Het bericht dat Nederland moet meewerken aan het overbrengen van ambassadebewakers |
|
Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Stephan van Baarle (DENK), Laurens Dassen (Volt), Christine Teunissen (PvdD), Don Ceder (CU) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de kantonrechter in een kort geding dat de Nederlandse Staat transportmiddelen beschikbaar moet stellen voor het overbrengen van 42 Afghaanse bewakers?
Ja. Ik ben bekend met de uitspraak van de kantonrechter in kort geding van 2 september jl.
Wat vindt u van het feit dat de rechter stelt dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld en haar zorgplicht niet heeft nageleefd door de Afghaanse bewakers niet te evacueren?
Het kabinet neemt zijn werkgeversverantwoordelijkheid serieus, ook in het buitenland. In dit geval waren de 42 eisers geen werknemers van de Staat. In deze procedure zijn verschillende redenen om aan te nemen dat artikel 7:658 lid 4 BW, het Nederlandse artikel waaruit de kantonrechter een zorgplicht van de Staat tegenover de 42 eisers heeft afgeleid, niet van toepassing is. Voor de beantwoording van vraag 2 verwijs ik u verder naar de brief1 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe verklaart u dat Hongaarse beveiligers die via hetzelfde bedrijf (Asman Abi) waren ingeleend wel geëvacueerd zijn, terwijl Afghaanse bewakers die hetzelfde werk verrichtten niet werden geëvacueerd? Hoe is deze afweging tot stand gekomen?
De Hongaarse bewakers zijn door speciale eenheden van een partnerland naar het vliegveld gebracht en uiteindelijk zonder tussenkomst van Nederland gerepatrieerd naar Hongarije. Zij hadden als EU-onderdanen recht op consulaire bijstand en hierover zijn voorafgaand aan de acute evacuatiefase specifieke afspraken gemaakt. Dit is niet vanwege hun werk als extern ingehuurde bewakers bij de Nederlandse ambassade gebeurd, zoals ook gecommuniceerd is in de brief2 die aan de Tweede Kamer is verzonden op 5 september jl.
Hoe ziet u het feit dat de rechter stelt dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft tegenover deze bewakers, omdat zij ook na de evacuatie en de machtsovername door de Taliban de ambassade nog enige tijd hebben beveiligd onder gevaarlijke omstandigheden? Bent u het hiermee eens? Hoe gaat u deze bijzondere zorgplicht vervullen?
Bewakers in dienst van de externe dienstverlener hebben na de val van Kaboel doorgewerkt op de Nederlandse ambassade-compounds tot aan de afstoting daarvan, waarvan de eerste eind 2021 en de tweede eind 2022 plaatsvond. Er is met enige regelmaat contact geweest met de externe dienstverlener over de veiligheid van de voormalige extern ingehuurde ambassadebewakers. Tot op heden heeft het kabinet geen berichten ontvangen waaruit blijkt dat bewakers die voor de externe dienstverlener werkten gevaar lopen vanwege hun voormalige werkzaamheden voor de Nederlandse ambassade.
De kantonrechter overweegt in het vonnis dat de omstandigheid dat de ambassadebewakers na de evacuatie de toen ontruimde ambassade nog enige tijd hebben beveiligd zou kunnen inhouden dat de Staat zelfs een bijzondere zorgplicht heeft. Wat de kantonrechter daarmee bedoelt, wordt niet verder uitgewerkt en is het kabinet niet duidelijk.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze bewakers met hun gezinnen nu zo snel mogelijk alsnog worden overgebracht?
Het overbrengen van Afghanen is een complex proces. Dat proces bestaat uit verschillende stappen, waaronder verificatie van alle gegevens en documenten. Naar aanleiding van de uitspraak van 2 september jl. heeft de Staat eerste stappen gezet voor het mogelijk maken van deze overbrengingen.
Het gerechtshof heeft op 12 september jl. de verplichting voor de Staat geschorst om per direct uitvoering te geven aan het vonnis totdat het hof in het hoger beroep over deze zaak heeft geoordeeld. Om deze reden onderneemt het kabinet momenteel geen verdere stappen om het vonnis uit te voeren.
Onderschrijft u dat de uitspraak van de kantonrechter bij voorbaat uitvoerbaar is en zo snel mogelijk uitgevoerd moet worden?
De Staat heeft een turbospoedappel ingesteld gezien het kabinet zich niet kan vinden in de uitspraak van de kantonrechter, zoals eerder aangegeven in kabinetsbrief3 van 5 september jl. en de beantwoording van het Schriftelijk Overleg van 19 september jl.4 Hierbij heeft de Staat verzocht om een snelle uitspraak in het schorsingsincident. Op 12 september jl. heeft het gerechtshof in het schorsingsincident de schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring toegekend.
Sommige bewakers van deze groep bevinden zich momenteel in Pakistan en Iran en zouden snel naar Nederland kunnen komen. Gaat u direct dit proces in gang zetten?
Ik verwijs u graag naar de beantwoording van vraag 5.
Gelden voor de overbrenging van gezinsleden dezelfde voorwaarden als voor het recht op gezinshereniging voor asielstatushouders?
In punt 4.45 van het vonnis heeft de kantonrechter ten aanzien van familieleden het volgende gezegd:
«Ter voorkoming van misverstanden daaromtrent zal de kantonrechter bepalen dat als familieleden van Eisers zullen worden aangemerkt hun wettige echtgenoten of partners, die daarmee rechtens kunnen worden gelijkgesteld, en de van hen afhankelijke minderjarige kinderen, die op het moment van vertrek nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt.»
Ook bij gezinshereniging na asiel wordt in beginsel uitgegaan van het kerngezin, zijnde de partner en minderjarige kinderen (paragraaf C2.4.1 Vreemdelingencirculaire). Het door de kantonrechter bepaalde is daarmee in lijn met de gezinshereniging voor asielstatushouders.
Kunt u de Kamer wekelijks (kort) op de hoogte houden van de status van deze overbrengingen?
Op dit moment wacht het kabinet de uitspraak in hoger beroep af.
Kunt u de beantwoording van deze vragen meenemen in de kabinetsbrief die tijdens de procedurevergadering van 4 september jl. is aangevraagd door de commissie Buitenlandse Zaken?
De kabinetsbrief5 is op 5 september jl. verstuurd. Hierin worden veel van de hierboven gestelde vragen beantwoord, zie ook de verwijzingen naar de brief in de beantwoording. Daarnaast is op 19 september jl. de beantwoording van het Schriftelijk Overleg6 naar de Kamer verstuurd.
Het bericht 'Aanpak illegale goksites faalt: Kansspelautoriteit zet deurwaarders in' |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aanpak illegale goksites faalt: Kansspelautoriteit zet deurwaarders in»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op noodkreet van de Kansspelautoriteit aan de politiek, omdat het nog steeds niet lukt om illegale goksites offline te krijgen?
Ik onderschrijf de wens van de Kansspelautoriteit (Ksa) voor een aanvullend instrumentarium waarmee websites van illegale aanbieders kunnen worden geblokkeerd of offline kunnen worden gehaald. Zoals de Staatssecretaris Rechtsbescherming in de brief van 14 februari jl. aan uw Kamer heeft uiteengezet, is het bestrijden van illegaal aanbod als expliciete doelstelling in het hernieuwde kansspelbeleid verankerd.2 Daarbij gaat het naast de handhaving van de geldende wet- en regelgeving, waar illegale aanbieders zich aan onttrekken, juist ook om de bescherming van spelers tegen gokgerelateerde schade. Er zijn geen waarborgen voor bescherming bij illegale aanbieders. Het is daarnaast aannemelijk dat probleemspelers relatief vaker gokken bij het illegale aanbod, terwijl juist zij extra bescherming behoeven.3
De Ksa en ik geven dan ook prioriteit aan het tegengaan van illegaal aanbod. In dat kader werk ik aan de uitbreiding van de bevoegdheden van de Ksa om illegale aanbieders aan te pakken, zoals geschetst in de brief van mijn ambtsvoorganger van 14 februari jl. Naast instrumenten voor het blokkeren van websites, kijk ik daarbij ook naar aanpassing van wet- en regelgeving zodat de Ksa effectiever derde partijen, zoals internetserviceproviders of betaaldienstverleners, kan aanspreken op het aanbieden van hun diensten aan illegale aanbieders.4
De Ksa ontwikkelt momenteel ook binnen het huidige wettelijke kader andere methoden om het aanbod van illegale aanbieders terug te dringen. Daarvoor zoekt de Ksa actief de samenwerking op met partijen zoals de financiële sector, gokspelleveranciers, internetbedrijven, sociale mediaplatforms, collega-toezichthouders, vertegenwoordigers van vergunninghouders en affiliates. Deze samenwerking, genaamd de Alliantie ter bestrijding van illegale kansspelen, richt zich met name op het frustreren van de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken om hun illegale diensten aan te bieden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de Kansspelautoriteit nu zelfs deurwaarders moet inschakelen om illegale online goksites aan te pakken?
De Ksa beschikt over een breed handhavingsinstrumentarium en kan in voorkomende gevallen kiezen voor het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete. In de praktijk blijkt echter dat illegale aanbieders vaak geen gehoor geven aan hun betalingsverplichtingen. Het is daarom passend dat de Ksa in die gevallen deurwaarders inzet om inning alsnog te realiseren. Met deze aanpak probeert de Ksa alsnog onbetaalde boetes ingevorderd te krijgen. Tegelijkertijd leert de praktijk dat het opleggen van lasten onder dwangsom en bestuurlijke boetes tijdintensief zijn. Daarbij komt dat illegale aanbieders zich vestigen in jurisdicties waar zij lastig te bereiken zijn en verschuilen zij zich achter complexe bedrijfsstructuren. Dit onderstreept het belang van de in het antwoord op vraag 2 geschetste aanpak gericht op het ontoegankelijk maken van illegaal aanbod, in plaats van uitsluitend repressief optreden zoals het geval is bij de inning van boetes.
Wat vindt u ervan dat illegale goksites de opgelegde boetes vaak niet betalen en zich hiervan weinig aantrekken?
Het is onwenselijk dat illegale aanbieders hun betalingsverplichtingen met betrekking tot de door de Ksa opgelegde boetes niet nakomen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, is het in de praktijk lastig om met boetes de illegaliteit effectief te bestrijden.5 Deze boetes kunnen dan ook vaak niet worden geïnd. Daarom richt de Ksa zich zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 niet alleen op de aanbieders zelf, maar ook op de infrastructuur die de illegale online aanbieders gebruiken.
Wat zijn de gevolgen als illegale goksites nalaten om boetes te betalen die zijn opgelegd door de Kansspelautoriteit?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat, als boetes geen afschrikwekkend effect hebben, er zwaardere instrumenten nodig zijn om illegale goksites offline te halen en uit Nederland te weren? Zo ja, welke extra maatregelen gaat u nemen?
Ik deel deze mening. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, werk ik in dit kader aan instrumenten voor het blokkeren van websites en aanpassing van wet- en regelgeving zodat de Ksa effectiever derde partijen kan aanspreken.
Hoe wordt gewaarborgd dat Nederlandse gedupeerden die geld zijn verloren aan illegale online gokbedrijven, dit kunnen terugvorderen? Geldt dit ook voor illegale gokbedrijven die zijn gevestigd op Malta?
Spelers die financiële schade lijden als gevolg van deelname aan illegale online kansspelen kunnen zich tot de rechter wenden om hun vorderingen aanhangig te maken. Het uitgangspunt is dat de Staat zich niet mengt in geschillen over civielrechtelijke verhoudingen tussen een (illegale) kansspelaanbieder en de speler. De beoordeling en afwikkeling van dergelijke geschillen is voorbehouden aan de rechterlijke macht.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft eerder zijn zorgen geuit over de onverenigbaarheid van de Maltese Bill 55 met het Unierecht.6 Naar aanleiding hiervan is de Europese Commissie op 18 juni jl. een formele inbreukprocedure tegen Malta gestart. De termijn van twee maanden waarbinnen Malta op de aanmaning van de Europese Commissie diende te reageren, is inmiddels verstreken. Het is nu aan de Europese Commissie om te beoordelen of de reactie van Malta toereikend is. Zo niet, dan kan de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitbrengen. Indien er dan alsnog geen afdoende reactie volgt, kan de zaak worden verwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Bent u het ermee eens dat een van de bedoelingen van de Wet kansspelen op afstand, namelijk het terugdringen van illegaal online gokaanbod, niet is gehaald, nu nog steeds 9% van de gokkers speelt op illegale sites en de helft van de uitgaven in de online gokwereld naar illegale sites gaan?
Het voornaamste doel van de Wet kansspelen op afstand (Wet koa) was om spelers te beschermen door een betrouwbaar en vergund aanbod beschikbaar te stellen. Het volledig terugdringen van de illegale markt was daarbij geen doelstelling. De evaluatie van de Wet koa levert een zorgelijk beeld op van de beperkte bescherming tegen de risico’s van online gokken. Om de bescherming te realiseren en illegaliteit beter tegen te gaan zijn wijzigingen van wet- en regelgeving nodig, zoals aangekondigd in de brief van 14 februari jl. van de Staatssecretaris Rechtsbescherming. De systeemanalyse van TNO die mijn ambtsvoorganger toen aan uw Kamer heeft gezonden laat daarbij zien dat het volledig terugdringen van illegaal aanbod niet realistisch is.7
Hoe kijkt u naar de aanpak in landen als Frankrijk en Duitsland, waar jaarlijks honderden illegale goksites offline worden gehaald?
Bij de aanpak van het illegale aanbod, waaronder het ontoegankelijk maken van webpagina’s van illegale aanbieders, kijken de Ksa en ik ook naar ervaringen in andere landen, waaronder Frankrijk en Duitsland. De Franse toezichthouder, l'Autorité Nationale des Jeux (ANJ), beschikt bijvoorbeeld over de bevoegdheid om internetserviceproviders te verzoeken illegale goksites te blokkeren. Daartoe dient de ANJ eerst een «formal notice» te versturen, waarin zij vraagt de desbetreffende goksite vanuit Frankrijk ontoegankelijk te maken. Indien de illegale aanbieder niet binnen vijf dagen aan dit verzoek voldoet, kan de ANJ internetserviceproviders verplichten tot blokkering van de goksite. De Duitse toezichthouder, Gemeinsame Glücksspielbehörde der Länder (GGL), heeft de bevoegdheid om IP-adressen en betalingsverkeer van online casino’s zonder vergunning te blokkeren. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, werk ik aan aanvullend wettelijk instrumentarium voor het blokkeren van illegale goksites. Daarbij maak ik gebruik van de ervaringen uit deze landen.
In het kader van Europese samenwerking in het beschermen van mensen tegen gokschade en in de bestrijding van illegaal aanbod heeft de Ksa daarnaast op 8 en 9 september jl. de Player Protection Conference 2025 georganiseerd. De conferentie had kennisuitwisseling als doel en er werd gekeken naar hoe verschillende Europese toezichthouders kunnen samenwerken om spelers beter te beschermen en de infrastructuur van illegale aanbieders te frustreren. Om deze samenwerking verder te vorm te geven, heeft de Ksa met negen andere toezichthouders een werkgroep opgericht om gezamenlijk het illegale aanbod te bestrijden. Naast het uitwisselen van best practices wordt ook gewerkt aan concrete acties, bijvoorbeeld richting betaaldienstverleners of marketingpartijen. Dergelijke initiatieven steun ik van harte.
Welke maatregelen nemen deze Europese landen wel, die in Nederland niet worden toegepast?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om, zoals de Kansspelautoriteit vraagt, maatregelen te nemen om goksites sneller offline te halen en zo ja, welke stappen gaat u zetten?
Zie antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘Nederland laat Russische schaduwvloot ongemoeid, terwijl zeven landen wel controleren’ |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Tieman , Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederland laat Russische schaduwvloot ongemoeid, terwijl zeven landen wel controleren»?1
Ja.
Bent u het eens met de vragenstellers dat Nederland, samen met bondgenoten, alles wat binnen onze macht ligt moet doen om Russische druk en dreiging, ook op internationale wateren, actief tegen te gaan?
Het kabinet neemt de Russische druk en dreiging zeer serieus en benadrukt de noodzaak van een krachtige, gecoördineerde aanpak binnen de internationale gemeenschap. Nederland zet zich, samen met haar bondgenoten, actief in om binnen de bestaande juridische en operationele kaders maatregelen te nemen om de Russische dreiging, ook op internationale wateren, effectief tegen te gaan.
Deelt u de mening van de vragenstellers dat Nederland minstens een gelijke bijdrage zou moeten leveren als de andere Oostzee- en Noordzeelanden aan het controleren van schepen uit de Russische schaduwvloot? Zo ja, bent u van mening dat Nederland dat momenteel ook doet?
