Milieusubsidie en huizenbezitters |
|
Betty de Boer (VVD), René Leegte (VVD) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Huizenbezitters lopen milieusubsidie mis»?1
Ja.
Is het waar dat € 2 mlj. subsidiegeld, bedoeld voor maatwerkadvies voor het energiezuiniger maken van woningen, van het totaal van € 10 mlj. naar drie grote partijen is gegaan? Zo ja, waarom? Zo nee, hoeveel dan, en waarom?
Het maximale subsidiebudget in 2009 en 2010 bedroeg in totaal € 11 176 000. Dit is in de Staatscourant gepubliceerd. Het overgrote deel van de subsidie (circa viervijfde) is via individuele subsidieaanvragen aangevraagd; het resterende deel is via collectieve subsidieaanvragen van intermediaire partijen aangevraagd. De regeling verzet zich er niet tegen dat een eigenaar-bewoner een intermediaire partij machtigt om namens hem een subsidieaanvraag in te dienen. In beide gevallen kwam het subsidiebudget volledig ten goede aan eigenaar-bewoners.
Agentschap NL heeft de subsidieaanvragen beoordeeld. Subsidieaanvragen zijn op volgorde van binnenkomst binnen de gestelde voorwaarden verwerkt totdat het subsidieplafond was bereikt. Dit gold zowel voor individuele subsidieaanvragen als voor collectieve subsidieaanvragen. De regeling is daarna gesloten.
Stemt deze handelwijze overeen met de eisen en criteria die gesteld worden aan de subsidieregeling? Kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Hebben de drie partijen een subsidieverzoek ingediend, of heeft u een grote som subsidie aangeboden aan een beperkt aantal partijen? Kunt u de feitelijke gang van zaken toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het geld terecht hoort te komen bij huiseigenaren en bewoners en het MKB en niet bij drie spelers in de markt? Zo nee, waarom niet?
Alle door Agentschap NL uitgekeerde subsidie is ten goede gekomen aan maatwerkadviezen voor eigenaar-bewoners.
Het afmaken van straathonden in EU-lidstaat Roemenië |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de wijzigingen van de dierenbeschermingswetten in Roemenië, die de wettelijke bescherming van straathonden ongedaan zullen maken?12
Hoe beoordeelt u de methoden die Roemeense overheden hanteren om de problemen met een overschot aan zwerfdieren op te lossen, zoals het willekeurig wegvangen van dieren, het doden van dieren door vergiftiging, doodslaan of verhongering in asielen?
Kunt u uiteenzetten hoe een dergelijke wrede aanpak van zwerfdieren zich verhoudt tot het Verdrag van Lissabon, waarvan door het (voormalige) kabinet werd beweerd dat het een verbetering voor het dierenwelzijn zou betekenen?
Is deze wijziging van de Roemeense dierenbeschermingswet en het door Roemenië gehanteerde zwerfdierenbeleid in overeenstemming met de verdragsbepalingen ten aanzien van de bescherming van dieren? Kunt u dit toelichten?
Deelt u de mening dat de dierenbeschermingsbepalingen van het Verdrag van Lissabon weinig om het lijf hebben als dergelijke wrede praktijken als het Roemeense zwerfdierenbeleid gewoon mogelijk zijn in Europa? Bent u bereid te erkennen dat ondanks alle bezweringen dat het Verdrag van Lissabon een stap vooruit zou zijn voor het welzijn van dieren, dit verdrag feitelijk geen verbetering van de bescherming van dieren realiseert?
Bent u bereid deze kwestie bij de Roemeense minister van Landbouw en Landelijk Gebied ter discussie te stellen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De rechtsbescherming van ambtenaren |
|
Pierre Heijnen (PvdA), Mariëtte Hamer (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Interim-ambtenaren protesteren tegen ontslag» gepubliceerd op de website inoverheid op 4 april 2011?
Ja.
Klopt het dat bij AgentschapNL medewerkers werken via een zogenaamd payrollbedrijf en dat deze de komende jaren zonder sociaal plan af zullen vloeien? Zo nee, wat klopt er niet aan deze berichtgeving?
Het klopt dat bij het AgentschapNL medewerkers werken via een payrollbedrijf.
Door de teruggang van het opdrachtenpakket van AgentschapNL en daarmee de hoeveelheid werk doet het zich voor dat AgentschapNL minder gebruik maakt van de via het payrollbedrijf ingezette medewerkers. Bij het payrollbedrijf wordt vervolgens bepaald of en zo ja onder welke voorwaarden de beëindiging van het arbeidscontract met het payrollbedrijf plaatsvindt. Hiervoor gelden de regels van de vigerende VPO CAO en uiteraard de relevante wettelijke voorschriften bij ontslag. Voor het payrollbedrijf geldt dat indien er sprake is van collectief ontslag, overleg over een sociaal plan aan de orde is tussen vakbonden en het payrollbedrijf.
Hoeveel mensen zijn bij de rijksoverheid in dienst door middel van een payrollbedrijf? Wat is de ontwikkeling hiervan over de afgelopen 10 jaar? Volgens welke cao worden deze medewerkers betaald?
Bij de rijksoverheid zijn geen mensen in dienst middels payrolling. De medewerkers zijn in dienst bij het payrollbedrijf en worden te werk gesteld bij een opdrachtgever. Voor zover uw vraag ziet op het aantal payrollwerknemers dat werkzaam is bij de rijksoverheid (de ministeries, uitvoeringsorganisaties en baten-lastendiensten): dat zijn momenteel circa 1 200 personen. Dit is het aantal dat werkzaam is bij de rijksoverheid en voor wie de VPO-CAO geldt.
Over de ontwikkeling van de afgelopen 10 jaar merk ik op, dat eerst vanaf 2010, na de totstandkoming van de interdepartementale raamoveeenkomst IFAR2010, goed vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn gekomen voor de rijksdienst. De ontwikkeling van het aantal werkzame payrollers in de rijksdienst over een afgelopen periode van 10 jaar is dan ook niet te geven.
In de VPO-CAO staat dat voor de werknemer dezelfde beloning geldt als de rechtens geldende beloning van de werknemer werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie in dienst van de opdrachtgever (artikel 8, tweede lid VPO-CAO).
De payrollmedewerker bij AgentschapNL wordt betaald volgens de regels die gelden voor rijksambtenaren, ook wel genoemd de cao voor de sector Rijk.
Wat zijn de juridische verschillen en overeenkomsten tussen payrollbedrijven en uitzendbedrijven? Hoe wordt door de rijksoverheid de afweging gemaakt welke vorm van werkgeverschap gebruikt wordt bij het aantrekken van arbeidskrachten? Hoe wordt de rechtszekerheid van medewerkers in deze afweging betrokken?
Payrollbedrijven en uitzendbureaus lijken op elkaar wat betreft het te werk stellen van werknemers bij derden. Net als bij uitzendbureaus is er ook bij payrollbedrijven sprake van een zogenoemde driehoeksrelatie: het payrollbedrijf, de werknemer waarmee het payrollbedrijf een arbeidsovereenkomst heeft en de opdrachtgever waar de werknemer werkzaam is. Het grote verschil tussen een medewerker werkzaam via een uitzendbureau en een medewerker werkzaam via een payrollorganisatie betreft de werving. Bij een uitzendovereenkomst via het uitzendbureau werft het uitzendbureau de medewerker voor het bedrijf dat inleent. In het geval van payrolling werft het inlenende bedrijf zelf. Een payrollwerknemer waarop de VPO-CAO van toepassing is, krijgt van aanvang af dezelfde beloning als die welke de opdrachtgever aan zijn eigen medewerkers biedt.
De keuze van welke vormen van arbeid gebruik zal worden gemaakt bij het verrichten van overheidswerkzaamheden ligt bij de desbetreffende overheidsorganisatie. Elementen als kosten, verloop van werkaanbod, continuïteit, binding aan de organisatie spelen hierbij een rol. Het is aan deze organisaties om te komen tot een samenstelling van het personeelsbestand dat het best past bij de uit te voeren werkzaamheden. Ook als het gaat om de verhouding flexibel en vast personeel en de aard van de arbeidsrelatie van het flexibel personeel. Het is vervolgens de keuze van de werknemer om op het voorliggende aanbod in te gaan.
Bij EL&I (AgentschapNL) is de keuze gemaakt voor de inzet van payrollmedewerkers om de fluctuaties in de verstrekking van werkopdrachten voor de organisatie soepel te kunnen opvangen.
Deelt u de mening dat de werkgeversconstructie met behulp van payrolling de rechten van de betrokken ambtenaren onevenredig aantast ten opzichte van collega’s die wel direct in dienst zijn van de overheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wilt u deze aantasting van rechten wegnemen of verminderen?
Het betreft hier geen ambtenaren maar werknemers in dienst van een payrollbedrijf. Deze payrollmedewerkers hebben een arbeidsovereenkomst met de payrollonderneming. De juridische grondslag van hun arbeidsverhouding is van een andere aard dan die van de ambtenaar, dat maakt een vergelijking lastig.
Deze werknemers zijn een arbeidscontract aangegaan met het payrollbedrijf. Op de arbeidsverhouding is een cao van toepassing. Deze regels zullen uiteraard door de werkgever gerespecteerd moeten worden.
Voelt u verantwoordelijkheid voor de toekomst en de carrière van de medewerkers van AgentschapNL die als gevolg van de bezuinigingen moeten afvloeien? Zo ja, hoe wilt u deze verantwoordelijkheid omzetten in een fatsoenlijk sociaal plan en ondersteuning bij het vinden van ander werk?
Wij delen de zorg van alle medewerkers over de onzekere toekomst. De overheid is voorstander van een aanpak van werk naar werk voor alle medewerkers. Voor zover het de payrollmedewerkers betreft, is hun werkgever (het payrollbedrijf) verantwoordelijk. Het beëindigen van de opdracht bij de inlener leidt niet automatisch tot het eindigen van de arbeidsovereenkomst met het payrollbedrijf (zie artikel 7 en artikel 15 van de VPO-CAO). Het payrollbedrijf zal zijn verantwoordelijkheid als werkgever moeten nemen. Wij dringen er op aan dat het payrollbedrijf adequate inspanningen verricht om medewerkers van werk naar werk te helpen.
Wat betreft de ambtenaren in dienst bij AgentschapNL, zal AgentschapNL zijn verantwoordelijkheid nemen binnen de kaders van het Sociaal Flankerend Beleid van het Rijk.
De 'opbrengst'van een bursalenstelsel |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt de weergave van uw opmerkingen in het wetgevingsoverleg van 21 maart jl.1 en daaropvolgende berichtgeving dat u van mening bent dat een bursalenstelsel geld bespaart, wat vervolgens ook weer aan universitair onderzoek uitgegeven zal worden?
Ja
Waarop baseert u de aanname dat het mogelijk maken van een beurzenstelsel voor promovendi per saldo financieel voordelig zal uitpakken? Beschikt u over informatie die inzicht geeft in deze bewering? Zo ja, wilt u deze onderbouwing ter beschikking stellen aan de Kamer?
Bursalen zijn voor instellingen goedkoper dan promovendi (met werknemerstatus) omdat voor bursalen geen fiscale afdrachten betaald hoeven te worden. Universiteiten geven aan dat zij meer bursalen zullen gaan aanbieden wanneer de mogelijkheden daarvoor worden verruimd. De aanname is dat universiteiten daarmee per jaar circa € 10 miljoen minder kosten hebben en dit inzetten voor bursalen, waarmee circa 350–400 extra posities per jaar beschikbaar komen. Een betere onderbouwing dan dit is er op dit moment niet. Ik zal de ontwikkeling monitoren.
