De onrechtmatigheid van de Statenverkiezingen van 2 maart 2011 |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Statenverkiezingen zijn onrechtmatig»?1
Ja
Deelt u de opvatting van de Groningse staatsrechtgeleerde Douwe Jan Elzinga dat de statenverkiezingen van 2 maart aanstaande onrechtmatig zijn? Is het waar dat deze uitsluiting van stemrecht ook in strijd is met het gelijkheidsbeginsel uit Internationale verdragen? Zo nee, waarom niet? Indien in de toekomst blijkt dat er toch sprake is van onrechtmatigheid, wat zijn dan de gevolgen daarvan?
Die opvatting deel ik niet. De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de leden van provinciale staten (artikel 55 van de Grondwet). De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn niet provinciaal ingedeeld, dus hun ingezetenen nemen niet deel aan de verkiezing van de provinciale staten. De verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van provinciale staten (en dus niet door iedere Nederlander) is een uitzondering op de hoofdregel van artikel 4 van de Grondwet dat iedere Nederlander gelijkelijk het recht heeft de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te kiezen. Internationale verdragsbepalingen, waaronder artikel 3 van het Eerste protocol bij het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 25 van het verdrag voor Burger en Politieke Rechten van de VN verplichten niet tot toekenning van het kiesrecht voor een orgaan als de Eerste Kamer aan eenieder. Vele andere landen in Europa (en daarbuiten) kennen een tweekamersysteem dat vergelijkbaar is met het Nederlandse, waarbij één van beide kamers niet rechtstreeks wordt gekozen. Ook het gelijkheidsbeginsel dat in deze verdragen is vastgelegd gaat niet zo ver dat dit ertoe zou verplichten het kiesrecht voor de Eerste Kamer toe te kennen aan een wezenlijk ander orgaan dan provinciale staten, zoals de eilandsraad.
De heer Elzinga veronderstelt in zijn artikel dat een rechter, indien hij deze vraag krijgt voorgelegd, daar mogelijk anders over zal denken. Ik wil daar niet over speculeren.
Wel acht ik het wenselijk om de eilandsraden ook in het electoraat van de Eerste Kamer te betrekken. Op die wijze krijgen de Nederlandse ingezetenen van de openbare lichamen, net als Nederlanders in Nederland via de provinciale staten, indirect invloed op de samenstelling van de Eerste Kamer. Een daartoe strekkende wijziging van de Grondwet is in voorbereiding.
Hoe staat het met de toezegging dat de BES-eilanden een stem zullen krijgen in zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer? Op welke manier heeft de regering dat uitgewerkt of op welke termijn gaat zij dat doen?2
De inwoners van de BES-eilanden hebben momenteel al kiesrecht voor de leden van de Tweede Kamer. Er is een grondwetswijziging in voorbereiding die ertoe strekt het kiesrecht voor de leden van de Eerste Kamer ook aan de leden van de eilandsraden toe te kennen. Het wetsvoorstel zal binnenkort voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State worden voorgelegd.
Wanneer kan de Kamer de Grondwetswijziging met betrekking tot de nieuwe status van de BES-eilanden tegemoet zien?
Zie antwoord vraag 3.
Een herziening van de huur van ligplaatsen van woonboten door het Rijksvastgoed -en Ontwikkelingsbedrijf (RVOB) |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat er een vooraankondiging is verstuurd waarin melding wordt gemaakt van het feit dat er een nieuwe tariefstructuur/huurprijzen voor het gebruik van Staatswater en -oevers gehanteerd zal gaan worden?
Waarom is ervoor gekozen om af te wijken van de wijze waarop de huurprijs jaarlijks werd verhoogd door middel van een indexatie (Consumenten Prijsindexcijfer)?
Kunt u de nieuwe tariefstelling – met m2 tarieven in de klassen basistarief, verhoogd tarief en verhoogd + tarief – onderbouwen?1 Indien deze nieuwe tariefstelling gebaseerd is op (extern) marktonderzoek: kan dit onderzoek ter inzage worden gegeven?
Kunt u uiteenzetten wat uw visie is op de huurontwikkeling voor ligplaatsen op de langere termijn? Gaat er op basis van de nieuwe tariefstelling jaarlijks geïndexeerd worden? Op basis van welke index? Bestaat de mogelijkheid dat er over drie jaar weer een volledig nieuw tariefsysteem komt?
Waarom wordt voor het huurprijsbeleid voor ligplaatsen en voor de huurbescherming van huurders van ligplaatsen niet – zoveel mogelijk – aangesloten bij de huurwetgeving?
Waarom wordt er over de huur van de ligplaats 19% BTW in rekening gebracht, terwijl een woonboot toch op een vaste lokatie ligt en door middel van installaties verbonden is met de vaste wal?
Acht u het acceptabel dat het RVOB een aanbod om een huurverhoging gefaseerd in te voeren koppelt aan het afzien van het wettelijk recht van de huurder op bindende vaststelling van de huur door een commissie van deskundigen2? Zo ja, op grond waarvan?
Hoeveel woonschepen krijgen te maken met de aangekondigde herziening van de huurprijs door het RVOB?
Wat is de begrote opbrengst van de huurverhoging voor de ligplaatsen?
De zorg bij de Osira-groep |
|
Renske Leijten (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw inhoudelijke reactie op het rapport over Osira?1
Ik heb het rapport gelezen. Zoals ik in het Algemeen Overleg over Monteverdi en Houtwijk op woensdag 26 januari jl. heb gezegd, vind ik een aantal punten heel belangrijk en wil ik mij inzetten om deze punten goed voor het voetlicht te krijgen. Ik vind de mening van de cliënten en het personeel van groot belang, zij moeten gehoord worden in een organisatie. De afstand tussen management/ bestuur en de werkvloer moet kleiner worden. De cliëntenraad en ondernemingsraad moet voldoende geïnformeerd en gehoord worden, helemaal als er sprake is van veranderingen in een organisatie. Ik wil graag dat er meer gebruik wordt gemaakt om kennis van buiten, naar binnen te halen. Zoals het gebruik maken van best practices. Met deze punten geef ik aan, waar ik me de komende tijd voor wil inzetten. Dit geldt niet alleen voor Monteverdi, Houtwijk en de OsiraGroep, maar voor alle zorgorganisaties.
Er lopen er een aantal programma’s waar zorgorganisaties aan mee kunnen doen, waarmee de organisatie zich kan verbeteren zoals In voor Zorg en Zorg voor Beter. Het deelnemen aan deze verbeterprogramma’s wil ik stimuleren. Het kabinet heeft € 860 miljoen beschikbaar gesteld om de kwaliteit in de langdurige zorg te verbeteren. Een deel van dit geld zal zeker besteed gaan worden aan opleiding en bijscholing van verzorgenden en verpleegkundigen.
Wanneer zal de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) reageren op het rapport?2
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is 4 februari gestart met hun onderzoek bij de OsiraGroep. Zij zullen een aantal zorginstellingen van de OsiraGroep gaan bezoeken. Ik wacht hun rapporten af. De IGZ zal in deze rapporten hun bevindingen aangeven.
Bent u van mening dat de IGZ voorlopig zou moeten overgaan tot verscherpt toezicht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om de overheadkosten van Osira te maximeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling om het personeel van Osira de zeggenschap en middelen te geven om per locatie een oplossing voor de problemen te bedenken en deze door te voeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de conclusie dat Osira te groot is geworden om nog verantwoorde zorg te kunnen bieden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat Osira voorlopig niet zou moeten fuseren met andere zorginstellingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de constatering dat de afstand tussen het bestuur van Osira en de werkvloer te groot is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat verdienen de bestuurders van Osira? Wat is uw mening over deze beloning?
De inkomens van de bestuurders zijn openbaar en opgenomen in het jaarverslag van de OsiraGroep. Als staatssecretaris heb ik geen formele bevoegdheid om me met de bestuursinkomens te bemoeien.
Wat is uw kwalificatie over de «stopwatchzorg» en het beleid van «zorgroutes» bij Osira? Bent u van mening dat bijvoorbeeld een toiletbezoek maximaal twee minuten en 15 seconden aan tijd mag kosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik denk dat een zorgroute goed in kaart kan brengen waar knelpunten in de zorg liggen of kunnen optreden. Het moet een hulpmiddel zijn en geen manier van werken. De zorgmanager kan het gebruiken bij de inzet van het personeel en de verdeling van het werk. Echter de verzorgende moet niet met een minutenbriefje in de hand de zorg verlenen. De zorg moet verleend worden conform de zorgafspraken die in overleg met de cliënt, in het zorgplan zijn opgenomen.
Wat is uw reactie op de aanbeveling dat werken in de zorg aantrekkelijker kan worden gemaakt door te vermijden dat het werk het karakter van productiewerk krijgt? Zo ja, zou een verbod op minutenregistratie niet een van de voor de hand liggende eerste maatregelen moeten zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 10.
Vindt u het vervangen van vaste krachten door flexwerkers een uit zorgoogpunt verantwoorde ontwikkeling? Zo nee, wat gaat u aan deze ontwikkeling doen?
Ik ben me ervan bewust dat er gebruik wordt gemaakt van flexwerkers. Helaas is de arbeidsmarkt niet zo gunstig dat er genoeg en veel zorgverlenend personeel voor handen is. Ik wil daarbij sterk benadrukken dat het steeds terugkerend negatieve beeld dat wordt geschetst over de ouderenzorg, niet bijdraagt aan het vinden van goed personeel of het opleiden van nieuw personeel.
Deelt u de mening dat de zorg meer behelst dan een optelsom van omschreven «prestaties» met daarop toegespitste financiering? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de brief van de OsiraGroep naar aanleiding van het rapport?3
Ik denk dat dit iets is tussen de OsiraGroep en uw partij.
Welk bedrag geeft Osira jaarlijks uit aan persvoorlichters en reclame-uitingen? Vindt u dit een verstandige besteding van zorggeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik weet niet hoeveel geld Osira jaarlijks uitgeeft aan persvoorlichters. Dit is een interne beleidsaangelegenheid, nogmaals als staatssecretaris ben ik hier niet verantwoordelijk voor en is het ook niet aan mij om me hier mee te bemoeien.
Is uw oordeel dat de interne klachtenregeling van Osira naar behoren functioneert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw oordeel over het feit dat verpleeghuisarts R.L., die zich geroepen voelde te spreken over misstanden binnen Osira, wordt gedreigd met een dwangsom? Vindt u dit terecht en vindt u dit een vertrouwenwekkende handelwijze van Osira-bestuurders?4
Ik heb geen bemoeienis met de bedrijfsinhoudelijke aspecten van welke zorgorganisatie dan ook, dus ook niet van de OsiraGroep. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over deze situatie.
