hebben op de salarissen en dat de publieke omroep er verstandig aan doet om ook voor die enkele uitzondering die men wellicht maakt – nogmaals: het zijn er niet meer dan vijf voor alle omroepen bij elkaar – te bezien dat het bedrag niet hoger is dan redelijk. Ik vind alleen niet wij dat nu weer hier moeten gaan bepalen, …» (Handelingen II, 1 juli 2009, TK 102, p. 8120). In zijn brief van 16 september 2009 merkt de toenmalige minister op dat het uiteindelijk aan de raad van bestuur van de NPO is om (de hoogte van de beloning van) de uitzondering te bepalen. «Het feit dat omroepverenigingen het meerdere uit verenigingsgelden dienen te betalen, betekent dus niet dat ledenverenigingen zelfstandig over (de hoogte van) de uitzondering kunnen beslissen.» (Kamerstukken II, 2009/10, 31 804, nr. 80).
Hoe bent u van plan samen met de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) de omzeiling van het Beloningskader presentatoren publieke omroep (BPPO) via de management-bv's tegen te gaan? Welke maatregelen wil het NPO hiervoor nemen?2
De raad van bestuur van de NPO geeft aan dat men voornemens is ook de zogenoemde management-BV’s onder het BPPO te gaan brengen. Men wil daartoe een regeling opnemen die vergelijkbaar is met het voorstel zoals dat wordt opgenomen in het wetsvoorstel Normering topinkomens.
Welke verklaring geeft het NPO voor het niet uit de verenigingsmiddelen betalen van het bedrag dat boven de balkenendenorm uitgaat?
De NPO geeft drie verklaringen:
Vindt u dit een plausibele verklaring? Zo ja waarom? Zo nee, bent u bereid, indien de omroepen conform de motie Voordewind, het meerdere boven de balkenendenorm niet uit de verenigingsgelden betalen, dit bedrag in mindering te brengen op de jaarlijkse omroepbijdrage van de overheid aan de desbetreffende omroep, in het verlengde van de maatregel die onlangs de minister van Buitenlandse Zaken toepaste bij een hulporganisatie?
Zoals ik in mijn brief van 21 september jl. aangaf vind ik dit een punt voor verbetering. De NPO geeft in de verklaring ook aan dat sommige omroepen op vrijwillige basis de splitsing reeds hebben aangebracht. Ik ben van mening dat in alle gevallen waar het ledenverenigingen betreft alleen het normbedrag van € 181 000 uit omroepmiddelen mag worden betaald. In lijn met de motie dient al het meerdere uit verenigingsmiddelen te worden opgebracht. Ik zal er bij de raad van bestuur van de NPO op aandringen dit eenduidig in het BPPO op te nemen en daarop toezicht te houden. Overigens is het aan de raad van bestuur toe te zien op de naleving van het beloningskader en daar eventueel (financiële) consequenties aan te verbinden.
Internetfilters |
|
Mariko Peters (GL) |
|
|
|
|
Is het waar dat u niet de beschikking heeft over de verslagen van de overleggen over de totstandkoming van het internetfilter voor kinderpornografie, zoals u stelt in uw besluit van 9 september 2010 op het WOB-verzoek met betrekking tot de voortgang en inrichting van het kinderpornofilter op internet1? Zo ja, hoe rijmt u dat met uw opmerking in uw brief van 30 maart 20102 de voortgang nauwgezet te zullen volgen?
Ja. Mijn ministerie volgt de totstandkoming van het internetfilter voor kinderpornografie nauwgezet en neemt deel aan het Platform Internetveiligheid3, waarin private partijen en het meldpunt kinderporno op internet samenwerken. Overlegverslagen zijn daarvoor niet noodzakelijk.
Nadat onderhavige vragen zijn gesteld, hebben genoemde private partijen en het meldpunt kinderporno op 5 oktober 2010 op de website van ECP-EPN (http://www.ecp-epn.nl/werkgroep-blokkeren-kinderporno) informatie over, onder meer, de stand van zaken openbaar gemaakt en in een brief4 heeft ECP-EPN deze openbaarmaking nader toegelicht. Ik verwijs uw Kamer naar deze openbare informatie.
In welke fase bevinden zich de onderhandelingen over het internetfilter? Zijn er al overeenkomsten gesloten?
De onderhandelingen bevinden zich in een afrondende fase. Er zijn nog geen overeenkomsten getekend. De teksten zijn nog dusdanig in ontwikkeling dat partijen geen exemplaren openbaar willen laten circuleren. Wanneer er echter meer duidelijkheid over de aard en inhoud van de afspraken te melden is, zullen zij de overeenkomst met bijbehorende achtergronddocumenten integraal publiceren.
Op welke wijze bent u betrokken bent bij de totstandkoming van het internetfilter voor kinderpornografie? Over welke informatie beschikt u over de stand van zaken van dit moment? Kunt u de verslagen voor zover beschikbaar ter beschikking stellen aan de Kamer?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u op basis van uw informatie over huidige de stand van zaken aangeven hoeveel websites op de nominatie staan gefilterd te worden? Uit welke landen zijn deze websites afkomstig?
Met betrekking tot deze vragen heb ik aan de betrokken private partners, het Meldpunt Kinderporno op internet en ECP-EPN gevraagd mij nader schriftelijk te informeren en adviseren. Partijen zijn daartoe bereid en zullen mij op korte termijn via het Platform Internetveiligheid, waaraan mijn ministerie deelneemt, een advies sturen. Vervolgens zal ik uw Kamer in de eerstvolgende voortgangsbrief (planning: december 2010) over de aanpak kinderporno nader informeren.
Kunt u de procedure en criteria toelichten die wordt gehanteerd bij de totstandkoming van deze lijst van te filteren websites?
