Het te lang liggen van meldingen kindermishandeling |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Meldingen kindermishandeling blijven te lang liggen bij Veilig Thuis, nog steeds»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht. Ieder kind heeft recht om op een veilige plek op te groeien. Bij signalen van onveiligheid, moet snel duidelijk worden wat een passend vervolg is. Daarom moet het stelsel beter en eenvoudiger, en wachttijden tot het minimum worden beperkt.
Deelt u de analyse van het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling (LECK) dat het aantal kinderen dat als slachtoffer van kindermishandeling wordt herkend, aan het stijgen is? Over hoeveel kinderen gaat het volgens u? In hoeveel gevallen gaat het over ernstige mishandelingen? Hoe vaak gaat het om seksueel misbruik?
Ja, uit de cijfers van Veilig Thuis blijkt dat zowel het aantal meldingen als het aantal adviesvragen de afgelopen jaren is gestegen. Ongeveer de helft hiervan heeft betrekking op kindermishandeling. Dit percentage is door de jaren heen stabiel gebleven, al is het aantal adviesvragen en meldingen met betrekking tot kindermishandeling in absolute aantallen gestegen. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nader overzicht.
Dat hoeft echter niet direct te betekenen dat kindermishandeling vaker voorkomt; het kan ook zijn dat onveilige situaties vaker worden gesignaleerd en dat vaker contact wordt opgenomen met Veilig Thuis. Het is positief dat Veilig Thuis wordt benaderd om situaties waarin kinderen zich mogelijk in onveiligheid bevinden waar nodig nader te onderzoeken.
In de beleidsinformatie die periodiek door Veilig Thuis met het CBS wordt gedeeld, wordt geen onderscheid gemaakt tussen «ernstige» en «niet-ernstige» mishandeling. Ik beschouw iedere situatie van mishandeling ook als één te veel en als schadelijk.
Voor seksueel misbruik bij kinderen is het beeld gemengd. Het aantal adviesvragen steeg van 3.635 in 2022 naar 4.515 in 2025, terwijl het aantal meldingen in diezelfde periode licht terugliep, van 1.985 naar 1.830.
Kunt u in een overzicht aangeven hoeveel meldingen van kindermishandeling er zijn gedaan sinds 2019? In hoeveel situaties is de wettelijke termijn voor de beoordeling van vijf dagen overschreden?
Veilig Thuis levert twee keer per jaar cijfers aan het CBS. Daaruit is op jaarbasis het volgende overzicht van het aantal meldingen kindermishandeling op te maken:
Jaar
Aantal meldingen kindermishandeling
2019
55.590
2020
62.795
2021
61.495
2022
62.460
2023
65.750
2024
67.030
2025
68.150
Er wordt landelijk niet bijgehouden wanneer de wettelijke termijnen worden overschreden. Vanuit de decentrale inrichting van de regionale Veilig Thuis-organisaties is het deels afhankelijk van de wijze van aanbesteding hoe de afzonderlijke Veilig Thuis-organisaties hierover verantwoording afleggen aan de gemeenten. Landelijk houdt de IGJ daarnaast toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken bij de individuele organisaties, waaronder ook de naleving van de termijnen.
Een exact percentage van het aantal gevallen waarin de wettelijke termijn voor het uitvoeren van de veiligheidsbeoordeling niet wordt gehaald, is daardoor niet goed te geven. Wel is bekend dat in de periode 2019–2025 gemiddeld tussen de 40 en 60 procent van de veiligheidsbeoordelingen niet tijdig werd afgerond en dat dit al jaren een structureel knelpunt is bij Veilig Thuis. Inspectierapporten laten zien dat geen enkele Veilig Thuis-organisatie alle onderzoeken binnen de wettelijke termijn afrondde, en dat in 2024 slechts 2 van de 25 organisaties erin slaagden ten minste 80% van de onderzoeken tijdig af te ronden. Op het overschrijden van deze wettelijke termijnen ga ik in de beantwoording van vraag 7 nader in. Voor de volledigheid wil ik hierbij benadrukken dat na ontvangst van een melding altijd binnen 24 uur een eerste triage wordt uitgevoerd, en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Welke rol speelt volgens u het personeelstekort bij deze problematiek of zijn er andere oorzaken? Zo ja, welke zijn dat?
Voor het overschrijden van de wettelijke termijnen zijn meerdere oorzaken aan te wijzen. Een tekort aan personeel speelt daarbij zeker een rol, maar ook de beperkte capaciteit bij samenwerkingspartners van Veilig Thuis en de toegenomen complexiteit van de casuïstiek. Al deze factoren samen verklaren waarom de termijnen niet altijd worden gehaald.
In hoeveel situaties sinds 2019 is na een veiligheidsbeoordeling besloten over te gaan tot onderzoek? Hoe vaak is de termijn van tien weken overschreden? Hoe vaak is de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld?
De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal afgeronde diensten onderzoek door Veilig Thuis.
Jaar
Aantal afgeronde diensten onderzoek totaal (alle vormen van huiselijk geweld inclusief kindermishandeling)
Aantal afgeronde diensten onderzoek specifiek bij een vermoeden van kindermishandeling
2019
6.100
2.440
2020
7.305
3.735
2021
7.615
4.025
2022
7.585
4.145
2023
7.530
4.335
2024
7.720
4.610
2025
7.435
4.405
Totaal
51.290
27.695
Ook voor de termijn van 10 weken voor het afronden van een onderzoek geldt dat naleving niet centraal wordt geregistreerd, waardoor helaas niet exact bekend is hoe vaak de termijn van tien weken wordt overschreden. Ik vind het belangrijk dat er meer uniformiteit en daarmee ook een beter landelijk overzicht komt, en werk daarom samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis hard aan het meer gelijk maken van werkprocessen en data.
In de tabel hieronder het gevraagde overzicht van het aantal keer dat Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming heeft ingeschakeld:
Jaar
Aantal afgeronde casussen met overdracht naar de Raad voor de Kinderbescherming
2019
355
2020
520
2021
620
2022
565
2023
595
2024
630
2025
490
Totaal
3.775
Hoe lang moeten kinderen en gezinnen gemiddeld wachten op hulp van Veilig Thuis? Kunt u dit ook aangeven vanaf 2019? Hoeveel kinderen zitten er nu in een situatie die onveilig is?
Zoals hierboven toegelicht, is er wel inzicht in cijfers over het aantal meldingen en adviesvragen bij Veilig Thuis, maar niet in concrete gegevens over wachttijden en wachtlijsten. Daardoor kan er geen antwoord worden geven op de vraag wat de gemiddelde wachttijd voor gezinnen is na een melding. Tegelijkertijd vind ik het belangrijk dat dit beeld er in de toekomst wel komt. Daarom werk ik met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis aan uniformiteit in de registratie van deze gegevens.
Evenmin is bekend hoeveel kinderen zich op dit moment in een onveilige situatie bevinden. Ook de cijfers van Veilig Thuis bieden hier geen uitsluitsel: zij geven uitsluitend een beeld van het aantal huishoudens waarover jaarlijks een melding wordt gedaan, niet van de totale omvang van kinderen in onveiligheid.
Hoe reflecteert u op het feit dat regelmatig de termijnen voor enerzijds de veiligheidsbeoordeling en anderzijds het onderzoek erna worden overschreden?
Het is duidelijk dat Veilig Thuis onder grote druk staat en dat dit helaas leidt tot het overschrijden van de wettelijke termijnen. Ondanks de vele initiatieven die de afgelopen jaren zijn ondernomen, is het niet gelukt de wachtlijsten weg te werken. Dit is zorgelijk.
Hierbij is het goed om te vermelden dat, zoals ook in dit NOS-artikel staat, los van een eventuele wachtlijst bij een melding altijd direct een triage wordt uitgevoerd en dat bij signalen van directe ernstige onveiligheid altijd meteen wordt gehandeld.
Daarbij is het belangrijk te blijven beseffen dat dit niet alleen een probleem is van Veilig Thuis zelf, maar van de keten als geheel. Met het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming wordt gewerkt aan een stelselwijziging die ook de structurele knelpunten in de keten moet aanpakken: een stelsel dat eenvoudiger moet worden, met minder overdrachten van gezinnen en huishoudens.
Tegelijkertijd blijven we zoeken naar manieren om de wachtlijsten ook op kortere termijn terug te dringen. Daarvoor is het van belang een beter landelijk beeld te krijgen van de omvang en oorzaken van de problematiek. Uniformiteit tussen de 25 Veilig Thuis-organisaties is daarbij een cruciale voorwaarde, net als verdere verbetering van de werkprocessen waar dat mogelijk is. Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie van JenV en de IGJ onderzoeken we hoe we de wettelijke basis en bijpassende kwaliteitseisen kunnen aanscherpen om tot meer uniformiteit te komen.
Herkent u de constatering van de heer Feiner van de Vereniging Sociale Advocatuur Nederland die stelt dat Veilig Thuis moeite heeft «om het kaf van het koren te scheiden: wanneer is er echt sprake van ernstige vermoedens en wanneer niet»? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om verbetering te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Het beoordelen van signalen en het inschatten van veiligheidsrisico's behoren tot de kerntaken van Veilig Thuis. Zoals ook in het antwoord op vraag 7 is benoemd, worden ondanks de bestaande wachtlijsten alle meldingen binnen 24 uur op urgentie beoordeeld door daartoe opgeleide professionals. Op basis van de inhoud van de melding wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarin sprake is van acute of ernstige onveiligheid en situaties waarin een andere vorm van vervolg, ondersteuning of monitoring meer passend is. Hierbij moet Veilig Thuis afgaan op de informatie die zij krijgt. Samenwerking van Veilig Thuis met overige ketenpartners is dan cruciaal om het beeld van mogelijke onveiligheid scherper te krijgen en gezamenlijk tot een passend vervolg van ondersteuning, hulp en/of bescherming te komen. Deze gezamenlijke opgave vraagt ook om bredere oplossingen binnen het stelsel, waaronder een betere samenwerking tussen lokale teams en veiligheidspartners, zoals uitgewerkt in het Toekomstscenario.
Wat kunnen ouders doen wanneer er ernstige vermoedens zijn van mishandeling van hun kind door hun (ex-)partner of onveiligheid en zij het gevoel hebben dat dit niet serieus wordt genomen door betrokken instanties, of zij wachten op een onderzoek?
Ouders die wachten op een vervolgactie van Veilig Thuis kunnen altijd contact opnemen als zij het gevoel hebben dat de situatie niet langer kan wachten of dat er iets is veranderd. Zoals eerder aangegeven beoordeelt Veilig Thuis elke nieuwe melding opnieuw op acute onveiligheid.
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis nog onvoldoende regelmatig de Raad voor de Kinderbescherming inschakelt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u en ziet u mogelijkheden om dit alsnog te stimuleren?
Een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming vereist een zorgvuldig proces in afstemming met betrokken organisaties en gemeenten. Bij ernstige gevallen vind ik het van belang dat Veilig Thuis of een andere betrokken organisatie de Raad voor de Kinderbescherming zo spoedig mogelijk inschakelt. Dit vraagt ook om een goede gezamenlijke analyse om de aard en ernst van een situatie goed te kunnen inschatten, iets wat vanuit het Toekomstscenario verder wordt versterkt.
Waar dat mogelijk en verantwoord is, streven we tegelijkertijd naar passende oplossingen binnen het vrijwillige kader. In die gevallen is het vooral belangrijk dat het gezin vanuit de juiste expertise bij de professionals tijdig de ondersteuning krijgt die het nodig heeft.
Overigens is het aandeel van Veilig Thuis-meldingen in de totale instroom bij de Raad voor de Kinderbescherming al jarenlang ongeveer 17 procent.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 over «het onderzoek naar de pleegzorg van een mishandeld meisje in Vlaardingen» om de positie van kinderen zelf te verbeteren en naar hen te luisteren bij situaties van mogelijk misbruik? Bent u van mening dat Nederland momenteel voldoet aan het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan het Kinderrechtenverdrag. Dat betekent dat wij als kabinet een positieve verplichting hebben om kinderen in staat te stellen zich optimaal en veilig te ontwikkelen. Dat vraagt van alle betrokkenen voortdurende inzet en aandacht. De situatie van het zwaar mishandelde meisje dat verbleef in een pleeggezin in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat het niet altijd en overal lukt om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Een van de kernbepalingen uit het Kinderrechtenverdrag is dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan.2 Daarom zijn sinds het debat van 4 maart 2025 meerdere verbeterpunten gerealiseerd binnen de pleegzorg, jeugdbescherming en Veilig Thuis om de stem van kinderen te versterken.
Allereerst wordt binnen de Richtlijn Pleegzorg de focus meer gelegd op formele en informele vertrouwenspersonen, in aanvulling op het betekenisvol 1-op-1 contact tussen de professional en het pleegkind. Eveneens heb ik, in lijn met de motie Westerveld3, opdracht gegeven aan Jeugdstem om samen met ervaringsdeskundige jongeren uit de pleegzorg, de NVP en de Alliantie Informele Steun een informatiepakket te maken voor pleegkinderen zodat zij weten dat zij recht hebben op de hulp van vertrouwenspersonen en informele steunfiguren. Dit informatiepakket bestaat onder andere uit het «Ken-je-rechten-boekje» specifiek voor pleegkinderen, informatievideo’s en podcastafleveringen. Jeugdstem zal ook informatie beschikbaar maken voor pleegzorgbegeleiders, zodat deze ook over de juiste informatie beschikken. Jeugdstem verwacht in september het informatiepakket voor pleegkinderen gereed te hebben.
Daarnaast heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 2025 de positie van het kind versterkt, onder andere door het verbeteren van het kindgesprek, het inzetten van een ervaringsdeskundigen en het aanscherpen van de handreiking «Praten met kinderen over seksueel misbruik».
De Gecertificeerde Instellingen hebben naar aanleiding van het inspectierapport van 25 september 2025 een plan van aanpak opgesteld waarin onder andere gewerkt wordt aan de gezamenlijke uitgangspunten voor betekenisvolle face-to-face contacten. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de werkwijze die in het kader van het Toekomstscenario is ontwikkeld. Voorts is de afgelopen jaren met het landelijk tarief de workload van de jeugdbeschermer verlaagd met bijna 30%. Dit geeft meer ruimte voor betekenisvol contact van de jeugdbeschermer met het kind en het gezin. Specifiek voor de William Schrikker Stichting geldt dat naar aanleiding van de ernstige mishandeling in Vlaardingen maatregelen zijn genomen om het zicht op veiligheid van het kind te verbeteren, bijvoorbeeld door ieder kwartaal een toets uit te voeren op de actualiteit van kind-alleen-gesprekken.
Vanuit Veilig Thuis is er al een protocol voor het handelen bij disclosure, dat is wanneer een kind zelf aangeeft mishandeld te worden. Disclosure valt in alle gevallen onder vermoedens van acuut en/of ernstig structureel huiselijk geweld. Bij een melding bij Veilig Thuis waar sprake is van disclosure moet altijd een vertrouwensarts worden betrokken en moet een «top tot teen»-onderzoek plaatsvinden.
De vreselijke gebeurtenis in Vlaardingen liet pijnlijk zien dat bij een deel van de professionals nog te weinig bekend was over disclosure en de afgesproken handelingsperspectieven. Daarom heeft Veilig Thuis vooral geïnvesteerd in het creëren van bewustwording rondom disclosure, zowel door rechtstreekse voorlichting aan professionals als door veel aandacht hierover op het nieuwe digitaal platform (o.a. met AI-chatbots). Ook is er brede aandacht voor de adviesfunctie voor professionals en heeft verbetering plaatsgevonden van meldings-en informatiesystemen. Daarnaast vindt voorlichting plaats op scholen over de radarfunctie van Veilig Thuis en via digitale kanalen. Tot slot verbetert Veilig Thuis zelf ook de gespreksvoering met kinderen door de medewerkers te trainen in systematische gespreksvoering met kinderen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling (NICHD-methode).
