De miljoenen euro’s aan dwangsommen die worden uitgekeerd aan asielzoekers |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Mona Keijzer , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van NOS van 14 januari jl., waaruit blijkt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2024 in totaal 36,8 miljoen euro aan dwangsommen heeft uitgekeerd aan asielzoekers?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor miljoenen euro’s aan dwangsommen worden uitgekeerd aan asielzoekers en dat deze dwangsommen per zaak kunnen oplopen tot 37.000 euro?
Het is onwenselijk dat de kosten oplopen. Daarnaast is de lange wachttijd onwenselijk vanuit het perspectief van de aanvrager die recht heeft op tijdige behandeling van zijn of haar aanvraag.
De IND geeft bovendien aan dat dwangsomprocedures het proces niet bespoedigen. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. De maatregel kan direct na inwerkingtreding van de wet geïmplementeerd worden. Tot die tijd geef ik uitvoering aan bestaande wetgeving en daaruit volgende rechterlijke uitspraken.
Hoeveel heeft de IND in 2025 uitgekeerd aan dwangsommen en wat was het maximum per zaak?
De IND heeft in 2025 in totaal2 79 miljoen euro aan dwangsommen betaald. Het maximum per zaak is afhankelijk van de vraag of de vreemdeling wel of geen (opvolgend) «beroep niet tijdig beslissen (BNTB)» indient en wat de rechter in de individuele zaak aan dwangsom oplegt.
Voor wat betreft de zaken waarin de IND nog een bestuurlijke dwangsom op basis van ingebrekestelling (zonder tussenkomst van de rechter) moet uitbetalen3, bedraagt dit maximaal € 1.442,– per zaak. Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de rechter de vrijheid om te bepalen hoe hoog de dwangsommen zijn, maar volgt daarbij normaliter de beleidslijnen die binnen de rechtspraak zijn afgesproken4.
Wanneer na een eerdere uitspraak (Beroep Niet Tijdig Beslissen – BNTB) nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgend BNTB indienen bij de rechtbank. Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend BNTB kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum verbonden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat asielzoekers tienduizenden euro’s kunnen ontvangen via dwangsommen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven bij vraag 2 is het onwenselijk dat asielzoekers te maken hebben met lange wachttijden en draagt dit bij aan de inzet tot het afschaffen van de rechterlijke dwangsom.
Het gevolg daarvan is dat IND in gebreke kan worden gesteld en dat een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Dit draagt niet bij aan het verkorten van de wachttijden en heeft oplopende kosten tot gevolg. De IND werkt hard aan het verminderen van de wachttijden en daarmee het beperken van de oplopende kosten.
Deelt u de opvatting, van zowel het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de dwangsomregeling is bedoeld als bestuurlijke prikkel voor tijdige besluitvorming en niet als financiële tegemoetkoming of inkomensbron voor asielzoekers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik volg de lijn van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026.
Deelt u de mening van de indiener dat de huidige dwangsomregeling een perverse prikkel kan vormen, waarbij het voor asielzoekers aantrekkelijk wordt om hun procedure zo veel mogelijk te dwarsbomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Op het moment dat aanvragers niet meewerken aan hun procedure kan dit reden tot afwijzing zijn. Gevallen waarbij de aanvrager de procedure vertraagt om een dwangsom te verbeuren zijn mij niet bekend. Indien dit zich wel zou voordoen kan de IND het besluit en daarmee de dwangsom onder (bij wet) bepaalde voorwaarden, zoals overmacht, toerekening of instemming opschorten.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen aan asielzoekers af te schaffen of in elk geval te verlagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen niet langer uit te keren aan asielzoekers, maar aan werkende Nederlanders in de vorm van een jaarlijkse belastingkorting? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een onderzoek naar de vraag of een dergelijke handelwijze (juridisch) haalbaar is bevindt zich buiten mijn beleidsterrein. Daarnaast ligt het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen ter behandeling voor bij de Eerste Kamer.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: ’Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen’' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: «Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen»»?1
Ja. Het artikel verwijst naar het rapport «perspectief op de woningmarkt» van het Centraal Planbureau (CPB). Het artikel uit de Telegraaf wijdt enkel uit over wat het rapport over de Wet betaalbare huur schrijft. De Wet betaalbare huur is slechts één van de maatregelen die in het rapport besproken wordt. De publicatie gaat in brede zin in op hoe de verdeling van woonruimte en het ontstaan van woningaanbod samenhangen, en hoe overheidsbeleid deze processen beïnvloedt. Het onderliggende uitgangspunt van het rapport is dat het verschil tussen insiders2 en outsiders3 op de woningmarkt moet worden verkleind. De onderzoekers concluderen dat dit het best kan worden gedaan door de voordelen van insiders af te schaffen en woningen bij te bouwen. Het rapport gaat in op hoe beleidsmaatregelen hieraan bij kunnen dragen, in zowel positieve als negatieve zin. In de koopsector ligt het volgens de onderzoekers voor de hand de subsidiering van de eigen woning te verminderen. In de sociale huur kunnen huishoudens met een hoger inkomen meer huur betalen. Ten aanzien van huurregulering geeft het rapport aan dat dit kan leiden tot een kleiner huuraanbod, wat nadelig is voor huishoudens die graag willen huren maar geen gereguleerde huurwoning kunnen vinden.
Kan u reflecteren op de conclusie van het Centraal Planbureau dat zonder aanpassingen van de Wet betaalbare huur de overheid de knip moet trekken omdat private investeringen in huurwoningen onaantrekkelijk zijn geworden?
In het rapport benoemen de onderzoekers dat woningen op binnenstedelijke locaties een hoge marktprijs hebben en alleen betaalbaar worden gebouwd doordat de prijs wordt gereguleerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een bepaald aandeel sociale of middenhuur te eisen. De waarde van de grond in deze binnenstedelijke gebieden is echter hoog, en huurregulering en/of betaalbaarheidseisen zorgen ervoor dat de projecten niet meer rendabel zijn. Daarom stelt het CPB dat er een overheidsbijdrage nodig is om betaalbare woningbouw op binnenstedelijke locaties van de grond te krijgen. Zonder overheidsbijdrage kunnen hier alleen woningen worden gerealiseerd als de nieuwbouw niet betaalbaar hoeft te zijn.
Er zijn meerdere manieren om de businesscase van de bouw van een betaalbare woning te verbeteren. Dit kan naast subsidies ook door verbetering van het investeringsklimaat (zowel huurregulering als fiscaliteit). Maar ook bijvoorbeeld het versnellen van processen en procedures, het verminderen van regels, standaardisatie en maatregelen op de grondmarkt kan de businesscase verbeteren. Woningbouwprojecten worden op verschillende manieren financieel ondersteund. Zo wordt de bouw van betaalbare woningen gestimuleerd door de realisatiestimulans en de woningbouwimpuls. Tegelijkertijd zijn er al maatregelen genomen om het investeringsklimaat te verbeteren en is in het coalitieakkoord afgesproken dat wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat wordt aangepast zodat het investeringsklimaat verder verbetert.
Deelt u de conclusie dat de invoering van de Wet betaalbare huur heeft gezorgd voor massale verkoop van huurwoningen door private verhuurders? Zo ja, kan u een overzicht geven van deze cijfers? Zo niet, kan u deze conclusie weerleggen met cijfers?
Ik erken dat de Wet betaalbare huur gevolgen kan hebben voor het rendement van de verhuurders die hierdoor hun huurprijs moesten verlagen. Als verhuurders door een lagere huurprijs hun huurwoning besluiten te verkopen, heeft dit effect op het aanbod. Tegelijkertijd is deze wet niet zonder reden ingevoerd. De aanleiding voor het wetsvoorstel was dat huurprijzen steeds verder stegen en het betaalbare middensegment steeds kleiner werd. In de memorie van toelichting bij de Wet betaalbare huur is uitgelicht dat woningen die voorheen middenhuur waren bij een bewonerswisseling steeds vaker in het vrije huursegment verhuurd werden, met name in de grote steden.4 Het vinden van een betaalbare huurwoning is daardoor voor middeninkomens steeds lastiger geworden. Daarom is in tijden van schaarste een vorm van overheidsregulering nodig.
Uiteraard moet er ook aandacht zijn voor de neveneffecten. Ik volg de ontwikkelingen van de transacties van huurwoningen nauw. Ik zie dat private verhuurders vaker hun huurwoningen verkopen als die vrijkomen. Uit cijfers van het Kadaster blijkt dat investeerders in heel 2025 circa 65.000 huurwoningen verkochten. Dit is zo’n 28% meer dan in 2024. Private investeerders verkochten vooral aan eigenaar-bewoners: 61% van deze woningen werd verkocht aan een eigenaar-bewoner. We zien dat koopstarters nu vaker hun slag slaan: 59% van de eigenaar-bewoners die een woning van een investeerder koopt is koopstarter. Als wordt gekeken naar het aankoopgedrag van private investeerders zien we dat deze groep in dezelfde periode circa 27.000 woningen aankocht. Dat is zo’n 17% meer dan in 2024. Daarnaast werden er door private verhuurders ongeveer 25.000 woningen toegevoegd door nieuwbouw en transformatie.
Hoewel het totaalaantal huurwoningen in de huursector in 2025 (privaat en woningcorporaties) stabiel is gebleven (+1.200 woningen), is de private huursector ten opzichte van 2024 met ongeveer 13.000 woningen gekrompen. Deze krimp heeft een negatief effect op het woningaanbod voor huurders in de private sector. Deze ontwikkeling vraagt om aandacht. Het is belangrijk dat er voldoende huurwoningen beschikbaar blijven. Deze ontwikkeling komt niet enkel door de Wet betaalbare huur. De afgelopen jaren zijn er verschillende huur- en fiscale maatregelen genomen, waardoor verhuren minder aantrekkelijk is geworden. Daarnaast leiden de vele beleidswijzigingen tot onzekerheid bij investeerders. Ook economische omstandigheden, zoals de gestegen rente, zorgen ervoor dat het minder aantrekkelijk is om te investeren in vastgoed. In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet het investeringsklimaat wil verbeteren om het aanbod aan huurwoningen weer te laten toenemen. Ik kijk hierbij naar het fiscale klimaat en naar huurregelgeving. Ik wil al voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur in 2027 bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden, waarbij ik expliciet kijk naar de knelpunten die private verhuurders ervaren. In april zal ik uw Kamer informeren over de ontwikkelingen in de huursector en de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur.
Wat vindt u van de conclusie dat lagere huurprijzen op korte termijn weinig betekenis hebben als er op lange termijn simpelweg geen huurwoningen meer beschikbaar zijn?
In de beantwoording van vraag 2 en 3 heb ik toegelicht dat de Wet betaalbare huur is ingevoerd omdat huurwoningen bij een bewonerswisseling steeds vaker duurder verhuurd worden en daarmee buiten het bereik komen van middeninkomen. Een vorm van overheidsregulering in tijden van deze schaarste is dus nodig. Tegelijkertijd onderschrijf ik dat het aanbod aan huurwoningen op peil moet blijven. Daarom is in regeerakkoord opgenomen dat het kabinet het investeringsklimaat wil verbeteren om het aanbod aan huurwoningen weer te laten toenemen. Dit doe ik onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke ontwikkeling ziet u in het aanbod huurwoningen in de middenhuursector, met name in binnenstedelijk gebied? Kan zij dit toelichten?
Ik heb geen cijfers van de ontwikkeling in het aanbod aan huurwoningen in de middenhuursector sinds invoering van de Wet betaalbare huur. De ontwikkeling van het aanbod zal worden meegenomen in de evaluatie van de wet.
Heeft u een voorkeur voor een goed werkend investeringsklimaat of subsidies om woningbouw mogelijk te maken, met name in binnenstedelijke gebieden? Kan u de keuze motiveren?
Er moeten snel meer betaalbare woningen worden gebouwd. Ik kies er daarom voor om financiële ondersteuning te verlenen aan woningbouwprojecten om meer betaalbare woningen mogelijk te maken zoals de realisatiestimulans en de woningbouwimpuls. En tegelijkertijd moeten we maatregelen nemen om het investeringsklimaat voor huurwoningen te verbeteren. In het coalitieakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur zal worden geoptimaliseerd. Het investeringsklimaat wordt echter niet alleen bepaald door huurregulering. Daarom kijkt dit kabinet naast huurregulering ook naar de fiscaliteit en andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld ook door het versnellen van processen en procedures, het verminderen van regels, standaardisatie en maatregelen op de grondmarkt de businesscase verbeteren. De Taskforce Versnellen Woningbouw zal hier een belangrijke rol in spelen.
Hoe gaat u de conclusies van het Centraal Planbureau meenemen in de optimalisatie en evaluatie van de Wet betaalbare huur?
Het CPB gaat in op de neveneffecten die de Wet betaalbare huur heeft op het aanbod aan woningen. In de evaluatie zal ook worden gekeken naar de effecten van de Wet op het aanbod aan huurwoningen.
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Wet betaalbare huur verwachten?
In overeenstemming met de motie Van Rooijen5 wordt binnen drie jaar na inwerkingtreding een verslag aan de Kamers gezonden over de doeltreffendheid en effecten van de wet. Ik ben daarom voornemens u dit verslag in de zomer van 2027 toe te doen komen.
Deelt u de conclusie dat huishoudens met een middeninkomen – die niet in aanmerking komen voor sociale huur en geen koopwoning kunnen financieren – door de Wet betaalbare huur klem worden gezet? Waarom wel, waarom niet?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 en 3 heb toegelicht, zie ik dit anders. De Wet betaalbare huur is ingezet juist om iets te doen aan de trend dat huurwoningen die qua kwaliteit in het middensegment thuishoren, steeds vaker werden verhuurd voor een prijs boven het middensegment. Het vinden van een betaalbare huurwoning is daardoor voor middeninkomens steeds lastiger geworden. Daarom is in tijden van schaarste een vorm van overheidsregulering nodig. Dat nu verhuurders vaker kiezen voor het verkopen van hun huurwoning bij een bewonerswisseling komt niet enkel door de Wet betaalbare huur, maar door de combinatie van verschillende huur- en fiscale maatregelen en de veranderende (macro)economische omstandigheden. Ook het CPB-rapport benoemt dat er sprake is van een combinatie van strengere huurregelgeving en fiscale maatregelen die zorgt voor deze verkoop. Daarom is in het regeerakkoord opgenomen dat het kabinet gaat kijken naar het fiscale klimaat en naar de huurregelgeving, waarbij ik specifiek voor Wet betaalbare huur voorafgaand aan de evaluatie in 2027 ga bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd.
Klopt het dat de wachttijden en de concurrentie in het middenhuursegment zijn toegenomen sinds invoering van de wet? Zo ja, heeft u daar cijfers van? Zo niet, kan u dat antwoord met cijfers motiveren?
Ik heb geen inzicht in de mate waarop wachttijden en de concurrentie in het middensegment is toegenomen. Zoals bij vraag 8 benoemd zal de evaluatie naar de Wet betaalbare huur binnen afzienbare tijd starten. Deze evaluatie zal meer inzicht geven in de ontwikkelingen en effecten van de wet.
Deelt u de mening dat deze wet vooral zittende huurders beschermt, maar woningzoekenden benadeelt?
Voor deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 9.
Welke concrete aanpassingen aan de Wet betaalbare huur zouden volgens u het verstoorde investeringsklimaat op de huurmarkt kunnen herstellen?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vormgeeft dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur in 2027 ga ik bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. In april zal ik uw Kamer verder informeren over de ontwikkelingen in de huursector en de optimalisatie van de Wet betaalbare huur. Zoals eerder gezegd kijk ik ook breder naar het verbeteren van het investeringsklimaat. Dit doe ik onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Kan u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Binnen het kabinet is de Staatssecretaris van KGG coördinerend bewindspersoon als het gaat om Moerdijk. Ikzelf heb mij met de collega’s van IenW en KGG, die verantwoordelijk zijn voor de beleidsterreinen die leiden tot deze ingrijpende ruimtelijke inpassing, ook laten informeren over de situatie en ontwikkelingen in dit gebied. Ik begrijp de behoefte van inwoners en ondernemers in Moerdijk aan duidelijkheid goed. Het is belangrijk dat die duidelijkheid zo snel mogelijk wordt geboden. Ik zal mij ervoor inzetten om samen met het kabinet de benodigde keuzes te maken en vervolgens, in overleg met de gemeenten en de provincie – die hierin een belangrijke rol spelen – tot overeenstemming komen. De duidelijkheid waar bewoners behoefte aan hebben, vraagt om een robuuste en toekomstbestendige keuze die standhoudt. De Staatssecretaris van KGG heeft in dat kader onlangs een werkbezoek gebracht aan Moerdijk.
Vanuit het Rijk, de provincie en gemeente, willen wij duidelijkheid bieden over de voorkeursrichting, de bijbehorende toekomst van het dorp en de te volgen procedure. Het is ons voornemen om in juni van dit jaar samen met provincie en gemeenten de voorkeursrichting voor de uitbreidingsactiviteiten van de haven en de noodzakelijke energie-infrastructuur te bepalen. Het is begrijpelijk dat er in de tussentijd vragen blijven bestaan. Wij blijven daarom uiteraard via de dorpstafel in gesprek met de inwoners van Moerdijk.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Het energie-intensieve industriecluster Moerdijk is, samen met andere energie-intensieve industrieclusters, in de Ontwerp-Nota Ruimte aangewezen als van nationaal belang. In het coalitieakkoord is daarnaast vastgelegd dat voor deze clusters een nationale ruimtelijkeconomische strategie wordt ontwikkeld. Deze clusters zijn van groot belang vanwege hun rol in het nationale energiesysteem en hun bijdrage aan een toekomstbestendige economie en strategische autonomie. Rondom het haven- en industriecluster Moerdijk komen een aantal belangrijke energieprojecten van nationaal belang samen, die noodzakelijk zijn voor de duurzame energievoorziening van Nederland. Deze projecten zorgen voor duurzame energie voor woningbouw, ziekenhuizen, scholen, bedrijven en andere belangrijke voorzieningen in de regio en de rest van Nederland. Zonder deze projecten kunnen deze voorzieningen niet voorzien worden van stroom en andere energiebronnen. Tegelijkertijd nemen we, in bredere zin voor heel Nederland, de kwaliteit van de leefomgeving als uitgangspunt bij alle keuzes die we maken. Maar bij keuzes betekent dat soms ook dat er effecten kunnen optreden die niet voorkomen kunnen worden, gemitigeerd of – indien onvermijdelijk – geaccepteerd moeten worden. De impact op de omgeving wordt nadrukkelijk meegewogen in de besluitvorming over de strategische uitbreiding van de energie-intensieve industrieclusters.
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Dit is nog niet besloten. Nadat een voorkeursrichting is bepaald kan dit nader worden uitgewerkt op basis van de uitgangspunten die daarbij vastgesteld worden.
