De enquête van het RIVM over prenatale screening op Downsyndroom en de 20-weken echo |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat verloskundige praktijken de uitvoering van een enquête door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over prenatale screening op Downsyndroom en de 20-weken echo opgelegd hebben gekregen?
Ik ben ervan op de hoogte dat er onderzoek wordt gedaan naar de mate waarin zwangeren een geïnformeerde keuze maken als het gaat om deelname aan prenatale screening. Dit onderzoek wordt uitgezet via het Centraal Orgaan, waarin de regionale centra voor prenatale screening en de betreffende beroepsgroepen zijn vertegenwoordigd en het RIVM een regierol heeft. Bij mijn weten hebben op dit moment al 500 van de 700 aangeschreven verloskundige praktijken deelgenomen aan het onderzoek en gedurende drie weken hun cliënten gevraagd om de enquête in te vullen.
Wat is de reden dat er in de enquête wordt gevraagd naar het geloof van de geënquêteerde, en dat er wordt doorgevraagd op dit onderwerp?
Zoals u weet is het doel van de prenatale screening op Downsyndroom en de 20-wekenecho het bieden van handelingsopties. Hiervoor is het van groot belang dat zwangeren een geïnformeerde keuze kunnen maken. Alle voorlichtingsmaterialen en opleidingseisen zijn hierop gericht. Met deze enquête wordt kwalitatief onderzoek gedaan naar die geïnformeerde keuze. Een deel van de enquête test of de feitelijke kennis van vrouwen voldoende is. En een deel van de vragen gaat over de normen en waarden van de ondervraagde persoon. Religie is hievan een onderdeel. De vragen zijn nodig om te achterhalen of zwangeren een keuze maken over deelname aan de test die overeenstemt met hun eigen houding over screening.
Het doel van het onderzoek is de evaluatie van de screening en mogelijke kwaliteitsverbetering. Voor de goede orde vermeld ik dat de resultaten anoniem worden verwerkt en in de enquête duidelijk de mogelijkheid wordt geboden om bepaalde vragen niet te beantwoorden. Een klein percentage vrouwen maakte in een proef hiervan gebruik.
Deelt u de mening dat het vreemd is dat een verloskundige vanuit zijn of haar beroep geen vragen over levensovertuiging dient te stellen, maar dit wel moet doen in het kader van de enquête? Zo ja, bent u van plan om bij het opstellen van een volgende enquête van het RIVM afstemming te zoeken met diegenen die de enquête moeten uitvoeren?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, is er geen sprake van een verplichting om deel te nemen aan het onderzoek of de specifieke vragen over religie te beantwoorden. De enquête is opgesteld in samenwerking met de beroepsgroepen en de regionale centra voor prenatale screening.
De ontvoering in Libanon van Amsterdammer Priit Raistik |
|
Frans Timmermans (PvdA), Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ontvoering, op 23 maart jl. te Libanon, van de in Amsterdam woonachtige Est Priit Raistik en een aantal van zijn vrienden?1
Ja. Ik ben bekend met de zaak van de zeven Esten die in maart jl in Libanon zijn ontvoerd en met het feit dat een van hen, Priit Raistik, naar verluidt reeds langere tijd in Amsterdam woonachtig was.
Wat is reeds ondernomen om te achterhalen waar Priit Raistik c.s. zich bevinden en onder welke omstandigheden en door wie zij gevangen worden gehouden?
De zeven Estse staatsburgers zijn in de ochtend van 14 juli bevrijd als gevolg van samenwerking tussen Estland, Libanon en andere partners.
De Nederlandse ambassades in Estland en Libanon hebben gedurende de gehele periode van de gijzeling in contact gestaan met de Estse autoriteiten en functionarissen die primair belast zijn met deze zaak. Daarbij is vanaf aanvang de Nederlandse bereidheid uitgesproken alle ter beschikking staande instrumenten en middelen in te zetten om te helpen deze ontvoeringszaak nader tot een oplossing te brengen.
Bent u bereid om, hoewel het geen Nederlands staatsburger betreft, maar wel iemand die al vele jaren in Nederland woont, de u ter beschikking staande (consulaire en diplomatieke) instrumenten en middelen in te zetten om te achterhalen waar Priit Raistik c.s. zich bevinden en vervolgens u ervoor in te spannen dat zij worden vrijgelaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, samen met uw Estse collega, de diplomatieke en consulaire instrumenten waarover de EU beschikt, met name in de diensten van de Hoge Vertegenwoordiger (HV) van de EU Ashton, in te schakelen om een spoedige vrijlating van Priit Raistik c.s. te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Interim-bestuurders in het onderwijs die soms 2500 euro per dag verdienen |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Soms € 2 500 per dag voor de directeur»?1
Ik vind dat de inzet van interim-bestuurders zoveel mogelijk moet worden beperkt. Vanuit dat perspectief deel ik uw zorgen op grond van de diverse uitspraken in het artikel. Dat neemt niet weg dat er soms een goede reden kan zijn voor een instelling om – voor een kortere periode – gebruik te maken van een interim-bestuurder. De instelling moet in dat geval een gedegen afweging maken.
Hoe beoordeelt u de tegenstelling die in het stuk wordt beschreven dat het gebruikelijke dagtarief van interim-bestuurders evenveel is als een half maandsalaris van de leraar van een paar deuren verderop?
In vergelijking met een gemiddeld maandsalaris van een leraar lijkt een dagtarief voor een interim-bestuurder zoals genoemd in het artikel hoog. Het salaris van een leraar en het dagtarief van een interim-bestuurder kunnen echter niet zonder meer met elkaar worden vergeleken. In het tarief van een interim-bestuurder zit bijvoorbeeld ook de vergoeding voor sociale werkgeverslasten zoals de pensioenbijdrage, reiskostenvergoeding, vergoeding voor de uitlenende organisatie e.d.
Deelt u de mening dat het betalen van een vergoeding van 21 250 euro voor onder meer hotelovernachtingen van een bestuurder geen doelmatige besteding is van onderwijsgeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Of er sprake is van ondoelmatige besteding van onderwijsgeld kan ik op basis van alleen dit gegeven niet beoordelen. Uit het artikel maak ik op dat het hier gaat om een vergoeding over 2010. Met ingang van het verslagjaar 2010 zijn onderwijsinstellingen op grond van de Regeling jaarverslaglegging onderwijs verplicht om de beloningsgegevens inclusief de belastbare onkostenvergoedingen voor bestuurders op te nemen in het jaarverslag. Deze jaarverslagen over 2010 zijn medio juli 2011 ingestuurd. Mede aan de hand van een analyse van alle gegevens in het desbetreffende jaarverslag, inclusief de bijbehorende verklaringen van de instellingsaccountants, zal ik beoordelen of hier sprake is van een ondoelmatige besteding van overheidsmiddelen over 2010.
Klopt de bewering van uw adviseur Hans Overduin, dat de dagtarieven van interim-bestuurders in het mbo en hbo kunnen oplopen tot 2 500 euro? Zo ja, bent u bereid in kaart te brengen hoeveel interim-bestuurders in het onderwijs boven de ministersnorm verdienen (teruggerekend naar een jaarloon)? Zo neen, op welk misverstand is de bewering gebaseerd?
Onderwijsinstellingen zijn op grond van de Regeling jaarverslaglegging onderwijs verplicht om de beloningen – op jaarbasis – van individuele bestuurders op te nemen in het jaarverslag. Deze beloningen zijn niet één op één terug te leiden tot dagtarieven. Gezien het toekomstig beleid in het wetsvoorstel «wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector» (WNT) rond de beloningen van topfunctionarissen, waaronder interim-bestuurders, zie ik geen aanleiding daarenboven nu alle interim-bestuurders jaarlijks in kaart te brengen. In dit verband verwijs ik u verder naar het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening van hoogleraar Leo Witvliet dat de overheid het aan zichzelf heeft te wijten dat er zoveel geld gaat naar interim-bestuurders, omdat de schaalvergroting in het onderwijs te omvangrijk is voor veel van de huidige bestuurders en zij daarom specialisten moeten inhuren? Is dit voor u een reden om met voorstellen te komen voor schaalverkleining?
De redenen om een interim-bestuurder aan te trekken kunnen zeer divers zijn. Het kan bijvoorbeeld bedoeld zijn ter overbrugging van een overgangsperiode van een oud naar een nieuw bestuur, het gevolg zijn van een vertrouwensbreuk dan wel noodzakelijk worden geacht als tijdelijke vervanging van een bestuurder. Een directe relatie met de schaalgrootte zie ik vooralsnog niet. Overigens treedt per 1 oktober 2011 de wet fusietoets in het onderwijs in werking. Deze wet zorgt ervoor dat scholen en besturen in hun organisatie de «menselijke maat» in acht moeten nemen.
Deelt u de verwachting van Thea Jonkman van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) dat onderwijsinstellingen vanaf 2013 steeds vaker een beroep zullen doen op de dure tijdelijke bestuurders? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat geld dat bestemd is voor onderwijs in de toekomst onnodig naar het management gaat in plaats van naar de klas?
Een instelling doet er verstandig aan om het gebruik van tijdelijke bestuurders te beperken. Schoolbesturen zijn echter autonoom en maken zelf de afweging of het noodzakelijk is een tijdelijke bestuurder aan te trekken. Andere maatregelen zoals bijvoorbeeld de versterking van de financiële deskundigheid en verbetering van de professionalisering van schoolbestuurders kunnen de noodzaak voor de inhuur van interim-bestuurders doen afnemen. De achtergrond hiervan is onder andere dat de bekostiging van scholen zoveel mogelijk ten goede moet komen aan het primaire proces.
Deelt u de mening dat een toename van (tijdelijke) interim-bestuurders in het onderwijs niet alleen slecht is omdat het meer kost, maar ook omdat de continuïteit van scholen eronder te lijden heeft en een onderwijsinstelling gebaat is bij iemand met een onderwijshart in plaats van bij mensen die slechts tijdelijk in het onderwijs werken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord bij de vragen 3 en 6.
Is het waar dat voor interim-bestuurders in het onderwijs een maximaal uurloon geldt dat omgerekend naar een jaarloon hoger is dan de sectorale beloningsmaxima? Zo ja, bent u bereid om het maximale uurloon voor interim-bestuurders zo aan te passen, dat dit uurloon omgerekend gelijk is aan de sectorale beloningsmaxima?
De WNT, zoals deze nu voorligt, zal ook van toepassing zijn op interim-bestuurders in het onderwijs. Het gaat daarbij om interim-bestuurders die in een periode van achttien maanden ten minste twaalf maanden in een functie als topfunctionaris werkzaam zijn. Die keuze is gemaakt omdat bij kortere periodes vaak sprake is van echte noodsituaties en een instelling dan afhankelijk is van de markt. Zodra iemand echter langer dan twaalf maanden werkzaam is, wordt met terugwerkende kracht het maximum van toepassing. Voor wat betreft de maximumbeloning van interim-bestuurders in het onderwijs zal het sectorale beloningsmaximum, zoals dat zal gelden voor de onderwijsbestuurders in de betreffende sector, van toepassing zijn.
