Het bericht dat opvang wordt geweigerd aan (zieke) vreemdelingen die bereid zijn om het land te verlaten |
|
Joël Voordewind (CU), Sharon Gesthuizen (SP), Attje Kuiken (PvdA), Linda Voortman (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ter Apel weigert zieke vreemdelingen»?1
Ja.
Kunt u reageren op de veronderstelling van het artikel dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) opvang onthoudt aan vreemdelingen die hebben aangegeven te willen meewerken aan vertrek?
De veronderstelling van het artikel is onjuist. In het algemeen geldt dat onderdak in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) in Ter Apel beschikbaar is voor vreemdelingen die de bereidheid tonen om actief te werken aan terugkeer naar hun land van herkomst, of een derde land waar de toegang voor de betreffende vreemdeling is gewaarborgd. Wanneer een vreemdeling zich meldt bij de VBL en verzoekt om onderdak, wordt door een regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) met de vreemdeling een persoonlijk gesprek gevoerd, waarin onder andere wordt gevraagd naar de bereidheid van de vreemdeling om actief te werken aan zijn of haar terugkeer. Op basis van dit gesprek en hetgeen reeds bij DTenV bekend is over de inspanningen van de vreemdeling op basis van zijn of haar dossier, wordt beoordeeld of er daadwerkelijk gesproken kan worden van bereidheid tot het actief meewerken aan vertrek. Bij deze beoordeling wordt onder andere meegewogen in hoeverre de vreemdeling reeds zelfstandig heeft geprobeerd om documenten ten behoeve van zijn of haar vertrek uit Nederland te bemachtigen en bereid is om relevante informatie te verstrekken die nodig is om de terugkeer te kunnen realiseren.
Wanneer de regievoerder op basis van de beoordeling concludeert dat er voldoende aanleiding is om te veronderstellen dat de vreemdeling die om onderdak in de VBL verzoekt daadwerkelijk bereid is om terug te keren dan kan de vreemdeling toegang tot de VBL verkrijgen en kan de DT&V hem of haar bij het regelen van het vertrek ondersteunen.
Het komt echter ook voor dat een vreemdeling die zich met een verzoek om onderdak bij de VBL meldt wel stelt te willen terugkeren, maar niet in het bezit is van documenten, niet eerder heeft getracht om documenten te verkrijgen en verder geen relevante informatie kan of wil verstrekken die noodzakelijk is om de terugkeer daadwerkelijk te kunnen realiseren. Ook zijn er gevallen bekend van vreemdelingen die aangeven naar een derde land wensen te vertrekken, waarvan op basis van hun dossier niet kan worden aangenomen dat persoon aldaar zal worden toegelaten c.q. zal worden teruggestuurd, omdat van dat land bekend is dat het ook geen asiel verleent aan dergelijke aanvragers en er geen andere gronden voor toelating (zoals familierelaties) kunnen worden aangetoond. In zulke gevallen verleent Nederland logischerwijs geen medewerking aan dat vertrek. In deze situaties kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van actieve medewerking aan terugkeer en kan de toegang tot de VBL worden geweigerd. Dit afwegingskader is bevestigd in de uitspraak van de Raad van State van 26 november 2015 (kenmerk 201500577/1/V1).
Kunt u aangeven hoe het bovenstaande zich verhoudt met het uitgangspunt van het kabinet dat uitgeprocedeerde asielzoekers in beginsel het land dienen te verlaten en dat een uitgeprocedeerde vreemdeling recht heeft op opvang wanneer de vreemdeling zich bereid heeft getoond het land daadwerkelijk te willen verlaten?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de afgelopen maanden aan verschillende uitgeprocedeerde vreemdelingen opvang is geweigerd ondanks een verklaring dat ze willen meewerken aan vertrek? Is het waar dat opvang is geweigerd vanwege onvoldoende «zicht op terugkeer»? Kunt u aangeven waarom deze vreemdelingen, ondanks de bereidheid om terug te keren, maar voor wie klaarblijkelijk «onvoldoende zicht op terugkeer bestaat», geen aanspraak kunnen maken op de buitenschuld-regeling?
Het is in algemene zin juist dat niet alle vreemdelingen die verzoeken om onderdak in de VBL daadwerkelijk tot de VBL worden toegelaten. Dit gebeurt in de gevallen zoals in de laatste alinea van het antwoord op vraag 2 en 3 is beschreven. Om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsvergunning als vreemdeling die buiten zijn of haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken, dient een vreemdeling onder andere aannemelijk te maken dat hij of zij in eerste instantie zelfstandig heeft geprobeerd om het vertrek uit Nederland te realiseren. Die voorwaarde is in de algemene typering van veel van deze casussen dus niet vervuld.
Hoe verhoudt zich dit bovendien met de motie Voordewind/Voortman waarin de regering wordt verzocht de handelwijze van de Pauluskerk over te nemen om zodoende de vrijwillige terugkeer te bevorderen? Op welke wijze draagt deze handelwijze van de DT&V aan het daadwerkelijk vertrek van deze vreemdelingen?
Zoals eerder aan uw Kamer gemeld in antwoord op Kamervragen met kenmerk (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 2134) betrek ik de strekking van de motie Voordewind/Voortman bij de gesprekken over het bestuursakkoord met de gemeenten. De handelwijze van de DTenV draagt in die zin bij aan het vertrek van deze vreemdelingen dat door het stellen van heldere voorwaarden aan de toegang tot de VBL- er wordt daadwerkelijk gekeken of er sprake is van een actieve bereidheid om terug te keren- geen valse verwachtingen worden gewekt bij vreemdelingen die overwegen zich bij de VBL te melden.
Wanneer kan de Kamer de uitwerking van het bed-bad-broodakkoord verwachten? Kunt u aangeven waarom deze uitwerking nog altijd op zich laat wachten?
Ik heb uw kamer hierover op 22 april jl. geïnformeerd (Kamerstuk 19 634 nr. 1994). Er is nog geen onderhandelingsakkoord en totdat dit bereikt is doe ik geen mededelingen over de inhoud van de onderhandelingen.
Kunt u reageren op het feit dat een groep van tien «medisch kwetsbare» vreemdelingen per 1 juli de 24-uursopvang dienen te verlaten? Deelt u de mening dat het alternatief – een beperkte opvang voor enkele uren per dag – deze medisch-kwetsbare groep nodeloos in medische problemen brengt? Acht u het aanvaardbaar dat vreemdelingen die behoefte hebben aan medische begeleiding hierdoor op straat komen te staan?
Het door u genoemde besluit is genomen door de gemeente Amsterdam en voor verantwoording van diens gemeenteraad.
In algemene zin geldt dat de gemeenten met zogenaamde bed-bad-brood voorzieningen deze in de huidige situatie, zonder bestuursakkoord, nog ieder op eigen wijze invullen en zelf over de toegang tot de voorzieningen beslissen.
Voorts deel ik de mening dat uitgeprocedeerde vreemdelingen die medisch kwetsbaar zijn de juiste zorg nodig hebben. In Nederland heeft ook iedereen recht op medisch noodzakelijke zorg. Hierbij kan het gaan om zowel somatische als psychische zorg. Het is aan een arts om te bepalen of iets medisch noodzakelijk is. Op grond van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet kunnen zorgverleners ook (een deel van) de kosten vergoed krijgen.
Voor uitgeprocedeerde asielzoekers die onderdak krijgen in de vrijheidsbeperkende locaties (VBL) is de eerstelijns zorg op de locatie beschikbaar. Overigens geldt ook hier het principe van medisch noodzakelijke zorg. Tegenover de mogelijkheid tot onderdak in de VBL staat wel, dat er van deze personen gevraagd mag worden blijk te geven van actieve medewerking aan terugkeer. Dit wederom conform de uitspraak van de Raad van State (kenmerk 201500577/1/V1).
Voor vreemdelingen die ziek zijn geldt overigens dat zij een beroep kunnen doen op artikel 64 Vw. Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wordt verleend wanneer de vreemdeling of één van zijn gezinsleden vanwege medische problemen niet in staat is om te reizen. Uitstel van vertrek wordt ook verleend indien stopzetting van de medische behandeling tot een medische noodsituatie leidt en de behandeling van de medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst.
Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw wordt voor maximaal één jaar verleend. Als de behandeling naar verwachting korter dan een jaar duurt, wordt artikel 64 Vw alleen voor die periode toegepast. Indien de medische klachten langer aanhouden, kan de vreemdeling aansluitend aan een periode van uitstel van vertrek een verblijfsvergunning medisch (vvr medisch) aanvragen. De vreemdeling wordt dan vrijgesteld van een aantal vereisten, namelijk de machtiging tot voorlopig verblijf en de financiering van de behandeling Specifiek voor uitgeprocedeerde asielzoekers en asielzoekers die zich in de hoger beroepsprocedure bevinden geldt daarnaast dat zij onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking kunnen komen voor opvang tijdens de behandeling van de aanvraag ex artikel 64 Vw (Motie Spekman).
De vernietiging van Palestijnse waterbronnen door Israël |
|
Raymond Knops (CDA), Michiel Servaes (PvdA), Harry van Bommel (SP), Rik Grashoff (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Palestine PMO: Israel’s destruction of Palestinian water infrastructure is atrocious»?1
Het betreft stop-work orders voor cisternen bij Kusra, waarmee Palestijnse boeren regenwater opvangen voor irrigatie van hun landbouwgrond in het droge seizoen.
De omgeving van Kusra is een gevoelig gebied, vanwege de nabijheid van nederzettingen. In de afgelopen jaren is het regelmatig onrustig geweest door aanvaringen tussen kolonisten en Palestijnse bewoners en door interventies van het Israëlische leger. In deze situatie probeert Nederland voor kwetsbare groepen op de Westelijke Jordaanoever economische ontwikkeling op gang te brengen. Dit gaat soms gepaard met risico’s, waarvan de recente Israëlische stop-work-orders een voorbeeld zijn.
Israël heeft als bezettende mogendheid op basis van het bezettingsrecht specifieke verplichtingen jegens de Palestijnse bevolking. Israël is onder meer verplicht zo min mogelijk in te grijpen in het openbare leven.
Nederland en de EU dringen bij Israël aan op transformatieve stappen waaronder het ontwikkelen van Area C ten behoeve van de Palestijnse bevolking. Het verbieden van de aanleg van cisternen staat daar haaks op.
Klopt het dat Israël voornemens is om waterbronnen in het dorp Kusra te vernietigen? Zo ja, hoe beoordeelt u dat?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat deze waterbronnen zijn gebouwd met behulp van financiële steun vanuit Nederland? Zo ja, kunt u aangeven om hoeveel geld het gaat?
De cisternen zijn inderdaad gebouwd met Nederlandse financiering, via het «Land and Water Resource Management». De eigenaren hebben protest aangetekend tegen deze orders. Dit betekent dat er een juridische procedure wordt gestart die vaak lange tijd kan duren. In de praktijk kunnen de eigenaren over het algemeen blijven werken op hun land en gebruik blijven maken van de voorzieningen. De Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah heeft de dialoog met de verantwoordelijke Israëlische militaire autoriteiten over het «Land and Water Resource Management» geïntensiveerd, teneinde dergelijke stop-work orders en slooporders te voorkomen. In dit kader heeft de Vertegenwoordiging protest aangetekend tegen de laatste stop-work-orders en zal het de juridische ontwikkelingen zeer actief blijven volgen. Er is nog geen sprake van vernietiging, dus schadevergoeding is in dit stadium niet aan de orde.
Bent u bereid na te gaan of u de schade kunt verhalen op de Israëlische autoriteiten en het Nederlandse geld kunt terug claimen indien de waterbronnen inderdaad worden vernietigd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het plenair debat naar aanleiding van het verslag van het Algemeen overleg (VAO) Midden-Oosten Vredespolitiek plaatsvindt?
Ja.
Het bericht dat dertien EU-landen wapens leveren aan Egypte |
|
Michiel Servaes (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Bijna helft EU-landen negeert wapenembargo Egypte»1 en bijbehorende publicatie van Amnesty International «EU: Halt arms transfers to Egypt to stop fuelling killings and torture»2?
Ja.
Kunt u bevestigen dat dertien EU-lidstaten de afgelopen jaren wapens, munitie en aanverwante goederen exporteerden naar Egypte, ondanks het feit dat op 21 augustus 2013 in de Raad Buitenlandse Zaken werd overeengekomen dat «exportvergunningen van alle goederen die gebruikt kunnen worden voor interne repressie» worden opgeschort?3
Het kabinet hecht er allereerst aan om te onderstrepen dat er geen wapenembargo op Egypte van kracht is. Wel hebben de EU-lidstaten op 21 augustus 2013 via Raadsconclusies afgesproken om alle vergunningen voor goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor interne repressie op te schorten.
Uit het jaarrapport over Europese wapenexporten blijkt dat de meerderheid van EU-lidstaten in 2014 militaire goederen heeft geëxporteerd naar Egypte4. Het EU-jaarrapport onderscheidt daarin 22 categorieën, de zogenaamde ML-posten. Hieruit blijkt dat een aantal lidstaten in 2014 goederen in de categorieën ML1 (kleine en lichte wapens met gladde loop) alsmede ML3 (munitie) naar Egypte heeft uitgevoerd. Het kabinet beschikt echter niet over exacte informatie betreffende de goederen die naar Egypte uitgevoerd zijn, aangezien binnen de EU alleen de afwijzingen en niet de toewijzingen van uitvoervergunningen gedeeld worden. Het kabinet verwijst derhalve naar het EU-jaarrapport voor algemene informatie over uitvoer naar Egypte in 2014, maar kan geen conclusieve uitspraken doen over de typen goederen die andere lidstaten hebben uitgevoerd.
Deelt u de mening van Amnesty dat de mensenrechtensituatie in Egypte de laatste jaren is verslechterd en dat er een klimaat van repressie heerst waarbinnen leger, veiligheidsdiensten en politie zich schuldig maken aan marteling, willekeurige arrestaties en geweld?
Het kabinet heeft geconstateerd dat in Egypte sprake is van een verslechtering van de mensenrechtensituatie en een toename van de overheidsrepressie. In bilaterale contacten, EU-kader en overige multilaterale fora worden de Nederlandse zorgen hierover uitgesproken.
Deelt u de mening dat het exporteren van wapens, munitie en andere goederen naar Egypte die gebruikt kunnen worden voor interne repressie een schending is van het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU inzake wapenexport, in het bijzonder criteria 2 (mensenrechten) en 3 (spanningen of gewapende conflicten)?
Alle EU-lidstaten zijn gebonden aan het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport (2008/944/GBVB). Hierin is onder andere overeengekomen dat EU-lidstaten een vergunning weigeren «voor militaire goederen of technologie waardoor gewapende conflicten worden uitgelokt of verlengd dan wel bestaande spanningen of conflicten in het land van eindbestemming worden verergerd» (criterium 3), of «wanneer er een duidelijk risico bestaat dat uit te voeren militaire goederen of technologie gebruikt worden voor binnenlandse onderdrukking» (criterium 2). Exporten van militaire goederen die de toets van één van bovenstaande criteria niet doorstaan, zijn in strijd met het Gemeenschappelijk Standpunt.
