Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Het bericht “Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school” |
|
Alisha Müller (VVD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Veel jonge lhbti+'ers voelen zich onveilig thuis en op school»1, waarin vier op de tien jonge lhbtiq+'ers aangeeft zich niet veilig te voelen op school en een kwart zich thuis onveilig voelt?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de mening dat vrijheid het recht is om jezelf te kunnen zijn en de plicht de ander te accepteren? En dat religieuze, culturele of andere opvattingen nooit een rechtvaardiging mogen vormen voor intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+-jongeren?
Ja, deze mening deel ik. Gelijkwaardigheid en vrijheid zijn fundamentele waarden in onze democratische rechtsstaat. In Nederland moeten lhbtiq+ personen overal en altijd veilig en vrij zichzelf kunnen zijn. De vrijheid van de één mag nooit ten koste gaan van de vrijheid van de ander. Intimidatie van of geweld tegen lhbtiq+ personen is onacceptabel.
Herkent u het geschetste beeld en de gepresenteerde cijfers? Hoe beoordeelt u de bevinding dat de onveiligheid zich niet alleen op straat of op school voordoet, maar in aanzienlijke mate ook in de eigen thuissituatie?
Ja, ik herken het geschetste beeld. Verschillende onderzoeken laten zien dat lhbtiq+ personen nog altijd een hogere mate van onveiligheid ervaren. Dit blijkt ook uit de Landelijke Veiligheidsmonitor (hierna: LVM) in het funderend onderwijs, die inzicht biedt in de ervaren veiligheid op school van onder anderen lhbt leerlingen.2 Die signalen zijn dus helaas niet nieuw. Toch ben ik geschrokken van deze cijfers. Het is aangrijpend dat zoveel lhbtiq+ jongeren zich ook thuis onveilig voelen. Thuis zou juist een veilige omgeving moeten zijn.
Beschikt uw ministerie over historische data om te beoordelen of hier sprake is van een stijgende trend in het gevoel van onveiligheid onder lhbtiq+-jongeren, of dat er sprake is van een continue/structurele problematiek?
Ja, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert periodiek onderzoek uit naar de ervaren veiligheid van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs. Dit onderzoek gaat niet over de thuissituatie van lhbtiq+ jongeren. Lhbt leerlingen3 voelen zich minder veilig, worden vaker gepest en maken vaker geweld mee dan niet-lhbt leerlingen in het funderend onderwijs.
Dit geldt voor zowel het primair als voortgezet onderwijs.4 Tabel 1 geeft een overzicht van de veiligheidscijfers in het voortgezet onderwijs, uitgesplitst naar verschillende jaren.
2014
2016
2018
2021
2022
Veiligheidsgevoel
Lh(b)t
83,0%
86,8%
89,9%
95%
95%
Niet-lhbt
94,2%
95,6%
97,1%
98%
98%
Pesten
Lh(b)t
24,1%
18,0%
7,7%
13%
17%
Niet-lhbt
10,5%
7,4%
4,7%
4%
6%
Verbaal geweld
Lh(b)t
40,0%
39,5%
29,8%
N.b.
36%
Niet-lhbt
29,0%
26,3%
26,9%
N.b.
30%
De percentages in de jaren 2014, 2016 en 2018 laten het gemiddelde zien over lesbische, homoseksuele en transgender leerlingen. In deze monitors is geen uitsplitsing gemaakt naar biseksuele leerlingen. In 2018 was het aantal transgender respondenten laag, waardoor resultaten gevoelig zijn voor toevallige afwijkingen.
Heeft u inzicht in de redenen dan wel de achtergrond van deze stagnatie in het veiligheidsgevoel van jonge lhbtiq+'ers? Kunt u die inzichten delen?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam (2025) geeft inzicht in de lhbtiq+-opvattingen van jongeren.5 De onderzoekers concluderen dat de lhbtiq+-opvattingen van jongeren een complex samenspel van factoren zijn, dat niet te reduceren valt tot één factor. De lhbtiq+-opvattingen van jongeren hangen samen met de mate van conservatisme, geslacht, godsdienst en leerweg. Daarnaast zijn er signalen dat de opkomst van de manosfeer en religieus conservatisme een rol spelen. Medio 2027 publiceert de Universiteit van Amsterdam aanvullend onderzoek met daarin aandacht voor de rol van sociale media en de manosfeer. Ook verschijnt de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 volgend jaar, met cijfers over de lhbtiq+-opvattingen van jongeren in alle GGD-regio’s in Nederland. Op basis van de resultaten hiervan weeg ik af welk aanvullend onderzoek nodig is.
Klopt het dat scholen wettelijk verplicht zijn om de sociale veiligheid van leerlingen te waarborgen? Hoe verklaart u tegen die achtergrond dat vier op de tien ondervraagde lhbtiq+-jongeren zich desondanks niet veilig voelen op school?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid op school. Dat betekent dat scholen samen met leraren, leerlingen en medezeggenschap, veiligheidsbeleid maken om incidenten te voorkomen (preventie) en af te handelen, jaarlijks (of vaker) de veiligheid van leerlingen onderzoeken, een coördinator hebben om pestgedrag tegen te gaan, een contactpersoon hebben bij wie leerlingen terecht kunnen als zij worden gepest, handelen in lijn met de meld-, overleg- en aangifteplicht seksuele misdrijven en ervoor zorgen dat elk personeelslid een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft.
Het onderzoek van de NOS is weliswaar niet representatief, maar schetst een zorgelijk beeld dat ik herken. Ook uit recent onderzoek in opdracht van Stichting School & Veiligheid blijkt dat lhbtiq+ leerlingen meer negatieve uitspraken richting zich krijgen dan niet-lhbtiq+ leerlingen6. In de Staat van het Onderwijs signaleert iets meer dan de helft van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs negatieve uitingen over lhbtiq+ personen.7 Verklaringen hiervoor bevinden zich niet enkel binnen het domein van het onderwijs, maar in de hele samenleving.
Heeft u inzicht in het aantal scholen dat de afgelopen vijf schooljaren door de onderwijsinspectie is aangesproken omdat zij onvoldoende zorg droegen voor de sociale veiligheid van lhbtiq+-leerlingen? Welke consequenties werden daaraan verbonden?
De inspectie houdt toezicht op de naleving van de zorgplicht voor sociale veiligheid van alle leerlingen op een school op basis van de wettelijke vereisten. Onderdeel daarvan is dat de inspectie erop let of leerlingen uit minderheidsgroepen, zoals lhbtiq+ leerlingen, zich veilig voelen. Wanneer een school niet voldoet aan haar wettelijke zorgplicht, volgt een herstelopdracht en kan bij uitblijven van herstel een financiële sanctie volgen. Als de inspectie een herstelopdracht geeft op de standaard veiligheid, is dat voor de sociale veiligheid als geheel, bijvoorbeeld doordat er geen aanspreekpunt pesten of antipest-coördinator aanwezig is op school. Hierbij wordt niet geregistreerd in hoeverre de veiligheid van een specifieke groep de aanleiding is voor de herstelopdracht.
Op basis van steekproeven van de inspectie kreeg 8% van de scholen in het primair onderwijs een herstelopdracht voor de standaard veiligheid. In het speciaal onderwijs gold dat voor 16% van de scholen en in het voortgezet onderwijs betrof dat 28% van de scholen.
Hebben schoolleiders op dit moment volgens u voldoende mogelijkheden om direct en zo nodig disciplinair op te treden tegen het discrimineren van dan wel het gebruik van geweld tegen leerlingen? Zo nee, wat hebben zij nodig?
Discriminatie op grond van seksuele gerichtheid is verboden en strafbaar. Scholen en schoolleiders hebben de mogelijkheid om op te treden. Dat begint uiteraard met goed veiligheidsbeleid, het uitvoeren van de burgerschapsopdracht en een positief pedagogisch klimaat op school. Als het nodig is, kunnen scholen ook repressieve maatregelen treffen. Bijvoorbeeld schorsing, verwijdering en aangifte. Verder ondersteunt Stichting School & Veiligheid scholen bij het werken aan een veilige school. Ook de VO-raad en PO-Raad ontvangen subsidie om samen met scholen en ouders te werken aan een positieve pedagogische schoolcultuur.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat schoolbesturen signalen van onveiligheid voortaan direct onderzoeken en daar daadwerkelijk consequenties aan verbinden? Hoe ondersteunt u scholen daarin?
Scholen hebben een zorgplicht voor de veiligheid. Dat houdt ook in dat scholen optreden bij onveiligheid. De inspectie houdt toezicht op de naleving van wettelijke plichten en kan indien nodig handhavend optreden door middel van het opleggen van een herstelopdracht. Stichting School & Veiligheid ondersteunt scholen bij het werken aan een veilig schoolklimaat. Daarnaast ondersteunt het kabinet scholen bij het versterken van de sociale veiligheid door te investeren in praktische ondersteuning. Via COC Nederland wordt onder meer de Paarse Vrijdag-aanpak verder ontwikkeld, inclusief ondersteuningsmateriaal voor scholen, trainingen en handvatten voor schoolleiders en leraren.
Welke onderdelen van het inmiddels verworpen wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs acht u nog steeds noodzakelijk om deze problematiek aan te pakken en wanneer komt het kabinet met een nieuw voorstel om de ontstane lacunes te dichten?
Voor mij staat voorop dat alle leerlingen zich veilig moeten voelen op school. Om die reden beraad ik mij momenteel over een vervolg. Zodra daar meer duidelijk over is, informeer ik de Tweede Kamer hierover. De maatregelen die onderdeel waren van dit wetsvoorstel kunnen niet zonder meer opnieuw ingezet worden in beleid of wetgeving. Zaken als een evaluatie van het veiligheidsbeleid of het hebben van een vertrouwenspersoon zijn helaas nog niet gebruikelijk op alle scholen.
Hoe worden jongeren die zich in hun thuissituatie onveilig voelen vanwege hun geaardheid of genderidentiteit ondersteund en hoe wordt hierin samengewerkt met gemeenten, de jeugdzorg en maatschappelijke organisaties?
Leerlingen die zich onveilig voelen kunnen in het onderwijs terecht bij leraren, mentoren, vertrouwenspersonen of zorgcoördinatoren. Jongeren die een luisterend oor nodig hebben, kunnen contact opnemen met de Kindertelefoon, Switchboard en Genderpraatjes. Op www.injebol.nl kunnen jongeren terecht voor betrouwbare informatie over mentale gezondheid, laagdrempelige ondersteuning en doorverwijzingen naar meer specifieke vormen van ondersteuning. Op dit platform is ook informatie te vinden over seksualiteit en seksuele gerichtheid.
Deze jongeren kunnen ook terecht bij het lokale wijkteam of Veilig Thuis voor advies en ondersteuning. Gemeenten zijn op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het organiseren van passende jeugdhulp en de samenwerking met onder meer onderwijs en sociaal domein. Maatschappelijke organisaties, zoals COC Nederland, bieden laagdrempelige ondersteuning, informatie en contact met lotgenoten.
Het kabinet werkt ook aan preventie van onveiligheid bij lhbtiq+ personen en specifiek jongeren. Zo financiert het kabinet het programma Regenboogsteden die op lokaal niveau werken aan het verbeteren van de sociale acceptatie en sociale veiligheid van lhbtiq+ personen. Op school kunnen jongeren zich ook aansluiten bij Gender & Sexuality Alliances (GSA’s), een initiatief van COC Nederland. Dit zijn groepen die leerlingen zelf vormen om steun en herkenning te vinden bij elkaar.
Welke indicatoren en meetinstrumenten worden gebruikt om te bepalen of beleidsmaatregelen daadwerkelijk leiden tot een veiliger klimaat voor lhbtiq+-jongeren op scholen en in de samenleving?
In opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor. Deze monitor bevat cijfers over de ervaren leefbaarheid en veiligheidsbeleving in de woonbuurt, waaronder die van lhbtiq+ personen.8 Daarnaast geeft de tweejaarlijkse Lhbtiqa+-monitor inzicht in onder andere de veiligheid, discriminatie en gezondheid van lhbtiq+ personen in Nederland.9 Deze monitor wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
Uw Kamer ontvangt de eerstvolgende monitor in Q4 van dit jaar.
Ik werk momenteel aan het Wetsvoorstel borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs. Dit wetsvoorstel ligt momenteel in uw Kamer. Dit wetsvoorstel bevat een wettelijke taak en grondslag om tweejaarlijks de veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs te monitoren middels de LVM. Het wetsvoorstel en de onderliggende regeling regelen dat de LVM inzicht geeft in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Daarmee komt er actueel zicht op de trends en trendontwikkelingen in de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen. Dit kan betrokken worden bij de beoordeling en evaluatie van het landelijke beleid.
Een van de beleidsmaatregelen ter bevordering van de veiligheid van lhbtiq+ leerlingen op school is het hebben van een GSA. Het Nederlands Jeugd Instituut heeft GSA’s erkend als goed onderbouwde interventie. Daarnaast laat veel onderzoek positieve effecten van GSA’s zien op de veiligheid en het welbevinden van lhbtiq+ jongeren. Ook weten we dat het bespreekbaar maken van diversiteit zorgt voor een veiliger schoolklimaat. Ik wil hier graag nader onderzoek naar laten doen binnen de Versterkte aanpak lhbtiq+ veiligheid.
Bent u bereid om de veiligheidsbeleving van jonge lhbtiq+'ers (zowel op school als in de thuissituatie) jaarlijks expliciet op te nemen als vast meetpunt in bijvoorbeeld voortgangsbrieven?
Met de LVM zoals beschreven in het antwoord op vraag 12 wordt tweejaarlijks inzicht gegeven in de veiligheidsbeleving van lhbtiq+’ers op school. Deze rapportage wordt ook met de Kamer gedeeld. Ook de tweejaarlijkse Veiligheidsmonitor en Lhbtiqa+-monitor worden met uw Kamer gedeeld.
De uitspraken van minister van staat Timmermans |
|
Mona Keijzer |
|
Rob Jetten (D66) |
|
Bent u bekend met het interview waarin de heer Timmermans uitspraken doet over het conflict tussen Israël en de Palestijnen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de heer Timmermans dat in het Midden-Oosten sprake zou zijn van de «uitroeiing van een volk» en dat Palestijnen «letterlijk in zee worden gedreven»?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Kan het kabinet reageren op de rapporten en onderzoeken waarnaar onder meer Andrew Fox verwijst en die volgens hem belangrijke onderdelen van de genocidebeschuldigingen tegen Israël weerspreken?2 3 4 5 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze bevindingen op gespannen voet staan met de uitspraken van de heer Timmermans dat Palestijnen worden «uitgeroeid»? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Acht u deze uitspraken verenigbaar met de bijzondere positie en voorbeeldfunctie die verbonden zijn aan de titel Minister van staat? Zo ja, waarom?
Zie het antwoord op vraag 2.
Is voorafgaand aan de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat meegewogen dat hij zich regelmatig publiekelijk uitlaat over actuele en politiek gevoelige thema’s? Zo ja, op welke wijze?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het leidt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Kunt u toelichten in hoeverre van Ministers van staat wordt verwacht dat zij boven de dagelijkse partijpolitieke strijd staan?
Zie het antwoord op vraag 2.
Nederlandse financiering van Palestijnse ngo’s die terrorisme legitimeren en aanmoedigen |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor1 over Europese financiering van Palestijnse ngo’s die steun uitspreken voor «verzet in al zijn vormen»?
Ja.
Bent u bekend met de verklaring van 11 juli 2026, ondertekend door onder andere het Al Mezan Center for Human Rights en het Palestinian Centre for Human Rights en waarbij de Independent Commission for Human Rights als waarnemer staat vermeld, waarin steun wordt uitgesproken voor «verzet in al zijn vormen»?
Ja.
Bent u van mening dat «verzet in al zijn vormen» in deze context niets anders is dan verhullende taal voor geweld en terrorisme en dat de betrokken organisaties daarmee terrorisme legitimeren en aanmoedigen? Zo nee, welke vormen van geweld worden door deze organisaties dan expliciet uitgesloten?
Nee, die mening deelt het kabinet niet. De betreffende zin in de verklaring luidt als volgt: «Our resistance in all its forms to occupation, apartheid and colonisation is being increasingly sanctioned, criminalized, undermined and delegitimized, despite being rooted in international law.» Tevens roepen de ondertekenaars in de verklaring de internationale gemeenschap op om Palestijnse maatschappelijke organisaties te steunen in hun werk om een einde te maken aan het geweld waarmee ze te maken krijgen. Wat het kabinet betreft is er geen sprake van legitimering of aanmoediging van geweld of terrorisme in deze verklaring. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor2 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor3.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en moreel verwerpelijk is dat Nederlands belastinggeld terechtkomt bij organisaties die terrorisme legitimeren en aanmoedigen? Zo nee, waarom niet?
Het is evident dat Nederlands belastinggeld niet bedoeld is voor de ondersteuning van organisaties die terrorisme legitimeren en aanmoedigen. Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat Nederlands geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die op 11 oktober 20234 met de Kamer is gedeeld, alsook in de beantwoording op de reeds gestelde Kamervragen door Groep Markuszower.5
Bent u ervan op de hoogte dat deze organisaties de door het kabinet gesteunde tweestatenoplossing afwijzen vanuit een anti-Israël agenda en een strijd voeren tegen het bestaansrecht van Israël? Zo ja, waarom verstrekt u deze organisaties Nederlands belastinggeld?
De betreffende organisaties hebben als doel om mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden te bevorderen en te beschermen. Dit is in lijn met het kabinetsbeleid.
Klopt het dat Nederland de Independent Commission for Human Rights tussen 2023 en 2027 rechtstreeks met ongeveer € 1,86 miljoen financiert en voor de periode 2024 tot en met 2028 daarnaast € 22,85 miljoen heeft toegezegd aan het UNDP-programma Sawasya III, waarbinnen Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights tot december 2028 als ontvangers zijn aangemerkt?
Nederland verstrekt inderdaad de genoemde financiële bijdrage aan de Independent Commission for Human Rights (ICHR). De genoemde bijdrage aan het UNDP-programma Sawasya III is ook correct, maar Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR) ontvingen alleen in de periode 2024–2025 financiering van dit programma. De besluiten voor partnerorganisaties worden jaarlijks door middel van een aanbestedingsprocedure genomen.