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om het toezicht te verbeteren? Hoe reflecteert u op het feit dat er momenteel nog steeds geen onafhankelijk toezicht is op het handelen van Veilig Thuis?
Op het handelen van Veilig Thuis wordt onafhankelijk toezicht gehouden door de IGJ. Dit toezicht is zowel risicogestuurd als thematisch van aard. Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024. Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld.
De IGJ toetst of Veilig Thuis voldoet aan de geldende normen en verplichtingen op vier terreinen: veiligheid, de mate waarin gezinnen en huishoudens centraal worden gesteld, de deskundigheid van professionals en goed bestuur. Hiervoor heeft zij in januari 2025 ook een geactualiseerd toetsingskader opgesteld.
Daarnaast geldt voor Veilig Thuis een meldplicht bij de IGJ wanneer zich calamiteiten of incidenten voordoen in zaken waarbij zij betrokken is. De IGJ beoordeelt vervolgens onafhankelijk of nader onderzoek nodig is.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om de werkwijze van organisaties te verbeteren en jeugdzorg en jeugdbescherming beter op elkaar aan te laten sluiten? Wordt er gewerkt aan wetsvoorstellen? Wat is de planning?
Naar aanleiding van de gebeurtenissen in Vlaardingen, het toezicht van de IGJ en het debat van 4 maart 2025 zijn pleegzorgorganisaties en gecertificeerde instellingen gezamenlijk aan de slag gegaan met het verbeteren van de samenwerking. De Ministeries van JenV en VWS hebben Jeugdzorg Nederland, als koepel voor pleegzorg en jeugdbescherming, de opdracht gegeven om de Handreiking samenwerkingsafspraken Jeugdbescherming-Pleegzorgaanbieder uit 2016 te actualiseren. Vanuit Jeugdzorg Nederland zijn hiervoor projectleiders aangetrokken. In dit traject zijn onder andere de volgende onderwerpen meegenomen: versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen professionals, samenwerkingsafspraken met gezinshuizen en optimaal betekenisvol contact met het kind. De planning voor het vaststellen van deze hernieuwde samenwerkingsafspraken is najaar 2026. Aanvullend op deze samenwerkingsafspraken zijn er geen wetsvoorstellen in voorbereiding.
Welke concrete verbeterpunten zijn er gerealiseerd na het debat van 4 maart 2025 om scholen en andere betrokkenen een betere terugkoppeling te geven als zij melding doen bij Veilig Thuis van vermoedens over kindermishandeling?
In regio’s zijn stappen gezet om de verbinding tussen school en onderwijs te versterken. Onder meer door het aanstellen van vaste contactpersonen voor onderwijspartners. Deze contactpersonen zijn goed bereikbaar en gemakkelijk te vinden voor scholen, beantwoorden vragen vanuit het onderwijs en vertalen signalen en verbeterpunten intern door binnen Veilig Thuis. Overigens is in het Handelingsprotocol van Veilig Thuis opgenomen dat scholen vanuit Veilig Thuis altijd de informatie krijgen die noodzakelijk is voor een goede uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Ook krijgt de school altijd een terugkoppeling.
Op welke manier is de screening van pleegouders verbeterd na het debat van 4 maart 2025? En op welke manier de ondersteuning van pleegouders?
Een goede screening van pleegouders is belangrijk. Hiervoor moet een zorgvuldige procedure doorlopen worden, bestaande uit voorbereiding en beoordeling van de geschiktheid van pleegouders door de pleegzorgaanbieders, aangevuld met een justitiële screening door de Raad voor de Kinderbescherming.
De IGJ heeft in het thematisch toezicht naar de pleegzorg onder meer gekeken naar de screening en heeft op dit gebied geen aanbevelingen gedaan.
Desalniettemin hebben pleegzorgaanbieders het Kwaliteitskader Voorbereiding en Screening vervroegd geëvalueerd. Binnen deze evaluatie wordt kritisch gekeken naar het opvragen van referenten, informatie-uitwisseling tussen pleegzorgaanbieders onderling en screening en voorbereiding van netwerkpleegouders. Het nieuwe Kwaliteitskader is eind vorige maand bestuurlijk vastgesteld.
Ten aanzien van de justitiële screening (Verklaring van Geen Bezwaar) die de Raad voor de Kinderbescherming op verzoek van de pleegzorgaanbieder uitvoert, past de RvdK sinds de herziening van zijn handreiking in februari 2025 consequent het vier-ogen-principe toe bij besluitvorming over (her-)screeningen van pleeggezinnen. Ter versterking van de zorgvuldigheid raadpleegt de RvdK op vaste momenten in het justitiële (her-)screeningstraject de Gecertificeerde Instelling en de pleegzorgaanbieder op het moment dat er zorgen zijn. Indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft kunnen er meer informanten worden geraadpleegd.
Naast een goede screening is vooral goede ondersteuning en begeleiding van pleegouders belangrijk, zodat eventuele zorgen over de opvoedsituatie tijdig in beeld komen. De ondersteuning en begeleiding van pleegouders gebeurt primair door de pleegzorgwerkers en begeleiding vanuit de aanbieders. De komende periode geven de pleegzorgaanbieders uitvoering aan hun verbeteragenda, waar het versterken van de begeleiding van pleegouders een kernonderdeel van is.
Verder is het van belang dat pleegouders ergens terecht kunnen met vragen en klachten, als zij er niet uitkomen met de pleegzorgbegeleiding. Hiervoor geef ik subsidie aan de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen en Jeugdstem. Zij kunnen pleegouders ondersteunen. Aanvullend heb ik maatregelen genomen voor het beter ondersteunen van pleeggezinnen zoals het financieel mogelijk maken van kinderopvang voor pleegkinderen en het uitbreiden van de bijzondere kostenvergoeding in het vrijwillig kader.
Hoe kan het dat de aantallen kinderen die herkend worden als slachtoffer van kindermishandeling stijgt, maar de financiering van het LECK niet meegroeit? Wat heeft u concreet gedaan met de aangenomen motie Krul-Westerveld waarin wordt gevraagd de expertise van het LECK te borgen (Kamerstuk 31 015, nr. 299)?
Het LECK heeft als primaire taak artsen te adviseren bij vermoedens van kindermishandeling. Dit advies is gebaseerd op medische informatie en fotomateriaal en richt zich op de vraag of geconstateerd letsel past bij de beschreven toedracht, of dat er aanwijzingen zijn voor mogelijke kindermishandeling. Voor een zorgvuldige beoordeling is het daarbij van belang dat het LECK beschikt over kwalitatief goede informatie.
Via de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling zijn er verschillende routes waarlangs deze expertise kan worden ingezet. Zo kan Veilig Thuis medische professionals adviseren eerst een consult bij het LECK aan te vragen voordat een melding wordt gedaan. Daarnaast kunnen Veilig Thuis en vertrouwensartsen bij een vermoeden van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik advies of onderzoek laten uitvoeren door een forensisch arts.
Het aantal adviezen van het LECK is de afgelopen jaren toegenomen, en ook de financiering is in die periode substantieel gegroeid. Ik vind het belangrijk dat de expertise van het LECK behouden blijft en toegankelijk is voor de professionals die daarop zijn aangewezen. In lijn met de aangenomen motie Krul-Westerveld ben ik daarom met het LECK en andere betrokken partijen in gesprek over hoe deze expertise duurzaam kan worden geborgd. Daarnaast verken ik hoe de samenwerking en afstemming tussen gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, forensische expertiseorganisaties en het LECK in breder verband verder versterkt kunnen worden.
Hoe reflecteert u, gezien de forse problemen in het stelsel, op het gebrek aan financiële middelen voor het Toekomstscenario Kind- en gezinsbescherming en het uitblijven van gerichte, structurele investeringen in de jeugdbescherming?
Ik herken de ernst van de problemen binnen het stelsel. Met de betrokken partners voer ik overleg over de aanpak daarvan, vooralsnog binnen het bestaande financiële kader en met de extra POK-middelen die regio's hebben ontvangen: € 18 miljoen in 2026 en € 17 miljoen in 2027. Over de veranderstrategie van het Toekomstscenario zal ik uw Kamer in juli informeren.
steeds).
De evacuatie van gedetineerden uit PI Vught |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat na de brand in de Penitentiaire Inrichting (PI) Vught in korte tijd voor 162 gedetineerden elders plek is gevonden?1
Ja.
Hoe verklaart u dat binnen zeer korte tijd voor tientallen gedetineerden elders capaciteit beschikbaar bleek, terwijl al langere tijd wordt gewezen op een ernstig tekort aan celcapaciteit?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft alles op alles gezet om alle beschikbare plekken tijdelijk te benutten als noodoplossing. Er zijn vrije plekken in de Vreemdelingenbewaring en enkele isoleercellen ingezet. In een aantal gevallen is personeel van de PI Vught meegegaan met de gedetineerden omdat de ontvangende inrichting wel plekken maar geen personeel had. Dit was alleen voor enkele dagen mogelijk en is geen duurzame oplossing. Op 26 mei jl. is geconstateerd dat de unit in Vught weer veilig in gebruik kon worden genomen en zijn alle gedetineerden in de nacht van 26 op 27 mei weer ingesloten in hun eigen cel.
Betekent dit dat er feitelijk meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen aanwezig is dan eerder werd aangenomen? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is niet meer beschikbare capaciteit binnen het gevangeniswezen dan eerder werd aangenomen. De capaciteit die nu is ingezet, biedt geen structurele oplossing en kon alleen voor enkele dagen worden ingezet als noodoplossing.
Deelt u de opvatting dat het onbegrijpelijk zou zijn wanneer enerzijds wordt gesproken over cellentekorten, terwijl anderzijds in crisissituaties kennelijk in korte tijd aanzienlijke capaciteit beschikbaar blijkt? Zo nee, waarom niet?
Zoals in vraag 2 en 3 aangegeven heeft DJI alles op alles gezet om deze groep gedetineerden kortdurend te verplaatsen, ook naar plekken die niet geschikt zijn voor een langere periode of waar geen personeel beschikbaar was. Dit was dus een tijdelijke noodoplossing.
Kunt u aangeven waar deze 162 gedetineerden precies zijn ondergebracht en op basis waarvan daar ruimte beschikbaar was?
Van de 162 gedetineerden is er voor circa 140 extern een plek gevonden. Deze gedetineerden zijn verplaatst naar zeven verschillende inrichtingen. Zoals hierboven vermeld is dit in een aantal gevallen gebeurd met het meesturen van personeel vanuit PI Vught. De overige gedetineerden zijn intern verplaatst.
Hoe is bij de overplaatsing van de 162 gedetineerden gewaarborgd dat hoogrisicogedetineerden of gedetineerden uit criminele netwerken niet in contact komen met personen met wie zij om veiligheidsredenen juist gescheiden dienen te blijven?
Het betrof de evacuatie van een unit waar geen hoog risico gedetineerden waren geplaatst. De tijdelijke overplaatsing heeft op een veilige manier plaatsgevonden.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de motie-Schilder over het hanteren van meerpersoonscellen als norm waar dit veilig en verantwoord kan (Kamerstuk 36 800 VI, nr. 127)?
Waar mogelijk wordt ingezet op het gebruik van meerpersoonscellen (MPC). Concreet betekent dit dat – indien de gebouwelijke voorzieningen en de veiligheid van zowel gedetineerden als het personeel dit toelaten – MPC’s worden ingezet.
Hoeveel extra celplaatsen zouden op korte termijn kunnen worden gerealiseerd indien meerpersoonscellen breder worden toegepast?
Er zijn op korte termijn geen extra MPC’s te realiseren binnen de bestaande capaciteit. Conform de motie Eerdmans2 wordt in het geval van renovatie en uitbreiding van capaciteit ingezet op de realisatie van zo veel mogelijk MPC’s.
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Ja.
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Wanneer de bekende donor erkenning wenst, dan is indien het kind nog geen zestien jaar is, de schriftelijke toestemming van de moeder of de vader vereist.2 In het geval er geen toestemming wordt gegeven, dan kan deze toestemming door de toestemming van de rechtbank worden vervangen.
Als een bekende donor het kind wil erkennen, moet deze allereerst de biologische ouder zijn, zonder dat hij de verwekker is (niet de daad heeft verricht). Ook moet de bekende donor een nauwe persoonlijke betrekking hebben met het kind. De rechtbank verleent in ieder geval geen toestemming voor erkenning als dit de belangen van de moeder schaadt, als daar een ongestoorde verhouding bestaat of als de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in gevaar komt.3
Een donor heeft niet automatisch recht op omgang met het kind enkel omdat hij de biologische vader is. Onder (uitzonderlijke) omstandigheden kan wel een beroep gedaan worden op het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking, op grond waarvan familieleven in de zin van artikel 8 EVRM wordt aangenomen.4 Het enkele feit dat er een biologische band tussen de donor en het kind bestaat, is onvoldoende om te spreken over nauwe persoonlijke betrekking.5 Volgens vaste rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad zijn bijkomende omstandigheden vereist. Relevante factoren voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking zijn onder meer de aard van de relatie tussen de biologische ouders (tussen de moeder en de donor) en de aantoonbare belangstelling en betrokkenheid van donor bij het kind, zowel vóór als na de geboorte.6 In uitzonderlijke situaties kunnen deze omstandigheden ertoe leiden dat sprake is van nauwe persoonlijke betrekkingen waardoor familieleven wordt vastgesteld. De afweging of de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat is dus zeer context-gebonden. Gemaakte afspraken in bijvoorbeeld een donorovereenkomst tussen de wensouder(s) en donor kunnen doorslaggevend zijn voor het bepalen of de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Een donorovereenkomst dient immers ter vastlegging van de intenties en afspraken van wensouder(s) en de bekende donor. Door middel van die overeenkomst proberen partijen duidelijkheid te scheppen en onduidelijkheid in de toekomst te voorkomen over de rol van de donor.
Nadat is vastgesteld dat de donor in nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, wordt voor het bepalen van een omgangsregeling in de eerste plaats bezien of een omgangsregeling in het belang van het kind is. Het belang van het kind staat voorop. Dit betekent dat gemaakte afspraken in bijvoorbeeld een donorovereenkomst in een procedure terzijde kunnen worden geschoven wanneer die afspraken niet in het belang van het kind zijn.
In procedures kan daarnaast onduidelijkheid bestaan over hetgeen in de donorovereenkomst is beoogd, zodat deze overeenkomst aan de kant wordt gezet. Ook kunnen er bepaalde afspraken zijn gemaakt in de donorovereenkomst op het gebied van afstammings-, gezags- of omgangsrecht die nietig of vernietigbaar zijn, waardoor de donorovereenkomst (gedeeltelijk) wordt gepasseerd.
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Graag verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (www.donorconceptie.nl), dat wordt gefinancierd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, informeert wensouders en aspirant-donoren over de juridische aspecten van donorconceptie. Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie adviseert wensouders en donoren bovendien om zich bij het opstellen van de donorovereenkomst te laten begeleiden door een gespecialiseerde advocaat of notaris, zodat de juridische consequenties van de te maken afspraken uitgelegd kunnen worden.
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Bij de afweging of bijvoorbeeld omgang in het belang van het kind is, worden door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) en door rechters alle omstandigheden omtrent het kind betrokken.