Daarbij dient te worden aangetekend dat de beslissing om uitvoer van militaire goederen goed te keuren, een nationale bevoegdheid is, zoals is vastgelegd in artikel 4, lid 2 van het Gemeenschappelijk Standpunt. Overwegingen van (inter)nationale veiligheidspolitiek kunnen dus meespelen in de afwegingen van EU-lidstaten in het al dan niet afgeven van vergunningen. Hierdoor kan het in specifieke gevallen voorkomen dat een lidstaat tot een ander oordeel komt dan het Nederlandse kabinet gekomen zou zijn. Nederland is zeer strikt in de toepassing van het Gemeenschappelijk Standpunt en zal een vergunningaanvraag afwijzen wanneer het de voorgenomen uitvoer niet in overeenstemming acht met de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt.
Deelt u de mening dat het een zeer negatieve ontwikkeling is dat EU-lidstaten, als het gaat om wapenexport, tegengesteld handelen ten opzichte van wat overeengekomen is in de Raad Buitenlandse Zaken? Zo ja, heeft u uw collega’s hierop aangesproken? Zo nee, bent u bereid om dat alsnog te doen?
Het kabinet heeft zich te allen tijde aan de richtlijnen van de Raadsconclusies gehouden en is van mening dat alle EU-lidstaten dit dienen te doen. Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de initiatiefnota «Wapens en Principes, Ambities voor een geloofwaardig en geharmoniseerd wapenexportbeleid in Europa» (hierna: de initiatiefnota) van de leden Sjoerdsma en Servaes, zet het kabinet in op het verbeteren van eenduidige implementatie van Raadsconclusies (via een Raadsbesluit of anderszins) met betrekking tot wapenexportrestricties5.
Aangezien wapenexportcontrole raakt aan nationale veiligheid en nationale veiligheid uitsluitend de verantwoordelijkheid van de EU-lidstaten is, is het uiteindelijk aan de EU-lidstaten om besluiten te nemen over de uitvoer van militair materieel. Het kabinet zet zich, zoals ook aangegeven in eerdere brieven aan uw Kamer, in voor verdere harmonisatie en transparantie binnen de EU. Verdere harmonisatie is echter alleen mogelijk als alle EU-lidstaten daarmee akkoord gaan. De afgelopen jaren is duidelijk gebleken dat Nederland hierin vooroploopt, maar dat een groot aantal EU-lidstaten op dit moment niet bereid is tot verregaande harmonisatiemaatregelen. Het kabinet zal zich desalniettemin blijven inzetten voor verdere harmonisatie van het EU-wapenexportbeleid, ook t.a.v. Egypte.
Alleen een wapenembargo kan dienen als multilateraal bindend juridisch instrument. Tijdens discussies in EU-Raadskader, waar het wapenexportbeleid naar Egypte in 2015 tweemaal op Nederlands initiatief is besproken, is echter duidelijk gebleken dat er geen draagvlak is binnen de EU voor strengere regels t.a.v. Egypte. Veel EU-lidstaten wijzen hierbij op de legitieme veiligheidsbehoefte die Egypte heeft.
Deelt u de mening dat Europese afspraken over wapenexport naar Egypte vanwege de geloofwaardigheid van de afspraken niet vrijblijvend kunnen zijn? Welke mogelijkheden ziet u om lidstaten in Europees verband te houden aan de naleving van een afspraken over wapenexport?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de door Amnesty uitgesproken vrees dat de door de Raad overeengekomen opschorting van exportvergunningen binnenkort zal worden opgeheven? Is er recentelijk, dan wel formeel dan wel in de wandelgangen, op Europees niveau gesproken over opheffing van de raadsconclusie van 21 augustus 2013 op dit punt?
De Raadsconclusies van 21 augustus 2013 over Egypte, die zijn herbevestigd met de Raadsconclusies van 10 februari 2014, blijven onverminderd van kracht. Van het aannemen van nieuwe Raadsconclusies is vooralsnog geen sprake. Indien hierover binnen de EU discussie ontstaat, zal Nederland zich uitspreken voor een handhaving van de opschorting van wapenleveranties aan Egypte die kunnen worden ingezet voor interne repressie.
Bent u bereid om zich in Europa in te zetten voor een strikte handhaving van de Raadsconclusies van 21 augustus 2013 en zich sterk te verzetten tegen een opheffing van de overeengekomen opschorting van exportvergunningen? Zo ja, kunt u de Kamer hierover informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de door Amnesty naar voren gebrachte kwestie rondom wapenexport naar Egypte een voorbeeld is van tekortkomingen binnen het Europees wapenexportbeleid? Zo ja, ziet u deze kwestie ook als een voorbeeld voor de urgentie van een meer geloofwaardig en geharmoniseerd Europees wapenexportbeleid, zoals bepleit in de initiatiefnota «Wapens en Principes» van de leden Sjoertdsma en Servaes uit 2014?4
Zoals in de antwoorden op vragen 5 en 6 is aangegeven, heeft het kabinet reeds eerder geconstateerd dat er ruimte bestaat voor verdere harmonisatie van het wapenexportbeleid binnen de EU, en het zet zich daar binnen de daarvoor bestemde Europese fora dan ook voor in. Het kabinet beschouwt de initiatiefnota dan ook grotendeels als steunbetuiging voor het huidige Nederlandse beleid, te weten de bevordering van verdere harmonisatie van het EU-wapenexportbeleid.
In zijn reactie op de initiatiefnota stelde het kabinet echter ook dat wapenexportcontrole een nationale competentie is van de EU-lidstaten. De ruimte voor de EU om hier maatregelen te nemen, is derhalve beperkt. Het kabinet heeft het belang van verdere harmonisatie reeds in de daarvoor bestemde EU-fora opgebracht en zal dat blijven doen.
Bent u bereid om dit onderwerp onder de aandacht te brengen van Hoge Vertegenwoordiger Mogherini en aan te dringen op agendering in de Raad Buitenlandse Zaken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
De uitzetting van een VN-functionaris door Soedan |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het «Statement attributable to the Humanitarian Country Team in Sudan on the de facto expulsion of UN senior official and OCHA Head of Office Mr. Ivo Freijsen»?1
Ja.
Klopt het dat de heer Freijsen in zijn functie als «Head of Office» bij het «Office for the Coordination of Humanitarian Affairs» van de Verenigde Naties door de Soedanese autoriteiten de facto het land wordt uitgezet, omdat zijn verblijfsvergunning niet wordt verlengd na 6 juni 2016?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Sudan heeft de Verenigde Naties laten weten dat het verzoek om de verblijfsvergunning van de heer Freijsen met een jaar te verlengen niet wordt goedgekeurd. Hiermee komt de verblijfstitel van de heer Freijsen te vervallen en zal hij het land moeten verlaten.
Bent u bereid na te gaan wat de reden is van de Soedanese autoriteiten om deze verblijfsvergunning niet langer te verlengen, en de Kamer daarover te informeren?
Het Sudanese Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft geen officiële reden gegeven voor het besluit. Op 25 mei gaf Ghandour, de Minister van Buitenlandse Zaken van Sudan aan dat de aanwezigheid van de heer Freijsen niet langer gewenst is omdat hij geen coöperatieve houding aannam in contacten met Sudanese functionarissen. Daarnaast zou hij in de rapporten van de VN onjuiste gegevens hebben gepubliceerd over het aantal ontheemden en het bestaan van een hongersnood in Sudan. Ghandour gaf aan dat Sudan in het verleden tot twee maal toe de verblijfsvergunning van de heer Freijsen verlengd heeft en altijd het recht houdt om een verzoek tot verlenging te weigeren.
Bent u bereid uw ongenoegen over deze «uitzetting» van deze hulpverlener kenbaar te maken bij de Soedanese overheid? Zo nee, waarom niet?
De VN heeft op verschillende manieren druk uitgeoefend op de overheid om de beslissing ongedaan te maken. Ook grote donoren, waaronder de EU, hebben per brief om opheldering gevraagd bij de Sudanese autoriteiten. Het kabinet vindt het onbegrijpelijk en teleurstellend dat de heer Freijsen op deze manier het land moet verlaten. Die boodschap is via genoemde brief van donoren overgebracht aan de overheid.
Op 2 juni vond er in Khartoum een bijeenkomst van de OCHA Donor Support Group plaats, waar Nederland aan deelnam. Hier is, samen met de VN, gekeken naar de huidige situatie en eventuele vervolgstappen. Nederland heeft het belang benadrukt om in deze zaak als OCHA-donoren gezamenlijk op te trekken.
Is deze «uitzetting» onderdeel van de bredere campagne die de regering van Bashir voert tegen de VN? Zo ja, wat gaat u hiertegen ondernemen?2
In juni ligt de verlenging van het mandaat van UNAMID, de VN-AU missie in Darfur, voor in de VN-Veiligheidsraad. Zoals ieder jaar laat Sudan in de aanloop hiervan kritische geluiden horen over de VN. De Sudanese overheid laat tegelijkertijd in verschillende verklaringen weten graag met VN-organisaties en humanitaire actoren samen te werken.
Nederland is en blijft een voorvechter van het werk van de VN wereldwijd, zo ook in Sudan. Nederland houdt nauw contact met de VN-landenvertegenwoordiger in Khartoum en steunt haar met woord en daad waar nodig. Nederland trekt hierbij op met andere gelijkgestemde landen.
Het gebruik van in Nederland geregistreerde postbusfirma’s voor de ontwijking van internationale sancties door het Assad-regime |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Shell Compagnies: Helping Assad’s War»?1
Ja.
Klopt het dat bedrijven die in Nederland geregistreerd staan of stonden via de in Panama geregistreerde bedrijven Maxima Middle East Trading, Pangates International Corporation en de Abdulkarim Group hebben bijgedragen aan olieleveringen aan het Assad-regime?
Voor zover bekend is er één Nederlands bedrijf dat in olieproducten heeft gehandeld met Pangates International Corporation en Maxima Middle East Trading, beide gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten. Abdulkarim Group uit Syrië trad daarbij op als tussenpersoon. De handel betrof meerdere transacties in de periode 2012–2013.
Genoemde feiten zijn al geruime tijd bekend en er is destijds ook over bericht in de media. Het kabinet heeft door de Douane onderzoek laten doen naar in Nederland geregistreerde ondernemingen die genoemd worden in de Panama papers. Daar is geen aanwijzing uit voortgekomen dat er andere Nederlandse bedrijven handelden met Syrië en/of met bovengenoemde entiteiten.
Heeft u stappen ondernomen tegen deze Nederlandse bedrijven omdat zij via één van de bovengenoemde bedrijven olie hebben geleverd aan het Assad-regime? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De Douane heeft uitgebreid onderzoek gedaan. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat Nederlandse bedrijven destijds in strijd hebben gehandeld met de vigerende Europese of Nederlandse sanctiewet- en regelgeving, aangezien destijds de leveringen aan de genoemde eindgebruikers niet verboden waren onder deze sanctiewet- en regelgeving en de geleverde producten naar Syrië geëxporteerd mochten worden. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de Douane heeft het Openbaar Ministerie besloten om verder geen stappen te nemen met betrekking tot handhaving of vervolging.
Was de regering ervan op de hoogte dat de Amerikaanse regering in 2014 de bovengenoemde in Panama geregistreerde bedrijven op hun sanctielijst heeft gezet? Zijn deze bedrijven hierna ook op de Europese sanctielijst gezet? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit was bekend. De VS heeft de entiteiten respectievelijk in juli en december 2014 op hun eigen sanctielijst geplaatst en tegelijkertijd een persbericht gepubliceerd. In oktober 2014 zijn de entiteiten Pangates International Corporation en AbdulKarim Group ook door de Europese Unie op de lijsten bij de EU-sanctieverordening Syrië geplaatst.
Heeft u specifiek maatregelen genomen jegens het bedrijf Staroil B.V., dat in 2014 door de Amerikaanse regering op de sanctielijst is geplaatst omdat dit bedrijf het Assad regime van olie heeft voorzien? Zo ja, welke maatregelen? Zo nee, waarom niet?2
Nee, er zijn geen maatregelen genomen tegen dit bedrijf. Uit onderzoek van de Douane bleek dat er geen aanwijzingen zijn dat Europese of Nederlandse sanctiewet- en regelgeving door dit bedrijf was overtreden.
Welke stappen onderneemt u om zeker te stellen dat in Nederland geregistreerde bedrijven in de toekomst geen banden kunnen onderhouden met bedrijven die gesanctioneerde regimes en/of personen in staat stellen internationale sancties te ontwijken?
Het kabinet spant zich in om bedrijven goed te informeren over internationale sancties. Er zijn publicaties beschikbaar over handelsmogelijkheden met afzonderlijke sanctielanden (https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ internationale-sancties). De ervaring leert dat bedrijven in Nederland zich over het algemeen goed op de hoogte stellen van sanctiewet en -regelgeving. In het najaar van 2015 heeft de EU de criteria voor het opnemen van personen op de sanctielijst Syrië verruimd om sanctie-ontwijking lastiger te maken. Internationale afstemming van sanctiemaatregelen, ook op handhavingsniveau, met partners binnen en buiten de EU blijft van groot belang. Het kabinet zet daar op in.
Herinnert u zich uw toezeggingen in het algemeen overleg wapenexportbeleid van 23 mei 2013 om te proberen te achterhalen of uit Nederland naar Syrië geëxporteerde chemische middel Glycol is gebruikt bij de ontwikkeling van chemische wapens? Kunt u aangeven of u hierover opheldering heeft gevraagd bij de Syrische permanente vertegenwoordiger bij de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPWC) in Den Haag? Zo nee, waarom niet?
De reactie op deze toezegging is opgenomen in Kamerbrief Opvolging Toezeggingen Exportcontrolebeleid (Kamerstuk 22 054, nr. 269) van 9 februari 2016:
Het bericht 'Abbas confirms PA still paying terrorists’ salaries' |
|
Raymond de Roon (PVV), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Raymond Knops (CDA), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het volgende bericht van de Times of Israel «Abbas confirms PA still paying terrorists» salaries’ en het rapport hierover van de Palestinian Media Watch?
Ja.
Wat is uw reactie op de beschuldiging dat de wijziging van betaling van salarissen aan Palestijnse terroristen, van de Palestijnse Autoriteit (PA) naar de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) alleen een cosmetische is en nog steeds betaald wordt door de fondsen van de PA waar de EU en Nederland aan mee betalen?
Het kabinet heeft in beginsel geen bezwaar tegen financiële ondersteuning van Palestijnse gevangenen en hun families, mits deze tegemoet komt aan een reële behoefte, proportioneel is en op transparante wijze wordt toegekend.
De betalingen hangen echter nog steeds af van de duur van de detentie, en niet de sociaaleconomische omstandigheden van de gedetineerde en zijn of haar familie. Door het verbinden van de lengte van de detentie aan de hoogte van de uitkering van alleen de «politieke» gevangenen wordt de indruk gewekt dat de gewelddadige acties richting Israël worden ondersteund of beloond. Het genoemde rapport onderschrijft het beeld dat de transparantie van de betalingen aan Palestijnse gevangenen nog onvoldoende is. Het rapport bevestigt daarnaast de brede steun van de Palestijnse politiek voor het huidige systeem, dat ook op breed draagvlak binnen de Palestijnse samenleving kan rekenen.