Als basis voor het samenstellen van de blacklist worden de criteria uit het bij uw Kamer bekende in 2009 door het bedrijf AEF (Andersson Elffers Felix) opgeleverde rapport5 gehanteerd. Dit is een veel gehanteerde classificatie voor de beoordeling of afbeeldingen kinderpornografisch zijn. Het gaat hierbij om afbeeldingen die worden gehost in landen ten aanzien waarvan de Nederlandse opsporingsautoriteiten geen middelen hebben voor opsporing en vervolging. Voorts houden de gehanteerde criteria in dat situaties zoals in het Verenigd Koninkrijk – waar de hele website van Wikipedia werd geblokkeerd, omdat er ergens materiaal stond dat onder de daar geldende blocking-criteria viel – te allen tijde moeten worden voorkomen. De legale delen van dergelijke websites dienen immers niet te worden geblokkeerd.
Deelt u de zorg dat onterechte opname van een website op de filterlijst kan leiden tot ernstige schade aan de aanbieder van die website en een schending van zijn recht op vrijheid van meningsuiting?
De kans dat een aanbieder onterecht op de filterlijst wordt geplaatst acht ik klein, gezien de zorgvuldige samenstelling ervan. Ik verwijs voorts naar de brief van 15 september 2008 (Kamerstukken II, 2007–2008, 28 684, nr. 166) van mijn ambtsvoorganger en het bijbehorende WODC-rapport6 van 26 mei 2008, in het bijzonder hoofdstuk 3.6 en 3.9.
Door wie wordt gecontroleerd of de lijst op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u de procedure toelichten waarlangs bezwaar kan worden gemaakt tegen opname van een website op de lijst?
Op de STOP-pagina die internetgebruikers te zien krijgen als zij om toegang tot een website met een afbeelding op de zwarte lijst vragen, is informatie opgenomen over een klachtmogelijkheid. Iedereen die betwijfelt of de website die hij wil bezoeken daadwerkelijk kinderporno bevat, kan een klacht indienen. Dat geldt ook voor beheerders van websites. Het meldpunt beoordeelt deze klachten en er gaat ook een kopie van de klacht naar de internetservice-providers (ISP’s). Die laten de afhandeling aan het Meldpunt over, maar hebben op deze manier inzage in de klachtenstroom en kunnen direct ingrijpen (bijvoorbeeld door de blokkade uit te zetten) als er iets mis lijkt, totdat duidelijk is wat er aan de hand is.
Deelt u de zorg dat het internetfilter mogelijk ook legale informatie zal filteren als bijproduct van het filteren van illegaal materiaal? Zo ja, in hoeverre is dat in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens? Kunt u uw antwoorden toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u het doel dat u beoogt met het internetfilter toelichten?
De verspreiding van kinderporno via het internet is verwerpelijk en strafbaar, en dient krachtig te worden tegengegaan. Deze blokkade wordt door de providers ingezet om een bijdrage te leveren aan het tegengaan van de verspreiding van kinderporno. Het is geen opsporingsmiddel. Door deze publiek-private samenwerking willen de private partijen een bijdrage leveren aan deze doelstelling, als aanvulling op de voortdurende inspanningen van politie en Justitie en het Meldpunt Kinderporno.
Aan welke minimale waarborgen ten aanzien van proportionaliteit, effectiviteit, transparantie, etc. moet het internetfilter volgens u gaan voldoen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke criteria worden gehanteerd om vast te stellen of het internetfilter doelmatig en effectief functioneert? Op welke wijze en met welke frequentie zal het internetfilter aan die criteria worden getoetst?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van plan om internetproviders die niet uit zichzelf mee willen werken aan implementatie van het internetfilter te dwingen het filter te implementeren?
Deelt u de mening dat de effectiviteit van het internetfilter zeer omstreden is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, deelt u dan de mening dat het dan beter is door u voor het internetfilter gereserveerde middelen ter beschikking te stellen voor extra capaciteit bij de bestrijding van kindermisbruik?
Verkrachtingen van vredesactivistes door Palestijnen in Judea en Samaria |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Arabs Harass Female «Peace» Activists; Left Silences Victims»?1
Ja.
Is het waar dat vrouwelijke vredesactivisten die naar Judea en Samaria gaan om steun te betuigen aan Palestijnse verzetsgroepen, daar systematisch worden gemolesteerd en verkracht door leden van die groepen?
In algemene zin geldt dat het tegengaan van (seksueel) geweld tegen vrouwen een belangrijke pijler is van het Nederlands buitenlands beleid en de Nederlandse mensenrechtenstrategie. Daarnaast is Nederland, zowel in bilateraal als in multilateraal verband, voorvechter van het tegengaan van straffeloosheid. Mij is geen informatie bekend over het fenomeen dat u beschrijft, ook niet over mogelijke Nederlandse slachtoffers. Op basis hiervan zie ik geen aanleiding voor de Nederlandse overheid om nader onderzoek te (laten) verrichten.