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Uit onderzoek volgt dat het in de huidige praktijk niet vanzelfsprekend is dat de impact van huiselijk geweld en onveiligheid wordt meegewogen in rechterlijke beslissingen over zorgregelingen, omgang en gezag.7 De noodzaak om tot verbeteringen te komen is bevestigd door gesprekken met diverse betrokken organisaties, experts en ervaringsdeskundigen. Immers, het meemaken van huiselijk geweld en kindermishandeling als slachtoffer of getuige is al ingrijpend. Wanneer daar vervolgens onvoldoende of geen aandacht voor is in de juridische procedure is dat onwenselijk en kan zelfs schadelijk zijn. Overigens is gebleken dat dit knelpunt niet alleen de familierechtelijke procedures betreft, maar ook de jeugd- of strafrechtelijke procedures. Het is evident dat dit anders moet. Daarom zijn wij samen met de organisaties aan de slag met het verbetertraject met als doel huiselijk geweld en kindermishandeling in het familie-, jeugd- en strafrecht beter te onderzoeken, naar voren te brengen en mee te nemen. Waar voorheen het uitgangspunt vooral was dat contact of omgang met beide ouders het meest in het belang van het kind was, willen we met de betrokken partners er naartoe werken dat in die belangenafweging (het risico op) getuige zijn van huiselijk geweld ook prominent wordt meegewogen. Uw Kamer wordt voor de zomer in de voortgangsbrief Geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Ja.
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Ik deel de zorg dat juridische procedures gebruikt kunnen worden als middel van druk, controle en intimidatie. In algemene zin geldt dat, om misbruik van procesrecht te voorkomen, het noodzakelijk is dat wordt gewaarborgd dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, waaronder dwingende controle, dit altijd wordt meegewogen in de familierechtelijke procedure. Daartoe dient voornoemd verbetertraject. Dit verbetertraject ziet onder meer op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter, kennisbevordering van de betrokken professionals en het ontwikkelen van een toetsingskader. Uw Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de voortgang van het verbetertraject.
Daarnaast geldt dat de toegang tot de rechter een grondrecht is, dat vraagt om verantwoord gebruik. Mogelijk misbruik van sommigen kan moeilijk een rechtvaardiging vormen voor het beperken van de toegang tot de rechter van allen. Het is aan de wetgever in het algemeen en de rechter in individuele gevallen om een passend evenwicht te vinden tussen de verwezenlijking van de procedurele rechten van partijen en de bescherming tegen misbruik van procedures.
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Graag verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
In het onderzoek van de RvdK wordt gekeken naar het belang van het kind enerzijds om te weten van wie het afstamt en om daarmee contact te mogen hebben, en anderzijds om veilig op te mogen groeien. Wanneer er sprake lijkt te zijn van signalen van onveiligheid, is de RvdK terughoudend met hun advies over het laten vastleggen van directe afspraken ten aanzien van omgang, alvorens hier meer duidelijkheid over ontstaat en er een juiste afweging gemaakt kan worden tussen het belang van omgang en het belang van veiligheid.
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Nee, ik beschik niet over dergelijke cijfers. Zoals ik bij het antwoord van vraag 2 en 3 heb aangegeven is een rechterlijke beslissing omkleedt met verschillende voorwaarden, waarin de donorovereenkomst doorgaans ook wordt meegenomen in de afweging. Op dit moment zie ik geen aanleiding voor een breder onderzoek.
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Ja, ik acht de huidige informatievoorziening over de juridische risico’s van donorconceptie aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk. Zoals in de beantwoording van vraag 4 aangegeven, informeert het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (www.donorconceptie.nl) wensouders en aspirant-donoren over de juridische aspecten van donorconceptie. Het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie adviseert wensouders en donoren bovendien om zich bij het opstellen van de donorovereenkomst te laten begeleiden door een gespecialiseerde advocaat of notaris, zodat de juridische consequenties van de te maken afspraken uitgelegd kunnen worden. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft geen rol bij de inhoud van individuele donorovereenkomsten of andere afspraken die tussen betrokkenen worden gemaakt of notarieel worden vastgelegd.
Het kabinet ziet op dit moment geen noodzaak om aanvullend beleid of wetgeving te ontwikkelen voor alleenstaande wensmoeders die gebruikmaken van een bekende donor. Op donorconceptie.nl is reeds toegankelijke en betrouwbare informatie beschikbaar over verschillende vormen van donorconceptie, waaronder het gebruik van bekende donoren door alleenstaande wensmoeders.
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Zie antwoord vraag 12.
Gevangenisbussen voor Oekraïne |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kan de Kamer het Oekraïense verzoek gericht aan Nederland voor de levering van gevangenisbussen ontvangen?
Op 13 mei 2026 is een verzoek op grond van de Wet Open Overheid (WOO) van gelijke strekking ingediend. Bij dit verzoek is er om openbaarmaking van dezelfde documenten verzocht. Naar verwachting zal het besluit op dit WOO-verzoek in de zomer volgen, waarmee de informatie waar mogelijk openbaar zal zijn. Ik zal het besluit op het WOO-verzoek met uw Kamer delen.
Kan de Kamer (daarnaast) alle overige communicatie ontvangen tussen de Nederlandse regering en Oekraïne over de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd aan Oekraïne?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze staat het Oekraïense gevangeniswezen precies «onder druk»? Is het aantal gevangen in Oekraïne de afgelopen jaren niet juist heel sterk gedaald?1 Vanwaar die plotselinge Oekraïense behoefte aan extra «gevangenisbussen»? «Vanwege een tekort aan transportcapaciteit voor gedetineerden»?2 Dat ligt toch niet voor de hand bij een (sterk) dalende gevangenispopulatie?
Het gevangeniswezen in Oekraïne betreft, wanneer het over de gevangenispopulatie gaat, een van de grotere systemen in Europa.3
Het gevangeniswezen van Oekraïne staat onder directe druk door de aanhoudende oorlog en de situatie in de door het conflict getroffen en/of risicovolle gebieden: van de 91 bestaande gevangenissen zijn er zeven door Rusland bezet, zijn er twee volledig verwoest en hebben er twaalf aanzienlijke schade opgelopen. Sinds 2022 heeft Oekraïne twaalf gevangenissen en ongeveer 4000 gevangenen moeten verplaatsen. Oekraïne heeft aangegeven dat er een groot tekort is aan materieel binnen het gevangeniswezen, waaronder transportcapaciteit voor gedetineerden. Oekraïne heeft via Europris – de Europese netwerkorganisatie voor het gevangeniswezen – een oproep gedaan om hulp van andere Europese landen op dit gebied. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zag hierop de mogelijkheid om twintig, in Nederland reeds afgeschreven, gedetineerden bussen te schenken. Deze gebruikte bussen helpen om transport van gedetineerden veilig en humaan te organiseren en het schenken daarvan past bij de steun van dit Kabinet aan Oekraïne.
Bent u bekend met de talloze berichten en video’s, niet alleen op de sociale media maar inmiddels zelfs ook in de mainstreammedia, van Oekraïners die met (veel) geweld en tegen hun zin, plotseling van straat of zelfs uit hun woning worden getrokken en door militairen vervolgens in mobilisatiebussen worden geslagen, geduwd en afgevoerd?3
Ja.
Lig het niet veel en veel meer voor de hand dat de twintig gevangenisbussen die Nederland heeft geleverd hiervoor gebruikt zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De bussen zijn overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen voor specifiek gebruik binnen detentie en transport van gedetineerden. Met deze bussen kan Oekraïne zorgdragen voor het veilig en humaan vervoeren van gedetineerden. De bussen zijn hiervoor ontwikkeld en met dit doel heeft Nederland de bussen geschonken. Nadat de bussen zijn overgedragen is Oekraïne de eigenaar geworden van de bussen.
Kunt u aan Oekraïne vragen of de Nederlandse gevangenisbussen worden gebruikt voor het (met geweld) afvoeren (naar het front) van Oekraïners die tegen hun zin gemobiliseerd worden? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 5 aangegeven zijn de bussen overgedragen aan het Ministerie van Justitie van Oekraïne specifiek voor de inzet binnen detentie en het transport van gedetineerden zodat dit veilig en humaan kan plaatsvinden. Het Ministerie van Justitie van Oekraïne is daarmee verantwoordelijk voor de wijze waarop deze bussen ten behoeve van het Oekraïense gevangeniswezen worden ingezet. De mobilisatie wordt in Oekraïne uitgevoerd door het Ministerie van defensie.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse gevangenisbussen gebruikt worden voor het vervoeren van Oekraïners die, vaak met veel geweld, gedwongen worden gemobiliseerd?
Zie antwoord vraag 6.
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Tijs van den Brink (CDA), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Ja.
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Ik vind de signalen die naar voren komen in de uitzending van Zembla zorgelijk en neem deze serieus. Het inzetten van rolmodellen, waaronder streamers en influencers, voor online kansspelreclame is sinds de inwerkingtreding van het rolmodellenverbod per 30 juni 2022 niet toegestaan. Dit verbod is destijds ingevoerd om met name jongeren en jongvolwassenen beter te beschermen tegen de risico’s van kansspelen en negatieve beïnvloeding door rolmodellen in dat kader. Jongeren zijn bijzonder kwetsbaar voor beïnvloeding, omdat de impulscontrole op die leeftijd nog onvoldoende is ontwikkeld.
Het beeld dat uit de uitzending naar voren komt, laat zien dat er in de praktijk constructies zijn gebruikt die op gespannen voet staan met de bedoeling van de regelgeving. Dat vind ik kwalijk, des te meer als deze constructies gebruikt worden om jongeren te bereiken.
De Kansspelautoriteit (Ksa) is belast met het toezicht op de naleving van de reclameregels voor kansspelen en heeft aangegeven dat zij, mede op basis van ontvangen signalen, haar handhaving op dit punt heeft geïntensiveerd.
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Ik kom niet tot één van beide geschetste conclusies. Het rolmodellenverbod is zowel in de tekst van de regelgeving als in de toelichting daarop duidelijk van toepassing op influencers en daarmee op streamers.
In de uitzending van Zembla wordt weergegeven dat in de praktijk constructies zijn toegepast waarbij is getracht de reikwijdte van het verbod te beperken. Naar aanleiding van signalen hierover heeft de Ksa haar toezicht en handhaving op deze constructies gericht en verduidelijkt dat dergelijke constructies in strijd zijn met de regels. Zoals ook in de Zembla-uitzending genoemd wordt, hebben de aangesproken vergunninghouders hun overeenkomsten met deze streamers en hun platforms beëindigd. Om eventuele verdere onduidelijkheid, onder andere op dit punt, weg te nemen, heeft de Ksa in februari van dit jaar het rolmodellenverbod verder verduidelijkt.2
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
De Ksa houdt doorlopend toezicht op de naleving van het rolmodellenverbod en aanverwante reclamebeperkingen. Daarbij verricht de Ksa risicogestuurd onderzoek naar mogelijke overtredingen, onder meer op basis van signalen, meldingen en eigen monitoring. De Ksa rapporteert hierover periodiek in onder meer haar jaarverslagen en toezichtcommunicatie. Exacte cijfers worden daar niet bij genoemd. Wel blijkt uit het jaarverslag 2025 dat de Ksa ook in dat jaar nog een aantal overtredingen van het rolmodellenverbod heeft geconstateerd. De Ksa geeft aan daartegen te hebben opgetreden en hierover actief te hebben gecommuniceerd, mede om toekomstige overtredingen te voorkomen. Daarnaast zijn waarschuwingen gegeven bij overtredingen van het verbod op sportsponsoring, waarna de betreffende reclame-uitingen zijn beëindigd. Er zijn geen grote overtredingen geconstateerd na invoering van het verbod op sportsponsoring per 1 juli 2025. De kleinere overtredingen, zoals het verkopen van merchandise met het logo van een kansspelaanbieder, zijn gestaakt nadat de desbetreffende aanbieders hierop zijn aangesproken.
De Ksa maakt gebruik van zowel formele als informele toezichtinterventies. Uit het jaarverslag blijkt dat in 2025 nadrukkelijker is ingezet op informele interventies, met name op het terrein van reclame, om overtredingen snel te beëindigen en aanbieders duidelijkheid te geven over de geldende normen.
In algemene zin blijkt uit de meest recente monitoringsrapportages van de Ksa dat de zichtbaarheid van kansspelreclame sinds de invoering van de aangescherpte regels is afgenomen, ook in de online omgeving. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat reclame via sociale media een belangrijk aandachtspunt blijft. De Ksa heeft aangegeven haar toezicht daarop verder te intensiveren.
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Ja, het uitgangspunt van het rolmodellenverbod is bescherming van mensen tegen risico’s van gokken, in het bijzonder kwetsbare groepen zoals jongeren.
In de beleidsregels en de toezichtspraktijk heeft de Ksa verduidelijkt dat influencers die via affiliatie reclame maken ook onder het rolmodellenverbod vallen. Aanbieders zijn verantwoordelijk voor alle werving- en reclameboodschappen waar zij direct of indirect voor betalen. Deze werving en reclame moet telkens aan de wet- en regelgeving voldoen.
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Ja, die zorg deel ik. Juist reclame via influencers, livestreams en content die informerend van aard lijkt te zijn, kan voor kwetsbare groepen, waaronder jongeren en jongvolwassenen, minder herkenbaar zijn als reclame.
De Ksa monitort actief het gebruik van rolmodellen, zoals influencers en streamers, bij zowel legale als illegale gokaanbieders. Daaronder vallen ook uitingen op sociale mediaplatforms, livestreamingsdiensten en andere online kanalen waar jongeren en jongvolwassenen vaak actief zijn. Hiervoor gebruikt de Ksa verschillende monitoringsinstrumenten. Daarnaast heeft de Ksa een doorlopend proces om signalen over de inzet van rolmodellen voor gokreclame direct op te pakken. Dan gaat het bijvoorbeeld om signalen van consumenten, maatschappelijke organisaties en andere toezichthouders. De Ksa geeft daarbij prioriteit aan interventies gericht op het aanpakken van illegale gokreclame met bijzondere aandacht voor de bescherming van kwetsbare groepen.
Tegelijkertijd is toezicht op online content complex, omdat er sprake is van veel uitingen die, als het gaat om illegaal aanbod, snel worden aangepast of verwijderd. Daarom houdt de Ksa risicogestuurd toezicht waarbij met de capaciteit en middelen die voorhanden zijn een inschatting wordt gemaakt van het risico van bepaalde signalen. Ik kijk bij de voorziene wetswijziging voor online gokken ook naar uitvoeringsaspecten in monitoring, toezicht en handhaving op het gebied van reclame.
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Wanneer sprake is van reclame, moeten deze uitingen als zodanig herkenbaar zijn en voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dit geldt ook voor vergelijkingssites, affiliates en andere. De vergunde aanbieders van kansspelen zijn ervoor verantwoordelijk dat in de overeenkomsten met reclamepartijen deze regels worden nageleefd.
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
In lijn met het coalitieakkoord werk ik aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Bij de vormgeving daarvan kijk ik nadrukkelijk naar de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag.
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Ja, ik ben bekend met deze oproep. Voor zover bij mij bekend betreft de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland een volledig reclameverbod voor online gokken, zoals ook geuit in een eerdere brief aan de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid.3
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8 werk ik, in lijn met het coalitieakkoord en de oproep van de Nederlandse ggz en Verslavingskunde Nederland, aan een verbod op reclame voor online kansspelen. Daarbij vind ik het van belang dat het verbod uitvoerbaar en handhaafbaar is, mede met het oog op het voorkomen van ontwijkingsgedrag. Eenduidigheid in regelgeving kan daaraan bijdragen. Ik geef nu prioriteit aan wijzigingen in wet- en regelgeving voor kansspelen op afstand in verband met de zorgelijke ontwikkelingen aldaar. Nadat het wetgevingstraject rond kansspelen op afstand is afgerond, buig ik mij over de eventuele resterende vraagstukken met betrekking tot het landgebonden aanbod.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
De uitspraak van het Kifid over de incassodienstverlening van Klarna |
|
Don Ceder (CU) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klarna geeft toe incassowerkzaamheden uit te voeren»1 en de bindende uitspraken van het Kifid2 waar geconcludeerd wordt dat uitgesteld betalen een vorm van kredietverstrekking is waarvoor een kredietwaardigheidstoets is vereist?