Zijn zorgbestuurders die advocaten op critici afsturen bevorderlijk voor uw «pluisgevoel»? Wilt u uw antwoord toelichten?5
Deze vraag heeft volgens mij betrekking op een andere zorgorganisatie. Over de gang van zaken binnen deze organisatie heb ik mijn mening duidelijk weergegeven in het AO van woensdag 26 januari jl.
Hoe gaat u de onverantwoorde werkdruk bij Osira en elders in de zorg aanpakken, om te voorkomen dat, in uw woorden, «het kaarsje uitgaat» bij het personeel?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid werk te maken van een klokkenluidersregeling voor zorgpersoneel, zodat personeel veilig misstanden kan melden zonder angst voor intimidatie of sancties? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben van mening dat medewerkers die klachten hebben dit altijd eerst moeten melden binnen de eigen organisatie, volgens de procedure zoals dat gebruikelijk is binnen de zorginstelling. Medewerkers kunnen ook gebruik maken van een vertrouwenspersoon. De zorgorganisatie heeft zelf een verantwoordelijkheid om goed om te gaan met het personeel en een klachtencommissie beschikbaar te stellen.
Wat is uw reactie op het verweer van het Osira-bestuur dat de problemen voor een belangrijk deel veroorzaakt worden door de zorgzwaartepakketten (zzp’s)? Zo nee, welke bewijzen kunt u aanvoeren voor het tegendeel? Zo ja, bent u voornemens een einde te maken aan de zzp-financiering en het productdenken uit te bannen uit de zorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het hier niet mee eens. Als blijkt dat de indicatie van de cliënt niet meer voldoende ruimte biedt om goede zorg te verlenen, dan zal de zorginstelling een herindicatie moeten aanvragen bij het CIZ. Bij een verhoging van het ZZP, kunnen er nieuwe zorgafspraken worden gemaakt.
De ZZP’s zijn dusdanig ontwikkeld dat iedere cliënt hiermee voldoende zorg kan ontvangen. De ZZP’s schrijft geen minuten voor en geeft niet aan hoe de bedrijfsvoering wordt ingericht. Dit is de eigen verantwoordelijkheid van de zorginstelling.
Bent u van mening dat er in toenemende mate een managerscultuur heerst in de zorg? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze gaat u voorkomen dat de menselijkheid en arbeidsvreugde in de zorg worden opgeofferd aan bedrijfseconomisch denken? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik al eerder heb geantwoord, wil ik zorgen dat de afstand tussen de werkvloer en het management verminderd wordt. In sommige organisaties is deze afstand te groot, waardoor het moeilijk is een organisatie aan te sturen en te weten welke knelpunten en wensen er in de zorg liggen. Door het verkleinen van deze afstand verwacht ik dat er een betere afstemming ontstaat, met als uiteindelijk resultaat kwalitatief goede zorg en tevreden medewerkers en cliënten.
Kunt u garanderen dat de bewoners van Osira en andere zorginstellingen goede, menswaardige zorg krijgen vóór het einde van uw regeertermijn? Indien u dit niet kunt garanderen, hoe verhoudt dit zich tot uw grondwettelijke zorgplicht? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik weet dat de meeste bewoners en cliënten al goede en menswaardige zorg ontvangen. Dit blijkt wel uit de jaarlijkse kwaliteitsmeting die zorgorganisaties verplicht zijn uit te voeren. Maar het blijkt ook andere onderzoeken, die onder andere ActiZ en het SCP hebben uitgevoerd, waarbij de cliënttevredenheid is onderzocht.
Welk collegiaal advies wilt u, vanuit uw kennis en ervaring van de zorg, meegeven aan de vertrekkende bestuurder van Haagse Wijk- en WoonZorg (HWW Zorg) die in het kader van een nieuwe carrièremove bij Osira aan de slag gaat?6
Ik reageer nu vanuit mijn functie als staatssecretaris en wil geen verwarring schetsen hieromtrent.
Een lijst met 'ongewenste kinderboeken' |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het gebruik van een lijst met «gevoeligheden voor protestants-christelijke scholen» door uitgevers van schoolboeken?1
Hier heb ik heb kennis van genomen.
Doet de overheid momenteel zaken met uitgevers die een dergelijke «zwarte lijst» hanteren? Hoe wilt u omgaan met deze uitgevers?
Neen. De overheid doet geen zaken met educatieve uitgevers. De overheid stelt kerndoelen vast voor het primair- en voortgezet onderwijs. De scholen kiezen zelf een methode om de kerndoelen te halen. Daarmee gaat geen bemoeienis van de overheid gepaard.
Voetbalwedstrijden en collectief vervoer |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat veel supporters wegblijven van uitwedstrijden, omdat ze alleen met collectief vervoer kunnen reizen, met alle nadelen van dien?
Nee.
Deelt u de mening dat de Voetbalwet zich juist kan bewijzen door de combiregeling af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
De Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast kan bijdragen aan een verminderd gebruik van de combiregeling, maar deze niet vervangen. Een belangrijk verschil tussen beide maatregelen is dat de wet zich richt op de aanpak van een aanwijsbaar en beperkt aantal personen die individueel of in groepsverband in het verleden herhaaldelijk de openbare orde hebben verstoord of bij die groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol hebben gehad en jegens wie ernstige vrees voor verdere verstoring bestaat, terwijl een combiregeling bij bepaalde risicowedstrijden wordt opgelegd aan alle bezoekende supporters van de uitspelende club, op basis van een inschatting van de veiligheidsrisico’s rondom een wedstrijd. Beide maatregelen kunnen afhankelijk van de situatie hun nut hebben. In het vernieuwde beleidskader Voetbal en Veiligheid zullen de ketenpartners (politie, gemeenten, KNVB, Openbaar Ministerie, Auditteam, ministerie van Veiligheid en Justitie) op landelijk niveau afspraken maken om het aantal combiregelingen te laten dalen. Het beleidskader verschijnt dit voorjaar.
Deelt u de mening dat een driekwart leeg vak, waarin bezoekers van uitwedstrijden gekooid hun wedstrijd bekijken, eruit ziet als een rotte kies in een verder puntgaaf gebit en dat dit de clubs tonnen aan inkomsten per seizoen scheelt? Zo nee, waarom niet?
Voetbalclubs dienen zich als een goed gastheer op te stellen. Het Auditteam Voetbal en Veiligheid doet op dit moment een onderzoek onder uitsupporters. Dit onderzoek verschijnt deze zomer en richt zich op vervoer, ontvangst en supportersbeleid. De resultaten worden besproken in de regiegroep Voetbal en Veiligheid waarin vertegenwoordigers van politie, OM, gemeenten, KNVB, Auditteam en het ministerie van Veiligheid en Justitie zitten.
Bent u bekend met de Engelse situatie, waarin supporters van beide ploegen als gevolg van de Engelse Voetbalwet gebroederlijk naar het stadion komen en zich voorbeeldig gedragen in en om het stadion?
Ervaringen in het buitenland met de aanpak en bestrijding van voetbalvandalisme worden vanzelfsprekend bij de vormgeving en operationalisering van het Nederlandse beleid betrokken. De ervaringen met de Engelse voetbalwet worden meegenomen bij de evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, zoals toegezegd bij de aanvaarding van de daartoe strekkende motie Dölle c.s. (kamerstukken 31 467, I)
Bent u bereid de combiregeling in overleg met de KNVB vanaf het volgende seizoen af te schaffen, zodat de KNVB ruimschoots de tijd heeft de gevolgen naar de clubs en de supporters te communiceren? Zo nee, waarom niet?
Allereerst is het belangrijk dat alle partijen volgens het beleidskader voetbal en veiligheid gaan werken. Zo lang zich nog steeds incidenten rondom voetbalwedstrijden voordoen zijn maatregelen zoals een combiregeling nodig. Verder verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 2.
De voornemens van het kabinet met betrekking tot de sociale werkplaatsen en de Wajong |
|
|
|
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u het bericht ««Pittige gesprekken» over één regeling»?1
Ja.
Is er door het kabinet al een concreet voorstel gedaan tot het vormen van een enkele regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt? Zo ja, hoe ziet zo’n regeling er precies uit? Zo nee, wanneer valt zo’n voorstel te verwachten?
Het kabinet wil met de nieuwe regeling werken naar vermogen toe naar een regeling die de WWB/WIJ, Wajong en Wsw hervormt en die decentraal wordt uitgevoerd door gemeenten en/of werkpleinen. Hierdoor kunnen de gemeenten meer mensen laten participeren, budgetten gerichter en effectiever inzetten en kosten besparen.
Zoals ik aan uw Kamer heb gemeld is voor een effectieve en uitvoerbare regeling overleg met de uitvoerders en andere betrokkenen cruciaal. Ik ben het eens met wat de heer Florijn aangeeft in het door u aangehaalde bericht «Pittige gesprekken», dat er op dit moment intensieve en goede gesprekken plaatsvinden met de verschillende uitvoerders. Mijns inziens zijn deze gesprekken van groot belang voor de invulling van de beleidsvoornemens. Op basis van deze gesprekken maak ik afwegingen voor de verdere uitwerking van de plannen.
Daarnaast heb ik reeds aangegeven dat het kabinet en medeoverheden nog in overleg zijn over een eventueel te sluiten bestuursakkoord op hoofdlijnen ten aanzien van deze en een aantal andere decentralisatievoornemens. Zo spoedig als mogelijk zal ik uw Kamer nader informeren.
Zullen er in die regeling voorstellen zitten betreffende duurzame inschaling van Wsw’ers onder het Wettelijk Minimumloon (WML)? Zal er bezuinigd worden op de capaciteit van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) dan wel Wajong voor nieuwe gevallen?
Ik heb reeds aangegeven de hoofdlijnennotitie naar uw Kamer te zullen sturen. In deze hoofdlijnennotitie zullen de afspraken uit het regeerakkoord nader worden uitgewerkt.
Deelt u de mening dat het een voorbeeld van onbehoorlijk bestuur is om gemeenten zo lang in het duister te laten over de bezuinigingen (en de invullingen daarvan) die in het komende jaar al moeten plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Het zou naar mijn overtuiging van onbehoorlijk bestuur getuigen als ik zonder overleg met de gemeenten mijn beleid zou vaststellen. Gemeenten zijn, als toekomstige uitvoerders, voor mij belangrijke partners om tot een goede en zorgvuldige afweging te komen. Overigens constateer ik dat veel gemeenten inmiddels anticiperen op de vermindering van het participatiebudget in 2012 zoals opgenomen in het regeerakkoord.
In hoeveel gemeenten is sprake van onduidelijkheid over de gemeentelijke gevolgen van de beleidsvoornemens inzake de Wsw en Wajong, zoals nu bijvoorbeeld in Appingedam?2
Met gemeenten wordt momenteel intensief overlegd, onder andere met als doel mogelijke onduidelijkheden zoveel mogelijk op te lossen.