De verantwoordelijkheid voor de ondersteuning van Palestijnen in Israëlische detentie is in 2014 overgegaan naar de PLO. Het kabinet heeft geen inzage in de totale inkomsten of uitgaven van de PLO.
Zoals uiteengezet in antwoorden op vragen gesteld op 27 januari 2016 (Aanhangsel Handelingen vergaderjaar 2015 – 2016, Aanhangsel nr. 1841, gedateerd 10 maart 2016) en bij het Algemeen Overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 9 maart (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1598) ligt binnen de EU de focus vooral op het voorkomen dat donorgeld naar de betalingen aan Palestijnse gedetineerden gaat. Net als in Nederland, wordt binnen de EU gehecht aan goede waarborgen op de betalingen aan de Palestijnse Autoriteit uit bilaterale programma’s en van programma’s van de EU. De Nederlandse of Europese bijdragen aan de PA kunnen niet worden gebruikt voor betalingen aan de PLO of betalingen aan gevangenen.
De Nederlandse bijdrage aan Pegase vormt de enige vorm van directe financiering van Nederland aan de Palestijnse Autoriteit (PA). Pegase is een specifiek fonds dat salarissen en uitkeringen betaalt aan Palestijnse ambtenaren. Pegase draagt niet bij aan de financiële ondersteuning van Palestijnse (ex-) gevangenen of hun familieleden. Aan Pegase ligt een financieringsovereenkomst ten grondslag waarin bepalingen zijn opgenomen over het doel van de steun en de verificatiemechanismes die gelden bij de uitbetaling ervan. De Europese Rekenkamer heeft geoordeeld dat deze mechanismes «robuust» zijn en dat deze goed worden toegepast.
Deel u de mening dat deze salarissen niet betaald zouden mogen worden met fondsen van de PA aangezien de PA haar fondsen grotendeels krijgt van internationale donoren waaronder de EU en Nederland?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid in navolging van uw Noorse collega bezwaar te maken tegen deze cosmetische wijzing en aan te dringen op het stopzetten van betalingen van de PA aan de PLO voor deze betalingen, ook in navolging van de moties Voordewind/Van der Staaij en Voordewind c.s.?1
Het kabinet blijft, met een aantal gelijkgezinde landen, het beleid van de PLO, mede conform het verzoek van de Tweede Kamer, aankaarten in bilaterale gesprekken met de PA en PLO.
Het niet uitvoeren van de motie Servaes inzake een internationaal verbod op kernwapens |
|
Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie Servaes c.s., ingediend op 28 april tijdens het debat over het burgerinitiatief Teken tegen Kernwapens, waarin uw wordt opgeroepen om u binnen de VN Open Ended Working Group (OEWG) actief in te zetten voor doeltreffende maatregelen, waaronder de start van onderhandelingen over een internationaal verbod op nucleaire wapens?1 Herinnert u zich ook dat in dezelfde motie de regering tevens wordt verzocht om ook andere lidstaten van het NAVO-bondgenootschap bij deze onderhandelingen te betrekken?
Ja.
Herinnert u zich de vragen van het lid Sjoerdsma over de uitvoering van deze motie gesteld tijdens het debat: «Ik begrijp dat deze werkgroep maandag begint. We gaan nu niet stemmen over deze motie. De motie heeft nog geen meerderheid. De Minister behandelt deze motie alsof zij een meerderheid heeft. Neemt hij de motie over? Of zegt de Minister: oordeel Kamer, maar weet dat ik maandag wel aan de slag ga met deze motie»? Herinnert u zich ook uw antwoord: «Het is dat laatste»?
Als reactie op de motie Servaes cs. (Kamerstuk 34 419, nr. 11) heb ik tijdens het debat gesteld dat de motie een internationaal verbod op nucleaire wapens betreft en het NPV in de overwegingen oproept tot onderhandelingen te goeder trouw over effectieve maatregelen voor het einde aan de nucleaire wapenwedloop, nucleaire ontwapening en een verdrag inzake algemene en complete ontwapening. Daarnaast heb ik aangegeven de motie te steunen, met dien verstande dat het Nederlandse kabinet deze motie zal uitvoeren in de context van de ontwapeningsstappen zoals voorzien in artikel 6 van het NPV.
Is het u bekend dat in een gesprek tussen leden van de Noorse delegatie, PAX medewerkers, Noorse campaigners en de Nederlandse delegatie, de Nederlandse delegatie stelde dat de Nederlandse delegatie geen instructie vanuit uw ministerie heeft gekregen naar aanleiding van het debat? Is het u verder bekend dat leden van de Nederlandse delegatie aan andere NAVO lidstaten aangeven dat de motie Servaes c.s. geen enkele invloed zal hebben op de Nederlandse positie tijdens de OEWG?2
De OEWG kent drie inhoudelijke bijeenkomsten. Voorafgaand aan de eerste bijeenkomst (22 tot 26 februari 2016) heeft de Nederlandse delegatie de instructie ontvangen om zich, conform de motie Sjoerdsma (Kamerstuk 33 783, nr. 19), actief en constructief in te zetten voor effectieve maatregelen op het gebied van nucleaire ontwapening. Ook tijdens het begin van de tweede bijeenkomst (2 tot 13 mei 2016) heeft de delegatie conform deze instructie gehandeld. De Nederlandse delegatie heeft twee interventies gehouden waarin concrete voorstellen werden gedaan voor effectieve maatregelen op het gebied van nucleaire ontwapening. Daarnaast heeft Nederland een presentatie gehouden en een vraag- en antwoordsessie geleid over de onderwerpen transparantie en verificatie.
De Nederlandse delegatieleider stelde, naar aanleiding van een vraag van PAX over de motie Servaes c.s., dat een kernwapenverbod pas in de tweede week van de huidige OEWG-bijeenkomst aan bod komt en dat hiervoor nog nadere instructies zullen volgen. Deze aanvullende instructies zijn inmiddels verstuurd. De uitkomsten van het debat met uw Kamer over het burgerinitiatief van PAX zijn hierin verwerkt, inclusief de motie Servaes c.s. en mijn reactie daarop. Zie ook het antwoord op vraag 2 hierboven.
Nederland zal in de tweede week van deze bijeenkomst van de OEWG in de gelegenheid zijn om uitvoering te geven aan de motie Servaes c.s. Doelstelling daarbij is het identificeren en bewerkstelligen van effectieve juridische maatregelen die de doelstelling van een kernwapenvrije wereld, inclusief een alomvattend, afdwingbaar en verifieerbaar kernwapenverbod, met deelname van de kernwapenbezitters en in overleg met NAVO-bondgenoten, dichterbij kunnen brengen. Nederland zet zich in voor de totstandkoming van een dergelijk verbod en geeft op die manier uitvoering aan zijn verplichtingen onder Artikel VI van het NPV.
Nederland zal in onderling overleg en samenwerking met (NAVO-) bondgenoten opereren. Tijdens informeel overleg heeft de delegatie verslag gedaan aan NAVO-bondgenoten van het debat op 27 april en hen opgeroepen zich net als Nederland actief en constructief op te stellen in de OEWG.
U zult conform mijn eerdere toezegging schriftelijk nader geïnformeerd worden over het verloop van deze tweede sessie van de OEWG.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de Nederlandse delegatie in de eerste week van de OEWG daardoor geen uitvoering heeft gegeven aan de motie Servaes c.s.?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 8 hierboven, stond een kernwapenverbod pas in de tweede week op de agenda van deze OEWG-bijeenkomst. De Nederlandse delegatie heeft in zijn verklaring in het begin van deze tweede week uitvoering gegeven aan de motie Servaes c.s. en zal dat blijven doen.
Bent u bereid de Nederlandse delegatie met grote spoed een nieuwe instructie te sturen, te weten dat deze zich binnen de VN Open Ended Working Group (OEWG) actief in dient te zetten voor doeltreffende maatregelen, waaronder de start van onderhandelingen over een internationaal verbod op nucleaire wapens? Bent u tevens bereid de delegatie te instrueren om ook andere lidstaten van het NAVO-bondgenootschap bij deze onderhandelingen te betrekken?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 8 hierboven, is naar aanleiding van het debat in uw Kamer een instructie gestuurd voor de Nederlandse inzet in de OEWG.
Bent u bereid deze instructie nog voor de start van de tweede en laatste week van deze OEWG sessie (op 9 mei aanstaande) aan de missie in Genève te sturen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u er van op de hoogte dat 9 landen tijdens de OEWG het voorstel hebben gedaan dat de Algemene Vergadering van de VN in 2017 een onderhandelingsconferentie zou moeten samenroepen om te gaan onderhandelen over een internationaal verbodsverdrag op kernwapens?3 Bent u er tevens van op de hoogte dat 127 VN-lidstaten een zogenaamd VN working paper hebben ingediend waarin zij oproepen om met spoed een nieuw juridisch bindende maatregel in te stellen om kernwapens te verbieden en elimineren? Bent u ervan op de hoogte dat ook de Latijns Amerikaanse en Caribische landen (CELAC)4, een groep eilandstaten in de Stille Oceaanlanden5, Mexico en Nicaragua hebben aanbevolen te beginnen met deze onderhandelingen?
Ja. De voorzitter van de OEWG streeft ernaar om op basis van deze – en vele andere voorstellen – met consensus conclusies en aanbevelingen op te stellen. Het is op dit moment nog te vroeg om te beoordelen in hoeverre individuele voorstellen hierin een plaats zullen krijgen.
Op welke wijze zal de regering uitvoering geven aan de motie-Servaes c.s., gezien de vele voorstellen om te beginnen met onderhandelingen over een kernwapenverdrag?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden?6
Ja.
Belegeringen en voortdurende bombardementen in Syrië |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat vorige week ruim 500 mensen zijn geëvacueerd uit belegerde steden in Syrië?1
De voortdurende belegeringen blijven een van de grootste zorgpunten in dit conflict. Er zijn naar schatting 13,5 mln. burgers in het land die hulp behoeven. Alle inspanningen moeten erop gericht blijven hen te bereiken. Het is goed nieuws dat deze evacuatie uit belegerde gebieden, de grootste sinds de start van het conflict, is geslaagd. Het betrof vier gebieden, waarvan twee werden belegerd door het regime en twee door rebellen. Deze operatie toont de onmisbare waarde van VN-hulporganisaties en organisaties als Internationale Comité van het Rode Kruis aan.
Hoe beoordeelt u het feit dat het Syrische regime vorige week nog hevige bombardementen heeft uitgevoerd op markten in twee steden, waarbij minstens 50 mensen om het leven kwamen?2
Het aanvallen van burgers en burgerobjecten is in strijd met het humanitair oorlogsrecht en wordt door het kabinet sterk veroordeeld. De meest kwetsbare burgers worden in deze oorlog steeds opnieuw slachtoffer en dat is onacceptabel. Het is van groot belang dat degenen die dergelijke aanvallen hebben gepleegd verantwoordelijk worden gehouden.
Deelt u de mening dat het begrijpelijk is dat onderhandelaars van de Syrische oppositie de vredesbesprekingen in Genève hebben verlaten vanwege deze bombardementen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt de frustratie over het toegenomen geweld en humanitaire leed in Syrië en begrijpt het standpunt van de oppositie. Tegelijkertijd moet de formele terugtrekking van de oppositie uit het Genève-proces worden betreurd. Het kabinet blijft de boodschap overbrengen dat het beëindigen van dit conflict moet worden gezocht in een politieke oplossing; deze kan niet worden bewerkstelligd zonder deelname van alle partijen aan de onderhandelingen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties dat mensen die voedsel als wapen gebruiken daarvoor ter verantwoording moeten worden geroepen als oorlogsmisdadigers? Deelt u deze mening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?3
Secretaris-Generaal Ban Ki-moon stelt terecht dat het gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering een oorlogsmisdrijf vormt. Nederland benadrukt consequent dat degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven hiervoor verantwoordelijk moeten worden gehouden. In dit verband heeft Nederland onder andere de VN-Veiligheidsraad opgeroepen om de situatie in Syrië naar het Internationaal Strafhof te verwijzen en bepleit Nederland toelating van de VN Commission of Inquiry tot Syrië. Ook is in Nederland momenteel een uitbreiding van de Wet Internationale Misdrijven in voorbereiding, zodat deze methode van oorlogvoering niet alleen in gewapend conflict tussen staten, maar in alle gewapende conflicten strafbaar wordt gesteld als oorlogsmisdrijf.
Hebt u kennisgenomen van de zeer schrijnende situatie in Darayya waar mensen zwaar ondervoed zijn, uithongeren en zich genoodzaakt zien om gras te eten?4
Ja, zie onze verklaringen d.d. 17 mei en 29 april jl.
Bent u bereid om u in te zetten voor voedseldroppings boven Darayya, zoals eerder succesvol gebeurde in Deir-ez Zor, in lijn met de oproep van de Kamer daartoe?5
De uitvoerder van voedseldroppings boven Deir ez-Zor, het World Food Programme (WFP), heeft aangegeven dat een uitbreiding van deze operatie naar andere belegerde gebieden complex en gevaarlijk is. De huidige situatie in Darayya heeft echter wederom aan het licht gebracht hoe hoog de nood is in dergelijke belegerde gebieden. Bij de ministeriële International Syria Support Group op 17 mei is daarom besloten dat indien het regime niet vóór 1 juni a.s. volledige toegang verleent tot een aantal belegerde gebieden, het WFP zal worden gevraagd de mogelijkheden van voedseldroppings voor belegerde en moeilijk bereikbare gebieden opnieuw te onderzoeken. Nederland levert reeds een financiële bijdrage aan de voedseldroppings ten behoeve van Deir ez-Zor en is bereid een bijdrage te leveren aan verdere droppings indien die tot stand zouden komen.
Wanneer wordt er volledige uitvoering gegeven aan resolutie 2268 van de VN-Veiligheidsraad, waarin wordt opgeroepen tot humanitaire toegang tot alle belegerde gebieden?6
Volledige humanitaire toegang zonder voorwaarden is het doel en de strekking van resolutie 2268. Het Assad-regime weigert zoals bekend volledige humanitaire toegang en geeft slechts (gedeeltelijke) toegang tot een beperkt aantal gebieden. In sommige gevallen blokkeren ook andere strijdende partijen de toegang. Leden van de humanitaire Task Force van de ISSG oefenen voordurend druk uit om deze situatie te veranderen.
In totaal konden sinds het begin van dit jaar circa 800.000 mensen in belegerde en moeilijk bereikbare gebieden ten minste éénmaal bereikt worden met humanitaire hulp. De toegang is mede tot stand gekomen door intensief overleg binnen en politieke druk van de Taskforce. Bovendien heeft de VN tot dusver ruim 50 voedseldroppings uitgevoerd ten behoeve van burgers in het door ISIS belegerde Deir ez-Zor. Deze inspanningen vloeien voort uit ISSG-afspraken en worden gefinancierd door ISSG-leden, waaronder Nederland.
