De stand van zaken bij de aanpak van speculatieve grondhandel |
|
André Flach (SGP) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Maatschappelijke en juridische ontwikkelingen bij de windhandel in opgeknipte agrarische percelen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Waarom is de Kamer nog steeds niet geïnformeerd over de uitkomst van het toegezegde ambtelijke onderzoek naar de aanpak van speculatieve grondhandel?2
Uw Kamer is op 20 november 2025 bij brief, mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, geïnformeerd over de uitkomst van het ambtelijk onderzoek naar maatregelen om speculatieve grondhandel met opgesplitste percelen gericht op particulieren te voorkomen en tegen te gaan.3 In diezelfde brief is uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van een extern onderzoek naar een splitsingsverbod bij speculatieve grondhandel,4 en over een update door het Kadaster van de inzichten over de aard en omvang van de voorliggende problematiek.5
Wat is de stand van zaken van het genoemde ambtelijke onderzoek? Wanneer wordt de uitkomst met de Kamer gedeeld?
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de analyse dat het voor consumenten niet eenvoudig is om een gesloten koopovereenkomst voor opgeknipte landbouwpercelen ontbonden te krijgen en verhaal te halen?
Een consument heeft meerdere privaatrechtelijke mogelijkheden om een met een grondhandelaar gesloten koopovereenkomst over een gesplitst perceel te vernietigen.6 Zo kan een consument zich onder andere beroepen op een oneerlijke handelspraktijk, dwaling, bedreiging, bedrog, misbruik van omstandigheden of de onbepaalbaarheid van de koop. Uit de rechtspraak blijkt dat een beroep op een oneerlijke handelspraktijk of dwaling het meest voorkomt. Er is sprake van een oneerlijke handelspraktijk7 als de handelaar informatie heeft verstrekt die feitelijk onjuist is of de informatie op zodanige wijze heeft gepresenteerd dat de consument daardoor wordt misleid en de gemiddelde consument door die misleiding een besluit over de overeenkomst neemt, dat hij anders niet had genomen. Dit kan het geval zijn als het verkochte perceel de functie van «landbouwgrond» heeft en de grondhandelaar de – onjuiste – suggestie heeft gewekt dat een (omgevings)planwijziging op komst is, waardoor de grond een waardesprong zal maken en daarmee rendement oplevert. Bij een beroep op dwaling8 gaat het om het ontbreken van een juiste voorstelling van zaken, waardoor de consument een overeenkomst heeft gesloten die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. De dwaling moet te wijten zijn aan een mededeling of het zwijgen van de grondhandelaar, of beide partijen moeten van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan (wederzijdse dwaling).
De consument die meent dat sprake was van dwaling of een oneerlijke handelspraktijk kan de overeenkomst vernietigen door een buitengerechtelijke verklaring te doen aan de handelaar, bijvoorbeeld in de vorm van een brief, of door een procedure bij de rechter te starten. Door vernietiging verliest de overeenkomst met terugwerkende kracht haar werking. Reeds verrichte prestaties, zoals betaling van de koopsom, kunnen worden teruggevorderd als onverschuldigde betaling. Indien de consument een beroep doet op een oneerlijke handelspraktijk, rust de bewijslast voor de juistheid en volledigheid van de verstrekte informatie op de handelaar. Een handelaar die een oneerlijke handelspraktijk heeft verricht, heeft bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de consument en is daarmee in beginsel aansprakelijk voor de schade die de consument als gevolg daarvan heeft geleden.
Indien een consument de koopovereenkomst heeft vernietigd, is hiermee tevens een eventueel in de koopovereenkomst opgenomen boetebeding vernietigd. In de praktijk komt het namelijk voor dat een grondhandelaar een boetebeding heeft opgenomen in de koopovereenkomst met de consument. Dit beding kan bijvoorbeeld inhouden dat de consument een boete verbeurt als hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Ook komt het voor dat de grondhandelaar een beding opneemt dat inhoudt dat de consument geen beroep kan doen op ontbinding of vernietiging van de overeenkomst. Dit kan de koper afschrikken om gebruik te maken van zijn wettelijke mogelijkheden om af te zien van de koop. Zo’n beding doet echter niets af aan de hiervoor genoemde mogelijkheden om de koopovereenkomst te vernietigen. Ook kan de rechter onder omstandigheden een dergelijk beding terzijde schuiven op de grond dat het beding op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.9 Als het beding is opgenomen in de algemene voorwaarden kan de rechter het beding vernietigen als het onredelijk bezwarend is voor de consument.10
In aanvulling op de bestaande mogelijkheden voor consumenten om van de koopovereenkomst af te komen, zullen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en ik de wenselijkheid van een wettelijke bedenktijd bij de aankoop van grond door consumenten onderzoeken. Deze verkenning is aangekondigd in de Kamerbrief van 20 november 2025. Een dergelijke wettelijke bedenktijd geldt reeds bij de koop van een woning door een particulier (consument). De consument krijgt dan gedurende drie dagen na het sluiten van de koopovereenkomst het recht de overeenkomst te ontbinden. Met een bedenktijd krijgt een consument tijd om na te denken over zijn aankoop. In die periode kan de consument de door de verkoper verschafte informatie nagaan en tevens kan de consument, wanneer deze onder druk is gezet door een grondhandelaar om een beleggingsperceel te kopen, alsnog eenvoudig van de koop afzien. Het invoeren van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond zou deze kopers dus extra bescherming kunnen bieden. In de verkenning wordt onderzocht in hoeverre een wettelijke bedenktijd een oplossing kan zijn om consumenten beter te beschermen en malafide praktijken rondom speculatieve grondhandel tegen te gaan.
Deelt u de analyse dat het versnipperen van eigendomsrechten van landbouwpercelen onwenselijk is vanuit het oogpunt van gebiedsontwikkeling?
Waar dergelijke versnippering plaatsvindt en ter plaatse tevens sprake is van gebiedsontwikkeling, is dit versnipperen onwenselijk. In het ambtelijke onderzoek is een groot aantal maatregelen rond het thema speculatieve grondhandel gericht op particulieren onderzocht en beoordeeld. Bij de beoordeling van de maatregelen is betrokken, dat op landelijke schaal de reguliere gebiedsontwikkeling nauwelijks wordt gehinderd. Het onderzoeksrapport van het Kadaster bevestigt het eerdere beeld dat het aandeel beleggingspercelen op het totaal van de landbouwgrond klein is.11 Uit het onderzoek van het Kadaster blijkt verder dat er bij speculatieve grondhandel slechts in zeer zeldzame gevallen sprake is geweest van grond die ten behoeve van een gebiedsontwikkeling weer is verkocht (of onteigend). Grondhandelaren die zich richten op particulieren wekken namelijk de – meestal onjuiste – suggestie dat een (omgevings)planwijziging met een gebiedsontwikkeling op komst is. Wanneer toch een gebiedsontwikkeling is voorzien ter plaatse van versnipperde percelen kan niet worden uitgesloten dat deze vanwege de complexiteit en het aantal eigenaren, leidt tot een vertraging in de gebiedsontwikkeling. Omdat de overheid beschikt over instrumenten als het voorkeursrecht en onteigening, staan versnipperde eigendomsposities niet per definitie in de weg aan de verwezenlijking van ruimtelijke plannen.
Kunt u, zowel kwalitatief als kwantitatief, de gevolgen van de geschetste speculatieve grondhandel voor de woningbouw duiden?
Zie het antwoord op vraag 5 alsmede de Kamerbrief van 20 november waarin de onderzoeken van het Kadaster toegelicht worden.
Hoe waardeert u de analyse van het Kadaster dat de windhandel leidt tot vervuiling van kadastrale registers, omdat voorlopige grensaanduidingen bij transacties niet opgevolgd worden door definitieve grensvaststellingen, en dat percelen hiermee de facto onverkoopbaar worden en geen rechten als overpad, erfpacht en opstal gevestigd kunnen worden?
Op deze bredere problematiek die het Kadaster schetst, ga ik in mijn brief van 20 november 2025 in. Een gedachte hierbij is om nieuwe perceelsgrenzen definitief vast te stellen voorafgaand aan de eigendomsoverdracht en inschrijving. Het ter plaatse moeten verschijnen voor een fysieke inmeting, zou de grondhandel kunnen tegengaan. Echter, dit stuit op problemen in de uitvoeringspraktijk van reguliere gebiedsontwikkeling. Voor een nadere toelichting verwijs ik naar voornoemde brief. Over de problematiek rond het achterwege blijvende definitieve grensvaststelling gaat het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (verder) met het Kadaster in gesprek.
Hoe waardeert u de constatering dat de rechtspraak, de rechtswetenschap en de rechtspraktijk inmiddels het standpunt inneemt dat het aanbieden van opgeknipte kavels landbouwgrond voor handelaren een vergunningplichtige activiteit in het kader van de Wet financieel toezicht is? Wat betekent dit voor de opstelling van de Autoriteit Financiële Markten (AFM)?
Of er sprake is van een vergunningplichtige activiteit is afhankelijk van de casus. Hierbij speelt het beheercriterium een cruciale rol, zoals beschreven in de Kamerbrief. Wanneer speculatieve grondhandel kwalificeert als beleggingsobject is dit reeds vergunningplichtig onder de Wet op het financieel toezicht (Wft). Daarnaast kunnen de toezichthouders Autoriteit Financiële Markten (AFM) en Autoriteit Consument en Markt (ACM) optreden tegen oneerlijke handelspraktijken. Daarbij geldt dat de AFM belast is met de handhaving voor zover sprake is van een financiële dienst of activiteit en de ACM voor zover daar geen sprake van is. Indien de toezichthouders constateren dat een grondhandelaar zich bedient van oneerlijke handelspraktijken, hebben zij diverse (handhavings)instrumenten tot hun beschikking. Zo kunnen zij onder meer een zelfstandige last, bestuurlijke boete of last onder dwangsom opleggen. De AFM en de ACM beoordelen individuele casussen op dit terrein en zullen op grond van hun mandaat optreden als dat mogelijk en noodzakelijk is.
De gedachte de opsplitsing van grond zelf aan een vergunning te binden, of om grondhandelaren aan een vergunningstelsel te binden, is uitgebreid onderzocht. Een dergelijke maatregel is niet doeltreffend en doelmatig. In de brief van 20 november 2025 is dit nader toegelicht.
Hoe waardeert u de in het artikel genoemde voorstellen: een vergunningplicht in het kader van de Wet financieel toezicht, inzet van notarissen om oorspronkelijke verkoopprijzen te vermelden en de inzet van het Kadaster om voor kleine agrarische percelen een uitmeting van de grenzen te vereisen?
Voor het antwoord inzake een vergunningplicht verwijs ik naar antwoord 8.
Het voorstel om notarissen de oorspronkelijke verkoopprijzen te laten melden ziet op vermelding in de leveringsakte. De notaris komt namelijk in beeld indien koper en verkoper zover zijn dat ze tot de juridische levering willen overgaan. De oorspronkelijke verkoopprijs is dan pas zichtbaar nadat de koper de koopovereenkomst heeft gesloten en de notaris de leveringsakte heeft opgemaakt.
Notarissen zijn bij de uitoefening van hun ambt verplicht te voldoen aan hoge maatstaven die gelden ten aanzien van de zorg- en informatieplicht. Indien de notaris constateert dat de gesloten koop een speculatief karakter heeft, dan dient de notaris de koper daarop te wijzen en de risico’s van een dergelijke transactie aan hem uit te leggen. Hij moet zich ervan vergewissen dat de koper zich goed bewust is van dat speculatieve karakter en de transactie desondanks wil.12 Het speculatieve karakter van de transactie kan de notaris bijvoorbeeld constateren, wanneer hij een onwaarschijnlijk waardeverschil ziet tussen de aan- en verkoopprijs van de grond. Daarnaast moet de notaris onder omstandigheden zijn dienstverlening bij een onverklaarbare prijsstijging weigeren.
Ten aanzien van de inzet van het Kadaster verwijs ik naar antwoord 7. In het kader van de op landelijke schaal relatief beperkte omvang van de problematiek van deze grondhandel ligt het niet voor de hand deze rol te veranderen. In de eerdergenoemde brief wordt hier nader op ingegaan.
Hoe wilt u op korte termijn ongewenste speculatieve grondhandel inperken? Wat verwacht u daarbij concreet van betrokken partijen als de AFM, het notariaat en het Kadaster?
Ik verwijs u naar de aangekondigde maatregelen in de Kamerbrief die ik mede namens de Minister van Financiën en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan uw Kamer heb gestuurd. De Kamerbrief van 20 november 2025 introduceert een aantal maatregelen om deze speculatieve grondhandel aan te pakken. Zo zal er online voorlichting vanuit het Rijk komen. Ook verkent de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid samen met mij de komende periode, de wenselijkheid van de invoering van een wettelijke bedenktijd voor particuliere kopers van grond. Daarnaast blijf ik de ontwikkelingen van deze praktijk volgen en wordt het Kadaster periodiek om een update van het aantal beleggingspercelen gevraagd.
De afhankelijkheid van de financiële sector van Amerikaanse techgiganten |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van DNB en de AFM waarin wordt gewaarschuwd voor de afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven in de financiële sector?1
Wat is uw reactie op dit rapport?
Bent u het met de indiener eens dat de onafhankelijkheid en weerbaarheid van de financiële sector van algemeen belang is, en dus ook voorwerp van zorg moet zijn voor de regering? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om DNB en AFM te steunen door in een publiek-private samenwerking bij te dragen aan een financiële sector die minder afhankelijk is van Amerikaanse techgiganten? Zo ja, welke maatregelen kunt u hiertoe nemen?
Heeft de Rijksoverheid wat u betreft een voorbeeldfunctie in het verminderen van de afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Zo ja, kunt u onderbouwen dat zij deze waarmaakt en er feitelijk afhankelijkheden teruggedrongen zijn?
Onderschrijft u de oproep van DNB en de AFM dat er scenario’s moeten worden uitgewerkt voor het geval onze afhankelijkheid van Amerikaanse techbedrijven wordt misbruikt, bijvoorbeeld als de VS sancties oplegt of er een cyberaanval plaatsvindt?
Bent u bereid om, in samenwerking met DNB en de AFM, deze ontwrichtende scenario’s te onderzoeken om te weten welke structurele risico’s er aan de huidige afhankelijkheden kleven?
Bent u voorstander van een Europese gecoördineerde aanpak en inkoopstrategieën om digitale afhankelijkheden te verkleinen? Welke rol ziet u hierin voor Nederland?
Welke obstakels zitten verdere Europese samenwerking voor meer digitale autonomie nu in de weg? Hoe draagt Nederland bij aan het wegnemen daarvan?
Welke mogelijkheden heeft u om bij inkoop- en aanbestedingsprocedures grote niet-Europese techbedrijven, die ook onderhevig zijn aan surveillancewetgeving van niet-Europese landen, uit te sluiten? Hoe geeft u hierbij uitvoering aan de motie-Six Dijkstra c.s.2, de motie-Bruyning/Thijssen3 en de motie-Van der Werf c.s.4?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht ‘Terugbetaling toeslagen leidt steeds vaker tot problemen bij burgers’ |
|
Bram Kouwenhoven (NSC), Ilse Saris (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Terugbetaling toeslagen leidt steeds vaker tot problemen bij burgers»?1
Ja dit bericht is mij bekend.
Deelt u de mening dat het huidige toeslagenstelsel failliet is als de Dienst Toeslagen in slechts één jaar tijd 658.000 keer een bedrag moet terugvragen, omdat achteraf bleek dat mensen teveel geld hadden gekregen?
De afgelopen jaren is gewerkt aan de vermindering van de complexiteit van het huidige stelsel en dit wordt doorgezet zolang het huidige toeslagenstelsel bestaat. Zolang het huidige stelsel bestaat, kunnen we door de vormgeving hiervan, echter niet altijd voorkomen dat er geld moet worden teruggevorderd als er een te hoog voorschot is verstrekt. In situaties waarin burgers een terugvordering niet hadden voorzien, kan dat vervelend uitpakken. Om dat te voorkomen is het nodig om het stelsel van toeslagen fundamenteel te herzien. De mening dat het huidige toeslagenstelsel failliet is deel ik niet. Miljoenen mensen ontvangen elke maand toeslagen om de gezondheidszorg, huisvesting en de zorg voor kinderen te betalen. Voor veel van hen werkt het stelsel goed. Helaas is er ook een deel voor wie het stelsel niet werkt.
Het op 1 juli 2025 ingediende wetsvoorstel verbetermaatregelen toeslagen en aanpassing termijnen hersteloperatie toeslagen bevat meerdere verbetermaatregelen om op korte termijn knelpunten en schrijnende situaties op te lossen.2 Deze verbeteringen dragen bij aan een betere begrijpelijkheid van de toeslagen, zorgen ervoor dat de toeslagen beter aansluiten bij de feitelijke situatie waarin burgers verkeren en dringen het aantal terugvorderingen terug, waardoor de zekerheid voor burgers toeneemt. Het verheugt mij dat dit wetsvoorstel inmiddels door de Tweede- en Eerste Kamer is goedgekeurd waarmee het kan worden ingevoerd per 1 januari 2026. Tevens wil ik wijzen op de eind september jl. aan uw Kamer gestuurde Stand van de Uitvoering 2025 en de bijbehorende beleidsreactie.3 Hierin is onder meer aangegeven dat gewerkt wordt aan diverse wetsvoorstellen die aan uw Kamer zullen worden voorgelegd voor de vereenvoudiging van de uitvoering van het huidige stelsel van toeslagen. Het gaat dan onder andere om een wetsvoorstel om het toeslagpartnerschap te vereenvoudigen door het afschaffen van het criterium samengestelde gezinnen per 2027 en een wetsvoorstel gericht op het meer mogelijk maken van proactieve dienstverlening waardoor bijvoorbeeld eerder gegevens kunnen worden gebruikt en gedeeld om mensen te kunnen benaderen om hen te wijzen op hun rechten op toeslagen.
Wat zegt het volgens u over de mate waarin het huidige toeslagenstelsel nog functioneert als het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona bijna is verdrievoudigd?
De berichtgeving van de NOS dat dit aantal bijna is verdrievoudigd, is onder meer gebaseerd op informatie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS spreekt van een toename van het aantal en aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden. Het CBS ziet twee mogelijke oorzaken, die beiden hun oorsprong hebben in de coronaperiode: het uitstel van betaling voor ondernemers en het tijdelijk stopzetten van invorderingsmaatregelen voor toeslagen. Het CBS merkt daarbij nog op dat: «... Een nadere analyse laat zien dat zonder deze ondernemers- en pauzeringsmaatregelen het aantal en aandeel schuldenaren waarschijnlijk lager en daarnaast stabieler was geweest tussen 1 januari 2021 en 1 januari 2024.»
Ondanks dat de cijfers mogelijk stabieler zijn dan uit de NOS berichtgeving blijkt, zijn er helaas nog altijd veel huishoudens met problematische toeslagschulden. De complexiteit van het toeslagenstelsel brengt nog altijd mensen in de problemen. Het is duidelijk dat er voldoende reden is om kritisch te kijken naar het toeslagenstelsel. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2.
Hoe verklaart u dat het totale bedrag aan uitgekeerde toeslagen de afgelopen tien jaar bijna is verdubbeld tot 21 miljard euro?
Van 2014 op 2024 is het totale bedrag aan toeslagen inderdaad bijna verdubbeld van € 11,6 mld. naar € 20,7 mld. Een deel van deze groei komt door de reguliere stijging van de huren, de zorgverzekering en de kosten van kinderopvang, waardoor de toeslagen voor deze uitgaven meegroeien. Het kindgebonden budget stijgt uiteraard ook mee met de inflatie. Die bedroeg volgens het CBS circa 32% van 2014 tot en met 2024. Daarnaast is de bevolking met circa 7% gegroeid, hebben in sommige gevallen meer mensen recht gekregen op een toeslag en zijn toeslagen de afgelopen jaren veelvuldig ingezet als koopkracht instrument. Ook dit heeft bijgedragen aan de toegenomen omvang.
Waar doelt de Dienst Toeslagen op wanneer zij spreekt over het steeds vaker moeten terugvragen van «grote bedragen»? Om wat voor financiële bedragen gaat dat volgens u in een «worst case» scenario?
Dienst Toeslagen definieert grote terugvorderingen als terugvorderingen van meer dan 500 euro bij de huurtoeslag, het kindgebonden budget en de zorgtoeslag en om terugvorderingen van meer dan 1.000 euro bij de kinderopvangtoeslag. Het is niet mogelijk om een realistisch bedrag te noemen voor een worst case scenario, omdat dit afhankelijk is van in welke mate de door burgers aangeleverde gegevens afwijken van de correcte gegevens, waarbij er vele variabelen zijn zoals draagkracht, aantal kinderen, partnerschap en woonsituatie. In alle gevallen is het vervelend om te maken te krijgen met een terugvordering. Individuele omstandigheden kunnen overigens ook leiden tot een matiging van de terugvordering, waardoor een hoge terugvordering niet altijd leidt tot een volledige invordering van het bedrag.
In hoeverre is de samenloop onderzocht van terugvordering van toeslagen en problematische toeslagenschulden met het ontvangen van een uitkering vanuit bijvoorbeeld de WIA, WW, AOW of Participatiewet?
De samenloop van terugvordering van toeslagen en problematische toeslagschulden met het ontvangen van een socialezekerheidsuitkering is niet specifiek onderzocht. Wel beschikt het CBS over (de samenloop van) betalingsachterstanden bij zeven overheidsorganisaties (Belastingdienst, Dienst Toeslagen, UWV, CAK, CJIB, DUO en SVB). Op verzoek van het CJIB heeft het CBS onderzocht hoe vaak en in welke combinaties er sprake is van samenloop van betalingsachterstanden.4 Het hoeft daarbij niet te gaan om problematische schulden. Uit dit onderzoek blijkt o.a. dat in 2024 64% van de totale groep mensen met een betalingsachterstand bij Dienst Toeslagen, alleen een betalingsachterstand bij Dienst Toeslagen had. In 26,8% is er sprake van samenloop met een betalingsachterstand bij de Belastingdienst en in 3,4% met een betalingsachterstand bij het UWV.
