Het bericht dat de IND in de zomer al beschikte over cijfers inzake gestapelde nareis |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «IND had in zomer al «incomplete cijfers» gestapelde nareis»?1
Ja.
Kunt u aangeven welke ambtenaren en welke directies bij zowel de IND als op het departement op de hoogte waren van het bestaan van de conceptnota van de IND van 2 augustus 2023 inzake de omvang van gestapelde gezinshereniging?
Wij verwijzen u naar de meegestuurde processchets van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de IND. Het delen van namen van ambtenaren en functies van ambtenaren past niet bij de ministeriële verantwoordelijkheid. De ambtenaren van het departement en uitvoeringsorganisaties zijn geen onderdeel van het politieke debat.
Kunt u aangeven welke ambtenaren en welke directies bij zowel de IND als op het departement op de hoogte waren van het feit dat er geen sprake kon zijn van duizenden gevallen nareis op nareis? Kunt u aangeven wanneer zij daarvan op de hoogte waren?
Zie antwoord vraag 2.
Was de secretaris-generaal van de IND op de hoogte van de conceptnota in de zomer van 2023? Zo ja, wanneer? Bent u hierover met hem in gesprek geweest of is er op enige manier met hem over gecommuniceerd al dan niet rechtstreeks?
Voor zover nu is vastgesteld, is de voormalig secretaris-generaal van Justitie en Veiligheid niet op de hoogte gesteld van de conceptnota in de zomer van 2023. Voor het overige verwijzen wij naar de processchets.
Is het mogelijk dat de informatie van de conceptnota op een andere wijze dan de gebruikelijke DigiJust-lijn met u is gedeeld, bijvoorbeeld mondeling, anders dan het genoemde stafoverleg op 8 januari 2024?
Op basis van de in de processchets weergegeven informatie komen wij tot de conclusie dat dat niet het geval is.
Heeft u op enig moment zelf uitvraag gedaan naar de omvang van gestapelde gezinshereniging? Zo ja, wanneer was dit en wat is er toen met u gedeeld?
Wist u voor het stafoverleg op 8 januari 2024 dat gestapelde gezinshereniging van minieme omvang was en niet in de buurt kwam van «duizenden»? Zo nee, hoe verklaart u dat u niet eerder heeft geïnformeerd naar of informatie heeft ontvangen over een vraagstuk dat politiek en maatschappelijk op zoveel aandacht kon rekenen?
Klopt het dat de uiteindelijke cijfers over de omvang van gestapelde gezinshereniging eind december 2023 beschikbaar waren? Zo ja, waarom zijn deze cijfers pas in februari 2024 gepubliceerd?
Herrinert u zich dat de IND in september 2022 in de media haar zorgen uitsprak over gestapelde nareis en aankondigde daar onderzoek naar te gaan doen? Welke informatie was tijdens de onderhandelingen tussen de toenmalige coalitiepartijen die uiteindelijk eindigden in de val van het kabinet bij de IND bekend?
Welke cijfers inzake gestapelde gezinshereniging waren op dat moment bekend bij het departement? Welke cijfers waren ten tijde van de bewindspersonenoverleggen bij u persoonlijk bekend? Hebben die cijfers ook de onderhandelingstafel bereikt, zo ja in welke vorm? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat in de nota ten behoeve van de bewindspersonenoverleggen tussen coalitiepartijen werd gesproken over «forse signalen» terwijl de IND naar eigen zeggen al bijna een jaar onderzoek deed en slechts enkele weken na de val van het kabinet op 2 augustus 2023 een conceptnota gereed was met hele andere cijfers waarbij geenszins sprake was van forse signalen?
Kunt u aangeven welk contact er is geweest tussen ambtenaren van het departement hetzij onderling, hetzij met de IND, hetzij binnen de IND in de periode na de val van het kabinet in relatie tot de cijfers met betrekking tot gestapelde nareis?
Wie heeft op welk moment besloten dat de cijfers uit de nota van 2 augustus 2023 nog teveel onzekerheden bevatten om doorgeleid te worden naar de Staatssecretaris?
Wie bij de IND en op het departement zijn op dat moment geïnformeerd geweest van het feit dat er cijfers van de IND waren, waarover besloten werd dat er nog teveel onzekerheden waren?
Was u persoonlijk op de hoogte van het feit dat de IND cijfers in de nota van 2 augustus 2023 had opgenomen, een nota waar later van werd besloten dat er nog teveel onzekerheden waren? Zo ja, wanneer wist u dit? Zo nee, in hoeverre was u beiden ook na de val van het kabinet nieuwsgierig naar de exacte cijfers en op welke wijze heeft u intern de opdracht gegeven die cijfers op te leveren?
Voor het antwoord op vraag 15 verwijzen wij naar de Kamerbrief van 7 juni jl. en de meegestuurde processchets.
In hoeverre ging het omconceptcijfers als het document van de IND een beantwoording is van persvragen, en daarmee dus destijds ook publiekelijk gemaakt hadden kunnen worden?
Wie heeft de opdracht gegeven tot nader onderzoek betreft de cijfers inzake gestapelde gezinshereniging? Wanneer is die opdracht, of zijn die opdrachten gegeven?
Kunt u uitgebreid toelichten waar de onzekerheden inzake de conceptcijfers waar de IND in de zomer van 2023 over beschikte uit bestonden en hoe groot de onzekerheden waren, aangezien de cijfers van de conceptnota en de cijfers die in februari gepubliceerd zijn grotendeels overeenkomen?
Wat is de reden dat de brief met nota van 2 augustus 2023 pas op de dag na de verkiezingen voor het Europees Parlement naar de Tweede Kamer is gestuurd terwijl het verzoek vanuit de kamer al dateerde van 27 februari 2024?
Naar aanleiding van het verzoek van 27 februari 2024 heeft op het kerndepartement en bij de IND een inventarisatie plaatsgevonden welke stukken onder de reikwijdte van het informatieverzoek vallen. Hieruit werd duidelijk dat enkel de conceptnota van de IND binnen de vraag en reikwijdte van het informatieverzoek viel en niet eerder als bijlage naar de Tweede Kamer was gestuurd bij de «aanbiedingsbrief stukken Bewindspersonenoverleggen migratie» van 10 juni 2023.2 Daarna heeft er op het kerndepartement en met de IND afstemming plaatsgevonden over de beslisnota en de brief aan de Tweede Kamer bij de reactie op het informatieverzoek.
Bestaan er nog andere stukken over de omvang van gestapelde gezinshereniging? Zo ja, kunt u die delen met de Kamer?
We hebben zorgvuldig naslag gedaan en de informatie daarvan is weergegeven in de meegestuurde processchets. Als er aanvullende informatie beschikbaar komt zal uw Kamer daar vanzelfsprekend over worden geïnformeerd.
Kunt u deze vragen uiterlijk op 17 juni 2024 beantwoorden?
Dit is helaas niet gelukt, wel versturen wij deze beantwoording voor het plenaire debat van donderdag 20 juni aanstaande.
Het artikel 'IND hield lage ‘nareis op nareis’-cijfers maandenlang achter' |
|
Caspar Veldkamp (NSC) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Eric van der Burg (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «IND hield lage «nareis op nareis»-cijfers maandenlang achter»?1
Ja.
Herinnert u zich de brief «Reactie op informatieverzoek van het lid Veldkamp (NSC) over wat over nareis op nareis in memo's stond» die u op 7 juni 2024 aan de Kamer zond?
Ja.
Herinnert u zich dat u in deze brief schreef: «Deze concept-nota heeft mij als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid noch de Minister van Justitie en Veiligheid via de gebruikelijke DigiJust-lijn bereikt.»?
Ja.
Heeft de concept-nota (in enige versie) of de inhoud van de concept-nota de Minister van Justitie en Veiligheid op enige wijze bereikt tussen juli 2023 en oktober 2023? Zo ja, welk deel van de inhoud, op welke datum en op welke wijze?
Op basis van de in de processchets weergeven informatie komen wij tot de conclusie dat dat niet het geval is.
Heeft de concept-nota (in enige versie) of de inhoud van de concept-nota de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op enige wijze bereikt tussen juli 2023 en oktober 2023? Zo ja, welk deel van de inhoud, op welke datum en op welke wijze?
Op basis van de in de processchets weergeven informatie komen wij tot de conclusie dat dat niet het geval is.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen een week beantwoorden?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat Mohammed Khatib van Samidoun op 10 juni 2024 komt spreken op de Radboud Universiteit?1
Ja.
Bent u bereid met uw Duitse collega’s in gesprek te gaan om te bezien wat er mogelijk is om Samidoun een halt toe te roepen vanwege het steun verlenen aan Hamas, het verspreiden van anti-Joodse propaganda, het bepleiten en uitlokken van geweld als middel om politieke belangen af te dwingen, het oproepen tot een wereldwijde studentenintifada en het verheerlijken van de terreur op 7 oktober 2023 jegens de staat Israël?2
Ja. In de beantwoording van de schriftelijke vragen over Samidoun van de leden Becker en Michon-Derkzen (beiden VVD)3 heeft de Minister van Justitie en Veiligheid toegezegd zo snel mogelijk in gesprek te gaan met Duitsland over hoe zij omgaan met Samidoun en soortgelijke organisaties, hoe wij van elkaar kunnen leren en waarin we samen op kunnen trekken. Vanzelfsprekend wordt uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten.
Bent u het met de stelling eens dat het totaal onwenselijk is dat een dergelijke uitgesproken antisemitische organisatie in Nederland actief kan zijn en zelfs kan spreken op een Nederlandse universiteit?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat er in onze open samenleving geen ruimte en tolerantie is voor antisemitisme, noch extremistische uitingen, zoals haat zaaien, opruiing en aanzetten tot geweld. Deze uitingen zijn ondermijnend aan de democratische rechtsorde en kunnen een bedreiging vormen voor de openbare orde en/of nationale veiligheid. Debat, dialoog en de vrijheid van meningsuiting zijn een groot goed en hebben bij uitstek een plek op universiteiten en hogescholen. Het mag daarbij schuren, zoals dat past in een (academische) omgeving waar men elkaar kritisch bevraagt, maar het mag nooit leiden tot onveiligheid.
Bent u van mening dat het ontoelaatbaar is dat docenten van Nederlandse universiteiten actief uitnodigingen verspreiden en stellen «verheugd» te zijn dat een lid van het in Duitsland verboden Samidoun openlijk (joden)haat komt verspreiden op een Nederlandse universiteit?3
In de samenleving is geen plaats voor uitingen zoals (joden)haat, opruiing of aanzetten tot geweld. Het is van belang dat Nederlandse universiteiten zich bewust zijn van de context waarin de georganiseerde lezingen plaatsvinden en dat zij goed geïnformeerd zijn over de sprekers alsook de achtergrond van de sprekers die hiervoor worden uitgenodigd. In algemene zin is de uitnodigende partij verantwoordelijk voor wie zij uitnodigen. Docenten hebben een voorbeeldfunctie en verantwoordelijkheid voor een veilige leeromgeving en leveren vanuit die rol een bijdrage aan vreedzaam debat en dialoog. Het past bij hun professionele rol om studenten te leren dat er in het debat ruimte is voor een diversiteit aan benaderingen en hoe je respectvol discussies kan voeren op basis van argumenten. Medewerkers van instellingen hebben ook het recht om te demonstreren, mits dit vreedzaam gebeurt. Tenslotte moeten studenten zich later in hun colleges ook veilig kunnen voelen.
Als het gaat om onprofessioneel of ongewenst gedrag van medewerkers bieden het personeelsbeleid en het arbeidsrecht een reeks mogelijkheden om op te treden. Afhankelijk van de ernst van het gedrag kan het gaan om een stevig gesprek, een berisping of zelfs ontslag. Bij strafbare feiten staat ook de weg van aangifte open.
Bent u bereid om Mohammed Khatib de toegang tot Nederland te ontzeggen op grond van de mogelijkheden die de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding biedt teneinde de nationale veiligheid te waarborgen? Kunt u hierbij de overwegingen van de Belgische Staatssecretaris meenemen in haar besluit om Khatib te bestempelen als «een extremistische haatprediker»?
Als iemand in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning hiervan kan de Minister van Justitie en Veiligheid op basis van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, vrijheidsbeperkende maatregelen opleggen, zoals een gebiedsverbod. Het is voor de mogelijkheid van toepassing van de wet van belang dat uit actuele informatie over gedragingen blijkt dat aan de norm van de wet wordt voldaan. Zoals u begrijpt kan ik niet ingaan op individuele casuïstiek. Deze wet biedt geen mogelijkheden om personen de toegang tot Nederland te ontzeggen.
Bent u bereid om in overleg met de Radboud Universiteit de bijeenkomst van Samidoun te beletten en in overleg met het Openbaar Ministerie te verkennen wat er nodig is om Samidoun in Nederland te verbieden? Wilt u hierbij ook ingaan op de aangenomen motie van Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 476, nr. 6) over zich er in Europees verband voor inspannen dat organisaties zoals Samidoun op de Europese lijst van terroristische organisaties worden geplaatst?
Het is niet aan het kabinet om een bijeenkomst te beletten. Bijeenkomsten op instellingen moeten plaatsvinden binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische standaarden en de huisregels en gedragscodes van de instelling. Het is aan de instelling om vooraf duidelijk aan te geven aan welke voorwaarden bijeenkomsten moeten voldoen en om ervoor te zorgen dat de naleving hiervan wordt gewaarborgd. Ik ga er vanuit dat de instelling dit doet en waar nodig daartoe in overleg treedt met de lokale driehoek om de veiligheid te waarborgen. Hierop ingrijpen zou een vergaande inbreuk zijn op de academische vrijheid.
De aangekondigde bijeenkomst voor 10 juni heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden. Door de organisatoren is besloten de bijeenkomst niet, zoals wel was toegestaan en ook oorspronkelijk het plan van de organisatoren was, buiten te laten plaatsvinden. De Radboud Universiteit heeft laten weten dat een eventueel nieuw verzoek voor een lezing of bijeenkomst door hen steeds wordt beoordeeld aan de hand van criteria die gelden voor het gebruik van ruimten binnen de universiteitsgebouwen van de universiteit. Zo mogen de activiteiten onder meer niet concurrerend of verstorend zijn voor het onderwijs of onderzoek, mogen deze niet botsen met uitgangspunten van inclusiviteit en wederzijds respect, moet er ruimte zijn voor verschillende perspectieven, mogen ze niet tot (psychologisch) onveilige situaties leiden, en zijn bijeenkomsten die oproepen tot wetsovertreding, geweld, discriminatie of die in strijd zijn met geldende wet- en regelgeving niet toegestaan. Universitaire gebouwen en de campus moeten voor alle studenten en medewerkers een veilige plaats zijn, zoals ook gesteld in de Gedragscode van de Radboud Universiteit5 en bevestigd in het recente sociale veiligheidsplan Prevent-Care-Cure6. Bij demonstraties wordt de veiligheid bij demonstraties geborgd door middel van het aanspreken van de organisatie op ordentelijk verloop en is er zo nodig extra beveiliging vanuit de Radboud Universiteit.
Het is aan het Openbaar Ministerie om te bezien of er redenen zijn waarom een organisatie verboden moet worden, niet aan het kabinet. Het Openbaar Ministerie kan de rechter verzoeken een organisatie te verbieden en ontbinden op grond van artikel 2:20 Burgerlijk Wetboek (of 10:122 Burgerlijk Wetboek voor internationale organisaties). Tevens houdt de Europese Unie (sanctie)lijsten bij van personen en organisaties die betrokken zijn bij terroristische activiteiten. Organisaties op de Europese sanctielijst zijn in Nederland van rechtswege verboden (artikel 2:20, vierde lid, Burgerlijk Wetboek). In Nederland kan de Minister van Buitenlandse Zaken, in overeenstemming met de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Financiën, besluiten om een persoon of organisatie voor te dragen voor de Europese lijst van terroristische organisaties. Hierbij wil ik benadrukken dat hiertoe gedegen aanleiding moet zijn alvorens wordt besloten om tot een dergelijk besluit over te gaan. In Nederland kan een voordracht voor de nationale sanctielijst terrorisme worden gedaan op basis van een ambtsbericht van de AIVD of een proces-verbaal van het Openbaar Ministerie. Daarnaast is er noodzaak tot een link met de nationale rechtsorde; er moet worden aangetoond dat er aanwijzingen bestaan dat een organisatie of persoon in of vanuit Nederland (een poging tot) terroristische activiteiten ontplooit of betrokken is bij het faciliteren daarvan middels financiële of handelstransacties via Nederlands grondgebied of personen of rechtspersonen. Op basis van bovenstaande criteria is Samidoun (tot op heden) niet voorgedragen voor deze sanctielijst. De motie Diederik van Dijk (SGP)7 verzoekt de regering zich in te spannen om organisaties als Samidoun op de Europese lijst van terroristische organisaties te plaatsen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zoekt uit wat de eventuele mogelijkheden hiervoor zijn en zal de Kamer hierover informeren.
Kunt u deze vragen vóór 10 juni 2024 beantwoorden?
Het is niet gelukt de beantwoording voor 10 juni naar de Kamer te verzenden.
Het bericht ‘Als de politie alle Amsterdamse taxi’s aan de kant zet, dan heb je de grootste drugsvangst ooit’ |
|
Harmen Krul (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Mark Harbers (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Als de politie alle Amsterdamse taxi’s aan de kant zet, dan heb je de grootste drugsvangst ooit»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat de Amsterdamse politie nauwelijks zicht heeft op wat voor criminele praktijken er soms in de taxiwereld plaatsvinden?
De stelling dat de Amsterdamse politie nauwelijks zicht heeft op criminele praktijken in de taxiwereld is onjuist. De politie is bekend met de signalen over betrokkenheid van (Amsterdamse) taxichauffeurs bij de activiteiten van georganiseerde drugscriminaliteit. Om meer zicht te krijgen op de criminele activiteiten worden er, naast diverse controles (zie antwoord op vraag 5), in Amsterdam diverse rechercheonderzoeken uitgevoerd naar malafide taxibedrijven waarbij vervoer en/of een andere faciliterende rol bij de handel in verdovende middelen een rol speelt. In het verlengde van de aanpak door de politie heeft de gemeente Amsterdam afspraken gemaakt over de kwaliteit van taxivervoer middels Toegelaten Taxi Ondernemingen. Door de samenwerking, kwaliteitseisen en toezicht is de criminaliteit binnen deze ondernemingen sterk verminderd.
Deelt u de mening dat het op zijn minst zorgwekkend is dat taxi’s kunnen dienen als dekmantel voor misdaad, en dat dit ook een aantasting is op de veiligheid van de passagiers en andere betrokkenen?
Georganiseerde criminaliteit komt op veel plekken in onze samenleving voor, zo ook in de taxibranche. Het is niet nieuw dat criminele netwerken voortdurend naar manier blijven zoeken om hun activiteiten voort te blijven zetten. Dat is zeer zorgwekkend en vormt, in het algemeen, inderdaad een dreiging voor de veiligheid van burgers.
Wat is volgens u de reden dat de taxiwereld nu gevaarlijker en crimineler is dan 25 jaar geleden?
Bureau Beke deed in 2021 een onderzoek naar criminaliteit in de taxibranche op verzoek van Regionale Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) Amsterdam Amstelland. Uit dit onderzoek bleek dat de taxibranche een kwetsbare branche is die vatbaar is voor criminaliteit en interessant is voor criminelen. Het is belangrijk om daarbij te vermelden dat het (on)bewuste aandeel van taxichauffeurs betrokken bij georganiseerde drugscriminaliteit destijds hoogstwaarschijnlijk relatief klein was. Hoe deze cijfers zich echter concreet verhouden tot de situatie van 25 jaar geleden, is lastig in te schatten. Daarom kunnen er geen gegronde uitspraken worden gedaan over of de taxiwereld crimineler zou zijn dan 25 jaar geleden.
Hoe vaak worden taxi-auto’s door de politie gecontroleerd op verboden middelen en verboden (drugs)handel?