Onderschrijft u dat het bewust verhullen van verkrachtingen en lichamelijke en fysieke intimidatie/geweld van en tegen vrouwelijke vredesactivisten door de Palestijnen in Judea en Samaria, om dezelfde Palestijnen niet te beledigen, de omgekeerde wereld is?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat linkse activisten die verkrachte vrouwelijke vredesactivisten onder druk zetten om geen aanklacht hierover in te dienen – met als reden de strijd tegen de «bezetting» niet te beschadigen – Israël ten koste van alles, zelfs de waarheid, in een zwart daglicht willen plaatsen?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat de linkse activisten kennelijk alles uit de kast halen om Israël te veroordelen met betrekking tot de «bezetting», maar zelf crimineel gedrag verdoezelen en zelfs bevorderen door de verkrachtingsslachtoffers het recht te ontnemen aangifte te doen omtrent het aangedane leed? Erkent u dat daarmee die linkse activisten in feite zelf medeplichtig worden en dus crimineel?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er gevallen bij u bekend van Nederlandse slachtoffers van dergelijk seksueel geweld? Zo ja, welke maatregelen heeft u genomen c.q. bent u bereid hieromtrent te nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u een nader onderzoek in (doen) stellen naar dit fenomeen om zo veel mogelijk feiten boven water te krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
"Gesjoemel met veiligheidscertificaten" en het niet optreden van de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) |
|
|
|
|
Camiel Eurlings (minister verkeer en waterstaat) (CDA) |
|
Kent u de artikelen «Inspectie machteloos bij «fraude» veiligheidscertificaten» en «Nieuwe cijfers: baanwerkers doorliepen cursus niet zelf»1 en «Risicosituaties langs het spoor»?2
Ja.
Is het mogelijk dat baanwerkers veiligheidscertificaten verkrijgen waarvoor zij niet zelf de test met succes hebben afgelegd? Zo ja, waarom is er geen adequate beveiliging van het internet examensysteem zodat fraude onmogelijk is? Zo ja, welke maatregelen neemt u zodat deze fraude per direct onmogelijk wordt gemaakt?
De in vraag 1 genoemde artikelen spreken van «veiligheidscertificaten». Met het bedoelde internet examensysteem wordt echter een «bewijs van deelname» verstrekt. De Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) vermoedt dat het mogelijk is dat baanwerkers dit bewijs van deelname kunnen verkrijgen zonder zelf de vragen te beantwoorden. Dit vermoeden is gerezen door de geclusterde momenten waarop de bewijzen van deelname zijn afgegeven. Dit is naar voren gekomen tijdens het onderzoek naar een dodelijke aanrijding van een baanwerker met een metro in Amsterdam Zuid.3
De vragenlijst en het bijbehorende bewijs van deelname zijn geen wettelijk verplichte instrumenten. Ze worden gebruikt door de spoorbeheerder, in dit geval het Gemeente Vervoer Bedrijf (GVB), als middel om het veiligheidsbewustzijn van de baanwerkers te vergroten. Naast deelname aan de internetmodule, krijgen baanwerkers nadere instructies over veilig werken aan de spoorbaan. Het maken van de toets en het verkrijgen van het bewijs van deelname zijn onderdeel van de interne kwaliteitseisen waaraan de baanwerker moet voldoen. De inspectie heeft vastgesteld dat vermoedelijk niet aan deze kwaliteitseisen is voldaan en heeft daarom het signaal afgegeven aan de betrokken ondernemingen dat teveel waarde wordt gehecht aan het bewijs van deelname aan de internetmodule Veiligheid langs de metrobaan. Het is aan de ondernemingen om met behulp van dit signaal hun kwaliteitsborging te verbeteren.
Is het waar dat de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) het niet tot haar verantwoordelijkheid rekent om aangifte van strafbare feiten te doen, ook niet wanneer sprake is van het ten onrechte verkrijgen van veiligheidscertificaten, en dat IVW het ook niet nodig vindt een rapport hierover naar het Openbaar Ministerie te sturen? Zo ja, kunt u dan de IVW direct opdragen aangifte van strafbare feiten te doen en daarbij de rapporten over strafbare feiten door te sturen?
Het is de plicht van de IVW aangifte te doen van misdrijven of van het vermoeden daarvan, zoals beschreven in artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht. Als het gaat om andere strafbare feiten, die relevant zijn voor de veiligheid, beschouwt de IVW het als haar verantwoordelijkheid ofwel zelf te handhaven, ofwel bij het Openbaar Ministerie hiervan aangifte te doen.In dit geval heeft de inspectie geoordeeld dat er geen sprake is van strafbare feiten. Daarom is besloten geen aangifte te doen. Naar aanleiding van de publiciteit heeft de IVW alsnog contact opgenomen met het Openbaar Ministerie om te toetsen of dit besluit terecht was. Het Openbaar Ministerie bevestigt de juistheid van het oordeel van de IVW en is met haar van mening dat er geen aanleiding is aangifte te doen. De inspectie kan in haar rol als veiligheidsautoriteit ook andere wegen zoeken om te handhaven, ook al heeft zij zelf geen bevoegdheden om rechtstreeks toe te zien op organisaties als het GVB. Dat zal de inspectie dan ook nog meer gaan doen.
Kunt u de veiligheidsprocedures voor baanwerkers opnieuw bezien en in het bijzonder de aan baanmedewerkers te stellen eisen? Kunt u daarbij extra aandacht besteden aan buitenlandse baanwerkers die kennelijk tolken nodig hebben voor het kunnen begrijpen van de instructies en het kunnen behalen van de certificaten?
Als werkzaamheden aan het spoor plaats moeten vinden, moet, door de aannemer onder wiens verantwoordelijkheid de werkzaamheden worden uitgevoerd, aan de hand van een risicoanalyse bepaald worden hoe dit op veilige wijze kan gebeuren. De spoorsector heeft de uit de Arbowet voortkomende verplichtingen voor het creëren van een veilige werkomgeving uitgewerkt in het Normenkader Veilig Werken. De Arbeidsinspectie en de IVW zijn van mening dat de spoorbranche hiermee haar verantwoordelijkheid neemt en goede invulling geeft aan haar zorgverplichtingen. Ik zie geen aanleiding deze procedures opnieuw te bezien en nadere eisen te stellen. De eisen en instructies zijn ook in andere talen beschikbaar voor buitenlandse baanwerkers die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheersen.
De niet verdere vervolging van een cartoonist |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «OM zal cartoonist Nekschot toch niet vervolgen»?1
Ja.