Wanneer er geen beloningsmaximum geldt voor interim-bestuurders, bent u dan bereid om dit op te stellen? Zo ja, wanneer kan de Kamer voorstellen hiertoe tegemoet zien? Zo neen, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
De financiering van de Regionale Omroep |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Is het waar dat uw mening en die van het Commissariaat voor de media, inzake de wettelijke verplichtingen van provincies voor de bekostiging van de regionale omroep, bekend is bij de provincies? Bent u desondanks op de hoogte van het besluit van de provincie Utrecht om bij RTV Utrecht per 1 januari 2012 een budgetkorting van 15% door te voeren? Bent u eveneens bekend met het besluit van de provincie Noord-Holland om bij TRV Noord-Holland per 1 januari 2012 een budgetkorting van 10% en stopzetting van de index door te voeren?1
Ja, mijn mening, alsmede de mening van het Commissariaat voor de Media zijn bekend bij de provincies. Ik ben er van op de hoogte dat de provincies Noord-Holland en Utrecht hebben besloten te bezuinigen op de regionale omroepen.
Bent u ervan op de hoogte dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat provincies toegezegd hebben hun zorgplicht in te zullen vullen door de financiële middelen van 2004 te blijven doorgeven aan de regionale omroepen en deze middelen jaarlijks te indexeren ter compensatie van autonome kostenstijgingen? Zijn er naar uw mening gewijzigde omstandigheden waarop provincies hun mening zouden kunnen baseren die zij inmiddels lijken te hebben, namelijk dat zij niet langer aan de zorgplicht hoeven blijven voldoen, zoals toegezegd in het Nieuw Verdeelmodel Provincies?
Ja, ik ben hiermee bekend.
Provincies hebben zich destijds bereid verklaard om – onder voorbehoud van goedkeuring door provinciale staten – hun minimale zorgplicht op zo’n wijze invulling te geven dat de destijds geldende structurele financiële inzet werd gecontinueerd, waarbij de financiële inzet jaarlijks met een reële index werd verhoogd, zoals te lezen in de memorie van toelichting bij de wijziging van de mediawet in verband met een nieuwe financieringsstructuur voor de regionale publieke omroep. Ik ga er van uit dat dit nog steeds het uitgangspunt is. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden waarop provincies het standpunt kunnen baseren dat zij niet langer op deze wijze aan de zorgplicht hoeven te voldoen.
Deelt u de mening dat bezuinigingen juist het tegenovergestelde zullen bewerkstelligen bij de regionale omroep, gezien het kabinetsbeleid dat erop gericht is om de programmering van de regionale omroep juist te versterken en gezien het feit dat u heeft aangegeven dat regionale omroepen al veel creativiteit en efficiëntie aan de dag moeten leggen bij besteding van hun middelen? Bent u in het licht van het door de Kamer ondersteunde kabinetsbeleid ten aanzien van de regionale omroep, en gezien het feit dat het Nieuw Verdeelmodel Provincies de provincies gewoon in staat blijft stellen aan hun zorgplicht te voldoen, bereid om provincies op heel korte termijn op te roepen de bezuinigingsdiscussies op te schorten om te voorkomen dat de dubbele aansturing het kabinetsbeleid juist frustreert in plaats van mede vormgeeft?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Zoals ik in antwoord op eerdere Kamervragen heb aangegeven zou ik het betreuren als (voorgenomen) bezuinigingen ten koste (dreigen te) gaan van de regionale omroep. In ieder geval mogen eventuele bezuinigingen door provincies niet tot gevolg hebben dat de bekostiging van de regionale omroep leidt tot een daling van het niveau van activiteiten, zoals vastgelegd in de Mediawet 2008. Mijn standpunt in deze is bekend bij provincies. Het Commissariaat voor de Media is belast met de bestuursrechtelijke handhaving van art 2170.
Het Commissariaat kan zich zo nodig wenden tot de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met het verzoek verplichte uitgaven op de provinciale begrotingen te brengen (artikel 198 Provinciewet).
De Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat het in 2011 aan de Beleidsregels Regeling GLB-inkomenssteun 2006 toegevoegde artikel 5a (Staatscourant nr. 3426) door de Dienst Regelingen ook wordt toegepast op de Gecombineerde Opgave 2010?
Ja.
Is de veronderstelling juist dat het genoemde artikel 5a pas per 1 april 2011 in werking is getreden en niet met terugwerkende kracht op 2010 toegepast mag worden?
De beleidsregels zijn op 1 april 2011 in werking getreden en derhalve formeel pas van toepassing op steunaanvragen die vanaf 2011 zijn ingediend.
Beoordelingen vóór 2011 zijn gebaseerd op de Europese regelgeving en het beleid over de kwalificatie van grond als landbouwgrond. In alle jaren onderzoekt Dienst Regelingen (DR) aan de hand van de feitelijke omstandigheden, van geval tot geval, of een perceel is aan te merken als landbouwgrond. Er zijn met de publicatie van de beleidsregels in 2011 geen inhoudelijke veranderingen aangebracht in de beoordelingscriteria voor landbouwpercelen zoals die golden in de jaren daarvoor.
Is de veronderstelling juist dat de onderzoeks- en bewijslast voor toepassing van artikel 21a, lid 4, van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 in principe bij de Dienst Regelingen ligt?
Landbouwers en DR hebben gedeelde verantwoordelijkheden. De landbouwer is verantwoordelijk voor het indienen van een juiste aanvraag. Hij weet welke van zijn percelen geheel of ten dele voor de uitvoering van de landbouw wordt gebruikt of beschikbaar gehouden en welke niet. Dit laat onverlet dat DR verantwoordelijk is voor de betrouwbaarheid van het perceelsregister. Daartoe onderhoudt DR het perceelsregister jaarlijks door middel van luchtfoto’s en metingen ter plaatse. Landbouwers moeten echter de gegevens van DR controleren en in voorkomend geval onjuistheden melden.
Bent u bereid de toepassing van het genoemde artikel 5a op de Gecombineerde Opgave 2010 terug te draaien, de vaststelling van de bedrijfstoeslag 2010 voor de getroffen ondernemers dienovereenkomstig te wijzigen en de onderzoeks- en bewijslast voor niet landbouwkundig gebruik bij de Dienst Regelingen te leggen?
Dit is niet aan de orde, zie beantwoording van vraag 2.
Hoe wordt in de praktijk handen en voeten gegeven aan de «inherente afwijkingsmogelijkheid» op het genoemde artikel 5a, zoals geboden en verwoordt in de toelichting op het genoemde artikel?
DR kan zelfstandig tot de conclusie komen dat een perceel is aan te merken als landbouwperceel. In dat geval informeert DR de landbouwer hierover door het perceel op te nemen in het overzicht van landbouwpercelen in de verzamelaanvraag.
Als de landbouwer vindt dat een perceel onterecht niet is aangemerkt als landbouwperceel, kan hij DR hierop wijzen bij het indienen van de verzamelaanvraag. DR zal vervolgens de specifieke situatie beoordelen, eventueel aan de hand van een controle ter plaatse van de AID. Op basis hiervan neemt DR een besluit.
Tot slot kan een landbouwer zijn standpunt over de kwalificatie van grond verder verduidelijken in bezwaar. Ook dan beoordeelt DR of er aanleiding is om grond alsnog aan te merken als landbouwgrond.
Hoe zorgt u ervoor dat ondernemers, indien van toepassing, snel en effectief een beroep op de genoemde «inherente afwijkingsmogelijkheid» kunnen doen?
Landbouwers kunnen bij de verzamelaanvraag melden dat (delen van) een perceel ten onrechte zijn uitgesloten als landbouwperceel. Daarbij wordt de beoordeling geholpen als landbouwers hun standpunten zo goed mogelijk motiveren, bijvoorbeeld met foto’s van de situatie ter plaatse.
Radio 227 |
|
Maarten Haverkamp (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Radio 227 (als enige 24/7 40+ easylisteningzender in Nederland waar een kleine 400 000 ouderen op aangewezen waren) sinds 1-1-2011 in het overgrote deel van Nederland niet meer te beluisteren is via de kabel?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat een station zoals Radio 227 om te kunnen uitzenden via de kabel bij benadering de volgende kosten moe(s)t maken;
Buma/Stemra gaf mij de volgende informatie. In 2010 konden ongeveer 850 000 kabelabonnees Radio 227 ontvangen. De zender had een gemiddeld muziekgebruik van meer dan 50%, zodat voor Buma voor 2010 de hoogste minimumvergoeding is gefactureerd van € 14 257,05 (excl. BTW). Dat is per abonnee per jaar voor 2010 € 0,0167 en voor 2011 € 0,019. Het door Buma/Stemra voor radio- en televisieomroepen gehanteerde tarief bestaat uit een percentage van de omzet, waarbij het percentage afhankelijk is van de hoeveelheid muziek die wordt gebruikt, met een bepaald minimum. Indien er 100% muziek wordt gebruikt, is 10% van de omzet voor Buma. Daarnaast geldt er een minimumtarief dat afhankelijk is van het aantal aansluitingen en het gemiddeld muziekgebruik, hetgeen is uitgewerkt in staffels.
Het Commissariaat voor de Media heeft mij als volgt geïnformeerd over de toezichtskosten voor Radio 227. In 2008 was het bedrag € 6 120,–, in 2009 € 8 160,– en in 2010 eveneens € 8 160,–. Deze bedragen zijn gebaseerd op het aantal aangeslotenen in Nederland die het programma kunnen ontvangen (eigen opgave van Radio 2273) en de gemiddelde uitzendduur (in casu 24 uur per dag).
Sena liet mij weten dat Radio 227 de minimumvergoeding van € 2 500,– betaalt. Voor de vaststelling van de minimumvergoeding worden de commerciële inkomsten van een radiostation als uitgangspunt genomen. De minimumvergoeding is in 2004 tot stand gekomen in overleg met de brancheorganisatie van de niet-landelijke radiostations (NLCR)
De Stichting Reclame Code gaf mij de volgende informatie. De kosten van Radio 227 voor de aansluiting bij de SRC bedragen voor 2011 € 1 632. Deze kosten zijn gebaseerd op de zendtijd en het bereik van de radiozender. In het begin van dit jaar liet Radio 227 aan de SRC weten dat het bereik van de zender was gedaald naar 155 000 huisaansluitingen. Hiermee valt de zender in de categorie «zendtijd van meer dan 12 uur en een bereik tussen 100 000 – 500 000 aansluitingen». Vorig jaar bedroegen de kosten van Radio 227 voor aansluiting bij de SRC € 2 448,– gebaseerd op een bereik van 500 000 – 1 000 000 aansluitingen.
Uitgezonderd de kosten voor de toezichthouder op de Mediawet (het Commissariaat voor de Media), heeft de overheid geen bemoeienis met de hoogte van de tarieven van bovengenoemde organisaties. Wel wijs ik u op het wetsvoorstel toezicht collectieve beheersorganisatie (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 766, nr. 2) waarin wordt voorzien in een onafhankelijke geschillencommissie voor de beslechting van tariefgeschillen.
Buma/Stemra en Sena zijn collectief beheersorganisaties4 en de Stichting Reclame Code is een zelfreguleringsorganisatie. Zie voor wat betreft het Commissariaat en de SRC ook het antwoord op vraag 4.
Zijn eerder genoemde bedragen gebaseerd op aansluitingen? Zo ja, is het aantal luisteraars niet een betere, maar vooral meer eerlijke, verdeelsleutel?
De grondslagen van de verschillende tarieven zijn opgenomen in de beantwoording op vraag 2.
