Het bericht ’Verbazing over ‘nep-beveiligers’ tijdens pro-Palestina demonstratie’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Verbazing over «nep-beveiligers» tijdens pro-Palestina demonstratie»?1
Ja.
Bent u bekend met het fenomeen van een particuliere «ordedienst» zoals de Protest Alliance Watch (PAW)?
Voor een ordentelijk verloop kan het wenselijk zijn dat de organisatoren van een demonstratie vooraf contact hebben met de gemeente om door te spreken wat de bedoeling is, zodat de gemeente en politie zich daarop kunnen voorbereiden. In dat overleg kunnen ook afspraken worden gemaakt en contactpersonen worden uitgewisseld.
De burgemeester van Leiden heeft in de gemeenteraad laten weten dat de aanwezigheid van personen die binnen de groep enigszins de orde bewaren geen probleem is, mits zij anderen niet belemmeren.2 Een dergelijke groep is dan ook niet ongebruikelijk. Het is aan het lokaal gezag om te beoordelen of een demonstratie plaats kan vinden en hoe deze plaats kan vinden.
Is deze ordedienst te bestempelen als een weerkorps? Is gehandeld in strijd met de Wet op de weerkorpsen?
Het oordeel of bepaald handelen valt onder een strafrechtelijk delict en het oordeel of bepaald handelen nader onderzocht dient te worden is voorbehouden aan het Openbaar Ministier en uiteindelijk aan de rechter. Datzelfde geldt voor de vraag of PAW in strijd heeft gehandeld met het in de Wet op de weerkorpsen neergelegde verbod. Ik treed niet in deze beoordeling.
Welke rechtsvorm heeft PAW? Wie heeft de leiding heeft over PAW?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst en bij de Kamer van Koophandel zijn geen instellingen vermeld met de naam Protest Alliance Watch (hierna: PAW). PAW betreft een initiatief van Stichting Muslim Rights Watch Nederland.3 MRWN wordt wel vermeld in het ANBI-register op de website van de Belastingdienst, evenals de begindatum van de ANBI-status van deze stichting.
Is bij u bekend in welke landen een vorm van een PAW actief is? Is de werkwijze daar vergelijkbaar?
Nee, dat is mij niet bekend.
Bent u bereid om nader onderzoek te doen naar PAW en de resultaten van dat onderzoek met de Kamer te delen?
Zie antwoord vraag 3.
Is bij u bekend of de PAW op 7 oktober jongstleden op ieder station waar gedemonstreerd werd aanwezig was? Klopt het dat zij in ieder geval op Leiden Centraal waren? Kunt u aangeven waarom de politie hen niet weggestuurd heeft?
Het is mij niet bekend of PAW op 7 oktober ook bij andere demonstraties aanwezig is geweest. De burgemeester van Leiden heeft in de gemeenteraad laten weten dat de demonstratie is gefaciliteerd met toezicht vanuit de politie en dat de politie vanaf het begin van de demonstratie aanwezig was. De politie heeft laten weten niet te hebben waargenomen dat mensen gedwongen zijn verwijderd. Omdat de aanwezigheid van personen die binnen de groep enigszins de orde bewaren geen probleem is, was er geen aanleiding om deze personen weg te sturen.
Kunt u bevestigen dat de PAW geen bevoegdheden heeft? Kunt u voorts bevestigen dat de politie op geen enkele manier samenwerkt of heeft samengewerkt met PAW?
Ik kan bevestigen dat PAW geen bevoegdheden heeft en ook dat de politie niet samenwerkt met PAW. De overheid is primair verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde. Het staat iedereen vrij om gebruik te maken van het demonstratierecht. Wel is het belangrijk dat dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en dat zulks nooit een belemmering mag vormen voor het handhaven van de openbare orde door de politie onder gezag van de burgemeester. Daarnaast benadruk ik dat de belemmering van derden door deelnemers aan een demonstratie, inclusief deelnemers die de taak op zich nemen om de orde te bewaren binnen de groep, een strafbaar feit kan opleveren. Als de rechten van demonstranten door derden worden belemmerd, is het aan de politie om daartegen op te treden.
Waar kan een burger terecht met een klacht over het gedrag van PAW?
De lokale driehoek is verantwoordelijk voor de veiligheid rond demonstraties en acties waarbij de wet wordt overtreden.
Deelt u de mening dat het (oogluikend) toestaan van een dergelijke «ordedienst» bijdraagt aan het verspreiden van onverdraagzaam en anti-integratief gedachtegoed en een directe bedreiging voor onze democratische rechtsstaat is?
Zie antwoord vraag 7.
Wat is de (strafrechtelijke) consequentie voor deelname aan of het lidmaatschap van PAW?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat een organisatie als PAW wordt geweerd uit onze straten?
Zoals blijkt uit bovenstaande antwoorden, is het niet verboden om dergelijke groepen in te zetten tijdens demonstraties. Zoals ook benadrukt in het antwoord op vraag 8, neemt dat niet weg dat de belemmering van derden door deelnemers aan een demonstratie, inclusief deelnemers die de taak op zich nemen om de orde te bewaren binnen de groep, een strafbaar feit kan opleveren. Als de rechten van demonstranten door derden worden belemmerd, is het aan de politie om daartegen op te treden.
Meer in zijn algemeenheid kan ik uw Kamer meegeven dat de veiligheidsconsequenties voor de Joodse gemeenschap bij sit-ins op NS stations een van de onderwerpen is die de Taskforce Bestrijding Antisemitisme ter hand neemt, zoals aangekondigd in de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.4
Kunt u bevestigen dat er vanuit de rijksoverheid geen subsidies worden verstrekt aan PAW of aan PAW gelieerde organisaties?
Vanuit mijn departement zijn er geen subsidies verstrekt aan PAW dan wel aan Muslim Rights Watch Nederland. Ik heb alleen zicht op subsidies verstrekt vanuit mijn departement.
Kunt u bevestigen dat PAW of een aan PAW gelieerde organisatie geen ANBI-status heeft?
Zie antwoord vraag 4.
Winkelverboden aan criminele overlastgevende asielzoekers |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister ) , Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() |
Hoeveel winkelverboden zijn er de afgelopen jaren opgelegd vanaf 2020?
In onderstaande tabel staan de aantallen van zowel de individuele winkelverboden als de collectieve winkelverboden. Onderstaande cijfers zijn afkomstig uit de registratie collectieve winkelverboden van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Deze cijfers geven geen compleet beeld van het aantal individuele winkelverboden, omdat hier geen landelijke registratie voor wordt bijgehouden. Het betreft hier het aantal individuele winkelverboden dat is opgelegd in winkelgebieden die zijn aangesloten bij de systematiek voor het collectief winkelverbod. Bij een collectief winkelverbod wordt een persoon toegang ontzegd tot een winkelgebied met meerdere winkels.
310
160
420
150
660
230
950
270
980
250
Peildatum: 23 oktober 2024. De cijfers zijn afgerond op tientallen.
Klopt het dat ondernemers die gebruik willen maken van een winkelverbod voor criminele overlastgevende asielzoekers, dat winkelverbod zelf aan de asielzoeker moeten uitreiken?
Ja, (collectieve) winkelverboden moeten door de ondernemer in persoon aan de verdachte worden uitgereikt. Het winkelverbod wordt in drievoud opgemaakt, waarvan één exemplaar wordt uitgereikt aan de verdachte, één exemplaar naar de politie wordt verstuurd en één exemplaar bedoeld is voor de eigen administratie.
Als de verdachte meewerkt, volstaat deze afhandeling. Als de verdachte niet meewerkt, is het van belang dat de ondernemer aangifte doet waarbij ondersteuning van de politie is vereist om bijvoorbeeld de NAW-gegevens van verdachte te controleren.
Klopt het dat ondernemers sinds kort ook worden verplicht om alle winkelverboden die ze willen opleggen niet alleen zelf moeten uitreiken, maar ook worden verplicht vertalingen aan te bieden in het Engels, Arabisch, Russisch en/of een aantal andere talen, omdat de asielzoeker anders het winkelverbod niet zou kunnen begrijpen en het winkelverbod daardoor juridisch mogelijk geen stand zou houden?
Er bestaat geen wettelijke bepaling die verplicht tot het uitreiken van een winkelverbod in de (moeder)taal van de betrokkene/verdachte. Een vereiste waar de rechter wel aan toetst is dat het bij betrokkene/verdachte kenbaar is geweest dat hij geen toestemming had voor toegang tot de winkel, zo blijkt uit jurisprudentie.
De politie raadt aan om een afschrift van het winkelverbod naar het plaatselijke politiebureau te versturen. Als een strafdossier namelijk geen ontvangstbewijs noch enig ander bewijsmiddel zit waaruit blijkt dat het winkelverbod betrokkene/verdachte heeft bereikt, dan zal de rechter hoogstwaarschijnlijk overgaan tot vrijspraak. Maar zoals gezegd is hier niet expliciet een verplichting tot vertaling van het winkelverbod in de taal van betrokkene aan gekoppeld.
Op het moment dat er strafbare feiten worden gepleegd, of als er aangifte wordt gedaan van lokaalvredebreuk vanwege overtreding van het uitgereikte winkelverbod, dan heeft iemand wel het recht om kennis te nemen van hetgeen hem wordt aangerekend (denk aan tolk of tolkentelefoon bij politieverhoor, of vertaling van dagvaarding).
Met de inwerkingtreding per 1 oktober 2013 van de Wet tot implementatie van richtlijn 2010/64/EU betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures is namelijk ook de bijstand van tolken en vertalers in de opsporingsfase wettelijk geregeld. Een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt bij het politieverhoor bijgestaan door een tolk; zie hiervoor de Aanwijzing bijstand van tolken en vertalers in de opsporing en vervolging van strafbare feiten.
Als er wordt gewerkt met de systematiek van de Collectieve Winkelontzeggingen conform het modelprotocol van het CCV, dan is de ondernemer verplicht de formulieren te gebruiken die ten behoeve hiervan zijn ontwikkeld. Deze zijn door de Autoriteit Persoonsgegevens beoordeeld en goedgekeurd. Op de achterzijde van de formulieren voor het opleggen van een winkelverbod die worden verstrekt, staat in meerdere talen vermeld wat de aanzegging inhoudt.
Kunt u bevestigen dat het Openbaar Ministerie (OM) en de politie juist zoveel mogelijk hun best moeten doen om de drempel om aangifte te doen te verlagen, bij winkeldiefstal en bij overtreden van winkelverboden? Zo ja, hoe wordt dat in de praktijk gebracht?
De politie werkt doorlopend aan het verbeteren en verduidelijken van de mogelijkheden voor burgers en bedrijven om contact op te nemen met politie. Op die manier wordt de contactbereidheid van burgers en bedrijven bevorderd, ook voor het doen van aangifte. Zo wordt de voorziening voor bedrijven om online aangifte te doen doorontwikkeld en is binnen de nieuw ontwikkelde politie-applicatie RAPP (Registratieve Applicatie Politie Processen) een mogelijkheid gemaakt om met een paar klikken ter plaatse een aangifte terzake winkeldiefstal op te maken.
Klopt het dat een aantal opgelegde winkelverboden niet rechtsgeldig zijn omdat het volgens het OM onduidelijk zou zijn of de criminele overlastgevende asielzoeker de inhoud van het winkelverbod begrijpt?
De rechtsgeldigheid van het winkelverbod wordt beheerst door het civiele recht. Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het overtreden van een winkelverbod is onder meer vereist dat de verdachte bekend is met de wederrechtelijkheid van zijn gedraging. Voor alle verdachten geldt dan ook dat een winkelverbod moet zijn uitgereikt dan wel – indien een verdachte weigert het verbod in ontvangst te nemen – dat de betekenis daarvan is uitgelegd op een voor de verdachte begrijpelijke wijze. Indien dit niet duidelijk blijkt uit het strafdossier, volgt vrijspraak. Dit laat de rechtsgeldigheid van het winkelverbod op grond van het civiel recht onverlet.
Welke maatregelen treft u nog meer in het kader van de aanpak voor overlastgevende asielzoekers om de aangiftebereidheid van winkeliers en omwonenden te verhogen?
Het is van belang dat er van strafbare feiten, zoals diefstal, geweld (verbaal of fysiek) of bedreiging, altijd aangifte wordt gedaan door het slachtoffer. In de ketensamenwerking is dit een permanent aandachtspunt, dat ook actief wordt uitgedragen door de ketenmariniers en de ketenorganisaties. Alleen als er aangifte wordt gedaan van strafbare feiten, kan er een dossier worden opgebouwd en kan er een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld hetgeen kan leiden tot een veroordeling. Het opbouwen van (strafrechtelijke) dossier is van belang omdat dit gevolgen kan hebben voor de strafvervolging en de afhandeling van de asielaanvraag. Zo kan uit het dossier blijken dat een asielzoeker veelvuldig wordt verdacht van veelvoorkomende criminaliteit als (winkel)diefstal, vernieling of zakkenrollerij of daarvoor reeds is veroordeeld. Dit is van belang voor de strafrechtelijke aanpak door het Openbaar Ministerie.
Wanneer er geen sprake is van een strafbaar feit, maar wel van overlastgevend gedrag, is het alsnog van belang dit te melden bij de politie. De politie registreert bij meldingen een incident. Deze informatie kan bruikbaar zijn voor een nieuwe zaak.
Bent u het met de stelling eens dat in de «Toolbox aanpak overlastgevende en/of criminele asielzoekers» kan worden geëxpliciteerd dat winkeliers niet zelf verantwoordelijk zijn om een aantal vertalingen aan te bieden bij het uitreiken van een winkelverbod aan een overlastgevende asielzoeker? Zo ja, hoe en wanneer gaat u dit regelen? Zo nee, waarom niet?
Om gemeentes op weg te helpen in een lokale aanpak, is in de Toolbox1 een groot aantal maatregelen verzameld die gemeenten in kunnen zetten. In de huidige Toolbox wordt benoemd dat ondernemers een (collectief) winkelverbod kunnen invoeren. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) kan ondernemers hierbij ondersteunen. In de Toolbox wordt daarom verwezen naar de protocollen van het CVV. Deze verwijzing volstaat en het is daarom niet noodzakelijk om de tekst in de Toolbox aan te passen. De inhoud van de protocollen waarnaar wordt verwezen, kan indien nodig door het CCV worden aangepast of gespecificeerd.
Welke informatie is er nu exact vrijgekomen als gevolg van het datalek?1
Er is een politieaccount gehackt. Daarbij zijn de werkgerelateerde contactgegevens van alle politiemedewerkers buitgemaakt, de zogenoemde global address list met daarin de outlook-visitekaartjes. Het betreft in enkele gevallen privé(contact)gegevens die personen met een politieaccount zelf in hun visitekaartje hebben gezet. Het kan bijvoorbeeld gaan om privételefoonnummers en vermoedelijk ook om (profiel)foto’s. Ook zijn de e-mailadressen van een aantal ketenpartners buitgemaakt. Er zijn op dit moment nog altijd geen aanwijzingen dat er naast de gegevens uit de global address list nog andere gegevens zijn buitgemaakt.
Hoeveel meldingen zijn er inmiddels gekomen bij het meldpunt?
Sinds het openen van het meldpunt op zaterdag 28 september tot en met vrijdag 25 oktober zijn 1.639 vragen bij het meldpunt binnengekomen.
Wanneer was de korpsleiding op de hoogte van het datalek en waarom is pas in het weekend een mail gestuurd aan alle medewerkers?
In het belang van de lopende onderzoeken kan ik daar geen uitspraken over doen.
Er is op vrijdag 27 september een bericht op intranet geplaatst en korte tijd later ook extern op de politie website. Op zaterdag 28 september heeft de korpschef alle medewerkers per e-mail geïnformeerd. In een poging iedereen zorgvuldig te informeren via de gebruikelijke lijn(en), ging het nieuws sneller dan verwacht. Een deel van de politiemedewerkers moest het nieuws via de media horen. De korpschef betreurt dit.
Wanneer was u op de hoogte van het datalek?
Zoals ik u in mijn brief van 27 september jl.2 heb laten weten, heeft de korpschef mij op 26 september jl. geïnformeerd.
Is bekend op welke wijze iemand een politieaccount heeft binnengedrongen?
De politie doet momenteel onderzoek naar de aard, omvang en gevolgen van het cyberincident. Het Team High Tech Crime van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies doet onderzoek naar de toedracht en de daders.
Uit het onderzoek van Team High Tech Crime is inmiddels gebleken dat de daders vermoedelijk gebruik hebben gemaakt van een zogenoemde pass-the-cookie-aanval. Het doel van zo’n aanval is om toegang te krijgen tot het account of de applicatie van een gebruiker zonder dat inloggen met een wachtwoord opnieuw vereist is. Bij een succesvolle pass-the-cookie-aanval wordt een actieve sessie van een account overgenomen met de bijbehorende rechten.
Het verkrijgen van toegang kan op verschillende manier gebeurd zijn, bijvoorbeeld door phishing. Na een succesvolle aanval kan malware worden geïnstalleerd, die data, zoals cookies, doorstuurt naar de hacker.
Ik kan op dit moment geen nadere uitspraken doen over dit onderzoek.
Was de hack mogelijk vanwege nalatigheid van een beheerder van het betreffende politieaccount, vanwege een fout in het systeem of allebei?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er verdere conclusies naar aanleiding van het onderzoek van de politie naar de oorzaak en de impact? Zo nee, wanneer worden deze verwacht?
Zie antwoord vraag 5.
Wat zijn de risico’s voor de individuele agent?
De politie heeft op dit moment geen aanwijzingen voor concrete dreigingen tegen politiemedewerkers of hun familie.
De politie heeft meteen maatregelen getroffen nadat zij was geïnformeerd door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De maatregelen die worden getroffen, zijn afgestemd op het huidige beeld, namelijk dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten het zeer waarschijnlijk achten dat een statelijke actor verantwoordelijk is voor het cyberincident bij de politie en dat de daders vermoedelijk gebruik hebben gemaakt van een zogenoemde pass-the-cookie-aanval.
Het betreft onder meer ICT-maatregelen en maatregelen op het vlak van bewustwording, bijvoorbeeld een oproep tot extra waakzaamheid van politiemedewerkers op phishingmails en verdachte telefoontjes en berichten. Tevens monitort de politie of de buitgemaakte gegevens elders verschijnen. Tot slot blijft de politie alert op mogelijk nieuwe aanvallen. Daartoe monitort de politie haar systemen continu.
Welke maatregelen worden genomen om de risico’s te ondervangen?
Zie antwoord vraag 8.
Wat betekent dit datalek voor de familie van de agenten en welke maatregelen worden genomen om ook directe gezinsleden veiligheid te bieden?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe worden agenten meegenomen en geüpdatet tijdens het onderzoek?
Politiemedewerkers worden op diverse manieren van het cyberincident op de hoogte gehouden. Op 27 september zijn medewerkers geïnformeerd via het intranet van de politie. Op 28 september, 2 oktober en 9 oktober heeft de korpschef een e-mail naar alle medewerkers gestuurd over de actuele situatie. Medewerkers worden via intranet ook gelijktijdig met deze berichtgeving aan uw Kamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken.
Ook is op het politie-intranet een themapagina met informatie over het cyberincident ingericht. Tot slot kunnen medewerkers met zorgen en vragen terecht bij hun leidinggevende en is er een speciaal meldpunt ingericht.
In de Kamerbrief van 27 september jl. (Kamerstuk 29 628, nr. 1221) staat dat aanvullende maatregelen getroffen worden als blijkt dat deze nodig zijn, maar betekent dat dat er al maatregelen genomen zijn en zo ja, welke zijn dit?
Zie het antwoord op de vragen 8 t/m 10.
Zijn ook agenten die undercover werken, bij de Mobiele Eenheid of op een andere wijze verhoogd risico lopen bij het openbaar maken van hun gegevens betrokken bij dit lek en wordt er direct actie ondernomen om te voorkomen dat zij gevaar lopen of hinder ondervinden in het uitoefenen van hun functie?
De werkgerelateerde gegevens van undercoveragenten zijn afgeschermd en zijn derhalve niet opgenomen in de global address listvan outlook. Deze gegevens zijn dus niet buitgemaakt.
De werkgerelateerde outlook-gegevens van alle andere politiemedewerkers zijn wel buitgemaakt, bijvoorbeeld van politiemedewerkers die werkzaam zijn bij de Mobiele Eenheid.
Op basis waarvan baseerde de Minister-President zijn uitspraak dat hij ervan uitgaat dat «mensen geen gevaar lopen» terwijl het onderzoek naar de oorzaak en de impact van het lek nog lopende is?
Zie het antwoord op de vragen 8 t/m 10.
Blijkt dit statement dat mensen geen gevaar lopen naar aanleiding van het onderzoek ook te kloppen?
Zie antwoord vraag 14.
Welke acties lopen er om de dader van dit hack op te sporen?
Het OM is een strafrechtelijk onderzoek gestart, dat wordt uitgevoerd door het Team High Tech Crime van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies van de politie. Dit team doet onderzoek naar de toedracht en de daders van de hack. Ik kan op dit moment geen nadere uitspraken doen over dit onderzoek.
Wat is de reactie van de Autoriteit Persoonsgegevens op de melding van dit lek?
Zoals gemeld in mijn brief van 27 september 2024 heeft de politie melding gemaakt van het datalek bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP heeft in reactie daarop contact gezocht met de politie en gevraagd haar nader te informeren over de informatie die tot nu toe is verstrekt aan betrokkenen over het datalek.
Waarom is aan de Kamer in eerste instantie gemeld dat er alleen werkgerelateerde contactgegevens zijn buitgemaakt, terwijl op dat moment de impact van het lek nog niet goed bekend was en later bleek uit berichtgeving van de NOS dat het datalek ook incidenteel privégegevens van agenten betreft?
Ik hecht grote waarde aan het tijdig informeren van uw Kamer. Ik heb uw Kamer op de hoogte gesteld van nieuwe inzichten op 2 en 9 oktober jl., zo snel deze uit het onderzoek van de politie naar voren kwamen. Ook over de laatste stand van zaken heb ik uw Kamer, gelijktijdig met de beantwoording van deze vragen, geïnformeerd, zodra dit bekend was.
Zijn er daadwerkelijk ook privégegevens gestolen? Zo ja, hoe omvangrijk is dat precies?
Zie het antwoord op vraag 1.
Zijn naar aanleiding van dit nieuwe bericht aanvullende maatregelen getroffen?
Zie het antwoord op de vragen 8 t/m 10.
Bestaat het risico dat er meer privégegevens achterhaald kunnen worden indien de gestolen gegevens door hackers kunnen worden gekoppeld aan elders gelekte gegevens?
Het is theoretisch mogelijk dat de actor achter de hack de buitgemaakte informatie koppelt aan openbaar te vinden privégegevens. Daarvoor zijn op dit moment geen aanwijzingen.
Waarom is ervoor gekozen om het systeem zo in te richten dat vanuit één account de contactgegevens van alle agenten makkelijk ingezien kunnen worden en is daarbij rekening gehouden met het risico op een datalek?
Zie het antwoord op de vragen 5 t/m 7.
Zijn er meer systemen binnen de overheid, en met name bij de veiligheidsdiensten, de rechtspraak en het Openbaar Ministerie, die op een manier werken waarbij één account met een lage drempel een grote hoeveelheid vertrouwelijke contactgegevens kan inzien?
Het delen van contactgegevens tussen collega’s in outlook is noodzakelijk om samenwerking te faciliteren en ten behoeve van de werking van systemen, zoals mailsystemen.
Binnen de Rijksoverheid wordt ook de Rijksadresgids gebruikt. De Rijksadresgids bevat, zoals bij de meeste organisaties ook in outlook het geval is, standaard alleen de naam en e-mailadres van de betrokken collega’s.
Welke maatregelen worden genomen om in het vervolg binnen de overheid, en met name bij de veiligheidsdiensten, de rechtspraak en het Openbaar Ministerie, te voorkomen dat hackers zelfs bij het binnendringen van één politieaccount niet direct een hele lijst van contactgegevens van alle medewerkers kunnen bemachtigen?
Het is de verantwoordelijkheid van de organisaties zelf om op basis van risicomanagement de nodige preventieve maatregelen te nemen. Lijsten van contactgegevens in outlook zijn echter niet te voorkomen in een zakelijke omgeving, aangezien deze noodzakelijk zijn om samenwerking te faciliteren en ten behoeve van de werking van (mail)systemen. Wel zal worden bezien welke informatie daarin zichtbaar dient te zijn.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft partijen binnen de Rijksoverheid en vitale sectoren geïnformeerd over (generieke) maatregelen die naar aanleiding van dit incident kunnen worden getroffen.
Misbruik van deze gegevens kunnen met detectieve maatregelen ontdekt worden. Grote Rijksorganisaties hebben hiervoor een zogenaamde Security Operating Centers (SOC). Binnen de Rijksoverheid worden deze organisaties ondersteund o.a. door het programma Versterkt SOC Stelsel Rijk (VSSR).
Het hebben van een zeer volwassen SOC is evenwel geen garantie dat dergelijke zaken nooit kunnen gebeuren. Het is hierdoor ook van belang om blijvend te investeren in de digitale weerbaarheid van ICT-systemen, maar ook van medewerkers.
Politieagenten die Joodse objecten of evenementen niet meer willen beveiligen. |
|
Ingrid Michon (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met het interview «Je voelt je weleens een roepende in de woestijn»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er politieagenten zijn die Joodse objecten of evenementen kennelijk niet meer willen beveiligen?
De politie heeft mij laten weten dat er op dit moment geen gevallen bekend zijn van politiemedewerkers die niet zijn ingezet omdat zij hebben aangegeven geen Joodse objecten te willen beveiligen.
Iedereen in Nederland moet kunnen vertrouwen op de politie. Evenals de korpschef, heb ik geen begrip voor politiemedewerkers die geen Joodse objecten zouden willen bewaken. Daar is geen discussie over en die gaat er ook niet komen.
Wat doet dit volgens u met het veiligheidsgevoel van de Joodse gemeenschap, zeker in deze tijd waarin antisemitisme door het dak gaat?
Ik vind het vreselijk dat Joodse Nederlanders zich om begrijpelijke redenen zorgen maken over hun veiligheid. Ik kan het me voorstellen dat dergelijke berichten hieraan bijdragen. Signalen betreffende antisemitisme neem ik uiterst serieus.
Antisemitisme heeft geen plaats in onze samenleving en is onderwerp van zorg van het kabinet. Het kabinet werkt op dit moment aan een Nationale Strategie Antisemitismebestrijding die zo mogelijk voor de begrotingsbehandeling van JenV aan uw Kamer zal worden verzonden.
Is het volgens u aan een individuele politieagent om een dergelijke keuze te maken? Zo, ja/nee waarom?
Nee, van politiemedewerkers wordt verwacht dat zij een neutrale houding hebben en persoonlijke overtuigingen derhalve niet laten meewegen bij hun werkzaamheden.
Hoe past dit volgens u bij een neutrale politie en het vakmanschap «politie voor iedereen»?
Eventuele persoonlijke overtuigingen die zouden leiden tot het niet willen beveiligen van Joodse objecten of evenementen passen niet bij een neutrale politie en de kernwaarden van de politieorganisatie.
Welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de politie er daadwerkelijk voor iedereen is en dus ook voor de Joodse burgers van Nederland?
Het kabinet investeert in het bestendigen van de aanpak door de politie van alle vormen van discriminatie en racisme door het Expertisecentrum Aanpak Discriminatie Politie (ECAD-P) structureel te financieren en het programma Politie voor Iedereen voort te zetten. Onder andere het Joods politienetwerk speelt hier een rol in.
Kunt u bevestigen dat er voldoende politieagenten zijn die, indien daartoe aanleiding is op basis van een risico- en dreigingsanalyse, Joodse objecten, personen en evenementen willen beveiligen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Handel en diefstal van diamanten naar aanleiding van de podcast ‘De Diamantroof’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met de strafzaak Diamantroof Schiphol waarbij overvallers er op Schiphol met zakken vol diamanten ter waarde van bijna zeventig miljoen euro vandoor gingen?
Ja, met deze strafzaak ben ik bekend.
Heeft u enig inzicht in de omvang van dit soort criminaliteit in Nederland en omliggende landen? Acht u de huidige aanpak van deze vormen van criminaliteit voldoende om de georganiseerde misdaad op dit gebied te bestrijden?
Bij de politie en het OM wordt geregistreerd op delict, zoals witwassen of heling, en niet op een label zoals diamantroof. Dit maakt dat de omvang van dit soort criminaliteit in Nederland niet op een eenvoudige manier uit de systemen te halen is. De laatste grote zaak op het gebied van dit soort criminaliteit in Nederland was de overval op de Tefaf in Maastricht in juni 2022. Dit onderzoek loopt momenteel nog.
Diamantroof en de handel in gestolen diamanten zijn geen apart thema binnen de Nederlandse politie, maar kunnen uiteraard wel onderwerp zijn van onderzoek. Op Europees niveau werkt de politie ten aanzien van bestrijding van specifiek deze vorm van criminaliteit samen in het Empact Project Diamand, dat een vervolgtraject is op het Interpol project Pink Panthers. De politie acht voornoemde aanpak voldoende en heeft thans geen signalen dat de aanpak moet worden verbeterd. Ik zie dan ook geen aanleiding om nadere maatregelen te nemen voor de aanpak van deze criminaliteit.
In hoeverre wordt er bij de diamantindustrie in Nederland gebruikgemaakt van systemen voor het traceren van diamanten, zoals via blockchaintechnologie, om te voorkomen dat gestolen diamanten worden verhandeld?
Van de experts in de diamantbranche heb ik begrepen dat er geen blockchaintechnologie bestaat voor het traceren van gestolen diamanten. Blockchain is wel internationaal in opkomst in de diamantenindustrie, maar wordt dan specifiek ingezet om de handel in nieuwe geslepen diamanten in kaart te brengen. Zo is de herkomst van diamanten van belang om te voorkomen dat bijvoorbeeld Russische diamanten of zogeheten bloeddiamanten verhandeld worden. De diamantindustrie heeft op verzoek van de Verenigde Naties en samen met een aantal landen het Kimberley Process ontwikkeld. Dit certificeringssysteem moet de handel in conflictdiamanten bemoeilijken.
Informatie over gestolen diamanten wordt wel wereldwijd verstrekt bij alle diamantbeurzen. Op deze manier wordt de aandacht gevestigd op mogelijk gestolen diamanten. Een voorwaarde daarvoor is dat het om diamanten gaat die waardevol zijn en zodanig beschreven kunnen worden dat ze identificeerbaar zijn. De beschrijving omvat informatie over de 4 C’s (carat (gewicht), cut(slijpvorm en slijpkwaliteit), colour en clarity) en een eventueel certificaat. Er zijn wereldwijd enkele tientallen diamantbeurzen.
Kunt u aangeven of er een Nederlandse database bestaat waarin eerder geslepen/verhandelde diamanten met een bijbehorend certificaat staan geregistreerd?
In Nederland kan men diamanten laten onderzoeken en van een certificaat laten voorzien door het Nederlands Edelsteen Laboratorium. Daarnaast laten Nederlanders het onderzoek en de certificering ook wel verrichten door de Hoge Raad voor Diamant (HRD) in Antwerpen. Beide instanties houden een archief bij van de door hen opgestelde certificaten. Wereldwijd gebeurt dit ook bij andere certificerende instanties. Er is echter geen publiek toegankelijke database beschikbaar met eerder geslepen en verhandelde diamanten.
Individuele eigenaren van diamanten wordt geadviseerd de identificerende kenmerken goed te bewaren, bijvoorbeeld door gebruik te maken van de app Stop Heling. Deze app biedt naast het uitvoeren van een diefstalcheck de mogelijkheid om (waardevolle) eigendommen alleen voor jezelf vast te leggen. Na diefstal is dan meteen alle informatie bij de hand voor de aangifte. Indien een Nederlandse handelaar de gestolen diamant(en) verwerft en registreert in het Digitaal Opkopers Register (DOR) zijn ze voor de politie vervolgens snel traceerbaar.
Klopt het dat er in de diamantindustrie een gebrek is aan verplichte achtergrondchecks voor nieuwe klanten? Zo ja, deelt u de zorgen over de mogelijke risico's die dit met zich meebrengt voor het vergemakkelijken van het verhandelen van gestolen diamanten?
Ik zie op dit moment geen aanleiding om met extra voorstellen te komen om de risico’s op het verhandelen van gestolen diamanten verder te beperken, gelet op de maatregelen die reeds door de overheid zijn genomen.
Zo zijn er maatregelen genomen tegen heling – het kopen, bezitten of verkopen van ontvreemde goederen – waardoor het moeilijk wordt voor criminele handelaren om deze spullen te verkopen. Opkopers en handelaren in onder meer edelstenen zijn wettelijk verplicht een doorlopend en gewaarmerkt inkoopregister bij te houden. Hierin moeten zij onder meer vermelden: 1) de datum van verkrijgen van het product; 2) een zo specifiek mogelijke omschrijving van het product; 3) de prijs van het product; en 4) de naam en het adres van de aanbieder van het product. De politie en buitengewoon opsporingsambtenaren controleren of handelaren zich aan de registratieplicht houden. Als een handelaar dit niet doet, is hij strafbaar. Onder de registratieplicht vallen onder meer de handelaren in diamanten. Ook een consument is strafbaar als hij gestolen spullen koopt, bezit of verkoopt terwijl hij had kunnen bedenken dat ze gestolen zijn.
Daarnaast geldt de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) sinds 2008. In de Wwft zijn onder meer als poortwachter aangewezen: 1) bemiddelaars in de koop en verkoop van edelstenen, edele metalen, sieraden en juweliers en 2) alle handelaren voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat, ook wel bekend als toonbankinstellingen. De Wwft verplicht poortwachters om ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland). Verder dienen poortwachters cliëntenonderzoek te verrichten, waarbij poortwachters kijken of er sprake is of kan zijn van een witwasrisico. Als die risico’s niet duidelijk zijn, dient de poortwachter mitigerende maatregelen te nemen. Indien het risico niet mitigeerbaar is, mogen zij geen diensten leveren aan die klant. Op Europees niveau is de regelgeving onlangs aangescherpt op dit punt en is de grens van € 10.000 voor handelaren in edelstenen komen te vervallen, zij zullen dus ook voor transacties van onder dat bedrag cliëntenonderzoek moeten doen. Dit zogenoemde Europese anti-witwaspakket is dit jaar gepubliceerd en zal in juli 2027 in werking treden.1
Welke mogelijkheden ziet u om ervoor te zorgen dat diamantbedrijven verplicht worden om gedegen achtergrondchecks uit te voeren bij het aangaan van nieuwe klantrelaties?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om, in samenwerking met de diamantindustrie, te onderzoeken of er meer regelgeving noodzakelijk dan wel gewenst is om het omslijpen en verkopen van gestolen diamanten moeilijker te maken? Zo ja, op welke termijn kunnen we hier concrete voorstellen voor verwachten?