Ja.
Zijn er door de Inspectie Justitie en Veiligheid handhavende maatregelen getroffen waardoor Klarna zich inmiddels heeft geregistreerd in het Incassoregister, of was de registratie uit eigen beweging?
Het is mij niet bekend of de registratie van Klarna het gevolg is van handhavend optreden, van de beantwoording van eerdere Kamervragen, of dat deze uit eigen beweging heeft plaatsgevonden.
De Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: Inspectie) doet geen uitspraken over individuele gevallen. Op grond van artikel 3 lid 5 van de Wet kwaliteit incassodienstverlening (hierna: Wki) wordt uitsluitend informatie over schorsingen en doorhalingen actief openbaar gemaakt. Opgelegde sancties zoals boetes en dwangsommen worden weliswaar in het register opgenomen, maar maken geen onderdeel uit van het openbare deel van het register en zijn daarmee niet voor iedereen te raadplegen. Buiten het register om bestaat in de Wki geen andere grondslag om handhavend optreden in individuele gevallen openbaar te maken.
Heeft u signalen van de Inspectie Justitie en Veiligheid gekregen over de effectiviteit en reikwijdte van hun instrumentarium om adequaat toe te zien op de Wet kwaliteit incassodienstverlening?
Ja, de Inspectie heeft signalen afgegeven over de effectiviteit van haar instrumentarium en bevoegdheden. Ik neem deze signalen serieus.
In de brief van 9 maart 2025 heeft mijn voorganger uw Kamer geïnformeerd over de invoeringstoets die wordt uitgevoerd naar de werking van de Wki in de praktijk. De beleidsreactie op deze invoeringstoets ontvangt uw Kamer binnenkort, waarin ik nader inga op de signalen van de Inspectie en de maatregelen die ik naar aanleiding daarvan tref.
Voldoet Klarna, met de registratie in het Incassoregister, nu aan alle kwaliteitseisen uit de Wet Kwaliteit Incassodienstverlening?
De beoordeling of een individuele incassodienstverlener voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Wki is aan de Inspectie als toezichthouder. Zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 is de Inspectie niet bevoegd om uitspraken te doen over individuele gevallen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van het Kifid in de zaak die consumenten hebben aangespannen tegen Klarna? Zijn er als gevolg van deze uitspraak mogelijke gevolgen voor andere klanten van Klarna? Zo ja, welke?
Het kabinet heeft kennisgenomen van de uitspraken van het Kifid over Klarna, evenals van vergelijkbare uitspraken in de rechtspraak, waarover eerder vragen zijn beantwoord.3 Het kabinet treedt niet in individuele gevallen, maar verwacht wel dat aanbieders hun werkwijze toetsen aan geldende wet- en regelgeving en relevante uitspraken.
Het uitgangspunt blijft dat het hanteren van een verdienmodel waarbij wordt geanticipeerd op niet-nakoming van een consument niet mogelijk is zonder te voldoen aan de voorschriften van de CCDI.4 In enkele uitspraken in de rechtspraak en van het Kifid, heeft Klarna niet kunnen onderbouwen dat deze kosten geen onderdeel uitmaken van een verdienmodel. Klarna heeft aangegeven voornemens te zijn in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van het Kifid. Tegelijkertijd zijn in de rechtspraak ook andersluidende oordelen geveld. Twee rechtbanken oordelen juist dat Klarna voldoende heeft onderbouwd dat de bedongen rente en incassokosten geen deel uitmaken van haar verdienmodel.5
Bovengenoemde uitspraken zijn alle gedaan tussen partijen en hebben in beginsel alleen rechtsgevolgen voor die specifieke zaak. Het Kifid heeft aangegeven elke klacht op zijn eigen merites te beoordelen en is bekend met de uitspraken waarin Klarna in het gelijk is gesteld. Het is niet bekend of in die zaken dezelfde vragen zijn gesteld als de Geschillencommissie van het Kifid heeft gedaan en welke antwoorden door Klarna zijn gegeven. Tegelijkertijd heeft het Kifid aangegeven klachten in vergelijkbare gevallen in beginsel langs dezelfde lijn te beoordelen. Dit betekent dat de uitspraak mogelijk bredere uitwerking kan hebben voor andere klanten van Klarna die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.
Consumenten die menen dat zij hierdoor zijn benadeeld, kunnen zich wenden tot het Kifid of tot de rechter om hun individuele situatie te laten beoordelen. Het is daarbij wel belangrijk om te vermelden dat in uitspraken in hoger beroep, zowel bij het Kifid als in rechtspraak, een ander oordeel kan worden geveld.
Hoe beoordeelt u de stellingname van het Kifid dat BNPL-dienstverlening een lening is waar een kredietwaardigheidstoets op vereist is, in relatie tot inwerkingtreding van de nieuwe richtlijn consumentenkrediet? Wat betekent dit voor de periode tot inwerkingtreding van de richtlijn?
Op dit moment vallen BNPL-aanbieders in bepaalde gevallen nog onder een uitzondering in de wet, namelijk wanneer sprake is van «onbetekenende kosten». Indien kosten, zoals aanmanings- of incassokosten, echter op zichzelf een verdienmodel vormen, is geen sprake meer van onbetekenende kosten. De uitzondering is dan niet van toepassing, waarmee de regels voor kredietverlening van toepassing zijn, inclusief de verplichting tot kredietwaardigheidstoetsing.
Het is aan het Kifid om in individuele zaken te oordelen hoe BNPL-dienstverlening moet worden gekwalificeerd. Daarbij kijkt het Kifid naar het huidige wettelijke kader en de toepasselijke feiten en omstandigheden van het geval. De interpretatie van het Kifid kan richtinggevend zijn voor de praktijk, maar laat onverlet dat uiteindelijk ook de rechter hierover kan oordelen.
Vanaf het moment van implementatie van de herziene Europese richtlijn consumentenkrediet zullen aanbieders van uitgestelde betaling onder het kredietregime vallen.6 Dit betekent dat aanbieders verplicht worden om een kredietwaardigheidstoets uit te voeren en aan dezelfde strenge regels moeten voldoen als andere kredietverstrekkers. Tot het moment van inwerkingtreding blijft het huidige wettelijke kader van toepassing. De toepassing en interpretatie daarvan worden nader ingevuld in de rechtspraak en mede beïnvloed door oordelen van het Kifid.
Op welke wijze wordt de kredietwaardigheidstoetsing in lagere regelgeving van de aanstaande Implementatiewet richtlijn consumentenkrediet verwerkt? Wat wordt hierbij de grens en verschillende niveaus van kredietwaardigheidstoetsing?
Het kabinet werkt aan de implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet, waarmee ook BNPL-aanbieders onder het kredietregime worden gebracht. Het wetsvoorstel is recent aan de Tweede Kamer aangeboden. Het implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet wordt nog vóór het zomerreces gedurende een periode van vier weken aan uw Kamer voorgelegd in het kader van een voorhangprocedure.7
In het implementatiewetsvoorstel is een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voorgesteld, die rekening houdt met de kenmerken van het krediet, zoals aard, duur, waarde en risico’s van het krediet voor de consument. Deze norm wordt verder uitgewerkt in het implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet, in lijn met de vereisten uit de richtlijn. Zoals gebruikelijk bij andere typen kredietovereenkomsten, zal de norm in de praktijk worden ingevuld door de markt, in overleg met de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Daarnaast zullen aanvullende waarborgen gaan gelden, zoals een verbod op het aanbieden van BNPL aan minderjarigen en de verplichting voor aanbieders om zich aan te sluiten bij het Kifid.
Het Datalek bij Basic-Fit |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , van Bruggen |
|
|
|
|
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de Autoriteit Persoonsgegevens al een onderzoek is gestart naar aanleiding van het datalek bij Basic-Fit?
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) doet geen mededelingen over eventuele lopende onderzoeken. Haar onafhankelijkheid brengt bovendien mee dat het aan de AP zelf moet worden gelaten in welke gevallen een onderzoek noodzakelijk en wenselijk is.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of er wordt gekeken naar een mogelijke overtreding van artikel 5 AVG?
Over die informatie beschik ik niet. Mocht het inderdaad zo zijn dat de AP onderzoek doet, dan informeert zij het kabinet daar niet over, ook niet desgevraagd. Op grond van artikel 52 AVG treedt de AP volledig onafhankelijk op en blijft zij vrij van externe invloed en vragen.
Kunnen de Staatssecretaris EZK en de Staatssecretaris J&V toelichten of de regelgeving (voornamelijk de AVG) of de handhaving moet worden aangescherpt, wellicht omdat sommige AVG-artikelen onduidelijk of achterhaald zijn?
Ik beschik niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont, mede gezien de brede werkingssfeer van de AVG. Het komt eerder aan op naleving van de regelgeving; dat deze in voorkomende gevallen tekort schiet, is eerder toe te schrijven aan verschillende andere factoren dan aan de bepalingen in de AVG zelf.
Basic-Fit valt niet onder de Cyberbeveiligingswet. Deelt u de opvatting dat grote bedrijven met veel data onder de reikwijdte van de Cyberbeveiligingswet zouden moeten vallen als «belangrijke entiteit»? Basic-Fit genereert namelijk zo’n 1,4 miljard omzet.
Omdat de NIS2-richtlijn streeft naar harmonisatie tussen de lidstaten, is in de NIS2-richtlijn bewust bepaald alleen essentiële en belangrijke entiteiten uit specifieke kritieke sectoren, subsectoren en soorten entiteiten onder het toepassingsbereik van de NIS2-richtlijn te brengen die zeer belangrijk zijn voor het functioneren van de economie en maatschappij. Incidenten bij deze entiteiten kunnen leiden tot verstoring of compromittering van hun dienstverlening. Deze kunnen grote economische schade veroorzaken of in sommige gevallen ook tot ontwrichting van de samenleving leiden. Bij de omzetting van de NIS2-richtlijn heeft het kabinet ervoor gekozen om niet meer te regelen dan op grond van de Europese regelgeving noodzakelijk is. Dit zou een nationale kop zijn en het kabinetsbeleid is dat er geen nationale koppen komen op Europese regelgeving.
Als Basic-Fit onder de Cyberbeveiligingswet zou vallen, had volgens u beiden het datalek dan voorkomen kunnen worden (voornamelijk in het licht van de zorgplicht)?
Op grond van de zorgplicht in de Cyberbeveiligingswet moeten essentiële entiteiten en belangrijke entiteiten passende en evenredige technische, operationele en organisatorische maatregelen nemen om de risico’s voor de beveiliging van de netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Zorgplichtmaatregelen dragen bij aan het voorkomen van een incident, het beperken van de impact van een incident, het efficiënt en effectief reageren op een incident en het zo snel mogelijk herstellen van een incident. Het risico op een datalek blijft echter altijd aanwezig en kan daarom nooit geheel worden voorkomen.
Kunt u beiden iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als een gokbedrijf dat in het verleden zonder vergunning actief was op de Nederlandse markt, via de vergunning van een ander gokbedrijf of andere listige constructies, opnieuw toegang krijgt tot de Nederlandse markt?
Ja. Ik vind het onacceptabel als via constructies wordt beoogd de wettelijke eisen voor toegang tot de Nederlandse kansspelmarkt te omzeilen. Dit klemt temeer nu bij de totstandkoming van de Wet kansspelen op afstand ruimte is gelaten voor aanbieders die vóór de regulering zonder vergunning kansspelen op afstand hebben aangeboden om alsnog een vergunning te verkrijgen. Mede naar aanleiding van de motie-Postema is daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van onvergund online kansspelaanbod dat actief op Nederland was gericht.1
Klopt het dat deze praktijken voorkomen in Nederland, bijvoorbeeld in het geval van 888 dat sinds juli 2025 actief is onder een vergunning van Godwits LTD?
Het is aan de Kansspelautoriteit (Ksa) als onafhankelijk toezichthouder en zelfstandig bestuursorgaan om vergunningsaanvragen te beoordelen, vergunningen te verlenen, toezicht te houden op de naleving en zo nodig handhavend op te treden. De Ksa heeft aangegeven over voldoende instrumentarium te beschikken om op te kunnen treden. In dat kader is het ook aan de Ksa om na te gaan en te beoordelen of een vergunninghouder als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Ik doe daarom geen uitspraken over individuele gevallen.
In hoeverre wegen overtredingen van de relevante wet- en regelgeving, zoals het aanbieden van gokproducten zonder vergunning (voorafgaand aan de legalisatie) mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag van een gokbedrijf? Kunt u hierbij ook ingaan op de betrouwbaarheidstoets zoals die wordt toegepast bij vergunningverlening onder de Wet kansspelen op afstand?
Overtredingen van relevante wet- en regelgeving wegen zwaar mee bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Op grond van artikel 31i van de Wet op de kansspelen moet de betrouwbaarheid van de aanvrager, de betrokken beleidsbepalers en de uiteindelijk belanghebbenden buiten twijfel staan. Daarbij betrekt de Ksa antecedenten, waaronder overtredingen van Nederlandse en buitenlandse kansspelregelgeving. Betrokkenheid bij illegaal online kansspelaanbod weegt daarbij zwaar. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 heeft mede naar aanleiding van de motie-Postema de Ksa beleidsregels vastgesteld op grond waarvan een aanvrager en andere relevante (rechts)personen zich gedurende twee jaar en negen maanden voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de behandeling daarvan moesten hebben onthouden van op Nederland gericht onvergund aanbod.2 Het niet voldoen aan die criteria heeft er meerdere keren toe geleid dat een vergunning niet werd verleend.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat dergelijke bedrijven, al dan niet via listige constructies, niet langer toegang hebben tot de Nederlandse gokmarkt?
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor specifieke aanvullende maatregelen op het gebied van de toetsing van de betrouwbaarheid van bedrijven die een vergunning hebben aangevraagd. Voor het aanbieden van kansspelen op afstand geldt al een streng stelsel van integriteits- en betrouwbaarheidseisen. De Ksa beoordeelt vergunningaanvragen, relevante wijzigingen en signalen die aanleiding geven tot nader onderzoek. Bij twijfel kan zij binnen het bestaande instrumentarium optreden en een vergunninghouder nadere verplichtingen opleggen, boetes opleggen of zelfs overgaan tot het intrekken van een vergunning. Het is aan de Ksa om die instrumenten in concrete gevallen toe te passen.
Kunt u hierbij ook ingaan op de rol van de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Onterechte parkeerboetes door scanauto’s |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
Pieter Heerma (CDA), van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat scanauto’s jaarlijks honderdduizenden onterechte parkeerboetes opleggen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat naar schatting circa een half miljoen parkeerboetes per jaar onterecht wordt opgelegd en deelt u de opvatting dat dit aantal wijst op een structureel probleem in de wijze waarop gemeenten scanauto’s en geautomatiseerde handhaving inzetten? Zo nee, waarom niet?
Het is natuurlijk nooit goed als naheffingen onterecht worden opgelegd. Dit betreft echter in de eerste plaats een vraagstuk voor het lokaal bestuur. Of er parkeerbelasting wordt geheven, hoe hoog die parkeerbelasting is en op welke wijze wordt gecontroleerd of deze wordt betaald is aan het gemeentebestuur zelf gelaten.