Kunt u een volledig overzicht verstrekken van de Nederlandse financiering die via Sawasya III reeds aan Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights is verstrekt en tot december 2028 nog zal worden verstrekt, uitgesplitst per organisatie en kalenderjaar en met vermelding van de juridische grondslag, het uitvoerende of tussenliggende financieringskanaal en de datum van iedere betaling, en daarbij tevens aangeven welke andere organisaties die de verklaring hebben ondertekend of gesteund direct of indirect Nederlands belastinggeld ontvangen?
Via het Sawasya III programma, uitgevoerd door een coalitie van UNDP, UNWomen en UNICEF voor de periode 2024–2028, is er tot nu toe een totaalbedrag van USD 568.080 verstrekt aan Al Mezan, de PCHR, en de Women's Centre for Legal Aid and Counselling. Toekomstige financiering voor deze organisaties is nog niet bekend, gezien de jaarlijkse aanbestedingsprocedures. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Welke conclusies heeft het onderzoek opgeleverd dat Nederland in 2025 instelde naar de banden tussen de Independent Commission for Human Rights en Hamas?
De Independent Commission for Human Rights(ICHR) is de onafhankelijke nationale mensenrechteninstelling in de Palestijnse Gebieden met het mandaat om als ombudsman op te treden. De ICHR monitort en rapporteert over mensenrechtenschendingen van de zogenaamde plichtsdragers in de Palestijnse Gebieden, te weten Israël, de Palestijnse Autoriteit en Hamas. In dat kader heeft de ICHR tussen 2020 en 7 oktober 2023 mensenrechtentrainingen verzorgd ten behoeve van de politie in Gaza. Hoewel de politie in Gaza als organisatie geen onderdeel is van Hamas, oefent Hamas als de facto autoriteit wel controle uit in de aansturing. Dit vormde aanleiding om bij de ICHR navraag te doen. Op basis daarvan kon geconcludeerd worden dat de ICHR geen banden heeft met Hamas. Ook heeft de ICHR individuele deelnemers gescreend op basis van EU en VN terrorisme-listings. Daarbij is geconcludeerd dat deelnemers geen Hamasleden waren. De ICHR heeft na 7 oktober 2023 besloten deze trainingen te stoppen.
Kunt u uiteenzetten wat u wist over de banden tussen de Independent Commission for Human Rights en Hamas en tussen Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights en de PFLP, hoeveel Nederlands belastinggeld sinds de start van het onderzoek nog aan deze organisaties is verstrekt en waarom de financiering niet onmiddellijk is stopgezet?
Er zijn voor zover bekend geen banden tussen de ICHR en Hamas of tussen Al Mezan en het PCHR en de PFLP. Zie voor het overzicht van financiering het antwoord op vragen 7.
Is het ondertekenen of ondersteunen van een verklaring waarin steun wordt uitgesproken voor «verzet in al zijn vormen» volgens u verenigbaar met de geldende subsidievoorwaarden en de regels ter voorkoming van terrorismefinanciering? Zo ja, wat zijn deze voorwaarden en regels dan nog waard?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2, 3, en 4.
Bent u bereid alle directe en indirecte Nederlandse financiering aan de Independent Commission for Human Rights, Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights per direct stop te zetten, binnen de UNDP hetzelfde te eisen en de reeds verstrekte middelen terug te vorderen vanwege de genoemde banden met terroristische organisaties en het legitimeren en aanmoedigen van terrorisme? Zo nee, waarom blijft u deze organisaties financieren?
Zie antwoord vraag 10.
Het antwoord op vragen van het lid Keijzer over de kosten van adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties van ministeries |
|
Mona Keijzer |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
Kunt u bijgevoegd aan de beantwoording van deze vragen een volledig overzicht verstrekken van alle adviesorganen die worden beschouwd als adviesorganen in de zin van Artikel 79 van de Grondwet? Zo nee, waarom niet?
De vaste colleges van advies in de zin van artikel 79 Grondwet zijn de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Sociaaleconomische Raad (SER) en de vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges. Bijgevoegd aan deze beantwoording verstrek ik een lijst van deze adviescolleges, waarbij per college de wettelijke grondslag en de adviestaak worden vermeld.
In mijn beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds toegezegd voor het einde van het derde kwartaal een eenmalig overzicht te verstrekken van de financiële middelen die bij de departementen begroot zijn voor de adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving.1 Deze toezegging omvatte daarmee onder meer alle adviescolleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet. Ik heb uw Kamer dit overzicht op 10 september jl. doen toekomen.2
Kunt u per adviesorgaan in de zin van Artikel 79 van de Grondwet de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u per adviescollege onder de Kaderwet specifiek de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?1
De vaste adviescolleges die zijn ingesteld op grond van artikel 4 van de Kaderwet adviescolleges zijn betrokken in mijn antwoord op vragen 1 en 2.
Op grond van de Kaderwet adviescolleges kunnen daarnaast tijdelijke (artikel 5) en eenmalige (artikel 6) adviescolleges worden ingesteld. Deze adviescolleges adviseren wel over beleid en wetgeving, maar zijn geen colleges in de zin van artikel 79 van de Grondwet omdat zij niet permanent zijn. Op dit moment zijn er twee tijdelijke adviescolleges actief op grond van artikel 5 van de Kaderwet adviescolleges en één eenmalig adviescollege op grond van artikel 6 van de Kaderwet adviescolleges. De grondslag en taken van deze adviescolleges heb ik ook opgenomen in de lijst die ik als bijlage bij deze beantwoording meezend.
De financiële middelen voor deze tijdelijke (art. 5) en eenmalige (art. 6) adviescolleges heb ik reeds opgenomen het overzicht van geraamde uitgaven aan adviescolleges die adviseren over beleid en wetgeving, dat ik uw Kamer op 10 september jl. heb verstrekt.
Kunt u per externe commissie met een adviestaak die actief is binnen de rijksoverheid de taken, de jaarlijkse financiële middelen tot en met 2030, begrotingsartikel en de overige apparaats- en uitvoeringskosten aangeven? Zo nee, waarom niet?2
Mijn ministerie houdt het rijksbrede overzicht van externe commissies zo goed als mogelijk bij in het Register van Overheidsorganisaties.5 Daarin wordt voor elke vermelde commissie ook een verwijzing naar de grondslag en taken opgenomen. Op dit moment wordt gewerkt aan een interdepartementale inventarisatie om het totaalbeeld van externe commissies te actualiseren en aan te vullen. Het kabinet vindt het, met de vragensteller, van belang dat het advieslandschap inzichtelijk is. Zodra deze inventarisatie is afgerond, zal ik de opbrengst hiervan uiterlijk eind oktober delen met uw Kamer. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik al toegelicht dat voor externe commissies begrote uitgaven doorgaans niet separaat op de departementale begroting worden vermeld. Ik zal bezien op welke wijze het mogelijk is om, zodra de voornoemde inventarisatie is afgerond, ook inzicht te bieden in de kosten van externe commissies.
Kunt u een integraal overzicht verstrekken van alle non-gouvernementele organisaties die in de periode 2026 tot en met 2030 vanuit één of meer ministeries jaarlijks meer dan € 1 miljoen aan subsidie ontvangen of zullen ontvangen, waarbij per organisatie wordt aangegeven welk ministerie of welke ministeries de subsidie verstrekken en welk bedrag per jaar wordt verstrekt? Zo nee, waarom niet?
Een dergelijk overzicht is niet beschikbaar. In de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen van het lid Keijzer heb ik reeds uitgebreid toegelicht hoe het kabinet via de begrotingsstukken aan de Kamer verantwoording aflegt over subsidies.
Kunt u toezeggen om voor het einde van het zomerreces deze vragen te beantwoorden met daarbij de gevraagde overzichten (incl. de gevraagde overzichten van vorige vragen) en niet te verwijzen naar een op een later moment te verstrekken overzicht? Zo niet, hoe denkt u dan dat de Kamer haar controlerende taak goed kan uitvoeren wanneer zij niet beschikt over een volledig overzicht van alle adviesorganen, adviescolleges en externe adviescommissies, inclusief hun taken en de daarmee gemoeide publieke middelen?3
Ik onderschrijf volledig het belang van tijdige informatievoorziening aan de Kamer voor haar controlerende taak. Ik heb deze schriftelijke vragen, evenals de eerder gestelde schriftelijke vragen over hetzelfde onderwerp, zo spoedig mogelijk beantwoord. Beide sets schriftelijke vragen bevatten enkele omvangrijke informatieverzoeken. Daarbij vond ik het, met het oog op de geldende termijn voor de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer, wenselijk om niet de gehele beantwoording te laten vertragen door het ontbreken van een deel van de informatie die benodigd is om één van de vragen te kunnen beantwoorden. Daarom heb ik toegezegd deze informatie op een later moment, binnen een redelijke termijn, alsnog te verstrekken.7
Het niet voldoen aan de uitspraak van de rechter inzake de Bonaire-klimaatzaak |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Vindt u dat iedereen in Nederland zich aan rechterlijke bevelen moet houden, inclusief de Staat? Ziet u ook het gevaar van ondermijning van de rechtsstaat door de Staat zelf als zij zich niet aan rechterlijke uitspraken houdt?
Ja.
Erkent u de urgentie van het voldoen aan het Bonaire-vonnis in het licht van de klimaatcrisis?
Ja.
Klopt de bevinding van de NOS dat het kabinet de datum waarop het kabinet inzage moet geven in de emissieruimte van Nederland, namelijk gisteren, naast zich neerlegt?
Nee, dat klopt niet. De rechtbank Den Haag heeft bij herstelvonnis van 18 maart 20261 bevestigd dat de Staat 18 maanden de tijd heeft om de (resterende) emissieruimte voor Nederland inzichtelijk te maken. Die termijn is nog niet verstreken.
Erkent u dat het in kaart brengen van de emissieruimte het allereerste begin zou zijn van wat er moet gebeuren, en dat het een slecht signaal is dat het kabinet die eerste stap zelfs negeert?
Ik erken het belang van het in kaart brengen van de emissieruimte. Het inzichtelijk maken daarvan hangt samen met de reductiedoelen voor de gehele economie die op basis van rechtsoverweging 12.2 door de Staat moeten worden vastgesteld. Als de doelen zijn vastgesteld kan daaruit de (resterende) emissieruimte voor Nederland opgemaakt worden.
Realiseert u zich dat het uitvoeren van het vonnis hierdoor in het geding komt, aangezien het kabinet binnen 18 maanden bindende klimaatdoelen moet hebben vastgesteld, gebaseerd op de resterende emissieruimte?
De uitvoering van het vonnis komt hierdoor niet in het geding. De Staat werkt momenteel aan de uitvoering van het vonnis.
Hoe denkt u alsnog tijdig aan de uitspraak te voldoen bij het ontbreken van een onderbouwde berekening van de emissieruimte? Kunt u dit uiteenzetten in een gedegen planning?
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5 wordt hard gewerkt aan het tijdig uitvoeren van het vonnis.
Waarom heeft u nog geen advies gevraagd aan de Wetenschappelijke Klimaatraad of het Planbureau voor de Leefomgeving om een berekening te maken van de resterende emissieruimte voor Nederland? Bent u bereid dat alsnog te doen? Zo nee, waarom niet?
De Staat baseert zich bij het vaststellen van reductiedoelen op wetenschappelijke rapporten van het IPCC. Dat doet de Staat omdat de rechtbank zich in het vonnis ook op deze rapporten van het IPCC baseert. Daar wil de Staat bij aansluiten. Volgend op de vastgestelde doelen zal de (resterende) emissieruimte voor Nederland berekend worden. Vanwege deze aanpak wordt het niet nodig geacht om de genoemde instellingen hierover om advies te vragen.
Onderschrijft het kabinet het bevel van de rechtbank dat de Staat inzichtelijk moet maken wat de resterende emissieruimte voor Nederland is waarvan de Staat uitgaat bij het nemen en uitvoeren van klimaatmaatregelen, en dat gisteren, een half jaar na de uitspraak, dit inzicht gegeven moet worden? Zo ja, waarom voldoet het kabinet hier niet aan?
Het kabinet werkt hard aan de uitvoering van het vonnis. Een onderdeel van het vonnis is dat de Staat de emissieruimte inzichtelijk moet maken. Hiervoor geldt echter geen termijn van 6, maar van 18 maanden. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Kunt u de beschikbare berekeningen delen met de Kamer, aangezien de Staat tijdens de rechtszaak heeft aangegeven reeds te beschikken over emissiegegevens? Zo nee, waarom niet?
Gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis zal inzichtelijk gemaakt worden hoe de omvang van de emissieruimte is bepaald.
Bent u bereid alsnog de emissieruimte die nog mogelijk is binnen het Akkoord van Parijs inzichtelijk te maken, zoals de rechter heeft bevolen? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze emissieruimte zal inzichtelijk worden gemaakt gelijktijdig met de wetswijziging die nodig is voor de uitvoering van het vonnis.
Het artikel Schatting RIVM: honderden sterfgevallen meer dan verwacht tijdens hitte vorige week |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Vincent Karremans (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schatting van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat tijdens de hittegolf van eind juni 2026 ongeveer 480 mensen meer zijn overleden dan verwacht?1
Hoe beoordeelt u het feit dat er in één week honderden mensen, voornamelijk mensen van 80 jaar en ouder, zijn overleden als gevolg van extreme hitte? Deelt u de mening dat dit geen natuurverschijnsel is waar we ons bij neer moeten leggen, maar een falen van de bescherming van kwetsbare mensen?
Kunt u aangeven waarom de oversterfte juist in het oosten en zuiden van het land het hoogst was? In hoeverre speelt hierbij mee dat de zorg en het welzijnswerk in deze regio's onder druk staan door bezuinigingen en personeelstekorten?
Hoeveel van de overleden ouderen woonden zelfstandig thuis, en hoeveel in een verpleeghuis of andere zorginstelling? Bent u bereid dit door het RIVM te laten uitzoeken?
Erkent u dat het jarenlange beleid om ouderen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, in combinatie met het sluiten van verzorgingshuizen, ertoe heeft geleid dat veel kwetsbare ouderen tijdens een hittegolf alleen thuis zitten zonder toezicht, koeling of hulp bij het drinken? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel verpleeghuizen en zorginstellingen in Nederland beschikken op dit moment niet over airconditioning of andere adequate koeling in de verblijfsruimten van bewoners? Bent u bereid hier een landelijke inventarisatie naar te doen?
Welke rol speelt de kwaliteit van woningen bij hittesterfte? Erkent u dat mensen met een laag inkomen vaker in slecht geïsoleerde woningen wonen die in de zomer veel te heet worden en dat hitte daarmee ook een kwestie van ongelijkheid is?
Bent u bereid om verhuurders te verplichten maatregelen tegen hitte te nemen?
Erkent u dat hittegolven door klimaatverandering vaker en heviger zullen voorkomen en dat structurele maatregelen dus noodzakelijk zijn?
Bent u bekend met onderzoeken waaruit blijkt dat wijken met lagere inkomens gemiddeld aanzienlijk warmer zijn dan rijkere wijken, doordat er minder groen, meer steen en asfalt en dichtere bebouwing is? Hoe beoordeelt u het feit dat juist de mensen met de minste middelen in de heetste wijken wonen?
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat je portemonnee bepaalt hoe heet je wijk wordt en daarmee hoe groot je gezondheidsrisico is tijdens een hittegolf? Zo nee, waarom niet?
Is bekend of de oversterfte tijdens de afgelopen hittegolf hoger was in wijken met een lagere sociaaleconomische status? Bent u bereid het RIVM opdracht te geven de oversterfte uit te splitsen naar wijk en inkomensniveau, zodat duidelijk wordt waar de klappen vallen?
Welke gerichte rijkssteun is er op dit moment beschikbaar om de armste en heetste wijken af te koelen, bijvoorbeeld door vergroening, het planten van bomen, het vervangen van steen door groen en het aanleggen van schaduw en waterpartijen? Kunt u een overzicht geven van de beschikbare middelen en waar deze terechtkomen?
Erkent u dat gemeenten met veel kwetsbare wijken vaak juist de gemeenten zijn met de minste financiële ruimte, en dat zonder extra rijksmiddelen de vergroening van deze wijken niet van de grond komt? Bent u bereid een gericht fonds in te stellen voor het hittebestendig maken van de heetste, armste wijken, waarbij de wijken met de grootste hitteproblemen als eerste aan de beurt komen?
Hoeveel procent van de woningen in de armste wijken heeft toegang tot een koele buitenruimte, zoals een park of schaduwrijk plein, binnen loopafstand? Bent u bereid een norm in te voeren voor de maximale afstand tot koele, groene openbare ruimte, zoals ook wordt bepleit voor groennormen in de stad?
Bent u bereid om samen met gemeenten tijdens hittegolven gekoelde publieke ruimtes open te stellen in de heetste wijken zodat bewoners zonder airconditioning ergens terechtkunnen? Ziet u hierbij ook een rol voor de heropening van buurthuizen die de afgelopen jaren zijn wegbezuinigd?
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Ja.
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
De prijsverschillen kunnen deels worden verklaard door verschillen in belastingen, waaronder zowel de accijns als de btw, maar ook andere factoren spelen een rol.
€ 844,69
€ 654,50
€ 600,16
€ 552,29
€ 470,40
€ 600,16
€ 199,27
€ 220,86
€ –
Sinds 1 januari 2026
Sinds 1 juli 2026
Sinds 1 april 2023
Voor LPG is de accijns omgerekend naar liters, o.b.v. een dichtheid van 0,54 kg/L. Het accijnstarief per 1.000 kg is € 369,02 in Nederland en € 409 in Duitsland.