Zie antwoord vraag 5.
Ziet u een rol voor de Financial Intelligence Unit (FIU) of andere opsporingsdiensten in het verbeteren van de controle op transacties in de diamantsector, met het oog op het opsporen van criminele activiteiten?
De FIU heeft op dit moment al een rol in het kader van de Wwft. Poortwachters dienen namelijk ongebruikelijke transacties te melden bij de FIU-Nederland. De FIU-Nederland analyseert de meldingen van ongebruikelijke transacties en brengt transacties en geldstromen in kaart die in verband kunnen worden gebracht met witwassen en onderliggende delicten en het financieren van terrorisme. Als de FIU-Nederland een transactie na onderzoek verdacht verklaard, wordt deze ter beschikking gesteld aan de (bijzondere) opsporings-, inlichtingen-, en veiligheidsdiensten. Zij kunnen daarna verder onderzoek doen.
Daarnaast geldt dat het Bureau Toezicht Wwft, dat onderdeel is van de Belastingdienst, toezicht houdt op verschillende poortwachters waarop de Wwft van toepassing is, waaronder op: 1) bemiddelaars in de koop en verkoop van edelstenen, edele metalen, sieraden en juweliers en 2) alle handelaren voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van € 10.000 of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in een handeling of door middel van meer handelingen waartussen een verband bestaat, ook wel bekend als toonbankinstellingen. Het Bureau Toezicht Wwft voert risicogericht onderzoek uit om te beoordelen of deze doelgroepen de Wwft op de juiste wijze naleven.
Deelt u de mening dat het hier om een grensoverschrijdende vorm van criminaliteit gaat? Hoe werkt de Nederland samen met andere landen/ internationale partners om de handel in gestolen diamanten te bestrijden? Welke stappen zet u om deze samenwerking te verbeteren?
Ja, ik deel de mening dat de handel en diefstal van diamanten een grensoverschrijdende vorm van criminaliteit is. Voor het doorbreken van het criminele verdienmodel intensiveren we de samenwerking met landen waar crimineel vermogen wordt geïnvesteerd of witgewassen. Dat doen we door duurzaam te investeren in de strafrechtelijke samenwerking met relevante derde landen zoals de Verenigde Arabische Emiraten, Singapore, Marokko en Turkije, en ook door de inzet van Nederlandse verbindingsofficieren of liaison officers met financiële expertise. Ook benutten we waar mogelijk de invloed van de EU. Ten aanzien van specifiek deze vorm van criminaliteit geldt dat er een Europees netwerk is waarin de Nederlandse politie samenwerkt in de opsporing en informatiedeling. Zo werkt de politie samen in het Empact Project Diamond, dat een vervolgtraject is op het Interpol project Pink Panthers. Ik zie op dit moment geen aanleiding om extra stappen te zetten in de samenwerking met andere landen om de handel in gestolen diamanten te bestrijden.
Hoe beziet u het idee voor een internationale of Europese database waarin gecertificeerde diamanten geregistreerd staan en waartoe laboratoria toegang hebben om te controleren op gestolen diamanten?
Ik zie op dit moment geen aanleiding tot het inrichten van een internationale of Europese database voor gecertificeerde diamanten. Hiertoe verwijs ik allereerst naar de maatregelen zoals geschetst in de beantwoording van de vragen hierboven. Daarnaast geldt dat het inrichten van een internationale database tot aanzienlijke kosten en een sterke toename van de administratieve lasten van de betrokken bedrijven en overheidsinstanties leidt. Daar komt bij dat kwaadwillenden een database met gecertificeerde diamanten relatief eenvoudig kunnen omzeilen, doordat de eigenschappen van een diamant kunnen veranderen als deze wordt geslepen. Een gestolen gecertificeerde diamant kan na slijpen dus niet langer als zodanig worden geïdentificeerd.
Bent u bereid om in EU-verband of met gelijkgestemde landen het voortouw te nemen om afspraken te maken over het inrichten van een internationale of Europese database voor gecertificeerde diamanten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Het bericht 'Aanpak drugscriminelen Schiphol loopt vast op privacywetten: ‘Nadenken of criminelen wel zelfde rechten hebben'' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Aanpak drugscriminelen Schiphol loopt vast op privacywetten»?1
Ja.
Wat vindt u van de zorgen van de burgemeester van Haarlemmermeer dat relevante informatie over het voorkomen van georganiseerde criminaliteit waaronder signalen over corruptie niet kunnen worden gedeeld met relevante partijen?
Ik heb het signaal van burgemeester Schuurmans van Haarlemmermeer duidelijk gehoord. Ik onderschrijf het belang ten zeerste dat drugscriminelen die medewerkers op Schiphol ronselen of mensen die hun Schipholpas misbruiken om drugs te smokkelen, aan moeten worden gepakt. Bij deze aanpak is gegevensdeling een belangrijke randvoorwaarde. Daarom maakt de Taskforce gegevensdeling van het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenwerking met de partners op Schiphol een grondige analyse van de informatiepositie van deze partners. In de analyse wordt gekeken naar wat al mogelijk is op gebied van gegevensdeling en wordt vervolgens de meest effectieve oplossing gekozen om de informatiepositie van deze partners te verbeteren.
Heeft u deze signalen van andere burgemeesters gehoord?
In de samenwerking met de gemeentes wordt regelmatig gesproken over gegevensdeling en worden signalen gedeeld. Naar aanleiding van de motie van Michon-Derkzen c.s.2 uit 2022 zijn knelpunten geïnventariseerd (zie ook antwoord op vraag 7). De Taskforce gegevensdeling van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voert op dit moment, samen met verschillende partners waaronder de gemeente, een grondige analyse uit (zie ook antwoord op vraag 2 en 9).
Waar kunnen werkgevers op Schiphol terecht als zij een vermoeden hebben dat een werknemer niet zuiver is en niet over een Schipholpas zou moeten beschikken?
Wanneer een werkgever een vermoeden heeft van onzuiver handelen van een medewerker zijn er verschillende manieren waarop een werkgever hiervan melding kan maken.Zo kan bij een vermoeden van (ondermijnend) crimineel handelen een werkgever een melding maken bij Team Criminele Inlichtingen (TCI) van de KMar.Ook kan de werkgever aangifte doen bij de Politie/KMar.
Daarnaast kan de werkgever een melding maken bij de Schiphol Group. Schiphol Group kan besluiten om vervolgens een onderzoek in te stellen door de interne bedrijfsrecherche. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat inderdaad de Schipholpas wordt misbruikt en ingaat tegen het principe van «functionele noodzakelijkheid» – de grond waarop de Schipholpas is verstrekt – kan de Schipholpas worden ingetrokken. Op deze manier kan de pas niet meer misbruikt worden voor criminele handelingen. Ook ontvangt Schiphol een geautomatiseerde melding wanneer deze werknemer opnieuw een aanvraag doet van een nieuwe Schipholpas, bij (bijvoorbeeld) een andere werkgever. Hiermee wordt voorkomen dat crimineel handelen door dezelfde personen kan worden voortgezet bij een andere werkgever.
Aanvullend zet het programma Sterke Luchthaven zich in voor meer duidelijkheid over de meldroutes en brengt ondermijning en hoe deze signalen te herkennen aan het licht bij private en publieke partners op Schiphol. Eén van de uitwerkingen hiervan is het zogenaamde POCO-netwerk. Deze points of contact ondermijning bevinden zich in zowel private als publieke organisaties en zijn opgeleid als belangrijk aanspreekpunt over ondermijningsvraagstukken. Werkgevers kunnen ruggespraak met de POCO’s houden wanneer zij vermoedens hebben van misbruik van de Schipholpas door een werknemer.
Wanneer medewerkers een vermoeden willen melden kan er gebruik worden gemaakt van het meldpunt binnen de eigen organisatie. Ook kan de medewerker (anoniem) melden via de KMar, TCI of Meld Misdaad Anoniem.
Bent u bereid in overleg met het Openbaar Ministerie (OM) te bezien hoe signalen die bij het OM bekend zijn, eerder met werkgevers op Schiphol kunnen worden gedeeld?
Het is voor het OM onder bepaalde omstandigheden al mogelijk om informatie te verstrekken aan private partners zoals bedrijven die actief zijn op Schiphol. Hiervoor heeft het OM de Aanwijzing verstrekking strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden3 vastgesteld.
Daarbij vindt een zorgvuldige belangenafweging plaats tussen belangen van opsporing, het belang van de ontvanger en het belang van privacy.
Onder andere het OM, JenV en de werkgevers KLM en Schiphol hebben al langere tijd periodiek overleg over casuïstiek waarin gegevensdeling een rol speelt. Op deze manier wordt invulling gegeven aan het bespreekbaar maken van knelpunten die op Schiphol spelen. Ik zal dit punt daar ook inbrengen. In de halfjaarbrieven ondermijnende criminaliteit zal ik uw Kamer hierover informeren.
In hoeverre is het bevorderen van het uitwisselen van relevante informatie onderdeel van de rijksbrede corruptieaanpak zoals die is aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord?
Op dit moment wordt de aanpak corruptie en criminele inmenging uitgewerkt. Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Nu in het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet de aanpak van corruptie intensiveert door o.a. publieke en private partijen weerbaarder te maken, deelt u de mening dat dit alleen kan als deze partijen in staat worden gesteld relevante informatie snel met elkaar te kunnen uitwisselen?
De aanpak van corruptie door meer weerbaarheid te creëren binnen publieke en private partijen is een belangrijk onderdeel van het regeerprogramma en één van mijn speerpunten. Het delen van informatie is hierbij een belangrijk onderdeel, zeker als het gaat om relevante informatie in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Er zijn momenteel al verschillende mogelijkheden tot het delen van dergelijke informatie zoals bijvoorbeeld middels het Waarschuwingsregister Logistieke Sector. In dit register kunnen aangesloten organisaties nagaan of een sollicitant eerder via een andere werkgever betrokken is geweest bij een aangiftewaardig incident. Dit is gebaseerd op aangifte en ontslag en niet op veroordeling. Hierdoor kan snel gehandeld worden. Ook kan gedacht worden aan preventieve middelen tegen corruptie zoals een integriteitsverklaring voor nieuwe medewerkers.
De huidige mogelijkheden tot het delen van informatie zijn op dit moment niet altijd bekend of worden niet effectief benut. De focus van de aanpak ligt op deze bestaande mogelijkheden beter bekend maken. Middels de Taskforce gegevensdeling wordt in samenwerking met de partners bekeken op welke manier hier duidelijkheid over kan worden gecreëerd en waar de huidige mogelijkheden mogelijk niet volstaan. Voor verdere uitwerking van deze aanpak verwijs ik naar vraag 9.
Hoeveel extra geld maakt u vrij voor het bevorderen van informatiedeling bij het voorkomen van georganiseerde criminaliteit?
Een vast onderdeel van de begrotingen van de vijf individuele mainports is de pijler «informatiebeeld». Deze pijler is een verplicht onderdeel van de begrotingen van de mainports. Bij zowel het indienen van de plannen van de mainports als bij de verantwoording van de gelden kan gestuurd worden op de invulling hiervan. Binnen deze pijler wordt ook geld vrijgemaakt voor initiatieven om informatiedeling op de mainports te faciliteren. Zo is dit geld gebruikt voor bijvoorbeeld een juridische verkenning van publiek-private informatieuitwisseling op Schiphol en voor publiek-private samenwerking (PPS) – Information Sharing Centers op verschillende mainports.
De verdeling van het geld over de vier pijlers (informatiebeeld, barrières, weerbaarheid en TCOH) in de begrotingen verschillen per mainport en verschillen per jaar. Desalniettemin is deze pijler een verplicht onderdeel van de begrotingen waardoor er structureel geld beschikbaar wordt gesteld voor informatiedeling.
Vanaf 2025 wordt tevens de politiecapaciteit voor een aantal mainports uitgebreid waardoor het informatiebeeld wordt uitgebreid. Ook wordt geïnvesteerd in het overkoepelende beeld van de problematiek en de aanpak.
Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie-Michon-Derkzen c.s. (Kamerstuk 29 911, nr. 365) waarin wordt verzocht om bij de aanpak van de georganiseerde criminaliteit alle knelpunten met betrekking tot het delen van relevante informatie te geven?
Eerder is de Kamer geïnformeerd over de inventarisatie die is uitgevoerd naar aanleiding van de motie Michon-Derkzen c.s.4 De Taskforce gegevensdeling heeft twee geprioriteerde thema´s opgepakt, namelijk 1) vroegsignalering binnen de aanpak preventie met gezag en 2) informatiedeling binnen de mainportsaanpak. Op dit moment wordt met de betrokken partners geïnventariseerd op welke wijze de informatiepositie van deze partners duurzaam kan worden verbeterd. Bijvoorbeeld door middel van praktische handreikingen over wat binnen de huidige wetgeving kan, trainingen om de kennis te vergroten of, indien nodig, aanvullende wet- en regelgeving.
Welke concrete resultaten heeft de Justitie & Veiligheid-taskforce informatiedeling al opgeleverd bij vroegsignalering in de preventieve aanpak en gegevensdeling binnen de mainportsaanpak?
Op dit moment voert de Taskforce gegevensdeling gesprekken met diverse partners zoals de Douane, Schiphol en gemeenten. Er wordt een grondige analyse van de ervaren knelpunten uitgevoerd om toe te werken naar concrete oplossingen. Op dit moment worden de bevindingen uit de eerste gesprekken verzameld en geanalyseerd. Zoals aangekondigd in het commissiedebat op 4 september over Criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit, wordt de Kamer over de eerste bevindingen geïnformeerd via de volgende halfjaarbrief aanpak georganiseerde ondermijnende criminaliteit die eind van het jaar aan uw Kamer wordt gezonden.
Wat is de reden dat een deel van het geld dat is gereserveerd voor de mainportaanpak niet tot besteding is gekomen in 2024?
Over het jaar 2024 kunnen nog geen definitieve uitspraken over de bestedingen worden gedaan, omdat deze uitgaven nog lopen. Hierdoor heeft de besteding van mainportgelden dan ook geen vertraging opgelopen. Voorzien was dat de toekenning van mainportgelden in 2023 verstuurd zou worden, maar dit is niet gelukt omdat het proces van aanvragen en beoordelen langer heeft geduurd. Dit heeft alleen effect gehad op de stand van de verplichtingen en niet op de daadwerkelijke besteding van de middelen, die sowieso in 2024 zou plaatsvinden. Het betreft dus enkel een financieel administratieve correctie zodat de toekenning van de mainportgelden in 2024 kon plaatsvinden.
Is het mogelijk om een apart samenwerkingsverband voor Schiphol onder de Wet Gegevensverwerking Samenwerkingsverbanden te expliciteren via een algemene maatregel van bestuur? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om dit in gang te zetten?
Zoals toegelicht in de antwoorden op vraag 9 en 10, wordt momenteel gewerkt aan een analyse van de problematiek en oplossingsrichtingen om gegevensdeling tussen de partners op Schiphol te verbeteren. Op dit moment zijn er nog onvoldoende aanknopingspunten waaruit blijkt dat het expliciteren van een apart samenwerkingsverband voor Schiphol onder de WGS via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) bijdraagt aan het verbeteren van gegevensdeling. De praktijk wijst uit dat vaak sprake is van een mix van ervaren knelpunten, waarvan de oplossing niet op voorhand eenduidig is. In de analyse wordt daarom bekeken wat er mogelijk is en wordt de meest effectieve oplossing gekozen. Als uit de analyse blijkt dat wetgeving een noodzakelijke en effectieve oplossing is voor de ervaren knelpunten wordt dit vanzelfsprekend als optie bezien.
Het artikel 'Rijksmuseum kan niet open: demonstranten Extinction Rebellion blokkeren ingang' |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister ) , Eppo Bruins (minister ) (NSC) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Rijksmuseum kan niet open: demonstranten Extinction Rebellion blokkeren ingang»?1
Ja.
Onderschrijft u dat de mogelijkheid om het Rijksmuseum en andere culturele instellingen te bezoeken nooit mag worden gefrustreerd of geblokkeerd door demonstraties?
Demonstreren is een groot goed, maar moet plaatsvinden binnen de wettelijke kaders. De burgemeester is verantwoordelijk voor de openbare orde en kan voorwaarden stellen aan een demonstratie op basis van de Wet openbare manifestaties. Deze afweging vindt op lokaal niveau plaats. Wel merken de Minister van Justitie en Veiligheid en ik op dat wij het een onwenselijke ontwikkeling vinden dat instellingen zoals het Rijksmuseum zich soms genoodzaakt voelen (tijdelijk) te sluiten vanwege demonstraties. Hierdoor worden zowel de bezoekers als de financiële situatie van de instellingen geraakt.
In hoeverre kwalificeert u deze manifestatie als een vreedzame demonstratie en niet als een actie die moedwillig de openbare orde verstoort en hoe maakt u dat onderscheid?
Het is niet aan de Minister van Justitie en Veiligheid of mij om te beoordelen welk karakter een demonstratie heeft. De burgemeester is het bevoegde gezag dat afhankelijk van het verloop van een demonstratie en de vraag of daarbij wettelijke regels of voorschriften worden overtreden, kan besluiten om een demonstratie te beëindigen en maatregelen kan treffen met betrekking tot de openbare orde. Wanneer daar naar het oordeel van het Openbaar Ministerie aanleiding voor is, kan de officier van Justitie besluiten de politie te laten optreden in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde.
In de verzamelbrief demonstratierecht aan uw Kamer van 19 april 2024 is aangegeven dat in de gebeurtenissen van de afgelopen maanden aanleiding werd gezien om mogelijkheden te onderzoeken voor een versteviging van het handelingsperspectief van alle betrokkenen en voor de bestendigheid van het wettelijke kader. Dit onderzoek is uitgezet bij het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC). Het WODC zal in dit onderzoek in het bijzonder aandacht hebben voor twee typen situaties: 1) de categorie van ontwrichtende demonstraties en 2) de categorie van acties waarbij het demonstratierecht tegenover andere beschermingswaardige grondrechten komt te staan of de nationale veiligheid in het gedrang kan komen. Elk van deze twee categorieën kent een eigen problematiek en roept andere vragen op. Naar verwachting zal dat dit onderzoek in de zomer van 2025 afgerond zal worden. Het onderzoek van het WODC zal naar verwachting meer inzicht bieden in de handelingsmogelijkheden bij demonstraties zoals bijvoorbeeld de demonstratie van Extinction Rebellion bij het Rijksmuseum. De uitkomsten van het WODC-onderzoek en de reactie van het kabinet zal uiteraard in uw kamer besproken worden.
Zijn er bij deze demonstratie aanhoudingen verricht? Zo ja, op basis van welk artikel of welke artikelen is dat gebeurd?
Er zijn bij deze demonstratie 33 aanhoudingen verricht op grond van artikel 11 van de Wet openbare manifestaties. Eén persoon is geïdentificeerd.
Indien het antwoord op vraag 4 ja is, zijn de aangehouden personen allemaal geïdentificeerd?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel politiecapaciteit was gemoeid met het optreden bij deze actie?
Door de dynamiek van politieoptreden en vermenging met andere lokale werkzaamheden is niet goed mogelijk om precies aan te geven hoeveel politiecapaciteit bij een bepaalde demonstratie betrokken is.
Op basis van een ruwe schatting is door de politie aangegeven dat sprake is geweest van ongeveer 250 uur aan politie-inzet rondom deze demonstratie.
Voor een vollediger beeld van politie-inzet bij demonstraties verwijst de Minister van Justitie en Veiligheid uw Kamer naar de analyse handhaving openbare orde die als bijlage bij het Eerste Halfjaarbericht politie 2024 op 19 juni 2024 naar de Kamer is gestuurd.2
Heeft u contact gehad met het Rijksmuseum over deze demonstratie?
Ja.
Gaat het Rijksmuseum schade verhalen op de demonstranten die op 7 september 2024 de ingang hebben geblokkeerd voor haar bezoekers?
Het Rijksmuseum heeft de schade, waaronder de gederfde inkomsten door de blokkade van de ingang van het museum, in kaart gebracht. Dit overzicht is onderdeel van de aangifte, die het museum inmiddels heeft gedaan.
Indien het antwoord op vraag 8 ja is, kunt u daar dan bij helpen?
Erfgoedwetmusea zoals het Rijksmuseum zijn onafhankelijke privaatrechtelijke instellingen, die verantwoordelijk zijn voor het beheer en behoud van de rijkscollectie en de exploitatie van de museumorganisatie. Het is daarom aan het museum zelf om te bepalen welke stappen het zet.
Welke andere musea hebben voor Extinction Rebellion onwelgevallige sponsoren?
Musea voeren een zelfstandig sponsorbeleid. De Rijksoverheid heeft daarom geen overzicht van sponsoren van musea in algemene zin.
Hoe is de reactie van sponsoren van deze musea op de actie van 7 september jongstleden?
ING heeft in reactie op de actie van 7 september in de media aangegeven dat zij de actie te ver vinden gaan en dat Extinction Rebellion zich direct tot ING zou moeten richten.
Bent u het ermee eens dat het terugtrekken van sponsoren kan leiden tot verschaling van ons culturele aanbod?
De culturele sector kent een grote diversiteit aan financieringsbronnen, waarvan sponsoring er één is. Recent onderzoek van de Vrije Universiteit laat zien dat bedrijven jaarlijks ruim 150 miljoen euro via sponsoring in de culturele sector investeren.3 Terugtrekken van sponsoren zou direct een negatieve invloed hebben op de financiering van de culturele sector en daarmee op het culturele aanbod. Overheid, particulieren, bedrijfsleven en de sector zijn samen verantwoordelijk voor het in stand houden van ons culturele aanbod.
Het bericht 'Drugscriminelen in hele land actief met hypotheekfraude' |
|
Ingrid Michon (VVD), Aukje de Vries (VVD) |
|
David van Weel (minister ) , Eelco Heinen (minister ) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Drugscriminelen in hele land actief met hypotheekfraude» d.d. 2 september 2024? Wat is uw reactie op dit artikel?1
Ja. De reactie op dit artikel vindt u in de antwoorden op onderstaande vragen.
Herkent u het geschetste beeld dat drugscriminelen op grote schaal hypotheken afsluiten met vervalste papieren en vervolgens vooral arbeidsmigranten huisvesten?
De ministeries van Justitie en Veiligheid en Financiën hebben zich naar aanleiding van de signalen in de media door de politie nader laten informeren over wat de politie ziet op hypotheekfraude. Bij het antwoord op vraag 4 en 5 wordt nader ingegaan op wat de politie ziet. Daarnaast is ook gesproken met de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), het Verbond van Verzekeraars (VvV)2 en de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH)3. Uit deze gesprekken kwam naar voren dat deze partijen in hun praktijk regelmatig verschillende vormen van (pogingen tot) hypotheekfraude tegenkomen. De signalen vanuit de politie en de private partijen sluiten hier op elkaar aan. Het Openbaar Ministerie herkent het beeld dat de politie schetst. De acties die zullen worden ingezet naar aanleiding van de signalen worden benoemd in het antwoord op vraag 7.
Bij het Ministerie van VRO zijn er binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en ook bij Justitie en Veiligheid verontrustende signalen vanuit de gemeente Zaanstad over hypotheekfraude binnengekomen. Hierbij zetten criminelen op grote schaal Bulgaarse arbeidsmigranten in om, gebruikmakend van hypotheekfraude, woningen aan te kopen. Deze woningen worden vervolgens benut voor de verhuur van matrassen aan de groep Bulgaarse arbeidsmigranten. Dit leidt tot overbewoning en overlast, met name in het stadsdeel Zaandam-Oost, waar het woon-en leefklimaat al ernstig onder druk staat. Daarnaast bestaat het verdienmodel voor de criminelen naast hypotheekfraude uit de opbrengsten van de verhuur van matrassen in deze woningen. De gemeente Zaanstad treedt handhavend op tegen overlast en misstanden bij het huisvesten van arbeidsmigranten, op basis van de binnengekomen signalen. De Minister van VRO werkt in het kader van het NPLV aan een Rijksbrede aanpak – aanvullend op de lokale inzet in Zaanstad.
Welke signalen heeft u gekregen over grootschalige hypotheekfraude in het hele land? Heeft dit reeds tot actie geleid? Bent u bereid verder onderzoek hiernaar te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe werkt het witwassen via deze hypotheekfraude precies?
Hypotheekfraude is een vorm van fraude waarbij er onjuiste of misleidende informatie wordt verstrekt bij het aanvragen van een hypotheek. Dit kan op verschillende manieren gebeuren. De aanvrager verstrekt valse gegevens over zijn/haar inkomen, vermogen of schulden. Dit kan gebeuren door middel van bijvoorbeeld (door een intermediair) vervalste loonstrookjes, belastingaangiftes, bankafschriften of vervalsing jaarcijfers (in geval van inkomen uit een onderneming). Hierdoor lijkt het alsof de aanvrager een hogere hypotheek kan dragen dan in werkelijkheid mogelijk is. Met behulp van de ontvangen hypotheek kunnen deze personen een huis kopen. Het aflossen van de hypotheeklasten zelf kan ook gebeuren met crimineel en/of zwart geld.
Bent u het eens met de Amsterdamse politiechef dat het landelijke beeld «schrikbarend» is en kan aangegeven worden wat het beeld is?
De politie geeft aan dat de werkwijze, zoals geschetst in het antwoord op vraag 4, door het hele land gezien wordt. De politie schat in dat het landelijk gaat om ruim 8.000 woningen. We vinden dit zorgelijk. Dit signaal past ook bij het bekende beeld dat financieel gewin een belangrijke drijfveer is van criminelen, en dat ze daarvoor ons (financieel) systeem en (maatschappelijke) structuren misbruiken. Bij het antwoord op vraag 7 wordt ingegaan op de ingezette acties.
De VVD vindt het belangrijk dat verschillende vormen van fraude kunnen worden tegengegaan en drugscriminelen de pas afgesneden kunnen worden, welke aanpak is er op dit moment voor deze fraude?
Hypotheekfraude is een vorm van fraude, en is in de opzet vergelijkbaar met andere soorten fraude, waarbij het draait om het verstrekken van onjuiste of valse informatie om financieel voordeel te behalen. Fraude, waaronder hypotheekfraude, dient zo veel mogelijk te worden voorkomen en indien nodig en mogelijk te worden bestreden. Wanneer sprake is van een vermoeden van een strafbaar feit dan kunnen hypotheekverstrekkers of andere betrokken partijen aangifte doen bij de politie. De politie en het OM kunnen dan een strafrechtelijk onderzoek instellen.
Elke eenheid van de politie beschikt over een FinEc-team met daarin opgenomen financieel specialisten. Zij zijn de teams die de grootschalige hypotheekfraudes kunnen opsporen en aanpakken. In het kader van de aanpak van financieel-economische criminaliteit en ondermijning richt het strafrechtelijk onderzoek zich geregeld op vormen van horizontale fraude, zoals hypotheekfraude, verzekeringsfraude, vastgoedfraude en fraude met namaakartikelen. In de fraudemonitor van 2021 en 2022 zijn hierover cijfers gegeven. De volgende fraudemonitor ziet op de jaren 2023–2024 en ontvangt uw Kamer eind 2025. De politie voert ook bewustwordings- en stopgesprekken met onder andere aanbieders van hypothecair krediet of van specifieke producten zoals zakelijke verhuurhypotheken, om het bewustzijn onder deze groep van de risico’s van het financieren van ongewenste cliënten met betrekking tot fraude en witwassen te verhogen
Via het bij vraag 3 al toegelichte SFH kunnen hypotheekverstrekkers samenwerken bij fraudeonderzoeken, volgens het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen.
Tot slot geldt ook de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme voor hypotheekverstrekkers. Op grond hiervan dienen zij cliëntonderzoek uit te voeren, en in voorkomende gevallen melding te maken van ongebruikelijke transacties bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL.)
Banken herkennen het probleem en willen overleg over oplossingen, welke oplossingen zien de banken voor dit probleem? Welke oplossingen ziet u voor dit probleem?
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën hebben gesproken met de NVB, VvV en de SFH. Uit het gesprek kwam naar voren dat NVB, VvV en de SFH een check van het inkomen via de Belastingdienst zien als de enige effectieve oplossing voor het voorkomen van hypotheekfraude met inkomensgegevens. Bij het antwoord op vraag 8 wordt geschetst hoe aan dit signaal vervolg wordt gegeven.
Daarnaast hebben de NVB, VvV en SFH aangegeven ook andere oplossingen te zien om andere vormen van hypotheekfraude, bijvoorbeeld fraude met identiteitsgegevens, tegen te gaan, op basis van oudere pilots en initiatieven waar geen vervolg aan is gegeven. Hierbij valt te denken aan het delen van signalen vanuit de opsporing, de introductie van een centraal punt voor aangiftes voor hypotheekfraude en samenwerking met gemeenten. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid zal samen met de NVB, VvV en SFH, en waar relevant in overleg met het Ministerie van Financiën, deze mogelijkheden nader onderzoeken en beoordelen.
De Minister van Justitie en Veiligheid verkent momenteel hoe de verstrekking van politiegegevens aan partijen die op grond van de Wwft een poortwachtersfunctie hebben, verbeterd kan worden, door de huidige wettelijke mogelijkheden in het Besluit politiegegevens onder de loep te nemen. Achterliggende doel is om deze financiële instellingen zo goed mogelijk in staat te stellen eigen acties en maatregelen te nemen om (hypotheek)fraude aan te pakken. Verder wordt gewerkt aan een Rijksbreed anti-corruptiebeleid, waarbij ook de financiële sector zal worden betrokken.
Tot slot zal de Minister van Justitie en Veiligheid in overleg met de politie bezien of en hoe kennis over nieuwe modus operandi met de hypotheekverstrekkers en SFH gedeeld kan worden, zodat zij hier beter rekening mee kunnen houden in hun praktijk.
Hoe kijkt u naar de suggesties in het artikel om banken bij de Belastingdienst te laten controleren of de inkomsten wel kloppen? Hoe kijkt u naar een betere controle op KvK-inschrijvingen en het controleren van de deponeringsplicht? Bent u bereid dit verder te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo ja, op welke termijn?
Op dit moment is er geen wettelijke grondslag op grond waarvan de Belastingdienst inkomensgegevens kan delen met bijvoorbeeld hypotheekverstrekkers. De Minister van Justitie en Veiligheid zal samen met de Staatssecretaris van Fiscaliteit & Belastingdienst de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid hiervan nader verkennen en vervolgens uw Kamer informeren over de conclusie. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Kamermotie van de leden Mutluer en Six Dijkstra.4
Zoals de Minister van Economische Zaken ook in de voortgangsbrief over de Datavisie Handelsregister van 8 mei jl. heeft toegelicht, onderzoekt het kabinet mogelijkheden om de Kamer van Koophandel (KvK) meer ruimte te geven om bij twijfel een inschrijving of mutatie in het Handelsregister voor nader onderzoek tijdelijk aan te houden en zo nodig te weigeren. Op basis van de Handelsregisterwet dienen belangrijke bedrijfsgegevens sowieso te allen tijde juist en volledig te zijn ingeschreven in het handelsregister. Overtreding van deze verplichting is een economisch delict. De opsporing van deze economische delicten is belegd bij Bureau Economische Handhaving (BEH). Het Openbaar Ministerie en BEH hebben afspraken gemaakt over het aantal zaken dat wordt opgepakt
Het kabinet wijst tevens op de controlerol van de notaris die de entiteit opricht. Vanaf 1 oktober 2024 mogen notarissen zoeken op natuurlijk persoon in het Handelsregister. Dit ter versterking van hun poortwachtersfunctie.
Welke maatregelen kunnen deze vorm van fraude en witwassen tegengaan? Wanneer kunnen die maatregelen effectief ingezet worden?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid in overleg te gaan met de banken en over de uitkomsten van dit overleg de Tweede Kamer op korte termijn te informeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Het gesprek met NVB, VvV en SFH is reeds gevoerd en met de beantwoording van vraag 7 is aangegeven welke stappen, mede naar aanleiding van het gevoerde gesprek, worden gezet.
Gemeenten beschikken ook over veel gegevens waarbij er een link gelegd zou kunnen worden tussen criminele activiteiten en hypotheekfraude. Welke maatregelen kunnen gemeenten treffen in het kader van informatiedeling met betrokken partijen? Is het mogelijk dat er vanuit lokale driehoeken actiever aan informatiedeling wordt gedaan met banken?
Ik ben bekend met de wens vanuit hypotheekverstrekkers om informatie direct vanuit gemeenten te ontvangen wanneer criminele activiteiten geconstateerd of vermoed worden bij panden waarop een hypotheek berust. Zoals bijvoorbeeld het geval is bij het opleggen van een bestuurlijke sluiting. Tijdens Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC), waar ook de NVB en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan deelnemen, is dit vraagstuk omtrent informatiedeling op 27 mei jl. besproken.
Er is toen aan de leden van het NPC toegelicht dat hypotheekverstrekkers via het Kadaster reeds kunnen nagaan of op een pand een beperking rust; gezien de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) voorschrijft dat een beperking (waaronder een bestuurlijke sluiting) publieke informatie is en door gemeenten in het Kadaster moet worden opgenomen.
De wens van SFH is dat hypotheekverstrekkers ook als «belanghebbende» worden aangemerkt in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Dit acht ik niet wenselijk. Naast juridische beperkingen (vanwege het subsidiariteitsbeginsel) is het verstrekken van informatie ook onwenselijk, omdat het niet proportioneel is en daarnaast de gevolgen onevenredig hard kunnen uitpakken voor de betrokkene(n). Ook bestaat het risico dat het instrumentarium van de bestuurlijke sluiting onder druk komt te staan, omdat de burgemeester de gevolgen van een sluiting moet meewegen in zijn besluit óm te sluiten.
In Amsterdam is dit jaar gestart met een Integraal Financieel Team. Een team van FIOD, Politie en OM, dat werkt binnen de integrale aanpak door het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC). Wat zijn de eerste resultaten van dit team? Kan deze werkwijze breder worden uitgerold bij de andere RIEC’s?