Vindt u het met de kennis van nu ook niet hoogst discutabel dat de betrokken cartoonist met veel machtsvertoon is gearresteerd, gelet op het feit dat nu wordt afgezien van strafvervolging, ondanks dat er volgens het Openbaar Ministerie (OM) wel degelijk sprake is van strafbare feiten?
In de onderhavige zaak is van belang dat het OM heeft geoordeeld dat zeven cartoons en twee stukken tekst een strafbare inhoud hadden. De verdenking terzake was indertijd de reden de verdachte aan te houden. Vervolgens heeft het OM om reden van opportuniteit geoordeeld dat de verdachte niet aan een verdere strafvervolging blootgesteld behoefde te worden. De argumentatie daarvoor was juist mede gelegen in de impact die deze zaak op de verdachte had gehad. De aanhouding en inverzekeringstelling maakten daarvan deel uit. Daarin is derhalve geen inconsistentie gelegen. Ik verwijs u verder naar mijn brief van heden (Kamerstuk 32500-VI, nr.4).
Deelt u de mening dat dit getuigt van een inconsistentie?
Zie antwoord vraag 2.
Welke gevolgen heeft deze koers van het OM voor het vrije woord? Is de vrees terecht dat de huidige onduidelijkheid over de strafrechtelijke grenzen van het vrije woord en geschrift leidt tot zelfcensuur?
Ik verwijs naar mijn brief van heden.
Wordt het niet hoog tijd dat het College van Procureurs Generaal voorziet in een richtlijn die het OM handvatten biedt over de wijze waarop met potentiële uitingsdelicten dient te worden omgegaan?
Ik heb in mijn brief van 29 mei 2008 (31 200 VI, nr. 158) aangegeven dat deze zaak een voorbeeld is van de uiterst gevoelige afweging van de belangen van de opsporing, van de verdachte en van de impact in de samenleving. Ik heb toen tevens aangegeven dat die gevoelige weging bij de uitoefening van bevoegdheden door het OM geen kwestie is van regels en protocollen. Zie verder mijn antwoorden van 27 september 2010 op de schriftelijke vragen van de leden Van der Ham en Dibi over het verhoor van een journalist (2010Z11586 en 2010Z12351).
Het plaatsen van containercellen op Bonaire |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat op Bonaire containercellen worden geplaatst?1
Ja.
Bent u zich bewust van het tropische klimaat op Bonaire en het feit dat voor werk- en verblijfsruimten vaak gebruik wordt gemaakt van airco om een leefbaar klimaat te verkrijgen?
Ja. In meerdere cellengebouwen in het Caribische gebied wordt geen airconditioning toegepast, maar wordt gebruik gemaakt van de wind voor verkoeling in de cellen. Dit is een effectief middel in het Caribische gebied. Het installeren en het exploiteren van airconditioning in alle cellen is zeer kostbaar. Boven de containercellen op Bonaire wordt een dak geplaatst dat de warmte afvangt en doordat de voor- en achterzijde van de cellen alleen voorzien zijn van tralies zorgt de wind voor verkoeling. De open structuur van de cellen past binnen de detentiecultuur in dit gebied en geeft voldoende kwaliteit aan de detentie.
Worden deze open cellen, waar de wind vrij spel heeft, ook toegepast in de koudere perioden?
Ja. De temperatuur op Bonaire ligt gedurende het hele jaar tussen de 25 en 30 graden overdag en in de nacht wordt het gemiddeld niet kouder dan 24 graden.
Hoe past het plaatsen van dergelijke cellen in het veiligheidsbeleid van het ministerie van Justitie voor gedetineerden?
Bij de productie en de bouw van de cellen op Bonaire is rekening gehouden met alle normen die gehanteerd worden bij de bouw van detentiecapaciteit in Nederland. De celcontainers voldoen aan de internationaal gestelde normen voor detentie inrichtingen.
Is voor het plaatsen van deze containers een vergunning nodig? Zo ja, aan welke eisen behoort dit te voldoen?
Voor de realisatie van deze tijdelijke uitbreiding van het Huis van Bewaring en de aanpalende voorzieningen zoals de ringmuur, is de benodigde bouwvergunning verkregen van de autoriteiten op Bonaire.
Bent u bereid bij de autoriteiten van het land Nederlandse Antillen erop aan te dringen om af te zien van het plaatsen van containercellen en over te gaan tot het inrichten van een humane detentie-inrichting?
Neen. Er is bewust gekozen voor deze wijze van detineren. Door het gebruik van deze cellen kan op korte termijn de benodigde detentiecapaciteit voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden gerealiseerd. Onder verwijzing naar bovenstaande antwoorden, zie ik geen aanleiding om af te zien van het gebruik van celcontainers.
Welke stappen gaat u ondernemen om een humaan beleid te garanderen bij detentie?
Sinds 2008 ondersteunt de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) het land Nederlandse Antillen om de detentiefaciliteit te Bonaire te laten voldoen aan de internationale wet- en regelgeving. De afgelopen periode is er een aanzienlijke verbetering aangebracht in de leef- en verblijfomstandigheden in de detentiefaciliteit. Met ingang van 10 oktober 2010 is de detentiefaciliteit op Bonaire onder het beheer van de DJI komen te vallen. De DJI zal het verbetertraject continueren.
Het ontslag van 31 medewerkers bij de sociale werkvoorziening in Purmerend |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het ontslag van 31 medewerkers van de sociale werkvoorziening in Purmerend vanwege het mislopen van een rijkssubsidie door de gemeente?1
Ik heb kennis genomen van de twee berichten in het Noord Hollands dagblad. Ik maak daaruit op dat het gaat om het niet verlengen van het dienstverband van 31 personen omdat het re-integratietraject eindigt. De gemeente Purmerend zet in het kader van re-integratie van jongeren een vorm van gesubsidieerde arbeid in (talentenbanen). Jongeren worden tijdelijk in dienst genomen bij Baanstede (sw-bedrijf) om hen werkervaring op te laten doen. Inzet van dit re-integratietraject heeft derhalve geen verband met de Wsw.
