Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Bertram , van Bruggen |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november 2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting. Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines. De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor verdere verspreiding over lokale korpsen.
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken, gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject. Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving) verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio, zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking, en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor 1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7 lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente (in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
Ernstig geweld tegen gevangenispersoneel in PI Heerhugowaard |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een cipier in de PI Heerhugowaard is gestoken en gegijzeld door een gedetineerde, waarna een arrestatieteam moest ingrijpen?1
Ja.
Erkent u dat dit incident voor de zoveelste keer laat zien dat gevangenispersoneel onvoldoende wordt beschermd tegen extreem gewelddadige gedetineerden binnen Nederlandse penitentiaire inrichtingen?
Geweld tegen gevangenispersoneel is onacceptabel. Mijn gedachten gaan uit naar de medewerkster die het slachtoffer was van dit geweldsincident, diens naasten en naar de andere personeelsleden.
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar het geweldsincident. Wanneer er lessen te trekken zijn, gebeurt dat ook.
Kunt u aangeven welk voorwerp of wapen bij deze steekpartij is gebruikt en of hierbij sprake was van contrabande of een zelfgemaakt steekwapen (shank)?
Inmiddels is bekend dat het voorwerp wat is gebruikt om geweld toe te passen een scherf van een bord is geweest. Dat betekent dat het een zelfgemaakt steekwapen betreft en er geen sprake was van contrabande.
Indien sprake was van contrabande, hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting onder verantwoordelijkheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen over een steekwapen kon beschikken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid aangetroffen contrabande (zoals steekwapens, drugs en telefoons) in de PI Heerhugowaard in de afgelopen drie jaar en hoe deze cijfers zich verhouden tot andere penitentiaire inrichtingen?
In figuur 1, 2 en wordt een beeld gegeven van de hoeveelheid aangetroffen contrabande in penitentiaire inrichtingen in Nederland voor respectievelijk 2023, 2024 en 2025.2 Per tabel zijn de cijfers die zien op PI Heerhugowaard met geel uitgelicht.
Ten aanzien van de cijfers in onderstaande overzichten hecht ik eraan om de volgende context mee te geven. Uit het afzetten van PI Heerhugowaard tegen andere penitentiaire inrichtingen kunnen niet direct conclusies getrokken worden. Zo bestaat er een verschil in grootte tussen PI’s en regimes. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terechtkomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt.
Figuur 1. Totaal geregistreerde contrabande GW 2023
Figuur 2. aangetroffen contrabande GW 2024
Figuur 3. aangetroffen contrabande GW 2025
Hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting die onder verantwoordelijkheid valt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, wederom in staat is personeel te verwonden en langdurig te gijzelen?
De realiteit is helaas dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Zowel naar de gijzeling in PI Vught van 5 december 2025 als naar dit incident in de PI Heerhugowaard wordt onderzoek gedaan door de politie. Ook laat DJI zelf onderzoeken verrichten naar beide incidenten. Het onderzoek naar de gijzeling in Vught zal naar verwachting voor de zomer zijn afgerond. Van het onderzoek naar de gijzeling in PI Heerhugowaard is nog onbekend wanneer dit onderzoek zal worden afgerond. Bij relevante ontwikkelingen wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Waarom worden gedetineerden met een bekend agressief, instabiel of gevaarlijk profiel kennelijk niet structureel gescheiden of onder een zwaarder beveiligingsregime geplaatst?
Een gedetineerde wordt geplaatst op een regime passend bij de veiligheidsrisico’s. Zo wordt bij de plaatsing van een gedetineerden een risicoprofiel opgesteld, waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Waar nodig wordt er aanvullend gekeken naar het risicoprofiel door de Detentie Intelligence Unit (DIU), bestaande uit DJI, politie en OM.
Indien individuele veiligheidsmaatregelen op een reguliere afdeling niet voldoende zijn, kan DJI, op basis van relevante informatie van OM en politie, een gedetineerde plaatsen in een strenger regime zoals een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) als wordt voldaan aan de daarvoor geldende eisen. Een dergelijk incident wordt meegenomen in deze afweging en kan aanleiding geven tot plaatsing in een strenger regiem. Elk jaar wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in een AIT verlengd wordt met een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete en actuele informatie van de organisatie zelf, de politie en het OM.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat geweld tegen gevangenispersoneel steeds opnieuw plaatsvindt zonder dat dit leidt tot zichtbare aanscherping van regime, toezicht en sancties?
Net als uw Kamer vind ik geweld tegen gevangenispersoneel onacceptabel. DJI heeft aangifte gedaan. De betrokken gedetineerde is disciplinair gestraft en overgeplaatst. Ook wordt er onderzoek verricht. Alle inzet is erop gericht om dit in de toekomst zo goed als mogelijk te voorkomen. Waar nodig zullen aanvullende maatregelen worden getroffen.