Dagelijks worden door Toezicht en Handhaving Openbare Ruimte, een afdeling van de gemeente Amsterdam, en de politie gerichte en aselectieve controles uitgevoerd bij taxi’s. Maandelijks voert de politie samen met de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de gemeente Amsterdam een integrale controle uit op het taxivervoer. Minimaal vier keer per jaar worden er grootschalige controles uitgevoerd met als thema «Drugs uit taxi» waarbij zowel op vervoer als op gebruik door de taxichauffeur wordt gecontroleerd en eenmaal per kwartaal wordt een grootscheepse taxicontrole georganiseerd binnen de Eenheid Amsterdam.
Wat zijn precies de eisen om aan een taxivergunning te kunnen komen en hoeveel mensen komen hier jaarlijks voor in aanmerking? Wordt hierbij ook gekeken naar een eventueel strafblad?
Om als taxichauffeur te mogen werken, is een chauffeurskaart nodig. De eisen hiervoor zijn:
Taxichauffeurs mogen enkel werken in een als taxi goedgekeurd en geregistreerd voertuig met een boordcomputer en een blauw kenteken. Om als taxichauffeur te mogen werken, moet degene tevens aangesloten zijn bij een taxiondernemer met een ondernemersvergunning.
Bij het aanvragen van een VOG wordt onder andere gekeken naar een eventueel strafblad. Het afgelopen jaar kwamen rond de 3.500 personen in aanmerking voor een chauffeurskaart. In totaal zijn er op dit moment ruim 58 duizend personen met een chauffeurskaart.
Voor taxichauffeurs geldt dat zij doorlopend gescreend worden door Dienst Justis. Dit houdt in dat elke verandering in de justitiële documentatie van chauffeurs wordt doorgegeven aan Dienst Justis. Indien blijkt dat een chauffeur een overtreding heeft begaan die leidt tot het oordeel dat hij of zij niet langer in aanmerking komt voor een VOG, dan geeft Dienst Justis dit door aan de ILT. De ILT verzoekt de chauffeur dan een nieuwe VOG aan te leveren. Als een chauffeur dat niet doet, wordt de chauffeurskaart ingetrokken. De ILT kan chauffeurs ook verzoeken een nieuwe VOG aan te leveren naar aanleiding van een proces-verbaal door de politie.
Voor een ondernemersvergunning taxi gelden de volgende eisen:
Iedere vijf jaar wordt gecontroleerd of een taxiondernemer nog aan de geldende eisen voldoet. Er zijn momenteel ruim 14 duizend taxiondernemingen.
Hoeveel taxichauffeurs verliezen er jaarlijks hun vergunning door illegale praktijken, zoals het fungeren als drugskoeriers of meewerken aan drugshandel?
In 2023 zijn er 182 chauffeurskaarten ingetrokken. Dit is voor feiten als rijden onder invloed (alcohol of drugs), ernstige snelheidsovertredingen, het veroorzaken van een (dodelijk) ongeval of handel in drugs.
Welke maatregelen gaat u nemen om misstanden in de taxibranche als het gaat om criminaliteit zo snel en effectief mogelijk in de kiem te smoren?
In 2022 heeft mijn voorganger in de beantwoording van Kamervragen die Kamerlid Kathmann (GroenLinks-PvdA) had gesteld, mede namens de toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat benadrukt dat wordt ingezet op het voorkomen van de georganiseerde drugscriminaliteit in deze branche en welke maatregelen verder getroffen worden om de weerbaarheid van deze sector te vergroten.2
In overleg met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Regionale Informatie en Expertise Centrum Amsterdam-Amstelland zijn en worden gesprekken gevoerd over de mogelijkheden voor maatregelen toegespitst op de Amsterdamse problematiek.
Daarnaast zal ik met betrokken partners bezien in hoeverre deze branche mee kan als één van de geprioriteerde branches in een aanstaand project van Platform Veilig Ondernemen-Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland aangaande het weerbaar maken van branches. Dat project wordt momenteel nog opgezet en een selectie van branches moet nog worden gemaakt. Medewerking vanuit de branche, in dit geval de taxibranche, is daarvoor een vereiste. Dat moet nog worden verkend.
Bent u bereid om te onderzoeken of naast Amsterdam ook op andere plekken sprake is van criminaliteit in de taxisector?
De problematiek per regio heeft onze continue aandacht. Hierbij worden de behorende maatregelen getroffen. Daarom is er op dit moment geen aanleiding om een breed onderzoek te starten in andere steden.
Welke maatregelen heeft u genomen sinds het opzienbarende onderzoek «Taxi! Malafide activiteiten en (ondermijnende) criminaliteit in de Amsterdamse taxibranche» uit 2021?
Zie antwoord op vraag 8.
Kunt u reflecteren op de vraag hoe de genoemde criminaliteit samenhangt met de invoering en het functioneren met de Wet personenvervoer 2000?
Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de in het artikel genoemde criminaliteit samenhangt met de inwerkingtreding of het functioneren van de taxiwet- en regelgeving in de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000).
Met de inwerkingtreding van de Wp2000 is de taximarkt geliberaliseerd. Concreet betekent dit dat het decentrale capaciteitsbeleid is afgeschaft, wat inhoudt dat het aantal taxivergunningen per vervoersgebied niet langer is beperkt. De tweede verandering is dat ondernemers met de inwerkingtreding de mogelijkheid hebben gekregen om hun tarieven naar eigen inzicht vast te stellen. Op de opstapmarkt moeten deze wel onder het landelijk vastgesteld maximum blijven. Met de inwerkingtreding van de Wp2000 zijn dus het capaciteits- en tarievenbeleid gedereguleerd; de eisen om als taxichauffeur te mogen werken zijn met de inwerkingtreding van de Wp2000 niet versoepeld.
Het functioneren van de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 is afgelopen jaar geëvalueerd, over de uitkomsten is uw Kamer 11 maart jl. geïnformeerd.3 In de evaluatie wordt geconcludeerd dat de taxiwet- en regelgeving in de Wp2000 over het algemeen naar behoren werkt en dat het taxivervoer in Nederland over het algemeen veilig, betrouwbaar, beschikbaar, en betaalbaar is. Wel constateren de onderzoekers dat de effectiviteit van de reguleringsopties die gemeenten binnen de Wp2000 hebben door het toenemende gebruik van de platforms daalt en zijn er knelpunten in de handhaving (zie antwoord 12).
Zou u willen inventariseren welke wijzigingen van de Wet personenvervoer 2000 er mogelijk zijn om de in het nieuwsartikel genoemde ontwikkelingen tegen te gaan?
De Wp2000 is bedoeld om de kwaliteit van het taxivervoer in Nederland te borgen. Het tegengaan van criminaliteit in de sector vraagt dan ook een andere aanpak dan het wijzigen van de Wp2000 (zie het antwoord op vraag 8).
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verkent daarnaast de aankomende tijd aan de hand van het evaluatierapport verschillende beleidsopties om de kwaliteit van het taxivervoer verder te verbeteren, eventueel via een wijziging van de Wp2000. Hierbij worden naast het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ook de Ministeries van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betrokken. Samen met de ILT en andere handhavingspartijen wordt verkend hoe de handhaving verbeterd kan worden.
Israëlische spionage- en intimidatiecampagne tegen het Internationaal Strafhof |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Hugo de Jonge (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Revealed: Israeli spy chief «threatened» ICC prosecutor over war crimes inquiry» en «Spying, hacking and intimidation: Israel’s nine-year «war» on the ICC exposed» van The Guardian i.s.m. de Israëlische media +972 Magazine en Local Call, d.d. 28 mei 2024?1 2
Herkent u het beeld, op basis van informatie bekend bij uw ministeries en de Nederlandse inlichtingendiensten, dat Israël al jaren een spionage- en intimidatiecampagne voert tegen het Internationaal Strafhof en getuigen bij onderzoek naar oorlogsmisdaden begaan op Palestijns grondgebied? Zo nee, wat herkent u niet?
Hoe gaat Nederland als gastheer van het Internationaal Strafhof (ICC) bevorderen en waarborgen dat aanklager Khan en de rechters van het Hof, die zich momenteel buigen over de arrestatiebevelen tegen drie Hamas-kopstukken en de Israëlische premier Netanyahu en Minister van Defensie Gallant, onafhankelijk hun werk kunnen (blijven) doen, nu er bericht wordt dat Israël de afgelopen maanden ook volop bezig is geweest met het belemmeren van het ICC en intimidatie van aanklager Khan?
Gezien de nieuwsberichten waarin wordt gerefereerd aan een melding bij de Nederlandse autoriteiten door aanklager Bensouda nadat zij bij haar huis in Den Haag is opgezocht door twee mannen die vermoedelijk voor de Israëlische inlichtingendienst werken, hoeveel meldingen van pogingen tot intimidatie, omkoping, chantage en/of spionage door Israël of andere landen hebben de Nederlandse inlichtingendiensten dan wel politie ontvangen van het ICC, haar medewerkers, of (Palestijnse) ngo's en individuen die informatie aanleveren aan het ICC sinds 2015?
Is er op enig moment door Nederland een onderzoek ingesteld naar (vermeende) spionage- en intimidatieactiviteiten tegen het ICC? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat Nederland als gastheer van het ICC een bijzondere verantwoordelijkheid heeft voor de bescherming van de medewerkers van het ICC en personen die (willen) getuigen over oorlogsmisdaden? Zo ja, op welke manier draagt Nederland concreet bij aan deze bescherming?
Deelt u de mening dat de praktijken zoals beschreven in The Guardian onacceptabel zijn en een ernstige inbreuk vormen van art. 70 van het Statuut van Rome, waarin de onafhankelijke werking van het Hof gegarandeerd moet worden? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u naar de observatie dat Israël, op basis van via spionage verkregen getuigenissen bij het ICC, retroactief juridische onderzoeken start naar vermeende oorlogsmisdaden, zodat het ICC niet langer jurisdictie heeft om deze incidenten te betrekken bij haar onderzoek? Deelt u de mening dat dergelijke door Israël gestarte onderzoeken beogen om de onafhankelijke waarheidsvinding door het ICC en juridische aansprakelijkheid voor begane misdaden te ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u naar de beschuldigen van het hacken en aftappen van de aanklager en de medewerkers van het ICC door Israël in het licht van de eerder geuite waarschuwingen van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid over de «afhankelijkheid van buitenlandse apparatuur», vanwege het risico op zogenaamde «backdoors» in de Nederlandse infrastructuur? Kunt u garanderen dat deze risico’s zijn afgedekt? Zo ja, op welke manier?
Beschikt u over informatie dat mensen bang zijn om bij het ICC te getuigen ten aanzien van Israëlische oorlogsmisdaden? Wat kan en gaat Nederland als gastheer van het ICC doen om getuigen in de uitoefening van hun recht om te getuigen te beschermen?
Hoe kijkt u nu terug op het besluit van de Israëlische regering Netanyahu om in oktober 2021 zes Palestijnse mensenrechten ngo's, waaronder Al-Haq, die zich bezighouden met de monitoring en rapportage van Israëlische misdaden in bezet Palestijns gebied, als «terreurorganisaties» te bestempelen?
Hoe kijkt u in het licht van de alarmerende bevindingen van The Guardian naar de aantijgingen van Israël tegen UNRWA, die Israël ook heeft geuit zonder tot op heden serieus en betrouwbaar bewijs te presenteren?
Gaat u naar aanleiding van de bevindingen van The Guardian in overleg met het Internationaal Strafhof om als gastland de onafhankelijkheid en het functioneren van het Hof en de veiligheid van zijn medewerkers te waarborgen en bevorderen?
Gaat u de Israëlische ambassadeur ontbieden, om opheldering vragen en signaleren dat spionage- en intimidatiecampagnes op Nederlands grondgebied volkomen onacceptabel zijn?
Heeft u aanwijzingen dat medewerkers van de Israëlische ambassade betrokken zijn bij spionage- en intimidatiecampagnes tegen het ICC? Zo ja, bent u bereid hen het land uit te zetten? Zo nee, kunt u uitleggen hoe de intimidatie van het ICC in ernst verschilt van de poging in 2018 van Rusland om het kantoor van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OPCW) in Den Haag te hacken?
Welke andere vervolgacties bent u op basis van de alarmerende bevindingen van The Guardian bereid te nemen en op welke termijn?
Kunt u de vragen elk afzonderlijk beantwoorden binnen twee weken?
Extreemrechtse memes |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Grappig, maar gevaarlijk: NCTV wil maatschappij wapenen tegen extreemrechtse «meme»»1?
Ja.
Deelt u de mening dat dit soort memes veel impact kunnen hebben op de samenleving en in het bijzonder op jongeren en hun gedachtenontwikkeling?
Memes zijn een belangrijk online communicatiemiddel voor extreemrechts2 en worden op diverse manieren en met verschillende functies ingezet. De stelselmatige verspreiding van extreemrechtse memes draagt bij aan de normalisering en sociale acceptatie van een onverdraagzaam gedachtegoed, leidt tot (online) groeps- en identiteitsvorming binnen een radicale subcultuur en biedt mogelijk inspiratie voor geweld of ander extremistisch handelen. Zo kan de normalisering van extremistisch gedachtegoed leiden tot racisme, uitsluiting en discriminatie van minderheden en andersdenkenden. Memes kunnen daarnaast bijdragen tot niet-gewelddadige extremistische acties als haatzaaien, angst verspreiden, doelbewust desinformatie verspreiden, demoniseren en intimideren, verwerpen van wet- en regelgeving, en pogingen om een parallelle samenleving tot stand te brengen waarbij het gezag van de Nederlandse overheid en het rechtssysteem worden afgewezen. Dit zijn ongewenste ontwikkelingen die de sociale cohesie aantasten en de democratische rechtsorde en daarmee ook de nationale veiligheid op termijn kunnen ondermijnen.
Via memes kan extremistisch gedachtegoed op een laagdrempelige manier verspreid worden richting jongeren. Zo bereiken aanhangers van extreemrechts vooral jongeren in het online domein, die in de eerste instantie niet ontvankelijk zijn voor ingewikkelde ideologische extremistische theorieën. Omdat memes de extreemrechtse boodschap – zoals antidemocratische, racistische en onverdraagzame uitingen – juist op een zogenaamd humoristische en subtiele manier verpakken, bestaat het risico dat jongeren op deze manier toch geïnteresseerd raken in het extreemrechtse gedachtegoed. Op deze manier kunnen jongeren van grotere sociale media platformen en gamefora gelokt worden naar alternatieve en besloten platformen, waar veel explicietere rechts-extremistische ideeën worden gedeeld, waaronder kwaadaardige complottheorieën, geweldsfantasieën, antisemitisme en boodschappen die aanzetten tot haat.
Hoe gaat u de samenleving en in het bijzonder jongeren weerbaarder maken tegen extreemrechtse memes waarvan de inhoud vergaande radicalisering en extremisme of zelfs terrorisme beoogt en verheerlijkt2?
Het kabinet is van mening dat er in onze democratische rechtsorde absoluut geen plaats is voor rechts-extremistische uitingen of opvattingen. Het is zorgelijk en kwalijk dat extreemrechts gedachtegoed onder andere via memes breed verspreid wordt en een aantrekkingskracht uitoefent op met name kwetsbare, jonge mannen, niet zelden minderjarig. Het kabinet is er alles aan gelegen om jongeren hiertegen te beschermen en weerbaar te maken, niet alleen vanwege de dreiging van extremistisch en/of terroristisch geweld maar ook voor de kansen en toekomst van deze jongeren. Dit vergt een aanpak van twee kanten; het vergroten van de (online) weerbaarheid van jongeren en, het tegengaan van de online verspreiding van deze extremistische en soms zelfs terroristische content. Het is binnen onze democratie een grondrecht om een open discussie te voeren, waarin mensen hun mening vrij kunnen uiten. Maar dat betekent niet dat er in onze democratische rechtsorde plaats is voor rechts-extremistische uitingen.
Het is allereerst belangrijk om bewustzijn te creëren voor online content die wellicht onschuldig lijkt, maar dat zeker niet is. Daarom is het van belang om de mediawijsheid en digitale weerbaarheid van met name jongeren te versterken. Het vergroten van digitale weerbaarheid gebeurt nu vooral via diverse cursussen en programma’s gericht op jongeren. Er wordt ingezet op het verhogen van mediawijsheid ten aanzien van online bronnen, het herkennen van extremistische boodschappen, en middels de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.4 Zo is er het lesprogramma «Under Pressure» dat zich richt op het vergroten van weerbaarheid tegen desinformatie en het vergroten van democratisch burgerschap onder jongeren om zo de voedingsbodem voor polarisatie en radicalisering te verminderen.5 De inzet op het vergroten van digitale weerbaarheid via (lokale) interventies en het ondersteunen van professionals en gemeenten wordt de komende jaren verder versterkt. Daarnaast wordt de adequate inzet van de versterkingsgelden die gemeenten kunnen aanvragen voor de aanpak van radicalisering, extremisme en terrorisme benut om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Zo maken diverse gemeenten reeds gebruik van online (weerbaarheids)cursussen en projecten die hiervoor aandacht vragen.
Ook het tegengaan van de online verspreiding van extremistische en terroristische content heeft prioriteit. In de beantwoording van de vragen 7, 8 en 9 ga ik hier verder op in.
Wat zijn de huidige mogelijkheden om te handhaven op extremistische memes of memes die oproepen tot geweld? Op welke vlakken schieten het strafrecht of mogelijkheden tot online contentbeheer tekort?
Het kabinet werkt aan een Versterkte Aanpak Online (VAO) inzake extremistische en terroristische content. De contourenbrief hierover is op 12 december 2023 naar uw Kamer is gestuurd.6 Eén van de prioriteiten binnen deze Versterkte Aanpak Online is het tegengaan van zogenoemde borderline («legal yet harmful») content waartoe memes vaak kunnen worden gerekend. De uitwerking van de Versterkte Aanpak Online inzake extremistische en terroristische content kunt u na de zomer 2024 verwachten.
Indien er wel sprake is van online terroristisch materiaal, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) verwijderingsbevelen sturen op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud7 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud.8 Aanbieders van hostingdiensten zijn verplicht om specifiek materiaal op aanwijzing van de ATKM binnen een uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Memes die niet in strijd zijn met de Verordening Terroristische Online Inhoud kunnen niet door de ATKM worden verwijderd (zie ook de beantwoording van vragen 7, 8 en 9).
Wanneer er sprake is van memes die strafbare feiten of strafbare uitlatingen bevatten, zoals bedreiging, is strafrechtelijke opsporing van de personen achter (anonieme) accounts mogelijk. Het is aan het Openbaar Ministerie om dit te beoordelen.
Zie ook het antwoord op vraag 7.
Is er voldoende kennis en capaciteit bij de politie om dit soort memes te herkennen? Zo nee, welke acties worden of kunnen worden ondernomen om die kennis bij de politie te doen toenemen? Is hier tijdens de opleiding aandacht voor? Zo nee, wordt dit in de toekomst wel opgenomen in het curriculum?
In de opleidingen bij de politie is er aandacht voor actuele ontwikkelingen op het gebied van extreemrechts, waaronder rechts-extremisme en rechtsterrorisme. In het kader van de aanpak contraterrorisme, extremisme en radicalisering heeft de politie samen met de NCTV een digitale symbolenbank ingericht. Deze symbolenbank is beschikbaar voor politieagenten en helpt bij het herkennen van rechts-extremistische verschijningsvormen, waaronder memes. Binnen de politie is er thans voldoende expertise aanwezig om dit soort memes te herkennen en om de organisatie hierover breed te kunnen adviseren.
Ziet u mogelijkheden om jongerenwerkers in te zetten om jongeren hier online op aan te spreken of voor te behoeden? Welke best practices bestaan al in het lokale veld?
Jongerenwerkers zijn onmisbare professionals om preventieve maatregelen ten aanzien van (online) extremisme uit te voeren. Zo werken diverse gemeenten reeds met online jongerenwerkers die via sociale mediaplatformen in contact staan met jongeren en hen zo ondersteunen. Bij zorgelijk online gedrag, zoals ondermijning, georganiseerde criminaliteit, radicalisering en extremisme, kunnen jongerenwerkers daarover in gesprek gaan met jongeren en zo nodig interveniëren. Het is van belang dat personen die een voorbeeldfunctie bekleden – zo ook jongerenwerkers – zich bewust zijn van dit soort memes en zich actief uitspreken tegen extremistische uitingen om de normalisering hiervan tegen te gaan.