In het kader van de Wet Investering in Jongeren geven gemeenten jongeren van 18 tot 27 jaar die zich melden voor een uitkering een leer/werkaanbod. Dit kan een baan zijn, een vorm van scholing of een combinatie van beide, afgestemd op de situatie van de jongeren. De gemeente maakt daarbij zelf de keuze voor inrichting van dit leer/werkaanbod. Het behalen van een startkwalificatie kan van groot belang zijn voor de duurzame inzetbaarheid van jongeren. Het is echter aan de gemeente Purmerend om een keuze te maken in de wijze waarop zij werkloze jongeren een leer/werkaanbod doen.
Ervan uitgaande dat niet-geïndiceerden zichzelf moeten zien te redden, vindt u dit een juiste uitvoering van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ)? Zo nee, wat gaat u hiertegen doen?2
Zie antwoord vraag 1.
Acht u het wenselijk dat 31 jongeren per direct moeten stoppen met hun opleiding en hun Talentbaan omdat de gemeente Purmerend de geldkraan dichtdraait? Vindt u het wenselijk dat deze jongeren hierdoor geen startkwalificatie kunnen behalen? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat jongeren beter een opleiding en een werktraject kunnen volgen in plaats van dat zij werkloos thuis op de bank moeten gaan zitten? Zo ja, vindt u het een verstandige keuze van het college in Purmerend om deze jongeren naar huis te sturen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de gemeente Purmerend gekort wordt door het Rijk voor 3,5 miljoen euro, waardoor zij niet meer in staat is om de Talentbanen voor jongeren te financieren? Zo ja, erkent u dat dit leidt tot meer werkloze jongeren en een langere wachtlijst Wet sociale werkvoorziening (WSW)? Zo nee, hoe zit het dan wel?
De 31 medewerkers van Baanstede in Purmerend waren niet in dienst in het kader van de uitvoering van de Wsw en dus leidt dit niet tot een langere wachtlijst van de Wsw. Het Wsw-budget mag niet worden ingezet voor re-integratie van niet-Wsw-geïndiceerden. Het werkvoorzieningschap Baanstede had deze personen in dienst in het kader van een re-integratietraject. Deze vorm van gesubsidieerde arbeid wordt gefinancierd vanuit het Participatiebudget.
Het participatiebudget van de gemeente Purmerend is in 2010 niet voor 3,5 miljoen euro gekort. In 2010 is het macrobudget van het participatiebudget afgenomen. Dit heeft geleid tot een verlaging van het participatiebudget voor Purmerend in 2010 met 675 duizend euro. Daarnaast heeft de gemeente Purmerend in 2009 haar uitgave aan re-integratie verdubbeld, waarbij voor ruim 2,7 miljoen euro is ingeteerd op de uit voorgaande jaren meegenomen budgetten (meeneemregeling).
Zijn er meer bedrijven voor Sociale Werkvoorziening (SW) die van plan zijn om, vanwege het ontbreken van rijkssubsidie, contracten van SW-geïndiceerden op korte termijn te beëindigen en deze mensen naar huis te sturen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, kunt u dit uitsluiten?
De 31 banen die niet zijn verlengd hebben geen betrekking op de Wsw, maar vloeien voort uit de inzet van een re-integratietraject uit het participatiebudget. Het is aan de gemeente Purmerend om te besluiten of zij de Talentenbanen voor deze jongeren wil behouden.
Het is mij niet bekend of gemeenten van plan zijn om tijdelijke contracten van Wsw-geïndiceerden niet te verlengen. Gemeenten ontvangen jaarlijks de toekenning Wsw waarin is opgenomen het minimum aantal te realiseren Wsw-plekken met het daarbij behorende budget. Het is aan gemeenten deze toegekende plekken te realiseren.
Ziet u mogelijkheden om de Talentbanen in Purmerend voor deze jongeren te behouden, zodat zij een startkwalificatie kunnen halen en zich kunnen voorbereiden op hun toekomst? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat – vanwege de forse bezuinigingen van 120 miljoen euro per jaar vanaf 2011 – het aantal ontslagen en wachtlijsten zullen groeien en deze bezuiniging van tafel moet? Zo nee, vindt u het sociaal om te bezuinigen op arbeidsgehandicapten die toch al geen of weinig perspectief hebben op een reguliere baan?3
Zoals ik tijdens de begrotingsbehandeling van SZW ook heb gemotiveerd en uiteengezet, ben ik van mening dat een efficiëncykorting op het Wsw-budget voor 2011 noodzakelijk is en dat het mogelijk moet zijn voor de uitvoering dit te realiseren. De Wsw is in vergelijking met het buitenland erg ruim en kostbaar. Er moet, gelet op deze cijfers, dus ruimte zijn voor minder subsidie. Bovendien zitten er in de Wsw mensen die veel meer kunnen dan waarvoor ze worden ingezet. Daarnaast vindt uitstroom naar een reguliere werkgever in het kader van de Wsw (begeleid werken) nog steeds nauwelijks plaats, landelijk 5%, terwijl uit de Wsw statistiek kan worden afgeleid dat ongeveer de helft zou kunnen werken bij een reguliere werkgever. Tenslotte kan uit de statistiek worden opgemaakt dat het aandeel werknemers van voor 1998, die vaak relatief veel betaald krijgen, jaarlijks afneemt door (pre)pensioen van deze werknemers.
Het bericht "Brandweer klust bij als vrijwilliger" |
|
André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brandweer klust bij als vrijwilliger»?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de brandweervakbonden dat er sprake is van een zorgwekkende situatie? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee.