Zoals aangegeven in de antwoorden op eerdere vragen van uw Kamer (Kamerstuk 21501-02-3021) varen er zeer veel schepen door de Nederlandse EEZ. Het is onmogelijk alle schepen uit de Russische schaduwvloot te controleren, temeer daar Nederland geen rechtsmacht heeft bij schepen die varen op open zee. Deze schepen hebben het recht van onschuldige doorvaart op grond van het VN-zeerechtverdrag (UNCLOS artikel 17). Andere Oostzee- en Noordzeelanden maken gebruik van in de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) aangewezen MRS-gebieden. MRS staat voor «Mandatory Reporting of Ships». Deze MRS-gebieden zijn nauwe zeestraten (de zogeheten choke points) waarbij er voor het bewaken van nautische veiligheid meer rechtsmacht is om schepen op zee te kunnen controleren op veiligheid. Nederland heeft geen MRS-gebieden want de Noordzee is een open zee en geen nauwe zeestraat. Nederland maakt voor controle van schepen uit de Russische schaduwvloot zoveel als mogelijk gebruik van de informaties uit de andere Oostzee- en Noordzeelanden die op grond van hun MRS-gebieden meer mogelijkheden hebben om in geval van onschuldige doorvaart toch te kunnen controleren. Daarnaast wordt actief gezocht naar aanvullende oplossingen om gezamenlijk in internationaal verband zo effectief mogelijk actie te kunnen ondernemen tegen dergelijke schepen. Zo heeft de Kustwacht recent, op 19/20 augustus en op 27/28 augustus jl., twee door de EU gesanctioneerde schaduwvlootschepen met een valse Arubaanse vlag begeleid en contact gelegd met de kapiteins. Hiervan zijn onder andere de scheepsdocumenten opgevraagd en gecontroleerd.
Bent u van mening dat alle ruimte die United Nations Convention on the Law of the Sea (UNCLOS) in artikel 56, 192 en 211 biedt om het mariene milieu te beschermen, wordt benut?
Als verdragspartij moet Nederland uitvoering geven aan verplichtingen ter bescherming van het mariene milieu die voortvloeien uit het VN-Zeerechtverdrag en verplichtingen uit hoofde van andere relevante verdragen, zoals IMO-verdragen en het OSPAR-verdrag. Daarbij kan gedacht worden aan het MARPOL-verdrag waarin regels over verontreiniging van schepen staan of aan het OSPAR-verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan. Ook draagt EU-regelgeving bij aan de bescherming van het mariene milieu zoals de vogel- en habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn mariene strategie en recent de Natuurherstelverordening. Al deze verdragen en EU-regelgeving zijn of worden geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving ter bescherming en verbetering van het mariene milieu. Zo gelden onder de nationale Omgevingswet vergunningsplichten voor activiteiten op zee waarbij getoetst wordt op natuur- en milieueffecten.
Klopt het dat u eerst juridische belemmeringen noemde tegenover De Volkskrant, maar later vooral sprak van praktische belemmeringen die reden zouden zijn om niet te controleren? Kunt u dit toelichten?
Zoals eerder aangegeven, hangen de juridische mogelijkheden af van de omstandigheden. In geval van onschuldige doorvaart van schaduwvlootschepen heeft Nederland geen jurisdictie om schepen op open zee te controleren. In geval van schepen met een valse vlag zijn er meer mogelijkheden. Daarbij moet onder andere rekening worden gehouden met het zeegebied waarin wordt gevaren, buiten de territoriale wateren is de rechtsmacht beperkt. Voor controle op schepen op volle zee (onschuldige doorvaart) spelen ook praktische belemmeringen een rol.
Deze schepen zijn niet verplicht te reageren op een oproep van de Kustwacht om de scheepsdocumenten te overleggen. Andere EU landen gebruiken daar de in IMO aangewezen MRS-gebieden voor, waarbij in smalle zeestraten voor het bewaken van de nautische veiligheid wel jurisdictie is om overhandiging van scheepsdocumenten te vereisen.
Verder spelen operationele factoren een rol, zoals de beschikbaarheid van geschikte middelen en de veiligheidsomstandigheden bij ingrijpen op zee.
Welke stappen heeft u reeds gezet om de in het artikel genoemde juridische en technische belemmeringen weg te nemen?
Het kabinet heeft verschillende stappen gezet om de juridische en technische belemmeringen te verkleinen. Eerder bent u geïnformeerd over het internationaalrechtelijk kader voor overheidsoptreden op de Noordzee. Zoals hierboven genoemd wordt er gewerkt om het nationaalrechtelijke kader verder uit te werken. Daarnaast worden protocollen ontwikkeld om sneller informatie over verdachte schepen te delen met bondgenoten. Ook worden scenario-oefeningen voorbereid om de inzet van inspecteurs en schepen op zee en op ankervakken goed te coördineren en om risico’s bij inspecties te minimaliseren. Nederland onderzoekt samen met EU-partners hoe gezamenlijke monitoring en het delen van informatie het toezicht kunnen versterken.
Welke capaciteit is nodig om inspecties zo snel mogelijk te laten starten met het controleren van de Russische schaduwvloot?
Het controleren en inspecteren van de Russische schaduwvloot bestaat uit verschillende aspecten. In de regel komen deze schepen niet in Nederlandse havens en gaat het om het opvragen van documenten van voorbijvarende schepen (onschuldige doorvaart) waarbij deze schepen niet verplicht zijn hun scheepsdocumenten te overleggen maar dit wel op vrijwillige basis kunnen doen. De Kustwacht en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) werken samen om verdachte schepen te monitoren. De Kustwacht vraagt de documenten en certificaten op die de ILT vervolgens controleert. Hiermee zijn beide diensten al begonnen en de eerste verdachte schepen zijn ook al op deze manier benaderd.
Daarnaast worden momenteel in samenwerking met de Kustwacht inspecteurs van de ILT opgeleid om controles uit te voeren op verdachte schepen. Zoals aangegeven voeren de ketenpartners nu al inspectieactiviteiten uit, uitbreiding van het type inspectie zal significant meer geld en capaciteit kosten bij de betrokken partijen. Over de dekking van deze kosten wordt nu gesproken. De voorbereiding gaat gewoon door.
Bent u bereid om prioriteit te geven aan het versterken van de maritieme handhavingscapaciteit in de Noordzee, zodat Nederland zo spoedig mogelijk wél controles gaat uitvoeren op de Russische schaduwvloot?
Ja, het kabinet geeft prioriteit aan het versterken van de maritieme handhavingscapaciteit. Er wordt gewerkt aan het uitbreiden van de middelen en het trainen van personeel om controles mogelijk te maken. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de Kustwacht, ILT en andere betrokken ketenpartners, met aandacht voor veiligheid, efficiëntie en juridische kaders.
Daarnaast onderzoekt het kabinet mogelijkheden om operationele en technische capaciteit op korte en middellange termijn uit te breiden, zodat Nederland actiever kan optreden tegen schepen van de Russische schaduwvloot, met name als ze vals gevlagd zijn, binnen de kaders van het internationale recht. Ook samenwerking met andere landen blijft een belangrijk instrument om de effectiviteit van controles te vergroten en de Noordzee veiliger te maken.
Gezien het feit dat u tot nog toe niet handhaaft in de Exclusieve Economische Zone, welke maatregelen neemt u of gaat u nemen om sabotage van onderzee-infrastructuur door Russische schepen tegen te gaan en te ontmoedigen?
In de Kamerbrief van 13 mei 2025 van de Minister van Defensie bent u geïnformeerd over mogelijkheden om in te grijpen op maritieme sabotageactiviteiten en de juridische basis daarvoor. Daarin is uiteengezet welke maatregelen het kabinet reeds uitvoert en dat mogelijke aanvullende maatregelen in specifieke situaties kunnen worden genomen. Dit betekent dat kwaadwillende actoren op de Noordzee niet mogen doen wat ze willen. Als dat nodig is, begeleidt de Koninklijke Marine Russische schepen door de Nederlandse EEZ. Daarnaast voert de Kustwacht in het kader van handhavingstaken patrouilles uit op en boven zee.
Het kabinet neemt verschillende maatregelen om de infrastructuur op de Noordzee weerbaar te maken. In het Actieplan Strategie ter bescherming Noordzee infrastructuur wordt samengewerkt met 6 departementen en verschillende uitvoeringsorganisaties om de bescherming van onderzeese infrastructuur te verbeteren. Zo is er onder andere geïnvesteerd in het verbeteren van zicht op en in de Noordzee, in het verhogen van de digitale en fysieke weerbaarheid, het verbeteren van de crisisbeheersing en is er geïnvesteerd in zowel nationale als internationale samenwerking.
Klopt het dat het Verenigd Koninkrijk meer schepen uit de schaduwvloot sanctioneert dan de Europese Unie (EU)? Zo ja, wat wilt u hieraan gaan doen?
Nederland blijft zich onverminderd inzetten om samen met onze partners, zowel binnen de EU als daarbuiten, de druk op Rusland op te voeren en de mogelijkheden om de schaduwvloot effectief aan te pakken te vergroten. Daarvoor is het sanctioneren van schepen die niet aan het olieprijsplafond voldoen van groot belang. Op dit moment heeft de Europese Unie, met toevoeging van 105 schepen in het 18e sanctiepakket tegen Rusland in juli 2025, 444 schepen van de Russische schaduwvloot gesanctioneerd. Het Verenigd Koninkrijk heeft op dit moment 424 schepen onder hun Rusland regime gesanctioneerd2. Daarmee heeft de Europese Unie een iets groter aantal schepen uit de schaduwvloot gesanctioneerd dan het Verenigd Koninkrijk. In nauwe samenwerking met onze partners, waaronder het Verenigd Koninkrijk, zullen wij onze gezamenlijke inspanningen voortzetten om de schaduwvloot krachtig en effectief aan te pakken.
Het bericht ‘We hebben geen zin meer in politiek’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We hebben geen zin meer in politiek»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Wat is uw reactie op de gebeurtenissen zoals beschreven in het bericht?
Het Joods Politie Netwerk heeft besloten tijdelijk een rustpauze in te willen bouwen, omdat collega’s het gevoel hebben zich in de organisatie te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Ik respecteer net als de Korpschef deze keuze van de medewerkers. Wel wil ik aangeven dat ik het betreurenswaardig voor deze Nederlandse Joodse agenten vind dat zij het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. We moeten er in onze samenleving voor waken dat conflicten elders een wig drijven tussen mensen en groepen hier. De politieleiding is goed in contact met het Joods Politie Netwerk en ik heb er vertrouwen in dat de Korpschef hier op een zorgvuldige manier mee omgaat.
Heeft u contact gehad met de korpsleiding over de beslissing van het Joods politienetwerk om zich terug te trekken uit het netwerkoverleg?
De politie heeft mij hierover geïnformeerd.
Wat is volgens u het gevolg van deze terugtrekking voor de politieorganisatie en de werkwijze van het netwerkoverleg?
De politie heeft mij laten weten dat het Joods Politie Netwerk heeft aangegeven tijdelijk niet deel te nemen aan reguliere overleggen van de Netwerken Divers Vakmanschap. Daarbij is ook aangegeven dat de leden van het Joods Politie Netwerk hun reguliere politiewerk blijven doen en dat zij inzetbaar zijn op hun specifieke expertise. Ik heb er vertrouwen in dat de Korpschef haar verantwoordelijkheid op een goede en zorgvuldige manier invult en daarbij in nauw contact blijft met het Joods Politie Netwerk.
Op welke manier worden Joodse politieagenten voldoende beschermd tegen haat en geweld van buitenaf én binnenuit, en op welke manier wordt het dialoog hierover verbeterd?
De Netwerken Divers Vakmanschap, als onderdeel van Politie voor Iedereen, zijn een interne aangelegenheid van de politie. Het is aan de Korpschef om er voor zorg te dragen in het kader van haar werkgeversverantwoordelijkheid dat medewerkers zich veilig voelen en vanuit professionaliteit hun werk kunnen doen.
Bent u van mening dat de terugtrekking uit het netwerkoverleg ertoe kan bijdragen dat de dialoog juist niet wordt gevoerd? Zo ja, deelt u dan de mening dat dit een zorgelijke situatie is binnen het politiekorps?
Zoals ook aangegeven in het antwoorden op vraag 2 en 5 respecteer ik de keuze van de medewerkers van het Joods Politie Netwerk, maar vind ik het betreurenswaardig voor deze Nederlandse Joodse agenten dat zij het gevoel hebben zich te moeten verantwoorden voor gebeurtenissen in het Midden-Oosten. We moeten er als samenleving voor waken dat conflicten elders een wig drijven tussen mensen en groepen hier.
Deelt u de mening dat Joden in Nederland niet verantwoordelijk mogen worden gehouden voor het beleid van de regering Netanyahu, en dat ze niet onder druk mogen worden gezet om zich daarover uit te spreken? Zo ja, bent u dan ook van mening dat dit ook voor agenten binnen het politiekorps moet gelden?
In het algemeen geldt dat het niet juist is om mensen aan te spreken op zaken waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn omwille van een vermeende band met de verantwoordelijken. Dat werkt polarisatie en stigmatisering in de hand. In gesprekken met Joden door het hele land wordt regelmatig aangegeven dat zij verantwoordelijk worden gehouden voor de acties van de Israël. Dat is niet acceptabel. Joden in Nederland zijn niet verantwoordelijk voor de politiek in Israël, wat je er ook van vindt.
Het bericht ’UEFA gaf clubs in Rusland 10,8 miljoen euro, maar weigerde steun aan Oekraïense clubs’. |
|
Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Inge van Dijk (CDA) |
|
Judith Tielen (VVD), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «UEFA gaf clubs in Rusland 10,8 miljoen euro, maar weigerde steun aan Oekraïense clubs»?1
Ja.
Hoe ziet u de afweging tussen het behouden van een internationaal gelijk speelveld in de sport en het uitsluiten van landen die internationaal als agressor acteren?
Het kabinet is voor een internationaal gelijk speelveld in de sport. Solidariteitsbijdragen kunnen daar een rol in spelen. De solidariteitsbijdragen van de UEFA zijn financiële bijdragen die verdeeld worden uit opbrengsten van Europese Kampioenschappen en Europese clubcompetities (zoals de Champions League). Deze bijdragen zijn bedoeld voor de clubs die niet deelnemen aan die Europese clubcompetities en worden via nationale bonden verdeeld. Het doel hiervan is het verkleinen van de kloof tussen deelnemende en niet-deelnemende clubs.
Tegelijkertijd ziet het kabinet dat Rusland sport inzet voor politieke doeleinden. Het kabinet spant zich daarom in om deelname van Russische en Belarussische atleten onder nationale vlag aan internationale sporttoernooien te voorkomen. Het kabinet doet dit door waar mogelijk, in samenwerking met gelijkgestemde landen, alle beschikbare informele kanalen aan te grijpen om het standpunt in deze voor het voetlicht te brengen. Daarbij is het van belang om te benadrukken dat de internationale sport autonoom is en overheden geen formele bevoegdheid hebben om deelname van Russische en Belarussische atleten onder nationale vlag aan internationale sporttoernooien tegen te gaan.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat een Europese organisatie als de UEFA, waar Nederland deel van uit maakt, nog steeds geld overmaakt naar Rusland ondanks de agressie oorlog die het voert in Oekraïne? Zo niet, waarom niet?
In antwoord op deze vraag hecht ik eraan te benadrukken dat de Nederlandse staat geen lid is van de UEFA. De leden van de UEFA zijn de nationale Europese voetbalbonden, in ons geval de KNVB.
Voorts deel ik uw mening dat het gezien de oorlog een onwenselijke situatie is dat Russische clubs geld ontvangen van de UEFA. Nederland veroordeelt de agressieoorlog van Rusland tegen Oekraïne en steunt de internationale sancties die zijn opgelegd om Rusland onder druk te zetten. In beginsel kunnen organisaties, zoals de UEFA, geld overmaken naar Russische clubs, mits zij voldoen aan de actuele regelgeving. Het is hierin belangrijk dat (Europese) organisaties zelf hun rol nemen in het naleven van internationale sancties. Op basis van de beschikbare informatie heeft het kabinet geen aanwijzingen dat het beleid conform de voorschriften van de UEFA strijdig is met sanctiemaatregelen.
Tegelijkertijd kunnen zowel sanctiewetgeving als financiële constructies complex zijn waardoor per geval bekeken moet worden wie de daadwerkelijke eigenaar van een Russische voetbalclub is en/of zeggenschap over de club heeft en of deze persoon of entiteit op de sanctielijst staat. In dat geval is het immers niet toegestaan om financiële steun te bieden aan de club.
Het kabinet moedigt echter aan dat organisaties zoals de UEFA ook buiten de sanctiemaatregelen ervoor kiezen om vanwege de illegale agressie tegen Oekraïne niet langer actief te willen zijn in Rusland, onder andere door haar standpunt nadrukkelijk en herhaaldelijk tijdens gesprekken met deze organisaties te bespreken.
Bent u van mening dat Rusland als lid van de UEFA voor onbepaalde tijd geschorst zou moeten worden als gevolg van de aanhoudende agressie oorlog tegen Oekraïne? Zo niet, waarom niet?