Uit tabel 2 volgt dat Nederland voor benzine een hogere accijns kent dan zowel België als Duitsland. De Nederlandse benzineaccijns ligt circa 24 cent per liter boven die van België en circa 19 cent per liter boven die van Duitsland. Omdat over de accijns tevens btw wordt geheven, is het verschil in de totale belastingdruk iets groter. Daarbij geldt dat Nederland en België een btw-tarief van 21% kennen, terwijl Duitsland een btw-tarief van 19% hanteert. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin3 was de gemiddelde benzineprijs in Nederland € 2,290, in België € 1,814 (48 cent lager) en in Duitsland € 2,143 (15 cent lager). Ten opzichte van België is het prijsverschil dus groter dan het verschil in de totale belastingdruk, terwijl ten opzichte van Duitsland het prijsverschil juist kleiner is. Dit laat zien dat naast belastingen ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Voor diesel volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan Duitsland en een lagere accijns dan België. De Nederlandse dieselaccijns ligt circa 8 cent per liter onder die van België en circa 8 cent per liter boven die van Duitsland. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde dieselprijs in Nederland € 2,323, in België € 2,157 (17 cent lager) en in Duitsland € 2,149 (17 cent lager). In de vergelijking met Duitsland kunnen de belastingen een groot deel van het prijsverschil verklaren. In de vergelijking met België kan het prijsverschil niet worden verklaard door de accijns en moet voornamelijk worden gezocht in andere factoren. Een belangrijk verschil is dat in België wordt gewerkt met een systeem van maximumprijzen. Een dergelijk systeem begrenst de prijs die aan de pomp in rekening mag worden gebracht en kan daarmee voorkomen dat stijgingen van de marktprijs volledig en direct worden doorberekend aan consumenten. Een systeem van maximumprijzen kent tegelijkertijd aandachtspunten, waar uw Kamer dit voorjaar over is geïnformeerd.4 Zo kan een maximumprijs de werking van de brandstoffenmarkt verstoren en bij schaarste tekorten versterken. Daarbij is relevant dat de marges in de tankstationsector beperkt zijn. Zo bedroeg het bedrijfsresultaat in 2023 circa 4% van de netto omzet. Ook de ACM ziet geen aanwijzingen dat gemiddelde winstmarges tankstations zijn gestegen.5 Indien ondernemers voor de begrenzing van hun marge zouden worden gecompenseerd, ontstaan daarentegen budgettaire kosten voor de overheid.
Voor LPG volgt uit tabel 2 dat Nederland een hogere accijns kent dan België en een lagere accijns dan Duitsland. De Nederlandse LPG-accijns ligt circa 2 cent per liter lager dan in Duitsland en circa 20 cent per liter boven die van België. Volgens gegevens van het Weekly Oil Bulletin was de gemiddelde LPG-prijs in Nederland € 0,930, in België € 0,817 (11 cent lager) en in Duitsland € 1,090 (16 cent hoger). Ook hier blijkt dat het verschil in belastingen slechts een beperkt deel van het totale prijsverschil verklaart en ook andere prijsbepalende factoren een belangrijke rol spelen.
Het beeld is daarmee genuanceerd. De totale belastingdruk (accijns en btw) is een belangrijke factor bij de uiteindelijke pompprijs, maar de vergelijking met België en Duitsland laat zien dat verschillen in de belastingdruk niet één-op-één overeenkomen met de verschillen in de consumentenprijs. Ook factoren zoals de internationale productprijs, raffinage- en distributiekosten, kosten voor verplichte bijmenging en markt- en concurrentieomstandigheden zijn van invloed op de prijs die de consument aan de pomp betaalt. Het kabinet deelt daarom niet de opvatting dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen zijn «doorgeschoten». De hoogte van de accijnzen is het resultaat van een beleidsmatige afweging tussen de financiering van collectieve voorzieningen, de betaalbaarheid van mobiliteit en klimaat- en milieudoelstellingen.
Meer achtergrond over de ontwikkeling van brandstofaccijns en pompprijzen zijn te vinden in een analyse van vorig jaar, verzonden met een kamerbrief over de hervorming autobelastingen.6
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Onderstaande tabel bevat per land de consumentenprijzen, inclusief belastingen, per 1.000 liter op 27 juli 2026, zoals gepubliceerd in het Weekly Oil Bulletin van de Europese Commissie.2
1.874,00
2.051,00
1.888,38
2.140,86
816,00
1.515,00
1.679,00
629,10
1.616,00
1.771,00
735,00
1.517,17
1.638,91
1.746,19
1.814,46
913,23
2.485,55
2.290,24
1.812,00
1.877,00
969,00
2.177,91
2.270,10
2.057,14
2.168,45
1.007,90
2.191,00
2.186,00
1.092,75
2.017,00
2.041,00
1.657,90
1.720,64
971,80
1.757,70
1.751,70
1.960,82
2.140,63
757,68
1.885,00
1.936,00
938,75
1.792,71
1.995,18
749,64
1.764,00
1.889,00
740,00
1.340,00
1.210,00
2.385,06
2.392,73
930,89
1.719,18
1.817,74
711,64
1.990,00
2.026,00
896,00
1.768,11
1.995,27
873,31
1.765,00
1.737,00
778,00
1.626,04
1.788,19
957,84
1.644,51
1.722,27
1.052,12
1.454,57
1.824,62
Bij de vergelijking van consumentenprijzen dient te worden opgemerkt dat lidstaten hun nationale belastingstelsel verschillend hebben ingericht. Naast accijnzen kunnen ook andere indirecte belastingen of heffingen onderdeel uitmaken van de consumentenprijs. Daarnaast verschillen de btw-tarieven tussen lidstaten.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Ja, het klopt dat over de brandstofaccijns btw wordt geheven. Dit volgt uit de Europese btw-richtlijn.7
Uit de Europese btw-richtlijn volgt dat belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de btw zelf, onderdeel zijn van de maatstaf van heffing voor de btw, voor zover zij rechtstreeks met de levering samenhangen.8 Dit betekent dat ook accijnzen die in de prijs van brandstof zijn begrepen, worden meegenomen in de grondslag waarover btw wordt berekend.
Deze systematiek is in EU-verband overeengekomen zodat lidstaten de verhouding tussen btw en andere verbruiksbelastingen niet eenvoudig kunnen verschuiven. Het voorkomt dat lidstaten met belastingen zouden kunnen «schuiven» om nationaal dezelfde belastingopbrengst te behouden, maar tegelijkertijd de btw-opbrengst en daarmee hun bijdrage aan de EU te verlagen.
De heffing van btw over de brandstofaccijns is daarmee niet zozeer een nationale keuze maar een gevolg van het Europese uitgangspunt van een geharmoniseerd btw-stelsel.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Onderstaande tabel laat de opbrengst zien van 2014 t/m 2025 van accijns en de btw op brandstof, uitgesplitst naar benzine, diesel en LPG in miljoenen euro.
Accijns
Btw
Accijns
Btw
Accijns
Btw
€ 3.968
€ 1.537
€ 3.679
€ 1.872
€ 98
€ 74
€ 4.099
€ 1.447
€ 3.656
€ 1.619
€ 98
€ 58
€ 4.224
€ 1.406
€ 3.744
€ 1.521
€ 100
€ 55
€ 4.310
€ 1.503
€ 3.804
€ 1.659
€ 102
€ 61
€ 4.431
€ 1.598
€ 3.801
€ 1.798
€ 101
€ 66
€ 4.559
€ 1.654
€ 3.810
€ 1.809
€ 102
€ 60
€ 3.827
€ 1.296
€ 3.303
€ 1.408
€ 88
€ 49
€ 4.068
€ 1.576
€ 3.512
€ 1.707
€ 94
€ 66
€ 3.761
€ 1.949
€ 3.077
€ 2.346
€ 82
€ 81
€ 4.179
€ 1.935
€ 3.038
€ 1.934
€ 81
€ 65
€ 4.577
€ 1.982
€ 3.294
€ 1.907
€ 88
€ 65
€ 4.544
€ 1.920
€ 3.138
€ 1.784
€ 84
€ 63
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Hogere brandstofprijzen leiden niet automatisch tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid.
De accijns op brandstoffen is een vast bedrag per liter en is daarom niet afhankelijk van de hoogte van de brandstofprijs. Hogere brandstofprijzen leiden daardoor niet tot hogere accijnsopbrengsten per verkochte liter. Sterker nog: hogere prijzen dempen de vraag naar brandstof, waardoor het aantal getankte liters lager uitvalt en daarmee zorgen hogere prijzen voor een lagere accijnsopbrengst.
Voor de btw geldt dat een hogere brandstofprijs, bij een gelijkblijvend verkoopvolume, leidt tot een hogere btw-opbrengst per liter. In een eerdere schatting over inkomsten uit brandstof9 bleken in maart 2026 de btw-inkomsten € 18 miljoen hoger dan verwacht, en de accijnsinkomsten € 10 miljoen lager dan verwacht, waardoor er per saldo € 8 miljoen aan inkomsten overbleef. Belangrijk is om dit in perspectief te plaatsen: € 18 miljoen extra aan btw op brandstof is relatief klein afgezet tegen de totale btw-ontvangst van ruim € 21 miljard in april. Bovendien staat hier tegenover dat hogere uitgaven aan brandstof kunnen leiden tot een verschuiving in het consumptiepatroon, waarbij huishoudens minder uitgeven aan andere goederen en diensten. Daarnaast kunnen hogere brandstofprijzen leiden tot een lager brandstofverbruik of meer tanken over de grens. Door deze substitutie- en gedragseffecten is het uiteindelijke netto-effect op de totale belastinginkomsten onzeker.
Voor zover er meer btw-inkomsten als gevolg van hogere brandstofprijzen zijn, leiden die tot een hogere grondslag voor de btw-afdracht aan de EU-begroting. Een hogere btw-afdracht leidt, ceteris paribus, tot een lagere bni-afdracht. De bni-afdracht is namelijk de sluitpost van de financiering van de EU-begroting. De totale som van de verschillende type afdrachten op EU-niveau neemt namelijk niet toe, alleen de verdeling tussen het type afdrachten verschuift. Hierdoor leiden hogere brandstofprijzen niet automatisch tot hogere afdrachten aan de EU-begroting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Een verlaging van de brandstofaccijns kan, voor zover deze wordt doorberekend in de consumentenprijs, de brandstofkosten voor gebruikers verlagen en daarmee het koopkrachtverlies beperken. Een generieke verlaging van de brandstofaccijns is echter een relatief ongericht beleidsinstrument indien het doel is om de koopkracht van alle huishoudens te verbeteren. Huishoudens die veel brandstof gebruiken, profiteren daarvan in absolute zin meer dan huishoudens die weinig of geen gebruik maken van een auto. Daarnaast leidt een accijnsverlaging tot lagere belastinginkomsten en moet de budgettaire derving worden gedekt.
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
In het Regeerakkoord Balkenende II is opgenomen dat de opbrengst van het zogenoemde Kwartje van Kok, gelet op de herkomst daarvan, vooral zou worden aangewend voor investeringen in wegen en daarnaast voor onderhoud van openbaar vervoer en vaarwegen. Er is destijds dus gekozen voor een terugsluis via infrastructuuruitgaven en niet voor een afzonderlijke verlaging van de accijns.
Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat de overheid burgers hiermee heeft «voorgelogen». De hoogte van de brandstofaccijns is sindsdien steeds onderwerp geweest van politieke besluitvorming door opeenvolgende kabinetten en parlementen.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het kabinet begrijpt de achterliggende zorg over de gevolgen van hogere brandstofprijzen voor burgers en bedrijven. Om bij te dragen aan de betaalbaarheid van de brandstofkosten van personenauto’s geldt op dit moment een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen van 15,7 cent op benzine, 10,2 cent op diesel en 3,7 cent op LPG. Het kabinet is voornemens de tijdelijke verlaging van de benzineaccijns met een jaar te verlengen, door een korting van 17,7 cent te geven. De precieze omvang van de accijnskorting wordt daarbij mede bepaald door de budgettaire gevolgen. Het accijnstarief voor benzine blijft hiermee volgend jaar op bijna hetzelfde niveau als dit jaar (84,5 cent/liter in 2026, en 85,2 cent/liter in 2027).
Ten aanzien van een aanvullende verlaging van de benzineaccijns met 25 cent per liter wijst het kabinet erop dat de huidige prijsstijgingen samenhangen met een verminderd aanbod op de brandstofmarkt. Het kabinet is daarom terughoudend met verdere vraagondersteunende maatregelen. Bij de afweging over eventuele aanvullende maatregelen worden daarnaast de doelmatigheid, de verdelingseffecten en de gevolgen voor de klimaat- en mobiliteitsdoelstellingen betrokken.
Zoals toegelicht in de Kamerbrief van 16 maart en tijdens het plenaire debat van 23 maart over de economische gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten, bereidt het kabinet zich voor op het scenario waarin de brandstofvoorziening verder onder druk komt te staan en energieprijzen fors en langdurig stijgen. In dat kader heeft het kabinet verschillende potentiële opties in kaart gebracht voor gerichte maatregelen, zodat deze wanneer nodig ingezet kunnen worden. Daarover is op 20 april 2026 het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok naar de Tweede Kamer gestuurd.10
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
Het bericht dat Sea-Watch meewerkt aan mensenhandel |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de column «Schijnheilige ngo Sea-Watch doet mee aan meedogenloze mensenhandel» en met de berichtgeving dat de Italiaanse justitie de kapitein van Sea-Watch 5 onderzoekt wegens mogelijke hulp bij illegale immigratie?1
Ja, hiermee ben ik bekend.
Bent u bekend met de berichtgeving over Frontex-beelden waarop te zien zou zijn dat gemaskerde mannen ongeveer negentig migranten op zee overdragen aan Sea-Watch 5 en vervolgens terugvaren richting de Libische kust?2
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dit niets te maken heeft met het redden van drenkelingen, maar neerkomt op het faciliteren van mensensmokkel en illegale immigratie? Zo nee, waarom niet?
Naar het kabinet begrepen heeft wordt het hierboven aangehaalde voorval momenteel onderzocht door de Italiaanse autoriteiten. Het kabinet kan geen uitspraken doen over lopende (strafrechtelijke) onderzoeken en zich mengen in de rechtsgang van andere lidstaten.
Deelt u de mening dat ngo’s die migranten rechtstreeks overnemen van mensensmokkelaars feitelijk fungeren als verlengstuk van criminele mensenhandelaren en hun meedogenloze verdienmodel in stand houden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft dat personen en organisaties niet dienen bij te dragen aan criminele activiteiten van mensensmokkelaars en mensenhandelaren. Het kabinet vindt het daarnaast onwenselijk wanneer de activiteiten en aanwezigheid van private schepen – bijvoorbeeld op de Middellandse Zee – bij zouden dragen aan het voortduren van mensensmokkel over zee. Het is aan de nationale (opsporings-)autoriteiten onderzoek te doen of strafbare gedragingen hebben plaatsgevonden, en zo nodig over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. In Nederland is deze bevoegdheid voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Het is dan ook niet aan het kabinet om uitspraken te doen over wanneer tot vervolging wordt overgegaan en waar deze grens precies ligt.
Heeft u bij de Italiaanse en Duitse autoriteiten en bij Frontex de beelden, communicatiegegevens, vaarroutes en beschikbare onderzoeksbevindingen opgevraagd? Zo nee, waarom niet?
Het is primair aan de autoriteiten die de zaak nader onderzoeken om dergelijke beelden en gegevens te beschouwen en te wegen. Mochten er daarnaast relevante aspecten zijn die van belang zijn vanuit het Nederlands perspectief, dan is het aan de nationale opsporingsautoriteiten – en niet aan het kabinet – om dergelijke informatie volgens de daartoe ingerichte kanalen te verzoeken.
Kunt u garanderen dat geen euro Nederlands of Europees belastinggeld direct of indirect terechtkomt bij Sea-Watch of aan Sea-Watch gelieerde organisaties? Zo nee, kunt u exact uiteenzetten hoeveel publiek geld sinds 2021 is verstrekt, via welke organisaties en voor welke projecten?
Voor zover het kabinet bekend is, bestaat er geen directe of indirecte subsidierelatie vanuit Nederland of de EU naar Sea-Watch of juridisch aan Sea-Watch gelinkte rechtspersonen. Volgens de site en het jaarverslag van Sea-Watch zelf wordt de organisatie bovendien volledig bekostigd door private donoren.
Kunt u aangeven hoeveel door Sea-Watch naar Europa gebrachte vreemdelingen sinds 2015 vervolgens in Nederland asiel hebben aangevraagd en hoeveel van hen een verblijfsvergunning hebben gekregen?
Omdat in de asielcijfers geen koppeling wordt gemaakt met een eventueel ontschepingsmoment zijn hierover geen cijfers beschikbaar.
Bent u bereid iedere vorm van Nederlandse financiering aan Sea-Watch per direct op te schorten en in Europees verband hetzelfde te eisen, ten minste zolang het Italiaanse strafrechtelijke onderzoek loopt? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 6 is dat nu niet aan de orde.
Bent u bereid te pleiten voor strafrechtelijke vervolging, terugvordering van alle verstrekte publieke middelen en definitieve uitsluiting van Sea-Watch van Nederlandse en Europese subsidies? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven onder vraag 3, 4, en 6 is dat niet aan de orde.
De benoeming van Timmermans tot minister van staat |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van mijn eerdere vragen over deze kwestie van 26 juli jongstleden? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat inmiddels door een grote groep advocaten aangifte is gedaan tegen Timmermans wegens haatzaaien en groepsbelediging? Zo nee, waarom niet? Kunt u bevestigen dat hij daarmee verdachte is in een strafzaak? Zo nee, waarom niet? Vindt u het gepast dat een Minister van staat tevens verdachte is in een strafzaak? Vindt u het gepast dat een Minister van staat antisemitische uitlatingen heeft gedaan?
Ik kan dit niet bevestigen.
Klopt het dat het Centraal Joods Overleg u heeft opgeroepen publiekelijk en ondubbelzinnig afstand te nemen van de antisemitische uitspraken van Timmermans? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid gehoor te geven aan dat verzoek? Zo nee, waarom niet?2
Het Centraal Joods Overleg heeft mij op 26 juli 2026 aangeschreven over de kwestie.
Kunt u aangeven of reeds in de ministerraad gesproken is over het feit dat Nederland nu een Minister van staat heeft die door velen als een openlijke Jodenhater wordt beschouwd? Zo nee, waarom niet?
Gelet op de geheimhoudingsplicht, vastgelegd in artikel 26 van het Reglement van orde voor de ministerraad, kan ik geen uitlatingen doen over hetgeen al dan niet besproken is in de ministerraad.
Kunt u aangeven waarom u er vooralsnog voor lijkt te kiezen een verdachte in een strafzaak, wiens uitspraken door het Centraal Joods Overleg als antisemitisch zijn bestempeld, aan te houden als Minister van staat? Is het niet beter voor het aanzien van uw kabinet en van ons land om deze benoeming zo snel mogelijk in te trekken?