Welke concrete maatregelen gaat u per direct nemen om te waarborgen dat personeel in gevangenissen veilig zijn werk kan doen en kunt u garanderen dat dit niet opnieuw wordt afgedaan met onderzoek en woorden zonder gevolgen?
DJI investeert structureel in de weerbaarheid en veiligheid van hun medewerkers middels trainingen en opleidingen. Daarnaast is voor het personeel DJI, die in de privésfeer wordt bedreigd als gevolg van werkzaamheden voor DJI, de afdeling Personeelsbeveiliging beschikbaar. Deze afdeling valt onder de verantwoordelijkheid van de Beveiligingscoördinator (BVC) DJI en geeft uitvoering aan de werkgeversverantwoordelijk binnen het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De medewerkers van deze afdeling zorgen voor een 24/7 bereikbaarheid. DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige werkomgeving waarin medewerkers hun werk met vertrouwen en waardigheid kunnen uitvoeren.
Zoals in de beantwoording van vraag 6 aangegeven is de realiteit echter ook dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Alle inzet is erop gericht om deze incidenten in de toekomst te voorkomen. Daarom wordt onderzoek verricht naar beide incidenten. Wanneer hier lessen uit getrokken kunnen worden, zal dit zeker gebeuren. Ik houd dit nauwlettend in de gaten, want veiligheid van personeel staat voorop.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
PTSS-erkenning voor de brandweer en de regeling voor een compromis |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u deze aanvullende schriftelijke vragen betrekken bij de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen over dit onderwerp1?
Ja.
Hoe wordt voorkomen dat verschillen ontstaan in toepassing en vergoedingspraktijk tussen regio’s?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat een uniforme werkwijze en uitvoering wordt beoogd door landelijke coördinatie en overleg tussen uitvoeringsprofessionals. Hiermee wordt voorzien dat de regeling binnen elke veiligheidsregio op dezelfde wijze wordt uitgevoerd, toegepast en uitgelegd. De uniforme uitvoering van de Regeling PTSS wordt daarbij jaarlijks geëvalueerd door de veiligheidsregio’s.
Klopt het dat vergoedingen op grond van de PTSS-regeling in mindering worden gebracht op eventuele latere schadevergoedingen bij aansprakelijkheid? Hoe verhoudt dit zich tot het ontbreken van een volledige schadevergoeding binnen de regeling zelf?
Er zijn veel factoren die bij individuele situaties van invloed zijn op de relatie tussen de PTSS-regeling en eventuele latere schadevergoedingen. De veiligheidsregio’s geven aan dat regeling PTSS primair voorziet in loonderving. Mocht daarnaast sprake zijn van restschade, dan komt dat boven op de vergoeding verstrekt conform de regeling PTSS.
Een eventuele aanspraak op smartengeld behoort juridisch tot het aansprakelijkheidsrecht en maakt daarom geen onderdeel uit van de regeling.
Hoe wordt in de praktijk omgegaan met vrijwilligers met meerdere inkomensbronnen? Kan de samenloopbeperking ertoe leiden dat feitelijke schade niet volledig wordt gecompenseerd?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat in de regeling is opgenomen dat samenloop van meerdere inkomensbronnen is begrensd tot éénmaal een voltijdsdienstbetrekking en het maximumdagloon.
Hierbij wordt aangegeven dat indien het inkomen méér is dan het maximumdagloon of een voltijdsdienstbetrekking de feitelijke schade méér kan zijn dan wordt gecompenseerd conform de regeling PTSS. De veiligheidsregio’s geven hierbij aan dat (individuele) aansprakelijkheidsstelling in een dergelijke situatie separaat mogelijk is.
Is onderzocht of het proces van het aannemelijk maken van incidenten en gebeurtenissen die PTSS veroorzaakten, kan leiden tot hertraumatisering of verergering van klachten? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij als werkgever belangrijke stappen zetten om medewerkers en vrijwilligers beter te ondersteunen, zo ook bij het proces en begeleiding rondom de regeling. Uit de aangekondigde evaluatie en signalen uit de praktijk zal ook naar voren moeten komen of het proces doelmatig verloopt en hoe dit door betrokkenen wordt ervaren.
Acht u het passend om bij een chronische, behandelingsresistente aandoening als C-PTSS toekomstige zorgkosten af te kopen? Hoe wordt voorkomen dat betrokkenen op latere leeftijd financieel tekortkomen?
Dit is onderwerp van gesprek tussen betrokken overlegpartners. Ik breng deze vragen over aan de betrokken partijen.
Waarom is geen spoedregeling of noodvoorziening opgenomen voor acute of ernstige situaties?
Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Indien ik signalen ontvang over acute en ernstige situaties zal ik dit direct onder de aandacht brengen in mijn contact met betrokken partijen.