De UEFA heeft Russische clubs en het Russische nationale team geschorst sinds de Russische inval in Oekraïne op 24 februari 2022. Rusland is formeel nog wel lid van de UEFA, maar het kan geen actieve rol spelen bij internationale voetbaltoernooien. Russische clubs en het Russische nationale team mogen daardoor niet meer deelnemen aan internationale voetbalwedstrijden. Deze maatregel is bevestigd door het CAS (Court of Arbitration for Sport). Volgens de huidige regels van UEFA hebben Russische clubs – ondanks de schorsing – echter nog wel recht op de solidariteitsbijdrage.
Bent u bereid om zich in samenspraak met de KNVB ervoor in te zetten dat de UEFA niet langer geld overmaakt naar Rusland? Zo niet, waarom niet?
Zoals eerder benoemd in het antwoord op vraag 3 moedigt het kabinet aan dat organisaties zoals de UEFA ook buiten de sanctiemaatregelen ervoor kiezen om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te willen zijn in Rusland. Het kabinet zal alle beschikbare informele kanalen aangrijpen om zijn standpunt in deze voor het voetlicht te brengen en hierover ook contact hebben met de KNVB.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk is dat Oekraïense clubs niet de steun ontvangen van de UEFA, die alle andere Europese competities wel ontvangen, omdat deze in een «zone van militaire operaties liggen» terwijl de agressor in het conflict wel steun ontvangt, ondanks de uitsluiting van Europese competities? Zo niet, waarom niet?
Het is opmerkelijk dat Oekraïense clubs niet de solidariteitsbijdrage van de UEFA hebben ontvangen, die andere Europese clubs wel ontvangen, omdat deze in een «zone van militaire operaties» zouden liggen. De achterliggende redenen hiervan zijn onduidelijk. Daarom heb ik contact opgenomen met de KNVB en om recht te doen aan uw vragen heeft de KNVB navraag gedaan bij de UEFA over de ontstane situatie. Daaruit blijkt dat de UEFA benadrukt dat zij nooit solidariteitsgelden heeft geweigerd aan Oekraïense clubs die daar aanspraak op zouden kunnen maken. Bij uitbetalingen aan nationale bonden moet UEFA de uiteindelijke begunstigde vermelden omdat dit vereist wordt door banken en autoriteiten. Voor bepaalde Oekraïense clubs kon de bank de transacties niet verwerken. UEFA geeft aan actief met banken en autoriteiten aan een oplossing te werken om deze blokkades op te heffen en de betalingen alsnog te realiseren.
Bent u bereid om zich in samenspraak met de KNVB ervoor in te zetten om de behandeling van Oekraïense betaald voetbalorganisaties gelijk te trekken met die van alle andere Europese landen? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Een lijst met mogelijke sanctiemaatregelen tegen Israël |
|
Kati Piri (PvdA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de inzage van interne stukken over mogelijke sanctiemaatregelen tegen Israël door De Telegraaf, d.d. 29 juli 2025?1
Ja.
Hebben deelnemers aan het spoedberaad van het kabinet op maandag 28 juli een lijst met beoogde maatregelen ontvangen?
Ja.
Klopt het dat er meerdere opties op tafel lagen voor hardere sanctiemaatregelen, waaronder op het gebied van wapenleveranties? Zo ja, wat is de reden dat het kabinet hier niet voor heeft gekozen?
Het kabinet laat zich breed adviseren over verschillende mogelijkheden. De uiteindelijke uitkomst van de beslissing om maatregelen in te stellen is gedeeld in de Kamerbrief van 28 juli jl.2 Het kabinet zal de opgestelde notitie voor het bewindspersonen overleg niet met de Kamer delen en beroept zich daarbij op de bescherming van de eenheid van kabinetsbeleid en de bescherming van diplomatieke belangen.
Waarom heeft het kabinet de maandelijkse rapportage over de uitvoer van militaire goederen na 31 maart 2025 niet meer geactualiseerd?
Het kabinet hanteert een grote mate van transparantie over de uit- en doorvoer van strategische goederen en loopt hiermee internationaal voorop. Het kabinet publiceert regelmatig kerngegevens over alle afgegeven vergunningen voor de uitvoer van militaire en dual-use goederen, evenals kerngegevens over de doorvoer van militaire goederen over Nederlands grondgebied.
Het streven is publicatie binnen twee maanden.
Door zware belasting bij exportcontrole bij Douane en het Ministerie van Buitenlandse Zaken als gevolg van de Ruslandsancties en de oorlog in de Gazastrook is de publicatie vertraagd. Het kabinet doet zijn uiterste best om de achterstanden in te lopen en inmiddels zijn de kerngegevens voor uitvoer van militaire goederen tot en met 31 mei 2025 gepubliceerd.3
Zijn er nu nog vergunningen geldig op basis waarvan doorvoer en uitvoer van militaire en dual-use goederen naar Israël mogelijk is? Zo ja, kunt u heel specifiek voor elke vergunning aangeven welke goederen en welke waarde het betreft?
Voor militaire goederen zijn er op dit moment zeven vergunningen geldig waarmee door- en uitvoer naar Israël mogelijk is. Het gaat hier om goederen als communicatiesystemen, technologie voor radarsystemen, delen voor onbemande voertuigen, elektronica voor vliegerhelmen, programmatuur voor observatiesystemen en delen voor geleide projectielen.
Voor de uitvoer van delen voor radarsystemen geldt dat dit radaronderdelen betreffen ten behoeve van het Iron Dome-luchtafweersysteem, waarmee inkomende dreigingen gedetecteerd en uitgeschakeld kunnen worden.
Met uitzondering van de delen voor radarsystemen ten bate van het Iron Dome-luchtafweersysteem, conform de motie Kahraman4, geldt dat er bij alle geldige vergunningen sprake is van (tijdelijke) uitvoer ten behoeve van verdere productontwikkeling of reparatie- en/of onderhoudsdoeleinden in Israël waarbij er geen sprake is van eindgebruik in Israël.
Voor de verleende dual-use vergunningen tot en met juni 2025, inclusief informatie over de geldigheid, omschrijving en waarde ervan, verwijst het kabinet naar het document «Rapportage uitvoer dual-use goederen geactualiseerd tot en met juni 20255». In de periode 1 juli 2025 tot 1 augustus 2025 zijn na zorgvuldige toetsing aan de Europese exportcontrolekaders vijf dual-use vergunningen aan civiele bedrijven in Israël verleend.
De verleende vergunningen zijn uitsluitend voor transacties met medisch of civiel eindgebruik. In geen van deze gevallen is sprake van eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht of andere eindgebruikers met een geweldsmandaat. In één geval betrof het de definitieve uitvoer van meetsystemen ter waarde van circa 31 miljoen euro. Eenmaal betrof het de definitieve uitvoer van technologie voor infraroodcamera’s ter waarde van circa 25 duizend euro. Tweemaal betrof het de definitieve uitvoer van gestuurde vonkbruggen ter waarde van circa 16 duizend, respectievelijk circa 19 duizend euro. De laatste vergunning betrof de tijdelijke uitvoer van traagheidsnavigatiesystemen ter waarde van circa 24 miljoen euro. De verleende vergunningen hebben een geldigheid van één jaar.
Kunt u vóór het aanstaande commissiedebat over Gaza de maandelijkse rapportage actualiseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat een nationale boycot voor producten uit illegale nederzettingen op de lijst stond? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom heeft het kabinet er niet voor gekozen om met een nationale boycot voor te sorteren op het scenario dat er onvoldoende steun voor een Europese boycot is?
Zoals is vermeld in de Kamerbrief van 28 juli jl. heeft het kabinet besloten in samenwerking met gelijkgestemde partners zich in te spannen voor handelspolitieke maatregelen ten aanzien van goederenimport uit de door illegale nederzettingen, conform de motie van Campen en Boswijk.6 Als lidstaat van de Europese Unie is Nederland onderdeel van de interne markt, waarin vrij verkeer van goederen geldt. Een eventuele maatregel gericht op het weren van producten uit illegale nederzettingen is effectiever als deze op niveau van de Unie wordt genomen, ook met oog op de eventuele handhaving van een dergelijke maatregel.
Bent u bereid om de lijst, op basis van artikel 68 van de Grondwet, vóór het commissiedebat met de Tweede Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en vóór het commissiedebat beantwoorden?
De vragen zijn zoveel mogelijk separaat beantwoord en voor het debat verstuurd.
Het artikel ‘Schaduwvloot onder valse vlag’ |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), van Marum |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money van 20 juli 2025, getiteld «Schaduwvloot onder valse vlag», waarin wordt beschreven dat tientallen tankers van de Russische schaduwvloot onder de vlag van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten varen?1
Ja, waarbij moet worden aangetekend dat Curaçao wel een internationaal scheepsregister heeft en dus schepen onder de Koninkrijksvlag geregistreerd in Curaçao niet per definitie onder een valse vlag varen.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze Caribische landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden worden gebruikt om Russische olie via valse vlaggen te transporteren en daarmee internationale sancties te omzeilen?
De aanpak van omzeiling van internationale sancties door Rusland blijft een prioriteit voor het kabinet. Het kabinet acht het zeer onwenselijk dat deze sancties worden omzeild, in het bijzonder wanneer dit gebeurt door het onrechtmatig gebruik van een vlag van een de landen van het Koninkrijk.
Bent u het eens dat dit het imago en de geloofwaardigheid van het Koninkrijk ernstige schade toebrengt? Zo ja, welke maatregelen overweegt u om dit tegen te gaan?
Het gebruik van niet-bestaande vlaggen, dan wel onrechtmatig gebruik van bestaande vlaggen acht ik zeer onwenselijk. Het is een steeds vaker voorkomend probleem en is daarom helaas niet uniek. Tegelijkertijd, het feit dat Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten internationaal actief zijn in het registreren en adresseren van dit soort frauduleuze praktijken, draagt bij aan de internationale reputatie van het Koninkrijk en hier blijf ik mij voor inzetten.
Bent u het eens dat het ontwijken van sancties via Caribische scheepsregisters onacceptabel is, landen als Rusland en Iran in de kaart speelt en een ondermijning vormt van de internationale sanctieregimes?
Ja. Tegengaan van sanctieomzeiling is absolute prioriteit van het kabinet. Omzeiling ondermijnt de effectiviteit en het draagvlak van de sancties. Daarom heb ik recentelijk, samen met collega’s van 13 andere Europese landen, een verklaring uit doen gaan waarin wordt opgeroepen tot verdere gezamenlijke en gecoördineerde actie om Russische pogingen om internationale sancties te omzeilen, specifiek in relatie tot de Russische schaduwvloot, effectief aan te pakken.2
Is er naar uw oordeel voldoende zicht binnen Nederland en de andere landen van het Koninkrijk op het aantal schepen met een Caribische vlag die momenteel zijn geregistreerd en olie vervoeren voor Rusland of Iran?
Behalve Nederland en Curaçao, hebben andere landen of eilanden in het Koninkrijk geen internationaal vlagregister. In de context van het zeerecht betekent dit dat schepen die varen onder de niet-bestaande vlag van Aruba of Sint Maarten in strijd handelen met internationale afspraken, waaronder het VN-Zeerechtverdrag (UNCLOS). Dit geldt ook voor schepen die met vervalste Curaçaose vlag- en scheepcertificaten varen. Op het moment van schrijven zijn er echter geen tankers formeel geregistreerd in het scheepsregister van Curaçao, want betekent dat alle tankers die momenteel rondvaren onder Curaçaose vlag- en scheepscertificaten frauduleus zijn.
Omdat deze schepen niet onder de maritieme registerverantwoordelijkheid vallen van de landen, is er ook geen (toe)zicht op deze schepen vanuit de landen van het Koninkrijk. In algemene zin geldt dat deze malafide schepen zeer lastig te traceren en aan te pakken zijn, juist vanwege het feit dat zij niet zijn geregistreerd. Het exacte aantal schepen is continu fluctuerend. Momenteel is er sprake van enkele tientallen schepen, waaronder zowel olietankers als andere soorten van schepen die niet geregistreerd zijn.
Welke stappen heeft het kabinet sinds de invoering van de Europese Unie (EU)-sancties genomen om te voorkomen dat schepen die de vlag voeren van één van de landen van het Koninkrijk worden ingezet voor de Russische schaduwvloot, en welke aanvullende maatregelen neemt Nederland samen met Aruba, Curaçao en Sint-Maarten om te zorgen voor striktere controle op scheepsregistraties en de naleving van internationale sancties?
Schepen die staan geregistreerd in het Nederlandse of Curaçaose internationale vlagregister zijn onderhevig aan vlaggenstaatcontrole, inclusief de naleving van internationale sancties. De Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is hiervoor in Nederland verantwoordelijk, de Maritieme Autoriteit Curaçao (MAC) draagt deze verantwoordelijkheid voor schepen in het internationale register van Curaçao. Dit geldt echter niet voor malafide registraties, ongeacht onder welk land in het Koninkrijk deze frauduleus geregistreerd staan. Voor de malafide registraties wordt in Koninkrijksverband nauw samengewerkt door de maritieme administraties van de vier landen van het Koninkrijk. Dat gebeurt in samenwerking met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de (Caribische) Kustwacht. De Koninkrijksdelegaties die deelnemen aan vergaderingen bij de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) adresseren daar actief de problematiek aangaande de schaduwvloot.
Aanvullend zet Nederland zich actief in EU-verband in op het sanctioneren van individuele schepen, waarmee onder andere havenverboden kunnen worden opgelegd aan individuele schepen die sterke banden hebben met Rusland.
Overwegende dat de regering van Sint-Maarten aangeeft niet de capaciteit te hebben om onderzoek te doen naar schepen buiten haar territoriale wateren en daarmee het risico blijft bestaan dat de Russische schaduwvloot wordt gefaciliteerd, op welke wijze gaat Nederland de andere landen binnen het Koninkrijk ondersteunen, en bent u bereid daarbij ook te kijken naar het opzetten of versterken van eigen scheepsregisters met verbeterd toezicht?
Sint Maarten is een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden en het is dan ook aan Sint Maarten om te bepalen hoe op te treden tegen schepen die onterecht onder zijn vlag varen. Nederland zal Sint Maarten waar mogelijk ondersteuning aanbieden, met eerbiediging van de verdeling van verantwoordelijkheden zoals vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.
Op dit moment wordt binnen de samenwerking vanuit Nederland en het Koninkrijk er al actief ingezet om alle belanghebbenden op de hoogte te brengen dat Sint Maarten en Aruba geen internationaal vlagregister hebben. Daarnaast blijven Nederland en het Koninkrijk met andere landen binnen en buiten Internationale Maritieme Organisatie (IMO) zoeken naar verdere mogelijkheden om deze praktijken te stoppen.
Beschikt Nederland over juridische mogelijkheden om schepen die onder de vlag van Aruba, Curaçao of Sint-Maarten varen en betrokken zijn bij sanctieontwijking te inspecteren, aan te houden of hun vlagregistratie ongeldig te verklaren?
Zolang schepen onder de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden varen en in het vlagregister van Nederland of Curaçao staan ingeschreven, is het voor de vlaggenstaat juridisch mogelijk deze aan te houden, beperkingen op te leggen of zelfs de vlag te ontnemen. Zoals al aangegeven in de antwoorden op vraag 5 en 7, handelen schepen die onder de in het zeerecht niet-bestaande vlag van Aruba of Sint Maarten varen in strijd met internationale verdragen en afspraken en kunnen deze schepen worden beschouwd als een schip zonder nationaliteit. Dit geldt ook voor schepen die met vervalste Curaçaose vlag- en scheepcertificaten varen. Er zijn juridische mogelijkheden om deze schepen, zodra zij de territoriale zee in varen, aan te houden. Daarnaast is het mogelijk om in Nederlandse havens inspecties uit te voeren. Buiten de territoriale zee zijn de mogelijkheden beperkter, echter kan wel op vrijwillige basis informatie opgevraagd worden en is het mogelijk schepen te begeleiden. De Kustwacht heeft recent met twee door de EU gesanctioneerde schaduwvlootschepen met een valse Arubaanse vlag contact gelegd met de kapiteins. Er is gewezen op de verantwoordelijkheid voor de veilige vaart van het schip, de scheepsdocumenten zijn opgevraagd en ook zijn deze schepen begeleid door een gedeelte van de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van Nederland. Deze acties hebben plaatsgevonden van 17 op 18 augustus en van 27 op 28 augustus. Op dit moment werken de betrokken ministeries uit wat er aanvullend nog ondernomen kan worden, waarbij er zowel naar de juridische en operationele mogelijkheden gekeken wordt. Voorbereidingen worden getroffen om inspecties op ankerplaatsen mogelijk te maken van schepen onder de niet-bestaande scheepsregisters van landen in het Koninkrijk.
Overwegende dat volgens het artikel westerse rederijen oude tankers hebben verkocht aan dubieuze partijen waardoor deze later deel zijn gaan uitmaken van de schaduwvloot, welke mogelijkheden ziet u om de verkoop van verouderde schepen naar derde landen beter te monitoren en te reguleren?