Daarnaast brengt CBS in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) periodiek kwantitatieve informatie over schuldenproblematiek in Nederland in beeld.5 Daaruit blijkt dat in 2024 bijna 200.000 huishoudens problematische schulden hadden bij Dienst Toeslagen. Voor de individuele burger wordt bij samenloop van een persoonlijke betalingsregeling en een uitkering het bedrag dat de belanghebbende maandelijks betaalt afgestemd op wat de belanghebbende daadwerkelijk kan betalen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 7.
Deelt u dat de menselijke maat totaal ontbreekt in het huidige toeslagenstelsel als het mogelijk is dat iemand in een kwetsbare positie over twee jaren in totaal ruim 7.000 euro aan huurtoeslag moet terugbetalen?
Voor mensen in een financieel kwetsbare positie kan het terugbetalen van te veel ontvangen toeslagen moeilijk of zelfs onmogelijk zijn. Juist voor hen zijn er mogelijkheden om rekening te houden met individuele omstandigheden én is er is oog voor (een gebrek aan) financiële ruimte. Daarmee kan invulling gegeven worden aan de menselijke maat. Mensen die de toeslagschuld niet in één keer en ook niet in een standaardbetalingsregeling van 24 maanden kunnen voldoen, kunnen een maatwerkregeling krijgen die is afgestemd op hun persoonlijke situatie.
Op welke wijze werkt u samen met organisaties als de Landelijke Cliëntenraad om mensen die zich melden met verwoestende gevolgen van één klein foutje zo goed mogelijk te helpen?
Dienst Toeslagen pakt de meldingen van organisaties als deze doorgaans op voor individuele behandeling en blijft in contact met de organisatie die het probleem van de burger onder de aandacht brengt. Ongeveer 800 maatschappelijke organisaties (landelijke, regionale en lokale organisaties) maken deel uit van het netwerk van Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen hecht zeer veel waarde aan de samenwerking met deze organisaties zoals gemeentes, bibliotheken, UWV, SVB, de Nationale ombudsman en de Belangenbehartiger voor belastingplichtigen en toeslaggerechtigden. Uit deze samenwerking komen namelijk nuttige signalen van mensen naar boven die ergens op vastlopen. Ook worden dergelijke signalen verzameld en gebundeld, om vervolgens gebruikt te worden als voorstellen voor verbetermaatregelen of zijn vertrekpunt voor beleidswijzigingen. De door de Inspectie BTD en de Belangenbehartiger gedeelde signalen worden hierin ook meegenomen. De recent gepubliceerde Stand van de Uitvoering 2025 is mede gebaseerd op de signalen uit het netwerk. Dit sluit aan bij het antwoord op vraag 2 waarin beschreven wordt dat terugvorderingen (of nabetalingen) niet altijd te voorkomen zijn, zonder het stelsel fundamenteel te herzien. Recentelijk heb ik hierover ook gesproken met een afvaardiging van de Landelijke Cliëntenraad, om ook hun visie op een fundamentele stelselherziening op te halen zodat deze meegenomen kan worden in het vervolg.
Zijn campagnes om toeslagenschulden terug te dringen en experimenten waarbij de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag automatisch verlaagt volgens u ook maar symbolische maatregelen in het licht van hoe groot de problematiek met toeslagen is?
Zoals ik in mijn beleidsprioriteitenbrief van 31 maart 2025 heb geschreven zijn het terugdringen van terugvorderingen en het tegengaan van niet-gebruik twee van mijn belangrijkste prioriteiten binnen het huidige toeslagenstelsel.6 Er zijn de afgelopen jaren verschillende maatregelen uitgevoerd om aan deze doelen bij te dragen, waaronder het wijzigen van aanvragen op basis van afwijkingen in kinderopvang- en inkomensgegevens, het attenderen van mensen met een mogelijk recht op zorgtoeslag of bijvoorbeeld een voorzichtigere inkomensindexatie en een verkenning van een voorzichtig voorschot. Deze maatregelen, in combinatie met publiekscampagnes als «check, pas aan en door» dragen bij aan het terugdringen van terugvorderingen en het tegengaan van niet-gebruik.
Uiteraard spelen er in de uitvoering uitdagingen die de effectiviteit van de maatregelen beperken. Dienst Toeslagen heeft bijvoorbeeld niet van iedereen voldoende betrouwbare gegevens om de toeslaggegevens op aan te kunnen passen. Zo beschikt Dienst Toeslagen niet over actuele inkomensgegevens van mensen die een beloning ontvangen uit het economische verkeer anders dan loon, zoals winst en resultaat uit overige werkzaamheden. Op dit moment wordt ambtelijk verkend of een dergelijke registratie kan worden gerealiseerd. Ook zijn niet alle (technische) wijzigingen binnen de uitvoering op korte termijn door te voeren, mede door de verouderde staat van de systemen. Daarom wordt gewerkt aan verbeteringen op deze vlakken, door de systemen te vernieuwen en de gegevenspositie te verbeteren. Tegelijkertijd is het ook de realiteit dat binnen het huidige systeem de terugvorderingen en het niet-gebruik van toeslagen niet volledig kunnen worden voorkomen. Daarom blijft een hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel noodzakelijk om deze problematiek op te lossen.
Ziet u ook dat een fundamentele herziening nodig is van zowel het stelsel van sociale zekerheid als het stelsel van belastingen- en toeslagen? Zo ja, op welke wijze gaat u prioriteit geven aan het uitvoeren van de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning?
Een fundamentele hervorming van het belasting- en toeslagenstelsel is nodig om de problemen met het stelsel, waaronder terugvorderingen te verhelpen. Een hervorming vergt een integrale weging, met een tijdshorizon van bij voorkeur meerdere kabinetsperiodes. Het kabinet had zich, naar aanleiding van het Hoofdlijnenakkoord, in het Regeerprogramma als doel gesteld om wetgeving voor te bereiden voor het hervormen van het belasting- en toeslagenstelsel.7 Met de nieuwe financiering kinderopvang (en daarmee de herziening van het stelsel van de kinderopvangtoeslag) heeft het kabinet daar een stevige start mee gemaakt. De Internetconsultatie van het betreffende wetsvoorstel is inmiddels afgerond.8 Uw Kamer is eerder geïnformeerd dat het kabinet het passend vindt om zich op dit onderwerp bescheiden op te stellen en hier geen richting meer aan te geven, voor zover het gaat over andere toeslagen en het stelsel als geheel.9 De opdrachtgevende beleidsdepartementen en Dienst Toeslagen gaan onverminderd door met het zoeken naar verbeteringen in het huidige stelsel om problemen met terugvorderingen voor burgers zoveel mogelijk te beperken.
Bent u het eens met de lezing van de Dienst Toeslagen dat de groeiende problemen rondom toeslagenschulden deels komen doordat steeds meer geld wordt rondgepompt?
Afgelopen jaren zijn de bedragen waarvoor mensen in aanmerking komen gegroeid. Met een hoger recht op toeslagen worden mensen ook kwetsbaarder voor hogere terugvorderingen. Ook geldt dat er op dit moment meer mensen in aanmerking komen voor toeslagen dan een aantal jaren geleden. Dit betekent dat meer mensen te maken kunnen krijgen met terugvorderingen. Zoals ook al genoemd bij de antwoorden op voorgaande vragen zijn tegelijkertijd afgelopen jaren ook verschillende maatregelen genomen om de problematiek van terugvorderingen en financiële stress als gevolg daarvan te verminderen. Dit neemt niet weg dat we moeten blijven werken aan verbetering, ook binnen het huidige toeslagenstelsel.
Onderschrijft u de constatering dat een verhoging van het minimumloon zoals voorgesteld door de Commissie Sociaal Minimum ertoe leidt dat het loon meer de basis van het inkomen wordt? Zo ja, waarom kiest u er dan niet voor om een verhoging naar 18 euro per uur door te voeren om mensen minder afhankelijk te laten zijn van onzekere toeslagen?
Een verhoging van het minimumloon zou er in theorie toe kunnen leiden dat inkomens voor een groter deel zouden bestaan uit loon en voor een kleiner deel uit aanvullingen zoals toeslagen. Een verhoging van het wettelijk minimumloon vermindert de afhankelijkheid van toeslagen, doordat het loon stijgt en bijvoorbeeld de zorgtoeslag daalt. Daarentegen zal een hoger minimumloon wel kunnen leiden tot onwenselijke neveneffecten zoals hogere kosten voor lonen en hogere kosten voor de aan het minimumloon gekoppelde uitkeringen. Dit vergt een zorgvuldige afweging en politieke besluitvorming. Het kabinet heeft gekozen voor een stabiele ontwikkeling van het minimumloon, nadat het minimumloon in eerdere jaren aanzienlijk is verhoogd.
Hoe neemt u de economische schade voor de maatschappij door psychische gevolgen zoals depressies vanwege financiële stress mee in uw beleid? Maakt dit deel uit van ramingen van de kosten en opbrengsten van mogelijke maatregelen om het stelsel te hervormen?
In de uitvoering van Dienst Toeslagen en in de beleidsvorming door het kabinet is de afgelopen jaren veel prioriteit gegeven aan het terugdringen van (hoge) terugvorderingen. Onderzoek laat zien dat terugvorderingen niet alleen een financiële impact hebben maar ook voor stress zorgt die invloed kan zijn op de mentale gezondheid van mensen.10 Omdat financiële stress onderdeel is van de probleemanalyses over het toeslagenstelsel komt dit op verschillende manieren terug in de beleidsvorming van toeslagen. Ook is bekend dat terugvorderingen het doenvermogen van mensen kan beïnvloeden. In de beleidsvormende fase wordt standaard ook het effect op het doenvermogen van mensen bezien. Op deze wijze komen financiële stress en mentale gevolgen daarvan ook terug in de beleidsvorming. In kwantitatieve zin, bijvoorbeeld via ramingen, wordt financiële stress niet betrokken in de beleidsvorming van toeslagen.
Kunt u deze vragen één voor één binnen drie weken beantwoorden?
Nee dit is niet gelukt. Om zorgvuldige beantwoording en afstemming mogelijk te maken is op 18 november 2025 een uitstelbrief verzonden.
Het bedrijf Pluspetrol |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Eindverklaring van het OECD National Contact Point (NCP) over het bedrijf Pluspetrol die op 3 september is gepubliceerd?1
Ja.
Klopt het dat Pluspetrol een Argentijns bedrijf is met tien brievenbusmaatschappijen in Nederland?2 Zo nee, waarom niet?
Het is mij bekend dat Pluspetrol activiteiten in Nederland heeft.
Heeft Pluspetrol in het verleden geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten zoals subsidies, bilaterale investeringsverdragen, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen? Is deze steun openbaar? Zo nee, waarom niet?
Pluspetrol heeft in het verleden niet geprofiteerd van Nederlandse handelsfaciliteiten. Conform internationale afspraken3 investeert de Nederlandse overheid niet langer of verleent geen financiering of actieve ondersteuning met handelsbevordering instrumenten, zoals missies, met betrekking tot de fossiele energiesector in het buitenland. In specifieke gevallen kan hierop een uitzondering worden gemaakt als energieleveringszekerheid voor Nederland of Europa in het geding is.
Bent u van mening dat Pluspetrol, na het zeer kritische oordeel van het NCP, nog steeds recht heeft op Nederlandse handelsfaciliteiten, zoals subsidies, deelname aan Nederlandse handelsmissies, exportkredieten en toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen, indien zij hierom verzoeken? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? En welke maatregelen gaat u dan treffen?
Pluspetrol kan geen aanspraak maken op het handelsinstrumentarium vanwege de in het antwoord op vraag 3 benoemde afspraken over de uitfasering van de ondersteuning voor de fossiele energiesector. In principe kan aan Pluspetrol geen toegang tot overheidsopdrachten en aanbestedingen worden ontzegd. Wel kunnen er bij aanbestedingen ten aanzien van mensenrechten eisen worden gesteld waaraan bedrijven moeten voldoen.
In algemene zin verwacht het kabinet van Nederlandse bedrijven die internationaal opereren dat ze de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen) toepassen.4
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het bedrijf Pluspetrol meer dan 3.200 vervuilde locaties heeft achtergelaten in Peru? Heeft u kennisgenomen van het feit dat Pluspetrol weigert voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen om de vervuilde locaties in Peru te saneren? Deelt u de analyse dat de financiele stromen van Pluspetrol via vennootschappen zonder reële economische activiteit in onder andere Nederland, verborgen blijven? Zo nee, kunt u dan op basis van publiek toegankelijke data aangeven hoeveel belasting de Nederlandse entiteiten van Pluspetrol de afgelopen 15 jaar aan de Nederlandse Belastingdienst hebben betaald?
Ik heb kennisgenomen van de bevindingen van de Eindverklaring van het NCP. Niet alle financiële stromen van bedrijven zijn openbaar. Het is op dit moment niet mogelijk om op basis van openbare data aan te geven hoeveel belasting bepaalde bedrijven in Nederland hebben betaald. Er worden echter relevante stappen gezet op het gebied van transparantie over de belastingafdracht van grote bedrijven. Met ingang van het boekjaar dat begint op of na 22 juni 2024 zijn multinationals in de EU met een totale geconsolideerde omzet van minstens € 750 miljoen jaarlijks verplicht om in het handelsregister onder meer openbaar te maken hoe veel winstbelasting zij betalen in de landen waarin ze actief zijn (de zogenaamde openbare country-by-country reporting, CbCR). Ook grote dochtermaatschappijen in de EU-lidstaten, waarvan de uiteindelijke moedermaatschappij buiten de EU is gevestigd, zijn verplicht openbaar te maken hoe veel winstbelasting het hele concern in elke EU-lidstaat en in de landen daarbuiten betaalt.
Heeft de NCP-uitspraak consequenties voor eventuele afspraken met de Belastingdienst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties?
De Belastingdienst is het op basis van artikel 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) niet toegestaan in te gaan op individuele fiscale dossiers. In algemene zin kan wel het volgende worden opgemerkt.
Een belanghebbende kan verzoeken om vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf. Dit geldt zowel voor burgers als bedrijven. Zo kun je als belastingplichtige vooraf zekerheid krijgen over de fiscale gevolgen van voorgenomen handelingen of transacties. Dit doet de Belastingdienst binnen de kaders van wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie. Een ruling zorgt dus voor zekerheid vooraf over de uitleg van de wet. De uitleg van fiscale wet- en regelgeving voor belastingplichtigen is echter altijd gelijk, met of zonder ruling. Zekerheid vooraf vervult niet alleen een waardevolle functie voor belastingplichtigen, maar ook een belangrijke functie in het toezicht van de Belastingdienst. De Belastingdienst zal onder andere echter geen zekerheid vooraf geven als het besparen van belasting de enige of doorslaggevende beweegreden is voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) waarover zekerheid vooraf wordt gevraagd of wanneer de (rechts)handeling(en) buiten het beoogde fiscale voordeel geen of weinig reële, praktische betekenis heeft (hebben).
Bent u bekend met de observatie van het NCP dat het vanwege een gebrek aan capaciteit en informatie niet in staat was om de belastingontwijking door Pluspetrol te beoordelen? Bent u van mening dat bedrijven en de overheid meer gegevens en informatie moeten verstrekken over de activiteiten van bedrijven als Pluspetrol? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen treft u hiertoe?
Ik ben bekend met de observaties van het NCP. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 zullen grote multinationals meer transparantie moeten betrachten over hun belastingafdracht onder de openbare country-by-country reporting regels. Daarin wordt dus een stap gezet naar meer transparantie. Het kabinet ziet niet de mogelijkheid om vanuit de overheid meer informatie openbaar te maken over de fiscale positie van individuele belastingplichtigen gelet op de fiscale geheimhoudingsplicht. Naast het beschermen van de privacy dient de fiscale geheimhouding het belang van de staat. De fiscale geheimhouding draagt namelijk bij aan de compliance, en daarmee de belastingheffing. Hierover heeft de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane uw Kamer op 21 juli 2025 geïnformeerd.5 Het kabinet verwijst u graag naar die brief voor de afwegingen die hebben geleid tot deze conclusie. Uw Kamer heeft de motie-Stultiens6 aangenomen om opties in kaart te brengen voor het vergroten van transparantie over belastingen door bedrijven en de overheid. De Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane zal voor de plenaire behandeling van het Belastingplan 2026 inhoudelijk reageren op deze motie.
Klopt het dat het aantal bedrijven dat de OECD Guidelines heeft erkend, op 35% staat?3 Klopt het dat het streven is om dit percentage naar 90% te brengen? Vallen bedrijven die hier gevestigd zijn als brievenbusfirma, zoals Pluspetrol, onder deze meting? Zo nee, waarom niet? Gaat dit veranderen naar aanleiding van het NCP oordeel, dat stelt dat ook deze bedrijven aan de OECD Guidelines moeten voldoen? Zo nee, waarom niet?
In 2013 is de doelstelling geformuleerd dat 90% van de grote Nederlandse bedrijven in 2023 de OESO-richtlijnen expliciet zou onderschrijven als referentiekader voor hun internationale activiteiten. Bij de eindmeting in 2023 bleek dat 41% van deze bedrijven de OESO-richtlijnen en/of UN Guiding Principles on Business and Human Rights onderschreef.8 De onderzoeksgroep betrof in Nederland gevestigde bedrijven die binnen de destijds beoogde reikwijdte van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) vielen en waarvoor relevante data beschikbaar was. In het BHOS-jaarverslag 2023 (Kamerstuknummer 36560-XVII-1) is toegelicht dat dit de laatste keer was dat de voortgang op de 90%-doelstelling is gemonitord. Dit met het oog op aanstaande IMVO-wetgeving die het voor een deel van het bedrijfsleven verplicht maakt gepaste zorgvuldigheid toe te passen.
De gelekte brief waarin Tata Steel 685 miljoen euro moet betalen vanwege trage verduurzaming |
|
Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Tata Steel Nederland (TSN) de komende jaren honderden miljoenen extra kwijt zal zijn aan het kopen van emissierechten, in totaal € 685 miljoen in 2030?1
Ja.
Erkent u dat dit geen onverwachte tegenvaller is, maar een volledig voorzienbare consequentie van de ETS-systematiek waarin de gratis rechten gebaseerd zijn op historische productievolumes? Zo nee, waarom niet?
De hoeveelheid gratis rechten is inderdaad onder andere gebaseerd op historische productievolumes, maar bijvoorbeeld ook op de Europese benchmark en op de langere termijn ook op de implementatie van de Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Voor TSN speelt mee dat de werkzaamheden aan Hoogoven 6 begin 2024 zijn uitgelopen waardoor er minder staal is geproduceerd. Dit lagere productievolume heeft geresulteerd in minder gratis rechten. Deze consequentie was van tevoren bekend en daarom ook in de bedrijfsvoering meegenomen.
Deelt u de mening dat het doel van het ETS-systeem is om vervuilers financieel te prikkelen sneller te verduurzamen, en dat het huidige systeem in die zin «werkt» doordat TSN nu met forse kosten wordt geconfronteerd? Hoe rijmt u dit met het beleid om tegelijkertijd via subsidies de financiële prikkels van het ETS-systeem deels teniet te doen?
Het EU ETS is een marktinstrument waarmee de Europese Unie de uitstoot van broeikasgassen kosteneffectief wil verminderen. De handel in emissierechten is de handel in emissieruimte: het recht om een bepaalde hoeveelheid broeikasgassen uit te stoten. Het aantal beschikbare rechten is beperkt en gaat ook nog eens elk jaar omlaag. Bedrijven, zoals TSN, ontvangen gratis rechten én kunnen handelen in rechten. De prijs voor een emissierecht, de CO2-prijs, wordt bepaald door vraag en aanbod. Dat maakt emissiehandel een marktinstrument om klimaatverandering tegen te gaan.
Het kabinet hecht aan het belang van een verduurzaamde industrie in Nederland. Het Nederlandse beleid ten aanzien van de verduurzaming van de industrie bestaat uit verschillende instrumenten. Zo zijn er beprijzende instrumenten, zoals EU ETS, waardoor bedrijven moeten gaan betalen voor hun CO2-uitstoot. Ook zijn er stimulerende instrumenten gericht op de opbouw van deze duurzame industrie en het behoud van de industrie. Te denken valt aan de ontwikkeling van innovatieve technologieën, ondersteund door bijvoorbeeld de maatwerkaanpak, NIKI, SDE++ en DEI+. Deze instrumenten subsidiëren (een deel van) de onrendabele top van een investering, dus enkel het deel dat nodig is om de business case sluitend te krijgen. De maatwerkaanpak richt zich op bovenwettelijke maatregelen, dus meer of sneller verduurzamen dan de wet vraagt. Dit geldt dus ook voor de maatwerkafspraak met TSN.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van emeritus hoogleraar Sweder van Wijnbergen in het artikel dat subsidie aan Tata Steel de bedoeling van het ETS-systeem ondermijnt?
Zoals ook in het antwoord op vraag 3 vermeld, bestaat het Nederlandse beleid uit een combinatie van instrumenten om verduurzaming te realiseren. Alle bedrijven die onder het EU ETS systeem vallen, kunnen ook aanspraak maken op de stimulerende instrumenten, niet alleen TSN. Daarbij is het ETS een Europees systeem. Ook andere Europese staalfabrieken die onder het ETS systeem vallen worden ondersteund bij hun verduurzamingsopgave.
Was u voor het verschijnen van dit artikel op de hoogte van deze additionele kosten, waarvan het bedrijf zelf in elk geval sinds februari 2024 weet (de datum van het interne document)? Zo ja, heeft u dit meegewogen in de onderhandelingen over maatwerksubsidie? Zo nee, in hoeverre verandert dit uw inzet bij de onderhandelingen?
In de business case voor de maatwerkafspraak wordt gekeken naar meest actuele prognoses van kosten en opbrengsten, in dit geval cijfers en prognoses uit 2025. Dit geldt dus ook voor de CO2 kosten.