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
De inhoud van het raadsbesluit is bekend en past bij de uitkomsten van onderzoeken zoals verwoord in het besluit van het bestuurlijk overleg op 1 december 2025. «De analyses ten aanzien van verschillende perspectieven laten zien dat de oostelijke richting de meest logische kenmerken heeft voor een uitbreiding van het haven- en industrieterrein van Moerdijk en voor een toekomstbestendig werkend systeem van haven en infrastructuur. Deze onderzoeken laten tevens zien dat de zuidoostelijke richting minder aansluit bij de behoefte aan multimodale ontsluiting en een aantal belangrijke infrastructurele werken en projecten doorkruist, waaronder buisleidingen, spoorlijnen en snelwegen. Bij de zuidoostelijke richting wordt de leefbaarheid van meerdere omliggende dorpskernen en voor meer inwoners aangetast en deze belemmert de ontwikkeling van de gemeente aan deze zijden. Het dorp Moerdijk raakt ingeklemd door de ontwikkelingen vanuit industrie en energie, waardoor overlast toeneemt en een leefbaar perspectief onzeker is. Daarbij blijft de kans bestaan dat de discussie over de houdbaarheid van het dorp op een later moment opnieuw terugkomt.»
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
De amendementen zijn bekend. Het principe in de amendementen om bij een te nemen besluit over een voorkeursrichting ook een besluit te nemen over rechtvaardige condities en randvoorwaarden ondersteunt het Rijk. Het pakket wordt nog nader uitgewerkt, waardoor op dit moment nog niet gezegd kan worden of en welke amendementen onderdeel zullen zijn van de aanpak en of en hoe de verschillende condities kunnen worden ingevuld.
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Zie antwoord vraag 8.
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Dat we goed moeten zorgen voor de inwoners en ondernemers in het dorp is voor alle betrokken overheden een van de belangrijkste uitgangspunten bij het nemen van een beslissing over de toekomst van het dorp Moerdijk. Hier kunnen we op dit moment nog geen uitspraken over doen.
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Vooralsnog is geen aparte MBKA voorzien, dit is mogelijk een onderdeel van de bredere merprocedure. Deze zal openbaar zijn. Planning afronding van de procedure is eind 2028.
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Dit is afhankelijk van veel factoren waarover nog besloten moet worden. Op dit moment is het daarom niet mogelijk over de individuele posten en het totaal aan publieke kosten al uitspraken te doen.
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Er zijn momenteel geen middelen gereserveerd op de Rijksbegroting voor de strategische uitbreiding en de mogelijke financiële consequenties. De mogelijke verdeling tussen Rijk en de regionale overheden is onderdeel van de besluitvorming in juni 2026. Het is op dit moment niet zeker op welke termijn middelen beschikbaar zijn voor deze gebiedsontwikkeling.
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 13.
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
De milieueffecten van de ontwikkelrichting oost ten opzichte van zuidoost wordt nader onderzocht in de bredere mer-procedure. Hier is nog geen concreet onderzoek naar gedaan.
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Voor het Rijk bestond er de behoefte om meer inzicht te hebben in de te doorlopen procedures in de samenwerking en de te verwachten kosten en opbrengsten en mogelijkheden voor dekking vanuit het Rijk. Voor de juridisch/planologische procedures wordt eind april een advies verwacht, welke de basis zal zijn voor besluitvorming over de wijze waarop Rijk, provincie, gemeenten en waterschappen samen gaan werken.
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Zie antwoord vraag 16.
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Zie antwoord vraag 16.
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Dat is nog onduidelijk, dit moet meegewogen worden in de bestuurlijke afweging rond het kiezen van de voorkeursrichting en in het planologisch proces dat hierop volgt.
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Op 11 juni 2025 hebben Rijk en regio afgesproken om een nationaal strategisch profiel op te stellen voor het haven- en industriecluster Moerdijk. Op basis van dit profiel willen we sturen op welke activiteiten, ketens en bedrijvigheid ruimte geboden moet worden op het huidige terrein én de strategische uitbreiding. In de besluitvorming die voorzien is in juni worden ook bestuurlijke afspraken gemaakt over dit strategische profiel. Ik kan daar op dit moment nog niet op vooruitlopen.
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
De vijf clusters vormen nu belangrijke knooppunten in een internationaal netwerk van corridors voor vervoer van goederen, grondstoffen en energiedragers. Daarnaast zitten hier belangrijke basisindustrieën voor de strategische autonomie en een brede economie in Nederland. We kiezen er in de Ontwerp-Nota Ruimte voor om voor de vijf energie-intensieve clusters een scherpere langetermijnstrategie op te stellen met een sterke regierol van het Rijk, om daarmee te borgen dat de cruciale (nationale) functies tot hun recht komen. Met het kiezen voor clustering van zware industrie in deze gebieden, het intensiever benutten van de bestaande ruimte in deze gebieden en vraag en aanbod in samenhang te optimaliseren zorgen we er ook voor dat deze functies minder spreiden over heel Nederland en we de impact dus beperken. Een van de besluiten die in juni 2025 is genomen is dat er voor Moerdijk een strategisch profiel wordt uitgewerkt om hier specifiek invulling aan te geven. Daar zijn we nu mee bezig. Duidelijk is dat Moerdijk een belangrijke rol in het logistieke systeem heeft, vanuit de zeehavenfunctie, een belangrijke rol in het internationale chemiesysteem en in potentie een belangrijke rol in de grondstoffentransitie en (kritieke) grondstoffen.
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 21.
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
De gemeente heeft goede contacten met inwoners en ondernemers in het dorp Moerdijk. Daarnaast is de gemeente voornemens om een monitor uit te laten voeren. Op dit moment is nog geen informatie beschikbaar om lessen te trekken voor grootschalige ruimtelijke ingrepen elders.
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?
Bij besluitvorming in juni 2026 worden nog geen onomkeerbare stappen gezet. Het besluit betreft een voorkeur voor de ontwikkelrichting van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, betrokken gemeenten en waterschap. Daarna wordt een planologische procedure doorlopen met bredere mer-procedure. Pas na doorlopen van de planologische procedure (verwachting eind 2028) worden besluiten onomkeerbaar.
Het bericht 'Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550 per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder diens instemming.
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei 20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten. Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn: de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging? Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E, F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E, F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar vanaf 2026.
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief. Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet, en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk. Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd. Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa € 370 per jaar extra kan kosten?
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen, zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor verduurzaming onder huurders?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven. Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel noodzakelijk is.
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële voordelen hebben ontvangen?
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten, ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder. Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag. Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting. Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming, en niet van druk of financiële dwang?
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet, dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders, en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie. Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd, acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig blijft.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht. In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende maatregelen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling (Kamerstuk 36 725 XXII, nr. 14)?
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee afgehandeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over onderzoek doen naar hoe huurders met bestaande zonnepanelen beschermd kunnen worden tegen hogere prijzen dan ze zouden hebben zonder zonnepanelen (Kamerstuk 36 378, nr. 79)?
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Mona Keijzer , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Negatieve gevolgen van extra provinciale regels inzake netcongestie voor woningbouw. |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van de Telegraaf waarin staat dat nieuwe woningen in Utrecht, Flevoland en Gelderland opnieuw 10.000 tot 15.000 euro duurder dreigen te worden, omdat provincies eisen dat ontwikkelaars en bouwers «netbewust bouwen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie? Zo ja, bent u bereid dit met relevante partners elk half jaar in kaart te brengen?
Er is geen totaaloverzicht hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie. Via verschillende wegen houd ik zicht op de woningbouwplannen en de voortgang hiervan. Dit doe ik onder andere via de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw (LMVW), de bestuurlijke overleggen woondeals en via de versnellingstafels. Aan de versnellingstafels bespreken de gemeenten, corporaties en marktpartijen vastlopende projecten om tot doorbraken te komen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de publiek-private monitor waarmee alle informatie en knelpunten per project gebundeld wordt. Vertraging in een woningbouwproject is overigens vaak niet aan één specifieke oorzaak te wijten. De genoemde monitoringsinstrumenten geven voldoende richting om te kunnen sturen op de woningopgave.
Kunt u nader toelichten waarom na 1 juli 2026 netbeheerders geen ruimte meer mogen reserveren voor woningbouw en de prioriteit naar congestieverzachters verschuift?
Op 1 januari 2026 is het prioriteringskader voor transportverzoeken in werking getreden. De bevoegdheid voor het opstellen van dit prioriteringskader ligt bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In de oude werkwijze reserveerden de netbeheerders capaciteit voor het aansluiten van alle (toekomstige) kleinverbruikers, zodat elke kleinverbruiker transportcapaciteit kreeg zolang er capaciteit beschikbaar was. Grootverbruikers (ook met maatschappelijke prioriteit, zoals ziekenhuizen en defensie), kwamen ondertussen op een wachtlijst. Deze werkwijze doet geen recht aan de volgorde van het prioriteringskader en moet daarom veranderen. Netbeheerders hebben aangegeven tot 1 juli 2026 nodig te hebben om het nieuwe prioriteringskader voor kleinverbruikers te implementeren. Voor kleinverbruikers hebben netbeheerders tijd nodig voor het duiden van de impact van het nieuwe kader, het tijdig informeren van klanten en het aanpassen van bedrijfsprocessen. Tot 1 juli 2026 blijft de oude werkwijze daarom gelden voor kleinverbruikers en kan dus ook woningbouw, zolang daar capaciteit voor is, op de bestaande wijze worden aangesloten.
In het nieuwe prioriteringskader zijn drie categorieën opgenomen. Congestieverzachters staan in de hoogste categorie. Congestieverzachters zorgen voor een afname van netcongestie. In categorie twee vallen functies die essentieel zijn voor de nationale veiligheid zoals ziekenhuizen. In categorie 3 zitten functies gericht op maatschappelijke basisbehoeften, waaronder woningbouw. Woningbouw heeft daarmee ook in het nieuwe prioriteringskader prioriteit ten opzichte van een groot aantal functies die niet in het kader zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het, gelet op de huidige woningnood, een slechte zaak is dat circa 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden, omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn?
Dat er ongeveer 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn, herken ik niet. Bij het ministerie zijn enkele projecten bekend waar deze situatie zich voordoet of dreigt. Maar elke woning die niet bewoond kan worden is er één te veel. Daarom zet het kabinet vol in op het verhelpen van netcongestie, onder andere met het Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN) en de crisisaanpak in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU). Op 12 maart is uw kamer door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei geïnformeerd over de crisisaanpak voor de FGU-regio 2.
Deelt u de mening dat het niet bevorderlijk is voor het behalen van de eisen van betaalbare nieuwbouw, als ontwikkelaars moeten investeren door aanvullende provinciale eisen wat de realisatie van nieuwbouwwoningen duurder maakt, terwijl er bovendien geen garantie is dat er een aansluiting volgt? Graag uw visie.
In algemene zin zet dit kabinet er op in om kostenverhogende regels te voorkomen. Maar gezien de schaarste op het elektriciteitsnet kijk ik naar alle mogelijkheden waarmee de woningbouw wél kan doorgaan. Het «netbewust» bouwen van huizen is een belangrijke maatregel om de bestaande netcapaciteit zo goed mogelijk te benutten, en daarmee dus zoveel mogelijk woningen te realiseren met de beperkte netcapaciteit die er is. Samen met de sector werk ik aan beter zicht op de kosten en opbrengsten van netbewuste nieuwbouw. Het is van belang dat een goede afweging wordt gemaakt tussen de extra kosten die dit mogelijk met zich meebrengt en de netcapaciteit die hiermee wordt bespaard. Maatschappelijke baten en mogelijke energiebesparing voor de toekomstige bewoners worden hier ook bij betrokken.
Deelt u de mening dat het tegengaan van netcongestie belangrijk is, maar niet zou moeten betekenen dat broodnodige woningbouw wordt gehinderd? Graag uw visie.
Netcongestie is een realiteit waar het hele land mee te maken heeft. Door de schaarste aan transportcapaciteit wordt juist ook de woningbouw in toenemende mate geraakt. Het is van groot belang dat alle opties die voorkomen dat woningbouw door netcongestie wordt gehinderd serieus worden opgepakt.
Wat bent u bereid op korte termijn te ondernemen om provincies en gemeenten te stimuleren dat zij niet zomaar aanvullende eisen boven op het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen instellen en gebruiken om vergunningen te weigeren?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat (duurzaamheids-)normen worden gestandaardiseerd en dat er op toe gezien wordt dat alle gemeenten alle bovenwettelijke eisen aan de bouw schrappen, zodat overal hetzelfde geldt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regelt landelijk uniform dat bouwwerken veilig, gezond, bruikbaar en duurzaam zijn. Strengere of aanvullende lokale regels voor bouwwerken vanuit die oogpunten van het Bbl zijn niet toegestaan. Op de Woontop 2024 is dit ook herbevestigd met de sector. Om hier meer duidelijkheid over te bieden werk ik aan een wetsuitleg over de verdeling van publiekrechtelijke bevoegdheden over de 3 overheidslagen als het over de regels van het Bbl gaat en een wetsuitleg over de ruimte die de wet medeoverheden geeft om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van bouwtechnische aspecten voor woningen waar ze geen eigenaar van zijn/worden (in combinatie met uitleg artikel 23.7 Ow). Ik zal deze wetsuitleg op korte termijn met de Woontoppartners delen.
In uitvoering van het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen in Regelgeving (STOER) worden via de regionale versnellingstafels de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw signalen behandeld in geval er aanvullende eisen gesteld worden waardoor er knelpunten ontstaan in nieuwbouwplannen.
Kunt u aangeven, in het kader van tegengaan van bovenwettelijke eisen, wat u tot nu toe heeft ondernomen én van plan bent te gaan ondernemen om gemeenten op te roepen geen bovenwettelijke eisen op te leggen aan nieuwbouwwoningen en toezicht te houden op de naleving hiervan (bijvoorbeeld via bestuurlijk overleg, versnellingstafels of woonafspraken), zoals de aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 25) heeft verzocht.
Zie antwoord vraag 7.
Wat heeft u ondernomen en wat gaat u ondernemen om het belang van woningbouw zo zwaar mogelijk te laten meewegen bij de vormgeving van beleid om netcongestie tegen te gaan?
Het terugdringen van het woningtekort is topprioriteit van dit kabinet en netcongestie is een grote uitdaging in het realiseren van de woningbouwopgave. Het tegengaan van netcongestie is voor het kabinet om die reden onlosmakelijk verbonden met het belang van woningbouw. Netcongestie is dan ook een belangrijk onderdeel uit de opdracht aan de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw. Er worden concrete voorstellen uitgewerkt om te voorkomen dat woningbouw door netcongestie tot stilstand komt. Ook werkt mijn ministerie nauw samen met KGG, de VNG, IPO, de ACM en regionale netbeheerders aan de werkwijze voor het aanvragen van transportcapaciteit voor woningbouw onder het nieuwe prioriteringskader.
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers dat dit vernederend is.
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken. Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze zich onprettig of onveilig voelen.
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak. Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan op de locatie Budel aan te verbeteren.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef. Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie. Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie op c?
Het bericht betreft een situatie waarbij de provincie Noord-Holland de gemeente Bloemendaal opdraagt om de aanlegwerkzaamheden voor de bouw van de chalets op de camping stop te zetten en over te gaan tot «handhaving». Dat is een aangelegenheid voor de provincie Noord-Holland en de gemeente Bloemendaal.
Camping Vogelenzang, waar plannen bestaan om een familiecamping om te zetten naar een luxe vakantiepark met circa 350 chalets en waar vaste kampeerders daarvoor moeten wijken?
Deze vraag ziet op de bedrijfsvoering en prijsstelling van een individuele ondernemer. Ik doe geen uitspraken over de keuzes van individuele bedrijven.
Wat vindt u ervan dat deze chalets volgens berichtgeving worden verkocht vanaf circa € 395.000 per vierpersoonschalet, terwijl het terrein tot nu toe juist een betaalbare gezinscamping was?
De provincie Noord-Holland gaat in haar «Handhavingsverzoek Camping Vogelenzang» van 16 januari 2026 inderdaad in op de maximale toegestane bebouwing.
Klopt het dat de provincie Noord-Holland daarbij stelt dat maximaal 1.600 m2 bebouwd mag worden, terwijl de plannen volgens de berichtgeving neerkomen op circa 21.000 m2 bebouwd oppervlak?
Het is aan de gemeente Bloemendaal om te beoordelen in hoeverre activiteiten passen binnen het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is. De provincie Noord-Holland houdt hier toezicht op en heeft in dit geval dus het in antwoord 4 genoemde handhavingsverzoek naar de gemeente verstuurd. Dit is een lokale afweging. In algemene zin ga ik bij het antwoord op vraag 11 in op handhaving.
Deelt u de opvatting dat het niet aanvaardbaar is wanneer grootschalige bebouwing doorgang vindt terwijl deze evident in strijd is met het omgevingsplan?
Het te voeren recreatiebeleid ter plaatse is een provinciale en gemeentelijke aangelegenheid. In dit geval wijst de provincie in haar handhavingsverzoek inderdaad op het seizoensgebonden karakter.
Hoe kijkt u aan tegen het bezwaar dat de provincie noemt over het permanente karakter van de chalets, terwijl recreatie in beginsel tijdelijk hoort te zijn en kampeermiddelen volgens berichtgeving slechts tussen 1 maart en 31 oktober geplaatst mogen worden?
Dat hangt af van de bestemming van het betreffende terrein. Indien er sprake is van een woonbestemming, dan zou dat ook op die wijze vergund dienen te worden, met inachtneming van de vigerende wet- en regelgeving.
Vindt u dat de bouw van luxe chalets met een (semi-)permanent karakter het risico vergroot op verkapte woonbestemmingen buiten de normale woningbouwregels om?
Gemeenten zijn vrij in hoe ze het begrip «kampeermiddelen» gebruiken in het omgevingsplan. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen tijdelijke kampeermiddelen en objecten met een permanent karakter. Ik zie geen aanleiding om dit aan te passen.
Acht u het wenselijk om de definitie van «kampeermiddelen» aan te scherpen, zodat chalets die in de praktijk een permanent karakter hebben niet langer onder deze definitie vallen?
Een gemeente kan een spoedeisende last onder bestuursdwang in de vorm van een bouwstop opleggen als sprake is van een overtreding. Hierdoor worden bouwwerkzaamheden stilgelegd.
Welke directe maatregelen kan een gemeente nemen om werkzaamheden stil te leggen om te voorkomen dat een ontwikkelaar een voldongen feit creëert?
Als dit daadwerkelijk aan de orde is, is het is aan de gemeente Bloemendaal om eventuele activiteiten te constateren en handhavend op te treden. De provincie heeft hier in haar handhavingsverzoek ook duidelijk op gewezen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat volgens betrokkenen al grondwerkzaamheden zijn verricht voordat vergunningen zouden zijn verleend, terwijl het gebied bovendien als beschermd landschap wordt omschreven?