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij allen bezig zijn met het proces rondom medewerkers met PTSS-achtige klachten en deze begeleiding goed in te richten. Breder beschouwd wordt dit door de regio’s beoogd middels het goed inrichten van hulp na incidenten met behulp van Teams Collegiale Ondersteuning (hierna: TCO). Vanuit TCO worden medewerkers en vrijwilligers gevolgd en begeleid, al dan niet met professionele hulp. Daarbij beogen de veiligheidsregio’s bij de uitvoering van de regeling met de aanname van extra HR capaciteit de bereikbaarheid voor en begeleiding van medewerkers en vrijwilligers zo goed mogelijk te ondersteunen.
Hoe wordt de onafhankelijkheid van de landelijke Adviescommissie PTSS geborgd, gezien de betrokkenheid van veiligheidsregio’s bij de uitvoering? Worden commissieleden volledig extern benoemd?
De veiligheidsregio’s geven mij aan dat commissieleden worden benoemd door de secretaris van het Landelijk Overleg Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio’s (hierna: LOAV). Dat geschiedt op verzoek van en met instemming van de sociale partners.
Bent u bereid een tussentijdse evaluatie vóór het verstrijken van drie jaar te overwegen? Wordt bij de evaluatie expliciet gekeken naar de rol van organisatiecultuur en nazorg in het verleden? Wordt onderzocht of structurele tekortkomingen hebben bijgedragen aan het ontstaan of verergeren van PTSS?
De regeling zal als geheel na drie jaar worden geëvalueerd, of indien nodig eerder, zoals overeengekomen is tussen vakbonden en werkgevers. Dit is in dit geval niet aan mij, maar aan de sociale partners.
Ik acht doorontwikkeling en lerend vermogen van groot belang als stelselverantwoordelijke. Onder meer het NIPV onderzoekt in Nederland diverse thema’s rondom de brandweer, zo is onderzoek gepubliceerd op het gebied van het welzijn van brandweermensen, de organisatiecultuur bij de brandweer en verwerking van ingrijpende incidenten. Onderzoek naar de uitvoering van nazorg en beleid hierop is ook een aangelegenheid van de werkgevers. In contact met betrokken partijen zal ik bezien of en hoe dit het beste vorm kan worden gegeven kijkend naar de toekomst.
Ook moedig ik betrokken partijen aan te kijken naar andere beroepsgroepen daar waar dit kan. Dit in het kader van rolvastheid, doorontwikkeling, lerend vermogen van betrokken partijen en bovenal het welzijn van brandweerlieden in Nederland.
Het bericht ‘Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf’ |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Klokkenluiders slaan alarm over massale fouten in vonnissen: onschuldigen in cel gegooid en daders ontlopen hun straf»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de signalen dat er mogelijk 50.000 gevallen zijn waarin signalen waren over foutieve tenaamstellingen in onherroepelijke vonnissen en hoe verhoudt dit tot de 876 strafzaken die tot nu toe bekend waren?
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd.2 Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen de leidende administratieve identiteit vaststelt en dat in ongeveer 14.000 gevallen per jaar een extra beoordeling nodig is. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties in het proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
De problematiek waar de grootste risico’s voor burgers en voor de uitvoering van straffen zitten, betreft de gevallen waarin na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, blijkt dat er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit en daardoor een mogelijk onjuiste tenaamstelling. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit zich gemiddeld zo’n 50 keer per jaar voordoet.
In hoeveel gevallen is tot nu toe bekend dat een straf geheel of gedeeltelijk aan de onjuiste persoon ten uitvoer is gelegd? Om welke delicten ging dit?
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over vier extra gevallen waarin sprake is van een foutieve tenaamstelling in een vonnis.3 Het ging in deze zaken om het opzettelijk gebruik maken van een vals ID-bewijs (rijbewijs), poging tot diefstal in vereniging met inbraak, diefstal in vereniging en mishandeling en openlijke geweldspleging. In twee van deze gevallen zijn personen tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld. Ook de andere twee zaken zijn toegevoegd aan de lijst van zaken die ter correctie van de gegevens worden getoetst en behandeld.
In hoeveel gevallen zijn daders onterecht vrijuit gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen? Om welke delicten ging dit?
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak kon het vonnis niet worden betekend als gevolg van onvindbaarheid en staat de veroordeelde om die reden gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Hoelang zijn de daders die vrijuit zijn gegaan als gevolg van de foutieve tenaamstellingen al op vrije voeten en welke acties bent u voornemens te ondernemen om deze groep alsnog hun straf te laten ondergaan?
Zie het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om aanvullend onderzoek te doen naar de signalen dat de aantallen van onjuiste tenaamstellingen mogelijk veel groter zijn dan eerder was onderzocht?
Justid doet momenteel aanvullend onderzoek naar de vraag of en in hoeverre ook andere historische zaken nog kunnen worden achterhaald.