Er geldt nu al een meldplicht binnen de EU ten aanzien van de verkoop van olietankers. Op basis van informatie-uitwisseling binnen de EU kan hier vervolgens verder op gehandeld worden. Het kabinet zet zich tegelijkertijd voortdurend in Europees verband in om de sancties effectiever te maken en maatregelen te versterken, en zal zich daar ook in dit kader voor inzetten.
Mantelzorg- en familiewoningen bij woonwagens en op kampjes |
|
Derk Boswijk (CDA), Eline Vedder (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Klopt het dat het op eigen erf vergunningvrij bijbouwen van een mantelzorg- of familiewoning, zoals geregeld wordt in de Wet Versterking regie op de volkshuisvesting, niet mogelijk wordt voor bewoners van woonwagens en kampjes, bijvoorbeeld vanwege het ontbreken van een woonbestemming of omdat het bouwvlak dit niet toelaat?
De vergunningvrije mogelijkheden om bijgebouwen te gebruiken voor de huisvesting in verband met mantelzorg- en familiewoningen geldt inderdaad niet voor woonwagens. Daarmee sluit de ontwerpregeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting aan bij het Besluit omgevingsrecht dat tot 1 januari 2024 gold. Een vergelijkbare regel is opgenomen in de bruidsschat, die deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024.
De reden hiervoor is gelegen in de specifieke aard (verplaatsbaar; op standplaats geplaatst) van het bouwwerk. Vanwege deze specifieke aard kan een ruimtelijke beoordeling in het kader van een vergunningplicht van de toelaatbaarheid van de bouw van een mantelzorgwoning bij een woonwagen als noodzakelijk worden geacht. Het blijft mogelijk voor gemeenten om zelf te bepalen of vergunningvrijstelling van mantelzorg- en familiewoningen toelaatbaar is bij woonwagens via het omgevingsplan.
Indien dit niet het geval is, voor welke categorieën woonwagens en kampjes wordt dit wél mogelijk? Welke voorwaarden gelden er dan om vergunningvrij bij te kunnen bouwen?
Indien het gaat om een bestaand bouwwerk bij een woonwagen is, op grond van de bruidsschat omgevingsplan, het gebruiken van een bestaand bouwwerk bij een woonwagen voor de huisvesting in verband met mantelzorg wel vergunningvrij voor de omgevingsplanactiviteit. Mijn voornemen is om deze bepaling over te nemen in het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuisvesting.
Zijn er, naast het ontbreken van een woonbestemming of bouwvlak, nog andere redenen waarom bewoners van woonwagens en kampjes geen gebruik zouden kunnen maken van de mogelijkheid tot vergunningvrij bijbouwen van een mantelzorg- of familiewoning?
Zie het antwoord op vraag 1.
Bent u bekend met het tekort aan standplaatsen voor woonwagenbewoners?
Ik ben hiermee bekend.
Welke eisen gelden er straks voor het opstellen van volkshuisvestingsprogramma’s in de woningbouwregio’s ten aanzien van het aantal standplaatsen voor woonwagenbewoners?
Gemeenten zullen in dat volkshuisvestingsprogramma moeten gaan beschrijven op welke wijze zij voorzien in de woonbehoefte van ouderen en aandachtsgroepen waaronder dus woonwagenbewoners. Gemeenten moeten in hun woningbouwregio tot gezamenlijke afspraken komen over de opgave die iedere gemeente hierin neemt, waaronder dus ook bij de huisvesting van woonwagenbewoners.
Zou u bovenstaande vragen ook kunnen beantwoorden voor woonwagenbewoners die wonen en ondernemen op bedrijventerreinen? Wordt bij de toepassing van het vergunningvrij bijbouwen hier ook rekening gehouden met de combinatie van wonen en werken?
Bij de regeling wordt rekening gehouden met de combinatie van wonen zoals mantelzorg- en familiewoningen bij bedrijven waar ook woningen worden toegelaten. Het hangt echter van de lokale omstandigheden af of een mantelzorg- of familiewoning is toegestaan bij een bedrijfsgebouw met een woonwagen als bedrijfswoning. Indien het bedrijf is gevestigd in het hoofdgebouw, dan is het mogelijk dat zowel een mantelzorg- of familiewoning als een bedrijfswoning in de vorm van een woonwagen is toegestaan.
Het bericht ‘EU-ministers nemen geen maatregelen tegen Israël, houden opties op tafel’ |
|
Jan Paternotte (D66), Kati Piri (PvdA), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP), Christine Teunissen (PvdD), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Wat was de inzet van Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juli? Heeft u voorgesteld sancties in te stellen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Mede indachtig de motie Piri/Paternotte1, heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 15 juli jl. benadrukt dat moet worden ingezet op implementatie van het akkoord tussen de EU en Israël over de toegang van humanitaire hulp tot de Gazastrook. Nederland kondigde aan bereid te zijn om bij te dragen aan de implementatie van het akkoord, via een extra humanitaire contributie. Het kabinet zag het akkoord als een stap in de goede richting, maar heeft meteen aangegeven dat het zo snel mogelijk zou moeten worden geïmplementeerd en dat het cruciaal is dat Israël de met de EU gemaakte afspraken nakomt. Bovenal zal Israël meer stappen moeten zetten om de hulpverlening te faciliteren, zoals door het openen van alle grensovergangen en het wegnemen van belemmeringen voor distributie van hulp door professionele, gemandateerde hulporganisaties. Mede vanwege inspanningen van Nederland is bedongen dat wekelijks gerapporteerd wordt over de implementatie van het akkoord en dat alle beoogde maatregelen op tafel blijven liggen. Op 23 en 29 juli jl. rapporteerden de Europese Dienst voor Extern Optreden en de Europese Commissie over de voortgang van de implementatie van het akkoord. Hieruit werd geconcludeerd dat Israël de gemaakte afspraken vooralsnog in onvoldoende mate nakomt.
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 28 juli jl. heeft het kabinet besloten over te gaan tot concrete maatregelen. Op EU-niveau zet Nederland zich in voor opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord met Israël en steunt het de voorgestelde opschorting van Israëlische deelname aan het Accelerator programma van de European Innovation Council, als onderdeel van Horizon Europe. Tevens zal het kabinet in samenwerking met gelijkgestemde partners pleiten voor een voorstel van de Europese Commissie voor handelspolitieke maatregelen ten aanzien van goederenimport uit de illegale nederzettingen in bezet gebied, conform de motie Van Campen en Boswijk.2 Nationaal is de Israëlische ambassadeur op 29 juli jl. op ministerieel niveau ontboden, waarbij Nederland met klem heeft aangedrongen op naleving van het internationaal humanitair recht. Tevens heeft het kabinet besloten de Israëlische Ministers Smotrich en Ben-Gvir persona non grata te verklaren en zet het in op hun registratie als ongewenste vreemdelingen in het Schengeninformatiesysteem (SIS), vanwege hun herhaalde aanzetten tot geweld door kolonisten, hun oproepen tot etnische zuivering in Gaza en hun actieve steun voor de uitbreiding van illegale nederzettingen.
Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in juli jl. eveneens het belang van sancties tegen gewelddadige kolonisten en kolonistenorganisaties benadrukt. Desondanks kon wederom geen akkoord worden bereikt over het derde sanctiepakket dat voorligt in de Raad en is opgesteld door Nederland en Frankrijk. Nederland blijft zich samen met Frankrijk onverminderd inzetten voor aanname van dit pakket. Zoals reeds bekend in uw Kamer heeft Nederland het Zweedse initiatief gesteund met betrekking tot het opleggen van sancties tegen extremistische Israëlische Ministers, in lijn met de gewijzigde motie Klaver.3 Nederland benadrukte tevens de aankondiging van Minister Smotrich om de banking waiver in te trekken niet mag worden geformaliseerd en dat Israël de clearance revenues aan de Palestijnse Autoriteit moet overmaken.
Hoe heeft u opvolging gegeven aan uw uitspraken tijdens het commissiedebat over de Raad Buitenlandse Zaken waar u zei dat u bereid was als Nederland zelf stappen te zetten als er op 15 juli nog geen bestand zou zijn en de Europese Unie (EU) geen overeenstemming zou bereiken?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u met de Kamer delen welke afspraken er concreet zijn gemaakt met Israël over het toelaten en distribueren van humanitaire hulp? Aan welke voorwaarden moet Israël bij de eerste deadline over twee weken voldoen?
De gemaakte afspraken tussen de EU en Israël zien onder meer toe op een toename van het aantal vrachtwagens dat dagelijks de Gazastrook binnenkomt; de opening van verschillende andere grensovergangen (zoals de grensovergangen bij Zikim in het noorden van de Gazastrook en Kisuffim in het zuiden); de opschaling van aanvoerroutes over land vanuit Jordanië en Egypte; het mogelijk maken van de distributie van voedselvoorraden via bakkerijen en openbare keukens in de hele Gazastrook; de hervatting van dagelijkse invoer van circa 200.000 liter brandstof voor humanitair gebruik en toegang voor de VN tot deze brandstof; de bescherming van hulpverleners; het verbeteren van procedures voor de registratie van ngo’s; toegang voor vuilniswagens en verruiming van toegang tot vuilstortplaatsen; herstel van essentiële humanitaire infrastructuur; en herstel van toegang tot water.
Welke actie gaat u ondernemen als Israël niét aan deze voorwaarden voldoet?
Zie antwoord vraag 1.
Waarop baseerde u zich bij de uitspraak: «Ik zie bijvoorbeeld dat er gisteren 180 vrachtauto's gingen en eergisteren 160.»?1
Deze uitspraak was gebaseerd op informatie uit diplomatieke contacten.
Zijn er naast afspraken over humanitaire hulp ook afspraken gemaakt over de aanvallen die Israël nog steeds uitvoert, zowel in Gaza als op de Westelijke Jordaanoever? Zo ja, welke afspraken zijn dit?
Het akkoord tussen de EU en Israël ziet niet toe op de gevechtshandelingen in de Gazastrook. Het kabinet onderstreept dat het van belang is dat naast afspraken over toegang voor humanitaire hulp er ook een onmiddellijk staakt-het-vuren komt en dat alle partijen zich aan het internationaal humanitair recht houden. De oorlog moet stoppen.
Wilt u deze vragen vóór woensdag 24 juli om 10.00 uur beantwoorden?
Er is getracht te voldoen aan een zo spoedig mogelijke beantwoording.
Berichten dat Laos militairen naar Rusland stuurt voor hulp bij mijnenruiming |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waarin gemeld wordt dat Laos op verzoek van Moskou militairen naar Koersk stuurt om Russische troepen te ondersteunen bij het ruimen van mijnen?1
Ja.
Klopt het dat het hierbij gaat om zogeheten «sappeurs» die mogelijk hun opleiding onder meer hebben genoten met steun van de Europese Unie, onder programma’s voor humanitaire ontmijning? Bent u bereid uit te zoeken of dit daadwerkelijk militaire ingenieurs zijn die mede door de Europese Unie opgeleid zijn?
De berichtgeving dat Laos op verzoek van Moskou militairen naar Rusland stuurt voor hulp bij mijnenruiming is tot op heden noch door Laos, noch door andere bronnen bevestigd. In gesprekken tussen de autoriteiten van Laos en de EU is navraag gedaan naar de kwestie. De autoriteiten aldaar ontkennen de berichten, wijzen op hun neutrale opstelling in de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de ontbrekende capaciteit in Laos. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor nader onderzoek. Mocht er nieuwe informatie naar voren komen die aanleiding geeft tot nader onderzoek, dan zal het kabinet dit in overweging nemen.
Wat is de aard en omvang van de steun die de Europese Unie (of Nederland afzonderlijk) verleent of heeft verleend aan Laos in de vorm van militaire of civiele trainingen, materieel of financiële steun voor capaciteitsopbouw op het gebied van mijnenruiming?
In de periode 2016–2020 heeft de EU naar schatting 5 miljoen euro bijgedragen aan humanitaire ontmijningsactiviteiten in Laos. Deze steun betrof financiering voor het United Nations Development Programme, de Laotiaanse ontmijningsinstanties en NGO’s die zich inzetten voor ontmijning in Laos, zoals UXO Lao en de Mines Advisory Group. De steun was gericht op slachtofferhulp, verwijdering van landmijnen, en risicovoorlichting over eerstehulpverlening en het veilig omgaan met landmijnen. Er is geen EU-steun aangewend voor steun aan militaire structuren.
In de periode 2012–2023 heeft Nederland in totaal 6,7 miljoen euro bijgedragen aan humanitaire ontmijningsactiviteiten in Laos. Deze steun werd uitgevoerd via een partner INGO. Met deze bijdrage zijn landmijnen geruimd, is mogelijk besmet gebied in kaart gebracht, is risicovoorlichting aan de bevolking gegeven en slachtofferhulp verleend. Ook zijn lokale autoriteiten ondersteund bij databeheer en het toezien op kwaliteitsstandaarden in relatie tot ontmijning. De financiering kwam uit ODA-middelen. Er is ook geen Nederlandse steun aangewend voor steun aan militaire structuren.
Welke voorwaarden en garanties zijn er gevraagd (en verkregen) over het gebruik van de expertise die met steun van de Europese Unie is opgedaan?
Voor zover bekend is de EU-steun altijd gericht geweest op verwijdering van landmijnen, het in kaart brengen van besmette gebieden, slachtofferhulp, en risicovoorlichting over hoe veilig om te gaan met mijnen in Laos, en zijn deze activiteiten ook altijd tot deze regio beperkt gebleven.
Deelt u de mening dat er een zo stevig mogelijk signaal richting Laos (en andere landen) afgegeven moet worden dat steun geven aan Rusland, zodat die de agressieoorlog tegen Oekraïne voort kan zetten, volstrekt niet geaccepteerd wordt, omdat dit land (en anderen) zich anders mogelijk aangemoedigd voelt om meer steun te verlenen?
Het verlenen van directe of indirecte steun aan Rusland in het kader van de illegale en onrechtvaardige oorlog tegen Oekraïne is volstrekt onaanvaardbaar. Nederland onderstreept dit standpunt consequent in bilateraal en multilateraal verband, en benadrukt daarbij doorlopend dat het faciliteren van Russische agressie door derde landen duidelijke consequenties zal hebben.
Deelt u de mening dat dit soort acties door Laos in strijd zijn met de Europese lijn om geen militaire ondersteuning te geven aan Rusland, en dat dit gevolgen moet hebben voor de diplomatieke en economische relatie met Laos?
Zie antwoord 2 en 5.
Bent u bereid binnen de Europese Unie aan te dringen op (her)onderzoek van bestaande partnerschappen en steunprogramma’s met Laos, in het licht van deze recente ontwikkeling? Zo nee, waarom niet?
Conform mijn antwoord op vraag 2 en vraag 3 is (her)onderzoek van bestaande partnerschappen en steunprogramma’s met Laos op dit moment niet aan de orde. Het kabinet zal verdere berichtgeving nauwgezet blijven volgen.
Welke diplomatieke stappen heeft Nederland inmiddels gezet of is Nederland van plan te zetten richting de regering van Laos om de stap om militaire ingenieurs naar Rusland te sturen af te keuren?
Via de EU is opheldering gevraagd aan Laos. Conform mijn antwoord op vraag 2 zijn verdere diplomatieke stappen op dit moment niet aan de orde.
Bent u bereid om – indien deze inzet van Laotiaanse militairen doorgang vindt – zowel op bilateraal niveau als binnen EU-verband te pleiten voor gerichte maatregelen, waaronder het opschorten van steunprogramma’s, visummaatregelen voor Laotiaanse betrokkenen en eventueel sancties?
Indien de berichtgeving bevestigd wordt zal het kabinet zich beraden op passende maatregelen. Dit is op dit moment echter niet aan de orde, conform mijn antwoord op vraag 2.
Op welke manier wordt in bredere zin geborgd dat militaire of civiele trainingen gefinancierd door de Europese Unie of Nederland niet (in)direct bijdragen aan operaties van Rusland of zijn bondgenoten?
Nederland en de Europese Unie hanteren strikte toetsingskaders om te voorkomen dat militaire of civiele trainingen aan operaties van Rusland of diens bondgenoten bijdragen. Daarnaast hanteren missies een eigen «due dilligence» beleid waarin missie-specifiek afwegingen over het delen van kennis en informatie worden gemaakt.
Nederland heeft voor veiligheidsmissies interne wegingskaders, waarbij altijd een inschatting van onbedoelde neveneffecten en afbreukrisico's bij een Nederlandse missie-bijdrage wordt gemaakt. Daarnaast is een politiek-bestuurlijke toets gebruikelijk en is er actief programma-monitoring. Ook worden financiële bijdragen bij verschillende missies via internationale non-gouvernementele organisaties gedaan, om corruptie en doorsluizing van financiële middelen tegen te gaan.
Het met 3D-printers maken van wapenonderdelen voor Oekraïne |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht waarin wordt gemeld dat Deense vrijwilligers thuis met 3D-printers onderdelen van wapens maken voor Oekraïne?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze Deense burgerinitiatieven binnen het kader van Europese wapensteun aan Oekraïne?