Hoeveel gemeenten zullen in de financiële problemen komen door de nieuwe regeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt? Hoe groot acht u de kans dat gemeenten een artikel-12-status zullen moeten aanvragen, omdat ze niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen?
Dit is een hypothetische vraag waar ik op dit moment geen antwoord op kan geven.
Deelt u de mening dat de contouren van de voorstellen, zoals die bij gelegenheid in de media verschijnen, als centrale gedachte lijken te hebben dat mensen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt daaraan zelf (mede) schuldig zijn en dat de inspanningen om aan de slag te komen daarom geheel aan henzelf toevallen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Dit kabinet wil met de voorstellen de juiste randvoorwaarden creëren om mensen die dat kunnen naar vermogen te laten werken en hen niet onnodig in een uitkering op te sluiten.
Deelt u de mening dat het beter is om de problemen op te lossen met een verplicht quotum voor mensen met een beperking in dienst van bedrijven en overheden, naar het model van het Rotterdamse stadsbestuur dat iedere werkloze een baan wil aanbieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Quota verplicht opleggen aan bedrijven kan op weinig draagvlak rekenen. Het wordt ervaren als een verkapte lastenverzwaring en/of boete en het is stigmatiserend voor de mensen die het betreft. Buitenlandse ervaringen hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Ik ben meer voorstander van stimuleren en motiveren van werkgevers.
Een georganiseerde campagne van geweld in Ivoorkust |
|
Frans Timmermans (PvdA), Sjoera Dikkers (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van Human Rights Watch (HRW) waarin beschreven staat dat milities en het veiligheidsapparaat van de heer Ghabo een schrikbewind voeren in de stad Abidjan?1
Ja.
Zijn er recent in Ivoorkust meer incidenten geweest die erop wijzen dat grootschalige georganiseerde geweldsacties worden ingezet om aanhangers van Quattara aan te vallen?
De incidenten die door Human Rights Watch in zijn rapport worden aangehaald sluiten aan bij de incidenten waarover sinds de in oktober en november 2010 gehouden verkiezingen is gerapporteerd. Meerdere bronnen bevestigen dat de georganiseerde geweldscampagne, die wordt uitgevoerd door de strijdkrachten van Gbagbo, zich met name richt op moslims en andere etnische groepen die specifiek bekend staan als aanhangers van president Ouattara.
Deelt u de mening van HRW dat er dringend maatregelen getroffen moeten worden om tegen deze terreur van geweld, in de vorm van systematische moorden en verkrachtingen, een halt toe te roepen? Zo ja, op welke wijze gaat u, dan wel in EU verband, hier gehoor aan geven?
Nederland heeft recent in EU-verband diverse sanctiemaatregelen ingesteld die gericht zijn tegen personen en instellingen die het bewind van Gbagbo ondersteunen. Deze maatregelen zijn bedoeld om de inkomstenstroom richting Gbagbo en zijn aanhangers te blokkeren en daarmee bij te dragen aan het breken van de macht van het Gbagbo-regime.
Daarnaast ondersteunt Nederland de VN vredesmacht UNOCI in Ivoorkust (6 mln euro p/j), die ondermeer als taak heeft de burgerbevolking te beschermen.
Bent u van plan om gehoor te geven aan de oproep van HRW die wil dat de internationale gemeenschap Gbagbo meer onder druk zet? Wilt u de Kamer informeren over de stappen die u hiervoor heeft ondernomen en de resultaten die dat heeft opgeleverd?
Nederland blijft via de EU de gerichte druk op Gbagbo en degenen die hem ondersteunen opvoeren. Tevens zal Nederland VN-initiatieven ondersteunen die bijdragen aan de bescherming van de mensenrechten van de Ivoriaanse bevolking.
Naar aanleiding van een speciale zitting over Ivoorkust door de Mensenrechtenraad in december 2010 brengt de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten deze maand een rapport uit over de situatie in Ivoorkust. Ik zal zo enigszins mogelijk zorgdragen voor Nederlandse bijdragen aan de opvolging van de aanbevelingen in dit rapport.
Het artikel "Hufters op het veld harder straffen" |
|
|
|
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat vindt u van de conclusies die de Kennispraktijk naar aanleiding van het project «Samen voor sportiviteit en respect» trekt in haar vandaag gepubliceerde rapport?1
Ik ben van mening dat sportiviteit en respect hoger op de agenda moeten bij de sport en de sportverenigingen. Sportiviteit en respect worden veelal gezien als iets extra’s dat pas aan de orde komt als overige zaken geregeld zijn. Ik deel dan ook de conclusie dat «normaal doen» weer vanzelfsprekend moet worden in de sport. Tevens kan ik u melden dat ik reeds met de sport (NOC*NSF, KNVB en KNHB), gemeenten (VNG en VSG), het ministerie van Veiligheid en Justitie en MO-groep Welzijn in overleg ben om de sport veiliger te maken, ongewenst gedrag tegen te gaan en uitwassen aan te pakken. Dit overleg zal resulteren in een actieplan dat ik nog dit voorjaar naar de Kamer zal sturen. De conclusies uit genoemd rapport neem ik mee in het opstellen van het actieplan.
Deelt u de conclusies die de Kennispraktijk trekt? Bent u bereid een inhoudelijke reactie op de inhoud van het rapport naar de Kamer te sturen, dan wel te verwerken in de eerder toegezegde Sportbrief? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid bij de betrokken sportbonden te informeren op welke wijze zij de conclusies uit het rapport van Kennispraktijk in de praktijk gaan omzetten, onder andere op het gebied van meer uniforme strafbepalingen bij geweld op sportvelden?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u het eens met de stelling in het artikel «Zware sanctie bij zware overtreding werkt bevorderend voor de sportiviteit»? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'Gevangenis huurt meer imams in en minder pastors en humanisten' |
|
Lilian Helder (PVV), Geert Wilders (PVV), Joram van Klaveren (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Gevangenis huurt meer imams in en minder pastors en humanisten»?1
Ja.
Is het waar dat het aantal gevangenisimams stijgt ten opzichte van andere (geestelijke) verzorgers?
Ja. Dit is het gevolg van de uitkomsten van een voorkeurspeiling die is uitgevoerd in 2008, 2009 en 2010. De voorkeurspeiling betreft een onderzoek dat gedurende de hierboven vermelde drie opeenvolgende jaren is uitgevoerd onder een representatief deel van de ingeslotenen naar hun voorkeur voor de verschillende denominaties. Daaruit blijkt dat de vraag naar sommige denominaties is gegroeid en naar andere is gedaald.
Hoe beoordeelt u het commentaar van de voorzitter van het Humanistisch Verbond, die de wijze waarop Justitie de wensen van gedetineerden heeft gepeild «misleidend» noemt?
Het Nederlands strafrecht en gevangeniswezen berusten op de gedachte dat de gevangenisstraf dient als reactie op een misdrijf en in de hoop dat dit herhaling voorkomt. De gevangenisstraf strekt echter niet tot verandering van personen en de diepste overtuiging van mensen die door grondrechten worden beschermd. Het zou leiden tot een vorm van «brainwashing». Daarom volgt de geestelijke verzorging de overtuiging van personen en beoogt niet deze te hervormen.
In hoeverre deelt u de visie dat de integratie nog verder onder druk komt te staan bij een toename van het aantal imams in het gevangeniswezen?
Het Nederlands strafrecht en gevangeniswezen berusten op de gedachte dat de gevangenisstraf dient als reactie op een misdrijf en in de hoop dat dit herhaling voorkomt. De gevangenisstraf strekt echter niet tot verandering van personen en de diepste overtuiging van mensen die door grondrechten worden beschermd. Het zou leiden tot een vorm van «brainwashing». Daarom volgt de geestelijke verzorging de overtuiging van personen en beoogt niet deze te hervormen.
Op grond van de hierboven reeds toegelichte voorkeurspeiling is vast komen te staan dat het aantal formatieplaatsen voor islamitisch geestelijke verzorging diende te worden uitgebreid om te kunnen voldoen aan het wettelijke vereiste dat de geestelijke verzorging zoveel mogelijk dient aan te sluiten bij de godsdienst of levensovertuiging van de ingeslotenen. Ik zie geen relatie tussen de taakuitoefening door de bij DJI aangestelde islamitisch geestelijk verzorgers en de integratie van ingeslotenen in de Nederlandse maatschappij. Ik deel de visie dan ook niet dat de integratie onder druk komt te staan bij een toename van het aantal imams in het gevangeniswezen.
Deelt u de mening dat onze samenleving grotendeels is gevormd door de joods/christelijk/humanistische cultuur, dat deze in Nederland dominant moet blijven en dat het stijgende aantal imams in gevangenissen dit niet bevordert? Zo nee, waarom niet?
Onze samenleving heeft gedurende vele eeuwen de invloed van allerlei culturen ondergaan. De cultuur van de samenleving wordt gevormd door allen die daaraan volgens hun eigen overtuiging deelnemen. In de samenleving zoals wij die kennen is de Joods/christelijk/humanistische cultuur dominant. De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals geregeld in artikel 6 van de Grondwet en in internationale verdragen omvat mede het recht om naar die overtuiging te leven, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Met de geestelijke verzorging in de penitentiaire inrichtingen geeft de overheid uitvoering aan zijn verantwoordelijkheid om voorwaarden te scheppen die het uitoefenen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging mogelijk maken voor hen aan wie de fysieke vrijheid is ontnomen.
Hoe groot is het percentage moslims onder de gedetineerden in Nederlandse gevangenissen?
In de registratiesystemen van DJI wordt niet bijgehouden of iemand moslim is. Door middel van eerdergenoemde voorkeurspeilingen is wel onderzoek verricht naar de voorkeur op het gebied van geestelijke verzorging van de ingeslotenen, niet naar hun godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond. Uit de voorkeurspeiling volgt dat 21 van de ingeslotenen aangeeft gebruik te willen maken van islamitisch geestelijke verzorging.
Op basis van welke berekening bent u op het specifieke aantal van 43 fte’s voor imams uitgekomen?
Het budget voor geestelijke verzorging binnen de Dienst Justitiële Inrichtingen is gebaseerd op het totale aantal ingeslotenen. Hierbij wordt een norm gehanteerd van één geestelijk verzorger op 90 ingeslotenen. Toepassing van deze norm, in combinatie met de uitkomsten van de voorkeurspeiling, heeft geleid tot de vaststelling dat er 43 fte nodig zijn voor de islamitisch geestelijke verzorging.
Welke gevolgen heeft de (gedeeltelijke) privatisering van het gevangeniswezen voor deze (geestelijke) verzorgers?