Kunt u toelichten wat de «International Syria Support Group Task Force on Humanitarian Access» tot dusver heeft bereikt? Welke concrete resultaten zijn er geboekt?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór 18 mei a.s., te weten de datum waarop in de Kamer schriftelijke vragen kunnen worden ingebracht ter voorbereiding van de Raad Buitenlandse Zaken van 23 mei a.s?
Het is helaas niet mogelijk gebleken aan dit verzoek te voldoen.
Een eventueel gratieverzoek voor een in Egypte veroordeelde Nederlandse journaliste |
|
Michiel Servaes (PvdA), Han ten Broeke (VVD), Kees van der Staaij (SGP), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Joël Voordewind (CU), Harry van Bommel (SP), Raymond Knops (CDA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat in september 2015 twee journalisten die zijn veroordeeld in Egypte, gratie hebben gekregen?1
Ja.
Kunt u zich herinneren dat u met betrekking tot de veroordeling van een Nederlandse journaliste die voorheen werkzaam was in Egypte, Rena Netjes, in juni 2014 de volgende uitspraken heeft gedaan: Het Nederlandse kabinet is van mening dat mevrouw Netjes geen eerlijk proces heeft gehad. (...) Het Nederlandse kabinet concludeert daarom dat aan de minimumvereisten voor een eerlijke rechtsgang niet is voldaan en ziet de gang van zaken als strijdig met het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (BUPO-verdrag) waarbij Egypte partij is.2 Nederland heeft de Egyptische autoriteiten geïnformeerd dat het zeer betreurt dat mevrouw Netjes door de gang van zaken in Egypte de mogelijkheid wordt ontzegd om veilig te kunnen terugkeren en ter plaatse haar werk te kunnen doen. Deze uitkomst staat haaks op de verwachtingen die bilateraal zijn uitgesproken op 6 februari 20143? Welke acties heeft u, in lijn met deze uitspraken, ondernomen om het vonnis tegen mevrouw Netjes ongedaan te maken?
Volgens informatie ingewonnen door de Nederlandse ambassade in Cairo is het op basis van Egyptisch recht noodzakelijk dat mevrouw Netjes naar Egypte reist om daar een nieuw proces aan te vragen en dit in persoon bij te wonen om kans te maken op een vernietiging van het vonnis. Begrijpelijkerwijs heeft mevrouw Netjes aangegeven hiertoe niet bereid te zijn. De Nederlandse inzet is daarom gericht op het ondersteunen van een gratietoekenning, waarbij de opgelegde straf wordt kwijtgescholden.
Bent u er zich van bewust dat landen als Australië, de Verenigde Staten, en het Verenigd Koninkrijk (succesvol) voor een pardon hebben gepleit voor journalisten die zijn veroordeeld in Egypte? Kunt u toelichten waarom u zich niet heeft aangesloten bij dergelijke gratieverzoeken?
De andere niet-Egyptische journalisten (de Britten Dominic Kane en Sue Turton en de Australiër Peter Greste), die net als Rena Netjes in de Al Jazeera-zaak bij verstek zijn veroordeeld, hebben via een Egyptisch advocatenkantoor in het najaar van 2015 gratieverzoeken ingediend. Het Verenigd Koninkrijk en Australië hebben deze gratieverzoeken vervolgens gesteund. Dit heeft echter vooralsnog geen concreet resultaat opgeleverd. Peter Greste kon in februari 2015 op grond van een presidentieel decreet wel overgedragen worden aan Australië onder de formele voorwaarde dat hij daar zijn straf zou uitzitten. Nadien is hij echter opnieuw in een re-trial van de Al Jazeera-zaak veroordeeld, ditmaal in absentia. Hierdoor was hij genoodzaakt om in het najaar van 2015 een gratieverzoek in te dienen, vooralsnog zonder resultaat.
Navraag van de Nederlandse ambassade in Cairo heeft uitgewezen dat de advocaat van de Britse en Australische journalisten bereid is ook een gratieverzoek namens mevrouw Netjes in te dienen. De advocaat rekent, net als bij de andere gratieverzoeken in de Al Jazeera-zaak, een vergoeding van ongeveer USD 5.000 voor het indienen en het opvolgen van het gratieverzoek. Na indiening door mevrouw Netjes, kan Nederland het gratieverzoek steunen. Op 3 februari jl. gaf mevrouw Netjes bij BZ [het Ministerie van Buitenlandse Zaken] aan vooralsnog af te zien van het indienen van een gratieverzoek.
De Egyptische-Amerikaan Mohamed Soltan is op 11 april 2015 tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld in de zaak die bekend staat als «Rabaa Operations Room». Na afstand te hebben gedaan van zijn Egyptische nationaliteit is hij op 30 mei 2015 overgedragen aan de Verenigde Staten op basis van een presidentieel decreet. Zijn vonnis is derhalve niet vernietigd. Ook is aan hem geen gratie verleend.
Bent u er zich van bewust dat de Egyptische president al-Sisi reeds in juli 2014 te kennen heeft gegeven het oppakken en veroordelen van journalisten te betreuren?4
Ja.
Herinnert u zich de volgende uitspraak van 12 oktober jongstleden.: «Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is in contact met Rena Netjes over de opportuniteit van een verzoek om een pardon, het eventuele moment en vorm daarvan. Omwille van de effectiviteit van eventuele vervolgstappen is het niet opportuun details bekend te maken»? Kunt u toelichten wat er in de afgelopen drie maanden is gebeurd om een dergelijk pardon te bepleiten? Welke concrete stappen heeft u daartoe gezet?
De ambassade heeft in de periode van januari 2015 tot en met januari 2016 uitvoerig gesprekken in Cairo gevoerd om duidelijkheid te krijgen over de mogelijkheden rondom een gratieverzoek. Er is onder andere gesproken met de Egyptische Minister van Justitie, wijlen Egyptische procureur-generaal Barakat, het hoofd en rechters van de directie Internationale Samenwerking van het Egyptische Ministerie van Justitie en de advocaat die namens de Britse en Australische journalisten een gratieverzoek heeft ingediend. Ook is er frequent contact met de Britse en Australische ambassades en in het begin ook met de Canadese ambassade om een vinger aan de pols te houden over de laatste ontwikkelingen met betrekking tot de ingediende gratieverzoeken. Mevrouw Netjes is tussentijds meerdere keren geïnformeerd over de uitkomsten van verschillende gesprekken en de bereidheid van BZ [het Ministerie van Buitenlandse Zaken] om een gratieverzoek te steunen.
Uit de gesprekken van de ambassade is het eenduidige beeld naar voren gekomen dat een gratieverzoek alleen door mevrouw Netjes kan worden ingediend en vervolgens door Nederland kan worden gesteund. Indien mevrouw Netjes alsnog tot indiening besluit, is Nederland bereid haar gratieverzoek te steunen.
Afgelopen februari heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken mevrouw Netjes ook aangeboden om te bemiddelen bij een andere Egyptische advocaat. Van dit aanbod heeft mevrouw Netjes (nog) geen gebruik gemaakt. Verder is mevrouw Netjes gewezen op de mogelijkheid om via een extern fonds financiering te krijgen voor de advocaatkosten om een gratieverzoek in te dienen en op te volgen. In afwachting van een herziening van het besluit van mevrouw Netjes om al dan niet een gratieverzoek in te dienen, heeft de directeur-generaal Politieke Zaken tijdens bilaterale consultaties in februari bij Egypte aangegeven dat Nederland een gratieverzoek van mevrouw Netjes zal steunen.
Klopt het dat u mevrouw Netjes het volgende heeft beloofd: «Indien er een manier blijkt te zijn waarop een gratieverzoek kan worden ingediend dan is BZ [het Ministerie van Buitenlandse Zaken] bereid dit verzoek te steunen.»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u aangeven waarom u niet in actie bent gekomen na de uitspraken van al-Sisi?
Zie antwoord vraag 5.
Herinnert u zich de toezegging van het kabinet tijdens het mondeling vragenuur op 17 november jongstleden om de Kamer schriftelijk te informeren over de stand van zaken met betrekking tot het gratieverzoek van mevrouw Netjes? Bent u bereid deze toezegging alsnog gestand te doen?5
Met de beantwoording van deze Kamervragen doet het kabinet de toezegging gestand om de Kamer nader te informeren over de inzet voor de zaak-Netjes.
Bent u bereid journalisten die in het buitenland worden opgepakt financieel te ondersteunen bij het verkrijgen van juridische bijstand? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken ondersteunt persvrijheid en journalisten wereldwijd op alle mogelijke manieren. Door individuele zaken op te brengen in EU- en bilaterale gesprekken, processen tegen journalisten bij te wonen en door financiële ondersteuning aan organisaties die opkomen voor persvrijheid en journalisten in nood.
Via het Mensenrechtenfonds wordt steun verleend aan organisaties die zich inzetten voor de vrijheid van meningsuiting, inclusief bescherming van journalisten. Momenteel wordt uit het Mensenrechtenfonds het Digital Defenders Partnership gefinancierd. Via dit project kunnen online journalisten die in de problemen zijn geraakt ook juridische bijstand krijgen.
Nederland financiert ook Free Press Unlimited (FPU) via Samenspraak en Tegenspraak. In dit programma staan persvrijheid en bescherming van journalisten centraal. FPU heeft ook een noodfonds voor journalisten: Reporters Respond. Dit fonds is erop gericht om journalisten die te maken hebben met vernielingen of intimidaties, zo snel mogelijk weer aan de slag te helpen. Journalisten kunnen ook juridische bijstand krijgen via dit fonds. FPU heeft vorig jaar 91 aanvragen tot steun van journalisten gekregen. Op dit moment heeft FPU via Reporters Respond voldoende geld beschikbaar.
Voor zowel de kleinschalige steun van DDP als van FPU kunnen journalisten een aanvraag indienen via de websites van betrokken organisaties.
Het bericht 'Zorgen om inburgering' |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Op welke datum waren de voorlopige dramatische slagingspercentages inburgering bekend op uw ministerie zoals aan de Kamer gecommuniceerd in uw brief d.d. 20 april 2016?1 2
De cijfers waar u naar vraagt en die ik middels mijn brief d.d. 20 april 20161 heb gedeeld met uw Kamer heb ik op 1 april 2016 van DUO ontvangen. In het AO Integratieonderwerpen van oktober 2015 heb ik uw Kamer aangegeven dat de eerste definitieve cijfers over de slagingspercentages pas na het eerste kwartaal van 2016 beschikbaar zouden zijn.
Ik deel uw zorg over het lage slagingspercentage en dat is ook de reden dat ik aanvullende maatregelen heb genomen en een verdiepend onderzoek heb gestart naar het inburgeringsproces. Dit is in dezelfde brief toegelicht en ik zal u hierover – zoals toegezegd in het AO – in september informeren.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór het plenaire debat naar aanleiding van het verslag van het Algemeen overleg (VAO) over Inburgering van 21 april 2016?
Ja.
Het vrijlaten van gevangenen uit Guantánamo Bay |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Obama gaat weer gevangenen Guantánamo vrijlaten»?1
Nederland heeft zich altijd op het standpunt gesteld dat Guantánamo Bay in strijd is met internationaal recht en zo snel mogelijk gesloten dient te worden. Stappen en maatregelen die sluiting dichterbij brengen, zoals door President Obama aangekondigd, worden verwelkomd.
Is Nederland een van de landen waar de gevangenen naar worden overgebracht?
Nee.
Behoren de «tiental» gevangenen die nu worden vrijgelaten tot de groep die is goedgekeurd voor overdracht («approved for transfer»)?
Het Amerikaanse Ministerie van Defensie heeft het Amerikaanse Congres ingelicht over de overdracht van een volgende groep gedetineerden naar derde landen. Dit is onderdeel van de gebruikelijke procedure rond vrijlating van gedetineerden uit Guantánamo. De overdracht betreft «approved for transfer»-gedetineerden die door zes instanties in de VS zijn goedgekeurd voor overdracht. De Amerikaanse Minister van Defensie moet zijn handtekening zetten onder iedere overdracht ter bevestiging dat deze geen onaanvaardbaar risico met zich meebrengt voor de nationale veiligheid.
Is het opnemen van gevangenen uit Guantánamo door Nederland nog onderwerp van gesprek in de diplomatieke contacten tussen Nederland en de Verenigde Staten? Wordt tijdens deze gesprekken ook consequent kenbaar gemaakt dat Nederland voorstander is van sluiting van Guantánamo Bay?
Ja. In diplomatieke contacten met de Amerikaanse autoriteiten wordt consequent kenbaar gemaakt dat Nederland voorstander is van sluiting van Guantánamo Bay.
Is er in 2016 nog een officieel verzoek gekomen van de Verenigde Staten aan Nederland om gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Het staande Amerikaanse verzoek is in 2016 herhaald in diplomatieke contacten op ambtelijk niveau.
Vindt u het niet vreemd dat een substantieel deel van de lidstaten van de Europese Unie, te weten Groot-Brittannië, Frankrijk, Slowakije, Spanje, België, Duistland, Ierland, Portugal, Italië, Bulgarije, Zweden, Estland en Denemarken, gevangenen uit Guantánamo Bay hebben opgenomen, maar Nederland niet?
Dit betreft een afweging die iedere lidstaat zelf maakt.
Hebt u kennisgenomen van het eerdere plan van de president van de Verenigde Staten voor sluiting van Guantánamo Bay dat naar het Amerikaanse Congres is gestuurd?2 Kunt u nagaan wat de status is van dit plan?
Ja. De Administratie is op zoek naar mogelijkheden om in samenwerking met het Congres de militaire gevangenis in Guantánamo Bay te sluiten langs de lijnen die in het plan zijn uitgestippeld. Tijdens een hoorzitting door de Commissie Buitenlandse Zaken van het Huis van Afgevaardigden op 23 maart jl. werd duidelijk dat er binnen het Huis verschillend wordt gedacht over het plan.
Hoe beoordeelt u het plan van de president van de Verenigde Staten voor sluiting van Guantánamo Bay en de stap nu om een tiental gevangenen vrij te laten? Zijn dit wat u betreft betekenisvolle stappen richting sluiting van de detentiefaciliteit inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid om ook gevangenen uit Guantánamo Bay op te nemen?
Het plan van de Amerikaanse regering om sluiting van de detentiefaciliteit dichterbij te brengen, wordt verwelkomd. Over de uitvoering van het plan bestaat nog veel onzekerheid. Het is daarmee te vroeg om de eerdere conclusie van het kabinet dat het Amerikaanse verzoek tot opname van gedetineerden uit Guantánamo pas in overweging zal worden genomen nadat de VS verdere betekenisvolle stappen heeft gezet richting sluiting van de detentiefaciliteit, inclusief berechting van de overgebleven gedetineerden, te heroverwegen.
De executie van een Palestijn door een Israëlische soldaat |
|
Michiel Servaes (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’tselem vrijgegeven video waarin de executie is te zien van een gewonde Palestijnse man, die zelf naar verluidt verantwoordelijk was voor een aanval op een Israëlische militair? Zo ja, wat is uw reactie op de schokkende beelden?1
Het kabinet heeft met ontzetting kennisgenomen van de door B’tselem vrijgegeven video, die zeer schokkende beelden bevat. Het kabinet is voorts bekend met eerdere berichten van Amnesty International, die het als zorgelijk beschouwt en uitermate serieus neemt, zoals tevens aangegeven in het verslag van het schriftelijk overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 18 januari jl.