Wij erkennen de waarde van maatschappelijke civiele initiatieven om civiele goederen te maken, verzamelen en distribueren ter ondersteuning van Oekraïne. Deze burgerinitiatieven helpen bij de verdediging van Oekraïne. Daarnaast getuigen ze van betrokkenheid met de Oekraïense bevolking in hun verdediging tegen de Russische agressie.
In overeenstemming met de bepalingen van de Wet wapens en munitie is het in Nederland uitdrukkelijk verboden om wapens, munitie of wapenonderdelen te produceren zonder voorafgaande erkenning. Deze regelgeving heeft eveneens betrekking op onderdelen die met behulp van geavanceerde 3D-printtechnologie worden vervaardigd. Het initiatief nemen tot het afdrukken van een dergelijk wapen of onderdeel zonder de vereiste vergunning te hebben verkregen, leidt derhalve tot een strafbaar feit en wordt door de autoriteiten als zodanig aangemerkt.
Klopt het dat er in Nederland momenteel geen (vergelijkbare) mogelijkheden zijn voor burgers om bij te dragen aan de verdediging van Oekraïne via civiele toepassingen zoals 3D-printtechnologie? Zo nee, welke mogelijkheden zijn daar momenteel wel voor?
Aanvullend op de beantwoording onder vraag 2 geldt in Nederland op grond van de Wet wapens en munitie een algemeen geldend verbod op wapenbezit voor burgers. Deze wet biedt tevens een grondslag voor uitzonderingen op dit wapenverbod voor burgers, zoals een vergunning om te jagen. Vanwege de potentieel hoge risico’s van wapenbezit zijn uitzonderingen streng gereguleerd, en moeten burgers aantonen dat ze de wapens alleen zullen gebruiken voor een doel dat wettelijk is toegestaan, geen crimineel verleden hebben en de wapens en munitie in een kluis bewaren. Deze voorschriften en eisen hebben als doel de risico’s voor de samenleving te beperken.
De wet biedt mogelijkheden voor burgers om wapens, wapenonderdelen en munitie te vervaardigen. Hiervoor moeten burgers een bijzondere vergunning hebben: erkenning als wapenhandelaar op grond van artikel 9, tweede lid van de Wet wapens en munitie. Deze burgers moeten naast de bovengenoemde eisen ook de opleiding Vakexamen Handel in Wapens en Munitie (VHWM) van de Politieacademie volgen en het examen succesvol hebben doorlopen voordat ze deze erkenning kunnen krijgen. Voor het volgen van deze opleiding is een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) nodig en na verlening van de erkenning wordt de betrouwbaarheid van de persoon doorlopend getoetst. Hiermee wordt gewaarborgd dat wapens en munitie worden vervaardigd door burgers die hiervoor zijn opgeleid, betrouwbaar zijn en voldoen aan de veiligheidsvoorschriften.
Op grond van de Wet wapens en munitie zijn alleen deze erkenninghouders bevoegd om wapens, wapenonderdelen en munitie te vervaardigen. Dit geldt ook voor wapenonderdelen die gemaakt worden met 3D-printtechnologie. Het geven van een printopdracht om een 3D-wapen of wapenonderdeel, te vervaardigen zonder deze erkenning levert dan ook een strafbaar feit op.
Naast deze erkenning zijn goederen die specifiek worden ontwikkeld voor militair eindgebruik, zoals 3D-geprinte onderdelen van als militair goed gekwalificeerde wapens, onderhevig aan Nederlandse exportcontrolewetgeving op het moment dat deze Nederland verlaten. Zowel burgers met een officiële erkenning als Nederlandse bedrijven dienen bij export van dit soort goederen een vergunningaanvraag in te dienen bij de Nederlandse exportcontrole-autoriteiten. Zonder vergunning is de export van deze goederen niet toegestaan. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken toetst elke vergunningaanvraag zorgvuldig aan de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole (2008/944/GBVB) om vast te stellen of een vergunning wordt verleend.
Acht u het wenselijk dat Nederlandse burgers of bedrijven, onder strikte voorwaarden en toezicht, onderdelen voor militaire systemen produceren en doneren aan Oekraïne? Zo nee, waarom niet?
Nederlandse bedrijven dragen reeds bij aan de Nederlandse steun aan Oekraïne, onder andere door middel van productie van (onderdelen van) militaire systemen. Dit doen zij volgens de geldende wet- en regelgeving inclusief strikt toezicht. Hierbij is ook de Nederlandse exportcontrolewetgeving van toepassing. Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Mits wordt voldaan aan de strikte voorwaarden en toezicht zoals hierboven geschetst, kunnen Nederlandse burgers daaraan bijdragen.
Ziet u kansen voor het opzetten van een gecentraliseerd 3D-printprogramma in Nederland, mogelijk in samenwerking met het MKB en technische universiteiten, waarbij vrijwilligers en bedrijven via dual-use technologie kunnen bijdragen aan de Oekraïense verdediging?
3D-printing moet niet gezien worden als een doel op zich: de waarde van 3D-printing is afhankelijk van situatie en context. In de toepassingen waarin Defensie 3D-printing inzet is de meerwaarde dat onderdelen ter plaatse kunnen worden gefabriceerd, waarmee operaties minder afhankelijk worden van logistieke ketens. 3D-printing is, voor de massaproductie van materieel, zelden een efficiënte vervanging van normale industriële productietechnieken.
Wel wordt in de productieketen, ook bij de Nederlandse defensie-industrie ook gebruikt gemaakt van 3D-printing voor bijvoorbeeld de productie van componenten of bij de ontwikkeling van nieuwe producten en componenten. Het bedrijfsleven laat hiermee zien al over zulke capaciteiten te beschikken en die ook in te zetten in de toeleveringsketen.
Daarnaast is Nederland actief betrokken bij de ondersteuning van Oekraïne op het gebied van innovatieve technologieën. In samenwerking met tien Europese landen slaat Nederland de handen ineen om onder de vlag van het Europese Defensie Agentschap (EDA) en dankzij Kickstartfinanciering van Operationeel Beleid, een 3D-printing hub in Polen op te zetten. Het doel van de 3D-printing hub is om een blauwdruk te creëren die de deelnemende lidstaten kunnen gebruiken als invulling voor zowel de eigen 3D-print-operaties als ondersteuning voor Oekraïne. Deze inspanning toont aan dat wij ook bereid zijn om innovatieve oplossingen te verkennen en toe te passen ter ondersteuning van onze bondgenoten en partners.
Nederland zet zich dus al in via gevestigde en gereguleerde kanalen voor de productie en distributie van militaire hulp aan Oekraïne, waaronder het 3D-printen van wapenonderdelen. Dit waarborgt niet alleen de kwaliteit en veiligheid van de geleverde onderdelen maar ook dat alle activiteiten in overeenstemming zijn met internationale regelgeving en verplichtingen. Defensie focust vooral op de behoeftestelling van de Oekraïners op macro niveau, en ziet niet zo snel kansen om een dergelijk gecentraliseerd printprogramma op te zetten.
Bent u bereid te onderzoeken of in samenwerking met bijvoorbeeld TNO en de maakindustrie een programma kan worden opgezet om onderdelen van bijvoorbeeld drones, wapensystemen of voertuigen via 3D-printtechnologie te produceren en beschikbaar te stellen aan Oekraïne?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn er op dit moment technologische, juridische of politieke belemmeringen die een dergelijk initiatief in Nederland in de weg staan? Zo ja, welke zijn dat en bent u bereid deze aan te pakken?
De Wet wapens en munitie in Nederland regelt het bezit, de productie, de verkoop en het vervoer van wapens en munitie. Zoals opgemerkt in de beantwoording van vraag 2, is het op basis van de bepalingen van de Wet wapens en munitie uitdrukkelijk verboden om wapens, munitie of wapenonderdelen te produceren zonder voorafgaande erkenning. Deze regelgeving heeft eveneens betrekking op onderdelen die met behulp van geavanceerde 3D-printtechnologie worden vervaardigd. Het initiatief nemen tot het afdrukken van een dergelijk wapen of onderdeel zonder de vereiste vergunning te hebben verkregen, leidt derhalve tot een strafbaar feit en wordt door de autoriteiten als zodanig aangemerkt.
Momenteel loopt het traject voor de herziening van de Wet wapens en munitie. Hierin wordt alle problematiek rondom de huidige Wet wapens en munitie opgehaald en worden oplossingen verkend. De herziening dient ook toekomstbestendig te zijn en aan te sluiten bij technologische en juridische ontwikkelingen.
De berichten ‘Ov-beelden al gewist, onderzoeken naar Maccabi-supporters gestaakt’ en ‘Politie worstelde met 'wezenlijk andere vorm van geweld' tijdens Maccabi-rellen’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichten «Ov-beelden al gewist, onderzoeken naar Maccabi-supporters gestaakt»1 en «Politie worstelde met «wezenlijk andere vorm van geweld» tijdens Maccabi-rellen»?2
Ja.
Kunt u reflecteren op de bevindingen van de rapporten van de Inspectie Justitie en Veiligheid en het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement over het optreden van de politie en het Openbaar Ministerie rondom de Maccabi-rellen?
Voor mijn uitgebreide reflectie op het rapport van de Inspectie en Veiligheid verwijs ik u naar de beleidsreactie die ik op 16 juni jl. met uw Kamer heb gedeeld.3 Het onderzoek van het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement is uitgevoerd op verzoek van de Amsterdamse driehoek en ziet op het handelen van die driehoek. Op 16 juni jl. heeft de Amsterdamse driehoek zelf reeds in een brief aan de Amsterdamse gemeenteraad op het rapport gereflecteerd; ik treed daar als Minister verder niet in.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van advocaat Adem Çatbas, namelijk dat meermaals aan het Openbaar Ministerie gevraagd is of de opgevraagde beelden van de avond waren veiliggesteld en dat het antwoord uitbleef?
Het OM heeft mij laten weten dat het OM direct na ontvangst van de twee aangiften op 14 november 2024 deze heeft doorgezonden naar de politie met het verzoek om onderzoek te verrichten naar de genoemde strafbare feiten. De politie heeft onmiddellijk op 14 november contact gelegd met het GVB om eventueel beschikbare beelden op te vragen. Pas daarna bleek dat de camerabeelden met de installatie van nieuwe opnamerecorders waren overschreven; het OM is niet vooraf in kennis gesteld door het GVB dat zij hun camerasysteem zouden gaan vervangen. Nadat duidelijk werd dat er geen GVB-beelden beschikbaar waren, is de politie verzocht om ander beeldmateriaal te bekijken waarop de strafbare feiten mogelijk te zien zouden zijn geweest. De politie had immers al een bijzonder grote hoeveelheid beeldmateriaal veiliggesteld. Dit beeldmateriaal is onderzocht, maar daarop waren deze strafbare feiten niet zichtbaar. Daarnaast heeft de politie nog een openbronnenonderzoek verricht, maar ook dat leverde geen aanknopingspunten op voor de in de aangiften gedane strafbare feiten. Pas nadat al deze onderzoekshandelingen waren verricht, heeft het OM een inhoudelijke beoordeling gedaan.
Was het Openbaar Ministerie al langer op de hoogte van het feit dat de beelden gewist waren bij het vervangen van camera’s door de GVB? Zo ja, waarom heeft het Openbaar Ministerie dit niet eerder gecommuniceerd?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u reflecteren op de uitspraak van advocaat Adem Çatbas dat het opmerkelijk is dat de betreffende camerabeelden vroegtijdig zijn gewist doordat de GVB de camera’s vervangen heeft terwijl de hele stad in rep en roer was?
Het GVB is een zelfstandig bedrijf ten aanzien waarvan de Rijksoverheid geen concessieverlener is. Het past mij als Minister om die reden niet om te treden in het specifieke handelen van dit bedrijf in deze situatie.
Was er voor het Openbaar Ministerie aanleiding geweest om de camerabeelden op te vragen voordat er aangifte werd gedaan door de gedupeerden?
Zoals ik uw Kamer per brief van 8 november 2024 heb laten weten, is de prioriteit van de politie en het Openbaar Ministerie direct na de ongeregeldheden geweest om zoveel verdachten als mogelijk te identificeren en aan te houden.4 Daartoe is meteen een speciaal team samengesteld, dat zich onder meer heeft gericht op het verzamelen en bestuderen van grote hoeveelheden beeldmateriaal. In deze context is er direct een oproep uitgegaan aan een ieder die over informatie of beelden beschikte deze vrijwillig met de politie te delen. Het is echter niet mogelijk om in één keer álle beelden uit de stad te vorderen.
Het OM kan beelden vorderen op basis van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering mits er sprake is van een concrete verdenking van een gepleegd strafbaar feit. Locatie en tijd van het gepleegde feit zijn daarbij cruciaal voor het opvragen van die beelden. Die verdenking bestond dus mogelijk op het moment van de aangiften op 14 november, maar toen waren de betreffende beelden al overschreven.
Als de aanwezige politieagenten dit incident hadden geregistreerd, was er dan voldoende aanleiding geweest voor het Openbaar Ministerie om de desbetreffende camerabeelden al op te vragen voordat er aangifte werd gedaan? Zo nee, waarom niet?
Over dit specifieke incident is geen informatie vastgelegd in de politiesystemen. Dat maakt het lastig om met zekerheid te achterhalen of en op welke wijze politiemensen aanwezig waren bij het incident, laat staan om over hun mogelijke handelen – en de vraag of anders handelen tot een andere uitkomst had geleid – te speculeren.
Zoals reeds aangegeven in het antwoord op vraag 6, is een speciaal team direct na de ongeregeldheden met prioriteit aan de slag gegaan met het verzamelen en bestuderen van grote hoeveelheden beeldmateriaal. Meteen overal álle beelden uit de stad vorderen is echter niet mogelijk.
Bent u van mening dat het Openbaar Ministerie proactiever had kunnen en moeten handelen bij het veiligstellen van de camerabeelden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Ziet u mogelijkheden om in het vervolg te voorkomen dat camerabeelden van incidenten vroegtijdig worden gewist? Zo ja, welke?
Het GVB is een zelfstandig bedrijf dat zijn eigen cameraprotocol hanteert. Het cameraprotocol van het GVB is opgenomen in hun privacyverklaring, die voor eenieder openbaar raadpleegbaar is op de website van het bedrijf. Nu de Rijksoverheid hier geen rol in heeft, volsta ik met een verwijzing naar deze website.
Bent u bereid stappen te ondernemen die bijdragen aan het voorkomen van het vroegtijdig wissen van camerabeelden die als bewijsmateriaal kunnen dienen bij incidenten, zoals bijvoorbeeld het proactief verzamelen van de beelden voordat aangifte is gedaan? Zo nee, waarom niet?
Het hanteren van een cameraprotocol is in het geval van een zelfstandig bedrijf een verantwoordelijkheid van dat bedrijf zelf. Nu het hier een bedrijf betreft waarvoor de Rijksoverheid geen concessieverlener is, heb ik daar als Minister niet in te treden. Op het proactief en ongericht verzamelen van grote hoeveelheden beelden ben ik in de beantwoording van vraag 6 ingegaan.
Bestaat er een protocol rondom het bewaren van beveiligingsbeelden? Zo ja, wat houdt deze in en is deze door de GVB nageleefd in de beschreven situatie?
Zie antwoord vraag 9.
Wordt er in het protocol rondom het bewaren van beveiligingsbeelden een minimale termijn gehanteerd waarin de beelden bewaard dienen te worden?
Zie antwoord vraag 9.
Als dit niet het geval is, ziet u dan ruimte voor het opnemen van een minimale termijn van het bewaren van camerabeelden? Zo nee, waarom niet?
Hoewel ik alle begrip heb voor de teleurstelling en frustratie die deze situatie oproept bij aangevers, acht ik het niet proportioneel om naar aanleiding van wat ik hoop dat een incident zal blijken te zijn, te grijpen naar een relatief zwaar instrument als het instellen van een wettelijke minimumbewaartermijn.
De beveiliging van Joodse en Amerikaanse locaties |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) |
|
|
|
|
Heeft u er kennis van genomen dat Frankrijk de beveiliging van Joodse en Amerikaanse instellingen in het hele land heeft verscherpt naar aanleiding van het escalerende conflict tussen Iran en Israël?1
Ja.
Is het naar uw mening nodig om ook in Nederland Joodse en Amerikaanse locaties extra te beveiligen als gevolg van de ontwikkelingen in het Midden-Oosten? Zo nee, waarom niet?
De veiligheid van Joodse, Israëlische en Amerikaanse instellingen in Nederland heeft onze voortdurende aandacht. Op dit moment staat het dreigingsniveau in Nederland op substantieel (niveau 4 van 5). Dat betekent dat een aanslag in Nederland reëel is. Bij een verhoogde dreiging of risico ten aanzien van deze instellingen, worden passende maatregelen genomen. Uiteraard volgen de veiligheidspartners daarbij de ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend, mede met het oog op de mogelijke impact die het kan hebben in Nederland.