Heeft TSN de afgelopen jaren een voorziening aangelegd voor de gratis emissierechten die zij door lagere productie «te veel» ontvingen? Zo ja, wat is de omvang van deze voorziening en hoe wordt deze ingezet? Zo nee, acht u dit prudent ondernemingsbeleid?
Vanwege de bedrijfsvertrouwelijkheid kunnen geen uitspraken worden gedaan over specifieke cijfers of, in dit geval, voorzieningen. Het kabinet wil benadrukken dat de CO2 kosten en de maatregelen die TSN in verband daarmee getroffen heeft integraal zijn meegenomen in de business case die onderdeel is van de maatwerkgesprekken.
Hoe schat u de concurrentiepositie van Tata Steel in nu ze de komende jaren 685 miljoen euro extra kosten kunnen verwachten, zelfs ten opzichte van concurrenten binnen Europa? Ziet u nog een toekomst waarin Tata Steel op eigen kracht kan concurreren, of is dit bedrijf structureel afhankelijk geworden van staatssteun?
Zie het antwoord op vraag 6 wat betreft de bedrijfsvertrouwelijkheid van deze cijfers en het integraal meenemen van de CO2 kosten in de business case en het antwoord op vraag 5 dat we bij de maatwerkafspraak met TSN kijken naar de cijfers en prognoses van 2025. Op basis van die business case ziet het kabinet zeker een toekomst waarin TSN op eigen kracht kan opereren. Ook de Europese Commissie toetst hierop aangezien er onder het relevante staatssteunkader geen staatssteun mag worden gegeven aan een bedrijf in financiële moeilijkheden. Voordat er een subsidie kan worden gegeven is ook akkoord van de Europese Commissie nodig.
Hoe weegt u dat Tata zelf aangeeft dat het «Groen Staal-plan» onder druk komt te staan als er een verbod komt op de verwerking van giftige staalslakken2, terwijl deze ETS rechten financieel een veel grotere tegenvaller kunnen zijn? Wat zegt dit over de kwetsbaarheid van Tata’s plannen?
TSN opereert in een internationale context. Voor het bedrijf is het daarom van belang om stabiliteit in het overheidsbeleid te hebben en vergelijkbare concurrentievoorwaarden met omringende landen. EU-beleid en nationaal beleid hebben impact op de business case van een bedrijf, zo ook beleid omtrent ETS en staalslakken. Het Groen Staal-plan vergt een grote investering van het bedrijf en het moederbedrijf. Het is dus niet meer dan logisch dat het bedrijf mogelijke risico’s ten aanzien van de business case zorgvuldig in kaart brengt. De weging van de verschillende risico’s en het uiteindelijk wel/niet doen van de investering is aan het bedrijf.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste actuele en potentiële financiële risico’s voor TSN, waaronder in elk geval: een mogelijk verbod op de verwerking van staalslakken, het tekort aan gratis ETS-rechten, de invoerheffingen op staal in de VS3 en de werkzaamheden naar aanleiding van de aanzegging tot intrekken van de vergunning van Kooksgasfabriek 2?
Zoals ook in het antwoord op de vorige vraag zijn er externe factoren die impact hebben op de business case van Tata Steel. In de financiële modellen wordt gewerkt met prognoses. Deze prognoses worden getoetst en gevalideerd door de staat en een externe financiële adviseur. De uiteindelijke risico inschatting en afweging van de verschillende factoren is aan het bedrijf.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de wijze waarop deze financiële risico’s worden betrokken in de lopende gesprekken over mogelijke steunmaatregelen of maatwerkafspraken met TSN?
De Kamer wordt regelmatig, waar mogelijk openbaar en waar nodig vertrouwelijk, geïnformeerd over de voortgang van de maatwerkafspraken met Tata Steel, bijvoorbeeld via Kamerbrieven en technische briefings. Ook in de toekomst zal het kabinet dit blijven doen.
Hoe beoordeelt u of het verstrekken van substantiële subsidies aan Tata Steel in lijn is met prudent financieel bestuur, gezien de vele vooraanstaande economen4 5 die ons waarschuwen dat dit een zeer onverstandige vorm van staatssteun is?
Zoals al eerder in de beantwoording aangegeven, bestaat het Nederlandse verduurzamingsbeleid uit een mix van instrumenten en wordt er door de staat en de Europese Commissie getoetst op de haalbaarheid van de business case aangezien er onder het relevante staatssteunkader geen steun mag worden verstrekt aan een onderneming in financiële moeilijkheden. Voor de staat is het essentieel dat de subsidie voor het behalen van de beoogde doelen wordt gebruikt: verduurzaming en verbetering van de gezondheid. Er zullen dan ook strenge voorwaarden aan de eventuele subsidie verbonden zijn. Zo wordt de subsidie in tranches uitgekeerd, bij het behalen van vooraf vastgestelde mijlpalen. Indien de doelen niet worden behaald kan de staat de subsidie terugvorderen of boetes opleggen. Daarnaast zullen er clawback-mechanismes komen om oversubsidiëring te voorkomen.
Wilt u deze vragen één voor één beantwoorden, vóór de behandeling van de begroting Klimaat en Groene Groei, zodat de Kamer deze informatie kan betrekken bij de beoordeling van de maatwerkafspraken met Tata Steel?
Ja.
Het weglaten van €200 miljoen onderwijsbezuinigingen in de laatste OCW begroting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat dit kabinet ervoor heeft gekozen om ruim € 170 miljoen per jaar te bezuinigen op de OCW-begroting via de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling?
Bij de Voorjaarsnota 2025 heeft het kabinet besloten om van de prijsbijstelling tranche 2025 50% niet uit te keren om rijksbrede problematiek te dekken. Het beschikbare budget voor prijsbijstelling op de OCW-begroting uit deze tranche is daardoor geen € 343,2 miljoen maar € 171,6 miljoen structureel.
Klopt het dat deze bezuiniging een aantal maanden geleden wel stond opgenomen in de bezuinigingstabel van uw voorganger?1
Bij de antwoorden op de feitelijke vragen over de eerste suppletoire begroting van OCW is de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 inderdaad opgenomen in de bezuinigingstabel. Er waren meerdere vragen gesteld over de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling en de impact ervan op OCW. Om de Kamer een zo volledig mogelijk beeld te geven is er toen voor gekozen om de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling op te nemen in het overzicht.
Waarom heeft u ervoor gekozen om deze bezuiniging weg te laten in de nieuwe bezuinigingstabel bij de OCW-begroting 2026, waarin staat dat de totale onderwijsbezuinigingen € 1,37 miljard per jaar bedragen?2
De overzichtstabel 4 (extensiveringen) in de OCW-begroting 2026 heeft een ander karakter dan de tabel bij de antwoorden op de feitelijke vragen over de eerste suppletoire begroting. In de overzichtstabel in de begroting is het uitgangspunt dat alleen extensiveringen ten gunste van het generale beeld op de OCW-begroting worden opgenomen. Vanaf het begin dat deze overzichtstabel onderdeel is van de OCW-begroting wordt dit uitgangspunt al gehanteerd. Het gaat dan om budget dat onderdeel was van de OCW-begroting en vervolgens is afgeboekt van de OCW-begroting. Voor de gehalveerde reeks van de prijsbijstelling geldt dat deze nooit onderdeel is geweest van de OCW-begroting. De helft van de prijsbijstelling is overgeheveld van Financiën naar de OCW-begroting.
Betekent dit dat deze bezuiniging van tafel is of dat u de Kamer niet volledig heeft geïnformeerd over alle onderwijsbezuinigingen van het kabinet-Schoof?
De rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025 is niet van tafel. Bij de toelichting van de belangrijkste budgettaire mutaties (onderdeel 2.2. van de ontwerpbegroting 2026 van OCW) is de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling toegelicht. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Hoe hoog is het totaalbedrag aan onderwijsbezuinigingen als de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling wél wordt meegenomen?
Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle extensiveringen ten gunste van het generale beeld van dit kabinet op OCW en de rijksbrede halvering van de prijsbijstelling tranche 2025. Dit is dus breder dan alleen de bezuinigingen op onderwijs. In aanvulling op de tabel in de begroting is ook een kolom voor de structurele bedragen opgenomen, analoog aan de tabel in de antwoorden op de feitelijke vragen bij de eerste suppletoire begroting.
Bezuiniging maatschappelijke diensttijd1
– 74.735
– 44.902
– 67.363
– 70.000
– 70.000
– 70.000
– 70.000
HLA 23. Afschaffen brede brugklas en beperken S&O
– 55.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
– 170.000
HLA 24. Alternatieve invulling bijstelling sectorplannen hoger onderwijs en wetenschap
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 134.734
– 161.330
– 175.000
HLA 26. Terugdraaien groei apparaat Rijksoverheid
– 42.598
– 62.186
– 80.612
– 100.342
– 108.466
– 108.466
– 108.466
HLA 29. SPUK naar GF en PF met 10% budgetkorting
0
– 81.261
– 81.201
– 81.201
– 81.201
– 81.201
– 81.201
HLA 32. Beëindiging functiemix Randstad en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
HLA 34. Gerichte keuzes ontwikkelingssamenwerking
0
– 8.511
– 8.511
– 8.511
– 8.510
– 7.188
– 7.188
HLA 35. Verlaging non-ODA-middelen
– 731
– 718
– 844
– 956
– 3.214
– 3.506
– 3.506
HLA 40. Generieke taakstelling subsidies rijksbreed
– 71.830
– 131.838
– 220.601
– 277.994
– 322.937
– 311.027
– 311.027
HLA 41. Verminderen internationale studenten (via bestuurlijk akkoord)
0
– 17.000
– 68.000
– 121.000
– 158.000
– 156.000
– 170.000
HLA 42. Hervorming Nederlandse Publieke Omroep NPO
0
0
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
HLA 43. Alternatieve invulling afschaffen OV-vergoeding buitenland studerenden
0
– 4.000
– 8.000
– 14.000
– 14.000
– 18.000
– 30.000
HLA 44. Verhogen collegegeld langstudeerders (via lagere bekostiging) en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
HLA 69. Fonds Onderzoek Wetenschap
– 106.929
– 106.929
– 106.929
– 107.054
– 132.054
– 132.054
0
Ten behoeve van 4x 25 miljoen fonds onderzoek en wetenschap
– 25.000
– 25.000
– 25.000
– 25.000
0
0
0
Verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep2
0
0
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
Opheffen onderwijskansenregeling en terugdraaien bezuiniging
0
0
0
0
0
0
0
Inhouden loonbijstelling externe inhuur tranche 2025
– 4.615
– 4.532
– 4.534
– 4.269
– 3.723
– 4.010
– 4.010
Amendement Kent taakstelling externe inhuur
0
– 1.867
0
0
0
0
0
Rijksbrede halvering prijsbijstelling tranche 2025
– 191.837
– 178.364
– 196.527
– 173.511
– 172.342
– 171.590
– 171.590
Deze maatregel stond in het hoofdlijnenakkoord als HLA 22. Afschaffen maatschappelijke diensttijd. Na amendement Bontenbal c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141) is maatschappelijke diensttijd echter niet afgeschaft maar heeft er alleen een bezuiniging op plaatsgevonden.
Daarbij verzoekt het amendement van Bontenbal c.s. (Kamerstukken II 2024/25, 36 600 VIII, nr. 141) om de landelijke publieke omroep meer ruimte te geven om (online) reclameopbrengsten te generen waarmee de korting van € 50,0 miljoen opgevangen kan worden.
Kunt u deze vragen beantwoorden uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de Algemene Financiële Beschouwingen, inclusief een gewijzigde begroting waarin wél alle bezuinigingen staan genoemd?
Ja, met dien verstande dat bovenstaande tabel de door u gevraagde informatie bevat en de tabel in de begroting ongewijzigd kan blijven, zoals ook in deze antwoorden toegelicht.
De berichtgeving van de ACM dat boodschappen in Nederlandse supermarkten duurder zijn dan in omringende landen. |
|
Vincent Verouden (NSC) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat de ACM een onderzoek is gestart naar de prijzen van levensmiddelen en andere producten in Nederlandse supermarkten, omdat er signalen zijn dat deze hoger liggen dan in omringende landen?1
Ja.
Deelt u de analyse dat disfunctionele markten, gebrek aan transparantie en onvoldoende concurrentie structureel leiden tot hogere prijzen en daarmee de koopkracht en bestaanszekerheid van huishoudens aantasten?
Ik herken de signalen dat concurrentie op sommige markten hapert en dat sommige markten onvoldoende functioneren. Deze signalen vind ik zorgwekkend. Goede werkende markten leiden over het algemeen tot lagere prijzen en een breder en kwalitatief beter aanbod van producten en diensten voor consumenten. Goed werkende markten zijn dus ook van belang voor de koopkracht en bestaanszekerheid van huishoudens. Het is echter onwaarschijnlijk dat de inflatieschok van de laatste jaren te verklaren is door een plotselinge en drastische verslechtering van de marktwerking. Het is aannemelijk dat andere factoren hierin bepalender waren, zoals belasting- en accijnsverhogingen, de historisch krappe arbeidsmarkt, het monetair beleid van de ECB dat op de gehele (en minder overspannen) eurozone is toegespitst, en de energiemix.
Klopt het dat de ACM in het kader van het prijsonderzoek ook nagaat of leveranciers van A-merken hogere inkoopprijzen vragen aan Nederlandse supermarkten dan aan supermarkten in andere landen?
De ACM voert als onafhankelijke toezichthouder het onderzoek zelfstandig uit. Ik heb daar geen invloed op. Het onderzoek van de ACM bevindt zich nog in de voorbereidende fase waarin de concrete onderzoeksvragen worden geformuleerd.
De signalen over territoriale leveringsbeperkingen heb ik inderdaad ook ontvangen. Ik zet mij er daarom voor in om hier op Europese schaal een verbod op in te stellen. Mede dankzij Nederlandse inzet heeft de Europese Commissie instrumenten aangekondigd om territoriale leveringsbeperkingen aan te pakken in haar interne markstrategie van mei 2025.2
Kunt u bevestigen dat er signalen zijn dat supermarkten door zogenoemde «territoriale leveringsbeperkingen» worden verhinderd om in goedkopere buitenlandse markten in te kopen, waardoor Nederlandse consumenten structureel hogere prijzen betalen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het risico dat zulke beperkingen of prijsafspraken leiden tot misbruik van marktmacht en een gebrek aan effectieve concurrentie in de levensmiddelenmarkt?
In enkele gevallen is dit aantoonbaar voorgevallen. Hiervoor heeft de Europese Commissie een boete opgelegd in de Mondelēz-zaak.3 Er zijn daarnaast ook signalen dat territoriale leveringsbeperkingen worden ingesteld, maar dat niet wordt voldaan aan alle juridische eisen die tot een overtreding en beboeting op basis van misbruik van een economische machtspositie kunnen leiden. Het mededingingsrecht kan territoriale leveringsbeperkingen zeker niet alle gevallen aanpakken. Daarom pleit ik er in Brussel voor om dit gat in de wetgeving te dichten.
Zal het onderzoek ook de vraag beantwoorden in welke mate bedrijfstakconsolidatie in de afgelopen jaren (door fusies en overnames) tot hogere prijzen heeft geleid, op het niveau van de producenten dan wel op het niveau van de supermarkten?
Zoals in het nieuwsbericht van de ACM is aangegeven, zal marktmacht in zijn algemeenheid als mogelijke oorzaak voor hogere prijzen worden onderzocht. Aangezien de ACM zelf bepaalt waar haar onderzoek zich op richt, kan ik niet aangeven of zij specifiek in dit onderzoek kijkt naar het effect van bedrijfstakconsolidatie op prijzen in de supermarkten.
Bent u bekend met initiatieven in omliggende landen zoals Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waar op regelmatige basis marktmonitoring plaatsvindt en mededingingsautoriteiten ook daadwerkelijk de bevoegdheid hebben om in te grijpen (zoals de New Competition Tool in de EU-discussie)? Acht u een vergelijkbare systematiek in Nederland wenselijk?
Ja, ik ken deze initiatieven. Ik verken nu of en hoe een New Competition Tool in Nederland kan worden vormgegeven. Meer onderzoek naar markten doen en vervolgens maatregelen kunnen nemen kan markten die onvoldoende concurreren een zetje geven. Tegelijkertijd moet ik oog houden voor de gevolgen voor regeldruk, de rechtszekerheid voor bedrijven en de verhouding tussen wetgever en toezichthouder. De inzet van een New Competition Tool kan namelijk lijken op regulering in plaats van toezicht, aangezien er geen sprake is van bij wet verboden gedrag. Dat is anders dan met het huidig mededingingstoezicht, zoals bij kartels. Ik verwacht u binnenkort een brief te sturen die hier dieper op ingaat.
Acht u het normaal dat er grote prijsverschillen bestaan tussen exact dezelfde producten in Nederland en buurlanden, en acht u aanvullende regulering noodzakelijk?
Op zichzelf kunnen prijsverschillen voor producten voorkomen tussen buurlanden in een gezonde markt. Dit kan meerdere verklaringen hebben, bijvoorbeeld belastingen, lonen en de kosten van logistiek. Maar ook smaakvoorkeur van consumenten. Dit kan ertoe leiden dat het schaalvoordeel heel verschillend is. De prijsstrategieën van retailers kunnen ook verschillen, waardoor bepaalde categorieën van producten in Nederland duurder zijn maar andere juist goedkoper. Maar er kunnen ook redenen zijn die ik niet wil accepteren, zoals ongerechtvaardigde territoriale leveringsbeperkingen. Ik ben daarom positief over het feit dat de ACM onderzoek doet naar aanleiding van signalen dat sommige boodschappen in Nederland duurder zijn.
Erkent u dat hogere prijzen voor levensmiddelen in Nederland ook bijdragen aan een kunstmatig hoger inflatiecijfer en dus direct de koopkracht van huishoudens aantasten?
Ik herken de signalen dat sommige boodschappen in Nederland duurder zijn dan in omliggende landen. Andere producten zijn goedkoper in Nederland – bijvoorbeeld versproducten. Dat is logisch en economisch goed verklaarbaar. Het is daarom van belang om naar de totaalprijs van een mandje boodschappen te kijken. Het prijsniveau van voedingsmiddelen (excl. alcohol en tabak) in Nederland lag in 2023 onder het gemiddelde van zowel de Eurozone als de EU. Officiële Europese prijsindexcijfers laten zien dat Nederlandse consumenten gemiddeld goedkoper boodschappen doen dan consumenten in andere EU-landen.
In april van dit jaar stelden Kamerleden Omtzigt c.s. de initiatiefnota Minder inflatie, meer bestaanszekerheid voor, met concrete voorstellen om problemen op de markt aan te pakken en ervoor te zorgen dat boodschappen en andere essentiële goederen betaalbaar blijven. Kunt u bevestigen dat het kabinet minstens twee weken voor de verkiezingen met een reactie zal komen op elk van de aanbevelingen?2
In het MKB-debat van 11 september jl. heb ik toegezegd dat ik voor het einde van dit jaar een kabinetsreactie op de initiatiefnota naar de Kamer zal sturen. Dit zal niet twee weken voor de verkiezingen zijn.
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan het debat over hoge inflatie in Nederland aankomende woensdag, 24 september 2025, schriftelijk te informeren over:
Exportkredietverstrekking aan LNG-project Cabo Delgado, Mozambique |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Aukje de Vries (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de op 1 september 2025 aan de Kamer gestuurde antwoorden op schriftelijke vragen «stand van zaken Exportkredietverstrekking aan LNG-project Cabo Delgado, Mozambique»?
Ja.
Klopt het dat, zoals de antwoorden weergeven, er op dit moment sprake is van activiteiten in het projectgebied rondom Cabo Delgado, door baggerbedrijf Van Oord, onder een lopende verzekeringspolis afgesloten bij Atradius Dutch State Business (ADSB)? Zo nee, kunt u dan bevestigen dat de lopende activiteiten door Van Oord «in voorbereiding» op de uitvoering van het project, niet verzekerd zijn door de Nederlandse Staat via een specifieke exportkredietverzekering of andere vorm van handelssteun?
Het klopt dat Van Oord eerder dit jaar voorbereidende werkzaamheden heeft uitgevoerd in opdracht van projecteigenaar Total. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 1 september 2025 is er juridisch gezien sprake van een lopende exporteurspolis waaraan Van Oord rechten kan ontlenen.
Bent u bekend met de uitspraken van Minister van Financiën Heinen in het EKV-debat van 27 november 2024 over dit project? In het debat over de exportkredietverzekering (EKV) stelde hij: «Sindsdien ligt het project formeel stil; dat ligt het nog steeds. Total, het bedrijf, wilde het begin dit jaar weer opstarten, gegeven de verbeterde veiligheidssituatie. Sindsdien loopt het proces van die herbeoordeling». Ook stelde hij dat «Voordat die herbeoordeling is afgerond, kan het project nog geen doorgang vinden.»
Ja.
Kunt u deze uitspraken duiden in het licht van de antwoorden op schriftelijke vragen die u op 1 september 2025 aan de Kamer stuurde? Daarin wordt gesteld dat Van Oord onder een lopende verzekering op dit moment baggerwerkzaamheden «in voorbereiding» op het project uitvoert. Was de Minister van Financiën in november 2024 bekend met de lopende verzekering aan Van Oord? Zo ja, kunt u dan toelichten wat u verstaat met de uitspraak dat «het project geen doorgang kan vinden»? Zo nee, hoe verklaart u dat u niet bekend was met deze lopende verzekering?
De verzekering die de Staat in 2021 is aangegaan met Van Oord (de «exporteurspolis») moet worden onderscheiden van de verzekering die in dat stadium met Standard Chartered Bank is aangegaan ter dekking van een onderdeel van de financiering van het project (de «financieringspolis»). Het gaat om twee verzekeringen met verschillende partijen, die los van elkaar staan.