Kunt u aangeven op welke wijze universitaire onderwijstaken van promovendi zonder werknemersstatus hebben opgevangen zullen worden door universiteiten, zowel personeel als financieel?
Mijn inzet is erop gericht universiteiten de mogelijkheid te geven te kiezen tussen bursalen (studentstatus) en promovendi (werknemerstatus). Het is de verantwoordelijkheid van de (autonome) universiteiten om bursalen slechts daar in te zetten waar voldoende onderwijspersoneel beschikbaar is, of er anders voor te zorgen dat voldoende onderwijsgevend personeel is aangesteld.
Deelt u de mening dat promoveren en een universitaire loopbaan sterk in aantrekkingskracht afneemt wanneer promovendi nauwelijks nog in hun levensonderhoud kunnen voorzien vanuit een lagere promovendusbeurs?
Nee, instellingen hebben aangegeven dat het nettobedrag van een bursaal niet veel zal verschillen met dat van een promovendus.
Bestaat hier niet het risico dat een promovendus gedwongen wordt om andere betaalde werkzaamheden naast het wetenschappelijk onderzoek te gaan doen, wat vertraging in het promoveren met zich mee kan brengen? He verhoudt zich dit met de financiële voordelen die u beschreven heeft?
Nee, zie antwoord vraag 4.
Op welke wijze draagt u er zorg voor dat mogelijke financiële besparingen van universiteiten door een bursalenstelsel niet gebruikt worden om andere tegenvallers binnen de begroting op te vangen, maar gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek?
In de Strategische Agenda, die medio juni 2011 naar uw Kamer wordt gestuurd zal ik toelichten op welke wijze instellingen in staat worden gesteld om naast promovendiplaatsen (met aanstelling) ook bursale posities beschikbaar te stellen. Ik zie het als een verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de omvang van het aantal promovendi posities navenant toeneemt met extra promotieposities die een gevolg zijn van nieuw geïntroduceerde bursalen. Ik zal dat ook gaan volgen en wanneer deze ontwikkeling zich niet gaat voordoen, de instellingen hierop aanspreken en zonodig passende maatregelen treffen.
Op welke termijn mag de Kamer voorstellen en nadere informatie van uw kant verwachten rondom een bursalenstelsel voor universiteiten die hiervoor willen kiezen?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Doorverwijzing bij darmkanker en darmkankerscreening |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK), dat mensen met dikkedarmkanker met uitzaaiingen in de lever onvoldoende profiteren van de toegenomen kwaliteit van leveroperaties?1
Ik heb kennisgenomen van dit persbericht van de NFK.
Wat is uw reactie op de stelling van de NFK dat ondanks het steeds succesvoller worden van operaties voor het verwijderen van uitzaaiingen in de lever bij dikke darmkanker, patiënten hier onvoldoende van lijken te profiteren doordat zij geen doorverwijzing krijgen?
De NFK heeft hiermee een duidelijk signaal willen afgeven aan de behandelaars. Zie ook mijn antwoord op de vragen 4 en 5.
Wat is uw reactie op het vermoeden dat in het bericht naar voren komt dat 700 tot 900 mensen geen doorverwijzing krijgen om uitzaaiingen operatief te laten verwijderen, terwijl zij daar wel voor in aanmerking zouden moeten komen en dit mogelijk komt doordat artsen onvoldoende op de hoogte zijn van de laatste technieken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u met de NFK van mening dat artsen patiënten met dikke darmkanker bij wie leverchirurgie relevant is, door moeten sturen en dat zij hun patiënten altijd moeten informeren over alle relevante behandelmogelijkheden (ook in andere ziekenhuizen)?
Ik deel die mening zonder daarbij enig voorbehoud te maken.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de NFK om meer onderzoek te doen naar het lage aantal doorverwijzingen? Bent u bereid hier onderzoek naar te laten doen? Zo nee, waarom niet?
De NFK heeft mij bericht dat er reeds aanvullend wetenschappelijk onderzoek wordt verricht en dat zij verwacht eind van het jaar over meer gegevens te kunnen beschikken. Er zijn nog verschillende vragen te beantwoorden. Zo zijn er verschillende aannames gemaakt waarvan het beter zou zijn ze op gegevens te baseren. De analyses zijn niet op landelijke gegevens gebaseerd en dat is wel wenselijk. Ook zijn de analyses gebaseerd op gegevens uit 2008 en is het van belang de ontwikkelingen in de latere jaren te volgen. Dit klemt des te meer aangezien de technische ontwikkelingen voortschrijden en er naast chirurgie van levermetastasen inmiddels ook radiofrequente ablatie wordt toegepast. Voor alle toegepaste technieken is het cruciaal te weten in welke mate zij de kwaliteit van leven of de overleving kunnen beïnvloeden.
Tot slot wil ik ook graag stilstaan bij de rolverdeling. Een deel van het zoëven genoemde onderzoek is mogelijk gemaakt door de middelen die door VWS aan ZONMW ter beschikking worden gesteld. De rol die KWF Kankerbestrijding in het kankeronderzoek speelt, wil ik hier niet onbenoemd laten. Op het moment dat door onderzoek duidelijk is geworden welke behandelingen de uitkomsten gunstig beïnvloeden, is het aan de beroepsgroep om dit handelen normerend op te nemen in de richtlijnen. Vanaf dat moment zijn behandelaars aan te spreken op hun informatieverstrekking en hun verwijsgedrag. Het lijkt mij op termijn goed denkbaar dat de beroepsgroep het aantal doorverwijzingen in een indicator opneemt waarmee de navolging van richtlijnen transparant gemaakt kan worden.
Wat is op dit moment de stand van zaken inzake de Uitvoeringstoets voor screening op darmkanker? Wat zijn de precieze richtvragen voor de Uitvoeringstoets, wordt er ook gekeken naar de financiële aspecten van een eventuele invoering? Wanneer verwacht u de uitkomsten van deze Uitvoeringstoets? Bent u bereid om de Kamer een tussentijdse rapportage te verstrekken of hier in de aangekondigde preventienotitie op terug te komen?
Zoals ik zojuist aan de Kamer heb meegedeeld in de Nota gezondheidsbeleid, wil ik een bevolkingsonderzoek naar darmkanker invoeren. Ik heb de uitvoeringstoets op 7 april ontvangen en deze zojuist ter informatie aan de Kamer gestuurd. Hierin heeft het RIVM knelpunten en randvoorwaarden voor een mogelijke invoering van een bevolkingsonderzoek in kaart gebracht. Tot de onderwerpen die zijn onderzocht, behoren ook de capaciteit in de zorg en de verwachte kosten van een grootschalige screening op darmkanker.
Deelt u de mening dat screening veel leed en zorgkosten kan voorkomen? Deelt u voorts de mening dat bij een positieve uitvoeringstoets de screening zo spoedig mogelijk moet worden ingevoerd? Zo ja, op welke termijn verwacht u de screening in te kunnen voeren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat screening op darmkanker veel leed kan voorkomen. Daarom heb ik mij ingespannen om ondanks deze moeilijke tijden geld vrij te maken voor de invoering. De voorbereiding van het bevolkingsonderzoek zal overigens nog zo’n twee jaar in beslag nemen, maar ik verwacht dat de eerste groep in 2013 gescreend kan worden.
Bent u ervan op de hoogte dat de belangrijkste spelers die betrokken zijn in de discussie rond invoering van het bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker onder aanvoering van KWF Kankerbestrijding onlangs hebben aangegeven dat de bestaande bezwaren tegen invoering weggenomen kunnen worden? Hoe beoordeelt u hun stellingname en acht u dat relevant voor uw besluitvorming? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Ja. Ik heb een brief ontvangen van KWF Kankerbestrijding die is ondertekend door zeventien organisaties/personen. De signalen uit het veld zijn uiteraard relevant voor mijn besluitvorming. Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek (CvB) bij het RIVM heeft op mijn verzoek het draagvlak voor een bevolkingsonderzoek onderzocht en heeft voor de uitvoeringstoets met zo’n dertig partijen gesproken. Het signaal uit het veld dat de belangrijkste bezwaren weggenomen kunnen worden, is voor mij erg belangrijk, omdat deze partijen aan de lat staan als het gaat om maatregelen die een kwalitatief goed vervolg op de screening moeten garanderen.
Deelt u de mening dat invoering van het bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker uiteindelijk zal resulteren in een verlichting van de druk op de reguliere zorg? Deelt u de mening dat daardoor meer capaciteit in de reguliere zorg vrijgespeeld kan worden voor (spoedeisende) zorg voor kankerpatiënten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit argument mee te laten wegen in uw besluitvorming dit voorjaar rond invoering van het bevolkingsonderzoek naar dikkedarmkanker?
Elke invoering van een bevolkingsonderzoek zal in eerste instantie juist resulteren in een grotere druk op de reguliere zorg. Dit probleem moet ondervangen worden voordat een bevolkingsonderzoek kan worden ingevoerd. Uiteindelijk zullen door de opsporing van darmkanker in vroegere stadia minder zware behandelingen nodig zijn. In hoeverre hiermee capaciteit wordt vrijgespeeld is door de lange termijn, vergrijzing en steeds betere en duurdere behandelingen niet precies te zeggen. Ik verwacht wel dat de zorgkosten voor darmkanker steeds verder zullen stijgen als er geen bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd en heb dit gegeven mee laten wegen.
Bent u bekend met de onlangs gepresenteerde voorrangskaart voor darmpatiënten voor publieke toiletten? Wat is uw reactie op dit initiatief? Bent u bereid om de voorrangssticker te promoten in gebouwen van de Rijksgebouwendienst?
Ja. Vooralsnog laat ik deze actie en andere bewustwordingscampagnes over aan de patiëntenverenigingen, maar ik vind het een sympathieke actie.
De vernielde dassenburchten en vergiftigde wilde dieren in Drenthe |
|
Lutz Jacobi (PvdA), Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de vernielingen aan dassenburchten in Drenthe door motorcrossers en prikkeldraad?1
Ja.
Welke maatregelen acht u noodzakelijk tegen deze bedreigingen van onze inheemse wilde dieren zoals dassen?
Verstoring of vernieling van woonplaatsen van inheemse wilde dieren is verboden op grond van artikel 11 van de Flora- en faunawet. Overtreding van dit verbod is strafbaar gesteld als economisch delict (art. 1a Wet op de economische delicten). Verder verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Is het u bekend dat het afgelopen jaar zoogdieren en roofvogels slachtoffer zijn geworden van vergiftigd lokaas waarbij in verreweg de meeste vergiftigingsgevallen bestrijdingsmiddelen zijn gebruikt die in ons land wettelijk niet meer zijn toegelaten?2
Ja.
Welke beleid staat het kabinet voor bij het in bezit hebben of gebruiken van bestrijdingsmiddelen die verboden zijn?
Gewasbeschermingsmiddelen en biociden mag men slechts voorhanden hebben of gebruiken indien het bezit en het gebruik daarvan is toegestaan op grond van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Het constateren van het voorhanden hebben of gebruiken van een niet volgens de wet toegelaten middel leidt in beginsel tot een bestuurlijke boete van € 2000,-.
Wat is uw standpunt over de strafmaat voor gebruik van verboden bestrijdingsmiddelen en het vergiftigen van wilde dieren?
Overtreding van het verbod op het bezit en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of biociden zonder toelating is een overtreding van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, die vatbaar is voor een bestuurlijke boete. Ik acht de bij vraag 4 genoemde boete voldoende afschrikkend voor de meeste gevallen. In voorkomend geval kan een boete worden opgelegd tot € 45 000,- voor natuurlijke personen en € 450 000,- voor rechtspersonen.