Zie het antwoord op vraag 2 en de antwoorden op de vragen van het lid Markuszower (Groep Markuszower) aan de Minister-President over het interview van Ilja Leonard Pfeiffer met Frans Timmermans (kenmerk: 2026Z16543).
De beperkte opname van klimaatindicatoren in de BHOS-indicatorenlijst |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in het nieuwe BHOS-indicatorenoverzicht op het thema klimaat slechts één indicator staat, namelijk het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie?
Ja.
Bent u van mening dat klimaatadaptatie en -weerbaarheid een substantieel onderdeel moeten vormen van het Nederlandse klimaatbeleid, mede gegeven dat meer dan 50% van de klimaatfinanciering naar adaptatie gaat?
Ja, dat is ook het geval.
Waarom is klimaat beperkt tot één indicator, terwijl adaptatie de helft van de klimaatfinanciering beslaat en beleidsmatig als prioriteit wordt benoemd?
De aan de Kamer toegezonden lijst betreft het BHOS-indicatorenoverzicht dat tot nu toe werd opgenomen in deel D, bijlage 4, van het BHOS-jaarverslag. In dit overzicht was het aantal mensen met toegang tot hernieuwbare energie de afgelopen jaren de enige indicator voor het thema klimaat.
Zoals toegelicht in de brief van 11 mei jl. (Kamerstuk 31 865, nr. 302) wordt de verantwoordingssystematiek vanaf het jaarverslag BHOS 2027 verbeterd. De afzonderlijke indicatorentabel vervalt en indicatoren en streefwaarden worden voortaan in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag. Daarmee ontstaat meer ruimte om de resultaten op klimaat, waaronder adaptatie, in samenhang en in context te presenteren.
Bent u van mening dat de huidige klimaatindicatoren ontoereikend zijn, gegeven de beperkte reikwijdte en discrepantie met de financiering (meer dan 50% naar adaptatie)?
De nieuwe verantwoordingssystematiek is erop gericht een completer en samenhangender beeld te geven van de behaalde resultaten op de beleidsdoelstellingen, waaronder resultaten op het gebied van klimaatadaptatie. Daarbij wordt gebruikgemaakt van zowel kwantitatieve gegevens als informatie over bredere ontwikkelingen en resultaten. Ook resultaten op het gebied van klimaatadaptatie binnen andere beleidsterreinen worden hierbij meegenomen. Zo wordt binnen de inzet op water en voedselzekerheid onder meer gemonitord hoeveel mensen toegang krijgen tot een verbeterde waterbron en hoeveel hectare landbouwgrond wordt bereikt met activiteiten gericht op duurzaam landgebruik. De resultaten worden in narratieve vorm opgenomen in de hoofdtekst van het jaarverslag (zie ook het antwoord op vraag 3).
Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes? Bent u bereid de lijst aan te vullen met minimaal één adaptatie-indicator, zoals het aantal mensen dat wordt ondersteund bij klimaatweerbaarheid, en een indicator voor toepassing van Locally Led Adaptation-principes?
Zie antwoord vraag 4.
Zo nee, waarom acht u het aanvaardbaar dat een substantieel deel van het klimaatbeleid en de klimaatfinanciering onzichtbaar blijft in de BHOS-verantwoording?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bekend met het bericht «Holocaustoverlevende en kranslegger Deborah (84) woedend om discussie rond herdenking Rotterdam: «Het is een schande, het is pure Jodenhaat»» in De Telegraaf en met het blog «The ambassador at Loods 24» van dr. Eliyahu V. Sapir, waarin wordt ingegaan op de politieke druk rond de Holocaustherdenking bij Loods 24, de rol van burgemeester Schouten van Rotterdam en de positie van de organiserende Joodse instellingen?1 2
Ja.
Bent u van oordeel dat de aanwezigheid van de door de organisatoren uitgenodigde Israëlische ambassadeur op zichzelf afbreuk kan doen aan de waardigheid van deze Holocaustherdenking? Zo ja, op welke gronden? Zo nee, neemt het kabinet dan afstand van het door burgemeester Schouten gelegde verband tussen de aanwezigheid van de ambassadeur en de waardigheid van de herdenking?
Inmiddels heeft de herdenking plaatsgevonden. Hierbij waren de Israëlische ambassadeur en de burgemeester aanwezig. De burgemeester heeft haar zienswijze hierover kenbaar gemaakt. Een beoordeling van het handelen van de burgemeester is niet aan mij, zij legt hiervoor verantwoording af aan de gemeenteraad. Burgemeesters opereren in een veranderende en ingewikkelde maatschappelijke context. De burgemeester heeft hierbij beste zicht op de situatie ter plaatse.
Deelt u de opvatting dat een burgemeester in het kader van diens verantwoordelijkheid voor de openbare orde en veiligheid overleg mag voeren met betrokken partijen, maar dat dit overleg er niet toe mag leiden dat politieke partijen, actiegroepen of andere derden invloed verkrijgen op het programma of de gastenlijst van een Holocaustherdenking die zij niet organiseren, behoudens concrete juridische of veiligheidsgronden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de burgemeester besluiten te nemen in het kader van de handhaving van de openbare orde. De burgemeester bepaalt bij wie – in het kader van een juiste besluitvorming – informatie wordt ingewonnen en hoe deze wordt gewogen.
Deelt u de opvatting dat de organisatie van een Holocaustherdenking, waaronder de keuze van sprekers en genodigden, behoudens concrete juridische of veiligheidsgronden, behoort te worden bepaald door de organiserende stichting en de betrokken Joodse instellingen en niet door een overheid mag worden aangepast als reactie op politieke druk? Zo nee, waarom niet?
De stichting gaat inderdaad zelf over de organisatie van een herdenking. Een beoordeling van de uitlatingen van de burgemeester in het kader hiervan is niet aan mij. De burgemeester legt alleen verantwoording af aan de gemeenteraad, zoals verwoord in artikel 180 van de Gemeentewet.
Erkent u het risico dat de reactie van de burgemeester de indruk wekt dat politieke druk een effectief en legitiem middel is om invloed uit te oefenen op het programma of de gastenlijst van een Joodse herdenking? Zo ja, welke maatregelen is het kabinet bereid te nemen om duidelijk te maken dat dergelijke druk geen aanspraak kan maken op medezeggenschap over de organisatie van Joodse herdenkingen? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester gaat zelf over haar uitlatingen. Het is daarnaast aan de burgemeester besluiten te nemen in het kader van herdenkingen. Over haar handelen legt zij verantwoording af aan de gemeenteraad, dat is niet aan mij om te beoordelen. Daarnaast is het van het grootste belang dat het gesprek hierover eerst en vooral op gemeentelijk niveau moet worden gevoerd. Juist ook omdat dat debat dan kan plaatsvinden op basis van alle relevante – ter plaatse veel beter bekende – feiten en omstandigheden.
Bent u bereid ondubbelzinnig uit te spreken dat de aanwezigheid van de door de organisatoren uitgenodigde Israëlische ambassadeur op zichzelf geen afbreuk doet aan de waardigheid van een Holocaustherdenking en dat politieke bezwaren tegen het beleid van de Israëlische regering geen grond vormen om druk uit te oefenen op de organisatoren teneinde de gastenlijst of het programma van een Holocaustherdenking aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat kritiek op het beleid van de Israëlische regering legitiem kan zijn, maar dient te worden gericht tot de daarvoor verantwoordelijke politieke actoren en niet mag worden afgewenteld op Joodse instellingen of als voorwaarde mag worden gesteld voor de wijze waarop die instellingen Holocaustslachtoffers herdenken? Hoe verhoudt deze casus zich tot het door het kabinet onderschreven uitgangspunt dat Joden niet individueel of collectief verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het handelen van de Staat Israël?
Het uitgangspunt dat Joodse individuen en gemeenschappen in Nederland niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het beleid van de regering van de staat Israël geldt onverkort. Het staat burgers in een democratie vrij om kritiek te hebben op beleid van welke regering dan ook. Dit rechtvaardigt echter niet dat individuele personen of gemeenschappen verantwoordelijk worden gehouden voor beleid van een regering waarmee zij slechts worden geassocieerd. Dit is ongepast.
Bent u ermee bekend dat een Israëlische ambassadeur reeds in 2018 heeft gesproken tijdens de herdenking bij Loods 24, dat de Israëlische ambassadeur ook in 2025 tot de sprekers behoorde en dat de organisatoren hebben verklaard dat al jarenlang een Israëlische ambassadeur of een andere officiële vertegenwoordiger van de staat Israël aan de herdenking deelneemt? Deelt u de opvatting dat de aanwezigheid van een Israëlische vertegenwoordiger daarmee een bestendig onderdeel vormt van de door de organisatoren gekozen opzet van de herdenking en geen nieuw politiek element is dat in 2026 aan de herdenking is toegevoegd?
Daar ben ik mee bekend. De organisatie van de herdenking is aan de organisatoren. De burgemeester kan op grond van de Wet openbare manifestaties (Wom) hier kaders aan stellen.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding met spoed te verzoeken een beoordeling te geven van de politieke druk die op de organisatoren van de Holocaustherdenking bij Loods 24 is uitgeoefend, de reactie van burgemeester Schouten daarop en de mogelijke gevolgen daarvan voor de autonomie en veiligheid van Joodse herdenkingen in Nederland, en de Kamer over die beoordeling te informeren? Zo nee, waarom niet?
De Nationaal Coördinator Antisemitisme Bestrijding heeft een coördinerende en adviserende rol. Hij brengt de aard en omvang van antisemitisme in Nederland in kaart, en adviseert het Kabinet, de ministeries en lokale overheden over de bestrijding ervan, op basis van patronen en trends. De strekking van uw verzoek valt hier niet onder.
De grote verschillen binnen en tussen gemeenten als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Mensen die bijstand aanvragen worden ongelijk behandeld» van Binnenlands Bestuur op 6 juli 2026?1
Ja.
Deelt u de mening dat grote verschillen in de behandeling van bijstandsaanvragen binnen dezelfde gemeente en tussen gemeenten onwenselijk zijn?
Gemeenten zijn in medebewind verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en in dat kader verantwoordelijk voor de vormgeving van de aanvraagprocedure om het recht op bijstand vast te stellen. In de wet is daarbij ruimte voor de menselijke maat en om uit te gaan van wat iemand nodig heeft. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat mensen die daar recht op hebben kunnen rekenen op een bepaald niveau van ondersteuning en dat ze zekerheid over hun inkomen hebben. Het is aan de gemeenteraad om hierop toe te zien.
Met de wetswijzigingen van spoor 1 van het programma Participatiewet in balans wordt de uitvoering door gemeenten op bepaalde punten meer geharmoniseerd en is op andere punten meer ruimte gecreëerd voor het toepassen van de menselijke maat. Zo mogen op individuele basis gemeenten afzien van de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar in een kwetsbare situatie. Ook is er sprake van een verkorte aanvraagprocedure voor herintreders in de bijstand en voor alle aanvragers een eenvoudigere aanvraag. De genoemde wijzigingen gelden vanaf 1 januari 2026 en helpen de aanvraagprocedure meer te harmoniseren tussen gemeenten.
Welke instructies krijgen ambtenaren van gemeenten om hun taken betreffende de behandeling van bijstandsaanvragen uit te voeren en hun bevoegdheden en beleidsvrijheid correct in te zetten? Hoe houdt u zicht op de kwaliteit, onderlinge gelijkenissen, en op de eenduidigheid?
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet. SZW heeft een faciliterende rol in het ondersteunen van de uitvoering door gemeenten. Bij de wijzigingen van Participatiewet in balans is voor een aantal onderdelen een duidelijker kader neergezet voor gemeenten waarin de bewegingsruimte explicieter is gemaakt.
De gemeenten zijn verantwoordelijk voor de vormgeving van de uitvoering, en worden daarbij ondersteund door onder meer de VNG en Divosa. SZW houdt geen toezicht op de uitvoering van individuele gemeenten. Dat is aan de gemeenteraad.
Welke verbeteringen denkt u dat er in de bestaande gemeentelijke instructies betreffende het behandelen van de aanvragen mogelijk zijn? Welke rol ziet u hierbij voor de nationale overheid?
Gemeenten dragen zelf verantwoordelijkheid voor de werkinstructies aan hun medewerkers. Deze zijn en worden aangepast op basis van de wijzigingen van de Participatiewet in balans. Deze wijzigingen zijn deels al ingegaan en een deel gaat in per 1 januari 2027. In 2028 wordt een invoeringstoets uitgevoerd, waaruit eventuele knelpunten naar voren kunnen komen. Mocht uit de invoeringstoets blijken dat er knelpunten zijn in de uitvoering van de wijzigingen van de Participatiewet, dan zal ik daar met gemeenten het gesprek over aangaan. De Kamer wordt hierover geïnformeerd.
In hoeverre zijn er vanuit de nationale overheid op dit moment initiatieven of beleid om gemeenten kennis en ervaringen met elkaar te laten delen?
Naast de leeragenda en de andere activiteiten die in het kader van het programma Participatiewet in balans zijn uitgevoerd met ondersteuning van SZW zijn er verschillende initiatieven waarin wordt gewerkt aan kennisdeling. Op basis van de leeragenda heeft de VNG dit jaar handelingsperspectieven gepubliceerd voor en door gemeenten op het gebied van handhaving, domeinoverstijgend werken en sturen op vakmanschap. Beroepsvereniging SAM werkt samen met hogescholen en private opleiders aan een kwalificerende beroepsopleiding op hbo-niveau. Divosa heeft bovendien een werkatelier voor gemeenten georganiseerd over de maatwerkondersteuning van jongeren. Dit werkatelier organiseerde zij in het verlengde van de handreiking over ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie2. De lessen uit deze handreiking kunnen breder worden ingezet dan enkel voor jongeren.
Wat gaat u doen met het signaal er bij ambtenaren van gemeenten te weinig kennis is over hun handelingsruimte binnen de Participatiewet? Welke mogelijkheden ziet u hier voor digitale kennisoverdracht, zoals bijvoorbeeld een chatbot die alle relevante en actuele SZW-regelgeving en kennisdocumenten kan inlezen en doorzoeken, en ambtenaren van op hun verzoek van eenduidige correcte kennis en advies kan voorzien?
Het kabinet neemt het signaal mee dat kennis over de handelingsruimte binnen de Participatiewet niet overal in gelijke mate aanwezig is. Tegelijkertijd ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het op peil houden van de vakkennis en deskundigheid bij gemeenten als uitvoerders van de Participatiewet. Zij zijn verantwoordelijk voor het opleiden en ondersteunen van hun medewerkers. In hoeverre daarbij gebruik wordt gemaakt van chatbots e.d. is aan gemeenten.
Vanuit de systeemverantwoordelijkheid ondersteunt het Rijk de gemeenten door te zorgen voor duidelijke wet- en regelgeving, handreikingen, toelichtingen en kennisproducten. Daarnaast werken we samen met verschillende partijen zoals de VNG en Divosa om kenniswisseling en de eenduidige uitvoering te bevorderen. Daarnaast wil ik wijzen op meerdere digitale databanken met alle relevante en actuele wet- en regelgeving, inclusief jurisprudentie, die beschikbaar is op nationaal niveau3 4.
Wat gaat u doen met het signaal dat er te weinig tijd en ruimte is om genoeg persoonlijke aandacht te besteden aan de individuele bijstandsaanvrager waardoor maatwerk soms tekortschiet?
Met de recente wetswijzigingen uit Participatiewet in balans komt er meer ruimte voor maatwerk door gemeenten. Ook is het streven om de uitvoering eenvoudiger te maken. Een deel van de maatregelen is geïmplementeerd per januari 2026, de overige maatregelen volgen vanaf januari 2027. Het resultaat van die wetswijzigingen, maar ook van eerdergenoemde handreikingen wordt dus nog zichtbaar. De gemeenten hebben immers tijd nodig om de veranderingen door te voeren. De eerste signalen zullen bij de invoeringstoets in 2028 actief worden opgehaald. In de tussentijd sta ik open voor signalen vanuit de uitvoering en de doelgroep.
Komt u met een kabinetsreactie op het rapport «(On)benutte ruimte in de bijstand» van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin u aangeeft welke stappen u zet op basis van het rapport?
Het kabinet heeft op het rapport gereageerd in de verzamelbrief Participatiewet van 3 juli 20265, waarmee het rapport aan de Kamer is aangeboden. In de beantwoording van de vragen 2 tot en met 7 is al genoemd welke activiteiten momenteel lopen en hoe de uitvoering ondersteund wordt. Een verdere kabinetsreactie is niet voorzien.
Overdracht school in Altforst |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het besluit om basisschool De Tweestroom in Altforst te sluiten wordt één jaar geschorst» en de aanvulling op het arrest door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Kent u een precedent waarin de rechter op zo korte termijn voor aanvang van het schooljaar het voortbestaan van een school heeft afgedwongen? Bent u bereid om in deze uitzonderlijke situatie actief inhoudelijke ondersteuning te geven aan de school ten einde recht te doen aan het arrest van het gerechtshof in het belang van goed onderwijs?
Bij mij is één ander recent voorbeeld bekend van een civielrechtelijke uitspraak naar aanleiding van een vrijwillige opheffing van een school waarin de rechter een besluit heeft geschorst. De schorsing was bedoeld om een uitspraak van de Landelijke Commissie voor Geschillen Wet medezeggenschap op scholen (WMS) af te kunnen wachten.2 In die zaak heeft de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS geoordeeld dat het schoolbestuur het besluit mocht nemen om de school in kwestie te sluiten.3
Het komt daarnaast vaker voor dat een schoolbestuur pas kort van tevoren zeker weet dat een school niet datzelfde jaar nog zal worden gesloten, bijvoorbeeld wanneer een instandhoudingsverzoek wordt ingewilligd. Ook komt het voor dat schoolbesturen uit eigen beweging een voorgenomen besluit tot sluiting weer intrekken. Het is in zo’n geval aan het schoolbestuur om het belang van goed onderwijs te (blijven) waarborgen.