Op de arbeids- en rusttijden van brandweervrijwilligers en beroepsbrandweerlieden zijn de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit van toepassing.
De Arbeidsinspectie is deze zomer, na klachten over de arbeidstijden, opgetreden bij het regionale brandweerkorps Limburg-Zuid. Sindsdien is de situatie daar sterk verbeterd.
Is het u bekend dat de wettelijk vastgestelde rusttijden voor beroepsbrandweerlieden massaal worden genegeerd? Welke maatregelen gaat u nemen om dit probleem aan te pakken?
De wettelijk vastgestelde rusttijden voor beroepsbrandweerlieden en vrijwilligers worden geregeld in de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit.
De verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze toepassen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit bij inzet, opleiden en oefenen van beroepsbrandweerlieden en brandweervrijwilligers ligt bij de werkgever (gemeenten en veiligheidsregio’s). Een werkgever, ook de brandweerwerkgever, moet gezond en veilig werken bevorderen en een inschatting maken van de belasting voor een werknemer. Met de belasting moet rekening worden gehouden bij het maken van de roosters en bij het realiseren van de feitelijke arbeidstijden.
De Arbeidstijdenwet maakt daarnaast onderscheid tussen twee groepen vrijwilligers: vrije instroomprofiel (geen verplichte opkomst) en consignatieprofiel (verplichte opkomst). Vrijwilligers met een vrij instroomprofiel vallen, voor wat betreft de tijdsregistratie en de arbeids- en rusttijdnormen niet onder de Arbeidstijdenwet als voldaan wordt aan de voorwaarden dat het gaat om repressief optreden bij brand of ongeval en zij zijn niet verplicht op een oproep daartoe te reageren.
Vrijwilligers met een consignatieprofiel zijn wel verplicht op een oproep te reageren. Consignatiediensten worden niet gezien als arbeidstijd. Dit komt omdat er feitelijk sprake is van een wachtdienst en niet van actieve arbeid. Als er echter vanuit een consignatiedienst uitgerukt wordt, dan telt deze uitruktijd wel mee als arbeidstijd.
Deelt u de mening dat oververmoeide brandweerlieden een gevaar zijn voor zichzelf, burgers en hun collega’s? Bent u bereid ten aanzien van vrijwilligers nadere voorwaarden te stellen aan de rusttijd c.q. te bezien of de voorwaarden die gelden voor beroepsbrandweerlieden onverkort van toepassing kunnen worden verklaard voor vrijwilligers? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het eens met de vakbonden dat brandweercommandanten c.q. districtshoofden in feite misbruik maken van de «vrijwilligers», omdat deze flexibel en kennelijk ongelimiteerd inzetbaar zijn? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Als het gaat om «vrije instroom»-vrijwilligers staat het de vrijwilliger vrij om al of niet gehoor te geven aan een oproep. Er is geen sprake van dwang of verplichting. Het deelnemen aan repressief optreden of aan hulp bij een ongeval geschiedt op vrijwillige basis. Om die reden kan er in dit geval geen sprake zijn van misbruik. Voor de vrijwilligers met verplichte opkomst stelt de arbeidstijdenwetgeving duidelijke grenzen aan de inzetbaarheid van vrijwillige brandweerlieden. De arbeids- en rusttijdenregels zijn voor hen nagenoeg even strikt als voor de beroepsbrandweerlieden. Waar de naleving van de wettelijk vastgestelde rusttijden te wensen overlaat heeft de Arbeidsinspectie de mogelijkheid om corrigerend op te tredenen doet dat ook, zoals onlangs bij het regionale brandweerkorps Limburg-Zuid.
Bent u bereid het toezicht op en de handhaving van wettelijk vastgestelde rusttijden voor brandweerlieden te intensiveren en daartoe de Arbeidsinspectie opdracht te (doen) geven? Zo ja, op welke termijn en voor welke periode? Zo nee, waarom niet?
De Arbeidsinspectie voert steekproefsgewijze inspecties uit op de arbeidsomstandigheden waarvan de arbeids- en rusttijden deel kunnen uitmaken. Ook reageert de Arbeidsinspectie op binnenkomende klachten. Bij geconstateerde overtredingen worden waarschuwingen gegeven en zonodig boetes opgelegd. Vooralsnog zie ik hierin geen aanleiding om de minister van SZW, die verantwoordelijk is voor de aansturing van de Arbeidsinspectie, te verzoeken de inspecties bij de brandweer te intensiveren.
Op dit moment zijn inspecties voorzien bij de brandweer op het gebied van arbeidsomstandigheden voor met name de onderwerpen risico-inventarisatie en -evaluatie, instortings- en explosiegevaar, flessen voor ademlucht, agressie en geweld en duikarbeid.
Deelt u de mening dat het toezien op naleving van rusttijden mede een verantwoordelijkheid is van de leidinggevenden bij de brandweer? Zo ja, bent u bereid een duidelijke ambtsinstructie ter zake te doen uitgaan alsmede maatregelen te treffen tegen leidinggevenden die deze instructie negeren c.q. niet actief uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 ligt de verantwoordelijkheid voor het op juiste wijze toepassen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit bij inzet, opleiden en oefenen van beroepsbrandweerlieden en brandweervrijwilligers bij de werkgever van de brandweerlieden (veiligheidsregio’s en gemeenten).
De leidinggevenden binnen de brandweerorganisatie handelen bij het toezien op de naleving van de rusttijden in opdracht van hun werkgever (veiligheidsregio’s en gemeenten) Het is dan ook aan het bestuur van veiligheidsregio en gemeenten om hun leidinggevenden zodanig te instrueren dat ze op een adequate manier toezien op de naleving van de rusttijden. Dit houdt onder andere in dat de leidinggevende rekening houdt met de arbeid die de vrijwilliger bij een andere (doorgaans zijn hoofd-)werkgever verricht.