Welke eisen gelden er momenteel voor de inzet van geautomatiseerde systemen en algoritmes bij handhaving door gemeenten en in hoeverre wordt vooraf en achteraf gecontroleerd of deze systemen correct functioneren en geen onterechte besluiten genereren?
Bij het gebruik van scanauto’s voor handhavingsdoeleinden kan er in gevallen sprake zijn van verwerking van persoonsgegevens, in die gevallen is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. Op grond van de AVG is in bepaalde situaties een beoordeling van het effect op persoonsgegevens (een DPIA) verplicht. Ook moet een gemeente een Functionaris Gegevensbescherming (FG) aanwijzen. Deze FG moet bij het uitvoeren van een DPIA adviseren. Daarnaast is het op grond van de AVG in principe niet toegestaan om volledig geautomatiseerde besluiten te nemen. Uit het onderzoek van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), waar het aangehaalde nieuwsbericht naar verwijst, blijkt dat de onderzochte gemeenten de resultaten van de scanauto’s door een mens laten controleren.
Wanneer er sprake is van het gebruik van Artificiële Intelligentie (AI) bij handhaving door gemeenten, is de AI-verordening van toepassing. Welke regels uit de AI-verordening van toepassing zijn is afhankelijk van de risicoclassificatie van het AI-systeem. Zo bepalen de regels dat bij reguliere AI-systemen die bij handhaving worden gebruikt door gemeenten, gebruikers van het systeem onder meer voldoende op de hoogte moeten zijn van de risico’s van AI («AI-geletterdheid»).
Tot slot kan ik wijzen op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb verplicht overheidsorganisaties besluiten zorgvuldig voor te bereiden en te voorzien van een deugdelijke motivering.
Overheidsorganisaties die geautomatiseerde systemen en algoritmes inzetten in hun processen, zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit hiervan. Interne processen moeten een zorgvuldige werking en inbedding waarborgen. De AP houdt toezicht op de naleving van de AVG. In een thans ter consultatie gepubliceerd wetsvoorstel2 wordt een structuur voor toezicht op naleving van de AI-verordening voorgesteld, waarin ook de AP een rol speelt. Rekenkamers doen onderzoek naar het handelen van gemeenten. Tot slot is het mogelijk om besluiten van bestuursorganen aan te vechten bij de bestuursrechter.
Hoe waarborgt u dat de inzet van scanauto’s niet leidt tot een situatie waarin burgers feitelijk worden geconfronteerd met een handhavingspraktijk die primair gericht is op het genereren van inkomsten, met name als er ieder jaar drie tot vijf miljoen parkeerboetes worden opgelegd? Kunt u inzicht geven in de ontwikkeling van de inkomsten uit parkeerboetes bij gemeenten vóór en na de invoering van scanauto’s?
Dat overzicht is mij niet bekend. De inzet van scanauto’s is als gezegd een lokale aangelegenheid waarbij het Rijk niet betrokken is. Het is mij dan ook niet bekend welke gemeenten hier gebruik van maken en dus ook niet wanneer hiertoe eventueel zou zijn overgegaan. Dat maakt een vergelijking niet mogelijk, los van de vraag of een vergelijking steun zou geven aan de vooronderstelling dat gemeenten een handhavingspraktijk zouden inrichten als verdienmodel.
Deelt u de zorg dat burgers in de praktijk vaak zelf moeten aantonen dat een boete onterecht is, terwijl de fout bij de overheid ligt? Zo nee, waarom niet?
Het vraagt soms inderdaad actie van een burger om de overheid op eigen fouten of vergissingen te wijzen. Hoewel alles er uiteraard op gericht dient te zijn dat fouten zo veel mogelijk voorkomen worden. In alle gevallen staat bezwaar open tegen een boete.
Hoe beoordeelt u de toegankelijkheid en effectiviteit van bezwaarprocedures tegen parkeerboetes, met name voor ouderen en minder digitaal vaardige burgers? In hoeverre is het wenselijk dat bezwaarprocedures tegen dit soort boetes grotendeels geautomatiseerd verlopen?
Het is altijd mogelijk dat een burger schriftelijk bezwaar aantekent tegen een beslissing waarmee deze het niet eens is. Een digitaal proces kan dit vergemakkelijken, maar een burger kan dus ook een bezwaarschrift per post versturen. Ook beroep bij de rechter kan door natuurlijke personen schriftelijk worden ingesteld.
Deelt u de mening dat bij een dergelijk hoog foutpercentage een verplichting tot menselijke controle vooraf noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Uit het onderzoek van de AP blijkt dat de gemeenten die daaraan hebben meegewerkt, nadat geautomatiseerd is geconstateerd dat een voertuig geen parkeerrecht heeft, een mens de situatie laten beoordelen. Menselijke controle geeft dan ook niet de garantie dat er geen fouten worden gemaakt. In het rapport van de AP worden technische en organisatorische maatregelen benoemd, die kunnen bijdragen aan het tegengaan van fouten.
Welke maatregelen worden genomen om het aantal onterechte boetes substantieel terug te dringen?
Welke maatregelen het gemeentebestuur neemt om het foutpercentage te verminderen is in de eerste plaats aan het gemeentebestuur zelf.
Bent u bereid gemeenten aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en hun wijze van handhaving? Zo nee, waarom niet?
Het aanspreken van gemeenten suggereert een algemene hiërarchische verhouding die er niet is. Binnen de kaders van de wet zijn gemeenten ten aanzien van de heffing van belastingen en de handhaving hiervan zelf verantwoordelijk en aanspreekbaar. Dit betreft ook geen vorm van medebewind waarin het gemeentebestuur optreedt als uitvoerder van landelijke regelingen. Binnen de autonome ruimte van het gemeentebestuur is het niet goed voorstelbaar dat ik als Minister mij bemoei met een lokale uitvoeringspraktijk, ook niet wanneer uit berichtgeving als deze blijkt dat er zorgen zijn over de wijze waarop die uitvoering uitpakt.
Kan worden uitgesloten dat burgers financieel worden benadeeld doordat zij onterecht opgelegde boetes (tijdelijk) moeten betalen of kosten moeten maken om hun gelijk te halen?
Een onterecht opgelegde naheffing is natuurlijk erg vervelend. Voor de invordering hiervan gelden regels die rekening houden met financiële gevolgen.
Deelt u de opvatting dat het vertrouwen in de overheid verder wordt geschaad wanneer burgers op grote schaal onterecht worden beboet? Zo nee, waarom niet?
Het is niet bevorderlijk voor het vertrouwen in de overheid wanneer op een bepaald vraagstuk een groot foutpercentage lijkt te bestaan. Ik ga er van uit dat in gemeenten waarin dit aan de orde zou is, dit gesprek serieus wordt gevoerd. In mijn ervaring werken gemeenten continu aan het versterken van dit vertrouwen.
In hoeverre zijn er signalen dat ook andere geautomatiseerde of op algoritmes gebaseerde processen binnen gemeenten leiden tot fouten of onterechte besluiten richting burgers?
Ik heb die signalen niet.
Bent u bereid te onderzoeken of compensatie of herstelmaatregelen nodig zijn voor burgers die onterecht zijn beboet?
Wanneer een naheffing onterecht wordt opgelegd, wordt de naheffing in bezwaar of in beroep vernietigd en blijft er geen betalingsverplichting over. Eventueel eerder betaalde bedragen worden dan teruggestort.
Het veronachtzamen van de zorgplicht voor gokverslaafden door het negeren van Cruks-bescherming door een staatsdeelneming |
|
Pieter Grinwis (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
van Bruggen , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de opvatting dat het actief benaderen van personen met een Cruks-registratie door kansspelaanbieders onverenigbaar is met het doel en de strekking van de Wet op de kansspelen, namelijk het beschermen van kwetsbare spelers tegen (verdere) gokschade?
Ja, ik deel deze opvatting. Op grond van artikel 2, vierde lid van het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen mogen vergunninghouders hun wervings- en reclameactiviteiten niet richten op kwetsbare personen, waaronder personen die zich hebben uitgesloten van deelname. Dit geldt ook voor uitsluiting via het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). In praktijk is dit voor vergunninghouders echter lastig te bewerkstelligen. Op grond van artikel 33h van de Wet op de kansspelen is de raadpleegbasis van Cruks voor vergunninghouders namelijk beperkt tot het verlenen van toegang van spelers tot de speelhal, het casino of de spelinterface. Dit betekent dat het voor vergunninghouders niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven.
Dit signaal is mij bekend en ik vind het problematisch dat kwetsbare personen hierdoor reclame kunnen ontvangen. Ik werk op dit moment aan een wetswijziging voor online gokken. Onderdeel hiervan is een reclameverbod voor online gokken, in lijn met het coalitieakkoord. Een ander onderdeel hiervan betreft verbeteringen van de werking van Cruks, zodat tevens voorkomen wordt dat mensen die in Cruks staan ingeschreven geconfronteerd worden met werving- of reclameactiviteiten vanuit Holland Casino of de speelautomatenhallen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Holland Casino, een staatsdeelneming, personen met een actieve Cruks-registratie benadert met marketingmails en persoonlijke aanbiedingen, terwijl dit wettelijk verboden is?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat het publieke belang centraal staat, in dit geval het beschermen van burgers tegen kansspelgerelateerde schade. Het naleven van wet- en regelgeving door Holland Casino is daarbij een randvoorwaarde. Daarnaast verwacht de Staatssecretaris van Financiën van Holland Casino dat zij niet alleen naar de letter, maar ook naar de geest van de wet handelt en zo het goede voorbeeld geeft binnen de kansspelsector.
Na het binnenkomen van uw vragen, heeft het Ministerie van Financiën zich direct door Holland Casino op de hoogte laten stellen over de situatie. Het is gebleken dat het Holland Casino in dit geval niet is toegestaan om bij het versturen van reclame te controleren of iemand in Cruks staat ingeschreven, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Deelt u de opvatting dat juist van een staatsbedrijf verwacht mag worden dat het de wet niet alleen formeel naleeft, maar ook in geest en uitvoering het goede voorbeeld geeft?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke marketing richting Cruks-ingeschrevenen het risico op terugval in gokverslaving vergroot (bijvoorbeeld via illegale aanbieders) en daarmee haaks staat op het verslavingspreventiebeleid van de overheid?
Ja. Daarom wil de wet- en regelgeving aanpassen, zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 1.
Bent u van mening dat slachtoffers die door dit soort illegale marketinguitingen terugval in hun verslaving ondervinden recht hebben op compensatie door het desbetreffende gokbedrijf (en in het geval van een staatsgokbedrijf ook door de overheid)?
Gezien het geschetste antwoord op vraag 1, zie ik geen aanleiding voor een compensatie. Het oordeel hierover is echter voorbehouden aan de rechter.
Welke concrete stappen gaat u zetten om te waarborgen dat overtredingen van het marketingverbod richting Cruks-ingeschrevenen daadwerkelijk worden opgespoord en bestraft, in het bijzonder wanneer het een staatsdeelneming betreft?
Aanpassing van wet- en regelgeving is nodig om goede naleving mogelijk te maken van het verbod op het richten van werving- en reclameactiviteiten op personen die zich hebben uitgesloten van deelname aan kansspelen. Hier werk ik aan, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Het is aan de Kansspelautoriteit om toe te zien op de naleving van de wet- en regelgeving en in voorkomend geval te handhaven.
Bent u bereid om als aandeelhouder van Holland Casino in te grijpen indien blijkt dat Cruks-registraties structureel niet correct worden verwerkt in marketing- en klantensystemen?
De Staatssecretaris van Financiën geeft voor de beantwoording van deze vraag aan dat hij het van groot belang acht dat Holland Casino haar zorgplicht richting de burger serieus neemt en dat zij handelt in het publieke belang. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2 en 3 heeft het Ministerie van Financiën zich direct op de hoogte laten stellen door Holland Casino. Gelet op het antwoord op vraag 1 bestaat er momenteel geen aanleiding tot ingrijpen. Wel zie ik aanleiding voor het aanpassen van de wet- en regelgeving, zoals tevens toegelicht in het antwoord op vraag 1. In andere gevallen ziet de Kansspelautoriteit toe op de naleving van wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en het liefst binnen de gebruikelijke termijn, maar in elk geval ruim voorafgaand aan het commissiedebat over Staatsdeelnemingen (op 17 juni 2026) beantwoorden?
Voor de samenhang van de beantwoording heb ik ervoor gekozen om vragen 2 en 3 gezamenlijk te beantwoorden.
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek' |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ook drugscrimineel Lile H. in Roermond ontsnapt tijdens ziekenhuisbezoek»?1
Ja.
Wat is volgens u de verklaring voor deze ernstige ontsnappingsincidenten in korte tijd?
De twee genoemde incidenten waarbij gedetineerden zich tijdens het vervoer door de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) naar een ziekenhuis aan het toezicht hebben onttrokken, zijn twee op zichzelf staande incidenten. Beide incidenten worden door DJI op dit moment nader onderzocht.
Klopt het dat sinds de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) uitspraak van 7 januari 2022 ongeboeid vervoer bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) het uitgangspunt is?2
Naar aanleiding van meerdere uitspraken waaronder de genoemde uitspraak van de Raad voor Sanctietoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), wordt een justitiabele tijdens het vervoer in beginsel niet geboeid. Indien de DV&O op basis van een risicoanalyse voorafgaand aan het vervoer de inschatting maakt dat geboeid vervoer noodzakelijk is wordt tot boeien overgaan. Ook kan dit tijdens het vervoer worden besloten als de justitiabele zich dusdanig gedraagt dat de inzet van handboeien of andere geweldsmiddelen noodzakelijk wordt geacht. Voor de risicoanalyse die voorafgaand aan het vervoer plaatsvindt, wordt gebruik gemaakt van informatie van de locatie waar de justitiabelen zich bevindt, van ketenpartners en van informatie die bekend is bij de DV&O, bijvoorbeeld naar aanleiding van een eerder vervoer.
DJI beziet momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien tijdens het vervoer aangepast dient te worden van een nee tenzij noodzakelijk, naar een ja tenzij niet noodzakelijk. Voor de zomer van 2026 zal duidelijk zijn of het uitgangspunt aangepast dient te worden. Indien dat het geval is zal de geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen hierop aangepast worden en voorgelegd worden aan de RSJ voor advies.
Waarom is er in november 2025 voor gekozen om niet langer het hoofd van DV&O, maar de directeur van een inrichting verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht tijdens vervoer en tijdens medisch bezoek?
Met het aanpassen van de Regeling vervoer Justitiabelen in november 20253 heeft er in de praktijk geen wijziging in de bevoegdheden van de directeur van de inrichting of de directeur DV&O plaats gevonden. Wel zijn deze bevoegdheden in de betreffende regeling verduidelijkt. In de wetssystematiek kennen we alleen het handelen namens de directeur van de inrichting en namens de Minister (voor enkele specifieke taken). In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat de directeur van de inrichting zorgdraagt voor de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis of andere instelling voor een medische behandeling.4 Dit impliceert dat de directeur van de inrichting verantwoordelijk is voor de beslissing over aanwezigheid van beveiligers bij het bezoek. Op grond van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen is de directeur DV&O namens de directeur van de inrichting bevoegd. Daarmee is de directeur DV&O verantwoordelijk voor de belangenafweging en beslissing of beveiligers al dan niet in de behandel- of spreekkamer aanwezig zijn tijdens de behandeling van een justitiabele door een arts buiten de inrichting.
Hoeveel onttrekkingen en pogingen daartoe zijn er geweest per maand tijdens vervoer in 2024, 2025 en 2026 met daarbij een onderscheid tussen (pogingen tot) onttrekkingen tijdens geboeid en ongeboeid vervoer?