Wat vindt u ervan dat medewerkers zich niet vrij hebben gevoeld te kunnen praten met de onderzoekers van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk en acht u aanvullend onderzoek naar zowel de aard, ernst en omvang van de fouten en de werkcultuur passend? Zo ja/nee, waarom?
Recent is door de Auditdienst Rijk (ADR) een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het vraagstuk over de foutieve tenaamstelling van reeds onherroepelijke vonnissen in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. De ADR heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties voortvarend en zorgvuldig opgepakt. Zo wordt er bijvoorbeeld voor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Kunt u deze vragen binnen drie weken afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Dat is helaas niet gelukt.
Een grote crimineel (Lysander de R.) die naar een regulier detentieregime is afgeschaald |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust in gevangenis Heerhugowaard: motorbende-leider wil wraak»?1
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving.
Klopt het dat Lysander de R. recent in een regulier regime is geplaatst?
Ik ga niet in op individuele casussen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 15.
Hoe kan het dat een gedetineerde die bekend staat als het «bajesbeest» en de «schrik van Zaanstad» en in meerdere Penitentiaire Inrichtingen een schrikbewind voerde, al enige tijd op een reguliere afdeling is geplaatst?
Ik ga niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Ik beantwoord de vragen daarom in algemene zin.
In het algemeen geldt dat de selectiefunctionarissen van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) namens mij beslissen waar en in welk regime een gedetineerde wordt geplaatst. Gedetineerden worden geplaatst op een regime dat passend is bij de veiligheidsrisico’s. Bij de eerste plaatsing van een gedetineerde wordt een risicoprofiel vastgesteld waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Het uitgangspunt is dat een gedetineerde wordt geplaatst in een normaal beveiligde inrichting of afdeling en dat gedetineerden enkel aan beperkingen mogen worden onderworpen indien dit voor het doel van de vrijheidsbeneming of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting noodzakelijk is. Wanneer individuele veiligheidsmaatregelen niet afdoende zijn om gestelde risico’s te beperken, kan plaatsing in de Afdeling Intensief Toezicht (AIT) of de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) aan de orde zijn.
Plaatsing op een AIT of in een EBI wordt zorgvuldig gewogen conform de procedure uit artikel 26 Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden (Rspog). Elke twaalf maanden wordt getoetst of nog steeds wordt voldaan aan de plaatsingscriteria en wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in AIT of EBI wordt verlengd voor wederom een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie van de organisatie zelf en/of het Bureau Inlichtingen en Veiligheid (BIV), het Landelijk Bureau Inlichtingen en veiligheid (LBIV) en de Detentie Intelligence Unit (DIU) bestaande uit politie, OM en DJI. Deze informatieproducten dragen bij aan plaatsingsbeslissingen en het treffen van aanvullende veiligheidsmaatregelen waar nodig.
Waarom is deze gedetineerde al langer dan een jaar uit de Afdeling Intensief Toezicht geplaatst?
Zoals ik eerder aangaf ga ik niet in op de situatie rondom individuele gedetineerden. Wanneer een gedetineerde in de AIT verblijft, wordt elke twaalf maanden beoordeeld of dit verblijf wordt verlengd met wederom twaalf maanden. DJI beoordeelt dat op basis van concrete, betrouwbare en actuele informatie.
Wanneer niet wordt voldaan aan de plaatsingscriteria van de AIT zal het verblijf daar niet worden verlengd en vindt afschaling naar een lager beveiligingsniveau plaats, al dan niet met individuele maatregelen.2
Waarom wordt een gedetineerde, die evident en aantoonbaar betrokken is bij voortgezet crimineel handelen uit detentie, in een Penitentiaire Inrichting (Zuyderbosch) geplaatst waar in 2025 maar liefst 31 keer communicatiemiddelen zijn aangetroffen bij gedetineerden?
In algemene zin wordt door de Selectiefunctionaris, volgens het proces zoals beschreven in antwoord 3, een keuze gemaakt voor een passende plaatsing van een gedetineerde. In die afweging wordt ook meegenomen welke PI geschikt is voor het huisvesten van de gedetineerde. De Selectiefunctionaris kijkt in eerste instantie naar de woonplaats van de gedetineerde voorafgaand aan detentie in verband met bezoek en naar eventuele contra-indicaties voor plaatsing in een bepaalde PI (zoals bij welke andere gedetineerden de gedetineerde niet kan worden geplaatst). Daarnaast is het relevant in welk arrondissement de strafvervolging plaatsvindt.3 Het plaatsen van een gedetineerde is het resultaat van een zorgvuldig en weloverwogen proces.
Op welke wijze worden bij het afbouwen van toezichtsmaatregelen op basis van de lijst gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico, feiten betrokken zoals het leiding geven vanuit detentie aan een motorclub zoals MC Hardliners, het oprichten daarvan en leider zijn van een dergelijke criminele organisatie?