Als sprake is van een overtreding, moet een gemeente in beginsel overgaan tot handhaving, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een gemeente van handhaving moet afzien. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een concreet zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Deelt u de mening dat gemeenten verplicht zijn om te handhaven wanneer sprake is van duidelijke strijdigheid met het omgevingsplan, zeker wanneer een provincie dit expliciet opdraagt?
Een provincie kan door middel van indeplaatsstelling zelf overgaan tot handhaving wanneer een gemeente dit niet doet. Dit kan alleen nadat bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met een gemeente en duidelijk is dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente omdat een gemeente nalaat een verplicht besluit te nemen of geen uitvoering geeft aan een wettelijke taak.
Welke mogelijkheden heeft de provincie om af te dwingen dat een gemeente daadwerkelijk handhaaft, wanneer een gemeente blijft talmen of onvoldoende optreedt?
Het is aan alle partijen (commercieel of niet) die omgevingsactiviteiten ondernemen om zich te houden aan wet- en regelgeving. Zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk.
Vindt u het wenselijk dat commerciële partijen in de praktijk kunnen opereren volgens het principe «eerst doen, dan pas vragen», en welke maatregelen acht u nodig om dat te voorkomen?
Deze vraag raakt aan de onderwerpen die aan de orde zijn in de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg «Red de Camping» van 26 mei 2025 en aangenomen op 3 juni 2025. Uw Kamer wordt hierover op korte termijn geïnformeerd via een Kamerbrief.
Deelt u de zorg dat familiecampings steeds vaker worden opgekocht door commerciële ketens die vaste kampeerders wegdrukken ten gunste van dure chalets en recreatiewoningen?
Zie het antwoord op vraag 14.
Veel gemeenten kampen met vergelijkbare situaties rond de omzetting van familiecampings naar luxe chaletparken. Welke concrete voorstellen heeft u om dit probleem landelijk aan te pakken, zodat gemeenten dit niet ieder voor zich hoeven te bevechten?
Er is helaas geen definitie van familiecampings of (semi-)permanente chaletparken, dus het aantal verdwenen of omgezette parken is niet te bepalen. Uit de databank van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) blijkt wel dat het aantal overnachtingen op kampeerterreinen tussen 2012 en 2025 met 27,8% stijging minder sterk is gegroeid dan het aantal overnachtingen op huisjesterreinen met een stijging van 62,9%.
Kunt u aangeven hoeveel familiecampings in Nederland in de afgelopen 10 jaar zijn verdwenen of zijn omgezet naar (semi-)permanente chaletparken?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatieparken of hun plannen voor grootschalige herontwikkeling.
Kunt u inzicht geven in hoeveel recreatieparken in handen zijn van ketens en/of private equity, en hoeveel daarvan plannen hebben voor grootschalige herontwikkeling?
Er zijn geen directe middelen om herverkaveling tegen te gaan. Wel kan gestuurd worden op de verkaveling door middel van regels in het omgevingsplan. In het omgevingsplan kunnen bijvoorbeeld regels gesteld worden over de toegelaten kampeermiddelen, kan een maximaal aantal recreatiewoningen worden opgenomen of een maximaal bebouwd oppervlakte.
Welke middelen bestaan er op dit moment om herverkaveling van recreatieparken tegen te gaan, en welke bestuurslagen (gemeente, provincie, Rijk) kunnen deze middelen inzetten?
Voor zover de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de Camping» raken aan de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg van 26 mei 2025 en aangenomen op 3 juni 2025, wordt uw Kamer hierover op korte termijn geïnformeerd via een Kamerbrief.
Bent u bereid, in het licht van dit bericht, uw reactie op de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de camping» te herzien? Zo ja, wat is uw nieuwe reactie? Zo nee, waarom niet?
«Zie het antwoord op vraag 14».
Wat is de stand van zaken bij de uitvoering van de aangenomen motie van de leden Van Nispen en Vermeer over een voorstel voor een nieuwe kampeerwet en de voorstellen uit de initiatiefnota-Beckerman als richtinggevend beschouwen (Kamerstuk 36 452, nr. 9)?
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Ja.
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
In de brief van de stichting PiLP van 10 december 2025 uiten maatschappelijke organisaties hun zorgen over de verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu ten aanzien van de bouw van drie datacentrumtorens aan de Plimsollweg in Amsterdam. Zij geven aan dat de ontwikkeling in Amsterdam een groot beslag legt op het elektriciteitsnet, waardoor andere bedrijven en woningbouw niet kunnen aansluiten. Het project loopt sinds 2019 en daardoor wordt Amsterdam, volgens de organisaties, geconfronteerd met een speculatieve ontwikkeling, terwijl er landelijk beperkingen gelden voor hyperscale datacentra en lokaal al jaren een moratorium bestaat op alle datacentra. Naar mening van de organisaties zou het in een goed functionerende democratie mogelijk moeten zijn om eerder genomen besluiten te heroverwegen.
Het kabinet deelt net als de gemeente de zorgen van de maatschappelijke organisaties over de belasting van het stroomnet. Netcongestie speelt helaas op veel plaatsen in Nederland. Het is van belang om te benoemen dat de gemeenteraad van Amsterdam in beginsel verantwoordelijk is voor de ruimtelijke keuzes voor de inrichting van haar grondgebied, binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Als het gaat om de ruimtelijke keuzes door de gemeente Amsterdam past het Rijk terughoudendheid bij de beoordeling van de besluitvorming door de gemeente. Dat geldt ook voor vergunningverlening door de provincie. De verantwoording over de decentrale besluitvorming gebeurt immers primair door de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten aan respectievelijk de gemeenteraad en provinciale staten. In dat kader kan ook de heroverweging van dit type besluiten aan de orde komen, waarbij dan ook aspecten als rechtszekerheid en nadeelcompensatie aan de orde kunnen komen.
In het geval van het datacentrum aan de Plimsolweg heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied, namens de gemeente, op basis van een toets aan het toenmalige bestemmingsplan op basis van een aanvraag in 2019 een omgevingsvergunning voor de bouw en ingebruikname verleend. De verlening van deze vergunning heeft plaatsgevonden voordat de regels van het Rijk ten aanzien van hyperscale datacentra van toepassing waren. Later heeft de provincie, op basis van aanvragen in 2021 en 2022, in 2025 vergunningen voor onder meer milieuactiviteiten verleend.
Het is verder relevant om te melden dat er bij deze ontwikkeling geen sprake is van een hyperscale datacentrum, volgens de definitie in de regels van het Rijk. De omvang van dit datacentrum bedraagt immers minder dan 10 hectare bebouwd vloeroppervlak, terwijl de regels van het Rijk van toepassing zijn op datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
De omgevingsvergunningen zijn door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verleend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland. Op basis van informatie van de Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kan ik aangeven dat de volgende vergunningen, inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten, verleend zijn:
Op 6 november 2020 heeft de omgevingsdienst namens burgemeester en wethouders van Amsterdam een bouwvergunning verleend (aangevraagd op 3 december 2019) voor het bouwen van drie torens in afwijking van de toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Op 15 juli 2025 heeft de Omgevingsdienst, namens gedeputeerde staten van Noord-Holland, een omgevingsvergunning vanwege een wijziging in de gevel voor een beoordeling vanuit welstand voor zonnepanelen en twee waterbuffertanks (aangevraagd op 1 december 2021). Deze verginning is definitief, maar nog niet onherroepelijk
De provincie Noord-Holland heeft op 15 juli 2025 drie milieuvergunningen (voor elke toren één) verleend en toestemming gegeven voor afwijking van het geluidverdeelplan (aangevraagd op 11 april 2022). Tegen de vergunning loopt nog een beroepsprocedure.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft in zijn vergadering van 12 juli 2019 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van Amsterdam met betrekking tot datacentra. Het voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van één jaar en heeft tot doel om vooruitlopend op een gemeentelijk beleid voor datacenters de bestaande situatie met betrekking tot datacenters «on hold» te zetten4.
De Minister van VRO heeft op 16 februari 2022 voor heel Nederland (uitgezonderd twee locaties) een voorbereidingsbesluit onder de Wro genomen waarmee verboden werd om gronden en bouwwerken zodanig te wijzigen dat een hyperscale datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer gebouwd of in gebruik genomen kon worden5. Dit voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van negen maanden.
Op 16 november 2022 heeft de Minister een tweede voorbereidingsbesluit voor de duur van negen maanden genomen6 en op 16 augustus 2023 een derde voorbereidingsbesluit7.
Op 1 januari 2024 is ook het Besluit van 20 december houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met een instructieregel voor hyperscale datacentra in werking getreden8.
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft het Rijk op 16 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waarna gestart is met een wetgevingstraject voor instructieregels voor hyperscale datacentra (AmvB). Het ontwerpbesluit is gedurende het wetgevingstraject op verschillende momenten gepubliceerd en op 1 januari 2024 in werking getreden. Met het voorbereidingsbesluit is beoogd de bouw en ingebruikname van nieuwe hyperscale datacentra (meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en een aansluitvermogen van 70 MW of meer) tegen te houden (buiten de twee eerder genoemde uitzonderingsgebieden).
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Ja, in voorkomende gevallen is het gebruikelijk dat het bevoegd gezag (in dit geval B en W van Amsterdam en GS van Noord Holland) bij besluitvorming rekening houden met voorgenomen eigen beleid of verwacht beleid- en wetgeving van andere bestuursorganen.
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Nee, zoals in de eerdere antwoorden aangegeven is de eerste vergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van dit datacentrum aangevraagd op 3 december 2019 en verleend op 6 november 2020, waarbij onder meer getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan. Het Rijk heeft op 16 februari 2022 via een voorbereidingsbesluit een landelijk verbod bekend gemaakt en aangegeven dat er landelijk beleid en regelgeving werd opgesteld om de bouw van nieuwe hyperscale datacentra tegen te gaan. Daarbij heeft het Rijk ook aangegeven wat onder een hyperscale datacentra in de zin van het Rijksbeleid en de regelgeving werd verstaan.
Het was voor de Omgevingsdienst, namens het bevoegd gezag, niet mogelijk om bij de vergunningverlening het landelijke verbod mee te wegen, omdat de vergunning aangevraagd en verleend is ruim voordat het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra van kracht werd. Daarbij is, wegens een bebouwd vloeroppervlak van minder dan 10 hectare, het landelijke verbod überhaupt niet van toepassing is op het initiatief aan de Plimsolweg.
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
De maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter ligt bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zij zijn bevoegd gezag geweest voor de plannen en de vergunningverlening. Uit informatie van de provincie Noord-Holland blijkt dat het gaat om een aansluitvermogen van 33 MW per toren, dus 99 MW in totaal. Bij het beoordelen van de aanvragen voor de drie torens is door de provincie gekeken naar de vestigingsvoorwaarden van de provincie. Zo is na overleg met de aanvrager afgezien van het gebruik van grondwater en is er voor gezorgd dat het datacentrum zijn warmte af kan staan aan een te bouwen warmtegebouw aan de overkant van de straat. Omdat het Rijk hierbij verder niet betrokken is geweest, ben ik niet op de hoogte van verdere inhoudelijke specificaties. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Het datacenter heeft een vermogen van 99 Megawatt. Stel dit datacenter vraagt volcontinu elektriciteit, dan leidt dat tot een elektriciteitsvraag van circa 0,87 TWh per jaar. In de nieuwste windparken op zee staan windturbines van 11 MW per stuk. Een 11 MW turbine levert met 3.700 vollasturen circa 0,041 TWh per jaar. Om de jaarvraag te dekken zijn in theorie dan 21,2 (dus 22) turbines nodig.
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Ja. Het datacenter heeft een ruimtelijke impact en vraagt beschikbare transportcapaciteit, dus het zal altijd impact hebben op andere ontwikkelingen. Het is daarbij relevant om aan te geven dat het hier gaat om een historisch project met een energiecontract dat al veel eerder is vastgesteld. In dit geval heeft het datacenter al transportcapaciteit gecontracteerd voordat congestie werd afgekondigd en een wachtrij is ingesteld. Daarmee kan het dus geen afstand doen van de rechten voor andere doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Ik begrijp de zorgen die er bestaan over deze ontwikkeling. Het betreft echter een ontwikkeling die al lang speelt en die bovendien niet valt onder de regels van het Rijk over hyperscale datacentra. Om die reden heeft de maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter gelegen bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Zoals eerder aangegeven heeft de besluitvorming over dit datacentrum gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Het Rijk is hierbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik begrepen dat het project is getoetst aan de vestigingsvoorwaarden voor datacenters van de provincie9.
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Die impact is inderdaad meegewogen in de besluitvorming rondom de instructieregel «hyperscale datacentra». Sterker nog: de impact op ruimte en energie is de reden geweest om de instructieregel op te stellen (vanwege nationale belangen).
Zoals in de toelichting op de AMvB staat opgenomen is de ruimte in Nederland is schaars en wordt Nederland geconfronteerd met grote opgaven die allemaal gepaard gaan met ruimtelijke claims. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, landbouw en de woningbouwopgave. In Nederland is, vanwege het ruimtebeslag, de landschappelijke impact, het hoge energiegebruik en de belasting van de landelijke energie-infrastructuur, maar beperkt ruimte voor de bouw en ingebruikname van hyperscale datacentra en daarom is destijds de instructieregel opgesteld.
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
Hierover is geen expliciet besluit genomen. Het is niet openbaar wanneer het energiecontract is afgesloten met dit project. Het afsluiten van overeenkomsten tussen netbeheerders en afnemers vindt plaats tussen deze partijen onderling, op basis van de energiewet, zonder dat daar een overheidsbesluit aan te pas komt.
Gezien de bouwvergunning in 2019 is aangevraagd gaan wij ervan uit dat de contracten voor energie en transportcapaciteit toen ook zijn afgesloten. In die periode golden nog geen voorrangsregels voortransportcapaciteit: pas in april 2024 is er door de ACM een maatschappelijk prioriteringskader opgenomen in de Netcode elektriciteit, voor het verdelen van transportcapaciteit in tijden van netcongestie10. In de huidige situatie krijgt een transportverzoek voor woningbouw prioriteit, en aansluitingen voor commerciële datacenters niet.
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Investeren in robuuste en duurzame datacenters en digitale infrastructuur is essentieel om Nederland én Europa ook in de toekomst concurrerend te houden en onze digitale open strategische autonomie te waarborgen. Het kabinet herkent daarom niet dat datacenters «verspilling van schaarse energie en ruimte» zijn. Daarbij erkent het kabinet wel dat er een discrepantie bestaat tussen de vraag uit de sector en dat wat in termen van ruimte en energieverbruik realiseerbaar is. Daarom is er regulering vanuit het Rijk op dit thema, onder andere via de eerder genoemde instructieregel hyperscale datacentra.
Voor het rechtvaardig verdelen van capaciteit op het stroomnet is er het prioriteringskader van de ACM, dat bepaalt welke sectoren voorrang krijgen bij het verkrijgen van nieuwe transportcapaciteit. Datacenters zijn niet opgenomen in dit kader en nieuwe aanvragen van datacenters krijgen dus ook geen voorrang, tenzij dat nodig is voor een vitale voorziening zoals een ziekenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat de elektriciteitsvraag van nieuwe datacenters ten koste gaat van woningbouw en andere maatschappelijke prioritaire sectoren.
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Er bestaat geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij de Nederlandse autoriteiten melding te maken over de doeleinden waarvoor ze gebruik (zullen) maken van servercapaciteit die ze afnemen in een datacentrum, of over het type data dat ze in dit datacentrum van plan zijn te verwerken of op te slaan. Er is geen informatie bij het kabinet beschikbaar over de doeleinden waarvoor Microsoft de servercapaciteit in dit te ontwikkelen datacentrum zal gaan gebruiken. In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen.
In algemene zin kan gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor het functioneren van de digitale infrastructuur en belangrijk is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.11 De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-)dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van clouddiensten.
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
Allereerst kan gesteld worden dat het betreffende datacentrum nog niet is ontwikkeld, en dus ook nog niet in gebruik is genomen. Daarnaast is er op dit moment geen informatie bekend over de data die Microsoft van plan is in dit datacentrum op te slaan. Zoals in het antwoord op vraag 15 is vermeld, bestaat er geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij Nederlandse autoriteiten melding te maken van de doeleinden waarvoor zij gebruik maken van een datacentrum of het type data dat ze in een datacentrum verwerken of opslaan.
Wat betreft de casus die u aanhaalt uit september 2025; hierin heeft Microsoft kenbaar gemaakt dat de betreffende dienstverlening aan het Israëlische Ministerie van Defensie is gestopt en uitgeschakeld omdat dergelijk gebruik in strijd zou zijn met de algemene voorwaarden van Microsoft.13 Daarmee is het op dit moment niet aannemelijk dat het te ontwikkelen datacentrum voor die doeleinden zal worden ingezet.
In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen. Deze autoriteiten zijn onafhankelijk en maken daarbij hun eigen afwegingen.
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, kan in algemene zin gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.
De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-) dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van onder meer clouddiensten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
In het vragenuur van 27 januari 2026 heeft de vorige Minister van VRO aangegeven dat het onderwerp «strategische autonomie» op het vlak van digitalisering onderdeel is van de portefeuille van de toenmalige Staatssecretaris van BZK. Om die reden is zij hier in het vragenuur niet verder op ingegaan.
Een nadere reflectie op de verwachte impact van de ontwikkeling van het datacentrum op strategische autonomie is reeds gegeven in de beantwoording van vragen 15 en 17.
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
De ontwikkeling van een nieuw datacentrum door een Britse datacentrumontwikkelaar is op zichzelf geen project dat onze strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt. De aankondiging dat Microsoft de beschikbare capaciteit in het datacentrum in z’n geheel afneemt, maakt dat in dit datacentrum – net als in diverse andere datacentra in Nederland waar Microsoft servercapaciteit afneemt – mogelijk data uit clouddiensten van Microsoft wordt opgeslagen en verwerkt.
Indien een organisatie gebruik maakt van een Amerikaanse clouddienstverlener, zoals Microsoft, bestaat het risico dat Amerikaanse autoriteiten onder de CLOUD Act een verzoek indienen voor het delen van gegevens. Dit risico dient door (overheids)organisaties meegenomen te worden in de risicoanalyse. Conform het Rijksbreed cloudbeleid 2022 dienen organisaties die onder het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vallen bij het risico op dreiging van statelijke actoren, voortijdig dreigings- en beveiligingsadvies in te winnen bij de AIVD c.q. de MIVD.