Ik merk op dat het Europese Hof van Justitie in de zaak Sena-NOS (HvJEG, 6 februari 2003, C-245/00) het aantal luisteraars als één van de criteria heeft genoemd waaraan de billijkheid van de te betalen vergoeding (het tarief) kan worden getoetst. Dit houdt in dat bij de vaststelling van de billijkheid rekening kan worden gehouden met de daadwerkelijke kijk- en luisterdichtheden. Onder omstandigheden kan het zelfs zo zijn dat het niet gebruiken van het actual audience criterium misbruik van machtspositie kan opleveren (Zaak Kanal 4 – TV5, HvJEG, 11 december 2008, C-52/07), met onbillijke tarieven als gevolg (zie ook de nota naar aanleiding van verslag van het wetsvoorstel toezicht cbo’s, Kamerstukken II, 2008–2009, 31 766, nr. 7, p. 31).
Met betrekking tot Buma/Stemra het volgende. Buma/Stemra laat weten dat zij, voor het minimaal te betalen bedrag, heeft aangehaakt bij het feit dat het radiosignaal wordt verspreid naar een geactiveerde wandcontactdoos c.q. het aantal abonnees/aansluitingen dat het programma kan ontvangen. Daarnaast is het tarief voor Buma/Stemra gebaseerd op een percentage van de omzet, waarin het aantal luisteraars is verdisconteerd.5
Voor Sena verwijs ik naar de overeenstemming die is bereikt met de vereniging van Niet Landelijke Commerciële Radio Omroepen.
Voor wat betreft de Reclame Code Commissie het volgende. De Stichting Reclame Code (waarvan de Reclame Code Commissie onderdeel uitmaakt) is een zelfreguleringsinstantie waarbij het reclamemakend bedrijfsleven (adverteerders, reclamebureaus en media) zijn eigen verantwoordelijkheid neemt voor de inhoud en verspreiding van reclame-uitingen. Voor commerciële (en publieke) omroepen die reclame uitzenden is het wel zo dat zij, op grond van de Mediawet 2008, aangesloten dienen te zijn bij de Nederlandse Reclame Code en onder het toezicht van de Stichting Reclame Code vallen. Er is echter geen verdergaande bemoeienis van de overheid met deze zelfreguleringsinstantie, dus ook niet met de tarieven van de Stichting Reclame Code.
Bij het Commissariaat voor de Media ligt dat anders. Een commerciële omroep is op grond van de Mediawet 2008 jaarlijks aan het Commissariaat toezichtskosten verschuldigd. Deze toezichtskosten worden berekend volgens een bijlage bij een regeling van de Minister van OCW (Mediaregeling 20086). De berekening van de verschuldigde toezichtskosten is gebaseerd op het aantal huishoudens in Nederland dat het betreffende programma-aanbod van de commerciële omroepinstelling kan ontvangen. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de gemiddelde uitzendduur per dag in het betreffende jaar.
Momenteel kijkt OCW, samen met het Commissariaat, naar een mogelijke herziening van de toezichtskostenregeling. Dit mede naar aanleiding van bezwaren van commerciële omroepen die weliswaar in potentie een groot deel van de Nederlandse huishoudens kunnen bereiken maar in werkelijkheid slechts een gering bereik of marktaandeel hebben. Zij vinden dat de huidige systematiek onrechtvaardig voor hen uitpakt.
Daarnaast zijn er andere categorieën commerciële programma-aanbieders waarnaar gekeken wordt. Het gaat dan om aanbieders die in Nederland gevestigd zijn maar zich voornamelijk of uitsluitend op het buitenland richten7, aanbieders van diensten op aanvraag of aanbieders van programma’s die uitsluitend op internet zitten. Het in vraag 3 genoemde criterium van het aantal luisteraars («actual audience») wordt ook meegenomen in het onderzoek.
Het streven is om de toezichtskostenregeling met ingang van 2012 te hebben aangepast.
Bent u bereid om de kosten voor het Commissariaat en de Reclame Code Commissie te reduceren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 3.
Het functioneren van Buma/Stemra |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de artikelen in de Volkskrant over Buma/Stemra?1 2 3 4 5 6 7 8 Wat is uw reactie op de verschillende artikelen?
Ja, ik heb kennisgenomen van de artikelen. Een aantal van de artikelen is eerder aanleiding geweest voor kamervragen. Ik verwijs u voor een reactie op die artikelen naar de antwoorden op kamervragen 2011Z03505, 2011Z03507 en 2011Z09757. In aanvulling daarop verwijs ik u naar de onderstaande antwoorden.
Klopt het dat Buma via haar wettelijke taak rond openbaarmaking een monopoliepositie heeft waardoor muzikanten die rechten willen innen geen keuze hebben dan gebruik te maken van de diensten van Buma/Stemra?
Op basis van artikel 30a van de Auteurswet heeft een bedrijf dat wil bemiddelen inzake het muziekauteursrecht, toestemming nodig van de Minister van Justitie. Tot op heden is die toestemming enkel verleend aan de vereniging Buma. Buma beschikt hierdoor in Nederland feitelijk over een monopoliepositie. Muziekauteurs zijn overigens niet verplicht om de licentieverlening inzake de uitvoering van een werk in een radio- of televisieprogramma of uitvoering in het openbaar onder te brengen bij Buma. Het staat een auteur vrij om die taak zelf ter hand te nemen.
Wat vindt u van het functioneren van Buma/Stemra?
Wat is uw mening over de bestuursstructuur van Buma/Stemra? Wat vindt u van de signalen dat de directeur op te grote afstand staat van de bestuursleden en dat de bestuursleden en de raad van toezicht over weinig controle instrumenten beschikken?
Bent u van mening dat de belangen van componisten en tekstschrijvers op dit moment door Buma/Stemra op een goede manier behartigd worden?
Zo nee, bent u bereid actie te ondernemen gezien het feit dat hier een wettelijke taak vervuld wordt? Kunt u op korte termijn de governance van Buma/Stemra doorlichten en de Kamer over de uitkomsten van deze doorlichting voor het einde van 2011 informeren?
Wat vindt u van een tijdelijke ondercuratelestelling totdat er orde op zake is gesteld zoals bijvoorbeeld bij het CBR gebeurd is?
De berichten ‘Bedrijfsarts onder druk gezet door werkgever en arbodiensten’, en ‘Bedrijfsarts in greep werkgever’ |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bereid maatregelen te nemen op basis van het onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts van onderzoeksbureau Astri, beschreven in twee artikelen? Zo ja, welke maatregelen zullen dit zijn? Zo nee, waarom niet?1
In de aanbiedingsbrief bij het rapport2 aan uw Kamer is aangegeven dat ik in afstemming met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een nadere beleidsreactie voorbereid. Deze reactie zult u dit najaar ontvangen. Ik zal daarom in de beleidsreactie nader ingaan op de door u gestelde vragen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat één op de vijf bedrijfsartsen door druk van werkgevers en arbodiensten zijn werk niet naar behoren kan uitvoeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hiertegen maatregelen te treffen? Welke maatregelen zullen dit zijn?
Ik ben van mening dat elke bedrijfsarts zijn werkzaamheden onafhankelijk, conform de geldende beroeps- of gedragcodes dient te kunnen uitoefenen. Uit onderzoek van AStri blijkt dat dit niet altijd het geval is. Het zou onder andere te maken hebben met de typen contracten die arbodiensten met werkgevers afsluiten en de wijze waarop dit doorwerkt in de aard en omvang van de contacten die bedrijfsartsen met werknemers onderhouden. In mijn beleidsreactie op het onderzoek van AStri zal ik ook ingaan op dit onderdeel van het onderzoek en, in overleg met direct betrokkenen, aangeven waar verbeteringen mogelijk zijn.
Deelt u de mening dat artsen het beroepsgeheim schenden wanneer zij, al dan niet onder dwang, vertrouwelijke informatie prijsgeven, en dat het onbehoorlijk is van werknemers artsen hierover te benaderen? Bent u bereid hiertegen op te treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Verstrekking van specifieke medische gegevens, zoals de diagnose, valt onder het medisch beroepsgeheim. Deze gegevens mogen dan ook in beginsel niet worden verstrekt. In het kader van onder meer verzuimbegeleiding en claimbeoordeling kan het wel noodzakelijk zijn om – met inachtneming van het beroepsgeheim – gegevens over werkhervatting en benodigde werkaanpassingen ter beschikking te stellen aan de werkgever of het UWV. In de praktijk gebeurt dit doorgaans met toestemming van de werknemer.
Kunt u zich er iets bij voorstellen dat gebrekkige onafhankelijkheid van bedrijfsartsen gevolgen heeft voor de zorgkosten bijvoorbeeld doordat mensen te snel weer aan het werk moeten en vervolgens langer ziek blijven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
De zorgkosten worden door vele factoren beïnvloed. Of er een relatie is met te snel weer aan het werk gaan bij ziekte is onbekend. Mocht een werknemer van oordeel zijn dat hij te vroeg weer naar het werk wordt gestuurd, dan kan hij hierover een deskundigenoordeel vragen aan het UWV. Ook de werkgever kan aan het UWV een deskundigenoordeel vragen als er een verschil van mening is met de werknemer over de geschiktheid tot werken.
Wat vindt u van het voorstel van de Nederlandse vereniging voor arbeids- en bedrijfsgeneeskundigen (NVAB) om de bedrijfsarts te financieren per branch? Indien dit voorstel u aanspreekt, bent u dan bereid maatregelen te treffen om dit te faciliteren?
Relevante actoren als NVAB, Boaborea en verzekeraars kunnen samen met sectorale sociale partners bezien of vraag en aanbod van arbozorg beter op elkaar kunnen worden afgestemd, bijvoorbeeld via branchecontracten. Dergelijke afspraken passen bij uitstek in het private domein.
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het Astrirapport dat contracten steeds verder «uitgekleed» raken, doordat 44 procent van de werkgevers zich slechts verzekerd heeft voor het minimale, wettelijk verplichte pakket? Acht u dit problematisch? Bent u bereid hier iets aan te doen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de zorgen over het feit dat de specialisatie bedrijfsarts niet populair is onder geneeskundestudenten2? Zo ja, welke maatregelen wilt u treffen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie dat de komende jaren de vervangingsvraag van bedrijfsartsen relevant wordt, onder meer als een substantieel deel van hen met pensioen gaat en nieuwe aanwas noodzakelijk is. Wij zijn met de sector in overleg over initiatieven om deze ontwikkeling te kunnen opvangen, zodat ook in de toekomst een volwaardige inzet van voldoende bedrijfsartsen gewaarborgd blijft.
Olie- en gaslekkages |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het bericht «Oil and gas spills in North Sea every week, papers reveal»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht. De informatie is voor mij niet nieuw en ik ben er dan ook niet door verrast.
Als samenwerkende toezichthouders spreekt Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) al jaren met buitenlandse collega-toezichthouders over het terugdringen van olie- en gaslekkages. Dit overleg vindt plaats binnen het North Sea Offshore Authorities Forum (NSOAF) en het International Regulators Forum.
In 2003 hebben de Britse bevoegde autoriteiten, de Health & Safety Executive (HSE), een (openbare) database opgezet, de Hydrocarbon Releases System. In dit systeem melden mijnbouwmaatschappijen olie- en gaslekkages en oorzaken daarvan. De getallen zijn afkomstig uit deze database.