Mijn uitspraak over de doorgang van het project moet bezien worden in de context van de betrokkenheid van de Staat bij de financiering van het project. De financiering van het project staat sinds het uitroepen van de force majeure «on hold». Zoals uitgelegd in de Kamerbrief van 1 september beraadt het kabinet zich hier momenteel op.1
De exporteurspolis voor Van Oord staat los van de financieringspolis. In tegenstelling tot de financieringspolis geldt voor de exporteurspolis dat er sprake is van een lopende polis waar Van Oord rechten aan kan ontlenen zolang zij zich houdt aan de polisvoorwaarden.
Van Oord voert de voorbereidende werkzaamheden uit in het kader van het project, die door de stillegging van de financiering van het project niet worden geraakt. Het gaat om werkzaamheden die onder de exporteurspolis zijn gedekt. Total kan als projecteigenaar zelfstandig beslissen om onderaannemers, waaronder Van Oord, opdracht te geven werkzaamheden uit te voeren. Total zal dit echter uit eigen vermogen moeten betalen zolang zij niet kunnen beschikken over de projectfinanciering. Het gaat slechts om beperkte voorbereidende werkzaamheden en niet om het project zelf.
Klopt het dat u, zoals u meerdere malen heeft aangegeven, de zorgen die bestaan over de veiligheid in het projectgebied, zeer serieus neemt?
Ja.
Klopt het dat u daarom, net als andere betrokken exportkredietverzekeraars, zoals UKIP in het Verenigd Koninkrijk, vanuit die zorgen een onafhankelijk onderzoek heeft ingesteld? Zo nee, wat is dan de aanleiding voor het onafhankelijk onderzoek geweest?
Naar aanleiding van berichtgeving over vermeende mensenrechtenschendingen van het Mozambikaanse leger en om recht te doen aan de complexiteit van de veiligheidssituatie heb ik besloten om extra onafhankelijk advies in te winnen.2 Over het onderzoek of het besluitvormingsproces van het Britse UKEF kan ik, zoals eerder aangegeven, geen uitspraken doen.
Klopt het dat de uitkomsten van dat onderzoek nog niet bekend zijn?
Ja, het onderzoek is nog niet afgerond.
Klopt het dat het onderzoek een voorwaarde is voor de herbeoordeling van de exportkredietverzekering voor het LNG-project in Cabo Delgado? Zo nee, wat is dan de relatie tussen het onafhankelijk onderzoek en de herbeoordeling? Zo ja, kunt u dan verklaren dat er, lopende het onderzoek en vooraf aan de herbeoordeling, een lopende EKV te bestaan die project-gelieerde activiteiten dekken die nu in het betreffende projectgebied plaatsvinden?
Ik kan bevestigen dat het onderzoek een voorwaarde is voor de herbeoordeling en dat het kabinet de analyse van de onderzoekers mee zal wegen in de besluitvorming.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 is het juridische handelingsperspectief voor de exporteurspolis wezenlijk anders. Hier is juridische gezien sprake van een lopende polis waar rechten aan ontleend kunnen worden. Onder verzekeringsrecht kan een lopende polis alleen ontbonden worden wanneer er sprake is van fraude of nalatigheid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het kabinet hecht er aan dat Nederlandse exporteurs kunnen rekenen op de dekking waar zij juridisch gezien recht op hebben.
Hoe moeten in het licht van de eerdere uitspraken dat het project stil ligt tot de herbeoordeling van de exportverzekering wegens zorgen rondom veiligheid en mensenrechten, de «voorbereidende» werkzaamheden worden gezien die Van Oord uitvoert met exportsteun van de Nederlandse overheid?
Mijn uitspraak over de doorgang van het project moet bezien worden in de context van de betrokkenheid van de Staat bij de financiering van het project. De financiering van het project staat sinds het uitroepen van de force majeure «on hold».
Anticiperend op een verwachte herstart van het project heeft projecteigenaar verschillende onderaannemers, waaronder Van Oord, de opdracht gegeven voorbereidende werkzaamheden te verrichten.
Total kan als projecteigenaar zelfstandig beslissen om onderaannemers, waaronder Van Oord, opdracht te geven voorbereidende werkzaamheden uit te voeren.
Onder deze exporteurspolis met Van Oord is juridisch gezien sprake van een lopende polis waar rechten aan ontleend kunnen worden. Onder verzekeringsrecht kan een lopende polis alleen ontbonden worden wanneer er sprake is van fraude of nalatigheid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het kabinet hecht er aan dat Nederlandse exporteurs kunnen rekenen op de dekking waar zij juridisch gezien recht op hebben.
Wanneer bent u geïnformeerd dat deze project-werkzaamheden gestart of hervat werden? Welke voorwaarden zijn er aan de lopende verzekering aan Van Oord gesteld?
Ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB) monitort het project sinds afgifte van de ekv-polissen in 2021. In het kader van deze monitoring is ADSB goed op de hoogte van eventuele werkzaamheden binnen het project. Van Oord heeft ADSB in mei 2024 op de hoogte gebracht van de plannen om voorbereidende werkzaamheden uit te voeren. Hiermee heeft het project echter nog geen toegang tot de financiering, omdat deze sinds het uitroepen van de force majeure «on hold» staat. Mijn uitspraak over de doorgang van het project moet bezien worden in de context van de betrokkenheid van de Staat bij de financiering van het project. Total kan als projecteigenaar zelfstandig beslissen om onderaannemers, waaronder Van Oord, opdracht te geven werkzaamheden uit te voeren. Total zal dit echter uit eigen vermogen moeten betalen zolang zij niet kunnen beschikken over de projectfinanciering. Op de exporteurspolis zijn de algemene polisvoorwaarden van toepassing.3
Kunt u toelichten waarom u aan de ene kant de Kamer informeert dat het verzekeringstraject en het project «on hold» staat en aan de andere kant, op het moment dat hij deze uitspraak doet, u een lopende verzekering heeft uitstaan waaronder projectwerkzaamheden door een Nederlands bedrijf in het projectgebied plaatsvinden?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 uiteen heb gezet, moeten mijn uitspraken tijdens het commissiedebat van 27 november 2024 gezien worden in de context van de financiering van het project. Dat de projecteigenaar voortijdig besluit om zonder financiering voorbereidende werkzaamheden te laten uitvoeren ligt buiten de invloedssfeer van de financierende partijen.
Kan u aangeven wanneer deze verzekering is afgegeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke overwegingen speelden daarbij een rol? Hoe is het risico van een negatieve beoordeling in het toekennen van de herverzekering aan TotalEnergies, meegewogen?
De exporteurspolis voor Van Oord is afgegeven op 26 maart 2021.
Waarom dekt ADSB dit risico wel en heeft het de andere polis op pauze staan juist wegens grote risico’s rondom mensenrechtenschendingen, sociale en milieueffecten van het project?
De projectfinanciering staat «on hold» vanwege het uitroepen van de force majeure door de verslechterde veiligheidssituatie die is ontstaan na de terroristische aanslag in maart 2021. Voor de financieringspolis geldt dat er geen sprake is van een lopende polis en dat daar nu geen rechten aan kunnen worden ontleend. Hiermee ontstaat voor Nederland een nieuw wegingsmoment.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 geldt voor de exporteurspolis dat er sprake is van een lopende polis waar rechten aan ontleend kunnen worden. Anders dan bij de financieringspolis bestaat geen juridische mogelijkheid om de voortzetting van de exporteurspolis te heroverwegen.
Klopt het dat u heeft aangegeven dat alle projectactiviteiten en de door de Staat uitgegeven exportkredietverzekering «on hold» staat wegens Force Majeure sinds 2021?
Als gevolg van de force majeure kan het project niet beschikken over de financiering totdat alle financiers en exportkredietverzekeraars, waaronder Nederland, hiertoe toestemming hebben gegeven. Mijn uitspraken over de status van het project moeten in dit licht worden bezien.
Klopt het dat ook andere exportkredietverzekeraars een dergelijke maatregel hebben getroffen?
Het niet-toestaan van trekkingen uit de lening gedurende de force majeure situatie is een gezamenlijk besluit geweest van de betrokken financiers en kredietverzekeraars.
Klopt het dat TotalEnergies daardoor nu nog niet haar gehele benodigde financieringspakket in orde heeft? Zo nee, kunt u aangeven wat de meerwaarde van de door Nederland en het Verenigd Koninkrij on hold-gezette EKV’s is voor het gehele project? Klopt het dat, dankzij de lopende kredietverzekering aan Van Oord, het bedrijf ook als de herbeoordeling negatief uitvalt, voor haar activiteiten betaald zal worden? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat Total niet kan beschikken over de eerder besproken financiering totdat alle financiers en kredietverzekeraars hebben ingestemd. Nog niet alle financiers en kredietverzekeraars hebben ingestemd. Bij het wegvallen van één of meerdere financiers zal het project op zoek gaan naar alternatieve financiering om het ontstane gat op te vullen. In het geval dat er geen Nederlandse betrokkenheid bij de projectfinanciering zou zijn, verwacht ik dat Van Oord door het project betaald zal worden. Het feit dat Van Oord beschikt over een exporteurspolis is voor de betalingsplicht van de projecteigenaar niet relevant. De exporteurspolis dekt voor Van Oord het risico dat zij niet betaald krijgen voor uitgevoerde werkzaamheden.
Kan u toelichten hoe Van Oord «eigenstandig zo een keuze kan maken» om de projectactiviteiten uit te gaan uitvoeren met steun van de Nederlandse overheid, terwijl het project herbeoordeeld wordt? Wat staat hierover in de polisvoorwaarden? Waarom is de exportkredietverzekering aan Van Oord toegekend terwijl u stelt dat het project «on hold» is?
Het betreft een polis die is afgegeven op 26 maart 2021, voorafgaand aan de force majeuresituatie. Zolang Van Oord zich houdt aan de polisvoorwaarden kunnen zij aanspraak maken op de verzekering. De herbeoordeling ziet enkel toe op de financieringspolis. Zie ook het antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u in eerdere uitwisselingen heeft gesteld dat de Nederlandse Staat projecten niet financiert als deze gepaard gaan met onacceptabele mensenrechtenschendingen? Klopt het dat er op dit moment toch een verzekering is gegeven in de context van een project waar u zelf een onafhankelijk onderzoek naar in heeft gesteld? Zo nee, kunt u duiden waarom de lopende verzekering geen samenhang heeft met het project waarvan u zelf grove risico’s heeft geïdentificeerd? Zo ja, hoe verklaart u dit?
Onderhavige financierings- en exporteurspolis zijn op respectievelijk 25 en 26 maart 2021 verstrekt na een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling. Op dat moment is geoordeeld dat het project voldoet aan het Nederlandse beleid voor de ekv. Sindsdien is de situatie rondom het project verslechterd. Voor de financieringspolis is sprake van een nieuw besluitvormingsmoment, waarvoor het kabinet alle omstandigheden opnieuw zal wegen. Voor de exporteurspolis is dit niet het geval.
Voldoet Van Oord aan internationale standaarden wanneer zij een opdracht accepteert om voorbereidende werkzaamheden te doen voor een project dat officieel on hold staat vanwege potentiële mensenrechtenschendingen? Zo ja, kunt u dat toelichten? Welke standaarden hanteert u?
De projectfinanciering is gepauzeerd vanwege het verslechteren van de veiligheidssituatie in maart 2021. Sinds afgifte van de polissen wordt het project, inclusief de werkzaamheden van Van Oord, intensief gemonitord door ADSB en onafhankelijke consultants op naleving van de internationale standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo).4 Uit de monitoring blijkt dat Van Oord nog steeds voldoet aan deze standaarden. Van Oord rapporteert sinds afgifte van de polis maandelijks aan ADSB.
Deelt u de zorgen dat TotalEnergies op deze manier via onderaannemers, haar due diligence verlichtingen kan omzeilen en het project op die manier alsnog laten doorgaan terwijl financiers zoals de Nederlandse Staat naar buiten toe communiceert dat het stil staat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom kiest u voor deze strategie?
Het project wordt met behulp van onafhankelijke consultants intensief gemonitord door financiers en kredietverzekeraars, waaronder ADSB. Er kan dan ook geen sprake zijn van het omzeilen van due diligence verplichtingen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het debat over het handelsbeleid op 25 september 2025?
Ja.
De voortgang van de hersteloperatie toeslagen. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u de Kamer informeren over de status van de versnelling van de schadeafhandeling die ouders vanaf september tegenmoet zouden kunnen zien, zowel met betrekking tot de route ontwikkeld door het ministerie, als de huidige situatie bij de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH)?
In de aanbiedingsbrief van de 20e VGR is aangekondigd dat het kabinet er alles aan doet om ouders per september een versnelde schadeafhandeling aan te bieden. Het kabinet zet momenteel de laatste stappen naar een vereenvoudiging met uiteindelijk twee routes voor aanvullende schade: de route MijnHerstel en de route van de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH). Ook zijn samen met diverse betrokkenen waaronder SGH, belangrijke stappen gezet rondom de uniformering van het schadekader. Ik verwacht dit op korte termijn hierover te kunnen communiceren zodat ouders duidelijkheid hebben over hoe we op een ruimhartige manier in de hersteloperatie schadeposten compenseren.
Met SGH zijn afspraken gemaakt over onder andere toegang voor de ouders met een IB-beschikking lager dan € 30.000,- en het overgaan op een systeem waarin schadestaten niet voor- maar achteraf gecontroleerd worden. Deze afspraken zijn gedurende de zomer in de praktijk gebracht, waardoor het nu nog te vroeg is om met zekerheid te zeggen wat voor effect dit heeft gehad op de gemiddelde doorlooptijd van schadeafhandeling bij SGH.
Met betrekking tot de ontwikkeling van Mijn Herstel heb ik u via een Kamerbrief geïnformeerd dat deze route niet in september live kan gaan. Wanneer een livegangsdatum bekend is, zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd.
Zijn alle dossiers van gedupeerde ouders, zoals toegezegd, in augustus inderdaad opgepakt? Zo niet, waarom niet en om hoeveel dossiers gaat het?
Ja, op dit moment zijn ook de integrale beoordelingen van de laatste groep aangemelde ouders in behandeling. De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) ligt op koers om zoals toegezegd einde dit jaar de integrale beoordelingen af te ronden.
Is het kabinet inmiddels wel bereid om een regeringscommissaris aan te stellen voor het herstel van de toeslagenaffaire, zoals een meerderheid van de Kamer al vanaf 2023 vraagt vanwege de enorme snelheid waarmee de verantwoordelijk bewindspersonen wisselen en de grote onrust die dit iedere keer veroorzaakt bij gedupeerde ouders en kinderen, aangezien gedupeerden opnieuw te maken hebben met een wisseling van bewindspersoon?
Juist om te zorgen voor voortgang in de hersteloperatie toeslagen en om onrust bij gedupeerden te minimaliseren heeft het kabinet gekozen voor continuïteit op de portefeuille Herstel en Toeslagen, en zal ik de komende periode mijn werk, samen met onder andere uw Kamer voortzetten om ouders voorbij het onrecht te helpen. Eerder heb ik u met de reactie op het rapport van de Commissie Van Dam1 geïnformeerd over de afwegingen rondom het aanstellen van een regeringscommissaris. De primaire verantwoordelijkheid om de hersteloperatie in goede banen te leiden ligt bij het kabinet, ondersteund en gevoed door onder meer een programma-directoraat-generaal gericht op de coördinatie van de hersteloperatie. Het kabinet heeft ervoor gekozen in te zetten op gerichte versterking van het overzicht, de slagkracht en de menselijkheid en tegelijkertijd geen grootscheepse herstructurering door te voeren, zoals bestuurlijke lagen introduceren of organisatorische of juridische herinrichting doorvoeren.
De tijdelijke accijnsverlaging op brandstoffen |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in De Telegraaf van 25 augustus 20251 over de mogelijke gevolgen als de tijdelijke accijnsverlaging op brandstoffen per 1 januari 2026 zou worden beëindigd?
Ja.
Hoe beoordeelt u de verwachting dat het vervallen van de tijdelijke accijnsverlaging per 1 januari 2026 op termijn kan leiden tot sluiting van een aanzienlijk aantal laad- en tankvoorzieningen?
In het kader van betaalbare mobiliteit wordt in het Belastingplan 2026 voorgesteld de tijdelijke verlaging van de accijnstarieven met een jaar te verlengen. Daarmee worden de negatieve effecten in 2026 voorkomen.
Het is aannemelijk dat het aflopen van de tijdelijke accijnsverlaging op brandstoffen zou leiden tot hogere pompprijzen, hetgeen de concurrentiepositie van Nederlandse tankstations, met name in de grensregio’s, kan verslechteren. Analyses2 naar de brandstofaccijns laten zien dat prijsverschillen met de buurlanden in deze gebieden tot grenseffecten leiden. Daarbij gaat het om de verplaatsing van aankopen (zoals tanken) naar het buitenland wanneer consumenten daar voordeel zien. Uit een recent gepubliceerd onderzoek3 volgt dat een kleine groep huishoudens in de grensregio zeer gevoelig is voor de relatieve brandstofprijs. Een groot deel van de huishoudens in de grensregio past daarentegen hun tankgedrag niet aan relatieve prijsveranderingen.
Binnen een straal van 20 kilometer van de landsgrens bevindt zich naar schatting 21% van de totale benzineafzet, 32% van de dieselafzet en 28% van de LPG-afzet.4 In deze regio’s kunnen hogere brandstofprijzen ten opzichte van België en Duitsland leiden tot meer verschuiving van de vraag naar het buitenland. Dit zou, afhankelijk van de duur en omvang van de verschillen, de concurrentiepositie van een deel van deze tankstations onder druk kunnen zetten.
Tegelijkertijd horen aankopen over de grens bij een interne markt waarin vrij verkeer van goederen plaatsvindt. Consumenten zijn binnen Europa vrij om te kiezen waar zij hun boodschappen doen, inclusief tanken. Ook worden pompprijzen niet alleen bepaald door de hoogte van de accijns, maar ook door ontwikkelingen op de oliemarkt en de ligging van het tankstation.
Bent u ermee bekend dat naar schatting 30 tot 40 procent van de laad- en tankvoorzieningen gevestigd is in grensregio’s langs de circa 1.000 kilometer lange landsgrens? Welke effecten verwacht u daar specifiek?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe weegt u de mogelijke impact van het beëindigen van de tijdelijke accijnsverlaging op de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en op de betaalbaarheid voor werkenden die afhankelijk zijn van de auto?
Zie antwoord vraag 2.
Welke beleidsopties ziet u, indien u deze zorgen deelt, om in het kader van de Miljoenennota en Rijksbegroting de gevolgen van het beëindigen van de tijdelijke accijnsverlaging te beperken of terug te draaien?
Zoals in het Belastingplan 2026 opgenomen, stelt het kabinet voor om de tijdelijke verlaging nog met een jaar te verlengen. Daarmee worden de zorgen zoals genoemd voor 2026 geadresseerd. Voor de periode daarna moeten beleidsopties worden afgewogen, daarbij rekening houdend met zowel betaalbaarheid en grenseffecten als de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, doelmatigheid van de maatregel en de effecten op het milieu.
Indien u deze zorgen niet deelt, op welke gegevens en analyses baseert u die afweging?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u de oproepen van verschillende maatschappelijke organisaties, zoals branche- en consumentenorganisaties, om af te zien van automatische indexering van accijnzen?
Ik ben bekend met de oproepen van branche- en consumentenorganisaties om af te zien van automatische indexering en zie inderdaad ook dat indexering de verschillen met de buurlanden vergroot. In het Belastingplan 2026 is opgenomen om de huidige lagere accijnstarieven met een jaar te verlengen. Daarmee wordt ook de indexatie in 2026 niet doorgevoerd.
Deze maatregel heeft wel een budgettaire impact. Zoals ook toegelicht in de recente contourenbrief «De auto rijdt door»5 is stabiele opbrengst uit autobelastingen cruciaal om de overheidsfinanciën houdbaar te houden. Brandstofaccijnzen maken onderdeel uit van een belastingmix die in 2025 naar verwachting circa € 17,5 miljard oplevert. Het tijdelijk afzien van indexatie (en het niet inhalen van indexatie van de afgelopen jaren) betekent aanzienlijk minder inkomsten, wat moet worden afgewogen tegen dekkingsopties elders in de begroting. Daarnaast is indexatie nodig om te voorkomen dat de belastingdruk door inflatie afneemt. Nederland zet zich er op Europees niveau ook voor in indexatie van accijns gebruikelijk en normaal te maken. Het gelijk houden van het belastingtarief in reële termen zorgt er ook voor dat externe kosten over een langere periode niet steeds minder worden beprijsd.
Indien u aanleiding ziet om dergelijke oproepen te volgen, wat betekent dit dan voor het huidige accijnsbeleid?
Zie antwoord vraag 7.
Indien u geen aanleiding ziet deze oproepen te volgen, welke overwegingen liggen daaraan ten grondslag?
Ik kom deels aan deze oproep tegemoet zoals toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8.
Belastingheffing op pensioenen opgebouwd in Duitsland |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Belastingdrama treft 60.000 Nederlanders: kwaad bloed door dubbele heffing en uitblijvende rechtspraak» van De Stentor van 18 augustus 2025?1
Ja.
Klopt het dat Nederlanders die in het verleden in Duitsland hebben gewerkt en daar een klein pensioen hebben opgebouwd, sinds 2016 in Nederland belasting moeten betalen over de bijbehorende pensioenuitkeringen?
Dat klopt, in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland dat sinds 2016 in werking is, is opgenomen dat als een inwoner van Nederland of Duitsland pensioen- of lijfrente-uitkeringen of socialezekerheidspensioenen uit het andere land ontvangt die in een kalenderjaar bij elkaar € 15.000 of minder bedragen, het woonland deze uitkeringen mag belasten. Op verzoek van Nederland gold een algemene overgangsregeling gedurende een tijdvak van één jaar die mede diende om de inkomensgevolgen van deze nieuwe heffingsrechtverdeling te beperken. Belastingplichtigen met de genoemde uitkeringen konden op basis van die overgangsregeling voor het belastingjaar 2016 ervoor kiezen om het oude belastingverdrag toe te passen zodat voor hen de nieuwe verdeling van heffingsrechten pas vanaf 2017 toepassing vindt.