Onverminderd het bovenstaande is het van groot belang dat er meer mogelijkheden komen voor soevereine c.q. digitaal autonome cloudoplossingen. In dat verband wordt onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onder meer gewerkt aan (een verkenning naar) een soevereine overheidscloud. Ook het versterken van de Nederlandse en Europese concurrentiepositie van de cloudmarkt is een belangrijke inzet. Over deze inzet is uw Kamer middels een Kamerbrief geïnformeerd.14
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Nee, zoals eerder aangegeven hebben de afwegingen en de besluitvorming over deze ontwikkeling gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam en is het Rijk daarbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik vernomen dat de vergunning reeds is gepubliceerd en daarmee voldoet het aan de wet- en regelgeving. Er zijn naar mijn weten geen mogelijkheden om de vergunning aan te passen of te herroepen, tenzij er nieuwe (milieu)wetgeving van toepassing is.
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Nee, vanuit ruimtelijk perspectief wordt in de regelgeving van het Rijk onder een hyperscale datacentrum verstaan: het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Zoals ook in de toelichting bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen regels te stellen voor de vestiging van een datacentrum dat aan de criteria van meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en 70 MW of meer voldoet. Kleinere datacentra (met een oppervlakte van minder dan 10 hectare) of datacentra die slechts aan één criterium voldoen vallen niet onder de regels van het Rijk. Wel kunnen gemeenten, provincies en waterschappen in hun verordening of omgevingsplan regels stellen door dit type datacentra. Vanuit andere invalshoeken die relevant zijn vanuit het oogpunt van digitale autonomie, zoals het effect op de nationale veiligheid en verdienvermogen, is er op dit moment geen reden voor overheidsingrijpen.
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Uit contact met de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam heb ik vernomen dat zij in gesprek gaan met deze maatschappelijke organisaties. Ik zie geen reden om zelf met hen in gesprek te gaan.
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Dat klopt op basis van de informatie die ik over deze zaak heb gekregen. De regels van het Rijk verbieden alleen de bouw en ingebruikname van nieuwe datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en met een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer. Omdat het betreffende datacentrum in Amsterdam een bebouwd vloeroppervlak heeft van 2,2 hectare, valt deze niet onder de Rijksregels. Ik begrijp de zorgen die er lokaal bestaan over het ruimtebeslag en het energieverbruik dan dit datacentrum. Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs16 gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen.
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Nee, zoals de vorige Minister van VRO heeft aangegeven in het vragenuur is het opsplitsen van het datacentrum in drie gebouwen niet relevant voor de vraag of deze ontwikkeling past binnen de Rijksregels. Het totale bebouwde vloeroppervlak van de drie torens samen bedraagt 2,2 hectare. Dat is dus minder dan de 10 hectare die als grenswaarde is gebruikt bij de Rijksregels ten aanzien van hyperscale datacentra.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen. Hierover zal uw Kamer op een later moment worden geïnformeerd.
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 deelt het kabinet de zorgen over de belasting van het stroomnet. Om die reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat het aanpakken van de netcongestieproblemen onze hoogste prioriteit heeft. Zoals verder aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de realisatie van dit datacentrum verder passend binnen de regels zoals het Rijk die heeft gesteld. Ik zie om die reden geen aanvullende lessen om te trekken uit de gang van zaken.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Wegens de hoeveelheid vragen en de benodigde afstemming tussen de verschillende bewindspersonen en met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is het niet gelukt om de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen' |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Mona Keijzer , Arno Rutte (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen, straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed netwerk gericht op hulp en ondersteuning van grote meerwaarde. Een terugkeer naar de regio van herkomst kan hieraan bijdragen. Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Het is dus van belang om maatwerk te kunnen leveren.
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Allereerst wil ik benadrukken dat ik oog heb voor de serieuze zorgen van de gemeenten. Op maandag 16 februari 2026 is de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpregeling) opnieuw in internetconsultatie gegaan, waar ik deze signalen verzamel. Graag licht ik onderstaand de ontwerpregeling toe.
In tegenstelling tot wat in vraag 3 wordt gesuggereerd, is er geen voornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat. Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting zorgt ervoor dat alle gemeenten een evenwichtige bijdrage leveren aan de huisvestingsopgave van kwetsbare groepen. Bij de vraag is van belang, dat het bij dit wetsvoorstel gaat om urgentie voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Ook is van belang dat het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting ruimte biedt voor maatwerk door het maken van afspraken door de gemeenten over de verdeling van de urgenten.
Het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet is bedoeld om te regelen welke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en financiering van jeugdzorg. In het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst, behalve als er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen. Het is niet de bedoeling dat de ontwerpregeling conflicteert met het woonplaatsbeginsel of het Bestuurlijk akkoord.
De ontwerpregeling stelt geen eisen aan de manier waarop en welke gemeenten regie voert op de huisvesting van uitstromers uit instellingen, maar bepaalt alleen in welke regio een urgent woningzoekende in aanmerking komt voor maatschappelijke binding. In de ontwerpregeling is vastgelegd dat een woningzoekende maatschappelijk gebonden aan een woningmarktregio is, indien hij:
Er is bewust gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan met de gemeente van herkomst. Hiermee wordt geborgd dat elke woningzoekende zich – afhankelijk van de specifieke omstandigheden – zich kan wenden tot een passende regio met een aanvraag voor een urgentie; ook een woningzoekende die verblijft in een instelling. Hiermee wordt gepoogd te voorkomen dat een woningzoekende tussen wal en schip valt en in geen enkele regio in aanmerking komt voor urgentie. Daarnaast bestaat nog specifiek voor ex-gedetineerden en uitstromers uit de vrouwenopvang de mogelijkheid voor urgentie in een andere regio indien de woningzoekende een zwaarwegend belang heeft zich niet in de huidige woningmarktregio te vestigen. Voor de hand ligt dat deze woningzoekende zich zal wenden tot een woningmarktregio waarmee de woningzoekende een positieve binding zal hebben.
De internetconsultatie sluit op 30 maart 2026. Mocht uit de consultatie blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan met de woningmarktregio van herkomst. De ontwerpregeling leidt juist voor de urgentieverlening tot duidelijkheid doordat een gemeente zich daarvoor verantwoordelijk moet achten, ook als er tevens een verantwoordelijkheid kan zijn voor een andere gemeente. Hierdoor hebben woningzoekenden meerdere opties en kunnen zij zich wenden tot de woningmarktregio die het beste past bij hun situatie.
Kent u de fair shareafspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Ik ben bekend met de door de leden genoemde afspraken. Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting verplicht gemeenten om een huisvestingsverordening met daarin ten minste een urgentieregeling vast te stellen en regionale afspraken te maken over de evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. Dit betekent dat gemeenten de eerder gemaakte afspraken als basis kunnen gebruiken.
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen? Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Ik hoor het signaal dat gemeenten hiermee afgeven en ben daarom ook in gesprek met de VNG over de afbakening van het begrip maatschappelijke binding in de ontwerpregeling. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is een evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. De manier waarop maatschappelijke binding wordt vormgegeven in de ontwerpregeling moet hieraan bijdragen. Mocht uit de consultatie blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting (PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten? Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra mensen zal moeten huisvesten?
Het klopt niet dat van alle gedetineerden in de PI’s in regio Noordoost-Brabant meer dan 90% bovenregionaal is. In de regio Noordoost-Brabant bevinden zich twee PI’s: de PI Vught en de PI Grave. Op basis van de gegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen was de gemiddelde bezetting in 2025 van deze twee PI’s samen 1.079 gedetineerden. Binnen deze groep had 25.9% een woonadres in de regio Noordoost-Brabant. Daarnaast was een groot aantal woonachtig in de aanpalende regio’s, te weten regio Zeeland-West Brabant (19.2%) en regio Limburg (14.7%). In 2025 zijn ongeveer 135 gedetineerden uitgestroomd in de regio Noordoost-Brabant.
De gemiddelde bovenregionale bezetting van de PI’s in de regio Noordoost-Brabant betekent dus niet dat deze regio komende jaren bijna 1.000 extra mensen zal moeten huisvesten. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 is er geen beleidsvoornemen om alle gedetineerden in deze PI’s na uitstroom te huisvesten in deze regio. Bij de vraag is voorts van belang, dat het bij het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting gaat om urgentie voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Feit is voorts dat in het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst.
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Ik herken het beeld dat het huisvesten van kwetsbare groepen nu niet evenredig is verdeeld. Op dit moment zien we dat niet alle gemeenten bijdragen aan de huisvesting van urgent woningzoekenden. Het kabinet acht dit ongewenst.
Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is er daarom op gericht dat de huisvesting van wettelijk urgent woningzoekende evenredig wordt verdeeld over alle gemeenten. Dit wetsvoorstel ondersteunt dus de gemeenten die nu vooruitlopen en voorkomt dat alle bijzondere doelgroepen lager moeten wachten op een woning. Zie ook het antwoord op vraag 5 inzake de goede regionale afspraken die gemeenten dienen te maken over het huisvesten van mensen uit kwetsbare groepen.
Het percentage waaraan wordt gerefereerd in de vraag is het terugvalpercentage dat in werking treedt indien gemeenten niet binnen de afgesproken tijd komen tot regionale afspraken over de toewijzing van huurwoningen aan urgent woningzoekenden. In de ontwerpregeling is dit percentage bepaald op 15%. Hiermee wordt een balans gezocht tussen woningen die beschikbaar moeten zijn voor de urgent woningzoekenden en andere woningzoekenden.
Het voornemen vormt eerder een extra aanleiding voor alle regio’s om de aanpak van dakloosheid prioriteit te geven. Regio’s die al een sterke aanpak hebben, zullen daar in de uitvoering van dit voornemen baat bij hebben. Regio’s die voorlopen in het aanpakken van dakloosheid, worden op eenzelfde manier geraakt als regio’s die minder ver zijn daarin.
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos raken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet bepaalt welke specifieke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en financiering van de jeugdhulp. In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om binding met meerdere woningmarktregio’s mogelijk te maken, om te voorkomen dat woningzoekenden tussen wal en schip vallen. Het wordt daarom niet logisch geacht om het woonplaatsbeginsel vanuit de Jeugdwet te hanteren voor dit onderdeel van de ontwerpregeling.
Naar aanleiding van de brief is gesproken met de VNG over de genoemde zorgen van de 47 gemeenten en is het begrip maatschappelijke binding verruimd met de ontwerpregeling. Deze verruiming is erop gericht dat de woningzoekende zijn maatschappelijke binding behoudt met de regio waar werd verbleven voorafgaand aan het verblijf in de instelling.
Voor de verdere uitwerking ga ik uiteraard in gesprek met de VNG. Mocht uit het gesprek met de VNG blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik uiteraard bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
De druk van expats op de woningmarkt |
|
Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat op de particuliere woningmarkt expats meestal winnen van starters die hier zijn geboren en getogen, vanwege ruimere salarissen en fiscale voordelen?1
Ja.
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven wat het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en vrijesectorhuur? Kunt u daarbij aangeven welke definitie van expat wordt gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
In heb geen zicht op wat per gemeente binnen de G4 en G40 het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en de vrijsectorhuur, evenals welk percentage van de jaarlijkse vrijkomende midden- en vrijesectorhuurwoningen in de G4 en G40 gemeenten wordt verhuurd aan expats.
Wel heeft de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) onlangs een publicatie uitgebracht waarin zij inzicht geven in de omvang en invloed van internationals op de woningmarkt.2 In deze publicatie wordt onder internationals verstaan: alle anderstaligen die zich voor langere tijd in Nederland vestigen en via een NVM-makelaar een woning huren of kopen. Dit betreft onder andere expats, buitenlandse studenten, arbeidsmigranten en andere buitenlanders, zoals ondernemers. Ten aanzien van de huurmarkt kijken zij specifiek naar het midden- en vrijehuursegment. De sociale huursector wordt niet meegenomen in de cijfers. Dit is logisch gegeven deze internationals doorgaans niet aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Bij expats zal het inkomen doorgaans te hoog zijn om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Daarnaast geldt dat internationals geen wachttijd hebben opgebouwd. Ook in de gevallen waarin zij een inkomen onder de sociale huurgrens hebben, zullen zijn door het niet hebben van wachttijd vaak aangewezen zijn op het midden- of vrijehuursegment.
Landelijk gezien is één op de vier huurders via een NVM-makelaar een international. Dit aandeel is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. De markt voor internationals is vrij geconcentreerd: in totaal zijn 16 van de 344 gemeenten verantwoordelijk voor 85% van alle door internationals gehuurde woningen in de periode 2024 en de eerste helft van 2025.
In 2024 en de eerste helft van 2025 waren vooral Amsterdam en Den Haag populair onder hurende internationals. Ruim 60% van de hurende internationals vestigden zich in deze gemeenten. Als wordt gekeken naar de gemeenten met het hoogste aandeel internationals in alle huurders zien we dat naast Amsterdam en Den Haag ook de randgemeenten van Den Haag populair zijn. Den Haag en de randgemeenten zijn populair doordat de vele internationale organisaties en ambassades onder meer diplomaten en NGO-medewerkers aantrekken. De onderstaande tabel laat de top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de huurmarkt zien.
Top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de huurmarkt
Gemeente
Aandeel
Wassenaar
74%
Leidschendam-Voorburg
69%
Den Haag
62%
Amsterdam
53%
Delft
50%
Amstelveen
45%
Hilversum
32%
Haarlem
30%
Leiden
26%
Diemen
25%
Bron: NVM, Internationals op de woningmarkt
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven welk percentage van de jaarlijks vrijkomende middenhuurwoningen en vrijesectorhuurwoningen wordt verhuurd aan expats? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen heeft u momenteel tot uw beschikking om het gebruik van middenhuurwoningen, vrijesectorhuurwoningen en koopwoningen door expats te beperken, en bent u bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen om de positie van Nederlandse starters ten opzichte van expats te verbeteren?
De Huisvestingswet 2014 biedt gemeenten de mogelijkheid om toewijzingscriteria en voorrangsregels voor woonruimten te stellen via een huisvestingsverordening. Dit kan worden gebruikt voor sociale huur, middenhuur en (nieuwbouw) betaalbare koop, indien er sprake is van schaarste aan woonruimte in die segmenten. Een van deze mogelijkheden is om bij de toewijzing voorrang te geven aan mensen met een maatschappelijke of economische binding.3 Gemeenten kunnen hiermee bijvoorbeeld voorrang verlenen aan mensen die al woonachtig zijn in de gemeente. Tot 50% van de in de Huisvestingsverordening aangewezen categorieën van woonruimte mogen gemeenten toewijzen aan mensen met een vorm van binding. In de huursector wordt dit voor de bestaande bouw voornamelijk toegepast bij sociale woningen van woningcorporaties. Deze woningen worden via een woonruimteverdeelsysteem aangeboden, waardoor het stellen van deze voorrangsregels mogelijk is. Voor private huurwoningen gelden deze regels doorgaans niet. Doordat er geen centraal zicht is op deze woningen, is het met voorrang toewijzen van private huurwoningen aan mensen met een lokale binding lastig in de uitvoering. Wel gebruiken gemeenten voorrang bij lokale binding geregeld bij nieuwbouwwoningen in sociale en middensegment, en bij nieuwgebouwde betaalbare koopwoningen.
Gemeenten hebben dus al mogelijkheden om bij woonruimteverdeling voorrang te verlenen voor mensen met lokale binding. Ik zie geen noodzaak om aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen. Zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 3 en 5, zijn internationals vooral actief in de gebieden waar veel internationale bedrijven, organisaties en ambassades zijn gevestigd. Dit zijn ook de bedrijven en organisaties waar zij werkzaam zijn. In de betreffende gebieden zullen andere woningzoekenden meer concurrentie ondervinden bij het vinden van een woning in de midden- of vrije huur, of in de koopsector. Aanvullende maatregelen om de positie van expats te verminderen raken echter direct aan de aantrekkelijkheid voor internationaal talent om in Nederland te komen werken. Hierdoor zal het voor bedrijven moeilijker worden om het benodigde talent vanuit het buitenland aan te werven en dit zal negatieve gevolgen hebben voor het vestigings- en ondernemingsklimaat van Nederland en het innovatie- en concurrentievermogen van bedrijven.
Heeft u inzichtelijk welke effecten expats precies hebben op de hoogte van huizenprijzen (zowel huur, als koop) op korte en lange termijn, waaronder in regio’s zoals de regio Brainport Eindhoven en Groot Amsterdam? Zo ja, kunt u deze informatie met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te laten verrichten?
Het exacte effect van expats op de hoogte van huizenprijzen is lastig te bepalen. Uiteindelijk spelen hier een tal aan factoren een rol. Wel licht de publicatie van NVM de voorkeuren en bestedingsmogelijkheden van internationals toe. Dat geeft inzicht waar en bij welke woningen woningzoekenden vaker concurrentie van internationals ondervinden.
Net als bij de huurmarkt, concentreren internationals op de koopmarkt zich ook in specifieke gebieden. In 2025 ging landelijk ongeveer 1,6% van alle via NVM-makelaars verkochte woningen naar een international. De onderstaande tabel laat het percentage internationals zien in aankopen. Vooral in de regio Groot-Amsterdam en Eindhoven sprint dit percentage ver boven het gemiddelde.
Top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de koopmarkt
Gemeente
Aandeel
Amstelveen
20%
Veldhoven
14%
Ouder-Amstel
13%
Eindhoven
12%
Amsterdam
11%
Uithoorn
10%
Haarlemmermeer
9%
Geldrop-Mierlo
7%
Aalsmeer
7%
Waalre
7%
Bron: NVM, Internationals op de woningmarkt
Internationals geven de voorkeur aan woningen die direct bewoonbaar zijn en hebben minder interesse in kluswoningen. Ook op de huurmarkt kiezen internationals vaker voor gestoffeerde of gemeubileerde woningen.
Internationals hebben daarnaast in algemene zin een hoger budget dan Nederlandse woningzoekenden. Dit komt doordat zij gemiddeld genomen een hoger inkomen hebben, maar ook doordat zij vaak minder kritisch zijn op de prijs. Internationals hebben immers direct een woning nodig als ze in Nederland aankomen, waar Nederlandse woningzoekenden vaker zoeken vanuit een woning en vaker een vangnet hebben bij familie. Op de huurmarkt betaalt het grootste gedeelte van de internationals meer dan € 2.000 per maand (81% tegenover 28 van de niet-internationals). Ook op de koopmarkt betalen internationals gemiddeld meer dan niet-internationals. In de onderzochte wijken betalen internationals gemiddeld € 591.000 voor een woning. Niet internationals betalen in diezelfde wijken gemiddeld € 575.000 voor een woning.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen steken honderden miljoenen in 933 huurwoningen bij ArenA: «Maar bodem kas voor woningbouw komt in zicht»»1?
Ja.
Klopt het dat in 2025 slechts twee procent van de investeringen in de woningbouw door institutionele beleggers (zoals pensioenfondsen) uit het buitenland kwam? Hoe hoog is dat percentage in andere landen?