Daarnaast is het een economisch delict, evenals overtreding van het verbod op het doden van beschermde dieren. Voor dergelijke overtredingen kan op grond van de Wet op economische delicten een straf worden geëist van maximaal zes maanden tot twee jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vierde categorie, een en ander afhankelijk van de vraag of de overtreding met opzet is begaan. Dat vind ik voldoende.
Bent u bereid om meer te investeren in de opsporing en berechting van mishandeling van in het wild levende dieren?
In de brief van de Minister van Veiligheid en Justitie en mij aan de Tweede Kamer van 28 april 2011, TK 29 628, nr. 257, over de inzet van de dierenpolitie is aangegeven dat de dierenpolitie ingezet zal worden voor onder meer het opsporen van dierenmishandeling en stroperij. De afspraken uit die brief worden de komende maanden uitgewerkt in een convenant met alle handhavingpartners die zich met de bestrijding van dierenmishandeling en dierverwaarlozing bezig houden.
Kunnen de boswachters als buitengewoon opsporingsambtenaar (boa’s) beter worden opgeleid en getraind?
Voor de opleidingen en trainingen van buitengewone opsporingsambtenaren verwijs ik naar de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar (Staatscourant nr. 5381 van 9 april 2010). Daarin wordt ook voorzien in een professionaliseringstraject voor boswachters. De circulaire bevat ook maatregelen om de samenwerking met de politie te verbeteren.
Ik acht de maatregelen, die in de circulaire genoemd worden, voldoende.
Bent u bereid een deel van de middelen voor de animal cops in te zetten voor het trainen van boswachters/boa’s en het verbeteren van de samenwerking met de politie?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat aan illegale vreemdelingen geld wordt geboden om hen Nederland te doen verlaten |
|
Sietse Fritsma (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Illegalen wordt geld geboden om te vertrekken»?1
Ja.
Is het waar dat aan uitgeprocedeerde vreemdelingen soms duizenden euro’s worden geboden om hen er toe te bewegen om Nederland te verlaten?
In een beperkt aantal gevallen wordt aan uitgeprocedeerde vreemdelingen die Nederland dienen te verlaten door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) een financiële bijdrage geboden. De gemiddelde bijdrage die door de DT&V in dit kader van 2007 tot en met 31 maart 2011 is verstrekt, bedraagt ongeveer € 840,–.
Uitgeprocedeerde en illegale vreemdelingen die zelfstandig vertrekken met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) kunnen in aanmerking komen voor ondersteuning uit het REAN (Return and Emigration of Aliens from the Netherlands)-programma. Deze ondersteuning bestaat ondermeer uit hulp bij (en financiering van) het verkrijgen van (vervangende) reisdocumenten, een vliegticket en ondersteuning op de luchthavens in Nederland en het land van herkomst. Daarnaast kunnen uitgeprocedeerde asielzoekers bij zelfstandig vertrek door IOM, op grond van de REAN en de «Herintegratie regeling terugkeer» in aanmerking komen voor financiële ondersteuning. Deze bedraagt € 1 750 per volwassene en € 880 per minderjarige.
Deelt u de mening dat deze werkwijze de onwil om Nederland te verlaten bij uitgeprocedeerde vreemdelingen alleen maar zal vergroten, omdat zij beseffen dat weigering om mee te werken aan terugkeer financieel lonend is?
Nee, ik deel deze mening niet. De DT&V is als taakorganisatie belast met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving ter zake vertrek en uitzetting. Bij het uitvoeren van deze taak staat het stimuleren van het zelfstandig vertrek voorop. De financiële bijdrage dient om eventuele belemmeringen bij het vertrek weg te nemen. Alvorens over te gaan tot de verstrekking van een financiële bijdrage maakt de DT&V een zorgvuldige afweging van de in het geding zijnde belangen.
Kunt u aangeven hoe vaak het vanaf 2007 is voorgekomen dat aan uitgeprocedeerde vreemdelingen geld is geboden teneinde hen Nederland te doen verlaten en kunt u tevens aangeven welk bedrag hiermee tot nu toe in totaal is gemoeid?
Vanaf 2007 tot en met 31 maart 2011 is door de DT&V aan circa 265 vreemdelingen een financiële bijdrage verstrekt. Het totaalbedrag van deze verstrekkingen bedraagt circa € 222 325,–. Ik merk hierbij op dat indien deze vreemdelingen langer in Nederland zouden hebben verbleven, dit de Nederlandse samenleving ook geld zou hebben gekost.
Bent u eveneens met mij van mening dat uitgeprocedeerd zijn voor een vreemdeling simpelweg inhoudt dat hij ons land dient te verlaten en dat ingezet dient te worden op het daadwerkelijk vertrek van dergelijke vreemdelingen zonder dat zij met soms zeer forse bedragen uit de zak van de Nederlandse belastingbetaler worden beloond? Zo neen, waarom niet?
Een vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, dient Nederland uit eigen beweging te verlaten. De DT&V kan echter het verstrekken van een financiële bijdrage in voorkomende gevallen als middel aanwenden om hiermee het vertrek van de vreemdeling te realiseren, dan wel te bespoedigen.
Kunt u aangeven of deze praktijk ook in andere Europese landen bestaat? Bent u, wanneer dit niet het geval is, met mij van mening dat dergelijke praktijken het zeer onwenselijke effect hebben dat ons land in vergelijking met andere landen veel aantrekkelijker wordt als land van bestemming voor vreemdelingen? Zo nee, waarom niet?
In diverse andere Europese landen bestaan vergelijkbare praktijken. Ook in bijvoorbeeld België, Zweden, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk (geen limitatieve opsomming) kunnen vreemdelingen ondersteuning krijgen bij de terugkeer naar land van herkomst. Hoewel de mogelijkheden niet geheel overeenkomen is het niet de ervaring dat Nederland om die reden aantrekkelijker is als land van bestemming.
Herbewapening van terreurorganisatie Hezbollah |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de honderden wapenopslagplaatsen van terreurorganisatie Hezbollah in Zuid-Libanon?1 Hoe beoordeelt u deze berichtgeving?
Deze aanhoudende berichten over bewapening van Hezbollah zijn zorgwekkend. Het bezit van wapens in Libanon is op grond van VN-veiligheidsraadresolutie 1701 onderhevig aan de goedkeuring van en de controle door de Libanese overheid. In Zuid-Libanon is bewapening alleen toegestaan aan de Libanese strijdkrachten of UNIFIL.
De berichten vormen aanleiding voor Nederland zich sterk te maken voor de naleving van verplichtingen voortvloeiende uit VN-Veiligheidsraadresoluties. Daarmee is immers ook de veiligheid van Israël gewaarborgd.
Hoe verhouden deze opslagplaatsen zich tot de vigerende VN-resoluties waarin de herbewapening van Hezbollah volstrekt ontoelaatbaar wordt geacht?
Conform VN-Veiligheidsraadresolutie 1701 (verder: VNVR-resolutie 1701) is het bezit van wapens in Libanon onderhevig aan de goedkeuring van en de controle door de Libanese overheid. In Zuid-Libanon is bewapening alleen toegestaan aan de Libanese strijdkrachten of UNIFIL. Indien juist kunnen de bedoelde opslagplaatsen worden aangemerkt als een schending van voornoemde resolutie.
Is het waar dat deze wapenopslagplaatsen zoveel mogelijk zijn gebouwd in de buurt van ziekenhuizen, scholen en in woonwijken? Welke strategie van Hezbollah zit hierachter volgens u?
Zie antwoord vraag 1.
Is het bericht waar, dat Hezbollah nu over drie keer zoveel raketten beschikt als vóór de oorlog met Israël in 2006? Wat betekent dit voor de veiligheid van Israël?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe heeft de controle door de VN van de naleving van haar eigen resoluties zo kunnen falen? Hoe heeft deze enorme herbewapening van Hezbollah onder het toeziend oog van de VN kunnen plaatsvinden?
Na het conflict tussen Israël en Hezbollah in de zomer van 2006 is het mandaat van UNIFIL uitgebreid met assistentie van de Libanese autoriteiten bij het weren van wapens en het ontwapenen van milities. Op 30 augustus 2010 heeft de VN-Veiligheidsraad unaniem besloten tot verlenging van de missie van UNIFIL met één jaar. Hierbij is nogmaals uitdrukkelijk gewezen op de verplichting van het instellen van een zone vrij van gewapende milities en wapens buiten controle van de staat in Zuid-Libanon. UNIFIL heeft ertoe bijgedragen dat het sinds 2006 rustig is gebleven in de regio.
UNIFIL steunt en assisteert, conform het mandaat, de Libanese strijdkrachten en beoogt daarmee de legitimiteit van de Libanese autoriteiten te versterken. Het Libanees leger (LAF) heeft de mogelijkheid om actief huiszoekingen te doen naar wapens. UNIFIL kan de LAF daarbij assisteren. Wanneer UNIFIL een wapenopslag vindt, wordt ook zorggedragen voor de inbeslagname van deze wapens door de LAF. Een vergelijkbare manier van samenwerking vindt plaats bij controle van schepen of controle aan de grens.
De aanhoudende berichten over de bewapening van Hezbollah zijn zorgwekkend en vormen aanleiding om de situatie in Libanon blijvend en nauwlettend in de gaten te houden.
Is het bericht waar, dat een substantieel deel van de bewapening van Hezbollah afkomstig is uit Syrië en Iran? Hoe kon er – mede onder toeziend oog van de VN – zo’n grootschalige wapensmokkel plaatsvinden naar Hezbollah? Wat heeft de VN hiertegen ondernomen en waarom heeft zij hierin gefaald?
Zie antwoord vraag 5.
Wat gaat de internationale gemeenschap doen om deze wapenopslagplaatsen, die volstrekt strijd zijn met de VN-resoluties, zo snel mogelijk te ontmantelen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke acties heeft de VN ondernomen in reactie op de geconstateerde schendingen van de VN-resoluties? Op welke wijze zullen controle en bestrijding van wapensmokkel naar Hezbollah nu worden geïntensiveerd?
Zie antwoord vraag 5.
Welke kanalen gaat u gebruiken om dit punt zo hoog mogelijk op de internationale agenda te plaatsen?
Nederland heeft recent de zorgen over het onderwerp overgebracht aan zowel de commandant van de Libanese strijdkrachten, als Michael Williams, de speciaal gezant van de SGVN. Laatstgenoemde is belast met de het monitoren van de voortgang van de Libanese autoriteiten bij de naleving en de implementatie van de verplichtingen uit VNVR-resolutie 1701 en rapporteert periodiek aan de VNVR.
Nederland blijft daarnaast waar mogelijk aandacht vragen voor het onderwerp. Een eerste gelegenheid hiervoor dient zich aan tijdens de a.s. Raad voor Buitenlandse zaken op 18 juli a.s. De Nederlandse ambassade in Washington brengt het onderwerp ondertussen geregeld op tijdens reguliere contacten met de Amerikaanse autoriteiten.
Libanon is verantwoordelijk voor de naleving van VNVR-resoluties. In een verklaring van 27 april jl. over de uitvoering van VNVR-resolutie 1559 (die handelt over de soevereiniteit van Libanon) sprak de SGVN zijn zorgen uit over de gevolgen van de proliferatie van wapens buiten controle van de staat en van de aanwezigheid van gewapende milities voor de vrede en veiligheid van Libanon. Hij riep de politieke leiders van Libanon op de soevereiniteit van hun land te versterken, Hezbollah om zich te ontwapenen en de verschillende partijen om het proces van de nationale dialoog te hervatten.