Daarnaast worden er in samenwerking met gemeenten en professionals door het Rijk handelingsperspectieven opgesteld om hen te ondersteunen bij het versterken van digitale weerbaarheid in preventie van o.a. extremisme. Ook wordt er naar manieren gekeken om jongeren zelf te betrekken bij het versterken van de digitale weerbaarheid. Verder werkt het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een overzicht van interventies gericht op preventie van radicalisering, waarbij specifiek aandacht wordt gegeven aan interventies in het online domein. Aanvullend, zoals benoemd in de beantwoording van vraag 3, ondersteunt de NCTV gemeenten via de versterkingsgelden om meer bewustzijn te creëren over de online aspecten van extremisme en terrorisme. Uiteraard zullen eventuele nieuwe online interventies getoetst worden aan alle relevante wettelijke en juridische kaders waaronder die met betrekking tot de privacy.
De komende jaren zal er bijzondere aandacht uitgaan naar het integreren van het online domein in de lokale aanpak van radicalisering en extremisme. Daarom blijven de Ministeries van Justitie en Veiligheid en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overleg met gemeenten en (jeugd)professionals, om het delen van best practices te stimuleren en faciliteren, de ervaren knelpunten verder te onderzoeken, effectieve methoden voor een lokale (preventieve) aanpak van online extremisme en terroristische activiteiten verder te ontwikkelen en waar mogelijk uit te breiden.
Hoe kijkt u aan tegen de rol van platforms in contentmoderatie van extremistische content, met name de berichten-applicaties (WhatsApp, Telegram, Signal), Alt-tech of alternatieve platformen (Gab, Parler, Bitchute, Minds, RocketChat) en rechts-extremistische en terroristische websites, fora en online netwerken?
Ik deel de zorgen ten aanzien van de verspreiding van extremistische online content op platforms en berichtendiensten. De mate waarin deze diensten content (kunnen) modereren verschilt aanzienlijk. Bij sommigen is (stevige) verbetering nodig. Dit geldt met name ten aanzien van alternatieve platformen zoals door het lid Mutluer genoemd, waar contentmoderatie in veel gevallen vrijwel geheel afwezig is. Hierdoor kan extremistische content veelvuldig voorkomen.
Daar waar sprake is van memes die terroristische online content bevatten, kan de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) op basis van de Verordening Terroristische Online Inhoud9 en de Uitvoeringswet Terroristische Online Inhoud10 hostingbedrijven en platformen verplichten deze content binnen één uur te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Ook heeft de ATKM de bevoegdheid om boetes te versturen naar aanbieders van hostingdiensten indien zij een verwijderingsbevel niet opvolgen. Deze boete kan oplopen tot 4% van de jaarlijkse omzet van de betreffende hosting provider.
De mate waarin sociale media bedrijven zich inspannen om de verspreiding van terroristische online inhoud te beperken is onderdeel van de dialoog met de internetsector, die ik in het kader van de eerdergenoemde Versterkte Aanpak Online ben gestart over deze thema’s. Tijdens deze gesprekken heb ik mijn zorgen over de verspreiding van extremistische online content geuit en de platforms aangesproken op hun rol in het veilig houden van hun online omgeving. De inzet blijft gericht op een structurele dialoog met de internetsector over specifiek deze onderwerpen.
Heeft u deze platforms aangesproken op hun rol? Zo ja, hoe verliepen deze gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit te doen? Welke rol hebben de providers hier volgens u in?
Zie antwoord vraag 7.
Welke rol ziet u voor de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) bij het aanspreken van platforms die dit soort memes toestaan en bij het laten verwijderen van dit soort content, mede in het licht van de Verordening terroristische online-inhoud?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe beziet u het spanningsveld tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en het gevaar van extreemrechtse memes (met name de groep extremistische memes) anderzijds? Hoe wordt hierin onderscheid gemaakt tussen extremisme, terrorisme en activisme?
In de fenomeenanalyse van de NCTV wordt een meme gedefinieerd als een idee, uiting of mening gevat in tekst of in visueel materiaal zoals een foto, video of gif-bestand al dan niet voorzien van tekst of geluid, die online wordt gekopieerd en verspreid. Het gaat dus om (een onderdeel van) uitingen van personen, die in beginsel beschermd worden door de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting is een kernwaarde van de democratie. Zij kan slechts worden beperkt op grond van een wettelijke bepaling en wanneer die beperking een gerechtvaardigd doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Voorbeelden van dat soort beperkingen zijn er voor onder meer kinderpornografie, terroristische inhoud en haatzaaien, die allen strafbaar zijn gesteld.11 Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen uitingen in de fysieke wereld en online content: dat wat strafbaar en onrechtmatig is in de fysieke wereld is dat ook online. Om ontoelaatbare beperkingen van de vrijheid van meningsuiting te voorkomen is het beleid voor dit soort memes primair gericht op het verhogen van bewustwording, kennis en weerbaarheid.
In algemene zin geldt dat in een democratische rechtsorde personen te allen tijde binnen de grenzen van de wet hun grondrechten moeten kunnen uitoefenen. In de praktijk kan dit leiden tot een botsing van grondrechten, waarbij de uitoefening van een grondrecht door de ene persoon of groep leidt tot een botsing met een grondrecht van een andere persoon of groep. Grondrechten zijn echter niet absoluut. In de Grondwet en in verdragen zoals het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens is vastgelegd dat grondrechten onder voorwaarden kunnen worden beperkt voor een zwaarwegender doel in het kader van het algemeen belang. Vanuit het oogpunt van algemeen belang is er wetgeving met daarin beperkingen van het recht van vrijheid van meningsuiting, zoals het antidiscriminatieverbod of het verbod tot haatzaaien of opruiing. Daarnaast is soms voor deze botsing van grondrechten een contextuele rechtsstatelijke toets (door de rechter) nodig om te bepalen welke grondrecht in het specifieke geval voorrang heeft ten opzichte van andere grondrechten. Het is uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of bepaalde uitingen al dan niet worden beschermd door het recht op de vrijheid van meningsuiting of andere grondrechten.
Daarbij hecht ik eraan te benadrukken dat extremisme niet in het verlengde van activisme ligt, maar wezenlijk iets anders is. Men dient ervoor te waken om een directe causale lijn te zien waarbij uitgegaan wordt dat maatschappelijke onrust en allerlei vormen van activisme uiteindelijk tot extremisme zouden kunnen leiden. De doelen die extremisten nastreven en/of de middelen zijn inherent antidemocratisch of ondemocratisch. Bij activisten is dit niet het geval. Om te bepalen of iets extremistisch is, worden deze gedragingen nooit geïsoleerd bezien, maar altijd binnen de context van een ideologisch motief en gepaard gaande met geweld of stelselmatige en doelbewuste gedragingen die de democratische rechtsorde ondermijnen. Voor een uitgebreidere toelichting op extremisme, het onderscheid met activisme en terrorisme, verwijs ik u naar de onlangs verschenen Nationale Extremismestrategie 2024–2029.12
Wat zijn naar aanleiding van de fenomeenanalyse van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) de volgende stappen die u op dit onderwerp gaat nemen?
De conclusies uit de fenomeenanalyse zullen betrokken worden bij de verdere uitwerking van de Versterkte Aanpak Online en de uitvoering van de Nationale Extremismestrategie 2024–2029.13 Deze strategie schetst een overzicht en de kaders voor de beleidsinzet op extremisme, waaronder ook de inzet op weerbaarheid.
Bent u bereid te onderzoeken of een publiekscampagne over extreemrechtse memes eraan kan bijdragen dat burgers de beeldtaal en symboliek van memes beter leren herkennen, waarin nadrukkelijk wordt gepoogd om de groep jongeren te bereiken die door extreemrechtse memes geïnteresseerd raken in het gedachtegoed en daardoor mogelijk radicaliseren?
Een van de doelen van de publieke fenomeenanalyse naar het gebruik van memes door extreemrechts is het informeren van burgers over de gevaren omtrent extreemrechtse memes. Hierbij is het vooral zaak om bewustzijn te creëren dat sommige memes niet zo onschuldig zijn als ze lijken. Via het netwerk van de NCTV worden met de analyse professionals bereikt die met jongeren werken. Daarnaast neemt de NCTV in gesprekken met zijn communicatiepartners mee wat de toegevoegde waarde kan zijn van een jongerencampagne aanvullend op de bestaande communicatie inzet.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat over terrorisme/extremisme op 20 juni a.s.?
Ja.
Het bericht ‘Universiteit: anderhalf miljoen euro schade na studentenprotesten’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Franc Weerwind (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Universiteit: anderhalf miljoen euro schade na studentenprotesten»?1
Voor een antwoord hierop verwijs ik u naar bijlage 2 van het Eerste Halfjaarbericht politie 2023, waarin ik inga op deze motie.9 In aanvulling hierop merk ik op dat ik samen met de Minister van Binnenlandse Zaken recent aankondigde de mogelijkheden voor een versteviging van het handelingsperspectief en voor de bestendigheid van het wettelijke kader bij protestacties te laten onderzoeken.10
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat relschoppers tijdens deze demonstraties vernielingenaanrichten, schade veroorzaken en geweld gebruiken tegen hulpverleners?
Die mening deel ik zeker. De protestacties gingen gepaard met volstrekt onacceptabel en strafbaar gedrag. Demonstraties dienen vreedzaam te zijn en te verlopen conform de geldende wet- en regelgeving. Daar was zeker niet op elk moment sprake van.
Wat is de totale omvang van de schade aan de verschillende universiteitsgebouwen die de afgelopen tijd te maken hebben gehad met rellen en demonstraties?
De schade van de protesten verschilt per universiteit. De Universiteit van Amsterdam heeft op haar website laten weten dat het schadebedrag van de protesten op 7 en 8 mei wordt geschat op anderhalf miljoen euro.2 Hierbij is de latere ontstane schade op een andere locatie van de Universiteit van Amsterdam nog niet meegerekend. De Erasmus Universiteit schat dat de kosten voor de vernielingen boven de 100.000 euro uitkomen.3 De Universiteit Utrecht geeft op haar website aan dat de schade door de bezittingen beperkt is gebleven.4 De koepelorganisatie van Universiteiten heeft mij laten weten dat de totale omvang van de schade op alle universiteiten op dit moment nog niet in te schatten is, omdat deze uiteen valt in verschillende elementen. Zo zijn er vanwege het bekladden of het vernielen van inboedel (personeels)kosten gemaakt voor bijvoorbeeld het weghalen van verf of het herstellen van sloten.
Hoeveel demonstranten zijn er aangehouden door de politie naar aanleiding van de rellen bij de universiteitenen hoeveel van de aangehouden demonstranten worden of zijn door het Openbaar Ministerie vervolgd?
Het is niet mogelijk om betrouwbare landelijke cijfers te geven van het aantal aangehouden of vervolgde personen naar aanleiding van de rellen bij de universiteiten. Bij de politie en het OM wordt geregistreerd op delict, zoals brandstichting, mishandeling, vernieling, bedreiging, huisvredebreuk en niet op een label zoals universiteitsprotest. De gedragingen bij de universiteiten kunnen vanwege verschillende omstandigheden van het geval onder verschillende delictsomschrijvingen worden geregistreerd. Hierdoor kunnen de politie en het OM niet geautomatiseerd en nauwkeurig de gevraagde landelijke aantallen aanleveren.
Er zijn wel cijfers beschikbaar over het aantal aangehouden en vervolgde personen naar aanleiding van de studentenprotesten in Amsterdam. De burgemeester van Amsterdam heeft bij brief van 10 mei 2024 namens de driehoek de gemeenteraad van Amsterdam geïnformeerd over onder andere het aantal aanhoudingen door de politie: op 6 mei zijn er 164 personen aangehouden en op 7 en 8 mei zijn er 36 mensen aangehouden.5 Het OM heeft mij op 3 juni 2024 laten weten dat er op dat moment in totaal 22 verdachten waren voorgeleid bij de rechter-commissaris en dat er nog onderzoeken liepen naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens deze demonstraties.
Is het snelrecht ingezet bij relschoppers die de wet hebben overtreden tijdens de demonstraties en zo ja, in hoeveel gevallen?
Het OM heeft mij laten weten dat het waar mogelijk overweegt om snelrecht in te zetten in zaken die voortkomen uit de protesten bij universiteiten. In een aantal van deze zaken heeft het OM reeds snelrecht ingezet. Het inzetten van snelrecht is in dit type zaken niet altijd mogelijk. In het geval van snelrecht komt een verdachte binnen 17 dagen voor de rechter voor een vergrijp. In sommige van de zaken die voortkomen uit de protesten bij universiteit neemt aanvullend onderzoek door de politie of onderbouwing van een vordering tot schadevergoeding door een slachtoffer meer tijd in beslag.
Klopt het dat van verschillende verwijderde demonstranten geen gegevens zijn genoteerd door de politie en zo ja, waarom niet?
Het klopt dat niet altijd van alle verwijderde demonstranten gegevens kunnen worden genoteerd. Het noteren van gegevens kost tijd en capaciteit en het lokale gezag kan de keuze maken om – bijvoorbeeld in gevallen waarin sprake is van relatief minder zware feiten – de capaciteit anders in te zetten.
Op welke manier(en) kan de schade worden verhaald op individuele relschoppers, zodat de universiteiten er niet zelf voor op te hoeven draaien?
Schade kan op verschillende manieren worden verhaald. In de eerste plaats kan mogelijk een beroep worden gedaan op verzekeraars indien de betreffende universiteiten een polis hebben afgesloten. Verzekeraars kunnen vervolgens een civiele procedure starten om zo te proberen het door hen uitgekeerde bedrag te verhalen op de dader via het zogenaamde regresrecht.
Een vordering tot schadevergoeding kan ook tussen veroorzaker en gedupeerde onderling worden afgehandeld. Een civielrechtelijke procedure kan worden gestart als partijen er onderling niet uitkomen. Als de dader strafrechtelijk wordt vervolgd, kan een benadeelde partij zich met zijn schade voegen in het strafproces. De strafrechter beslist dan over de ingediende schadevordering.
Voorwaarde voor het verhalen van schade is in alle gevallen dat duidelijk is wie welke schade heeft aangebracht.
Kunnen deze personen hoofdelijk aansprakelijk gesteld worden via een civielrechtelijke procedure, zodat zij zelf de schade moeten vergoeden?
Als meerdere personen verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor toegebrachte schade, kan iedere deelnemer van die groep voor de hele schade aansprakelijk worden gesteld.
Welke maatregelen gaat u nemen om het verhalen van schade bij individuele relschoppers beter vorm te geven, om te voorkomen dat net zoals bij de coronarellen veel schade na lange tijd nog steeds niet is vergoed?
Naar aanleiding van de motie van de leden Van Nispen en Knops voor de oprichting van een landelijk fonds waarin veroordeelden geld zouden moeten storten ter vergoeding van schade aan gedupeerden, ben ik bezig met een verkenning naar de mogelijkheden.6 Zie hierover bijlage 2 van het Eerste Halfjaarbericht politie 2023.7
Staat het delen van (persoons)gegevens in de weg om een relschopper civielrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen van veroorzaakte schade tijdens wanordelijkheden?
Voorwaarde voor het kunnen verhalen van schade op de dader, is dat de dader bekend is. Ik heb geen signalen dat het delen van (persoons)gegevens in de weg staat aan aansprakelijkstelling. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, kan een benadeelde partij zich voegen in het strafproces om schade te verhalen als de dader strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is een eenvoudige en laagdrempelige procedure. Een partij kan er ook voor kiezen om schade te verhalen via de civiele rechter. Zowel voor de politie als het OM is er een wettelijke grondslag om onder omstandigheden over te gaan tot het delen van beperkte informatie met derden buiten de strafrechtketen ten behoeve van deze civiele procedure.8
Welke concrete acties heeft de regering ondernomen om de pakkans van daders bij rellen te vergroten, in lijn met de aangenomen motie-Knops/Michon-Derkzen uit 2022 (Kamerstuk 29 628, nr. 1148)?
Kunt u bovenstaande vragen beantwoorden vóór het commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen op 18 juni 2024?
De Kamervragen zijn helaas niet binnen de gebruikelijke termijn beantwoord, doordat het ophalen van alle benodigde informatie lang duurde. Ik heb mijn best gedaan om de Kamervragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De bijschrijfplicht in de horeca |
|
Ingrid Michon (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
Maarten van Ooijen (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat op basis van de Alcoholwet horecaondernemingen nog altijd verplicht zijn elke dagleidinggevende bij te schrijven op de vergunning?
Ja, dat klopt.
Het lid Bolkestein (VVD) heeft een amendement1 ingediend met als doel om de verplichting tot het bijschrijven van dagleidinggevenden op het aanhangsel bij de horecavergunning te schrappen: waarom is aan dit amendement nog geen uitvoering gegeven?
Met de wijziging van het Alcoholbesluit in verband met de bijschrijfplicht van dagleidinggevenden heeft het kabinet wel degelijk uitvoering gegeven aan het amendement van het lid Bolkestein. De verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden in slijterijen is per 1 april 2024 vervallen. Dagleidinggevenden van horecabedrijven zijn als categorie aangewezen, waardoor de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden van horecabedrijven in stand is gehouden. Hiermee is, zoals de Staatssecretaris van VWS in de brief van 2 december 20222 reeds heeft aangekondigd, gebruik gemaakt van de ruimte die het amendement biedt om categorieën aan te wijzen waarvoor de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden in stand blijft. Op die manier is uitvoering gegeven aan het amendement.
De verplichte bijschrijving zorgt ervoor dat gemeenten een zedelijkheids- en een levensgedragstoets uit kunnen voeren – waarin naast het strafrechtelijk verleden, ook op andere aspecten beoordeeld wordt of een persoon van onbesproken levensgedrag is – om openbare ordeproblemen te voorkomen. Ook zorgt de bijschrijving ervoor dat – indien nodig – een Bibob-toets uitgevoerd kan worden om te voorkomen dat gemeenten criminele activiteiten faciliteren.
Kunt u een stand van zaken geven van de motie-Heerema (VVD)2?
Op dit moment ben ik samen met de Staatssecretaris van VWS in gesprek met gemeenten en met Koninklijke Horeca Nederland (KHN) over de administratieve lasten van de bijschrijfplicht. Wij streven ernaar uw Kamer voor de zomer nader te informeren over de uitwerking van de motie.
Hoeveel bijschrijvingen vinden er in Nederland plaats?
In de toelichting bij het amendement van het lid Bolkestein4 wordt aangegeven dat KHN toen (2020) het aantal bijschrijvingen schatte op 60.000 per jaar, gebaseerd op een schatting van 30.000 horecaondernemingen die gemiddeld twee keer per jaar bijschrijven.
Het is echter niet precies bekend hoeveel bijschrijvingen er totaal plaatsvinden in Nederland. Dit wordt niet bijgehouden. Een bijschrijving wordt aangevraagd bij de gemeente die de vergunning heeft verleend.
Klopt het dat een persoon minimaal 21 jaar moet zijn om bijgeschreven te kunnen worden? Is het niet zo dat een afgestudeerd mbo’er op zijn 19e reeds bij een kleinere horecagelegenheid een leidinggevende functie kan hebben? In hoeverre vindt u leeftijd een relevant criterium?
Een leidinggevende van een horeca- of slijtersbedrijf moet, zoals bepaald in artikel 8, eerste lid, van de Alcoholwet, de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Een leidinggevende heeft op bepaalde momenten de dagelijkse leiding over een horeca- of slijtersbedrijf en is dan verantwoordelijk voor verantwoorde alcoholverstrekking en het bewaken van orde in de zaak. Openbare orde- problemen (overmatig drank- en drugsgebruik, (geluids-)overlast en geweld) spelen vooral in het nachtleven een grote rol in en rondom horecaondernemingen. Het is daarom van belang dat een leidinggevende deze verantwoordelijkheid kan dragen. In het algemeen wordt aangenomen dat dit van personen van 21 jaar en ouder verwacht mag worden.