Zij worden door de HSE geverifieerd en maandelijks op de website van de HSE gepubliceerd (https://www.hse.gov.uk/hcr3/report/public_tables_display.asp).
Specifieke acties richting buitenlandse autoriteiten acht ik niet noodzakelijk.
Klopt het dat er in 2009 en 2010 meer dan honderd ongepubliceerde olie- en gaslekkages hebben plaatsgevonden op boorplatforms in de Noordzee? Zo ja, bent u bereid om u in Europees verband in te zetten voor het verplicht investeren in de nieuwste en veiligste technologieën door olie- en gasbedrijven?
Het klopt dat er olie- en gaslekkages voorkomen in de Noordzee. De cijfers van The Guardian hebben echter alleen betrekking op de Britse sector van de Noordzee. De getallen zijn niet nieuw. Ze zijn afkomstig uit het bovengenoemde Hydrocarbon Releases System van de HSE.
Voor het Nederlandse deel van de Noordzee geldt dat olie- en gaslekkages altijd behoren te worden gemeld aan SodM op grond van het Mijnbouwbesluit (t.a.v. olielozingen) en de Arbeidsomstandighedenwet (t.a.v. gaslekkages). Deze meldingen worden geregistreerd en in geaggregeerde vorm weergegeven in het jaarverslag van SodM, dat jaarlijks aan de Tweede Kamer wordt toegezonden1 en op de website van SodM wordt gepubliceerd.
Olie
De meeste oliemorsingen zijn gering van omvang. In Nederland wordt een oliemorsing van meer dan 300 liter als «groot» geclassificeerd. Voor grote oliemorsingen wordt in beginsel altijd proces-verbaal opgemaakt.
In verreweg de meeste gevallen gaat het om morsingen, van minder dan 10 liter. In 2009 waren er zes oliemorsingen van meer dan 100 liter, in 2010 één. In de eerste helft van 2011 is een oliemorsingen van 80 liter de hoogste die is gemeld. Het aantal oliemorsingen op het Nederlandse deel van de Noordzee is de laatste 10 jaar sterk afgenomen.
Omdat de oliemorsingen op het Nederlandse deel van het continentaal plat gering zijn, zijn ook de milieueffecten gering. De meeste olie die offshore in Nederland wordt geproduceerd (meestal een lichte benzinefractie die condensaat genoemd wordt) bestaat uit vluchtige koolwaterstofverbindingen die niet lang in/op zeewater achter blijven. Er is geen blijvende, significante milieuschade bekend welke direct is terug te voeren op olielekkages vanaf platforms op het Nederlands deel van de Noordzee.
In internationaal verband zijn er meerdere initiatieven om lozingen van stoffen in de Noordzee verder terug te brengen. Van belang is de samenwerking in het kader van het OSPAR-verdrag2 en de Bonn-overeenkomst van 1969 herzien in 19833 en 2001. Het Offshore Industry Committee (OIC) van OSPAR heeft aanbevelingen geformuleerd om het aantal olielekkages in 2020 tot nul terug te brengen.
In het antwoord op de vragen 5 en 6 van het CDA wordt ingegaan op de huidige Europese samenwerking.
Gas
In 2009 waren er 2 grote en 25 significante gasontsnappingen op Nederlandse platforms in de Noordzee4. In 2010 was dat aantal aanzienlijk minder: 1 grote en 14 significante gasontsnappingen. Gaslekkages zijn minder schadelijk voor het milieu dan olielekkages, maar kunnen gevaar opleveren voor het personeel op productieplatforms.
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor een strenge sanctionering, waarbij een platform na de derde lekkage gesloten wordt?
De toepasselijke wetgeving voorziet reeds in sancties. Alle gasontsnappingen en olielekkages dienen te worden gemeld en bij de grotere lekkages wordt een proces-verbaal opgemaakt en boetes opgelegd. Regulering en bestraffing van verontreiniging van het zeewater vloeit voort uit het MARPOL5-verdrag, het OSPAR-verdrag en de Bonn-overeenkomst. Deze verdragen zijn door alle Noordzee-staten geratificeerd en de relevante verdragsbepalingen zijn in wetgeving, zoals de Mijnbouwwet en de Waterwet, opgenomen.
Daarnaast valt op Europees niveau de bescherming van het mariene milieu binnen de reikwijdte van o.a. de Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn mariene strategie. De in bovengenoemde regelingen vastgelegde uitgangspunten en bepalingen bieden naar mijn mening een toereikend kader voor het bestrijden van verontreinigingen vanaf platforms.
Het stilleggen van een platform na drie oliemorsing of gaslekkages is naar mijn mening niet opportuun. Lekkages kunnen immers qua grootte, ernst en verontreinigingsgraad zeer verschillend zijn en bovendien zou een dergelijke aanpak de huidige, goed functionerende meldingspraktijk negatief kunnen beïnvloeden. Ik ben derhalve niet van zins in Europees verband te pleiten voor een dergelijke aanpak.
Klopt het dat Shell behoort tot de bedrijven die verantwoordelijk zijn voor de meeste lekkages? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Shell de veiligheid op haar boorplatforms zo snel mogelijk op orde krijgt?
Hoeveel oliemorsingen en gaslekkages in de wereld toe te rekenen zijn aan Shell en hoe die getallen zich verhouden tot andere bedrijven, is mij niet bekend.
In het Nederlandse deel van de Noordzee bevinden zich geen productieplatforms die exclusief eigendom zijn van Shell. Wel is er een onderneming actief, de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), waarin Shell voor 50% participeert. NAM exploiteert 20% van de platforms op het Nederlandse deel van de Noordzee en heeft naar verhouding niet meer lekkages dan andere ondernemingen die in Nederland actief zijn. Ik zie dan ook geen reden om ten aanzien van deze maatschappij een specifiek andere aanpak te volgen dan de aanpak ten aanzien van platforms in het algemeen.
Bent u bereid om alle informatie over olie- en gaslekkages openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
De statistieken ten aanzien van incidenten in de olie- en gaswinning hierover zijn al jaren openbaar. In het jaarverslag van SodM wordt uitgebreid aandacht besteed aan olie- en gaslekkages, maar ook aan andere gevaren, arbeidsongevallen, aanvaringsrisico’s, overige ongewenste gebeurtenissen en eventuele gevolgen. Deze (gevalideerde) informatie wordt jaarlijks aan de Kamer gestuurd en is op de website van SodM voor iedereen te raadplegen.
Grote incidenten, waarbij gevaar voor mens en milieu te duchten zijn, worden – mochten deze zich voordoen – eveneens gepubliceerd op de website van SodM. Niet iedere gebeurtenis is echter van zodanig belang dat hierover alle informatie op de website moet zijn te vinden, in zulke gevallen acht ik vermelding achteraf in het jaarverslag voldoende.
Het tweede deel van vraag 5 is gegeven in het antwoord op vraag 2.
De latere uitbetalingsdatum van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen door het UWV |
|
Cynthia Ortega-Martijn (CU) |
|
Henk Kamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u ook signalen ontvangen over cliënten die door het verschuiven van de datum waarop de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen door het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen (UWV) plaatsvindt, in financiële problemen zijn gekomen? Hoeveel klachten zijn hier hierover ingediend en worden de klachten ook binnen het door het UWV gestelde termijn van drie weken afgehandeld?1
Ik heb deze signalen niet ontvangen. Uit bij het UWV ingewonnen inlichtingen is me het volgende gebleken.
Het klantencontactcentrum van UWV heeft vanaf begin april tot aan het nieuwe betaalmoment op 23 juni zo’n 1 250 keer telefonisch advies gegeven hoe geldproblemen als gevolg van het betaalmoment kunnen worden voorkomen. Per e-mail beantwoordde het klantcontactcentrum zo’n 43 vragen over dit onderwerp. Na 23 juni zijn tot op heden nog 44 telefonische adviezen gegeven, en één per e-mail.
Er zijn tot op heden bij het UWV in totaal 207 klachten binnengekomen over het verschuiven van het betaalmoment. In alle gevallen is schriftelijk of telefonisch contact opgenomen om uit te leggen waarom het betaalmoment verschuift. Verder hebben de klanten advies gekregen of zijn zij gewezen op de mogelijkheid tot het aanvragen van een voorschot. Alle klachten zijn binnen de termijn van drie weken afgehandeld.
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen door cliënten zijn ingediend tot het ontvangen van een voorschot en hoeveel van deze aanvragen zijn geweigerd? Zijn cliënten verplicht om zich te houden aan de standaard voorgestelde aflossingen of wordt er aan cliënten ook de mogelijkheid geboden om tot een individuele oplossing te komen? Zo nee, waarom niet? Hoeveel schrijnende gevallen hebben zich bij het UWV gemeld? Hoeveel zijn er reeds geholpen?
Er zijn tot en met 19 mei 2011 ongeveer 36 000 voorschotten aangevraagd, op een totaal van meer dan een half miljoen verschoven betalingen. Dat is ca 7% van het totaal. Daarvan zijn er zo’n 600 afgewezen. Deze afwijzingen hebben voornamelijk te maken met een in verhouding tot het voorschot te laag bedrag aan uitkering, of met een reeds beëindigde uitkering.
Na 19 mei zijn alle centraal ingediende voorschotaanvragen afgewezen omdat deze aanvragen te laat waren ingediend (de deadline voor het aanvragen van een voorschot was 9 mei). Dit gaat naar schatting om zo’n twee- tot drieduizend aanvragen.
UWV is na het verstrijken van de gestelde deadline tot 19 mei doorgegaan met het beoordelen van de voorschotten. Daarna ingediende aanvragen konden niet meer in behandeling genomen worden omdat de bestanden gereed moesten worden gemaakt voor de centrale verwerking en betaling. Een tijdige betaling van het voorschot was anders niet meer mogelijk. Wel zijn er op de districtskantoren na 19 mei nog ongeveer 300 voorschotten verstrekt aan klanten die aangaven anders in een schrijnende situatie terecht te zullen komen.
UWV heeft zowel via alle informatiekanalen (brief, internet, flyer, klantcontactcentrum) als op het aanvraagformulier aangegeven dat het voorschot in vijf termijnen op de uitkering wordt ingehouden.
UWV heeft het verrekenen van het voorschot in overeenstemming met de aangegeven procedure uitgevoerd, tenzij een klant echt in de problemen dreigt te komen. In individuele gevallen wordt dan in overleg met de betrokkene een maatwerkoplossing gezocht.
Waarom wordt aan cliënten, als zij het UWV daarom verzoeken, gebrekkige informatie gegeven over de redenen van het verschuiven van de datum waarop de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen plaats vindt? Bent u bereid om via het UWV de betrokkenen alsnog zelf actief nader te informeren over de redenen van het verschuiven van de uitbetalingsdatum? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend dat cliënten desgevraagd gebrekkige informatie over de redenen van de verschuiving van de betaaldatum is verstrekt. In mijn antwoord op uw eerder vragen (vraagnummer 2011Z07769) wees ik u er reeds op dat UWV in de brieven aan de betrokkenen bewust niet is ingegaan op de reden van de verschuiving. Dit om de boodschap en de mogelijkheid tot het verkrijgen van een voorschot zo duidelijk mogelijk over te brengen. UWV heeft aangegeven dat het in de toekomst in voorkomende gevallen uitgebreider zal ingaan op de redenen van de verschuiving.