Op 10 augustus heb ik een brief ontvangen van de advocaat van de medezeggenschapsraad van De Tweestroom en een ouder van een leerling van De Tweestroom. Naar aanleiding daarvan hebben een van de regio-adviseurs en de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur en is een gesprek gevoerd. Hieruit zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. De regio-adviseur en de inspectie zullen de situatie in de gaten blijven houden en hierover, indien nodig, in gesprek gaan met het schoolbestuur.
Welke les trekt u uit het feit dat het gerechtshof bij de schorsing van het besluit tot sluiting van de laatste basisschool in het dorpje Altforst zwaar gewicht heeft toegekend aan de zorgplicht van het bevoegd gezag jegens de ouders en hoge prioriteit heeft gegeven aan de belangen van kinderen?
Bij wet geldt dat schoolbesturen een zorgplicht hebben richting leerlingen en hun ouders of verzorgers. Ik trek hier de les uit dat de wettelijke zorgplicht zijn doel dient als middel om besluiten van schoolbesturen te laten toetsen en daarmee de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen. In geval van een schoolsluiting, betekent dat bijvoorbeeld dat leerlingen hun onderwijs zonder onderbreking moeten kunnen voortzetten en dat de overgang naar een nieuwe school dus goed wordt begeleid.
Deze civielrechtelijke zaak laat concreet zien dat de rechter bij sluitingsbesluiten streng aan deze zorgplicht toetst. Blijft een schoolbestuur daarin in gebreke, dan heeft dat reële gevolgen voor wat het wel en niet kan doen. Mocht het bestuur – wat het in principe vrij staat – opnieuw een sluitingsbesluit willen nemen, dan is het cruciaal dat het aantoont wél aan de zorgplicht te hebben voldaan, zodat de belangen van leerlingen en ouders of verzorgers zijn geborgd. Dit kan achteraf door de rechter worden getoetst.4 Dit laat zien dat het stelsel, waarin bewust een wettelijke zorgplicht is opgenomen dat door de rechter kan worden getoetst, werkt.
Schept de norm van Artikel 3 van het Kinderrechtenverdrag ook een zekere verantwoordelijkheid voor u om waar mogelijk ondersteuning te leveren aan de gemeenschap van ouders rond de school in Altforst, ten einde een goede uitvoering van het arrest in het belang van ouders en kinderen te bevorderen? Welke rol kan de onderwijsinspectie spelen om te waarborgen dat het bevoegd gezag tijdig maatregelen treft voor de goede voortgang van het onderwijs in het komende schooljaar?
Uit artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind volgt, zoals het hof aangeeft, dat de belangen van een kind een hoge prioriteit hebben bij het nemen van maatregelen waar kinderen bij zijn betrokken. De zorgplicht die onder meer voortvloeit uit de Wet op het primair onderwijs is een voorbeeld van de nationale uitwerking van de bepalingen uit het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het hof heeft in deze casus de belangen afgewogen en geoordeeld dat de belangen van de kinderen die nu en in de nabije toekomst worden geraakt zwaarder wegen dan de belangen van het schoolbestuur om de school per 1 augustus 2026 te sluiten.5
De inspectie heeft in april 2026 een bestuursbezoek uitgevoerd bij het schoolbestuur en daarbij onder andere aandacht besteed aan de bestuurlijke kwaliteitszorg. Uit het rapport (dat te raadplegen is op de website van de inspectie) blijkt dat de inspectie geen reden ziet om over te gaan tot nader onderzoek.
Naar aanleiding van de onder antwoord 2 genoemde brief van de advocaat heeft de inspectie contact opgenomen met het schoolbestuur. Op basis van de door de inspectie verzamelde informatie concludeert zij dat alle inspanningen van het schoolbestuur er, in lijn met de rechterlijke uitspraken, op gericht zijn om vanaf de eerste schooldag van schooljaar 2026–2027 onderwijs te verzorgen aan De Tweestroom. De inspectie ziet geen aanleiding voor aanvullend onderzoek en/of verscherpt toezicht. Wel neemt de inspectie deze informatie mee in het reguliere toezicht op de school en het schoolbestuur.
Zoals eerder in de beantwoording aangegeven, houden de regio-adviseur en de inspectie de situatie in de gaten en gaan zij hierover, indien nodig, in gesprek met het schoolbestuur. Zo wordt waar nodig ondersteuning geboden aan het schoolbestuur, zodat de goede voortgang van het onderwijs niet onder druk komt te staan. Het is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om de goede voortgang van het onderwijs te waarborgen en daarvoor tijdig maatregelen te treffen. Mocht blijken dat de goede voortgang van het onderwijs alsnog onder druk komt te staan, dan is het aan de inspectie om via de gebruikelijke route hier toezicht op te houden.
Wat vindt u ervan dat het door het handelen van het bevoegd gezag van de school zo lang heeft geduurd voordat recht werd gedaan aan de wens van de lokale gemeenschap en vrijwel alle ouders van de school? Vindt u ook dat de belangen van de lokale gemeenschap en de schoolgemeenschap in het vervolg zwaar moeten wegen nu het voortbestaan van de school door het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ten minste gedurende het aankomende schooljaar is verzekerd? Bent u ook van mening dat het belang van de kinderen bij goed onderwijs het meest gediend is met een bevoegd gezag dat voluit wil gaan voor de kwaliteit van het onderwijs op deze kleine school? Onderkent u dat het huidige bevoegd gezag daarvoor geen geschikte partij meer lijkt nu het enerzijds duidelijk heeft laten merken kleine scholen onder of zelfs boven de vijftig leerlingen niet wenselijk te vinden en anderzijds tot op heden geen zichtbare, voortvarende actie onderneemt om uitvoering te geven aan het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden?2
Voor het sluiten van een school kan een schoolbestuur goede redenen hebben, zoals het niet meer kunnen waarborgen van goed onderwijs, financiële problemen of personeelstekorten. Of die keuze wordt gemaakt is gelet op de vrijheid van stichting in eerste instantie aan het schoolbestuur. Zoals in de beantwoording van vraag 3 is te lezen, staat het besturen vrij om besluiten te nemen. Ze moeten begrijpelijkerwijs dan wel aan alle wettelijke voorwaarden, waaronder de zorgplicht, voldoen.
Zoals in de beantwoording van de vragen 2 en 4 is te lezen zijn geen signalen naar voren gekomen die erop wijzen dat de goede voortgang van het onderwijs onder druk zou staan. Ik vind het mede om die reden niet gepast om te oordelen over het handelen en de positie van het schoolbestuur. Het besluit van het schoolbestuur is door de rechter getoetst, waarbij is geoordeeld dat niet voldoende aan de zorgplicht is voldaan. In deze civielrechtelijke procedure is het uiteindelijk aan de rechter om, via de invulling van de wettelijke zorgplicht, te oordelen of het schoolbestuur juist heeft gehandeld en of daarbij de belangen van de leerlingen en hun ouders of verzorgers voldoende zijn meegewogen.
Bent u bereid om, gezien de korte termijn tot de start van het nieuwe schooljaar en het belang van goed onderwijs, te bemiddelen tussen het huidige bevoegd gezag en een nieuwe rechtspersoon om een goede en snelle overdracht van de school te bevorderen? Bent u bovendien bereid over deze situatie contact te zoeken met de gemeente West Maas en Waal?
De keuze om een school wel of niet over te dragen is uiteindelijk aan het schoolbestuur. Zoals gemeld in antwoord 2, kan het schoolbestuur zich laten adviseren door een van de regio-adviseurs. Mocht daarbij blijken dat contact met de gemeente West Maas en Waal wenselijk is, dan zal dat contact uiteraard tot stand gebracht worden.
Om een beeld te krijgen waar ouders in de praktijk tegenaan kunnen lopen wanneer zij een school willen overnemen, hebben ambtenaren van het ministerie in april van dit jaar een algemeen gesprek gehad met bestuursleden en adviseurs van Stichting PO De Sprong. Het gesprek neem ik mee in de ontwikkeling van een handreiking om lokale initiatieven die een school willen oprichten of behouden te ondersteunen.
Ongeregeldheden in Den Haag na de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Marokko op 30 juni 2026 |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de ongeregeldheden in Den Haag na de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Marokko op 30 juni 2026, waarbij de Mobiele Eenheid (ME), een waterkanon en wapenstokken zijn ingezet en dertien personen zijn aangehouden?1
Ja.
Klopt het dat de sfeer na afloop van de wedstrijd aanvankelijk feestelijk was, met toeterende auto’s, vlaggen, dansende supporters en vuurwerk en dat de politie reeds vooraf zichtbaar en grootschalig aanwezig was in de Haagse Schilderswijk?
Het behoort tot de reguliere taken van de driehoek (burgemeester, officier van justitie en de eenheidschef van de politie) om rondom toekomstige situaties een risico inschatting te maken en zo nodig daarop voor te bereiden.
De politie heeft mij laten weten dat het klopt dat de politie nadrukkelijk zichtbaar aanwezig was in het straatbeeld.
De burgemeester van Den Haag heeft de gemeenteraad geïnformeerd dat het WK zorgvuldig is voorbereid waarbij ervaringen uit eerdere toernooien werden meegenomen. Daarbij is er ruimte voor spontane feestelijke vieringen op straat. Dat is ook geconstateerd bij de wedstrijd Marokko-Nederland op 30 juni 2026.
Kunt u een feitelijke reconstructie geven van de gebeurtenissen in de Haagse Schilderswijk na afloop van deze wedstrijd, uitgesplitst naar tijdstip, locatie, aard van de incidenten, gegeven bevelen, ingezette politie-eenheden, gebruikte geweldsmiddelen en verrichte aanhoudingen?
Kunt u daarbij specifiek reconstrueren op welk moment de sfeer volgens politie en driehoek omsloeg, welke concrete feiten of incidenten daaraan ten grondslag lagen en welke rol meldingen over vuurwerk, stenen, flessen, opstoppingen, openbare-ordeverstoringen en het vermeende vuurwapenincident daarbij hebben gespeeld?
Op welk moment en door wie is besloten om op te schalen naar inzet van de ME, het waterkanon en de wapenstok en welke concrete dreiging voor personen, goederen of de openbare orde maakte deze opschaling volgens u noodzakelijk?
Welke minder ingrijpende middelen zijn voorafgaand aan deze opschaling overwogen of ingezet en waarom zijn deze volgens politie en driehoek onvoldoende geacht?
Is voorafgaand aan de inzet van het waterkanon en het gebruik van wapenstokken duidelijk gewaarschuwd dat deze middelen zouden worden ingezet? Zo ja, hoe vaak, op welke wijze, op welke locaties en in welke talen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke wettelijke bevoegdheden en geweldsinstructies zijn het waterkanon en de wapenstok ingezet en hoe is daarbij voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van de wapenstok is op grond van artikel 12e van de Ambtsinstructie onder andere geoorloofd om een persoon op afstand te houden die een ambtenaar in diens taakuitoefening belemmert of die geen gehoor geeft aan een bevoegd gegeven bevel of verordening, en/of ter verspreiding van samenscholing of volksmenigten die een onmiddellijke bedreiging vormen voor de openbare orde.
Het gebruik van de waterwerper is op grond van artikel 14 van de Ambtsinstructie geoorloofd bij het optreden van een mobiele eenheid in opdracht van de meerdere en na verkregen toestemming van het bevoegd gezag.
De politie heeft op 30 juni in Den Haag geweld toegepast ter handhaving van de openbare orde onder het bevoegd gezag van de burgemeester. De wijze waarop dit geweld is toegepast, en welke geweldsmiddelen hierbij zijn ingezet zijn operationele afwegingen die worden gemaakt in de lokale driehoek. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. In zijn commissiebrief gaat de burgemeester van Den Haag hier op in.
Op grond van Artikel 12e van de Ambtsinstructie mag de wapenstok slechts worden gebruikt in strikt omschreven situaties. Kunt u per bekende inzet van de wapenstok concreet aangeven welke wettelijke grond aanwezig was, welk doel met het geweld werd beoogd en waarom dit geweldsmiddel op dat moment noodzakelijk en proportioneel was?
Zie antwoord vraag 8.
Op sociale media circuleren tevens beelden waarop is te zien dat jongeren in Den Haag gehoor geven aan de politie om door te lopen, maar desondanks herhaaldelijk met wapenstokken worden geslagen. De beelden wekken de indruk dat juist het voortdurende slaan en zwaaien met wapenstokken paniek veroorzaakt onder jongeren die dus in beginsel meewerken. Kunt u deze beelden bevestigen?2
Zie het antwoord op vraag 3 tot en met 7.
De beelden wekken de indruk dat het voortdurende slaan en zwaaien met wapenstokken juist paniek veroorzaakt onder jongeren die in beginsel lijken mee te werken. Bent u bereid deze beelden te laten beoordelen door een onafhankelijke instantie om vast te stellen of het politieoptreden noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en de-escalerend was? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat feestvierende jongeren of omstanders die zelf geen geweld gebruikten en gehoor gaven aan politiebevelen, toch zijn geraakt door politiegeweld of hardhandig zijn aangehouden? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke vervolgstappen worden gezet?
Deelt u de mening dat geweld tegen politieagenten onacceptabel is, maar dat dit nooit mag betekenen dat feestvierende jongeren collectief of disproportioneel hard worden aangepakt?
Hoe voorkomt de politie dat het gedrag van enkele ordeverstoorders leidt tot een collectieve aanpak van een grotere groep Marokkaanse feestvierders, waaronder jongeren die geen strafbare feiten plegen en juist gehoor geven aan politiebevelen?
In zijn algemeenheid geldt dat wanneer de burgemeester de politie de opdracht geeft om ter handhaving van de openbare orde personen te bevelen zich uit een aangewezen gebied te verwijderen, dit wordt dit gecommuniceerd met de personen die zich in dat gebied bevinden. De politie geeft de instructie om een gebied te verlaten en kondigt aan dat personen die hieraan geen gehoor geven het risico lopen dat er geweld tegen hen gebruikt zal worden.
Wordt het politieoptreden in Den Haag onafhankelijk geëvalueerd, inclusief de voorbereiding, de zichtbare aanwezigheid van de politie, het moment van opschaling, het gebruik van geweldsmiddelen, de aanhoudingen en de vraag of de inzet de-escalerend of juist escalerend heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Den Haag heeft in zijn brief aan de gemeenteraad onder andere gecommuniceerd dat eerdere ervaringen worden meegenomen in de voorbereiding op momenten waarbij de mogelijkheid bestaat op openbare orde verstoringen.
Ook heeft hij in zijn brief aan de gemeenteraad gecommuniceerd dat politiegeweld in Nederland aan strikte regels gebonden is en altijd achteraf wordt getoetst en waar nodig onderzocht. Als er klachten over het politieoptreden worden ingediend, worden die zorgvuldig beoordeeld, tot indien nodig, aan de onafhankelijke Nationale ombudsman. Er kan ook aangifte worden gedaan als iemand van mening is dat de politie een strafbaar feit heeft begaan.
Uit berichtgeving blijkt dat Amsterdam koos voor een de-escalerende aanpak waarbij fans ruimte kregen om feest te vieren en geen aanhoudingen zijn verricht, terwijl in Den Haag en Utrecht zwaarder is opgeschaald met ME, waterkanonnen en wapenstokken. Hoe verklaart u dit verschil in politieaanpak en in hoeverre is vooraf meegewogen dat grootschalige en zichtbare politie-inzet juist escalerend kon werken, met name in een dichtbevolkte wijk waar veel jongeren en omstanders aanwezig waren, temeer nu beelden de indruk wekken dat tegen aanwezige jongeren buitensporig en disproportioneel geweld is gebruikt door herhaaldelijk met de wapenstok te slaan?3 45
De handhaving van de openbare orde en de inzet van de politie met dit doeleinde wordt uitgevoerd onder het gezag van de burgemeester. De burgemeester legt hier verantwoording over af in de gemeenteraad. Op lokaal niveau worden afwegingen gemaakt hoe er wordt omgegaan met lokale openbare orde verstoringen onder andere omdat lokaal de kennis aanwezig is over de lokale context, risicolocaties, betrokken gemeenschappen en de beschikbare capaciteit van de politie en hulpdiensten. Daardoor kunnen getroffen maatregelen verschillen per gemeente.
Gelet op het voorgaande, kunt u precies reconstrueren waardoor, hoe en op welk moment de sfeer omsloeg, wanneer is besloten op te schalen naar inzet van de ME, waterkanonnen en wapenstokken, welke concrete feiten of incidenten daaraan ten grondslag lagen en in hoeverre en hoe daarbij de afweging is gemaakt dat voornoemde zware politie-inzet noodzakelijk, proportioneel en de-escalerend was?
Zie het antwoord op vraag 3 tot en met 10.
Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de uitkomsten van de evaluatie van het politieoptreden in Den Haag en daarbij expliciet in te gaan op de vraag of de inzet van ME, waterkanon en wapenstokken noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en de-escalerend was?
Het is niet aan de Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele casuïstiek. De handhaving van de openbare orde en de inzet van de politie met dit doel wordt uitgevoerd onder het gezag van de burgemeester. De burgemeester legt hier verantwoording over af in de gemeenteraad.
Het interview van Ilja Leonard Pfeijffer met Frans Timmermans |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht/artikel?1
Ja.
Kunt u uitleggen waarom u het in uw hoofd heeft gehaald om zo'n controversiële antisemiet te benoemen tot Minister van staat? Bent u, indien u niet bereid bent deze benoeming terug te draaien, bereid de heer Timmermans in plaats daarvan een andere, bij zijn optreden passende eretitel te verlenen – bijvoorbeeld «ereminister van de antisemieten en controverses» – zodat voor het publiek duidelijk is waar het kabinet werkelijk voor kiest? Zo nee, waarom niet?
De hoedanigheid van «Minister van staat» wordt bij hoge uitzondering verleend en slechts aan iemand die zich op hoog niveau jegens de Staat gedurende langere periode verdienstelijk heeft gemaakt. Het lijdt geen twijfel dat de heer Timmermans hieraan voldoet.
Klopt het dat de heer Timmermans in dit interview letterlijk stelt: «In het Midden-Oosten wordt momenteel een heel volk uitgeroeid. We kijken ernaar en we zwijgen, terwijl de Palestijnen letterlijk in zee worden gedreven – en erger»? Kunt u bevestigen dat hij in hetzelfde interview stelt dat de regeringspartijen in Israël van mening zijn dat Israël «alleen maar kan overleven als de Palestijnen weg zijn», en dat hij deze redenering vergelijkt met de redenering van de nazi's ten aanzien van het «Arische ras»?2
De tekst van het interview is voor een ieder te lezen.