In 2024 zijn er 5 (pogingen tot) onttrekking geweest. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2025 zijn er 7 (pogingen tot) onttrekking geweest. 4 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
In 2026 zijn er 3 (pogingen tot) onttrekking geweest tot en met 15 april 2026. 2 daarvan betreffen daadwerkelijke onttrekkingen.
Bij alle pogingen tot onttrekkingen was er sprake van ongeboeid vervoer.
Waarom wordt, gelet op het bepaalde in artikel 10 Geweldsinstructie Penitentiaire Inrichtingen, niet als uitgangspunt genomen dat gedetineerden geboeid vervoerd worden?
Zoals bij vraag 3 is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt aangepast dient te worden.
Bent u bereid om per omgaande te realiseren dat geboeid vervoer wederom het uitgangspunt wordt? Zo nee, waarom bent u dan niet bereid om risico’s voor de samenleving en de medewerkers van DV&O te beperken?
Zoals bij de beantwoording van vraag zes is aangegeven beziet DJI momenteel of het uitgangspunt ten aanzien van de inzet van handboeien aangepast dient te worden. Vooruitlopend hierop zal het uitgangspunt niet worden aangepast. Reden hiervoor is dat hiervoor regelgeving aangepast dient te worden. Daarnaast heeft het aanpassen van het uitgangspunt naast de impact die dit heeft op de justitiabelen, ook impact op de medewerkers en dient daarom voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingsraad.
Wel wordt vooruitlopend op de aanpassing van het uitgangspunt bekeken of en hoe de bestaande juridische ruimte benut kan worden zodat eerder tot het gebruik van handboeien kan worden overgegaan. De uitkomsten van de in vraag 2 genoemde onderzoeken worden hierin meegenomen.
Wat vindt u ervan dat gedetineerden sinds november 2025 zonder enige vorm van toezicht contact kunnen hebben tijdens een medisch bezoek?
De Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat de bepaling waarin stond dat een medisch onderzoek altijd in het bijzijn van de transportbegeleider plaatsvindt zich niet verhoudt tot het beginsel van de geheimhoudingsplicht van de arts dat in diverse (internationale) regelgeving is vastgelegd. Deze uitspraken hebben tot wijziging van artikel 19 van de Regeling vervoer justitiabelen geleid. Volgens de beroepscommissie dient het uitgangspunt bij een bezoek van een justitiabele aan een arts te zijn dat er geen toezichthoudend personeel aanwezig is in de behandel- of spreekkamer. Op dit uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien de aanwezigheid van personeel in de behandel- of spreekkamer uit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. De aanwezigheid van toezichthoudend personeel wordt bepaald op basis van een zelfstandige belangenafweging tussen enerzijds het individuele belang van de justitiabele bij raadpleging van/behandeling door een arts zonder dat daarbij toezichthoudend personeel aanwezig is en anderzijds het algemene belang van handhaving van de orde en veiligheid dan wel van een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. In het kader van deze belangenafweging maakt DV&O vooraf een risicoprofiel van de justitiabele ten behoeve van de veiligheid.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat voortgezet crimineel handelen tijdens medische bezoeken niet kan plaatsvinden?
Zoals bij de beantwoording van vraag acht is aangegeven, kan toezichthoudend personeel aanwezig zijn in de behandel- of spreekkamer indien dit vanuit veiligheidsoverwegingen strikt noodzakelijk is. Het risico op voortgezet crimineel handelen vanuit de justitiabelen, maakt onderdeel uit van het risicoprofiel dat wordt opgemaakt ten behoeve van de belangenafweging.
Wanneer wordt eindelijk het wetsvoorstel strafbaarstelling zelfbevrijding en onttrekking aan elektronisch toezicht naar de Raad van State gestuurd?
Er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat strekt tot het strafbaar stellen van zelfbevrijding uit een penitentiaire inrichting, tbs-kliniek en justitiële jeugdinrichting. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een strafbaarstelling van het onttrekken aan elektronisch toezicht (de enkelband) in het Wetboek van Strafrecht. Op 19 september van 2025 is het wetsvoorstel in consultatie gegeven. De consultatieadviezen en uitvoeringstoetsen worden momenteel verwerkt. Na deze verwerking kan de volgende stap in het wetgevingsproces worden gezet, dat wil zeggen het vragen van advies aan Raad van State voor advies. Ik verwacht uw Kamer hier voor de zomer van 2026 over te informeren.
De situatie bij Fivoor |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de beantwoording van de eerdere Kamervragen over de situatie in de gemeente Zeist over de situatie van Fivoor in Den Dolder en de Kamerbrief van 16 april 2025 over de toekomst van de klinieken in Den Dolder?1, 2
Ja.
Kunt u uiteenzetten welke gesprekken er zijn gevoerd sinds april 2025 om ervoor te zorgen dat concrete vertrekplannen van Fivoor uit Den Dolder worden gerealiseerd? Kunt u de laatste stand van zaken geven?
In 2025 zijn vier Regionale Regietafels georganiseerd om de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor te begeleiden. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht. Hiermee onderstrepen we de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de regio om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden. Het voorzitterschap ligt bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De tafel wordt voorgezeten door de verantwoordelijk Staatssecretaris of een vertegenwoordiger van het ministerie. Ik zet die inzet voort.
Er wordt gewerkt langs twee sporen:
Er zijn drie locaties in beeld voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op het lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties deel ik daarom nu niet.
Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) is op dit moment niet actief betrokken bij de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor. In het voorjaar van 2025 heeft het RVB meerdere specifieke locaties onderzocht. Zoals mijn voorganger in de brief aan de Tweede Kamer van 16 april 2025 heeft toegelicht, betrof dit vastgoed dat in gebruik is bij het Ministerie van Defensie.3 Dat vastgoed is primair bestemd voor de opgaven van Defensie. Gezien de huidige geopolitieke situatie en de noodzaak de Nederlandse defensiecapaciteit uit te breiden, heeft Defensie laten weten om die reden geen terreinen te verkopen. Daarom loopt er momenteel geen traject via het RVB. Mochten er in de toekomst locaties in beeld komen waar de RVB kan bemiddelen, dan is de afspraak dat zij direct worden aangehaakt.
Welke locatie of locaties zijn op dit moment in beeld om Fivoor te huisvesten en in hoeverre is het Rijksvastgoedbedrijf gecommiteerd aan de inzet om verhuizing van Fivoor mede mogelijk te maken?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen zijn er in de tussentijd getroffen om de veiligheid in Den Dolder te waarborgen?
JenV ondersteunt gemeente Zeist bij de maatregelen die zij treft om de veiligheid te borgen tot 1 januari 2027, met de optie dit te verlengen als Fivoor langer blijft en de maatregelen effectief blijken. Maatregelen die door de gemeente worden genomen zijn:
Doel van de inzet is om het veiligheidsgevoel te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.
Bent u bereid net als uw ambtsvoorgangers om ook zelf in gesprek te gaan en te blijven met de omwonenden? Zo ja of nee, waarom?
Ja, zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, continueer ik de inzet van mijn voorganger. Ik ga op een passend moment graag in gesprek met de omwonenden.
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk te beantwoorden vóór het commissiedebat over tbs op 25 maart 2026?
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1, 2
Ja
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Het artikel beschrijft een schrijnende situatie, waarin duidelijk wordt dat de situatie van arbeidsmigranten in Nederland bijzonder kwetsbaar kan zijn vanwege onzekerheid over inkomsten, huisvesting en beperkte toegang tot voorzieningen en zorg. Het is ongelofelijk naar dat deze vrouwen soms, als gevolg van de lastige omstandigheden waarin zij zich bevinden, constateren dat het niet gaat lukken om hun kind op te voeden. De aangrijpende situatie van Jagoda staat helaas niet op zichzelf. Ieder jaar is er een beperkt aantal arbeidsmigranten dat zich bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of Fiom meldt voor een begeleiding bij (een voornemen tot) afstand ter adoptie. De zorgen om deze groep onbedoeld zwangere arbeidsmigranten zijn binnen de Rijksoverheid bekend, onder andere doordat Fiom deze bij het Ministerie van J&V en het Ministerie van VWS onder de aandacht heeft gebracht.
Het kabinet voelt mee en begrijpt dat de situatie van zwangere arbeidsmigranten veel oproept bij de groep afstandsmoeders én afgestanen uit het verleden. Het kabinet snapt ook dat er overeenkomsten worden gezien tussen de situatie van toen en nu. Uit het rapport «Schade door schande» van commissie De Winter blijkt overduidelijk dat moeders, en soms ook vaders, in de jaren 1956–1984 in veel gevallen geen of nauwelijks zelfbeschikking hadden en kregen. Inmiddels is de keuzevrijheid van zwangeren gelukkig verbeterd ten opzichte van de periode die in het rapport wordt beschreven. Er is toegang tot onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie.3 Ook is er hulp en zorg nadat de keuze is gemaakt, ongeacht de uitkomst. Deze ondersteuning wordt ook geboden aan arbeidsmigranten. Het is belangrijk dat de keuzevrijheid voor iedereen maximaal is. Ook voor vrouwen die onder moeilijke omstandigheden hun afwegingen moeten maken, zoals vrouwen die in Nederland als arbeidsmigrant zijn gekomen en werken in risicovolle banen met een laagbetaald loon. Voor deze groep vrouwen is extra aandacht nodig. Het kabinet zet zich hier voor in. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar (Engels, Pools, Roemeens en Hongaars), kunnen tolken worden ingeschakeld in de hulpverlening en ontwikkelde Fiom een routekaart speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht.
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure, een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang zet?
Organisaties die betrokken zijn bij de begeleiding van vrouwen (of stellen) met een voornemen tot het doen van afstand ter adoptie hebben hun samenwerkingsafspraken vastgelegd in het «Protocol afstand ter adoptie».4
Het klopt dat de vrouw, en indien van toepassing en relevant ook de partner, in het kader van de procedure afstand ter adoptie wordt gevraagd om een document te ondertekenen. De ondertekening is vrijwillig en niet verplicht.
Wanneer een vrouw (of stel) afstand ter adoptie overweegt, dan doet de RvdK onderzoek. De vrouw houdt daarbij altijd de regie over de procedure. In het onderzoek van de RvdK wordt de moeder onder andere gevraagd of zij informatie over- en begeleiding bij haar voornemen om afstand te doen heeft (gehad) van bijvoorbeeld Fiom. Ook wordt met de moeder nogmaals bekeken welke (on)mogelijkheden er zijn met betrekking tot haar zwangerschap en geboorte van haar kind. Er worden alternatieven voor afstand ter adoptie besproken zoals opgroeien bij de vader/verwekker of bij een familielid.
Tijdens het onderzoek wordt besproken wat de mogelijkheden zijn, mocht de moeder de in gang gezette afstandsprocedure willen stoppen. Als de moeder bij haar voornemen blijft om afstand te doen, dan biedt de RvdK haar aan een document te lezen en ondertekenen waarin de moeder uit dat zij de afstandsprocedure wil voortzetten en eventueel haar keuze zelf kan toelichten. Dit gebeurt op een belangrijk moment in de procedure, namelijk ongeveer drie maanden na de geboorte en op het moment dat het kind van het tijdelijke pleeggezin naar de aspirant adoptieouders gaat. Het document wordt samen met de raadsonderzoeker of hulpverlener zorgvuldig doorgenomen en eventuele vragen over de procedure kunnen gesteld worden. Hiermee krijgt de moeder (of krijgen de ouders) een stem in het dossier, naast de andere stukken die door de betrokken partijen worden opgesteld. Doordat de moeder zelf ondertekent, is dit een extra waarborg waarmee een belangrijk keuzemoment in de procedure wordt gemarkeerd. In het document staat ook dat moeder totdat de adoptie is uitgesproken terug kan komen op haar keuze voor adoptie en wordt haar bijvoorbeeld gevraagd of ze haar keuze voor afstand ter adoptie heeft gedaan uit vrije wil zonder het ervaren van bedreiging of dwang.
Aangezien een moeder soms niet in de rechtbank aanwezig kan of wil zijn indien de rechter besluit over de adoptie, geeft een dergelijk document de moeder een uitdrukkelijkere stem. De rechter beslist vervolgens op basis van het gehele dossier over de adoptie. Dit maakt ook dat een ondertekend document niet noodzakelijk is in de procedure, maar wel waarde kan toevoegen.
Mede op basis van de onderzoeksresultaten van de Commissie onderzoek Binnenlandse Afstand en Adoptie 1956–1984 (CBAA) is inmiddels met alle betrokken partners het afstandsprotocol geëvalueerd. Dit heeft ertoe geleid dat partijen willen afzien van het gebruik van de term «afstandsverklaring». Partijen realiseren zich dat dit onbedoeld een lading heeft gekregen die op geen enkele manier past bij de wijze waarop een ondertekend document op dit moment nog wordt gebruikt. Hiervoor in de plaats wordt op dit moment gewerkt met een «Verzoek tot voortzetten afstandsprocedure» waarin de stem van de moeder een uitdrukkelijkere plek krijgt in het dossier en zij aan de instanties met het zetten van een handtekening het (symbolische) verzoek doet om de procedure voort te zetten. Echter, deze Kamervragen en de reacties op het artikel «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind af» maken dat de protocolpartners alternatieven voor het met een handtekening markeren van een belangrijke moment in de procedure zullen onderzoeken.
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind? Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document binnen de huidige adoptieprocedure?
Het document is onderdeel van het protocol afstand ter adoptie waarin de samenwerkingsafspraken van meerdere betrokken partijen zijn vastgelegd. Het document is geen onderdeel van de begeleiding door Fiom, maar van het onderzoek door de RvdK. Het heeft geen juridische betekenis en wordt al geruime tijd niet als zodanig gepresenteerd. Het wordt voorgelegd aan alle vrouwen en/of stellen die drie maanden na de geboorte van hun kind de procedure tot afstand ter adoptie wensen voort te zetten. Vrouwen kunnen, zo staat ook in het document zelf, op ieder moment tijdens de procedure terugkomen op hun besluit tot afstand ter adoptie.
De RvdK registreert het aantal getekende documenten in de afgelopen 5 jaar niet. Wel publiceert Fiom jaarlijks cijfers over binnenlandse afstand en adoptie in de Landelijke Registratie Afstand Ter Adoptie (LATAR). Sinds de jaren negentig is het aantal vrouwen dat in Nederland besluit tot afstand ter adoptie gestabiliseerd tot gemiddeld 20 per jaar. Onderstaande tabel geeft per jaar de data van de afgelopen vijf jaar weer5:
Voornemen afstand ter adoptie
Zelf voor het kind zorgen
(Netwerk) pleegplaatsing
Afstand ter adoptie
Anders / onbekend1
2020
77
46
7
19
5
2021
54
31
5
14
4
2022
69
39
4
21
5
2023
51
19
10
21
1
2024
56
27
11
16
2
Anders/onbekend: o.a. de vrouw heeft het contact met de instelling verbroken, de vrouw heeft ervoor gekozen de zwangerschap af te breken of het kind is na de geboorte overleden.
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt van afstandsverklaringen?
In algemene zin is voor een document, zoals de zogenaamde afstandsverklaring, geen wettelijke basis vereist. Het is wel heel relevant welke betekenis en waarde hieraan in de begeleiding wordt gegeven, zodat de schijn van een juridische betekenis of bindende, onomkeerbare status nooit kan en zal ontstaan.