Klopt het dat deze groep in Duitsland, in ieder geval voor het opgebouwde pensioen van vóór 2005, netto premies heeft betaald en er daardoor in deze gevallen sprake is van dubbele belastingheffing, namelijk over zowel de premies als over de uitkeringen?
Dat kan het geval zijn. Als het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland wordt toegewezen, betrekt Nederland dit Duitse inkomen in de belastingheffing ook als in Duitsland netto premies zijn betaald. In de praktijk is onduidelijkheid ontstaan over de wijze waarop dit Duitse inkomen in Nederland in de heffing mag worden betrokken. Bij de rechter ligt namelijk de vraag voor of inkomstenbelasting (box 1) kan worden geheven over het deel van het Duitse socialezekerheidspensioen (Duitse Rente) waarvoor in Duitsland geen recht op aftrek bestond. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen. Zie hierover nader het antwoord op de vragen 8 en 9.
Om hoeveel mensen gaat dit naar schatting en hoeveel belastinginkomsten heeft de Nederlandse staat hiermee sinds 2016 gerealiseerd?
Voor het jaar 2020 ging het om ongeveer 57.500 mensen met een pensioenuitkering uit Duitsland tot € 15.000 die in Nederland belasting moeten betalen over de pensioenuitkering.2 Gemiddeld ging het in die gevallen om een bedrag van € 2.862 aan Duitse Rente. Het gemiddelde overige inkomen bedroeg € 20.778. Er is toen berekend dat bij dit gemiddelde bedrag de belastingopbrengst per geval voor Nederland onder het nieuwe verdrag € 271 meer bedroeg dan onder het oude verdrag zou zijn geweest. Op basis hiervan bedroegen de extra belastinginkomsten bij deze groep circa € 16 miljoen per jaar. Deze berekening is gemaakt op basis van de beschikbare informatie en uitgangspunten zoals beschikbaar bij het schriftelijke overleg in 2022. Er is geen reden te veronderstellen dat de situatie wezenlijk veranderd is sinds destijds. Bij deze budgettaire inschatting dient overigens rekening gehouden te worden met het feit dat Nederland naast deze opbrengst ook een derving heeft door het verlies van heffingsrecht over de kleine pensioenen die vanuit Nederland betaald worden aan inwoners van Duitsland.
Waarom is in het verdrag gekozen voor een grens van 15.000 euro per jaar? Kunt u een voorbeeldberekening maken van een in Nederland wonende gepensioneerden met een pensioen van 36.000 euro, waarvan een Duitse pensioen van 14.999 euro, respectievelijk 15.001 euro per jaar?
Wat de hoogte van het bedrag betreft (€ 15.000) kan worden opgemerkt dat deze grens het resultaat van een bilaterale onderhandeling is geweest. De rechtvaardiging voor deze € 15.000-grens in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is gelegen in het streven administratieve lasten te beperken. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat inwoners van Nederland met «kleine» pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidspensioenen in Duitsland aangifte moeten doen. Ook in de Tweede Kamer is eerder aandacht gevraagd voor de problemen die belastingheffing in Duitsland in dergelijke gevallen meebrengt.3 Dergelijke administratieve lasten zijn voor inwoners van Nederland met een Duits pensioen (bijvoorbeeld een Rente) van € 15.000 of minder onder het huidige belastingverdrag niet meer aan de orde.
U vraagt om een voorbeeldberekening. Daarbij neem ik het volgende in acht. De belastingdruk tussen Nederland en Duitsland kan uiteraard verschillen. Nederland en Duitsland hebben immers separate belastingstelsels met eigen grondslagen en tarieven. De precieze omvang van het verschil in belastingdruk voor een pensioen net onder of op de grens (woonstaatheffing) en een pensioen net boven de grens (bronstaatheffing) is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, zoals de hoogte van het overige inkomen dat in een land belast kan worden op grond van het belastingverdrag. In Duitsland is verder voor pensioenen bijvoorbeeld het moment van pensionering relevant. Afhankelijk van het jaar waarin voor het eerst recht bestaat op deze pensioenen geldt een vrijstelling voor een deel van de grondslag.4 In Nederland is de belastingdruk afhankelijk van de hoogte van eventueel ander inkomen dat de belastingplichtige geniet en dient het progressie-effect in de vergelijking te worden meegenomen. In de situatie dat er in het betreffende kalenderjaar geen inkomen is naast een Duits pensioen van € 15.000 of minder zal er in Nederland in beginsel geen belasting verschuldigd zijn. Dit komt door de werking van de heffingskortingen (de algemene heffingskorting, maar ook de ouderenkorting en mogelijk de alleenstaande ouderenkorting). Afhankelijk van het overige inkomen loopt het belastingtarief (tarieven 2025) op van 8,17%, naar 37,48% tot een tarief van 49,5% bij een overig inkomen van € 76.817 of meer.5
Het voorgaande in acht nemend is de gevraagde voorbeeldberekening gemaakt; zie daarvoor de onderstaande tabel. Hierbij is uitgegaan van een alleenstaande die in 2020 met pensioen is gegaan waardoor in Duitsland een vrijstelling geldt van 20% van de pensioengrondslag. Een pensioen van € 15.001 geeft daardoor een belastbaar inkomen dat lager ligt dan het Grundfreibetrag van € 12.096 waardoor de inkomstenbelasting in Duitsland uitkomt op nihil. Er is uitgegaan van verzekeringsplicht in Nederland waardoor er geen verschil is in verschuldigde premies volksverzekeringen en zorgverzekering. De bedragen betreffen uitsluitend de inkomstenbelasting.
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
Inkomen uit Nederland
21.001
20.999
Pensioen uit Duitsland
14.999
15.001
Totale inkomen
36.000
36.000
Inkomstenbelasting Nederland
1.181
689
Inkomstenbelasting Duitsland
0
0
Totale inkomstenbelasting
1.181
689
Waarom worden juist kleine pensioenen in Nederland belast, terwijl grotere Duitse pensioenen onder het gunstigere Duitse regime vallen?
Zoals is aangegeven bij de beantwoording van vraag 5, zijn de verdragsluitende partijen overeengekomen het heffingsrecht over kleine pensioenen toe te wijzen aan de woonstaat om administratieve lasten te beperken. In dat kader is aan «kleine pensioenen» dus invulling gegeven aan de hand van een grens van € 15.000 per kalenderjaar. Voor pensioenen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar zijn Nederland en Duitsland een bronstaatheffing overeengekomen. Dit sluit aan bij de Nederlandse onderhandelingsinzet bij bilaterale belastingverdragen, zoals vastgelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020.6 Dit brengt eveneens met zich mee dat Duitse pensioenen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar in Duitsland in de heffing worden betrokken. De uiteindelijke belastingdruk in Duitsland is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden; derhalve kan niet worden aangenomen dat het Duitse regime per definitie in alle gevallen voordeliger is.
Hoe verhoudt deze constructie zich tot het uitgangspunt dat belastingverdragen dubbele belasting moeten voorkomen en het beginsel «gelijke fiscale en sociale behandeling in de woonstaat»?
De bepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland voorkomt op adequate wijze dubbele belastingheffing en voorkomt eveneens dat inwoners die de genoemde uitkeringen tot en met € 15.000 (per kalenderjaar) uit het andere land ontvangen, in dat andere land aangifte moeten doen. Deze afspraak zorgt voor kleine pensioenen voor gelijke fiscale behandeling in de woonstaat: de belastingdruk op pensioenuitkeringen voor inwoners van Nederland die een Duits pensioen van € 15.000 of minder ontvangen is namelijk hetzelfde als de belastingdruk voor inwoners van Nederland die onder gelijke omstandigheden een gelijk bedrag aan Nederlands pensioen ontvangen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden uit 2022, waarin deze belastingheffing als onrechtmatig en onrechtvaardig werd aangemerkt?
In de uitspraak waarnaar wordt verwezen is de Duitse Rente bij de aanslagregeling volledig in de Nederlandse heffing van inkomstenbelasting betrokken (box 1). De inspecteur betoogt primair voor het Gerechtshof dat deze uitkering kwalificeert als loon uit vroegere dienstbetrekking, dan wel als een periodieke uitkering. Indien één van deze kwalificaties juist is, is niet van belang of er in Duitsland in het verleden sprake is geweest van premieaftrek.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter dat de Duitse Rente kwalificeert als een uitkering van een pensioenregeling van een andere mogendheid, in welk geval relevant wordt of de betaalde premies in Duitsland (deels) niet aftrekbaar zijn geweest.7 Hiermee heeft het Gerechtshof overigens een juridische uitspraak gedaan over hoe in zijn ogen de wet moet worden toegepast.
De inspecteur heeft een cassatievoorstel ingediend bij FJZ/Cassatie.8 De stelling dat de Belastingdienst de uitspraak van het Gerechtshof wilde volgen is dus niet juist. Mijn ambtsvoorganger heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld.9
Waarom koos uw ambtsvoorganger ervoor om in cassatie te gaan, terwijl de Belastingdienst zelf de uitspraak van het Hof wilde volgen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u het advies van advocaat-generaal Melvin Pauwels aan de Hoge Raad in 2023 om het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren?
Er is sprake van een lopende cassatieprocedure. Ik wacht derhalve het oordeel van de Hoge Raad af.
Bent u bereid om, vooruitlopend op het arrest van de Hoge Raad, maatregelen te treffen om deze groep gepensioneerden tegemoet te komen en verdere financiële schade te voorkomen?
Zoals ook in eerdere brieven aan de Tweede Kamer is aangegeven10, wordt geen invulling gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof zolang de Hoge Raad geen arrest heeft gewezen. Indien de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt, zal de Belastingdienst invulling geven aan het arrest voor die belastingaanslagen die op de datum waarop het arrest is gewezen nog niet onherroepelijk vaststaan.
Hoe beoordeelt u het oordeel van het Europees Hof van Justitie uit 2023 dat Nederland in strijd met EU-recht handelde door belasting te heffen bij de overdracht van pensioenkapitaal van migrerende werknemers?
Bij brief van 22 december 2023 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de inhoud, impact en gevolgen van dit arrest.11 Door middel van een wijzigingswet (Overige fiscale maatregelen 2025) zijn de Invorderingswet 1990, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling met terugwerkende kracht tot en met 16 november 2023 aangepast om de wetgeving in lijn te brengen met het EU-recht.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Onrust onder gepensioneerden over nieuw verwacht belastingverdrag met Spanje |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de groeiende bezorgdheid onder Nederlandse gepensioneerden die in Spanje wonen of daarvoor plannen hebben, naar aanleiding van het aangekondigde nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Spanje?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
De VBNGB verzoekt om gelijktijdig met de publicatie van de verdragstekst ook berekeningen van inkomenseffecten voor voorbeeldmensen (bijvoorbeeld iemand met alleen AOW en iemand met 5.000 euro, dan wel 10.000 euro aanvullend pensioen) te publiceren, zodat mensen die daarmee te maken hebben beter weten waar ze aan toe zijn. Bent u bereid om dit te doen?
Ik ben bereid om, zoals gevraagd, voor een aantal voorbeeldgevallen in kaart te brengen wat de gevolgen voor de belastingdruk zijn. Het is daarbij van belang om aan te geven dat het om gestileerde situaties gaat en dat concrete individuele situaties hiervan kunnen afwijken. Ik zal de Tweede Kamer gelijktijdig met de publicatie van het verdrag met Spanje nader informeren.
Voor de volledigheid wil ik aangeven dat het standaard maken van een volledige inschatting van de inkomenseffecten van de inwerkingtreding van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet goed mogelijk is. Dit komt bijvoorbeeld door de complexiteit van buitenlandse belastingstelsels, het feit dat inkomenseffecten sterk afhankelijk zijn van persoonlijke omstandigheden en gegevens over ander buitenlands inkomen ontbreken terwijl dat inkomen wel van invloed is op het effect van de inwerkingtreding van het verdrag.
Zo niet, bent u bereid en ziet u mogelijkheden om mogelijke onrust over inkomenseffecten en bestaanszekerheid zo spoedig mogelijk na de publicatie van de verdragstekst weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het artikel 'In deze Filipijnse baai groeide koraal en werd volop gevist. Toen kwam de Nederlandse baggeraar Boskalis' |
|
Daniëlle Hirsch (GL) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «In deze Filipijnse baai groeide koraal en werd volop gevist. Toen kwam de Nederlandse baggeraar Boskalis» in Trouw van 19 augustus jongstleden?1
Ja.
Klopt het dat op 24 mei 2022 de Nederlandse exportkredietverzekeraar Atradius DSB heeft aangekondigd een verzekering (EKV) van 1,5 miljard euro aan Boskalis te verschaffen voor de commerciële landaanwinning in Manila Bay? Klopt het dat dit voor zowel de Nederlandse exportkredietverzekeraar als voor Boskalis, de grootste verzekering ooit is?2 Hebben zowel de Ministers van Financiën als voor Handel en Ontwikkelingssamenwerking, daar akkoord op gegeven?
Ja dit klopt. De ekv voor dit project is verstrekt na goedkeuring van de toenmalig Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.3
Bent u bekend met de milieueffectrapportages voor andere commerciële landaanwinningsprojecten bij de Filipijnse kust die begin mei dit jaar, na jaren van geheimhouding, openbaar zijn gemaakt? Is het u bekend of Nederlandse partijen betrokken waren bij deze geheimgehouden rapportages? Zo ja, welke partijen waren dat? Is het u bekend of Nederlandse partijen betrokken waren bij de projecten waar deze geheimgehouden rapportages, betrekking op hebben? Zo ja, welke partijen waren dat? Zo nee, bent u bereid dat te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Ekv-uitvoerder Atradius Dutch State Business (ADSB) neemt alleen kennis van de milieueffectrapportages voor projecten waar een verzekeringsaanvraag voor is ingediend. Naar overige projecten in de omgeving en de daarbij betrokken partijen is geen nader onderzoek gedaan. Ik ben dan ook niet bekend met de inhoud van de rapportages die voor deze andere projecten zijn gemaakt.
Terwijl de openbaar geworden rapportages geen betrekking hebben op het project van Boskalis, waarschuwen zij wel dat vergelijkbare landaanwinningsprojecten voor de Filipijnse kust «enorme milieu en veiligheidsrisico’s voor de bevolking» zullen hebben – heeft dit volgens u relevantie voor het door de Nederlandse staat gesteunde project van Boskalis? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke relevantie ziet u?
Zoals reeds aan uw Kamer gecommuniceerd wordt het luchthavenproject intensief gemonitord door ADSB, ook op het beheersen van milieu- en veiligheidsrisico’s.4 Zolang andere commerciële projecten geen directe impact hebben op onderhavig project zijn deze niet relevant voor de monitoring. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over de potentiële gevolgen van projecten waar de Nederlandse staat niet bij betrokken is.
Welke studies heeft uw ministerie voorafgaand aan de uitgifte van de verzekering en tijdens de uitvoering van het project van Boskalis laten uitvoeren en door wie?
Voor afgifte van de polis heeft ADSB een uitgebreide milieu- en sociale beoordeling uitgevoerd waarbij het project is getoetst aan internationale standaarden voor maatschappelijke verantwoord ondernemen (mvo).5 Hiervoor heeft het project diverse themaonderzoeken (onder andere herhuisvesting, biodiversteit) en meerdere milieu- en sociale effectrapportages aangeleverd. ADSB heeft voor de beoordeling gebruik gemaakt van onafhankelijke consultants om haar eigen informatiepositie te versterken en om te verifiëren dat de opgeleverde onderzoeken voldoen aan internationale mvo-standaarden. Deze consultants ondersteunen ADSB tevens in de monitoring van het project door het project regelmatig te bezoek en het opleveren van reguliere monitoringsrapportages.6
Komt er uit de geheimgehouden en recent in mei vrijgegeven documenten informatie die tot nu toe onbekend was bij uw ministerie? Zo ja, welke?
Zie het antwoord op vraag 3.
Had het EKV contract met Boskalis voorwaarden op het gebied van mitigatie en compensatie van natuurschade? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke afspraken? Zijn die allemaal afdwingbaar?
Boskalis heeft, net als iedere ekv-aanvrager, getekend voor het naleven van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen (OESO-richtlijnen), waaruit volgt dat zij volgens een proces van gepaste zorgvuldigheid risico’s voor mens en milieu die voortkomen uit hun werkzaamheden in kaart moeten brengen en waar nodig aanpakken.
De verantwoordelijkheid voor de mitigatie en compensatie van natuurschade door het project ligt bij de projecteigenaar en is vastgelegd in het Environmental and Social Action Plan (ESAP). Het ESAP is een contractueel document tussen de projecteigenaar en betrokken financiers. ADSB is hierin geen contractpartij, maar kan via de verzekerde financiers invloed uitoefenen en ziet middels intensieve monitoring toe op de uitvoering van het project.
Als uit de monitoring onregelmatigheden blijken dan zal ADSB in eerste instantie kiezen voor een dialoog met betrokkenen om verbeteringen te realiseren. Mocht hiermee niet het gewenste resultaat behaald worden dan kan dit gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering onder de exporteurspolis of voor de verzekerde lening. Uit een onafhankelijke evaluatie van de monitoring van dit project blijkt dat deze robuust is en adequaat is ingericht om eventuele misstanden in de uitvoering tijdig te adresseren.7
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de activiteiten die Boskalis heeft uitgevoerd zoals in het artikel worden beschreven («Boskalis heeft het koraalrif bij de «San Nicolas shawls» kapotgemaakt. Het koraal is weg, en dus ook de mosselen, krabben en vissen.»)? Oordeelt u dat Boskalis voldoende heeft gedaan aan mitigerende maatregelen? Zo ja, op basis van welke informatie komten u tot dat oordeel? Oordeelt u dat aan de contractuele voorwaarden heeft voldaan? Zo nee, kunt u aangeven of en welke consequenties dit voor de verzekeringnemer heeft?
Boskalis heeft conform internationale standaarden uitgebreid onderzoek gedaan naar de natuurwaarden van de zandwinlocatie. Op de ondergrond was geen koraalrif aanwezig, wel is op enkele plekken los koraal aangetroffen met een lage ecologische waarde. De zandwinning was onderdeel van de uitgebreide milieu- en sociale beoordeling en monitoring door ADSB. Op basis van de opgeleverde documenten, de monitoringsrapportages en site visits uitgevoerd in 2023 en in 2025 komt ADSB tot het oordeel dat Boskalis voldoende maatregelen heeft getroffen om de negatieve neveneffecten van de zandwinning te mitigeren. Daarmee heeft Boskalis aan de contractuele verplichtingen voldaan.
Hoe kan het dat Nederland een project heeft ondersteund dat heeft geleid tot een permanent verlies van inkomstenbronnen en overstromingsbescherming door het leeg baggeren van de gehele San Nicolas Shawl – een zandbank die diende als belangrijk visgebied en buffer tegen golven? Is het Ministerie van mening dat kortdurende financiële compensatie afdoende is om deze blijvende schade te compenseren? Zo ja, op welke basis velt u dit oordeel?
Als door projecten het levensonderhoud van belanghebbenden wordt getroffen, dan moeten deze gevolgen volgens de internationale standaarden gecompenseerd worden zodat hun levensonderhoud hetzelfde of beter wordt dan de situatie voor de start van een project. Dit kan door middel van bijvoorbeeld alternatieve werkgelegenheid en/of financiële compensatie.
ADSB heeft geoordeeld dat enkel financiële compensatie niet voldoende is voor een deel van de door het project getroffen personen. Daarom is vereist dat er hiervoor zogeheten herstel van levensonderhoud (livelihood restoration) zou plaatsvinden, zodat op de lange termijn het levensonderhoud van de vissers hetzelfde of beter wordt dan vóór het project. ADSB is bekend met klachten over de livelihood restoration. Deze zijn aangekaart bij de projecteigenaar en de onafhankelijke consultants en worden prioritair opgepakt door het stakeholder engagement team van de projecteigenaar. ADSB monitort op dit moment de opvolging van deze klachten.
Klopt het dat hiervoor meerdere keren gewaarschuwd is, zowel voor uitgifte van de EKV als tijdens de werkzaamheden? Wat waren toen de overwegingen om wel door te zetten?
Het klopt dat mijn ministerie verschillende signalen vanuit het maatschappelijk middenveld heeft ontvangen over dit project. Aan goedkeuring is een zorgvuldige milieu- en sociale beoordeling voorafgegaan waarin deze signalen zijn meegewogen. Het project was in eerste aanleg niet in lijn met internationale mvo-standaarden op het vlak van mitigatie en compensatie van inkomensderving en compensatie van natuurwaarden. Deze lacunes zijn juist door de betrokkenheid van ADSB, de Nederlandse Staat en hun internationale consultants en mede dankzij de ontvangen signalen van de ambassade en ngo’s, geadresseerd.
De ekv is verstrekt onder de voorwaarde dat het project alle acties onderneemt die nodig zijn om aan de internationale mvo-standaarden te voldoen.8 Hierop wordt middels intensieve monitoring toegezien. De voormalige Staatssecretaris van Financiën heeft als extra waarborg een second opinion laten uitvoeren naar de monitoring van het project. Uit deze second opinion, die op 3 juli 2023 met uw Kamer is gedeeld, blijkt dat de monitoring robuust is en adequaat is ingericht om misstanden in de uitvoering tijdig te adresseren.9
Deelt u de analyse dat volgens internationale standaarden zoals de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles, de primaire verantwoordelijkheid voor het mitigeren en compenseren van negatieve effecten ligt bij de actoren die deze effecten met hun bedrijfsactiviteiten veroorzaken? Zo nee, waarom niet? Deelt u de analyse dat Boskalis, die middels zijn baggerwerkzaamheden de San Nicholas Shawl heeft vernield, verantwoordelijk is voor de negatieve effecten op de lokale visserij en klimaatbestendigheid van kustgemeenschappen in Cavite? Zo nee, waarom niet?