Naar mijn oordeel is het niet nodig de betrokkenen hierover nog actief te benaderen. Ik wijs u er op dat er veel publiciteit geweest is over de verschuiving van het betaalmoment en over de reden hiervan.
Kunt u inzicht verschaffen in welke mate de maatregel om de uitbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te verschuiven ook een kostenbesparing oplevert, uitgesplitst naar de verschillende posten waarop een besparing wordt bereikt?
Het verschuiven van het betaalmoment maakt het mogelijk twee uitkeringssystemen samen te voegen, en er een uit te faseren. Deze samenvoeging vormt het sluitstuk van een jarenlange sanering binnen het ICT-landschap van UWV. De uitfasering van het systeem levert een structurele besparing op van € 19,5 miljoen per jaar aan kosten voor exploitatie en onderhoud.
Het verschuiven van het betaalmoment geeft UWV en de klant daarnaast de mogelijkheid langer mutaties door te (doen) voeren in de lopende maand. Dit levert een kleine, maar lastig te kwantificeren, besparing op de uitvoeringskosten op.
Weggepeste buurtbewoners wegens hun seksuele voorkeur |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerder gestelde vragen?1
Ja.
Hoe verhoudt zich uw antwoord dat het kabinet stevig inzet op maatregelen om discriminatie te bestrijden en de meldingsbereidheid te vergroten tot de constatering van het Gerechtshof Arnhem2 dat in het geval van een weggepest homostel te Utrecht niet in alle opzichten adequaat en voortvarend is opgetreden door politie en justitie?
Het gerechtshof in Arnhem constateert in zijn uitspraak dat uit het dossier zoals dat aan het hof is voorgelegd naar voren komt dat op de meldingen niet in alle opzichten adequaat en voortvarend is opgetreden door politie en justitie. Naar aanleiding van de constatering van het Hof vindt momenteel een inventarisatie plaats naar de handelingen die door de politie en het Openbaar Ministerie zijn verricht naar aanleiding van de aangiften. Nu dit onderzoek nog niet is afgerond, kan ik daar op dit moment verder geen mededelingen over doen. Na afronding van het onderzoek zullen de resultaten daarvan door het Openbaar Ministerie openbaar worden gemaakt.
Deelt u de constatering van het Gerechtshof Arnhem dat uit dit dossier naar voren komt dat door de politie en het openbaar ministerie kansen zijn gemist om de gepleegde feiten jegens de betrokken klagers tot opheldering te brengen? Bent u bereid om te onderzoeken wat er in de aanpak van deze casus is misgegaan en welke lessen te leren vallen?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is deze casus symptomatisch voor de aanpak van homodiscriminatie en geweld tegen homo’s en andere minderheden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen neemt u zich voor om, indachtig de voorgenomen kabinetsinzet, dit soort betreurenswaardige incidenten in het vervolg te voorkomen? Bent u bereid om deze vragen zo snel mogelijk, liefst binnen een week, te beantwoorden?
Het kabinet zet stevig in op maatregelen om discriminatie te bestrijden en tegelijkertijd de bewustwording over discriminatie en de meldingsbereidheid van discriminatie te vergroten. Uw Kamer is op 15 juli jongstleden per brief3 geïnformeerd over de aanscherpingsmaatregelen die het kabinet zal nemen om discriminatie tegen te gaan.
De brandweer Gelderland-Zuid |
|
Jan van Bochove (SGP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die door de brandweer Gelderland-Zuid is verspreid, waaruit blijkt dat de duiktaak van de brandweer per 1 juli 2011 wordt beëindigd?
Ja.
Is het waar dat de meldkamer de opdracht heeft gekregen om bij de melding van mensen die te water zijn geraakt geen externe duikeenheden te alarmeren?
Bij de melding dat mensen te water zijn geraakt worden specialistische eenheden gealarmeerd van de brandweer die gebruik maken van de zogenaamde grijpredding en oppervlakteredding. Gelderland Zuid kent zestien van dergelijke specialistische eenheden. De grijpredding behoort tot de maatregelen die zonder duikers mogelijk zijn. Deze eenheden zijn ook uitgerust met apparatuur voor redding op groot buitenwater.
Betekent dit dat mensen die te water raken en nog een overlevingskans hebben aan hun lot worden overgelaten en dus mogelijk verdrinken terwijl de uitgerukte brandweermensen staan toe te kijken?
Voor mensen die te water raken en waarbij redding mogelijk is, heeft de regio Gelderland-Zuid gekozen voor redding door eenheden die zijn geïnstrueerd en uitgerust voor grijpredding en oppervlakteredding. Dit sluit aan bij een onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Brandweer en Rampenbestrijding (NVBR) naar waterongevallenbestrijding. Gelderland-Zuid werkt al sinds 2009 met deze eenheden. Door de fijnmazige verspreiding van de waterreddingseenheden over het grondgebied van Gelderland-Zuid is een snelle opkomst gewaarborgd en worden mensen dus niet aan hun lot overgelaten wanneer ze te water raken.
Wat is uw oordeel over de genomen maatregelen?
De wijze waarop de kerntaken van de brandweer worden uitgevoerd is een regionale verantwoordelijkheid. Het is aan de gemeenten dan wel de veiligheidsregio’s om hierin een keuze te maken. Ik constateer dat er gedegen onderzoek is gedaan naar de waterongevallenbestrijding en dat daar in de regio Gelderland- Zuid ook bij is aangesloten.
Op grond van het risicoprofiel van de veiligheidsregio en de (beschikbare) middelen bij de brandweer is besloten dat het hebben van teams voor grijpredding en oppervlakteredding de wijze is waarop de brandweer haar taak tot het redden van mens en dier kan en ook dient uit te voeren.
Acht u de per 1 juli 2011 ingevoerde maatregelen verantwoord zowel in algemene zin naar de mogelijke slachtoffers als naar de brandweermensen die zijn uitgerukt en niets meer mogen doen dan toekijken?
Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4.
Is de kans niet groot dat brandweermensen ondanks dat het hun taak niet meer is toch zullen willen ingrijpen en hierbij het gevaar voor eigen leven disproportioneel vergroten?
Het is de taak van de brandweer levensreddend op te treden voor mens en dier. De brandweer is hiervoor getraind en geoefend. Ik heb er vertrouwen in dat de betrokken brandweermensen en hun leidinggevenden professioneel handelen conform hun opleiding en training met oog voor hun eigen arbeidsveiligheid.
Klopt het dat de politie nu voor deze taak is aangewezen?
Nee, wel is in de regio Gelderland-Zuid de afspraak met de regiopolitie gemaakt dat zij voor de bergingstaak (berging van overleden waterslachtoffers door duikers in water dieper dan 1,5 meter) gebruik maken van het landelijke dregteam van het KLPD. Dit betreft een afspraak met dit regiokorps en geldt niet voor de Politie in geheel Nederland.
Kloppen de berichten dat de politie onvoldoende capaciteit heeft en tegelijkertijd aangeeft andere prioriteiten te hebben om deze taak op zich te nemen?
Nee, wat betreft de bergingstaak kan het landelijke dregteam op dit moment voldoen aan alle aanvragen van de regio Gelderland-Zuid.
Welke stappen gaat u zetten om in Gelderland-Zuid te komen tot een voor alle betrokken hulpdiensten en de daarbij in dienst zijnde hulpverleners (waaronder brandweermensen) acceptabele werkwijze bij het redden van mensen die te water zijn geraakt?
Gezien mijn antwoorden op de eerdere vragen acht ik het niet noodzakelijk hiertoe stappen te nemen.
De vereniging Martijn |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het persbericht van het Openbaar Ministerie d.d. 18 juni j.l. «Vereniging Martijn niet vervolgd»?
Ja.
Op welke wijze heeft Nederland invulling gegeven aan artikelen 4 en 8 van het verdrag van Lanzarote dat als doelstellingen heeft
Het op 25 oktober 2007 te Lanzarote tot stand gekomen verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (hierna: het verdrag) is niet alleen strafrechtelijk georiënteerd, maar ook multidisciplinair van aard. Naast straf- en sanctiebepalingen gaat het om preventieve en beschermende maatregelen die betrekking hebben op nationale coördinatie en internationale samenwerking. Het Verdrag legt statenpartijen op deze terreinen verplichtingen op tot het nemen van wetgevende of andere maatregelen.
Nederland heeft het Verdrag op 1 maart 2010 geratificeerd, waarna het verdrag met ingang van 1 juli 2010 voor Nederland in werking is getreden. Voor zover de uitvoering van het verdrag noopte tot wetswijziging is daarin voorzien door de Wet van 26 november 2009 (Stb. 544). Deze wet is op op 1 januari 2010 in werking getreden. Nederland voldoet aan de verplichtingen die in het verdrag zijn opgenomen.
Nederland heeft het verdrag ruimhartig geïmplementeerd en geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het maken van voorbehouden.
Voor een uitvoerige beschrijving van de wijze waarop Nederland uitvoering geeft aan de verplichtingen die in het Verdrag zijn opgenomen verwijs ik graag naar de memorie van toelichting bij het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het verdrag (Kamerstukken II, 2008–2009, 31 808, nr. 3).
Met betrekking tot de wijze waarop Nederland voldoet aan de verplichtingen zoals omschreven in de artikelen 8, 26, 27 en 28 van het verdrag breng ik graag het volgende naar voren.
Artikel 8, tweede lid, van het verdrag verplicht de statenpartijen de verspreiding van materiaal waarin de in het verdrag strafbaar gestelde feiten worden gepromoot, te voorkomen of te verbieden. De bepaling is geplaatst in het hoofdstuk dat statenpartijen verplicht tot het nemen van preventieve maatregelen gericht op het algemene publiek. De bepaling beoogt de bevordering van het plegen van seksuele uitbuiting van kinderen bijvoorbeeld via advertenties te voorkomen. Nederland heeft via beleidsmaatregelen uitvoering gegeven aan deze bepaling. Tegen het verspreiden van het door het verdrag bedoelde materiaal kan onder omstandigheden ook strafrechtelijk worden opgetreden op grond van strafbare uitlokking (artikel 47 Wetboek van Strafrecht) of de strafbaarstelling van aanbod van medeplichtigheid (artikel 133 Sr).
Artikel 26 van het verdrag verplicht tot vestiging van de aansprakelijkheid van rechtspersonen voor de in het verdrag omschreven strafbare feiten. Het betreft een min of meer standaardbepaling die in meer internationale rechtsinstrumenten wordt gehanteerd. Daarbij is voor de aansprakelijkheid vereist dat sprake is van een gedraging gepleegd door een leidinggevende binnen de rechtspersoon «ten voordele» van de rechtspersoon. Artikel 51 Sr voorziet in mogelijkheden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen. Deze regeling kan worden gekenschetst als ruimer dan waartoe Nederland op grond van artikel 26 van het verdrag wordt verplicht. Graag verwijs ik in dit verband op mijn antwoorden op Kamervragen van het lid Arib (PvdA) van 11 mei 2011 (Handelingen II 2010/11, Aanhangsel 2467).