Bent u bekend met eerdere berichten van onder meer Amnesty die wijzen op buitenrechtelijke executies van Palestijnen in dergelijke situaties door het Israëlische leger op de Westelijke Jordaanoever?2
Zie antwoord vraag 1.
Zo ja, op welke wijze heeft u bilateraal en in EU-verband om opheldering gevraagd en tegelijkertijd uw afschuw kenbaar gemaakt over deze en andere buitenrechtelijke executies, die zelfs in het geval van de verwerpelijke steekincidenten in strijd zijn met de rechtsregels?
Het kabinet en de EU benadrukken consequent bij de Israëlische autoriteiten dat de reactie op geweld noodzakelijk en proportioneel moet zijn. De EU neemt hier eensgezind een gezamenlijke positie over in die recent werd herhaald in de Raadsconclusies van 18 januari jl. Tijdens de reguliere dialoog die plaatsvindt in het kader van het EU-Israël Associatieakkoord is de recente gebeurtenis door de EU opgebracht bij de Israëlische autoriteiten. De eerdere berichtgeving van Amnesty International en nu van B’tselem onderschrijft de noodzaak van geloofwaardig onderzoek door Israël naar eigen optreden om na te gaan of deze beginselen in alle gevallen in acht zijn genomen. Het kabinet verwelkomt het feit dat het Israëlische Ministerie van Defensie een onderzoek is gestart naar het incident in Hebron op 24 maart jl. Het blijft bij Israël aandringen op de noodzaak van dergelijke onderzoeken, op transparantie van de uitkomsten, op vervolging van eventuele daders en op maatregelen om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. Eenzelfde boodschap wordt door de EU uitgedragen naar de Israëlische autoriteiten. Nederland zal het verloop van Israëlische onderzoeken naar eigen optreden nauwgezet blijven volgen.
Bent u bereid deze afgrijselijke gebeurtenis en buitenrechtelijke executies in het algemeen opnieuw aan te kaarten tijdens de Raad Buitenlandse Zaken en te ijveren voor een grondig en onafhankelijk onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
Sancties op Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Germany’s Economy Minister aims to get Russia sanctions lifted»?1
Het kabinet heeft kennis genomen van de uitspraken van de Duitse Minister van Economische Zaken Sigmar Gabriel. Sancties zijn geen doel op zich, maar beogen een gedragsverandering te bewerkstelligen bij Rusland. Voor het handhaven van de sancties blijven de afspraken van de Europese Raad (ER) van maart 2015 leidend.
De Europese Raad van maart 2015 heeft de economische sancties tegen Rusland gekoppeld aan de volledige uitvoering van de Minsk-akkoorden. Dit is wederom bevestigd tijdens de ER van 17–18 december jl. De EU en de lidstaten, waaronder Nederland, wijzen Rusland voortdurend op zijn verantwoordelijkheid om de Minsk-akkoorden volledig te implementeren. Een eventuele verlichting van de sancties is op dit moment niet aan de orde.
Bent u bereid om aan te geven dat u het hartgrondig oneens bent met het pleidooi van de Duitse Minister van Economische Zaken?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het voorstel van de Duitse Minister van Economische Zaken voor een vrijhandelsverdrag tussen de Europese Unie en Rusland?
Een dergelijk verdrag is op dit moment niet aan de orde.
Bent u bekend met het opiniestuk «Europe to Russia: we won’t forget Crimea»?2
Ja.
Bent u het eens met de zes auteurs van het opiniestuk dat de sancties die zijn ingesteld door de EU moeten blijven zolang de illegale annexatie van de Krim en Sebastopol voortduurt?
Ja. Zowel Nederland als de EU blijven bij het beleid van niet-erkenning van de illegale annexatie van de Krim en roepen op tot naleving van internationaal recht en respect voor mensenrechten. Van een verlichting van de specifieke sancties die zijn ingesteld in verband met de illegale annexatie van de Krim kan dan ook geen sprake zijn zolang de illegale annexatie voortduurt.
Bent u, mede in uw rol als voorzitter van de EU, bereid te ijveren voor een verlenging van alle door de EU ingestelde sancties op Rusland, zolang Rusland weigert uitvoering te geven aan volledige implementatie van de Minsk-akkoorden?
Zoals gemeld in het antwoord op vragen 1 en 2 zijn de sancties door de Europese Raad van maart 2015 gekoppeld aan de volledige uitvoering van de Minsk-akkoorden. Nederland blijft onverminderd vasthouden aan de Minsk-akkoorden als raamwerk voor duurzame vrede in het oosten van Oekraïne. Hiertoe is het van belang dat alle partijen in het conflict de gemaakte afspraken uitvoeren.
In dit kader is Europese eenheid het belangrijkste drukmiddel richting Rusland. Dit is onderwerp van bespreking in zowel de Europese Raad als de Raad Buitenlandse Zaken, waar Nederland in beide gevallen niet de voorzitter is. Waar mogelijk zal Nederland, als voorzitter van de relevante ambtelijke voorbereidende instanties, zich ervoor inzetten om de op dit dossier zo belangrijke EU-eenheid te helpen handhaven.
Welke middelen zet u in en welke initiatieven ontplooit u in uw rol als voorzitter van de EU om Rusland er toe te bewegen dat het de Minsk-akkoorden wél volledig implementeert, en zo er voor te zorgen dat het probleem van de illegale annexatie wordt opgelost?
De EU en de lidstaten, waaronder Nederland, wijzen Rusland voortdurend op zijn verantwoordelijkheid om de territoriale integriteit en soevereiniteit van Oekraïne te herstellen en te respecteren. Dit betreft zowel de illegale annexatie van de Krim als het conflict in het oosten van Oekraïne. In reactie op het optreden van Rusland in beide situaties zijn er, zoals gemeld in de antwoorden op de vragen 5 en 6, diverse sanctieregimes ingesteld. De Minsk-akkoorden bevatten geen afspraken over de Krim. Nederland zet zich ervoor in om de dialoog met Rusland open te houden en draagt dit actief uit.
Voor een politieke oplossing van het conflict in het oosten is het nodig dat zowel Rusland als Oekraïne de Minsk-akkoorden volledig implementeren. Duitsland is samen met Frankrijk leidend in het zogenaamde Normandië-proces dat de Minsk-akkoorden tot stand heeft gebracht en als primair kanaal toeziet op de naleving van deze akkoorden. De rol van Duitsland en Frankrijk binnen het Normandië-proces, alsmede het proces zelf, worden regelmatig besproken en gecoördineerd in de Raad Buitenlandse Zaken, zoals in januari jl.
Wat is uw standpunt ten aanzien van een bezoek van de Hoge Vertegenwoordiger aan Moskou, zoals besproken tijdens de laatste Raad Buitenlandse Zaken?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 14 maart jl. heeft de Hoge Vertegenwoordiger Mogherini aangegeven dat een dergelijk bezoek op dit moment niet voorzien is. In algemene zin hecht het kabinet waarde aan een effectieve politieke dialoog tussen de EU en Rusland, waarbij de door de lidstaten gezamenlijk overeengekomen standpunten met kracht worden uitgedragen. Wanneer een bezoek van de HV aan Moskou in de toekomst aan de orde zou zijn, zal de mate waarin dit bezoek al dan niet bij kan dragen aan de eenheid en effectiviteit van de EU vis à vis Rusland leidend zijn voor de Nederlandse standpuntbepaling.
De situatie in West-Papua |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Harry van Bommel (SP), Kees van der Staaij (SGP), Han ten Broeke (VVD), Joël Voordewind (CU), Raymond Knops (CDA), Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Indonesië bezig met genocide Papoea’s»?1
Ja
Wat is uw reactie op de conclusie van de twee Australische onderzoekers die stellen dat het onderdrukkende bewind van de Indonesische regering jegens de Papoea’s in feite neerkomt op een vorm van «slow Genocide»?
Het onderzoeksrapport waar het Nederlands Dagblad over spreekt is nog niet openbaar. Alvorens in te gaan op de conclusie van het rapport is het belangrijk om eerst de publicatie van het volledige rapport af te wachten.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat de (mensenrechten)situatie van de Papoea’s de afgelopen jaren enkel is verslechterd? Bent u tevens van mening dat de internationale druk, vaak via stille diplomatie, grotendeels geen resultaat heeft gehad?
De situatie in de Indonesische provincies Papoea en West Papoea (hierna Papoea) kent diverse zorgpunten, zoals geweldsincidenten tegen burgers, maar ook de vrijheid van meningsuiting en de positie van (lokale) journalisten en mensenrechtenverdedigers. Daarnaast nemen door de toename van migranten uit andere delen van Indonesië de spanningen tussen nieuwkomers en inheemse Papoea’s verder toe.
Tegelijkertijd is door de Indonesische regering een aantal bemoedigende stappen gezet in het afgelopen jaar. President Joko Widodo verleende gratie aan een aantal politieke gevangenen in Papoea, inclusief Filep Karma, en kondigde aan dat buitenlandse journalisten voortaan Papoea konden bezoeken zonder beperkingen. Ook gaf president Joko Widodo aan werk te willen maken van een meer structurele dialoog, zoals eerder aanbevolen in de Papoea Road Map van het Indonesische wetenschapsinstituut LIPI. Ten slotte zet president Joko Widodo in op verdere sociaaleconomische ontwikkeling van de provincies. Zo werd begin deze maand een nieuwe haven geopend.
Op welke wijze heeft Nederland de situatie van de Papoea’s onder de aandacht gebracht van de Indonesische autoriteiten? Op welk wijze heeft Nederland dit gedaan binnen de Europese Unie en binnen andere gremia waaronder de Verenigde Naties? Welke aanvullende mogelijkheden heeft u om u hiervoor extra in te zetten?
De mensenrechtensituatie in Indonesië is onderdeel van de structurele dialoog tussen Nederland en Indonesië. Binnen deze dialoog wordt ook altijd aandacht gegeven aan de situatie in Papoea.
De Nederlandse ambassade in Jakarta bespreekt de situatie in Papoea met bewindslieden en andere vertegenwoordigers van de Indonesische autoriteiten. Ook bezoeken medewerkers van de ambassade de provincie regelmatig om te spreken met vertegenwoordigers van lokale overheid, politie, mensenrechtenactivisten, NGOs en religieuze organisaties. De situatie in Papoea wordt daarnaast besproken tijdens de jaarlijkse politieke hoogambtelijke consultaties tussen beide landen. Ten slotte brengt de Minister van Buitenlandse Zaken tijdens gesprekken met Indonesische bewindspersonen regelmatig de zorgen over de situatie in Papoea ter sprake.
Binnen de Europese Unie wordt de mensenrechtensituatie in Papoea in de jaarlijkse EU-Indonesië Mensenrechtendialoog besproken, waar in de meest recente dialoog werd aangedrongen op het bevorderen van vrijheid van meningsuiting en vrije toegang voor (internationale) journalisten en NGOs.
De VN-Mensenrechtenraad bespreekt de mensenrechtensituatie in Indonesië door middel van de Universal Periodic Review (UPR), die in 2017 weer zal plaatsvinden.
Deelt u de overtuiging dat, gezien de historische rol van Nederland, zoals ook is verwoord in het Drooglever-rapport, de regering een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om zich in te zetten voor het lot van de Papoea’s? In hoeverre zijn de bevindingen van het Drooglever-rapport voor u leidend in de relatie van Nederland ten opzichte van de Papoea’s?
Zoals in Kamerbrief van 22 november 2005, stuk 30 300V is toegelicht vormt het academische onderzoek van professor Drooglever een nadere bijdrage aan de beschrijving van de eigen geschiedenis van Papoea en het verloop van de gebeurtenissen rond de «Act of Free Choice». Papoea is nu een onderdeel van de Republiek Indonesië en de Nederlandse regering respecteert de territoriale integriteit van Indonesië volledig. Sinds ruim tien jaar heeft Papoea een speciale autonomie status waarbij diverse bevoegdheden zijn gedecentraliseerd naar de provincies Papoea en West Papoea en ook sprake is van meer lokale inspraak in de besteding van financiële middelen. De implementatie gaat niet geheel zonder problemen en er zijn diverse zorgpunten op het gebied van mensenrechten zoals bij vraag 3 wordt geconstateerd. Niettemin benadrukt de Indonesische president Widodo het belang dat hij hecht in verdere ontwikkeling van de provincies.
Het lot van de Papoea's gaat het kabinet zeker ter harte en de situatie in Papoea is dan ook onderdeel van de structurele dialoog tussen Nederland en Indonesië. Om tot een duurzame oplossing te komen is het belangrijk dat de centrale autoriteiten en de lokale bevolking gezamenlijk de problemen ter hand nemen en ontwikkeling in de provincies bevorderen.
Bent u bereid om zodra het rapport van de bovengenoemde onderzoekers bekend is gemaakt de Kamer per brief te informeren over de reactie van het kabinet op het rapport?
Ja. Wanneer de Catholic Justice and Peace Commission in Brisbane het rapport openbaar maakt zal ik dit rapport bestuderen.
Kunt u specifiek dit onderwerp, tijdens uw bezoek aan Indonesië deze week, bespreken met uw ambtsgenoot?
Tijdens mijn recente bezoek aan Indonesië heb ik de mensenrechtensituatie, waaronder de situatie in Papoea, besproken met Minister van Buitenlandse Zaken Retno Marsudi en coördinerend Minister voor Politieke, Juridische en Veiligheidszaken Luhut Panjaitan van de Indonesische regering.
Coördinerend Minister Panjaitan verwees naar de inzet van de president om de sociaaleconomische ontwikkeling in de provincies te verbeteren en gaf aan dat hij recent alle betrokken instanties (politie, Openbaar Ministerie, strijdkrachten en Nationale Mensenrechtencommissie) in Papoea had verzocht klachten over vermeende mensenrechtenschendingen serieus te onderzoeken en strafrechtelijke vervolging in te stellen indien daarvoor voldoende grond bestaat.
Ik heb in mijn gesprekken benadrukt dat, om tot een duurzame oplossing te komen, het belangrijk is om meer aandacht te geven aan het voorkomen van geweld en het verbeteren van begrip voor specifieke culturele achtergronden en de verbetering van de relaties tussen de inheemse bevolking van Papoea en migranten afkomstig uit andere delen van Indonesië.
Het hoge tempo waarin Palestijnse gebouwen op de Westelijke Jordaanoever worden gesloopt |
|
Michiel Servaes (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Israël sloopt in hoog tempo huizen Palestijnen»?1
Ja.
Herkent u het zorgwekkende beeld dat plaatsvervangend VN-Gezant Robert Piper schetst dat er in de laatste maanden sprake is van een ongekend hoog aantal vernielingen van Palestijnse gebouwen door Israël «zoals we nog nooit gezien hebben sinds we deze statistieken bijhouden»?
De situatie is zeer zorgwekkend. Het hoge aantal gevallen waarbij Palestijnse huizen en gebouwen zijn gesloopt dit jaar, verslechtert de situatie ter plaatse en staat haaks op oproepen van de internationale gemeenschap om door positieve stappen de huidige spanningen te verminderen.