Bij de afweging om toezichtsmaatregelen al dan niet af te bouwen wordt alle relevante informatie betrokken. Als bij deze afweging blijkt dat er mogelijke risico’s voor de orde en veiligheid van de inrichting of de samenleving zijn, heeft de vestigingsdirecteur de mogelijkheid om individuele (toezicht)maatregelen op te leggen en toezichtsmaatregelen juist niet af te bouwen. Ook in deze afweging maakt DJI gebruik van actuele, betrouwbare en concrete informatie.
Op welke wijze worden de B- en C-grond uit artikel 13 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden gewogen indien sprake is van een gedetineerde die aantoonbaar vanuit detentie crimineel handelen heeft voortgezet en een leidende rol heeft bij een criminele organisatie zoals een motorclub?
Lidmaatschap van een criminele organisatie leidt niet automatisch tot plaatsing in een AIT. De wijze waarop de B- en C-grond uit artikel 13 Rspog (plaatsing in de AIT) worden gewogen is een zorgvuldig proces dat wordt uitgevoerd door de selectiefunctionaris van DJI waarbij informatie wordt meegenomen van de organisatie zelf en/of de Detentie Intelligence Unit (DIU) bestaande uit politie, OM en DJI. Dit wordt elke twaalf maanden getoetst indien een gedetineerde geplaatst is in een AIT.4
Hoe kan er geen sprake zijn van een hoog risico op aanhoudende ongeoorloofde contacten met de buitenwereld met een maatschappelijk ontwrichtend karakter indien een gedetineerde hoogstwaarschijnlijk betrokken is bij ernstige bedreigingen jegens een burgemeester?
Zoals eerder aangegeven ga ik niet in op individuele casussen, daarmee ook niet op een individuele toetsing.
Indien de feiten als genoemd in vragen 4, 5 en 6 zich zouden voordoen: waarom zit zo een gedetineerde dan niet in de Extra Beveiligde Inrichting?
In algemene zin geldt dat plaatsing op een strenger regime plaatsvindt, zoals de AIT of de EBI, indien wordt voldaan aan de geldende plaatsing criteria.
Dit wordt per individuele gedetineerde bepaald op basis van actuele informatie zoals bij de antwoord 3 uiteen is gezet.
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor fasering als de voorwaardelijke invrijheidsstelling door de rechter is ingetrokken?
Wanneer de voorwaarden van een voorwaardelijke invrijheidsstelling (v.i.) worden geschonden, kan het OM besluiten de v.i. te herroepen. In dat geval wordt de gedetineerde opnieuw in een penitentiaire inrichting geplaatst om het resterende deel van de opgelegde vrijheidsstraf alsnog uit te zitten.
Na deze terugplaatsing kan een gedetineerde onder omstandigheden afhankelijk van de duur van het strafrestant alsnog in aanmerking komen voor fasering binnen het detentiestelsel. Fasering vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de inrichting en op basis van een besluit van DJI. Het maakt onderdeel uit van het detentie- en re-integratiebeleid en is gericht op een gecontroleerde en verantwoorde terugkeer in de samenleving, met als doel het verminderen van recidive.
De mogelijkheid tot fasering betekent echter niet dat de eerdere schending van de v.i. zonder gevolgen blijft. De gedetineerde verblijft eerst opnieuw in een penitentiaire inrichting en moet laten zien dat hij of zij zich houdt aan de geldende regels en voorwaarden. De inrichting (DJI) bepaalt, op basis van het detentie- en re-integratieplan (D&R-plan) en het gedrag tijdens detentie, of en wanneer re-integratiestappen zoals fasering passend zijn. Pas wanneer uit gedrag, risicobeoordelingen en het detentieverloop blijkt dat een volgende stap verantwoord is, kan fasering worden overwogen.
Waarom kan een gedetineerde in aanmerking komen voor meer vrijheden indien hij betrokken is bij feiten zoals genoemd in de vragen 4, 5 en 6?
Herroeping van een v.i. betekent niet automatisch dat detentiefasering en resocialisatie ter voorbereiding op een goede terugkeer is uitgesloten.
Detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling zijn twee verschillende dingen. Detentiefasering vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de PI en op basis van een besluit van DJI. Het OM beslist over het verlenen en herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Het in aanmerking komen van meer vrijheden tijdens de detentie past binnen een traject van detentiefasering en resocialisatie.
Wanneer gaat u inzien dat criminele kopstukken er alles aan zullen doen om in lagere detentieregimes terecht te komen?