Deelt u de opvatting dat het gelijkstellen van het beleid van de democratisch gekozen regering van de enige Joodse staat ter wereld aan de nazi-ideologie van de Endlösung een klassieke vorm van antisemitisme is, zoals ook wordt omschreven in de werkdefinitie van antisemitisme van de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA), die vergelijkingen tussen hedendaags Israëlisch beleid en het nationaalsocialisme expliciet als voorbeeld van antisemitisme aanmerkt? Zo nee, waarom niet?
Er geldt geen ministeriële verantwoordelijkheid voor uitspraken die Ministers van staat doen en waarover zij zichzelf kunnen verantwoorden.
Deelt u de opvatting dat er, anders dan de heer Timmermans stelt, in het geheel geen sprake is van genocide of uitroeiing van het Palestijnse volk, en dat het gebruik van deze term dan ook feitelijk onjuist is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het woord «uitgeroeid» in combinatie met een expliciete verwijzing naar de Holocaust en het «Arische ras» niet zomaar kritiek op Israëlisch beleid is, maar een vergaande relativering van de Holocaust en een vorm van Israël-demonisering, beide kernelementen van antisemitisme volgens de IHRA-definitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat uitspraken van een Minister van staat een groter gezag en een grotere maatschappelijke uitstraling hebben dan die van een gewone burger of oud-politicus, juist omdat aan deze eretitel de aanspreekvorm «excellentie» is verbonden en de titel wordt toegekend wegens bijzondere verdiensten voor het openbaar bestuur? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.
Is het kabinet, gelet op die bijzondere positie, bereid om formeel te (laten) beoordelen of de in vraag 3 t/m 6 genoemde uitspraken van de heer Timmermans zich verdragen met het aanzien van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet en op basis van welke afweging niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Heeft u, of een van uw ambtsvoorgangers dan wel bewindspersonen, sinds het interview contact gehad met de heer Timmermans over deze uitspraken? Zo ja, wat was de uitkomst van dat contact? Zo nee, bent u daartoe alsnog bereid?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de constatering dat andere levende Ministers van staat in hun publieke optredens doorgaans een terughoudende, beschouwende en niet-partijpolitieke toon aanhouden, gericht op staatsrechtelijke reflectie of bestuurlijke ervaring, en zich doorgaans onthouden van uitgesproken, ideologisch gekleurde stellingnames over actuele, verdelende politieke twistpunten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Kunt u aangeven of er in de afgelopen tien jaar precedenten zijn van een zittende Minister van staat die een vergelijkbaar breed uitgesponnen, sterk gekleurd en op de actualiteit toegespitst interview heeft gegeven, met expliciete politieke stellingnames over onder meer het Midden-Oosten-conflict, Europese verkiezingen, individuele politici en partijen?
Zie het antwoord op vraag 4.
Deelt u de opvatting dat het geven van een dergelijk interview, waarin de heer Timmermans zich niet beperkt tot reflectie of advies maar actief en scherp politiek stelling neemt – onder meer door zijn eigen opvolgers en politieke tegenstanders te typeren en partijpolitieke aanbevelingen te doen – zich moeizaam verhoudt tot de aard van de eretitel Minister van staat, die immers wordt geacht boven de dagelijkse partijpolitieke strijd te staan? Zo nee, waarom niet, en kunt u dit onderbouwen met voorbeelden van vergelijkbaar optreden van andere Ministers van staat?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bekend met de uitspraak die de heer Timmermans in 2014 als Minister van Buitenlandse Zaken deed in het televisieprogramma Pauw, dat er bij een slachtoffer van vlucht MH17 een zuurstofmasker over de mond was aangetroffen, met de toevoeging «die heeft dus de tijd gehad om dat te doen»?3
De aangehaalde mediaberichtgeving is openbaar. Het is verder niet aan mij om deze berichtgeving uit het verleden te recenseren.
Kunt u bevestigen dat het Openbaar Ministerie destijds heeft moeten vaststellen dat deze uitspraak feitelijk onjuist was, omdat het masker bij het slachtoffer om de nek zat en niet over de mond, en dat de heer Timmermans naar aanleiding hiervan publiekelijk excuses heeft moeten aanbieden aan de nabestaanden?4
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het doen van feitelijk onjuiste, emotioneel zeer beladen uitspraken over de laatste momenten van slachtoffers van een vliegramp, richting hun nabestaanden, een ernstige zaak is die zwaar dient mee te wegen bij de beoordeling van iemands geschiktheid voor een eretitel?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de verklaring van oud-minister Ronald Plasterk (PvdA), die in de Volkskrant van 27 december 2016 en nadien herhaaldelijk heeft gesteld dat de heer Timmermans na zijn terugkeer in de Tweede Kamer in 2010 gedurende ongeveer een half jaar feitelijk geen fractiewerk heeft verricht, omdat hem niet meteen de portefeuille Buitenlandse Zaken werd toegekend?5
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat Plasterk hierover het volledige verhaal als volgt heeft weergegeven: «Hij speelde het snoeihard. Timmermans zei eenmaal terug in de Kamer: «Ik wil de buitenlandportefeuille.»» Toen de partijleiding dat weigerde, zei Timmermans: «Nou, dan doe ik gewoon niks», waarna Plasterk concludeert: «Echt, die heeft een half jaar niks gedaan. Ik vond het een rare vertoning»?6
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat een volksvertegenwoordiger die willens en wetens weigert zijn werk te doen omdat hij een bepaalde portefeuille niet krijgt, terwijl hij gewoon zijn volledige Kamervergoeding bleef ontvangen, zich niet gedraagt zoals van een dienaar van het algemeen belang mag worden verwacht?
Het is niet aan mij om het doen en laten van een (voormalig) volksvertegenwoordiger te kwalificeren. Zie voorts het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de bredere kwalificatie die Ronald Plasterk in november 2024 publiekelijk aan de heer Timmermans heeft gegeven, onder verwijzing naar in elk geval de volgende voorbeelden:
Ja.
Bent u voorts bekend met:
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit patroon van feitelijk onjuiste en tegenstrijdige beweringen, herkend en benoemd door zowel partijgenoten als buitenstaanders, een probleem van geloofwaardigheid en betrouwbaarheid raakt dat zwaarder weegt dan een incidentele misstap?
Zie het antwoord op vraag 13.
Bent u bekend met de berichtgeving, onder meer van de Duitse krant Die Welt en het Nederlandse Wynia's Week, dat de Europese Commissie onder verantwoordelijkheid van de heer Timmermans als uitvoerend vicevoorzitter voor de Green Deal, contracten is aangegaan met klimaat-ngo's waarbij financiering afhankelijk werd gesteld van lobbyactiviteiten van die ngo's bij het Europees Parlement en tegen bijvoorbeeld kolencentrales, ten gunste van zijn eigen Green Deal-beleid?9
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat het zou gaan om een bedrag van ten minste 750 miljoen euro tot mogelijk 7 miljard euro, afhankelijk van de bron en de onderzochte periode?
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat de Europese Rekenkamer in 2025 scherpe kritiek heeft geuit op het gebrek aan transparantie en toezicht bij de financiering van deze ngo's, en dat de Taxpayers Association of Europe naar aanleiding hiervan een strafklacht heeft ingediend?
Zie het antwoord op vraag 13.
Klopt het dat een meerderheid in het Europees Parlement (D66, CDA, VVD) een voorstel voor een onafhankelijke audit naar deze kwestie heeft weggestemd?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat, ongeacht de uiteindelijke juridische uitkomst, het gebrek aan transparantie rond miljarden aan publiek geld tijdens het bewind van Timmermans op zijn minst een ernstige smet werpt op zijn bestuurlijke nalatenschap?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de constatering dat de Green Deal, waarvoor de heer Timmermans als «vader» en architect wordt gezien, mede aan de basis heeft gelegen van een verslechterde Europese concurrentiepositie, zoals beschreven in het rapport «The future of European competitiveness» van Mario Draghi (september 2024), waarin wordt gewezen op regeldruk en hoge energiekosten als knelpunten voor de Europese industrie?10
Zie het antwoord op vraag 13.
Kunt u bevestigen dat Europese energieprijzen structureel circa drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten, dat de Nederlandse boerensector langdurig heeft geprotesteerd tegen de Europese stikstof- en natuurdoelen die uit dit beleid voortvloeiden, en dat ook de heer Timmermans zelf in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen erkent dat «energieprijzen bij ons tot drie keer hoger liggen dan in de Verenigde Staten»?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de opvatting dat het feit dat de architect van dit beleid zelf, jaren later, in het openbaar erkent dat de kosten voor de Europese industrie en voor gewone huishoudens torenhoog zijn opgelopen, een relevant gegeven is bij het beoordelen of hij zich «bijzonder verdienstelijk» heeft gemaakt voor het openbaar bestuur?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de optelsom van de in vraag 3 t/m 29 genoemde kwesties – een vergelijking van Israëlisch beleid met het nazisme, herhaaldelijk gesignaleerde onwaarheden (ook door partijgenoten), een lobbyschandaal met miljarden aan publiek geld, en een beleidsnalatenschap die de Europese economie fors heeft geschaad – bij elkaar genomen zwaarder wegen dan wanneer het om een enkel incident zou gaan, en dat dit relevant is voor de beoordeling of iemand nog wordt geacht zich «buitengewoon verdienstelijk» te hebben gemaakt voor het openbaar bestuur, de maatstaf die het kabinet zelf hanteert bij de toekenning van de titel Minister van staat? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2.
Kunt u toelichten hoe de benoeming van de heer Timmermans tot Minister van staat tot stand is gekomen?
Een benoeming tot Minister van staat vindt plaats bij koninklijk besluit, op voorstel van de Minister-President, die het besluit medeondertekent, en na melding hiervan in de ministerraad.
Klopt het dat deze benoeming, samen met die van de heren Remkes en De Graaf, op 10 juli 2026 plaatsvond bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad en op voorstel van u als Minister-President?
Zie het antwoord op vraag 31.
Kunt u bevestigen dat de heer Timmermans op 29 oktober 2025 is teruggetreden als partijleider en Kamerlid, en dat hij dus nog geen negen maanden uit de actieve, dagelijkse partijpolitiek was op het moment van zijn benoeming tot Minister van staat?
Nee. Het terugtreden van de heer Timmermans als partijleider en Kamerlid heeft op verschillende dagen plaatsgevonden.
Kunt u dit afzetten tegen andere recente benoemingen tot Minister van staat, waaronder:
Zie het antwoord op vraag 2. De duur van de periode tussen de laatste hoofdfunctie en de benoeming tot Minister van staat is niet van doorslaggevende betekenis voor de benoeming.
Deelt u de opvatting dat de heer Timmermans, in vergelijking met al deze precedenten, de enige is die vanuit een actief, uitgesproken en verdelend partijleiderschap – en niet vanuit een onafhankelijke, boven de partijen staande functie zoals de Raad van State of het Kamervoorzitterschap – in een ongekend kort tijdsbestek tot Minister van staat is benoemd, en dat dit haaks staat op de gebruikelijke praktijk waarbij deze eretitel wordt toegekend aan personen die al geruime tijd uit de actieve, dagpolitieke arena zijn getreden?
Zie het antwoord op vraag 34.
Welke overweging heeft het kabinet gemaakt om van deze gebruikelijke praktijk af te wijken, en is daarbij meegewogen dat de heer Timmermans, ook ná zijn aftreden als Kamerlid, actief politiek en maatschappelijk commentaar is blijven leveren, onder meer in het interview waarnaar in vraag 1 wordt verwezen?
Zie het antwoord op vraag 34.
Is het juist dat de titel Minister van staat geen wettelijke basis kent, geen vastomlijnde toekenningscriteria heeft, en volledig ter discretie van de ministerraad wordt toegekend?12
Zie het antwoord op vraag 31 en 34.
Deelt u, indien vraag 37 bevestigend wordt beantwoord, de opvatting dat dit tevens betekent dat het kabinet een bijzondere verantwoordelijkheid heeft om alleen personen voor te dragen wier optreden onomstreden verenigbaar is met de waardigheid van deze eretitel, en dat deze verantwoordelijkheid extra zwaar weegt wanneer, zoals hier, wordt afgeweken van de gebruikelijke termijn tussen aftreden en benoeming?
Zie het antwoord op vraag 34.
Is het kabinet bekend met het feit dat de titel Minister van staat in de Nederlandse geschiedenis tweemaal is ingetrokken: in 1819 bij Gijsbert Karel van Hogendorp, wegens zijn kritiek op het financiële beleid van Koning Willem I, en in 1947 bij Dirk Jan de Geer, wegens diens houding tijdens de Duitse bezetting?13
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze precedenten aantonen dat het intrekken van de titel een bestaand en niet louter theoretisch instrument is, dat het kabinet ter beschikking staat wanneer het optreden van een Minister van staat niet langer verenigbaar wordt geacht met de eretitel?
Ja.
Kunt u bevestigen dat het intrekken van de titel Minister van staat, net als de toekenning ervan, zou plaatsvinden bij koninklijk besluit, op voordracht van de ministerraad?
Voor de intrekking geldt dezelfde procedure als voor de verlening. Zie hiervoor het antwoord op vraag 31.
Is het kabinet bereid een dergelijk besluit voor te bereiden ten aanzien van de heer Timmermans, gelet op de in deze vragen genoemde uitspraken en kwesties? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik zie hier geen aanleiding toe. Zie de hiervoor gegeven antwoorden.
Bent u bereid deze vragen op de meest spoedige termijn en één voor één te beantwoorden?
Ja.
Het Instituut Mijnbouwschade Groningen |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Enneüs Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in Dagblad van het Noorden van 25 juli 2026 over de interne kritiek op het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de ervaringen van gedupeerden met vastgelopen dossiers? Deelt u de conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet staat met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties in het Dagblad van het Noorden. Daarin spreekt onder meer een aantal (voormalig) medewerkers haar zorgen uit over de schadeafhandeling door het IMG. Sommige zorgen herken ik, bijvoorbeeld over het langzaam op gang komen van de nieuwe herstelregelingen. Hiervoor zijn ook de benodigde acties ondernomen. Inmiddels zien we dat de uitvoering steeds meer op gang komt.
In het artikel wordt tevens opgemerkt dat de veelheid aan wijzigingen en nieuwe regelingen van de afgelopen jaren op zichzelf al tot vertraging en onduidelijkheid hebben geleid, zowel bij bewoners als bij medewerkers in de uitvoering. Dat is ook één van de redenen dat ik heb aangegeven nu bewust te kiezen voor stabiliteit in de uitvoering, zodat het IMG zich kan concentreren op het zo goed mogelijk helpen van gedupeerden.
De conclusie dat de inrichting van het huidige stelsel inherent op gespannen voet zou staan met een mildere, menselijkere en makkelijkere schadeafhandeling deel ik niet, evenmin dat het IMG hier niet naar zou willen of kunnen handelen. Binnen de geldende kaders bestaat juist veel ruimte om schades ruimhartig af te handelen. Ik zie ook dat het IMG hier voortvarend invulling aan geeft. De organisatie heeft de afgelopen jaren ongeveer 700.000 schademeldingen afgehandeld en bijna 3,5 miljard euro uitgekeerd. Daarnaast zijn mede naar aanleiding van Nij Begun nieuwe regelingen ontwikkeld en geïmplementeerd, waarbij ook hard is gewerkt aan het verbeteren van de dienstverlening, met meer persoonlijk contact en een aanvragersgerichte aanpak. Rapporten, zoals de Staat van Groningen & Noord-Drenthe en de Bouwen aan Herstel-monitor, laten ook zien dat dit heeft geleid tot een toenemende tevredenheid over en vertrouwen in de schadeafhandeling.
Dit laat onverlet dat het duidelijk is dat de opgave in Groningen groot en complex is en daarin soms dingen niet goed gaan. Wanneer dat gebeurt, is het belangrijk om dat te erkennen en het in de toekomst beter te doen. Het IMG blijft hier alert op en verbeteringen doorvoeren waar nodig.
Hoe rijmt u de beschrijving van een eigen medewerker dat het IMG «in de kern een keiharde, juridische organisatie» is, en het gevoel van bewoners dat het loket «oogkleppen op heeft en alleen naar een toetsenbord kijkt», met de opdracht om de schadeafhandeling milder, menselijker en makkelijker te maken?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat een verhouding waarbij bijna de helft van het geld niet bij gedupeerden terechtkomt, symptomatisch is voor een fundamenteel verkeerd ingericht stelsel van schadeafhandeling? Welk percentage uitvoeringskosten acht u wel acceptabel voor een publieke schadeorganisatie?
Het klopt niet dat bijna de helft van de uitgaven in de schadeafhandeling opgaan aan uitvoeringskosten. In 2025 heeft het IMG ca. € 640 mln. aan schade-vergoedingen uitgekeerd en daarnaast ca. € 298 mln. aan uitvoeringskosten gemaakt.2 In totaal ging vorig jaar dus iets minder dan een derde van de totale uitgaven in de schadeafhandeling naar de uitvoering. Daarbij vind ik het belangrijk om te benadrukken dat uitvoeringskosten nooit ten koste gaan van de schadevergoeding die aan gedupeerden wordt uitgekeerd. Ook het beeld dat de uitvoeringskosten relatief hoog zouden zijn, verdient nuancering. Een externe evaluatie in 2022 concludeerde immers nog dat de uitvoeringskosten van het IMG niet bijzonder hoog zijn, gelet op de opgave die zij heeft te vervullen.3
Ik wil daarbij benadrukken dat het terugdringen van uitvoeringskosten niet ten koste mag gaan van bewoners. Ik vind het namelijk belangrijk dat bewoners een goed geïnformeerde keuze kunnen maken tussen de verschillende schaderegelingen. Dit vraagt een persoonlijke benadering en begeleiding van bewoners en dat vergt extra tijd en daarmee geld. Daarbij weten we ook dat de uitvoeringskosten sterk samenhangen met de keuzes van bewoners. De vaste vergoedingen kennen aanzienlijk lagere uitvoeringskosten dan maatwerk en daadwerkelijk herstel.