Kunt u aangeven om hoeveel gesloopte gebouwen het in 2016 tot nu toe precies gaat? Kunt u aangeven hoe groot de stijging in het tempo van de sloop is ten opzichte van vergelijkbare periodes in 2015 en eerdere jaren?
Volgens de VN (OCHA) zijn in de periode van 1 januari tot en met 8 april 2016 539 gebouwen in Area C vernield door het Israëlische leger. Hierdoor zijn dit jaar 804 personen getroffen. In heel 2015 zijn 453 Palestijnse gebouwen in Area C gesloopt. Het zijn in de regel kwetsbare gemeenschappen en personen die getroffen worden door deze slooporders.
De EU en andere humanitaire organisaties ondersteunen deze gemeenschappen, met humanitaire hulpgoederen om te kunnen overleven op de plek waar zij wonen. Ook deze noodvoorzieningen (zoals tenten) zijn onderhevig aan vernieling en confiscatie. Nederland en andere donoren ondersteunen organisaties die juridische bijstand verlenen, zodat deze personen bij de rechter de slooporders kunnen aanvechten.
Kunt u aangeven hoeveel van de in 2015 en 2016 gesloopte gebouwen zijn gefinancierd door internationale donoren? Kunt u per donor, inclusief Nederland en de EU, uitsplitsen hoeveel belastinggeld hiermee verloren is gegaan?
De schade aan lopende Nederlandse ontwikkelingsprojecten door sloop- of stop-work orders in 2015–2016 bedraagt € 77.000. De schade aan door ECHO en EU-lidstaten gefinancierde humanitaire projecten in deze periode bedraagt € 416.000. Hierbij moet worden aangetekend dat niet alle lidstaten op dezelfde manier schade bijhouden of openbaar maken.
Kunt u aangeven hoeveel schade er daarnaast in 2015 en 2016 is geleden door andere acties van de Israëlische regering zoals het uitvaardigen van zogenaamde «stop-workorders»? Kunt u ook hierbij een uitsplitsing per internationale donor overleggen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om te onderzoeken op welke wijze de schade door de sloop van door Nederland of de EU gefinancierde projecten kan worden verhaald op de Israëlische autoriteiten? Zo nee, waarom niet?
Dit is al onderwerp van gesprek binnen de EU. Nederland stelt in geval van slooporders of confiscaties schadevergoeding aan de orde. Als financierder van projecten is Nederland echter geen eigenaar en ontbreekt er een rechtsbasis voor een schadevergoeding. Nederland vraagt wel om een schadevergoeding voor de getroffen eigenaren. Israël keert geen schadevergoedingen uit, omdat in Israëlische optiek de Palestijnse boeren hun grond niet hadden mogen ontwikkelen zonder vergunningen aan te vragen. Israël beschouwt daarom de sloop als rechtmatig.
Deelt u de stelling van plaatsvervangend VN-gezant Robert Piper dat vaak kwetsbare mensen slachtoffer zijn van de vernielingen? Klopt het dat dit jaar, als gevolg van de vernielingen, meer dan 500 Palestijnen dakloos zijn geraakt, van wie de helft nog kind is? Zo ja, wat wordt er gedaan om de mensen die slachtoffer zijn van de vernielingen onderdak en andere hulp te bieden?
Zie antwoord vraag 3.
Op welke wijze heeft u invulling gegeven aan uw toezegging in het Algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 10 maart jl. om de situatie rondom de vernieling van projecten nauwlettend te blijven volgen en om de verontwaardiging over deze onacceptabele acties, zowel bilateraal als in Europees verband, aan de Israëlische autoriteiten over te brengen? Bent u bereid u in te zetten voor een veroordeling van deze vernielingen namens de EU? Bent u tevens bereid het onderwerp te agenderen voor de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken? Kunt u toelichten welke lidstaten van de EU zich eveneens zorgen maken over de vernieling van door de EU gefinancierde projecten?
In de Raadsconclusies van 18 januari heeft de EU zich als geheel opnieuw uitgesproken tegen slooporders.
Voor de Nederlandse inbreng bij de RBZ en discussie over de slooporders verwijs ik u naar het Verslag van de Raad Algemene Zaken en Raad Buitenlandse Zaken d.d. 18 maart jl. (Kamerstuk 21 501-02 nr. 1594). Het Midden-Oosten Vredesproces en de verslechterende situatie staan, mede op verzoek van Nederland, met grote regelmaat op de agenda van de RBZ.
De nijpende situatie van Lesbische, Homo-, Biseksuelen en Transgenders (LHBT’s) in Indonesië |
|
Pia Dijkstra (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «In Indonesië zijn homo’s erger dan een kernoorlog»?1
Ja.
In het artikel wordt gesteld dat «niemand weet waar de homohaat ineens vandaan is gekomen», in hoeverre is u een verklaring bekend voor de toename van de homohaat? In hoeverre heeft u zicht op vergelijkbare ontwikkelingen in andere Aziatische landen?
Sinds eind januari is de druk op de LHBT-gemeenschap in Indonesië toegenomen. Enkele uitspraken van leden van de regering deden de negatieve belangstelling rondom LHBT’s verder toenemen. Ook moslimorganisaties lieten zich negatief over LHBT’s uit.
In heel Azië zijn gelijke rechten voor LHBT’s helaas nog niet vanzelfsprekend. In Bangladesh, Bhutan, Myanmar, Brunei, India, Maleisië, Singapore en Sri Lanka staat homoseksualiteit nog altijd in het Wetboek van Strafrecht. In Indonesië, met uitzondering van Aceh, is homoseksualiteit niet expliciet strafbaar. In sommige landen lijkt het debat rondom LHBT’s verder te polariseren. Negatief beleid tegenover LHBT’s kan vaak rekenen op steun van grote delen van de bevolking.
Tegelijkertijd zijn er ook positieve ontwikkelingen in Azië te zien. Zo besloot de Hoge Raad in India vorige maand om de huidige strafbaarstelling van homoseksualiteit in het land te herzien. In Vietnam gaat het ook voorzichtig de goede kant op. De strafbaarstelling van een huwelijk voor paren van gelijk geslacht is uit de wet, en de jaarlijkse Vietpride kon in 2015 opnieuw vrijelijk plaatsvinden in Hanoi.
Kunt u aangeven op welke manier u probeert de positie van LHBT-minderheden in Indonesië te versterken nu twee militante moslimgroepen, het Front Jihad Islam en het Forum Umat Islam expliciet de oorlog hebben verklaard aan alle LHBT-inwoners van Indonesië?
De ontwikkelingen rond de positie van LHBT’s worden op de voet gevolgd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse ambassade in Jakarta. Half maart heeft de ambassadeur in gesprekken met verscheidene ministers zijn zorgen uitgesproken over de positie van LHBT’s. Tevens heeft hij in dit kader aandacht gevraagd voor het belang van toegang tot publieke gezondheidsdienstverlening en daarbij gewezen op de resultaten van UNAIDS en het programma «Bridging the gaps; Health and rights for key populations» om verspreiding van HIV/aids tegen te gaan
Daarnaast werkt het Ministerie van Buitenlandse Zaken samen met (allianties van) NGO’s die zich inzetten om de situatie van LHBT’s te verbeteren. Inzet is daarbij de volledige en volwaardige participatie van LHBT’s in de maatschappij te bewerkstelligen. Ook heeft het ministerie een tripartite samenwerkingsverband met UNAIDS en de alliantie van NGO’s die het programma Bridging the Gaps uitvoert. Doel van deze samenwerking, ook met de Indonesische autoriteiten, is om toegang tot publieke gezondheidsdienstverlening zeker te stellen en vertegenwoordigers van key populationsactief te betrekken bij de ontwikkeling en uitvoering van (mede) op hen gericht beleid.
Deelt u de mening dat het bijzonder onwenselijk is dat minderheden, zoals homo’s, worden gecriminaliseerd, en verwensingen naar hun hoofd krijgen waarin wordt gesteld dat de «ziekte moet worden uitgeroeid»? Zo ja, kunt u aangeven hoe dit vorm krijgt in ons internationale emancipatiebeleid?
Het kabinet deelt de mening dat deze ontwikkelingen zeer onwenselijk zijn. Het non-discriminatiebeginsel, zoals ook vastgelegd in artikel 1 van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens, is van toepassing op iedereen. Iedere overheid heeft dan ook de plicht om alle burgers gelijke bescherming te bieden, ongeacht seksuele oriëntatie of genderidentiteit. Zoals geformuleerd in de beleidsbrief «Respect en recht voor ieder mens» (2013) zijn de bescherming en bevordering van gelijke rechten voor LHBT’s één van de speerpunten van het mensenrechtenbeleid. In de Mensenrechtenrapportage die jaarlijks met uw Kamer gedeeld wordt, vindt u een uitgebreide uiteenzetting van de Nederlandse inspanningen op dit gebied.
In hoeverre deelt u de mening dat het bijzonder onwenselijk is dat twee leden van de regering zich negatief en stigmatiserend hebben uitgelaten over LHBT’s? Kunt u aangeven hoe, en in welke mate, de internationale gemeenschap, waaronder Nederland, deze ontwikkeling adresseert bij de Indonesische regering?
Het kabinet deelt de mening dat de stigmatisering van en negatieve uitspraken over LHBT’s onwenselijk zijn.
Tijdens mijn bezoek aan Indonesië eind maart heb ik in mijn gesprekken met leden van de Indonesische regering de mensenrechtensituatie, inclusief de positie van LHBT’s besproken en mijn zorgen over de huidige situatie overgebracht. Ik heb hierbij benadrukt dat het de verantwoordelijkheid is van de overheid om alle burgers gelijke bescherming te bieden. Ook heb ik aandacht gevraagd voor de positie van LHBT’s en het belang van programma’s op het gebied van HIV/aids tijdens mijn bezoek aan een door Nederland financieel ondersteund centrum voor hulp aan drugsgebruikers. Hierbij was tevens een vertegenwoordiger van het Ministerie van Gezondheid aanwezig. Daarnaast sprak ik tijdens mijn bezoek met verscheidene LHBT-activisten over de huidige situatie. De Nederlandse ambassadeur in Jakarta heeft eerder ook al de zorg over de situatie voor LHBT’s bij diverse Indonesische ministers opgebracht.
De mensenrechtensituatie in Indonesië zal daarnaast aan de orde komen in de jaarlijkse EU-Indonesië Mensenrechtendialoog.
Bent u bereid er bij de Indonesische regering op aan te dringen maatregelen te nemen tegen bedreigingen jegens LHBT’s in Indonesië?
Zie antwoord vraag 5.
Een Nederlandse voormalig coffeeshopeigenaar die is veroordeeld in Thailand |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u uitputtend en telkens afzonderlijk aangeven door wie, wanneer, aan wie en welke informatie over het gedoogbeleid is gegeven ten aanzien van een Nederlandse voormalig coffeeshopeigenaar die is veroordeeld in Thailand1? Door wie is deze informatie opgesteld? Kunt u de schriftelijke informatieverstrekking doen toekomen aan de Kamer? Zo nee, waarom niet? Kunt u voorts uiteenzetten of u vermoedt dat deze informatieverstrekking over het gedoogbeleid voldoende representatief, onafhankelijk en deskundig is geweest?
Op diverse momenten is zowel mondeling als schriftelijk informatie verstrekt aan de Thaise autoriteiten over het Nederlandse gedoogbeleid. Dit is onder meer op de volgende momenten geweest. Ik kan hierover echter niet uitputtend zijn, nu op dit punt geen afzonderlijke registratie is bijgehouden.
November 2013
Powerpoint-presentatie door Nederlandse delegatie aan Thaise autoriteiten. De op het gedoogbeleid betrekking hebbende sheets van deze presentatie treft u bijgaand aan.
Juli 2014
Nederlandse politiefunctionarissen hebben onder ede een verklaring afgelegd bij de Thaise aanklager. Hierbij is onder meer ingegaan op het gedoogbeleid. Ik kan
eventuele stukken hierover niet verstrekken, nu dit Thaise stukken betreffen in het Thaise strafrechtelijk onderzoek.
September 2014
Brief van de officier van justitie aan de Thaise autoriteiten waarin uitleg wordt gegeven over het gedoogbeleid. Het gedeelte uit deze brief dat betrekking heeft op het gedoogbeleid treft u bijgaand aan. Het overige deel van de brief wordt niet verstrekt omdat dit betrekking heeft op het nog lopende Nederlandse strafrechtelijk onderzoek.
Juni 2015
Nederlandse politiefunctionarissen hebben een verklaring afgelegd ten overstaan van de Thaise rechter. Hierbij is onder meer ingegaan op het gedoogbeleid. Ik kan eventuele stukken hierover niet verstrekken, nu dit Thaise stukken betreffen in het Thaise strafrechtelijk onderzoek.
7 Juli 2015
Verhoor van de politieliaison als getuige in Thaise zaak. Ik kan eventuele stukken hierover niet verstrekken, nu dit Thaise stukken betreffen in het Thaise strafrechtelijk onderzoek.
Op basis van de door het Openbaar Ministerie (OM) verstrekte informatie ben ik van mening dat de informatie over het gedoogbeleid voldoende representatief, onafhankelijk en deskundig is geweest.
Kunt u aangeven hoe uw mededeling in uw beantwoording van de schriftelijke vragen2 ten aanzien van de coffeeshop in Den Bosch zich verhoudt met het gegeven dat er twee aan deze verdachte verbonden coffeeshops bestaan in Den Bosch? Kunt u uw antwoord op de vragen 6 en 11 completeren?
Abusievelijk is in antwoord op de vragen 6 en 11 een «s» weggevallen en wordt gemeld dat de uitspraak betrekking had op de coffeeshop in Den Bosch. Uit de uitspraak van het gerechtshof Den Bosch blijkt reeds dat het twee coffeeshops betrof.
Is de informatie dat de coffeeshops in Tilburg beschikten en beschikken over een exploitatievergunning en dat de coffeeshop in Den Bosch met goedkeuring van de gemeente wordt geëxploiteerd met de Thaise autoriteiten gedeeld in de Thaise strafzaak tegen Van L. en zijn vrouw? Zo ja, kunt u aangeven door wie, wanneer, aan wie en in welke taal deze informatie is gedeeld? Is daarbij besproken dat de verkoop van softdrugs via de coffeeshops door het Nederlandse gedoogbeleid niet tot vervolging kan leiden in Nederland?
In voornoemde brief van de officier van justitie van september 2014 is uitleg gegeven over de positie van coffeeshops in het algemeen en van de vier coffeeshops van «The Grass Company» in het bijzonder. Deze brief is opgesteld in het Nederlands en vertaald naar het Engels.3 Hiernaast blijkt uit het Thaise vonnis dat de verdediging in de Thaise strafzaak heeft medegedeeld dat de vier coffeeshops van The Grass Company in Tilburg en Den Bosch beschikken over vergunningen van de burgemeesters van beide gemeentes.