Het Integraal Financieel (IFi)-team is een gezamenlijk opsporingsteam van FIOD en politie, onder gezag van het OM, dat medio mei is gestart. Hierover is uw Kamer in juni via de jaarrapportage ondermijnende criminaliteit in meer detail geïnformeerd. Met het team wordt de operationele slagkracht van de RIEC-samenwerking in de regio Amsterdam-Amstelland versterkt. In lijn met de gefaseerde opbouw van de middelen die door JenV beschikbaar zijn gesteld, wordt het IFi-team in 2024 en 2025 opgebouwd. Het team is inmiddels operationeel en heeft een aantal onderzoeken in portefeuille. Op het moment dat de strafrechtelijke financiële onderzoeken zich in een fase bevinden dat resultaten deelbaar zijn, zal ik u daarover informeren en kan door de RIEC’s en JenV gekeken worden naar welke lessen eruit geleerd kunnen worden voor andere RIEC’s.
Het bericht 'Mest met drugsafval uitgereden op akkers in Baarle-Nassau, drie boeren verhoord' |
|
Ingrid Michon (VVD), Thom van Campen (VVD) |
|
David van Weel (minister ) , Femke Wiersma (minister ) (BBB) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Mest met drugsafval uitgereden op akkers in Baarle-Nassau, drie boeren verhoord»?1
Ja.
Was u reeds bekend met het fenomeen dat boeren drugsafval dumpen op de eigen akker? Heeft u inzicht in de precieze omvang van dit probleem of is deze casus in Baarle-Nassau de eerste?
Het onderzoek in de casus Baarle-Nassau loopt nog. Er is nog niet vastgesteld hoe het drugsafval op de akker terecht is gekomen. Buiten deze casus komt het voor dat drugsafval wordt gedumpt op akkers van boeren. Naar aanleiding van een casus in december 2015 zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar deze problematiek2. Drugsafval kan bijvoorbeeld in mestputten worden gedumpt of hierin geloosd door drugslabs die zich in de stal bevinden. De omvang van dit probleem is onbekend (mede omdat criminelen er veel belang bij hebben om onopgemerkt te blijven). Dit werd ook geconcludeerd in een onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR) dat in augustus 2023 werd gepubliceerd.3
Waaruit bestaat de huidige aanpak van deze vormen van druggerelateerde milieudelicten? Hoe verloopt de samenwerking met publieke en private partners om beter zicht te krijgen op drugscriminaliteit en ondermijnende activiteiten in het buitengebied?
De aanpak van druggerelateerde milieudelicten is verschillend naar gelang de oorsprong van een delict. De aanpak van drugscriminaliteit valt binnen het Ministerie van JenV onder de brede aanpak van ondermijnende criminaliteit. Milieudelicten in de agrarische sector worden in eerste instantie opgepakt door de toezichthouders, zoals de omgevingsdiensten en de Inlichtingen- en Opsporingsdienst (IOD) van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), voordat politie en het Openbaar Ministerie (OM) verder onderzoek doen.
Het versterken van de weerbaarheid van de samenleving om maatschappelijke dreigingen, waaronder de ondermijnende criminaliteit, succesvol het hoofd te bieden is een van mijn prioriteiten. De maatschappij als geheel speelt hier een belangrijke rol. Iedereen – burgers, gemeenten, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen – heeft een rol in het bevorderen van veerkracht en weerbaarheid van de samenleving.
Recent bleek opnieuw dat het van belang is om in te zetten op de weerbaarheid en veiligheid van bewoners en ondernemers in het buitengebied. Hier heeft uw Kamer op 23 augustus vragen over gesteld naar aanleiding van berichtgeving uit Trouw4. Op basis van een enquête van LTO Noord is de inschatting dat zeker één op de tien boeren de afgelopen jaren is benaderd met een voorstel dat zij als verdacht beoordeelden.
Er lopen meerdere initiatieven om de veiligheid van het platteland te vergroten. Vanuit het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026 wordt breed ingezet op het weerbaar maken van ondernemers in kwetsbare branches. Met het instrument Veilig Buitengebied wordt via publiek-private samenwerking vanuit gemeenten een netwerk opgezet dat de ondernemers en bewoners in het buitengebied helpt zich te weren tegen criminaliteit en bewust te worden van signalen van (ondermijnende) criminaliteit. Zo wordt er actief met de gemeente gesproken over oplossingen voor problematiek waar ondernemers en bewoners tegenaan lopen. Daarnaast wordt gekeken hoe de veiligheid in het gebied kan worden vergroot en wordt dit in gezamenlijkheid aangepakt. Door de samenwerking met het Platform Veilig Ondernemen (PVO) worden zeventig buitengebieden ondersteund bij de aanpak Veilig Buitengebied. Ook het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) en het Landelijk Informatie- en Expertisecentrum (LIEC) richten zich op het versterken van de weerbaarheid van het buitengebied tegen ondermijnende criminaliteit. Hierbij ligt de nadruk op de netwerkfunctie.
Voor boeren zijn vertrouwenspersonen ondermijnende criminaliteit aangesteld bij de brancheorganisaties Zuidelijke Land – en Tuinbouw Organisatie (ZLTO), de Landelijke Tuinbouworganisatie Noord (LTO Noord) en de Limburgse Land – en Tuinbouwbond (LLTB). Hiermee is sprake van een landelijke dekking voor de agrarische sector. Deze vertrouwenspersoon helpt agrariërs en tuinders wanneer zij een vermoeden hebben van criminaliteit of onveiligheid ervaren. De branches faciliteren en borgen de vertrouwenspersoon door deze te positioneren binnen hun organisaties.
Verder is het van belang te benadrukken dat de aanpak van drugscriminaliteit uiteraard continu wordt doorontwikkeld. Zo kan verdiepend forensisch onderzoek ertoe bijdragen dat criminele samenwerkingsverbanden beter in kaart worden gebracht. De proeftuin synthetische drugs heeft duidelijk gemaakt dat het gericht uitgebreider veiligstellen van sporen, meer en snel onderzoek van die sporen en het genereren van intelligencerapportages door combinatie van data, kan bijdragen aan zowel het beter opsporen van daders van georganiseerde drugscriminaliteit als het vergroten van inzicht in samenwerkingsverbanden. Vanuit mijn ministerie is geld beschikbaar gesteld voor de doorontwikkeling van deze aanpak. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijke inzet hiervan bij drugsdumpingen.
Deelt u dat, ondanks de inzet van de Nederlandse regering, het buitengebied zich nog altijd leent voor ondermijnende criminele activiteiten? Hoe bent u van plan hier meer grip op te krijgen?
Ik herken het beeld dat het buitengebied, dat om verschillende redenen kwetsbaar is, zich nog altijd kan lenen voor ondermijnende criminaliteit. Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven wordt ingezet op het instrument Veilig Buitengebied en de vertrouwenspersonen. Deze middelen worden goed gemonitord. Hiermee is er beter zicht op de meldingen en signalen die binnen komen, waardoor er steeds meer casuïstiek in beeld is.
Hebben politie maar ook omgevingsdiensten wat u betreft voldoende handvatten en middelen om deze nieuwe vorm van drugscriminaliteit, waarbij drugsafval wordt vermengd met mest, effectief te onderzoeken en te bestrijden?
Het onderzoek in de casus Baarle-Nassau loopt nog. Er is nog niet vastgesteld hoe het drugsafval op de akker terecht is gekomen. In het antwoord op deze vraag zullen dus in zijn algemeenheid de handvatten en middelen worden beschreven.
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is dit geen nieuwe vorm van drugscriminaliteit. De inzet van capaciteit tegen deze vorm van criminaliteit is een afweging van het lokale gezag. Verder geldt dat de capaciteit van de politie en omgevingsdiensten5 beperkt is.
Omgevingsdiensten kunnen wanneer zij drugsafval aantreffen namens het voor hen bevoegde gezag (provincies, waterschappen of gemeenten) handhaven, bijvoorbeeld op basis van de zorgplicht van de eigenaar van betreffende percelen. Elke eigenaar van een perceel heeft immers een zorgplicht rondom bodembescherming. Die zorgplicht is vastgelegd in artikel 2.11 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Een omgevingsdienst kan namens het bevoegd gezag in dit soort situaties bestuursdwang toepassen. Dit betekent dat de eigenaar van de grond een zeer korte gelegenheid krijgt om het drugsafval te verwijderen en de bodemkwaliteit te herstellen. Wordt dit niet of niet afdoende uitgevoerd dan voert de omgevingsdienst bestuursdwang uit en verhaalt dan de opruimkosten van het drugsafval op de eigenaar van het perceel. Dit is een bestuursrechtelijke vorm van handhaving. De handhaving op grond van dit artikel zorgt ervoor dat de bodemverontreiniging wordt beperkt en hersteld. Dit artikel kan ook via het strafrecht worden gehandhaafd, namelijk via de Wet op de economische delicten (Wed). Er kan afhankelijk van de situatie ook gehandhaafd worden op grond van een aantal andere bepalingen van de Omgevingswet, zoals het op of in de bodem brengen van afvalstoffen zonder vergunning buiten een stortplaats (artikel 3.40c Bal), en het gebruiken van gronden in strijd met het Omgevingsplan (artikel 5.1, eerste lid, onder a, Omgevingswet).
De gemeente kan ook kiezen voor het opleggen van een last onder bestuursdwang. Dit betekent dat de gemeente zelf de overtreding ongedaan laat maken dan wel herstelt en de kosten daarvan verhaalt op de overtreder. Deze maatregel ligt bijvoorbeeld voor de hand als de gemeente het risico niet kan nemen dat de overtreder zich niets aantrekt van de indirecte financiële prikkel van een dwangsom, waardoor een onaanvaardbare of gevaarlijke situatie ontstaat.
Het komt helaas ook voor dat drugsafval door criminelen wordt gedumpt op publieke of particuliere grond. Terreineigenaren hebben zoals aangeven hiervoor een zorgplicht. Op dit moment kunnen deze grondeigenaren op basis van provinciale regelingen bij BIJ12 subsidie aanvragen voor de opruimkosten van het drugsafval op hun terrein.6 Overigens is het zo dat gelet op de complexiteit van het vraagstuk de landelijke regeling voor het opruimen van drugsafval niet op 1 januari 2025 in werking kan treden. Om die reden wordt de huidige regeling ook in 2025 voortgezet. Over de toekomstige situatie wordt u voor het einde van het jaar nader geïnformeerd.
Waaruit bestaan de bestuurlijke maatregelen die de gemeente (in dit geval Baarle-Nassau) kan nemen op het moment dat er sprake is van drugsdumping op het eigen terrein door boeren?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 kunnen diverse bestuurlijke maatregelen worden genomen. In dit geval heeft Baarle Nassau ervoor gekozen om een last onder bestuursdwang op te leggen omdat het in deze casus niet gaat om een willekeurig braakliggend weiland, maar om akkers van akkerbouwers waar onder andere uien en mais worden geteeld. Een verontreiniging met drugs gerelateerde stoffen op akkers leidt naar het oordeel van de gemeente Baarle-Nassau tot een groter risico voor mens, milieu en/of de volksgezondheid.
Zijn er specifieke initiatieven om boeren te informeren over dan wel weerbaarder te maken tegen ondermijnende criminaliteit? Ziet u hierin een rol voor Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland, zoals eerder bij modelhuurcontracten voor boeren?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3. Daarnaast worden via de brancheorganisaties ZLTO, LTO Noord en de LLTB
leden en niet-leden geïnformeerd en weerbaar gemaakt in relatie tot het mogelijke benaderingen van criminelen. Hier wordt ingezet op een breed palet aan maatregelen. Te denken valt aan: preventie actiedagen, weerbaarheidstrainingen, veiligheidsscans op het erf, politiespreekuren in het buitengebied, boerenlunches met wijkagenten, e-learnings en voorlichtingsbijeenkomsten.
Is het wenselijk om in het bericht melding te maken van een anonieme tip? Wat doet dit met de meldingsbereidheid?
Het heeft altijd de voorkeur rechtstreeks bij de politie te melden. Helaas wijst de praktijk uit dat in de meer gesloten gemeenschappen de stap naar de politie niet altijd gemaakt wordt. Een potentiële melder heeft sociaal wat te verliezen, is angstig voor de mogelijke represailles of wil niet bij een rechtszaak betrokken raken als getuige.
In dit geval ging het ook nog eens om zware drugscriminaliteit. Meld Misdaad Anoniem fungeert in die gevallen als laagdrempelig vangnet voor informatie die anders helemaal niet wordt gedeeld. Door te benoemen dat de melding anoniem is gedaan, wordt de aandacht gevestigd op Meld Misdaad Anoniem als serieus handelingsperspectief dat tot resultaten kan leiden.
Wat wordt er gedaan om de handhaving in landelijke gebieden zoals Baarle-Nassau te versterken, zodat dit soort incidenten sneller worden opgespoord en aangepakt?
Wij zetten hierbij in op een betere samenwerking en informatiedeling tussen toezichthoudende organisaties. Door samenwerking en informatiedeling te bevorderen kunnen dit soort incidenten beter en sneller aan het licht komen. Dit helpt bevoegde gezagen om de beschikbare capaciteit efficiënt in te zetten en de handhaving te versterken.
Wordt er in de vervolging van dit soort delicten rekening gehouden met het onderscheid tussen boeren die uit vrije wil samenwerken met criminelen en boeren die gedwongen worden dit te doen?
Ja, in een strafrechtelijk onderzoek wordt altijd gekeken naar de rol en het aandeel van de (afzonderlijke) verdachte(n). Als verdachten aantoonbaar gedwongen zijn om dergelijke delicten te plegen kan het zo zijn dat dit uiteindelijk niet zal leiden tot strafvervolging.
Is er zicht op het criminele netwerk waar deze actie onderdeel van uitmaakt? Wie is verantwoordelijk om dit in beeld te krijgen?
Als Minister past het mij niet om op een individuele casus in te gaan, niet in de laatste plaats vanwege het opsporingsbelang. In dit soort gevallen doet de politie, onder gezag van het OM, onderzoek naar strafbare feiten en worden lopende het opsporingsonderzoek over dergelijke zaken geen mededelingen gedaan.
Welke risico's brengt het uitrijden van mest vermengd met drugsafval met zich voor de gezondheid van gewassen, vee en uiteindelijk consumenten? Zijn er al concrete gevallen bekend van besmetting of schade aan de voedselketen?
Diverse studies geven aan dat er nog veel onbekend is over het risico van drugsafval op de voedselveiligheid en het wordt aanbevolen om nadere studies hiernaar te doen met zogenaamde stofgedragsstudies (zie verwijzingen naar studies bij het antwoord op vraag 2). Ons zijn geen concrete gevallen bekend van besmetting of schade aan de voedselketen als gevolg van drugsdumpingen.
Welke stappen worden ondernomen om de controle en monitoring van meststoffen te verbeteren, zodat vergelijkbare incidenten in de toekomst kunnen worden voorkomen? Wordt overwogen om strengere eisen te stellen aan de kwaliteit en herkomst van meststoffen?
Zoals ook bij vraag 2 aangegeven moet het onderzoek eerst worden afgewacht over wat zich precies heeft afgespeeld in deze casus. Als dit duidelijk is kan worden bekeken of aanvullende controle of handhaving nodig is en waar dit in het proces -bij vervoer, opslag of toediening- moet worden ingezet. Aanpassing van de reeds strenge wettelijke kaders van de Opiumwet en de Meststoffenwet, lijkt op dit moment niet aan de orde. Het probleem bij dit type overtredingen is ook niet zozeer dat het wettelijk kader onvoldoende duidelijk is of dat niet duidelijk is wie bij overtreding daartegen kan optreden. Vraag is vooral hoe vergelijkbare incidenten in de toekomst beter kunnen worden voorkomen. Wij zetten er daarom op in de diverse toezichthoudende instanties beter te laten samenwerken en voorlichting te geven aan de landbouwers. Hiermee wordt beoogd dat de landbouwers bewuster en weerbaarder worden om dergelijke overtredingen te voorkomen en te onderkennen.
Diverse onderwerpen naar aanleiding van het werkbezoek aan Curaçao en Bonaire |
|
Michiel van Nispen (SP), Hanneke van der Werf (D66), Songül Mutluer (PvdA), Ingrid Michon (VVD), Faith Bruyning (NSC), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Coenradie , Struycken , David van Weel (minister ) , Marjolein Faber (minister ) (PVV) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Wat is uw reactie op het personeelstekort in vrijwel de gehele justitiële keten in het Caribisch deel van het Koninkrijk, dat kan oplopen tot 50 procent van de formatie? Op welke wijze kan Nederland bijdragen, onderscheid makend naar de politie, het OM, de douane en de veiligheidsdienst? Is het (vaker dan nu) leveren van een bijdrage in menselijk kapitaal een optie, namelijk het (tijdelijk) leveren van mensen uit de zusterorganisaties in Nederland, om niet? Zo niet, waarom niet?
Het Kabinet is bekend met het capaciteitsvraagstuk binnen de justitieketen in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Voor Caribisch Nederland draagt het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Asiel en Migratie en het Ministerie van Financiën rechtstreeks de verantwoordelijkheid. Er wordt actief met de lokale diensten gekeken naar de balans in de rechtshandhavingsketen aldaar en gesproken over – en waar mogelijk voorzien in – oplossingen voor het capaciteitsvraagstuk in Caribisch Nederland. Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben als autonome landen binnen het Koninkrijk een eigen verantwoordelijkheid voor de rechtshandhaving en de grensbewaking. Op grond van artikel 36 van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden kunnen de landen verzoeken voor hulp en bijstand indienen. Per verzoek wordt gekeken wat mogelijk is, rekening houdend met de capaciteit bij zusterorganisaties in Nederland.
De huidige Nederlandse inzet in Aruba, Curaçao en Sint Maarten richt zich voornamelijk op drie deelgebieden: ten eerste het versterken van de grensbewaking door middelen beschikbaar te stellen aan de Koninklijke Marechaussee en de Douane. Ten tweede het ondersteunen van de recherchecapaciteit door middel van het Recherchesamenwerkingsteam en het in 2016 gestarte team, gericht op ondermijning. Ten derde het versterken van de rechterlijke macht door uitzendingen naar het Openbaar Ministerie voor Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden en het Openbaar Ministerie voor Aruba en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie te faciliteren. Sinds 2022 zijn er meer middelen voor de ondermijningsaanpak (oplopend van € 12 mln. in 2021 tot € 21 mln. in 2024); hiermee is een bestendiging op Curaçao en een uitbreiding naar Aruba mogelijk. Daarnaast is er structureel € 1 mln. vrijgekomen voor het ontwikkelen van bestuurlijke instrumentaria bij de bestrijding van gelegenheidsstructuren van ondermijning.
In het kader van de disbalans wordt nadrukkelijk gekeken of de Nederlandse inzet aansluit bij de draagkracht van de lokale diensten. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Hoe wordt scheefgroei of disbalans voorkomen dan wel opgelost, waarmee bedoeld wordt dat investeringen in een bepaald onderdeel (bijvoorbeeld opsporing van drugs) leiden tot problemen aan het einde van de keten zoals bij de landsrecherche en in het gevangeniswezen?
Het Kabinet heeft oog voor de disbalans in de rechtshandhavingsketen(s) in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dit onderwerp staat vast op de agenda bij het halfjaarlijks Justitieel Vierpartijenoverleg (JVO). Vanuit het JVO heeft een gezamenlijke werkgroep – waar alle vier de landen in vertegenwoordigd zijn – een advies uitgebracht om de disbalans in de rechtshandhavingsketen(s) te verkleinen.1 Onder voorzitterschap van Aruba zal een nieuwe werkgroep vanaf september 2024 starten met het implementeren en het monitoren van het advies. Ook in deze werkgroep zijn alle vier de landen vertegenwoordigd. Uw Kamer is geïnformeerd over het advies van de werkgroep middels de JVO-terugkoppelingsbrief.
Op grond van het Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden kunnen de landen verzoeken voor hulp en bijstand indienen. In het verleden heeft Nederland onder andere verzoeken ontvangen m.b.t. het gevangeniswezen. Naar aanleiding van die verzoeken investeert Nederland bijvoorbeeld al € 30 miljoen euro in de gevangenis op Sint Maarten en lopen er gesprekken over hulp- en bijstandsmogelijkheden met Aruba en Curaçao. Nederland levert dus reeds een actieve bijdrage in de versterking van het sluitstuk van de justitieketen.
Herkent u de zorg dat opleidingen voor de beroepen waar grote capaciteitsproblemen zijn, zoals onder andere bij de politie, de brandweer en de KMAR, in het Nederlands zijn en daarmee niet overal aansluiten op de lokale behoefte? Zijn er mogelijkheden om (onderdelen van) de opleidingen te laten vertalen of te doceren in het Engels of Papiamentu, daar waar dat kan?
Ja. Dit blijkt onder andere bij de werving en selectie van nieuwe medewerkers voor de KMar, die de beheersing van het Nederlands soms als drempel ervaren. Op dit moment is het voor de KMar geen oplossing om (delen van) de opleiding te vertalen, onder andere omdat de opvolging van mutaties in (interne) systemen volledig in het Nederlands is. Vanuit de KMar wordt nu extra ingezet op ondersteuning in de Nederlandse taal, in het bijzonder in de opleiding van lokaal personeel voor de KMar in Caribisch Nederland. Verder zal om beter aan te sluiten bij de lokale context verkend worden verkend worden of er op sommige onderdelen ruimte is voor het Engels.
Bij andere diensten wordt – waar mogelijk – een link gemaakt met het Papiamentu en/of het Engels. Zo is er bij de brandweer op Saba en Sint Eustatius op sommige onderdelen ruimte voor het Engels, om beter aan te sluiten bij de lokale context. Daarnaast biedt de Rijksdienst voor Caribisch Nederland (RCN) vanaf dit jaar een tweedaagse training schrijfvaardigheid Nederlands aan via de CN Academy. Deze training wordt op Bonaire, Saba en Sint Eustatius aangeboden en is toegankelijk voor RCN-medewerkers.
Korps Politie Curaçao heeft naast een personeelstekort ook een tekort aan materialen, zoals wapens, kogelvrije vesten en politiewagens, kan Nederland daar iets in betekenen in samenwerking met de nationale politie?
Het beheer van het eigen politiekorps, waaronder het voorzien in voldoende capaciteit en materieel, betreft een autonome aangelegenheid van ieder land binnen het Koninkrijk. In het JVO vindt tussen de Ministers van Justitie van de landen ieder halfjaar uitwisseling plaats inzake de samenwerking tussen de vier Caribische politiekorpsen.
Nederland heeft vanaf 2022 financiering beschikbaar gesteld ten behoeve van deze regionale politiesamenwerking. Vanaf 2026 wordt de financiering van deze samenwerking structureel gemaakt. Binnen de regionale politiesamenwerking wordt thans bijvoorbeeld verkend hoe bedrijfsmatige voordelen kunnen worden behaald, onder meer door de gezamenlijke (en daarmee kostenefficiëntere) inkoop van middelen.
Het staat het Korps Politie Curaçao (KPC) te allen tijde vrij om daarnaast ook nog hulp in de vorm materieel aan de Nederlandse Politie (NP) verzoeken. Door de Nederlandse Politie is dergelijke collegiale hulp in het verleden ook verleend. Tussen KPC en de NP vinden goede doorlopende contacten plaats, zodat dergelijke verzoeken voortvarend worden opgepakt, uiteraard steeds binnen de (operationele) mogelijkheden van de NP en binnen de kaders van het Statuut.
Is er volgens u een rol weggelegd voor Nederland bij het beter beveiligen van de haven van Curaçao en het beter screenen van havenmedewerkers? Zo ja, welke?
Het veiligheidsbeleid in de havens en de screening van medewerkers is een autonome landsaangelegenheid. De verantwoordelijkheid voor de beveiliging van de haven van Curaçao valt daarmee niet onder het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid. Indien de landen in het Koninkrijk dit wensen, is Nederland bereid om meer kennis en expertise op dit onderwerp te delen.
Wat zijn de prioriteiten in het nog op te stellen justitieel beleidsplan Kustwacht voor de periode 2025–2028?
Het Justitieel Beleidsplan Kustwacht wordt opgesteld door de Openbare Ministeries van Aruba en van Curaçao, Sint Maarten en de BES, waarna deze wordt vastgesteld door de Ministers van Justitie van Aruba, Curaçao, Nederland en Sint Maarten. Het vormt de basis voor het justitieel optreden van de Kustwacht Caribisch Gebied. Het huidige beleidsplan loopt tot en met 2025. Voor de periode 2026–2028 wordt een nieuw plan opgesteld. Op dit moment is het Justitieel Beleidsplan Kustwacht 2026–2028 nog niet gereed waardoor de prioriteiten uit het beleidsplan nog niet bekend zijn.
Wat is uw reactie op de brieven van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 8 juli 2024, met het verzoek om een reactie op de financiële problemen en een verzoek tot (deels tijdelijke) financiële overbrugging en de brief van 21 maart 2023 over de wetgeving?
Nederland hecht grote waarde aan de beschikbaarheid van een onafhankelijke en kwalitatief hoogwaardige rechtspraak in het Caribisch deel van het Koninkrijk. Er is daarom regelmatig overleg met het Gemeenschappelijk Hof over de financiering daarvan. Hierbij moet opgemerkt worden dat het Gemeenschappelijk Hof gefinancierd wordt door de vier landen binnen het Koninkrijk: Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en Nederland (voor wat betreft Caribisch Nederland). Daarmee maakt dit vraagstuk deel uit van het bredere onderwerp van de disbalans. U bent over de status daarvan in vraag 1, 2 en 3 geïnformeerd. Aan de hand van de resultaten van die discussie zal er ook voor het Gemeenschappelijk Hof een vertaling plaatsvinden wat dit betekent voor inzet en bijdragen van de landen, waaronder Nederland.
Hoe kijkt u aan tegen de problematiek in het gevangeniswezen op Curaçao, onder andere met betrekking tot smokkel van verboden goederen door drones, voortgezet crimineel handelen, de infrastructuur, de onderbezetting, en de humanitaire situatie in het «Sentro de Detenshon i Korekshon Kòrsou» (de SDKK)?
Curaçao is sinds 10 oktober 2010 een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Sindsdien is de rechtshandhavingsketen inclusief het gevangeniswezen een landsaangelegenheid van Curaçao. Het is dan ook aan Curaçao om verbeteringen binnen het detentiewezen te bewerkstellingen. Tegelijkertijd erken ik ook de uitdagingen die Curaçao, maar ook de andere autonome landen binnen het Koninkrijk ervaren ten aanzien van het detentiewezen en hecht ik eraan dat – conform Statuut – de mensenrechten voor allen in ons Koninkrijk geborgd zijn.
De Nederlandse regering kan op basis van artikel 36 van het Statuut desgewenst en gevraagd bijstand verlenen aan de landen om hen te ondersteunen bij het detentiewezen. In 2023 heeft Curaçao een bijstandsverzoek inzake het detentiewezen gedaan aan de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming en Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Op basis van dit verzoek heeft de Nederlandse regering het aanbod gedaan ondersteuning te verlenen bij het vormgeven van een gedegen en onderbouwd Plan van Aanpak om te komen tot duurzame verbeteringen binnen de SDKK. Bijstand wordt verleend indien er capaciteit en middelen zijn om het verzoek te kunnen honoreren. Elk bijstandsverzoek van Curaçao, Aruba en Sint Maarten wordt hierop beoordeeld.
Wiens verantwoordelijkheid is het volgens u om verbeteringen te bewerkstelligen en in hoeverre is daarin een rol voor Nederland weggelegd?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u de situatie van vreemdelingendetentie in de gevangenis op Curaçao, de SDKK?
Binnen het Koninkrijk der Nederlanden geldt migratie, waaronder dus het toelatings-, opvang-, terugkeer- en asielbeleid en vreemdelingendetentie, als landsaangelegenheid. De autonome landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten zijn derhalve elk primair voor hun eigen migratiebeleid verantwoordelijk.
Op basis van de hulp- en bijstandsverzoeken vanuit Aruba en Curaçao is er vanaf 2019 op verschillende onderdelen in de vreemdelingenketen ondersteuning door het Nederlandse kabinet geleverd.2De ondersteuning voor Aruba en Curaçao was voornamelijk gefocust op het verder professionaliseren en optimaliseren van de vreemdelingenketen en de vreemdelingenbewaring. In dit verband heeft het Nederlandse kabinet geïnvesteerd in uitbreiding van de vreemdelingenbewaring op Curaçao. Zo is het nieuwe gebouw van de Vreemdelingen Opvang en Detentiecentrum (VODC) in gebruik genomen conform de verplichtingen die volgen uit het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Daarnaast zijn in het kader van het optimaliseren van de vreemdelingenketen hostmanship-trainingen gericht op de bejegening van vreemdelingen voor zowel werknemers als leidinggevenden in de vreemdelingenketen gegeven, onder andere ook aan het personeel van de SDKK. Verder zal vanaf september 2024 het nieuw geworven beveiligingspersoneel van het VODC opleidingen en trainingen volgen ten aanzien van het bejegen van vreemdelingen. Ten slotte is het Ministerie van Justitie van Curaçao voornemens een Memorandum of Understanding (MoU) af te sluiten met de Curaçaose Vereniging van Expatraites en Nieuwkomers (VENEX). Deze vereniging zal het VODC gaan ondersteunen bij zowel het bieden van juridisch advies aan de ongedocumenteerden, als het bieden van sociale ondersteuning middels het vormgeven van dagprogramma’s binnen het VODC.
Wat is uw reactie op de al langer durende situatie dat op de zes eilanden nog geen tbs-voorziening bestaat waar criminelen met een psychische stoornis beveiligd en behandeld kunnen worden?
In april 2024 heeft op Curaçao een gezamenlijke driedaagse Koninkrijksconferentie plaatsgevonden: «Zorg met recht – recht op Zorg. Op zoek naar verbetering in het Gedwongen en Forensisch kader». Hier is de urgentie voor forensische zorg en behandeling nadrukkelijk aan de orde gekomen. Naar aanleiding van deze conferentie is tijdens het JVO in juni 2024 uitvoerig gesproken over Forensische Zorg en behandeling, de tbs-maatregel en de maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ). Het JVO heeft toen ingestemd met het voorstel van de Koninkrijksbrede werkgroep Forensische Zorg, TBS en PIJ voor ontwikkeling van een meerjarig programma Forensische Zorg en behandeling3.
Nederland heeft zich gecommitteerd aan de inzet van dit meerjarig programma en reserveert financiële middelen, expertise en ondersteuning voor een periode van 4–5 jaar. Dit heeft betrekking op het aanstellen van een programmamanager en een plaatsvervanger en de inrichting van een projectorganisatie. Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben daarnaast toegezegd dat zij zich zullen inspannen om middelen, expertise en ondersteuning vrij te maken voor landelijke projectteams. Een voorafgaande uitvoeringstoets zal er zorg voor dragen dat de vereiste inzet van de projectteams in lijn is met de beschikbare capaciteit in het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Wat vindt u van de rehabilitatie en re-integratie programma’s in het gevangeniswezen op Curaçao? Is dat afdoende? Zo nee, welke risico’s ziet u als gedetineerden (met een Nederlands paspoort) na hun detentie zonder goede resocialisatie naar het eiland dan wel Nederland terugkeren? Ziet u hier een rol voor u weggelegd, zo ja welke?
Detentie is een landsaangelegenheid. Dit betekent dat de autonome landen in het Koninkrijk (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) aan zet zijn om de detentiesituatie in hun inrichtingen te verbeteren. Wel onderstreep ik het belang van een goed re-integratieprogramma voor alle landen in het Koninkrijk.
De Uitvoeringsorganisatie Reclassering Curaçao adviseert over de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) en is verantwoordelijk voor de eventuele begeleiding tijdens de v.i. periode. Daarnaast regelt het «Onderling protocol inzake werkafspraken aangaande de overdracht van toezichten en werkstraffen door reclasseringsorganisaties binnen het Koninkrijk» de voorwaarden waaronder reclassanten hun toezicht kunnen uitvoeren in een ander land binnen het Koninkrijk. Het kan dus voorkomen dat iemand met een toezicht op Curaçao (ook binnen een v.i.) de proeftijd doorbrengt in Nederland. In dat geval kunnen de reclasseringsorganisaties het toezicht van elkaar overnemen.
Welke samenwerking en betrokkenheid is er vanuit Nederland om de jonge aanwas in de criminaliteit te voorkomen en het welzijn van de jeugd te bevorderen in de CAS-landen? Kunt u dit toelichten?
Er is sprake van een toenemende problematiek rondom high impact crimes (HIC) waar Europees Nederland mee te maken heeft, ook terug in het Caribisch deel van het Koninkrijk. We werken daarom, in gezamenlijkheid met onze partners in het Koninkrijk, aan de aanpak van HIC en het voorkomen van daderschap, daders die jong beginnen en met een brede en lange criminele carrière. Het doel is om te komen tot een reductie van dit type delicten (overvallen, straatroven, woninginbraken en expressief en instrumenteel geweld) zowel in het Caribisch deel van het Koninkrijk als in de grote steden van Europees Nederland. Bij de HIC-aanpak op de eilanden geldt dat interventies die in Nederland bewezen effectief en kansrijk zijn, worden geïmplementeerd op de eilanden op een wijze die aansluit op de verschillende elementen in de lokale situatie.
Reeds in 2014, tijdens het JVO heeft de Nederlandse Minister van Justitie en Veiligheid aangegeven de Ministers van Justitie van Aruba, van Curaçao en van Sint Maarten te willen ondersteunen bij de inzet op de HIC-aanpak. Deze ondersteuning wordt tot op de dag van vandaag voortgezet, mede gelet op het Koninkrijks- en Nederlandse belang dat het goed gaat in de Caribische landen. Zowel positieve als negatieve ontwikkelingen aldaar hebben immers hun weerslag in Nederland.
Op dit moment wordt op Curaçao, Aruba en Sint Maarten de preventieve gedragsinterventie «Alleen jij bepaalt wie je bent» ingezet en op Curaçao en Aruba ook de preventieve gedragsinterventie het «Leerorkest» (zie voor een toelichting op deze interventies de beantwoording van vraag 23). Deze interventies worden in gezamenlijkheid uitgevoerd en (mede)gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daarnaast wordt ondersteuning geboden aan lokale initiatieven en bij de professionalisering van lokale organisaties en bedrijven.