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
De bij de afstandsprocedure betrokken organisaties bespreken gedurende de hele begeleiding tijdens de zwangerschap en na de geboorte met ouders de mogelijkheden om op een besluit terug te komen tot aan het moment dat de adoptie wordt uitgesproken. Teugkomen op een (voorgenomen) besluit kan namelijk tot aan het moment dat de adoptie door de rechter wordt uitgesproken. Dit is niet eerder dan wanneer het kind één jaar in het aspirant-adoptiegezin gewoond heeft, het kind is dan minimaal 1 jaar en 3 maanden. Deze mogelijkheid om op het besluit terug te komen, staat ook expliciet in het te ondertekenen document genoemd.
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Zowel de RvdK als de instantie die de ouder(s) begeleidt bespreekt met de ouder(s) de procedure en de keuze die zij willen maken zorgvuldig door. Wanneer de RvdK tijdens het onderzoek spreekt met personen die de Nederlandse taal onvoldoende beheersen, wordt gebruik gemaakt van een erkende (eventueel telefonisch aanwezige) tolk. Vóór het document voorgelegd wordt aan de ouder(s) wordt het document toegelicht en besproken. Daarnaast wordt gevraagd of de ouder(s) gebruik willen maken van een vertaling van het document. Bij de behandeling ter zitting worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor hun wensen. De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol ten aanzien van de verzoeken die worden ingediend bij afstand ter adoptie. Bovendien is er sinds een aantal jaar de mogelijkheid kosteloos gebruik te maken van een advocaat bij gezagsbeëindiging.
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden, maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Het kabinet kan zich goed voorstellen dat de berichten over arbeidsmigranten die in heel lastige omstandigheden een keuze moeten maken over hun zwangerschap veel oproepen bij belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestanen. Het is ook begrijpelijk en belangrijk dat zij, vanuit hun eigen ervaringen in het verleden, aandacht vragen voor de situatie van deze groep vrouwen en hun kinderen. Het kabinet neemt de signalen, die overigens via onder andere Fiom reeds bekend waren, serieus en gaat hiermee aan de slag.
Sinds de periode 1956–1984 zijn er grote aanpassingen gedaan in de begeleiding van onbedoeld en/of ongewenst zwangere vrouwen, juist omdat de situatie in het verleden zich niet mag herhalen. Er is toegang tot informatie en onafhankelijke ondersteuning bij het maken van de keuze tussen zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of adoptie en nazorg na de keuze indien gewenst. Zowel de RvdK als Fiom hebben hier in ieder individuele gesprekken oog voor. Juist doordat er geleerd is van het verleden, wordt de begeleiding door deze partijen en het bespreken van alternatieven voor adoptie nu met de grootste zorgvuldigheid gedaan. Ook voor de vrouwen die als arbeidsmigrant in Nederland wonen en werken. Zo is de informatie over keuzeopties in Nederland via Fiom en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap in diverse talen beschikbaar, kunnen tolken worden ingeschakeld bij keuzehulptrajecten en is een routekaart ontwikkeld speciaal voor arbeidsmigranten waarin de keuzeopties, ondersteuning en hun rechten worden toegelicht. Fiom organiseerde onlangs een kennissessie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap voor de hulpverleners en contactpersonen voor arbeidsmigranten bij Stichting Barka.
Het gebruik van de afstandsverklaringen komt als belangrijk aandachtspunt naar voren in het rapport van CBAA. De verklaringen kenden nooit juridische waarde of grondslag maar werden in sommige gevallen wel als dusdanig aan moeders gepresenteerd. Daarmee werkten de verklaringen voor ouders als drukmiddel; zij dachten immers vaak: «ik heb zelf getekend en kan nu niet meer terug». Dit had niet zo mogen gaan en leidt zeer terecht tot veel boosheid en verdriet bij moeders die een kind moesten afstaan en bij afgestanen. Het document dat op dit moment wordt voorgelegd aan de moeder om haar een stem te geven in het dossier verschilt sterk van de afstandsverklaring zoals die werd gehanteerd in de periode die de CBAA heeft onderzocht.
Op uitnodiging van het Ministerie van JenV en VWS zijn er in de tweede helft van vorig jaar en begin van dit jaar diverse reflectiebijeenkomsten georganiseerd waarin op de eigen rol en verantwoordelijk ten aanzien van afstand en adoptie in het verleden is stilgestaan. Ook Fiom en de RvdK namen hieraan deel. De Kamer ontvangt voor de zomer een brief met daarin een uitgebreide terugkoppeling van dit traject, alsmede de herstelmaatregelen voor moeders, vaders en afgestanen. In deze brief zullen ook de door de RvdK en Fiom geleerde lessen terugkomen, waarbij ook de werkwijze ten aanzien van de verklaringen de aandacht krijgt.
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
In het Protocol afstand ter adoptie zijn de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken organisaties beschreven. De organisatie die de ouder(s) ondersteunt (zoals Fiom) begeleidt de ouder(s) bij het nemen van de beslissing, biedt informatie over de keuzeopties, benoemt de belangen van het kind en de verwekker, bespreekt de impact van de keuze die in het nu gemaakt wordt, begeleidt bij de procedure die daarop volgt en rapporteert daarover aan de RvdK. De RvdK is verantwoordelijk voor het goede verloop van de (juridische) procedures in het kader van (voorlopige) voogdijmaatregelen en voor het bewaken van de bijbehorende termijnen. Tevens is de RvdK verantwoordelijk voor het voordragen van geschikte aspirant adoptieouders. Dit doet de RvdK in zorgvuldig overleg met de ouders. In het protocol heeft de RvdK de taak om het document aan de ouder(s) toe te lichten en hen te vragen of zij dit wensen te ondertekenen (of niet). Als de ouder(s) dit wille(n) kan de begeleider van Fiom hier ter ondersteuning bij aanwezig zijn.
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke betrekkingen?
Vanzelfsprekend vormt het behoud van de familierechtelijke betrekkingen tussen moeder en kind, en zo mogelijk ook de vader, een belangrijke waarde in de begeleiding van moeders of stellen die overwegen om afstand te doen van hun kind. Het belang van het kind wordt hier nadrukkelijk in meegenomen. Ook is er in de begeleiding van Fiom en de RvdK aandacht voor externe factoren die de autonomie van de ouder(s) beïnvloeden en voor de impact van de beslissing van nu op de toekomst. Ondanks zorgvuldige begeleiding en het bespreekbaar maken van alternatieven kan de moeder of kunnen de ouders zelf tot het besluit komen om afstand te doen van hun kind. Het uitgangspunt daarbij is het zelfbeschikkingsrecht.
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke betrekkingen?
En vrouw heeft in Nederland vier keuzeopties6 bij twijfels over een (onbedoelde en/of ongewenste) zwangerschap. Afstand ter adoptie is in Nederland één van de keuzes die in vrijheid gemaakt kan en mag worden. Dit is nooit een lichtzinnige beslissing en vrouwen/stellen worden desgewenst intensief begeleid bij het komen tot een keuze en het verder leven hiermee. In de begeleiding die door Fiom wordt geboden komen alle keuzeopties aan bod en worden alternatieven uitgebreid onderzocht. Dat neemt niet weg dat er inderdaad vrouwen zijn die, vanwege de omstandigheden waarin zij leven, moeten concluderen dat het doen van afstand voor hen de enige mogelijke keuze is.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Er bestaan helaas geen snelle en makkelijke oplossingen voor de complexe omstandigheden van deze groep vrouwen en stellen. Maar het kabinet moet en wil hier wel heel goed naar kijken. De ministeries van JenV, SZW en VWS zijn daarom al met elkaar en met betrokken veldpartijen in contact om te verkennen wat nodig is om bestaande hulp en ondersteuning beter te laten aansluiten op de behoeften van zwangere arbeidsmigranten.
Het Ministerie van SZW werkt aan een breed pakket aan maatregelen om de positie van arbeidsmigranten te verbeteren, waaronder op het gebied van huisvesting en huurbescherming.
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Elk kind in Nederland dient onder gezag te staan. Het gezag ligt bij de biologische ouders of bij één van de biologische ouders. Als het gezag niet door de biologische ouder(s) uitgeoefend wordt, omdat de ouder(s) afstand wil(len) doen dan is het de taak van de Raad voor de Kinderbescherming om in het gezag over de minderjarige te voorzien en/of, indien noodzakelijk, een kinderbeschermingsmaatregel te verzoeken.
De RvdK doet in de procedure waarbij een vrouw afstand ter adoptie overweegt onderzoek. Tijdens het raadsonderzoek spreekt de RvdK met de ouder(s). Als er een vermoeden bestaat dat de ouder(s) niet vrijwillig de keuze voor afstand maakt/maken, dan wordt dat besproken met ouder(s) en wordt dit opgenomen in het raadsrapport. De alternatieven voor afstand ter adoptie worden in die gevallen opnieuw met de ouder(s) doorgenomen. Zo worden de mogelijkheden besproken om zelf voor het kind te zorgen en de mogelijkheden tot ondersteuning daarbij. Soms kan (langdurige) pleegzorg een alternatieve oplossing bieden.
Als de ouder(s) bij het voornemen tot afstand blijft/blijven verzoekt de RvdK aan de rechter om definitief in het gezag te voorzien. Bij de behandeling van dit verzoek ter zitting wordt/worden de ouder(s) altijd opgeroepen en heeft de rechter oog voor de wensen van de ouder(s). De rechter heeft een zelfstandige toetsende taak en onafhankelijke rechtsprekende rol in de procedures die betrekking hebben op afstand ter adoptie.
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan, expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk, inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Huisvesting, werk en inkomen zijn zonder meer belangrijke onderwerpen in de begeleiding aan alle vrouwen en stellen die afstand ter adoptie overwegen. Als de vrouw dit wil, wordt samengewerkt met het andere zorg- of hulpverleners om oplossingen te vinden voor problemen met huisvesting of inkomsten. Voor een deel van de arbeidsmigranten die zich voor begeleiding bij afstand ter adoptie aanmeldt, betekent deze hulp ook dat zij er uiteindelijk voor kiezen om zelf voor het kind te gaan zorgen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen- en familierecht op 16 april 2026?
Ja.
Veiligheids- en gezondheidsrisico’s van windturbines |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Bertram , van Bruggen |
|
|
|
|
Gelet op de antwoorden op eerdere Kamervragen over de veiligheidsrisico’s van windturbines en de daarin genoemde verwijzingen naar rapportages van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV)1 heeft het lid Vermeer de volgende aanvullende vragen.
Zoals eerder is geantwoord op de Kamervragen van Kamerlid Vermeer (BBB) van 12 november 2025, kunnen windturbines door de Onderzoeksraad worden onderzocht. De Onderzoeksraad kan hiertoe vanuit zijn bevoegdheid als zelfstandig bestuursorgaan beslissen. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad geen onderzoeken gedaan naar de veiligheidsrisico’s van windturbines op land. In de 4e kwartaalrapportage luchtvaart3 van 2021 heeft de Onderzoeksraad het onderwerp windturbines genoemd. De resultaten waren geen aanleiding voor een verder onderzoek.
Waarom wordt in uw beantwoording gesteld dat er geen significante veiligheidsrisico’s zijn, terwijl de OVV-kwartaalrapportage juist wél benoemt dat windturbines bijdragen aan verdichting van VFR-verkeersstromen2 en daarmee een verhoogde kans op luchtbotsingen?
De Rijkswet op de Onderzoeksraad voor Veiligheid garandeert de onafhankelijke positie van de Onderzoeksraad. Voor enkele typen voorvallen geldt een onderzoeksverplichting. Voorvallen met windturbines vallen daar niet onder. De Onderzoeksraad heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid om uit de veelheid van voorvallen en veiligheidsthema’s, onafhankelijk te kiezen welke hij wil onderzoeken. Iedereen kan een verzoek doen aan de Onderzoeksraad tot het starten van een onderzoek en dat gebeurt ook regelmatig. Ook dan maakt de Onderzoeksraad zijn eigen afweging. Tot op heden heeft de Onderzoeksraad onvoldoende aanleiding gezien om voorvallen met windturbines te onderzoeken.
Waarom heeft de OVV nooit een volledig onderzoek uitgevoerd naar veiligheidsrisico’s van windturbines, terwijl burgers voor hun veiligheid volledig afhankelijk zijn van overheid, bedrijven en instellingen?
De veiligheidsperimeters staan op de Aandachtskaart-Windturbines4, die brandweer handvatten biedt bij de bestrijding van incidenten rondom windturbines. De Aandachtskaart is ontwikkeld door het NIPV samen met deskundigen van de brancheorganisatie Nederlandse Wind Energie Associatie (NWEA, nu bekend onder de naam NedZero) en deskundigen uit de diverse veiligheidsregio's. De Aandachtskaart is vastgesteld door de landelijke Vakraad Incidentbestrijding en gecommuniceerd met de 25 veiligheidsregio’s, waar de brandweer onderdeel van is. De veiligheidsregio’s zijn zelf verantwoordelijk voor verdere verspreiding over lokale korpsen.
Welke veiligheidsperimeter wordt gehanteerd rond een brandende windturbine, wie stelt deze instructies vast en zijn deze eenduidig bekend bij alle brandweerkorpsen en veiligheidsregio’s?
De exploitant van een windturbine is verantwoordelijk voor het opruimen van brokstukken, gesmolten materiaal en brandresten na afloop van een incident. De Omgevingsdiensten adviseren en controleren of de opruimwerkzaamheden correct worden uitgevoerd. Er is geen sprake van een standaard straal van verspreiding, omdat dit onder andere afhankelijk is van de locatie van de brand en de windrichting. Het gebied wordt bepaald in samenwerking met de brandweer, gespecialiseerde schoonmaakbedrijven en de omgevingsdiensten.
Hoe wordt gecontroleerd wat er gebeurt met brokstukken, brandresten en gesmolten materialen die van grote hoogte verspreid worden en tot welke afstand wordt dit onderzocht?
De vergunningverlenende partij stelt hiervoor geen specifieke eisen in het vergunningstraject. Wel is de exploitant vanuit de zorgplicht (artikel 2.11 Besluit Activiteiten Leefomgeving) verplicht alle passende maatregelen te treffen tegen de nadelige gevolgen van een incident. Als vanuit de zorgplicht aanvullende communicatie noodzakelijk is, dan wordt hierbij samengewerkt met de veiligheidsregio. De veiligheidsregio’s hebben onder andere de taak en verantwoordelijkheid om omwonenden te informeren over risico’s op het moment dat er risico’s ontstaan bij eventuele incidenten.
Welke concrete eisen stellen vergunningverlenende partijen aan initiatiefnemers met betrekking tot communicatie over risico’s en noodprocedures voor omwonenden?
Actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines zijn te berekenen met de rekenmethodiek van het RIVM5. De rekenmethodiek wordt vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en aangewezen in de Omgevingsregeling (Artikel 4.11 lid b). In 2021 heeft de laatste herziening van de rekenmethodiek6 plaatsgevonden op basis van incidentencasuïstiek tot die tijd.
Het incident zoals in Nieuwleusen heeft na 2021 plaatsgevonden en wordt ondervangen in de huidige rekenmethodiek. In de huidige rekenmethodiek neemt het RIVM diverse risicoscenario’s mee op basis van casuïstiek en wetenschappelijke literatuur. Een van die scenario’s is brand op hoogte. Gevolg daarvan is dat delen van de windturbine zich kunnen verspreiden in de omgeving en het is mogelijk dat daardoor personen en gebouwen getroffen kunnen worden. De veiligheidsafstand tot kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties die volgt uit de rekenmethode, en de inzet vanuit de veiligheidsregio, zorgen dat een voldoende veiligheidsniveau wordt gewaarborgd.
Wat zijn de actuele externe veiligheidsafstanden voor windturbines, hoe wordt de rekenmethodiek vastgesteld, door wie, en wanneer zijn deze afstanden voor het laatst aangepast op basis van incidentcasuïstiek zoals bij Nieuwleusen?