Het mitigeren en compenseren van negatieve effecten betreft een gedeelde verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid hiervoor bij een project ligt primair bij de projecteigenaar. Deze moet de effecten vooraf onderzoeken, voorspellen en zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Bij de uitvoering moet de projecteigenaar monitoren of aannemers hun werk correct uitvoeren om negatieve effecten te mitigeren. De verantwoordelijkheid voor de compensatie van negatieve effecten die niet voorkomen kunnen worden ligt ook bij de projecteigenaar. Aannemers, zoals in dit geval Boskalis, zijn er voor verantwoordelijk om hun eigen werkzaamheden met zo min mogelijk negatieve effecten voor mens en milieu uit te voeren conform de OESO-richtlijnen en UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGPs). Volgens de OESO-richtlijnen dienen zij ook te zorgen voor, of meewerken aan, herstel indien nodig om negatieve milieueffecten aan te pakken die de onderneming heeft veroorzaakt of waaraan zij heeft bijgedragen. Uit monitoring blijkt dat Boskalis dit correct heeft gedaan.
Wat is er concreet terecht gekomen van de Nederlandse belofte – door ASDB en door Boskalis – om grootschalige natuurcompensatie te regelen? Kent u het openbaargemaakte Biodiversity Action Plan Non Technical Summary van SMC en Boskalis, dat spreekt van een offset gebied van 1000–1700 hectaren? Hoeveel hectaren telt het huidige offset gebied? Op basis van welke informatie doet u deze uitspraak? Is de kwestie van natuurcompensatie – dat voor ADBS een belangrijke voorwaarde was om de EKV te verstrekken – contractueel vastgelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke voorwaarden zijn gesteld?
Ik ben bekend met het genoemde document waar 1.000–1.700 hectare genoemd wordt als een streefgetal. Er gaat bij dit project circa 238 hectare natuurgebied verloren. De verloren natuur dient conform internationale biodiversiteitsstandaarden gecompenseerd te worden door een gebied met tenminste dezelfde kwalitatieve natuurwaarden. De inzet is daarom gericht op kwaliteitsgerichte compensatie, niet op het realiseren van een bepaald oppervlakte. De plannen zorgen ervoor dat de natuurkwaliteit uiteindelijk hoger wordt dan voorheen. Op dit moment is 78,5 hectare aan definitief compensatiegebied gerealiseerd. Daarnaast wordt nog steeds grond aangekocht om te ontwikkelen als natuurcompensatiegebied. Samen met tijdelijke compensatiegebieden is er op dit moment 434 hectare aan natuurcompensatiegebied.
De verantwoordelijkheid om natuurcompensatie te realiseren ligt primair bij de projecteigenaar. ADSB monitort of de projecteigenaar dit op een juiste manier uitvoert. De compensatie van de verloren biodiversiteitswaarde is contractueel vastgelegd tussen projecteigenaar en financiers in het eerder genoemde ESAP. ADSB ziet middels intensieve monitoring toe op de correcte uitvoering van het ESAP. De eerste resultaten zijn positief. Zo is het aantal watervogels in de regio, waaronder bedreigde soorten, substantieel toegenomen.
Hoe oordeelt u over de rol van Nederland bij landaanwinningen in Manila en de bijbehorende negatieve effecten op gemeenschappen, biodiversiteit en klimaatbestendigheid, gegeven de toenemende zorgen en protest vanuit Filipijnse burgers en overheid, zoals o.a. te lezen is in het recente artikel «Manila Bay is Alive» van het Filipijnse Department of Environment and Natural Resources?3 Bent u van mening dat Nederlandse betrokkenheid bij deze controversiële sector gunstig is voor het aanzien van het Nederlandse bedrijfsleven? Zo ja, kunt u dat dan toelichten? Zo nee, welke consequenties ziet u?
Nederlandse bedrijven die actief zijn in het buitenland dienen zich te houden aan de lokale wet- en regelgeving, de UNGP’s en de OESO-richtlijnen. Nederlandse water- en baggerbedrijven zijn internationaal toonaangevend en lopen voorop in de ontwikkelingen van nieuwe duurzame technologieën om negatieve neveneffecten tot een minimum te beperken en kunnen zo een positieve bijdrage leveren aan projecten wereldwijd. In het geval van het luchthavenproject is er, juist door betrokkenheid van Boskalis en de Nederlands staat, een grote verbetering in de uitvoering van het project gerealiseerd.11
Het artikel 'De transformatie van Volksbank naar ASN Bank is niet goedkoop' |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Het artikel beschrijft hoe de Volksbank een kostbare transitie doormaakt die gericht is op verkoop; is volgens u de huidige reorganisatie gericht op verkoop?1
ASN Bank, de voormalige Volksbank, heeft aangegeven dat het transformatietraject, waaronder deze reorganisatie valt, noodzakelijk is voor het voortzetten van haar missie van een duurzame en toegankelijke bank. De bank geeft aan dat de transformatie haar in staat moet stellen haar 3 miljoen klanten beter te bedienen, haar datakwaliteit en IT-systemen te verbeteren, structureel te voldoen aan toenemende wet- en regelgeving en een kostenreductie te realiseren.
Zoals ik ook genoemd heb in mijn brief Voortgangsrapportage de Volksbank over 2024 van 8 juli 2025, staat deze transformatie op zichzelf als onderdeel van de commerciële strategie van ASN. De transformatie staat dus los van de voorbereiding voor de privatisering.2 Noch ik, noch NLFI zijn betrokken geweest bij dit operationele besluit. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat ook geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank.
Hoeveel middelen worden in totaal uitgegeven aan de reorganisatie?
Uit de halfjaarcijfers van ASN Bank van 8 augustus 2025 blijkt dat ASN Bank € 144 miljoen heeft gereserveerd voor het transformatietraject. Hiervan was op 30 juni 2025 € 35 miljoen uitgegeven.3
Waarom worden deze middelen uitgegeven aan een reorganisatie die door de Kamer als ongewenst wordt gezien?
Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb genoemd, is het besluit tot het transformatietraject een operationeel besluit in de context van de commerciële strategie van ASN Bank. Op grond van de ACM-maatregelen mogen NLFI, de staat en daarmee ook de Kamer geen invloed uitoefenen op deze commerciële strategie. Ik heb hier dan ook geen opvatting over.
Is dat wat u betreft een verantwoordelijke omgang met belastinggeld?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toelichten hoe wordt geborgd dat medewerkers, klanten en stakeholders tijdig en volledig worden geïnformeerd over de voortgang en impact van de reorganisatie en eventuele verkoopplannen?
Het is aan het bestuur van ASN Bank om medewerkers, klanten en andere belanghebbenden tijdig en volledig te informeren over de voortgang en impact van het transformatietraject. Dit is een aangelegenheid waar NLFI en de staat niet bij betrokken zijn.
Wat betreft de eventuele verkoopplannen, blijkt uit de eerdergenoemde voortgangsrapportage van NLFI over de Volksbank over 2024, dat ASN Bank nog niet verkoopgereed is.
CEO Roland Boekhout stelt dat verkoop van de Volksbank het uitgangspunt is, dit onderstreept hij met de uitspraak «[w]e willen een zo groot mogelijke opbrengst realiseren voor de Nederlandse belastingbetaler, als compensatie voor al die jaren dat de staat de bank heeft ondersteund»; deelt u deze visie?
De voorloper van ASN Bank (SNS Reaal) is in staatshanden gekomen om de stabiliteit van het financiële stelsel te borgen. Zoals ook is toegelicht in de verschillende Kamerbrieven over de tijdelijke financiële instellingen (onder meer a.s.r.4, ABN AMRO5 en ASN Bank6), is de staat geen belegger en doet de staat geen risicovolle investeringen als daar geen publiek belang mee is gediend.
Zo ja, hoe weegt u het signaal van de Kamer die in juni heeft aangegeven de Volksbank niet te willen verkopen?
In haar onderzoek naar de toekomstopties van de Volksbank (nu ASN Bank) concludeert NLFI dat alleen een onderhandse verkoop of beursintroductie naar voren komen als realistische toekomstopties. Zoals ook genoemd in de voortgangsrapportage van NLFI over de Volksbank over 2024, is het definitieve verkoopbesluit voor ASN Bank op dit moment niet aan de orde.7 Uit de analyse van NLFI blijkt dat ASN Bank nog een aantal jaar nodig heeft om verkoopgereed te zijn.
Bent u zich ervan bewust dat de motie, die oproept het privatiseringstraject te stoppen, ook betrekking heeft op het reorganisatieproces en vraagt deze te stoppen?
Zoals ik de Kamerbrief Voortgangsrapportage de Volksbank over 2024 heb genoemd, is de relatie die wordt verondersteld tussen het besluit van het bestuur van ASN Bank tot de transformatie en de voorbereidingen voor een privatisering onjuist. Zoals toegelicht in bovenstaande antwoorden kan en mag ik geen invloed uitoefenen op het transformatietraject.
Deelt u de mening dat het openhouden van beleidsopties door het voortzetten van de reorgansiatie niet past binnen de wens van de Kamer?
Het voortzetten van het transformatietraject is een besluit van ASN Bank. NLFI en de staat mogen hier in het kader van de ACM maatregelen geen invloed op uitoefenen.
Welke invloed zou de Tweede Kamer normaal gesproken moeten hebben op het deelnemingenbeleid van de overheid?
Iedere 7 jaar wordt het deelnemingenbeleid geëvalueerd. Naar aanleiding van deze evaluatie wordt een nieuwe nota deelnemingenbeleid opgesteld door het kabinet. In 2022 is het huidige deelnemingenbeleid opgesteld en met uw Kamer gedeeld. Zoals gebruikelijk heeft de Kamer het recht om hierover (schriftelijke) vragen te stellen, debat te voeren en moties in te dienen. Over de uitvoering van het aandeelhouderschap wordt jaarlijks verantwoording afgelegd en uw Kamer wordt geïnformeerd over mijn plannen met de staatsdeelnemingen. Middels het uitoefenen van de aan de Kamer toekomende rechten kan er invloed uitgeoefend worden.
Voor ASN Bank (en ook ABN AMRO) geldt dat zij is uitgezonderd van de nota deelnemingenbeleid. NLFI is belast met het privaatrechtelijke beheer van ASN Bank (en ABN AMRO) en valt niet zoals andere staatsdeelnemingen onder mijn verantwoordelijkheid. Dit biedt een extra waarborg voor een transparante belangenafweging, een geloofwaardige exitstrategie en een zakelijk, niet-politiek beheer. Het was destijds ook een nadrukkelijke wens van de Kamer om het beheer in een onafhankelijke organisatie onder te brengen.8 Daarnaast geldt dat op grond van maatregelen van de ACM, NLFI en de staat geen invloed mogen uitoefenen op de commerciële strategie van ASN Bank.
Vindt u de wens van de Kamer als hoogste staatsrechtelijke orgaan doorslaggevend en bent u alsnog bereid de wens van de Kamer uit te voeren?
De wens en oproep van de Tweede Kamer weegt altijd zwaar mee in de door mij te maken afwegingen. Daarbij heb ik als Minister ook een verantwoordelijkheid om besluiten te toetsen aan bestaande wetgeving, internationale verplichtingen en de uitvoerbaarheid.
Over de uitvoerbaarheid van de specifieke wens van de Tweede Kamer om de transformatie stop te zetten verwijs ik naar mijn Kamerbrief over de voortgangsrapportage van NLFI over de Volksbank. Zowel NLFI als de staat mogen geen invloed hebben op de commerciële strategie van ASN Bank. Op dit moment is er van een besluit tot verkoop nog geen sprake en is ASN Bank daar nog niet gereed voor. Wanneer de daadwerkelijke privatisering van de ASN Bank aan de orde is en er eventuele verkoopplannen zijn, ga ik uiteraard in gesprek met uw Kamer.
Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Het artikel 'Zorgvuldige nieuwe wetgeving kan regelbrij voorkomen' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekent met het rapport van PricewaterhouseCoopers (PwC): Feiten en effecten wet- en regelgeving op uitvoeringsorganisaties?1
Ja.
Herkent u de gedane constateringen in het rapport en kunt u toelichten of deze in lijn zijn met de reeds gedane constateringen binnen het kabinet en of u van mening bent dat, gezien dit rapport, de acties vanuit het kabinet voldoende zijn om deze tendens te doorbreken?
Ja. Wij herkennen dat er uitvoeringsdruk is op uitvoeringsorganisaties door complexe wet- en regelgeving. Ook door de stijging van het aantal wetten dat eisen stelt op het gebied van privacy en (informatie)beveiliging (vaak wetgeving die voor alle uitvoerders geldt). En de hoeveelheid aan regels en uitzonderingen. De constateringen in het rapport zijn in lijn met de constateringen van het kabinet. In het regeerprogramma van dit kabinet was hier aandacht voor: «De complexiteit van regelgeving moet worden teruggedrongen. De (digitale) dienstverlening moet voor iedereen eenvoudig en te begrijpen zijn».Ook zet het kabinet-Schoof vanuit het programma Werk aan Uitvoering in op onder andere een actieagenda vereenvoudiging, waarin het terugdringen van complexiteit van regelgeving voor mensen en bedrijven centraal staat. In de kamerbrief WaU die in oktober aan uw Kamer wordt verzonden, wordt u hierover geïnformeerd. Een belangrijk initiatief hierin is de Hervormingsagenda Inkomensondersteuning, waarover de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) u eerder in een Kamerbrief informeerde.2
Om de tendens van toenemende complexiteit en opeenstapeling van wet- en regelgeving te doorbreken is het van belang om langdurig aandacht te besteden aan vereenvoudiging, niet alleen door het huidige kabinet, maar ook door toekomstige kabinetten. Vereenvoudiging is een gedeelde verantwoordelijkheid van de Kamers, kabinet en (uitvoerings)organisaties.
Daarbij is het ook van belang dat de uitvoeringsconsequenties van generieke wetgeving (zowel nationaal als internationaal) zo goed mogelijk in kaart worden gebracht. De implementatie hiervan vergt verandercapaciteit van uitvoeringsorganisaties en kan leiden tot prioriteringskeuzes in samenhang met onderhanden of voorgenomen beleid. Vooruitkijken is hierbij van groot belang.
Hoe verklaart u het grote verschil in de gedane analyse die aantoont dat sinds 2005 het aantal wetten en regels voor uitvoeringsorganisaties is toegenomen met 147% terwijl de toename van wetten en regels maatschappij breed aanzienlijk lager was namelijk 14%?
Het rapport van PwC geeft een overzicht van het aantal wetten en regels voor de 51 grootste uitvoeringsorganisaties die onder een groot aantal departementen vallen. Deze zijn niet uitgesplitst per departement. De achterliggende data zijn niet gepubliceerd en de onderzoeksmethode wordt globaal geduid in het rapport. Wij vinden het hoe dan ook belangrijk om door vereenvoudiging de complexiteit en hoeveelheid regelgeving te beperken. Dit is een opgave van ons allemaal.
Hoe kijkt u naar de constatering in het rapport dat, op basis van de adviezen van de Raad van State niet kan worden gesteld dat de kwaliteit van wet- en regelgeving noemenswaardig is afgenomen maar dat het wel zo kan zijn dat de uitvoerbaarheid (één van de vier toetsingscriteria) achteruit is gegaan?
De afdeling Advisering van de Raad van State hanteert een beoordelingskader met vier onderdelen, waaronder uitvoerbaarheid. De verschillende onderdelen hangen vaak met elkaar samen. Ook in de beleidsvoorbereiding wordt rekening gehouden met uitvoerbaarheid. Het kan zo zijn dat wetgeving leidt tot extra uitvoeringslasten voor de uitvoeringsorganisaties, bijvoorbeeld om het juiste dienstverleningsniveau of maatwerk te kunnen bieden aan specifieke groepen burgers en bedrijven. Een toename van wet- en regelgeving kan de uitvoering daarom complexer maken.
Ook internationale afspraken of gerechtelijke uitspraken die resulteren in nieuwe wetgeving leiden doorgaans tot aanvullende uitvoeringslasten. In antwoord 5 gaan wij verder in op hoe in de beleidsvoorbereiding met uitvoerbaarheid wordt omgegaan.
Indien u van mening bent dat dit inderdaad samenhangt met achteruitgang van de uitvoerbaarheid, bent u dan voornemens en hoe bent u voornemens, hier steviger op te gaan sturen aan de voorkant van het proces, namelijk bij de totstandkoming van regelgeving?
Bij totstandkoming van nieuwe wet- en regelgeving worden standaardprocessen gevolgd. Het Beleidskompas is hierbij leidend. Binnen het Beleidskompas is de uitvoerbaarheid van nieuwe wet- en regelgeving een van de verplichte kwaliteitseisen. Nauwe samenwerking tussen beleid en uitvoering is belangrijk om maatschappelijke wensen te kunnen vertalen naar uitvoerbare wetgeving. Het vroegtijdig en integraal in beeld brengen van de uitvoerbaarheid van beleidsvoornemens stelt ons in staat om gewogen en zorgvuldig beslissingen te nemen.
Voor uitvoerders is het steeds belangrijker dat een bewuste afweging en prioritering wordt gemaakt in de eisen en wensen die op hen afkomen. Dat gaat bijvoorbeeld om nieuwe wetgeving, gewenste verbeteringen in de dienstverlening en het toezicht en de benodigde modernisering van de ICT. Vooruitblikken op aankomende wet- en regelgeving is hier onderdeel van. De meerjarige planning van het totaal aan opdrachten en ambities vergt goede afstemming tussen politiek, beleid en uitvoering.
Die politieke betrokkenheid en steun bij moeilijke keuzes in vereenvoudiging is ook vanuit de Kamer nodig. Alle partijen moeten hierin hun verantwoordelijkheid nemen.
Waarom worden, in plaats van belangrijk stelsels zoals het toeslagenstelsel, te herzien, deze regelmatig uitgebreid met nieuwe uitwerkingen van wetten en regels zonder stevige toetsing vooraf, bijvoorbeeld door een Raad van State?
Het kabinet vindt het belangrijk dat wetsvoorstellen, AmvB’s en regelingen een zorgvuldig wetgevingsproces doorlopen. Zoals gebruikelijk worden wetsvoorstellen en AmvB’s getoetst door de Raad van State. Ministeriële regelingen worden, zoals het rapport van PwC schetst, niet door dit orgaan getoetst. Hoewel de Raad van State bij ministeriële regelingen geen advies uitbrengt, betekent dit niet dat er geen sprake is van andere waarborgen in de totstandkoming van regelgeving. Regelingen kunnen, net zoals wetsvoorstellen en AmvB’s, door andere instanties worden getoetst, zoals de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de Rechtspraak. Daarnaast is het bij alle wijzigen aan wetten en regels gebruikelijk dat de betreffende uitvoeringsorganisatie een uitvoeringstoets doet. Bovendien worden nieuwe trajecten ontwikkeld aan de hand van het Beleidskompas. Er vindt geen wijziging van wet- of regelgeving plaats zonder een zorgvuldige en diepgaande afweging.
Vindt u het verstandig dat, zeker bij een politiek gevoelig onderwerp, snelheid voor zorgvuldigheid dreigt te gaan (asielwetten en zorgen over uitvoerbaarheid bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is hier een voorbeeld van) en is ze zich bewust van de risico’s van deze keuze en zou ze die hieronder kunnen beschrijven?
In het wetgevingsproces zitten vaste checks and balances ingebouwd om te komen tot zorgvuldige wetgeving. Bijvoorbeeld uitvoeringstoetsen, wetgevingstoetsen, doenvermogenscans en adviezen van de Raad van State. Deze checks and balances zorgen ervoor dat verschillende perspectieven, zoals het uitvoerbaarheidsperspectief, tot hun recht komen. Daar waar dit proces onder tijdsdruk komt te staan, neemt het risico op onuitvoerbare wetgeving toe. Bijvoorbeeld bij amendementen. Daarom is eerder aangegeven om terughoudend en zorgvuldig te zijn bij het indienen van en het stemmen over amendementen. Het is belangrijk om de tijd te nemen voor het uitwerken van wet- en regelgeving en dat voor te laten gaan voor de snelheid van het proces. Investeren in zorgvuldige wetgeving aan de voorkant kent voordelen. Het doelbereik is groter en de noodzaak van reparaties achteraf kleiner. Het is een uitdaging om de juiste balans te vinden tussen het oplossen van maatschappelijke vraagstukken, grondigheid en snelheid. Wij vinden zorgvuldige wet- en regelgeving binnen de dynamiek van het politieke en wetgevingsproces van belang, dit vraagt om een goed samenspel.
Bent u bereid tijdelijk bedoelde maatregelen in beeld te brengen met een onderbouwing waarom deze nog niet zijn afgebouwd en dit overzicht naar de Kamer te sturen, aangezien het aantal uitzonderingen per wet of regel bijna is verdubbeld (+88%) en voor tijdelijk bedoelde uitzonderingen geldt vaak: niets is zo permanent als een tijdelijke maatregel?
Er is op dit moment geen Rijksbreed beeld van tijdelijke maatregelen of maatregelen met een horizonbepaling. Hiervoor draagt ieder departement zelf de verantwoordelijkheid. Tijdelijke maatregelen kunnen echter ook nuttig zijn om – in afwachting van een permanentere oplossing – sneller een probleem te kunnen oplossen of om invulling te kunnen geven aan de menselijke maat en maatwerk. Het is een uitdaging om tijdelijke maatregelen af te schaffen, zeker als deze begunstigend zijn.
Staat arbeidsproductiviteit hoog op de gezamenlijke agenda van ministeries en uitvoeringsorganisaties en hoe wordt hier gezamenlijk op geacteerd aangezien arbeidsproductiviteit in onze krappe arbeidsmarkt een grote zorg is en er is een sterk verband tussen de toename van het aantal uitzonderingen en de daling van de productiviteit van uitvoerders?
Grote maatschappelijke opgaven en arbeidskrapte verhouden zich lastig tot elkaar. Hoe om te gaan met (personele) schaarste is op dit moment bij zowel ministeries als uitvoeringsorganisaties een belangrijke vraag. Arbeidskrapte vraagt om keuzes maken en om innovatie in de wijze waarop het werk gedaan wordt. Grip op schaarste is een van de thema’s waarmee het overheidsbrede programma Werk aan Uitvoering aan de slag is. Hier bent u per brief van 20 juni jl. over geïnformeerd via de Voortgangsrapportage Programma Werk aan Uitvoering.3
Vereenvoudiging kan een middel zijn om de uitvoering van wet- en regelgeving te vergemakkelijken en daarmee minder arbeidsintensief te maken. Vereenvoudiging zorgt ook voor minder gerichte maatregelen. De afweging tussen eenvoud en gerichtheid heeft het kabinet samen met de publieke dienstverleners en met uw Kamer te maken.