Tijdens het JVO van februari 2022 is ingestemd met de instelling van een werkgroep Preventie jeugdcriminaliteit. De werkgroep, met vertegenwoordigers uit alle landen, werkt aan het in kaart brengen van samenwerkingskansen om jeugdcriminaliteit te voorkomen en adviseert het JVO daarover. Nederland biedt ondersteuning in de vorm van kennis en expertise en neemt deel aan de werkgroep mede namens Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Daarbij worden lokale organisaties, zoals het Zorg- en Veiligheidshuis Bonaire betrokken.
Wat is de stand van zaken met het reguleren van de goksector? Is er naar uw mening voldoende oog voor verslavingsproblematiek en de risico’s op vermenging met de onderwereld en witwassen? In hoeverre is hier volgens u het belang van Nederland mee gemoeid en wat zijn de mogelijkheden om ondersteuning te bieden op dit vlak?
De regulering van de (online)kansspelsector in Curaçao is een autonome landsverantwoordelijkheid van Curaçao. In het kader van het Landspakket zijn met Curaçao afspraken gemaakt over de modernisering en hervorming van het aanbod van online kansspelen. Nederland ondersteunt Curaçao bij de inspanningen op dit vlak en waar mogelijk bij andere vraagstukken op het terrein van het kansspelbeleid door desgevraagd expertise te bieden. De toenmalige Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering, Alexandra van Huffelen, heeft aan de hand van het door Curaçao en Nederland vastgestelde plan van aanpak voor de modernisering en hervorming van het aanbod van online kansspelen meermalen overleg gehad met de verantwoordelijke Minister in Curaçao.
Door Curaçao wordt gewerkt aan een nieuwe Landsverordening op de kansspelen (LOK) op basis waarvan toezicht wordt ingesteld, licenties kunnen worden uitgegeven en ingetrokken en inkomsten kunnen worden gegenereerd voor de overheid. De nieuwe Landsverordening geeft de toezichthouder de bevoegdheid op te treden tegen licentiehouders die zich niet houden aan binnenlandse en buitenlandse licentievoorwaarden, bijvoorbeeld op het gebied van Anti-Money Laundering / Countering The Financing Of Terrorism (AML/CFT), consumentenbescherming en verslavingspreventie. Vanuit mijn ministerie en BZK is advies gegeven over de concept verordening aan de verantwoordelijke Minister van Curaçao.
Nu het nieuwe wettelijke kader bijna gereed is, wordt ook gewerkt aan de inrichting van de toezichthouder. De uitkomsten van een onderzoek naar gokverslaving op Curaçao van december 2023 worden meegenomen in de werkwijze van de toezichthouder en in de landsverordening is een artikel opgenomen over overleg met belangenorganisaties, waaronder instellingen voor verslavingszorg.
Wat is de stand van zaken omtrent de ratificatie van het Verdrag van Lanzarote voor Curaçao? Hoe kijkt u aan tegen het aanwijzen van het NFI als Centrale Autoriteit in dit kader?
Het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik is goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk en geldt vanaf 1 juli 2010 voor Europees Nederland. Nederland heeft destijds het NFI aangewezen als bevoegde autoriteit, zoals voorzien in artikel 37, tweede lid, van het Verdrag. Momenteel wordt beoordeeld of het NFI deze rol ook kan vervullen voor Curaçao. Na afronding van deze beoordeling kan de gelding van het Verdrag worden uitgebreid naar Curaçao.
Waarom heeft de Kamer het verslag van het laatste Justitieel Vierpartijenoverleg nog niet ontvangen? Kan dat alsnog?
Uw kamer heeft de terugkoppelingsbrief van het laatste JVO op 13 september jl. ontvangen.
Bent u bereid de beleidsinzet voor het Justitieel Vierpartijenoverleg voortaan vooraf met de Kamer te delen én achteraf te informeren hoe het verlopen is? Zo niet, waarom niet?
Het JVO is een besloten overleg tussen de vier autonome landen van het Koninkrijk. Het besloten karakter van het JVO is overeengekomen tussen de vier landen. Gezien het vertrouwelijke karakter, acht ik het van tevoren delen van de Nederlandse beleidsinzet onwenselijk zo lang tussen de vier landen hierover geen overeenstemming bestaat. Wél wordt de Kamer na elk JVO geïnformeerd over de hoofdlijnen van dit overleg middels de JVO-terugkoppelingsbrief.
Hoe beoordeelt u de werkzaamheden van het Regionaal Informatie en Expertise Centrum Caribisch Nederland (RIEC NL) op Bonaire? Wat zijn de criteria om te bepalen of dit succesvol is? Klopt het dat er twee tranches voor financiële bijdrage aan het RIEC CN zijn, namelijk 2024 en 2028, maar dat de subsidie van het RIEC NL afloopt in 2025? Zo ja, op welke wijze kan het RIEC CN dan overbruggen tot 2028?
Ten behoeve van de versterking van de integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit in Caribisch Nederland heeft mijn ministerie voor de periode van 2022–2024 een bijdrage verleend voor het inrichten en vormgeven van een Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) in Caribisch Nederland. In het subsidiebesluit voor deze projectsubsidie is opgenomen dat de financiële bijdrage uitbetaald wordt in drie tranches, te weten in 2022, 2023 en 2024. De betaling van deze gelden volgt jaarlijks na de ontvangst van een door het RIEC Caribisch Nederland aangeleverde voortgangsrapportage. Vorig jaar is besloten, vanwege een langere opstartfase van het RIEC, om de projectperiode met een half jaar te verlengen tot medio 2025.
Aan het einde van de projectperiode ontvang ik een eindrapportage over de gehele periode, waarna ik een beter inzicht kan geven in de uitgevoerde activiteiten en de bijdrage van het RIEC binnen de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Met het einde van de projectperiode in zicht zal mijn ministerie de komende tijd gebruiken om samen met RIEC Caribisch Nederland te verkennen of en zo ja hoe de huidige inzet van het RIEC voortgezet kan worden.
Welke onderzoeken zijn tot op heden gedaan naar de praktijk van witwassen op de BES eilanden? Wat is hieruit gekomen?
De aanpak van witwassen en terrorismefinanciering gaat uit van een risico gebaseerde benadering. Om deze risico’s in kaart te brengen heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) in 2017 de eerste National Risk Assessment (NRA) Witwassen en Terrorismefinanciering ten aanzien van Caribisch Nederland opgeleverd. In 2022 is er een geactualiseerde versie van de NRA voor Caribisch Nederland opgeleverd4. Deze geactualiseerde versie van de NRA identificeerde de vastgoed-/onroerendgoedsector als grootste witwasrisico op Caribisch Nederland. Andere witwasrisico’s die naar voren kwamen zijn: witwassen via ondergronds bankieren, het fysiek verplaatsen van contant geld via zee en/of lucht en witwassen via vergunde banken. Voor de volledige uitkomsten verwijs ik u graag naar het rapport en de Kabinetsappreciatie.5De herziening van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) BES van 1 juni 2021 draagt bij aan het reduceren van de risico’s die het WODC heeft geïdentificeerd. De reikwijdte van de Wwft BES6 is bijvoorbeeld uitgebreid naar handelaren in bouwmaterialen, waardoor ook zij verplicht zijn om ongebruikelijke transacties te melden bij FIU-Nederland.
Ook in 2022, is Nederland door de Financial Action Task Force (FATF) beoordeeld op de aanpak van witwassen7. Deze evaluatie geldt ook voor Caribisch Nederland. De Nederlandse aanpak is als positief beoordeeld, maar tegelijkertijd zijn er aantal punten waarop Nederland verbeteringen op Caribisch Nederland door kan voeren. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Financiën en partners in Caribisch Nederland werken nauw samen aan de opvolging van deze aanbevelingen.
Wat is de stand van zaken van het Verdrag inzake voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) en het toewerken naar medegeldigheid van dit Verdrag voor Caribisch Nederland? Wat is de planning, wanneer zal dit Verdrag ook gelden in Caribisch Nederland?
Het kabinet treft momenteel samen met de openbare lichamen voorbereidingen voor bekrachtiging voor Caribisch Nederland van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul), in lijn met de motie Ceder.8 De stand van zaken is als volgt: de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in het Bestuursakkoord aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling met de openbare lichamen afspraken gemaakt over het inrichten en versterken van de aanpak op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Dit Bestuursakkoord loopt tot en met 2024. Met het ontwerpbesluit maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling Caribisch Nederland dat op 8 juni 2023 aan uw Kamer is voorgelegd, zet het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een aantal voor de toepassing van het Verdrag van Istanbul in Caribisch Nederland belangrijke stappen, zoals het vastleggen van de beschermingscode voor professionals en het borgen van de beschikbaarheid van opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld. De inwerkingtreding van het besluit is voorzien voor 1 januari 2025. De voorbereidingen daarvoor zijn inmiddels in volle gang. Zo is het implementatietraject voor de verplichte beschermingscode gestart. Ook is de juridische handreiking over de wettelijke bevoegdheden van verschillende beroepsgroepen rondom het melden en het delen van gegevens bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling recent herzien. De openbare lichamen zetten kleine stappen om gendersensitiviteit te bevorderen. De tweejaarlijkse werkconferentie No Mas, No more die Volksgezondheid, Welzijn en Sport samen met de landen in het Caribisch deel van het Koninkrijk en met de openbare lichamen organiseert vindt in 2025 plaats op Sint Maarten. Tijdens de conferentie op Curaçao in 2023 zijn samenwerkingsafspraken gemaakt die de aanpak in het Caribisch gebied verder moeten bevorderen.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bereidt momenteel een vervolg voor op bovengenoemd Bestuursakkoord. In het najaar van 2024 zal samen met de openbare lichamen besloten worden hoe de samenwerking na afloop van het huidige Bestuursakkoord vormgegeven wordt. Daarnaast wordt momenteel in opdracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van VWS een werkproces voor het tijdelijk huisverbod in Caribisch Nederland vormgegeven. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt in hoeverre de randvoorwaarden op deze eilanden aanwezig zijn om een doeltreffende inzet van het tijdelijk huisverbod mogelijk te maken en in hoeverre een wettelijke regeling voor de uitvoering van het tijdelijk huisverbod in Caribisch Nederland noodzakelijk is. Het concept-werkproces wordt dit najaar met de openbare lichamen en de betrokken uitvoeringsorganisaties besproken.
Parallel hieraan worden de bredere (beleids)maatregelen en aanvullende uitvoeringswetgeving, inclusief de financiële consequenties, die nodig zijn voor de aanvaarding van het Verdrag van Istanbul voor Caribisch Nederland, in kaart gebracht. Het kabinet verwacht het Verdrag van Istanbul voor Caribisch Nederland op zijn vroegst in 2026 te kunnen aanvaarden voor Caribisch Nederland, mede afhankelijk van de voortgang van het benodigde beleids- en wetgevingstraject. Dit vormt het sluitstuk van het proces om de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling in Caribisch Nederland in overeenstemming te brengen met de verplichtingen die uit het Verdrag voortvloeien.
Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot het verbeteren van de rechtshulp door het totstandbrengen van een rechtshulpvoorziening in Caribisch Nederland? Bent u ook van plan tot een wettelijke verankering en structurele financiering hiervan te komen?
In de brief van 20 december jl. heeft de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming de contouren geschetst voor een rechtshulpvoorziening met inbedding van een anti-discriminatievoorziening in Caribisch Nederland. Sindsdien is er door de kwartiermaker van het Juridisch Loket veel inzet gepleegd om die contouren, op basis van gesprekken met inwoners, partners en andere belanghebbenden op de eilanden, verder uit te werken. Zo is er onder meer gekeken naar de invulling van laagdrempelige en toegankelijke dienstverlening, de mogelijke huisvesting, personeel en de ondersteuning vanuit Europees Nederland («de backoffice»).
Momenteel wordt nog gekeken naar de gewenste vorm van de organisatie, de wijze waarop een praktische start met de dienstverlening kan worden gemaakt en de doorontwikkeling naar een duurzame voorziening voor de langere termijn. Samen met het Juridisch Loket, BZK en lokale partijen wordt verkend hoe er zorgvuldig passende rechtshulp verleend kan gaan worden die recht doet aan de behoeftes van de inwoners.
Om die behoeftes optimaler in beeld te brengen hebben de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming en de toenmalige Staatssecretaris van BZK een onderzoek laten uitvoeren naar (onder meer) ervaren juridische problemen onder burgers in Caribisch Nederland. Hierbij wordt gekeken naar de aard van deze problemen, de mate waarin burgers in staat zijn deze op te lossen en de wegen die zij bewandelen om tot een oplossing te komen. De bevindingen van dit onderzoek zijn van groot belang bij de besluitvorming over de dienstverlening en inrichting van de rechtshulpvoorziening. Komend najaar wordt de rapportage verwacht. Uw Kamer zal hier uiteraard nader over worden geïnformeerd.
Bij de verdere uitwerking is het zoeken naar de balans tussen snelheid en zorgvuldigheid en dat maakt het in deze fase lastig om een exact moment aan te duiden waarop de voorziening zal starten. Uit de gesprekken die in de verkenningsfase en kwartiermakersfase zijn gevoerd, alsmede uit de gesprekken die in het kader van het onderzoek zijn gevoerd, komt naar voren dat de noodzaak voor een eerstelijns voorziening voor rechtshulp groot is. Tegelijkertijd komt ook nadrukkelijk naar voren dat vertrouwen in zo’n voorziening niet vanzelfsprekend is en gewonnen moet worden door positieve ervaringen. Dit benadrukt nogmaals het belang van een gedegen start van een robuuste voorziening.
Het voornemen is om de voorziening op termijn wettelijk te verankeren en daarmee onderdeel uit te laten maken van een breder wettelijk stelsel van rechtsbijstand. Hierbij zal verkend moeten worden hoe dit met het oog op de toegang tot het recht voor burgers in Caribisch Nederland vormgegeven moet worden. Comply or explain is hierbij een leidend principe.
Er is structurele financiering vanaf 2026. De inspanningen tijdens de kwartiermakersfase worden gefinancierd uit de tijdelijke middelen voor het programma stelselvernieuwing rechtsbijstand. Vanaf 2026 is er vanuit artikel 32 van de Justitie en Veiligheid-begroting een structureel budget van € 0,3 mln. beschikbaar.
Is er volgens u reden om de systematiek van de vergoedingen voor de sociaal advocatuur te herzien en aan te laten sluiten op Europees Nederland?
Voor burgers in Caribisch Nederland is het van groot belang dat er een goed werkend stelsel van gefinancierde rechtsbijstand is, waarbij de kwaliteit en de beschikbaarheid van sociaal advocaten is gewaarborgd. Daar hoort bij dat de vergoedingen voor de advocatuur op peil zijn. Ook moet de systematiek passen en werken binnen de lokale context.
De huidige wettelijke vergoedingen zijn gebaseerd op de Wet op de kosteloze rechtskundige bijstand en de Regeling kosteloze rechtskundige bijstand, die in 2010 zijn ingevoerd. De vergoeding is geruime tijd geleden eenmaal tussentijds aangepast.
Daarnaast geldt inmiddels het kabinetsbrede uitgangspunt van comply or explain. Wetgevings- en beleidsontwikkeling voor Europees Nederland dient in principe op een gelijkwaardige manier naar Caribisch Nederland vertaald te worden. Dat hoeft overigens niet noodzakelijkerwijs dezelfde systematiek op te leveren als in Europees Nederland.
Het voorgaande vormt aanleiding voor mijn ministerie om de systematiek en de hoogte van de vergoedingen voor de sociale advocatuur opnieuw te bezien. In dat kader zijn er in de afgelopen tijd gesprekken gevoerd met onder meer sociaal advocaten in Caribisch Nederland. De Staatssecretaris voor Rechtsbescherming zal uw Kamer op de hoogte houden van de ontwikkelingen.
In hoeverre worden er nu middelen aangewend om jeugdcriminaliteit te voorkomen en ouderbetrokkenheid te bevorderen op de BES-eilanden, bijvoorbeeld vergelijkbaar met het programma Preventie met gezag?
Het programma Preventie met Gezag biedt jongeren, jongvolwassenen en hun gezinnen in een kwetsbare positie kansen en stelt grenzen om te voorkomen dat ze in de criminaliteit terechtkomen, daar verder in afglijden of in doorgroeien. Er wordt fors geïnvesteerd in die gebieden waar jongeren extra vatbaar kunnen zijn voor jeugdcriminaliteit en daar waar de veiligheid en leefbaarheid onder druk staat. Dat maakt dat ook op Caribisch Nederland middelen (zullen) worden aangewend voor de inzet van bewezen en kansrijke interventies.
De afgelopen jaren heeft de aandacht op Caribisch Nederland zich gericht op de bestendiging en intensivering van de preventieve gedragsinterventies «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB) en het «Leerorkest».9 Binnen de visie en doelen van deze gedragsinterventies speelt de betrokkenheid van de ouders een belangrijke rol. Bij deelname aan AJB of aan het Leerorkest worden ouders voorafgaand aan de start geïnformeerd over de werking van de interventie. Gedurende de interventieperiode worden ouders op de hoogte gehouden van de voortgang van hun kind. Verder worden de ouders uitgenodigd voor jaarlijkse evenementen, zoals het bijwonen van het (sport)eindtoernooi of het muziekoptreden van hun kind.
Hierna licht ik kort de interventies nog toe. AJB is een preventieve gedragsinterventie voor kwetsbare jongeren van 10 tot 18 jaar en heeft als doel overlastgevend en/of delinquent gedrag te voorkomen dan wel te verminderen. Jongeren krijgen een gestructureerde vrijetijdsbesteding door deelname aan een teamsport (voetbal, basketbal of honkbal) op een sportvereniging in de buurt van hun school, met begeleiding door specifiek geselecteerde en opgeleide trainers. AJB is in maart 2019 erkend door de Erkenningscommissie Justitiële Interventies als effectief volgens eerste aanwijzingen; AJB-deelnemers komen twee keer minder vaak in aanraking met de politie en worden drie keer minder vaak veroordeeld voor een misdrijf dan jongeren uit een controlegroep.
Het Leerorkest is gericht op kinderen van 8 tot 12 jaar en heeft tot doel gedragsverandering teweeg te brengen door een muzikaal en sociaalpedagogisch programma. Het richt zich op kwetsbare en beïnvloedbare kinderen uit achterstandswijken. Het Leerorkest werkt intensief samen met scholen en andere culturele en sociale partners. Wetenschappelijke onderzoeken tonen aan dat het maken van muziek (in het bijzonder met muziekinstrumenten) een sterke positieve invloed heeft op de ontwikkeling van de hersenfuncties die verantwoordelijk zijn voor het reguleren van impulsen, en zodoende de kans op het ontstaan van criminaliteit bij (kwetsbare) kinderen in de basis verkleint.
De gedragsinterventie AJB wordt toegepast op Curaçao, Aruba, Sint Maarten, Bonaire en Saba. Het Leerorkest wordt ingezet op Curaçao, Aruba, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Deze interventies worden (mede)gesubsidieerd door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Om jongeren die een overtreding hebben begaan op een doeltreffende manier te corrigeren en te voorkomen dat ze dieper in crimineel gedrag verzeild raken, wordt ook samengewerkt met de Voogdijraad Caribisch Nederland. Er wordt ingezet op een goede en onderbouwde advisering in strafzaken door de Voogdijraad Caribisch Nederland. Hiervoor is het van belang om te beschikken over een voor de doelgroep in Caribisch Nederland passend instrument voor risicotaxatie. Dit instrument is inmiddels ontwikkeld en wordt momenteel op kleine schaal getest. In oktober 2024 wordt de training over het gebruik gegeven en wordt het instrument geïmplementeerd. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Voogdijraad Caribisch Nederland werken ook verder aan het versterken van de uitvoering van de wettelijke taken van de organisatie, waaronder die van Halt. Daartoe worden de processen binnen de Voogdijraad en op de eilanden geoptimaliseerd en de kennis vergroot.
Hoe wordt het budget van 500.000 euro dat (naast de 200.000 euro per BES-eiland) jaarlijks beschikbaar is voor ramp- en crisisbeheersing besteed? Kan dit uitgebreid worden toegelicht?
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Kostenbesluit Veiligheidswet BES ontvangen de openbare lichamen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius jaarlijks een uitkering als bijdrage in de kosten die voor hen voortvloeien uit de organisatie van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing, en de brandweerzorg. Tot vorig jaar ontvingen de openbare lichamen jaarlijks in totaal € 300.000. Dus € 100.000 per openbaar lichaam en niet € 200.000 per openbaar lichaam, zoals in de vraag staat. Voor de versterking van de crisisbeheersing van de openbare lichamen zijn structureel extra middelen beschikbaar gesteld. In 2023 ging het om een bedrag van € 500.000 extra en met ingang van 2024 gaat het om ongeveer € 800.000 extra.
In 2023 hebben de openbare lichamen van deze extra beschikbare middelen van € 500.000 grond van artikel 3, eerste lid, van het Kostenbesluit Veiligheidswet BES ieder € 90.000,– ontvangen voor de organisatie van de rampenbestrijding, crisisbeheersing en brandweerzorg, waaronder voor reis- en verblijfkosten voor opleidingen, trainingen en oefeningen met andere eilanden. Bonaire kan deze bijdrage ook besteden aan waterpompen, veldbedden en uitrusting crisisbeheersing. Vrijwel het geheel van het resterende bedrag van € 230.000 is besteed aan boveneilandelijke initiatieven ter versterking van de crisisbeheersing en rampenbestrijding zoals het onderzoek naar een versterkte crisissamenwerking met de Caribische (ei)landen, de gezamenlijke organisatie met het Ministerie van BZK van de Week van de Crisisbeheersing Caribische delen van het Koninkrijk, de kosten van de projectleider voor het opzetten van een pool van crisisfunctionarissen ter versterking van de robuustheid van de crisisorganisaties van de openbare lichamen en de verkenning naar een Carribean Civil Protection Mechanism.
Wat is de stand van zaken met het gesprek met de BES-eilanden over de rol van de Rijksvertegenwoordiger in de crisisorganisatie in het licht van de conceptwet WOL BES waarmee deze functionaris komt te verdwijnen?
Wanneer het ambt van Rijksvertegenwoordiger verdwijnt, moeten zijn rol en taken in het kader van de crisisbeheersing worden herbelegd. Hierover spraken mijn ministerie, de openbare lichamen en de waarnemend Rijksvertegenwoordiger ambtelijk. Daarna zijn conceptwetswijzigingen voor de Veiligheidswet BES opgesteld, waarop de Openbare Lichamen afgelopen zomer in een consultatie formeel reageerden. Het openbaar lichaam Bonaire schrijft daarbij de nauwe ambtelijke betrokkenheid van de openbare lichamen als erg prettig te hebben ervaren en spreekt daarvoor zijn hartelijke dank uit. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid duidt de vier consultatiereacties als positief en constructief. Deze worden nu verwerkt. De formele reactie van de regering vindt plaats in het traject van het bredere wetsvoorstel tot herziening van de Wet openbare lichamen BES. Ondertussen zetten we de gesprekken over de uitvoering van de herbelegging van de taken voort, waarbij de consultatiereacties worden betrokken.
Wordt er over nagedacht of elementen uit de Wet tegemoetkoming schade bij rampen ook toepasselijk zouden moeten zijn op Bonaire, Saba en St. Eustatius, om ook een bepaalde vorm van tegemoetkoming bij rampen te organiseren? Zo niet, waarom niet?
Met de Wet tegemoetkoming schade bij rampen (Wts) kan de overheid in geval van een ramp gedupeerden onder bepaalde voorwaarden tegemoet te komen in de niet verhaalbare, niet vermijdbare en de niet redelijkerwijs verzekerbare materiële schade. De Wts wordt op dit moment geëvalueerd onder verantwoordelijkheid van het WODC. Onderzocht wordt of de Wts voldoende toekomstbestendig is, gelet op de bestaande en in ontwikkeling zijnde verzekeringsmogelijkheden met betrekking tot de thans onderkende gevolgen van klimaatverandering. Daarnaast is advies gevraagd of de (herziene) Wts ook van toepassing kan zijn in Caribisch Nederland of dat er sprake moet zijn van bijvoorbeeld afwijkende voorwaarden en reikwijdte. De uitkomsten van de evaluatie door het WODC worden dit najaar verwacht, een beleidsreactie volgt daarna.
Klopt het dat enkele bepalingen in de Wet beginselen gevangeniswezen BES verouderd zijn, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van beroep na beklag en het beperkte wettelijke recht om bezoek te ontvangen? Wordt er over modernisering nagedacht, wat is hierin de stand van zaken?
Het recht op bezoek is vastgelegd in het huishoudelijk regelement van de Justitiële Inrichting Caribisch Nederland (JICN). Hierin is opgenomen dat gedetineerden wekelijks één uur bezoek mogen ontvangen. Dit is daarmee in lijn met de Penitentiaire Beginselen Wet. Er is op dit moment geen mogelijkheid tot beroep na beklag. Zowel de JICN als de Commissie van Toezicht van de JICN geven aan dat hier geen behoefte aan is. De Raad voor de Rechtshandhaving heeft echter een aanbeveling gedaan om deze mogelijkheid wel vorm te geven. Om die reden wordt (opnieuw) verkend of en op welke wijze deze beroepsmogelijkheid ingevuld zou moeten worden. Ondertussen blijft het Ministerie van Justitie en Veiligheid samen met de JICN er op toezien dat klachten op correcte wijze worden afgehandeld.
Gegeven bovenstaande is een modernisering van de Wet beginselen gevangeniswezen BES op dit moment niet voorzien.
Klopt het dat het Verdrag van Boedapest inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken nog niet in volle omvang toegepast kan worden omdat er bepalingen in het strafrecht en in strafvordering aangepast zouden moeten worden voor de BES-eilanden? Hoe wordt er voor gezorgd dat dit Verdrag ook in de praktijk gebruikt kan worden?
Ja. Deze aanpassingen worden via het Wetboek van Strafvordering BES gedaan. Voor de laatste stand van zaken ten aanzien van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering BES verwijs ik u naar het antwoord bij vraag 29.
Waarom is er nog geen spreekrecht voor slachtoffers van misdrijven? Waarom kan de taakstraf nog niet als hoofdstraf worden opgelegd? Waarom is de boetebevoegdheid van de Algemene wet bestuursrecht nog niet geregeld voor Caribisch Nederland? Wat is de stand van zaken met de Wet Bibob op de BES? Wat is de stand van zaken ten aanzien van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering BES?
Kunt u de wetgevingsagenda BES op JenV aan de Kamer sturen? Bent u in gesprek met de BES-eilanden om te bespreken wat voor hen prioritaire wetgeving is? Bent u bereid de Kamer daar een terugkoppeling van te geven?
Voor de wetgevingsagenda BES op JenV verwijst het Ministerie van Justitie en Veiligheid kortheidshalve naar de nrs. 16 t/m 28 van de laatste update van het periodieke wetgevingsoverzicht Caribisch Nederland, die op 1 mei 2024 aan uw Kamer is toegezonden12. Op regelmatige basis worden op politiek en ambtelijk niveau met Caribisch Nederland wensen en prioriteiten besproken op het gebied van beleid en wetgeving op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Asiel en Migratie. Deze wensen vertalen zich in de vijfjaarlijkse Justitie en Veiligheid Beleidsagenda voor Caribisch Nederland en de jaarlijkse voortgangsbrief over deze beleidsagenda13 en in het voornoemde halfjaarlijkse periodieke wetgevingsoverzicht, die aan uw Kamer worden toegezonden.
Wat is uw reactie op de zorg dat rechtshulpverzoeken vanuit onder andere Bonaire lang blijven liggen in Europees Nederland?
Europees Nederland ontvangt jaarlijks een groot aantal rechtshulpverzoeken. Ieder verzoek dat wordt ontvangen, wordt behandeld met de grootst mogelijke snelheid en zorgvuldigheid. Door factoren als complexiteit van verzoeken, hoeveelheid van verzoeken en beperkte capaciteit is de uitvoering soms minder voortvarend dan gewenst.
In hoeverre wordt nu nagedacht over de uitvoering van een TBS-maatregel, de PIJ-maatregel en civielrechtelijke psychiatrische maatregelen op de BES-eilanden?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 11, heeft het JVO in 2024 ingestemd met een meerjarig programma Forensische Zorg en behandeling voor het Caribisch deel van het Koninkrijk.14 Met betrekking tot Caribisch Nederland wordt in dit kader de mogelijkheid verkend voor het opzetten van een kleinschalige voorziening voor klinische gesloten en/of besloten opnames. Bezien wordt ook op welke wijze dit aanpassing van wet- en regelgeving vraagt.
Hoe verhoudt de werkwijze van de Shared Service Organisatie (SSO) RCN zich tot de specifieke organisaties waar ze voor werkt, zoals bijvoorbeeld reikwijdte mandaat, invulling opdrachtgeverschap/behoeftestelling bij inkoop van materiaal etc.?
Binnen Caribisch Nederland zijn er een aantal uitvoeringsorganisaties die in de justitiële keten werkzaam zijn en gebruik maken van de diensten die geleverd worden door de SSO CN. Dit zijn de volgende organisaties: Brandweerkorps Caribisch Nederland (BKCN), JICN, Korps Politie Caribisch Nederland (KPCN), Openbaar Ministerie Bonaire, Sint Eustatius en Saba (OM BES), Commissie toezicht bescherming persoonsgegevens (CBP) BES en de Voogdijraad. Daarnaast neemt het Ministerie van Justitie en Veiligheid zelf ook nog een aantal werkplekken af bij de SSO CN. Vanuit het Ministerie van Asiel en Migratie maakt de IND gebruik van de diensten van de SSO CN.
De SSO CN is een shared service organisatie die te vergelijken valt met de shared service organisaties in Europees Nederland, bijvoorbeeld ssc-ict. De organisatie levert diensten op het gebied van de bedrijfsvoering. De aansturing van de SSO vindt plaats via het driehoeksmodel: eigenaar/opdrachtgever/opdrachtnemer. In het geval van de SSO CN betekent dit dat de eigenaar de plaatsvervangend Secretaris-Generaal van het Ministerie van Binnenlandse Zaken is. Het interdepartementale Directeurenoverleg Caribisch deel van het Koninkrijk fungeert als het centraal opdrachtgeversberaad voor de ondersteunende dienstverlening aan de RCN-diensten door de Shared Service Organisatie Caribisch Nederland (SSO-CN). De directeur Koninkrijksrelaties Caribisch Nederland fungeert als coördinerend opdrachtgever. De opdrachtnemer is de SSO CN op Bonaire voor heel Caribisch Nederland.
De uitvoeringsdiensten in Caribisch Nederland kennen een diensthoofdenoverleg met de SSO. Daar worden de lokale behoeften en afname van diensten besproken. Dit is te vergelijken met een soort van klantenraad. De diensten die de SSO CN aanbiedt aan de verschillende organisaties in Caribisch Nederland zijn opgenomen in een Producten- en Dienstencatalogus en in het kostprijsmodel wat sinds 2024 is geïmplementeerd. Dit model bestaat uit een drietal componenten waarop de dienstverlening van de SSO is gebaseerd, namelijk, 1) basisdienstverlening, 2) basisplus dienstverlening, en 3) projecten/specifiek. De kostprijs per dienstverlening is onderdeel van de begrotingscyclus van de SSO CN. De begroting van de SSO CN en de tarieven, worden in de bestuurlijke driehoeks-gesprekken vastgesteld, nadat de opdrachtgevers zijn gehoord.
De dienstverlening vanuit de SSO CN is voor de uitvoerende diensten nog niet allesomvattend. Voor bijvoorbeeld de huisvesting is ook de Rijksvastgoedbedrijf nog een speler in Caribisch Nederland. Zo komen er soms voor huisvestingskosten, aanpassingen in de vergaderzalen/kantoren, ook nog aparte rekeningen van het Rijksvastgoedbedrijf terecht bij de uitvoeringsdiensten.
Bent u bekend met de zorgen over het materiaal van het Brandweerkorps Caribisch Nederland, dat eerder slijt vanwege het klimaat en duurder is om naar de BES-eilanden te laten komen? Bent u ook bekend met het tekort aan personeel bij de brandweer, alsmede de zorgen over de pensioenleeftijd? Wat is uw reactie hierop?
Ik ben bekend met de negatieve effecten van het klimaat in Caribisch Nederland op materialen en gebouwen en dat door onder andere vervoerskosten aanschaf duurder is. Door meerjarige planvorming van het beheer van het grootmaterieel wordt hier bij BKCN rekening mee gehouden.
Hoewel er vacatures open staan bij BKCN, is er geen sprake van een tekort aan personeel voor de noodzakelijke bezetting. Onder verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3 geldt ook voor BKCN dat werving van gekwalificeerd personeel een uitdaging is door bijvoorbeeld een krappe arbeidsmarkt en taalbarrières. Ik ben bekend met de zorgen om de pensioenleeftijd en dit heeft onze aandacht. Zo is levensloopbestendig personeelsbeleid een onderwerp dat wordt besproken aan de sectortafel CN, met bijzondere aandacht voor de organisaties met 24-uurs diensten.
Wat is de stand van zaken met de wens om meer en beter gegevens uit te wisselen in het algemeen en in het bijzonder ten behoeve van de Multidisciplinaire Maritieme Hub Bonaire (MMHB) en de wetgeving hiervan?
De Wet bescherming persoonsgegevens BES biedt de mogelijkheid om strafrechtelijke gegevens uit te wisselen en te verwerken, voor zover de verwerking geschiedt door organisaties die belast zijn met strafrechtelijke handhaving. Dit biedt voldoende handvatten om ook binnen de MMHB strafrechtelijke gegevens uit te wisselen. Enkele wetten, zoals bijvoorbeeld de Douane- en Accijnswet BES, kennen striktere regels ten opzichte van de Nederlandse regelgeving t.a.v. uitwisselen van andere gegevens. Dit belemmert een effectieve samenwerking en bestrijding van thema’s.
Wat is uw reactie op de zorgen over de personele tekorten voor deze Maritieme Hub en de structurele investeringen in personeel die hiervoor nodig zouden zijn?
Zoals in antwoord 1 is aangegeven kampen de in de MMHB verenigde diensten met een beperkte capaciteit en met onderbezetting. Daarnaast is de inzet van het kabinet erop gericht de diensten te versterken en maatregelen te treffen de gevolgen van de onderbezetting te mitigeren.
Herkent u de zorgen op met name Bonaire over de explosieve en de ongeremde bevolkingstoename in de afgelopen jaren, onder andere veroorzaakt door forse migratie vanuit Europees Nederland, met allerlei gevolgen in de samenleving – zoals ontoereikende voorzieningen, verdringing, hogere huurprijzen – en de identiteit en cultuur van Bonaire? Wat is uw inhoudelijke reactie hierop?