DJI is zich zeer bewust dat gedetineerden bij voorkeur geplaatst worden in lagere beveiligde regimes en beslist zeer zorgvuldig, samen met betrokken partijen, of plaatsing in een lager regime verantwoord is. Een goede informatie-uitwisseling én analyse ten aanzien van gedetineerden zijn daarbij cruciaal. Zoals in het antwoord bij vraag 3 aangegeven beschikt elke PI over een BIV en is er landelijk LBIV. Samen met de DIU zorgen zij voor gezamenlijke analyse van relevante data van het OM, de politie en DJI. Deze informatieproducten dragen bij aan plaatsingsbeslissingen en het treffen van aanvullende veiligheidsmaatregelen waar nodig.
Wat gaat u de samenleving precies uitleggen indien een gedetineerde zoals Lysander de R. vanuit detentie wederom de samenleving vrees zal aanjagen en mogelijk ernstige strafbare feiten zal laten plegen?
Wanneer er een risico is op voortgezet crimineel handelen vanuit detentie zullen passende maatregelen genomen worden. Per situatie wordt gekeken wat de meest geschikte maatregelen zijn, dat kan variëren van toezichtsmaatregelen op de contacten met buiten tot overplaatsing naar een zwaarder detentieregime, zoals de EBI of de AIT. Alle inzet is erop gericht om ook tijdens de detentie de samenleving te beschermen tegen (hoog)risicogedetineerden.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 1 maart 2026 beantwoorden?
Deze Kamervragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Indien u bij beantwoording op sommige vragen zult antwoorden dat u «niet ingaat op individuele gevallen», kunt u daarbij dan uitgebreid motiveren waarom u niet op individuele gevallen kunt ingaan terwijl de uitvoering van strafrechtelijke vonnissen rechtstreeks onder uw verantwoordelijkheid valt?
Als Staatssecretaris is het mijn primaire taak om algemeen beleid en wetgeving te vormen en uit te voeren. Het beoordelen van individuele gevallen is voorbehouden aan de daarvoor aangewezen instanties, zoals uitvoeringsorganisaties en het OM.
De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (WJSG) regelt hoe justitie en het OM omgaan met strafrechtelijke gegevens, waaronder tenuitvoerleggingsinformatie. Er zijn specifieke beleidsregels in WJSG voor de verstrekking van deze tenuitvoerleggingsgegevens aan derden. Het delen van deze informatie is gebonden aan wettelijke grondslagen. Daarnaast kan informatie omtrent de plaatsing leiden tot extra druk en bedreiging van de medewerkers van DJI.
Om uw Kamer te voorzien van (voor zover mogelijk) volledige en juiste informatie om haar democratische controletaak uit te voeren heeft mijn ambtsvoorganger daarom het aanbod gedaan van een vertrouwelijke briefing, onder andere over het proces dat wordt doorlopen bij plaatsing van hoogrisicogedetineerden, in de laatste voortgangsbrief over de aanpak georganiseerde criminaliteit tijdens detentie van 23 januari jl.5 om u hierover nader te laten informeren door DJI.
Massale fouten in vonnissen |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat het aantal naamfouten in strafvonnissen veel groter is dan tot nu toe bekend was en dat volgens klokkenluiders de betrokken administratiedienst Justid jarenlang onwettig gegevens heeft aangepast?1 Zo ja, klopt dit bericht?
Ik ken de berichtgeving en de problematiek. Het in de mediaberichtgeving genoemde aantal van circa 50.000 onjuiste naamkoppelingen kan ik op basis van de nu beschikbare analyses niet bevestigen. Verschillende grootheden (identiteitsvaststelling in het strafvorderlijke proces versus onjuiste tenaamstelling in een onherroepelijk vonnis) lopen in de berichtgeving door elkaar.
Over de vraag dat «jarenlang onwettig gegevens zijn aangepast» is uw Kamer eerder geïnformeerd in de genoemde brief van 28 mei 2025.2 Zoals u bekend is in Q1 een toetsings- en handelingskader voor de Matchingsautoriteit (MA) vastgesteld, op basis waarvan de medewerkers van de MA, conform de rechtstatelijke bevoegdheidsgrenzen, de afweging kunnen maken of correctie van kennelijke fouten mag. Met dit kader wordt de werkwijze rond de registratie van onherroepelijke vonnissen in geval van twijfel over de tenaamstelling, heringericht.
Klopt de veronderstelling dat het aantal naamfouten in vonnissen mogelijk zo’n 50.000 gevallen betreft? Wat bent u van plan om hierop te ondernemen?
Het in de mediaberichtgeving aangegeven aantal zaken herken ik niet. In eerdere brieven aan uw Kamer is toegelicht dat de rechtspraak jaarlijks uitspraak doet in ruim 85.000 strafzaken en dat verreweg in de meeste zaken de straf op de juiste naam wordt opgelegd. Daarnaast is uiteengezet dat de Matching Autoriteit (MA) van de Justitiële Informatiedienst (Justid) jaarlijks voor meer dan 175.000 personen die door de organisaties in de strafrechtketen worden geregistreerd in de strafrechtketen-database (SKDB), de leidende administratieve identiteit vaststelt. In ongeveer 14.000 gevallen per jaar is een extra beoordeling van de identiteitsgegevens nodig. Deze cijfers zien op identiteitsvaststelling en correcties gedurende het gehele strafvorderlijke proces en zijn niet één-op-één te vertalen naar naamfouten in strafvonnissen.