Is u bekend in hoeverre de sociale hygiëne in de praktijk (dus aan de bars en in andere horecaetablissementen) verbeterd is sinds de bijschrijfplicht van kracht is? Zo ja, kunt u daar cijfers over delen?
Het in stand houden van de bijschriftplicht heeft niet het primaire doel om de sociale hygiëne in de praktijk te verbeteren en wordt daarmee als zodanig niet gemeten. Zoals is toegelicht bij de wijziging van het Alcoholbesluit in verband met de verplichte bijschrijving van dagleidinggevenden5 heeft het in stand houden van de verplichte bijschrijving het primaire doel om op voorhand te kunnen controleren wie de ondernemer(s), bedrijfsleider en dagleidinggevenden in een horeca- of slijtersbedrijf zijn. De verplichte bijschrijving zorgt er in eerste instantie voor dat getoetst kan worden of alle leidinggevenden van een horeca- of slijtersbedrijf niet van slecht levensgedrag zijn. Hiervoor worden een zedelijkheids- en een levensgedragstoets uitgevoerd, waarin naast het strafrechtelijk verleden, ook op andere aspecten beoordeeld wordt of een persoon van onbesproken levensgedrag is.
Hoe beoordeelt u het risico van dagleidinggevenden in de horeca? Wat is de inhoudelijke noodzaak om deze groep bij te schrijven op de vergunning en dus aan de Bibob-toets te onderwerpen?
Uit de Alcoholwet vloeit voort dat een bestuursorgaan zicht moet hebben op degenen die een horecaonderneming exploiteren of daar dagelijks leiding aan geven. In het Alcoholbesluit zijn eisen omtrent het (zedelijk) gedrag van deze exploitanten en dagleidinggevenden opgenomen. Zij hebben immers veel invloed op de gang van zaken in en rondom de horecaonderneming en een bijzondere verantwoordelijkheid in verband met (het toezicht op) de verstrekking van alcohol. Op basis van die eisen voeren gemeenten zedelijkheid- en slecht levensgedrag-onderzoeken naar de exploitant en de dagleidinggevende(n) uit en kunnen zij een vergunningaanvraag of de wijziging van (het aanhangsel van) een vergunning weigeren.
De verplichte bijschrijving is – naast de onderzoeken op grond van de Alcoholwet – ook van belang voor de toepassing van de Wet Bibob. De horeca is een kwetsbare branche voor criminele activiteiten en valt daarom binnen het toepassingsbereik van deze wet.6
Op grond van de Wet Bibob hebben bestuursorganen de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de betrokkene7 en derden uit de zakelijke omgeving van de betrokkene. Wanneer uit dat onderzoek naar voren komt dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning misbruikt wordt voor criminele activiteiten, kan het bestuursorgaan een vergunningaanvraag weigeren of een al verleende vergunning intrekken. Dagleidinggevenden in een horecaonderneming kunnen deel uitmaken van de zakelijke omgeving van de betrokkene. Alleen door de dagleidinggevenden te laten bijschrijven op de vergunning krijgen bestuursorganen inzicht in de identiteit van de dagleidinggevenden en de feitelijke zeggenschapsverhoudingen rondom de vergunningaanvrager. Zo wordt het risico op het gebruik van versluieringsconstructies (c.q. stromanconstructies) zo klein mogelijk gehouden.
Hoe vaak is een vergunning ingetrokken door een negatief Bibob-advies na een bijschrijving c.q. wijziging van een dagleidinggevende?
Er wordt niet bijgehouden hoe vaak een vergunning op grond van de Wet Bibob wordt ingetrokken door bestuursorganen naar aanleiding van een (wijziging van een) dagleidinggevende. Mede afhankelijk van het eigen onderzoek van een bestuursorgaan of het advies van het LBB kan een aangevraagde bijschrijving worden geweigerd. Dat hoeft niet (direct) tot intrekking van de vergunning te leiden.
Is het mogelijk om bij algemene plaatselijke verordening de verplichting om dagleidinggevenden in de horecasector te screenen, op te nemen, zodat er differentiatie/maatwerk ontstaat en gemeenten expliciet kunnen besluiten of screening van dagleidinggevenden nodig is? Zo nee, waarom niet?
Naast de Alcoholwetvergunning kunnen bestuursorganen ervoor kiezen om een exploitatievergunning te vereisen voor het exploiteren van een horecazaak en daarmee is er dus al sprake van maatwerk. Wanneer zo’n vergunning vereist is en onder welke voorwaarden deze wordt afgegeven, bepaalt het bestuursorgaan zelf. Dit volgt uit lokale regels, voortvloeiend uit de algemene plaatselijke verordening. Ook de exploitatievergunning vereist nu vaak het bijschrijven van de dagleidinggevende(n), zodat inzichtelijk is wie er betrokkenheid heeft bij de exploitatie van de onderneming. Of vervolgens een integriteitstoets in de vorm van de slecht levensgedrag-toets of de Bibob-toets wordt gedaan is afhankelijk van de regels en de inzichten van het bestuursorgaan zelf. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij de aanvraag van de vergunning en/of indien vraagtekens bestaan rondom de integriteit van de dagleidinggevende.
Is het mogelijk om een VOG-verplichting of andere extra screeningsverplichting op te leggen in plaats van een Bibob-toets?
Een werkgever kan van zijn medewerkers momenteel al een VOG verlangen, maar een VOG is niet verplicht voor leidinggevenden in de horeca. Een dergelijke VOG-verplichting vergt een wetswijziging.
Bij een VOG-aanvraag voor leidinggevenden in de horeca wordt, anders dan bij een Bibob-toets, enkel onderzoek gedaan naar het justitiële verleden van de desbetreffende persoon, waarbij het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, wordt afgewogen tegen het belang van de aanvrager. Met een Bibob-toets wordt de achtergrond van bedrijven en personen met wie zij zakendoen, gescreend. Daarbij kunnen meer bronnen worden gebruikt dan bij een VOG-screening, waarmee het een volledig beeld geeft over het risico dat een vergunning wordt misbruikt voor criminele doeleinden. De integriteit van de overheid wordt zo beschermd. Een Bibob-toets is daarom qua omvang en doel van screening niet één-op-één te vervangen door een VOG-verplichting voor leidinggevenden in de horeca.
Andere screeningsmogelijkheden bestaan in de vorm van de zedelijkheid- en slecht levensgedrag-toetsen die kunnen worden ingezet bij het verstrekken van een vergunning op basis van de Alcoholwet. Ook bij het verstrekken van een exploitatievergunning kan een bestuursorgaan een slecht levensgedrag-toets doen. De slecht levensgedrag-toets houdt in dat leidinggevenden van horecabedrijven niet «in enig opzicht van slecht levensgedrag» mogen zijn. Zo wordt onder meer de veiligheid en de openbare orde gewaarborgd. Door het doen van de minder ingrijpende slecht levensgedrag-toets kan de zwaardere Bibob-toets in een groot deel van de gevallen buiten beschouwing blijven.
Is het mogelijk voor een gemeente om te differentiëren in de kosten voor een Bibob-aanvraag, bijvoorbeeld voor de aanvraag van een nieuwe vergunning versus de wijziging op een bestaande vergunning? Zo ja, welke gemeente hanteert een gedifferentieerd tarief? Zo nee, waarom niet?
Het is een bestuursorgaan niet toegestaan om de kosten van een Bibob-onderzoek door te belasten aan de persoon of de onderneming die de vergunningaanvraag doet. Een Bibob-toets wordt namelijk uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.8 Een vergunningaanvrager betaalt enkel de leges voor de vergunning zelf. Een bestuursorgaan heeft de eigen bevoegdheid om deze leges te heffen en neemt in een legesverordening op voor welke activiteiten welke leges in rekening worden gebracht. Het gaat hierbij namelijk om hun eigen taken die moeten worden bekostigd. Zij zijn daarbij vrij om te bepalen welke leges worden geheven, wat de hoogte is van de gehanteerde tarieven en hoe de kosten worden toegerekend, waarbij het enkel kan gaan om kostendekkendheid. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld de aanvraag van een vergunning en de bijschrijving van een dagleidinggevende.
Klopt het dat een aantal gemeenten heeft aangegeven met extra eigen maatregelen te komen indien de verplichte bijschrijving voor horecaondernemingen vervalt? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen dit zijn? Nemen deze de regeldruk en extra kosten voor ondernemers volgens u weg?
Ja, dat klopt. Gemeenten hebben de Staatssecretaris van VWS nadrukkelijk verzocht de verplichte bijschrijving in stand te houden. Het is van belang om op voorhand te kunnen controleren wie de dagleidinggevenden van een horecaonderneming zijn. Dit is onder andere een belangrijk instrument voor gemeenten om openbare ordeproblemen te voorkomen. Als de verplichte bijschrijving op het aanhangsel bij de Alcoholwetvergunning komt te vervallen, zouden gemeenten er bijvoorbeeld voor kunnen kiezen om de bijschrijving op de exploitatievergunning te verplichten, zodat inzichtelijk blijft wie als dagleidinggevende van een onderneming fungeert. In dat geval blijven de extra kosten in stand en zal de regeldruk voor horecaondernemers ook niet afnemen.
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Staatssecretaris: begrip voor uitstel concerten Israëlische groep» en «Driehoek wist niets van het besluit over afgelasting Israëlisch kwartet: «Beslissing was al gevallen»»1, 2?
Ja.
Welke afspraken zijn gemaakt tussen het kabinet en de culturele sector om ervoor te zorgen dat artiesten ongeacht hun afkomst veilig hun werk kunnen doen?
Afgesproken is dat het uitgangspunt is en blijft dat activiteiten altijd moeten doorgaan en dat ondersteuning van de veiligheidsdriehoek kan worden ingeroepen waar nodig. Afgesproken is dat we een algemene handreiking maken, naast een set van sectorale protocollen.
Hoe verhouden de hierboven genoemde afspraken zich tot het besluit van Het Concertgebouw om de concerten van het Jerusalem Quartet af te gelasten?
Ik constateer dat het niet gelukt is om de concerten onder de huidige omstandigheden te laten doorgaan. Dat wordt zeer betreurd zoals ook is aangegeven in de antwoorden op de vragen van het lid Ceder.
Hoe beoordeelt u het feit dat Het Concertgebouw de driehoek niet betrokken heeft bij de totstandkoming van het besluit, terwijl deze had willen en kunnen helpen?
Er is contact gelegd vanuit Het Concertgebouw met partners binnen de driehoek. Het Concertgebouw heeft echter zelf de beslissing genomen om dit concert af te gelasten voordat er een advies vanuit de driehoek was gegeven. Ik betreur de keuze dat niet eerst is gewacht op advies van de driehoek alvorens dit besluit is genomen.
Waarom heeft de Staatssecretaris van OCW laten weten begrip te hebben voor het besluit van Het Concertgebouw en deelt u onze zorg dat dit de deur opent naar nog meer «zelfstandige afwegingen» in de culturele sector om culturele activiteiten af te zeggen vanwege de achtergrond van artiesten en de dreiging door een groep activisten?
Nee, deze zorg wordt niet gedeeld. De omstandigheden in Amsterdam in de afgelopen weken zijn uitzonderlijk geweest, met meerdere demonstraties waarbij sprake is geweest van onveilige situaties. Bij het plannen van dit concert is daar geen rekening mee gehouden. De directie van Het Concertgebouw heeft moeten vaststellen dat de veiligheid in het gebouw in deze omstandigheden en op deze termijn niet gegarandeerd kan worden. In het licht van deze veiligheidsoverweging heb ik begrip getoond voor de keuze van Het Concertgebouw. Daarbij moet helder zijn dat dit een uitzondering is en dat bezien moet worden of en hoe de concerten alsnog kunnen doorgaan op een andere datum. Op basis van de gesprekken met de sector is het beeld dat de culturele sector zich heel goed bewust is van het belang van zijn rol en verantwoordelijkheid. Het besluit van Het Concertgebouw zie ik als een uitzondering. Het Concertgebouw heeft inmiddels ook aangegeven dat er naar een nieuwe datum voor het concert wordt gezocht.
Hoe verhoudt het besluit van Het Concertgebouw zich tot de uitspraken van de Minister-President na het Catshuisoverleg dat het duidelijker uitdragen van de normen nodig is bij de aanpak van antisemitisme?
Het gaat hier om een op grond van veiligheidsoverwegingen genomen besluit door Het Concertgebouw, dat vergelijkbaar is met het besluit van de UvA om de gebouwen twee dagen te sluiten. Als de veiligheid van het personeel en het publiek niet gegarandeerd kan worden is dit besluit onvermijdelijk. Het duidelijker uitdragen van normen staat hier los van. Het tegengaan van antisemitisme is iets wat ons allemaal aangaat.
Welke aanvullende afspraken zijn gemaakt na het gesprek in het Catshuis over bestrijden van het antisemitisme?
In het Catshuis is een goed en inhoudelijk gesprek gevoerd. Het doel van dit gesprek was voor de culturele sector niet om aanvullende afspraken te maken, maar om een constructieve dialoog te voeren over de bestrijding van antisemitisme, gezamenlijk de ernst van het probleem vast te stellen, en ervaringen en inzichten uit diverse sectoren te verzamelen, en van gedachten te wisselen over mogelijke aanvullende intenties en maatregelen tegen antisemitisme. Zoals ik in de eerdere antwoorden aan het lid Ceder heb beschreven is uitvoerig gesproken over de waarde van meerstemmigheid en het belang dat culturele instellingen een veilige ruimte faciliteren, voor iedereen. Dit vraagt «moed en steun». Moed vanuit de gehele samenleving. Vanuit de culturele sector is ook benadrukt dat zij deze rol wil spelen. De vrijheid van expressie is essentieel en mag niet onder druk komen.
Welk tijdpad is er voor de culturele sector om uitvoering te geven aan de gemaakte afspraken en worden de uitkomsten gedeeld met de Tweede Kamer?
Kunsten’92 werkt zoals afgesproken aan een algemene handreiking. Hierover is ook gesproken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een bestuurlijk overleg staat gepland. Ik verwacht dat op afzienbare termijn een handreiking tot stand komt. De uitkomsten worden gedeeld met de Tweede Kamer.
Hoe verhouden de gemaakte afspraken met de cultuursector zich tot de uitspraken van de Staatssecretaris over het besluit van Het Concertgebouw?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u zo spoedig mogelijk in overleg met de culturele sector en de lokale driehoek ervoor zorgen dat artiesten ongeacht hun afkomst veilig in Nederland kunnen optreden en in het bijzonder ervoor zorgen dat de geplande concerten van het Jerusalem Quartet doorgang kunnen vinden?
Als aangegeven bij het antwoord op vraag 8 is het bestuurlijk overleg reeds ingepland.
Kunt u deze vragen uiterlijk donderdag 16 mei 2024 beantwoorden?
ja
Het bericht ‘Yesilgöz haalt uit naar Tim Hofman na X-bericht over ME’ |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Christine Teunissen (PvdD), Marieke Koekkoek (D66), Mikal Tseggai (PvdA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de volgende publicaties ten aanzien van uw ongepaste uithaal richting journalist en programmamaker Tim Hofman: «Yeşilgöz haalt uit naar Tim Hofman na X-bericht over ME», «Tim Hofman houdt Minister Yeşilgöz verantwoordelijk voor «horde aan intimidaties»», en «Valt Yeşilgöz de persvrijheid aan? Haar collega Gräper vindt van wel»?1
Ik heb kennisgenomen van de publicaties.
Bent u het ermee eens dat uw uiting op X en de bijkomende negatieve gevolgen voor journalisten, de persvrijheid en Hofman haaks staan op uw eerdere uitingen omtrent persvrijheid en veiligheid en de berichtgeving daarover op de overheidswebsite Persvrijheid bewaken | Media en publieke omroep | rijksoverheid.nl?2 Zo niet, waarom niet?
Bent u zich ervan bewust dat uw bericht op X en soortgelijke berichten vanuit uw positie de veiligheid van individuele journalisten, journalisten in het algemeen en de persvrijheid negatief kunnen beïnvloeden en kunt u daarop reflecteren?
Bent u het ermee eens dat de uitingen in uw bericht op X niet passen bij uw rol als Minister van Justitie en Veiligheid en dat deze uitingen het vertrouwen in uw rol schaden?
Zo niet, kunt u toelichten waarom niet? En kunt u daarbij in het bijzonder ingaan op de scheiding der machten, uw rol als Minister van Justitie en Veiligheid en de mogelijke chilling effects van uw bericht?
Bent u van mening dat Hofman andere vragen had moeten stellen, zoals u zelf in uw bericht stelt? Zo ja, bent u van mening dat u daarover gaat? Zo niet, waarom doet u deze suggestie dan?
Bent u van oordeel dat de vrije media geen legitieme instanties zijn waar mensen zich zouden moeten kunnen melden in het geval zij te maken krijgen met excessief politiegeweld of andere vormen van geweld en onrechtmatig handelen vanuit de overheid?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een Minister die ook verantwoordelijk is voor de veiligheid van journalisten, de veiligheid van hen ondermijnt?
Hoe denkt u over de reactie van Hofman en anderen dat uw bericht een horde aan intimidaties legitimeerde, en kunt u daarbij ingaan op de concrete bedreigingen die Hofman als gevolg van uw bericht heeft ontvangen?3
Kunt u ingaan op het commentaar dat u ontving van uw collega Gräper, de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die stelde dat journalisten vrij hun werk moeten doen, te weten: «Persvrijheid is een groot goed. Journalisten moeten vrij hun werk kunnen doen en alle vragen kunnen stellen die zij willen. Ik zal daar altijd voor opkomen»?4
Deelt u de oproep van de Nederlandse Vereniging van Journalisten dat u zich terughoudend moet opstellen en persvrijheid niet in de weg moet zitten? Zo niet, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit in de toekomst doen en bent u bereid uw uitingen terug te nemen?5
Het afgelasten van concerten van het Jerusalem Quartet |
|
Don Ceder (CU) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Gräper-van Koolwijk |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat Het Concertgebouw ervoor gekozen heeft om de concerten van het Jerusalem Quartet op 16 en 18 mei 2024 af te gelasten, met als reden de veiligheid van de medewerkers, bezoekers en musici?
Ja, hiervan heb ik kennis genomen.
Deelt u de mening dat hiermee de vrijheid van expressie van deze artiesten in het geding gekomen is?
Ja. Ik wil benadrukken dat dit een zeer onwenselijke situatie is. Ik betreur de annulering van het concert van dit Israëlische ensemble dan ook zeer. Afgelopen maandag (13 mei) is tijdens de Catshuissessie door o.a. afgevaardigden vanuit de culturele sector en leden van het kabinet uitvoerig gesproken over de waarde van
meerstemmigheid en het belang dat culturele instellingen een veilige ruimte faciliteren, voor iedereen. Dit vraagt «moed en steun». Moed vanuit de gehele samenleving. Vanuit de sector is ook benadrukt dat de culturele sector deze rol wil spelen. De vrijheid van expressie is essentieel en mag niet onder druk komen te staan.
Hoe verhoudt deze aankondiging zich tot het gesprek wat u had met de culturele sector waarin deze heeft benadrukt «dat een voorstel of concert of andere culturele activiteit niet geannuleerd wordt vanwege een Joods thema of de Joodse achtergrond van artiesten,» zoals u schreef in antwoord op eerdere Kamervragen?1
Mijn uitspraak van toen geldt nog steeds: het mag niet zo zijn dat een voorstelling of concert of andere culturele activiteit geannuleerd wordt vanwege een Joods thema of de Joodse achtergrond van artiesten. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt uiteindelijk bij culturele instellingen; zij zijn zelf verantwoordelijk voor hun programmering en voor de veiligheid van de medewerkers en het publiek. Het Concertgebouw geeft aan dat zij bij het concert van het Jerusalem Quartet de veiligheid in het gebouw niet kunnen garanderen in verband met de aangekondigde demonstraties. De protesten die de afgelopen weken in Amsterdam hebben plaatsgevonden zijn daarbij een belangrijke factor geweest. Ik heb begrip voor dit besluit. Het besluit van Het Concertgebouw is niet alleen een incident in de culturele sector, maar raakt aan een breder maatschappelijk vraagstuk met een gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid. We moeten er met elkaar alles aan doen om te verzekeren dat de dreiging van geweld en intimidatie niet loont.