Op grond van artikel 27 van het verdrag moet worden voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende straffen voor rechtspersonen wier aansprakelijkheid is vastgesteld, met inbegrip van strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke boetes. In aanvulling daarop somt dit artikel een aantal mogelijke maatregelen op. De Nederlandse wetgeving voorziet in deze straffen, sancties en maatregelen.
Artikel 28 van het verdrag noemt een aantal strafverzwarende omstandigheden waarmee door de rechter rekening moet kunnen worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen straf voor de in het Verdrag omschreven strafbare feiten. In het Nederlandse stelsel van wettelijke strafmaxima is de gedachte dat deze maxima de rechter ruimte bieden om rekening te houden met strafverzwarende omstandigheden. Voorts voorzien artikel 273f, derde tot en met zevende lid, artikel 248 en artikel 43 Sr expliciet in strafverzwaring voor de meeste van de in artikel 28 genoemde omstandigheden.
Op welke wijze heeft Nederland invulling gegeven aan artikelen 26, 27 en 28 van het verdrag van Lanzarote, waarin een rechtspersoon strafbaar gesteld wordt op basis van de overtreding van de leidende personen in die rechtspersoon en uitdrukkelijk ook ontbinding van die rechtspersoon als straf is opgenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Acht u het in overeenstemming met het verdrag van Lanzarote dat Nederland de vereniging Martijn vrijelijk haar werk laat doen, terwijl:
Zoals ik ook al in het antwoord op vraag 2 en vraag 3 naar voren heb gebracht, voldoet Nederland aan de verplichtingen die uit het Verdrag voortvloeien. De Nederlandse wetgeving biedt de bescherming die het verdrag beoogt te bieden. Dat geldt eveneens voor de bepalingen in het verdrag die raken aan de vragen die in het kader van de vereniging Martijn aan de orde zijn, zoals de mogelijkheden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen. Hetgeen ter zake het optreden tegen de vereniging Martijn naar voren is gebracht, staat naar mijn mening niet op gespannen voet met de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien. Verder verwijs ik naar mijn brief aan de Kamer van heden.
Als september a.s. de verdragspartijen van het verdrag van Lanzarote bij elkaar komen in Straatsburg om de naleving van het verdrag te toetsen, bent u dan bereid om daar de casus van de vereniging Martijn voor te leggen aan de andere staten die het verdrag geratificeerd hebben en hen te vragen of het handelen van Nederland in overeenstemming met het verdrag is?
Het verdrag voorziet in een Comité van de Partijen dat toeziet op de uitvoering van ervan (Hoofdstuk X van het verdrag). Het Comité heeft een faciliterende rol waar het betreft het uitwisselen van informatie, het identificeren van «best practices» en het volgen van relevante juridische, beleidsmatige en technologische ontwikkelingen. Op grond van artikel 39 van het verdrag komt het Comité voor de eerste keer bijeen binnen een jaar na de tiende ratificatie van het verdrag. Aangezien Nederland behoort tot de eerst tien lidstaten die het verdrag hebben geratificeerd, is Nederland voor deze eerste bijeenkomst van de statenpartijen in september uitgenodigd. Deze oprichtingsbijeenkomst zal hoofdzakelijk een procedureel karakter dragen. Ook overigens behoort het bespreken van casusposities naar mijn mening niet tot de taken van het Comité. Ten slotte merk ik nog op dat, zoals hierboven uiteengezet, Nederland naar mijn overtuiging voldoet aan de verplichtingen van het Verdrag.
Is bij het vooronderzoek dat het OM gedaan heeft, en in het advies van de landsadvocaat, ook rechtstreeks getoetst aan het verdrag van Lanzarote en andere internationale verdragen? Zo nee, bent u bereid dat alsnog te doen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid het OM opdracht te geven om de vereniging Martijn strafrechtelijk te vervolgen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment is geen sprake van een verdenking van een concreet strafbaar feit die een strafrechtelijke vervolging kan rechtvaardigen. Ten aanzien van de verbodenverklaring en ontbinding van de rechtspersoon geldt dat verder wordt onderzocht of er binnen het huidige wettelijke kader toch ruimte bestaat om op te treden alsmede of er feiten en omstandigheden aanwezig zijn die een dergelijk optreden mogelijk maken.
Ik verwijs hieromtrent verder naar mijn brief aan Uw Kamer van heden.
Bent u bereid om het OM opdracht te geven tot civiele vordering tot ontbinding en verboden verklaring van de vereniging Martijn op basis van artikel 2:20 BW? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt de antwoorden op de gestelde vragen zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 1 september naar de Kamer zenden in verband met het geagendeerde debat inzake de niet-vervolging van de vereniging Martijn en de bijeenkomst van de verdragspartijen?
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Het bericht de negatieve gevolgen van het verhogen van de leges voor de economie |
|
Boris van der Ham (D66), Gerard Schouw (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat studenten van buiten de Europese Unie die in Nederland willen studeren al met ingang van 1 juli 2011 33% meer aan leges moeten betalen voor verblijf in Nederland?1
Nee, het is niet juist dat de stijging in alle gevallen 33% bedraagt.
Het is juist dat leges met ingang van 1 juli 2011 omhoog zijn gegaan. De leges bedragen vóór respectievelijk na 1 juli 2011:
voor een mvv-aanvraag € 433 resp. € 600
voor een aanvraag verblijfsvergunning met mvv € 188 resp. € 300
voor een aanvraag verblijfsvergunning zonder mvv € 433 resp. € 600
voor de verkorte mvv-procedure € 250 resp. € 300.
Volledigheidshalve verwijs ik hier tevens naar het antwoord op vragen 7 en 8.
Welk doel wilt u met de verhoging van de leges voor studenten bereiken en op welke wijze is daarbij rekening gehouden met de toegankelijkheid van Nederland voor studenten uit landen van buiten de Europese Unie?
De legesverhoging van 1 juli jl. is bedoeld om de kostendekkendheid van de leges te vergroten. De toegankelijkheid van het Nederlandse hoger onderwijs is onderdeel geweest van de overwegingen bij de legesverhoging. Het kabinet is van mening dat de toegankelijkheid van Nederland voor studenten van buiten de EU niet in gevaar komt door de legesverhoging. Voor deze studenten, die hun studie en verblijf geheel zelf financieren, blijven de kosten van de leges immers een klein deel van de totale kosten.
Kunt u concreet aangeven wat deze verhoging, mede bezien vanuit het huidige economische klimaat, betekent voor het aantal studenten dat van buiten de Europese Unie naar Nederland komt?
Nee. Een oorzakelijk verband tussen migratiegegevens en de hoogte van de leges is vrijwel onmogelijk vast te stellen, omdat op migratiegegevens meerdere factoren van invloed zijn. De verwachting is, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, dat de legesverhoging niet van invloed zal zijn op het aantal studenten dat van buiten de EU naar Nederland komt.
In uw brief d.d. 27 juni jl.2 verwijst u naar een van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ)-advies uit 2008 over de belemmerende werking van de toenmalige tarieven op de komst van kennis- en arbeidsmigranten naar Nederland, maar op grond van welke concrete aanname of constatering bent u van mening dat dit advies voor 2011 nog steeds houdbaar is en in het bijzonder voor studenten nu geen belemmerende werking zal hebben?
Uit het ACVZ-advies komt naar voren dat studenten vooral de leges die gelden voor een wijziging van het verblijfsdoel, € 433 (nu € 600), als zeer hoog ervaren, zeker in vergelijking met de leges voor een aanvraag om een verlenging van de verblijfsvergunning, die € 52 (nu € 150) bedragen. Onder het modern migratiebeleid wordt de verblijfsvergunning voor studie verleend voor de duur van de studie (met een maximum van vijf jaar) en mag de student ook binnen de looptijd van de vergunning van studierichting of -instelling veranderen. Na inwerkingtreding van het modern migratiebeleid zal daardoor het aantal wijzigingen en verlengingen fors afnemen, waarmee aan het vorengenoemde bezwaar tegemoet wordt gekomen.
Daarnaast zouden studenten volgens het ACVZ-advies het onredelijk vinden dat voor een korte periode van verblijf hetzelfde bedrag aan leges dient te worden betaald als voor een lange periode van verblijf. De in het kader van de verlening van een verblijfsvergunning te toetsen voorwaarden zijn echter in beide gevallen hetzelfde. Gelet hierop wordt geen onderscheid gemaakt in het legestarief.
De VSNU, de HBO-Raad, het ISO en de LSVb hebben in een gezamenlijke brief aangegeven dat zij van mening zijn dat de legesverhoging de toegang tot het Nederlands hoger onderwijs onaantrekkelijker maakt. Ik verwacht echter dat de kansen die het Nederlandse stelsel van hoger onderwijs biedt en de kwaliteit van dat onderwijs een doorslaggevende rol spelen bij het maken van de keuze om in Nederland te studeren. Daarnaast vindt overleg plaats met de universiteiten en HBO-instellingen.
Wanneer het gaat om arbeids- en kennismigranten, heb ik van werkgevers, noch van migranten signalen ontvangen dat de legesverhoging voor deze categorieën migranten belemmerend zal werken. De constatering in het ACVZ-advies dat de leges als een gegeven worden beschouwd, lijkt dan ook nog steeds houdbaar.
Hoeveel moet het verhogen van de leges voor studenten volgens u opleveren?
Met de huidige aantallen studenten levert de verhoging van de leges studie ruim € 1 miljoen op.
Op welke wijze zijn buitenlandse studenten over de gewijzigde tarieven geïnformeerd?
De buitenlandse studenten zijn geïnformeerd via de websites van de IND en de Nuffic en via de onderwijsinstellingen zelf, die de directe contacten onderhouden met de individuele studenten. De onderwijsinstellingen, die de aanvragen namens de studenten indienen en via automatische incasso de leges voor hen betalen, en andere betrokken partijen zijn geïnformeerd via een gezamenlijk nieuwsbericht van de IND en de Nuffic.
Wat vindt u van de constatering van de HBO-Raad en de VSNU dat de termijn tussen aankondiging en invoering van de legesverhoging te kort is geweest om studenten goed te kunnen informeren over de veranderingen?
Ja. Ik realiseer me dat de betrokkenen pas zeer kort van tevoren zijn geïnformeerd over de legesverhoging. Om tegemoet te komen aan mogelijke problemen van onderwijsinstellingen zal de IND coulant omgaan met aanvragen waarbij de student reeds vóór 1 juli jl. de leges had betaald aan de onderwijsinstelling, dan wel reeds een afspraak heeft gemaakt bij de IND om een aanvraag in te dienen. In deze gevallen geldt dat ook als de aanvraag wordt ingediend op of na 1 juli 2011, met het oude legesbedrag genoegen wordt genomen.
Bent u voornemens om eventuele problemen voor studenten die door de snelle invoering zijn ontstaan, te ondervangen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid de Kamer een half jaar en een jaar na invoering, resp. in januari 2012 en op 1 juli 2012, te informeren over de effecten van de legesverhoging op migratie, waaronder op buitenlandse studenten? Zo nee, waarom niet?
Vanzelfsprekend ben ik bereid om de Kamer te informeren. Via de Rapportage Vreemdelingenketen die uw Kamer halfjaarlijks wordt toegezonden, wordt uw Kamer op de hoogte gebracht van onder andere ingewilligde aanvragen om verblijf voor studie. Zoals bij het antwoord op vraag 3 is aangegeven, is het nader inzichtelijk maken van een oorzakelijk verband tussen migratiegegevens en de hoogte van de leges echter vrijwel onmogelijk, omdat op migratiegegevens ook andere factoren van invloed zijn. Het staat derhalve niet vast dat de genoemde effecten zich laten vaststellen. Wel ben ik echter bereid de instroomcijfers naast het bijbehorende legesbedrag voor studenten te leggen om te bezien of een verband waarneembaar is.