De zorgen over de bevolkingstoename op met name Bonaire in de afgelopen jaren zijn bekend. Dit is bijvoorbeeld ook uit het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen Caribisch Nederland 205015 gekomen. In de afgelopen periode is dit vraagstuk op diverse niveaus met de verschillende partijen en openbare lichamen in CN besproken. In de reactie op het rapport van de Raad voor de Rechtshandhaving over het vreemdelingenbeleid in CN is aangegeven dat in samenspraak met verschillende partijen, onder andere met de openbare lichamen, een meerjarige «Integrale beleidsvisie Caribisch Nederland 2035» tot stand is gekomen.16
In deze visie is aangegeven dat voor het bewerkstelligen van een beter gereguleerde en beheersbare groei een integrale aanpak essentieel is. Hierbij is zicht nodig op migratiestromen en verschillende instrumenten die onderdeel zijn van het bereiken van een beheersbare groei. In de visie wordt een aantal mogelijke maatregelen benoemd die moeten bijdragen aan gereguleerde en daarmee duurzame groei. Denk hierbij aan inzetten op het vergroten van de toezicht- en handhavingscapaciteit, het uitbreiden van bestuurlijke bevoegdheden, de introductie van een lokale huisvestingsverordening, het aanpassen van het ruimtelijke ordeningsplan, aanpassing van het beleid ten aanzien van de afgifte van bouw- en vestigingsvergunningen en het expliciteren van maatschappelijke en sociaaleconomische binding als voorwaarde in het kader van toelating.
Kunt u inzicht verschaffen in deze bevolkingstoename in de afgelopen vijf jaar en aangeven hoeveel daarvan in percentages wordt veroorzaakt door Europese Nederlanders, Amerikanen, Venezolanen en anderen?
Voor het meest recente inzicht in de bevolkingsontwikkeling van de afgelopen jaren (waaronder de bevolkingstoename veroorzaakt door migratie(bewegingen)) verwijs ik u graag naar het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen Caribisch Nederland 2050, hoofdstuk 3 «Drijvende krachten achter demografische ontwikkelingen», paragraaf 3.2 «Migratie» (p. 47–59)17. De Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 geeft in dit hoofdstuk van het rapport een goed overzicht van migratiebewegingen binnen het Caribisch deel van het Koninkrijk, migratie van en naar Europees Nederland én migratie vanuit de Caribische regio en Midden- en Zuid-Amerika. Een kabinetsreactie op dit rapport volgt in het voorjaar 2025.
Wat is de stand van zaken met de herziening van de Wet Toelating en Uitzetting BES? Kan de Kamer hierover zoveel mogelijk inhoudelijk en procedureel geïnformeerd worden? Wanneer zal deze herziening naar verwachting gereed zijn?
Naar aanleiding van de evaluatie van de Wet Toelating en Uitzetting BES in 2018 zijn eerste conceptteksten van de Wet Toelating en Uitzetting BES en het Besluit Toelating en Uitzetting BES opgesteld. Deze conceptteksten bevatten voornamelijk wetstechnische aanpassingen, waarmee meer handvatten worden gecreëerd om de werkprocessen beter in te richten dan wel te optimaliseren. De startdatum van de formele consultatie is nog niet vastgesteld. Daarnaast hebben onder meer verschillende ketenpartners binnen de vreemdelingenketen in Caribisch Nederland nadere beleidsinhoudelijke wensen tot aanpassing van de vreemdelingenwet- en regelgeving in Caribisch Nederland gedeeld. Op basis van deze beleidswensen worden op dit moment verschillende beleidsvoorstellen nader uitgewerkt in samenspraak met verschillende lokale (keten)partners.
Op basis van de voornemens en ambities die volgen uit het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma, zullen de benodigde wetgevingsinspanningen geprioriteerd worden. Uw Kamer zal op de gebruikelijke wijze inhoudelijk en procedureel geïnformeerd worden over de herziening van de Wet Toelating en Uitzetting BES.
Kunt u in kaart brengen welke toelagen beschikbaar zijn voor mensen en hun partner die vanuit Europees Nederland in overheidsdienst (via Rijksdienst Caribisch Nederland) gaan werken? Wat gebeurt er met die toelage als de partner zelf ook aan het werk gaat?
Medewerkers die in dienst zijn van de Rijksdienst Caribisch Nederland hebben een eigen rechtspositie, die los staat van de CAO Rijk. Voor Rijksambtenaren die voor korte of langere periode, al dan niet vergezeld van het gezin, worden uitgezonden naar het Caribisch deel van het Koninkrijk gelden regelingen die voorzien in de vergoeding van de te maken kosten die met de uitzending gepaard gaan. Deze regelingen zijn opgenomen in de CAO Rijk (hoofdstuk 25). In de voorziening wordt rekening gehouden met de gezinssituatie. Of de partner al dan niet werkt heeft op deze voorziening geen invloed.
Kunt u deze vragen uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat over de Justitieketen van het Caribisch deel van het Koninkrijk beantwoorden?
Ja.
De voorgenomen sluiting van het politiebureau in Wolvega |
|
Ingrid Michon (VVD), Lilian Helder (PVV), Derk Boswijk (CDA), Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Herinnert u zich uw antwoorden op de eerdere vragen van bovengenoemde leden over hetzelfde onderwerp (ingezonden op 5 juli 2024, antwoorden ontvangen op 25 juli 2024)?
Ja
Kunt u onderbouwen op grond waarvan de politie (blijkbaar al in 2014, wat u in uw antwoord noemt) tot haar keuze is gekomen het nog in 2008/2009 nieuw opgeleverde bureau in Wolvega te willen sluiten? Waaruit blijkt dat die keuze toen al gemaakt is?
In 2014 zijn er in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) afspraken gemaakt over het meerjarig huisvestingsplan. In dit overleg zijn de Regioburgemeesters vertegenwoordigd. Op 23 februari 2015 is uw Kamer geïnformeerd over de huisvestingslocaties die per eenheid zijn benoemd in het meerjarige huisvestingsplan.
De verdeling in het meerjarig huisvestingsplan is gekoppeld aan het streven om één teambureau te hebben voor ieder basisteam, waar nodig, ondersteund met politieposten. Deze beweging is, sinds 2015, geleidelijk aan ingezet en past bij veranderingen in de dienstverlening van de politie (meer digitaal) en het gebiedsgebonden politiewerk (meer mobiel op straat). De keuze om een politiebureau te sluiten maakt ruimte vrij voor meer «blauw» op straat. Bemensing van een locatie vraagt capaciteit, die op dat moment niet beschikbaar is voor de dienstverlening in de wijken.
In de bijlage bij de brief van 23 februari 2015 staat dat in de periode tot 2025 een aanpassing zal plaatsvinden van een eigen teambureau naar een steunpunt in Wolvega en Oosterwolde (politieposten) en een teambureau in Heerenveen. Voor de transitie is de tijd genomen. Nu het moment komt van sluiting en transformatie naar een politiepost zal ook het gesprek plaatsvinden over de locatie van de politiepost in Wolvega.
Deelt u de mening dat op basis van de passage uit het Hoofdlijnenakkoord over meer aanwezigheid van politieposten in wijken, buurten en regio’s, het rapport «Elke regio telt» (Raad voor de leefomgeving en infrastructuur e.a., 2023), de uitkomsten van het onderzoek «Ondermijning in Fryslân" (Van der Torre e.a., 2024) en de notitie «De verantwoordelijkheid van de nationale politie ter discussie (The Hague Centre for Strategic Studies, 10 juli 2024) het kiezen voor het openblijven van een volwaardig politiebureau in Wolvega een logische keuze is? Zo ja, kan dan alsnog op de gemaakte keuze van sluiting worden teruggekomen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe duidt u dan de genoemde passage en de conclusies in de genoemde publicaties in het licht van de voorgenomen sluiting?
Keuzes over welke politiebureaus of posten die worden toegevoegd, geopend blijven of sluiten is een verantwoordelijkheid van de politie. Bij de keuze van de locaties voor politiebureaus en politieposten wordt rekening gehouden met de veiligheidssituatie, spreiding en aanrijtijden. Daarnaast spelen ook overwegingen als doeltreffendheid en doelmatigheid alsook de kwaliteit van het politiewerk en de kwaliteit van de dienstverlening een rol. De benoemde passage uit het hoofdlijnenakkoord en rapporten ondersteunen onder meer het belang van de landelijke spreiding en dat de regio-overschrijdende problematiek vraagt om samenwerking.
Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, maakt de transformatie naar een nieuwe kleinere politiepost in Wolvega onderdeel uit van een beweging die in 2015 is ingezet om in het huisvestingsbeleid te laten aansluiten op ontwikkelingen binnen de dienstverlening van politie en het gebiedsgebonden politiewerk. Deze ontwikkelingen zijn onveranderd actueel. Zo vindt de dienstverlening steeds meer online en/of buiten de traditionele politiebureaus plaats en zijn agenten minder gebonden aan een fysieke politielocatie door het beschikbaar komen van digitale middelen voor het werken op straat. Deze transformatie draagt eraan bij dat de politie meer tijd op straat aanwezig is.
Om die reden ligt het niet in de rede om terug te komen op de voor de locatie Wolvega gemaakte huisvestingskeuze.
Betekent de passage uit uw eerdere antwoord (vraag 4) dat de nieuwe politiepost «op een goed toegankelijke plaats in een gebouw bij een ketenpartner» komt, dat het al bekend is over welke locatie het gaat of dat daar zicht op is? Zo ja, bij welke ketenpartner komt die politiepost en op welke termijn? Zo nee, hoe moet uw antwoord dan wel geduid worden?
Er is nog geen definitief besluit genomen door de politie over een concrete locatie. Er is ook nog geen lijst van opties besproken. Bij de locatiekeuze spelen de kansen voor de dienstverlening en samenwerking tussen politie en de betreffende ketenpartner een belangrijke rol. Dit kan leiden tot een politiepost in een gemeentekantoor en samenwerking met de BOA’s, maar bijvoorbeeld ook bij een woningcorporatie. Om de politiepost in Wolvega eind 2025 in gebruik te kunnen nemen wordt binnenkort samen met de gemeente Weststellingwerf gestart met een inventarisatie van de opties.
Kunt u onderbouwen hoe met een transformatie van een politiebureau naar een politiepost klein ertoe gaat leiden dat er netto meer blauw op straat komt in Wolvega en Weststellingwerf?
Fysieke locaties zijn er in algemene zin om het politiewerk op straat en in de wijk te ondersteunen. Deze fysieke locaties hebben daarbij verschillende functies, waaronder het faciliteren van contact met burgers en partners, maar ook administratieve afwerking, opkomstlocatie en briefing. De hoeveelheid en het soort politielocaties moeten daarom vooral worden bezien vanuit deze behoefte.
In het basisteam Zuidoost-Fryslân levert de verdeling van een teambureau in Heerenveen en een politiepost in Oosterwolde en een politiepost in Wolvega een ondersteuning die aansluit op de ontwikkeling van de dienstverlening. Door samenvoeging van opkomstlocaties is minder capaciteit nodig voor de bedrijfsvoering en dus meer mogelijkheid voor de politie om op straat aanwezig te zijn. Bemensing van een locatie vraagt capaciteit, die op dat moment niet beschikbaar is voor de dienstverlening in de wijken.
De politie investeert in een wendbare organisatie met meer mobiele vormen van werken. Dit draagt bij aan de mogelijkheden van operationele politiemensen als wijkagenten om meer aanwezig te zijn in hun wijk en zo weer meer tijd krijgen voor hun werk op straat.
Kunt u in dit verband ook reflecteren op het feit dat de agenten die hun dienst nu in Wolvega starten, dat straks in Heerenveen of Oosterwolde moeten doen en dat dat hen per dienst minimaal een halfuur (Heerenveen) of een uur (Oosterwolde) aan reistijd van standplaats naar werkgebied kost? Hoe verhoudt zich dit tot uw opmerking over meer blauw op straat?
Het is correct dat volgens het huidige plan Wolvega geen opkomstlocatie meer zal zijn. Het basisteam Zuidoost-Fryslân bedient drie gemeenten voor zowel incidentafhandeling als andere vormen van politiewerk. De aanwezigheid verdeeld over de drie gemeenten is een operationeel sturingsvraagstuk gekoppeld aan actuele aandachtsgebieden en spreiding van de aanwezigheid.
De aanwezigheid in alle drie de gemeenten zorgt ervoor dat de politie met spoed kan reageren op meldingen. Dat is niet per definitie vanuit één van de politielocaties, maar vanaf de locatie waar tot dat moment een surveillance of noodhulpeenheid aan het werk is. Het basisteam Zuidoost Fryslân beslaat een gebied waarbinnen de maximale reistijden per auto tussen de politielocaties en de grens van het gebied liggen tussen de 10 en 15 minuten.
Bij de keuze van de locaties voor politiebureaus en politieposten wordt rekening gehouden met de veiligheidssituatie, spreiding en aanrijtijden.
Op welke wijze wordt overleg gevoerd tussen de politie en het lokaal gezag over deze kwestie?
In het Regionaal Bestuurlijk Politie Overleg, waaraan de burgemeesters van de 40 gemeenten in Noord-Nederland en hoofdofficier van Justitie in Noord-Nederland deelnemen, komt de aanpassing van politielocaties regelmatig aan de orde. De basis is de dienstverlening door de politie, waarbij er voortdurend sprake is van ontwikkelingen. De eenheidsleiding van de politie-eenheid Noord-Nederland heeft aan de burgemeester een toelichting gegeven over de effecten voor het basisteam Zuidoost Fryslân. Dergelijke gesprekken hebben plaatsgevonden in juni 2023 en in juni en juli 2024. Daarnaast vinden er reguliere operationele overleggen plaats met de burgemeester waaronder het overleg in de driehoek. Die gesprekken gingen ook over de invulling van het besluit om het huidige teambureau te sluiten en een politiepost te openen.
Wat is de status van het Huisvestingsplan? Wordt dat gedeeld met de burgemeesters? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2
Welk bezwaar zou er kunnen bestaan tegen het openhouden van het politiebureau in Wolvega als de gemeente Weststellingwerf bereid is om het probleem van de huisvestingskosten over te nemen?
Keuzes over welke politiebureaus of posten die worden toegevoegd, geopend blijven of sluiten is een verantwoordelijkheid van de politie. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 2, sluit het huisvestingsbeleid aan bij veranderingen in de dienstverlening van de politie (meer digitaal) en het gebiedsgebonden politiewerk (meer mobiel op straat). Het openhouden van de bestaande locatie, via bijvoorbeeld het verkopen aan en weer terug huren van de gemeente Weststellingwerf, past niet binnen de ingezette beweging en de organisatieontwikkeling van de politie.
Zelfs als de gemeente de huisvestingskosten van de politie voor haar rekening neemt, moet de politie voor de bemensing van het bureau zorgen. Dat doet afbreuk aan het idee achter de nieuwe huisvestingsopzet voor het basisteam Zuidoost Fryslân met één teambureau in Heerenveen en twee politieposten in Wolvega en Oosterwolde, waardoor politiemensen meer op straat en in de wijk kunnen werken.
Wat is de stand van zaken betreffende het voornemen uit het Hoofdlijnenakkoord, dat er «meer zichtbare aanwezigheid en meer politie en politieposten in wijken, in buurten in de regio» gaan komen? Wordt dit voornemen in het regeerakkoord concreet en met afrekenbare doelen uitgewerkt? Zo nee, waarom niet?
In het regeerprogramma worden aanvullend middelen vrijgemaakt voor het openen van innovatieve politieloketten op nieuwe en bestaande locaties, zoals stadhuizen, stations en ziekenhuizen. Burgers kunnen daar laagdrempelig in contact komen met de politie door bijvoorbeeld online aangifte te doen of een melding te doen via videobellen. De verwachting is dat deze manieren van werken op termijn mogelijk maken dat operationele politiemensen, zoals wijkagenten, meer tijd krijgen voor het werk op straat. Dit nieuwe concept wordt via pilots nader uitgewerkt, de eerste pilot is reeds gestart.
Het bericht ‘Politie maakt einde aan blokkade sluizen IJmuiden door XR’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
David van Weel (minister ) |
|
![]() |
Kent u het bericht «Politie maakt einde aan blokkade sluizen IJmuiden door XR»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over een dergelijke blokkade? Is dit volgens u een vreedzame demonstratie? Zo ja, waarom?
De burgemeester is verantwoordelijk voor het faciliteren van demonstraties en daarmee ook voor de beoordeling of er sprake is van een vreedzame demonstratie. Hierover legt de burgemeester desgevraagd verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om te oordelen over specifieke demonstraties.
In het algemeen – los van deze demonstratie in IJmuiden – is voor dit kabinet belangrijk dat scherper onderscheid wordt gemaakt tussen (vreedzaam) demonstreren en orde verstorende acties, zoals aangegeven in het regeerprogramma. Demonstreren is een grondrecht, en daarbij wordt van autoriteiten een zekere mate van tolerantie gevraagd. Maar wanordelijkheden, bedreigingen tegen anderen of openbaar geweld waarbij demonstranten over de grenzen van het strafrecht heen gaan is onacceptabel.
Kunt u aangeven wat de economische schade is van deze drie blokkades in korte tijd, nu een dergelijke blokkade voor langere tijd alle scheepvaart van en naar het Noordzeekanaal en dus de haven van Amsterdam ernstig heeft gehinderd?
Het is duidelijk dat deze blokkades hebben gezorgd voor hinder voor het scheepvaartverkeer. Wat hiervan precies de economische schade is, is niet te zeggen.
Wat is het juridisch kader geweest op basis waarvan de politie de blokkade heeft beëindigd? Waarom trad de politie niet eerder op?
Ik heb begrepen dat de burgemeester van de gemeente Velzen de blokkade heeft beëindigd op grond van artikel 7 van de Wet openbare manifestaties. Dit is gebeurd in het belang van het verkeer, in dit geval het scheepvaartverkeer, aangezien de vaarweg volledig geblokkeerd werd door het bezetten van de Noordersluis en de Zeesluis IJmuiden. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid of aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om te oordelen over de wijze waarop er is ingegrepen en waarom dat niet eerder of later is gedaan.
Heeft het bevoegd gezag in uw ogen voldoende juridische kaders om op te treden tegen ordeverstorende acties bij kritische infrastructuur met grote maatschappelijke en economische schade als gevolg? Zo nee, welke actie wordt er ondernomen om ervoor te zorgen dat de lijn tussen demonstratierecht en ordeverstorende acties beter wordt bewaakt?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld, wordt de Wet openbare manifestaties over het algemeen als toereikend ervaren.2 Wel is daarbij benoemd dat het in goede banen leiden van demonstraties steeds meer een uitdaging vormt voor gemeenten, politie en Openbaar Ministerie vanwege het toenemend aantal demonstraties en nieuwe protestvormen waarbij soms bewust de grenzen van het recht worden gezocht en overschreden. Dit leidt onder andere tot een groot beslag op schaarse politiecapaciteit, waardoor de politie minder toekomt aan andere basistaken.
In de Kamerbrief van 19 april jl. heeft het vorige kabinet uw Kamer laten weten dat in de gebeurtenissen van de voorafgaande periode aanleiding is gezien om mogelijkheden te onderzoeken voor een versteviging van het handelingsperspectief van alle betrokkenen en voor de bestendigheid van het wettelijke kader.3 Bij beantwoording van vragen 14, 15 en 16 ga ik nader in op dit onderzoek.
Ook wordt u verwezen naar het regeerprogramma dat op 13 september 2024 naar de Kamer is gestuurd. De invulling zal in belangrijke mate gebaseerd worden op de uitkomsten van het aangekondigde onderzoek dat via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) zal worden uitgezet (zie verder vraag 13, 15 en 16). Het is in de tussentijd belangrijk dat we wel al op korte termijn tot een brede dialoog komen over de maatschappelijke effecten van de verschillende wijzen waarop in Nederland gedemonstreerd wordt en het gewenste optreden van de overheid daarbij. Welke spanningen ervaren verschillende betrokkenen? Wat vinden we als maatschappij wenselijk en acceptabel? En hoe waarborgen we tegelijkertijd het demonstratierecht, als fundamenteel onderdeel van onze democratische rechtsstaat?
Hoeveel politiecapaciteit was nodig bij deze blokkade?
Bij de blokkade van 18 augustus 2024 zijn 22 politiefunctionarissen ingezet.
Waren er bij de beëindiging van de blokkade knelpunten ten aanzien van de identificatie van degenen die de sluizen blokkeerden? Zo ja, welke stappen onderneemt u om de identificatie en registratie van mensen die de openbare orde verstoren te bevorderen?
Politiefunctionarissen zijn bevoegd om inzage van een identiteitsbewijs te vorderen voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak. Dit houdt in dat er een concrete aanleiding moet zijn en er een afweging gemaakt moet worden op basis van de omstandigheden van de betreffende demonstratie, met inachtneming van de aanwijzingen van het lokaal gezag. Zie de nadere toelichting in de Kamerbrief van 12 december 2023.4
Ik heb begrepen dat in dit geval geen sprake is geweest van knelpunten maar van een bewuste afweging door het lokaal gezag om – gegeven het bovengenoemde kader – geen gebruik te maken van deze bevoegdheid.
Klopt het dat er bij de blokkades van afgelopen zondag niemand is aangehouden? Zo ja, waarom is er niemand aangehouden?
Ja. Ik heb begrepen dat, in lijn met de vooraf door de lokale driehoek vastgestelde beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzen, de demonstranten na het beëindigen van de demonstratie bestuurlijk zijn opgehouden en vervolgens zijn verplaatst naar treinstation Driehuis.
In hoeverre zijn er mogelijkheden voor partijen die schade hebben geleden als gevolg van de blokkade om die te verhalen op degenen die deelnamen aan de blokkade?
Partijen die schade hebben geleden als gevolg van de blokkade kunnen zich wenden tot de burgerlijke rechter met een civiele vordering.
Kunt u bevestigen dat er in 2024 en komende jaren vanuit de Rijksoverheid geen subsidies worden verstrekt aan organisaties die grootschalige ordeverstorende acties organiseren of financieren?
In antwoord op eerdere vragen van de Kamer heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid geen subsidie verstrekt aan Extinction Rebellion. Blijkens het openbare overzicht van het Ministerie van Financiën heeft Extinction Rebellion ook geen middelen ontvangen uit de Rijksbegroting.5 Het voert te ver om in ruimere zin uitspraken te doen over toekomstige subsidieverlening vanuit de Rijksoverheid aan organisaties die betrokken zijn bij grootschalige orde verstorende acties. Naast het feit dat op voorhand niet te objectiveren valt bij wat voor soort protestacties en welke mate van betrokkenheid dit aan de orde zou zijn, moeten subsidieverzoeken binnen het kader van de desbetreffende regelingen worden beoordeeld door het verantwoordelijke bestuursorgaan. Daar kan ik als Minister van Justitie en Veiligheid niet in treden.
Hoe gaat u invulling geven aan de afspraak uit het Hoofdlijnenakkoord «er wordt scherper onderscheid gemaakt tussen (vreedzaam) demonstreren en ordeverstorende acties»?
Bij het antwoord op vraag 5 bent u al gewezen op het regeerprogramma dat op 13 september 2024 naar de Kamer is gestuurd. De invulling zal in belangrijke mate gebaseerd worden op de uitkomsten van het aangekondigde onderzoek dat via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) zal worden uitgezet (zie verder vraag 13, 15 en 16). Het is in de tussentijd belangrijk dat we wel al op korte termijn tot een brede dialoog komen over de maatschappelijke effecten van de verschillende wijzen waarop in Nederland gedemonstreerd wordt en het gewenste optreden van de overheid daarbij.
Kunt u in gesprek gaan met politie, Openbaar Ministerie (OM) en burgemeesters om te bezien hoe de politie in de toekomst slagvaardiger kan optreden bij grootschalige ordeverstorende acties?
Zie antwoord vraag 11.
Wat is de stand van zaken van het door het vorige kabinet aangekondigde onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) naar de grenzen van het demonstratierecht (onderzoek naar mogelijkheden voor een versteviging van het handelingsperspectief van alle betrokkenen en voor de bestendigheid van het wettelijke kader)?
De gunning van het onderzoek vindt dit najaar plaats. Vervolgens zal met het onderzoek worden gestart. Het streven is dat het onderzoek in de zomer van 2025 gereed is.
Wat is de stand van zaken van het onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid naar de verwachtingen van politieoptreden bij demonstraties?
De Inspectie Justitie en Veiligheid is nog bezig met het onderzoek naar demonstraties. In het onderzoek verzamelt de Inspectie informatie vanuit verschillende perspectieven op de functie van de politie bij demonstraties. Naast interviews met de politie worden bijvoorbeeld ook actiegroepen gesproken, burgerpanel geraadpleegd en stakeholders betrokken. Op dit moment is de Inspectie bezig met het analyseren van de informatie en schrijven van de rapportage.
Bent u ermee bekend dat in het Verenigd Koninkrijk, waar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geldt en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bindend zijn, wél een onderscheid wordt gemaakt tussen demonstraties en openbare-ordeverstoringen door invoering van de Public Order Act?2 Bent u bereid dergelijke wetgeving voor te bereiden voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
In opvolging van de Kamerbrief van 19 april jl.8 is het voornemen om een internationaal rechtsvergelijkend onderzoek onderdeel uit te laten maken van het WODC-onderzoek. Hierbij is het voornemen om specifiek te kijken naar het stelsel in het Verenigd Koninkrijk en andere ander Europese landen, waarbij het onderzoeksopzet van Duitsland als voorbeeld is genoemd.
Bent u ermee bekend dat in Duitsland, waar het EVRM geldt en de uitspraken van het EHRM bindend zijn, wél een onderscheid wordt gemaakt tussen demonstraties en openbare-ordeverstoringen door blokkades op vliegvelden apart strafbaar te stellen?3 Bent u bereid dergelijke wetgeving voor te bereiden voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 15.
Het bericht over online video’s die in de trein worden gemaakt voor pornoplatforms. |
|
Ingrid Michon (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
David van Weel (minister ) , Chris Jansen (PVV) |
|
![]() |
Bent u bekend met het nieuwsbericht «Zeker honderd video's van «treinrukkers» op pornoplatforms: «Walgelijk en onacceptabel»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u deze trend, gezien de impact die dit heeft op reizigers en op veilig reizen?
Het is zorgelijk dat er video’s met een seksuele aard worden opgenomen in treinen. Dit is ongepast, strafbaar en kan gevolgen hebben voor het veiligheidsgevoel van reizigers en OV-personeel. Het veiligheidsgevoel in het OV is een van de prioriteiten voor dit kabinet. Reizigers en personeel moeten met een veilig gevoel gebruik kunnen maken van en werken in ons openbaar vervoer.
Bent u ervan op de hoogte dat hier sprake is van een trend, zoals in het artikel en in het item van het NOS-journaal hierover wordt gemeld?
De NS geeft aan dat het aantal meldingen van seksueel niet-fysiek intimiderend gedrag, waaronder meldingen van mensen die masturberen, de afgelopen jaren stabiel is gebleven en dat daaruit dus geen toenemende trend is af te lezen. De omvang en ontwikkeling van dit probleem is echter niet altijd gemakkelijk vast te stellen. Indien er op het moment zelf (gelukkig) geen reizigers of OV-personeel aanwezig zijn in het bewuste treinstel, kan er dus ook geen melding van worden gemaakt. Wanneer de video online geplaatst wordt, kan hiervan melding of aangifte worden gedaan bij de politie.
Deelt u de mening dat dit onacceptabel is, ook omdat nietsvermoedende treinreizigers een rol spelen in pornografisch materiaal?
Ja.
Deelt u de mening dat met de huidige bepalingen in het Wetboek van Strafrecht de daders zijn aan te pakken en zo ja, deelt u de mening dat hiertegen opgetreden moet worden?
Ja, met de huidige strafbaarstellingen van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kunnen daders worden aangepakt. Het verrichten van seksuele handelingen met jezelf in het openbaar vervoer, zoals in een treincoupé, zal in het algemeen strafbaar zijn op grond van het delict dat is strafbaar gesteld in artikel 254b Sr. Dit misdrijf strekt zich uit tot het opzettelijk in het openbaar – waaronder begrepen voor het publiek, tegen betaling, op toegankelijke plaatsen2 – verrichten van handelingen die aanstootgevend zijn voor de eerbaarheid. Bij seksuele benadering van andere treinreizigers kan, afhankelijk van de aard van de precieze gedraging, bijvoorbeeld sprake zijn van seksuele intimidatie (strafbaar gesteld in artikel 429ter Sr) of een vorm van aanranding (strafbaar gesteld in artikel 241 Sr).
Vanzelfsprekend wordt eveneens de mening gedeeld dat tegen het genoemde gedrag, dat gevolgen heeft voor de veiligheidsgevoelens van reizigers en NS-personeel, moet worden opgetreden. Hiervoor is inzet vanuit verschillende bij de sociale veiligheid in het OV betrokken partijen, met ieder zijn eigen rol en verantwoordelijkheden, benodigd.
Wat is de inzet van politie hierop, al dan niet in samenwerking met de boa's van de Nederlandse Spoorwegen (NS)?
De NS kent als vervoersbedrijf een primaire verantwoordelijkheid ten aanzien van het bevorderen van de veiligheid in het OV. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het nemen van preventieve maatregelen of het in gesprek treden met partijen als de politie en het OM om te komen tot een effectieve aanpak ten behoeve van de veiligheid.
De boa’s van de NS, en boa’s in het algemeen, kennen een beperkte opsporingsbevoegdheid. In de domeinlijsten van het betreffende domein waartoe de boa behoort, domein IV in dit geval, zijn (maximale) bevoegdheden en taken waarover de boa kan beschikken, opgenomen. De handhaving van strafrechtelijke gedragingen zoals in artikel 254b Sr3 benoemd, valt hier onder. Voor strafrechtelijk optreden bij meldingen van seksuele intimidatie of aanstootgevend gedrag dat niet valt onder het genoemde artikel moet de politie worden ingelicht.
De NS laat weten dat op het moment dat het personeel, breder dan de boa’s, een dergelijke situatie op heterdaad constateert, hij dit gedrag altijd bij de politie meldt. De politie kan vervolgens onderzoek doen naar het incident. Hetzelfde gebeurt als reizigers een melding maken bij het personeel van de NS. De overtredende reiziger wordt daarnaast door de NS een reis- of verblijfsverbod opgelegd. De NS geeft aan dat er een goede samenwerking is met de politie en dat er waar nodig ook gebruik wordt gemaakt van camerabeelden uit de trein. Als blijkt dat er sprake is van toenemende overlast op bepaalde trajecten of tijdstippen zal de NS gebruik maken van live cameratoezicht.
Het optreden tegen online video’s is lastig. Als de NS een online video constateert met strafbare of onrechtmatige inhoud, dan treedt zij in overleg met de politie over de mogelijkheden van handhaving en opsporing. In het geval er in de video’s opsporingsindicaties worden gevonden kan er tegen de persoon worden opgetreden. Dit is bijvoorbeeld twee jaar geleden gebeurd in Hoorn, waar een man meermaals in het bijzijn van vrouwelijke en minderjarige reizigers masturbeerde.4 De ervaring leert echter dat de filmpjes doorgaans weinig aanknopingspunten bevatten om de identiteit van de dader te achterhalen.
Wat is de inzet van het Openbaar Ministerie (OM) hierop?
Het is aan de NS om aangifte te doen. Mocht hiertoe worden overgegaan, dan zal het OM deze aangifte beoordelen om te bezien of al dan niet tot vervolging kan worden overgegaan.
Hoe vaak heeft de NS hiervan aangifte gedaan in 2023 en tot nu toe in 2024? En klopt het dat de NS het beleid heeft altijd aangifte te doen?
De NS laat weten dat het als bedrijf zelden aangifte doet van online video’s, omdat het in de regel aan het slachtoffer (de reiziger of de medewerker) is om aangifte te doen bij de politie. De NS stimuleert reizigers en haar personeel om bij strafbare incidenten altijd aangifte te doen. Het personeel van de NS wordt hierbij ondersteund en kan de aangifte onder werktijd doen. De NS heeft van 2023 tot nu geen aangifte gedaan van dergelijke incidenten. Voor zedengerelateerde feiten werd enkele keren aangifte gedaan door NS-personeel, maar deze feiten betreffen een breder begrip dan het maken van online video’s in treinen.
Wat doet de NS om de daders aan te pakken?
De NS is primair verantwoordelijk voor de veiligheid in het OV en neemt in dat kader preventieve- en handhavingsmaatregelen, zoals de serviceronde door NS-personeel, een whatsappnummer voor reizigers en de mogelijkheid tot live meekijken via de camera’s. Zie ook het antwoord op vraag 14. De NS treedt vanuit deze primaire verantwoordelijkheid, indien benodigd, in overleg met partijen zoals de politie en het OM om te komen tot een effectieve aanpak. Wanneer iemand op heterdaad betrapt wordt bij seksuele handelingen, dan schakelt de NS altijd de politie in. Vanuit de NS kunnen daders die gepakt worden tevens rekenen op een reis- of verblijfsverbod. Bij constatering van dergelijke gedragingen buiten heterdaad, bijvoorbeeld in een video op het internet, hebben de NS en diens boa’s formeel geen rol.
Zorgt de NS ervoor dat de daders een treinreisverbod opgelegd krijgen, en zo ja, hoe vaak is in 2023 en tot nu toe in 2024 een treinreisverbod opgelegd?
De NS heeft in 2023 in totaal 318 reis- of verblijfsverboden opgelegd. Slechts incidenteel was onzedelijk gedrag de aanleiding voor een verbod; veruit de meeste verboden werden uitgereikt voor bespugen of (fysiek) geweld tegen NS-personeel of naar aanleiding van veelvuldig reizen zonder vervoersbewijs. Voor 2024 is dat op dit moment nog niet te zeggen.
Wat is de rol van platforms die deze beelden online zetten en hoe ziet u hun verantwoordelijkheid, gezien het feit dat er strafbare zaken op deze platforms staan?
De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van online platforms is uitgewerkt in de digitaledienstenverordening (Digital Services Act – DSA). Deze verordening bevat diverse zorgvuldigheidsverplichtingen die onder meer moeten helpen om illegale content te bestrijden. Op grond van de DSA zijn platforms in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf. Echter, de DSA bepaalt ook dat platforms het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling.