Is er contact geweest tussen u en Het Concertgebouw in de aanloop naar dit besluit, mede in het licht van het voorgaande?
Nee.
Is er contact geweest tussen Het Concertgebouw en de driehoek van Amsterdam bij de totstandkoming van dit besluit? Ziet de driehoek ook noodzaak om de concerten af te gelasten?
Er was contact gelegd vanuit Het Concertgebouw met partners binnen de driehoek. Het Concertgebouw heeft echter zelf de beslissing genomen om dit concert af te gelasten, voordat er een advies vanuit de driehoek was gegeven.
Op welke manier kunt u zich inzetten om ervoor te zorgen dat de concerten alsnog doorgang kunnen vinden?
Ik heb begrepen dat Het Concertgebouw bezig is vervangende data te vinden om de concerten alsnog te laten plaatsvinden.
Kunt u toezeggen om opnieuw in gesprek te gaan met de culturele sector om te voorkomen dat er in de toekomst meer culturele activiteiten zullen worden geannuleerd?
Ja. Er is direct na het naar buiten komen van dit besluit contact geweest met Het Concertgebouw en Kunsten ’92. De komende tijd zal ik aan de hand van deze casus met de sector verkennen hoe we kunnen voorkomen dat zich opnieuw een situatie voordoet waarin een organisatie zich genoodzaakt ziet een activiteit te annuleren vanwege dreiging.
Kunt u deze vragen uiterlijk woensdag 15 mei 2024 beantwoorden, aangezien het eerste concert gepland was op 16 mei aanstaande?
Helaas is het door de benodigde afstemming niet gelukt om de vragen binnen één dag te beantwoorden. De vragen zijn voorafgaand aan het eerste geplande concert op 16 mei aan u verstuurd.
Het bericht ‘Collega’s noodlottig gestorven agent vol onbegrip: ‘Waarom mag Robert-Jan niet op politie-monument?’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Collega’s noodlottig gestorven agent vol onbegrip: «Waarom mag Robert-Jan niet op politie-monument?»»?1
Ja.
Is het juist dat een onderdeel van de doelstelling van het nationaal politiemoment Tuin van Bezinning als volgt luidt: het bevorderen en voortbestaan van een traditie van respect voor de offers die politiemensen hebben gebracht?
Ten behoeve van de beantwoording van deze en de volgende vragen heeft de korpschef mij geïnformeerd over de statuten en het reglement van de stichting de Tuin van Bezinning. De korpschef heeft mij tevens geïnformeerd over de verzoeken tot voordracht en de besluiten die het bestuur van de stichting heeft genomen aangaande de casuïstiek die u aanhaalt. Het klopt dat deze formulering een onderdeel is van de doelstelling van de stichting, zoals in de statuten geformuleerd.
Klopt het dat genoemde agent is omgekomen tijdens een teambuildingsdag waaraan de deelname vanuit de politie verplicht is gesteld?
In het verzoek van de (voormalig) korpschef, waarover hij mij heeft geïnformeerd, wordt gesproken over een door de werkgever georganiseerde bindingsactiviteit, waaraan deelname niet vrijwillig was. In de motivering van het besluit spreekt het bestuur van de Tuin van Bezinning inderdaad over een «verplichte bindingsactiviteit».
Zo ja, is dat niet te kwalificeren als een offer die de betreffende agent heeft gebracht? En, zo nee, waarom niet?
Het staat buiten kijf dat het noodlottige ongeval als gevolg waarvan de heer Hartman is overleden een tragische gebeurtenis is, die nog altijd een grote impact heeft. Het bestuur heeft zich in zijn besluitvorming gebaseerd op de doelstelling van de stichting en de uitwerking daarvan in het reglement. Voor hen stond centraal «[...] het eren en herdenken van politiemensen die «in the line of duty» om het leven zijn gekomen dan wel als direct gevolg van deelname aan verplichte en voor de functie noodzakelijke vaardigheidstrainingen of oefeningen, die gericht zijn op de daadwerkelijke uitoefening van de wettelijke politietaak en daarmee nadrukkelijk oog te hebben voor de risico’s die de uitoefening van het operationele politiewerk met zich meebrengt».
Het bestuur is van oordeel dat dat de heer Hartman niet «in the line of duty» is omgekomen en daarom niet wordt opgenomen in de Tuin van Bezinning. Op basis van het reglement kan het bestuur dat besluit onafhankelijk nemen. Noch de korpschef, noch ik als Minister, kan deze besluitvorming beïnvloeden. Ik heb begrepen dat de huidige korpschef ziet dat het besluit om de naam van de heer Hartman niet op te nemen in de Tuin van Bezinning na al die tijd nog steeds zorgt voor veel emoties en verdeeldheid en daarom opnieuw met het bestuur van de stichting en andere betrokkenen in gesprek gaan over het besluit van het bestuur, en dat zij samen zoeken naar een passende en gedragen oplossing.
En in geval van een positief antwoord op de voorgaande vraag: is het besluit van het bestuur dan niet in strijd met de onder vraag 2 genoemde doelstelling?
Zie antwoord vraag 4.
En eveneens in dat geval: waarom wordt het verzoek van de nabestaanden van de omgekomen undercoveragent van de voormalige afdeling Werken onder Dekmantel van de Landelijke Eenheid om zijn naam op het monument te plaatsen, afgewezen? Heeft hij geen offer gebracht?
Het overlijden van een collega is, ongeacht de omstandigheden, voor nabestaanden en collega’s altijd buitengewoon verdrietig. Met elkaar herdenken we alle omgekomen collega’s, op verschillende manieren. In het reglement van de Tuin van Bezinning is bepaald dat een medewerker niet in aanmerking komt voor opname in de Tuin indien deze is gestorven door een zelfgekozen dood. Op 25 mei 2024 is door de korpschef een monument geopend speciaal bedoeld voor collega’s die door suïcide om het leven zijn gekomen. De totstandkoming van dat monument was een nadrukkelijke wens van nabestaanden van door een zelfgekozen dood omgekomen politiemedewerkers.
De voormalige korpschef heeft het bestuur officieel verzocht de naam van de omgekomen agent wel op te nemen op het monument, welk verzoek u heeft ondersteund: wat was de reden waarom het bestuur deze beide toch zwaarwegende verzoeken heeft afgewezen?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom is er gekozen voor een onafhankelijk bestuur van de Tuin van Bezinning terwijl het monument door de politie is opgericht en de politie een publieke organisatie is?
De keuze voor een onafhankelijk bestuur is vastgelegd in het reglement van de stichting, dat voortvloeit uit de statuten. Zoals opgenomen in de statuten en het reglement van de stichting, is de Tuin van Bezinning ondergebracht bij een stichting, een onafhankelijke organisatie met een statutaire doelstelling. Het bestuur is verantwoordelijk voor, en bevoegd tot het nemen van besluiten die leiden tot het al dan niet opnemen van medewerkers in de Tuin van Bezinning. In dat opzicht is het bestuur onafhankelijk. Daarvoor is welbewust gekozen door de korpschef en het bestuur bij de totstandkoming van de statuten en het reglement van de stichting.
Zij weten zich daarbij, gesteund door de korpsleiding in het standpunt, dat er strikte criteria moeten gelden voor de beoordeling of een medewerkers in de Tuin van Bezinning mag worden bijgeschreven. De criteria zelf zijn tot stand gekomen in overleg met de korpschef.
Voor bovenstaande werkwijze, die vast is gelegd in het reglement, is bewust gekozen bij de totstandkoming van de statuten en het reglement, juist omdat het proces van opname een delicaat proces is. Vanwege de emoties die komen kijken bij een voordracht voor opname in de Tuin van Bezinning wordt er waarde gehecht aan een transparante en onafhankelijke beoordeling, die in lijn blijft met de doelstellingen van de stichting.
Klopt het dat het monument wordt gefinancierd vanuit de begroting van Justitie en Veiligheid?
Op basis van de statuten van de stichting kunnen zij worden gefinancierd middels (1) externe fondsen, (2) subsidies en donaties, (3) schenkingen, erfstellingen en legaten en (4) alle andere verkrijgingen en baten. De stichting wordt op dit moment alleen gefinancierd vanuit de politiebegroting. De politie wordt op haar beurt gefinancierd vanuit de begroting het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Zo ja, waarom kan een onafhankelijk bestuur dan een door u ondersteund officieel verzoek naast zich neerleggen?
Zie antwoord vraag 8.
En, zo ja, bent u het er dan niet mee eens dat het bestuur niet onafhankelijk mag zijn, nu het wordt gefinancierd door belastinggeld waarvoor u aan de Tweede Kamer verantwoording aflegt?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat meerdere bestuursleden tevens deel uitmaken van de korpsstaf van de politie en dus ook worden aangestuurd door de directeur korpsstaf?
Het bestuur handelt onafhankelijk. Namens de politie wordt de relatie met het bestuur onderhouden vanuit de afdeling protocol. Om die reden is de chef van de afdeling protocol lid van het bestuur. De chef van de afdeling protocol valt onder de Directeur Korpsstaf.
Ook alle andere bestuursleden zijn direct of indirect verbonden aan de politieorganisatie met allemaal verschillende achtergronden:
De bestuursleden worden conform de statuten benoemd door de korpschef op voordracht van het bestuur. De voorzitter wordt door de korpschef voor zijn functie benoemd.
En, zo ja, hoe kwalificeert u dan de definitie «onafhankelijk»?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor de jaarlijkse herdenkingscermonie die op donderdag 13 juni aanstaande zal plaatsvinden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dit bleek helaas niet haalbaar.
Het politieoptreden bij de Pro Palestina demonstratie in Amsterdam van week 19 |
|
Marjolein Faber (PVV), Max Aardema (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsartikel: «Demonstranten bezetten UvA-gebouw en maken zich op voor langdurig verblijf, driehoek grijpt niet in»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het precieze verloop van de demonstratie en het optreden van de politie? Kan u de Kamer hiervan verslag doen?
De verantwoordelijkheid voor het faciliteren en beschermen van het demonstratierecht is belegd bij het lokale gezag. Hierover legt de burgemeester verantwoording af aan de gemeenteraad. De burgemeester van Amsterdam heeft bij brief van 10 mei 20242 namens de Amsterdamse driehoek de gemeenteraad van Amsterdam geïnformeerd over de afwegingen die een rol hebben gespeeld, het verloop van de besluitvorming en het politieoptreden rondom deze demonstraties. Ik verwijs u naar deze brief, die ook een chronologisch feitenrelaas bevat. Op 10 mei jl. heeft eveneens een debat plaatsgevonden in de gemeenteraad van Amsterdam.
Waarom werd er niet onmiddellijk opgetreden tegen het dragen van gezichtsbedekkende kleding, het opwerpen van barricades, het plegen van vernielingen en het roepen van leuzen zoals «from the river to the see» en «free, free palestine»?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2.
Kunt u aangeven of er met uit het wegdek getrokken stenen is gegooid naar de politie en/of daardoor gewonden zijn gevallen?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2.
Waarom is er niet onmiddellijk opgetreden toen omstanders met houten latten/balken werden geslagen, er was toch sprake van een noodweersituatie waarbij optreden vereist was?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2.
Waarom sprak de politie een demonstrant aan in kennelijk Arabisch, terwijl de voertaal van de Nederlandse politie toch gewoon Nederlands is en ook bleek dat deze demonstrant wel degelijk onze taal machtig was?
Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om mij hierover uit te laten. Het is aan het lokale gezag om te besluiten hoe de politie wordt ingezet, waarbij de omstandigheden altijd worden meegewogen.
Waarom werd er zolang gewacht met het beëindigen van deze toestand en het ontruimen van het terrein van de universiteit?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2.
Kunt u aangeven hoeveel personen zijn aangehouden voor het plegen van strafbare feiten en hoe het strafrechtelijke verloop daarna plaatsvond?
Ik verwijs u naar de beantwoording van vraag 2.
Wat zijn de totale kosten van politie-inzet, de veroorzaakte schade van de bezetting van Roeterseiland en gebouwen rond de Oude Manhuispoort? Worden die kosten verhaald op de (aangehouden) demonstranten? Zo nee, waarom niet?
De politie-inzet maakt onderdeel uit van het reguliere politiewerk. In die zin is geen sprake van extra kosten.
Het is aan de universiteit om schade aan universiteitsgebouwen al dan niet te verhalen.
Onder de demonstranten lijken veel niet-Nederlanders te zitten; doen de diensten onderzoek naar hun achtergrond en dan met name naar hun eventuele contacten met buitenlandse (al dan niet verboden) organisaties? Zo nee, waarom niet?
Het louter zijn van niet-Nederlander is geen grond waarop de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) onderzoek kan verrichten. De AIVD kan op grond van artikel 8, tweede lid, van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 onderzoek doen naar personen of organisaties waarbij het vermoeden bestaat dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel de nationale veiligheid of andere gewichtige belangen van de staat.
Ik kan niet ingaan op de vraag of individuele personen wel of niet aanwezig zijn geweest bij een (tegen)demonstratie. Ook kunnen er in het openbaar geen uitspraken worden gedaan over de werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
Kunt u aangeven of en op welke manier en door wie deze demonstratie financieel gesteund werd?
Ik beschik als Minister van Justitie en Veiligheid niet over een juridische grondslag om deze gegevens te verwerken. Wanneer er aanwijzingen zijn voor strafbare feiten dan is het aan het OM om te bepalen of en op welke wijze er onderzoek wordt gedaan naar de geldstromen van organisaties.
Aanvullend ligt momenteel het wetsvoorstel Transparantie maatschappelijke organisaties (Wtmo) voor behandeling in de Tweede Kamer. Dit wetsvoorstel biedt aanvullende mogelijkheden om – indien er aantoonbare en gegronde redenen zijn – onderzoek te doen naar geldstromen en hier zo nodig op te handhaven. Zo krijgen de burgemeester, het OM en andere specifiek aangewezen overheidsinstanties de bevoegdheid om een informatieverzoek te doen aan een maatschappelijke organisatie over één of meer donaties. Als de donaties substantieel blijken, dan kan verder navraag gedaan worden naar de persoon van de donateur. De burgemeester kan een informatieverzoek doen wanneer er sprake is van een (dreigende) verstoring van de openbare orde. Het OM kan een informatieverzoek doen bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd dan wel of het bestuur naar behoren wordt gevoerd.
Aanpak van recidive bij verkeersovertredingen |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Mark Harbers (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «CJIB heeft 3000 vaste klanten: «zitten tijdbommen tussen»»?1
Ja.
Deelt u de analyse dat bij ernstige recidive bij overtreding van maximumsnelheden en andere verkeersvoorschriften sprake is van een aanzienlijk hogere kans om betrokken te raken bij verkeersongevallen?
Het klopt dat meer overtredingen met meer ongevallen samengaan. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid concludeert in haar onderzoek in 2011 dat voertuigen met een geschiedenis van meer dan één overtreding per jaar vaker bij ongevallen zijn betrokken dan voertuigen met één overtreding per jaar. De ongevalsbetrokkenheid van voertuigen wijkt bij een toenemende overtredingsfrequentie steeds verder af van de groep voertuigen met slechts één overtreding per jaar.2
Deelt u de mening dat het wenselijk is om ernstige recidive onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften eerder en strenger aan te pakken?
Ik beantwoord vraag 3, 4, 5 en 9 gezamenlijk. Ik ben van mening dat het veelvuldig overtreden van verkeersregels die op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften worden afgedaan, onwenselijk is, omdat de ongevalsbetrokkenheid toeneemt naarmate het aantal overtredingen stijgt. Ik heb er dan ook alle begrip voor dat zowel maatschappelijk als politiek aandacht wordt gevraagd voor recidive bij overtredingen op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Op dit moment wordt deze wet door het WODC geëvalueerd. Deze wetsevaluatie ziet op de bredere vraag of de afdoening van verkeersvoorschriften conform de doelen van de wet gebeurt en of zowel de inrichting van de wet zelf als de uitvoering daarvan efficiënt en effectief zijn. Het WODC gaat als onafhankelijk onderzoeksinstituut zelf over de uitvoering van dit onderzoek. Daarom kan ik op dit moment nog niet aangeven of de evaluatie ingaat op de mogelijkheden om recidive aan te pakken. Ik heb deze wens wel aan het WODC meegegeven. De uitkomsten van het onderzoek worden in 2025 verwacht. Afhankelijk van de uitkomsten van deze evaluatie moeten vervolgstappen worden bepaald ten aanzien van (de uitvoering) van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.
Klopt het dat de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt geëvalueerd? Zo ja, wanneer wordt deze evaluatie afgerond en met de Kamer gedeeld?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt in het kader van de genoemde evaluatie, in samenhang met het strafrechtelijke spoor, bezien wat de mogelijkheden zijn om recidive eerder en strenger aan te pakken?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is het juridisch mogelijk om bij ernstige recidive, bijvoorbeeld meer dan 20–30 verkeersovertredingen per jaar, via de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften fors hogere boetes op te leggen? Klopt het dat het juridisch niet onmogelijk is, gelet op de verantwoordelijkheid van de kentekenhouder voor juist gebruik van zijn voertuig?
Dit is op dit moment juridisch niet mogelijk. Overtredingen die via de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften worden afgedaan, zijn naar de bedoeling van de wetgever ethisch neutraal. Een constatering leidt tot een voor die overtreding vastgesteld bedrag en er vindt geen verhoging plaats bij recidive. Tevens is er administratiefrechtelijk geen mogelijkheid voor een andere afdoening dan een geldboete en is het op basis van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften niet toegestaan om zaken te registreren met de bedoeling om recidive bij te houden. Bij de invoering van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is hier expliciet voor gekozen. Daarnaast geldt in Nederland kentekenaansprakelijkheid. Dit betekent dat de kentekenhouder verantwoordelijk is voor alle overtredingen die op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften worden begaan met het voertuig. Dit zegt niet dat de kentekenhouder deze overtredingen zelf dus ook heeft begaan. Deze kentekenaansprakelijkheid verhoudt zich niet goed tot het verhogen van de boetes bij recidive. Het kan immers zo zijn dat op één kenteken verkeersboetes door meerdere personen, bijvoorbeeld in een gezin, worden gereden. Zoals eerder genoemd, wordt de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften op dit moment geëvalueerd. Afhankelijk van de uitkomsten van deze evaluatie moeten vervolgstappen worden bepaald.
In hoeverre is het juridisch mogelijk om een tijdelijke rijontzegging op te leggen als sprake is van een nader vast te stellen mate van recidive bij forse snelheidsovertredingen onder de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften? Klopt het dat het juridisch niet onmogelijk is, mede gelet op de wijze waarop hier in Duitsland mee omgegaan wordt?
Forse snelheidsovertredingen, denk hierbij aan overschrijding van de snelheid met meer dan 30 km/u of 40 km/u op de snelweg, worden in het strafrecht afgedaan. In het strafrecht kan rekening worden gehouden met recidive en kan een rijontzegging worden opgelegd. Naast een strafrechtelijke sanctie, kan bij een tijdelijke rijontzegging ook door het CBR een bestuursrechtelijke maatregel worden opgelegd.
De Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften ziet op lichte verkeersovertredingen. Het is juridisch niet mogelijk om op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften een tijdelijke rijontzegging op te leggen als sprake is van recidive. Zie ook mijn antwoord op vraag 6. Ook zou een recidiveregeling zich niet goed verhouden tot de hierboven genoemde kentekenaansprakelijkheid. De kentekenhouder zou dan de rijontzegging opgelegd krijgen, terwijl dat misschien niet degene is die de overtredingen begaan heeft. Dit is anders dan bij een geldboete die door de kentekenhouder eventueel aan de daadwerkelijke bestuurder kan worden doorgerekend.