De technische briefing over de pgb-plannen op 30 juni 2011 |
|
Linda Voortman (GL) |
|
|
|
|
|
|
|
Bent u bekend met de kritiek van Per Saldo op de aanname dat bij ongewijzigd beleid in 2015 het aantal budgethouders zonder verblijfsindicatie stijgt naar 215 000? Hoe beoordeelt u deze kritiek?
Kunt u duidelijk aangeven hoe de berekening tot stand is gekomen dat bij ongewijzigd beleid het aantal budgethouders zonder verblijfsindicatie stijgt naar 215 000 personen?
Kunt u uitleggen wat het verschil in berekening is tussen uw berekening en de berekening van Per Saldo? Waar komt het verschil vandaan?
De status van het besluit over het ontwikkelen van een alternatief voor de ontpoldering van de Hedwigepolder |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
|
|
|
Herinnert u zich het kabinetsbesluit van 9 oktober 2009 om «na rijp beraad» over te gaan tot ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder?
Ja.
Hoe moet, in juridische zin, uw brief van 17 juni 2011 over het door u beschreven alternatief voor de natuurcompensatie gelezen worden? Is het besluit van 9 oktober 2009 met deze brief komen te vervallen?
Als feitelijke mededeling van de in het kabinet afgesproken aanpak voor natuurherstel in de Westerschelde als een alternatief voor de ontpoldering van de Hedwigepolder. Daarmee is het kabinetsbesluit van 9 oktober 2009 vervallen.
Op welk «besluit» doelde u toen u op 30 juni jongstleden in de Tweede Kamer zei «We gaan het besluit om elders in Zeeland natuur te creëren met kracht van veel argumenten voor leggen bij de Vlaamse regering»?
Het besluit van het kabinet van 17 juni 2011 over de aanpak van natuurherstel in de Westerschelde.
Is er sprake van een kabinetsbesluit in de zin van een voorgenomen besluit ingevolge Afdeling 3.4 Uniforme openbare voorbereidingsprocedure? Zo ja, hoe luidt dat besluit dan exact? Zo nee, waarom niet?
Het kabinetsbesluit van 17 juni jl. als zodanig is geen op rechtsgevolg gerichte handeling en daarom geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De door het kabinet afgesproken aanpak voor natuurherstel in de Westerschelde vindt zijn uitwerking in diverse bestuursrechtelijke besluiten en procedures.
Bent u voornemens uw (voorgenomen) besluit spoedig te publiceren in de Staatscourant en de regionale media? Zo nee, waarom niet?
Nee, omdat het juridisch niet is vereist (zie antwoord op vraag 4). Bovendien is de kenbaarheid van het kabinetsbesluit geborgd door de publicatie van mijn brief van 17 juni jl. – waarin ik mededeling doe van het kabinetsbesluit en het besluit van een toelichting heb voorzien – als Kamerstuk.
Het houden van powerboatraces in de Waddenzee |
|
Esther Ouwehand (PvdD), Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Klopt het dat er een vergunningaanvraag op uw bureau ligt voor het houden van de Grand Prix of the Sea op de Waddenzee, een driedaagse «powerboatrace»? Zo ja, wanneer beslist u over deze aanvraag? Zo nee, hoe zit het dan?1
Nee. Ik heb een handhavingsverzoek in het kader van de Flora- en faunawet ontvangen van de Waddenvereniging. Dit handhavingsverzoek is echter niet meer aan de orde, omdat de organisatie het evenement heeft afgeblazen. Omdat de organisatie het evenement volgend jaar wel doorgang wil laten vinden, heb ik de organisatie erop gewezen dat het evenement mogelijk strijdig is met de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet en dat, als dat zo is, het evenement geen doorgang kan vinden zonder dat daarvoor dezerzijds ontheffing is verleend. Ik heb de organisatie geadviseerd een ontheffingsprocedure te starten.
Wat vindt u van het idee om supersnelle boten met zware motoren tot wel 225 km per uur te laten scheuren in een «aquarena» in een beschermd natuurgebied? Deelt u de mening dat een dergelijke Grand Prix ongewenst is gezien de grootschalige verstoring die het veroorzaakt voor het leven in en rond (een beschermd deel van) de zee? Zo nee, vindt u dan dat een autorace op de Veluwe ook moet kunnen?
In zijn algemeenheid is het zo dat activiteiten met een mogelijke verstorende of verslechterende invloed op instandhoudingsdoelstellingen in een Natura 2000-gebied zoals de Waddenzee worden onderworpen aan het beschermingsregime van de Natuurbeschermingswet. Zo’n activiteit kan alleen toegestaan worden, indien de zekerheid is verkregen dat er geen significante gevolgen zullen optreden voor de instandhoudingsdoelstellingen. De best beschikbare wetenschappelijke kennis, bijvoorbeeld over de effecten van onderwatergeluiden op bruinvissen, moet bij deze effectbeoordeling gebruikt worden. Alle activiteiten moeten op dezelfde wijze worden getoetst en de cumulatieve effecten van al deze activiteiten moeten worden meegewogen, op de korte termijn door alle andere bekende activiteiten mee te wegen, voor de langere termijn op basis van monitoringsgegevens en trendanalyses van de staat van instandhouding van de beschermde natuurwaarden. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen staat voorop, activiteiten die daaraan niet in de weg staan zijn in dat kader niet onwenselijk.
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland is in deze het bevoegd gezag. Ik ga ervan uit dat Gedeputeerde Staten van Noord-Holland weloverwogen, in het licht van hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, tot een besluit is gekomen. Tegen het betreffende besluit is bovendien bezwaar en beroep mogelijk.
De Waddenvereniging heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De door de Waddenvereniging gevraagde voorlopige voorziening is niet toegewezen. In de bodemprocedure moet nog uitspraak worden gedaan.
Of aanvankelijk de vergunningaanvraag is geweigerd en vervolgens wel is verleend, is mij niet bekend. Voor het verkrijgen van het betreffende besluit en de onderliggende stukken op basis waarvan het besluit is genomen, kunt u zich wenden tot de provincie Noord-Holland.
Bent u bereid om, gelet op de overlast en de verstoring die een powerboatrace zal veroorzaken, het voorzorgbeginsel toe te passen en de benodigde vergunning te weigeren? Zo nee, hoe zal uw toestemming voor een verstorend spektakel met raceboten in de Waddenzee zich verhouden tot beperkende maatregelen in de visserijsector die vanuit de opgave de mariene natuur te beschermen reeds zijn opgelegd en nog zullen volgen? Deelt u de mening dat een ruimhartige benadering van de vergunningaanvraag voor de powerboatraces het draagvlak voor natuurbeschermende maatregelen in de visserijsector op het spel kan zetten? Zo ja, deelt u de mening dat dit een onverstandige zet zou zijn? Zo nee, waarom denkt u van niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de provincie Noord-Holland eerst geen vergunning verleende op basis van de second opinion van Altenburg & Wymenga, maar dat na aanvullende informatie van de organisatie de vergunning wel werd verleend? Zo ja, bent u bereid deze aanvullende informatie op te vragen en naar de Kamer te zenden tezamen met de second opinion en het oorspronkelijke IMARES rapport? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat, gezien voorschrijdend wetenschappelijk inzicht uitwijst dat onderwatergeluid in de Noordzee schade toebrengt aan vissen en zeezoogdieren en migraties verstoort, een verdere toename van dit geluid onwenselijk is en in strijd is met de wettelijke verplichtingen ter bescherming van deze soorten? Zo nee, waarom niet?2
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het toestaan van powerboatraces in een beschermd natuurgebied gezien de verstorende en verontrustende werking op vogels, vissen en zeezoogdieren niet in lijn is met de zorgplicht die voortvloeit uit de Flora- en faunawet? Zo nee, waar baseert u dat op?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat, gezien bruinvissen erg gevoelig zijn voor onderwatergeluid en schepen mijden, het houden van races in hun leefgebied mede gezien de staat van instandhouding niet wenselijk is en dus niet toegestaan kan worden? Zo nee, waar baseert u dat op?3
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten op welke wijze cumulatie, zowel op de korte als lange termijn gezien de vergunning voor vijf jaar is, is meegenomen in de vergunningprocedure? Wordt hierbij ook rekening gehouden met activiteiten op andere dagen zoals de vlootdagen, gezien dit de dieren in het gebied ook verstoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Onderschrijft u dat wanneer sprake is van een verstoord gebied dit geen vrijbrief is voor het houden van nog meer verstorende activiteiten, gezien de mogelijkheid tot cumulatie en dus optreden van significante effecten toeneemt? Zo ja, bent u bereid in Noord-Holland aandacht te vragen voor cumulatie gezien nu de indruk wordt gewekt dat verdere verstoring in een verstoord gebied geen probleem is?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid, gezien de bescherming van de Waddenzee een taak van het Rijk is, er bij de provincie op aan te dringen het besluit tot verlenen van een Natuurbeschermingswetvergunning te herzien?4
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om alles in het werk te stellen om te voorkomen dat deze races in de Waddenzee gehouden worden?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat powerboatraces hoe dan ook overlast veroorzaken voor mens, dier, natuur en milieu en om die reden niet aangemoedigd zouden moeten worden? Zo ja, bent u bereid te verklaren dat er voor dergelijke evenementen geen plaats is in de Nederlandse wateren? Zo nee, hoe verklaart u dan de uitspraak van de organisator zelf, die zegt zich «suf te hebben gezocht» naar een locatie die geen overlast veroorzaakte?
Zie antwoord vraag 2.
De informatie over grote ICT projecten bij het Rijk |
|
Pierre Heijnen (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rijk lijkt open over ICT projecten, maar schijn bedriegt»?1
Ja.
Deelt u de mening die in het artikel naar voren komt dat de website rijksictdashboard tekort schiet wat betreft het geven van informatie over de voortgang van grote ICT projecten bij de overheid omdat «de informatie op de site niet up to date is en daardoor ook niet transparant»?
Nee. De informatie gepresenteerd op het Rijks ICT-dashboard is één op één uit de jaarrapportage bedrijfsvoering over de grote en hoogrisico ICT-projecten (TK 32 501 nr. 14). De afspraak met uw Kamer is dat de rapportage jaarlijks aan de Tweede Kamer wordt aangeboden. Via het ICT-dashboard is het voor ministeries ook mogelijk om tussentijdse wijzigingen te communiceren. Jaarlijks wordt dan het totaaloverzicht via de jaarrapportage bedrijfsvoering aan de Tweede Kamer aangeboden. Als er tussentijds een brief aan de Tweede Kamer wordt gestuurd over een dergelijk project, dan worden de rapportagegegevens ook tussentijds geactualiseerd op het ICT-dashboard.
Hoe plaatst u de stelling dat het kabinet «het vertrouwen ontbreekt om echt transparant te zijn»? In hoeverre is het waar dat het webpaneel bij bezoekers ten onrechte de indruk kan wekken dat het Rijk meer greep heeft op de voortgang van alle grote ICT projecten dan daadwerkelijk het geval is? Zou meer transparantie een negatiever beeld kunnen geven over de mate waarin het Rijk de kosten die gepaard gaan met grote ICT projecten onder controle heeft?