Voor windturbines geldt de zorgplicht onder artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving en daarnaast is de veroorzaker op grond van de Wet milieubeheer (artikel 17.13) verantwoordelijk voor het beperken en herstellen van de milieugevolgen van de brand. De verantwoordelijkheid voor het herstellen van milieuschade door een incident met windturbines en bijbehorende kosten, ligt bij de exploitant. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat verzekeraars de schade zullen vergoeden die onder de dekking van de bij hun afgesloten polis valt.
Het is bekend dat actieve brandbestrijding in windturbines niet mogelijk is in verband met toegangsbeperkingen. Daarom focust de sector op preventie, passieve bewaking, en schadebeperking, om veiligheid van mensen te beschermen, ondersteund door regelmatig onderhoud en verplichte jaarlijkse inspecties.
Hoe wordt van exploitanten verwacht dat zij milieuschade beperken wanneer brandbestrijding bij windturbines feitelijk niet mogelijk is en welke normen of eisen gelden hiervoor?
Voor projecten met 3 of meer windturbines geldt een vergunningsplicht onder de Omgevingswet en worden eisen gesteld op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor 1 of 2 windturbines gelden de direct werkende gebruiksregels voor windturbines, zoals vermeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Conform deze gebruiksregels dient bijvoorbeeld een jaarlijkse inspectie plaats te vinden bij de windturbine ten behoeve van de externe veiligheid (artikel 4.428 Bal) en geldt een informatieplicht over het buiten gebruik stellen (artikel 4.429 Bal). Dit om de omgeving te beschermen tegen bladbreuk en afworp, mastbreuk of omvallen en bijvoorbeeld ijsafwerping. Aanvullend wordt afstand gehouden rondom windturbines bij ruimtelijke ontwikkelingen van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties op basis van risicocontouren (artikel 5.7 lid 1 en artikel 5.8 lid 1c Bkl).
Voor windturbines zijn ook veiligheidsnormen vastgelegd in de NEN-EN-IEC 61400-1, NEN-EN-IEC 61400-2 en Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 8400. De provincie of gemeente (in sommige gevallen het Rijk) is bevoegd gezag en toetst aan deze eisen. Hierop kunnen zij de veiligheidsregio vragen om advies. Zie ook de Kennisbundel Windturbines7 van het NIPV voor een nadere toelichting op regelgeving rondom windturbines.
Naar welke specifieke wet- en regelgeving wordt verwezen wanneer wordt gesteld dat de bestrijdbaarheid en gevolgen voor de leefomgeving voldoende zijn ondervangen, terwijl u tegelijk aangeeft dat brandbestrijding op hoogte niet kan plaatsvinden?
In de Aandachtskaart-Windturbines8 is een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter opgenomen in geval van het mogelijk afbreken van vallende delen en wordt tot nu toe als handvat gebruikt. Op dit moment wordt deze afstand nog als actueel gezien op basis van de huidige turbinehoogtes.
Op welke turbinehoogte is de brandweeraandachtskaart met een standaardveiligstellingsafstand van 500 meter gebaseerd en is deze afstand nog actueel gezien de aanzienlijke toename in turbinehoogtes?
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
Ernstig geweld tegen gevangenispersoneel in PI Heerhugowaard |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een cipier in de PI Heerhugowaard is gestoken en gegijzeld door een gedetineerde, waarna een arrestatieteam moest ingrijpen?1
Ja.
Erkent u dat dit incident voor de zoveelste keer laat zien dat gevangenispersoneel onvoldoende wordt beschermd tegen extreem gewelddadige gedetineerden binnen Nederlandse penitentiaire inrichtingen?
Geweld tegen gevangenispersoneel is onacceptabel. Mijn gedachten gaan uit naar de medewerkster die het slachtoffer was van dit geweldsincident, diens naasten en naar de andere personeelsleden.
Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar het geweldsincident. Wanneer er lessen te trekken zijn, gebeurt dat ook.
Kunt u aangeven welk voorwerp of wapen bij deze steekpartij is gebruikt en of hierbij sprake was van contrabande of een zelfgemaakt steekwapen (shank)?
Inmiddels is bekend dat het voorwerp wat is gebruikt om geweld toe te passen een scherf van een bord is geweest. Dat betekent dat het een zelfgemaakt steekwapen betreft en er geen sprake was van contrabande.
Indien sprake was van contrabande, hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting onder verantwoordelijkheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen over een steekwapen kon beschikken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u inzicht geven in de hoeveelheid aangetroffen contrabande (zoals steekwapens, drugs en telefoons) in de PI Heerhugowaard in de afgelopen drie jaar en hoe deze cijfers zich verhouden tot andere penitentiaire inrichtingen?
In figuur 1, 2 en wordt een beeld gegeven van de hoeveelheid aangetroffen contrabande in penitentiaire inrichtingen in Nederland voor respectievelijk 2023, 2024 en 2025.2 Per tabel zijn de cijfers die zien op PI Heerhugowaard met geel uitgelicht.
Ten aanzien van de cijfers in onderstaande overzichten hecht ik eraan om de volgende context mee te geven. Uit het afzetten van PI Heerhugowaard tegen andere penitentiaire inrichtingen kunnen niet direct conclusies getrokken worden. Zo bestaat er een verschil in grootte tussen PI’s en regimes. Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat niet alle aangetroffen contrabande bij gedetineerden terechtkomen. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt.
Figuur 1. Totaal geregistreerde contrabande GW 2023
Figuur 2. aangetroffen contrabande GW 2024
Figuur 3. aangetroffen contrabande GW 2025
Hoe kan het dat een gedetineerde binnen een inrichting die onder verantwoordelijkheid valt van de Dienst Justitiële Inrichtingen, wederom in staat is personeel te verwonden en langdurig te gijzelen?
De realiteit is helaas dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Zowel naar de gijzeling in PI Vught van 5 december 2025 als naar dit incident in de PI Heerhugowaard wordt onderzoek gedaan door de politie. Ook laat DJI zelf onderzoeken verrichten naar beide incidenten. Het onderzoek naar de gijzeling in Vught zal naar verwachting voor de zomer zijn afgerond. Van het onderzoek naar de gijzeling in PI Heerhugowaard is nog onbekend wanneer dit onderzoek zal worden afgerond. Bij relevante ontwikkelingen wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Waarom worden gedetineerden met een bekend agressief, instabiel of gevaarlijk profiel kennelijk niet structureel gescheiden of onder een zwaarder beveiligingsregime geplaatst?
Een gedetineerde wordt geplaatst op een regime passend bij de veiligheidsrisico’s. Zo wordt bij de plaatsing van een gedetineerden een risicoprofiel opgesteld, waarbij naar meerdere aspecten wordt gekeken, zoals de kenmerken en achtergronden van het delict en overige beschikbare informatie van het Openbaar Ministerie en de politie. Waar nodig wordt er aanvullend gekeken naar het risicoprofiel door de Detentie Intelligence Unit (DIU), bestaande uit DJI, politie en OM.
Indien individuele veiligheidsmaatregelen op een reguliere afdeling niet voldoende zijn, kan DJI, op basis van relevante informatie van OM en politie, een gedetineerde plaatsen in een strenger regime zoals een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) als wordt voldaan aan de daarvoor geldende eisen. Een dergelijk incident wordt meegenomen in deze afweging en kan aanleiding geven tot plaatsing in een strenger regiem. Elk jaar wordt beoordeeld of het verblijf van een gedetineerde in een AIT verlengd wordt met een jaar. DJI beoordeelt dat op basis van concrete en actuele informatie van de organisatie zelf, de politie en het OM.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat geweld tegen gevangenispersoneel steeds opnieuw plaatsvindt zonder dat dit leidt tot zichtbare aanscherping van regime, toezicht en sancties?
Net als uw Kamer vind ik geweld tegen gevangenispersoneel onacceptabel. DJI heeft aangifte gedaan. De betrokken gedetineerde is disciplinair gestraft en overgeplaatst. Ook wordt er onderzoek verricht. Alle inzet is erop gericht om dit in de toekomst zo goed als mogelijk te voorkomen. Waar nodig zullen aanvullende maatregelen worden getroffen.
Welke concrete maatregelen gaat u per direct nemen om te waarborgen dat personeel in gevangenissen veilig zijn werk kan doen en kunt u garanderen dat dit niet opnieuw wordt afgedaan met onderzoek en woorden zonder gevolgen?
DJI investeert structureel in de weerbaarheid en veiligheid van hun medewerkers middels trainingen en opleidingen. Daarnaast is voor het personeel DJI, die in de privésfeer wordt bedreigd als gevolg van werkzaamheden voor DJI, de afdeling Personeelsbeveiliging beschikbaar. Deze afdeling valt onder de verantwoordelijkheid van de Beveiligingscoördinator (BVC) DJI en geeft uitvoering aan de werkgeversverantwoordelijk binnen het Stelsel Bewaken en Beveiligen. De medewerkers van deze afdeling zorgen voor een 24/7 bereikbaarheid. DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige werkomgeving waarin medewerkers hun werk met vertrouwen en waardigheid kunnen uitvoeren.
Zoals in de beantwoording van vraag 6 aangegeven is de realiteit echter ook dat incidenten met deze doelgroep nooit zijn uit te sluiten. Alle inzet is erop gericht om deze incidenten in de toekomst te voorkomen. Daarom wordt onderzoek verricht naar beide incidenten. Wanneer hier lessen uit getrokken kunnen worden, zal dit zeker gebeuren. Ik houd dit nauwlettend in de gaten, want veiligheid van personeel staat voorop.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
PTSS-erkenning voor de brandweer en de regeling voor een compromis |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u deze aanvullende schriftelijke vragen betrekken bij de beantwoording van de eerdere schriftelijke vragen over dit onderwerp1?
Ja.
Hoe wordt voorkomen dat verschillen ontstaan in toepassing en vergoedingspraktijk tussen regio’s?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat een uniforme werkwijze en uitvoering wordt beoogd door landelijke coördinatie en overleg tussen uitvoeringsprofessionals. Hiermee wordt voorzien dat de regeling binnen elke veiligheidsregio op dezelfde wijze wordt uitgevoerd, toegepast en uitgelegd. De uniforme uitvoering van de Regeling PTSS wordt daarbij jaarlijks geëvalueerd door de veiligheidsregio’s.
Klopt het dat vergoedingen op grond van de PTSS-regeling in mindering worden gebracht op eventuele latere schadevergoedingen bij aansprakelijkheid? Hoe verhoudt dit zich tot het ontbreken van een volledige schadevergoeding binnen de regeling zelf?
Er zijn veel factoren die bij individuele situaties van invloed zijn op de relatie tussen de PTSS-regeling en eventuele latere schadevergoedingen. De veiligheidsregio’s geven aan dat regeling PTSS primair voorziet in loonderving. Mocht daarnaast sprake zijn van restschade, dan komt dat boven op de vergoeding verstrekt conform de regeling PTSS.
Een eventuele aanspraak op smartengeld behoort juridisch tot het aansprakelijkheidsrecht en maakt daarom geen onderdeel uit van de regeling.
Hoe wordt in de praktijk omgegaan met vrijwilligers met meerdere inkomensbronnen? Kan de samenloopbeperking ertoe leiden dat feitelijke schade niet volledig wordt gecompenseerd?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat in de regeling is opgenomen dat samenloop van meerdere inkomensbronnen is begrensd tot éénmaal een voltijdsdienstbetrekking en het maximumdagloon.
Hierbij wordt aangegeven dat indien het inkomen méér is dan het maximumdagloon of een voltijdsdienstbetrekking de feitelijke schade méér kan zijn dan wordt gecompenseerd conform de regeling PTSS. De veiligheidsregio’s geven hierbij aan dat (individuele) aansprakelijkheidsstelling in een dergelijke situatie separaat mogelijk is.
Is onderzocht of het proces van het aannemelijk maken van incidenten en gebeurtenissen die PTSS veroorzaakten, kan leiden tot hertraumatisering of verergering van klachten? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij als werkgever belangrijke stappen zetten om medewerkers en vrijwilligers beter te ondersteunen, zo ook bij het proces en begeleiding rondom de regeling. Uit de aangekondigde evaluatie en signalen uit de praktijk zal ook naar voren moeten komen of het proces doelmatig verloopt en hoe dit door betrokkenen wordt ervaren.
Acht u het passend om bij een chronische, behandelingsresistente aandoening als C-PTSS toekomstige zorgkosten af te kopen? Hoe wordt voorkomen dat betrokkenen op latere leeftijd financieel tekortkomen?
Dit is onderwerp van gesprek tussen betrokken overlegpartners. Ik breng deze vragen over aan de betrokken partijen.
Waarom is geen spoedregeling of noodvoorziening opgenomen voor acute of ernstige situaties?
Het akkoord op deze regeling en de inhoud is een aangelegenheid tussen de werkgevers en de betrokken bonden als vertegenwoordigers van de werknemers. Indien ik signalen ontvang over acute en ernstige situaties zal ik dit direct onder de aandacht brengen in mijn contact met betrokken partijen.
De veiligheidsregio’s hebben mij laten weten dat zij allen bezig zijn met het proces rondom medewerkers met PTSS-achtige klachten en deze begeleiding goed in te richten. Breder beschouwd wordt dit door de regio’s beoogd middels het goed inrichten van hulp na incidenten met behulp van Teams Collegiale Ondersteuning (hierna: TCO). Vanuit TCO worden medewerkers en vrijwilligers gevolgd en begeleid, al dan niet met professionele hulp. Daarbij beogen de veiligheidsregio’s bij de uitvoering van de regeling met de aanname van extra HR capaciteit de bereikbaarheid voor en begeleiding van medewerkers en vrijwilligers zo goed mogelijk te ondersteunen.
Hoe wordt de onafhankelijkheid van de landelijke Adviescommissie PTSS geborgd, gezien de betrokkenheid van veiligheidsregio’s bij de uitvoering? Worden commissieleden volledig extern benoemd?
De veiligheidsregio’s geven mij aan dat commissieleden worden benoemd door de secretaris van het Landelijk Overleg Arbeidsvoorwaarden Veiligheidsregio’s (hierna: LOAV). Dat geschiedt op verzoek van en met instemming van de sociale partners.
Bent u bereid een tussentijdse evaluatie vóór het verstrijken van drie jaar te overwegen? Wordt bij de evaluatie expliciet gekeken naar de rol van organisatiecultuur en nazorg in het verleden? Wordt onderzocht of structurele tekortkomingen hebben bijgedragen aan het ontstaan of verergeren van PTSS?
De regeling zal als geheel na drie jaar worden geëvalueerd, of indien nodig eerder, zoals overeengekomen is tussen vakbonden en werkgevers. Dit is in dit geval niet aan mij, maar aan de sociale partners.
Ik acht doorontwikkeling en lerend vermogen van groot belang als stelselverantwoordelijke. Onder meer het NIPV onderzoekt in Nederland diverse thema’s rondom de brandweer, zo is onderzoek gepubliceerd op het gebied van het welzijn van brandweermensen, de organisatiecultuur bij de brandweer en verwerking van ingrijpende incidenten. Onderzoek naar de uitvoering van nazorg en beleid hierop is ook een aangelegenheid van de werkgevers. In contact met betrokken partijen zal ik bezien of en hoe dit het beste vorm kan worden gegeven kijkend naar de toekomst.
Ook moedig ik betrokken partijen aan te kijken naar andere beroepsgroepen daar waar dit kan. Dit in het kader van rolvastheid, doorontwikkeling, lerend vermogen van betrokken partijen en bovenal het welzijn van brandweerlieden in Nederland.