Wat gaat u, samen met de internationale partners, doen om de veiligheid van Israël zoveel mogelijk te garanderen en een nieuwe oorlog tussen Hezbollah en Israël te voorkomen?
Zie antwoord vraag 9.
Het niet vergoeden van een kuur in Davos voor ernstig zieke longpatiënten |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het gegeven dat verzekeraar Univé via een kort geding is gedwongen een kuur in Davos te vergoeden voor een ernstig zieke astmapatiënt waarvoor in Nederland geen goede behandeling voorhanden is?1
Het is niet aan mij als Minister om een oordeel te vellen over een verstrekkingengeschil tussen een verzekerde en een zorgverzekeraar noch over een uitspraak van de rechtbank hierover.
Onderkent u de gesignaleerde trend van de kliniek en de patiëntenvereniging Nederland Davos dat verzekeraars in toenemende mate de behandeling in het Nederlandse ziekenhuis in Davos weigeren, ondanks medisch adviezen van de behandelend specialist bij patiënten waar de behandeling in Davos een laatste redmiddel is? Zo ja, wat is hiervan de reden?
Ik heb geen zicht op de mate waarin verzekeraars verstrekkingen aan verzekerden weigeren. Ik heb evenmin zicht op het aantal procedures dat bij de rechtbank hieromtrent wordt gevoerd en hoe deze uitpakken voor de verzekeraar danwel de verzekerde. Ik heb bij de SKGZ (Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen) navraag gedaan of zij op basis van de voorgelegde klachten en geschillen een trend zien. Het SKGZ herkent deze trend echter niet. Zij hebben sinds 2006 in zes kwesties betreffende een (voorgenomen) verblijf in het Nederlands Astmacentrum in Davos (NAD) bemiddeld. De Geschillencommissie heeft sinds 2006 geen bindende adviezen gegeven, er is op dit moment één geschil in behandeling.
Is het waar dat zorgverzekeraars vrijwel alle procedures als het gaat om behandeling van longpatiënten in Davos verliezen?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het niet ongepast dat Univé zegt het besluit van de rechter te respecteren maar haar beleid inzake Davos niet te veranderen? Is een zorgverzekeraar er niet om die zorg te vergoeden die «state of the art» is?
Opname en behandeling in een astmacentrum behoort tot een te verzekeren prestatie krachtens de Zorgverzekeringswet en aanverwante regelgeving. Het CVZ heeft op verzoek van een zorgverzekeraar op 25 februari 2008 een uitspraak gedaan inzake de behandeling in het NAD. In dit advies geeft het CVZ aan dat de individuele medische toestand van de patiënt het uitgangspunt is voor de medische indicatie voor opname in een astmacentrum (of voor een medische behandeling van welke aard dan ook). Een medisch specialist kan de indicatie voor opname in een astmacentrum, of specifiek voor behandeling in het NAD, geven. Het is aan de zorgverzekeraar om te beoordelen, mede op basis van de medische indicatie van de medisch specialist, of een verzekerde naar inhoud en omvang redelijkerwijs is aangewezen op opname en behandeling in het NAD. De individuele omstandigheden van het geval geven hierbij de doorslag en er mag een doelmatigheidsafweging worden gemaakt. In het bijzonder moet worden afgewogen of ambulante begeleiding niet voldoende is. Voor opname in het NAD geldt overigens dat het hebben van een allergie voor huisstofmijt een doorslaggevende rol kan spelen. Het NAD is namelijk zo hoog gelegen dat hier de huisstofmijt niet kan leven.
Wat acht u uw rol in deze? Bent u bereid de zorgverzekeraars aan te spreken op hun rol als zorgverzekeraar die het belang van de patiënt centraal hoort te stellen?
Zoals ik aan heb gegeven in mijn reactie op vraag 1, ga ik niet over geschillen tussen zorgverzekeraars en verzekerden. De rechten van de verzekerde zijn vastgelegd in de zorgpolis, dat is de overeenkomst tussen een verzekeringnemer en een zorgverzekeraar waarin de gesloten zorgverzekering is vastgelegd. De zorgverzekering moet voldoen aan hetgeen bij of krachtens de Zvw is geregeld. Indien zich een (verstrekkingen)geschil voordoet tussen een verzekeraar en een verzekerde, kan de verzekerde terecht bij de SKGZ. Ook de weg naar de rechtbank staat open.
Is het wenselijk de criteria op grond waarvan patiënten in aanmerking komen voor behandeling in het astmacentrum in Davos nader te preciseren om willekeur te voorkomen? Dient niet de indicatiestelling van de specialist doorslaggevend te zijn?2 Kunt u uw standpunt nader toelichten?
De indicatiestelling van de specialist is een belangrijk, maar niet zonder meer doorslaggevend, criterium voor vergoeding uit de Zvw. De uitspraak van het CVZ biedt mijn inziens voldoende kader voor de zorgverzekeraar. Zie ook mijn beantwoording op vraag 4.
Het bericht 'ROC achtervolgt klokkenluider' |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «ROC achtervolgt klokkenluider»?1
Ja.
Wat is uw oordeel, als eindverantwoordelijk bewindspersoon, over de handelwijze in deze zaak van het toenmalige College van Bestuur en de toenmalige Raad van Toezicht?
Het College van bestuur heeft destijds opdracht gegeven om deze kwestie door Deloitte te laten onderzoeken. Dat vind ik positief. De toenmalige Raad van Toezicht heeft op dat moment niet hoeven ingrijpen, omdat het College van Bestuur al een onderzoek liet uitvoeren. Ik heb echter niet gewacht op de uitkomsten van dat onderzoek, maar de Auditdienst OCW een zelfstandig onderzoek laten uitvoeren. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek heb ik geoordeeld dat de subsidieverplichtingen voor ESF-gelden niet volledig zijn nageleefd en besloten de subsidie terug te vorderen.
Wat is uw reactie op het feit dat de betrokken docent stelt dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te weinig enthousiast heeft gereageerd op zijn signalen van fraude, omdat ook daar de opvatting zou heersen dat je niet teveel moest zeuren over moraliteit als het geld betrof dat uit «Europa» kwam, waar we toch al zoveel aan afdragen? Zo nee, waarom niet?
De mening van de signaalgever deel ik niet. Ik heb het signaal dat er gefraudeerd zou worden in relatie tot ESF-gelden bij het ROC uiterst serieus opgevat. Ik heb de uitkomsten van het onderzoek van Deloitte, waar het ROC opdracht voor had gegeven, daarom ook niet willen afwachten, maar ik heb een zelfstandig onderzoek door de Auditdienst OCW laten uitvoeren. Op basis van de uitkomsten van dat onderzoek heb ik besloten de ESF-gelden terug te vorderen. Ik heb het Openbaar Ministerie op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het onderzoek en de verdere afhandeling ervan.
Heeft naar uw oordeel het gegeven dat het Openbaar Ministerie (OM) in Arnhem toendertijd niet heeft gereageerd op de signalen van de docent, te maken met het gegeven dat de toenmalige hoofdofficier van justitie enkele weken later werd benoemd in de Raad van Toezicht van de ROC? Zo nee, waarom niet?
Het OM heeft destijds wel gereageerd op de signalen. Op 25 juni 2007 heeft de docent een brief geschreven aan het arrondissementsparket in Arnhem met daarin de vraag of het antedateren van akten als strafbaar feit kan worden aangemerkt. Tijdens een telefonisch onderhoud op 27 juni 2007 heeft een medewerker van het parket in Arnhem de docent laten weten dat hij desgewenst aangifte kan doen van een strafbaar feit. Destijds heeft de docent echter geen noodzaak gezien voor het doen van aangifte. Op 20 december 2008 heeft de docent wel aangifte gedaan van valsheid in geschrift. De toenmalige hoofdofficier van justitie van het parket Arnhem heeft vervolgens de aangifte overgedragen aan het Functioneel Parket. Het daarop volgende strafrechtelijk onderzoek heeft ertoe geleid dat het Functioneel Parket met het ROC Rijn IJssel te Arnhem een transactie is overeengekomen in de vorm van een boete van 35 000 euro vanwege valsheid in geschrifte (zie www.om.nl). Verder wordt zoals gezegd de te veel ontvangen subsidies terugbetaald (zie daaromtrent het antwoord op vraag 2 en vraag 3).
Wat is uw reactie op het feit dat de betrokken hoofdofficier vanaf medio 2007 wist van de ESF-fraude van de school en vervolgens aftrad? Hij trad vervolgens af. Kunt u aangeven of aftreden de enige manier van reageren is die een Raad van Toezicht als instrument heeft bij het toezien op een school? Kunt u aangeven welke reactie naar haar oordeel adequater was geweest? Zo nee, waarom niet?
De raad van toezicht van een instelling houdt toezicht op de uitvoering van werkzaamheden en de uitoefening van bevoegdheden door het college van bestuur en staat dit college met raad ter zijde. De raad van toezicht is onder meer belast met het toezien op naleving van wettelijke verplichtingen en kan de leden van het college van bestuur benoemen, schorsen en ontslaan.
Hoe de Raad van Toezicht deze wettelijke taken uitvoert behoort tot diens verantwoordelijkheid, daar kan ik niet in treden.
De leden van de raad van toezicht hebben zitting in de raad op persoonlijke titel en oefenen hun functie zonder last of ruggespraak uit. De benoeming van de leden van de raad geschiedt op basis van vooraf openbaar gemaakte profielen. Het staat leden van de raad echter te allen tijde vrij om af te treden indien zij daartoe aanleiding zien. Een afweging daartoe is aan het betreffende lid. Het aftreden van een lid laat onverlet dat de raad van toezicht zijn taken kan en moet uitvoeren. Voor overig taken en bevoegdheden van de raad van toezicht verwijs ik u naar de branchecode «goed bestuur in de bve sector». Deze is sinds 1 januari 2009 van kracht is.
Kunt u aangeven waarom het toenmalige College van Bestuur niet om deze ESF-fraude aftrad, maar om een andere reden? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat kan ik niet. Binnen de relatie van een raad van toezicht en (een lid van) het college van bestuur wordt besloten over het al dan niet aanblijven van het bestuur. Dat vraagt om afwegingen. Deze afweging hoeft mij niet meegedeeld te worden, omdat het de relatie college van bestuur – raad van toezicht betreft. In casu is de afweging van de leden van het college van bestuur en de raad van toezicht mij dan ook niet bekend.
Wat is uw oordeel over de pesterijen die onder het huidige College van Bestuur en de huidige Raad van Toezicht tegen deze docent doorgaan?
Laat ik voorop stellen dat ik welke pesterijen dan ook tegen signaalgevers verwerp. Signaalgevers dienen in alle vrijheid hun signaal naar buiten toe te kunnen brengen, zonder dat daar repercussies tegenover staan, zo ook in deze situatie. Ik kan niet beoordelen of er in dit geval werkelijk sprake is geweest van pesterijen. Als Minister van OCW kan ik echter niet treden in een arbeidsrelatie. Geschillen worden daarom beslecht middels het burgerlijk recht.
Kunt u, vanuit het perspectief van deze zaak reageren op het feit dat het bestuursmodel van ROC’s met een College van Bestuur en een Raad van Toezicht ligt naar het oordeel van velen aan de basis ligt van een cultuur waarin kleine en grote fraude, intimidatie van personeelsleden en het zoeken naar perverse prikkels gedijen? Kunt u hierop reageren vanuit het perspectief van deze zaak? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen verband tussen het bestuursmodel en het feit dat niet in alle opzichten voldaan is aan de subsidievoorwaarden voor ESF-gelden. Daarnaast houdt mijns inziens het bestuursmodel geen enkel verband met welke vermeende intimidatie van personeelsleden dan ook.