In de huidige versie van het ICT-dashboard worden de meerjarige kosten en doorlooptijd van de projecten getoond en de wijzigingen daarop. De kosten en doorlooptijd worden volgens een vast stramien, gelijk voor alle projecten gescoord. Daarbij wordt de meest actuele schatting vergeleken met de laatste door de opdrachtgever vastgestelde herijking. Indien er (nog) geen herijkingen zijn, wordt vergeleken met de initiële schatting. Herijkingen zijn het gevolg van bijvoorbeeld nieuwe eisen, of mee- of tegenvallende resultaten. Iedere herijking dient te zijn gesanctioneerd door de opdrachtgever. Die formele besluitvorming is op het dashboard transparant gemaakt. Herijkingen vinden dus alleen plaats op basis van formele besluitvorming en worden dientengevolge dan pas geplaatst op het ICT-dashboard. Op basis van planning en resultaat wordt de kleur bepaald. Indien de procentuele afwijking binnen de 10 procent ligt, kleurt het project groen, is deze groter, dan kleurt het project geel. Indien deze de 40% overschrijdt kleurt het project rood. Dat kan onafhankelijk voor de kosten en doorlooptijd.
Deelt u de mening dat er, omdat de kleuren worden vastgesteld op basis van vergelijking met de laatst afgesproken wijziging van het project, een vertekend beeld kan ontstaan over de mate waarin de voortgang van grote ICT projecten onder controle is? Is dit regime niet wat al te soepel? Zou het niet transparanter zijn om de kleuren te baseren op wat de oorspronkelijke kosten en planning van een project waren?
Nee, alle herijkingen op een project sinds de start van het project zijn namelijk met toelichting terug te vinden in het ICT-dashboard. Ik beraad me wel op een aanpassing van het ICT-dashboard waarbij de kleur niet alleen wordt vastgesteld op basis van de afwijking ten opzichte van de laatste herijking, maar waarbij ook alle tussenliggende herijkingen in beschouwing worden genomen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat er in dezen een prima kans gemist is om informatie te delen met burgers en met anderen binnen de overheid en dat het risico is dat het webpaneel in de huidige vorm «slechts een pr-functie» vervult?
De publicatie van het ICT-dashboard is juist een vervolgstap in de rapportage aan de Tweede Kamer over de grote en hoogrisico ICT-projecten. Uiteraard is het nog mogelijk daarin verdere vervolgstappen te maken. Ik beraad me nog op zaken als het toevoegen van informatie over contractpartijen en het explicieter onder de aandacht brengen van de baten van een project.
Welke acties gaat u ondernemen om de transparantie over de voortgang van ICT projecten bij het Rijk te bevorderen? Wat gaat u doen om de belangrijkste knelpunten die zijn geconstateerd met betrekking tot de rijksictdashboard, namelijk dat het werken met kleuren als verwarrend wordt ervaren, dat er geen duidelijkheid is over wie de opdrachtgevers zijn en dat de site niet continue wordt bijgewerkt, op te lossen?
Zie de antwoorden op 4 en 5.
Het bericht ‘De gouden handdruk regeert’ |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek waaruit blijkt dat, ondanks alle bezuinigingen in de zorg, ziekenhuizen nog steeds met grote regelmaat flinke vertrekpremies aan vertrekkende bestuurders betalen? Hoe beoordeelt u dit bericht?1 Wat vindt u ervan dat in tijden van bezuiniging er forse ontslagvergoedingen worden uitbetaald aan zorgbestuurders?
Op 7 juli heb ik een eenzelfde soort set vragen ontvangen van het Kamerlid Gerbrands (PVV) over dezelfde kwestie. Eenvoudigheidshalve verwijs ik naar mijn antwoorden op die set vragen.
Wat vindt u ervan dat de vertrekpremies voor het grootste deel uitkomen boven de norm van maximaal één jaarsalaris, terwijl dit in strijd is met de beloningscode voor zorgbestuurders uit 2009? Gaat u, voordat de Wet Normering Topinkomens in werking treedt, iets doen om belachelijk hoge vertrekpremies tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de Wet Normering Topinkomens ook te laten gelden voor al bestaande arbeidscontracten? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet? Indien het juridisch niet mogelijk is maatregelen te treffen, bent u dan bereid een moreel beroep te doen op bestuurders en zorginstellingen ten aanzien van vertrekpremies?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid de transparantie rondom vertrekpremies te verbeteren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Ligplaatsen van woonboten |
|
Jan van Bochove (SGP) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van problemen rondom ligplaatsen van woonboten (lees verder ook woonarken)?1
Ja.
Kent u de antwoorden op de op 29 oktober 2007 gestelde vragen over ligplaatsen voor woonboten?2
Ja. Het onderwerp ligplaatsen van woonboten is ook na die tijd diverse malen in uw Kamer aan de orde geweest. Zo is over dit onderwerp gesproken in het Algemeen Overleg van 23 september 2009 (Kamerstuk 32 123 XVIII, nr. 11) en in een daaruit voortvloeiende brief aan uw Kamer van 8 februari 2010 (Kamerstuk 32 123 XVIII, nr. 64). En recentelijk hebben enkele Kamerleden vragen gesteld over huurverhoging voor ligplaatsen voor woonboten, welke vragen zijn beantwoord in de brief van de minister van Financiën, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Infrastructuur en Milieu, van 1 april 2011 (Kamerstuk 32 730, nr. 1).
Deelt u de opvatting, in het licht van de in het programma van 22 juni 2011 gepresenteerde problematiek, dat tenminste de antwoorden op de vragen 1, 2, 3 en 6 weinig adequaat kunnen worden genoemd?
Nee, die opvatting deel ik niet. De in het radioprogramma van 22 juni 2011 besproken problematiek betreft de koop van ligplaatsen van woonboten. In de reportage ging het om enkele eigenaren van woonarken, die zich door hun buurman bekocht voelen. Deze buurman heeft de waterkavels van de zes ligplaatsen gekocht van de eigenaar van de omliggende grond voor in totaal € 3 000, waarna hij de waterkavels van de ligplaatsen van zijn buren aan hen te koop aanbiedt voor € 40 000 per ligplaats. Voor koop van waterkavels voor ligplaatsen geldt dezelfde regelgeving en bescherming als voor koop van onroerende zaken (Titel 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek).
In het radioprogramma werd niet duidelijk of de nieuwe eigenaar van de waterkavels huur vraagt aan zijn buren die ervoor kiezen de waterkavel niet te kopen. Maar mocht dat het geval zijn, dan kan bescherming worden gevonden tegen onredelijke bedingen, onredelijke huurprijzen en onredelijke opzegging in een toetsing aan de hand van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) of een toetsing van onredelijk bezwarende bedingen in de algemene voorwaarden (art. 6:231 e.v. BW).
Deelt u de opvatting dat in het programma wordt aangetoond dat de publiekrechtelijke bescherming van woonbootbewoners (lees verder ook woonarkbewoners) voldoende geregeld lijkt, terwijl de privaatrechtelijke bescherming in tegenstelling tot het gestelde in de antwoorden 1, 2, 3 en 6 onvoldoende is geregeld?
Nee, ik deel die opvatting niet. In het radioprogramma is kort aangestipt dat er verschil is tussen wonen op ligwater van een overheid en van overheidsvergunningen, waarbij publiekrechtelijke bescherming geldt, en op ligwater van een privaatrechtelijke eigenaar, waarbij het privaatrecht geldt.
Dit onderscheid onderschrijf ik. In het geval dat een woonbootbewoner ligwater huurt van een overheid, is echter ook hier privaatrecht (huurrecht) van toepassing.
De Vereniging Nederlandse Gemeenten heeft een modelverordening voor woonschepen opgesteld. Deze modelverordening gaat over het verstrekken van vergunningen voor ligplaatsen voor woonschepen en voor woonschepen. Op het toekennen van vergunningen is het bestuursrecht van toepassing.
Voor huur van ligplaatsen voor woonboten geldt het algemeen huurrecht (artt. 7:201–231 BW) en het algemeen verbintenissenrecht (Boek 6) uit het Burgerlijk Wetboek. De huurbescherming en huurprijsbescherming die geldt voor woningen, woonwagens en woonwagenstandplaatsen, geldt niet voor (ligplaatsen voor) woonboten. Maar zoals aangegeven bij vraag 3 kunnen onredelijke bedingen en huurprijzen aan de rechter worden voorgelegd voor een redelijkheids- en billijkheidstoets of een toets van onredelijk bezwarende bedingen in de algemene voorwaarden.
Wilt u de antwoorden op de vragen 3 en 4 met argumenten onderbouwen?
Zoals aangegeven in eerdere antwoorden (zie bij vraag 2) doet (toekenning van) huurbescherming voor ligplaatsen voor woonboten onvoldoende recht aan het feit dat tijdelijke ligplaatsen mogelijk moeten zijn en dat ligplaatsen moeten kunnen worden opgeheven of verplaatst. Er moet bij de aanwijzing van ligplaatsen rekening gehouden kunnen worden met uiteenlopende en wisselende publiekrechtelijke belangen als bestemming van het landschap, beschermde stads- en dorpsgezichten, als ook met het milieu en het verkeer te water en ter land. Er is daarom behoefte aan een zekere flexibiliteit met betrekking tot het opheffen of verplaatsen van ligplaatsen. Door huurders eenzelfde huurbescherming te verlenen als huurders van woningen en standplaatsen kan deze flexibiliteit niet worden gegarandeerd. Toekenning van huurbescherming zou eigenaren van ligwater ook kunnen doen besluiten ligwater niet (meer) te verhuren.
Bewijst het programma wat woonbooteigenaren (lees verder ook woonarkeigenaren) aangeven namelijk dat het gestelde in het antwoord op vraag 2 en 3 van de op 29 oktober 2007 gestelde vragen geen recht doet/geen oplossing is voor de aan de orde zijnde problematiek bij de privaatrechtelijke bescherming?
Nee. Zoals gezegd ging het programma over de koop van ligplaatsen. Uit het programma werd niet duidelijk of er ook sprake was van huur van de (niet gekochte) ligplaats. Mocht dat het geval zijn, dan is uit het programma niet gebleken dat de woonbootbewoners een beroep hebben gedaan op de hen ter beschikking staande privaatrechtelijke bescherming.
Indien de antwoorden op de vragen 1, 2, 3 en vooral 6 van de op 29 oktober 2007 gestelde vragen vooral wijzen op de wens om problemen met woonboten in water dat behoort aan overheden te voorkomen dan wel te beheersen, de publiekrechtelijke bescherming echter goed is geregeld, maar de privaatrechtelijke bescherming, zo blijkt uit het bovengenoemde radioprogramma, niet, wat staat een bescherming van deze relatief erg kleine groep woonbootbewoners via een aanvulling van de groep beschermden (woningen en standplaatsen) bij huurbescherming in de weg?
Bent u alsnog bereid om naast woningen en standplaatsen ook ligplaatsen, die niet vallen onder de publiekrechtelijke bescherming, onder de huurbescherming te brengen? Op welke termijn kunt u ter zake met voorstellen komen?