Duitsland kent een andere inrichting van de verkeershandhaving, zowel juridisch als praktisch, dan Nederland. In Duitsland is het opleggen van een rijontzegging bij meerdere snelheidsovertredingen wel mogelijk aangezien de bestuurder van de auto van voren wordt geflitst en daarmee dus herkenbaar in beeld komt. Hierdoor is beter vast te stellen wie de overtreding daadwerkelijk begaan heeft.
Welke mogelijkheden ziet u om over te gaan op een strafbeschikking als sprake is van een nader vast te stellen mate van recidive bij forse snelheidsovertredingen onder de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften?
Zoals ook in het antwoord op vraag 6 aangegeven, is het op dit moment niet mogelijk om recidive van overtredingen onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften bij te houden met als doel hiermee rekening te houden bij de sanctieoplegging. Een dergelijke registratie is vereist om in recidivezaken een strafbeschikking in plaats van een administratieve sanctie op te leggen.
Bent u bereid te bezien hoe ernstige recidive onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften eerder en strenger aangepakt kan worden?
De Kamervragen zijn beantwoord binnen de reguliere termijn.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het commissiedebat Verkeersveiligheid (29 mei a.s.)?
De rellen en racistische leuzen gericht naar kermisexploitanten in Emmeloord. |
|
Marjolein Faber (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de rellen, vernielingen en scheldpartijen die zich in de nacht van 3 mei en daaropvolgende nachten hebben afgespeeld op de kermis in Emmeloord, gericht tegen de kermisexploitanten?1 Zo ja, heeft u contact gehad met de burgemeester? Zo nee, gaat u de dit nog doen?
Ja, ik ben bekend met de berichtgeving over de gebeurtenissen op de kermis in Emmeloord. Ik heb geen contact hierover gehad met de burgemeester. Wel is op ambtelijk niveau contact geweest met de gemeente.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar is dat hardwerkende ondernemers hierdoor geraakt worden en eerder moeten stoppen met hun activiteiten, wat resulteert in omzetdaling? Kan de gemeente nog iets voor hen betekenen? Als meer gemeenten met deze onrust te maken krijgen, wat kunt u dan overkoepelend doen om gemeenten bij te staan?
In algemene zin veroordeel ik misdragingen van anderen die negatieve gevolgen hebben voor burgers en bedrijven. Gemeenten zijn voldoende toegerust om het soort ongeregeldheden zoals omschreven in het door u aangehaalde bericht met adequate middelen tegemoet te treden. Ter voorkoming van onrust is er daarnaast een landelijke vindplaats en leeromgeving voor gemeenten en biedt de Rijksoverheid op maat ondersteuning voor gemeenten.
Bent u het ermee eens dat de kermisexploitanten ook mentaal enorm geraakt worden door de racistische leuzen die geroepen worden zoals «kanker Jood», «kanker kermis» en «kanker zigeuner»? Wat gaat u doen om dit gevoel van onveiligheid weg te halen bij deze burgers?
Het gebruik van discriminerende en antisemitische uitlatingen is volstrekt ontoelaatbaar, alleen al vanwege de enorme impact die zij hebben. Burgers, en meer specifiek ondernemers, moeten zich, ook in hun veiligheidsgevoel, hiertegen beschermd weten. Uit de berichtgeving maak ik op dat de burgemeester maatregelen heeft genomen. Zoals gemeld in de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad worden de gebeurtenissen op de kermis uitgebreid geëvalueerd. Daaruit zal ook moeten blijken wat precies heeft plaatsgevonden en wie welke rol daarin heeft gespeeld.
Bent u het ermee eens dat deze racistische en discriminerende leuzen krachtig moeten worden bestreden en dat de veiligheid van deze burgers te allen tijde geborgd moet worden? Wat gaat u hieraan doen?
Ik ben het met uw stelling eens. Het hele stelsel van wet- en regelgeving, gemeentelijke instellingen, meldinstanties, politie en het justitiële systeem is hierop ingericht.
Wat kunt u voor deze groep ondernemers betekenen, zodat hun wijze van ondernemen niet verder onder druk komt te staan door dit soort rellen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat het aanpassen van openingstijden niet de oplossing is en alleen maar de ondernemers en de welwillende bezoekers dupeert? Wie draait op voor de winstderving en wordt deze verhaald op de raddraaiers? In hoeverre krijgen de kermisexploitanten restitutie van de pachtsom (vergunning) in relatie tot de verkorte openingstijden?
Ik ben het met u eens dat het aanpassen van openingstijden geen oplossing is voor het onderliggende probleem van misdragingen van anderen. Maar het is aan de burgemeester om te bepalen wat gegeven de omstandigheden van het moment de beste optie is.
Met betrekking tot uw vraag wie er opdraait voor de winstderving, merk ik op dat ondernemers bij geleden schade de veroorzakers civielrechtelijk aansprakelijk kunnen stellen. Of en voor welke schade een aansprakelijkstelling succesvol kan zijn, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een beslissing daarover is uiteindelijk voorbehouden aan de rechter.
De getroffen ondernemers kunnen ook een verzoek tot (gedeeltelijke) restitutie van de pachtsom doen bij de instantie met wie de pachtovereenkomst is aangegaan. Mij is niet bekend of zij dit gedaan hebben en daarmee ook niet in hoeverre zij voor enige restitutie in aanmerking komen.
Bent u het ermee eens dat de kosten niet neergelegd mogen worden bij deze ondernemers, maar bij de gemeenten die verantwoordelijk zijn voor de veiligheid en niet als makkelijke oplossing mogen komen met het annuleren van een kermis of het aanpassen van de openingstijden? Bent u het ermee eens dat het tuig dat dit veroorzaakt aangepakt moet worden en niet de kermisexploitanten op deze manier verder gedupeerd mogen worden?
In algemene zin ben ik van oordeel dat schade in eerste instantie en bij voorkeur verhaald moet worden op veroorzakers ervan en dat ondernemers noch de gemeente in financiële zin belast moeten worden met de nadelige gevolgen veroorzaakt door derden. Ik treed niet in de concrete casus, aangezien de bevoegdheid om gevolg te geven aan openbare orde vraagstukken bij de betreffende gemeente ligt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met de branchevertegenwoordigers om tot een goede aanpak te komen van deze rellende, slopende en discriminerende daders?
Hoewel de Minister van Economische Zaken en Klimaat altijd open staat voor gesprekken met branchevertegenwoordigers, lijkt in deze kwestie een gesprek met de desbetreffende gemeente het meest aangewezen. Immers, op lokaal niveau worden de maatregelen ter preventie van dit soort excessen genomen. Het nemen van dergelijke maatregelen is namelijk altijd afhankelijk van de situatie op lokaal niveau.
Klopt het dat er ook buiten de rellen, vernielingen en scheldpartijen ook sprake is geweest van bedreiging?
In de brief van de burgemeester aan de gemeenteraad naar aanleiding van deze incidenten heeft de burgemeester de gemeenteraad laten weten dat er zes aangiftes zijn gedaan van mishandeling en twee aangiftes van vernieling. Ook is er aangifte van bedreiging gedaan. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bepalen hoe zij hier opvolging aan geven. In de brief aan de gemeenteraad staat ook beschreven dat er op 4 mei gesprekken hebben plaatsgevonden door de politie en boa’s met 10 jongeren die aanwezig waren tijdens de incidenten. Het is aan de lokale driehoek om deze afwegingen te maken en niet aan mij om daar als Minister van Justitie en Veiligheid in op te treden.
Is de identiteit van de raddraaiers bekend bij de burgemeester? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject?
Zie antwoord vraag 9.
Indien de identiteit niet bekend is bij de burgemeester, is deze dan bereid die te gaan herleiden? Zo ja, wat is dan het strafrechtelijk vervolgtraject? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat dit onacceptabele wangedrag niet afgedaan kan worden met een «foei-gesprek»?
Zie antwoord vraag 9.
Heenzenden jeugdige criminelen na mishandelen conducteur. |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicaties in de media waaruit blijkt dat een 13- en een 14-jarige een conducteur hebben mishandeld in Purmerend en dat beiden na hun aanhouding weer op vrije voeten zijn gesteld?1
Daar ben ik mee bekend.
Kunt u aangeven of deze jongeren eerder met de politie in aanraking zijn geweest? Zo ja, voor welke feiten en heeft dit geleid tot een vervolging door het Openbaar Ministerie?
Ik kan, lopende het onderzoek, geen uitspraken doen over een strafzaak. Dit heeft te maken met het opsporingsbelang. Over de justitiële documentatie van de verdachten kan ik eveneens geen uitspraken doen.
Kunt u aangeven of deze jongeren (eerder) zijn veroordeeld en zo ja wat was de straf die zij opgelegd hebben gekregen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke instanties zijn betrokken bij de «begeleiding» van deze zeer jeugdigen en waaruit bestaat die begeleiding?
Als een van deze jeugdigen eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit zou er sprake kunnen zijn (geweest) van begeleiding door de jeugdreclassering. De informatie hierover is opgenomen in het justitiële documentatieregister.
In verband met de privacy van de betrokken jongeren kan ik de informatie uit dit dossier niet met uw Kamer delen. Ik kan dus verder geen antwoord geven op deze vraag.
Indien blijkt dat beide jeugdigen eerder misdrijven hebben gepleegd, welke maatregelen worden dan opgelegd tegen de ouders of worden die ouders (tijdelijk) uit de ouderlijke macht ontheven? Indien geen maatregelen tegen de ouders zijn of worden ondernomen, om welke reden dan niet?
Het nemen van maatregelen tegen ouders kan alleen als er sprake is van een strafrechtelijke verdenking tegen ouders dan wel als er sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van een jongere. Als er naast het plegen van strafbare feiten door jeugdigen ook sprake is van verdenking tegen ouders op grond van profijt van het delinquente gedrag van de jeugdige, kan de ouder strafrechtelijk vervolgd worden.
Ontheffing uit de ouderlijke macht, het beëindigen van het ouderlijk gezag, is een uiterste maatregel die alleen in het kader van jeugdbescherming kan worden ingezet.
Alleen als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet instaat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn, kan het gezag van ouders, op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of het OM, door de kinderrechter worden beëindigd.
Ouders worden altijd betrokken als hun minderjarige kind met justitie in aanraking komt.
Zo geldt allereerst sinds 2011 standaard een verschijningsplicht voor ouders bij een strafzaak tegen hun minderjarige kind. Dat geeft de officier van justitie en de rechters de mogelijkheid ouders over hun kind te bevragen en hen bij het strafproces en de sanctionering te betrekken.
Daarnaast kan de rechter als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling van een minderjarige een vorm van jeugdhulp opleggen die gericht is op het functioneren van het gezinssysteem, waarbij de ouders actief betrokken worden.
Voorbeelden daarvan zijn MST (Multi Systeem Therapie) en MDFT (Multi Dimensionele Familie Therapie). De jeugdreclassering heeft de regie op de uitvoering hiervan, in het kader van Toezicht en Begeleiding.
Als sprake is van een structureel niet-meewerkende ouder en het kind ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd wordt, dan kan de Raad voor de Kinderbescherming worden verzocht om een beschermingsonderzoek in te stellen. Op grond daarvan kan de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek doen voor een ondertoezichtstelling (OTS) bij de rechter. Als de rechter een OTS uitspreekt wordt een gezinsvoogd aangesteld die ouders aanwijzingen kan geven.
De oproep van Europese politiechefs om end-to-endencryptie te verzwakken |
|
Jesse Six Dijkstra (NSC), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Alexandra van Huffelen (D66), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politiechefs spreken zich uit tegen versleutelde chatberichten» (NU.nl, 22 april)?1
Ja
Wat is uw reactie op de oproep van Europese politiechefs om actie te ondernemen tegen online platforms die berichten end-to-end versleutelen? Heeft u hierover contact gehad met uw Europese collega's? Welke acties verbinden u en uw collega's aan deze oproep?
Wat is uw standpunt en wat is het standpunt de Nederlandse politie over end-to-end versleuteling? Onder welke concrete voorwaarden vindt u het verbreken van end-to-end versleuteling gerechtvaardigd, zowel individueel gericht als via het inbouwen van een generieke achterdeur bij versleutelde berichtenplatforms?
De Kamer heeft in juli 2022 middels de motie van het lid Van Raan c.s. de regering verzocht end-to-end-encryptie in stand te houden en voorstellen die dat onmogelijk maken niet te steunen. Het vorige kabinet heeft, in antwoord op dit verzoek, toegezegd uitvoering te geven aan deze motie.3 Dit standpunt staat hier niet ter discussie.
Wel wil ik, zoals mijn voorganger vaak heeft benadrukt, het belang onderstrepen dat wij moeten blijven zoeken naar mogelijkheden om rechtmatige toegang tot gegevens mogelijk te maken en/of te behouden. Zoals de Kamer is geïnformeerd wordt onder andere in Europees verband naar oplossingen gezocht.4 Dat is echter een lang proces, waarbij nog geen concrete oplossingen in zicht zijn.
Overigens geeft (vooral) het Wetboek van Strafvordering bevoegdheden voor de opsporing van strafbare feiten. Deze bevoegdheden, zoals de bevoegdheid tot binnendringen in een geautomatiseerd werk, kunnen leiden tot een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en zijn daarom met voorwaarden en waarborgen omkleed. Deze wettelijke bepalingen zijn in beginsel techniek-neutraal. Of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer gerechtvaardigd is, wordt derhalve niet bepaald door de keuze van de beveiligingstechniek van de verdachte.
Heeft u contact gehad met Europol en de nationale politie over deze gezamenlijke oproep? Ontvangt u dergelijke signalen ook van Nederlandse politiechefs? Zo ja, wat is uw reactie?
Deelt u de mening van politiechefs dat end-to-end versleuteling in stand kan blijven met een achterdeurtje die alleen voor de politie beschikbaar is? Zo ja, hoe ziet u dat voor zich? Hoe stelt u voor dat dit technisch kan zonder dat deze achterdeur algemeen beschikbaar komt en daarmee een einde maakt aan end-to-end versleuteling?
De hoofden van politie wijzen op de uitdagingen voor de opsporing bij de rechtmatige toegang tot gegevens. Zij roepen op tot het mogelijk houden dan wel maken van die rechtmatige toegang, waarbij zij tevens vermelden dat de technische oplossingen hiervoor kunnen verschillen voor diverse platforms of vormen van toegang. Zoals gemeld wordt momenteel onder andere in Europees verband naar oplossingen gezocht.
De politie geeft in haar verklaring niet aan dat «end-to-end versleuteling in stand kan blijven met een achterdeurtje die alleen voor de politie beschikbaar is». Het is van belang te zoeken naar mogelijkheden om te voorkomen dat er vrijplaatsen voor criminele activiteiten ontstaan, die tevens recht doen aan het belang van het in stand houden van end-to-end encryptie.
In de Staat van de Unie 20232 schrijft u dat «end-to-end encryptie niet onmogelijk (mag) worden gemaakt,» tegelijkertijd stelt u in eerdere antwoorden op Kamervragen van de leden Kuik en Slootweg3 dat «het van belang [is] dat er mogelijkheden zijn om onder bepaalde omstandigheden toegang tot (end-to-end versleuteld) berichtenverkeer te krijgen, onder passende voorwaarden en waarborgen.» Hoe verenigt u deze standpunten? Zou toegang onder bepaalde voorwaarden en waarborgen end-to-end versleuteling niet per definitie onmogelijk maken?
Een inperking van de privacy door de overheid moet steeds voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Waar nodig worden in wettelijke regelingen daarover waarborgen opgenomen, zoals een rechterlijke machtiging voor het inperken van de vertrouwelijkheid van communicatie. In het kader van de opsporing van strafbare feiten betreft dergelijke wetgeving vooral het Wetboek van Strafvordering. Deze wettelijke bepalingen zijn in beginsel techniek-neutraal geformuleerd. Welke beveiligingsmethodiek wordt toegepast, is niet van belang voor de vraag of een inbreuk op de privacy gerechtvaardigd is.
Toegang tot informatie in specifieke gevallen leidt niet noodzakelijkerwijs tot het onmogelijk maken van end-to-end-encryptie. Wanneer informatie wordt getransporteerd tussen twee punten («end-to-end») kan deze worden beveiligd (versleuteld) worden met end-to-end-encryptie. Deze beveiligingsmethode zorgt er voor dat tijdens het transport van die informatie derden dit bericht niet in leesbare vorm kunnen onderscheppen. Om toch toegang tot het berichtenverkeer te verkrijgen, bijvoorbeeld omdat op grond van wettelijke bevoegdheden tot toegang tot de berichten van een verdachte in het kader van een opsporingsonderzoek is besloten, zijn er in theorie diverse mogelijkheden. Het bericht kan bijvoorbeeld versleuteld worden onderschept en later worden ontsleuteld. Dit blijkt echter tegenwoordig in de praktijk vaak technisch niet mogelijk. Een andere mogelijkheid is dat de aanbieder van de communicatiedienst de encryptie voor de berichten van een specifieke verdachte niet toepast en de berichten onversleuteld aan de autoriteiten verstrekt, zoals ook aanbieders van openbare telecommunicatiediensten verplicht zijn de versleuteling ongedaan te maken in het geval van het aftappen van telecommunicatie. De end-to-end-versleuteling wordt voor berichten van en naar deze specifieke verdachte dan uitgezet. Zoals eerder is toegelicht aan uw Kamer staat deze methode los van andere processen die plaatsvinden op een apparaat.7 Een manieren waarop inzicht in informatie kan worden verkregen op het apparaat is bijvoorbeeld het binnendringen in een geautomatiseerd werk. Met een dergelijke methode is er toegang tot de gegevens op het apparaat in plaats van tijdens het transport. De berichten zijn dan veelal in leesbare vorm, omdat deze op het apparaat nog niet zijn versleuteld voor het transport, of reeds zijn ontsleuteld na het transport.
Deze mogelijkheden kunnen een meer dan geringe inbreuk op de privacy opleveren en zijn daarom met passende wettelijke voorwaarden en waarborgen omkleed. Zo moeten zij onder meer voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Voor een nadere toelichting wil ik verwijzen naar brieven van 8 mei, 28 juni en 18 september 2023 aan uw Kamer.8
Bent u bekend met cryptotelefoons? Zo ja, hoe denkt u te voorkomen dat criminelen gebruik maken van deze devices in plaats van reguliere end-to-end versleutelde berichtenplatforms? Hoe weegt u de effectiviteit van de inbreuk op de privacy van miljoenen mensen tegenover de georganiseerde misdaad die vervolgens via cryptotelefoons anoniem kan blijven communiceren?
Ja, ik ben bekend met cryptotelefoons. Deze zijn op zichzelf niet verboden. Voor handhavingsautoriteiten is het probleem bij cryptotelefoons niet anders dan bij andere sterk versleutelde diensten: iedereen, inclusief gerechtelijke autoriteiten in Europese lidstaten die handelen op basis van wettelijke bevoegdheden, wordt toegang ontzegd tot de inhoud van deze berichten door het platform dat de communicatie mogelijk maakt. Dit gebrek aan rechtmatige toegang tot digitale gegevens raakt tevens de kern van de zorg die wordt uitgesproken door de nationale hoofden van politie in hun verklaring d.d. 18 april.9
Wat is het staande beleid ten opzichte van de strategie «store-now-decrypt-later»? Wordt er nu al door veiligheidsdiensten versleutelde informatie opgeslagen, om deze op een later moment te ontsleutelen? Hoe lang mag de politie deze informatie dan hiervoor opslaan?
Ik ben bekend met het store-now-decrypt-later-begrip en de mogelijkheid om versleutelde informatie op te slaan om deze op een later moment te kunnen ontsleutelen indien er in de toekomst een kwantumcomputer beschikbaar komt. In dat verband wil ik wijzen op de strategie die de rijksoverheid heeft ontwikkeld om organisaties te helpen de risico’s van kwantumtechnologie op cryptografie op tijd te beheersen, door tijdig te migreren naar zogenaamde post-quantum cryptografie.10 Deze vorm van cryptografie biedt weerstand tegen het eerder genoemde store-now-decrypt-later-scenario.