Dat hoge uitvoeringskosten zouden voortkomen uit een systeem dat gebaseerd is op wantrouwen herken ik dan ook niet. Dit laat onverlet dat het ministerie uiteraard doorlopend in gesprek is met het IMG om te kijken of en hoe uitvoeringskosten redelijkerwijs verder verlaagd kunnen worden, zonder in te leveren op kwaliteit en persoonlijk contact.
Erkent u dat de hoge uitvoeringskosten in belangrijke mate voortkomen uit een systeem dat is gebouwd op wantrouwen? Op welke wijze gaat u het stelsel zo herzien dat eenvoud en vertrouwen het uitgangspunt worden, waardoor de uitvoeringskosten structureel dalen?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat circa 40 procent van de ongeveer duizend medewerkers van het IMG extern wordt ingehuurd, tegen tarieven van 115 tot bijna 200 euro per uur? Hoeveel is er sinds de oprichting van het IMG in totaal uitgegeven aan externe inhuur?
Ja, dit percentage klopt. Dit betreft zowel uitzendkrachten als externe inhuur. Zowel deze ingehuurde als de ambtelijke medewerkers van het IMG worden via de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) bekostigd op basis van gestandaardiseerde uurtarieven. Voor 2026 loopt de bandbreedte in uurtarieven van € 86,– tot € 191. Behalve loonkosten zijn alle andere kosten, zoals huisvesting en overhead, hierin ook verdisconteerd. RVO betaalt aan ingehuurde externen en uitzendkrachten de werkelijke kosten op basis van facturen. Deze kunnen dus afwijken van de gestandaardiseerde uurtarieven. Het IMG geeft aan dat er sinds de oprichting van het IMG op 1 juli 2020, ongeveer € 340 mln. is besteed aan inhuur van uitzendkrachten en externen.
Hoe verhoudt dit inhuurpercentage zich tot de Roemer-norm van maximaal tien procent? Bent u bereid de Roemer-norm bij het IMG alsnog af te dwingen?
Het inhuurpercentage van IMG ligt boven de Roemernorm. Ik zal in mijn gesprekken met IMG de inzet van externe inhuur meenemen en in gezamenlijkheid bekijken of en waar eventueel vermindering mogelijk is. Tegelijkertijd merk ik op dat een aantal onderdelen van het IMG de afgelopen jaren al fors is verambtelijkt: het gehele managementteam en vrijwel alle medewerkers die in direct contact staan met schademelders zijn inmiddels in dienst. Waar dat qua marktaanbod (kwantitatief en kwalitatief) kan en waar niet expliciet sprake is van tijdelijkheid komen mensen in ambtelijke dienst.
Hoe beoordeelt u de beschrijving van medewerkers van een «draaicarrousel» van externen die elkaar binnenhalen, kort blijven, werk overdoen dat al eerder is geprobeerd en vertrekken zonder overdracht? Erkent u dat een dergelijk verdienmodel voor consultancybureaus haaks staat op het publieke belang van een snelle en zorgvuldige schadeafhandeling?
Het IMG geeft aan zich niet in het geschetste beeld in het artikel te herkennen en neemt expliciet afstand van de suggestie dat de organisatie er belang bij zou hebben om problemen traag op te lossen. Ik sluit me daar volledig bij aan; ik zie in mijn contacten dat de medewerkers in de uitvoering zeer betrokken zijn bij het oplossen van de problemen van inwoners in Groningen en Noord-Drenthe. In het antwoord op vragen 1 en 2 gaf ik al aan dat er de afgelopen jaren hard is gewerkt aan de afhandeling van schademeldingen, het ontwikkelen en implementeren van nieuwe regelingen, en het continu verbeteren van de dienstverlening. Dit heeft veel gevraagd van het IMG en haar medewerkers. Het in twijfel trekken van hun intenties doet geen recht aan deze betrokkenheid en inspanningen.
Wat vindt u van de constatering van een manager binnen het IMG dat de organisatie er belang bij lijkt te hebben zichzelf langer in leven te houden dan nodig? Deelt u de analyse dat een organisatie die voor een groot deel draait op commerciële inhuur een ingebouwde prikkel heeft om problemen niet definitief op te lossen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de situatie bij het IMG geen incident is, maar past in een breder patroon waarbij de rijksoverheid en uitvoeringsorganisaties structureel leunen op dure externe inhuur?
Het klopt dat de omgang met externe inhuur een rijksbreed vraagstuk is. Voor toelichting van de inzet van het kabinet hieromtrent verwijs ik kortheidshalve naar de brief die de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de zomer naar uw Kamer heeft gestuurd.4
Erkent u dat decennia van inhuur, uitbesteding en het «tijdelijk» organiseren van publieke taken ertoe hebben geleid dat de overheid haar eigen uitvoeringscapaciteit heeft uitgehold, waardoor kennis wegvloeit naar de markt en vervolgens tegen commerciële tarieven moet worden teruggekocht? Wat gaat u doen om deze vicieuze cirkel te doorbreken?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het argument dat het IMG een tijdelijke organisatie is en daarom extern inhuurt niet opgaat, aangezien de schadeafhandeling in Groningen al jaren duurt en nog jaren zal duren, en het Rijk permanent behoefte heeft aan uitvoeringskennis op het gebied van schadeafhandeling, herstel en compensatie (denk ook aan de toeslagenaffaire)?
Het klopt dat de opgave van het IMG voor de voorzienbare toekomst blijft voortbestaan. Toch is een groot deel van de werkzaamheden die de organisatie op dit moment verricht, zoals bijvoorbeeld de (door)ontwikkeling van regelingen en de benodigde structuren daarvoor, wel degelijk tijdelijk en komen deze op termijn te vervallen. Daarbij is het ook de verwachting dat de hoeveelheid schade-meldingen op termijn zal afnemen, gelet op het dalend seismisch risico.
Uw Kamer is eerder geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet inzet op het verbinden en bestendigen van de aanwezige kennis over en capaciteit in (het uitvoeren van) de verschillende hersteloperaties.5
Bent u bereid deze kennis structureel in publieke dienst op te bouwen in plaats van steeds opnieuw in te kopen?
Zie antwoord vraag 11.
Hoe beoordeelt u de signalen dat het IMG een toplaag kent van ketenmanagers, kwartiermakers, programmaleiders en domeinmanagers, terwijl de zaakbegeleiders die daadwerkelijk contact hebben met bewoners zich een «boksbal» voelen en niet worden gehoord? Herkent u dit als een breder probleem binnen de rijksoverheid zoals ook de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties eerder concludeerde?2
Het artikel baseert zich op een relatief kleine groep (voormalig) medewerkers. Ik wil er daarom voor waken om op basis hiervan algemene conclusies over het sentiment onder de medewerkers van het IMG te trekken, laat staan over de Rijksoverheid in het algemeen. Dat laat onverlet dat dergelijke signalen serieus (moeten) worden genomen. Ik begrijp van het IMG dat zij dat doet en daarom in gesprek gaat met haar medewerkers over de onderwerpen uit het artikel teneinde eventueel bij medewerkers levende zorgen goed te adresseren. Ik heb er vertrouwen in dat dit zorgvuldig gebeurt.
Op wat voor manier worden de conclusies en aanbevelingen van de Tijdelijke commissie Uitvoeringsorganisaties geïmplementeerd bij het IMG?
Het IMG werkt op verschillende manieren in lijn met de aanbevelingen van de Tijdelijke Commissie Uitvoeringsorganisaties (hierna: TCU). Enkele voorbeelden staan hieronder genoemd:
Deelt u de mening dat uitvoerende medewerkers structureel betrokken moeten worden bij het ontwerp van nieuwe regelingen?
Ja.
Hoe verklaart u dat het aantal woningen dat via Duurzaam Herstel geholpen zou worden, is bijgesteld van 5.000–15.000 naar 800–900? Wat gebeurt er met het niet-bestede deel van het budget van 1,35 miljard euro, en bent u bereid te garanderen dat dit geld voor de regio behouden blijft?
Het budget voor Duurzaam herstel is bij Nij Begun aangevuld tot € 1,4 miljard. De inschatting was destijds namelijk dat maximaal 14.000 woningen in aanmerking zouden kunnen komen, met verwachte gemiddelde kosten van € 100.000 per woning. Daarbij was bekend dat er nog grote onzekerheden bestonden over de daadwerkelijke aard en omvang van de opgave. Er is daarom bewust gekozen om met een pilot te starten, zodat gaandeweg geleerd en bijgestuurd kon worden.
Inmiddels weten we dat Duurzaam herstel minder vaak nodig is om mijnbouwschade te voorkomen dan vooraf werd verwacht, maar ook dat de kosten per adres regelmatig hoger zijn dan gedacht. Vorig jaar is daarom besloten om de maximumbedragen fors te verhogen en de regeling gericht in te zetten voor de gebieden die het zwaarst getroffen zijn door de gaswinning.9 Aan het eind van dit jaar evalueert het IMG deze nieuwe werkwijze. Ik heb het IMG daarbij ook gevraagd om een reële raming en planning van de uitvoeringsopgave in de komende jaren. Op basis daarvan zal meer duidelijk worden over hoe dit zich verhoudt tot het gereserveerde budget. Ik kan daar nu nog niet op vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat de wirwar aan regelingen ertoe leidt dat aan de randen van het gebied relatief eenvoudig forse bedragen te claimen zijn, terwijl bewoners in het kerngebied met de zwaarste schade vastlopen in complexe trajecten? Erkent u dat dit het gevolg is van beleid dat per regeling is dichtgetimmerd in plaats van vanuit één samenhangende, rechtvaardige aanpak?
Het beeld dat het aan de randen van het effectgebied eenvoudiger zou zijn om een schadevergoeding te ontvangen dan in het kerngebied klopt niet. Binnen het effectgebied kunnen aanvragers met fysieke schade kiezen tussen maatwerk (met onderzoek naar de schadeoorzaak), daadwerkelijk herstel, en een forfaitaire vergoeding (beiden zonder onderzoek naar de schadeoorzaak). Alle inwoners van het effectgebied met fysieke schades hebben dus dezelfde opties voor de afhandeling van hun schade. Bij maatwerk zien we dat juist in het gebied waar nog steeds bevingen plaatsvinden relatief meer schades worden toegekend dan aan de randen, dat is ook logisch. Bij daadwerkelijk herstel en de vaste vergoedingen is ervoor gekozen om niet te differentiëren in de grensbedragen. Het is een bewuste keuze geweest om nieuwe grenzen en verschillen binnen het effectgebied te voorkomen. Zo geldt er overal een grensbedrag van € 60.000 bij daadwerkelijk herstel. Uit de praktijk weten we dat het zeer beperkt voorkomt dat schades als gevolg van de gaswinning dit grensbedrag overschrijden, ook in de kern van het bevingsgebied.
Wel is het zo dat er in de gebieden met de meeste bevingen vaker sprake is van samenloop van schade met andere opgaves, zoals de versterking. Die samenloop vergroot de complexiteit en maakt dat hier aanvullende aandacht en inzet nodig is. Dit gebeurt ook op verschillende manieren, bijvoorbeeld door de inzet van gezamenlijke steunpunten door IMG en NCG, de initiatieven onder Agenda voor Herstel en via aanvullende regelingen als Duurzaam herstel en de vaste herhaalvergoeding. Ook de regeringscommissaris Hersteloperatie Groningen en Noord-Drenthe heeft het verbeteren van de situatie van de inwoners in het kerngebied als één van zijn speerpunten benoemd in zijn opdrachtformulering.10
Wat is uw reactie op de situatie van Willeke Lode uit Midwolde die al 4,5 jaar wacht op duidelijkheid over 97 scheuren in haar woonboerderij maar uit beeld raakte?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties.
Wat is uw reactie op de 329 vergelijkbare dossiers waarover de Nationale ombudsman aan de bel trok? Kunt u garanderen dat al deze 329 dossiers inmiddels weer actief in behandeling zijn en dat deze mensen persoonlijk zijn geïnformeerd?
Ik betreur het feit dat ca. 329 dossiers tijdelijk uit beeld zijn geraakt bij de uitvoering, dit had niet mogen gebeuren. Dit hing samen met ICT-aanpassingen als gevolg van de implementatie van nieuwe schaderegelingen. Inmiddels heeft het IMG met de bewoners in kwestie contact opgenomen en is de behandeling van hun meldingen weer opgepakt en in een aantal gevallen ook al afgehandeld.11 Het IMG is structureel in gesprek met de ombudsman en daarbij ook ingegaan op het aanbod van de ombudsman om te bespreken hoe dit soort situaties in de toekomst voorkomen kunnen worden.
Wat vindt u ervan dat een bewoner pas via een Woo-verzoek inzicht kreeg in zijn eigen schadedossier, nadat stukken bleken te missen en hij maandenlang niets hoorde? Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat gedupeerden juridische middelen als Woo-verzoeken en rechtszaken moeten inzetten om überhaupt te weten waar ze aan toe zijn bij een organisatie die er voor hen is?
Zoals bekend kan ik niet nader ingaan op individuele situaties. Ten algemene geldt dat aanvragers hun eigen dossier online kunnen inzien via de pagina Mijn Dossier. Mocht de aanvrager daarin correspondentie zoals brieven of mails missen, dan kan hij hierover contact opnemen met de zaakbegeleider of het Serviceloket. Voor inzage in eigen dossiers is vanzelfsprekend geen Woo-verzoek nodig.
Wat is uw reactie op de signalen dat bewoners bij vertraging maandenlang geen brief krijgen, dossiers acht à negen maanden op de plank blijven liggen zonder uitleg, brieven verouderde informatie bevatten en bewoners data kregen toegezegd waarvan intern al bekend was dat die niet gehaald zouden worden?
Ik vind dat bewoners moeten weten waar ze aan toe zijn, ook als er nog geen oplossing is. Ook de Nationale ombudsman wees hier onlangs op. Het IMG neemt deze signalen serieus en blijft werken aan de verdere verbetering van haar dienstverlening richting aanvragers.
Het stijgend aantal mensen dat financieel in de problemen komt |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het nieuwsbericht «Nibud: huishoudens zeggen vaker financieel in de knel te komen» van de NOS en het rapport «Geldzaken in de praktijk 2026» van het Nibud, waar dit nieuwsbericht over gaat?1
Ja
Het Nibud-onderzoek laat zien dat, na jaren van een daling van geldzorgen, er voor het eerst een grotere groep is van mensen die moeite hebben om rond te komen: welke verklaringen ziet u hiervoor?
Het Nibud-onderzoek laat zien dat geldzorgen vooral zijn toegenomen bij jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar. Voor verklaringen en maatregelen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën onder Nederlandse huishoudens problematisch en ongewenst is?
Het kabinet neemt de stijgende zorgen over de persoonlijke financiën zeer serieus. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en te ondersteunen. Preventie van problematische schulden en vroege bereikbaarheid van mensen met geldzorgen is daarbij essentieel. Zo zijn er verschillende projecten die gericht zijn op het versterken van de vindbaarheid van inwoners met geldzorgen, zowel binnen als buiten de gemeente, en wordt er gewerkt aan een werkgeversaanpak. Indien er toch problematische schulden ontstaan, is het noodzakelijk dat er een adequate oplossing volgt. Zo worden er verbetermaatregelen getroffen rondom vroegsignalering, en is doorverwijzing door een derde een essentieel onderdeel binnen de basisdienstverlening. Voor de uitgebreide beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid Hamstra (CDA) over het Nibud rapport geldzaken in de praktijk 2026.2
In het rapport van Nibud staat dat vooral jongeren steeds meer geldproblemen hebben, het aandeel dat moeite heeft met rondkomen steeg van 40 procent in 2024 naar 54 procent in 2026, welke hoofdoorzaken ziet u hiervoor en wat zijn hun aandelen in de problematiek?
Het wel of niet kunnen rondkomen van jongvolwassenen is per situatie anders en kan verschillende oorzaken hebben. Bij jongeren spelen onder andere hoge kosten aan wonen, energie en boodschappen en het hebben van onzekere en wisselende inkomsten een rol. Daarbij weten jongeren vaak niet welke financiële zaken ze precies moeten regelen of waar ze recht op hebben.
Ook zijn er diverse online en offline verleidingen die jongeren soms moeilijk kunnen weerstaan, zoals gebruik maken van achteraf betalen. In het boek «financiële gezondheid van jongeren begrijpen en versterken» van Rosanne Oomkens (Hogeschool Utrecht, juni 2026) zijn veel onderzoeken en inzichten over dit onderwerp gebundeld.
Ik vind het belangrijk dat jongeren weten wat ze moeten regelen met betrekking tot hun geldzaken en dat zij goed leren omgaan met geld. Daarom heeft het kabinet de afgelopen jaren subsidie aan scholen verstrekt voor het structureel inbedden van financiële educatie binnen het onderwijs. Via deze subsidie hebben scholen onder andere leerkrachten kunnen trainen en persoonlijke financiële begeleiding kunnen bieden aan jongeren met geldzorgen. Daarnaast zijn vele (gratis) lesmethodes te vinden op Geldlessen.nl en zijn er diverse websites voor jongeren met geldvragen, zoals Wijzer in geldzaken en Digidingen-desk | Uitleg en tips voor al je digitale regelzaken.
SZW houdt mediacampagnes voor jongeren om hen bewust te maken van financiële risico’s, zoals achteraf betalen, en hen te attenderen op hulp bij geldzorgen. Ook heeft SZW aan verschillende organisaties subsidie verstrekt om jongeren met geldzorgen te ondersteunen, zoals Geldfit en het opschalen van het Jongeren Perspectieffonds naar meer gemeenten. Later dit jaar ontvangt de Kamer meer informatie over maatregelen voor jongeren, naar aanleiding van moties die hierover zijn ingediend.3
Welke oorzaak ziet u in de flinke toename van flexwerk onder jongeren en de inkomensonvoorspelbaarheid die dit meebrengt? In hoeverre vindt u flexibele contracten onder jongeren onwenselijk en welk nieuw beleid zet u in om dit terug te dringen en jongeren meer controle en zekerheid te geven?