Volgens Capital Value zijn in 2025, met een bedrag van 5,3 miljard euro, de investeringen in nieuwbouw huurwoningen tot een recordhoogte gestegen. Dit getal bevat zowel investeringen van corporaties als marktpartijen. Het aandeel internationale investeringen in nieuwbouw van het investeringsvolume in huurwoningen door beleggers is volgens Capital Value echter sterk gedaald van bijna 32% in 2022 naar 1% in 20252. Vrijwel alle investeringen in huurwoningen zijn van institutionele beleggers en corporaties. Onduidelijk is hoe groot precies de rol van institutionele beleggers is in de woningmarkt van andere Europese landen.
Hoeveel investeringen zijn de komende jaren nodig om te zorgen voor voldoende woningbouw in Nederland?
Uit de meest recente Woningmarktverkenning van ABF blijkt dat er in de periode 2025–2039 in totaal circa 1,2 miljoen woningen moeten worden toegevoegd3. Een deel hiervan zal gefinancierd worden door particuliere kopers, een deel door corporaties en een deel door (buitenlandse) private investeerders. De totale investeringsopgave tussen 2025 en 2039 – huur en koop tezamen – schat het kabinet op 300 tot 350 miljard euro.
Hoeveel huurwoningen hebben buitenlandse en binnenlandse investeerders toegevoegd in 2023 en 2024?
Investeerders hebben volgens Capital Value in 2023 en 2024 respectievelijk 5.300 en 6.000 nieuwbouwhuurwoningen gekocht. Het aandeel geïnvesteerd volume van internationale investeerders in deze jaren is respectievelijk 13% en 3%.4 Het aandeel internationale investeerders in nieuwbouw neemt sinds een aantal jaar af. In 2021 en 2022 bedroeg het aandeel nog respectievelijk 27% en 32%, om vervolgens te dalen naar 13% in 2023 en 3% in 2024. Desalniettemin zijn de totale investeringen in nieuwe huurwoningen uiteindelijk verdubbeld ten opzichte van 2023 en 2024.
Hoeveel investeringen zijn momenteel afkomstig uit kapitaal van binnenlandse institutionele beleggers? Is het uw verwachting dat binnenlandse investeringen door institutionele beleggers alle noodzakelijke investeringen in de woningbouw kunnen dekken de komende jaren?
Zoals aangegeven in de antwoorden op de vorige vragen zijn in 2025 nagenoeg alle investeringen in nieuwbouw huurwoningen van binnenlandse institutionele investeerders en corporaties. Capital Value geeft aan dat particuliere investeerders en buitenlandse institutionele investeerders nagenoeg afwezig zijn in de nieuwbouw. In het artikel wordt gesteld dat Nederlandse pensioenfondsen al meer dan hun redelijke aandeel in Nederlandse woningen hebben belegd. In gesprekken met verschillende pensioenfondsen wordt aangegeven dat zij in veel gevallen tegen de grenzen aanlopen van hoeveel zij kunnen investeren in de Nederlandse woningmarkt. Vanwege risico en spreidingsoverwegingen zit hier een limiet aan. De investeringsopgave in de Nederlandse woningbouw is dusdanig groot dat ook buitenlandse investeerders belangrijk zijn om voldoende huurwoningen te bouwen.
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, wat bent u van plan om te doen om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om te investeren in de woningbouw in Nederland?
In het Coalitieakkoord is het voornemen opgenomen om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Het kabinet komt met een ministeriële taskforce Versnelling Woningbouw die de koers uitzet voor de realisatie van de gewenste 100.000 woningen per jaar. Ook het investeringsklimaat komt in deze taskforce terug. Het kabinet zal uw Kamer vanzelfsprekend over de voortgang van deze taskforce informeren.
Welke stappen zijn er de afgelopen twee jaar gezet om Nederland aantrekkelijk te houden voor buitenlandse en binnenlandse investeerders?
Het vorige kabinet heeft het tarief in de overdrachtsbelasting al naar 8% verlaagd. Daarnaast is door het vorige kabinet – vanuit de wens om het investeringsklimaat te verbeteren – een versoepeling van de earningsstrippingmaatregel ingevoerd waarmee het maximale renteaftrekpercentage is verhoogd van 20% naar 24,5% van de gecorrigeerde winst.
Daarnaast is ter opvolging van de Woontop 2024 in opdracht van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (hierna: VRO) en het Ministerie van Financiën vorig jaar onderzoek verricht door onderzoeksbureau SEO Economisch Onderzoek naar de staat van het investeringsklimaat voor middenhuurwoningen. Een kabinetsreactie op dit onderzoek volgt in Q2.
Tot slot is het ook van belang om in contact te blijven met buitenlandse investeerders om te begrijpen wat de knelpunten zijn, om hen te informeren over ons beleid en om de kansen voor investeringen in de woningbouw uit te lichten. Met dit doel is een afvaardiging van BZK aanwezig op de Expo real in München. Daarnaast werken we als lid van Holland Metropole samen met de verschillende grote steden en marktpartijen om investeringskansen in de Nederlandse woningbouw uit te dragen richting buitenlandse investeerders.
Kunt u bevestigen dat de opmerking over de vennootschapsbelasting in het in vraag 1 genoemde artikel de wijziging van het regime voor de fiscale beleggingsinstelling («fbi») per 1 januari 2025 betreft? Zo nee, op welke wetswijziging ziet de opmerking dan?
Het kabinet kan zich voorstellen dat hier wordt gedoeld op de wijziging van het fbi-regime. Het fbi-regime beoogt collectief beleggen te faciliteren door het voorkomen van extra belastingheffing op het niveau van de beleggingsinstelling ten opzichte van rechtstreeks beleggen. Met dit doel is de fbi subjectief belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting, maar wordt de winst belast tegen een tarief van 0%. Het uitgekeerde dividend naar de participanten in de fbi wordt in beginsel belast met dividendbelasting, met dien verstande dat de dividendbelasting in beginsel een voorheffing is op de inkomsten- of vennootschapsbelasting op het niveau van de aandeelhouder en ook verschillende tegemoetkomingen kent.5 Zo kan in voorkomende gevallen bijvoorbeeld een beroep worden gedaan op een vrijstelling of (gedeeltelijke) teruggaaf op basis van de wet of een belastingverdrag. Met ingang van 1 januari 2025 is het fbi-regime gewijzigd (de zogenoemde vastgoedmaatregel). De vastgoedmaatregel beoogt de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed zo vorm te geven dat weer belasting kan worden geheven. Voordat deze wijziging van het fbi-regime was ingevoerd, was er sprake van twee heffingslekken, waarbij Nederland in een aantal grensoverschrijdende gevallen het heffingsrecht over Nederlands vastgoed niet kon effectueren.6
Als gevolg van de wijziging van het fbi-regime is het niet langer mogelijk voor een fbi om direct in Nederlands vastgoed te beleggen. Een lichaam dat direct in Nederlands vastgoed belegt, is met ingang van 1 januari 2025 in beginsel regulier vennootschapsbelastingplichtig.7 Anders gezegd: in de oude situaties betaalden sommige buitenlandse beleggers in beginsel dus geen belasting in Nederland over winsten uit Nederlands vastgoed, terwijl dit niet conform de bedoeling van de wet is. Met deze maatregel zijn buitenlandse investeerders in Nederlands vastgoed belastingplichtig voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Zodat buitenlandse investeerders (net als Nederlandse investeerders) ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is omvorming naar een fiscaal transparante structuur genoemd als een werkbaar alternatief voor onder andere pensioenfondsen, klopt het dat voor buitenlandse (zowel EU als non-EU) pensioenfondsen het verkrijgen van een subjectieve vrijstelling voor de vennootschapsbelasting ingewikkeld is? Wat zijn de criteria en hoe toetst de Belastingdienst deze criteria?
Pensioenfondsen zijn in de regel subjectief vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet aanpassing fiscale beleggingsinstelling is voor het fiscaal neutraal beleggen in vastgoed voor pensioenfondsen het participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt als alternatief genoemd voor het beleggen in een fbi. Een transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Omdat als gevolg van die transparantie vennootschapsbelasting wordt geheven op het niveau van de participanten, kunnen pensioenfondsen hun subjectieve vrijstelling blijven effectueren.8
Daarnaast merkt het kabinet op dat de Belastingdienst voornemens is te kijken in hoeverre de huidige voorwaarden in het beleidsbesluit nog actueel zijn en modernisering behoeven.9 Een eventuele modernisering van de voorwaarden vergt een nadere uitwerking en moet zorgvuldig gebeuren. Voor de pensioenfondsvrijstelling is en blijft (conform het wettelijke kader) van belang dat er sprake moet zijn van een buitenlandse pensioenregeling die naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden moeten dus worden bezien in het licht van de Nederlandse Pensioenwet. Een aanpassing die verder gaat dan een modernisering binnen het huidige wettelijke kader zou ertoe kunnen leiden dat buitenlandse «pensioenfondsen» onder de vrijstelling worden gebracht die als zij een Nederlands fonds waren geen recht zouden hebben op de pensioenfondsvrijstelling en meer lijken op een beleggingsfonds. Dat kan ook leiden tot budgettaire gevolgen in de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting.10
De subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor pensioenfondsen is gestoeld op i) de gedachte dat pensioenfondsen naar hun aard geen winst maken omdat hun resultaten steeds ten goede komen aan de uitkeringsgerechtigden, en ii) de maatschappelijke functie die deze fondsen kenmerkt, dat ziet op de verzorging van (gewezen) werknemers voor de gevolgen van ouderdom en ziekte op basis van solidariteit en collectiviteit.11 Naast Nederlandse pensioenfondsen, kunnen ook in het buitenland gevestigde pensioenfondsen (als zij vergelijkbaar zijn met Nederlandse pensioenfondsen) zich beroepen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting. In het buitenland gevestigde pensioenfondsen zijn vrijgesteld van de heffing van vennootschapsbelasting, als zij zich (nagenoeg) uitsluitend bezighouden met het uitvoeren van pensioenregelingen die naar aard en strekking overeenkomen met een Nederlandse pensioenregeling. In het beleidsbesluit subjectieve vrijstelling Vpb12 zijn in onderdeel 3.1.1. cumulatieve criteria opgenomen aan de hand waarvan de Belastingdienst aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval toetst of een buitenlandse pensioenregeling naar aard en strekking overeenkomt met een Nederlandse pensioenregeling. De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn gebaseerd op de Nederlandse Pensioenwet. Het toetsen daarvan kan voor buitenlandse pensioenfondsen bewerkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat buitenlandse pensioenregelingen vaak niet exact overeenkomen met Nederlandse pensioenregelingen. In gesprek met het Ministerie van VRO meldt de sector dat het ontbreken van zekerheid over de vrijstelling in de Vpb tot afstel van investeringen leidt.
De voorwaarden vereisen onder andere dat het pensioenlichaam moet voldoen aan de werkzaamhedeneis13 en de winstbestemmingseis14 zoals opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Vpb 1971. Voor de pensioenregeling wordt onder andere als voorwaarde gesteld dat er sprake is van een verplichte deelname voor werknemers en een verplichte verzekering, dat de pensioenregeling voorziet in een ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidsverzekering en dat er – behoudens een kleine uitzondering – een afkoopverbod geldt. Dit onderdeel uit het beleidsbesluit bevat daarnaast een tweetal specifieke goedkeuringen ten aanzien van de begunstigden van de pensioenregeling en het afkoopverbod.
De voorwaarden uit het beleidsbesluit zijn eveneens relevant voor buitenlandse pensioenfondsen die via een belang in Nederlandse vennootschappen inkomen genereren, zoals inkomen uit het beleggen in aandelen of vastgoed. Buitenlandse pensioenfondsen ontvangen dividenden uit deze Nederlandse vennootschappen. Ten aanzien van een buitenlands pensioenfonds mag onder voorwaarden inhouding van dividendbelasting achterwege blijven of wordt een teruggaaf verleend van de ingehouden dividendbelasting. Hierbij geldt onder meer als voorwaarde dat het buitenlandse pensioenfonds in Nederland een beroep zou kunnen doen op de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er ook situaties bestaan waarin een belastingverdrag voorziet in een teruggaaf van dividendbelasting voor pensioenfondsen (bijvoorbeeld in de belastingverdragen met het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten). Voor een in deze landen gevestigd pensioenfonds, dat voldoet aan de voorwaarden die het belastingverdrag stelt, bestaat reeds op die grond een recht op teruggaaf van dividendbelasting.
Hoeveel verzoeken heeft de Belastingdienst hiervoor ontvangen en wat is hiervan de gemiddelde doorlooptijd? Welk aandeel van de verzoeken is toegewezen en welk aandeel van de verzoeken is afgewezen?
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen verzoeken om zekerheid vooraf over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting en verzoeken waarin door buitenlandse pensioenfondsen om een teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd.
Verzoeken om zekerheid vooraf vallen onder het internationale vooroverleg en moeten voldoen aan de daarvoor geldende eisen, zoals vastgelegd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter.15 Sinds de inwerkingtreding van dit besluit in 2019 zijn 30 verzoeken om vooroverleg over de toepassing van de subjectieve vrijstelling voor buitenlandse pensioenfondsen in de vennootschapsbelasting ontvangen. Hiervan zijn momenteel 9 verzoeken in behandeling. Van de 21 verzoeken die al zijn afgehandeld zijn er 9 toegewezen. De overige verzoeken zijn niet toegekend. Er zijn verschillende redenen waarom een verzoek niet wordt toegekend. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat er niet wordt voldaan aan de voorwaarden uit het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter of omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de subjectieve vrijstelling. De gemiddelde doorlooptijd van de toegewezen verzoeken bedraagt ruim een jaar.
Voor de verzoeken waarin om teruggaaf van dividendbelasting wordt gevraagd, geldt dat informatie, waaronder het aantal verzoeken, de doorlooptijd en het aandeel toegewezen verzoeken, niet gestructureerd voorhanden is.
Maakt de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 het investeren in Nederlandse woningbouw minder aantrekkelijk voor buitenlandse (institutionele) investeerders, zoals buitenlandse pensioenfondsen, dan voor Nederlandse pensioenfondsen die een subjectieve vrijstelling genieten?
Met de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 wordt voorkomen dat in bepaalde gevallen geen Nederlandse belasting wordt geheven over winsten uit Nederlands vastgoed. Ondanks deze wijziging in het fbi-regime kunnen buitenlandse pensioenfondsen nog altijd fiscaal aantrekkelijk in Nederlands vastgoed investeren zolang wordt voldaan aan de criteria zoals beschreven in het antwoord op vraag 9. Zij genieten dan dezelfde vrijstelling voor de vennootschapsbelasting (en de dividendbelasting) als binnenlandse pensioenfondsen.
Zoals gezegd, is het fbi-regime aangepast met als doel de fiscale behandeling van resultaten uit Nederlands vastgoed evenwichtiger te maken, zodat buitenlandse investeerders die gebruik maakten van de heffingslekken met ingang van 1 januari 2025 ook belasting betalen over winst uit Nederlands vastgoed.16 Hiervoor wordt ook naar de beantwoording van vraag 8 verwezen. De wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 geldt voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers. Door deze wijziging, ook wel de vastgoedmaatregel, is het een fbi niet langer toegestaan om direct te beleggen in Nederlands vastgoed. Daardoor kunnen pensioenfondsen niet langer fiscaal neutraal (onbelast) beleggen door te beleggen in een fbi. Het blijft voor zowel Nederlandse als voor buitenlandse (institutionele) beleggers mogelijk om (fiscaal neutraal) te participeren in een voor Nederlandse fiscale doeleinden transparant lichaam dat vastgoed houdt, zoals uit de beantwoording van vraag 9 volgt. Een dergelijk transparant lichaam is namelijk niet belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. In beginsel is de achterliggende participant wel vennootschapsbelastingplichtig, tenzij deze een beroep kan doen op een vrijstelling. Het kabinet erkent dat het gevolg van het dichten van voorgaande heffingslekken ertoe leidt dat partijen die voorheen middels een fbi in vastgoed investeerden maar niet voor de pensioenfondsvrijstelling kwalificeren, daardoor met ingang van 1 januari 2025 ook regulier vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden. Hierdoor ontstaat voor die partijen een hogere belastingdruk dan voorheen het geval was. Vanuit de sector wordt dan ook aangegeven dat de vastgoedmaatregelen ervoor hebben gezorgd dat het minder aantrekkelijk is voor buitenlandse investeerders om te investeren in Nederlandse huurwoningen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat in het verleden buitenlandse vastgoedbeleggers vooral betrokken waren bij commercieel vastgoed en slechts voor 2 procent van de investeringen via vastgoed-fbi’s bij investeringen in woningen betrokken waren.17
Welke alternatieven die zijn aangedragen tijdens het wetgevingsproces rondom de wijziging van het fbi-regime per 1 januari 2025 hadden voor minder impact op buitenlandse investeringen in Nederlandse woningbouw gezorgd? Waarom is bij het wetsvoorstel niet gekozen voor één van die alternatieven? In hoeverre zouden buitenlandse (private) investeringen de noodzaak voor publieke investeringen in de woningbouw kunnen vervangen?
Het kabinet Rutte IV heeft onder meer onderzoek gedaan naar alternatieve opties voor beursgenoteerde vastgoed-fbi’s.18 Uiteindelijk is niet voor deze opties gekozen. In plaats daarvan is ervoor gekozen de toepassing van het fbi-regime niet langer toe te staan in het geval een lichaam direct in Nederlands vastgoed belegt. De reden hiervoor is, kort gezegd, dat andere oplossingsrichtingen leiden tot een toenemende complexiteit en het voortbestaan van heffingslekken, dan wel niet snel genoeg dichten van de heffingslekken. Ook leiden deze alternatieven ertoe dat de geraamde budgettaire opbrengst lager uitvalt. Met de voorgestelde vastgoedmaatregel heeft het kabinet Rutte IV gekozen voor een robuuste oplossing om de heffingslekken in het fbi-regime te dichten.19 De woningbouwopgave in Nederland is groot: dat betekent dat we alle partijen nodig hebben die investeren, zowel buitenlandse en binnenlandse private investeringen als publieke investeringen.
Deelt u de mening dat dit probleem met «een paar pennenstreken» opgelost kan worden?