Klopt het dat de Thaise rechter in de strafzaak tegen Van L. en zijn vrouw, de verkoop van cannabis in vier Nederlandse gedoogde coffeeshops ten grondslag legt aan de herkomst van het geld dat in Thailand zou zijn witgewassen? Deelt u de mening dat het Thaise vonnis daarmee inhoudt dat iedere Nederlandse coffeeshopexploitant die zijn geld, verdiend met de gedoogde verkoop van cannabis, in Thailand uitgeeft zich volgens de Thaise rechter schuldig zou maken aan witwassen? Zo nee, wat wordt dan bedoeld met witwassen in Thailand? Zo ja, wat is uw mening? Bent u van plan Nederlandse coffeeshopondernemers in dit soort situaties rechtsbescherming te verlenen? Zo nee, waarom niet?
Met de Thaise autoriteiten is in september 2014 overeengekomen dat zij Van L. alleen vervolgen terzake van witwasdelicten gepleegd in Thailand.
Alle feiten waarvoor de heer Van L. veroordeeld is, hebben betrekking op overtredingen die strafbaar zijn gesteld volgens de Thaise Anti-witwaswet. Uit het vonnis blijkt dat de heer Van L. zich volgens de rechtbank schuldig heeft gemaakt aan witwassen van drugsgeld. De rechtbank benadrukt hierbij dat het niet gaat om vervolging voor de drugsdelicten maar om witwassen van drugsgelden. De rechtbank moet daarbij beoordelen of het feit, al dan niet begaan in een ander land, in Thailand een gronddelict zou zijn. Het gronddelict betreft volgens de rechtbank een drugsdelict dat strafbaar is in Thailand. Het Nederlandse strafprocesrecht hoeft daarom volgens de rechtbank niet betrokken te worden.
De heer Van L. is dus niet veroordeeld voor het in Nederland op gedoogde wijze exploiteren van coffeeshops. Dat laatste is ook niet de grondslag van de verdenking die het Nederlandse OM tegen de heer Van L. heeft. Deze omvat uiteenlopende strafbare feiten, waarop ik niet nader kan ingaan omdat het onderzoek tegen de heer Van L. en diens medeverdachten nog gaande is. Ten aanzien van de risico’s die coffeeshopexploitanten lopen in Thailand verwijs ik verder naar mijn antwoord op vraag 17.
Bent u van mening dat, aangezien de strafzaak in Thailand is gestart tegen een Nederlander en de Thaise rechter deze Nederlander heeft veroordeeld, voor het witwassen van geld dat hij in Nederland via de door de Nederlandse overheid gedoogde coffeeshopbeleid heeft verdiend, er een taak ligt voor de Nederlandse regering deze coffeeshop-ondernemer te helpen? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
In een gerechtelijke procedure is de handelwijze van de Nederlandse Staat door de rechtbank en het gerechtshof Den Haag rechtmatig geoordeeld. De voorzieningenrechter overwoog dat het hier niet louter ging om een verdenking ter zake van overtreding van de Opiumwet (softdrugs), maar dat het een onderzoek betrof naar meerdere verdenkingen. Nadien is mij niet gebleken van feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. In dit licht bezien zal de heer Van L. op de wijze waarop elke Nederlandse onderdaan die zich in buitenlandse detentie bevindt door de Staat worden bijgestaan en zie ik geen aanleiding om hiervan af te wijken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken verleent aan de heer Van L. consulaire bijstand op de wijze als beschreven in de brief aan uw Kamer van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 oktober 2014 (30 010, nr. 21) en laatstelijk herhaald bij brief van 17 februari 2016 (30 010, nr. 26).
Kent u de berichten «Vervolging Van L. in Thailand wel degelijk op verzoek van Nederlandse justitie»3, «Thaise ambassade in Nederland: arrestatie Van L. op verzoek van Nederlandse politie»4 en het onderliggende artikel «Hypocrisie in de hennep»5? Klopt het, dat de vervolging van Van L. in Thailand is ingezet na een rechtshulpverzoek van de Nederlandse politie-liaison in Thailand aan de Thaise autoriteiten? In hoeverre acht u het wenselijk dat een dusdanig rechtshulpverzoek aanleiding is tot een nieuwe strafvervolging door de Thaise autoriteiten, op basis van feiten die in Nederland niet strafbaar zijn?
Ja, die berichten zijn mij bekend. Het is juist dat aan de vervolging door de Thaise autoriteiten een rechtshulpverzoek van Nederland vooraf is gegaan. Dat was ingediend met het oog op een Nederlands strafrechtelijk onderzoek. Voor een deel van de feiten waarop het onderzoek betrekking had, zijn de Thaise autoriteiten daarop zelf tot vervolging overgegaan. Van een vervolging wegens feiten die in Nederland niet strafbaar zijn, is geen sprake. Het OM kan geen rechtshulpverzoeken doen voor feiten waarop de Nederlandse strafwet niet van toepassing is.
Kunt u meer informatie verschaffen over het rechtshulpverzoek vanuit de Nederlandse politie-liaison in Thailand aan de Thaise autoriteiten in de zaak Van L.? Met wie en wanneer heeft de betreffende politie-liaison dit verzoek besproken? Weet u in het kader hiervan zeker dat de verzonden brief, met een «request to initiate a criminal case», zoals gesteld in het artikel «Unhappy ending in Thailand»,6 tegen Van L. en diens echtgenote aan de Thaise procureur-generaal, momenteel onderdeel is van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek? Zo ja, kunt u dat aantonen? Zo nee, kunt u de brief alsnog doen toekomen aan de Kamer?
Op 3 juni 2014 is een rechtshulpverzoek verstuurd aan de Thaise autoriteiten. Op 14 juli 2014 heeft de Nederlandse politieliaison een brief verzonden aan de Thaise autoriteiten. Deze brief is besproken met de Nederlandse officier van justitie. Deze brief maakt deel uit van het lopende strafrechtelijk onderzoek en kan derhalve niet worden verstrekt.
Ik verwijs op dit punt tevens naar antwoord 8 op de vragen van de leden Bergkamp en Sjoerdsma (Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer 2015–2016, nr. 1615).
Kent u de artikelen «Drugsofficier is nu zelf verdachte»7 en «Mogelijk fouten gemaakt bij strafzaken zware criminelen in Brabant, onderzoek moet dit uitwijzen»8? Klopt het dat de voormalig officier van justitie als genoemd in voorgenoemde artikelen, die de strafzaak namens het Openbaar Ministerie tegen Van L. leidde, momenteel in zijn functie is geschorst en dat tegen de achtergrond van zijn geestelijke gezondheidstoestand onderzocht wordt of in de zaken die hij behandelde het mogelijk is dat zijn geestelijke gezondheidstoestand van invloed is geweest op de door hem genomen beslissingen? Acht u het mogelijk dat de geestelijke gezondheidstoestand van deze officier van justitie tevens invloed kan hebben gehad op de beslissingen die hij in de zaak tegen Van L. heeft genomen? Zo nee, hoe zeker bent u hiervan? Zo ja, welke stappen bent u bereid te ondernemen teneinde dit te onderzoeken?
Ja, die artikelen zijn mij bekend. De betreffende officier van justitie is geschorst door het College van procureurs-generaal. Door de rechter-commissaris in het arrondissement Zeeland-West-Brabant is op eigen initiatief een brief verzonden waarin een passage over de geestelijke gezondheidstoestand van de officier is opgenomen. De inhoud van deze brief is niet afgestemd met het OM en is naar het oordeel van het OM onjuist. Er is geen sprake van een onderzoek naar de invloed van de geestelijke gezondheidstoestand van de officier van justitie op het nemen van strafrechtelijke beslissingen. Wel is uit oogpunt van zorgvuldigheid besloten om de zaken die in behandeling waren bij deze officier van justitie, waaronder de zaak tegen de heer Van L., nader te laten bezien op eventuele onvolkomenheden. Daarbij zijn tot op heden geen wezenlijke onvolkomenheden aan het licht gekomen die van invloed zijn geweest op deze strafzaak.
Kunt u aangeven wat de rol van de in vraag 8 genoemde officier van justitie in het rechtshulpverzoek als bedoeld in vraag 6 en 7 is geweest?
Het rechtshulpverzoek is opgesteld door de betreffende officier. De brief van de politieliaison is afgestemd met de betreffende officier van justitie.
Heeft u het feit, dat de hiervoor genoemde officier van justitie momenteel is geschorst en dat zijn werkzaamheden momenteel worden onderzocht, met de Thaise autoriteiten gedeeld? Zo ja, op welke wijze, wanneer en met wie? Zo nee, bent u bereid de informatie over deze officier van justitie met de Thaise autoriteiten te delen met het oog op het hoger beroep dat Van L. in de Thaise strafzaak tegen hem heeft ingesteld?
Nee, ik zie geen aanleiding om de Thaise autoriteiten op de hoogte te brengen van de schorsing van de betreffende officier van justitie. Zeker niet nu deze schorsing geen verband houdt met de strafzaak tegen de heer Van L.
Klopt het dat een aantal Nederlandse politiefunctionarissen in de Thaise rechtszaak tegen Van L. heeft verklaard9? Zo ja, waarom hebben zij dat gedaan en hoe zijn deze politiefunctionarissen voorbereid op het afleggen van deze verklaring? Is er geverifieerd welke mogelijk belastende waarde deze verklaringen zouden kunnen hebben alvorens zij zich hebben verklaard? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? In welke taal zijn de Nederlandse politiefunctionarissen gehoord? Klopt het dat deze politiefunctionarissen in de rechtbank hebben aangegeven geen Engels te spreken en om die reden een dag later dan gepland zijn gehoord door middel van een tolk Nederlands-Thais?10
Ja, dat klopt.
De Thaise rechtbank heeft een aantal Nederlandse politiefunctionarissen opgeroepen om in de Thaise rechtszaak een verklaring af te leggen. Voorafgaand aan dit verhoor zijn door de Thaise autoriteiten schriftelijke vragen gesteld aan de Nederlandse politiefunctionarissen, ter voorbereiding op het verhoor. De politiefunctionarissen zijn in juni/juli 2015 door de Thaise rechter gehoord. In de rechtbank is besproken of zij in de Nederlandse of de Engelse taal gehoord wilden worden. De politiefunctionarissen hebben aangegeven dat zij in de Nederlandse taal gehoord wilden worden, nu dit hun moedertaal is en gelet op de complexheid van de zaak en het belang van zorgvuldig taalgebruik. De Thaise rechtbank heeft vervolgens besloten dat de betrokken politiefunctionarissen in de Nederlandse taal zouden worden gehoord. De politiefunctionarissen hadden een beëdigd tolk-vertaler Nederlands-Thais bij zich. De verdediging heeft bezwaar gemaakt tegen het gebruik van deze tolk. De rechtbank heeft hierop besloten het verhoor uit te stellen tot de volgende dag en heeft de Thaise officier van justitie opdracht gegeven bij de ambassade te informeren naar een tolk. De volgende dag bleek dat een dergelijke tolk niet beschikbaar was. De rechter heeft geconstateerd dat de heer Van L. zelf een tolk Nederlands-Thais bij zich had. De rechter heeft vervolgens, in samenspraak met de verdediging, besloten de door de Nederlandse politiefunctionarissen meegebrachte tolk te laten vertalen, terwijl de tolk van de heer Van L. achter deze tolk zat ter controle van het vertaalde.
Is het correct dat naast de politiefunctionarissen ook de in hiervoor genoemde officier van justitie aanwezig is geweest tijdens de Thaise rechtszaak tegen Van L.? Zo ja, kunt u aangeven wat de reden van zijn aanwezigheid was?
Nee, de genoemde officier van justitie is niet in de zittingszaal aanwezig geweest bij de behandeling van de strafzaak in Thailand. Een andere officier van justitie is wel aanwezig geweest bij een deel van de verhoren in de Thaise rechtszaak.
Klopt het dat in de Thaise rechtszaak tegen Van L. ook Thaise functionarissen zijn gehoord? Zo ja, waarover zijn zij gehoord?
Dit is mij niet bekend.
Is tijdens de verhoren in de Thaise rechtszaak tegen Van L. ook over het Nederlandse gedoogbeleid gesproken? Zo ja, wat is daarover besproken? Zo nee, waarom niet?
Ja, het Nederlandse gedoogbeleid is nadrukkelijk aan de orde geweest tijdens de verhoren van de Nederlandse politiefunctionarissen in de Thaise rechtszaak. Ook de verdediging heeft het gedoogbeleid nadrukkelijk aan de orde gesteld.
Klopt het dat in een gesprek tussen de Nederlanders, waaronder de hierboven genoemde officier van justitie11, zou zijn gezegd: «Schuldig of niet, hij gaat voor de bijl, links of rechtsom, niemand wint het van de politie als wij dat willen!», «Het maakt niet uit hoeveel advocaten hij heeft, wij hebben die Thaien zo bewerkt dat er geen speld meer tussen te krijgen is, dat hebben we gisteren toch gezien en gemerkt in onze vergadering? Ons geloven ze, hem niet.» en «Het interesseert me niets al krijgt hij tien jaar cel.» en «Daar drinken we er nog één op». Bent u bereid de aard van dit gesprek nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de uitkomsten met de Kamer te delen? Wat is uw mening over de weergave van het bovenstaande gesprek?
Nee. Ik zie geen aanleiding te reageren op deze uitlatingen, die gedaan zijn door een persoon die anoniem wenst te blijven.
Waarop baseert u uw stelling, in uw beantwoording van de schriftelijke vragen12 dat het arrest van het Hof Den Bosch van 12 november 2015 aan de Thaise autoriteiten kan worden overlegd? Hoe moet dit volgens u gebeuren? Bent u zelf bereid dit te doen? Bent u bereid zich in de hoger beroepsprocedure proactief in te zetten voor de rechtspositie van deze Nederlander? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u schetsen op welke wijze u dit zal doen?
Naar ik heb begrepen is hoger beroep tegen de veroordeling ingesteld en de uitspraak van 12 november 2015 kan daarbij worden overgelegd door de verdediging.
Ik zie geen aanleiding om de aangehaalde uitspraak zelf nog onder de aandacht van Thaise autoriteiten te brengen nu er, zoals hierboven aangegeven, reeds uitleg is gegeven aan de Thaise autoriteiten.
Deelt u onze zorg dat het vonnis in de zaak Van L. iedere Nederlandse coffeeshop-ondernemer die naar Thailand afreist blootstelt aan een strafrechtelijke vervolging wegens witwassen? Zo ja, wat gaat u daaraan doen? Zo nee, waarom niet?
Die zorg deel ik niet. Het handelen waarvan de heer Van L. wordt verdacht, omvat aanzienlijk meer dan een verdenking ter zake van overtreding van de Opiumwet (softdrugs). In zijn algemeenheid is het zo dat het investeren van wederrechtelijk verkregen vermogen in een ander land een zeker risico met zich meebrengt om in dat land te worden vervolgd. Welke risico’s er zijn, hangt af van de wetgeving en het opsporingsbeleid in de betreffende landen. Ik kan daar niets aan veranderen, aangezien dit behoort tot de soevereiniteit van andere landen.