Op uw vraag over de veiligheidsdiensten wijs ik erop dat over de precieze werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het openbaar geen uitspraken worden gedaan. Voor de politie in Nederland geldt dat zij in het kader van de opsporing versleutelde persoonsgegevens rechtmatig kunnen vergaren op grond van diverse bevoegdheden uit het Wetboek van Strafvordering. De wettelijke bewaartermijnen voor politiegegevens, zoals onder andere opgenomen in de Wet politiegegevens, maken geen onderscheid tussen versleutelde en onversleutelde gegevens.
Bent u bekend met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 13 februari 2024 in de zaak Podchasov v. Rusland?4 Bent u eveneens bekend met de gezamenlijke reactie van de European Data Protection Board (EDPB) van 13 februari 2024 op de Verordening ter voorkoming en bestrijding van seksueel kindermisbruik (CSAM)?5 Bent u bovendien bekend met het standpunt van het Europese Hof van Justitie dat generieke toegang tot versleutelde berichten nooit rechtmatig kan zijn?6
Ja, ik ben bekend met de uitspraak in de zaak Podchasov v. Rusland.
Daarnaast ben ik bekend met de verklaring van het Europees Comité voor gegevensbescherming van 13 februari 2024. Dit betreft echter geen reactie op de Verordening ter bestrijding en voorkoming van seksueel kindermisbruik zoals voorgesteld door de commissie, maar op het (tegen)voorstel zoals gedaan door het Europees Parlement op 22 november 2023.14 Ten slotte ben ik bekend met de uitspraak van het Europese Hof in de zaak Schrems. Versleutelde berichten of versleuteling speelden echter geen rol in deze zaak.
Onderschrijft u de conclusies van deze zwaarwegende uitspraken omtrent end-to-end versleuteling volledig? Kunt u op de uitspraken en standpunten van de drie organisaties afzonderlijk reageren?
In de zaak Podchasov v. Rusland is klager een Russische onderdaan, en gebruiker van de berichtenapplicatie Telegram. Telegram is door de Russische staat aangemerkt als «Internet organisator van communicatie». Als gevolg hiervan is het bij wet verplicht om alle communicatiegegevens op te slaan voor de duur van een jaar en de inhoud van alle communicatie gedurende zes maanden. Verder is bepaald dat deze gegevens kunnen worden voorgelegd aan de rechtshandhavingsinstanties of veiligheidsdiensten, samen met de informatie die nodig is om versleutelde berichten te kunnen ontsleutelen.15 Het EHRM overweegt dat het opslaan van de gegevens van klager een inmenging is in het recht op privéleven (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)). Deze inmenging kan gerechtvaardigd zijn indien deze heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de wet, een legitiem doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Het EHRM overweegt dat nationale wetgeving voldoende waarborgen moet bieden met betrekking tot onder andere de duur, de opslag, het gebruik, de toegang van derden, procedures voor het bewaren van de integriteit en vertrouwelijkheid van gegevens en procedures voor de vernietiging ervan, zodat er voldoende garanties zijn tegen het risico van misbruik en willekeur, om te voorkomen dat persoonsgegevens in strijd met artikel 8 EVRM worden gebruikt. De nationale wetgeving moet er met name voor zorgen dat de bewaarde gegevens relevant en niet buitensporig zijn in verhouding tot de doeleinden waarvoor ze worden bewaard, en dat ze in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te identificeren, niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doeleinden waarvoor ze worden bewaard. Daarnaast moet de wetgeving aan het voorzienbaarheidsvereiste voldoen.
Het EHRM overweegt dat Russische wetgeving communicatieaanbieders verplicht tot het installeren van technieken die directe toegang door de Russische veiligheidsdiensten tot de communicatie mogelijk maken. De Russische opsporingsautoriteiten moeten weliswaar een rechterlijke machtiging verkrijgen alvorens deze gegevens te kunnen raadplegen, maar er bestaat geen verplichting om die machtiging ook aan de communicatieaanbieder te tonen.16 Gezien het risico van misbruik dat een dergelijke regeling in het leven roept, moet de wet voldoende waarborgen bevatten tegen willekeur en misbruik. Het EHRM oordeelt dat daar in deze zaak onvoldoende sprake van is.
Met betrekking tot de verplichting tot medewerking van Telegram aan het ontsleutelen van alle end-to-end versleutelde communicatie overweegt het EHRM:
«Deze maatregelen kunnen naar verluidt niet worden beperkt tot specifieke individuen en zouden zonder onderscheid iedereen treffen, inclusief individuen die geen bedreiging vormen voor een legitiem overheidsbelang. Het verzwakken van de encryptie door het creëren van achterdeuren zou het blijkbaar technisch mogelijk maken om routinematige, algemene en willekeurige surveillance van persoonlijke elektronische communicatie uit te voeren.»
Het EHRM overweegt dat onder die omstandigheden de bovengenoemde verplichting die Rusland oplegde aan Telegram niet proportioneel is ten aanzien van het beoogde doel.17 Het EHRM concludeert dat de bestreden Russische wetgeving onvoldoende adequate waarborgen tegen misbruik bevat en de kern van artikel 8 EVRM aantast – het recht op eerbiediging van het privéleven.
Het vorige kabinet heeft aangegeven uitvoering te geven aan de motie-Van Raan en heeft dit standpunt uitgebreid weergegeven en onderbouwd. Dit standpunt, dat hier niet ter discussie staat, staat haaks op het creëren van enige verplichting tot afzwakking, uitschakeling of algehele ontsleuteling van end-to-end versleutelde informatie.
Het Europese Hof in de zaak Schrems schreef dat «een regeling op grond waarvan de autoriteiten veralgemeend toegang kunnen krijgen tot de inhoud van elektronische communicatie [moet] worden beschouwd als een aantasting van de wezenlijke inhoud van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven zoals door artikel 7 van het Handvest gewaarborgd».18
Hoewel ik deze conclusie van het Hof onderschrijf, wil ik erop wijzen dat versleutelde berichten of versleuteling als zodanig geen rol speelde in deze zaak.
Het kabinet onderschrijft de conclusie van het Europees Comité voor gegevensbescherming dat end-to-end versleuteling een belangrijk middel is om de vertrouwelijkheid van elektronische communicatie te kunnen bewerkstelligen.
Is uw standpunt over end-to-end versleuteling veranderd naar aanleiding van de recente uitspraken van het EHRM en EDPB? Zo ja, op welke wijze draagt u dit uit bij lopende onderhandelingen in Europa en het binnenland over wet- en regelgeving? Zo niet, kan u met voorbeelden onderbouwen dat het huidige kabinetsstandpunt voldoende invulling geeft aan de uitspraken van de rechter en de EDPB?
Nee. Dit standpunt, zoals aangehaald en beschreven in mijn beantwoording op uw vorige vragen, is niet strijdig met voornoemde uitspraken.
Biedt het geactualiseerde Grondwetsartikel 13 over het brief- en telecommunicatiegeheim een absolute garantie dat er geen verzwakkingen van end-to-end versleuteling mogen plaatsvinden in Nederland? Zijn de aanbevelingen van de staatscommissie-Grondwet 2010 hiermee volledig geïmplementeerd?7
De doelstelling van artikel 13 Grondwet (Gw) betreft het beschermen van de vertrouwelijkheid van communicatie. Die bescherming geldt met en zonder encryptie: ook als de inhoud van communicatie niet versleuteld is, mag die niet zomaar worden bekeken. Encryptie is een technische manier om de inhoud van de communicatie te beschermen tegen inzage door anderen, naast andere manieren om daartegen te beschermen. Artikel 13 schrijft niet voor of en op welke wijze private partijen hun communicatie dienen te beschermen.20 Dat een beveiligingsmethode eventueel gekraakt kan worden doet aan de juridische bescherming niet af.21 Overigens biedt artikel 13 Gw expliciet de mogelijkheid inperkingen te maken op het communicatiegeheim. Beperking van dit recht is mogelijk in de gevallen bij de wet bepaald met machtiging van de rechter of, in het belang van de nationale veiligheid, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen. Een voorbeeld van een dergelijke beperking is inzet van de interceptiebevoegdheid ten behoeve van de opsporing van strafbare feiten. Voorafgaande machtiging van de rechter is dan vereist.
In 2010 adviseerde de Staatscommissie om de bescherming van artikel 13 Gw te beperken tot de transportfase van de informatie en de inhoud van de communicatie buiten de bescherming van artikel 13 te laten vallen.22 In de memorie van toelichting bij de herziening van dit grondwetsartikel, alsmede tijdens debatten over het wetsvoorstel in de Tweede Kamer, is toegelicht waarom voor een andere, tevens techniek-onafhankelijke benadering is gekozen bij de vormgeving van dit grondwetsartikel.23 In de kern komt het erop neer dat bij de bescherming van het telecommunicatiegeheim is gekozen om niet het middel dat bescherming kan bieden, maar bescherming van de inhoud van de communicatie zelf centraal te stellen.24
Bent u bereid om samen met de nationale politie en de Autoriteit Persoonsgegevens tot een eenduidig standpunt te komen over het borgen van end-to-end versleuteling, dat recht doet aan de uitspraken van het EHRM, EHJ en de EDPB, en dit blijvend uit te dragen in Nederland en Europa?
Zoals gezegd is voornoemd standpunt inzake end-to-end-encryptie niet strijdig met voornoemde uitspraken. Voor nadere uitleg verwijs ik naar mijn puntsgewijze beantwoording van vraag 10.
Kunt u deze vragen apart van elkaar beantwoorden?
Ja.
De (cyber)veiligheid van Nederlandse offshore olie- en gasplatforms |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is het actuele dreigingsbeeld betreffende offshore olie- en gasplatforms in de Nederlandse Noordzee, mede in het licht van de aanstaande intensivering van gasboring?
Het dreigingsbeeld voor maritieme infrastructuur is onder meer beschreven in jaarverslagen van de AIVD1 en MIVD2, en in stukken zoals het Dreigingsbeeld Statelijke actoren3 en het Cybersecuritybeeld Nederland 20234. In het openbare jaarverslag van de MIVD over 2023 staat dat Rusland deze infrastructuur heimelijk in kaart brengt en activiteiten onderneemt die duiden op spionage en voorbereidingshandelingen voor verstoring en sabotage jegens onze nationale veiligheidsbelangen (economische veiligheid, fysieke en digitale veiligheid) met potentiële impact op de leveringszekerheid.
Welke maatregelen heeft u genomen om de veiligheid van offshore olie- en gasplatforms in de Noordzee te garanderen tegen mogelijke dreigingen?
Om deze dreigingen het hoofd te bieden en onze nationale veiligheidsbelangen te beschermen, werken wij op verschillende niveaus samen om de digitale, fysieke en economische weerbaarheid te versterken. Er lopen verschillende beleidsinitiatieven, wetsvoorstellen en crisisvoorbereidingen om dit te realiseren. Hieruit volgen bepaalde (wettelijke) taken om aanbieders van de energie-infrastructuur zorg te laten dragen om hun (digitale) systemen weerbaar en veerkrachtig te maken.
Hierna zet ik de voornaamste voor u op een rij:
Onder coördinatie van de Minister van IenW wordt binnen het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur gewerkt aan de bescherming van vitale offshore infrastructuur, waaronder energie-infrastructuur, op de Noordzee 5.
Sectorspecifiek wordt gewerkt aan de veiligheid op grond van in Europa aangescherpte wettelijke verplichtingen voor de offshore olie- en gaswinning en opsporing6, die offshore olie- en gasoperators verplicht tot het opstellen van een Rapport inzake Grote Gevaren (RiGG) voor een productielocatie op zee. De richtlijn heeft tot doel de kans op zware ongevallen met betrekking tot olie- en gasactiviteiten verder te verkleinen en de gevolgen hiervan te beperken.
Zoals aangegeven in een brief verzonden aan uw Kamer op 6 december 20227 wordt olie- en gaslevering gezien als een vitale processen voor de leveringszekerheid van energie, bijvoorbeeld de processen transport, opslag en distributie. Voor verschillende gasproductielocaties op zee wordt onderzocht of de aanbieders vitaal zijn, onder andere, in het licht van nieuwe Europese wet- en regelgeving. De olieproductie in de Noordzee heeft een beperkte rol in de voorzieningszekerheid van olie en aardolieproducten in Nederland.
Zodra de productielocaties van gas op de Noordzee worden aangewezen als vitale energieaanbieders, dan vallen die onder de door het Ministerie van Justitie en Veiligheid gecoördineerde versterkte aanpak vitaal. Binnen deze aanpak werken overheden, bedrijven, organisaties en inlichtingen- en veiligheidsdiensten samen aan het beschermen van de vitale infrastructuur. Binnen het digitale domein zien de plichten voor vitale energieaanbieders, die krachtens de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) worden aangewezen als aanbieder van een essentiële dienst (AED), onder meer op het treffen van passende maatregelen ter beveiliging van netwerk- en informatiesystemen, op grond van de Wbni. Aanwijzing als AED kan alleen als deze organisatie een vestiging in Nederland heeft. Daarnaast hebben alle vitale aanbieders krachtens diezelfde wet recht op bijstand (informatie, advies, etc.) bij digitale dreigingen of incidenten door het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC). Momenteel wordt ook gewerkt aan een (verdere) verankering van rechten en plichten binnen het digitale en fysieke domein door de nationale implementatie van de CER-richtlijn (Wet weerbaarheid kritieke entiteiten) en de herziene NIS2-richtlijn (Cyberbeveiligingswet) waarover op 31 januari 2024 de laatste stand van zaken met u is gedeeld door de Minister van Justitie en Veiligheid.8 Zoals nu voorzien zal de Nederlandse wetgeving ter implementatie van deze richtlijnen in het tweede of derde kwartaal van 2025 in werking treden. Aan de weerbaarheid van vitale infrastructuur wordt naast de versterkte aanpak vitaal onder coördinatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan de uitwerking van Rijksbrede beleidsinitiatieven zoals de Nationale Veiligheidsstrategie van het Koninkrijk der Nederlanden9, Aanpak Statelijke Dreigingen10 en de Nederlandse Cybersecuritystrategie11.
Hoe beoordeelt u de huidige internationale samenwerking bij de fysieke bescherming van maritieme infrastructuur, en zijn er plannen om deze samenwerking te intensiveren?
Het kabinet ziet en grijpt kansen om namens Nederland internationaal positie in te nemen en samen te werken op het gebied van de bescherming van maritieme infrastructuur, actief bij te dragen aan het NAVO-bondgenootschap en in andere samenwerkingsverbanden rondom de Noordzee.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft in april jl. samen met België, Denemarken, Duitsland, Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en Noorwegen een verklaring ondertekend om gezamenlijk stappen te zetten om onze belangen op de Noordzee nog beter te beschermen. Ook wordt binnen de North Seas Energy Cooperation opgeroepen tot versterkte samenwerking op het gebied van offshore energieveiligheid, waaronder het delen van methodologieën, integratie van security by design en het gezamenlijk ontwikkelen van detectie-technologie.
De bescherming van onderzeese infrastructuur geniet ook binnen het NAVO-bondgenootschap de aandacht. In februari 2023 heeft de NAVO de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht die een coördinerende rol speelt bij de uitwisseling van informatie en afstemming van activiteiten tussen bondgenoten, partners en private sector partijen. Bovendien wordt er gewerkt aan de oprichting van een nieuw centrum (Maritime Centre for the Security of Critical Undersea Infrastructure). Daarnaast patrouilleren beide noordelijke vlootverbanden van de NAVO geregeld in de Noordzee en Oostzee en dragen daarmee bij aan beeldopbouw en afschrikking. Nederlandse marineschepen maken hier regelmatig deel van uit.
Tot slot maakt Nederland ook deel uit van de Joint Expeditionary Force (JEF), een multinationaal militair samenwerkingsverband van tien gelijkgezinde landen. Binnen deze organisatie wordt samengewerkt voor het tegengaan van spionage en sabotage tegen maritieme infrastructuur.
Zijn er incidenten bekend waarbij Nederlandse offshore-installaties doelwit waren van spionage of verdacht gedrag, bijvoorbeeld met drones (Noorwegen, 2022)1 of scheepsmanoeuvres, en wat zijn de geleerde lessen?
Geconstateerd is dat statelijke actoren actief zijn in het in kaart brengen van vitale marine infrastructuur op de Noordzee (zie ook in het antwoord op vraag 1 genoemde jaarverslagen van de inlichtingen en -veiligheidsdiensten). De betrokken organisaties op de Noordzee blijven waakzaam. Sabotage (digitaal of fysiek) van vitale processen kan de nationale veiligheid van Nederland bedreigen. Voor bedrijven in die sectoren maken de inlichtingen- en veiligheidsdiensten specifieke, op hen toegesneden dreigingsbeelden en (veiligheids)adviezen, zoals ook vermeld in de jaarverslagen van de AIVD en de MIVD. Vanwege veiligheidsredenen kan ik niet ingaan op individuele casussen.
Het kabinet zet in op interdepartementale, publiek-private en internationale samenwerking om met deze dreiging en eventuele incidenten om te gaan. Binnen het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur wordt onder coördinatie van de Minister van IenW gewerkt aan een geïntegreerde aanpak en concrete verbetering betreffende de veiligheid van de infrastructuur op de Noordzee. Onderdeel van het programma is herijking van de huidige crisis-en incidentbestrijdingsplannen op basis van de actuele dreiging.
Hoe beoordeelt u mogelijke cyberveiligheidsrisico's voor offshore windparken in Nederland?
Digitale dreigingen staan veelal niet op zichzelf en zijn onderdeel van een dynamisch, complex en breder dreigingslandschap. Cybersecuritybeleid in de energiesector wordt daarom zoveel mogelijk vanuit een risicogestuurde visie opgepakt. Dit beleid wordt vormgegeven in samenhang met organisaties zoals het Nationaal Cybersecurity Centrum (NCSC), de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, TNO en de Topsector Energie/TKI offshore Energy.
Ten aanzien van offshore windparken betekent een groeiend opgesteld vermogen in de toekomst potentieel meer impact op de elektriciteitsvoorziening bij cyberincidenten. De noodzaak om cybersecurity verbeterd in te richten bij nieuwe infrastructuur op de Noordzee is evident en daarom heb ik verschillende maatregelen genomen.
Het net op zee en de daarop aangesloten windparken op zee zijn aangewezen als vitale energie-infrastructuur13. Toeleverende partijen voor het net op zee dienen daarom te voldoen aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden. Deze bepaling is opgenomen in het ontwikkelkader windenergie op zee14, waarmee ik TenneT formeel opdracht geef voor de aanleg van het net op zee.
Binnen de vitale processen voor transport, distributie en productie van elektriciteit zijnzogeheten AED’s aangewezen onder de Wbni. AED’s moeten hierdoor onder meer voldoen aan de zorgplicht om hun netwerk- en informatiesystemen met passende maatregelen te beveiligen. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur houdt toezicht op de naleving van die plichten door deze aanbieders, zo ook op TenneT en de windparken op zee. Het NCSC staat deze aanbieders, net als andere vitale aanbieders, bij (door informeren, adviseren, etc.) in geval van cybersecuritydreigingen en -incidenten). Als gevolg van de herziening van de Netwerk- en Informatiebeveiligingsrichtlijn (NIS2-richtlijn) zullen meer energiebedrijven dan nu het geval is in de toekomst moeten voldoen aan wettelijke verplichtingen in relatie tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen. Specifiek betekent dit dat bijvoorbeeld elektriciteitsbedrijven met productie-installaties (met uitzondering van micro- en kleine bedrijven) onder de verplichtingen in NIS2-richtlijn zullen komen te vallen. De uit de NIS2-richtlijn voortvloeiende verplichtingen bestaan uit een meldplicht bij significante incidenten en een plicht om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Hierbij dient ook rekening gehouden te worden met risico’s die afkomstig zijn van leveranciers. Ter implementatie van NIS2-richtlijn zal naar verwachting in het tweede of derde kwartaal van 2025 de Cyberbeveiligingswet in werking treden.