Nee, die opvatting deelt het kabinet niet. Het terugdraaien van de aanpassing van het fbi-regime zou betekenen dat in bepaalde gevallen buitenlandse investeerders al dan niet onbedoeld opnieuw Nederlandse belastingheffing zouden kunnen ontlopen. Dit acht het kabinet geen evenwichtige situatie. Alternatieve opties die destijds waren overwogen om het heffingslek te dichten, waren fiscaaltechnisch complexer of op korte termijn niet haalbaar, omdat dit bijvoorbeeld een aanpassing van belastingverdragen vergde. Een andere mogelijkheid zou zijn om een zogenoemd REIT-regime te introduceren. Het introduceren van een nieuw fiscaal regime is echter ook niet eenvoudig. In een Kamerbrief van 7 juni 2024 heeft het destijds zittende kabinet een aantal belangrijke aandachtspunten ten aanzien van een REIT-regime genoemd.20 De juridische houdbaarheid, rekening houdend met de Europeesrechtelijke aspecten, en uitvoerbaarheid zijn belangrijke onderdelen die moeten worden meegewogen. De vormgeving van een REIT-regime moet worden afgestemd op het doel dat ermee wordt beoogd en passen binnen de geldende (Europeesrechtelijke) kaders. Een REIT-regime moet voldoende waarborg bieden dat er geen heffingslekken ontstaan, zoals de heffingslekken in het fbi-regime die per 1 januari 2025 zijn gedicht. Daarnaast geldt dat het invoeren van een REIT-regime een tegemoetkoming is voor belastingplichtigen die daarom naar verwachting een budgettaire derving tot gevolg heeft die budgettair gedekt moet worden. Ook zou het invoeren van een REIT-regime een systeemwijziging bij de Belastingdienst vergen.21
Welke andere recent genomen fiscale maatregelen maken het potentieel minder aantrekkelijk om te investeren in Nederlandse woningbouw?
Recent zijn vooral maatregelen genomen die het fiscale klimaat verbeteren en het juist aantrekkelijker maken om te investeren in Nederlandse woningbouw, zie hiervoor de beantwoording op vraag 6. Daarvoor zijn enkele maatregelen genomen die het minder aantrekkelijk hebben gemaakt om te investeren. Per 1 januari 2023 is de overdrachtsbelasting voor woningen die niet door de koper als hoofdverblijf worden verhoogd naar 10,4%. Het vorige kabinet heeft dit percentage verlaagd naar 8% en het huidige kabinet is voornemens dit verder te verlagen naar 7%. In vergelijking met andere Europese landen is in Nederland de overdrachtsbelasting relatief hoog. Sinds 2023 geldt daarnaast dat vastgoed in box 3 wordt belast met behulp van een forfait. Dit zorgt voor een lastenverzwaring voor investeerders in vastgoed in box 3. In het nieuwe box 3-stelsel, met beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2028, wordt het werkelijke rendement belast. Bovendien geldt dan een vermogenswinstbelasting en hoeft daardoor pas op moment van vervreemding over de vermogenswinst belasting te worden afgedragen. Ook wordt het mogelijk om kosten af te trekken. Investeerders geven aan goed met het nieuwe stelsel uit de voeten te kunnen.
Kan de strenge Nederlandse implementatie van de earningsstrippingmaatregel uit ATAD 1 bijvoorbeeld een dempend effect hebben op investeringen in de woningbouw? Wat is de impact van het 8%-tarief in de overdrachtsbelasting voor woningen? Hoe verhoudt dit tarief zich tot andere EU-lidstaten waar buitenlandse investeerders kunnen investeren in de woningbouw en het EU gemiddelde op dit punt?
De earningsstrippingmaatregel betreft een generieke renteaftrekbeperking voor alle vennootschapsbelastingplichtigen. Door de earningsstrippingmaatregel kunnen financieringskosten (tijdelijk) hoger worden, waardoor het rendement op investeringen lager wordt.22 Belastingplichtigen, waaronder investeerders in woningbouw, wegen dit mee bij hun investeringsbeslissing. Echter, bij investeringsbeslissingen in woningbouw zijn ook andere factoren relevant.23 Het kabinet is niet bekend met recent kwantitatief onderzoek waaruit blijkt dat de earningsstrippingmaatregel een dempend effect heeft op investeringen in de woningbouw.
In 2021 is, mede naar aanleiding van de door de Kamer unaniem aangenomen motie Dik-Ronnes24 de overdrachtsbelasting gedifferentieerd. Het doel van deze differentiatie was om met name starters een betere positie te verschaffen ten opzichte van beleggers. Het algemene tarief is per 1 januari 2023 verhoogd van 8% naar 10,4% en recent, mede naar aanleiding van de evaluatie Wet differentiatie overdrachtsbelasting25, weer verlaagd naar 8% voor alleen woningen. Dit omdat uit deze evaluatie bleek dat de differentiatie en verhoging van het algemene ovb-tarief, samen met andere macro-economische ontwikkelingen (zoals de rentestand) en wijzigingen in het woon- en fiscaal beleid negatieve neveneffecten heeft gehad. Zo concluderen de onderzoekers dat de differentiatie van overdrachtsbelasting – tezamen met andere factoren – waarschijnlijk heeft geleid tot een langzamere groei van de huurwoningvoorraad. Ook wordt door de onderzoekers een neerwaarts effect op het rendement bij gebiedsontwikkeling, waaronder nieuwbouw, genoemd. Het huidige kabinet is voornemens het tarief verder te verlagen naar 7%, wat het investeringsklimaat positief beïnvloedt.
Het nieuwe tarief van 8% geldt sinds 1 januari 2026 voor alle verkrijgingen van woningen, met uitzondering van gevallen waarin het bestaande verlaagde tarief van 2% of een vrijstelling, zoals de startersvrijstelling, van toepassing is. Het doel van deze maatregel was om het aanbod van huurwoningen te vergroten door investeringen in woningen in de private, midden- en vrije huur te stimuleren. Daarnaast beoogde de maatregel de bouw van meer (private) huurwoningen te stimuleren door de uiteindelijke belastingdruk bij verkoop te verlagen. De verlaging is begin dit jaar van kracht geworden. Dit is te kort geleden om de impact op investeringen in huurwoningen te bepalen. Wel geldt dat het tarief van 8% een van de hoogste in de EU is.26 Voor nieuwbouw geldt in beginsel de samenloopvrijstelling waardoor geen overdrachtsbelasting geheven wordt (zie ook vraag 16).
In het recent verschenen rapport Investeringsklimaat Middenhuur27 concludeert SEO dat een verlaging van de overdrachtsbelasting een zeer beperkt positief effect heeft op het aantal aan- en verkopen in de bestaande voorraad. De omvang van het effect op de woningbouw is niet onderzocht door SEO. SEO wijst er op dat de hoogte van de overdrachtsbelasting invloed heeft op het rendement en de balanswaarde van beleggers en daarmee op de financieringscapaciteit en de bredere businesscase van nieuwbouw.
Speelt de omzetbelasting nog een rol bij nieuwe woningen? Hoe verhoudt de Nederlandse omzetbelasting zich bijvoorbeeld tot de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen?
Ja. Italië hanteert verlaagde btw-tarieven en -vrijstellingen bij woningbouw, de details en voorwaarden van de Italiaanse omzetbelasting bij de verkoop van nieuwe woningen zijn mij niet bekend. In het algemeen geldt dat de verkoop van nieuwe woningen met btw belast is. Lidstaten hebben daarnaast de mogelijkheid om in te vullen onder welke voorwaarden een woning als nieuw kwalificeert. Daardoor kan de btw-behandeling bij de verkoop van nieuwe woningen per lidstaat verschillen, afhankelijk van nationale keuzes binnen de kaders van de Europese btw-richtlijn.28
In Nederland geldt dat bij de levering van woningen binnen twee jaar na de eerste ingebruikname het algemene btw-tarief van 21% van toepassing is. Bij de levering van woningen die langer dan twee jaar in gebruik zijn is geen btw verschuldigd maar overdrachtsbelasting. Ter voorkoming van dubbele heffing geldt bij btw-belaste leveringen de samenloopvrijstelling, waardoor in beginsel geen overdrachtsbelasting wordt geheven als er btw verschuldigd is.
De effecten van een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociale huurwoningen is onderzocht in het IBO-rapport Op grond kun je bouwen. Rapport Op grond kun je bouwen Een verlaging van het btw-tarief op nieuwbouw in het kader van sociaal beleid verstrekte huisvesting kent omvangrijke juridische, uitvoerings- en budgettaire risico’s. Een verlaging heeft alleen direct effect wanneer sprake is van een rechtstreekse, btw-belaste levering van een nieuwe woning door de bouwer aan de koper. Bij andere constructies, zoals eigenbouw of de aankoop van een woning via een aandelentransactie, kan een verlaagd tarief doorgaans slechts worden toegepast op de prestaties van onderaannemers, waardoor het uiteindelijke effect op de woningprijs beperkt is. Op de lange termijn is een positief effect op woningprijzen ook afhankelijk van de mate waarin het btw-voordeel doorwerkt in de grondprijzen. Omdat de effecten van een btw-verlaging onzeker zijn, zou het nodig zijn economisch onderzoek te doen naar de impact, wat dit zou betekenen voor de nieuwbouw van sociale huurwoning en de effecten van een dergelijke maatregel.
De bestaande verlaagde btw-tarieven zijn recent geëvalueerd door Dialogic en Significant Public.29 Uit deze evaluatie volgt dat een btw-verlaging slechts in beperkte mate doeltreffend is en over het algemeen geen doelmatig instrument vormt. Ondernemers zijn niet verplicht om een btw-verlaging door te berekenen, waardoor onzeker is of een btw-verlaging daadwerkelijk wordt verrekend in lagere prijzen. Daarnaast kent de bouw van sociale huurwoningen een vrij hoge mate van inelasticiteit, waardoor het risico bestaat dat het voordeel neerslaat bij de grondeigenaar via hogere grondprijzen, terwijl de woningproductie slechts beperkt toeneemt.
Bereiken u in algemene zin signalen dat buitenlandse investeerders in toenemende mate afzien van het investeren in Nederlandse woningen vanwege in het recente verleden doorgevoerde, snel opvolgende wijzigingen in fiscale en juridische wet- en regelgeving en een als gevolg hiervan toenemende onvoorspelbaarheid van deze wet- en regelgeving voor deze buitenlandse investeerders?
Mij bereiken inderdaad signalen vanuit de markt dat de snel opeenvolgende wijzigingen in het huur en fiscale beleid hebben gezorgd voor instabiliteit en onvoorspelbaarheid. Investeerders geven al langere tijd aan dat langjarig en stabiel overheidsbeleid essentieel is voor een goed investeringsklimaat. Zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, zet het kabinet zich in om de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vorm te geven dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen.
Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren? Welke plannen liggen er momenteel om het aantrekkelijker te maken voor binnenlandse investeerders om in Nederlandse woningbouw te investeren?
Voor een toelichting naar de plannen van het kabinet wordt verwezen naar het antwoord op vraag 6.
Kunt u in navolging op de Kamerbrief van uw ambtsvoorganger van 7 juni 2024, kamerstuknummer 2024-0000341126 een REIT-regime verder laten uitwerken?
In het SEO-rapport is geconcludeerd dat de doelmatigheid van een REIT-regime beperkt is. Het Kabinet neemt verschillende maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren, zie ook het antwoord op vraag 6. Uitwerking van het REIT-regime is op dit moment geen onderdeel van het kabinetsbeleid.
Het bericht ‘’De belastingen worden torenhoog!’ Hoe het Rijk Katwijk voor de kosten van Valkenhorst liet opdraaien’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen waarom het Rijksvastgoedbedrijf in een tijd van extreme woningnood als expliciete doelstelling heeft om «zwarte cijfers» te draaien, in plaats van maximale maatschappelijke waarde te realiseren?1
Het Rijksvastgoedbedrijf is als agentschap gebonden om te handelen binnen financiële kaders, waaronder een sluitende of budget-neutrale begroting. Dit betekent dat Rijksvastgoedbedrijf geen winstdoelstelling heeft. De term «zwarte cijfers» moet gelezen worden als geen verlies maken en/of tekort op de begroting toestaan. Daarbij heeft het Rijksvastgoedbedrijf opdracht om binnen dit kader in te zetten op het realiseren van maatschappelijk meerwaarde.
Deelt u de opvatting dat rijksgrond geen handelswaar zou moeten zijn, maar een publiek instrument om betaalbaar wonen mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Ja ik deel uw opvatting dat rijksgronden geen handelswaar zijn. Het Rijk zet de rijksgronden voor de brede gebiedsontwikkeling van Valkenhorst in als publiek middel om maatschappelijke meerwaarde te realiseren, waaronder de bouw van betaalbare woningen.
Waarom heeft het Rijk zich tijdens de onderhandelingen over Valkenhorst zo fel verzet tegen een hoger aandeel sociale huur en betaalbare koopwoningen, terwijl juist in deze segmenten de woningnood het grootst is?
Het door u geschetste beeld herken ik niet. Het Rijk heeft zich niet verzet tegen het bouwen van betaalbare woningen. De wensen en eisen van de gemeente ten aanzien van de programmering («de woningmix») en de financiële kaders en maatschappelijke doelstellingen van het Rijk waren uitgangspunt bij de toenmalige overleggen. Mijn voorganger heeft uw Kamer hier op 23 september 2022 (Kamerstuk 2022Z14057) over geïnformeerd.
Is het volgens u wenselijk dat het Rijk winst maakt op dure randstadgrond, terwijl gemeenten en inwoners worden geconfronteerd met hogere schulden, stijgende lokale belastingen en bezuinigingen op voorzieningen?
De veronderstelling dat winst wordt gemaakt door Rijksvastgoedbedrijf met de grondexploitatie is onjuist. Het Rijksvastgoedbedrijf handelt als agentschap binnen het beleidskader dat de grondexploitatie financieel neutraal is. Dit impliceert dat er geen sprake is van een winstoogmerk voor het Rijksvastgoedbedrijf bij gebiedsontwikkeling.
Hoe verhoudt deze winstlogica zich tot de grondwettelijke en maatschappelijke opdracht van de overheid om het recht op wonen te waarborgen?
Zie antwoord op vraag 4.
Waarom heeft het Rijksvastgoedbedrijf geweigerd om financiële berekeningen te delen met de gemeente Katwijk, terwijl diezelfde gemeente wel onder zware tijdsdruk moest instemmen met een overeenkomst met grote financiële risico’s?
Het Rijksvastgoedbedrijf heeft een transparante verstandhouding met de gemeente Katwijk en heeft zodoende de financiële berekeningen van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst met de gemeente Katwijk gedeeld. In de beginfase van de gebiedsontwikkeling is de grondexploitatie zelfs gezamenlijk met de gemeente opgesteld. Destijds had de gemeente het voornemen om financieel te participeren in de grondexploitatie. Later heeft de gemeente de keuze gemaakt om over te stappen naar faciliterend grondbeleid voor Valkenhorst. Ook toen is het Rijksvastgoedbedrijf transparant gebleven en heeft zij inzage in de grondexploitatie van Valkenhorst gegeven. Ook is er nog steeds sprake van frequent constructief en open overleg tussen het Rijksvastgoedbedrijf en de gemeente Katwijk. Onderdeel van die bespreking betreft de kwalitatieve, kwantitatieve en financiële kaders van de gebiedsontwikkeling. Het Rijksvastgoedbedrijf verschaft daarbij, op basis van vertrouwelijkheid, inzage in de onderliggende (financiële) gegevens van de gebiedsontwikkeling.
Vindt u het democratisch en bestuurlijk verantwoord dat Katwijk onder dreiging van provinciale overname binnen twee weken moest tekenen voor een overeenkomst die lokaal wordt omschreven als een «wurgcontract»?
Ik herken mij niet in het geschetste beeld. Het proces om overeenstemming te bereiken tussen het Rijk, de provincie en de gemeente heeft destijds geruime tijd geduurd omdat verschillende eisen, wensen en uitgangspunten van genoemde partijen bij elkaar moesten worden gebracht. Resultaat van dit grondige proces is dat sinds 2020 er bestuurlijk afspraken en een samenwerkingsovereenkomst van kracht zijn, die door alle partijen worden gedragen.
Waarom ontvangt Katwijk slechts beperkte rijksbijdragen voor infrastructuur, groen en scholen, terwijl het Rijk bij vergelijkbare grootschalige woningbouwprojecten wél tientallen miljoenen euro’s bijdraagt?
De gemeente Katwijk heeft vele rijksbijdragen ontvangen van het Rijk. In de afgelopen jaren zijn omvangrijke investeringen gedaan door het Rijk (en de provincie) in infrastructurele maatregelen en versterking van de natuur. Het Rijk heeft investeringen gedaan aan de Rijnland-route ad 513 miljoen euro en aan de HOV corridor Zuid-Holland Noord ad 180 miljoen euro (waarvan 24 miljoen euro aan de buscorridor Leiden-Katwijk-Noordwijk). De gemeente ontvangt daarnaast op basis van wettelijk kostenverhaal circa 30 miljoen euro en een bijdrage van 20 miljoen euro als vergoeding van historische plankosten. Vanuit mijn ministerie is tevens een Woningbouw Impuls-subsidie van 6,9 miljoen euro verstrekt aan de gemeente om de financiële tekorten van fase 1 van gebiedsontwikkeling Valkenhorst te bekostigen.
Hoe verklaart u dat het Rijk voor de ontwikkeling van de Gnephoek in Alphen aan den Rijn een eenmalige bijdrage van ruim 60 miljoen euro beschikbaar stelt om financiële tekorten te dekken, terwijl Katwijk bij Valkenhorst grotendeels zelf moet opdraaien voor een tekort dat kan oplopen tot circa 120 miljoen euro?
De beide gemeenten dragen zelf financieel bij aan binnen- en bovenplanse plankosten, die niet-wettelijk verhaalbaar zijn op de grondeigenaar of ontwikkelaar. Gemeenten dragen zelf zorg voor de aanleg van gemeentelijke voorzieningen zoals sport en onderwijs. De bekostiging daarvan loopt via de gemeentelijke begrotingen. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Welke inhoudelijke redenen rechtvaardigen volgens u dit verschil in behandeling tussen Valkenhorst en de Gnephoek, gelet op de vergelijkbare omvang van beide projecten en de woningbouwopgave?
Voor beide gebiedsontwikkelingen geldt dat het Rijk forse bijdragen heeft gedaan aan aanpalende investeringen op gebied van infrastructuur en een tekort op de gebiedsontwikkeling.
Is het volgens u redelijk dat gemeenten miljoenen moeten lenen om rijksgrond bouwrijp te maken, terwijl de structurele baten grotendeels bij het Rijk terechtkomen?
Het Rijksvastgoedbedrijf zorgt zelf voor het bouwrijp maken van Valkenhorst en draagt hiervan de kosten. De gemeente doet hiervoor geen investering (en hoeft dan ook niet te lenen).
Deelt u de zorg dat het begrip «betaalbaar wonen» bij Valkenhorst feitelijk is uitgehold, doordat koopwoningen tot ruim vier ton als betaalbaar worden aangemerkt? Voor welke inkomensgroepen acht u deze woningen daadwerkelijk bereikbaar?
Nee, voor Valkenhorst worden naast sociale- en middensegment huurwoningen ook koopwoningen gebouwd tot aan de betaalbaarheidsgrens. In mijn Kamerbrief van 8 oktober 2025 (Kamerstuk 32 847, nr. 1381) heb ik aangegeven dat de betaalbaarheidsgrens in 2026 is vastgesteld op EUR 420.000 en dat deze koopwoningen betaalbaar zijn voor tweeverdieners met een inkomen van maximaal twee keer modaal.