Het bericht van de Raad van State over het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Terschelling |
|
Anne-Wil Lucas-Smeerdijk (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving, waarin staat vermeld dat de gemeente Terschelling tot juli volgend jaar geen bouwvergunningen mag verstrekken door het besluit van de Raad van State van 7 juli 2010 inzake het bestemmingsplan Buitengebied?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Is het waar dat de Raad van State het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Terschelling heeft afgekeurd, omdat er geen «passende beoordeling» heeft plaatsgevonden in het kader van de Natuurbeschermingswet?
Ja, dit is waar. De Raad van State heeft om die reden het goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten vernietigd en goedkeuring aan het bestemmingsplan onthouden.
Is dit voor het eerst dat een bestemmingsplan wordt afgekeurd, omdat voor het hele plan (en niet slechts voor concrete plannen uit het bestemmingsplan) een passende beoordeling nodig blijkt?
Nee, dit is niet voor het eerst dat aan een bestemmingsplan goedkeuring wordt onthouden omdat voor het hele plan een passende beoordeling had moeten worden gemaakt. Het is echter wel de eerste keer dat dit een bestemmingsplan betreft dat betrekking heeft op het gehele buitengebied van een gemeente.
Bent u van mening dat zowel de nieuwe Wet ruimtelijke ordening als de Natuurbeschermingswet voldoende helderheid verschaffen aan provincies en gemeenten om te weten wélke toetsing van wélke plannen noodzakelijk is, aangezien het College van Burgemeesters en Wethouders van Terschelling in een reactie op de uitspraak van de Raad van State heeft aangegeven dat de (natuur)regelgeving inmiddels zo complex is, dat het opstellen van bestemmingsplannen bijna onmogelijk is geworden door strijdigheid tussen regelgeving en overlap van regels? Zo ja, kunt u dat onderbouwen door aan te geven op basis van welke artikelen in de wetten de gemeente had moeten weten dat een volledige passende beoordeling noodzakelijk was? Zo nee, welke actie gaat u ondernemen om de (natuur)regelgeving aan te passen?
Ik ben van mening dat de wetgeving voldoende helderheid biedt.
Bij de voorbereiding van besluiten zoals een bestemmingsplan dient de nodige kennis omtrent de feiten en de belangen te worden vergaard. De uitkomsten van de hiertoe verrichte onderzoeken dienen in de toelichting bij het bestemmingsplan te worden neergelegd (thans geregeld in art. 3.1.6, eerste lid, onder d, van het Besluit ruimtelijke ordening, in samenhang met art. 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht). Het spreekt voor zich dat de belangen welke beschermd worden via specifiek daartoe strekkende wetgeving, zoals de Natuurbeschermingswet 1998, bij deze onderzoekingen worden betrokken.
Ook de tekst van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) is voldoende duidelijk. Uit artikel 19j, tweede lid, Nbw 1998 volgt dat als het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor de Habitatrichtlijngebieden Noordzeekustzone en Duinen Terschelling, het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling maakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling. Ingevolge artikel 19g, eerste lid, Nbw 1998, gelezen in samenhang met artikel 19j, derde lid, Nbw 1998 kan het bestemmingsplan, indien op grond van objectieve gegevens op voorhand niet kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor het betrokken gebied, slechts worden vastgesteld indien de raad zich aan de hand van de passende beoordeling, bedoeld in artikel 19f, eerste lid, Nbw 1998 ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van Habitatrichtlijngebieden Noordzeekustzone en Duinen Terschelling niet zullen worden aangetast.
De wettelijke kaders verschaffen aldus voldoende helderheid aan provincies en gemeenten om te weten welke toetsing en onderzoekingen bij welke plannen precies noodzakelijk zijn. Wel voeg ik hier het volgende aan toe.
Het feit dat de verschillende onderzoeksverplichtingen bij ruimtelijke plannen verspreid zijn over vele wetten met ieder hun eigen systematiek heeft in de praktijk tot gevolg dat de toepassers van deze wetten wel eens het overzicht verliezen. Dit punt wordt meegenomen in de in het regeerakkoord aangekondigde acties met betrekking tot het omgevingsrecht. U ontvangt op korte termijn een kabinetsbrief over de koers die het kabinet in dezen voor ogen heeft.
Deelt u de mening dat deze gedwongen bouwstop onnodig economische schade veroorzaakt omdat de het besluit van de Raad van State grote economische gevolgen heeft voor Terschelling, aangezien bouwvergunningen een jaar moeten worden aangehouden en er dus een jaar nauwelijks bouwactiviteiten zullen zijn op het eiland?
Op het bestemmingsplan Buitengebied, dat voor de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening ter inzage is gelegd, is op grond van het in artikel 9.1.4 van de Invoeringwet Wet ruimtelijke ordening vervatte overgangsrecht het voor die datum geldende recht van toepassing. In artikel 50, derde lid, Woningwet in samenhang met artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was geregeld dat indien door gedeputeerde staten goedkeuring aan een vastgesteld bestemmingsplan is onthouden, de gemeenteraad binnen een jaar een nieuw bestemmingsplan dient vast te stellen en gedurende die termijn de aanhoudingsplicht voortduurt. De Raad van State sluit, nu zij goedkeuring aan het bestemmingsplan heeft onthouden, met de getroffen voorlopige voorziening aan bij deze regeling. Deze aanhoudingsplicht maakt echter niet alle bouwactiviteiten onmogelijk. Op grond van artikel 50, vierde lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders bouwvergunning verlenen indien een bouwplan niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan of met het provinciaal en nationaal ruimtelijk beleid. Dat betekent dat bouwaanvragen die betrekking hebben op kleinschalige bouwactiviteiten waarbij absoluut uitgesloten is dat die significante gevolgen hebben voor het betrokken gebied kunnen worden gehonoreerd. De door de Raad van State getroffen voorlopige voorziening om de aanhoudingsplicht te doen herleven veroorzaakt daarmee naar mijn mening geen onnodige schade.