Welke maatregelen heeft u al ondernomen om Joodse en Amerikaanse locaties binnen Nederland extra te beveiligen?
Vanwege veiligheidsoverwegingen doe ik in het openbaar nooit uitspraken over maatregelen die worden getroffen ten behoeve van de veiligheid van individuele instellingen of personen. Wel kan ik u verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. Daarnaast vindt ten aanzien van Joodse en Israëlische instellingen al langere tijd een afweging plaats of en zo ja welke, additionele veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. Dat zal ook gelden voor Amerikaanse instellingen in Nederland indien dreiging of risico daartoe aanleiding geven. Het is uiteindelijk aan het betreffende lokale gezag om waar nodig die (additionele) maatregelen te treffen. Daar waar het objecten betreft die zijn opgenomen in het rijksdomein van het stelsel bewaken en beveiligen, is de NCTV hier altijd nauw bij betrokken.
Welke maatregelen neemt u om Joodse en Amerikaanse locaties binnen Nederland extra te beveiligen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen met spoed, zo snel mogelijk, beantwoorden?
Ik heb gestreefd deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden.
De berichten ‘Wonen boven winkels komt niet van de grond: gemeentelijke eisen vaak hindernis’ en ‘Parkeernormen houden ombouwen lege verdiepingen boven winkels naar woningen tegen’ |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Zou u willen reageren op de bevindingen in de artikelen «Gemeentelijke eisen vaak hindernis» en «Parkeernormen houden ombouwen lege verdiepingen boven winkels naar woningen tegen»?1, 2
Ja.
Hoe beziet u het feit dat midden in een wooncrisis circa 50.000 lege verdiepingen boven winkels in Nederland niet worden ingezet om het woningtekort terug te dringen?
Ik geef in samenhang antwoord op vragen 2 en 3. Ik vind het aanpakken van leegstand van belang om de woningnood in Nederland te verlichten. Het transformeren van lege verdiepingen boven winkels helpt daarbij, maar is vaak uitdagend. Dit komt doordat de aanpak dikwijls maatwerk vergt, arbeidsintensief is en vaak duur is. Het gaat dus niet vanzelf. Daarom zet ik mij op verschillende manieren in om lege verdiepingen boven winkels te transformeren naar woningen.
Medio 2024 is samen met marktpartijen, overheidsorganisaties, en kennis- en onderzoeksinstellingen een Versnellingsagenda opgesteld.3 In deze agenda staan verschillende initiatieven om transformaties aan te jagen. Zo heb ik in december 2024 de Transformatiefaciliteit verhoogd met € 70 miljoen naar € 150 miljoen. Dit instrument zorgt ervoor dat (kleine) ontwikkelaars een lening kunnen ontvangen waarmee ze de voorfase van hun transformatieprojecten kunnen financieren, zoals het transformeren van leegstaande verdiepingen boven winkels naar woningen.4 Daarnaast is onlangs de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen aangepast. Zo is het bedrag per woning van € 7.800 opgehoogd naar € 14.000 en hoeft het project niet binnen één jaar te zijn gerealiseerd maar moet de start van de werkzaamheden binnen 1,5 jaar beginnen.5
In juni 2023 is de City Deal «Dynamische Binnensteden – Regie op transformatie» van start gegaan met een looptijd van vier jaar.6 Daarin werk ik samen met tien steden, drie andere departementen (BZK, EZ en Jenv) en drie platformorganisaties aan een aantrekkelijke en toekomstbestendige binnenstad. Binnen één van de projecten onderzoek ik het vergroten van mogelijkheden voor de intensivering van winkelpanden, waaronder wonen boven winkels.
Daarnaast kan door gemeenten, provincies, woningbouwcorporaties en initiatiefnemers het Nationaal Transformatieloket worden geraadpleegd voor kennis en expertise over wonen boven winkels. Via dit loket kan het Expertteam Woningbouw worden ingeschakeld om ondersteuning bij concrete projecten te bieden.7
Hoe gaat u zich inspannen om zoveel mogelijk van deze verdiepingen boven winkels om te zetten naar woonruimte?
Zie antwoord vraag 2.
Zou u concreet willen aangeven welke acties, binnen welk tijdspad, u gaat ondernemen bovenop bestaand beleid en bestaande initiatieven?
Bovengenoemde initiatieven zijn deels nieuwe of recent opgestarte initiatieven en beleid. Geïnspireerd door het succes van de Impulsaanpak Winkelgebieden ben ik samen met het Ministerie van Economische Zaken, de Retailagenda en de City Deal Dynamische binnensteden op zoek naar manieren om gebiedstransformaties in centra van steden en dorpen te ondersteunen. Gemeenten staan voor de opgave de dorps- en stadscentra aan te passen naar dynamische, multifunctionele gebieden waar wonen, werken, recreatie, cultuur en maatschappelijke voorzieningen samenkomen. Dit is essentieel voor de leefbaarheid, veiligheid, en economische vitaliteit van deze gebieden. De Impulsaanpak heeft laten zien dat publiek-private samenwerking goed werkt om gebiedstransformaties te realiseren. Ook zijn dankzij de Impulsaanpak veel winkelpanden en ruimtes boven winkels naar woningen getransformeerd. Om dit kracht bij te zetten, werk ik met allerlei maatschappelijke partijen, van pensioenfondsen tot woningcorporaties en van gemeenten tot vastgoedpartijen, aan een Pact voor dorps- en stadscentra. Eind 2025 willen partijen concrete afspraken maken over de invulling van dit pact.
Wat zijn in uw ogen de oorzaken van het feit dat het aantal woningtransformaties ver achterblijft bij de ambitie van 15.000 woningen per jaar?
Ik heb als doel om jaarlijks 100.000 woningen te realiseren. Om dit te bereiken stimuleer ik zowel nieuwbouw als het beter benutten van bestaande bebouwing en bijbehorende omgeving. (Vastgoed)transformatie maakt hier een belangrijk onderdeel van uit en kent geen separate doelstelling. De afgelopen 10 jaar zijn er per jaar gemiddeld 10.000 woningen opgeleverd door vastgoedtransformatie. De woningbouw, en daarmee ook transformatie, heeft last gehad van ongunstige economische omstandigheden (stijgende rente en bouwkosten) in 2022 en 2023. Dit werkt met vertraging door. Ook is veel «laaghangend fruit» bij met name kantoren (qua aantallen het grootste aandeel in transformaties) al geplukt. Veel geschikte kantoorpanden zijn inmiddels al getransformeerd, waardoor het aandeel transformaties vanuit andere functies relatief toeneemt.
Zou u samen met gemeenten in kaart willen brengen hoeveel winkels en verdiepingen boven winkels in 2024 tot woningen zijn getransformeerd?
Het CBS brengt de transformatiecijfers in kaart op basis van gegevens over de BAG (Basisregistratie Adressen en Gebouwen) en de BRP (Basisregistratie Personen). De cijfers van 2024 zijn nog niet definitief. In 2023 waren winkelpanden goed voor 25% van alle woningtransformaties, ofwel ruim 2.000 woningen. Ook zien we dat bij meer dan de helft (53%) van alle transformaties sprake is van deeltransformatie zoals bij verdiepingen boven winkels.8
Zou u samen met gemeenten in kaart willen brengen op welke wijze parkeernormen een drempel vormen voor de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen?
Parkeernormen kunnen een uitdaging voor gemeenten zijn bij de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen. Om gemeenten hierbij te ondersteunen zijn er recent twee handreikingen gepubliceerd. In de handreiking van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) is beschreven hoe parkeernormen invloed kunnen hebben op ruimte voor woningbouw en betaalbaarheid van woningbouwprojecten. Ook worden er oplossingen geboden om beter met parkeernormen om te gaan.9 Tevens hebben afgelopen mei de provincies Zuid-Holland en Utrecht, Aedes en Platform 31 in samenwerking met het Ministerie van VRO de handreiking «Parkeren bij Optoppen – en bij andere vormen van beter benutten bestaande voorraad» gepubliceerd.10
Voor beleggers is voorspelbaarheid en duidelijkheid voorafgaand aan een transformatieproject over regelgeving zoals parkeernormen van belang. Dit helpt hen bij het inschatten van risico’s en daarmee de haalbaarheid van een project.
Zou u de vorige vraag ook willen beantwoorden met het oog op de drempels die beleggers ervaren om hierin te investeren?
Ja.
Hoe gaat u gemeenten helpen om bestaande drempels voor de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen te overwinnen?
Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 2 en 3 heb aangegeven zet ik mij op verschillende manieren in om verdiepingen boven winkels naar woonruimte aan te jagen. Dit doe ik door de acties uit de Versnellingsagenda uit te voeren, onderzoek te doen binnen de City Deal Dynamische Binnensteden en de inzet van het Nationaal Transformatieloket.
Hoe gaat u bijdragen aan het versterken van expertise en capaciteit bij gemeenten op het gebied van de transformatie van verdiepingen boven winkels naar woningen?
Gemeenten kunnen om expertise vragen bij het Nationaal Transformatieloket. Desgewenst kunnen zij het Expertteam Woningbouw om ondersteuning vragen, waardoor experts kunnen helpen bij een concreet project. Daarnaast verken ik momenteel of het Rotterdamse initiatief «Architect aan Zet» ook voor wonen boven winkels een uitkomst kan bieden. Bij dit initiatief worden afspraken gemaakt tussen architecten en gemeenten over aan welke voorwaarden bepaalde projecten moeten voldoen. Als een deelnemende architect de vergunningsaanvraag doet, dan zou de afhandeling daarvan sneller kunnen verlopen. De uitkomsten van de verkenning verwacht ik eind dit jaar.
Welke kansen ziet u om bij te dragen aan doorbraken op dit gebied, gezien het feit dat veel beleggers geen ervaring hebben met de transformatie van winkelverdiepingen naar woningen?
Binnen de City Deal Dynamische Binnensteden vergroten we het kennisniveau van beleggers en andere stakeholders die betrokken zijn bij transformatieprojecten, waaronder van winkelverdiepingen naar woningen.
Deelt u de opvatting dat gemeenten hierin vaak de eerste stap kunnen zetten, en dat zij daarvoor expertise en regie vanuit het Rijk goed kunnen gebruiken?
Ja, gemeenten kunnen een coördinerende rol oppakken om transformaties van lege verdiepingen naar woningen mogelijk te maken.
Herkent u dat gezamenlijke transformatieprojecten van verdiepingen boven winkels complex kunnen zijn doordat de panden vaak in bezit zijn van meerdere eigenaren?
Ja. Soms ontbreekt het bij eigenaren aan kennis, bereidwilligheid en/of financiële middelen om mee te doen aan transformatieprojecten.
Herkent u dat deze eigendomssituatie transformatie naar woonruimte in de praktijk regelmatig belemmert?
Ja.
Herkent u dat transformatieprojecten regelmatig vastlopen omdat één eigenaar moet toestaan dat in zijn pand een hoofdopgang of nooduitgang wordt gerealiseerd, wat ten koste kan gaan van gebruiksruimte of inkomsten?
Ja.
Klopt het dat zulke collectieve transformaties vaak alleen haalbaar zijn als de lasten van bijvoorbeeld gezamenlijke voorzieningen eerlijk verdeeld worden over alle betrokken eigenaren?
De haalbaarheid van individuele projecten verschilt per project omdat het om maatwerk gaat.
Herkent u dat projecten vaak stilvallen of niet van de grond komen omdat de drempels voor individuele eigenaren te hoog zijn om het initiatief te nemen of de regie te pakken? Ziet u hierbij een rol voor gemeenten om initiatiefnemers te ondersteunen, en een mogelijke rol voor het Rijk om gemeenten daarbij te helpen, bijvoorbeeld met expertise, ambtelijke capaciteit of financiële middelen?
Ja.
Zoals ik bij mijn antwoord op vraag 2, 3 en 12 heb geformuleerd, kunnen gemeenten initiatiefnemers ondersteunen bij transformatieprojecten door bijvoorbeeld expertise aan te bieden en een coördinerende rol op zich te nemen. Het Rijk ondersteunt gemeenten door expertise en middelen aan te bieden.
Bent u bereid, in samenwerking met gemeenten en de VNG, in kaart te brengen hoeveel van dit soort projecten er zijn of geprobeerd zijn, en in hoeveel gevallen deze zijn vastgelopen of niet van de grond zijn gekomen?
Ik richt mij op het laten slagen van huidige en toekomstige projecten. Bij de versnellingstafels worden lessen gedeeld van zowel geslaagde als vastgelopen projecten. Voorbeelden van geslaagde projecten en de lessen die daaruit worden getrokken worden met gemeenten gedeeld.
Welke knelpunten ziet u bij deze projecten, en hoe gaat u gemeenten ondersteunen om deze drempels te helpen overwinnen?
De genoemde uitdagingen uit de artikelen van de Telegraaf en de ING zijn voor mij herkenbaar, zoals verdiepingen die niet geschikt zijn voor transformatie, verbouw dat pas mogelijk is als de winkel leeg is, hoge kosten, regelgeving, gebrek aan expertise, versnipperd eigendom en gebrek aan samenwerking. Daarnaast zie ik dat het transformeren van leegstaande verdiepingen boven winkels vaak arbeidsintensief en maatwerk is.
Hoe kan het Rijk gemeenten concreet ondersteunen bij dit soort transformatieprojecten, bijvoorbeeld via handreikingen, financiële instrumenten, voorbeeldprojecten of inzet van ruimtelijk ontwerpers?
Gemeenten kunnen gebruik maken van expertise van het Nationaal Transformatieloket en via dit loket kan het Expertteam Woningbouw worden ingeschakeld om ondersteuning bij concrete projecten te bieden. Daarnaast kunnen gemeenten gebruik maken van financiële instrumenten, zoals de Realisatiestimulans en de Stimuleringsregeling Flex- en Transformatiewoningen.
Het bericht ‘Trump wil duizenden illegalen naar Guantánamo Bay sturen, ook Nederlanders’ |
|
Derk Boswijk (CDA), Kati Piri (PvdA), Sarah Dobbe (SP), Jan Paternotte (D66), Laurens Dassen (Volt) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Trump wil duizenden illegalen naar Guantánamo Bay sturen, ook Nederlanders»?1
Ja, ik heb kennis genomen van de berichten hierover in de pers. Kort na het verschijnen van de berichten heeft de woordvoerder van het Witte Huis Leavitt op X gemeld dat het om «fake news» gaat.
Op basis van de laatste informatie lijkt het bericht dat de Trump administratie zich voorbereidt op de overplaatsing van buitenlanders die illegaal in de VS verblijven naar de Amerikaanse basis in Guantánamo Bay voorbarig.
Er zijn ook geen indicaties dat de Verenigde Staten voornemens is Nederlandse staatsburgers uit te zetten via Guantánamo Bay.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is om mensen, zonder enige vorm van proces, vast te zetten in het detentiecentrum in Guantánamo Bay?
Zie verder het antwoord op vraag 1.
Klopt het dat de Trump-regering geen contact met de Nederlandse overheid heeft opgenomen om u op de hoogte te stellen van de opsluiting van Nederlanders?
Ik verwijs voor de beantwoording van deze vragen naar het antwoord op vraag 1
Heeft u naar aanleiding van deze berichtgeving zelf al contact opgenomen met uw Amerikaanse collega om aan te geven dat van de opsluiting van Nederlanders op deze manier geen sprake kan zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Is bij de ambassade en consulaten in de Verenigde Staten (VS) bekend om welke personen het gaat? En wordt reeds bijstand aan deze Nederlanders verleend?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid, samen met Europese collega’s, duidelijk te maken aan de VS dat het zonder proces vastzetten van EU-burgers in Guantánamo Bay consequenties met zich mee zal brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u, gezien de urgentie, deze vragen voor vrijdag 13 juni om 12.00 uur beantwoorden?
De beantwoording van deze vragen zal binnen de daarvoor geldende termijn plaatsvinden.
Het artikel 'Europese Unie stelt in gelekt rapport zèlf oorlogsmisdaden in Gaza vast, toch blijft het stil over sancties tegen Israël' |
|
Laurens Dassen (Volt), Kati Piri (PvdA), Derk Boswijk (CDA), Jan Paternotte (D66), Christine Teunissen (PvdD), Sarah Dobbe (SP) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Europese Unie stelt in gelekt rapport zèlf oorlogsmisdaden in Gaza vast, toch blijft het stil over sancties tegen Israël»?1
Ja.
Betreft dit artikel het rapport van de Europese Unie (EU) Speciaal Gezant waar u naar verwees in uw brief aan Hoge Vertegenwoordiger Kaja Kallas, d.d. 6 mei 2025?
Ja.
Deelt u de conclusie van het rapport dat Israël systematisch burgerdoelen bombardeert en dat dit een duidelijke schending is van het internationaal humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het rapport trekt zelf deze conclusie niet, maar verwijst wel naar conclusies van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) op dit punt. Het kabinet heeft meermaals aangegeven dat het bombarderen van burgerobjecten in Gaza een duidelijke schending is van het humanitair oorlogsrecht. Samen met de conclusie van de Europese Dienst voor Extern Optraden (EDEO) dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord, heeft het kabinet besloten zowel nationaal alsmede via het EU-spoor maatregelen te nemen.