Kunt u aangeven of de Thaise autoriteiten in het verleden zijn aangesproken op misstanden en problemen in detentie? Kunt u garanderen dat sprake is van een voldoende menswaardige behandeling van Van L. en zijn vrouw in Thaise detentie? Bent u bereid zich in te spannen om met de Thaise autoriteiten overeen te komen dat de heer Van L. en zijn vrouw aan Nederland uitgeleverd worden zodat zij de straf in Nederland uit kunnen zitten? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zoals gesteld in de brief van 10 oktober 2010 (TK 30 010, nr. 21) en in het antwoord van 22 februari 2016 (TK nr. 1615) op vragen van uw Kamer is het monitoren van de detentieomstandigheden in een individueel geval onderdeel van de consulaire bijstand. Nederland volgt de detentie-omstandigheden en zal de lokale autoriteiten van landen op misstanden en bij problemen aanspreken. In het bijzonder wanneer duidelijk is dat Nederlandse gedetineerden slechter worden behandeld dan de andere gedetineerden in dezelfde omstandigheden, zal Nederland de autoriteiten aanspreken op een menswaardige behandeling. Dit betreft voor de gedetineerde zaken zoals de medische zorg, het kunnen voeren van telefoongesprekken en het kunnen ontvangen van bezoek, vitamines, post en lectuur. De Nederlandse ambassade in Bangkok onderhoudt regelmatig contact met hem en met de penitentiaire inrichting waar hij verblijft. Nederland verleent geen consulaire bijstand aan de echtgenote van de heer Van L., die niet de Nederlandse nationaliteit heeft.
Er geldt tussen Nederland en Thailand een verdrag op grond waarvan veroordeelden de straf in eigen land kunnen ondergaan. Wanneer de veroordeling in Thailand onherroepelijk is, kan de heer Van L. een verzoek doen om naar Nederland te worden overgebracht. Dit zal aan de hand van het verdrag, de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen en het Beleidskader overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen worden beoordeeld. Ik kan daarop nu niet vooruitlopen.
Luchtaanvallen in Irak en Syrië |
|
Harry van Bommel (SP), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over luchtaanvallen in Irak en Syrië?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel niet-strijders tot op heden zijn omgekomen en hoeveel er gewond zijn geraakt, zowel in Irak als in Syrië, bij luchtaanvallen van de anti-IS-coalitie onder leiding van de Verenigde Staten?
Het is, zoals ook eerder met de Kamer gewisseld, niet mogelijk exact te bepalen hoeveel burgerdoden er zijn te betreuren als gevolg van het optreden van de anti-ISIS coalitie. Over het aantal burgerdoden doen verschillende cijfers de ronde, vooral vanwege de moeilijke toegang op de grond.
Bij hoeveel van deze aanvallen was Nederland op enigerlei wijze betrokken? Kunt u uw antwoord toelichten?
De coalitie doet haar uiterste best om, in lijn met het humanitair oorlogsrecht, burgerslachtoffers te voorkomen, maar het risico daarop kan helaas nooit volledig worden uitgesloten. Het Amerikaanse hoofdkwartier CENTCOM publiceert dagelijks een overzicht van luchtaanvallen van de coalitie. Hierin staat op welke datum en locatie een vlucht is uitgevoerd en welk(e) doel(en) zijn geraakt. In de overzichten wordt niet gemeld welke coalitiepartner verantwoordelijk is geweest voor welke inzet.
Uit de openbare overzichten van CENTCOM blijkt dat er op bovengenoemde data en locaties coalitievluchten met wapeninzet zijn uitgevoerd. Het Amerikaanse CENTCOM neemt kennis van alle meldingen van mogelijke burgerslachtoffers die aan het adres van de coalitie worden gemaakt, bijvoorbeeld door Airwars. Bij een eerste analyse gebruikt CENTCOM verschillende informatiebronnen, ook van non-gouvernementele organisaties en de media. Wanneer het aannemelijk wordt geacht dat er burgerslachtoffers te betreuren zijn, begint CENTCOM een gedetailleerd onderzoek naar het incident. Resultaten van de onderzoeken met Amerikaanse betrokkenheid worden gepubliceerd op de website van het Amerikaanse Ministerie van Defensie (www.defense.gov).
Zoals gemeld in de beantwoording van de feitelijke vragen over de aanvullende artikel 100-brief die u op 6 februari toeging, worden van de inmiddels ruim 1.300 wapeninzetten van Nederland twee gevallen van mogelijke burgerslachtoffers onderzocht. Om operationele redenen worden geen details vrijgegeven van de afzonderlijke onderzoeken. De Kamer zal worden geïnformeerd over de uitkomsten.
Kunt u uitsluiten dat Nederland op enigerlei wijze betrokken was bij de luchtaanval afgelopen dinsdag in het oosten van Syrië waarbij ten minste vijftien burgers zouden zijn omgekomen;2 bij de luchtaanval op Ramadi in Irak op 22 december 2015 waarbij acht burgers zouden zijn omgekomen;3 bij de luchtaanval op Mosul in Irak op 21 december 2015 waarbij ten minste twaalf burgers zouden zijn omgekomen;4 en bij de luchtaanval op 17 december in Fallujah in Irak waarbij ten minste zes burgers zouden zijn omgekomen?5 Indien ja, kunt u nader toelichten op basis waarvan u Nederlandse betrokkenheid bij deze aanvallen kunt uitsluiten?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent de anti-IS-coalitie dat de bij vraag 4 genoemde aanvallen zijn uitgevoerd door de anti-IS-coalitie en dat daarbij burgerslachtoffers zijn gevallen, zoals internationale media en ngo’s melden? Zo nee, waarom niet? Kunt u in uw antwoord op ieder incident afzonderlijk ingaan?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat Nederland minder transparant is dan andere landen van de anti-IS-coalitie over luchtaanvallen in Irak en Syrië? Zo ja, waarom is dat het geval?
Nederland streeft naar zoveel mogelijk eenheid in de coalitie, ook waar het gaat om transparantie. Tegelijkertijd staat de veiligheid van mens en materieel bij missies altijd voorop. Dat uitgangspunt noopt in algemene zin tot terughoudendheid bij verstrekking van operationele informatie. Dat geldt in het bijzonder bij deze specifieke missie vanwege de aard van de missie en de aard van de tegenstander.
Er zijn coalitiepartners die geen gegevens rapporteren. Er is één partner (Canada) die gedetailleerd rapporteerde over de eigen wapeninzetten (datum, locatie en soort munitie). Defensie rapporteert wekelijks over de Nederlandse operaties en verstrekt informatie over het aantal uitgevoerde aanvallen, het soort doelen dat werd aangevallen, in welke periode en in welke regio de aanvallen plaatsvonden.
Is het waar dat Nederland minder transparant is geworden over de inzet van de F-16’s tegen IS sinds de aanvang van de luchtaanvallen in oktober 2014? Zo ja, waarom is dat het geval?
Het kabinet wil maximaal transparant zijn over het «waarom», «hoe» en «wat» met betrekking tot de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS. Tegelijkertijd geldt voor de strijd tegen ISIS voor een deel van de missie een beperktere communicatie. Dit is sinds het begin van de Nederlandse luchtcampagne in oktober 2014 het geval. Het uitgangspunt is altijd transparantie, met inachtneming van vertrouwelijkheid en veiligheid. Concreet betekent dit dat er openlijk wordt gecommuniceerd over de trainingsactiviteiten in Noord-Irak, maar restrictiever over de trainingen van Iraakse speciale eenheden en de luchtcampagne in Irak en Oost-Syrië.
Kan geconcludeerd worden dat als onduidelijk is welk land verantwoordelijk is voor een bepaalde aanval waarbij burgers omkomen of gewond raken het de facto onmogelijk is verantwoording af te leggen? Acht u dit een wenselijke situatie? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er is geen onduidelijkheid over welke partner welke luchtaanvallen uitvoert.
Wanneer CENTCOM of een lid van de coalitie het aannemelijk acht dat er burgerslachtoffers te betreuren zijn, wordt de betrokken coalitiepartner op de hoogte gebracht (voor zover die op dat moment nog niet op de hoogte is) en wordt nader onderzoek gedaan. Alle coalitiepartners onderschrijven het belang van het voorkomen van burgerslachtoffers (vastgelegd in het zorgvuldige targeting proces van de coalitie) en grondig onderzoek in die gevallen waar mogelijk burgerslachtoffers te betreuren zijn.
Kunt u aangeven hoe u de motie-Sjoerdsma gaat uitvoeren die de regering oproept zich in de internationale coalitie in te zetten voor grotere transparantie en een betere verantwoording?6
Nederland zal de komende tijd in verschillende overlegfora en bijeenkomsten aandacht vragen voor transparantie. Tijdens de bijeenkomst van de Commandanten der Strijdkrachten van anti-ISIS coalitiepartners in Koeweit eind februari heeft Nederland voorgesteld om berichtgeving over inzet zo transparant mogelijk te laten zijn en deze te koppelen aan de counter messagingvan de coalitie als tegenwicht voor de misleidende ISIS-berichtgeving. De Commandanten van de Strijdkrachten hebben uitgesproken hierin te willen verbeteren. Het blijft evident dat we daarbij de veiligheid voor de militairen in acht blijven houden. In de eerstvolgende voortgangsrapportage over de Nederlandse inzet in de strijd tegen ISIS wordt uw Kamer op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen op dit punt.
Het gratieverzoek van een Nederlands staatsburger gedetineerd in een Amerikaanse gevangenis |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief van 18 november 2015 waarin u aangaf dat u voornemens was om naast het «parole» verzoek voor voorwaardelijke vrijlating op medische gronden, tevens een gratieverzoek van de heer Singh, zodra dit voorligt, op humanitaire gronden bij de Amerikaanse autoriteiten te zullen ondersteunen?1
In mijn brief aan uw Kamer van 18 november 2015 (Kamerstuk 30 010, nr. 25) gaf ik aan dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken het parole-verzoek voor voorwaardelijke vrijlating op medische gronden bij de Amerikaanse autoriteiten heeft ondersteund. In mijn brief aan uw Kamer van 17 februari 2016 (30 010, nr. 26) gaf ik aan dat dit eveneens gold voor het gratieverzoek dat de heer S. ondertussen bij de Amerikaanse autoriteiten had ingediend. Tijdens een onderhoud van de Nederlandse ambassadeur in de Verenigde Staten met naaste medewerkers van de gouverneur is de Nederlandse steun op grond van humanitaire redenen onlangs opnieuw overgebracht. De Minister-President heeft de verzoeken andermaal ondersteund in een brief aan de gouverneur van Californië ter dankzegging voor zijn bezoek. Hiermee zijn de Amerikaanse autoriteiten goed bekend met de expliciete Nederlandse steun voor de verzoeken van de heer S.
Kunt u aangeven of dat gratieverzoek inmiddels voorligt bij de Amerikaanse autoriteiten? Indien ja, heeft u in dat geval het gratieverzoek inmiddels gesteund? Indien nee, waar ligt dat aan en wanneer verwacht u dat het verzoek wel zal voorliggen zodat u het kunt ondersteunen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Minister-President eind januari 2016 in de Verenigde Staten een gesprek heeft gehad met gouverneur Brown? Is tijdens dat gesprek ook gesproken over de situatie van de heer Singh en het gratieverzoek? Zo ja, wat is daarover uitgewisseld en met welke uitkomst?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke termijn verwacht u dat de Amerikaanse autoriteiten zullen beslissen op beide voorliggende verzoeken?
Ik wil niet speculeren over het antwoord op de vraag wanneer de Amerikaanse autoriteiten gaan beslissen op de verzoeken van de heer S.
Opmerkingen van het Openbaar Ministerie (OM) over de vervolging van Julio Poch in Argentinië |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ard van der Steur (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de kwalificatie door het OM dat het proces tegen Poch «nogal eigenaardig» verloopt en de opmerking «(j)e kunt nog niet zeggen dat er geen eerlijk proces is»?1
In het betreffende artikel zie ik geen uitlatingen of kwalificaties van het Openbaar Ministerie (OM), maar slechts een citaat dat wordt toegeschreven aan een anonieme Nederlandse aanklager. Navraag leert dat het hier niet gaat om de officier van justitie die in Nederland het strafrechtelijk onderzoek naar de heer Poch heeft geleid. Door wie en op basis van welke informatie deze uitlating is gedaan, is onduidelijk. Het OM heeft mij bericht zich niet te herkennen in het citaat en niet te beschikken over voldoende informatie over deze Argentijnse strafzaak om daarover een opvatting te hebben.
Kunt u uiteenzetten wat het OM precies bedoelt met «nogal eigenaardig» en wat precies is opgevallen in de gang van zaken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uiteenzetten wat het OM ten aanzien van een eerlijk proces bedoelt met «nog niet»? Bedoelt het OM aan te geven dat al sprake is van enige twijfel over de gang van zaken in het proces tegen Poch?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de verbazing van het OM over de gang van zaken in het proces tegen Poch?
Zie antwoord vraag 1.
Op grond waarvan gingen zowel u als het OM bij de uitlevering van Poch ervan uit dat sprake zou zijn van een eerlijk en transparant proces?
De Nederlandse Staat heeft meegewerkt aan de aanhouding van de heer Poch in Spanje door informatie te verschaffen over zijn reisbewegingen. De handelwijze van de Staat is in 2014 door de civiele rechter rechtmatig bevonden2. De civiele rechter heeft daarbij vastgesteld dat de Staat gehouden was de gevraagde rechtshulp te verlenen op basis van de relevante bepalingen in het Wetboek van Strafvordering en het Verdrag tegen Foltering. Een weigeringsgrond om daar vanaf te zien was er niet. Daarnaast heeft de rechter geoordeeld dat de Staat niet verantwoordelijk is voor de situatie waarin de heer Poch zich thans bevindt en dat de Staat geen beslissingen kan nemen over de voortgang van het lopende strafproces in Argentinië. De Staat onthoudt zich bovendien van inhoudelijke bemoeienis met in het buitenland lopende strafzaken. Wel verleent het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de heer Poch – net als aan iedere andere in het buitenland verblijvende gedetineerde met (ook) de Nederlandse nationaliteit, die daar prijs op stelt – consulaire bijstand. Hiertoe behoort onder meer het toezien op de detentieomstandigheden en de rechtsgang, waarvoor de ambassade in Buenos Aires contact onderhoudt met betrokkene en zijn advocaat.
Heeft u zich onlangs dan wel naar aanleiding van de strafeis die in december 2015 plaatsvond door het OM laten informeren over de gang van zaken in het proces tegen Poch?
Daar het om een Argentijns strafproces gaat, ligt het niet in de rede om mij te laten informeren door het Nederlands Openbaar Ministerie. Dat beschikt immers niet over de daarvoor benodigde informatie.
Tegen de achtergrond dat Nederland heeft meegewerkt aan de uitlevering van Poch in de veronderstelling dat sprake zou zijn van een eerlijk en transparant proces, op welke wijze houdt u vinger aan de pols of daadwerkelijk sprake is van een eerlijk en transparant proces?
Zie antwoord vraag 5.
Gezien de betrokkenheid van Nederland bij de uitlevering van Poch aan Argentinië, het gegeven dat hij tevens de Nederlandse nationaliteit heeft en gezien de gerezen verbazing bij het OM over de gang van zaken in het strafproces, bent u bereid een onafhankelijk proceswaarnemer naar Argentinië te sturen die kan observeren of daadwerkelijk sprake is van een eerlijk proces en geen politiek proces zoals wordt gevreesd?
Zie antwoord vraag 5.