Zou u per aanbeveling uit het rapport willen reageren hoe u voornemens bent hiermee om te gaan?
Reactie op aanbeveling 1)
In het ambtelijk rapport Fiscale Regelingen werkt FIN beleidsopties uit om te komen tot een eenvoudiger en beter belastingstelsel. Ook wordt in de Stand van de uitvoering Belastingdienst stilgestaan bij knelpunten en opgehaalde signalen van binnen en van buiten de organisatie. Daarnaast werkt FIN actief aan het in kaart brengen van uitvoeringswensen. Dit zijn kansen om via wetgeving omissies in wet- en regelgeving op te lossen, de interactie met burgers en bedrijven te stroomlijnen, het stelsel te vereenvoudigen en om naleving te bevorderen.
Bij SZW wordt hier ook invulling aan gegeven. Sinds 2018 publiceert SZW, samen met UWV en de SVB, halfjaarlijks de Stand van de uitvoering sociale zekerheid. In dit rapport wordt ingegaan op wat er goed gaat in de uitvoering, maar ook waar UWV en de SVB knelpunten signaleren. Sinds 2021 publiceren zij elk hun eigen knelpuntenbrief. Het doel van deze brieven is om uw Kamer te informeren over waar wetten en regels knellen voor burgers en uitvoering. De knelpuntenbrieven worden gevoed door signalen van cliënten en medewerkers. Tevens geeft de uitvoering oplossingsrichtingen mee. De Landelijke Cliëntenraad (LCR) publiceert sinds 2023 ook jaarlijks een knelpuntenbrief over domeinoverstijgende knelpunten binnen de sociale zekerheid.
Hervorming en vereenvoudiging gaan gepaard met politieke keuzes, omdat vereenvoudiging in veel gevallen betekent dat regelingen minder gericht worden. Dat kan gepaard gaan met negatieve inkomenseffecten of budgettaire effecten. Bij de concrete uitwerking van beleidsopties voor verschillende wetten zullen deze keuzes zorgvuldig in kaart worden gebracht en aan de Kamer worden voorgelegd.
Reactie op aanbeveling 2)
Modernisering van IT is essentieel. Deze opgave vraagt structureel middelen en tijd en vooral ook gerichte keuzes. Modernisering zorgt ervoor dat de technologie toekomstbestendig is en dat wijzigingen eenvoudiger, met minder capaciteit en in kortere tijd uitgevoerd kunnen worden. Dit draagt eraan bij om grotere wetswijzigingen of zelfs stelselwijzigingen te kunnen doorvoeren en de dienstverlening voor burgers en bedrijven te verbeteren. Daarvoor investeren onder andere het UWV, de SVB en de Belastingdienst, naast de vervanging van verouderde systemen, steeds meer in lifecyclemanagement. Bij de uitvoeringstoets door de uitvoerder(s) is de uitvoerbaarheid van beleid in relatie tot de IT-veranderopgave een belangrijk aandachtspunt. Voor maatwerkdossiers wordt verwezen naar antwoord 15.
Reactie op aanbeveling 3)
Het kabinet heeft aangekondigd het stelsel van inkomensondersteuning te willen vereenvoudigen en de regelingen te versimpelen. De realiteit laat zien dat de complexiteit die volgt uit een zo gericht mogelijke regeling, er juist voor kan zorgen dan burgers en bedrijven niet krijgen wat ze nodig hebben. Ons uitgangspunt is dan ook: hervorming en vereenvoudiging is nodig.
Bent u bereid heldere keuzes te maken waarmee huidige regels uitvoerbaarder worden en om per uitvoerder samen met de werkvloer te onderzoeken waar bestaande wetten en regels knellen in de uitvoering, zoals het rapport vraagt?
Wij hebben voorwerk gedaan voor – en verder gewerkt aan – stelselhervormingen. Dit blijkt uit onder andere de inzet van het programma Vereenvoudiging Inkomensondersteuning voor Mensen (VIM), de hervormingsagenda inkomensondersteuning, het ambtelijk rapport Fiscale Regelingen voor een eenvoudiger en beter belastingstelsel en de brief taakopdracht hervorming belasting en toeslagenstelsel. Deze hervormingen vragen om scherpe en heldere keuzes in afstemming met de uitvoeringsorganisaties en de politiek. Het is een belangrijke opgave voor een volgend kabinet om een (stelsel)hervorming verder te brengen.
Bent u bereid, zoals het rapport vraagt, tot vereenvoudig van wetsvoorschriften waar mogelijk door scherpe keuzes te maken: is de burger gebaat bij een complexere maatwerkregeling en maken we daar extra capaciteit voor beschikbaar, of versimpelen we de regeling zodat deze uitvoerbaar is met de bestaande capaciteit?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid werk te maken van stelselhervormingen met specifieke aandacht voor het inperken van de stapeling van wetten en uitzonderingen en waarbij grote stelsels periodiek worden opgeschoond, zoals het rapport vraagt?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid in beeld te brengen hoeveel middelen en tijd nodig zijn om binnen nu en acht jaar verouderde IT-systemen door te ontwikkelen ervan uitgaande dat de IT in de tussentijd niet met grote hoeveelheden nieuw beleid wordt belast?
Uitvoeringsorganisaties van FIN en SZW, zoals het UWV, de SVB en de BD beschikken over meerjarenplannen en portfolio overzichten waarin ook de vervanging van verouderde IT-systemen is opgenomen en er wordt ingezet op lifecyclemanagement om bestaande systemen up-to-date te houden. In deze plannen is expliciet aandacht voor de benodigde middelen, beschikbare capaciteit, prioritering, uitvoerbaarheid, en afhankelijkheden.
Bent u bereid te bekijken of ook maatwerkdossiers (semi-)automatisch kunnen worden verwerkt?
Zoals reeds aangegeven in de brief «Voortgang Professionals voor Maatwerk Multiproblematiek» van 8 juli 2025 worden maatwerkdossiers gekenmerkt door complexiteit: er zijn vaak meerdere wetten en regelingen van toepassing die met elkaar interacteren, en meerdere organisaties betrokken vanuit verschillende domeinen.4 De unieke omstandigheden van het individu wegen zwaarder dan de standaardregels. Persoonlijk contact is daarom noodzakelijk voor goede afhandeling van maatwerkdossiers. Deze dossiers kunnen hierdoor niet altijd (semi-)automatisch worden uitgevoerd en vragen om professionele beoordeling en menselijke afweging.
Het bericht dat investeren in ontwikkelingssamenwerking gunstig is voor de Nederlandse economie |
|
Daniëlle Hirsch (GL), Don Ceder (CU) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse economie heeft baat bij ontwikkelingssamenwerking»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusies uit het rapport van de Universiteit van Göttingen, waarnaar dit artikel verwijst? Deelt u de conclusies, gebaseerd op econometrische berekening, dat elke euro ontwikkelingshulp de Nederlandse export en economie flink doet groeien? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met het rapport van de Universiteit van Göttingen «Domestic effects of foreign aid» (2025) waarnaar u verwijst. Het onderzoek maakt gebruik van een econometrisch model om mogelijke verbanden te schatten tussen Nederlandse ontwikkelingshulp en de Nederlandse export van goederen en diensten. De auteurs concluderen dat er, op basis van hun model, een positief verband bestaat tussen de omvang van Nederlandse hulp en Nederlandse export en werkgelegenheid. Het kabinet onderkent dat deze studie een interessant perspectief biedt op positieve neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking voor de Nederlandse economie.
De uitkomsten sluiten aan op de bevindingen van de IOB-studie2 «Good things come to those who make them happen, return on aid for Dutch exports» die verscheen in 2014, en andere onderzoeken3, 4, 5, 6. Wel worden de effecten in dit nieuwe rapport aanzienlijk hoger ingeschat dan in de IOB-studie. Dit verschil kan mogelijk worden verklaard doordat het gaat om een scenarioanalyse, en omdat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over hoe dit effect te berekenen. De resultaten zijn daardoor afhankelijk van aannames, parameterkeuzes en de gehanteerde modellering van auteurs, en vormen daarmee een onderbouwde indicatie en geen eenduidig bewijs.
Uit de IOB-studie van 2014 bleek dat elke euro bilaterale hulp € 0,70–€ 0,90 extra export oplevert en dat hiermee circa 15.000 banen gemoeid zijn. In haar reactie heeft de toenmalige Minister (Kamerstuk 33 625, nr. 123, 12 september 2014) aangegeven veel waarde te hechten aan onderzoek naar de effecten van de Nederlandse ontwikkelingshulp voor de Nederlandse handel en economie. Het Centraal Planbureau (CPB) berekent het effect van ontwikkelingshulp op de Nederlandse export al jaren op basis van de uitkomsten van deze IOB-studie.
Het kabinet heeft ervoor gekozen om investeren in ontwikkelingssamenwerking nog sterker te verbinden aan Nederlandse belangen, ook op economisch terrein. Dit komt ook nadrukkelijk naar voren in de Beleidsbrief Ontwikkelingshulp van 20 februari 2025.
Deelt u de conclusies, gebaseerd op econometrische berekening, dat elke sinds 2010 via ontwikkelingssamenwerking geïnvesteerde euro, bijna vier euro aan Nederlandse exportgroei opleverde? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de conclusie van de onderzoekers dat deze bevindingen in lijn zijn met eerdere gepubliceerde onderzoeken, waaronder door de IOB van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in 2014? Zo nee, waarom niet?
Ja. Zie antwoord op vraag 2.
Deelt de Minister van Buitenlandse Zaken de conclusie dat de positieve impact van ontwikkelingssamenwerking op de Nederlandse werkgelegenheid en economie steeds groter wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt dat zich tot uitspraken van uw voorganger – Minister Klever – dat bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in het Nederlandse belang zouden zijn?
Het rapport Domestic Effects of Foreign Aid van de Universiteit van Göttingen concludeert niet dat de positieve impact van ontwikkelingssamenwerking op de Nederlandse werkgelegenheid en economie «steeds groter» wordt. In het onderzoek wordt een vergelijking gemaakt tussen verschillende perioden. Daarbij worden voor de periode na 2010 gemiddeld hogere effecten gevonden dan voor de periode daarvoor. Dit betreft gemiddelden over meerdere jaren, geen doorlopende stijgende trend.
De uitspraken van mijn voorganger moeten gezien worden in het licht van het regeerprogramma, waarin een substantiële afname van het budget voor ontwikkelingshulp werd aangekondigd, als onderdeel van de financiële keuzes die het kabinet heeft gemaakt.
Deelt u de zorgen, geuit door de experts in het artikel, dat de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking ten koste gaan van banen en economische ontwikkeling in Nederland?
Nee. Het nieuwe beleid is sterker dan voorheen gericht op wederzijdse economische belangen en verwachting is dat het een positief effect heeft op economische ontwikkeling in partnerlanden en Nederland.
Bent u bekend met het ODI-onderzoek naar de terugverdieneffecten van Europese ontwikkelingssamenwerking, waarin geconcludeerd wordt dat investeren in ontwikkelingssamenwerking een positieve impact heeft op Europese economieën? Hoe beoordeelt u de conclusies uit dit onderzoek?2
Ja, ik ben bekend met het onderzoek van het Overseas Development Institute (ODI) getiteld «The Economic Impact of EU Aid on EU Economies» (mei 2025). In deze studie concludeert ODI dat investeringen in Europese ontwikkelingssamenwerking niet alleen bijdragen aan armoedebestrijding en mondiale stabiliteit in partnerlanden, maar ook economische voordelen kunnen opleveren binnen de EU, onder meer via toegenomen export en werkgelegenheid.
Dit rapport betreft een scenarioanalyse, gebaseerd op simulaties met het Global Trade Analysis Project model (GTAP). GTAP is algemeen evenwichtsmodel (een Computable General Equilibrium model), en dergelijke modellen zijn sterk afhankelijk van de gekozen aannames, parameters en modelleringstechniek van de auteurs. Bovendien is deze studie niet peer-reviewed, en dus niet wetenschappelijk gevalideerd volgens de gebruikelijke academische standaarden.
De conclusies dragen bij aan het bredere inzicht in de potentiële neveneffecten van ontwikkelingssamenwerking, maar vormen op dit moment geen sluitend bewijs. Ze dienen dan ook te worden geïnterpreteerd als een beleidsmatig interessant signaal, niet als wetenschappelijk hard onderbouwde uitkomst.
Deelt u de opvatting dat bij goed bestuur vereist dat de gevolgen van relatief grote bezuinigingen voor de Nederlandse economie, werkgelegenheid, veiligheid en samenleving vooraf in kaart gebracht zouden moeten zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht het van belang om bij beleidsvoorstellen, inclusief bezuinigingen, de relevante effecten en risico’s zoveel mogelijk in beeld te brengen. Het kabinet weegt budgettaire keuzes integraal af, hierbij neem het kabinet de verwachte gevolgen van dergelijke keuzes mee in de afweging.
In de praktijk is het methodologisch lastig om vooraf alle maatschappelijke effecten volledig in kaart te brengen, zeker wanneer deze afhankelijk zijn van complexe internationale en economische factoren.
Hebben uw ministeries onderzoek laten doen om de brede maatschappelijke kosten en baten van de miljardenbezuinigingen van uw kabinet op ontwikkelingssamenwerking in kaart te laten brengen om zodoende een goed geïnformeerde afweging te kunnen maken? Zo nee, waarom niet? Zo nee, bent u voornemens dit alsnog te doen? Zo ja, welke kosten en baten voor het Nederlandse eigenbelang zijn onderzocht? Zijn ook de gevolgen buiten Nederland onderzocht? Zo ja, kunt u deze onderzoeken voor het einde van het zomerreces delen met de Kamer?
Het kabinet ziet om voornoemde reden geen toegevoegde waarde van een onderzoek naar de brede maatschappelijke kosten en baten van de recente bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking in Nederland. Wel gaat het ministerie met het CPB in gesprek over de manier waarop de effecten van ontwikkelingshulp worden meegenomen in de prognoses over de groei van de Nederlandse economie.
De OESO-DAC heeft recentelijk (d.d. 26 juni 2025) een rapport8 gepubliceerd waarin de effecten van de internationale bezuinigingen op ontwikkelingshulp in kaart worden gebracht. In de Kamerbrief9 «Effecten bezuinigingen» (welke gelijktijdig met deze beantwoording is verstuurd) wordt ingegaan op het OESO-rapport en een toelichting gegeven op de effecten van de Nederlandse bezuinigingen op de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (BHO).
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het einde van het zomerreces beantwoorden?
Dat is niet gelukt vanwege de wisseling van bewindspersonen.
De toekenning van de extra middelen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Jurgen Nobel (VVD) |
|
|
|
|
Hoe staat het met de uitvoering van het amendement Grinwis c.s. dat € 50 miljoen extra toevoegt aan het Tijdelijk Noodfonds Energie?1
Allereerst wil ik benadrukken dat ik het initiatief van de Tweede Kamer om extra middelen om energiearmoede tegen te gaan, zeer waardeer. De afgelopen jaren heeft het Rijk zich ingezet om energiearmoede te verlagen. De inzet van de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie en de energieleveranciers zijn daarbij belangrijke partners geweest. De privaat-publieke constructie van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2025 maakt het onmogelijk om dit jaar extra middelen toe te voegen zonder grote financiële en juridische risico’s. Met de aangehouden verhouding tussen publieke en private financiering is de maximale ruimte bereikt, waarbij het Rijk minder dan twee derde van de totale middelen aan het fonds beschikbaar mag stellen. Indien extra Rijksmiddelen uit het amendement zonder aanvullende private dekking aan het Tijdelijk Noodfonds Energie worden toegevoegd, is het risico groot dat het Tijdelijk Noodfonds Energie als een buitenwettelijk bestuursorgaan wordt gekwalificeerd. Dit kan verschillende consequenties hebben. Eén van de mogelijke consequenties is dat een huishouden als gevolg van deze steun gekort kan worden op de (bijstands)uitkering. Een andere consequentie is het ontstaan van een open einderegeling. De omvang is niet exact te bepalen, dit kan zeker honderden miljoenen euro’s betreffen.
Er ligt echter nog altijd een maatschappelijke opgave, zo laten ook de recente cijfers van TNO zien2. Dat is de reden waarom ik werk aan een publiek energiefonds, in het kader van het Social Climate Fund (SCF)3, om huishoudens te ondersteunen op de energierekening. Bij een publiek fonds is het mogelijk om hiervoor rijksmiddelen zonder private inleg voor dit doeleinde beschikbaar te stellen.
Er wordt verkend of de € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de beschikbare middelen voor het te ontwikkelen publieke energiefonds voor de ondersteuning van huishoudens op de energierekening. Met deze aanvulling op de middelen van het SCF kan de looptijd van het publieke energiefonds worden verlengd. Het streven is om de tegemoetkoming vanuit een publiek energiefonds ten behoeve van de winterperiode vanaf 2026/2027 beschikbaar te stellen. Er wordt bij de uitwerking van het fonds bezien of het (technisch) mogelijk is om met terugwerkende kracht huishoudens over 2026 steun toe te kennen.
Hoe staat het met de verwerking van de 210.000 ontvangen aanvragen die waren binnengekomen alvorens het loket werd gesloten op 29 april jl.? Hoeveel van de aanvragen kon aanvankelijk niet worden gehonoreerd met het budget van € 56,3 miljoen, maar nu wel met de € 50 miljoen extra?
In totaal hebben zo’n 227.000 huishoudens een aanvraag gedaan bij de Stichting Tijdelijk Noodfonds Energie (TNE) in 2025. Op dit moment zijn er ruim 115.000 van de aanvragen goedgekeurd. Er is inmiddels zo’n 97% van de aanvragen behandeld. Deze huishoudens voldoen aan de vooraf gecommuniceerde voorwaarden (inkomen en energiequote) en ontvangen steun. Het aantal huishoudens dat daarmee in 2025 steun krijgt, is op dit moment vergelijkbaar met het aantal in 2024. De huishoudens die aan de voorwaarden voldoen, ontvangen in 2025 gemiddeld zo’n € 77,50 per maand voor een periode van zes maanden.
Van de 227.000 huishoudens wordt dus ongeveer de helft afgewezen. Dit is niet omdat de middelen niet toereikend zijn, maar omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden. Zij hebben een te hoog inkomen of een te lage energierekening in verhouding met het inkomen.
Hoeveel budget resteert er nog na de verwerking van de ontvangen aanvragen? Wanneer en voor hoe lang wordt het aanvraagloket voor het Noodfonds weer opengesteld, zodat rechthebbenden die niet in de gelegenheid waren om tijdens de eerdere korte openstelling van het fonds een aanvraag in te dienen, dit alsnog kunnen doen?
De inschatting is nu dat nagenoeg het gehele beschikbare bedrag van € 56,3 miljoen wordt uitgekeerd aan huishoudens en er dus vrijwel geen middelen onbenut zijn gebleven.
Staan de private partijen klaar om operationele uitvoering te geven aan het honoreren van de extra aanvragen?
Zoals aangegeven bij vraag 1 wordt verkend of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds. Het energiefonds 2025 was een publiek/ private constructie, zoals bij vraag 1 aangegeven is het niet mogelijk om aanvullende Rijksmiddelen aan deze constructie toe te voegen. Om die reden is deze vraag over operationele uitvoering niet aan de orde.
Aangezien enkele kabinetsleden geen trek leken te hebben in het aangenomen amendement, hoe ziet u erop toe dat het amendement nog in 2025 wordt uitgevoerd en de middelen benut worden en dat het budgetrecht van de Tweede Kamer dus wordt geëerbiedigd?
Zoals bij vraag 1 is aangegeven, maakt de privaat-publieke constructie van het Tijdelijk Noodfonds Energie in 2025 het onmogelijk om dit jaar middelen toe te voegen zonder financiële en juridische risico’s. Het kabinet onderschrijft het doel van het amendement, het ondersteunen van huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening. Om die reden wordt verkend of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds dat in ontwikkeling is.
In hoeverre draagt deze € 50 miljoen bij aan de instandhouding van de systematiek van het Tijdelijk Noodfonds Energie?
De € 50 miljoen draagt niet bij aan de instandhouding van de systematiek. Zoals in eerdere Kamerbrieven inzake dit energiefonds is aangegeven, is het fonds in 2025 voor de laatste keer via de publiek-private constructie vormgegeven. In de kamerbrieven van 27 juni en 9 september4 jongstleden is aangegeven dat het Ministerie van SZW en het Ministerie van VRO gezamenlijk aan de verdere uitwerking van een voorstel binnen het SCF-plan werken. Dit voorstel is gericht op meerjarige financiële steun voor huishoudens (publiek energiefonds) in combinatie met de verduurzaming van woningen. Het SCF is opgericht om de effecten van het ETS-2-systeem op huishoudens in de meest (financiële) kwetsbare posities te verzachten.
De lessen van de afgelopen jaren over de effectiviteit van het fonds, zoals het bereik van de doelgroep, worden meegenomen in het vervolgtraject van het SCF.
Kunt u deze vragen vraag voor vraag beantwoorden voor aanvang van de augustusbesluitvorming?
Gezien het zomerreces was het niet mogelijk om deze Kamervragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden. De verkenning of de aanvullende € 50 miljoen kan worden toegevoegd aan de middelen voor het publieke energiefonds loopt mee in de augustusbesluitvorming.
Palantir |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Welke organisatieonderdelen binnen uw ministerie maken/maakten direct gebruik van of hebben/hadden toegang tot de Palantir software?1
Uit de uitgevoerde inventarisatie binnen het Ministerie van Financiën is gebleken dat organisatieonderdelen geen direct gebruik maken of hebben gemaakt van Palantir-software, noch toegang hebben gehad tot Palantir-software. Voor zover bekend zijn er geen projecten of initiatieven binnen het ministerie die gebruikmaken of hebben gemaakt van Palantir-software.