Deelt u de conclusie van het rapport dat Israël uithongering inzet als oorlogswapen en dat dit een duidelijke schending is van het internationaal humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Het rapport trekt zelf deze conclusie niet, maar verwijst wel naar conclusies van de OHCHR op dit punt. Het kabinet deelt in algemene zin de conclusie dat de inzet van honger als methode van oorlogvoering nooit mag en een duidelijke schending is van het internationaal humanitair recht.
Vindt u dat het rapport voldoende bewijs geeft dat Israël in overtreding is van artikel twee van het Associatieverdrag met de Europese Unie, waarin beide partijen zich committeren aan het respecteren van mensenrechten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet neemt de constateringen van de rapporten van de Speciaal Vertegenwoordiger voor mensenrechten zeer serieus. Het kabinet heeft de inhoud van de rapporten dan ook meegewogen in het besluit om een evaluatie van Israëls naleving van artikel 2 van het associatieakkoord te initiëren. Deze evaluatie is reeds uitgevoerd en besproken tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 juni jl. De Kamer is hier middels het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van juni 2025 over geïnformeerd2: de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) heeft geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat Israël in strijd zou handelen met zijn verplichtingen onder artikel 2 van het akkoord. Ook het recente voorstel van de Europese Commissie tot opschorting van de samenwerking tussen Israël en de European Innovation Council (EIC), een onderdeel van Horizon Europe, het grootste onderzoeks- en innovatieprogramma van de EU, onderschrijft deze conclusie. Hierop volgend heeft het kabinet besloten zowel nationaal alsmede via het EU-spoor maatregelen te nemen. Hier is uw Kamer over geïnformeerd middels een brief op 28 juli jl.3
Staat u open voor opschorting van de handelsvoordelen die Israël geniet onder het EU-Israël Associatieverdrag, als consequentie voor de schending van het verdrag door Israël? Zo nee, waarom niet?
Ja, in lijn met de Kamerbrief van 28 juli jl.4 pleit Nederland voor een opschorting van het handelsdeel van het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. Het kabinet zet zich in de daarvoor geëigende Brusselse gremia en in relevante bilaterale contacten met andere EU-lidstaten momenteel hiervoor in.
Kunt u deze vragen elk afzonderlijk en voor woensdag 18 juni beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord. Het is helaas niet gelukt deze voor 18 juni te beantwoorden.
Zorgen over Chinese spionage via diplomatieke posten |
|
Jan Paternotte (D66), Laurens Dassen (Volt), Tom van der Lee (GL), Derk Boswijk (CDA), Eric van der Burg (VVD) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «White House warns No 10 on China embassy» in The Sunday Times van 8 juni 20251, waarin Amerikaanse inlichtingendiensten ernstige zorgen uiten over spionagerisico’s verbonden aan de grote Chinese ambassade in Londen?
Ja.
Raken de datacenters in Londen en het kabelverkeer naar de financiële instellingen in de «City» in uw ogen naast Amerikaanse ook Nederlandse belangen? Zo nee, waarom niet?
Het internationale financiële systeem kent een grote verwevenheid. Dit geldt ook voor Nederlandse financiële instellingen en activiteiten hiervan in het Verenigd Koninkrijk. Hiermee kunnen de in het artikel genoemde risico’s en belangen potentieel ook de Nederlandse financiële sector en daarmee Nederlandse belangen raken. Dit blijven we monitoren en waar nodig zal erop worden ingespeeld.
Aangezien de Nederlandse financiële sector nauw verweven is met die van het Verenigd Koninkrijk, onder meer via grensoverschrijdend betalingsverkeer, Nederlandse fintechbedrijven zoals Adyen, Britse banken met EU-hoofdkantoren in Nederland zoals NatWest, en Nederlandse banken met een vestiging in de City zoals ING, hoe beoordeelt u de mogelijke impact van Chinese interceptie van dataverkeer in Londen op de veiligheid en integriteit van Nederlandse financiële instellingen en transacties?
In het algemeen begrijpt het kabinet de zorgen aangaande Chinese spionage. Via uitgebreide spionageprogramma’s probeert China aan hoogwaardige technologie, kennis en data te komen. Ook heeft China de intentie om te spioneren bij de Nederlandse overheid en politieke doelwitten. China vormt volgens de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten dan ook een van de grootste cyberdreigingen tegen Nederland en diens nationale (veiligheids)belangen, waaronder de financiële sector.
Het kabinet heeft verschillende maatregelen genomen om de weerbaarheid van financiële instellingen te vergroten. Zo moet de financiële sector voldoen aan de Europese verordening digitale operationele weerbaarheid (DORA) die hen onder andere verplicht om de IT-systemen op orde te hebben en deze regelmatig te testen en de risico’s uit de volledige toeleveranciersketen in beeld te brengen. Daarnaast kunnen vitale instellingen ondersteuning krijgen van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in het geval van grootschalige uitval en/of verstoring. Ook kennen deze instellingen een sectorale crisisstructuur die bestaat uit DNB, AFM en het Ministerie van Financiën.
Begrijpt u de zorgen van de Amerikaanse inlichtingendiensten over Chinese spionage, specifiek bij het innemen van posities in dataverkeer in Londen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de analyse dat een soortgelijk risico ook in Nederland kan spelen, gezien de Nederlandse rol als knooppunt van internetverkeer (zoals via de AMS-IX) en als belangrijk Europees financieel centrum?
Er zijn overal ter wereld grote en kleine internetknooppunten waarover een enorme hoeveelheid data wordt gerouteerd. AMS-IX is een van deze grote knooppunten. Daarom heeft de Minister van Economische Zaken eerder de diensten van AMS-IX in Nederland vitaal verklaard. Met deze vitaalverklaring is AMS-IX verplicht om onder de Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) veiligheidsmaatregelen te nemen om risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) is aangesteld als toezichthouder op basis van de Wbni.
Het vitaal verklaren van organisaties wordt momenteel wettelijk vastgelegd in de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Bedrijven die hieronder als vitaal (kritieke entiteit) worden aangewezen, zullen ook vallen onder de nieuwe Cyberbeveiligingswet (Cbw). Deze zal de Wbni vervangen. De Cbw vereist onder meer dat organisaties passende en evenredige risicobeheersmaatregelen nemen ter bevordering van hun digitale weerbaarheid. Deze zorgplicht is gericht op het voorkomen en beperken van incidenten met gevolgen voor netwerk- en informatiesystemen.
Kunt u aangeven of er in Nederland sprake is van vergelijkbare diplomatieke vestigingen of geplande uitbreidingen door de Volksrepubliek China? Zo ja, wordt daarbij een veiligheidsanalyse uitgevoerd, inclusief risico’s op digitale interceptie of fysieke toegang tot infrastructuur?
Voor alle ambassades in Nederland geldt dat voor een fysieke uitbreiding een verzoek gedaan moet worden bij het gastland. Er ligt momenteel geen verzoek voor uitbreiding van de Chinese ambassade in Nederland.
Kunt u aangeven of – sinds het aantreden van president Trump – China ook in Nederland de omvang van de diplomatieke aanwezigheid aan het uitbreiden is? Zo ja, om welke toename in het aantal uitgezonden diplomaten gaat het?
Er is geen sprake van een uitbreiding van het aantal Chinese diplomaten in Nederland sinds het aantreden van President Trump in de Verenigde Staten.
Wordt er momenteel door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD), de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) of andere diensten structureel gekeken naar de combinatie van diplomatieke aanwezigheid en de nabijheid van vitale infrastructuur?
De AIVD en MIVD doen onderzoek naar de dreiging vanuit statelijke actoren tegen de nationale veiligheid. Indien de diensten een dreiging voor de nationale veiligheid constateren, zullen zij partners in staat stellen om hierop te handelen en de Kamer via de geëigende kanalen hierover te informeren. Het kabinet doet in het openbaar geen uitspraken over de onderzoeken of werkwijze van de diensten.
De NCTV heeft een regierol in de cyclus vitaal en de aanpak Statelijke Dreigingen. Departementen hebben als onderdeel van de cyclus vitaal al aandacht voor mogelijke risico’s binnen hun sectoren. Onder de eerdergenoemde Wwke worden departementen verplicht een risicobeoordeling te uit te voeren. In het proces van risicobeoordelingen voor kritieke infrastructuur wordt een breed palet aan risico’s beoordeeld, zo ook diplomatieke aanwezigheid.
Bent u bereid om dit onderwerp op Europese Unie (EU)-niveau te agenderen, met als doel gezamenlijke richtlijnen voor risicoanalyse bij diplomatieke nieuwbouw van landen met een bewezen trackrecord op het gebied van cyber- en economische spionage, zoals Rusland, China en Iran? Zo nee, waarom niet?
Momenteel is geen sprake van dergelijke nieuwbouwplannen in Nederland. Nederland brengt de uitdagingen uit China regelmatig op binnen de EU, bijvoorbeeld als het gaat om de Chinese steun voor Rusland en de cyberdreiging afkomstig uit China. De betreffende problematiek zal hierin worden meegenomen.
Het tegengaan van buitenlandse beïnvloeding bij de verkiezingen |
|
Derk Boswijk (CDA), Inge van Dijk (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) , Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent op de hoogte van het bericht van RTL Nieuws «Desinformatie als wapen: Rusland mengt zich in verkiezingen in Polen en Roemenië»?1
Ja, hiervan ben ik op de hoogte.
Hoe reëel acht u de kans dat ook Nederland bij de aankomende verkiezingscampagne als doelwit zal worden gezien door andere staten voor hun grootschalige online desinformatiecampagnes?
Voorbeelden uit landen om ons heen laten zien dat verkiezingen doelwit kunnen zijn van (statelijke) actoren die democratische processen in Europa willen beïnvloeden of verstoren. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten waarschuwen al langer dat ook Nederland doelwit kan zijn van statelijke inmenging.2 Daarom volg ik nationaal en internationaal de ontwikkelingen rond de weerbaarheid van verkiezingen op de voet en zet ik mij in om dreigingen te signaleren, tegen te gaan en waar nodig te mitigeren.
Is Nederland naar uw mening goed genoeg bestand tegen eventuele grootschalige buitenlandse online desinformatiecampagnes zoals bij de Roemeense presidentsverkiezingen?
Het kabinet werkt samen met de veiligheids- en ketenpartners samen om de effecten van desinformatiecampagnes tijdens verkiezingen tegen te gaan. Tegelijkertijd zijn ons kiesstelsel en het verkiezingsproces robuust. Mede door het pluralistische parlementaire stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat in principe minder kwetsbaar is dan een meerderheidsstelsel zoals het «winner takes all» stelsel waarbij er slechts één kandidaat of partij wint (bijvoorbeeld bij een presidentsverkiezing). Ook is het verkiezingsproces minder kwetsbaar voor digitale dreigingen doordat de kiezer met een papieren stembiljet stemt, dat vervolgens handmatig wordt geteld. Desondanks blijf ik scherp op mogelijke kwetsbaarheden in ons proces, in onze eigen context.
Recent heb ik uw Kamer een brief gestuurd over het tegengaan van risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces.3 Maatregelen betreffen onder andere het organiseren van verkiezingstafels met relevante (veiligheids)partners, het organiseren van een online veiligheidsbriefing voor gemeenteambtenaren, het bevorderen van het (online) publieke debat en het versterken van de weerbaarheid van politieke partijen. Ook gaat het kabinet desinformatie rond het verkiezingsproces tegen met de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.4
Met het oog op de geopolitieke ontwikkelingen en de reële dreiging tegen de nationale veiligheid wil ik eerder en beter zicht krijgen op de verspreiding van (buitenlandse) desinformatie gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond de verkiezingen. Hiervoor worden waar nodig nieuwe bevoegdheden of wettelijke grondslagen gecreëerd. Dit vraagt een zorgvuldige afweging. De benodigde nieuwe bevoegdheden of grondslagen zullen niet voor de Tweede Kamer verkiezingen van 2025 worden geïntroduceerd. Voor de aankomende verkiezingen wordt daarom binnen het huidige instrumentarium verkend welke extra inspanningen nodig zijn. Eventuele ervaringen van de NAVO-top worden hierin meegenomen. Om voorbereid te zijn voor volgende verkiezingen start ik de voorbereidingen voor het introduceren van nieuwe bevoegdheden en het creëren van grondslagen. Uw Kamer zal daarover in het najaar nader worden geïnformeerd.
Ten slotte laat ik verschillende onderzoeken uitvoeren. In september start een studie die, samen met de Europese Commissie, is uitgezet bij de OESO. Deze studie onderzoekt de wijze waarop andere Europese lidstaten detectie van buitenlandse desinformatie hebben ingericht en de eventuele mogelijkheden die dit biedt voor Nederland. De studie volgt op een eerdere ambtelijke verkenning van de Minister van BZ5 en sluit aan bij de voorbereidingen die het kabinet treft voor het introduceren van nieuwe bevoegdheden en het creëren van grondslagen om beter zicht te krijgen op de verspreiding van desinformatiecampagnes gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond de verkiezingen.6 Daarnaast laat het kabinet de impact van des- en misinformatie op de Nederlandse democratische rechtsstaat onderzoeken.7 Ik houd nauw contact met de onderzoekers om tussentijdse uitkomsten mee te nemen in de inzet voor het verbeteren van het zicht op desinformatiecampagnes.
Ook in Europees verband is er aandacht voor democratische en maatschappelijke weerbaarheid. Het voorstel tot het realiseren van een European Democracy Shield is hier onderdeel van en wordt nu uitgewerkt. Op basis van eerste gesprekken hierover is op te maken dat de onderwerpen verkiezingsintegriteit en het tegengaan van buitenlandse desinformatie onderdeel van het Shield worden.8 Ik onderschrijf de noodzaak van dit initiatief en steunt de Europese Commissie actief in het bevorderen en het faciliteren van Europese samenwerking ter bescherming van onze democratische processen.
Kunt u aangeven welke mogelijke gevaren van buitenlandse online desinformatiecampagnes voor de aankomende verkiezingen in Nederland op dit moment worden voorzien?
Online desinformatiecampagnes kunnen de integriteit van verkiezingskandidaten of politieke partijen schaden. Ook kan het verkiezingsproces worden ondermijnd door bijvoorbeeld de opkomst te beïnvloeden, of de integriteit van het verkiezingsproces in twijfel te trekken. Het kabinet onderkent deze gevaren en neemt daarom maatregelen om de effecten van desinformatiecampagnes tegen te gaan, zoals omschreven in vraag 3.
Heeft u inzicht in welke mogelijke onderwerpen door buitenlandse mogendheden als Rusland aangegrepen kunnen worden in online desinformatiecampagnes gericht op Nederland om te leiden tot onder andere polarisatie? Zo niet, bent u bereid om u hierop te oriënteren?
Rusland probeert westerse landen geregeld in een kwaad daglicht te stellen, westerse bondgenootschappelijke en maatschappelijke eenheid te ondermijnen en politieke besluitvorming en de publieke opinie te beïnvloeden. Dit gebeurt zowel heimelijk als openlijk en zowel in het digitale- als in het fysieke domein. Rusland weet hierbij opportunistische bestaande westerse maatschappelijke thema’s en grieven aan te grijpen voor beïnvloedingsoperaties9. Daarom is het van belang dat het publieke debat in Nederland goed functioneert en burgers toegang hebben tot transparante informatievoorziening. Een goed geïnformeerde samenleving is niet alleen veerkrachtiger, maar ook beter in staat om kritisch en verantwoord te handelen. Het kabinet neemt verschillende maatregelen om het publieke debat te bevorderen, bijvoorbeeld via de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.10 Daarnaast wil ik, zoals omschreven in het antwoord op vraag 3, met oog op de geopolitieke en technologische ontwikkelingen eerder en beter zicht krijgen op de verspreiding van desinformatiecampagnes gericht op het ondermijnen van het verkiezingsproces en het ondermijnen van maatschappelijke stabiliteit rond verkiezingen. Daarvoor worden waar nodig nieuwe bevoegdheden of wettelijke grondslagen gecreëerd. Uw kamer zal daarover nader worden geïnformeerd.
Kunt u aangeven welke maatregelen er momenteel al zijn om buitenlandse (online) desinformatiecampagnes zoals bij de Roemeense presidentsverkiezingen tegen te gaan? Welke rol spelen de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en de inlichtingendiensten hierin?