De privatisering van de tenuitvoerlegging van straffen kan geen invloed hebben op de verantwoordelijkheid van de regering om personen die gedwongen hun vrijheid wordt ontnomen in staat te stellen hun vrijheid van godsdienst uit te oefenen.
Bent u bereid onmiddellijk een imamstop (als geestelijk verzorger) in te voeren bij gevangenissen?
De Penitentiaire beginselenwetten bepalen dat elke ingeslotene recht heeft op geestelijke verzorging die zo veel mogelijk aansluit bij zijn/haar godsdienst of levensovertuiging. Nu een deel van de ingeslotenen aangeeft een voorkeur te hebben voor islamitisch geestelijke verzorging, is de overheid verplicht te zorgen voor voldoende islamitisch geestelijk verzorgers in de justitiële inrichtingen. Ik zie dan ook geen enkele aanleiding om een imamstop (als geestelijk verzorger) in te voeren bij DJI.
Het Mor Gabriel klooster in Turkije |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Turkse staat een rechtszaak tegen het Mor Gabriel klooster bij het Turkse hooggerechtshof in Ankara gewonnen heeft, zodat het klooster een gedeelte van zijn eeuwenoude landerijen moet afstaan?1
Ja.
In antwoorden op eerdere Kamervragen gaf uw ambtsvoorganger aan dat de ambassades van EU-lidstaten bij toerbeurt de rechtszaken tegen het klooster zouden bijwonen en dat de Kamer daarover geïnformeerd zou worden. Kunt u uiteenzetten wie de rechtszitting heeft bijgewoond en wat de bevindingen zijn in de EU?2
De Nederlandse Ambassade volgt de rechtszaak over het Mor Gabriël-klooster op de voet. Zo is Nederland regelmatig bij zittingen aanwezig geweest. Indien dit niet geval was, werd ons land vertegenwoordigd door de EU-delegatie of andere EU-lidstaten. Het Kabinet deelt de conclusie van de Europese Commissie in haar laatste voortgangsrapport, dat een flinke inspanning vereist is ten aanzien van de rechten van religieuze minderheden.
Deelt u de mening dat de Turkse overheid, door het aanspannen van vele rechtszaken tegen het klooster, de rechten van de minderheden niet garandeert, zoals ook opgemerkt in de voortgangsrapportage over Turkije van de Europese commissie?3
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de Turkse ambassadeur in Nederland in een onderhoud te wijzen op de precaire situatie van de christelijke minderheden in zijn land, hem te verzoeken aan de Turkse regering de rechtszaken van de overheid tegen het Mor Gabriel klooster in te trekken en de resolutie 1704 (speciaal punt 19.6 dat om bescherming van het klooster en zijn eigendommen gaat) van de Raad van Europa na te leven, en daarop terug te rapporteren aan de Raad van Europa zoals gevraagd?
Mede op aandringen van Nederland, heeft de EU-vertegenwoordiging in Turkije op 15 februari jl. bij de Turkse regering gedémarcheerd, om namens alle EU-lidstaten haar zorg uit te spreken over het verloop van de Mor Gabriël-rechtszaak. Verder heeft Nederland zich herhaaldelijk in Raad van Europa-verband hiervoor ingezet, waarbij de godsdienstvrijheid voor alle Turkse inwoners werd benadrukt. Ook heb ik zelf mijn zorgen geuit over deze zaak in consultaties met mijn Turkse collega op 2 februari jl. Het Kabinet zal, tot slot, de reguliere bilaterale contacten blijven aanwenden om aandacht te vragen voor de rechten van (religieuze) minderheden in Turkije. Dit zal ook in gesprekken met de Turkse Ambassadeur aan de orde komen.
Bent u bereid om dit onderwerp te agenderen in de EU en zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om uw en onze zorgen over het Mor Gabriel klooster aan de Turkse regering over te brengen tijdens uw bezoek aan Turkije en kunt u ons op de hoogte stellen van het antwoord dat u van de Turkse minister krijgt?
Zie antwoord vraag 4.
Een vergelijkingswebsite ten aanzien van prijs en kwaliteit van kinderopvang |
|
|
|
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
Kent u de vergelijkingswebsite die door de Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang (BOink) is ontwikkeld om ouders een beter inzicht te geven in de prijs en kwaliteit van kinderopvang?1
Ja
Is het waar dat al sinds oktober 2006 aan de ontwikkeling van deze website wordt gewerkt met financiële steun van de rijksoverheid?
Nee. In 2009 is subsidie toegekend aan de Belangenvereniging voor Ouders in de Kinderopvang (BOink) voor de looptijd van 4 jaar om deze site te ontwikkelen en te vullen. Er is tot nu toe een voorschot van € 379 400,- betaald voor dit project.
Is het waar dat het rijk in 2010 opnieuw subsidie heeft verleend voor de ontwikkeling van de website? Hoeveel subsidie heeft de rijksoverheid in de afgelopen jaren in totaal aan dit project verstrekt?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de website volstrekt niet beantwoordt aan het doel de positie van ouders te verbeteren door inzicht te verschaffen in prijs, kwaliteit, openingstijden en het pakket van uren of dagdelen die instellingen aanbieden, doordat in de meeste gevallen concrete informatie over tarieven, kwaliteit en aangeboden pakketten van uren/dagdelen ontbreekt?2
Nee. Op dit moment hebben circa 1600 locaties de kinderopvangkaart ingevuld. De kinderopvanginstellingen hebben tijd nodig om de kinderopvangkaart te vullen. Als de kinderopvangkaart op termijn beter gevuld wordt door de kinderopvanginstellingen dan kunnen de ouders de prijs en kwaliteit van de verschillende kinderopvanginstellingen met elkaar vergelijken.
Wordt de informatie op de website, die vanaf medio 2010 in de lucht zou zijn2 nog aangevuld? Wanneer is de informatie op de website volledig?
Ja. De verwachting is dat het drie jaar zal duren voordat de kinderopvangkaart een goed landelijke dekking krijgt. Daar is ook rekening mee gehouden bij de toekenning van de subsidie. Hoe snel de vulling in de praktijk zal zijn, is afhankelijk van de medewerking van de kinderopvanginstellingen.
Op welke wijze wordt in de richting van ouders bekendheid aan het initiatief gegeven? Welke waarborgen zijn er dat de informatie over de opvanginstellingen actueel en correct is?
De keuze voor de wijze waarop bekendheid wordt gegeven aan dit initiatief is aan BOinK. In de subsidie aanvraag heeft BOinK aangegeven:
BOinK heeft eerder twee pilots uitgevoerd waarin de waarborgen zijn onderzocht. Gebleken is dat de ondernemers accuraat waren waar het ging om het invullen van de gegevens van eigen locaties. Daarnaast maakten ouders die gebruik maakten van deze locaties maar ook derden BOinK erop attent dat bepaalde informatie niet correct was.
Welke eisen zijn er destijds verbonden aan het verlenen van een subsidie aan het project? Voldoet het eindproduct aan deze eisen, of ziet u aanleiding om subsidiegeld terug te vorderen?
BOinK voert het project uit volgens het projectplan en rapporteert hierover jaarlijks. Aan het eind van het project, uiterlijk maart 2013, dient BOinK de eindverantwoording in. Daarin wordt verantwoording afgelegd over de doelstellingen en de financiering van het project. Eén van de doelstellingen is bijvoorbeeld dat de kinderopvangkaart na 4 jaar voor 85% zal zijn gevuld. Op basis van de eindverantwoording wordt de subsidie definitief vastgesteld dan wel teruggevorderd.
Fraude met PGB'S |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat berichten over grootschalige fraude met Persoonsgebonden Budgetten (PGB’s) een klap in het gezicht zijn van die mensen die te goeder trouw een PGB inzetten voor eigen regie ten aanzien van hun zorgbehoefte?1
Ja.
Hoe staat u tegenover de uitspraken van Zorgverzekeraars Nederland (ZN), die in een persbericht stellen dat deze zaak lijkt te bevestigen dat de huidige PGB-regeling uitnodigt tot systematische en grootschalige fraude? Kan de claim van ZN, die zich zorgen maakt «over het toenemend misbruik van het PGB» worden onderbouwd? Kunt u cijfers geven over de ontdekte fraude in de afgelopen jaren ten opzichte van de verstrekte PGB’s? Wijken deze cijfers af van ontdekte en vermoedde fraude in de Zorg in Natura?
Uit cijfers die ZN onlangs bekend heeft gemaakt en uit andere signalen blijkt dat er sprake is van een toenemend aantal fraudegevallen met het pgb. ZN meldt 133 onderzochte fraudezaken in 2008 en 204 in 2010. De afgelopen jaren is er in totaal voor een bedrag van € 6 miljoen aan pgb-fraude vastgesteld. In 2010 bedroegen de totale pgb-uitgaven ruim € 2,3 miljard. We weten uit de rapportage van ZN en van andere partijen, zoals de NZa en de SIOD, dat de pgb-regeling fraudegevoelig is. Alhoewel ik de bestuurlijke rapportage van het Openbaar Ministerie nog moet ontvangen, lijken de recente arrestaties de fraudegevoeligheid van het pgb te onderstrepen. (zie ook antwoorden op kamervragen van de leden De Jong en Van den Besselaar, kenmerk 2011Z01607) Ik vind het daarom belangrijk dat er maatregelen worden genomen om de risico’s op fraude die de huidige regeling en uitvoering met zich meebrengen te verminderen. De werkgroep fraude is hier momenteel mee bezig en zal mij in maart hierover rapporteren.
De cijfers van ZN bevatten geen informatie over fraude bij zorg in natura. Echter, uit het Algemeen rapport uitvoering AWBZ 2009 over fraude in de AWBZ van de NZa, blijkt dat in nagenoeg alle onderzochte fraudezaken sprake is van fraude met het pgb.
Kunt u uiteenzetten of het keurmerk dat door Per Saldo (belangen vereniging van mensen met een PGB) is ontwikkeld per direct wordt ingezet om fraude tegen te gaan?
Het keurmerk is ontwikkeld om budgethouders betere garanties te bieden inzake de kwaliteit en betrouwbaarheid van pgb-bureaus. Het keurmerk kan inmiddels worden aangevraagd bij het Keurmerkinstituut. In de werkgroep fraude die mij in maart zal adviseren, wordt bekeken of het wenselijk is dit keurmerk een verplicht karakter te geven.
Kunt u uiteenzetten langs welke lijn de fraudeaanpak zal lopen, zonder de efficiëntie in de zorg te beïnvloeden?