Hoewel flexwerk onder de vermelde groep jongeren (tot 30 jaar) niet zodanig is toegenomen, is wel een (lichte) stijging te zien in de onderste helft van deze groep (18 tot 25 jaar). Hoe dan ook is het aantal flexwerkers (waaronder jongeren) in Nederland hoog. Dit is onwenselijk en daarom wordt de wet meer zekerheid flexwerkers (inwerkingtreding per 1 januari 2028) ingevoerd waardoor werknemers meer zekerheid van inkomen krijgen. Met deze wet wordt het nulurencontract afgeschaft en vervangen door het bandbreedtecontract (dat zorgt voor meer zekerheid van inkomen). Ook wordt de ketenregeling aangescherpt om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen en het perspectief op een vast contact te vergroten.
Voor bepaalde jongeren is belangrijk dat deze maatregelen niet gaan gelden. Minderjarigen, scholieren of studenten met een bijbaan (die gemiddeld 16 uur per week werken) kunnen straks bijvoorbeeld nog wel op basis van een nulurencontract blijven werken. Ook zal voor hen de aanscherping in de ketenregeling niet gelden. Dit is wenselijk om de toegang tot de arbeidsmarkt voor deze groepen niet te beperken; de bijbaan kan dienen als opstap richting de arbeidsmarkt. Bovendien is voor hen niet werk maar scholing de hoofdactiviteit. Jongeren met een contract van gemiddeld meer dan 16 uur per week hebben recht op meer zekerheid en voor hen zullen de nieuwe maatregelen dus wel gelden. Met de wet meer zekerheid flexwerkers zet ik dus in op meer zekerheid van inkomen uit werk voor werknemers met een flexibel contract, ook onder jongeren.
Hoe groot is in uw ogen de bijdrage van toegenomen online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now Pay Later constructies via social media waarvan jongvolwassenen steeds meer gebruik maken en wat tot groeiende geldzorgen en betalingsmoeite leidt? Als dit niet duidelijk is, bent u dan bereid hiernaar een verdiepend onderzoek te laten uitvoeren?
Het Nibud-rapport Geldzaken in de praktijk 2026 laat zien dat financiële zorgen en betalingsproblemen onder jongvolwassenen relatief vaak voorkomen. Het rapport biedt echter geen basis om vast te stellen in welke mate online reclametargeting, gerichte verkoop en Buy Now, Pay Later (BNPL)-diensten via sociale media hieraan bijdragen.
Verkoop via social media zou het gebruikers sneller en gemakkelijker maken om een impulsaankoop te doen. Consumenten, waaronder jongvolwassenen, worden via sociale media blootgesteld aan gepersonaliseerde reclame en commerciële prikkels. Hoe groot de bijdrage is van sociale media op de geldzorgen onder jongeren is mij niet bekend. Het kabinet zet in op gerichte maatregelen tegen onder meer de verslavende ontwerpkeuzes van digitale diensten in het kader van de aankomende Digital Fairness Act.4 Voor verdere toelichting verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen van het lid van Dijk (CDA) c.s.5
Ook voor de invloed van BNPL geldt dat de precieze bijdrage aan geldzorgen onder jongeren niet is onderzocht. Wel zijn er signalen dat deze factoren van invloed kunnen zijn op financieel gedrag en dat uitgestelde betaalmogelijkheden zoals BNPL de drempel tot aankopen kunnen verlagen. Zo blijkt uit onderzoek van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) dat in 2023 via betaalrekeningen op naam van minderjarigen bijna 600.000 iDEAL-transacties zijn verricht die te relateren zijn aan BNPL-aanbieders.6
Deze signalen onderstrepen het belang van consumentenbescherming, in het bijzonder voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren. Met de inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet, die momenteel bij uw Kamer voorligt, worden aanbieders van uitstel van betaling en bemiddelaars in uitstel van betaling streng gereguleerd. Aanbieders moeten onder meer beoordelen of een consument het krediet kan dragen. Daarnaast wordt een verbod ingevoerd op het verstrekken van uitstel van betaling aan minderjarigen en worden aanbieders verplicht de leeftijd van consumenten te verifiëren voordat het krediet wordt verstrekt. Gegeven de wijzigingen die met de Implementatiewet zullen worden doorgevoerd, acht ik verdiepend onderzoek op dit moment niet opportuun.
Ervan uitgaande dat huishoudens met een wisselend inkomen en die weinig controle ervaren over hun inkomsten – 80 procent van de huishoudens met weinig controle over hun inkomen heeft moeite met rondkomen – zich volgens Nibud duidelijk vaker in een kwetsbare positie bevinden, in hoeverre wordt het wisselend inkomen veroorzaakt door flexwerk en zzp-schap en betreft het hiermee de groep werkende armen in Nederland? Hoe groot is deze groep volgens u? Welke acties zet u in in om huishoudens meer controle en zekerheid te geven over hun inkomen?
Een wisselend inkomen kan inderdaad veroorzaakt worden door flexwerk en zzp-schap. Als dit inkomen onvoldoende is om in de noodzakelijke uitgaven te voorzien betreft dit de groep werkenden die in armoede leven. In Nederland leeft 1,7% van de werknemers en 4,4% van de zzp’ers in armoede. Van alle arme werknemers in 2024 werkte ruim de helft in deeltijd onder een flexibel arbeidscontract. 18,5% van de arme werknemers werkte voltijd onder een flexibel contract, 16,8% werkte deeltijd onder een vast contract en 7,5% werkte voltijd onder een vast contract.
Zoals het Nibud al toelicht in het rapport is niet enkel de hoogte van het inkomen belangrijk, maar ook de zekerheid en voorspelbaarheid van het inkomen. Het kabinet gaat aan de slag met het vergroten van de inkomenszekerheid en vereenvoudiging, met de ambitie om één kindregeling in te voeren om zekerheid voor gezinnen te vergroten. Ook wordt er gewerkt aan de vereenvoudiging en een basisniveau van aanvullende gemeentelijke regelingen.
Daarnaast boekt het kabinet voortgang op het arbeidsmarktpakket, met als doel zowel de zekerheid van werkenden als de wendbaarheid van werkgevers te verhogen. Zo zijn de wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief en de wet meer zekerheid flexwerkers recent door uw Kamer aangenomen. De eerste wet zal laagbetaalde zzp’ers beter beschermen tegen schijnzelfstandigheid en de tweede wet zorgt voor betere bescherming van oproepkrachten, uitzendkrachten en mensen met een tijdelijk contract. Op deze manier wordt de zekerheid van zzp’ers en werknemers met een flexibel arbeidscontract vergroot.
In het rapport van Nibud staat dat er een groot verschil is tussen de hoeveelheid zorgen en betalingsproblemen tussen huurders en mensen met een koopwoning, vindt u dit zorgelijk? Zo ja, wat voor maatregelen gaat u treffen om juist bij huurders deze zorgen en betalingsproblemen te verminderen?
Ik deel uw zorgen. Het percentage huishoudens met een huurwoning dat zich regelmatig tot altijd zorgen maakt over hun financiële situatie is 43%. Bij huishoudens met een koopwoning ligt dit percentage op 24%. Uit de analyse blijkt dat huishoudens in principe voldoende inkomen hebben voor noodzakelijke uitgaven, mits ze: de uren werken waar ze toe in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar ze recht op hebben, goed met geld omgaan en geen onvermijdbare hoge uitgaven hebben.7 Niet alle huishoudens weten waar ze recht op hebben, waardoor ze bijvoorbeeld huurtoeslag laten liggen. Om dit tegen te gaan, wordt gewerkt aan een wetsvoorstel voor proactieve dienstverlening door Dienst Toeslagen. Dit geeft een wettelijke basis om inwoners actief te benaderen die recht hebben op huurtoeslag. Zo wordt niet-gebruik voorkomen.8
Nibud stelt dat een derde van de Nederlanders slechts 2.500 euro op de spaarrekening heeft staan, een groot deel hiervan heeft minder dan 1000: welke maatregelen treft het kabinet om ervoor te zorgen dat deze mensen bij een onverwachte uitgave niet in de schulden belanden?
Het hebben van een voorspelbaar inkomen door het voorkomen en verminderen van negatieve effecten van fouten, nabetalingen en terugvorderingen is noodzakelijk om te voorkomen dat inwoners in de schulden belanden. Deze zomer heeft het kabinet de voortgangsbrief van Routekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning 2026 met uw Kamer gedeeld. Hierin staat onder andere dat het Kabinet werkt aan hervorming van het terugvordering en nabetalingen beleid, het vorderingenbeleid te moderniseren (waaronder een recht op nabetalingen bij overheidsfouten), en keteneffecten te verminderen.
Daarnaast verbetert het de dienstverlening via proactieve aanpak, automatische toekenning van toeslagen, en harmonisatie van betaalmomenten. Ook werkt het aan preventie door duidelijke rechten en plichten te formuleren en veelvoorkomende fouten te onderzoeken.9
Hoe ziet u dit rapport in combinatie met de geplande bezuinigingen op sociale zekerheid en de zorg, die groepen extra raken die al moeite hebben met rondkomen en zich meer zorgen maken over hun financiële toekomst?
Het kabinet stelt maatregelen voor om de sociale zekerheid toekomstbestendig te maken. Meer dan één miljoen mensen maken op dit mensen gebruik van de sociale zekerheid, op tien miljoen werkenden. Het systeem loopt vast, het is versnipperd en zorgt er onvoldoende voor dat mensen weer mee gaan doen. Een eenvoudiger, beter werkende sociale zekerheid moet juist in staat zijn om mensen zekerheid te blijven bieden.
Het kabinet vindt het ook belangrijk om armoede en schuldenproblematiek aan te pakken. Dit doen we door gerichte maatregelen te nemen om de kwetsbare groepen te helpen. De maatregelen vindt u terug in het Nationaal Programma Armoede en Schulden.10
De mediane koopkrachtcijfers voor 2026 zijn licht positief en in de loop van het jaar verbeterd, hoe verklaart u dat onder veel groepen de geldzorgen en betalingsmoeite toch zijn gestegen? Het Nibud rapporteert dat op vrijwel alle uitgavenposten het aandeel mensen dat moeite heeft met betalen is toegenomen ten opzichte van 2 jaar daarvoor. In hoeverre missen de koopkrachtcijfers de daadwerkelijke, feitelijke kosten van gewone mensen?
Het Nibud-onderzoekt hoeveel mensen moeilijk kunnen rondkomen. Dit wordt beïnvloed door verschillende ontwikkelingen, niet alleen of iemands koopkracht is verbeterd of verslechterd. Koopkrachtverlies is voor minder huishoudens dan in 2024 een reden voor moeilijk rondkomen, terwijl schulden en te makkelijk uitgeven van geld zijn toegenomen als reden voor moeilijk rondkomen.
Koopkrachtplaatjes geven goed inzicht in de verdelingseffecten van beleid en macro-economische ontwikkelingen, maar zijn niet bedoeld om een voorspelling te geven voor de koopkrachtontwikkeling van huishoudens. Het kabinet en het CPB gaan uit van «statische» koopkracht, waarin de huishoudsituatie gelijk blijft ten opzichte van het voorgaande jaar. In de werkelijkheid zijn levensgebeurtenissen zoals geboorte, scheiding of baanverlies bepalend voor hoe het inkomen van huishoudens ontwikkelt. Het CBS brengt de ontwikkeling van deze «dynamische» koopkracht na afloop van het jaar in kaart.11
Daarnaast noemt het Nibud dat meespeelt dat mensen dagelijks geconfronteerd worden met prijzen die structureel hoger zijn komen te liggen door de hogere inflatiecijfers sinds 2022. Dit sluit aan bij de constatering van het CBS dat de gevoelsinflatie aanzienlijk hoger ligt dan de gemeten inflatie.12
Het bericht ‘Tandartsen slaan alarm: 'We stevenen af op een mondzorginfarct' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tandartsen slaan alarm: «We stevenen af op een mondzorginfarct»»?1
Ja.
Deelt u met de beroepsorganisatie van tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen (KNMT) de vrees voor een naderend mondzorginfarct? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van VWS spreekt niet van een naderend mondzorginfarct. De beschikbaarheid van voldoende mondzorgprofessionals vraagt blijvend aandacht. Uit onderzoek van het Capaciteitsorgaan blijkt dat er over het geheel een tekort wordt ervaren door de beroepsgroep, maar dat er sprake is van regionale verschillen. De vacaturegraad loopt uiteen van 5% in Noord-Holland tot 22% in Friesland. Het totaal aantal gepubliceerde online vacatures is toegenomen, maar het aantal langdurig openstaande vacatures neemt iets af. De parameter onvervulde vraag is ingeschat op 2,5%, dat is 1 procentpunt hoger vergeleken met de raming in 2022. Het Capaciteitsorgaan heeft deze ontwikkelingen ook meegenomen in het advies voor de benodigde instroom in de opleiding Tandheelkunde die op 19 december 2025 is uitgebracht. De geadviseerde instroom van het Capaciteitsorgaan is gebaseerd op de verwachte tekorten op de lange termijn, om in 2043 evenwicht te bereiken tussen de vraag naar en aanbod van tandartsen. Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan over de benodigde opleidingscapaciteit door de Ministeries van VWS en OCW bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
De KNMT heeft n.a.v. de berichtgeving in het AD ook kenbaar gemaakt aan het Ministerie van VWS bereid te zijn om mee te denken in mogelijke oplossingen voor knelpunten in het mondzorglandschap.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat er al vijftien jaar te weinig opgeleid is en dat met diverse rapporten niets is gedaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uitleggen wat de oorzaak is van deze nalatigheid?
De bekostiging van de opleiding Tandheelkunde loopt via de begroting van het Ministerie van OCW. De afgelopen jaren is het financieel niet mogelijk gebleken om de adviezen voor wat betreft de opleiding Tandheelkunde volledig over te nemen. Zo is na het eerdere voornemen van het kabinet Rutte IV – om een deel van de uitbreiding te bekostigen door het verkorten van de opleidingsduur van zes naar vijf jaar – besloten om de bestaande opleidingsduur van 6 jaar te handhaven. Mede gezien de sterke weerstand vanuit de betrokken instellingen. Dit betekende concreet dat het aantal opleidingsplaatsen werd verhoogd met 31 in plaats van 86. Daarmee komt het totale aantal opleidingsplaatsen vanaf studiejaar 2026–2027 op 290. Voor de volledige reactie verwijs ik u naar de Kamerbrief van 17 maart 20252. In de meest recente raming adviseert het Capaciteitsorgaan 386 opleidingsplaatsen (+96). Op dit moment wordt het advies van het Capaciteitsorgaan nog bestudeerd. We verwachten u daar uiterlijk voor het einde van dit jaar over te informeren.
Vindt u het ook onwenselijk dat inmiddels 25 procent van de hier werkzame tandartsen afkomstig is uit het buitenland? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat vind ik niet onwenselijk. Het kabinet vindt het belangrijk dat voldoende tandartsen beschikbaar zijn om goede en toegankelijke mondzorg te kunnen bieden. Buitenlands gediplomeerde tandartsen die bekwaam en bevoegd zijn leveren hieraan een belangrijke bijdrage. Buitenlands gediplomeerde tandartsen moeten een erkennings- en toelatingsprocedure op grond van de Wet BIG doorlopen bij het CIBG. Alleen als opleidingseisen, (werk)ervaring en taalvaardigheid voldoen aan de gestelde eisen, kunnen zij als tandarts aan de slag in de Nederlandse (mond)zorg. Hiermee worden de kwaliteit en patiëntveiligheid van de individuele beroepsbeoefenaar geborgd.
Buitenlands gediplomeerde tandartsen vormen naar verhouding een steeds groter aandeel van het totaal aantal tandartsen met een actieve BIG-registratie. Uit cijfers van het CIBG3 blijkt dat zowel het aantal Nederlandse tandartsen toeneemt als het aantal buitenlands gediplomeerde tandartsen. De laatste groep stijgt echter verhoudingsgewijs meer waardoor het aandeel buitenlands gediplomeerde tandartsen groter wordt. Tegelijkertijd is diversiteit onder zorgverleners essentieel voor het bieden van de best mogelijke zorg aan alle patiënten in een diverse samenleving.4
Bent u bereid het advies van zowel het KNMT als het Capaciteitsorgaan te volgen en het aantal opleidingsplekken voor 2027 en verder met minimaal 100 te verhogen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment wordt het advies voor tandheelkunde door mij en het Ministerie van OCW bestudeerd en wordt bezien of en in hoeverre het mogelijk is om deze adviezen over te nemen, mede in het licht van de additionele middelen die hiervoor nodig zijn, namelijk 27,1 mln structureel. Het Capaciteitsorgaan adviseert de instroom in de opleiding Tandheelkunde te verhogen (+96) naar 386 opleidingsplaatsen. Conform de toezegging aan de Tweede Kamer streven de Minister van OCW en ik er naar om uiterlijk voor het einde van dit jaar duidelijkheid te geven of en hoe we opvolging kunnen geven aan de ramingen voor deze opleidingen.
Deelt u de observatie van de voorzitter van het KNMT dat nieuwe zzp-regelgeving het pensioengerechtigde tandartsen moeilijker maakt langer door te werken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u ondernemen om langer doorwerken wél aantrekkelijk te maken?
Nee, ik deel deze observatie niet. Het werken als en met zzp’ers is en blijft mogelijk, ook in de zorg, zolang de arbeidsrelatie met de zzp’ers niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek. Of sprake is van een arbeidsovereenkomst, hangt af van de omstandigheden van het geval. Deze wetgeving is niet gewijzigd.
Senior-tandartsen die hun werkzaamheden voortzetten na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd zijn van hoge toegevoegde waarde om de effecten van het tandartsentekort te verminderen. Hun expertise en vakkennis zijn belangrijk voor de continuïteit van zorg, vooral in praktijken waar het lastig is om nieuwe medewerkers aan te trekken. Daarnaast kunnen jongere generaties tandheelkundigen vaak veel van deze senioren leren.
Om meer zicht te krijgen op de mogelijkheden om zzp’ers in te huren in de zorg, kan de infographic over het inhuren van zzp in zorg en welzijn5 worden geraadpleegd. Met deze tool krijgen werknemers en werkgevers meer inzicht in hun rechtspositie. Ook op www.hetjuistecontract.nl is meer toelichting te vinden hierover. Tegelijkertijd werkt het kabinet aan een nieuwe wet: de Zelfstandigenwet. De inbreng vanuit de diverse branches is besproken tijdens een stakeholdersessie met de zorg op 1 juli jl., en wordt meegenomen in de verdere uitwerking van deze wet. Het streven is deze wet per 1 januari 2028 in werking te laten treden.