Wat vindt u ervan dat Katwijk, ondanks de enorme financiële bijdrage, geen structurele voorrang mag geven aan eigen inwoners bij de toewijzing van sociale huurwoningen, en wat doet dit volgens u met het lokale draagvlak voor woningbouw?
De gemeente ontvangt rijksbijdragen zoals toegelicht bij beantwoording van 8. Bovendien geldt dat in de regio Holland-Rijnland, waar de gemeente Katwijk binnen valt, een regionale huisvestingsverordening van kracht is. De gemeente kan bovendien lokaal maatwerk toepassen met een gemeentelijke huisvestingsverordening. Op basis hiervan kan de woningcorporatie bij het toewijzen voorrang verlenen aan inwoners van de gemeente voor sociale huurwoningen in Valkenhorst.
Is de Minister van mening dat de ontwikkeling van Valkenhorst in lijn is met de aangenomen motie-Beckerman c.s., die de regering oproept om bij woningbouw door het Rijksvastgoedbedrijf minstens twee derde van de woningen betaalbaar te realiseren, terwijl dit aandeel bij Valkenhorst circa 36% bedraagt?
In de Kamerbrief van 20 maart 2024 (Kamerstuk 32 847, nr. 1159) heb ik u geïnformeerd over het onderzoek dat het Rijksvastgoedbedrijf in september 2023 heeft uitgevoerd naar de woningbouwmogelijkheden voor Valkenhorst. Het bestemmingsplan «Woongebied Valkenhorst» was toen al door de gemeenteraad vastgesteld en in procedure gebracht. Dit bestemmingsplan is onlangs onherroepelijk geworden.
De gemeente en het Rijksvastgoedbedrijf zijn momenteel in overleg om kansen en mogelijkheden te verkennen om het eerder vastgestelde aandeel van betaalbare woningen (in het bestemmingsplan) verder te verhogen.
Bent u bereid om, naar analogie van de rijksbijdrage aan de Gnephoek, met de gemeente Katwijk in overleg te treden over een substantiële aanvullende financiële bijdrage, zodat niet de huidige inwoners via hogere belastingen opdraaien voor de kosten van rijksbeleid?
Het Rijk heeft, zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 8 en 9, bijgedragen aan diverse bovenplanse plankosten – zoals bijdrage aan infrastructuur en natuur – van de gebiedsontwikkeling Valkenhorst. Het bijdragen aan maatschappelijke doelen is een vast onderdeel van de afstemming tussen de gemeente Katwijk en het Rijksvastgoedbedrijf over de verdere ontwikkeling van Valkenhorst. Dit overleg past ook binnen het beleid van Rijksvastgoedbedrijf om maatschappelijke meerwaarde te creëren bij gebiedsontwikkeling van Rijksgronden.
Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om alsnog tot een rechtvaardiger verdeling van kosten en opbrengsten bij Valkenhorst te komen, waarbij betaalbaar wonen en publieke belangen zwaarder wegen dan winst voor het Rijk?
De verdeling van kosten en opbrengsten is tot stand gekomen binnen de wettelijke financiële- en juridische kaders, waarbinnen het Rijksvastgoedbedrijf moet handelen (zoals aangegeven in antwoord op de vragen 1, 2 en 4). Binnen deze kaders zet het Rijk de rijksgronden in als publiek middel om maatschappelijke doelen te realiseren, waaronder betaalbare woningen. Ik zie geen aanleiding om de huidige verdeling van kosten en opbrengsten te heroverwegen, omdat deze in lijn is met de geldende afspraken met gemeente Katwijk en vigerende wetgeving. Wel blijft het Rijksvastgoedbedrijf met de gemeente Katwijk in gesprek over hoe het binnen het bestaande kader kan bijdragen aan meer betaalbaar wonen en (eventuele) andere publieke belangen.
De misstanden en onveiligheid in het wooncomplex Stek Oost met statushouders |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Mona Keijzer , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over Stek Oost, waaronder de artikelen in het Parool en op AT5 waaruit blijkt dat woningcorporatie Stadgenoot al jaren wil stoppen met het gemengd wonen van statushouders en jongeren in Stek Oost vanwege ernstige onveiligheid, maar dat de gemeente Amsterdam dit heeft tegengehouden?1 2
Ja.
Kunt u een volledig feitenrelaas geven over de situatie in Stek Oost sinds de start in 2018, inclusief het aantal bewoners (onderscheid statushouders/jongeren) per jaar, de aard en ernst van de incidenten, het aantal meldingen bij politie, het aantal aangiften en het aantal huisuitzettingen?
Stek Oost is gestart in 2018 als tijdelijk woon- en gemeenschapshuisvestingproject, waar Amsterdamse jongeren en statushouders in hetzelfde complex wonen. In 250 zelfstandige studio’s werden deze doelgroepen aan elkaar gekoppeld, waar de jongeren zich inzetten om de statushouders te ondersteunen. Bij de start was er een verhouding van 50% statushouders en 50% Amsterdamse jongeren.
Op 20 januari 2026 heeft gemeenteraadslid Von Gerhardt (VVD) in Amsterdam schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.3 Bij de beantwoording van deze vragen op 2 februari 2026, is in een bijlage ook een tijdlijn aangeleverd van gebeurtenissen op Stek Oost tussen 2018 en 2025.4 Hierbij geeft het college aan dat incidenten in deze tijdlijn «zeer ernstige en acute incidenten met een directe, grote impact op de omgeving betreft» en dat «reguliere zorg- en overlastmeldingen daar niet onder vallen».
In deze tijdlijn staan tussen 2018 en 2025 meerdere ernstige incidenten beschreven, zoals: steekincidenten, meldingen en aangifte van zedendelicten en veroordeling van een toenmalig bewoner van Stek Oost voor een zedendelict. Verder staat in de tijdlijn onder meer beschreven:
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.5
De berichtgeving en beschikbare stukken schetsten een beeld van meerdere heftige incidenten en ik leef mee met eenieder die slachtoffer is geworden van dergelijke incidenten. Je thuis moet een veilige plek zijn.
Klopt het dat er in een periode van circa anderhalf jaar minimaal twintig aangiften zijn gedaan door bewoners en oud-bewoners, onder meer wegens aanranding, geweld, steek- en vechtpartijen, stalking, diefstal, LHBTIQ+-gerelateerde intimidatie en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, wat zijn dan de exacte aantallen per delictcategorie sinds de start van het project?
Voor de volledige tijdlijn verwijs ik naar de beantwoording van de schriftelijke vragen aan het college van Amsterdam van 2 februari in het raadsinformatiesysteem van de gemeente Amsterdam.
Hoe beoordeelt u het oordeel van Stadgenoot dat de veiligheid in Stek Oost niet gegarandeerd kon worden en dat de corporatie daarom heeft willen stoppen met het gemengd wonen op deze locatie?
Dit gaat om gesprekken die hebben plaatsgevonden tussen de gemeente en de corporatie, het Ministerie van VRO heeft hier geen rol in gespeeld.
Deelt u de zorg dat de gemeente Amsterdam, door beëindiging van het gemengd wonen in Stek Oost tegen te houden, de veiligheid van (met name vrouwelijke en LHBTIQ+-) Nederlandse bewoners en andere omwonenden ondergeschikt heeft gemaakt aan haar eigen beleidsdoel om statushouders gemengd te huisvesten?
Ik beschik niet over voldoende informatie om hierover een inhoudelijk oordeel te geven. Het gemeentebestuur van Amsterdam geeft aan dat de wettelijke taakstelling om statushouders te huisvesten nooit doorslaggevend is geweest bij afwegingen die zijn gemaakt over Stek Oost. Bij incidenten is gehandeld zoals zij dat altijd en overal doen. Er is daarbij steeds gekeken naar wat nodig was en er zijn maatregelen genomen om de leefbaarheid en veiligheid voor de bewoners van Stek Oost te verbeteren.
Voor een nadere toelichting verwijs ik naar de raadsinformatiebrief van de Gemeente Amsterdam van 16 februari 20266.
Heeft u of uw voorgangers signalen ontvangen van Stadgenoot, bewoners, politie, de Arbeidsinspectie of andere instanties over structurele onveiligheid en overlast in Stek Oost en vergelijkbare projecten? Zo ja, om welke signalen ging het concreet, op welke data zijn deze signalen ontvangen en welke acties zijn daarop door het Rijk ondernomen?
Er zijn mij geen signalen bekend vanuit genoemde partijen richting mij of mijn voorgangers over de situatie op Stek Oost.
Kunt u een overzicht geven van alle gemengde wooncomplexen in Nederland waar statushouders samen met Nederlandse jongeren of andere doelgroepen wonen, uitgesplitst naar gemeente, omvang (aantal bewoners) en samenstelling (percentage statushouders)?
Nee, ik heb geen totaaloverzicht van gemengde wooncomplexen tot mijn beschikking. Er zijn allerlei manieren waarop gemengde wooncomplexen tot stand komen, dit is een lokale aangelegenheid. Wel geldt voor projecten die met de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen tot stand komen, een eis om 30% van de woningen in het project te reserveren voor statushouders of Oekraïense ontheemden. Gemeenten kunnen er echter ook voor kiezen om deze eis buiten het SFT project in te vullen door elders in de gemeente woningen voor deze groep beschikbaar te stellen.
In hoeveel van deze complexen zijn de afgelopen vijf jaar incidenten geregistreerd die betrekking hebben op geweld, zedendelicten, intimidatie/stalking, drugshandel, ernstige overlast en LHBTIQ+-gerelateerde discriminatie of geweld? Kunt u dit per complex en per delictcategorie specificeren, inclusief aantallen meldingen en, voor zover bekend, het aantal incidenten waarbij LHBTIQ+-bewoners betrokken waren als slachtoffer?
Hier heb ik geen informatie over.
Erkent u dat de combinatie van een grote schaal, een hoge concentratie statushouders (circa 50% of meer) en een relatief homogene groep statushouders (zelfde herkomstlanden, leeftijd, alleenstaande mannen) een belangrijke risicofactor is voor onveiligheid en mislukte integratie, zoals onder meer door Stadgenoot is geschetst? Zo nee, waarom niet?
Laat ik vooropstellen dat ik het voor de slachtoffers en overige bewoners van Stek Oost verschrikkelijk vind wat er gebeurd is. Ik wil echter geen algemene conclusies trekken over dat de genoemde factoren per definitie maken dat dit leidt tot onveiligheid en mislukte integratie, of dat statushouders per definitie voor overlast of onveiligheid zouden zorgen. Veel statushouders gedragen zich als een goede huurder en er zijn verschillende goede en geslaagde voorbeelden van soortgelijke woonprojecten. Het is hierbij belangrijk te kijken naar de randvoorwaarden die aanwezig zijn, zoals de opzet van het complex en aanwezigheid van sociaal beheer en ondersteuning.
Hoe waarborgt u dat Nederlandse jongeren, studenten en starters niet opnieuw in feitelijk onveilige pilotprojecten of experimenten terechtkomen, waarbij zij als het ware proefpersonen zijn voor integratiebeleid en de nadelige gevolgen van verkeerde beleidskeuzes dragen?
Gezien de ernst van de incidenten op Stek Oost, begrijp ik de ontstane onrust. Er zijn echter, ook binnen de gemeente Amsterdam, meerdere gemengd wonen projecten bekend die wel goed functioneren. Inmiddels zijn er lessen geleerd en procedures en werkwijzen bij gemeenten aangepast. Daarnaast zet ik in op meer sociaal beheer, onder andere door de aanpassing van de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen (SFT+), waarbij gemeenten nu ook een bijdrage van € 6.000 (bij zelfstandige woonruimte) of € 4.000 (bij onzelfstandige woonruimte) per woonruimte voor sociaal beheer ontvangen.
Bent u, gelet op de jarenlange signalen over ernstige onveiligheid in Stek Oost en andere gemengde wooncomplexen en de waarschuwingen van woningcorporaties, bereid bewoners, in het bijzonder vrouwelijke en LHBTIQ+-bewoners, die daar slachtoffer zijn geworden van zedenmisdrijven, geweld, stalking of andere ernstige feiten te compenseren en/of hen prioritaire toegang tot andere, wél veilige huisvesting te geven, bijvoorbeeld door hen een vorm van urgentie of voorrang bij herhuisvesting toe te kennen?
Hiertoe heb ik geen mogelijkheden. Het toekennen van urgentie of voorrang bij herhuisvesting is een keuze die de gemeente samen met de corporatie kan maken.
Hoe verhouden de ervaringen en incidenten bij gemengde complexen zoals Stek Oost zich tot het wetsvoorstel om de voorrang voor statushouders in de sociale huur te schrappen en gemeenten te stimuleren om «doorstroomlocaties' te openen waar ook andere woningzoekenden een plek kunnen krijgen? Acht u het, in het licht van de misstanden in Stek Oost en andere projecten, verantwoord om juist dit type gemengde, tijdelijke woonvormen als oplossing te presenteren en welke extra waarborgen voor veiligheid, in het bijzonder voor vrouwen en LHBTIQ+-bewoners, bent u voornemens hierin wettelijk vast te leggen?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 10.
Bent u bereid een onafhankelijke, landelijke evaluatie te laten uitvoeren van alle gemengde woonprojecten met statushouders, inclusief de veiligheidssituatie en ervaringen van bewoners, op basis daarvan scenario’s uit te werken waarin met gemengde projecten wordt gestopt of deze drastisch worden beperkt tot kleinschalige, strikt gereguleerde initiatieven en de Kamer hierover uiterlijk vóór het zomerreces 2026 te informeren?
Nee, dit blijft een lokale afweging. Wel probeer ik op de hoogte te blijven van ontwikkelingen rondom gemengd wonen en kijk ik waar mogelijk aanvullend beleid voor nodig is.
Wilt u deze vragen uiterlijk maandag 2 februari 2026, één voor één beantwoorden?
In verband met de benodigde afstemming met partijen is dit niet gelukt.
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Ja.
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
Bij de implementatie van de BENG-eisen zijn destijds de financiële gevolgen in kaart gebracht. Kortheidshalve verwijs ik naar het rapport waarin dit is onderbouwd. https://www.internetconsultatie.nl/wijziging_bouwbesluit_2012_ivm_beng_2020/document/4333
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Bij alle extra eisen in de bouwregelgeving wordt het effect op de bouwkosten meegewogen. Het is evident dat de BENG-eisen leid(d)en tot hogere bouwkosten dan de nul-optie, waarin de energiezuinigheid niet wordt verhoogd. Maar tegelijkertijd wordt de gebruiker van een gebouw gecompenseerd door een structureel lagere energierekening: de investeringen worden bij normaal gebruik terugverdiend binnen de daarvoor gestelde termijn. En met de onzekere energieprijzen op de wereldmarkt en leveringszekerheid is energiebesparing nodig. Daardoor sloeg en slaat de weging positief uit.
De bouwkosten en huizenprijzen worden naast extra duurzaamheidseisen natuurlijk ook bepaald door andere economische variabelen, zoals renteontwikkeling, inflatie, lonen, vraag naar woningen, wereldmarktprijzen voor bouwmaterialen en lokale grondprijzen. Deze kennen gezamenlijk een groter effect.
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
De hogere kosten bij nieuwbouw moeten afgewogen worden tegen de lagere kosten door minder energiegebruik tijdens het gebruik van een woning. Bij de implementatie van energetische verduurzamingseisen wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies2 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming economisch verantwoord. Deze bepaling van kostenoptimaliteit is een regulier onderdeel bij de implementatie van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen, waar de BENG-eisen uit voortvloeien.
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Zie antwoord vraag 4.
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
In algemene zin worden vanuit het Rijk geen subsidie of aanvullende overheidsbijdragen in nieuwbouwprojecten verstrekt voor de zaken, die verplicht zijn in de bouwregelgeving op het terrein van duurzaamheid. De nieuwbouweisen op het terrein van energiezuinigheid (BENG) zijn daarnaast kostenoptimaal.
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Zie vraag 6.
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Mij is niet bekend dat woningbouwprojecten vertraagd of uitgesteld zijn vanwege duurzaamheidseisen aan de woningbouw. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik al aangegeven dat naast bouwkostenstijging ook andere economische variabelen effecten hebben op de doorlooptijd van het ontwikkel- en bouwproces. Daarnaast bepaalt in de praktijk het vergunningsverleningsproces de doorlooptijd.
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Een initiatiefnemer toont het voldoen aan duurzaamheidseisen bij vergunningstrajecten aan met een energieprestatieberekening en een milieuprestatieberekening. Deze berekeningen zijn zo ingericht dat deze tijdens het ontwerp en vergunningproces uitgevoerd kunnen worden met de dan beschikbare gegevens van het gebouw. Er is daardoor geen of een minimale extra doorlooptijd. Ook de beoordeling van deze eisen is volledig geïntegreerd in het vergunningsproces en leidt niet tot extra doorlooptijd.
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
De duurzaamheidseisen zijn geformuleerd in termen van prestatie-eisen aan een bouwwerk. Deze prestatie-eisen zijn voor het betaalbare segment gelijk aan die voor het duurdere segment. Duurzaamheidseisen leiden tot extra bouwkosten voor gebouwen, maar in vergelijkbare mate voor betaalbare woningen en hogere prijssegmenten. Ook zijn de duurzaamheidseisen erop afgestemd dat deze door de bewoner terugverdiend worden.
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Het realiseren van voldoende en betaalbare woningen is een prioriteit in mijn beleid. Daarnaast is ook het behalen van klimaatneutrale nieuwbouw, vanaf 2030, van groot belang. Een betaalbare energierekening en nationale energiezekerheid, vanwege de geopolitieke situatie, spelen daarbij een even grote rol. Bij het vaststellen van eisen houd ik er rekening mee dat zowel voldoende betaalbare woningen als een klimaatneutrale gebouwvoorraad naast elkaar haalbaar moeten zijn.
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Regelgeving verandert regelmatig en alle ontwikkelaars moeten zich verdiepen in de eisen die gesteld worden. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de BENG-eisen in 2018 heeft intensief nader overleg met het MKB plaatsgevonden, om na te gaan of en zo ja welke specifieke aandachtspunten er voor de MKB’ers zijn.
Het gaat zowel om deelname van het MKB aan de klankbordgroep BENG en de begeleidingscommissie Kostenoptimaliteit-BENG, als om deelname aan de Juridisch Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving. Ook zijn de reacties in het kader van de internetconsultatie voor een groot deel afkomstig van het MKB. De inbreng van het MKB over de uitvoeringsmodaliteiten is meegewogen, juist om de uitvoerbaarheid te borgen.