Goed bestuur houdt in het zodanig sturen en toezicht houden op een organisatie, dat een efficiënte en effectieve realisatie van doelstellingen alsmede het op een open wijze communiceren en verantwoording daarover afleggen ten behoeve van belanghebbenden, wordt gewaarborgd. Een belangrijk aspect van goed bestuur is derhalve het beschikken over een adequaat intern toezicht op een zelfstandig functionerend bestuur. Een adequate opzet en werking van raden van toezicht bij onderwijsinstellingen kan juist een bijdrage leveren aan het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van bekostigingsregelgeving. Met het voorliggende bestuursmodel wordt juist beoogd te voorkomen dat – ondanks medezeggenschap en ondanks richtlijnen in het bestuursreglement voor de uitoefening van overgedragen taken en bevoegdheden – een bezwaarlijke concentratie van macht optreedt door het ontbreken van voldoende «checks and balances». De scheiding van de rol van interne toezichthouder en die van bestuurder binnen instellingen beoogt juist een belangrijke bijdrage aan het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van publieke middelen te leveren.
Mishandeling van vrouwen in Irak |
|
Coşkun Çörüz (CDA), Kathleen Ferrier (CDA) |
|
|
|
|
Is het feit, dat op grond van artikel 41 van het Irakese Wetboek van Strafrecht mishandeling van de vrouw binnen het huwelijk is toegestaan een onderwerp dat met de Irakese autoriteiten aangekaart wordt op bilateraal en op Europees niveau? Zo nee, waarom niet?1
Ja, dat is een onderwerp dat met de Iraakse autoriteiten wordt aangekaart, zowel op bilateraal als op Europees niveau. Geweld tegen vrouwen is een prioriteit binnen het Nederlands- en EU-mensenrechtenbeleid. Nederland heeft actief bijgedragen aan de totstandkoming van de EU-richtsnoeren (2008) op het gebied van geweld tegen vrouwen. De EU-taakgroep Geweld tegen vrouwen die de implementatie van de richtsnoeren bevordert, heeft de situatie ten aanzien van geweld tegen vrouwen in zo’n 100 landen, waaronder Irak, in kaart gebracht. Er zijn actiepunten door de EU opgesteld om de situatie in deze landen voor het bestrijden van geweld tegen vrouwen te verbeteren. In Irak moedigt de EU, onder andere vanwege het bestaan van wetgeving zoals artikel 41 van het Iraakse wetboek van Strafrecht, de autoriteiten aan om de situatie van vrouwen te verbeteren en het geweld tegen vrouwen te bestrijden. Ook wordt het Iraakse Ministerie voor Mensenrechten, dat verantwoordelijk is voor het onderwerp vrouwenrechten, aangespoord om data te verzamelen en te publiceren m.b.t. gender based violence. Op bilateraal niveau steunt de Nederlandse ambassade in Bagdad verschillende projecten op het gebied van capaciteitsopbouw waardoor vrouwen beter voor hun rechten kunnen opkomen zoals bij huiselijk geweld. Zo wordt er binnen een project een mobiel team ingezet dat vrouwen juridisch kan ondersteunen, wordt er een website en radioprogramma gemaakt met informatieverstrekking speciaal voor vrouwen en worden trainingen gegeven aan imams en politieagenten met als focus non-agressie tegen vrouwen.
Bent u op de hoogte van de arrestatie en marteling van jeugdactivisten Alaa Nabil, Salah Muhsin en Haidar Shihab Ahmad van de February 25 Group (een jeugdbeweging in Irak) tijdens demonstraties in Bagdad op het Al Tahrir Plein en het feit dat Haidar Shihab Ahmad tot op heden vastgehouden wordt op een onbekende plek? Kunt u aangeven wat de laatste stand van zaken is met betrekking tot de arrestanten?2
Ik ben op de hoogte van de arrestatie van genoemde personen en de mishandeling in detentie van Alaa Nabil. Op 18 april vernam ik van de vrouwenorganisatie Organisation for Women’s Freedom Iraq dat Alaa Nabil en Saleh Muhsin inmiddels zijn vrijgelaten. Haidir Shihab Ahmad en een ander lid van de February 25 Group, Firas Ali, zitten nog vast op een onbekende plek. OWFI en de February 25 Group hebben nog geen contact met hen kunnen krijgen.
Bent u ervan op de hoogte dat de kritische vrouwenorganisatie Organisation for Women’s Freedom Iraq, die steun ontvangt uit het Nederlandse MDG3 Fonds, onder druk wordt gezet door de Irakese overheid vanwege deelname aan de protesten en haar werkzaamheden en dat de Iraakse veiligheidsdiensten een inval hebben gepleegd op het kantoor van deze organisatie op 21 maart van dit jaar? Zo ja, wat gaat u doen om deze onrechtmatige invallen en druk op de Organisation for Women’s Freedom te stoppen?3
Mij was nog niet bekend dat vrouwenorganisatie Organisation for Women’s Freedom Iraq (OWFI) onder druk werd gezet vanwege recente protesten en dat op 21 maart j.l. de Iraakse veiligheidsdiensten een inval hebben gepleegd op het kantoor van de organisatie.
Activiteiten van het OWFI worden o.a. gesubsidieerd vanuit het MDG3 fonds. In november 2010 heeft OWFI een voorlopige rapportage van hun resultaten ingediend. Hierin hebben zij aangegeven dat ze erin zijn geslaagd al hun activiteiten uit te voeren zoals gepland. Er heeft onlangs nog contact plaatsgevonden over een mogelijke verhoging van hun subsidie in 2011.
Hierover wordt binnenkort een besluit genomen.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en OWFI hebben regelmatig contact. OWFI heeft informatie aangaande de inval op 21 maart van dit jaar niet gedeeld.
De omstandigheden waarin OWFI haar werk doet zijn moeilijk, maar zij beschouwen dit als een gegeven en zijn zich bewust van het feit dat ze hun strategieën en methoden vaak moeten aanpassen. Desalniettemin zijn de voorlopige resultaten positief. Een succesvol voorbeeld is het oprichten van Freedom Space Radio die dagelijks uitzendingen verzorgt en zo het bewustzijn voor vrouwenrechten in Irak verhoogt en de bevolking aanmoedigt hierin te participeren.
Nederland zal de Iraakse autoriteiten zowel bilateraal als in EU-verband blijven aanspreken op het belang van een onafhankelijk opererend maatschappelijk middenveld en het verbeteren van de mensenrechtensituatie in het algemeen. Nederland, de EU en de VN hebben de Iraakse regering op zijn verantwoordelijkheid gewezen de wensen en klachten van de demonstranten serieus te nemen en de huidige politieke spanningen vreedzaam op te lossen.
Het bericht dat scholen steeds minder geld over houden |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat steeds meer scholen een negatief financieel resultaat hebben?1
Bij brief van 20 januari 2011 (260053) heb ik u geïnformeerd over de financiële jaarcijfers van het primair en voortgezet onderwijs. Hierin heb ik geschetst dat het primair onderwijs in 2009 inderdaad voor het eerst een negatief financieel exploitatie resultaat heeft. Vermindering van opgebouwde vermogens is alleen mogelijk met negatieve exploitatieresultaten. Ik beschouw het daarom niet per definitie als problematisch wanneer scholen tijdelijk een negatief resultaat behalen. Scholen kunnen zo beschikbare middelen uit hun vermogen inzetten voor de onderwijsexploitatie (primair proces, bv extra leerkrachten) of om onderwijsvoorzieningen uit te breiden (bv lesmateriaal, ICT, enz.) waarbij de onderwijskwaliteit op een doelmatige wijze wordt versterkt. Uiteraard is het niet de bedoeling dat instellingen financieel gezien in de gevarenzone terechtkomen. Daarom is het risicogerichte toezicht van de Inspectie van het Onderwijs er mede op gericht tijdig die instellingen te signaleren waarbij zich dat zou kunnen (gaan) voordoen.
Hoe komt het dat het primair onderwijs in zijn geheel 14 miljoen euro meer heeft uitgegeven dan ontvangen? Waar is dit geld aan uitgegeven?
Zoals in bovengenoemde brief is gemeld, is er vooral veel geïnvesteerd in materiële vaste activa als schoolborden, meubels en lesmethoden. Daarnaast merk ik op dat scholen niet altijd goed anticiperen op lange termijnontwikkelingen. Het maken van meerjarenbegrotingen is nog geen gemeengoed binnen het primair onderwijs. Zo kan het gebeuren dat de leerlingenaantallen dalen, terwijl dat zich niet vertaalt in de personele bezetting. Ik zet daarom ook sterk in op het verbeteren van de financiële deskundigheid binnen het primair onderwijs.
Hoeveel van de scholen voor primair onderwijs met een negatief financieel resultaat hebben dit kunnen opvangen met reserves? Voor hoe lange tijd is het opeten van de eigen reserve een optie? Wat is de oplossing voor deze scholen op lange termijn?
De scholen met een negatief exploitatieresultaat hebben dit op kunnen vangen met hun reserves. Scholen in het primair onderwijs hebben, zoals de Commissie Don al constateerde, een relatief ruime vermogenspositie. Zij moeten echter op tijd starten met het maken van de juiste keuzes in relatie tot de financiële positie op de langere termijn om problemen in de toekomst te voorkomen.
Hoeveel scholen hebben een negatief financieel resultaat, maar niet voldoende eigen reserve om het negatieve financieel resultaat op te vangen?
Het komt sporadisch voor dat scholen in financiële problemen komen. Er zijn dan verschillende mogelijkheden. Bijna altijd zoeken scholen naar oplossingen voordat de financiële problemen zover komen, dat ze niet meer op te lossen zijn. Schoolbesturen kunnen gaan samenwerken met anderen of fuseren. Een klein aantal scholen maakt gebruik van schatkistbankieren, maar dat wijst niet noodzakelijkerwijs op financiële problemen. In de afgelopen jaren gaat het om gemiddeld één school per jaar die in de financiële problemen komt.
Hoeveel scholen komen in de problemen door een negatief financieel resultaat? Hoe zijn deze over Nederland verdeeld?
Zie antwoord op vraag 4.
Deelt u de analyse dat de bekostiging voor het primair onderwijs ontoereikend is, nu blijkt dat in 2009 de personele kosten met 9% en de lasten voor huisvesting met 18% zijn gestegen, terwijl de rijksbijdrage slechts met 8% is gestegen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de bekostiging voor het primair onderwijs naar boven bij te stellen, zodat basisscholen zich niet in de schulden hoeven te steken om personeel uit te betalen en de kachel te laten branden in de winter?
Er is onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de materiële kosten in relatie tot de ontwikkeling van de bekostiging. Daarnaast laat ik onderzoeken wat de ontwikkeling is geweest van de gemiddelde personeelslast waarop de personele bekostiging is gebaseerd en de daadwerkelijke loonkosten. Over de resultaten van deze onderzoeken zal ik u in mijn brief die ik tijdens het AO over de lumpsumbekostiging heb toegezegd informeren. Deze brief is op 26 april jongstleden aan u toegezonden.
Hoe lang kunnen de tekorten in het primair en voortgezet onderwijs nog worden opgevangen door rente-inkomsten over opgebouwde reserves?