Jaarlijks blijkt bij ongeveer 50 zaken dat na het onherroepelijk worden van een strafvonnis, er signalen zijn dat er een probleem is met de vastgestelde identiteit, waardoor mogelijk sprake is van een onjuist te naam gesteld vonnis. Daarover is aan uw Kamer gemeld dat dit sinds 2014 tot medio mei 2025 867 zaken betrof. Over 2025 zijn nu 36 zaken geïdentificeerd.
Om deze problematiek structureel en rechtstatelijk op te lossen, wordt momenteel een plan van aanpak uitgevoerd waarvan de hoofdlijnen eerder met uw Kamer zijn gedeeld. Kort samengevat bestaat dat uit:
De uitvoering van het plan van aanpak wordt aangestuurd door een programmadirecteur.
Op 10 november 2025 is uw Kamer nog geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak.3
Hoe vindt u dit zich verhouden tot het fundamentele uitgangspunt dat de strafrechter, en niet een uitvoerende dienst zoals Justid, rechtens vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk gehouden wordt?
Dit uitgangspunt onderschrijf ik: het is de strafrechter die vaststelt wie voor welk strafbaar feit verantwoordelijk is en welke straf of maatregel wordt opgelegd. Justid (en de Matching Autoriteit daarbinnen) stelt dit niet vast, maar zorgt voor een juiste verwerking en vindbaarheid van de identiteit in de ketenregistraties, op basis van de beschikbare bronnen en brondocumenten. Zie aanvullend mij antwoorden op de vragen 1 en 2.
Zijn er daadwerkelijk betrokkenen door dit soort fouten onterecht in detentie genomen? Zo ja, om hoeveel mensen gaat het? Bent u bereid om per omgaande te onderzoeken of er hierdoor mensen onterecht gedetineerd zijn en hoe gaat u om met de concrete gevolgen van deze onterechte detenties? Op welke materiële/immateriële ondersteuning kunnen onterecht gedetineerde mensen rekenen?
In de brief van 10 november 2025 informeerde mijn ambtsvoorganger uw Kamer over twee specifieke gevallen waarin personen als gevolg van een foutieve tenaamstelling in een vonnis, tijdens het controleren van hun identiteit kort gedetineerd zijn geweest. Nadat kon worden vastgesteld dat het niet ging om de betreffende dader, zijn zij in vrijheid gesteld.
Het voorkomen en zo nodig direct beëindigen van nadelige gevolgen voor onschuldigen heeft prioriteit. Daarom worden signalen over mogelijke foutieve tenaamstellingen met voorrang opgepakt en wordt – waar nodig – met ketenpartners gehandeld om gevolgen in strafrechtelijke procedures en de tenuitvoerlegging te voorkomen of te stoppen.
Voor eventuele materiële en immateriële gevolgen geldt dat bestaande wettelijke routes voor compensatie/schadevergoeding leidend zijn en dat dit per geval wordt beoordeeld. Betrokkenen worden daarbij zo nodig ondersteund met informatie om de juiste route te kunnen benutten.
Hoeveel mensen zijn als gevolg van deze praktijk ten onrechte op vrije voeten gebleven? Hoe gaat u ervoor zorgen dat het recht alsnog zijn beloop neemt?
Zoals ik u in de Kamerbrief van 10 november 2025 heb laten weten bleek uit de op dit moment nog lopende toetsing en afhandeling van de geregistreerde zaken op basis van het toetsings- en handelingskader, dat er sprake is van in elk geval één situatie waarin een straf niet ten uitvoer is gelegd als gevolg van een foutief te naam gesteld vonnis.4 In deze zaak staat de veroordeelde wel gesignaleerd.
In z’n algemeenheid geldt dat zodra er concrete aanwijzingen zijn dat een foutieve tenaamstelling leidt tot het risico dat een straf niet ten uitvoer is gelegd, dat signaal met ketenpartners – zoals het openbaar ministerie – wordt opgepakt. Mocht blijken van niet ten uitvoer gebrachte straffen, dan bezien de betrokken organisaties of alsnog tot tenuitvoerlegging kan worden overgegaan.
Waar nodig worden registraties hersteld binnen de bevoegdheidsgrenzen en worden bestaande mogelijkheden binnen de rollen en verantwoordelijkheden van de ketenpartners benut. Dat geldt ook voor bestaande wegen naar de rechter als het vonnis zelf moet worden herzien. Doel is dat het recht zijn beloop kan nemen, met waarborgen voor rechtsbescherming en rechtmatigheid.