Momenteel worden in overleg met alle bij het pgb en de fraudebestrijding betrokken partijen maatregelen uitgewerkt om fraude met pgb’s terug te dringen. Deze maatregelen richten zich op de gehele pgb-keten. Het gaat dus niet alleen om mogelijke aanpassingen in de subsidieregeling, maar ook om verbeteringen in de voorlichting (preventie), de controle (detectie) en de sanctiemogelijkheden (repressie). Een advies is in maart gereed. In de pgb-brief die ik in mei aan de Kamer zal sturen, zal ik u informeren over de fraude-maatregelen, die ik op basis van dit advies ga nemen.
Bent u bereid te kijken naar de organisatie van het besluitvormingsproces? Deelt u de mening dat het moment van informatieverstrekking en voorlichting dat vooraf moet gaan aan de keuze voor een PGB of Zorg in Natura (ZIN) scherper kan?
Zoals in het AO pgb van 16 februari jl. aangegeven vind ik, net als u, een goede en tijdige informatievoorziening aan AWBZ-cliënten van groot belang. Ik ga met alle relevante AWBZ-ketenpartners en Per Saldo in gesprek om gezamenlijk te kijken hoe de informatievoorziening is te verbeteren.
Bent u bereid breed te kijken naar mogelijkheden fraude effectief tegen te gaan door de keuze van mensen voor ZIN of een PGB te ondersteunen, bijvoorbeeld door vaker in een persoonlijk gesprek de mogelijkheden van zorg in natura te bespreken, en niet alleen met formulieren te werken?
Zie antwoord vraag 5.
Radiobazen die betaald krijgen voor liedjes die ze nooit geschreven hebben |
|
Pauline Smeets (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de auteursrechten innende radiodirecteuren die betaald krijgen voor liedjes die ze nooit zelf geschreven hebben?1
Ja.
Wat is de reden dat de radiodirecteuren, zoals die van Radio 538 en Sky Radio, meetekenen met de echte componisten om dan naar verluid de inkomsten weer door te geven aan deze echte componisten? Waarom zou dat «handiger» zijn?
De in het krantenartikel genoemde radiostations hebben gesteld dat de muziekwerken uitsluitend jingles en tunes betreffen. Dit wordt bevestigd door Buma die dit opmaakt uit de titel van de aangemelde werken. Voorts hebben zij verklaard dat de muziekwerken zijn vervaardigd door werknemers van het radiostation, dan wel zijn afgenomen van een extern productiebedrijf. Op grond van artikel 7 van de Auteurswet wordt een werkgever als maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst aangemerkt indien de arbeid van de werknemer bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken van letterkunde, wetenschap of kunst. Dit geldt tenzij partijen schriftelijk iets anders overeenkomen. De radiostations hebben aangegeven dat zij voor de werken van hun eigen werknemers uit hoofde van artikel 7 Auteurswet als maker moeten worden aangemerkt. Dergelijke makers worden ook wel fictieve makers genoemd.
Uit artikel 30a Auteurswet volgt dat muziekauteursrechtenbemiddeling geschiedt ten behoeve van de makers van muziekwerken of hun rechtverkrijgenden. Op grond van artikel 6 van de statuten van Buma staat het lidmaatschap slechts open voor natuurlijke personen die auteur, erfgenaam of legataris zijn, of uitgever zijn of een leidinggevende functie vervullen in een uitgeversbedrijf. De auteur wordt nader gedefinieerd als de natuurlijke persoon die de hoedanigheid van componist en/of tekstdichter bezit. Daarnaast wordt het begrip rechtverkrijgende nader gedefinieerd. Hieronder wordt onder meer verstaan de besloten of naamloze vennootschap waarvan een auteur of zijn rechtsopvolger ten minste 90% van de aandelen houdt. De statuten voorzien voorts in de mogelijkheid voor het bestuur om bij reglement de voorwaarden vast te stellen op basis waarvan andere rechtspersonen dan de auteurs-b.v./n.v. aangemerkt kunnen worden als rechtverkrijgende, maar van deze mogelijkheid is nog geen gebruik gemaakt. De rechtspersoon die als werkgever ingevolge artikel 7 van de Auteurswet wordt aangemerkt als de maker, kan zich derhalve thans niet als lid bij Buma aanmelden. Om die reden is er door de radiostations voor gekozen de directeur, zijnde een natuurlijk persoon, op te geven als componist.
Een bestuurscommissie van Buma is verzocht een advies uit te brengen aan het bestuur over de vraag of fictieve makers in aanmerking zouden moeten komen voor lidmaatschap. En zo ja, op welke wijze dit dient te geschieden. Ik zal het College van Toezicht Auteursrechten verzoeken aandacht aan deze kwestie te besteden.
Voor die muziekwerken die een radiostation heeft afgenomen van een externe producent zal het station zich niet op het werkgeversauteursrecht kunnen beroepen. Of de productiebedrijven dat wel kunnen, hangt af van de concrete omstandigheden.
Het Platform Makers stelt overigens dat in de meeste gevallen liedjes, tunes en jingles door zelfstandige componisten in opdracht – en dus buiten dienstverband – worden vervaardigd. Indien een maker meent dat bij Buma een ander ten onrechte als rechthebbende is aangemerkt, kan hij de inschrijving betwisten. Hangende de procedure bevriest Buma dan de uitkering van vergoedingen. Bij Buma is voor de muziekwerken waarbij de genoemde radiodirecteuren staan geregistreerd als componist geen verzoek om toepassing van deze procedure binnengekomen.
Klopt het dat in breder verband uitgevers componisten dwingen om hen mee te laten tekenen als componist?
In casu gaat het niet om uitgevers maar om radiostations. Voor de door de radiodirecteuren aangemelde muziekwerken is tevens een uitgever aangemeld. Het is aan de (fictieve) maker van de muziekwerken om te bepalen of hij een overeenkomst wil sluiten met een muziekuitgever.
Duidt dit naar uw oordeel op een economische machtspositie van de uitgevers, in de zin van artikel 24 van de Mededingingswet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) te verzoeken hier een onderzoek naar te laten doen?
Een onderneming heeft een economische machtspositie in de zin van de Mededingingswet als de onderneming zich onafhankelijk van concurrenten, leveranciers, afnemers en consumenten in de betreffende markt kan gedragen. Het is aan de betrokken marktpartijen om de NMa te verzoeken een onderzoek in te stellen indien zij het vermoeden hebben dat een onderneming een economische machtspositie heeft en daarvan misbruik maakt.
Voorziet de Auteurscontractenrechtwet in regelingen die de positie van de componist beschermt tegen uitgevers, radio-directeuren en omroepen? Zullen in deze wet een «bestseller-regeling» en een «non-usus»-regelingopgenomen worden? Zo nee, waarom niet?
In 2010 is geconsulteerd over een voorontwerp van wet auteurscontractenrecht. In het voorontwerp is een zogeheten bestseller-regeling en een non usus-regeling opgenomen. U zult nader geïnformeerd worden over de stand van zaken met betrekking tot het voorontwerp in de speerpuntenbrief auteursrecht die binnen afzienbare tijd naar de Tweede Kamer wordt gezonden.
Wanneer zal deze Auteurscontractenrechtwet bij de Kamer ingediend worden?
Zie antwoord vraag 5.
De moord op de Ugandese homo-activist David Kato |
|
Louis Bontes (PVV), Johan Driessen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ugandese homo-activist vermoord»?1
Ja
Deelt u de afschuw over het feit dat David Kato, die campagne voerde tegen de strafbaarheid van homoseksualiteit, na publicatie van een dodenlijst en de oproep tot het ophangen van homoseksuelen, vermoord is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben geschokt door de moord op de vooraanstaande mensenrechtenactivist David Kato. De dader(s) moeten worden opgespoord en vervolgd.
Bent u bereid om politieke druk uit te oefenen op Uganda ten einde de positie van homoseksuelen in Uganda te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
De positie van homoseksuelen is een regelmatig terugkerend agendapunt in de politieke dialoog die Nederland zowel bilateraal als in EU-verband met Uganda voert. Op vrijdag 28 januari 2011 is dit onderwerp en de moord op David Kato nog opgebracht in een gesprek van een aantal ambassadeurs waaronder de Nederlandse met de Ugandese premier. Naar aanleiding van de moord heeft de EU in een lokale verklaring het belang onderstreept van het werk van activisten die opkomen voor de rechten van seksuele minderheden. Samen met andere donoren heeft Nederland daarnaast bij de Ugandese autoriteiten aangedrongen op adequate beveiliging van deze activisten.
Bent u, anders dan in oktober 20102, nu wel eindelijk bereid alle ontwikkelingshulp, op noodhulp na, aan Uganda te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het stopzetten van Nederlandse ontwikkelingshulp aan Uganda zal niet bijdragen aan de positie van homoseksuelen in dat land. Nederland zal de Ugandese autoriteiten blijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid bij het beschermen van de rechten van seksuele minderheden en aandringen op voortvarend strafrechtelijk onderzoek naar de moord op David Kato.
Het niveau van beginnende mbo'ers |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u bekend met het bericht «Beginnende mbo-ers vaak onder niveau basisschool»?1
Ja.
Is het onderzoek representatief te noemen?
Ik kan geen uitspraken doen over de representativiteit van dit onderzoek. Het onderzoek is gebaseerd op een door een particuliere instelling opgestelde diagnostische toets die is afgenomen bij haar klanten.
Deelt u de zorgen rondom de prestaties in de verschillende niveaus? Wat betekent dit voor de landelijke examinering in 2014?
Van diverse mbo-instellingen hoor ik dat de resultaten van beginnende mbo-ers op de diagnostische toetsen taal en rekenen laag kunnen zijn. Ik neem dat signaal serieus en zal het betrekken bij mijn aanpak voor de invoering van de referentieniveaus in het mbo.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat de status van de nu gebruikte diagnostische toetsen een andere is dan die van de toekomstige examens. De resultaten van de diagnostische toetsen geven een indicatie van de beheersing van het vereiste referentieniveau. Voor het opstellen van de definitieve normering en moeilijkheidsgraad van de toekomstige examens is meer tijd nodig.
Dit gebeurt in de komende jaren, met betrokkenheid van toetsdeskundigen, taal- en rekenexperts en de onderwijsinstellingen.
Vanaf 2013/2014 (niveau 4 en 2014/2015 (niveaus 2 en 3) worden centrale examens taal en rekenen afgenomen. De zorgen rondom de huidige taal- en rekenprestaties van startende mbostudenten vormen op dit moment voor mij geen aanleiding om af te wijken van dit tijdpad.
Het gaat er allereerst om dat scholen van zowel het voortgezet onderwijs als het middelbaar beroepsonderwijs extra gaan investeren in goed taal- en rekenonderwijs.
Ten tweede voer ik de centrale examens gefaseerd en zorgvuldig in. Vanaf 2011 doen de mbo-instellingen ervaring op met pilotexamens, waarbij de taal- en rekenprestaties van studenten jaarlijks worden gemeten. Ik volg de implementatie nauwgezet aan de hand van tussentijdse evaluaties waarbij ik het College voor Examens en het mbo-veld betrek. Wanneer uit deze testfase blijkt dat de taal- en rekenprestaties ondanks de onderwijsinspanningen van de scholen te laag blijven, zal ik passende maatregelen nemen.