Tevens wordt gewerkt aan de implementatie van de sectorspecifieke gedelegeerde handeling over grensoverschrijdende cybersecurity in de elektriciteitssector (Netcode). De Netcode stelt (ten opzichte van NIS2 concretere) bindende grensoverschrijdende cybersecurityvoorschriften vast voor elektriciteitsentiteiten die, wanneer zij mikpunt zouden worden van een cyberaanval, een risico vormen voor de stabiliteit van het Europese elektriciteitsnet. De Netcode zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 2024 in werking treden. Onder andere Rijksinspectie Digitale Infrastructuur en de Autoriteit Consument en Markt zullen toezicht gaan houden en het Nationaal Cyber Security Centrum zal cyberhulp en bijstand verlenen.
Daarnaast gelden voor nieuwe windparken op zee, te beginnen met de kavels IJmuiden Ver Alpha en Beta, regels in het Kavelbesluit voor het hebben en het toepassen van een veiligheidsstrategie voordat de bouw van het windpark start geldend tot einde levensduur van het windpark. Onderdeel van deze verplichte veiligheidsstrategie zijn cybersecurity, economische veiligheid en fysieke weerbaarheid.
Tevens is de Uitvoeringsregeling windenergie op zee aangepast met ingang van 1 januari 2024, wat het mogelijk maakt om bij wijziging van zeggenschap of overdracht van vergunning een marktpartij te toetsen op risico’s voor de openbare veiligheid, voorzieningszekerheid of leveringszekerheid, ook voordat een windpark operationeel is. Deze toets zal worden uitgevoerd bij de vergunningverlening van toekomstige windparken op zee en bij een wijziging van zeggenschap van reeds vergunde windparken op zee.
Als laatste hebben verschillende belanghebbenden FLECS (Field Lab Energy Cyber Security) geïnitieerd. FLECS wordt mogelijk in de toekomst een kenniscentrum voor cybersecurity in windenergie op zee. Het doel is kennis te ontwikkelen en oplossingen te creëren om een digitaal veerkrachtig offshore energiesysteem te bereiken samen met overheidspartijen, marktpartijen en academische en kennisinstellingen. Vanuit kennis- en innovatie doelstellingen van de Nederlandse Cybersecuritystrategie15 is dit initatief ondernomen.
Bent u zich ervan bewust dat als offshore windparken steeds meer in het energiesysteem worden geïntegreerd, de potentiële impact van een cyberaanval toeneemt? Kunt u antwoord uitgebreid toelichten?
De Nederlandse energie-infrastructuur is robuust en betrouwbaar. Bij het ontwerp van het Nederlandse elektriciteitssysteem wordt rekening gehouden met systeemveiligheid, zoals redundantie. Daarbij is het Nederlandse elektriciteitssysteem in hoge mate verbonden met elektriciteitssystemen van buurlanden. De maatregelen beschreven in het antwoord op vraag 5, 8 en 9 neem ik om de cyber veiligheid van offshore windparken te verhogen.
Ten aanzien van de potentiële impact van een cyberaanval op het energiesysteem is het daarnaast relevant toe te lichten dat TenneT op basis van Europese wetgeving reservevermogen inkoopt om eventuele uitval van elektriciteitscentrales (daarmee ook windparken op zee en bijbehorende platforms) op te vangen en systeemveiligheid te borgen. Vanaf het moment dat de momenteel geplande 2 GW transformatorplatformen aangesloten en gebruikt gaan worden, zal er (bij veel wind) meer reservevermogen door TenneT moeten worden ingekocht. Bovendien zorgt de geïntegreerde West-Europese elektriciteitsmarkt ervoor dat verstoringen op Europese schaal worden opgevangen16 17.
Nederland zet voor de komende windparken in op de 2GW HVDC platform standaard van Tennet. Net als voor de 0.7GW AC platform standaard, die voor de huidige parken wordt gebruikt, is (cyber)veiligheid in de ontwikkeling van de platformen een hoge prioriteit.
Hoe schetst het kabinet de huidige balans tussen het standaardiseren voor efficiëntie en het diversifiëren om veiligheidsrisico's te minimaliseren?
Zie antwoord vraag 6.
Welke stappen onderneemt het kabinet om de samenwerking tussen universiteiten, cybersecurity experts, en de offshore windindustrie te versterken om cyberdreigingen aan te pakken?
Zie antwoord vraag 5.
Welk toekomstperspectief kan het kabinet schetsen om de weerbaarheid tegen cyberaanvallen in kritieke infrastructuur zoals windparken te blijven garanderen?
Zie antwoord vraag 5.
De strafeis van het OM tegen de verdachten van de mishandeling van een NS-conducteur op het station in Schagen |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de mishandeling, waarover op 23 april 2024 door onder andere de Volkskrant is gepubliceerd, waaruit blijkt dat het Openbaar Ministerie (OM) 6 maanden gevangenisstraf eist, waarvan drie maanden voorwaardelijk, tegen twee Eritreeërs die op 13 september 2023 een NS-conducteur op het station in Schagen hebben mishandeld?
Daar ben ik mee bekend.
Bent u bekend met de aard van deze mishandeling, die bestond uit het bijten van de conducteur waarbij tevens op hem is ingestoken met een schroevendraaier waardoor hij gewond is geraakt?
Ik heb met afschuw kennis genomen van de aard van de mishandeling uit de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland. Ik begrijp hieruit dat de conducteur is geschopt en geslagen, in zijn hand is gebeten en is gestoken met een schroevendraaier.1 Wat mij betreft is dit volstrekt onaanvaardbaar.
Bent u ermee bekend met dat deze vorm van mishandeling is strafbaar gesteld in artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) en als het een poging betreft: artikel 302 in relatie tot artikel 45 Wetboek van Strafrecht, op genoemde misdrijven is een maximum gevangenisstraf gesteld van respectievelijk 8 jaar (zware mishandeling) en 5 jaar en 4 maanden (poging tot zware mishandeling)?
Daar ben ik mee bekend.
De straf die in deze zaak door het OM is geëist komt overeen met de minimale strafeis die door het OM in principe moet worden geëist (gevangenisstraf vanaf 6 maanden) op grond van haar eigen Strafvorderingsrichtlijn 2019R008: het gebruiken van een steekwapen of een als zodanig aan te merken voorwerp waarbij sprake is van zwaarder letsel en er tevens sprake is van recidive. Voor wat betreft de recidive blijkt uit de publicaties in de media dat beide Eritreeërs al eerder zijn veroordeeld voor openlijke geweldpleging en het beledigen van en verzetten tegen een ambtenaar. Is bent u bekend met de genoemde strafvorderingsrichtlijn 2019R008?
Ik ben bekend met de genoemde strafvorderingsrichtlijn.
Kunt u aangeven waarom u met deze Strafvorderingsrichtlijn akkoord is gegaan nu daaruit blijkt dat de daarin te eisen straffen ver onder het strafmaximum liggen zoals door de wetgevende macht is vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht?
Voor ik inhoudelijk in ga op de vragen, merk ik op dat geweld tegen personen met een publieke taak absoluut onaanvaardbaar is. Dit heeft de volle aandacht van het kabinet. Zonder te treden in het individuele geval en de afweging van het OM in individuele zaken, begrijp ik goed dat dergelijke casussen woede opwekken in de samenleving, bij uw Kamer. Dat doet het ook bij mij.
Tijdens de begrotingsbehandeling op 8 februari 2024 stelde het lid Faber – van de Klashorst vergelijkbare vragen en heb ik toegezegd schriftelijk bij een geschikte gelegenheid op de toepassing en werking van strafvorderingsrichtlijnen terug te zullen komen. Dit doe ik hierbij.
Het tijdens de begrotingsbehandeling gevraagde cijfermatig overzicht van de door het OM geëiste straffen en de door de rechter opgelegde straffen kan ik helaas niet verstrekken. Deze worden door het OM en de Rechtspraak niet standaard geregistreerd. Wel licht ik hieronder toe wat de status van de strafvorderingsrichtlijnen is, hoe deze zich verhouden tot strafmaxima en hoeveel ruimte een officier van justitie heeft om hiervan af te wijken.
Het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (het OM) kan algemene en bijzondere aanwijzingen vaststellen betreffende de uitoefening van taken en bevoegdheden van het OM (artikel 130, lid 6 Wet RO). Aanwijzingen hebben rechtskracht en binden het OM op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde voor zover het gaat om voorschriften die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast. Burgers kunnen aan dergelijke rechtsregels rechten ontlenen. Met het oog hierop worden aanwijzingen en richtlijnen gepubliceerd in de Staatscourant en op de internetpagina van het OM (om.nl).
De richtlijnen voor strafvordering worden voornamelijk door experts op specifieke terreinen (bv. zeden) binnen het OM gemaakt. Er is een landelijke Commissie Strafvorderingsrichtlijnen, die het proces begeleidt en richtlijnen maakt voor strafbare feiten waarvoor geen specifieke expertise binnen het OM is belegd, zoals de commune delicten. Bij de totstandkoming van richtlijnen worden invloeden vanuit de politiek en vanuit de samenleving betrokken.
De Aanwijzing kader voor strafvordering van meerderjarigen (2019A003) is het kader voor de toepassing van de strafvorderingsrichtlijnen. Deze richtlijnen kennen een opbouw van licht naar zwaar. Begonnen wordt met het delict in de meest eenvoudige verschijningsvorm, dat is bijna altijd door een first offender, alleen gepleegd. Bij vermogensdelicten en geweldsdelicten wordt begonnen met de meest eenvoudige verschijningsvorm en wordt de richtlijn opgebouwd naar ernstigere vormen. Daarnaast bevatten veel richtlijnen ook hogere straffen bij recidive en worden een aantal bij het delict veelvoorkomende specifieke factoren vermeld die strafverzwarend zijn. Dit is echter geen limitatieve opsomming want in elk concreet geval kan er sprake zijn van diverse andere strafbepalende factoren.
Het strafmaximum in de wet is onder meer bepalend voor de vraag welke dwangmiddelen tijdens de opsporing kunnen worden ingezet en of bepaalde rechten kunnen worden uitgeoefend (rechtsbijstand, spreekrecht, rechtsmiddelen) en of een zaak met een OM-strafbeschikking kan worden afgedaan. Bij het opstellen van de richtlijnen, maar ook bij het eisen en opleggen van straffen wordt gekeken naar het strafmaximum in het wetsartikel. Bij het opstellen van richtlijnen voor nieuwe strafbare feiten wordt gekeken naar soortgelijke delicten en wat daar het strafmaximum voor is en naar de richtlijnen die daarvoor al bestaan. Dit is van belang om evenwicht in de richtlijnen te behouden. Bovendien wordt er ook gekeken naar wat er in de praktijk wordt opgelegd door de rechter.
Enkel bij zware strafbare feiten als poging doodslag en in- en uitvoer van harddrugs staan in de richtlijn straffen vermeld die richting het strafmaximum gaan.
De officier van justitie heeft de professionele ruimte om per geval te komen tot een op maat gesneden sanctie. Hij maakt daarbij een zorgvuldige afweging van alle belangen. Uit het oogpunt van transparantie moet de officier van justitie zijn beslissing onderbouwen en de strafeis motiveren. De strafvorderingsrichtlijnen bieden dus de nodige ruimte om tot een op de zaak toegesneden afdoening te komen. Omdat een straf proportioneel moet zijn, dient altijd een beoordeling van het individuele geval plaats te vinden en kan daarbij – gemotiveerd – van de richtlijn worden afgeweken.
Gelet op het voorgaande zie ik onvoldoende aanleiding om tot het gevraagde onderzoek over te gaan.
Ik kan uw Kamer wel meegeven dat op dit moment een onderzoek wordt uitgevoerd via het WODC dat beoogt inzicht te bieden in de wijze waarop strafeisen en straffen door officieren van justitie en rechters worden bepaald voor delicten gepleegd tegen mensen met een publieke taak. Daarnaast heeft het tot doel om inzicht te krijgen in de straffen die worden geëist en opgelegd bij veilig publieke taak-delicten en de mate waarin bij deze delicten een strafverhoging wordt toegepast. De resultaten daarvan worden voor de zomer van 2024 verwacht. Het streven is het onderzoek voor de zomer aan uw Kamer toe te zenden.
De lage strafeis van het OM in deze casus wekt bij de gemiddelde burger in Nederland onbegrip en ergernis op; bent u bereid daarom het WODC opdracht te geven tot een onderzoek naar de effecten van de in de Strafvorderingsrichtlijnen voorgeschreven strafeisen op de wil en bedoeling van de wetgever die veel hogere maximumstraffen op de delicten heeft gezet dan in de Strafvorderingsrichtlijnen zijn opgenomen en waarbij ook gekeken wordt wat het effect van de strafeis van het OM is op de hoogte van de straf die door de rechter uiteindelijk wordt opgelegd?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht ‘Abdessadak krijgt klappen van mannen die agenten blijken te zijn: ‘Ik viel flauw vanwege de hoofdpijn’ |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Abdessadak krijgt klappen van mannen die agenten blijken te zijn: «Ik viel flauw vanwege de hoofdpijn»»?1
Ja.
Heeft u de beelden gezien die onder andere door RTV Rijnmond zijn gedeeld?2
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het ermee eens dat een burger het recht geniet om een politieagent te vragen zich te legitimeren wanneer die bewering wordt geopperd?
Zoals u weet kan ik niet ingaan op dit individuele geval, waarnaar bovendien op dit moment nog onderzoek loopt. Het is niet aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om op basis van in de media gedeelde beelden een oordeel te geven over het optreden van de politie bij individuele gevallen.
Regels over het legitimeren door een politieambtenaar zijn in de Ambtsinstructie3 opgenomen. Een politieambtenaar die in uniform optreedt hoeft zich niet uit eigen beweging te legitimeren. Een politieambtenaar in burgerkleding moet zich op grond van de Ambtsinstructie ongevraagd legitimeren, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken.
Over de legitimatieplicht van burgers volgt uit de wet dat iemand die de leeftijd van veertien jaren heeft bereikt, verplicht is een identiteitsbewijs te laten zien op de eerste vordering van een politieambtenaar. Het niet voldoen aan de vordering is een strafbaar feit. De vraag hoeveel tijd een burger moet krijgen om zijn identiteitsbewijs te tonen voordat de politie geweld mag inzetten, is in zijn algemeenheid niet te beantwoorden.
Wat vindt u van het feit dat een burger twee mannen met capuchons voor zijn huis in een geblindeerde auto zag zitten, en daar geen pluis gevoel bij had? Bent u het ermee eens dat hij vanuit het oogpunt van een bezorgde burger een aannemelijke overweging nam en niets buitenrechtelijks deed door verheldering te vragen over wie de betreffende individuen waren?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is het gangbare protocol bij de politie met betrekking tot het tonen van identificatie bij een aanhoudingen zoals in het onderhavige geval? Hoeveel kans moet een burger krijgen om zijn identiteitsbewijs te tonen voordat de politie geweld mag inzetten tegen de burger? Was die drempel uws inziens behaald volgens de beschikbare beelden?
Zie antwoord vraag 3.
Mag de politie zonder toestemming in de telefoon van een burger graven om bij bepaalde data te komen? Mag de politie deze data zonder toestemming proberen te verwijderen als dit beelden betreffen van een openbare weg waar geen verbod bestaat om te filmen? Zo nee, hoe zou deze actie van de politie dan potentieel gekwalificeerd kunnen worden?
Op grond van het geldende recht4 is een opsporingsambtenaar bevoegd om een voorwerp in beslag te nemen dat een staande gehouden of aangehouden verdachte bij zich draagt. Ook mag een inbeslaggenomen voorwerp in het kader van de waarheidsvinding worden onderzocht. Deze bevoegdheid tot inbeslagneming en onderzoek is ook van toepassing op elektronische gegevensdragers, zoals een smartphone. Het is dan ook toegestaan dat een politieagent een rechtmatig inbeslaggenomen telefoon onderzoekt met het oog op strafrechtelijke waarheidsvinding. Daarvoor is geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van een officier van justitie vereist, zolang de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene beperkt blijft.
Het is de politie niet toegestaan zonder toestemming beelden te wissen van een inbeslaggenomen telefoon. Wel kan de politie in uitzonderlijke omstandigheden een verzoek richten aan een gebruiker van een telefoon om een foto of beeldopname te wissen, bijvoorbeeld in het belang van zwaarwegende belangen van anderen.
Over het specifieke geval waaraan u refereert doe ik zoals u weet geen uitspraken.
Wat vindt u er bovendien van dat de politie de eigen beelden niet eens met de advocaat van de burger in kwestie deelt die de beelden verzoekt om gericht aangifte te kunnen doen? Zou dit eenvoudiger moeten kunnen als daar voorwaardelijke eisen aan zijn gesteld (bijvoorbeeld een embargo op het delen van de beelden met de media, etc.)?
Zoals u weet laat ik mij niet uit over specifieke gevallen. In zijn algemeenheid geldt dat indien er beelden zijn gemaakt door opnameapparatuur van de politie in het kader van de uitvoering van de politietaak, sprake is van een politiegegeven in de zin van de Wet politiegegevens. Deze wet voorziet in verschillende regelingen met betrekking tot onder meer de verwerking en het gebruik van politiegegevens en de voorwaarden daarvoor. Ook voorziet de wet in een regeling over het recht op inzage in de politiegegevens. Degene op wie een politiegegeven betrekking heeft, kan een inzageverzoek doen. Er zijn enkele gronden waarop een inzageverzoek kan worden geweigerd, zoals de bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid. Een weigeringsbesluit kan door een belanghebbende in rechte worden aangevochten. Ik zie dan ook geen aanknopingspunten voor de gedachte dat de bestaande wettelijke regeling over beeldopnamen en andere politiegegevens tekort zou schieten.
Verder wijs ik er nog op dat er voor een burger die het niet eens is met een gedraging van een politieambtenaar, altijd een mogelijkheid open staat een klacht in te dienen. Voor de procedure met betrekking tot klachtbehandeling door een bestuursorgaan verwijs ik u naar Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.
Deelt u ook de mening dat wanneer de politie het recht heeft om beelden over burgers op te vragen wanneer burgers over de schreef zijn gegaan, een burger ook het recht heeft om beelden van de politie op te vragen wanneer de politie met een redelijk vermoeden over de schreef is gegaan? Zo ja, hoe kan dit proces voor burgers vergemakkelijkt kunnen worden zodat ze niet in een bureaucratische maalmolen terechtkomen en gedemotiveerd raken om hun recht te behalen?
Zie antwoord vraag 7.
Vindt u het proportioneel dat een burger een hersenschudding en ander lichamelijk letsel overhoudt aan het feit dat hij de politie vraagt om zich te identificeren? Zo nee, zou u dan kunnen veroordelen dat een onschuldige burger op deze hardvochtige wijze aan wordt gepakt door de politie?
Ik wil benadrukken dat elke geweldsaanwending door de politie moet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, redelijkheid en gematigdheid. Het uitgangspunt van ieder politieoptreden is de-escalatie. De politie mag alleen geweld gebruiken als andere vormen van de-escalerend optreden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Bij gebruik van geweld door de politie moet er altijd een melding worden gedaan aan de hulpofficier van justitie. Vervolgens wordt het geweldgebruik beoordeeld. Daarbij is steeds aandacht voor het leren van geweld. Indien dit noodzakelijk wordt geacht, kunnen vervolgstappen worden genomen.
Indien er aangifte tegen de politie is gedaan, kan het Openbaar Ministerie vervolgens besluiten tot een feitenonderzoek door het team Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). Ook kan op basis van dat onderzoek worden bepaald wat eventueel passende vervolgstappen zijn. Het is daarna aan andere autoriteiten – in voorkomende gevallen de rechter – om te beoordelen of er wel of niet sprake is van een rechtmatige geweldsaanwending.
Zou u op zijn minst uit kunnen spreken dat er grondig onderzoek verricht moet worden naar dit zorgelijke incident zodat niet alleen de motieven van de betreffende agenten boven water komen, maar dat dit voorbeeld ook geen precedentwerking krijgt voor vergelijkbare toekomstige gevallen?
Zie antwoord vraag 9.