Klopt het dat eerdere signalen van medewerkers zijn genegeerd? En wat is er gedaan met de onderzoeken van de Algemene Rekenkamer en de Auditdienst Rijk? Is er intern onderzoek gedaan naar deze naamfouten?
De Auditdienst Rijk (ADR) heeft een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de vraag waarom het in eerdere antwoorden toegelichte vraagstuk in de afgelopen jaren onopgelost is gebleven. Het ADR-rapport heeft verschillende oorzaken geconstateerd. Een ervan is dat medewerkers die het probleem aankaartten onvoldoende gehoord werden. De ADR deed 18 aanbevelingen voor maatregelen om de kans te vergroten dat in de toekomst sneller op onvolkomenheden wordt gereageerd. In de brief van 19 december 2025 aan uw Kamer is aangegeven dat de aanbevelingen van de ADR zullen worden uitgevoerd. Inmiddels zijn de acties in gang gezet. Onder andere wordt ervoor gezorgd dat er binnen Justid meer oog is voor zorgen van medewerkers en dat drempels voor meldingen van medewerkers worden weggenomen.
Gelet hierop is aanvullend (onafhankelijk) onderzoek naar sociale veiligheid en de bescherming van melders niet nodig.
Klopt het dat sprake is van een angstcultuur bij Justid? Zo ja, wat vindt u hiervan?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u van plan te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is geweest van een angstcultuur bij Justid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer over uw bevindingen informeren? Bent u bereid om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de sociale veiligheid op de werkvloer van Justid en hoe klokkenluiders beschermd worden?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat dergelijke fouten voortaan worden voorkomen?
Het voorkomen van nieuwe fouten is een expliciete pijler van de aanpak. Samen met ketenpartners wordt in kaart gebracht waar al aan het begin van de strafrechtketen processen rond identiteitsvaststelling kunnen worden versterkt, zodat nieuwe gevallen worden voorkomen. Tegelijkertijd geldt dat een volledig foutloze keten niet realistisch is, bijvoorbeeld door menselijke invoerfouten. Daarom wordt blijvend ingezet op zo snel mogelijke signalering en correctie binnen de wettelijke kaders. Dit is nadrukkelijk een ketenopgave. Daarom gebeurt dit in samenwerking met onder meer het OM, de Rechtspraak, de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, DJI, CJIB, Politie en KMAR. Ook de vreemdelingenketen is betrokken.
Vermeende Piramidespelen |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kent u de berichten dat tientallen Brabantse jongeren lid zijn van het vermeende piramidespel «For the people»1? Zo ja, wat vindt u van deze berichten?
Ja, ik ken deze berichten. Wanneer sprake is van wetsovertredingen of onrechtmatigheden vind ik het belangrijk dat hiertegen wordt opgetreden en dat mogelijke slachtoffers geholpen worden. Ik merk daarbij op dat op basis van de aangehaalde berichtgeving het niet om een piramidespel lijkt te gaan, maar om multi-levelmarketing.2 Waar in een concreet geval sprake van is, is ter beoordeling aan de toezichthouders.
Kunt u een indicatie geven van de aard en de omvang van het probleem van op sociale media aangeboden initiatieven die gekwalificeerd kunnen worden als piramidespel? Hoeveel initiatieven op sociale media zijn u bekend, waarbij met name jongeren worden geworven voor het aanschaffen van een «cursus», die op hun beurt worden ingezet om aan zoveel mogelijk anderen dezelfde «cursus» te verkopen?
Er zijn mij geen representatieve cijfers bekend over de aard en omvang van dergelijke initiatieven op sociale media.
Hoe wordt met het oog op de Wet op de kansspelen hierop gehandhaafd?
De Kansspelautoriteit (Ksa) houdt toezicht op de naleving van de Wet op de kansspelen (Wok) en beoordeelt of er in een specifiek geval sprake is van een piramidespel. Indien dat het geval is kan de Ksa handhaven door bijvoorbeeld een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom op te leggen.
Bent u het met de in het bericht genoemde wetenschapper eens dat de wetgeving zoveel gaten vertoont, dat bijna niet aan te tonen is dat een bepaald aanbod een piramidespel is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u zich voor om de rechtsbescherming van slachtoffers te versterken en de bestrijding van het aanbieden van piramidespelen te optimaliseren?
De ACM, de AFM en de Ksa hebben binnen de huidige geldende wet- en regelgeving voldoende bevoegdheden om onrechtmatigheden aan te pakken. Daarnaast kunnen gedupeerden zich wenden tot de civiele rechter.3 Per individueel geval zal beoordeeld moeten worden of er sprake is van een piramidespel zoals bedoeld in de Wok of andere frauduleuze verkoopmethodes. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders zelf om dit te beoordelen.