Hoe beoordeelt u de prestaties van de verschillende niveaus (m.n. niveau 2 en 4)?
Ik beschouw de prestaties van de beginnende mbo-ers op de diagnostische toetsen vooral als een signaal dat scholen van zowel het po, vmbo als het mbo aan de slag moeten met extra en gerichte investeringen in taal- en rekenonderwijs.
Als niveau 4 doorstroom naar het hbo mogelijk maakt, moet dan het niveau lezen en rekenen ook op havo-niveau zijn? Wat is de discrepantie nu? En hoe wordt het gat gedicht?
Het referentieniveau 3F Nederlandse taal en rekenen wordt in zowel de examinering van het havo als in die van mbo-4 opgenomen. Daarmee gaan in de toekotnst zowel havisten als mbo4 studenten met hetzelfde niveau van lezen en rekenen naar het hbo. Over de verschillen en overeenkomsten tussen taal- en rekeneisen in de huidige examenprogramma's van het havo en de mbo-4 opleidingen is geen informatie bekend.
Wat gaat u nu precies doen met de referentieniveaus? Wat verstaat u onder zorgvuldig invoeren?
Zie mijn antwoord op vraag 3. Een nadere uitwerking hiervan geef ik in de voortgangsrapportage over de implementatie van de referentieniveaus in de verschillende onderwijssectoren.
De voortgangsrapportage ontvangt de Tweede Kamer in het voorjaar van 2011.
Wat is het effect van dit onderzoek op uw handelen? Voor wie is er werk aan de winkel? Alleen voor de scholen?
Ik neem het signaal dat dit onderzoek geeft serieus en zal het betrekken bij mijn aanpak voor de invoering van de referentieniveaus in alle onderwijssectoren. Deze invoering vergt uiteraard een gezamenlijke inzet van alle betrokken: van docenten en managers van po-, vo- en mbo-scholen, van landelijke ondersteuningsinstellingen en van de overheid in haar voorwaardenscheppende rol.
Als de vmbo-docenten zeggen dat de lat te hoog ligt, hoe werkt dit uit in termen van verwachtingsmanagement? Is waar wat zij zeggen, dat het voor vmbo-leerlingen onhaalbaar is?
Mij is bekend dat er zorgen bij vmbo-docenten bestaan over de haalbaarheid voor vmboleerlingen.
Ik neem deze zorgen serieus en zal ze betrekken bij mijn aanpak voor de invoering van de referentieniveaus in het vo. Lopende verbetertrajecten in het vmbo tonen echter aan dat de taal- en rekenprestaties van vmbo-leerlingen wel degelijk kunnen worden verhoogd.
Verwachtingen van docenten ten aanzien van hun leerlingen zijn belangrijk. Daarom zorg ik ervoor dat vmbo-docenten via het Steunpunt Taal en Rekenen kunnen kennisnemen van succesvolle verbetertrajecten van hun collega-instellingen. Ook kunnen docenten vanaf 2011 met hun leerlingen kennismaken met concrete uitwerkingen van de referentieniveaus in proeftoetsen en -examens.
Is er al zicht op de aanpak en het effect van de 50 miljoen euro die extra is uitgetrokken voor de aanpak van rekenen en taal voor het mbo?
Vanaf 2010 ontvangen de mbo-instellingen 50 miljoen euro voor de aanpak van taal en rekenen.
Er zijn reeds diverse resultaten zichtbaar. Zo heeft elke mbo-instelling in het voorjaar van 2010 een implementatieplan taal en rekenen opgesteld. Verder blijkt dat bijna alle instellingen, als basis voor de inrichting van het taal- en rekenonderwijs, op grote schaal diagnostische toetsen taal en rekenen afnemen bij hun beginnende studenten. Uit het aantal aanmeldingen bij het College voor Examens blijkt bovendien dat veel instellingen in het voorjaar van 2011 ervaring gaan opdoen met de eerste digitale voorbeeldexamens voor mbo-4.
Voor zicht op het effect op leerlingprestaties is het nu nog te vroeg. Het kost enige tijd voordat de effecten van geleverde extra onderwijsinspanningen zich doorvertalen in hogere prestaties van leerlingen op toetsen en examens.
Het toegenomen gebruik van de populaire drug GHB |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het toegenomen gebruik van de partydrug Gamma-Hydroxy-Butyraat (GHB)?1
Uit beschikbare gegevens van hulpverleningsinstellingen blijkt dat het aantal GHB-verslaafden dat een beroep doet op hulpverlening de afgelopen jaren is toegenomen.
Deelt u de mening dat het gebruik en de gevolgen van GHB zouden moeten worden gemonitord, zoals bijvoorbeeld bij alcohol en drugs? Zo nee, waarom niet?
GHB wordt al als drug gemonitord, sinds 2008 als apart middel, onder andere via de Nationale Drug Monitor. Via het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC), het Letsel Informatie Systeem (LIS) en de Stichting Informatievoorziening Zorg (IVZ) worden ook de gevolgen van problematisch GHB-gebruik gemonitord.
Is het waar dat kennis over het gebruik en verslavingsgevaar van GHB bij de gebruikers erg laag is? Vindt u dit gewenst en zo nee, welke middelen heeft u om deze kennis bij (potentiële)gebruikers te vergroten en welke van deze middelen gaat u daadwerkelijk inzetten?
Ondanks de voorlichting en informatievoorziening zoals toegelicht in het antwoord op vraag 5 is niet geheel uit te sluiten dat er gebruikers zijn die zich niet goed realiseren aan welke risico’s zij zich bloot stellen door GHB te gebruiken. Uit internetfora is af te leiden dat er gebruikers zijn die willens en wetens de risico’s die aan het gebruik van GHB verbonden zijn op de koop toe nemen. Ik ben van mening dat via de gebruikelijke kanalen voldoende informatie over de gevaren en risico’s van GHB-gebruik voorhanden is.
Deelt u de mening dat gebruik van «nieuwe en/of populaire» drugs, zoals GHB, moet worden gemonitord, zodat preventie en behandeling hierop tijdig kunnen worden aangepast? Welke drugs zouden hier naar uw mening voor in aanmerking komen?
Via het Drugs Informatie en Monitoring Systeem (DIMS) wordt inzicht verkregen in de markt van de recreatieve drugs en de ontwikkelingen die zich op die markt voordoen. De Stichting Informatievoorziening Zorg inventariseert de hulpvraag van mensen die vanwege problematisch gebruik van GHB een beroep doen op hulpverlening. Naar aanleiding van berichten uit het Verenigd Koninkrijk is vorig jaar enige tijd bijzondere aandacht uitgegaan naar het middel mefedron. Het DIMS is een belangrijke informatiebron voor preventiewerkers bij de instellingen voor verslavingszorg en voor preventiewerkers die het uitgaansleven als werkterrein hebben.
Op welke wijze vindt op dit moment preventie van GHB gebruik plaats? Vindt u het gewenst dat jongeren nadrukkelijk worden gewezen op de gevaren van GHB? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven?
De voorlichting over drugs van het Trimbos Instituut en de instellingen voor verslavingszorg gaat specifiek in op GHB en waarschuwt voor de gevaren van dit middel. Zo heeft Trimbos de site www.drugsenuitgaan.nl voor jongeren die uitgaan en de site www.drugsinfo.nl voor het algemene publiek. Ook de instellingen voor verslavingszorg waarschuwen voor de gevaren met folders en sites, zoals bijv. www.drugsinfoteam.nl van Brijder verslavingszorg. Voor persoonlijke informatie en advies kunnen de jongeren direct vragen stellen aan professionals via de drugsinfolijn en via de chatservice. Daarnaast bevat het voorlichtingsprogramma De Gezonde School en Genotmiddelen voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs (+MBO) een lespakket over uitgaansdrugs. In dat pakket wordt GHB ook meegenomen. Ik ben van mening dat deze preventieve activiteiten op dit moment voldoende zijn, mede gezien de omvang van de GHB problematiek.
Op welke manier wilt u gebruik van GHB voorkomen, aangezien de gebruikers deze met behulp van reinigingsstoffen en aan de hand van Youtube-filmpjes zelf kunnen vervaardigen?
De belangrijkste stof bij het vervaardigen van GHB is Gamma-Butyro-Lactone (GBL). Deze stof zit in tal van schoonmaakmiddelen (gootsteenontstopper, velgreiniger) die vrij verkrijgbaar zijn. Zoals in september 2010 ook al is aangegeven wordt GBL grootschalig toegepast voor industriële doeleinden. Een verbod van GBL is alleen al om die reden onwenselijk.2
Vindt u dat er meer behandelplekken met terugvalpreventie voor de GHB gebruikers in Nederland zouden moeten zijn, omdat de huidige instellingen de toestroom van mensen niet aan kunnen? Zo ja, hoe gaat u hiervoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Vanaf 2008 hebben steeds meer problematisch GHB-gebruikers hulp gezocht bij de instellingen voor verslavingszorg. Inmiddels is vastgesteld dat het onmiddellijk stoppen met gebruik tot grote gezondheidsrisico’s kan leiden. Ook de behandeling waarbij benzodiazepines werden voorgeschreven is niet voor iedere patiënt succesvol. De door verslavingszorginstelling Novadic-Kentron ontwikkelde behandeling met gebruik van GHB in een afbouwschema heeft vooralsnog het beste behandelresultaat. Ik stimuleer een project waarbij verslavingszorginstellingen participeren in het onder wetenschappelijke begeleiding uitvoeren van een nieuwe behandelmethode voor GHB-verslaving. Doel daarvan is een adequaat behandelprotocol te realiseren waarmee elke verslavingszorginstelling met succes GHB-verslaving kan behandelen. Daardoor zal ook de behandelcapaciteit sterk kunnen worden uitgebreid.
Wat is de invloed van GHB op de verkeersdeelname, aangezien de werking vergelijkbaar is met overmatig alcoholgebruik? Is er een reëel hoger gevaar op verkeersdoden door het toegenomen gebruik van GHB?
Het besturen van voertuig onder invloed van GHB kan gevaarlijk zijn, omdat het feitelijk een slaapmiddel is en gebruikers bewusteloos kunnen raken.
Over het aantal verkeersdoden en -gewonden die het direct gevolg is van het gebruik van GHB, is geen informatie voorhanden.
Is het mogelijk het GHB gehalte in het lichaam te meten? Vindt u dat de verkeerstesten op alcohol op basis hiervan uitgebreid moeten worden?