Het is aan de onderwijsinstellingen om tijdig maatregelen te nemen die de financiële continuïteit waarborgen. De Inspectie van het Onderwijs houdt er toezicht op wanneer een instelling op grond van de daartoe geëigende kengetallen in de gevarenzone zou kunnen verkeren. Ik ben van mening dat de hoogte van de lumpsum toereikend is om dat op verantwoorde wijze te kunnen doen. Het is belangrijk dat de sector de financiële deskundigheid bevordert. Ik ben in gesprek met de PO-Raad daarover en constateer dat het Plan van Aanpak «Eerst kiezen, dan delen» een goede stap voorwaarts is. Scholen moeten beter in staat zijn om meerjarenbegrotingen te maken, om daarmee hun personeelsplanning en financiële planning beter vorm te geven in relatie tot opbrengst gericht werken.
Hoe doorbreekt u de trend dat steeds minder scholen in het primair en voortgezet onderwijs een positief financieel resultaat halen, aangezien dit aantal tussen 2006 en 2009 is gedaald van driekwart van alle scholen naar nog maar de helft?
Van een trend die doorbroken moet worden is geen sprake. Gemiddeld gesproken is het niet gewenst als een sector meerjarig een positief financieel resultaat laat zien, want dat zou betekenen dat structurele middelen die zijn bedoeld voor het onderwijs niet daaraan besteed worden. Overigens geldt voor nagenoeg alle onderwijsinstellingen dat zij niet in financiële problemen verkeren en kwalitatief goed onderwijs leveren.
Bent u bereid meer geld in het onderwijs te investeren voordat nog meer scholen en daarmee de onderwijskwaliteit in de problemen komen door tekortschietende financiering vanuit het rijk? Zo nee, waarom laat u het onderwijs aan haar lot over?23
Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van een tekortschietende financiering. De meeste scholen komen goed uit met de beschikbare middelen. Daarnaast zijn er scholen die tekenen vertonen van «ruime» middelen – en daarnaar doet de Inspectie van het Onderwijs nader onderzoek naar aanleiding van het rapport van de commissie Don – en scholen die tekenen vertonen van «krappe» middelen. De lumpsumbekostiging betekent dat scholen zelf verantwoordelijk zijn voor hun financiële huishouden. Daar hoort bij dat zij keuzes en een meerjaren begroting moeten maken. Ik merk te vaak dat dit niet gebeurt. Daardoor hebben scholen meer leerkrachten in dienst, dan je op grond van hun leerlingenaantallen zou verwachten. Daarom investeer ik ook in het verbeteren van de financiële deskundigheid.
Bijna 1000 ondergrondse Hezbollah millitaire posten in Zuid-Libanon |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft de u kennisgenomen van het artikel «Israel releases army map showing nearly 1000 purported Hezbollah underground military sites»?1 Heeft u tevens kennisgenomen van de desbetreffende kaart?
Ja.
Deelt u de conclusie dat deze militaire posten een flagrante schending behelzen van de VN-Veiligheidsraad resolutie 1701? Deelt u tevens de analyse dat hiermee de kans op een militaire confrontatie tussen Israël en Hezbollah weer dichterbij komt? Zo nee, waarom niet?
Het bezit van wapens in Libanon is op grond van VN-veiligheidsraadresolutie 1701 onderhevig aan de goedkeuring van en de controle door de Libanese overheid. In Zuid-Libanon is bewapening alleen toegestaan aan de Libanese strijdkrachten of UNIFIL.
Deelt u de analyse dat veel van deze militaire posten gebouwd zijn te midden van dorpen, ziekenhuizen en scholen? Deelt u de mening dat dit een flagrante schending is van het humanitair oorlogsrecht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om in internationaal en in EU-verband aan te dringen op een VN-onderzoek om deze bevindingen te onderzoeken en dergelijke militaire posten te ontmantelen? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft recent zijn zorgen overgebracht aan zowel de commandant van de Libanese strijdkrachten, als Michael Williams, de speciaal gezant van de SGVN. Laatstgenoemde is belast met de het monitoren van de voortgang van de Libanese autoriteiten bij de naleving en de implementatie van de verplichtingen uit VNVR-res. 1701 en rapporteert periodiek aan de VNVR.
Nederland blijft daarnaast waar mogelijk aandacht vragen ervoor. De Nederlandse ambassade in Washington stelt het onderwerp ondertussen geregeld aan de orde tijdens reguliere contacten met de Amerikaanse autoriteiten. Libanon is verantwoordelijk voor de naleving van VNVR-resoluties. In een verklaring van 27 april jl. over de uitvoering van VNVR-resolutie 1559 (die handelt over de soevereiniteit van Libanon) sprak de SGVN zijn zorgen uit over de gevolgen van de proliferatie van wapens buiten controle van de staat en van de aanwezigheid van gewapende milities voor de vrede en veiligheid van Libanon. Hij riep de politieke leiders van Libanon op de soevereiniteit van hun land te versterken, Hezbollah om zich te ontwapenen en de verschillende partijen om het proces van de nationale dialoog te hervatten.
Bonussen voor de LeasePlan-directie |
|
|
|
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Gewoon bonussen voor de Leaseplan-directie»?1
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de LeasePlan-directie zulke enorme bonussen ontvangt, terwijl LeasePlan ook garantiestellingen van de staat ontvangt?
Zoals ik al eerder heb aangegeven ben ik er niet blij mee als financiële instellingen met staatssteun variabele beloningen toekennen.
Op welke wijze bent u betrokken bij het besluit om aan de LeasePlan-directie zulke bonussen te verstrekken?
Ik ben niet betrokken geweest bij het besluit om aan de LeasePlan-directie deze variabele beloning toe te kennen. Hier gaat de Raad van Commissarissen over. Het afzien van variabele beloningen was ook geen voorwaarde in de garantieregeling, die destijds is afgesproken.
Garanties zijn volgens de regels van de garantieregeling alleen verstrekt aan instellingen die voldoende solvabel zijn. De garantieregeling had derhalve niet als doel de solvabiliteit van een instelling te verbeteren, maar richtte zich tot fundamenteel gezonde en levensvatbare instellingen, die liquiditeitsproblemen hadden omdat zij zichzelf niet meer konden financieren doordat de kapitaalmarkt voor niet-gegarandeerde leningen was opgedroogd. Daarnaast gold de voorwaarde dat garanties alleen verstrekt werden om aflopende schulden te herfinancieren. DNB toetste voorafgaand aan een garantietoekenning of er bij de instelling in kwestie een herfinancieringsbehoefte bestond. Het is dus niet zo dat LeasePlan dankzij de garantieregeling in staat is om variabele beloningen toe te kennen.
In hoeverre heeft u mee laten wegen dat LeasePlan in zeer ruime mate gebruik maakt van garantiestellingen van de overheid? In hoeverre was LeasePlan zonder deze garantiestellingen überhaupt in staat geweest bonussen uit te keren?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van plan iets aan deze situatie te doen? Zo ja, wat? Bent u van plan het beleid ten aanzien van bonussen bij financiële instellingen die garantiestellingen van de overheid te ontvangen aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is met uw Kamer van mening dat financiële ondernemingen die staatssteun ontvangen uiterst terughoudend moeten omgaan met het verstrekken van bonussen. Op dit moment werkt het kabinet daarom aan een verdere integrale en samenhangende aanpak van de bonuscultuur bij banken en bij instellingen die staatssteun ontvangen. Ik ben bijvoorbeeld van plan een verbod op bonussen in te stellen voor financiële instellingen die in de toekomst staatssteun genieten. Ik heb daarnaast besloten het begrip staatssteun uit te breiden, zodat ook financiële instellingen die leningen met staatsgarantie gaan uitgegeven er ook onder vallen.
Voor het zomerreces zal ik een brief sturen, waarin de contouren van het kabinetsbeleid, dat zich richt op de korte termijn en op de lange termijn, op dit terrein worden geschetst. Hierin wordt ook ingegaan op uitvoering motie Van Vliet.2
Een groepsuitzetting naar Irak waar veel jonge kinderen bij zijn betrokken |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Is het bericht waar dat woensdag aanstaande een groepsuitzetting naar Irak gepland is, waarbij veel minderjarige kinderen zijn betrokken?
Ja. Op donderdag 7 april 2011 zijn zes Iraakse gezinnen (dertien volwassenen en dertien minderjarigen) uitgezet naar Irak.
Hoe verhoudt deze groepsuitzetting zich tot de uitspraak van het Europese Hof over uitzettingen naar Irak van oktober 2010?
Na de brief van 22 oktober 2010 van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de gedwongen terugkeer naar Bagdad heeft het Hof nog twee brieven gestuurd, waarvan de laatste dateert van 23 november 2010. In brieven aan uw Kamer van 24 november 2010 en 15 februari 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 19 637, nr. 1 375 en nr. 1399) heb ik de betekenis van de brief van 23 november 2010 toegelicht. Zoals ik in deze brieven heb gemeld, kunnen sinds de brief van het Hof van 23 november 2010 weer uitzettingen naar Irak plaatsvinden.
Deelt u de mening dat deze minderjarige kinderen bij aankomst niet in detentie terecht mogen komen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen aanleiding om aan te nemen dat deze gezinnen in detentie terecht zijn gekomen na aankomst in Irak.
Kunt u bevestigen dat deze minderjarige kinderen niet in detentie terechtkomen bij aankomst? Zo nee, welke stappen gaat u ondernemen om dat te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat deze groepsuitzetting plaatsvindt?
Nee. Deze kamervragen werden eerst op 7 april 2011 in de middag ontvangen.
Slachtoffers door te gladde wegen |
|
Sharon Dijksma (PvdA), Jacques Monasch (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ouderen dupe van sneeuwvrije weg»?1
Ja.
Hoe bereiden het Rijk en de lokale overheden zich voor op de gladheid en op welke wijze wordt er beoordeeld of er niet meer of minder (fiets)wegen en voetpaden moeten worden gestrooid en geveegd?
Op grond van de Wegenwet draagt elke wegbeheerder zelf de zorg voor het in goede en veilige staat houden van de wegen – inclusief fiets- en voetpaden – die hij in beheer heeft. Ook de gladheidsbestrijding behoort tot deze zorg. Het is dan ook de betreffende wegbeheerder die bepaalt tot welke wegen en fiets- en voetpaden de gladheidsbestrijding zich uitstrekt, op welk moment de gladheid wordt bestreden en met welke middelen dat gebeurt. Dit wordt vaak vastgelegd in een gladheidsbestrijdingsplan dat voor het winterseizoen op bestuurlijk niveau wordt vastgesteld. Zo kent Rijkswaterstaat de Visie en Richtlijnen Gladheidsbestrijding, waarin is bepaald dat met het oog op de veiligheid, de bereikbaarheid en de doorstroming gladheidsbestrijding op de volledige capaciteit van het hoofdwegennet plaats vindt.
Er zijn geen centrale spelregels voor het bepalen van de vraag op welke wegen en fiets- en voetpaden de gladheidsbestrijding door een gemeente of provincie plaats vindt. Wel zijn er richtlijnen van het CROW (het nationale kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte), die door een aantal wegbeheerders worden gebruikt en die zich ook uitstrekken tot fiets- en voetpaden. Om de bekendheid van die richtlijnen te vergroten heeft Rijkswaterstaat ze afgelopen winter aan alle wegbeheerders toegezonden.
Op welke wijze wordt het sneeuw- en ijsvrij houden van doorgaande rijwegen en fietspaden geëvalueerd? Voert u overleg op dit punt met IPO2 en VNG3?