Wat gaat u doen om dit probleem aan te pakken? Welke acties kunnen wij van u verwachten?
Zie mijn antwoord op vraag 4.
De veroordeling van Israël door de VN Mensenrechtenraad |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Maxime Verhagen (minister buitenlandse zaken, minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «VN: Israël zat fout bij aanval Gaza-konvooi»?1
Ja.
Onderschrijft u de kritiek op de Mensenrechtenraad, inhoudende dat de Raad wordt gedomineerd door landen die de mensenrechten zelf niet erg nauw nemen?
Zoals ik in mijn brief aan uw Kamer (kamerstuk 26 150, nr. 92) heb gesteld, beperken mensenrechtenschendende regimes de daadkracht van de Raad. De mensenrechten worden door de leden van de Raad in verschillende mate gerespecteerd, maar van een dominantie van landen die de mensenrechten niet erg nauw nemen, is mijns inziens geen sprake.
Deelt u de mening dat er een anti-Israëlische cultuur heerst in de Raad, aangezien mensenrechtenschendingen in bijvoorbeeld Darfur, Noord-Korea of Zimbabwe niet worden besproken, maar Israël wel keer op keer wordt veroordeeld?
Zoals ik de in het antwoord op vraag 2 bedoelde brief aan uw Kamer heb geschreven, leidt disproportionele aandacht voor Israël af van de situatie in andere landen. Dat gaat echter niet zo ver, dat de Raad geen aandacht kan besteden aan schendingen in Zimbabwe, Darfur of Noord-Korea. Ten aanzien van dat laatste land, bijvoorbeeld, heeft de Raad tot nu toe jaarlijks een zeer kritische resolutie aangenomen. Dit laat onverlet dat navenant aandacht voor Israël in de Raad eerder regel dan uitzondering is.
Hoe beoordeelt u de objectiviteit van de Mensenrechtenraad? Bent u van mening dat de Raad net zo objectief is als Saoedi-Arabië dat is ten opzichte van vrouwenrechten?
Voor de Mensenrechtenraad geldt dat zij enerzijds binnen het raamwerk van het internationale recht, andere internationale conventies en de specifieke bepalingen over het mandaat en het functioneren van de Raad opereert. In die zin is sprake van objectiviteit. Anderzijds kan niet worden ontkend dat de Raad een politiek orgaan is, waarbinnen ook niet-objectieve criteria een rol spelen.
Onderschrijft u dat de uitkomst van het onderzoek van de Mensenrechtenraad niet serieus genomen kan worden, gezien de reputatie van de Mensenrechtenraad? En dat Israël dus in zijn recht staat het onderzoek te verwerpen? Zo nee, waarom niet?
Vooropgesteld zij, dat de regering van oordeel is dat de Mensenrechtenraad een essentieel normstellend VN-orgaan is, waarin een dialoog kan worden gevoerd over de implementatie van het internationaal recht. Dat de uitkomsten van de beraadslagingen in de Raad niet altijd stroken met de opvattingen van Nederland en gelijkgestemde landen, doet daar niets aan af.
Het onderzoek waaraan de vraag refereert, is afkomstig van de fact findingmissie onder leiding van de jurist Karl Hudson-Phillips, die in opdracht van de Mensenrechtenraad onderzoek heeft gedaan naar de Israëlische actie tegen het zgn. Gaza Freedom Flotilla. Nederland heeft tegen instelling van deze missie gestemd, aangezien de primaire verantwoordelijkheid voor het doen van onderzoek ligt bij de meest betrokken partijen (Israël en Turkije).
Nu de uitkomsten van de missie Hudson-Phillips bekend zijn, moeten zij beoordeeld worden op de inhoud ervan, mede in het licht van de uitkomsten van die andere onderzoeken. Het Israëlische onderzoek onder leiding van rechter Turkel loopt nog. Israël heeft daarbij internationale waarnemers uitgenodigd. Ook het Turkse onderzoek loopt nog. Voorts heeft de SGVN op verzoek van VN-Veiligheidsraad een eigen onderzoekspanel (commissie Palmer) ingesteld, dat de Israëlische en Turkse onderzoeken onder de loep zal nemen; Israël en Turkije zijn daar ook bij betrokken. De regering is voornemens haar finale afweging te maken zodra alle onderzoeken zijn gepubliceerd.
Onderkent u dat het democratische Israël een respectabel land is dat zorgvuldig omgaat met het internationaal recht en, wanneer dat nodig is, wel degelijk misstanden onderzoekt? En dat dit blijkt uit de medewerking die Israël verleent aan een aparte VN onderzoeksgroep – opgezet door secretaris-generaal Ban Ki-Moon van de Verenigde Naties, onder leiding van de voormalige minister-president van Nieuw-Zeeland Geoffry Palmer en voormalig Colombiaans president Alvaro Uribe – waarvan de resultaten nog bekend moeten worden gemaakt?2
Israël is een democratische rechtstaat, en als zodanig heeft Nederland ook vertrouwen in het Israëlische rechtssysteem. Om die reden heeft Nederland ook waardering voor de instemming van Israël om medewerking te verlenen aan het onderzoek dat door de SGVN is ingesteld en de eigen onderzoeken die het verricht. Daarnaast zal Nederland Israël ook blijven stimuleren om onafhankelijke onderzoeken te laten verrichten naar vermeende beschuldigingen aan het adres van dat land.