De aanwezigheid van GHB in het lichaam kan worden gemeten door middel van een bloedtest, als die binnen 24 uur na inname van GHB wordt uitgevoerd. Via een speekseltest kan GHB niet worden waargenomen. Op dit moment bereidt mijn collega van Veiligheid en Justitie in samenwerking met mijn collega van Infrastructuur en Milieu en met mij een wijzigingsvoorstel van de Wegenverkeerswet 1994 voor om de aanpak van rijden onder invloed van drugs te verbeteren. Deze aanpak zal ook betrekking hebben op het rijden onder invloed van GHB.
Het vangnet voor zelfstandigen zonder personeel (zzp-ers) |
|
Jesse Klaver (GL) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Zzp-ers zoeken een bed»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de uitspraken van de directeur van het Centraal planbureau dat er veel verborgen leed zit onder de groep zzp-ers die vorig jaar de klap van de crisis opvingen, waardoor officiële werkloosheidscijfers relatief laag bleven?
Zoals mijn voorganger in antwoord op dezelfde vraag van 15 januari 2010 reeds heeft aangegeven2 is het inherent aan ondernemerschap dat het inkomen van de zelfstandige «meeademt» met de conjunctuur. Als het slecht gaat met de economie krijgen zzp’ers te maken met minder opdrachten en/of een verlaging van uurtarieven om de concurrentie aan te kunnen. Ze profiteren over het algemeen ook als eerste als de economie weer aantrekt.
Alhoewel dit bij de eigen verantwoordelijkheid van ondernemers hoort, kunnen dergelijke financiële klappen hard aankomen. Gegevens van het CBS laten zien dat het gemiddeld persoonlijk inkomen van de gehele groep zelfstandigen in 2009 inderdaad is gedaald, maar gemiddeld nog altijd hoger is dan dat van werknemers in particuliere bedrijven. In hoeverre het inkomen van zzp’ers is gedaald, is niet bekend. De omzetdaling van zzp’ers bedroeg in 2009 volgens het Economisch Instituut Midden- en Kleinbedrijf (EIM) circa 6,5%; dat is min of meer gelijk aan de omzetdaling in Midden- en Kleinbedrijf (MKB) als geheel. Niet alle zzp’ers werden in gelijke mate getroffen door de crisis. Circa één op de vijf zzp’ers had in 2009 een omzetdaling van 10% of meer.
De overgrote meerderheid van de ondernemers blijkt een aanzienlijke financiële buffer te hebben. Op 1 januari 2010 hadden zelfstandigen een doorsneevermogen van € 154 000. Uiteraard is sprake van een aanzienlijke spreiding in de hoogte van het vermogen. Niettemin had 75% van de zelfstandigen op 1 januari 2010 meer dan € 20 000 aan vermogen beschikbaar.
Sinds 2010 heeft de economie een voorzichtig herstel ingezet. De verwachting is dat zzp’ers hiervan profiteren.
Kunt u inzichtelijk maken waarom het niet-gebruik van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ) hoog is en bent u bereid hierop actie te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Er is geen informatie bekend over de mate van niet-gebruik van het Bbz. Wel zijn er signalen dat zelfstandigen niet altijd op de hoogte zijn van het bestaan van het Bbz. Hieruit kan overigens niet worden afgeleid dat zelfstandigen de weg naar het Bbz niet weten te vinden als dat nodig is. Zolang er immers geen financiële problemen zijn is er ook geen reden om naar informatie over het Bbz te zoeken. Wanneer problemen zich dreigen aan te dienen, is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om te zoeken naar oplossingsrichtingen of ondersteuningsmogelijkheden, waarbij het Bbz als vangnet kan dienen wanneer andere vormen van ondersteuning (bijvoorbeeld via een bank) niet mogelijk zijn. Gemeenten zijn – als uitvoerder van het Bbz – primair verantwoordelijk voor de bekendheid van het Bbz onder de (potentiële) doelgroep. Gemeenten zijn via de verzamelbrief van februari 2009 (in beginperiode van de crisis) en in december van datzelfde jaar opgeroepen om de mogelijkheden van het Bbz, met name in nijpende situaties, optimaal te benutten. Daarnaast heeft het kabinet het initiatief genomen om op de website antwoordvoorbedrijven.nl een digitaal informatieloket voor zzp’ers op te zetten waarop alle regels en faciliteiten vanuit de overheid – waaronder het Bbz – overzichtelijk worden gepresenteerd.
Deelt u de mening dat het niet wenselijk is dat een zelfstandige gedwongen wordt om te teren op zijn opgespaarde pensioenvoorziening alvorens hij/zij in aanmerking komt voor de BBZ? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Het kabinet zal hier uitgebreid op ingaan in zijn reactie op het advies van de SER over de positie van zzp’ers. Deze reactie zal voor 1 april aan de Kamer worden gezonden.
Kunt u uiteenzetten waarom een zelfstandige, bij problematische schulden, geen gebruik kan maken van de minnelijke schuldhulpverlening?
Het is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de zelfstandige zelf om een oplossing te vinden voor eventuele financiële problemen waarin het bedrijf verkeert. Als er sprake is van een in principe levensvatbaar bedrijf dat tijdelijk in moeilijkheden verkeert is ondersteuning via het Bbz mogelijk. In die gevallen waarin het bedrijf niet levensvatbaar is (en het Bbz dus niet van toepassing is), kan de zelfstandige het bedrijf of beroep beëindigen. Daarna kan hij evenals andere burgers een beroep doen op de schuldhulpverlening. Het staat gemeenten overigens vrij om schuldhulpverlening aan te bieden aan zelfstandigen met een nog functionerende onderneming. Gelet op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk en gemeenten op dit vlak is het niet aan mij om hierin verdere stappen te ondernemen.
Deelt u de mening dat de mogelijkheden qua schuldhulpverlening voor zelfstandigen zeer beperkt zijn en vaak in een (te) laat stadium toegankelijk zijn en dat deze niet zijn gericht op de voorzetting van de onderneming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke stappen u hierin zal ondernemen?
Zie antwoord vraag 5.
De passagier die na een valse bommelding gewoon werd vrijgelaten |
|
Lilian Helder (PVV), André Elissen (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onrust Schiphol na bommelding passagier tijdens controle»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie dat iemand die doelbewust grote wanorde op een luchthaven veroorzaakt en daarbij inspeelt op de angst voor een aanslag, na verhoor direct wordt vrijgelaten?
Uiteraard vind ik het onaanvaardbaar dat mensen dreiging en wanorde veroorzaken met valse bommeldingen. Het Openbaar Ministerie treedt hier in voorkomende gevallen dan ook consequent tegen op, waarbij de zwaarte van de sanctie afhangt van de overlast die door de valse bommelding is veroorzaakt. In dit geval was er overigens geen sprake van «grote wanorde» op de luchthaven. Deze valse bommelding heeft ongeveer 15 minuten vertraging veroorzaakt bij het inchecken van de passagiers, en geen vertraging voor de vlucht zelf ten gevolge gehad.
Waarom is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis, voorgeleiding of snelrecht?
Op 25 januari 2011 is een persoon als verdachte verhoord door de Koninklijke Marechaussee. Daarnaast zijn twee getuigen gehoord. Nadat het onderzoek was afgerond is de verdachte conform artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering op last van de hulpofficier van justitie binnen 6 uur heengezonden. Verdere vrijheidsbeneming van de verdachte was niet gerechtvaardigd, omdat er geen verder onderzoek nodig was. Evenmin was er aanleiding om snelrecht toe te passen. De Koninklijke Marechaussee heeft een proces-verbaal opgemaakt en ingestuurd naar het Openbaar Ministerie, alwaar de zaak is beoordeeld. De verdachte is een transactie van 750 euro aangeboden. Dat is het gebruikelijke bedrag bij een valse bommelding die een vertraging bij het inchecken veroorzaakt, maar geen vertraging van de vlucht zelf. Indien de transactie niet wordt betaald zal hij worden gedagvaard.
Hoe gaat u de beeldvorming bestrijden dat het verstoren van de openbare orde met een valse bomdreiging vrijwel straffeloos kan gebeuren?
Ik deel niet de indruk dat er in de beeldvorming sprake van is dat men straffeloos valse bommeldingen op Schiphol kan doen. Het Openbaar Ministerie treedt consequent op in voorkomende gevallen, en daders krijgen een aanzienlijke transactie voorgesteld. Indien de transactie niet wordt betaald, of indien sprake is van ernstige verstoring of recidive, worden verdachten standaard gedagvaard.
Bent u van plan de kosten voor de inzet van orde- en veiligheidsdiensten te verhalen op de dader? Zo nee, waarom niet?
Zoals vermeld in antwoord op vraag 2 heeft het onderhavige incident geen grote wanorde, maar slechts een geringe vertraging bij het inchecken veroorzaakt. Door de Koninklijke Marechaussee kon het incident op reguliere wijze met de reeds beschikbare mensen worden afgehandeld. De Koninklijke Marechaussee acht deze zaak daarom niet geschikt voor een poging om schade op de dader te verhalen.
Het bericht dat het afschaffen van stadsdelen miljoenen gaat kosten |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het rapport van de Amsterdamse Raad voor de Stadsdeelfinanciën «Advies effecten kabinetsplannen tot afschaffing deelgemeenten» van 18 januari 2011?1
Ja.
Wat is uw reactie op de conclusie in het advies dat het afschaffen van de stadsdelen structureel minimaal 100 miljoen euro per jaar bedraagt, en dat in de eerste jaren daar nog eens tientallen miljoenen euro’s aan incidentele kosten bijkomen?
Die conclusie deel ik niet. Gevolg van het afschaffen van de stadsdelen is dat er geen dagelijks bestuurders en deelraadsleden meer zijn. Dat betekent dat de gemeente Amsterdam structureel geld zal kunnen besparen als het gaat om salarissen, vergoedingen en op termijn uitkeringen en pensioenen van politieke ambtsdragers. De besparingen op de loonkosten voor politieke ambtsdragers bedragen structureel € 7,6 miljoen per jaar. Daarnaast kan er aanvullend bespaard worden op hun directe ondersteuning (bestuursassistenten, secretaresses, griffie) en op ondersteunende voorzieningen zoals computers, telefoons, reis- en verblijfskosten en fractieondersteuning. Het is niet bekend om hoeveel geld het hier gaat, omdat de deelgemeenten daar eigen keuzes in mogen maken.