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Ik beoordeel elk voorstel voor nieuwe wetgeving vanuit Europa op zijn merites en handel daarnaar. Natuurlijk ben ik extra gespitst op voorstellen, die de woningbouwopgave mogelijk belemmeren of vertragen. Daar wordt al jarenlang kritisch naar gekeken en dat zal ik ook blijven doen. Verder is ook in Europees verband opgeroepen om te komen tot het schrappen van tegenstrijdig en overbodige eisen in Europese regelgeving. Met de Europese Strategy for Housing Construction en het Affordable Housing Plan worden stappen in de goede richting gezet.
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Voor de versnelling van de woningbouw ben ik nu bezig met de uitvoering van het programma STOER. Met de brief van mijn ambtsvoorganger d.d. 10 oktober 2025, over het advies van de commissie STOER, is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Ja. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 is een kostenoptimaliteitsstudie een standaard onderdeel van het wetgevingsproces voor duurzaamheidseisen.
Het bericht 'Oproep gemeente Moerdijk: Eerst geven, dan nemen' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Tieman , Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Thierry Aartsen (VVD), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Is reeds uitgewerkt hoe bij deze ontwikkelingen wordt geborgd dat geen verslechtering van de ecologische of chemische toestand van de betrokken waterlichamen optreedt?1
Nee, nog niet. Dit is pas zinvol als de plannen verder zijn uitgewerkt. Net als bij elk project zal ook hier voldaan moeten worden aan de eisen die de Kaderrichtlijn Water stelt.
Is inzichtelijk gemaakt hoe deze plannen zich verhouden tot het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) richting 2027, op waterlichaamniveau?
Zie het antwoord op vraag 1.
En op welk moment in het besluitvormings- en vergunningentraject vindt de expliciete EU-rechtelijke KRW-toets plaats?
De verdere uitwerking van de plannen moet voldoen aan de eisen die de KRW stelt, net als aan andere regelgeving omtrent milieu en natuur. Toetsing hieraan gebeurt tijdens het uitwerken van de plannen, bijvoorbeeld bij de ontwerpeisen en tijdens de Plan-MER, en later in detail tijdens concrete vergunningstrajecten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het wetgevingsoverleg Water van 2 februari aanstaande?
Ja.
De overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen |
|
Simon Ceulemans (JA21), Ingrid Coenradie (PVV) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat ondernemers in het centrum van Emmen afgelopen jaar een forse toename van overlast en criminaliteit door asielzoekers, in de praktijk veiligelanders, uit Ter Apel ervaren?
Ja, dit is bekend. De gemeente Emmen, bewoners en ondernemers hebben signalen gedeeld van toegenomen overlast en criminaliteit waarbij asielzoekers, vaak met kansarme aanvragen, betrokken zijn.
Wat heeft u het afgelopen jaar gedaan om dit tegen te gaan, los van de maatregelen door de gemeente Emmen?
Het Ministerie van Asiel en Migratie heeft in 2025 vanuit de middelen voor de aanpak van overlast circa € 500.000 beschikbaar gesteld aan de gemeente Emmen via de decentralisatie-uitkering «aanpak overlast asielzoekers», waardoor extra handhavingscapaciteit kon worden ingezet. Dit ter preventie van overlast en criminaliteit in verband met de ligging van het azc Ter Apel nabij Nieuw-Weerdinge en de stationsomgeving in Emmen. Ook in 2026 ontvangt de gemeente Emmen een bijdrage.
Tijdens mijn werkbezoek van 15 december jl. is afgesproken te verkennen hoe de inzet van boa’s gericht kan worden versterkt in Nieuw-Weerdinge, het stationsgebied en het centrum van Emmen. In de gesprekken met de gemeente Emmen wordt ook de mogelijkheid verkend voor de inzet van straattoezichtteams die worden gefinancierd door het Ministerie van Asiel en Migratie.
Tot slot wordt met de gemeente gesproken over de wijze waarop ondernemers en bewoners tegemoet gekomen worden bij schade die samenhangt met incidenten veroorzaakt door bewoners van het aanmeldcentrum in Ter Apel. Deze inzet loopt parallel aan de gemeentelijke maatregelen.
Bent u ermee bekend dat ondernemers aangeven dat de overlast en diefstallen nog eens extra piekten gedurende de periode in december dat de pendelbus gratis was en de daders dus gratis werden afgeleverd voor hun criminele activiteiten in het centrum? Wat is uw reactie hierop?
Nee, deze signalen zijn niet bekend. Het is onwenselijk dat reizigers tijdelijk zonder kaartje hebben gereisd met de pendelbus. Dit is hersteld en sinds 30 december 2025 is het kopen van een kaartje weer verplicht.
Welke (politie)cijfers zijn er bekend over criminaliteit door asielzoekers in Emmen? Hoe verhouden de cijfers van afgelopen jaar zich tot die van voorgaande jaren?
De politie beschikt niet over criminaliteitscijfers uitgesplitst naar asielstatus op het niveau van de gemeente Emmen. Voor data over overlast en criminaliteit door asielzoekers verwijs ik u naar de WODC-rapportage1. Deze rapportage beschrijft trends op landelijk niveau en vergelijkt met voorgaande jaren. Hierin staat echter niet specifiek de situatie van Emmen opgenomen.
Wat bedraagt de geschatte jaarlijkse schadepost door criminaliteit door asielzoekers (waaronder maar niet beperkt tot diefstal, vernieling en inzet van beveiliging en veiligheidsmaatregelen) voor ondernemers in het centrum van Emmen? Is hierin ook een stijging waarneembaar ten opzichte van voorgaande jaren?
Voor het centrum van Emmen is op dit moment geen betrouwbare, cijfermatige inschatting beschikbaar van de jaarlijkse schade veroorzaakt door strafbare feiten waarbij asielzoekers betrokken zijn. Bovendien is het schadebeeld onvolledig omdat ondernemers aangeven dat de aangiftebereidheid is afgenomen, onder meer omdat aangifte tijdrovend is, soms (gedeeltelijke) winkelsluiting vergt en omdat ondernemers een beperkte justitiële opvolging ervaren. Een trend ten opzichte van voorgaande jaren is hierdoor niet eenduidig vast te stellen. Wel ontvangt de gemeente signalen vanuit ondernemers in het centrum van Emmen dat de eigen uitgaven aan beveiliging zijn gestegen met circa 60%, wat een substantiële kostenpost vormt.
Kunt u de zaken uit bovenstaande twee vragen tevens specificeren naar de periode waarin de pendelbus gratis reed?
De in de voorgaande vragen genoemde zaken zijn niet specifiek te koppelen aan de periode waarin de pendelbus tijdelijk gratis reed. Het betrof een korte periode waarin geen afzonderlijke, uniforme registratie is bijgehouden. Het overlastbeeld in Emmen hangt samen met verschillende factoren, zoals de instroom van asielzoekers, de functie van Emmen als doorreislocatie naar Ter Apel en de regelmatige reisbewegingen van asielzoekers tussen Ter Apel en Emmen. In samenspraak met de gemeente Emmen wordt dit blijvend gemonitord.
Herkent u de ervaringen van ondernemers dat asielzoekers bij controles door politie en handhaving artikelen terugkrijgen, soms koffers vol, wanneer niet direct onomstotelijk vaststaat dat deze gestolen zijn, terwijl er redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat deze niet zijn afgerekend? Begrijpt u dat dit enorm frustrerend is?
Deze signalen zijn niet bekend. Mocht dit zich voordoen, dan is dat onwenselijk en is het begrijpelijk dat dit zeer frustrerend is voor ondernemers. Politie en handhaving moeten handelen binnen de geldende wettelijke kaders, waaronder het strafprocesrecht. Artikelen kunnen alleen worden ingenomen wanneer hier voldoende concrete aanwijzingen voor zijn. Bij het ontbreken van die aanwijzingen worden de artikelen teruggegeven. Wel wordt bezien welke mitigerende maatregelen en afspraken binnen de bestaande kaders passend zijn.
Kan bij deze groep niet veel sneller worden overgegaan tot inname van artikelen die onverklaarbaar in bezit zijn en/of waarvan niet kan worden aangetoond dat ze afgerekend zijn? Bent u bereid hiervoor uw steun uit te spreken?
Nee. Het in beslag nemen van artikelen is alleen mogelijk binnen de geldende wettelijke kaders, waaronder het strafprocesrecht, en enkel wanneer er voldoende aanwijzingen zijn die een redelijk vermoeden van schuld opleveren. Onverklaarbaar bezit op zichzelf is daarvoor onvoldoende. Dit geldt voor iedereen en kan niet voor een specifieke doelgroep worden aangepast.
Herkent u tevens het signaal van ondernemers dat gestolen goederen waarmee asielzoekers op het asielzoekerscentrum in Ter Apel aankomen (bijvoorbeeld kleding waar nog beveiligingsclips aan bevestigd zijn) na inname vaak niet worden teruggebracht naar de winkeliers? Zo ja, deelt u de mening dat dit onacceptabele inkomstenderving is?
Dit signaal is niet bekend. Bij evidente aanwijzingen dat goederen gestolen zijn, bijvoorbeeld wanneer een beveiligingsclip nog bevestigd is, dienen de goederen aan de ondernemer te worden teruggegeven. Ondernemers kunnen via de reguliere wijze aangifte doen van winkeldiefstal.
Wat is momenteel de stand van zaken rond de invoering van preventief fouilleren in de omgeving van station Emmen naar aanleiding van het aanwijzen van dit gebied tot veiligheidsrisicogebied? Kunnen dergelijke fouilleeracties zo gericht mogelijk worden ingezet tegen de bekende overlastgevende groepen veiligelanders? Zo nee, waarom niet?
Het stationsgebied in de gemeente Emmen is van 19 december 2025 tot en met 18 juni 2026 aangewezen als veiligheidsrisicogebied. De aanwijzing van dit gebied en de inzet van preventief fouilleren vinden plaats binnen de lokale driehoek. Het bevel tot preventief fouilleren wordt gegeven door de officier van justitie. Fouilleeracties specifiek gericht op veiligelanders zijn niet mogelijk. Selectie op nationaliteit, herkomst of asielstatus is in strijd met het discriminatieverbod.
Bent u ermee bekend dat ondernemers in het centrum van Emmen overwegen er de brui aan te geven of om minder dagen open te gaan, omdat het werkplezier compleet vergald wordt of omdat de kosten en de energie om winkeldiefstallen tegen te gaan simpelweg niet meer zijn op te brengen? Deelt u de mening dat dit onaanvaardbaar is?
De signalen van ondernemers in het centrum van Emmen zijn bekend. Het is zorgelijk dat ondernemers overwegen minder dagen open te gaan of helemaal te sluiten. Winkeldiefstal en de daarmee gepaarde overlast zijn onaanvaardbaar. Daarom wordt samen met de gemeente Emmen bezien welke mitigerende maatregelen en afspraken gemaakt kunnen worden om deze overlast te verminderen en ondernemers te ondersteunen.
Deelt u de mening dat dit, gelet op het verband met het asielzoekerscentrum en aanmeldcentrum in Ter Apel, zeker ook een landelijk probleem is dat om verantwoordelijkheid van het Rijk vraagt? Zo nee, waarom niet?
Ja. Op lokaal niveau worden maatregelen genomen en ook landelijk door het Ministerie van Asiel en Migratie. Zo wordt budget vrijgemaakt en wordt de mogelijkheid van het inzetten van boa’s of straattoezichtteams verkend, evenals de mogelijkheid om schade te verhalen voor ondernemers en bewoners. Daarnaast wordt landelijk ingezet op de nationale aanpak om overlastgevend en crimineel gedrag tegen te gaan, langs de pijlers: sneller beslissen in de asielprocedure, maatwerk in de opvang, lik-op-stuk in de openbare ruimte en inzetten op terugkeer. Zie hiervoor ook de brief2 met informatie over deze aanpak.
Wat gaat u doen om de overlast en criminaliteit door asielzoekers in het centrum van Emmen per direct aan te pakken en in te dammen?
Zie het antwoord vraag 2 en 12.
Bent u bereid om, indien gewenst door en in samenwerking met de gemeente Emmen, vanuit het Rijk te zorgen voor extra handhaving in dit gebied? Zo nee, waarom niet?
Ja, zie het antwoord op vraag 2 en 12.
De pendelbus en de aanhoudende onveiligheid op de reguliere buslijnen naar Ter Apel. |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat door een woordvoerder van u in aanvulling op uw brief van 19 december is aangegeven dat het «nog een paar dagen» kan duren voordat geregeld is dat er weer betaald moet worden voor de pendelbus?1 Vanaf wanneer gaat er weer betaald worden en waarom moet dit zo lang duren?
Op 19 december 2025 is de tijdelijke opschorting van de kaartverkoop opgeheven. De Kamer is daarover per brief geïnformeerd2. Op 22 december 2025 is door de gemeente gemeld dat de verkoop van buskaarten op 30 december 2025 zou worden hervat. In reactie op vragen van journalisten is diezelfde dag toegelicht dat de gemeente, mede vanwege de kerstperiode, extra tijd nodig had om de kaartverkoop organisatorisch en logistiek te herstarten. De hervatting vond op 30 december 2025 plaats.
Bent u ervan op de hoogte dat de onvrede en zorgen over de veiligheidssituatie onder chauffeurs op de reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen (met name de lijnen 72, 73) inmiddels dermate zijn opgelopen dat zij voornemens zijn de halte(s) nabij het asielzoekerscentrum (azc) over te slaan indien de afspraken over het in 2022 afgesloten veiligheidsconvenant tussen het ministerie, Qbuzz, vakbond FNV en de provincies Drenthe en Groningen niet worden nageleefd? Wat is uw reactie hierop?
De onvrede en zorgen over de veiligheidssituatie onder chauffeurs op reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen, zijn bekend. Om die reden is in 2019 gestart met de pendelbus, met als doel de overlast op de reguliere buslijnen tussen Emmen en Ter Apel te verminderen. Het is van belang dat de gemaakte afspraken uit het convenant worden nageleefd en buschauffeurs veilig hun werk kunnen doen.
Bent u ermee bekend dat de FNV vandaag opnieuw de noodklok luidt richting vervoerder Qbuzz en u over het niet nakomen van de afspraken in dit convenant, met name het gebrek aan toezichthouders op station Emmen en bij de haltes van de lijnen 72 en 73 en het gebrek aan directe communicatie tussen deze toezichthouders en de chauffeurs? Wat is uw reactie hierop?
Ja, de signalen vanuit de FNV en de zorgen van de chauffeurs zij bekend. Tijdens het werkbezoek aan het asielzoekerscentrum en het centrum van Ter Apel, op 15 december jl., en tijdens eerdere gesprekken, zijn verschillende afspraken gemaakt die betrekking hebben op de veiligheid. Zo is met de gemeente Emmen de afspraak gemaakt om te verkennen wat de mogelijkheden zijn voor de inzet van boa’s uit de flexpool boa in Nieuw-Weerdinge, het stationsgebied en in het centrum van Emmen. Zie hiervoor ook de brief3 waarin uw Kamer wordt geïnformeerd. In alle gesprekken staat de veiligheid van chauffeurs en de onderlinge communicatie centraal.
Bent u er tevens van op de hoogte dat de FNV aangeeft al maanden aandacht te vragen voor de toegenomen overlast en verslechterde veiligheidssituatie op deze lijnen maar dat dit tot op heden niet tot verbetering heeft geleid?
Ja. De herhaalde signalen van de FNV over toegenomen overlast en een verslechterde veiligheidssituatie zijn bekend. Naar aanleiding van de zorgen van buschauffeurs vinden gesprekken plaats tussen FNV en Qbuzz. Deze signalen worden ook meegenomen in het overleg met de betrokken overheden. In dit kader worden maatregelen getroffen en voorbereid om de veiligheid op de reguliere lijnen te verbeteren.
Wat heeft u dit jaar ondernomen om de veiligheidssituatie te verbeteren op de reguliere buslijnen in Ter Apel?
Om de overlast en veiligheidssituatie te verbeteren zijn verschillende afspraken gemaakt4 tijdens het werkbezoek 15 december jl. Zo worden asielzoekers met een kansarme aanvraag over meerdere locaties verdeeld en worden meer vreemdelingrechtelijke maatregelen mogelijk voor de groep die voor overlast zorgt. Daarnaast worden er gesprekken gevoerd over de inzet van AVIM in Ter Apel. Daarnaast wordt met de gemeente Emmen verkend wat de mogelijkheden zijn voor het inzetten van boa’s uit de flexpool boa. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 3.
Hoeveel incidenten hebben zich dit jaar voorgedaan op reguliere buslijnen die Ter Apel aandoen en hoe verhoudt dit aantal zich tot dat van voorgaande jaren waarin het convenant van kracht was?
Uit de registratie van Qbuzz volgt dat van 1 januari 2025 tot en met 12 oktober 2025 181 incidenten zijn geregistreerd op buslijn 73. Ten opzichte van 2024 is dit aantal hoger.
Deelt u de mening dat het in 2022 gesloten convenant momenteel onvoldoende wordt nageleefd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar stokt het, wie is hiervoor verantwoordelijk en wat gaat u eraan doen om dit recht te zetten?
Het is betreurenswaardig dat het veiligheidsconvenant niet volledig de gewenste zekerheid biedt. Zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3 en 4, worden mitigerende maatregelen genomen die zullen bijdragen aan de veiligheid van chauffeurs.
Welke partijen zijn verantwoordelijk voor het naleven van het convenant en wie kunnen hier door chauffeurs op worden aangesproken?
De betrokken verantwoordelijke partijen voor het naleven van het convenant zijn Qbuzz, vakbond FNV, de provincies Drenthe en Groningen en het Ministerie van Asiel en Migratie. Chauffeurs kunnen zich primair wenden tot hun werkgever en, indien van toepassing, hun vakbond. Signalen die zij aandragen worden meegenomen in overleggen met provincies, de gemeente Westerwolde en het Ministerie van Asiel en Migratie.
Deelt u de mening dat het totaal onaanvaardbaar is dat buschauffeurs en medereizigers op de buslijnen door Ter Apel na al die jaren nog steeds, en weer in toenemende mate, te maken hebben met overlast en agressie door een groep kansloze asielzoekers?
Het is onacceptabel dat buschauffeurs en reizigers te maken hebben met overlast op buslijnen richting Ter Apel. Alle betrokken partijen nemen deze signalen serieus en treffen mitigerende maatregelen om de veiligheid te verbeteren.
Welke maatregelen gaat u per direct treffen om deze wantoestanden keihard de kop in te drukken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u, naast zorgen voor voldoende toezichthouders op station Emmen en de haltes in Ter Apel, bereid om per direct (particuliere) beveiligers op zowel de pendelbus als de reguliere buslijnen te laten meereizen en hiervoor indien nodig als Minister de portemonnee te trekken? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment lopen gesprekken met betrokken partijen over de aanpak van overlast. Hierbij wordt ook de mogelijkheid van de inzet van extra beveiligers als mogelijke maatregel betrokken.