Hoewel seksuele handelingen in de trein strafbaar kunnen zijn, betekent dit niet dat een video van seksuele aard van of met een meerderjarige op zichzelf strafbaar is. Dit verandert wanneer het gaat om een minderjarige; in dat geval is de content wel strafbaar en dus illegale inhoud in de zin van de DSA. Hiervan kan ook sprake zijn indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr). Seksueel beeldmateriaal van een meerderjarige kan ook onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld wanneer medereizigers zonder expliciete toestemming in beeld worden gebracht, wat kan leiden tot schending van hun privacy. Ook dergelijk onrechtmatige content is illegale inhoud in de zin van de DSA. Wanneer platforms op de hoogte zijn van de aanwezigheid van strafbare of onrechtmatige content op hun dienst, dan zijn zij dus gehouden om daar actie tegen te ondernemen. Anders riskeren ze aansprakelijkheid.
Overig legaal pornografisch materiaal kan daarnaast in strijd zijn met de algemene voorwaarden van een platform. Platformen zijn namelijk op grond van de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 van het Handvest van de EU) en de contractsvrijheid in beginsel vrij om hun eigen algemene voorwaarden vast te stellen. Deze algemene voorwaarden kunnen voor platformen eveneens een basis zijn om content te verwijderen.
In hoeverre kan de Europese Digital Services Act (DSA), die vanaf 17 februari 2024 strenge regels stelt aan alle online platforms, bijdragen aan het voorkomen dat deze beelden online komen?
Zoals toegelicht onder vraag 11 bevat de DSA diverse regels die bijdragen aan de bestrijding van illegale inhoud. Zo kunnen online platforms zich enkel op de aansprakelijkheidsvrijstelling beroepen als zij actie ondernemen wanneer zij ervan op de hoogte zijn of worden gesteld dat zij illegale inhoud hosten of verspreiden. Voorkomen dat dit soort beelden online komen, zou vereisen dat alle beelden die gebruikers op online platforms willen plaatsen vooraf gecontroleerd worden. Een dergelijke algemene monitoringsverplichting is op grond van de DSA verboden (artikel 8 DSA). Het zou overigens ook op gespannen voet staan met het censuurverbod van artikel 7, derde lid, Grondwet, waarin wordt bepaald dat «voor het openbaren van gedachten of gevoelens (...) niemand (...) voorafgaand verlof nodig heeft wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet».
Bent u bereid om in overleg te gaan met de Politie, boa’s, de NS en andere vervoerders om de daders te kunnen achterhalen en straffen?
Het achterhalen en straffen van daders buiten heterdaad is de verantwoordelijkheid van veiligheidspartijen, waarbij de OV-sector en diens boa's formeel geen rol hebben. De OV-sector heeft wel een belangrijke primaire verantwoordelijkheid in het veilig houden van het OV. Hierbij kan worden gedacht aan het nemen van preventieve maatregelen of het voeren van het gesprek met het OM en politie om gezamenlijk tot een effectieve aanpak te komen. Zoals ik reeds in de beantwoording van vraag 6 heb vermeld, verloopt de samenwerking ten behoeve van de aanpak van strafrechtelijke gedragingen tussen de NS en de politie goed. Ik zie daarom ook geen noodzaak om nader in overleg te gaan.
Welke acties bent u bereid verder te nemen om te voorkomen dat deze videomakers actief zijn in het OV?
De NS en andere vervoerders maken gebruik van cameratoezicht op stations en in de treinen. Dit vormt een belangrijk hulpmiddel bij het voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, zoals het maken van seksueel getinte video’s in treinen. OV-boa’s en ander NS-personeel maken ook regelmatig servicerondes. Ten slotte kijkt de NS live mee op trajecten waar het aantal overlastmeldingen toeneemt.
Bent u bekend met het eindrapport van de monitoringscommissie voor de Landelijke Eenheid (Commissie-Schneiders) en het gegeven dat de Commissie-Schneiders op korte termijn haar werkzaamheden beëindigt conform artikel 5 van het Instellingsbesluit?
Ja.
En bent u bekend met het feit dat het toezicht op de opvolging van de gedane aanbevelingen na de overdracht zal worden uitgevoerd door de Inspectie Justitie en Veiligheid?
Zoals aangegeven in het Tweede Halfjaarbericht politie 2023 van 7 december 2023 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de monitoringscommissie in juli 2024 met een eindrapportage zou komen en dat in het afgelopen half jaar is gewerkt aan een zorgvuldige overdracht tussen de commissie Schneiders en de Inspectie Justitie en Veiligheid. De transitie bij de Landelijke Eenheden (LE-en) gaat een volgende fase in. Om de voortgang te volgen zijn de volgende afspraken gemaakt. Toezicht op en sturing geven aan de opvolging van de gedane aanbevelingen is een verantwoordelijkheid van de korpsleiding en in het verlengde daarvan de leidingen van de landelijke eenheden. Met de korpschef is afgesproken dat er een intern monitoringsproces wordt ingericht waarbij de uitkomsten door de korpsleiding worden gevolgd. De commissie Schneiders heeft ook naar deze aanpak gekeken. De korpschef heeft daarbij de heer Schneiders gevraagd om formeel als adviseur bij dit proces betrokken te blijven. De Inspectie Justitie en Veiligheid heeft daarnaast gesprekken gevoerd met de commissie Schneiders om tot een goede overdracht van taken te komen. Zij zal haar toezicht op de LE-en nog verder uitwerken. Het toezicht van de Inspectie richt zich in ieder geval op de kwaliteit van de taakuitvoering. Het departement houdt vanuit haar reguliere rol toezicht op beheersaspecten.
Deelt u mening dat de Inspectie Justitie en Veiligheid geen monitoringscommissie is, maar toezichthouder op uitvoering van beleid? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Justitie en Veiligheid houdt primair toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering en geeft daarmee dus een andere invulling aan haar werkzaamheden dan een monitoringscommissie. Vanuit haar onafhankelijke positie als toezichthouder staat het de Inspectie vrij om haar werkwijze te kiezen en dat kan ook zijn het monitoren van de taakuitvoering. Daarmee heeft de Inspectie eerder ruimschoots ervaring opgedaan.
De door de Commissie-Schneiders gedane 20 aanbevelingen worden momenteel opgevolgd en vanuit de Eenheid Landelijke Expertise en Operaties (LX) en Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies (LO) komt het geluid dat de overdracht te vroeg is, omdat de transitie nog niet is afgerond en de beide eenheden nog niet goed geborgd zijn binnen de Nationale Politie, herkent u dit?
Ik zie deze transitie, net als alle vergelijkbare trajecten gericht op cultuurverandering en doorontwikkeling, als een meerjarige inspanning en niet als een afgeronde zaak. Daarom is juist nu belangrijk om met formeel toezicht een vinger aan de pols te houden bij dit voor de politie cruciale veranderingsproces. Zoals eerder aangegeven zal de heer Schneiders formeel als adviseur van de korpsleiding betrokken blijven. De korpsleiding en ik zijn ervan overtuigd dat er dankzij de grote inspanningen van alle medewerkers van de Landelijke Eenheden nu een gedegen fundament ligt waarop de Landelijke Eenheden verder kunnen bouwen en de veranderingen verder kunnen worden geborgd.
Een van de onderwerpen was ook de belofte dat de werkvloer blijvend gehoord en gezien zou worden, ook zonder dat over de schouders van de leiding wordt meegekeken, maar hoe wordt het geluid van de werkvloer (het personeel, al dan niet via de medezeggenschap of de bonden) over de opvolging van deze aanbevelingen voortaan betrokken en gehoord, hoe is dat gewaarborgd aangezien de Inspectie Justitie en Veiligheid hier zeer waarschijnlijk geen rol in heeft gezien haar taak tot «slechts» controle van op de uitvoering van beleid?
De korpschef heeft mij verzekerd dat het uitgangspunt van zowel de korpsleiding als de leiding van beide landelijke eenheden blijft om bij alle ontwerpvraagstukken medewerkers te betrekken, hen in de gelegenheid te stellen te participeren en leidinggevenden te stimuleren hier ook actief op in te zetten. Bij deze ontwerpvraagstukken staat het vak centraal, iets waar medewerkers vanuit hun rol als expert bij uitstek de toekomst van hun vakgebied mede kunnen vormen. Dit gebeurt in ontwerpteams waarin de werknemers kunnen deelnemen. Leidinggevenden binnen de landelijke eenheden worden gestimuleerd om goede ambassadeurs voor de benodigde cultuurverandering te zijn. Samen met de werkvloer wordt per team bekeken welke behoefte er is binnen het team en op welke manier cultuurverandering het beste gestimuleerd kan worden. Daarnaast blijft informatievoorziening aan en communicatie met de medewerkers over de transitie onverminderd doorgang vinden, onder meer in de vorm van interactieve medewerkersbijeenkomsten. Met behulp van flitspeilingen wordt naar de inbreng van medewerkers gevraagd en wordt hun actieve betrokkenheid gestimuleerd. Zie ook het antwoord op vraag 6 voor betrokkenheid bonden en medezeggenschap. De Inspectie Justitie en Veiligheid bepaalt eigenstandig welke zaken zij van belang acht te toetsen.
Bent u er van op de hoogte dat niet alleen de Nederlandse Politiebond van mening is dat de transitie nog niet is afgerond, maar ook de politievakbonden en beide ondernemingsraden hun zorgen hebben over hoe meldingen en opvolging van de aanbevelingen gemonitord gaan worden na de overdracht?
Deze zorgen zijn bij mij bekend. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 is een intern monitoringsproces ingericht. De korpschef heeft bij mij aangegeven dat de korpsleiding periodiek blijft reflecteren met vertegenwoordigers van de medezeggenschap en de vakbonden op het transitieproces.
En zo ja, deelt u de mening dat de Commissie-Schneiders nog zou moeten aanblijven om de opvolging van de door haar gedane aanbevelingen te blijven monitoren en pas nadat de splitsing van de Landelijke Eenheid in bovengenoemde onderdelen is afgerond en voldoende inbedding daarvan in de (structuur van de) Nationale Politie is geborgd, haar werkzaamheden beëindigt?
Zoals aangegeven bij vraag 4 realiseer ik mij dat dit traject meerjarige inspanning vraagt. Ik heb daarbij gezien wat een enorme prestatie de medewerkers en de leiding van de landelijke eenheden hebben neergezet de afgelopen jaren. De splitsing van de Landelijke Eenheid is goed verlopen en de basis voor verandering is gelegd. De transitie gaat nu een nieuwe fase in. De leidingen van de landelijke eenheden en de korpschef moeten nu zelf invulling en sturing geven aan dit proces. Via een stevige interne monitor op de voortgang en het toezicht door de Inspectie kan de voortgang goed worden gevolgd. Zoals eerder aangegeven zal de heer Schneiders formeel als adviseur van de korpschef betrokken blijven.
En zo ja, bent u bereid om in dat kader op (zeer) korte termijn met de heer Schneiders in overleg te treden en hem te verzoeken of hij bereid is om met de Commissie-Schneiders de monitoringsactiviteiten voort te zetten en zo ja, wat hij hiervoor nog nodig heeft en de Commissie-Schneiders hierin te faciliteren?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 7.
Het gebruik van drones door State Operators |
|
Peter de Groot (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat in 2021 in de gehele EU de nieuwe wetgeving van de European Union Aviation Safety Agency (EASA) voor drones is ingevoerd? Klopt het voorts dat er in deze wetgeving een uitzonderingspositie wordt aangehouden voor zogenaamde «state operators» – in Nederland zijn dat de politie, brandweer en douane – waardoor zij conform deze EASA-regelgeving als state operators buiten het zicht van de piloot (Beyond Visual Line of Sight (BVLOS)) mogen vliegen? Is deze EASA-regelgeving volledig van kracht in Nederland?
Per 31 december 2020 gelden in de Europese Unie geharmoniseerde regels voor het uitvoeren van vluchten met onbemande luchtvaartuigen (drones), met uitzondering van bepaalde activiteiten die worden uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de Staat (staatoperaties). Elke lidstaat heeft de mogelijkheid om via een «opt-in» staatsoperaties onder de Europese regels te brengen. Nederland heeft gekozen om per 1 juni 2022 alle staatsoperaties onder de Europese regelgeving te laten vallen, met uitzondering van militaire, douane-, politie-, brandbestrijdings-, en grenscontroleactiviteiten. Onder de nationale regelgeving is het, door middel van het afgeven van ontheffingen, mogelijk om buiten het zicht van de piloot (Beyond Visual Line of Sight ((BVLOS)) te vliegen.
Hoe beoordeelt u de constatering dat ondanks het maatschappelijke belang van hun werkzaamheden, politie en brandweer niet of nauwelijks BVLOS mogen vliegen? Waarom mogen zij dat niet? Biedt de EASA-wetgeving hier geen ruimte voor?
Er zijn heel veel verschillende soorten BVLOS-operaties. Het risico van de vlucht is doorslaggevend, ongeacht het gebruik van nationale of Europese regels. BVLOS-vluchten kunnen plaats vinden als het risico van de vlucht acceptabel wordt geacht. Op dit moment is dat onder andere als op kleine afstand (<30 meter) van gebouwen of objecten wordt gevlogen of in gebieden waar geen ander bemand verkeer vliegt. De partijen die staatsoperaties uitvoeren vragen gepland en ongepland om op wisselende locaties op grotere afstanden BVLOS-vluchten uit te voeren. Bij deze vluchten is het risico echter groot dat men in aanraking komt met ander bemand verkeer. Dit kan een negatieve impact hebben op de luchtvaartveiligheid.
In gecontroleerde omstandigheden1 is het mogelijk om BVLOS-vluchten uit te voeren, zoals het aangehaalde voorbeeld van de politie op Twente Airport (zie vraag 6). Hier zijn alle andere luchtruimgebruikers elektronisch zichtbaar waardoor de BVLOS-vlucht van de politie het bemande luchtverkeer kan ontwijken.
Welke criteria handhaaft de Inspectie Leefomgeving en Transport om toestemming te verlenen voor het BVLOS vliegen? Moeten state operators, zoals de politie, voor elke BVLOS-operatie een aparte aanvraag doen?
De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) hanteert in de basis voor alle vluchten dezelfde veiligheidscriteria, ongeacht of deze worden uitgevoerd door een particulier of in het kader van een staatsoperatie.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van het in Europees verband gebruikte afwegingskader voor BVLOS-vluchten. Op basis van de door de aanvrager ingediende risicoanalyse, inclusief mitigerende maatregelen, wordt een veiligheidsbeoordeling gemaakt. Bij deze beoordeling houdt de ILT rekening met het algemeen belang en staat de (luchtvaart)veiligheid centraal.
De periode waarvoor een beschikking (of ontheffing) door ILT wordt afgegeven, is afhankelijk van de voorwaarden waaronder de vlucht wordt uitgevoerd. Indien tijdstip, locatie en vlieggebied niet wijzigingen kan een beschikking voor een langere periode worden afgegeven (bijvoorbeeld 1 jaar). Bij elke wijziging van één van de voorwaarden is een nieuwe afweging nodig.
Kunt u aangeven hoe dit in andere landen in de Europese Unie is geregeld? Kunnen state operators daar wel zonder beperkingen BVLOS vliegen?
Uit navraag bij de buurlanden blijkt dat zij vasthouden aan het gebruik van nationale regels voor staatsoperaties. IenW kent geen voorbeelden waar in Europa BVLOS wordt gevlogen zonder beperkingen. Elke aanvrager moet op basis van het risico van de vlucht aantonen dat de kans op een incident in de lucht of op de grond wordt gemitigeerd. Hier komen veiligheidsvoorwaarden uit. Voorbeelden hiervan zijn aangewezen luchtruim of een afgesloten gebied, verplichte elektronische zichtbaarheid of het gebruik van radars en slimme sensoren om het risico op een incident tussen bemand en onbemand verkeer zo klein mogelijk te maken.
Klopt het dat er commerciële partijen zijn die wel toestemming hebben om BVLOS te vliegen en daarbij ook hun eigen vluchten mogen goedkeuren? Bent u het ermee eens dat het vreemd is dat zij dit kunnen, maar Nederlandse state operators niet?
Ja, er zijn commerciële partijen die een vergunning hebben om BVLOS-vluchten uit te voeren. De commerciële partijen hebben bij de goedkeuring van de vergunning dezelfde (operationele) beperkingen als de staatsoperaties.
Klopt het dat de politie rondom Twente Airport een oefening gaat doen met BVLOS vliegen? Wordt deze proef breder in Nederland uitgevoerd?
Ja, dat klopt. Dit is een proefgebied waar zowel de politie als het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) van willen leren. Zodra de uitkomsten van dit onderzoek bekend zijn, zal een besluit worden genomen over vervolggebieden.
In hoeverre is het mogelijk om het gebruik van drones (alsmede BVLOS vliegen met drones) door state operators onder dezelfde regelgeving te laten vallen als het gebruik van andere luchtvaartvoertuigen door de politie?
Met de politie, brandweer en douane is intensieve afstemming over het toepassen van de Europese regels en de mogelijkheden en beperkingen die dit bieden kan. De eerste conclusie is dat de diversiteit aan (heimelijke) operaties maatwerk vraagt waarvoor nationale regelgeving meer bewegingsvrijheid biedt dan Europese regelgeving. Naar verwachting kan in het derde kwartaal van 2024 een besluit worden genomen over de toepasselijke regelgeving voor staatsoperaties in Nederland.
Het is de ambitie van IenW om de doorontwikkeling van drones de ruimte te geven. Hiervoor heeft IenW een kader voor testen en experimenten opgesteld en werkt de strategie uit om BVLOS vluchten stapsgewijs mogelijk te maken.
De bijschrijfplicht in de horeca |
|
Ingrid Michon (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat op basis van de Alcoholwet horecaondernemingen nog altijd verplicht zijn elke dagleidinggevende bij te schrijven op de vergunning?
Ja, dat klopt.
Het lid Bolkestein (VVD) heeft een amendement1 ingediend met als doel om de verplichting tot het bijschrijven van dagleidinggevenden op het aanhangsel bij de horecavergunning te schrappen: waarom is aan dit amendement nog geen uitvoering gegeven?
Met de wijziging van het Alcoholbesluit in verband met de bijschrijfplicht van dagleidinggevenden heeft het kabinet wel degelijk uitvoering gegeven aan het amendement van het lid Bolkestein. De verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden in slijterijen is per 1 april 2024 vervallen. Dagleidinggevenden van horecabedrijven zijn als categorie aangewezen, waardoor de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden van horecabedrijven in stand is gehouden. Hiermee is, zoals de Staatssecretaris van VWS in de brief van 2 december 20222 reeds heeft aangekondigd, gebruik gemaakt van de ruimte die het amendement biedt om categorieën aan te wijzen waarvoor de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden in stand blijft. Op die manier is uitvoering gegeven aan het amendement.
De verplichte bijschrijving zorgt ervoor dat gemeenten een zedelijkheids- en een levensgedragstoets uit kunnen voeren – waarin naast het strafrechtelijk verleden, ook op andere aspecten beoordeeld wordt of een persoon van onbesproken levensgedrag is – om openbare ordeproblemen te voorkomen. Ook zorgt de bijschrijving ervoor dat – indien nodig – een Bibob-toets uitgevoerd kan worden om te voorkomen dat gemeenten criminele activiteiten faciliteren.
Kunt u een stand van zaken geven van de motie-Heerema (VVD)2?
Op dit moment ben ik samen met de Staatssecretaris van VWS in gesprek met gemeenten en met Koninklijke Horeca Nederland (KHN) over de administratieve lasten van de bijschrijfplicht. Wij streven ernaar uw Kamer voor de zomer nader te informeren over de uitwerking van de motie.
Hoeveel bijschrijvingen vinden er in Nederland plaats?
In de toelichting bij het amendement van het lid Bolkestein4 wordt aangegeven dat KHN toen (2020) het aantal bijschrijvingen schatte op 60.000 per jaar, gebaseerd op een schatting van 30.000 horecaondernemingen die gemiddeld twee keer per jaar bijschrijven.
Het is echter niet precies bekend hoeveel bijschrijvingen er totaal plaatsvinden in Nederland. Dit wordt niet bijgehouden. Een bijschrijving wordt aangevraagd bij de gemeente die de vergunning heeft verleend.
Klopt het dat een persoon minimaal 21 jaar moet zijn om bijgeschreven te kunnen worden? Is het niet zo dat een afgestudeerd mbo’er op zijn 19e reeds bij een kleinere horecagelegenheid een leidinggevende functie kan hebben? In hoeverre vindt u leeftijd een relevant criterium?
Een leidinggevende van een horeca- of slijtersbedrijf moet, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, van de Alcoholwet, de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Een leidinggevende heeft op bepaalde momenten de dagelijkse leiding over een horeca- of slijtersbedrijf en is dan verantwoordelijk voor verantwoorde alcoholverstrekking en het bewaken van orde in de zaak. Openbare orde- problemen (overmatig drank- en drugsgebruik, (geluids-)overlast en geweld) spelen vooral in het nachtleven een grote rol in en rondom horecaondernemingen. Het is daarom van belang dat een leidinggevende deze verantwoordelijkheid kan dragen. In het algemeen wordt aangenomen dat dit van personen van 21 jaar en ouder verwacht mag worden.
Is u bekend in hoeverre de sociale hygiëne in de praktijk (dus aan de bars en in andere horecaetablissementen) verbeterd is sinds de bijschrijfplicht van kracht is? Zo ja, kunt u daar cijfers over delen?
Het in stand houden van de bijschriftplicht heeft niet het primaire doel om de sociale hygiëne in de praktijk te verbeteren en wordt daarmee als zodanig niet gemeten. Zoals is toegelicht bij de wijziging van het Alcoholbesluit in verband met de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden5 heeft het in stand houden van de verplichte bijschrijving het primaire doel om op voorhand te kunnen controleren wie de ondernemer(s), bedrijfsleider en dagleidinggevenden in een horeca- of slijtersbedrijf zijn. De verplichte bijschrijving zorgt er in eerste instantie voor dat getoetst kan worden of alle leidinggevenden van een horeca- of slijtersbedrijf niet van slecht levensgedrag zijn. Hiervoor worden een zedelijkheids- en een levensgedragstoets uitgevoerd, waarin naast het strafrechtelijk verleden, ook op andere aspecten beoordeeld wordt of een persoon van onbesproken levensgedrag is.
Hoe beoordeelt u het risico van dagleidinggevenden in de horeca? Wat is de inhoudelijke noodzaak om deze groep bij te schrijven op de vergunning en dus aan de Bibob-toets te onderwerpen?
Uit de Alcoholwet vloeit voort dat een bestuursorgaan zicht moet hebben op degenen die een horecaonderneming exploiteren of daar dagelijks leiding aan geven. In het Alcoholbesluit zijn eisen omtrent het (zedelijk) gedrag van deze exploitanten en dagleidinggevenden opgenomen. Zij hebben immers veel invloed op de gang van zaken in en rondom de horecaonderneming en een bijzondere verantwoordelijkheid in verband met (het toezicht op) de verstrekking van alcohol. Op basis van die eisen voeren gemeenten zedelijkheid- en slecht levensgedrag-onderzoeken naar de exploitant en de dagleidinggevende(n) uit en kunnen zij een vergunningaanvraag of de wijziging van (het aanhangsel van) een vergunning weigeren.
De verplichte bijschrijving is – naast de onderzoeken op grond van de Alcoholwet – ook van belang voor de toepassing van de Wet Bibob. De horeca is een kwetsbare branche voor criminele activiteiten en valt daarom binnen het toepassingsbereik van deze wet.6
Op grond van de Wet Bibob hebben bestuursorganen de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de betrokkene7 en derden uit de zakelijke omgeving van de betrokkene. Wanneer uit dat onderzoek naar voren komt dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten, kan het bestuursorgaan een vergunningaanvraag weigeren of een al verleende vergunning intrekken. Dagleidinggevenden in een horecaonderneming kunnen deel uitmaken van de zakelijke omgeving van de betrokkene. Alleen door de dagleidinggevenden te laten bijschrijven op de vergunning krijgen bestuursorganen inzicht in de identiteit van de dagleidinggevenden en de feitelijke zeggenschapsverhoudingen rondom de vergunningaanvrager. Zo wordt het risico op het gebruik van versluieringsconstructies (c.q. stromanconstructies) zo klein mogelijk gehouden.
Hoe vaak is een vergunning ingetrokken door een negatief Bibob-advies na een bijschrijving c.q. wijziging van een dagleidinggevende?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak een vergunning op grond van de Wet Bibob wordt ingetrokken door bestuursorganen naar aanleiding van een (wijziging van een) dagleidinggevende. Mede afhankelijk van het eigen onderzoek van een bestuursorgaan of het advies van het LBB kan een aangevraagde bijschrijving worden geweigerd. Dat hoeft niet (direct) tot intrekking van de vergunning te leiden.
Is het mogelijk om bij algemene plaatselijke verordening de verplichting om dagleidinggevenden in de horecasector te screenen, op te nemen, zodat er differentiatie/maatwerk ontstaat en gemeenten expliciet kunnen besluiten of screening van dagleidinggevenden nodig is? Zo nee, waarom niet?
Naast de Alcoholwetvergunning kunnen bestuursorganen ervoor kiezen om een exploitatievergunning te vereisen voor het exploiteren van een horecazaak en daarmee is er dus al sprake van maatwerk. Wanneer zo’n vergunning vereist is en onder welke voorwaarden deze wordt afgegeven, bepaalt het bestuursorgaan zelf. Dit volgt uit lokale regels, voortvloeiend uit de algemene plaatselijke verordening. Ook de exploitatievergunning vereist nu vaak het bijschrijven van de dagleidinggevende(n), zodat inzichtelijk is wie er betrokkenheid heeft bij de exploitatie van de onderneming. Of vervolgens een integriteitstoets in de vorm van de slecht levensgedrag-toets of de Bibob-toets wordt gedaan is afhankelijk van de regels en de inzichten van het bestuursorgaan zelf. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de aanvraag van de vergunning en/of indien vraagtekens bestaan rondom de integriteit van de dagleidinggevende.
Is het mogelijk om een VOG-verplichting of andere extra screeningsverplichting op te leggen in plaats van een Bibob-toets?
Een werkgever kan van zijn medewerkers momenteel al een VOG verlangen, maar een VOG is niet verplicht voor leidinggevenden in de horeca. Een dergelijke VOG-verplichting vergt een wetswijziging.
Bij een VOG-aanvraag voor leidinggevenden in de horeca wordt, anders dan bij een Bibob-toets, enkel onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van de desbetreffende persoon, waarbij het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, wordt afgewogen tegen het belang van de aanvrager. Met een Bibob-toets wordt de achtergrond van bedrijven en personen met wie zij zakendoen, gescreend. Daarbij kunnen meer bronnen worden gebruikt dan bij een VOG-screening, waarmee het een volledig beeld geeft over het risico dat een vergunning wordt misbruikt voor criminele doeleinden. De integriteit van de overheid wordt zo beschermd. Een Bibob-toets is daarom qua omvang en doel van screening niet één-op-één te vervangen door een VOG-verplichting voor leidinggevenden in de horeca.
Andere screeningsmogelijkheden bestaan in de vorm van de zedelijkheid- en slecht levensgedrag-toetsen die kunnen worden ingezet bij het verstrekken van een vergunning op basis van de Alcoholwet. Ook bij het verstrekken van een exploitatievergunning kan een bestuursorgaan een slecht levensgedrag-toets doen. De slecht levensgedrag-toets houdt in dat leidinggevenden van horecabedrijven niet «in enig opzicht van slecht levensgedrag» mogen zijn. Zo wordt onder meer de veiligheid en de openbare orde gewaarborgd. Door het doen van de minder ingrijpende slecht levensgedrag-toets kan de zwaardere Bibob-toets in een groot deel van de gevallen buiten beschouwing blijven.
Is het mogelijk voor een gemeente om te differentiëren in de kosten voor een Bibob-aanvraag, bijvoorbeeld voor de aanvraag van een nieuwe vergunning versus de wijziging op een bestaande vergunning? Zo ja, welke gemeente hanteert een gedifferentieerd tarief? Zo nee, waarom niet?
Het is een bestuursorgaan niet toegestaan om de kosten van een Bibob-onderzoek door te belasten aan de persoon of de onderneming die de vergunningaanvraag doet. Een Bibob-toets wordt namelijk uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.8 Een vergunningaanvrager betaalt enkel de leges voor de vergunning zelf. Een bestuursorgaan heeft de eigen bevoegdheid om deze leges te heffen en neemt in een legesverordening op voor welke activiteiten welke leges in rekening worden gebracht. Het gaat hierbij namelijk om hun eigen taken die moeten worden bekostigd. Zij zijn daarbij vrij om te bepalen welke leges worden geheven, wat de hoogte is van de gehanteerde tarieven en hoe de kosten worden toegerekend, waarbij het enkel kan gaan om kostendekkendheid. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld de aanvraag van een vergunning en de bijschrijving van een dagleidinggevende.
Klopt het dat een aantal gemeenten heeft aangegeven met extra eigen maatregelen te komen indien de verplichte bijschrijving voor horecaondernemingen vervalt? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen dit zijn? Nemen deze de regeldruk en extra kosten voor ondernemers volgens u weg?
Ja, dat klopt. Gemeenten hebben de Staatssecretaris van VWS nadrukkelijk verzocht de verplichte bijschrijving in stand te houden. Het is van belang om op voorhand te kunnen controleren wie de dagleidinggevenden van een horecaonderneming zijn. Dit is onder andere een belangrijk instrument voor gemeenten om openbare ordeproblemen te voorkomen. Als de verplichte bijschrijving op het aanhangsel bij de Alcoholwetvergunning komt te vervallen, zouden gemeenten er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de bijschrijving op de exploitatievergunning te verplichten, zodat inzichtelijk blijft wie als dagleidinggevende van een onderneming fungeert. In dat geval blijven de extra kosten in stand en zal de regeldruk voor horecaondernemers ook niet afnemen.
Recente berichtgeving rond haatimams in Nederland. |
|
Ingrid Michon (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Karien van Gennip (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Islamcentrum Veenendaal: Nederlandse moslims zijn verplicht om niet-moslims te haten»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat de uitspraken die zijn gedaan door de betreffende islamleraar in een podcast ontoelaatbaar zijn in de vrije Nederlandse samenleving en zeer slecht zijn voor veiligheid en integratie? Vindt u dat de opmerkingen aanzetten tot haat, en mogelijk tot geweld?
Het kabinet keurt uitspraken die aanzetten tot haat en discriminatie sterk af. In onze open samenleving kan geen ruimte zijn voor extremistische uitingen. Uitingen, zoals aanzetten tot haat, geweld en opruiing zijn strafbaar en ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid, en verbinding in de samenleving tegengaan.
Daar waar de juridische grenzen in ons land worden overschreden, neemt het Openbaar Ministerie (OM) de beslissing of het opportuun is om over te gaan tot vervolging. Als blijkt dat er uitspraken zijn gedaan die een strafrechtelijk feit opleveren, kan hiervan aangifte worden gedaan. Het is vervolgens aan de politie en het OM deze aangifte te onderzoeken en eventuele vervolgstappen te ondernemen.
Als het gaat het om niet-strafbare gedragingen worden deze in beginsel beschermd door onder andere de vrijheid van meningsuiting en godsdienstvrijheid. Men is vrij te geloven wat men wil en hiernaar te leven zolang dit valt binnen de grenzen die de wet hieraan stelt. Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil daarbij het belang van inclusief samenleven benadrukken.
In algemene zin is het aan de rechter om te beoordelen of een opmerking aanzet tot haat en mogelijk tot geweld. Daarom past het ons als Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid niet om in te gaan op onderzoeken naar individuele gevallen. Om diezelfde reden kunnen wij u ook niet antwoorden of de genoemde uitspraken onderzocht worden door het OM.
Kunt u aangeven of het Openbaar Ministerie (OM) deze zaak onderzoekt, bijvoorbeeld wegens haatzaaien en/of opruiing?
Zie antwoord vraag 2.
Is er sinds het uitkomen van het nieuwsbericht afgelopen vrijdag contact geweest met de moskeeorganisatie waar de islamleraar aan is gelieerd? Zo ja, waaruit bestond dit contact? Zo nee, waarom niet? Was er voor dit nieuwsbericht al contact met de organisatie? Zo ja, waaruit bestond dit contact?
Er is geen contact geweest tussen het islamitisch centrum en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Wel heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid contact opgenomen met de burgemeester van Veenendaal en hem ondersteuning aangeboden. De burgemeester heeft aangegeven dat dit op dat moment geen toevoeging zou zijn op wat op lokaal niveau al plaatsvindt.
De burgemeester van Veenendaal heeft de voorzitter van het islamitisch centrum zelf herhaaldelijk uitgenodigd voor een gesprek. Daarop is het centrum niet ingegaan. Het is aan het lokale gezag zelf om te bepalen of het nodig is om hier verder op te handelen. De Expertise-Unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan waar nodig en gewenst advies op maat leveren bij het omgaan met lokale spanningen, het leggen van verbindingen en het voeren van gesprekken tussen gemeenten, organisaties en gemeenschappen.
Welk contact heeft er plaatsgevonden met de burgemeester van Veenendaal en u en tussen de burgemeester en de moskee-organisatie en welke acties zijn door de burgemeester in gang gezet?
Zie antwoord vraag 4.
Welke rol speelt de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Beïnvloeding in deze casus? Heeft de gemeente Veenendaal contact gehad met de Taskforce? Neemt de Taskforce proactief contact op met gemeenten in een casus als deze?
Er vinden geen werkzaamheden meer plaats binnen het kader van de Taskforce problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce). Op 3 oktober 2023 is uw Kamer geïnformeerd over de beperkingen in de aanpak en het veranderde dreigingsbeeld.2 In voornoemde brief is aangegeven dat alle voormalige leden van de Taskforce nog steeds goed samenwerken in de aanpak van problematisch gedrag en buitenlandse financiering, allen in lijn met de eigen (beleids)verantwoordelijkheden en binnen hun eigen wettelijke grondslagen.
Welke rol speelt de Expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) in deze casus?
Zie antwoord vraag 4.
Welke gevolgen zijn in algemene zin mogelijk voor het intrekken dan wel niet-permanent maken van een verblijfsstatus als een imam is veroordeeld voor opruiing of haatzaaien? Hoe wordt een eventuele veroordeling gesignaleerd bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Welke vreemdelingrechtelijke maatregelen getroffen kunnen worden in het geval een niet-Nederlandse imam is veroordeeld voor opruiing of aanzetten tot haat, hangt af van de vreemdelingrechtelijke status. Indien een vreemdeling in Nederland is veroordeeld voor een misdrijf, zoals opruiing of aanzetten tot haat, ontvangt de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) hiervan een bericht. De IND zal dan beoordelen of een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning geweigerd kan worden, of dat zijn reeds verleende reguliere verblijfsvergunning ingetrokken kan worden volgens geldende wet- en regelgeving.