Het kabinet beschikt over een combinatie van verschillende instrumenten om de weerbaarheid van verkiezingen tegen buitenlandse inmenging en ongewenste beïnvloeding te waarborgen, zoals omschreven in vraag 3. Zo gaat het kabinet, onder mijn coördinatie, de ondermijnende impact van desinformatie tegen via de Rijksbrede strategie voor de effectieve aanpak van desinformatie.11 Bij deze aanpak is, naast andere departementen, ook de NCTV betrokken vanuit haar coördinerende rol op nationale veiligheid, in het bijzonder de aanpak statelijke dreigingen. Wanneer desinformatiecampagnes door statelijke actoren de nationale veiligheidsbelangen schaden, zorgt de NCTV voor een gecoördineerde afgestemde opvolging en inzet van instrumentarium. Ook nemen de verschillende veiligheidspartners deel aan de verkiezingstafels.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten doen onderzoek naar statelijke actoren en in welke mate zij een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. In dat onderzoek kan ook worden gestuit op pogingen tot beïnvloeding, manipulatie of verstoring van verkiezingen, of het verspreiden van desinformatie. Als dit het geval is zullen de diensten partners voor wie dit relevant is informeren, zodat deze hiernaar kunnen handelen. Een voorbeeld hiervan is dat de Nederlandse inlichtingendiensten in juni 2024 hebben geholpen om een Russische digitale beïnvloedingscampagne te verstoren, die was gericht op het beïnvloeden van het Amerikaanse publieke debat.12
Op welke wijze wordt uitvoering gegeven aan de aangenomen motie Krul/Ceder waarin verzocht werd om mogelijke aanscherpingen van de digitaledienstenverordening (DSA) te onderzoeken en daarmee ook een DSA 2.0 voor te bereiden? Kunnen deze aanscherpingen ertoe leiden dat online platforms makkelijker kunnen worden aangesproken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid om meer te doen tegen desinformatie?2
De DSA is sinds 17 februari 2024 volledig van kracht. Mogelijke aanscherpingen dienen te worden gebaseerd op nieuwe inzichten en evaluatie van de wet. De eerste evaluatie van de verordening dient de Europese Commissie uiterlijk 17 november 2027 te hebben afgerond. Dat is het eerste moment waarop er mogelijk een voorstel tot herziening komt. Dat is ook het moment om te bezien of de DSA effectief is gebleken in het aanpakken van de verspreiding van desinformatie via online platformen en eventueel moet worden aangescherpt.
Ter voorbereiding op de evaluatie onderhoudt het Ministerie van Economische Zaken doorlopend contacten met andere lidstaten (incl. gelijkgestemde lidstaten), maatschappelijke organisaties, toezichthouders, bedrijven en andere ministeries, om te begrijpen hoe de uitvoering van de DSA en het toezicht daarop verloopt en wat er beter kan of moet. De informatie en signalen die dit oplevert zullen vanzelfsprekend worden gebruikt in het kader van het evaluatieproces. Daarbij zal het Ministerie van Economische Zaken uiteraard de samenwerking zoeken met gelijkgestemde lidstaten.
Bent u ervan op de hoogte dat Zweden een «psychological defence agency» heeft opgericht met het oog op onder andere het tegengaan van desinformatie? Bent u bereid om met een voorstel te komen hoe we dit in de (nabije) toekomst ook in Nederland vorm kunnen geven?
Ik ben op de hoogte van de Zweedse «Psychological Defence Agency» en sta met hen in contact over (mogelijke) dreigingen en het uitwisselen van ervaringen. Naast Zweden zijn er ook andere gelijkgezinde partners die beschikken over soortgelijke instrumenten voor de detectie van statelijke informatieoperaties. Zo heeft Frankrijk bijvoorbeeld VIGINUM. Daarom start, zoals omschreven in antwoord 3, in september een onderzoek naar de wijze waarop andere Europese lidstaten detectie van buitenlandse desinformatie hebben ingericht en de eventuele mogelijkheden die dit biedt voor Nederland.
Bent u bereid om een bewustwordingscampagne op te zetten in aanloop naar de verkiezingen om te wijzen op de gevaren en het bestaan van buitenlandse desinformatiecampagnes op sociale media? Zo niet, waarom niet?
Ik ben bereid om meer publiekscommunicatie op te zetten rond desinformatie tijdens verkiezingen, aanvullend op reeds bestaande campagnes, zoals www.elkestemtelt.nl. Daarnaast kijk ik naar reeds bestaande initiatieven en hoe ik deze kan ondersteunen zodat zij een beter bereik hebben tijdens de verkiezingen.
Bent u bereid om verdere aanvullende maatregelen te nemen voor de aankomende verkiezingen? Zo ja, welke?
Ja, dat ben ik. Maatregelen om dreigingen voor het verkiezingsproces tegen te gaan worden doorlopend tegen het licht gehouden. Zoals aangegeven in antwoord 3 en in de Kamerbrief tegengaan van risico’s op buitenlandse beïnvloeding in het verkiezingsproces14 werk ik uit welke extra inspanningen nodig zijn om eventuele dreigingen tijdig te signaleren en te mitigeren. Eventuele ervaringen van de NAVO-top worden hierin meegenomen. Ook ben ik in gesprek met politieke partijen om gezamenlijk te kijken wat partijen kunnen doen om hun digitale weerbaarheid te vergroten.
De nieuwe EU strategie voor de Zwarte Zee regio |
|
Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Barry Madlener (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met nieuwe Europese Unie (EU)-strategie voor een veilige, welvarende en veerkrachtige Zwarte Zee regio?1
Ja.
Bent u het eens dat de Zwarte Zee regio in toenemende mate van essentieel belang is als corridor tussen Europa en Centraal-Azië en daarmee voor de Europese handel met Azië in het geheel sinds de Russische agressie oorlog in Oekraïne? Zo nee, waarom niet?
Aansluitend op de Mededeling over de EU Strategische Benadering van de Zwarte Zee regio onderschrijft het kabinet het geopolitieke belang van de Zwarte Zee regio voor de Europese Unie als geheel, niet voor Nederland specifiek, zowel ter bevordering van veiligheid, stabiliteit en weerbaarheid, mede naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne, alsook ter bevordering van duurzame economische groei en welvaart.
Heeft u inzicht in al reeds bestaande betrekkingen tussen Nederlandse havens, en in het bijzonder de Rotterdamse haven, en de havens van EU-partnerlanden aan de Zwarte Zee?
De Rotterdamse haven is via de binnenwateren verbonden met de haven van Constanta in Roemenië. In 2011 hebben de havens van Rotterdam en Constanta een samenwerkingsovereenkomst getekend en sindsdien is lang gesproken over verdere samenwerking tussen beide havens, maar dat is niet meer van de grond gekomen. Van vergelijkbare samenwerking met andere havens aan de Zwarte Zee zijn wij niet op de hoogte. Betrekkingen zullen veelal in Europees verband plaatsvinden, zoals in het kader van de Trans-Europese Netwerken voor Transport (TEN-T) met inzet op de Europese vervoerscorridors en kustvaartverbindingen. Ook zijn verschillende havens uit EU-lidstaten aan de Zwarte Zee aangesloten bij de European Seaports Organisation (ESPO), waar ook meerdere Nederlandse zeehavens lid van zijn, zoals de havens van Amsterdam en Rotterdam.
Bent u het eens dat in het kader van een vitale corridor met Azië het wenselijk is dat Nederlandse havens in toenemende mate samenwerking zoeken met havens in EU-partnerlanden, in het bijzonder in de Zwarte Zee regio? Zo nee, waarom niet?
Mijn ambtgenoot van Infrastructuur en Waterstaat en ik zien het belang van havensamenwerking in het algemeen en ook onderkennen wij het belang van de Zwarte Zee regio. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag drie wordt er met name in Europees verband samengewerkt, zowel binnen de EU-instellingen als binnen de Europese koepelorganisatie voor zeehavens (ESPO). Het is verder aan havenbedrijven zelf om invulling te geven aan havensamenwerking zoals in het kader van havenontwikkeling of inzet op green shipping corridors tussen havens.
Bent u bereid om zich in te zetten voor het versterken van betrekkingen tussen de Nederlandse havens en de havens in de EU-partnerlanden in de Zwarte Zee regio? Zo ja, welke stappen bent u van plan om te zetten?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag vier al aangaf ligt het initiatief voor de totstandkoming en de vormgeving van havensamenwerking bij de havenbedrijven en het havenbedrijfsleven. Mocht daarbij ondersteuning nodig zijn van het ministerie, dan zijn mijn ambtgenoot van Infrastructuur en Waterstaat en ik bereid daar welwillend naar te kijken.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor het versterken van betrekkingen tussen de havens van de Europese Unie en de havens in de EU-partnerlanden in de Zwarte Zee regio? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie werkt momenteel aan een Europese Havenstrategie en een Strategie voor de Maritieme Maakindustrie. In deze strategieën zal naar mijn mening ook plaats moeten zijn voor havensamenwerking in meerdere regio’s waaronder de Zwarte Zee. Dit kan de concurrentiekracht bevorderen van de Europese Unie als geheel. Tijdens de besprekingen over de inhoud van deze strategieën wil ik hiervoor aandacht vragen. Ook zal mijn ambtgenoot van Infrastructuur en Waterstaat bij de verdere ontwikkeling van het Europese vervoersnetwerk (TEN-T) pleiten voor het belang van onderlinge betrekkingen tussen Europese zeehavens, waaronder die in de Zwarte Zee regio.
Bent u het eens dat in het kader van deze nieuwe EU-strategie, de aanhoudende Russische agressie oorlog tegen Oekraïne en de Russische spionage op onze vitale infrastructuur het wenselijk is dat vertegenwoordigers van de Rotterdamse haven de betrekkingen versterken met vertegenwoordigers van de haven van Odessa voor een verkenning van samenwerking op het gebied van veiligheid?
Het kabinet onderstreept het belang van de Zwarte Zee strategie waarin aandacht is voor veiligheid in Nederland en Europa, juist vanwege de agressieoorlog door Rusland in Oekraïne. Bovendien is de strategische aanpak van de EU voor het Zwarte Zeegebied geen geïsoleerde regionale reactie op de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne. Het kabinet onderschrijft het belang van veiligheid en stabiliteit in en rondom de Zwarte Zee om duurzame en rechtvaardige vrede in de regio te garanderen. Vrije doorvaart in de Zwarte Zee bevordert tevens de veiligheid van het scheepvaartverkeer, wat bijdraagt aan de economische ontwikkeling van de regio. Het kabinet verkent op continue basis hoe Oekraïne verder gesteund kan worden, en sluit hierbij op voorhand niets uit. Wel dienen initiatieven aan te sluiten bij de behoeften van Oekraïne.
Bent u bereid om zich in te zetten voor het aanhalen van de betrekkingen tussen de Rotterdamse haven en de haven van Odessa op het gebied van veiligheid? Zo ja, welke stappen is de Minister van plan om te zetten?
Juist nu is het van belang om Oekraïne te blijven ondersteunen en Nederland ook te positioneren richting Oekraïne. In lijn met de aangenomen motie Boswijk cs heeft hierover reeds een verkennend gesprek plaatsgevonden tussen de Oekraïnegezant van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Havenbedrijf Rotterdam, in aanwezigheid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op basis van dat gesprek worden de mogelijkheden tot samenwerking voor wederopbouw van (zee)havens nader onderzocht.
Bent u bereid om vertegenwoordigers van de haven van Odessa uit te nodigen in de Rotterdamse haven om verdere samenwerking te verkennen? Zo nee, waarom niet?
Ja, als er een behoefte bestaat in Oekraïne of bij Haven Rotterdam, ben ik bereid in overleg met betrokkenen een faciliterende rol te spelen in verkenning van verdere samenwerking. Verschillende Oekraïense delegaties uit verschillende sectoren, w.o. Energie en LSH, hebben Nederland reeds bezocht.
Bent u bekend met het feit dat Denemarken een partnerschap is aangegaan met de naburige stad Mykolajiv?2
Ja, dat is mij bekend.
Bent u bereid om te onderzoeken of een dergelijk partnerschap ook door Nederland met Odessa aangegaan kan worden in het kader van het strategische belang van de havenstad in de Zwarte Zee regio? Zo niet, waarom niet?
Nederland steunt Oekraïne onverminderd in deze oorlog, ook op niet-militair gebied. Verschillende landen kiezen hierbij voor een aanpak die zich naast andere vormen van steun ook focust op specifieke regio’s, zoals Denemarken. De Nederlandse steun betreft bilaterale steun of loopt via multilaterale kanalen, waarbij het bevorderen van decentralisatie en opbouwen van lokale capaciteit belangrijke aandachtspunten zijn voor Nederland. Het kabinet is ervan overtuigd dat we door het verlenen van deze steun via diverse kanalen Oekraïne op de best mogelijke manier ondersteunen.
De nieuwsberichten rondom de paasviering in Jeruzalem |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de nieuwsberichten rondom de paasvieringen in Jeruzalem?1 2
Ja.
Bent u er van op de hoogte dat het toegang beperken voor gelovigen bij heilige plaatsen voor christenen en moslims door de Israëlische overheid past in een trend van de afgelopen jaren? Zou u hierop kunnen reflecteren?
Christenen en moslims worden in toenemende mate beperkt bij het betreden van de Oude Stad van Jeruzalem, vooral tijdens religieuze feestdagen/maanden als Pasen en de Ramadan. In 2025 werden slechts vierduizend vergunningen verstrekt aan een gemeenschap van ongeveer vijftigduizend christenen om naar Jeruzalem te komen. Voor de vrijdaggebeden tijdens de Ramadan werden alleen vergunningen versterkt aan moslims ouder dan vijftig jaar en jonger dan twaalf jaar. Dit zijn zorgelijke ontwikkelingen. Het kabinet acht het essentieel dat gelovigen vrije en onbelemmerde toegang hebben tot de heilige plaatsen in Jeruzalem en dat de status quo van de heilige plaatsen wordt gerespecteerd.
Bent u het eens dat deze beperkingen van toegang tot heilige plaatsen passen in een breder beeld van toenemende verbale en fysieke dreigingen en beslagleggingen van eigendommen jegens christenen en moslims in Jeruzalem? Zo niet, waarom niet?
Christenen en moslims worden steeds vaker geconfronteerd met controleposten en barrières, waardoor heilige plaatsen niet of moeilijk bereikbaar zijn. Ook hebben gelovigen steeds vaker te maken met geweld en intimidatie door Israëlische betogers in de Oude Stad.
Bent u het eens dat de vrijheid van godsdienst en aanbidding een universeel mensenrecht is zoals vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens? Zo ja, bent u het dan eens dat Nederland de plicht heeft zich hier internationaal voor in te zetten?
Nederland erkent de universaliteit van de mensenrechten, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Vrijheid van religie en levensovertuiging is een fundamenteel mensenrecht dat voor iedereen geldt, ongeacht achtergrond of overtuiging. Nederland zet zich hier actief voor in, onder andere via het Mensenrechtenfonds, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Daarbij wordt opgekomen voor de rechten van alle religieuze groepen, onder wie christenen en moslims.
Bent u bekend met de status quo in Jeruzalem en Bethlehem die als politieke en religieuze afspraak bestaat sinds 1852 en die de toegang van gelovigen tot heilige plaatsen garandeert?
Ja.
Bent u het eens dat het belang van het behoud van de status quo extra onderschreven dient te worden in de richting van Israël nu christenen en moslims te maken krijgen met toenemende bedreigingen van hun vrijheid van godsdienst en beweging en daarnaast met een toename van geweld?
Het kabinet acht de handhaving van de status quo van de heilige plaatsen essentieel en roept alle partijen op om daartoe hun verantwoordelijkheid te nemen. Nederland spreekt hierover bijvoorbeeld geregeld met Jordanië aangezien dit land een significante rol speelt in Jeruzalem. Het Jordaanse koningshuis is namelijk in de zogenaamde status quo afspraken aangewezen als hoeder (custodian) van de religieuze gebieden Haram al-Sharif/Tempelberg. Het kabinet benadrukt het belang van de handhaving van de status quo ook bij de Israëlische autoriteiten. Ook heeft Nederland dit op 17 juni jl. nog benoemd in de inbreng bij de interactieve dialoog met «the Commission of Inquiry on the Occupied Palestinian Territory, including East Jerusalem and in Israel» tijdens de 59ste Mensenrechtenraad. Nederland steunt daarnaast verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie in Israël en de Palestijnse Gebieden.
Bent u bereid om zich in te zetten om de status quo in Jeruzalem te behouden zodat daarmee de vrijheid van godsdienst en beweging kan worden gegarandeerd voor christenen en moslims in Jeruzalem? Zo ja, welke stappen bent u van plan te zetten?
Zie antwoord op vraag 6. Nederland zet zich actief in om de vrijheid van religie en levensovertuiging te waarborgen, onder andere via het Mensenrechtenfonds, bilaterale diplomatie en in multilaterale gremia en initiatieven. Via deze wegen blijft Nederland zich ook inzetten voor het behoud van de status quo.
Bent u op de hoogte van het statement van de Europese Unie (EU) aangaande de incidenten rondom de Paasvieringen in Jeruzalem van dit jaar?3
Ja.
Bent u het eens dat in navolging van dit EU-statement ook vervolgstappen ondernomen moeten worden? Zo ja, bent u dan bereid om zich hiervoor in te zetten in EU-verband?
Ja, zie de antwoorden op vragen 4 en 6.