Na afloop van de winter van 2009–2010 hebben Rijkswaterstaat, IPO, VNG en de Unie van Waterschappen gezamenlijk een evaluatie van de gladheidsbestrijding opgesteld, die vervolgens is besproken het Nationaal Mobiliteits Beraad. In deze evaluatie kwamen zowel de wegen als de fietspaden aan de orde. Eén van de conclusies was de gladheidsbestrijding op fietspaden met behulp van zout weinig zinvol is en dat het gebruik van pekelwater moet worden gestimuleerd. Voorafgaand aan en gedurende de winter van 2010–2011 hebben Rijkswaterstaat, de IPO en de VNG gezamenlijk de decentrale wegbeheerders meerdere keren gewezen op de mogelijkheid om met behulp van relatief goedkoop en ruimschoots beschikbaar pekelwater wegen, fietspaden en voetpaden begaanbaar te houden. Juist afgelopen winter heeft Rijkswaterstaat ten behoeve van decentrale wegbeheerders een overeenkomst gesloten met een leverancier van pekelwater, op basis waarvan zij tegen gunstige voorwaarden pekelwater konden kopen.
Bent u van plan de komende tijd meer aandacht aan preventie van gladheid op stoepen en trottoirs te geven, aangezien de meeste slachtoffers zijn uitgegleden en het vooral gaat om kwetsbare ouderen?
Om de kennis bij decentrale wegbeheerders over de gladheidsbestrijding te vergroten heeft Rijkswaterstaat in 2009 het initiatief genomen om te komen tot een integrale cursus gladheidsbestrijding, waarin ook aandacht wordt besteed aan voet- en fietspaden. De eerste cursussen zijn inmiddels afgerond. Ik ben voornemens om ook de komende maanden samen met het IPO en de VNG de kennis bij decentrale wegbeheerders inzake de preventie en de bestrijding van gladheid op fiets- en voetpaden te vergroten, onder meer via het platform Wegbeheerders ontmoeten Wegbeheerders (WoW). Daarnaast hebben Rijkswaterstaat en de VNG onlangs afgesproken om samen een aantal acties te ondernemen die gericht zijn op een verdere verbetering van de gladheidsbestrijding in den brede (dus zowel op wegen, fietspaden als voetpaden).
Bent u bereid hiervoor bij de volgende begroting hiervoor meer financiële middelen uit te trekken?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2. is de gladheidsbestrijding een verantwoordelijkheid van de afzonderlijke wegbeheerders. Het zijn de besturen van gemeenten en provincies die op basis van financieel-economische afwegingen bepalen hoeveel budget zij toekennen aan de gladheidsbestrijding en welke prioriteit zij daarbij toekennen aan voetpaden.
Jellinek Curaçao |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Luxe Jellinek versus povere Dios Yudami»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op de eerdere vragen over Jellinek Curaçao en hetgeen hierover gewisseld is tussen de Kamer en de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?2
Ja.
Herinnert u zich dat Jellinek Retreat in het kader van het Plan Samenwerking Nederlandse Antillen ruim 600 000 euro aan subsidie van Nederland heeft ontvangen om kennis over verslaving over te brengen en om lokaal werkgelegenheid te creëren? Herinnert u zich tevens dat de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat zij er zorg voor zou dragen dat bij Jellinek Curaçao naast de verslaafde de rijke Nederlandse ondernemers, advocaten en mediafiguren die het momenteel trekt ook lokale Curaçaose verslaafden terecht zouden kunnen en dat Jellinek Retreat een bijdrage zou leveren aan het verbeteren van de ondermaatse lokale verslavingszorg? Wat is volgens u de stand van zaken met betrekking tot deze toezeggingen en het bereiken van deze doelen?
Ja, ik ben bekend met de voorwaarden bij de toekenning van de subsidie voor de realisatie van de kliniek. Een deel van de bijdrage vanuit het Programma Samenwerking Nederlandse Antillen (PSNA) wordt ingezet om kennis over verslaving over te brengen. De bijdrage uit het PSNA is echter primair bedoeld ter bevordering en diversificatie van de economie van Curaçao, en heeft niet als hoofddoel het verbeteren van de verslavingszorg op Curaçao.
Om de lokale impact van het project te vergroten is met de uitvoerder contractueel vastgelegd om diverse activiteiten te ontplooien gericht op lokale samenwerking met en kennisoverdracht naar organisaties en instanties zoals verslavingspreventie organisaties en scholen. Tot nu toe heeft uitwisseling van medewerkers plaatsgevonden tussen Klinika Caprilese en de moederorganisatie van Jellinek Curaçao in Nederland, Stichting Arkin. Er zijn tevens diverse trainingssessies en workshops gehouden in het kader van intensieve kennisuitwisseling met Fundashon pa Maneho di Adikshon (FMA). Met deze laatste organisatie wordt ook een preventieproject uitgevoerd op scholen. FMA steunt de komst van Jellinek Retreat en verwelkomt toekomstige samenwerking.
Met betrekking tot de werkgelegenheid die het subsidieproject zou genereren informeer ik u dat er op dit moment 8 lokale krachten zijn, waardoor aan deze voorwaarde is voldaan. Het betreft huishoudelijk personeel, verpleegsters en een diëtiste. Aan de voorwaarde dat een lokale dokter in dienst genomen moet worden is nog niet voldaan, omdat deze tot op heden niet beschikbaar is. Om dit te compenseren maakt men nu gebruik van de diensten van lokale huisartsen. Bijkomend positief effect hiervan is dat deze huisartsen door Jellinek worden ingehuurd en waar nodig ook training krijgen. Hierdoor wordt de kennis over verslavingszorg op Curaçao vergroot.
Hoe beoordeelt u in dit kader de observaties dat de luxe in Jellinek Retreat in schril contrast staat met het zwaar verwaarloosde inloophuis «Dios Yudami», dat het van de door Jellinek Curaçao toegezegde steun aan het Fundashon Maneho di Adikshon nooit is gekomen en dat de aanwezigheid van Jellinek niets heeft opgeleverd voor de lokale verslavingszorg op Curaçao? Hoe beoordeelt u de stelling dat de aanwezigheid van Jellinek op het eiland geen bijdrage levert aan de lokale werkgelegenheid omdat slechts zeer weinig van de personeelsleden (namelijk «de kokkin» en «het kamermeisje») van Antilliaanse afkomst zijn? In welke mate maken lokale verslaafden gebruik van Jellinek Retreat en wordt het personeel lokaal geworven?
Ieder land binnen het Koninkrijk is verantwoordelijk voor het eigen beleid op het gebied van verslavingszorg. Hierdoor kunnen er verschillen in de kwaliteit van de zorg ontstaan.
Zoals in het antwoord van vraag 3 beschreven heeft de aanwezigheid van de Jellinek Retreat positieve effecten voor de lokale verslavingszorg op Curaçao. Tussen Jellinek en FMA is tussen juli 2010 en februari 2011 van intensieve kennisoverdracht sprake geweest, met als resultaat meer kennis voor het FMA ten aanzien van onder andere het formuleren van behandeldoelen, behandelplannen en het evalueren daarvan, en trainingen in het uitvoeren van intervisie, empatisch luisteren en feedback geven.
Wat betreft de herkomst van de verslaafden die tot nu toe zijn behandeld is het merendeel afkomstig uit Nederland, een deel is afkomstig uit Curaçao maar ook uit andere landen zoals de Verenigde Staten, Zwitserland, Italië, Luxemburg en België.
Deelt u de mening dat het niet het doel van het Plan Samenwerking Nederlandse Antillen was om een afkickkliniek op Curaçao te subsidiëren die alleen Nederlandse elite trekt en slechts toegevoegde waarde heeft voor die doelgroep? Deelt u de mening dat Jellinek Curaçao – gezien de subsidie die het heeft ontvangen en de voorwaarden die daaraan zijn verbonden – in tegenstelling tot wat nu het geval is wel degelijk een bijdrage dient te leveren aan de lokale verslavingszorg en het bevorderen van de lokale werkgelegenheid?
Zoals ook vermeld in de evaluatie van het PSNA die ik u per brief van 5 juli 2010 heb toegestuurd (kenmerk 2010–0000424387) is de doelstelling van PSNA tweeledig:
Bij de subsidieverlening is een aantal voorwaarden gesteld waaraan Jellinek Retreat moet voldoen om een zo positief mogelijke impact op Curaçao mogelijk te maken. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vragen 3 en 4 wordt hier op dit moment in belangrijke mate aan voldaan.
Op welke wijze gaat u de toezeggingen gedaan door de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestand doen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Jellinek Retreat wel een bijdrage gaat leveren aan de lokale verslavingszorg en aan de werkgelegenheid op Curaçao? Bent u bereid om de subsidie van 600 000 euro terug te vorderen als Jellinek Retreat zich hier niet voor gaat inzetten? Zo nee, waarom niet?
De tot nu toe overgemaakte gelden aan dit project betreffen voorschotten, die pas na afronding kunnen worden vastgesteld. Indien dan blijkt dat de resultaten niet conform afspraken zijn, zullen de gelden (deels) worden teruggevorderd. Definitieve werkgelegenheidscijfers zullen echter pas op het eind van het project bekend zijn en dienen daarna nog te worden geverifieerd. De eindrapportage van dit project wordt medio juni 2011 verwacht. Bovengenoemde tussenresultaten vertonen een duidelijke positieve trend.
Het gebrek aan opvang voor slachtoffers van mensenhandel |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Te weinig opvang na mensenhandel»1 en de CoMensha jaarcijfers 2010?2
Het artikel in Trouw schetst de knelpunten die CoMensha ervaart bij het organiseren van opvang voor groepen slachtoffers van mensenhandel, die worden aangetroffen na geplande acties van opsporingsdiensten en Openbaar Ministerie. Deze knelpunten zijn mij bekend. Inmiddels is er door de Task Force aanpak mensenhandel – met instemming van CoMensha – een werkwijze opgesteld voor het organiseren van opvang bij dergelijke acties. Er wordt door de Task Force momenteel gewerkt aan een nader voorstel om de werkwijze aan te passen specifiek voor groepen slachtoffers van arbeidsuitbuiting (zie ook het antwoord op vraag 6.
De jaarcijfers van CoMensha laten evenals de jaren hiervoor een groei in het aantal slachtoffers zien. Enerzijds geeft deze groei aan dat de prioriteit die de aanpak van mensenhandel heeft zijn vruchten afwerpt. Door de intensieve opsporing worden immers meer slachtoffers aangetroffen. Anderzijds geven de cijfers aan dat mensenhandel een ernstig en complex probleem is dat stevig moet worden aangepakt. Om deze reden zal ik deze kabinetsperiode de aanpak van mensenhandel intensiveren door het verdubbelen van het aantal aangepakte criminele organisaties, waaronder organisatie die zich met mensenhandel bezighouden. Daarnaast zal ik de maximumstraffen voor mensenhandel verhogen.
Deelt u de mening dat het niet alleen uit humaan oogpunt een plicht is voor de overheid te zorgen voor voldoende opvang voor mensen die zijn uitgebuit, maar dat dit ook in het belang van de opsporing is omdat mensen die tot rust komen in de opvang eerder bereid zijn te verklaren tegen de daders van de gepleegde strafbare feiten? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Sinds wanneer bent u bekend met de cijfers van CoMensha waaruit blijkt dat er nog steeds te weinige bedden zijn voor slachtoffers van mensenhandel? Hebben deze cijfers u verrast? Zo nee, hoe kan het dat u in het algemeen overleg over mensenhandel op 31 maart 2011 ontkende dat er sprake was van een tekort aan opvangplaatsen en beweerde over de meest actuele cijfers te beschikken?