Voor het weigeren van een verblijfsvergunning is artikel 3.77 Vreemdelingenbesluit (Vb) van toepassing. In een dergelijk geval zal een veroordeling voor het misdrijf opruiing of aanzetten tot haat mogelijk voldoende zijn voor het weigeren van verblijf. Dit blijft echter een individuele beoordeling waarbij in de evenredigheidsbeoordeling alle feiten en omstandigheden van het geval worden betrokken.
Bij het intrekken van een reguliere verblijfsvergunning is «de glijdende schaal» (art. 3.86 Vb) van toepassing. Volgens het principe van de glijdende schaal wordt er een verband gelegd tussen de duur van de opgelegde onherroepelijke straf en de duur van het rechtmatige verblijf in Nederland. Hoe langer de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft, hoe zwaarder de straf moet zijn om tot beëindiging van het verblijfsrecht over te kunnen gaan. Dit besluit betreft altijd een beoordeling van alle omstandigheden van het individuele geval, waarin wordt getoetst aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het recht op privé en familieleven) en de evenredigheid. Indien de vreemdeling pas kortere tijd rechtmatig verblijf heeft, zou een onherroepelijke veroordeling voor opruiing of aanzetten tot haat mogelijk voldoende kunnen zijn om tot intrekking van het verblijfsrecht over te gaan.
Dat zal in de regel niet het geval zijn bij langdurig rechtmatig verblijf. Uit artikel 3.86, lid 10, Vb volgt namelijk dat indien een vreemdeling al meer dan 10 jaar rechtmatig in Nederland verblijft, intrekking of weigering enkel mogelijk is als er sprake is van een misdrijf uit de Opiumwet met een strafbepaling van meer dan zes jaar gevangenisstraf of het misdrijf de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft aangetast. In een dergelijk geval zal met toepassing van artikel 3.86 lid 10 Vb een onherroepelijke veroordeling voor opruiing of aanzetten tot haat onvoldoende zijn voor het intrekken of weigeren van het verblijfsrecht.
Wanneer het een EU-burger betreft, dient er sprake te zijn van een persoonlijke gedraging die een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het is mogelijk dat een veroordeling voor opruiing of aanzetten tot haat hier onder zou kunnen vallen, maar het zal van de omstandigheden van de strafzaak en de overige individuele omstandigheden van een zaak afhangen of er sprake is van een dergelijke gedraging.
Bovendien moet ook de lat van artikel 3.77 Vb bij een aanvraag of artikel 3.86 bij een intrekking gehaald worden om over te gaan tot verblijfsontzegging of -beëindiging. Tevens zal getoetst worden aan de evenredigheid.
Tot slot, bij een afwijzing of intrekking op grond van de openbare orde wordt, indien mogelijk, een inreisverbod opgelegd. Bij EU-burgers wordt, indien mogelijk, een ongewenstverklaring opgelegd.
Is er bekend of Ar-Rahmah donaties ontvangt vanuit het buitenland? Zo ja, op welke manier is de organisatie transparant geweest? Zo niet, hoe gaat u ervoor zorgen dat de organisatie transparant is over hun jaarrekening en donaties?
Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn vooralsnog geen notes verbales bekend over financieringsaanvragen door Ar-Rahmah vanuit derde landen. Over alle financieringsaanvragen wordt uw Kamer geïnformeerd conform de motie Karabulut-Segers.3
Momenteel ligt het wetsvoorstel Transparantie maatschappelijke organisaties voor in uw Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel is tweeledig. Enerzijds biedt het aanvullende mogelijkheden om – indien er aantoonbare en gegronde redenen zijn – onderzoek te doen naar geldstromen en hier zo nodig op te handhaven. Zo worden aan de burgemeester, het OM en andere specifiek aangewezen overheidsinstanties bevoegdheid gegeven om een informatieverzoek te doen aan een maatschappelijke organisatie over een of meer donaties. Als de donaties substantieel blijken, kan verder navraag gedaan worden naar de persoon van de donateur. De burgemeester kan een informatieverzoek doen wanneer er sprake is van een (dreigende) verstoring van de openbare orde. Het OM kan een informatieverzoek doen bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd dan wel of het bestuur naar behoren wordt gevoerd. Anderzijds worden stichtingen – die nu al verplicht zijn om een balans en staat van baten en lasten op stellen – verplicht om een balans en staat van baten en lasten te deponeren bij het handelsregister. Enkele daartoe bevoegde toezichts- en handhavingsinstanties van de overheid krijgen toegang tot deze stukken
Is er de afgelopen vijf jaar enige vorm van contact of actie geweest ten aanzien van de weekendschool van Ar Rahmah vanuit de landelijke of de lokale overheid? Zo ja, welke en wat zijn de constateringen geweest op deze school? Zo niet, waarom niet?
Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is geen contact geweest met Ar Rahmah. Weekendscholen – zoals Ar Rahmah – vallen niet onder de verantwoordelijkheid van dit ministerie. Het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap is bezig met de voorbereiding van wettelijk toezicht op informeel onderwijs aan kinderen, waaronder ook weekendonderwijs kan vallen. Over de contouren hiervan heeft uw Kamer op 24 mei 2023 een brief ontvangen.4 Zoals de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs eerder heeft toegezegd aan uw Kamer, zal dit voorstel voor Prinsjesdag in internetconsultatie worden gebracht.
De gemeente Veenendaal heeft in 2018 en 2019 gesprekken gevoerd met Ar Rahmah over onder andere het aanbod van lezingen en informele scholing. Sinds begin 2020 wordt het contact door de organisatie afgehouden. De lokale overheid heeft anders dan het gesprek aangaan met de organisatie, geen formele mogelijkheden om toe te zien op de kwaliteit en/of inhoud van informele scholing.
Heeft het Ministerie van SZW ooit met de betreffende moskee-organisatie overleg gepleegd en zo ja, waarover? Hoe staat het met de aangenomen motie Becker2 om een overzicht met de Kamer te delen met welke organisaties het ministerie in het kader van integratie aan tafel zit?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft, zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4, 5 en 7, sinds het uitkomen van het nieuwsbericht en in de periode daarvoor geen contact gehad met deze organisatie.
De motie Becker (Kamerstuk 35 228, nr. 45) wordt onderzocht.
Bent u bekend met het bericht «Afschuw om misselijkmakende oproep gastimam van moskee Amsterdam: «Moslims moeten Joden haten.»»?3
Ja.
Bent u het ermee eens dat ook dit geplaatste statement van deze gastimam van de Blauwe Moskee, dat moslims Joden moeten haten en ook alle andere niet-moslims moeten haten, ontoelaatbaar is in de vrije Nederlandse samenleving, temeer nu de veiligheid van de Joodse gemeenschap al zwaar onder druk staat?
Als Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Justitie en Veiligheid vinden wij de boodschap om afkeer te hebben naar andere groepen verwerpelijk. Nederland is een open samenleving waarin iedereen zich veilig moet kunnen voelen, ongeacht herkomst, huidskleur of geloof. Binnen deze open samenleving is geen enkele plek voor Jodenhaat, of welke andere vorm van haat dan ook. In onze samenleving moeten we juist met elkaar werken aan verbinding. Zodat ondermijnende boodschappen geen vat krijgen en we met elkaar zorgen voor een inclusieve samenleving, waarin iedereen zich veilig en thuis voelt.
Kunt u aangeven of het OM deze zaak onderzoekt, bijvoorbeeld wegens haatzaaien en/of opruiing?
Zie de beantwoording van vraag 3 over individuele casuïstiek.
Is er contact geweest met de moskeeorganisatie waar de imam gastspreker is? Zo ja, waaruit bestond dit contact? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Amsterdam heeft per brief – in reactie op de commissie voor Algemene Zaken van 18 april 2024 – laten weten dat zij het onacceptabele, antisemitische uitspraken vindt, waarvoor absoluut geen plek is in Amsterdam.7 De gemeente heeft contact gezocht met het bestuur van de moskeeorganisatie. Het bestuur van de moskeeorganisatie heeft in dit contact aangegeven geschrokken te zijn van de uitspraken die zijn gedaan door de betreffende gastspreker. Het bestuur geeft aan dat de uitspraken zijn gedaan op persoonlijke titel en op een persoonlijk sociale media-account van de gastspreker.
De moskeeorganisatie heeft inmiddels publiekelijk en nadrukkelijk afstand van de uitspraken gedaan en aangegeven dat de gastspreker niet meer welkom is in de moskee. De gemeente acht het gezien de opstelling van het moskeebestuur niet nodig om verder advies te vragen bij de ESS.
Er is verder geen contact geweest tussen de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie en Veiligheid met de moskeeorganisatie (waar de imam gastspreker was) en de burgemeester van Amsterdam.
Welk contact heeft er plaatsgevonden vanuit u met de burgemeester van Amsterdam en vanuit de burgemeester met de moskee-organisatie en welke acties zijn door de burgemeester in gang gezet?
Zie antwoord vraag 15.
Welke rol speelt de Taskforce Problematisch Gedrag en Ongewenste Buitenlandse Beïnvloeding in deze casus? Kan de gemeente Amsterdam een beroep doen op de Taskforce? Is er al contact geweest tussen de Taskforce en de burgemeester?
De Taskforce heeft als samenwerkingsverband geen contact gehad met de gemeente Amsterdam over deze casus. Zie het antwoord bij vraag 6 over de huidige status van de Taskforce.
Welke rol speelt de ESS in deze casus? Is er al contact geweest tussen de ESS en de burgemeester?
Zie antwoord vraag 15.
Is het juist dat niet alleen deze imam, maar ook de imam Ibn Khalifa haatteksten op zijn account plaatst, onder andere met een gedicht dat zelfmoordaanslagen op Joden verheerlijkt en dat deze imam ook lezingen geeft in de al-Oumma moskee en spreekt in moskeeën in Uithoorn, Rotterdam en Bussum?
Gelet op het ontbreken van een juridische grondslag om organisatie- en persoonsgericht onderzoek te doen is er zowel bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als bij de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) geen beeld over eventuele uitlatingen van deze imam.
De politie kan onderzoek doen naar strafbare feiten. Dit kan gebeuren naar aanleiding van een aangifte, een (anonieme) tip of op eigen initiatief van de politie. Wanneer er sprake is van strafbare feiten, is het aan het OM om een beslissing te nemen of het opportuun is over te gaan tot vervolging. Hierbij geldt dat de Minister van Justitie en Veiligheid, gezien de vertrouwelijkheid, geen uitspraken doet over eventuele informatiebeelden en onderzoeken. Ook kan de Minister van Justitie en Veiligheid niet op individuele zaken ingaan.
Wat zijn de acties vanuit de landelijke en lokale overheid ten aanzien van deze imam? Is er sprake van vervolging door het OM? Is er contact met de moskeeorganisaties waar deze imam regelmatig spreekt om hen te wijzen op de uitspraken van deze imam?
Zie het antwoord bij vraag 2 en 3 over individuele casuïstiek en over eventuele vervolging van strafbare gedragingen door het OM. Er is vanuit de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Justitie en Veiligheid geen contact geweest met de moskeeorganisaties over deze uitspraken.
Het is aan het lokale gezag zelf om te bepalen of het nodig is om hierop te handelen en op welke wijze dat wordt gedaan. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan indien gewenst wel ondersteuning bieden aan gemeenten bij het omgaan met lokale spanningen. Zie de eerdere beantwoording van vraag 7 over de lokale casus in Veenendaal.
Wat zijn de mogelijkheden voor de overheid als moskee-organisaties toch een podium blijven bieden aan imams met haatboodschappen? Biedt artikel 2:20 van het Burgelijk Wetboek een grond om in het uiterste geval een moskee te kunnen sluiten en zo ja, is hier al eens een beroep op gedaan? Zo nee, waarom niet?
Op grond van artikel 2:20 BW kan de rechtbank op verzoek van het OM een rechtspersoon waarvan het doel of de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde verboden verklaren en ontbinden. Het is aan het OM, en niet aan het kabinet, om te bezien of er aanleiding is een dergelijk verzoek in te dienen bij de rechtbank. Er zijn het kabinet geen voorbeelden bekend, waarbij een beroep is gedaan op artikel 2:20 BW om de organisatie achter een moskee te verbieden en ontbinden.
Indien de gemeente op de hoogte is van een bijeenkomst en in het kader van de openbare orde zorgen heeft over sprekers of deelnemers, kan zij haar zorgen uitspreken richting de beheerder van de locatie. Daarnaast zal de lokale driehoek altijd alert zijn op eventuele wanordelijkheden.
Primair is artikel 2:20 BW gericht op het verbieden en ontbinden van organisaties. Het gevolg van een dergelijk verbod bij een moskee-stichting kan ertoe leiden dat een moskee ook daadwerkelijk wordt gesloten. Het is dan een praktisch gevolg van het artikel dan een specifiek onderdeel van het verzoek of specifieke bevoegdheid tot het fysiek sluiten van de moskee.
Zijn er voor gemeenten voldoende mogelijkheden om in te grijpen als een imam met een reputatie van haatboodschappen van plan is te spreken in bijvoorbeeld een moskee?
Gemeenten kunnen na een oordeel over de openbare orde door de politie en/of de lokale driehoek een melding doen bij de IND. Het weren van een spreker kan dan op basis van de beoordeling of de gastspreker een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid is. Op 23 oktober 2023 is uw Kamer per brief geïnformeerd over het voornemen de maatregel, om in het belang van de openbare orde en nationale veiligheid extremistische vreemdelingen uit Nederland te weren, te versterken.8 Dit draagt eraan bij dat wordt voorkomen dat vreemdelingen die aanzetten tot haat, desinformatie verspreiden, wet- en regelgeving verwerpen en onze democratische rechtsorde ondermijnen en zo onze nationale veiligheid aantasten, de kans krijgen om in Nederland hun radicale gedachtegoed uit te dragen.
Gemeenten kunnen voor advies over hun eigen handelingsperspectief ook terecht bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Hier kunnen zij bijvoorbeeld ondersteuning krijgen bij het voeren van een verbindend en/of confronterend gesprek met lokale organisaties.
Tot slot is het aan het OM te beslissen of het opportuun is om over te gaan tot vervolging, wanneer juridische grenzen in ons land worden overschreden. Als blijkt dat tijdens een bepaald evenement uitspraken zijn gedaan die een strafrechtelijk feit opleveren, kan hiervan aangifte worden gedaan. Het is vervolgens aan de politie en het OM de aangifte te onderzoeken en eventuele vervolgstappen te ondernemen.
Bent u bereid de Kamer binnen zes weken een brief te sturen ten aanzien van de huidige staat van het salafisme, salafistische aanjagers en haatimams in Nederland en de actuele aanpak daartegen?
Vanwege interdepartementale afstemming is het niet gelukt deze brief binnen de gestelde tijd aan uw Kamer te doen toekomen. Op korte termijn wordt u door de nieuwe bewindspersonen over dit onderwerp geïnformeerd.
Bent u bereid daarin mee te nemen hoe het staat met de Schengeninformatiesysteem (SIS-)signalering, zwarte lijsten, visumbeleid, de Nederlandse imamopleiding en de uitvoering van de motie Becker4 om in samenwerking met hostingproviders en internetplatforms het onvrije gedachtengoed van salafistische aanjagers tegen te gaan en daar indien nodig bestuurlijk instrumentarium voor in te zetten en tevens onderzoek te doen naar het onderbrengen van toezicht hierop bij een online autoriteit?
Op dit moment is er geen sprake van het specifiek onderbrengen van toezicht op antidemocratische en salafistische content bij een online autoriteit. Wat betreft de samenwerking met hostingproviders en internetplatforms om het onvrije gedachtengoed van salafistische aanjagers tegen te gaan verwijs ik u naar de antwoorden van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid op schriftelijke vragen van de leden Becker en Rajkowski (beiden VVD) over «de uitvoering van de gewijzigde motie Becker c.s. Over het structureel tegengaan van extremistische uitingen online» en de contourenbrief Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content, waar de uitvoering van de motie Becker c.s. wordt besproken.
In het kader van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content voert de Minister van Justitie en Veiligheid gesprekken met de internetsector om de zorgen van het kabinet over de verspreiding van extremistisch en terroristisch gedachtengoed, waar antidemocratische en salafistische content onder kan vallen, over te brengen. Indien deze content terroristisch van aard is, heeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) op basis van bestuursrechtelijke bevoegdheden de mogelijkheid deze content ontoegankelijk te maken of te laten verwijderen.
Tot slot verwijzen wij uw Kamer naar de brief van 29 april 2024 voor de laatste stand van zaken omtrent de imamopleiding.10
Het bericht ‘’Honderden miljoenen aan WMO-fraude: ’Zorgcrimineel heeft vrij spel’’ |
|
Ingrid Michon (VVD), Jacqueline van den Hil (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Honderden miljoenen aan WMO-fraude: «Zorgcrimineel heeft vrij spel»»?1
Ja.
Klopt de stelling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) dat er vorig jaar voor honderden miljoenen euro’s is gefraudeerd met zorggeld van gemeenten? Weet u om hoeveel euro het hier precies gaat? In welke mate speelt dit binnen decentrale uitgaven in het kader van de Jeugdwet, Wet langdurige zorg (Wlz) of Zorgverzekeringswet (Zvw), aangezien het artikel zich richt op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015?
De genoemde bedragen in het artikel herkennen wij niet. Het is niet mogelijk gebleken om de omvang van fraude in het zorgdomein vast te stellen. Naast het gemeentelijk (zorg)domein geldt dit ook voor zorg in het kader van de Jeugdwet, de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. Meerdere onderzoeken zijn hierin ook niet geslaagd. Er is geen eenduidig te dupliceren model voor het meten van de omvang van fraude met zorggelden. Uit navraag bij VNG blijkt overigens dat de VNG dit standpunt deelt en recentelijk geen onderzoek heeft gedaan naar de omvang van zorgfraude. De VNG geeft aan de in het artikel genoemde bedragen niet te hebben genoemd.
Hoe is het toezicht op zorgaanbieders vormgegeven? Klopt het dat de gemeente in alle gevallen verantwoordelijk is voor toezicht op rechtmatigheid van lokale uitgaven? In hoeverre heeft het verschil in toezicht op persoonsgeboden budgetten (pgb’s) en toezicht bij inkoop zorg in natura invloed op misbruik en fraude van zorggelden?
De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015, verder: Wmo), is een gedecentraliseerde wet en de uitvoering van de Wmo is een verantwoordelijkheid van gemeenten, inclusief het (lokale) kwaliteitsbeleid. De wetgever heeft er dan ook bewust voor gekozen om ook het toezicht op de Wmo een taak van gemeenten te laten zijn. De verantwoordelijkheid voor het stellen van (kwaliteits)eisen en voorwaarden aan zorgaanbieders in de contractering en bij de toegang en de inrichting van het toezicht op het gebied van kwaliteit en rechtmatigheid, ligt dus bij gemeenten zelf.
Gemeenten zijn op grond van de Wmo verplicht een toezichthouder aan te wijzen en aanbieders hebben de verplichting melding te maken van calamiteiten. Bovendien hebben gemeenten, conform de Wmo en de Gemeentewet, de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat uitgaven doelmatig worden ingezet en de verantwoordelijkheid om misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet te voorkomen. Hieronder valt ook het voorkomen van het onterecht ontvangen van een maatwerkvoorziening via een pgb. Gemeenten hebben de opdracht en de ruimte om daarover regels te stellen in de lokale verordening.
Daarbij hebben gemeenten beleidsruimte om zelf keuzes te maken in hoe zij het toezicht in de praktijk inrichten en organiseren. Dit heeft ertoe geleid dat gemeenten het toezicht op de Wmo op verschillende manieren hebben ingericht. Sommige gemeenten organiseren bijvoorbeeld het rechtmatigheids- en kwaliteitstoezicht in samenwerking met andere gemeenten regionaal, terwijl andere gemeenten het kwaliteitstoezicht laten uitvoeren door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (de GGD). Momenteel bereid ik een wijziging van de Wmo voor waarin nadere kaders worden gesteld voor de inrichting van het Wmo-toezicht, het onafhankelijk functioneren van de toezichthouder en transparantie in het toezicht, zoals de openbaarmaking van toezichtrapportages. Zie ook de antwoorden op de vragen 16 en 17.
Gemeenten kunnen toezicht houden op ondersteuning die vanuit de Wmo wordt geleverd. Dat geldt zowel voor gecontracteerde aanbieders als voor aanbieders die vanuit een pgb werken. Gemeenten kunnen ook (kwaliteits)eisen stellen aan zowel pgb-aanbieders als aan gecontracteerde aanbieders via de lokale verordening. Voor gecontracteerde aanbieders geldt dat gemeenten ook via het contractmanagement zicht kunnen houden op aanbieders, maar deze mogelijkheid hebben gemeenten niet bij pgb-aanbieders. De budgethouder sluit immers het contract af met de pgb-aanbieder en is zelf primair verantwoordelijk voor de regie daarop. Wel hebben gemeenten in de toegang de mogelijkheid om te toetsen of pgb-aanbieders voldoen. Vanuit de Wmo hebben gemeenten de taak om bij het verstrekken van een pgb te beoordelen of is gewaarborgd dat de voorziening die via het pgb wordt geleverd veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt door de aanbieder.
Klopt de stelling van hoogleraar gezondheidseconomie Wim Groot dat er nauwelijks gecontroleerd wordt of ingekochte zorg daadwerkelijk geleverd wordt? Hoe kan deze controle beter worden vormgegeven? Hoe ondersteunt u gemeenten, die hier tegen capaciteitsproblemen aanlopen, in deze controle? Hoe kunnen gemeenten inwoners beschermen tegen slechte of zelfs niet-geleverde zorg?
Uit het artikel maak ik op dat deze stelling gaat over zorg of ondersteuning die wordt geleverd vanuit een pgb. Het pgb is bedoeld voor mensen die er bewust voor kiezen zelf regie te voeren op hun zorg en ondersteuning en daartoe ook in staat zijn. Gemeenten hebben in de toegang een belangrijke taak dit te beoordelen en kunnen een pgb weigeren wanneer een inwoner niet «pgb-vaardig» is. Daarnaast kunnen gemeenten eisen stellen aan pgb-aanbieders in de verordening en kunnen zij zicht houden op het pgb-aanbod via het Wmo-toezicht. Na toekenning van het pgb ligt er overigens ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij de budgethouder zelf om erop toe te zien dat de juiste zorg en ondersteuning wordt geleverd. Zie voor een verdere toelichting ook het antwoord op vraag 6.
Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van het toezicht en de capaciteit die zij daarvoor inzetten. Zij kunnen samenwerken met andere gemeenten om de (uitwisseling van) kennis en slagkracht van het toezicht te vergroten. Gemeenten kunnen hun inwoners beschermen door duidelijke normen en (kwaliteits)eisen op te nemen in de verordening en in de contractering. Dit biedt gemeenten een stevigere basis voor handhaving. Vanuit het Ministerie van VWS wordt subsidie verstrekt voor de proeftuinen «Aanpak zorgfraude». Daarin worden in de regio’s Twente en Hart van Brabant onder meer werkwijzen ontwikkeld voor een betere selectie en screening van zorgaanbieders in de Wmo, waaronder pgb-zorgaanbieders, voorafgaand aan en tijdens de contractperiode. In de screening wordt indien de situatie daar aanleiding toe geeft ook gewerkt met de toepassing van de Wet Bibob, om te komen tot een structurele samenwerking met betrouwbare zorgaanbieders. De opgedane kennis en informatie van »best practices» wordt via de VNG gedeeld met alle gemeenten.
Tenslotte wordt momenteel een stimuleringsprogramma opgezet samen met de VNG en de Gemeentelijke Gezondheidsdiensten en Geneeskundige Hulpverleningsorganisaties in de Regio (GGD-GHOR). Dit stimuleringsprogramma heeft als doel het Wmo-toezicht te verstevigen. Dit wordt bij vraag 16 nader toegelicht.
Welke mogelijkheden hebben gemeenten om te voorkomen dat zij zaken doen met malafide zorgaanbieders en in hoeverre zetten zij deze in? In hoeveel gemeenten wordt een Bibob-toets ingezet bij contracten met zorgaanbieders?
Het toezicht in de Wmo staat niet op zichzelf, maar moet gezien worden in samenhang met bijvoorbeeld het contractmanagement en de toegang, waarmee gemeenten grip en zicht kunnen houden op de kwaliteit en rechtmatigheid van zowel het gecontracteerde aanbod als het pgb-aanbod. Het gaat daarbij vooral om het inzetten op preventie, oftewel het voorkomen van zaken doen met malafide zorgaanbieders. Gemeenten kunnen (kwaliteits)eisen opnemen in de verordening waar zowel gecontracteerde- als pgb-aanbieders aan moeten voldoen. Verder maakt de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz), die naar verwachting op 1 januari 2025 van kracht wordt, het mogelijk voor zorgverzekeraars en gemeenten om elkaar te informeren over personen of bedrijven waarbij een gerechtvaardigd vermoeden van zorgfraude bestaat.
De Wet Bibob is een instrument waarmee een screening kan worden uitgevoerd. De inzet van de Wet Bibob geeft overheden een discretionaire bevoegdheid om de achtergrond van partijen waarmee zij zaken doen te screenen. Overheden bepalen zelf in welke gevallen zij het Bibob-instrument toepassen. Meestal wordt dit nader ingevuld door middel van beleidsregels. Ten aanzien van het zorgdomein kunnen gemeenten de Wet Bibob inzetten als sprake is van een subsidie voor bijvoorbeeld Wmo- en jeugdzorg of als sprake is van een overheidsopdracht (veelal de opdracht via een open house-constructie voor de inkoop van Wmo- of jeugdzorg). Dit laatste is mogelijk sinds een wijziging van de Wet Bibob in oktober 2022. Er wordt niet bijgehouden in hoeveel gemeenten een Bibob-toets wordt ingezet bij contracten met zorgaanbieders. Wel is het zo dat door steeds meer gemeenten
beleid wordt opgesteld over het doen van een Bibob-toets bij open house-constructies. Vanuit de proeftuinen «Aanpak zorgfraude» wordt ook ervaring opgedaan met de toepassing van de Wet Bibob.
Welke mogelijkheden hebben gemeenten om te voorkomen dat er misbruik wordt gemaakt van pgb’s?
Op grond van de Wmo moeten gemeenten bij de verstrekking van een pgb beoordelen of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en/of andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Daarbij dient het college mee te wegen of de invulling van de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt.
Gemeenten hebben de mogelijkheid om in de verordening regels te stellen en kwaliteitseisen op te nemen waar pgb-aanbieders aan moeten voldoen. De budgethouder is primair zelf verantwoordelijk voor het contracteren van een aanbieder of zorgverlener voor de invulling van de zorgvraag, maar de gemeente kan bij het verstrekken van een pgb in de beoordeling meenemen welke aanbieder of zorgverlener invulling gaat geven aan de maatwerkvoorziening. Gemeenten kunnen onder meer vanuit het Wmo-toezicht zicht krijgen op de pgb-aanbieders die in de gemeente actief zijn.
Daarnaast geldt voor het Wmo-pgb het trekkingsrecht waarbij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) het budget beheert en enkel betalingen doet op basis van zorgovereenkomsten die door de gemeente zijn goedgekeurd.
In hoeveel gemeenten is sprake van screening aan de voorkant, bijvoorbeeld door de verplichting van aanlevering van allerlei bewijsdocumenten, zoals Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG’s), medewerkersovereenkomsten inclusief diploma’s, of een eigen verklaring waaruit blijkt dat de eigenaar geen strafrechtelijk verleden heeft?
Hier zijn geen cijfers van. Uit gesprekken met de praktijk blijkt wel dat gemeenten steeds meer inzetten op sturing aan de voorkant door betere screening en inkoop- en contractmanagement.
Zijn gemeenten voldoende op de hoogte hoe diploma’s en VOG’s te controleren op echtheid? Worden valse papieren voldoende gemeld bij de politie? Hoe vaak wordt aangifte gedaan door gemeenten van valse papieren?
De VNG geeft aan dat steeds meer gemeenten weten hoe zij de echtheid van diploma’s en VOG’s kunnen controleren. Begin van het jaar heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in samenwerking met de VNG een kennissessie omtrent dit onderwerp verzorgd voor 150 toezichthouders. Op deze kennissessie komt op verzoek van deze toezichthouders nog een vervolg. Daarnaast organiseren de politie en de IGJ in juni 2024 een verdiepende kennissessie over zorgfraude. Deze kennissessie is een onderdeel van een bredere strategie, waaronder een communicatiecampagne van de IGJ die in 2023 is gestart, om bewustwording te creëren over zorgfraude bij zowel zorgaanbieders als gemeenten.
De Politie houdt gegevens bij over aangiften van verschillende vormen van fraude, maar er worden geen eenduidige gegevens bijgehouden over het melden van valse diploma’s en VOG’s of het doen van aangifte hiervan door een gemeente. Er kan dan ook geen informatie gedeeld worden over hoe vaak dit wordt gedaan en of dit voldoende wordt gedaan.
Welke bevoegdheden hebben gemeenten om malafide zorgaanbieders aan te pakken? Is het mogelijk om bestuurlijke boetes op te leggen? Kunnen onterecht verstrekte zorggelden worden teruggevorderd?
Voorop staat dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat gemeenten malafide aanbieders contracteren of dat malafide aanbieders invulling geven aan een pgb. Op het moment dat een gecontracteerde aanbieder fraudeert, kan de gemeente de overeenkomst met deze aanbieder beëindigen. Het is belangrijk dat zowel in de verordening als in contracten duidelijke en meetbare kwaliteitseisen en afspraken worden opgenomen. Ook bestaat er een mogelijkheid om een schadevergoeding te vorderen.
Daarnaast moet het terugvorderingsbeleid goed ingericht zijn. Terugvorderen blijft nu vaak nog uit bij gemeenten, onder meer omdat er in sommige gevallen lange en kostbare juridische procedures bij komen kijken, maar ook omdat het terugvorderingsbeleid niet altijd goed is ingericht. In het kader van het pgb is terugvorderen vanwege het zogenaamde dubbel-opzet vereiste, waarbij zowel opzet bij de aanbieder als de cliënt moet worden vastgesteld, ingewikkeld voor gemeenten. In het wetsvoorstel «Wijziging van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in verband met het dubbel opzetvereiste en het creëren van een grondslag voor gegevensverwerking door zorgaanbieders en het CAK aan gemeenten inzake de zorgverlening aan onverzekerden» wordt daarom voorgesteld het dubbel-opzet vereiste te schrappen uit de Wmo. Dit wetsvoorstel ligt momenteel ter advisering bij de Raad van State.
Het is niet mogelijk om bestuurlijke boetes op te leggen. In artikel 5:4 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geregeld dat de bevoegdheid tot het opleggen van bestuurlijke sancties alleen bestaat als de betreffende wet (in dit geval de Wmo) dat bepaalt. Daarvan is in het kader van de Wmo geen sprake. Op basis van hoofdstuk 5 van de Awb kan een gemeente wel een last onder dwangsom en een last onder bestuursdwang opleggen om bijvoorbeeld zorgaanbieders te dwingen de kwaliteit van zorg of de administratie op orde te krijgen. Hiervoor moet een gemeente wel nadere regels in de eigen verordening opnemen.
Wat is de inzet van de Regionale Informatie- en Expertisecentra (RIECs) bij de aanpak van zorgcriminaliteit? Hoe ondersteunt u deze inzet?
De specifieke inzet van RIEC’s op de aanpak van criminaliteit in de zorg verschilt per regio. De stuurgroepen van de RIEC’s hebben namelijk de ruimte om zelf regionale prioriteiten te stellen. RIEC’s kunnen criminaliteit in de zorg tegenkomen
als onderdeel van casuïstiek rondom bijvoorbeeld de aanpak van drugs- en/of mensenhandel. Daarnaast hebben verschillende RIEC’s criminaliteit in de zorg specifiek als regionaal thema geprioriteerd en investeren zij op specifieke signalen van criminaliteit in de zorg en doen zij actief aan bewustwording en advisering op dit thema. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid ondersteunt de RIEC’s bij hun regionale aanpak van ondermijnende criminaliteit middels een jaarlijkse structurele bijdrage.
Enkele RIEC’s dragen bij aan de aanpak van criminaliteit in de zorg door te investeren in het verhogen van de bewustwording bij gemeenten door het organiseren van weerbaarheidstrainingen en expertmeetings. Zij hebben hiervoor verschillende factsheets en handreikingen ontwikkeld die gemeenten helpen om signalen van criminaliteit in de zorg eerder te kunnen herkennen en daarnaar te kunnen handelen. Ook adviseren enkele RIEC’s gemeenten en collectieve inkooporganisaties actief over de inzet van de Wet Bibob bij aanbestedingsprocedures, zodat voorkomen kan worden dat criminelen toegang krijgen tot het zorgdomein en kwetsbare cliënten. Overigens geldt dat niet alleen voor advisering rondom Bibob, maar adviseren enkele RIEC’s ook breder over welke barrières kunnen worden opgeworpen tegen criminele activiteiten in de zorgsector. In de regio Twente bestaat er bovendien sinds 2018 een informatieplein waar tussen RIEC-partners signalen worden gedeeld over het thema criminaliteit in de zorg welke worden opgewerkt tot effectieve interventies.
De aanpak van criminaliteit in de zorg door de RIEC’s heeft in enkele regio’s geleid tot het stopzetten van geldstromen, het terugvorderen van meerdere miljoenen aan onterecht verkregen zorggelden en het terugvorderen van uitkeringen en strafrechtelijke vervolging.
Hoe wordt een sluitende keten in de aanpak van zorgcriminaliteit gewaarborgd? In hoeverre kan bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) samenwerken met een RIEC?
Een sluitende keten in de aanpak van criminaliteit in de zorg is essentieel om criminelen uit de zorgsector te weren en te stoppen. In het RIEC-samenwerkingsverband werken verschillende partijen uit het fiscale, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke domein aan de integrale aanpak van georganiseerde criminaliteit. Signalen over criminaliteit in de zorg kunnen worden ingebracht bij het RIEC, waar partners zoals de politie, het OM, gemeenten en de Belastingdienst informatie met elkaar kunnen delen en in gezamenlijkheid op zoek gaan naar het beste handelingsperspectief.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg en gaat niet over de aanpak van criminaliteit. De IGJ sluit niet aan bij integrale casusbesprekingen van het RIEC omdat het geen convenantpartner van het RIEC-samenwerkingsverband is. De RIEC’s kunnen gemeenten wel adviseren om signalen van zorgverwaarlozing bij de IGJ te melden en signalen van vermoedelijke zorgfraude bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ).