Het afschaffen van de politieke laag hoeft geen gevolgen te hebben voor de ophanging en organisatie van de ambtelijke diensten. Decentralisatie kan worden vervangen door deconcentratie, zodat efficiencyvoordelen behouden blijven. Het rapport gaat hier ten onrechte aan voorbij. Dat de afschaffing van de stadsdelen Amsterdam structureel minimaal € 100 miljoen gaat kosten, acht ik dan ook uitgesloten. Dat neemt niet weg dat er incidentele reorganisatiekosten zullen zijn. Hoeveel deze zullen bedragen, is niet bekend, omdat dit afhangt van welke rechtspositionele arrangementen de gemeente met de ambtenaren heeft en vooral hoe men de verdere inrichting van de gemeentelijke organisatie vorm wil geven. Deze kosten kunnen gefinancierd worden uit de besparingen op bestuurslasten.
Overigens merk ik op dat het rapport – in de woorden van de onderzoekers – niet meer is dan een eerste inventarisatie, uitgebracht op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het is aan het college om hier desgewenst bij de advisering over het concept wetsvoorstel een standpunt over in te nemen.
Klopt het dat er financiële gevolgen zijn vanuit het niet optimaal kunnen vormgeven van nog naar gemeenten te decentraliseren taken (delen van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (Awbz) in aanvulling op de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo); en de jeugdzorg in aansluiting op de Centra voor Jeugd en Gezin) en dat er een verslechterde situatie te verwachten is ten aanzien van de beheersing van financiële risico’s? Zo nee, hoezo niet?
Nee. Bij de bovengenoemde decentralisaties krijgen gemeenten bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid. Zij zijn vrij in de wijze waarop zij het beleid en de uitvoering organiseren. Veel gemeenten werken hiervoor binnen de Wmo, en vele andere beleidsvelden, samen. In sommige grote gemeenten is de uitvoering gedeconcentreerd of – zoals in het geval van Amsterdam – gedecentraliseerd naar deelgemeenten. Afschaffing van de deelgemeenten hoeft geen financiële consequenties voor de uitvoering van de te decentraliseren onderwerpen te hebben. Als Amsterdam de uitvoering op het huidige schaalniveau wil blijven organiseren, kan de gemeente kiezen voor deconcentratie.
Wat is uw reactie op de conclusie dat het de gemeente Amsterdam niet toegestaan wordt om bij het vormgeven van een efficiënt en effectief werkend lokaal bestuur dezelfde uitgangspunten te hanteren, als het rijk nastreeft bij het decentraliseren van taken en bevoegdheden en de te bereiken decentralisatie-impulsen?
De vergelijking tussen de positie van het Rijk en die van een gemeente op het punt van (binnengemeentelijke) decentralisatie gaat niet op. Het regeerakkoord gaat uit van een versterking van de bestuurlijke hoofdstructuur Rijk – provincies – gemeenten. Voor een hulpstructuur als de deelgemeenten is daarbinnen geen plaats. De bestuurlijke inrichting is een zaak van de wetgever. Met het afschaffen van de deelgemeenten verdwijnt enkel het politieke bestuur. Amsterdam kan er voor kiezen beleid en uitvoering niet op centraal gemeentelijk niveau te organiseren. Decentralisatie wordt dan vervangen door deconcentratie.
Hoe verhoudt dit onderzoek zich tot de in 2009 geadviseerde herverdeling tot zeven stadsdeelgemeenten door Commissie Verbetering Bestuur Amsterdam?2
Het advies van de Commissie Verbetering Bestuur Amsterdam (commissie-Mertens) heeft geleid tot de vorig jaar gerealiseerde opschaling van veertien naar zeven stadsdelen. Kennelijk zag de gemeente toen in dat het met minder deelgemeenten en bestuurders efficiënter is. Het rapport van de Raad voor de Stadsdeelfinanciën geeft een opvatting over wat de financiële gevolgen van het afschaffen van de huidige zeven stadsdelen zouden zijn. Dat is een volstrekt andere situatie. Tussen beide rapporten is dus geen verband te trekken.
Zijn voorgaande verwachte effecten van het afschaffen van de stadsdelen ook te verwachten bij het afschaffen van de stadsdelen in Rotterdam? Zo ja, wat is de totaal te verwachten kostenpost – zowel structureel, als incidenteel – van het afschaffen van de stadsdelen? Zo nee, waarom niet?
De Rotterdamse deelgemeenten hebben een kleinere schaal, een ander takenpakket en een andere organisatie in relatie tot de centrale stad dan de Amsterdamse stadsdelen. Het is daarom lastig om een vergelijking te maken. De voor Rotterdam te verwachten jaarlijkse besparingen aan kosten voor politieke ambtsdragers bedragen € 7,5 miljoen structureel. Daarnaast zal net als in Amsterdam aanvullend bespaard kunnen worden op persoonlijke ondersteuning en faciliteiten voor politieke ambtsdragers. Daar staat tegenover dat – net als in Amsterdam – de incidentele reorganisatiekosten moeilijk zijn in te schatten. Deze kosten kunnen gefinancierd worden uit de besparingen op bestuurslasten.
De totale besparingen aan rechtspositionele aanspraken voor politieke ambtsdragers in Amsterdam en Rotterdam bedragen ongeveer € 15,1 miljoen structureel per jaar.
Bent u nog steeds voornemens de stadsdelen af te schaffen? Zo ja, met welke middelen wilt u deze operatie bekostigen?
Ja. Aangezien de gemeenten structureel zullen besparen op de kosten voor politieke ambtsdragers en hun directe ondersteuning en er slechts incidenteel reorganisatiekosten zijn, is er geen aanleiding Amsterdam en Rotterdam financieel te compenseren. Daarbij zij opgemerkt dat er geen aanleiding is om in het kader van artikel 2 Financiële-verhoudingswet de algemene uitkering uit het gemeentefonds voor Amsterdam en Rotterdam bij te stellen. De keuze voor deelgemeentebesturen is een vrijwillige keuze, waarmee in de verdelingssystematiek van het gemeentefonds nu geen rekening wordt gehouden. Beide steden hebben hier dan ook steeds zelf de kosten voor gedragen of – zoals het onderhavige rapport stelt – de opbrengsten van genoten. Afschaffing van de deelgemeenten leidt tot een structurele besparing op de bestuurlijke lasten die, binnen de systematiek van het gemeentefonds, vrij besteedbaar is voor beide gemeenten.
Het vrijgeven van de voetbal makelaarsmarkt en de gevolgen die dit heeft voor jonge talenten |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Vrijgave makelaarsmarkt leidt tot misstanden met jonge talenten. Straks is de jeugd echt vogelvrij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat jongeren onder de 16 jaar beschermd moeten worden en blijven tegen de invloeden van voetbalmakelaars en intermediairs? Zo ja, kunt u toelichten welke middelen ingezet worden om deze jonge talenten te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Profvoetballer worden is voor velen een droom en als je opgenomen wordt in het selectietraject hiervoor kan dat veel kansen bieden. Maar clubs, begeleiders, ouders en makelaars moeten zorgvuldig met jonge talenten omgaan. Ik snap de zorgen die bestaan rondom transfers van minderjarige spelers, en vooral van spelers onder de 16 jaar.
In Nederland moeten spelersmakelaars een licentie van de KNVB hebben. Dit betekent dat zij zich moeten houden aan de reglementen van de KNVB. Volgens artikel 8 lid 1 sub d van het Reglement Spelersmakelaars is een spelersmakelaar verplicht zich te onthouden van activiteiten en werkzaamheden voor zover het spelers jonger dan 16 jaar betreft.Bij overtreding van de reglementen, komt de spelersmakelaar in aanraking met de tuchtrechtelijke organen van de bond.
Als een ouder of een bij de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaat opereert als intermediair tussen de (jonge) speler en de bond, dan valt deze niet onder de reglementen van de voetbalbond.
Biedt de huidige wet- en regelgeving adequate bescherming aan de jonge voetbaltalenten of worden kinderen jonger dan zestien in de praktijk wel «begeleid door sportmakelaars»? Indien dit laatste het geval is, om hoeveel kinderen gaat het dan?
Nederland heeft geen specifieke wettelijke regels die verbieden dat spelers jonger dan zestien bij een andere Nederlandse of buitenlandse club gaan spelen. Reguliere wet- en regelgeving ten aanzien van witwassen, belastingontduiking, fraude, arbeidsrecht etc. zijn van toepassing op iedereen, ook op sporters en hun begeleiders.
De sector heeft zelf regels opgesteld om jonge voetbaltalenten te beschermen; het in antwoord 2 genoemde artikel 8 lid 1 sub d van het Reglement Spelersmakelaars van de KNVB.
De afgelopen jaren zijn er weinig klachten bij de KNVB binnengekomen over spelersmakelaars die kinderen jonger dan 16 begeleiden. Deze klachten zijn onderzocht maar kunnen vaak niet bewezen worden. Redenen hiervoor lopen uiteen van simpelweg het «niet bestaan» van bewijsmiddelen tot het niet willen afgeven van een verklaring door betrokkenen.
Bent u in gesprek met de KNVB om het onder contract stellen van jonge talenten tegen te gaan? Overweegt u wettelijke of andere maatregelen om de misstanden met jonge talenten tegen te gaan? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ouders zijn verantwoordelijk voor het welzijn en de ontwikkeling van hun kind. Als dat betekent dat zij in het kader van de ontwikkeling van de sportieve en maatschappelijke loopbaan een andere, nieuwe opleidingsplek kiezen, dan is dat hun goed recht. Dit moet uiteraard wel zorgvuldig gedaan worden.
Uit onderzoek van de Europese Commissie naar spelersmakelaars in de Europese Unie (2009) blijkt dat de oplossing vaak niet makkelijk te vangen is in wet- en regelgeving. Zelfregulering kan hierbij wel een belangrijk instrument zijn.
Maar als het om criminele activiteiten gaat, als de belastingen ontdoken worden, als het arbeidsrecht geschonden wordt of als het vrije verkeer van werknemers in het gedrang komt, dan komt uiteraard de publieke overheid in beeld. Hiervoor zijn wetten en regels en deze worden gehandhaafd.
Gelet op het bovenstaande overweeg ik geen nieuwe wettelijke of andere maatregelen in te stellen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de jeugd «echt vogelvrij» wordt als de FIFA de makelaarsmarkt vrijgeeft? Heeft het vrijgeven van de makelaarsmarkt gevolgen voor uw beleid? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
De FIFA gaat het huidige systeem van spelersmakelaars evalueren en sluit niet uit dat een van de uitkomsten van de evaluatie is dat het huidige licentiesysteem geheel afgeschaft wordt. Het systeem is volgens de FIFA namelijk veel te diffuus en makkelijk te omzeilen. Clubs, spelers en hun ouders kunnen immers altijd een advocaat inhuren en ouders kunnen zelf een contract ondertekenen of verhuizen naar een andere stad of ander land ten dienste van hun minderjarige kind.
De reguliere wet- en regelgeving in Nederland verandert niet automatisch door een wijziging van sportregels van de FIFA. Gelet hierop onderschrijf ik de stelling dat de jeugd «echt vogelvrij» wordt niet.