Zijn er buiten de «Raffinaderij» nog andere projecten of initiatieven (geweest) die gebruik maken/maakten van Palantir software? Zo ja, welk organisatieonderdeel ontplooit/ontplooide dat initiatief en onder welke projectnaam of titel?
Zie antwoord vraag 1.
Welke organisatieonderdelen (onder organisatieonderdelen worden ook samenwerkingsverbanden als het RIEC, LIEC, iCOV, etc. verstaan) en/of functionarissen maken/maakten gebruik van of hebben/hadden toegang tot de informatieproducten uit de «Raffinaderij» en/of Palantir software?
Organisatieonderdelen van het Ministerie van Financiën ontvangen en delen informatie en signalen met ketenpartners binnen de geldende wettelijke kaders, deze levering vindt niet direct in Palantir plaats. De ketenpartners zijn zelf verantwoordelijk voor de selectie van hun software. De opname van de door Financiën geleverde informatie in een analysesysteem zoals Palantir door een ketenpartner valt daarmee buiten de verantwoordelijk van het Ministerie van Financiën.
De Minister van Justitie en Veiligheid geeft in de beantwoording op Kamervragen over Palantir2 aan dat de RIEC’s, het LIEC en iCOV geen gebruik maken van Palantir-software of informatieproducten daaruit, en andere functionarissen dan de politiefunctionarissen geen toegang daartoe hebben nu en/of hadden in het verleden. Daarnaast ontvangt of ontving de politie in relatie tot de analyseomgeving «de Raffinaderij» geen data van andere organisatieonderdelen.
Zijn er organisatieonderdelen die onder uw ministeriële verantwoordelijkheid vallen die data delen met de «Raffinaderij» of andere Palantir-gerelateerde initiatieven? Zo ja, welke organisatieonderdelen zijn dat?
Zie antwoord vraag 3.
Kunnen de vragen binnen drie weken en afzonderlijk beantwoord worden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Stand van zaken Exportkredietverstrekking aan LNG-project Cabo Delgado, Mozambique |
|
Tom van der Lee (GL), Daniëlle Hirsch (GL), Christine Teunissen (PvdD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD), Boerma |
|
|
|
|
In het commissiedebat Exportkredietverzekeringen van 27 november 2024, heeft de Minister van Financiën de toezegging gedaan de onafhankelijke review naar de beoordeling van de veiligheidssituatie bij de verstrekking van de exportkredietverzekering (EKV) voor het LNG-project in Mozambique met de Kamer te delen, voorafgaand aan de beslissing over mogelijke hervatting van de EKV. Wat is de huidige status van de onafhankelijke review? Wanneer verwacht u het rapport naar de Kamer te sturen?
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld heb ik een externe partij gevraagd om een analyse naar vermeende mensenrechtenschendingen door Mozambikaanse veiligheidsdiensten in de context van het Mozambique LNG-project.1 Deze analyse is nog niet gereed, mede vanwege aanvullende vragen over de veiligheidssituatie. Ik verwacht het definitieve rapport, behoudens eventuele vertrouwelijke elementen, na de zomer met uw Kamer te kunnen delen.
Wat is de huidige status van de herbeoordeling van het LNG-project in Mozambique? Bent u bekend met lokale signalen dat Van Oord zijn activiteiten in Mozambique heeft hervat? Zo ja, hoe duidt u deze keuze, gelet op het feit dat Atradius Dutch State Business (ADSB) nog steeds bezig is met de herevaluatie van het project en dat force majeure nog steeds van kracht is? Zijn u en ADSB van tevoren door Van Oord geïnformeerd over het hervatten van activiteiten in Mozambique? Zo ja, wat is de reden voor hervatting? Welke activiteiten kunnen door Van Oord uitgevoerd worden onder force majeure?
De herbeoordeling ziet op de financieringspolis aan Standard Chartered Bank die het risico dekt van niet terugbetaling van de aan het project verstrekte lening. Projecteigenaar Total wil het project herstarten en weer kunnen beschikken over de financiering. Hiertoe worden alle betrokken exportkredietverzekeraars (ECA’s) – waaronder Nederland – en financiers gevraagd in te stemmen met de benodigde wijziging van de lening- en verzekeringsdocumentatie. Hierover is door Nederland nog geen besluit genomen, mede doordat een externe partij nog bezig is met een analyse (zie ook het antwoord op vraag 1). Zodra het kabinet een besluit heeft genomen, zal ik uw Kamer hierover informeren.
Ik ben bekend met het feit dat projecteigenaar Total vooruitlopend op een hervatting van het project Van Oord heeft gevraagd om voorbereidende baggerwerkzaamheden te verrichten. Of Van Oord hier gehoor aan geeft is een keuze die het eigenstandig kan maken, mits dit past binnen de geldende polisvoorwaarden en ekv-uitvoerder ADSB hierover tijdig wordt geïnformeerd.
Wordt er op dit moment vanuit Van Oord informatie verstrekt over de stand van zaken in het projectgebied? Kan Van Oord verantwoorden dat zij aan internationale richtlijnen voldoet, terwijl de herbeoordeling en het onafhankelijke onderzoek niet zijn afgerond?
Van Oord informeert ADSB maandelijks over de stand van zaken rondom haar werkzaamheden voor het project en over milieu- en sociale aspecten. Daarnaast rapporteert de onafhankelijke milieu- en sociale consultant periodiek aan de groep van betrokken ECA’s en financiers of het Mozambikaanse LNG-project en de betrokken aannemers, waaronder Van Oord, voldoen aan de internationale richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo).
Klopt het dat alle activiteiten die tussen nu en de herevaluatie door ADSB over het verstrekken van exportkrediet, volledig op eigen risico van Van Oord zijn? Zo nee, waarom? Kunt u aangeven onder welke bepalingen van de polis dit eventueel mogelijk is? Zo ja, kunt u bevestigen dat de eventuele exportkredietverstrekking nooit kan worden ingezet als dekking voor activiteiten uitgevoerd voor de conclusie van de herbeoordeling?
Nee dat klopt niet. Bij de financieringspolis gaat het om een polis waar nu geen rechten aan kunnen worden ontleend totdat ingestemd is met de gevraagde wijzigingen. Dit betekent dat er op dit moment niet getrokken kan worden uit de verzekerde lening. Voor de exporteurspolis, die is verstrekt aan Van Oord en het risico dekt dat Van Oord niet betaald krijgt voor uitgevoerde werkzaamheden, ligt het anders. Bij de exporteurspolis kunnen er wel rechten worden ontleend en is er juridisch gezien sprake van een lopende verzekering. Omdat het gaat om een lopende verzekering en Van Oord zich aan de polisvoorwaarden (inclusief premiebetaling) houdt, is er juridisch gezien voor de Nederlandse staat geen grond om de verzekering te beëindigen of te pauzeren. Dit betekent dus dat Van Oord voor betalingsrisico’s die het loopt uit hoofde van uitgevoerde werkzaamheden verzekerd is onder de exporteurspolis. Tot op heden hebben zich geen claims of schade voorgedaan uit hoofde van de exporteurspolis. Om aanspraak te kunnen maken op uitkering van eventuele schade dient Van Oord zich te blijven houden aan alle polisvoorwaarden, waaronder die voor mvo.
Heeft het mogelijk hervatten van activiteiten door Van Oord impact op de conclusies van de herbeoordeling? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beoordeelt voor de besluitvorming over het aanpassen van de financieringspolis het project integraal op financiële, compliance, milieu- sociale en veiligheidsrisico’s. Daarbij wordt ook gekeken of de uitgevoerde voorbereidende werkzaamheden, waaronder die Van Oord, voldoen aan het Nederlandse beleid voor de ekv.
Hoe zou u de bereidheid van Van Oord duiden om ook zonder een definitief besluit omtrent de kredietverstrekking het project te hervatten? Bent u het ermee eens dat dit een indicatie kan zijn dat de kredietverstrekking niet nodig is? Zo nee, waarom niet?
Van Oord heeft een contract met Total en op basis van de daarin gemaakte afspraken verricht Van Oord, zoals dat gebruikelijk is, werkzaamheden.
Bent u bekend met de recente berichtgeving door Africa Intelligence1 die melding maakt van problemen rond de betaling van de Rwandese troepen in Noord-Mozambique? Kunt u de informatie bevestigen of ontkennen? Deelt u de conclusie dat het niet betalen van de Rwandese troepen sinds augustus 2024, het veiligheidsrisico rondom het projectgebied vergroot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt dit meegenomen in de heroverweging van de EKV?
Ik ben bekend met de berichtgeving maar beschik niet over verdere informatie aangaande (afspraken over) betalingen tussen de Mozambikaanse en Rwandese overheden. Ik kan de berichtgeving dan ook niet bevestigen. Alle relevante aspecten voor het veiligheidsrisico, waaronder de duurzame aanwezigheid van Rwandese veiligheidsdiensten, worden meegewogen in de besluitvorming.
Welke rol speelt het onderzoek van het Franse Openbaar Ministerie naar TotalEnergies in de herbeoordeling? Wacht ADSB totdat de uitkomst van dit onderzoek bekend is voordat een keuze gemaakt wordt over de exportkredietverstrekking? Zo nee, waarom niet?
In de herbeoordeling wordt alle beschikbare informatie gewogen. Het kabinet beschikt niet over inhoudelijke informatie uit het Franse vooronderzoek. Dit aspect kan daarom geen onderdeel uitmaken van het proces van herbeoordeling en besluitvorming.
Bent u bekend met berichtgeving rondom het mogelijk terugtrekken van financiering voor het LNG-project vanuit UK Export Finance (EKEF), mede vanwege de mogelijke rol van TotalEnergies in het schenden van mensenrechten?2 Bent u bekend met de afwegingen van UKEF? Kunt u die met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Heeft het eventueel wegvallen van UKEF-invloed op de afweging van ADSB? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de berichtgeving. Ik kan geen uitspraken doen over het onderzoek of de besluitvorming van het VK. Het kabinet zal eigenstandig een besluit nemen op basis van eigen onderzoek.
Verschillen de Nederlandse en Britse onderzoeken in hun opzet? Zo ja, op welke manier?
Zie antwoord vraag 9.
Welke (lokale) NGOs zijn betrokken bij het onderzoek van ADSB, en op welke manier? Deelt u de zorg dat medewerking aan het onderzoek risico’s met zich meebrengt voor lokale betrokkenen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe worden burgers die betrokken zijn bij het Nederlandse onderzoek beschermd?
De door Nederland aangestelde onderzoekers maken gebruik van een breed scala aan bronnen, waaronder lokale bewoners, leden van veiligheidsdiensten, overheidsfunctionarissen, NGO’s die actief zijn in de regio en personeel dat betrokken is bij het LNG-project. Ik deel de genoemde zorgen over hun veiligheid. De onderzoekers hanteren daarom strikte geheimhouding van hun bronnen. Ik kan derhalve geen namen delen van betrokken lokale organisaties of individuen.
Wegens het voortdurende gebrek aan transparantie over de lopende onderzoeken, de onbetrouwbaarheid van het Mozambikaanse rechtssysteem en de focus van lopende onderzoeken naar de schendingen op het project in plaats van op gerechtigheid voor de slachtoffers, pleiten Mozambikaanse en internationale NGOs voor een internationaal onafhankelijk onderzoek door de VN (OHCHR). Bent u bereid dit te steunen? Zo ja, op welke manier? Zo niet, waarom niet?
Het Mozambikaanse Openbaar Ministerie is een onderzoek gestart naar de vermeende mensenrechtenschendingen door het Mozambikaanse leger. Via de ambassade in Maputo is bij de relevante Mozambikaanse organisaties (het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Justitie en het Openbaar Ministerie) het belang onderstreept dat Nederland aan dit onderzoek hecht en de voortgang ervan zal nauwlettend worden gevolgd. Los daarvan is het niet aan Nederland om een internationaal onderzoek te gelasten naar gedragingen van Mozambikaanse legereenheden dan wel naar gerechtigheid voor eventuele slachtoffers daarvan op Mozambikaans grondgebied.
Bent u bekend met berichtgeving die een beeld schetst waarin commando’s, mede betaald door TotalEnergies, verantwoordelijk zijn voor martelingen en executies van burgers?3 Deelt u de mening dat het onacceptabel is als de Nederlandse staat, direct of indirect, steun heeft gegeven aan een project dat leidt tot het schenden van mensenrechten? Zo nee, waarom niet?
De berichtgeving in Politico over mogelijke mensenrechtenschendingen door het Mozambikaanse leger is aanleiding geweest voor het kabinet om een onafhankelijke partij om advies te vragen over de mensenrechtencontext van het project.5 De rollen van de verschillende veiligheidsactoren in de regio worden hierin meegenomen. Het advies zal worden meegewogen in de besluitvorming over de aanpassing van de financieringspolis.
In algemene zin kan ik bevestigen dat Nederland geen ekv verstrekt aan projecten waarbij sprake is van onacceptabele mensenrechtenrisico’s. Mensenrechten vormen dan ook een integraal onderdeel van het toetsingskader voorafgaand aan het verstrekken van een ekv.6 ADSB monitort vervolgens alle hoogrisicoprojecten gedurende de looptijd van de polis. Als uit deze monitoring onregelmatigheden blijken dan zal Nederland in eerste instantie altijd kiezen voor een dialoog met betrokkenen om verbeteringen te realiseren. Mocht hiermee niet het gewenste resultaat behaald worden dan kan dit in het uiterste geval gevolgen hebben voor het recht op schade-uitkering onder de polis of trekkingen onder de verzekerde lening.
Bent u het eens met de stelling dat zelfs als er sprake is van een verbetering rond het behandelen van inwoners van het gebied, een incident zoals in vraag 13 beschreven zwaar moet wegen in het wel of niet verstrekken van een exportkredietverzekering? Zo nee, waarom niet? Op welke manier gaat het kabinet toezien op de partijen die een exportkredietverzekering ontvangen, zodat zij niet betrokken zullen zijn bij projecten met risico op hetzelfde soort incidenten?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bekend met verschillende signalen van corruptie, direct of indirect gerelateerd aan het Mozambique LNG project?4 Hoe worden deze zorgwekkende berichten meegenomen in de herbeoordeling van het project?
De Nederlandse staat wenst onder geen beding betrokken te raken bij transacties waarbij op enige wijze corruptie heeft plaatsgevonden. Nederland heeft daarom een robuust anti-omkopingsbeleid dat in 2024 nog is aangescherpt.8 ADSB voert in het kader van de lopende (her)beoordeling van onderhavig project conform beleid een uitgebreide compliance analyse uit, waarin in alle relevante berichtgeving wordt meegewogen.
De uitvoering van een aantal aangenomen moties |
|
Folkert Idsinga (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het aannemen van en aantal moties van het lid Idsinga, die wel aangenomen zijn, maar nog niet uitgevoerd zijn? Bent u op hoogte van de volgende moties: Kamerstukken 32 545, 218, 32 545, 219, 31 477, 109 en 28 165, 453?
Ja.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 32 545, 218 betreffende een verbod op koppelverkoop, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
In mijn brief aan uw Kamer van 1 oktober 20241, heb ik, als onderdeel van mijn bredere opvolging van aanbevelingen van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) ten aanzien van de Nederlandse spaarmarkt, toegezegd onderzoek te laten doen naar een dergelijke maatregel. Dit onderzoek is een belangrijke stap in een mogelijk wetgevingsproces, om te beoordelen of deze maatregel doeltreffend en doelmatig is. Dit onderzoek is verricht door PwC en onlangs opgeleverd. Het onderzoeksrapport van PwC stuur ik met de beantwoording van deze vragen mee aan uw Kamer. PwC verwacht dat het verplicht aanbieden van een zelfstandige spaarrekening niet in het belang van de consument is. Dit staat in contrast met de aanbeveling van de ACM die ertoe strekt om deze verplichting in te voeren.
Gelet op deze tegenstrijdige conclusie vind ik het van belang om de bevindingen van PwC eerst zorgvuldig te bespreken met de ACM, voordat ik een besluit neem over de verdere opvolging hiervan. Dat doe ik in samenhang met mijn eerdere toezeggingen over de opvolging van de overige aanbevelingen van de ACM ten aanzien van de spaarmarkt. Hierdoor is een integrale afweging ten aanzien van het beleid voor de spaarmarkt mogelijk. Op basis hiervan zal ik uw Kamer dit najaar informeren over de verdere opvolging van de aanbevelingen van de ACM, alsmede over de opvolging van de moties van Idsinga c.s. over de spaarmarkt2. Hiermee wil ik ervoor zorgen dat uw Kamer een volledig en consistent beeld ontvangt van de inspanningen en voorgestelde beleidslijnen ten aanzien van de spaarmarkt.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 32 545, 219, betreffende directe regulering van de spaarrente, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Ik verricht momenteel een verkenning naar directe regulering van spaarrentes. Daarbij wordt gebruik gemaakt van analyses van De Nederlandsche Bank (DNB), de Europese Centrale Bank (ECB) en de Nationale Bank van België (NBB). Deze verkenning is deel van de bredere maatregelen ten aanzien van de spaarmarkt die ik met de ACM wil bespreken. Over deze verkenning, de uitkomsten hiervan en mijn uiteindelijke appreciatie informeer ik uw Kamer met de hiervoor genoemde brief.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 31 477, 109, betreffende achterblijvende spaarrentes die verhoogd moeten worden, het garanderen van een basisbetaalrekening en een (bijna) gratis bankrekening, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
Toegang tot een betaalrekening is onmisbaar voor consumenten en zakelijke klanten om deel te kunnen nemen aan de maatschappij. Voor consumenten bestaat er in Europese regelgeving al het recht op een basisbetaalrekening, voor zakelijke klanten bestaat dit recht nog niet. In mijn Visie op de financiële sector3 schreef ik dat ik mij inzet om de toegang tot het betalingsverkeer voor zakelijke klanten te verbeteren via twee sporen. Allereerst pleit ik in Europees verband voor een EU-breed recht op een zakelijke betaalrekening (onder andere via het recent gepubliceerde non-paper)4. Daarnaast heb ik op nationaal niveau banken en ondernemersorganisaties de opdracht gegeven dit jaar nog met voorstellen voor zelfregulering te komen. Banken en ondernemersorganisaties zijn met elkaar in gesprek om de toegang van zakelijke klanten tot een betaalrekening te verbeteren, bijvoorbeeld met de inrichting van een hulppunt voor zakelijke klanten die geen betaalrekening kunnen krijgen of behouden. Als Europese regelgeving en zelfregulering niet tot de gewenste resultaten leiden ga ik over tot maatregelen zoals een nationaal wettelijk recht op een zakelijke basisbetaalrekening. In het najaar zal ik uw Kamer hierover informeren over de stand van zaken in de voortgangsbrief over witwassen.
Om te zorgen dat consumenten een zo hoog mogelijke spaarrente ontvangen en zo laag mogelijke kosten betalen voor een bankrekening, zet ik in op goede randvoorwaarden zoals transparantie en concurrentie in de spaarmarkt. In de hiervoor genoemde brief zal ik uw Kamer informeren over de opvolging die ik geef aan de verschillende acties op dit gebied. Daarnaast hebben mijn ministerie en ik in diverse gesprekken met banken benadrukt dat passende spaarrentes belangrijk zijn, mede gelet op de zorgen in uw Kamer. Binnen het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB) is aandacht gevraagd voor de kosten van betaalrekeningen.
Waarom is de motie met Kamerstuknummer 28 165, 453, betreffende het staken van de voorbereiding van de privatisering van de Volksbank, nog niet uitgevoerd? Kunt u dit uitgebreid motiveren?
In mijn brief Voortgangsrapportage de Volksbank over 2024 van 8 juli 20255 ben ik ingegaan op de motie van de leden Idsinga (NSC) en Van der Lee (GroenLinks/PvdA) over het staken van de voorbereidingen van de privatisering van de Volksbank.6 In deze brief heb ik toegelicht dat in de overwegingen van de motie een relatie wordt gelegd tussen het besluit van het bestuur van ASN Bank tot de transformatie en de voorbereidingen voor een privatisering. Deze relatie die in de motie wordt verondersteld is niet juist. ASN Bank heeft aangegeven dat het transformatietraject noodzakelijk is voor het voortzetten van haar missie van een duurzame en toegankelijke bank. Dit staat volledig los van de voorbereidingen voor privatisering. In de Kamerbrief schreef ik dat noch NLFI noch ik betrokken zijn geweest bij dit operationele besluit. Op grond van maatregelen van de ACM mogen NLFI en de staat namelijk geen invloed uitoefenen op de commerciële strategie van de bank.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van deze moties? Wanneer kan de uitvoering verwacht worden? Kunt u deze moties zo spoedig mogelijk in uitvoering nemen? Zo nee, Waarom niet?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven werk ik op dit moment aan een brief, waarin ik uitgebreid in zal gaan op de moties van Idsinga c.s. ten aanzien van de spaarmarkt en de toezeggingen die ik in mijn brief van 1 oktober heb gedaan. Uit het rapport dat ik u met deze beantwoording toestuur, blijkt dat PwC op basis van haar onderzoek verwacht dat het verplicht aanbieden van een zelfstandige spaarrekening niet in het belang van de consument is. Dit staat in contrast met de aanbeveling van de ACM om deze verplichting in te voeren. Gelet op deze tegenstrijdige conclusie acht ik het van belang om de bevindingen van PwC zorgvuldig te wegen en mogelijke verdere acties eerst uitgebreid en in samenhang met de opvolging van de andere aanbevelingen te bespreken met de ACM, voordat ik hierover een besluit neem en dit in de genoemde brief aan uw Kamer voorleg.
In mijn Kamerbrief Voortgangsrapportage de Volksbank over 2024 ben ik al ingegaan op de motie van de leden Idsinga en Van der Lee (GroenLinks/PvdA) over het staken van de voorbereidingen van de privatisering van de Volksbank.
Kunt u deze vragen ruim voor het einde van het zomerreces beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.