Ik heb regelmatig overleg met CoMensha en ben daarmee goed op de hoogte van de ontwikkelingen ten aanzien van het aantal slachtoffers. De cijfers verrassen mij dan ook niet. Tijdens het Algemeen Overleg heb ik aangegeven dat de situatie met betrekking tot de opvang aanmerkelijk is verbeterd sinds de «pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel» van start is gegaan. Daarnaast heb ik opgemerkt dat er nog steeds een tekort is, maar dat er slechts sprake is van een wachtlijst van enkele plekken. De cijfers van CoMensha zijn hiermee niet in strijd.
Kloppen de cijfers van CoMensha niet of heeft u vorige week de Kamer niet goed of onzorgvuldig geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de vijftig extra bedden van de pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel haast continu bezet zijn geweest? Welke conclusie verbindt u hieraan?
Dit klopt. Dit geeft aan dat er een grote behoefte is aan deze opvangplaatsen. Verdere conclusies zal ik trekken op basis van de evaluatie van deze pilot.
Is het waar dat grote groepen slachtoffers van mensenhandel, die bijvoorbeeld in de horeca of in de tuinbouw werkzaam zijn geweest en daarbij zijn uitgebuit, niet kunnen worden opgevangen in de reguliere opvang? Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook voor deze grote groepen adequate opvang beschikbaar is?
Ja, grote groepen kunnen veelal niet in de reguliere opvang terecht. Om deze reden moeten er al tijdens de voorbereiding op acties van de opsporingsdiensten (waarbij deze groepen worden aangetroffen) tussen de betrokken instanties afspraken worden gemaakt over het beschikbaar stellen van opvangplekken. De bij vraag 1 bedoelde werkwijze van de Task Force aanpak mensenhandel wordt in de praktijk toegepast en op basis van door CoMensha aan te leveren casuïstiek gemonitord en zo nodig verbeterd. Bovendien werkt de Task Force aanpak mensenhandel momenteel een nader voorstel uit om de specifieke knelpunten betreffende de opvang van grote groepen slachtoffers van arbeidsuitbuiting op te lossen.
Bent u het eens met de observatie van CoMensha dat er gebrek is aan diversiteit van beschikbare opvangplekken en dat veel meer gedacht moet worden aan afspraken met woningcorporaties en gemeenten over tijdelijke huisvesting, eventueel aangevuld met ambulante hulpverlening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties gaat u naar aanleiding hiervan ondernemen?
In de praktijk kunnen slachtoffers van overige uitbuiting (bijvoorbeeld in de land- en tuinbouw) andere opvangbehoeften hebben dan slachtoffers van seksuele uitbuiting. In het kader van de «pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel» wordt door het WODC geëvalueerd in hoeverre de opvang van slachtoffers van mensenhandel structureel moet worden georganiseerd en of het mogelijk en wenselijk is om naar de aard van de uitbuiting een onderscheid te maken binnen de opvang. Op basis van deze evaluatie en het advies van de commissie «Stelselonderzoek Vrouwenopvang» zal ik samen met de Minister voor Immigratie en Asiel en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een besluit nemen over de wijze waarop de opvang structureel moet worden georganiseerd.
Is het waar dat opsporingsdiensten (zoals de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD)) nu soms tijdelijk de opvang van slachtoffers financieren? Wat vindt u hiervan? Is het geld van de opsporingsdiensten hiervoor bedoeld? Zo nee, welke oplossing gaat u hiervoor bieden?
Dit is inderdaad voorgekomen. Ik ben van mening dat de middelen van de opsporingsdiensten hiervoor niet zijn bedoeld. Toepassing van de hiervoor genoemde werkwijze van de Task Force aanpak mensenhandel moet ertoe leiden dat de middelen van opsporingsdiensten hiervoor niet meer hoeven te worden aangewend.
Wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor de opvang van deze slachtoffers, de gemeente, CoMensha of het ministerie? Hoe is de financiering hiervan georganiseerd? Bent u bereid hierin voor meer duidelijkheid te zorgen?
Op basis van de evaluatie van de «pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel» en het advies van de commissie «Stelselonderzoek Vrouwenopvang» zal een besluit worden genomen over de wijze waarop de opvang structureel dient te worden georganiseerd, en daarmee ook over de vraag welke instantie waarvoor verantwoordelijk is en hoe de financiering wordt geregeld.
Kunt u garanderen dat geen enkel slachtoffer tussen de wal en het schip valt, bijvoorbeeld omdat gemeenten naar elkaar wijzen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat voor alle slachtoffers van mensenhandel opvang beschikbaar is?
Ja zal – samen met Minister voor Immigratie en Asiel en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – mijn uiterste best doen om mede op basis van de evaluatie van de hiervoor genoemde pilot een solide en toekomstbestendige oplossing te vinden voor de structurele opvang van slachtoffers van mensenhandel.
Het Goldstone-rapport |
|
Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Reconsidering the Goldstone Report on Israel and war crimes»?1
Ja
Wat is uw reactie op het artikel van de jurist Goldstone waarin hij verklaart, met de kennis van nu, een andere mening te zijn toegedaan over het handelen van Israël, namelijk dat het Israëlische leger niet doelgericht burgers heeft gedood tijdens de militaire operatie «Cast Lead»?
Zoals ook door mij is gesteld in het mondelinge vragenuur van 5 april 2011, verwelkom ik het artikel van de heer Goldstone.
Deelt u de conclusie van de heer Goldstone dat Israël, in tegenstelling tot Hamas, de in het Goldstone-rapport geponeerde aantijgingen («mogelijke schending van humanitair oorlogsrecht en/of het plegen van oorlogsmisdrijven»), die door het kabinet eerder zijn gekwalificeerd als zijnde «ernstig en verontrustend», grondig heeft onderzocht? Zo nee, waarom niet?
De geciteerde kwalificaties van de regering («ernstig en verontrustend», kamerstuk 23 432, nr. 306) hadden betrekking op de stellingname van de commissie in haar rapport. Daarmee maakte de regering het standpunt van de commissie niet tot het hare. In dezelfde alinea van deze brief onderstreepte de regering namelijk: «Met name de beschuldiging dat er sprake was van een opzettelijke campagne, zonder bewijs daarvoor, is buitengewoon zorgelijk vanwege de suggestiviteit.» De regering acht zich in dit oordeel gestaafd door de nieuwe inzichten van de heer Goldstone.
De regering heeft bij herhaling gezegd vertrouwen te hebben in de interne Israëlische onderzoeksgang. Zij kan zich dan ook volledig vinden in de opvattingen van de heer Goldstone, in het bijzonder waar deze de conclusie citeert van het eindrapport van de VN-commissie van onafhankelijke experts onder leiding van de Amerikaanse juriste Mary McGowan Davis die onderzoek heeft gedaan naar de opvolging van de aanbevelingen van het Goldstone-rapport: «Israel has dedicated significant resources to investigate over 400 allegations of operational misconduct in Gaza». Dit in tegenstelling tot «the de facto authorities (i.e. Hamas) have not conducted any investigations into the launching of rocket and mortar attacks against Israel.» Zolang de onderzoeken van partijen niet zijn afgerond, onthoudt de regering zich van een algehele appreciatie van de uitkomst ervan.
Deelt u de mening dat de suggestie die in het Goldstone rapport is gewekt namelijk dat Israël mogelijk schuldig is aan schendingen van het humanitair oorlogsrecht en/of schuldig zou zijn aan oorlogsmisdrijven voorbarig en buitengewoon schadelijk is geweest voor de internationale reputatie van Israël? Zo nee, waarom niet?
Voor de regering was dit niet zozeer voorbarig, als wel aanleiding voor de aansporing tot nader onderzoek, zoals ook uiteengezet in de aangehaalde brief van de regering.
Nederland heeft steeds met grote zorg moeten constateren dat de internationale reputatie van Israël onder voortdurende druk staat. Waar het optreden van Israël soms terecht voorwerp is van internationale kritiek, stelt de regering tegelijkertijd vast dat de aandacht van de internationale gemeenschap eenzijdig is en vaak getuigt van vooringenomenheid tegen Israël. De manier waarop in VN-kader het Israëlische optreden tijdens de operatie Cast Leadis beoordeeld, is geen incident.
Bent u kabinet bereid om in zowel in EU als VN-verband aan te dringen op eerherstel door verwerping van de conclusies van het Goldstone-rapport aangezien de jurist Goldstone zelf niet meer achter de bevindingen van zijn rapport staat? Zo nee, waarom niet?
De heer Goldstone heeft weliswaar afstand genomen van de meest serieuze aantijging (misdrijf tegen de menselijkheid), maar niet van de overige bevindingen in het rapport. Verwerping van het gehele rapport is niet aan de orde. Zoals ook door mij betoogd in het mondelinge vragenuur zijn er punten in het rapport van de heer Goldstone die het waard blijven om te worden onderkend.
De regering voelt zich aangespoord om zich te blijven inzetten voor een evenwichtige behandeling van Israël in internationale fora en zal zich blijven verzetten tegen uitingen van vooringenomenheid. Zoals gezegd tijdens het mondelinge vragenuur zal de regering – bij de eerstvolgende gelegenheid – de herziening van de behandeling van het rapport-Goldstone in zijn totaal aankaarten, zowel in EU- als in VN-verband, in het licht van de gewijzigde opvattingen van de heer Goldstone.
Naar het oordeel van de regering dient het internationaal overleg over de opvolging van het Goldstone-rapport gericht te zijn op de uitvoering van de nationale onderzoeken, gevolgd door afronding van de discussie, in het belang van het Midden-Oosten vredesproces.
De berichten over de kosten van openingsfeestjes |
|
Ineke van Gent (GL) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten over de kosten van openingsfeestjes?1
Ja.
Kunt u de bedragen die in het artikel genoemd worden bevestigen?
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de kosten van alle openingsevenementen van snelwegen over de afgelopen drie jaar?
Ja, ik verwijs hierbij naar de wobbeschikking die ook op internet is verschenen:
http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/wob-verzoeken/2011/04/06/wob-verzoek-kosten-openingshandelingen.html
Kunt u een overzicht geven van alle uitgaven over 2010 van de verschillende ministeries aan dergelijke evenementen, recepties en andere representatieve bijeenkomsten?
In de financiële administratie van de ministeries worden de kosten voor evenementen, recepties en andere representatieve bijeenkomsten niet als zodanig herkenbaar vastgelegd. Het is dan ook niet mogelijk om een dergelijk overzicht op te stellen zonder dat dit gepaard gaat met grote kosten en een lange doorlooptijd.
Bent u bereid (strengere) richtlijnen op te stellen voor bedragen die ministeries en andere overheidsinstanties mogen spenderen aan recepties, openingen en andere representatieve bijeenkomsten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer mag de Kamer die verwachten?
Nee, elk ministerie moet zijn eigen afweging kunnen maken voor het houden van representatieve momenten. Dit zal altijd maatwerk blijven.
Bij het aantreden van het nieuwe kabinet heeft de minister van I&M aan Rijkswaterstaat de opdracht gegeven om dit soort evenementen te versoberen. Zo blijven de openingsevenementen nog steeds een waardevol instrument naar onze omgeving, terwijl tegelijkertijd soberheid en doelmatigheid centraal staat.
Bent u bereid te bewerkstelligen dat de verschillende ministeries in het jaarverslag, om te beginnen over 2010, verantwoorden welke bedragen er aan recepties, openingen en andere representatieve bijeenkomsten uitgegeven zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze bedragen worden niet systematisch bijgehouden (zie vraag 4), het bijhouden er van zou een onevenredig grote administratieve lastendruk voor de ministeries met zich meebrengen.