Deelt u de mening dat het aanpakken van fraude in de zorg niet mogelijk is zonder gegevensuitwisseling tussen de betrokken instanties? Waarom is het niet mogelijk voor gemeentes om persoonsgegevens onderling te delen? Welke mogelijkheden biedt de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg bij het delen van persoonsgegevens?
Met de onder vraag 5 reeds genoemde Wbsrz worden belangrijke knelpunten in de gegevensuitwisseling opgelost. De Wbsrz regelt namelijk de grondslagen voor de noodzakelijke uitwisseling van (persoons)gegevens voor zover dat nodig is voor de bestrijding van fraude in de zorg. Op deze manier kan opgetreden worden tegen frauderende zorgaanbieders die nu eenvoudig hun activiteiten in een ander zorgdomein of binnen een andere gemeente kunnen voortzetten. Deze uitwisseling van gegevens wordt geregeld met het zogenoemde Waarschuwingsregister zorgfraude.
Daarnaast regelt de Wbsrz een formele status voor het IKZ. Het IKZ wordt een stichting met een wettelijke taak. Hiermee verdwijnt de huidige vrijblijvendheid van dit samenwerkingsverband.
Aanvullend is wetgeving in voorbereiding die gegevensuitwisseling tussen gemeenten onderling en ziektekostenverzekeraars mogelijk maakt bij fraudeonderzoek in de fase ná gegevensuitwisseling met het IKZ. Daarmee wordt een knelpunt in de gegevensuitwisseling dat is ontstaan bij de overgang van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) naar de Wlz, de Zvw, de Wmo en de Jeugdwet per 1 januari 2015 hersteld.
Welke rol kan de Kamer van Koophandel (KvK) als poortwachter hebben in het voorkomen van zorgfraude? Welke strengere voorwaarden en eisen kunnen we landelijk stellen voor starters in de zorg, om een professioneel zorgbedrijf te beginnen is bijvoorbeeld enkel een inschrijving in de KvK voldoende?
De KvK schrijft ondernemers in, waaronder zorgondernemers. Er vindt een gesprek plaats en een ondernemer moet zich in bepaalde gevallen fysiek legitimeren. Bij zorgondernemers kan worden doorgevraagd over daarvoor relevante aspecten. Bij een signaal van zorgfraude kan een adviesteam worden geraadpleegd, onder voorwaarden kan een signaal, bijvoorbeeld aan de Nederlandse Arbeidsinspectie, worden verstrekt en in het uiterste geval kan een inschrijving worden geweigerd. Met uitzondering van de ten uitvoerlegging van eventuele door de rechter opgelegde bestuursverboden, heeft de KvK geen middelen om de inschrijving van een onderneming tegen te houden.
Klopt het dat zorgbedrijven die gerund worden door criminele netwerken niet alleen geld verduisteren maar ook een risico vormen doordat zij kwetsbare patiënten en/of cliënten ronselen voor hun criminele activiteiten? Ziet u mogelijkheden om deze kwetsbare groep weerbaarder te maken tegen deze beïnvloeding?
Het is zorgelijk en onaanvaardbaar als zorgaanbieders kwetsbare cliënten inzetten voor criminele activiteiten. Het is primair de verantwoordelijkheid van gemeenten om zicht te hebben en te houden op de kwaliteit en integriteit van aanbieders. Dit geldt voor zowel gecontracteerde aanbieders als voor het pgb. Bij het pgb geldt met name dat het belangrijk is dat de juiste doelgroep een pgb krijgt toegewezen.
In de Kamerbrief van 22 december 20222 heeft de Minister van VWS uw Kamer geïnformeerd over een aantal concrete verbeterplannen in de toerusting van (potentiële) pgb budgethouders en gemeenten. Deze concrete verbeteringen zijn afgestemd met cliëntenorganisatie Per Saldo en de VNG. Zo is er een kader voor pgb-vaardigheid ontwikkeld. Met dit kader als leidraad kunnen verstrekkers en (potentiële) budgethouders bepalen of iemand in staat is om een pgb te beheren. Daarnaast is Per Saldo in opdracht van het Ministerie van VWS gestart met een pilot met een aantal gemeenten waarin budgethouders aan de voorkant uitgebreid worden geïnformeerd over de taken en verantwoordelijkheden die bij een pgb horen. Ook worden ambtenaren bij gemeenten beter toegerust in de manier waarop zij kunnen inschatten of een persoon pgb-vaardig is. Door zowel de ambtenaren als budgethouders goed toe te rusten, wordt beoogd dat de juiste doelgroep een pgb krijgt toegewezen.
In hoeveel gemeenten zijn rechtmatigheidsonderzoeken ingesteld naar aanleiding van vermoedens en signalen van zorgcriminaliteit? Welke beeld komt uit deze onderzoeken en in hoeveel gevallen is ook daadwerkelijk sprake geweest van zorgcriminaliteit?
Hiervan zijn geen cijfers bekend. In algemene zin kan worden gesteld dat niet bij elk signaal met betrekking tot fraude in de zorg een rechtmatigheidsonderzoek wordt gestart. In de praktijk bestaan er vaak meerdere signalen vanuit verschillende afdelingen naast elkaar, die pas in een onderzoek samenkomen doordat er bijvoorbeeld een netwerk van mensen of bedrijven achter zit. Fraude in de zorg raakt meerdere afdelingen van een gemeente (toezicht, sociale recherche/boa, ondermijning, openbare orde en veiligheid), waarbij het belangrijk is dat er goede afstemming plaatsvindt voor het oppakken van dergelijke signalen.
Hoe oordeelt u over het feit dat de IGJ al jarenlang op rij constateert dat het toezicht op de Wmo ondermaats is?
Doordat de Wmo een decentrale wet is en de wetgever er destijds bewust voor heeft gekozen het toezicht op de Wmo aan gemeenten over te laten, is het toezicht divers georganiseerd. Er zijn, gelet op de IGJ-rapporten van de afgelopen jaren, zorgen over de wijze waarop het lokale toezicht is vormgegeven. De IGJ heeft geconstateerd dat het toezicht niet overal stevig genoeg is georganiseerd.
Naar aanleiding van de rapportages van de IGJ heeft Significant, in opdracht van VWS, een onderzoek uitgevoerd dat op 10 december 2021 naar uwKamer is gestuurd3. Hierin is een analyse gemaakt over het Wmo-toezicht, zijn knelpunten benoemd in de huidige uitvoeringspraktijk en voorstellen gedaan voor verbetering.
Naar aanleiding van dit onderzoek zijn er gesprekken gevoerd met de VNG, gemeenten, de IGJ, de GGD-GHOR en Toezicht Sociaal Domein (TSD) over een visie op goed toezicht in de Wmo. Op basis van deze gesprekken is een beleidskader Wmo-toezicht opgesteld waarmee bestuurlijk is ingestemd tijdens het Bestuurlijk Overleg op 15 februari 2023. De verbetervoorstellen uit dit beleidskader4 zijn geland in een voorgenomen wetswijziging enerzijds en een stimuleringsprogramma anderzijds.
In dat kader werkt VWS momenteel samen met de VNG en GGD-GHOR aan het inrichten van een stimuleringsprogramma om het toezicht te verstevigen en verder te professionaliseren. Daarbij is samen met de VNG en GGD-GHOR oog voor een integrale aanpak en de samenhang tussen kwaliteits- en rechtmatigheidstoezicht. In het stimuleringsprogramma zal onder meer aandacht zijn voor het opleiden van toezichthouders en de wijze waarop gemeenten de juiste afwegingen kunnen maken bij het inrichten van het toezicht op de Wmo. Ook is, onder regie van de GGD-GHOR, vanuit de praktijk de afgelopen periode gewerkt aan een model toetsingskader voor toezichthouders. Daarnaast is een implementatietraject onderdeel van het stimuleringsprogramma waarbij de verschillende elementen uit het stimuleringsprogramma door VNG en GGD-GHOR worden uitgerold onder gemeenten.
Ondertussen heeft het Wmo-toezicht zich de afgelopen jaren positief ontwikkeld. Zo heeft de IGJ in de rapportage over 2022 laten weten dat steeds meer gemeenten bovengemeentelijke samenwerking opzoeken. Ook valt in positieve zin op dat steeds meer gemeenten vastleggen welke keuzes zij in het Wmo-toezicht maken en op welke manier bijvoorbeeld het pro-actieve toezicht en calamiteitentoezicht worden uitgevoerd, terwijl dit nog geen wettelijke verplichting is.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het formuleren van nadere wettelijke kaders ter verbetering van Wmo-toezicht, zoals aangekondigd in antwoorden op Kamervragen van het lid Bevers (VVD) over het Rapport Wmo-toezicht 2021?
Momenteel wordt een wetswijzigingstraject van de Wmo voorbereid waarin onder meer aandacht is voor de inrichting van het Wmo-toezicht, het onafhankelijk functioneren van de toezichthouder en transparantie in het toezicht, zoals de openbaarmaking van toezichtrapportages. Deze wetswijziging wordt momenteel
ambtelijk voorbereid, waarbij ook wordt afgestemd met de VNG, gemeenten, de IGJ, de GGD-GHOR en TSD. De planning is om het conceptwetsvoorstel deze zomer in (internet)consultatie te brengen.
Het bericht 'Pandeigenaren zijn vernielingen door krakers zat: ‘Met een moker heb ik de deur ingebeukt’' |
|
Peter de Groot (VVD), Ingrid Michon (VVD) |
|
Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Pandeigenaren zijn vernielingen door krakers zat: «Met een moker heb ik de deur ingebeukt» uit de Telegraaf van 24 maart 2024?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de stelling van vastgoedondernemers en pandeigenaren dat het aangescherpte kraakverbod weinig tot geen oplossing biedt?
Wetgeving werkt normerend en biedt een grondslag om op te treden. In hoeverre de aanscherping van de ontruimingsmogelijkheden van een gekraakt pand een verbetering opleveren zal moeten blijken uit de evaluatie die ik komend jaar zal laten uitvoeren.
Is het onderzoek naar een toename of afname van het aantal krakers over de afgelopen jaren inmiddels afgerond? Wanneer volgt de brief van het kabinet hierover?
Zoals de Eerste Kamer bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in 2021 is toegezegd2, zal de aldus gewijzigde wet drie jaar na inwerkingtreding worden geëvalueerd. Aangezien de wetswijziging op 1 juli 2022 in werking is getreden, volgt de eindevaluatie in 2025. Overigens bestaat het gehele evaluatie-onderzoek uit een zogenaamde 0- en 1-meting en een eindevaluatie. De 0-meting is vorig jaar naar uw Kamer gestuurd en ik verwacht uw Kamer in de loop van dit voorjaar de 1-meting te kunnen toesturen. De eindevaluatie volgt, zoals gezegd, in 2025. Op basis van deze onderzoeken zal ook iets gezegd kunnen worden over de ontwikkeling van het aantal kraakincidenten, ontruimingen en overige hierboven in de vragen aangehaalde kwesties.
Vooruitlopend daarop kan ik wel stellen dat het strafrechtelijk instrumentarium, dat met opeenvolgende wetswijzigingen is aangescherpt, voldoende aanknopingspunten biedt om op te treden. Ook is het zo dat gemeenten gebruik kunnen maken van de Leegstandwet en eigenaren van vastgoed leegstandbeheerders kunnen inschakelen teneinde te voorkomen dat een pand wordt gekraakt
Kunt u aangeven hoeveel kraakpanden sinds de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving zijn ontruimd? Hoeveel van die kraakpanden zijn vreedzaam ontruimd en hoeveel ontruimingen zijn gepaard gegaan met wanordelijkheden en openbare ordeverstoringen?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeveel gevallen is er ontruimd voor leegstand?
Zie antwoord vraag 3.
Houden politie en gemeenten bij welke kraakpanden er in hun stad of regio zijn en of deze ontruimd zijn of nog ontruimd gaan worden? Welke knelpunten zijn er bij de informatiehuishouding over kraakpanden?
De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft voor mij een uitvraag gedaan bij gemeenten en daarop reacties ontvangen van 9 gemeenten van verschillende omvang. Informatie over kraakincidenten wordt bijgehouden via de reguliere systemen van de politie en het Openbaar Ministerie. Daarbij zijn geen knelpunten gemeld.
In hoeveel gevallen vertrekken krakers vrijwillig uit een gekraakt pand?
Zie antwoord vraag 3.
Zien politie en gemeenten vaak dezelfde individuele krakers? Behoren deze krakers tot een collectief?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat kraken diefstal is?
Kraken is in juridische zin niet gelijk aan diefstal maar kan wel dezelfde gevolgen hebben.
Is de wetgeving waarin kraken is verboden voldoende effectief? Geeft de wet voldoende juridische instrumenten en capaciteit om het aantal krakers terug te dringen?
Zie antwoord vraag 3.
Wat gaat u doen om het kraakverbod beter te handhaven en het aantal krakers terug te dringen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de documentaire over de kraak en ontruiming van Hotel Mokum?2 Is het in een documentairefilm verwerken van instructies over hoe te kraken strafbaar?
Ik ben bekend met de documentaire. Het is in zijn algemeenheid niet strafbaar om in een journalistiek document te berichten over wat door derden gezegd wordt. Tegelijkertijd is het altijd afhankelijk van feiten en omstandigheden of er sprake is van een strafbaar feit. Dit is aan het Openbaar Ministerie en ultiem de rechter om te beoordelen.
Bent u bereid om publieksvoorlichting op het verbod op kraken in te zetten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Hierin is niet voorzien. Ik acht een publiekscampagne weinig zinvol gezien de beperkte omvang van het fenomeen.
Valt het online oproepen tot een kraak onder opruiing? Zo nee, waarom niet?
Opruiing, oftewel het oproepen tot het plegen van strafbare feiten of tot gewelddadig optreden, is strafbaar gesteld in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht. Het is aan het Openbaar Ministerie om aan de hand van de feiten en omstandigheden te beoordelen of sprake is van een verdenking ter zake van opruiing. Of een verdachte schuldig wordt bevonden aan overtreding van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht is uiteindelijk aan de rechter4.
Het bericht ‘Politie vindt steeds vaker met AI gemaakte kinderporno: groot probleem’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Politie vindt steeds vaker met AI gemaakte kinderporno: groot probleem»?1
Ja ik ben bekend met dit bericht.
Klopt het dat het aantal kinderpornografische afbeeldingen gemaakt door, of met behulp van, AI sterk toeneemt? Heeft u enig inzicht in om hoeveel afbeeldingen dit gaat in Nederland?
Ja, het aantal afbeeldingen van seksueel kindermisbruik gemaakt door of met behulp van kunstmatige intelligentie neemt toe. Hoewel er geen exacte cijfers beschikbaar zijn omdat het totaal aantal afbeeldingen niet wordt geregistreerd, geeft het Team ter bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK) aan dat er wel een toename van AI-gegenereerd materiaal wordt waargenomen. Omdat een afbeelding van seksueel kindermisbruik altijd strafbaar is, maakt het voor politie niet uit hoe een afbeelding is gegenereerd.
Uit onderzoek van de Internet Watch Foundation (IWF) blijkt evenwel dat van de totale hoeveelheid materiaal van seksueel kindermisbruik, de hoeveelheid door kunstmatige intelligentie gegenereerd materiaal op dit moment nog een relatief klein deel betreft.2 Wel merkt de IWF op dat dit aandeel in potentie exponentieel kan groeien, mede gezien daders dergelijk materiaal met rechtmatig te verkrijgen software kunnen creëren en de ontwikkeling van generatieve kunstmatige intelligentie snel gaat. Ook het aantal meldingen van afbeeldingen gegenereerd met behulp van kunstmatige intelligentie bij het National Center for Missing & Exploited Children (NCMEC) is wereldwijd sterk gestegen.
Klopt het dat het bezit en veelvuldig bekijken van dit soort materiaal op termijn fysiek misbruik van kinderen in de hand werkt?
Het is duidelijk dat blootstelling aan online materiaal van seksueel kindermisbruik risicovol is. Dergelijk materiaal bestendigt een cultuur van geweld en draagt bij aan de ontmenselijking, uitbuiting en seksualisering van kinderen. Daarnaast draagt de gemakkelijke toegang tot materiaal van seksueel kindermisbruik bij aan de normalisering van seksueel geweld tegen kinderen.
In die context is AI-gegenereerd materiaal volstrekt onacceptabel en moeten we er alles aan doen om dit verwerpelijke materiaal op te sporen en ontoegankelijk te maken. Politie en openbaar ministerie zetten dan ook in op de opsporing van de personen die dergelijk materiaal online delen en uitwisselen. Ook worden de online communicatiediensten die dit faciliteren gewezen op hun wettelijke verplichtingen.
Hoewel er nog geen onderzoek is dat een direct causaal verband aantoont tussen het kijken van (door kunstmatige intelligentie gegenereerd) materiaal van seksueel kindermisbruik en het op termijn daadwerkelijk fysiek seksueel misbruiken van kinderen, zijn er meerdere onderzoeken waarvan de conclusies suggereren dat er een verband kán bestaan. Zo is er wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd waarin respondenten aangaven dat de herhaaldelijke blootstelling aan online materiaal van seksueel kindermisbruik ervoor had gezorgd dat ze een seksuele interesse in kinderen hadden ontwikkeld.3 Het is echter de vraag of deze seksuele interesse door het kijken van dergelijk materiaal wordt ontdekt of ontwikkeld. Meerdere onderzoeken suggereren wel dat gebruikers van legale pornografie de neiging hebben om in de loop van de tijd extremere content te gaan bekijken.4 Dit wordt toegeschreven aan een vermindering van het opwindingsniveau met betrekking tot dezelfde stimuli bij herhaaldelijke blootstelling aan deze stimuli. Ook heeft recent onderzoek gesuggereerd dat regulier of overmatig gebruik van pornografie voor volwassenen een mogelijke weg is naar het kijken van materiaal van seksueel misbruik van kinderen.5 Tot slot zijn er wetenschappelijke studies gedaan naar de verschillende stadia die een potentiële dader doorloopt tot deze daadwerkelijk overgaat tot fysiek misbruik. Fantaseren over potentieel seksueel kindermisbruik wordt hierin beschreven als een stap in de spiraal die uiteindelijk leidt tot seksueel kindermisbruik.6
In hoeverre is het mogelijk het identificeren of herkennen van AI-gegenereerde afbeeldingen te vergemakkelijken, zodat de politie/het Team ter bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK) hier minder tijd aan kwijt is? Bestaan er mogelijkheden om te traceren waar of door wie dit soort afbeeldingen gemaakt worden?
Op dit moment is het voor Team ter bestrijding van Kinderpornografie en Kindersekstoerisme (TBKK) vaak nog redelijk snel te herkennen wanneer het door kunstmatige intelligentie gegenereerd materiaal van seksueel kindermisbruik betreft. Door de nog niet zo vergevorderde techniek is het dan duidelijk dat manipulatie van beelden heeft plaatsgevonden. Ook stuit TBKK incidenteel op daders die gezichten van andere kinderen op het gezicht van een slachtoffer in een reeds bekende misbruikvideo plakken, waardoor manipulatie van de beelden duidelijk te herkennen is. Het ligt in de lijn der verwachting dat herkenning steeds lastiger wordt omdat de technologie van generatieve kunstmatige intelligentie snel aan het verbeteren is.
Op dit moment bestaat nog geen sluitende technologie om te traceren door wie of waar dit soort beeldmateriaal wordt gemaakt. Dit geldt evenzo voor het bepalen of het AI-gegenereerd materiaal betreft. Het bepalen van de authenticiteit van materiaal is van belang gezien de prioriteit om daadwerkelijke slachtoffers zo snel mogelijk te identificeren. Het is de vraag of dergelijke sluitende technologie in de toekomst wel zal bestaan. Generatieve kunstmatige intelligentie ontwikkelt in rap tempo waarbij enerzijds wordt gewerkt aan technologie om gegenereerd of gemanipuleerd materiaal te herkennen en anderzijds aan technologie om op steeds accuratere wijze te genereren en manipuleren. Dit doet uiteraard niets af aan het belang om dergelijke technologie dat dit soort materiaal kan herkennen te ontwikkelen.
Ondersteunt u de oproep van landelijk coördinator van het TBKK Van Mierlo aan techbedrijven om hun verantwoordelijkheid te pakken? Zo ja, hoe jaagt u dit aan?
De oproep van de heer van Mierlo zag met name toe op de bedrijven met wiens generatieve kunstmatige intelligentie materiaal wordt gegenereerd. Uiteraard dragen de bedrijven via wiens diensten het wordt verspreid ook een verantwoordelijkheid. Hier zal ik in het kader van online platforms in het antwoord op vraag 6 op reflecteren.
De oproep sluit aan bij de internationale oproep aan bedrijven in januari 2024 van een aantal politiekorpsen, verenigd in de «Virtual Global Taskforce»7, om hen aan te sporen actief deel te nemen in de strijd tegen de gevolgen van kunstmatige intelligentie op dit specifieke terrein. De politieorganisaties zitten in dit kader ook met (tech-)bedrijven aan tafel. Ook het kabinet hecht er groot belang aan dat (generatieve) kunstmatige intelligentie veilig en rechtmatig wordt ontwikkeld en gebruikt. De zorgen rondom de risico’s die generatieve kunstmatige intelligentie biedt voor het sneller generen en verspreiden van illegale content, zoals materiaal van seksueel kindermisbruik, worden gedeeld. Het kabinet zit niet stil en neemt verschillende stappen om gerelateerde risico’s te adresseren. In het kader van de overheidsbrede visie op generatieve kunstmatige intelligentie wordt onder meer ingezet op het versterken van digitale vaardigheden en digitaal bewustzijn van mensen in Nederland zodat zij bewust, kritisch en actief kunnen omgaan met AI-toepassingen.8
Vanzelfsprekend dragen techbedrijven ook verantwoordelijkheid om zorg te dragen dat de systemen die zij ontwikkelen niet gebruikt worden om materiaal van seksueel kindermisbruik te genereren. In het kader van «safety by design» zouden zij hun dienst dusdanig moeten inrichten dat deze door gebruikers zo min mogelijk kan worden misbruikt.9 Gezien het zelflerend vermogen van AI-systemen en de mogelijk beperkte grip op het gebruik van deze systemen door de ontwerper is het moeilijk om illegaal gebruik van generatieve kunstmatige intelligentie geheel uit te sluiten.
Deelt u de mening van de VVD-fractie dat online platforms ook een rol hebben om dit soort content te identificeren en uit de lucht te halen? Zo ja, hoe ziet u daarop toe?
Het door middel van kunstmatige intelligentie genereren van kinderpornografisch materiaal is strafbaar op basis van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht. Het huidige artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht, dat wordt vervangen door het nieuwe artikel 252 dat per 1 juli a.s. in werking treedt (Wet seksuele misdrijven, Stb. 2024, 59), kent geen beperking in de wijze van vervaardiging van kinderpornografisch materiaal. Het gaat er om dat het vervaardigde materiaal aan de vereisten voldoet die in de strafbepaling worden gesteld. Strafbaar is dus ook degene die met behulp of door gebruik van kunstmatige intelligentie een visuele weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een kind is betrokken of schijnbaar is betrokken (virtueel kinderpornografisch materiaal), vervaardigt. Vereist is dat het een realistische weergave van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking betreft.
Online platforms hebben zeker een grote verantwoordelijkheid om dit soort content uit de lucht te halen na meldingen. Dit geldt voor alle vormen van online illegale content. Op grond van artikel 16 van de Digital Services Act dienen online platforms een systeem te hebben waarmee illegale inhoud bij hen kan worden gemeld. Zodra het online platform een dergelijke melding ontvangt moet het die tijdig, zorgvuldig, niet-willekeurig en objectief behandelen. Als er inderdaad sprake is van illegale inhoud dan moet het online platform zodra het daar van weet – bijvoorbeeld als gevolg van een melding – prompt handelen om de illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doet een online platform dat niet dan kan het zowel privaat- als strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud. Het toezicht op naleving van de DSA ligt bij de toezichthouder van het land waar een online platform is gevestigd, en als het een zeer groot online platform betreft deels (exclusief) bij de Europese Commissie. Het kabinet heeft voorgesteld om de Autoriteit Consument en Markt (ACM) aan te wijzen als de onafhankelijk toezichthouder op de DSA in Nederland.
Recent is het platform Telegram veel in de media verschenen over besloten groepen waar schokkend pornografisch materiaal wordt gedeeld.10 Ook door uw Kamer zijn vragen gesteld specifiek over Telegram. Met betrekking tot Telegram verwijs ik u daarom graag door naar de beantwoording van de betreffende Kamervragen.11
Daarnaast wordt in de wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal (Kamerstukken II 36 377, nr. 2) voorgesteld dat hosting service providers die in Nederland gevestigd zijn en materiaal van seksueel kindermisbruik – ook met AI gegenereerd – opslaan of doorgeven een bindende aanwijzing van de Autoriteit Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) krijgen. De aanwijzing attendeert de dienstverlener op de aanwezigheid van het materiaal en houdt het bevel in dit materiaal binnen een korte termijn ontoegankelijk te maken. Naleving van de aanwijzing kan worden afgedwongen met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. Binnenkort zal dit wetsvoorstel door Uw Kamer worden behandeld.
Tenslotte wordt er vanuit de Europese Unie al enige tijd onderhandeld over een voorstel voor een verordening betreffende voorschriften ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik. Het voorstel bestaat uit regels die aanbieders van hostingdiensten en interpersoonlijke communicatiediensten verplichten om het risico te beoordelen dat hun diensten worden gebruikt voor het verspreiden van materiaal van CSA (Child Sexual Abuse) en het benaderen van kinderen voor seksuele doeleinden (grooming). Ook dienen zij dit materiaal te melden aan het nieuw op te richten Europees Centrum en het materiaal te verwijderen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen bedrijven ook worden verplicht om materiaal van CSA te detecteren.
In hoeverre draagt de Europese AI-verordening bij aan het bestrijden van AI-kinderporno?
De Europese AI-verordening verplicht aanbieders van AI-systemen (ontwikkelaars of degene die het op de markt brengt) waarmee content zoals video en tekst gemaakt kan worden om ervoor te zorgen dat met kunstmatige intelligentie gegenereerde of gemanipuleerde content als zodanig detecteerbaar is. Dit is mede door de Nederlandse inzet tijdens de onderhandelingen in de verordening opgenomen. Hiermee wordt het voor platforms, opsporingsdiensten en eindgebruikers makkelijker om gegeneerde content te onderscheiden van echte content. Hoewel dit het verspreiden van kinderpornografisch materiaal nooit volledig zal kunnen voorkomen, levert deze verplichting zo een bijdrage aan het tegengaan AI genereerd kinderpornografisch materiaal.
In hoeverre draagt de Europese DSA-verordening bij aan het bestrijden van AI-kinderporno?
De DSA bevat diverse verplichtingen die kunnen helpen bij het bestrijden van illegale inhoud zoals AI-kinderpornografisch materiaal. Zoals in het antwoord op vraag 6 beschreven dienen platforms en aanbieders van hostingdiensten illegale inhoud te verwijderen na melding daarvan. Ook dienen zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) op grond van artikel 34 DSA jaarlijks een risicobeoordeling te maken van mogelijke systeemrisico’s die hun diensten bevatten. Waaronder de verspreiding van illegale inhoud en eventuele of werkelijke negatieve effecten op de bescherming van minderjarigen. Indien die risico’s bestaan moeten ze risicobeperkende maatregelen nemen (artikel 35 DSA).
Daarnaast versterkt de Digital Services Act ook de verplichtingen voor aanbieders van hostingdiensten. Naast verspreiding via online platforms kan AI-kinderporno ook worden verspreid via hostingdiensten. Aanbieders van hostingdiensten dienen op grond van artikel 11 DSA een contactpunt te hebben voor nationale autoriteiten zoals rechtshandhavingsinstellingen. Op grond van artikel 13 moeten aanbieders van hostingdiensten en online platforms die geen vestiging in de Unie hebben een wettelijke vertegenwoordiger in de EU aanwijzen wanneer zij hier diensten aanbieden.12 Deze verplichtingen moeten het contact met aanbieders van deze diensten en handhaving van de DSA vergemakkelijken, bijvoorbeeld voor het verrichten van meldingen van illegale inhoud.
In hoeverre wordt het met de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderporno beter mogelijk om deze vorm van kinderpornografisch materieel aan te pakken en in hoeverre is de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (AKTM) voldoende toegerust en geëquipeerd om deze vorm van kinderpornografisch materiaal aan te pakken?
Het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal maakt het mogelijk om een binnen Nederland gevestigde dienstverlener (hosting service provider of communicatiedienst) die kinderpornografisch materiaal – ook met AI gegenereerd – opslaat of doorgeeft een bindende aanwijzing te geven. De aanwijzing attendeert de dienstverlener op de aanwezigheid van het materiaal en houdt het bevel in dit materiaal binnen een korte termijn ontoegankelijk te maken. Naleving van de aanwijzing kan worden afgedwongen met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete.
De in dit wetsvoorstel voorgestelde bestuursrechtelijke maatregelen vormen het sluitstuk van het bestaande regime van zelfregulering. Daarbij dienen zij ter aanvulling op de bestaande strafrechtelijke aanpak waarmee wordt opgetreden tegen diegenen die zich met de productie of het bezit van kinderpornografisch materiaal bezighouden. Deze aanvulling is noodzakelijk, gelet op de grote hoeveelheid online kinderpornografisch materiaal die in Nederland wordt opgeslagen en doorgegeven en de snelle verspreiding daarvan. Dit wetsvoorstel is er (louter) op gericht online kinderpornografisch materiaal zo snel mogelijk ontoegankelijk te doen maken. Het wetsvoorstel ligt voor in uw Kamer.
De politie ziet steeds meer mensen – met name jongeren – die afgeperst worden met naaktbeelden die door AI gemaakt zijn; op hoeveel mensen heeft de politie zicht? Wordt hier aangifte voor gedaan? Zo nee, waarom niet en hoe kan de aangiftebereidheid verhoogd worden?
In internationaal verband is al langere tijd bekend dat daders, ook buiten Nederland, jongeren benaderen met gefingeerde profielen, vaak gegenereerd door toepassing van kunstmatige intelligentie of soortgelijke technieken. Zij doen zich bijvoorbeeld voor als een leeftijdsgenoot en proberen het vertrouwen van de slachtoffers te wekken waarna zij de slachtoffers overtuigen tot het versturen van seksueel beeldmateriaal. Het beeldmateriaal wordt daarna ingezet om de slachtoffers af te persen. Dit is een wereldwijd fenomeen met vele slachtoffers die zich vaak niet melden. Ook in Nederland komt dit voor en is sprake van verschillende typen daders, zo gaat het in sommige gevallen ook om leeftijdgenoten van het slachtoffer.
Er wordt door de politie geen cijfermatige informatie bijgehouden over de exacte handelwijze bij deze afpersingen en er wordt niet geregistreerd of er gebruik is gemaakt van kunstmatige intelligentie. De politie hecht groot belang aan het realiseren van een zo hoog mogelijke aangiftebereidheid, en zet zich daarnaast stevig in om slachtoffers te bereiken met het juiste hulpaanbod. Gezien de kwetsbaarheid van deze slachtoffers, is adequate hulp van groot belang. Zo wijs ik graag op de ondersteuning van slachtoffers door organisaties zoals HelpWanted, onderdeel van Offlimits, of stichting 113.
Klopt het dat de overheid meldpunten faciliteert voor dienstverleners binnen de internetsector om illegale content/deepfakes aan te geven? Is het hier ook mogelijk om dit soort AI-gegeneerde pornografische afbeeldingen te melden? Hoe vlot de ontwikkeling van een laagdrempelige voorziening waar evident onrechtmatige content gemeld kan worden?
Het klopt dat de overheid voorzieningen financiert waar mensen online content kunnen melden die na beoordeling door de voorziening onder de aandacht kan worden gebracht bij internettussenpersonen. Strafbare online content kan worden gemeld bij Meld.Online Discriminatie (MOD) en het Meldpunt Kinderporno. Dit geldt ook voor gevallen van deepfakes die discriminatoir van karakter zijn of als het seksueel kindermisbruik betreft. Hiernaast wordt in samenwerking met Helpwanted momenteel een pilot uitgevoerd als onderdeel van het voornemen om een laagdrempelige meldvoorziening in te richten voor slachtoffers van onrechtmatige content. In dit kader kunnen ook onrechtmatige deepfakes worden gemeld, bijvoorbeeld als mensen door de deepfake in de persoon worden geschaad. Naar verwachting neemt het kabinet later dit jaar een besluit over de laagdrempelige meldvoorziening.
Wat is de stand van zaken van het onderzoeksprogramma van het Nederland Forensisch Instituut (NFI) met als doel de mogelijkheden voor deepfakedetectie in de rechtspraktijk verder te verbeteren?
Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en de Universiteit van Amsterdam (UvA) zijn in 2021 gestart met gezamenlijk onderzoek naar computermodellen om deepfakes en verborgen berichten te helpen herkennen.13 Binnen dit AI4Forensics Lab doen zij onderzoek naar het fenomeen deepfakes. Zij analyseren de nieuwste methodes om deepfakes te herkennen en evalueren deze op forensische bruikbaarheid. De onderzoekers hebben al een aantal nieuwe methodes aan hun gereedschapskist toegevoegd om deepfakes te herkennen. Zo laat bijvoorbeeld iedere camera een vingerafdruk achter, of kan met behulp van een tijdlijn van de elektriciteitsfrequentie worden vastgesteld of bijvoorbeeld het hoofd op een ander tijdstip is gefilmd dan de rest van de video. Ook doen het NFI en de UvA onderzoek naar uitlegbare AI om deepfakes te herkennen.14 De vorm, noodzaak en mogelijkheden voor voortzetting van het deepfake onderzoek binnen het AI4Forensic Lab zal eind 2024 worden geëvalueerd.
Het NFI heeft inmiddels deepfakes onderzocht in enkele strafrechtelijke onderzoeken. Het gaat dan om video’s waarbij lichamen en gezichten van personen gemanipuleerd zijn. Gezien deepfakes steeds beter en realistischer worden, erkent het NFI de noodzaak om onderzoek te blijven doen en nieuwe methodes te ontdekken, om daarmee criminelen voor te blijven.