De voorgenomen verkoop van rijksmonumenten |
|
Jetta Klijnsma (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het schrijven van de voorzitter van de Vereniging van Architecten Werkzaam in de Restauratie (VAWR), betreffende het voornemen om rijksmonumenten af te stoten?1
Ja.
Kunt u het hierin beschreven voornemen om bepaalde rijksmonumenten «te vervreemden richting de gebruikende instellingen» bevestigen dan wel ontkennen?
U bent geïnformeerd in mijn brief «Meer dan Kwaliteit: nieuwe visie op cultuurbeleid» (TK 32 820, nr.1 (2010–2011)) dat het kabinet zal onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is het eigendom van de gebouwen waarin de rijksgesubsidieerde musea zijn gehuisvest, aan hen over te dragen. Achttien van deze musea zijn in een rijksmonument gevestigd. Over het beleid ten aanzien van monumenten in rijksbezit in bredere zin, inclusief de mogelijkheden tot vervreemding ontvangt u binnenkort een brief.
Indien dit voornemen bestaat, om welke panden gaat het dan? Bent u bereid de Kamer schriftelijk te informeren over alle monumenten die het betreft, hun huidige gebruikers en het verwachte financiële gewin?
Het onderzoek genoemd bij vraag 2 betreft vooralsnog alle huisvesting van de rijksgesubsidieerde musea (monumentaal en niet-monumentaal).
Zijn alle huidige gebruikers van de beoogde panden op de hoogte van het voornemen om de monumenten te verkopen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zullen de plannen ertoe leiden dat instellingen die de (onderhouds-)lasten van een monument niet kunnen dragen moeten uitwijken naar een minder geschikte locatie voor hun activiteiten?
De musea zijn op de hoogte van het onderzoek naar mogelijke overdracht van de huisvesting. De overdracht kan er toe leiden dat het ondernemerschap van musea kan toenemen, indien instellingen invloed kunnen uitoefenen op hun huisvesting en huisvestingskosten.
Deelt u de mening dat deze rijksmonumenten in publiek bezit zijn omdat ze van ons allemaal zijn, omdat we trots moeten zijn op ons erfgoed? Zo nee, waarom niet?
In essentie is het rijk trots op al het cultureel erfgoed en daarom heeft Nederland de Monumentenwet 2011 die rijksmonumenten beschermt. Slechts ongeveer 3% van alle rijksmonumenten is in rijksbezit. Voor veel van de monumenten geldt dat een andere overheid of private eigenaar net zo goed als het rijk voor behoud en beheer kan zorgen.
De gevolgen van de eigen bijdrage in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) voor mensen met dementie |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de brandbrief van de directeur van Geriant? Deelt u de mening dat een eigen bijdrage voor dementerende ouderen contraproductief zal werken? Zo nee, waarom niet?1
Ik heb kennis genomen van deze brief. Ik ben niet van mening dat de eigen bijdrage per definitie contraproductief zal werken. De huidige financiële tijden vragen om matiging en een verantwoorde ontwikkeling van de overheidsuitgaven. Iedereen moet hieraan bijdragen. Het principe achter de eigen bijdrage is dat een patiënt maximaal de eigen bijdrage zelf bijdraagt aan zorg en de rekening daarboven collectief wordt vergoed. Mensen die echt zorg nodig hebben zijn best bereid daar iets zelf voor te betalen. In de eerstelijns psychologische zorg en in de AWBZ geldt al langer een eigen bijdrage. Ik heb geen signalen ontvangen dat mensen daardoor deze vormen van zorg mijden. Daarbij is op 30 juni jongstleden de motie Van der Staaij/ Bruins Slot aangenomen (TK 2010/11, 25 424, nr. 123). In de motie wordt de regering verzocht om in 2012, bij het introduceren van een eigen bijdrage in de tweedelijns GGZ, het risico op zorgmijding in te perken door de meest kwetsbare doelgroepen te ontzien. Hetzij via een verlaging van de eigen bijdrage, hetzij via een gerichte uitzondering van de meest kwetsbare doelgroepen. Over de uitvoering van de motie heb ik meerdere malen overleg gevoerd met GGZ-Nederland (GGZ-N), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) en het Landelijk Platform GGZ (LPGGZ). Daarbij is gezamenlijk geconcludeerd dat vanwege de tijdsdruk en de korte termijn waarmee de maatregelen moeten worden geïmplementeerd en uitgevoerd, de mogelijkheden om te komen tot aanpassingen voor het jaar 2012 beperkt zijn. Alles overwegend ben ik toen gekomen tot een pakket maatregelen, ter invulling van de motie, waarmee de eigen bijdrage verder wordt verlaagd van € 275 (brief 27 juni 2011, kenmerk CZ/CGGZ-3070559) naar € 200. Daarbij betaalt de verzekerde niet meer dan € 200 per kalenderjaar. De eigen bijdragen zijn daarmee fors verlaagd ten opzichte van de eigen bijdragen zoals opgenomen in het Regeerakkoord. In het Regeerakkoord is uitgegaan van een eigen bijdrage van € 175 voor DBCs met een behandeltijd tot 1 800 minuten en € 425 voor DBCs vanaf 1 800 minuten. Hierbij bestond geen limiet op het aantal te innen eigen bijdragen voor patiënten met meerdere DBCs per jaar. Met de sector is tevens de mogelijkheid verkend om – ook op verzoek van de Kamer – de kwetsbare doelgroepen te ontzien via een gerichte uitzondering. Daarbij is zowel een uitzondering op basis van aandoeningsgerichte doelgroepen als wel op basis van inkomen onderzocht. Na overleg met het veld is geconcludeerd dat het uitsluiten van patiënten met bepaalde psychische aandoeningen moeilijk objectiveerbaar te maken is. Een helder criterium welke aandoeningen juist wel of juist niet in aanmerking zouden moeten komen voor uitsluiting is niet of nauwelijks te maken.
Het ontzien van mensen onder een bepaalde inkomensgrens is een andere mogelijkheid die is verkend. Maar gebleken is dat deze route ook niet vrij is van bezwaren, zoals inzage in inkomensgegevens bij andere partijen en de vergroting van de armoedeval. Indien een verzekerde een inkomen heeft net boven het minimumniveau, moet hij immers voor de tweedelijns GGZ wel deze eigen bijdrage voldoen. Het beleid van achtereenvolgende kabinetten is juist gericht op het verkleinen van de armoedeval.2 Daarnaast zou het inrichten van een dergelijk systeem (zowel voor zorgverzekeraars, zorgaanbieders als andere uitvoeringsorganisaties, die daarmee zouden worden belast) op zodanige uitvoeringstechnische problemen stuiten dat is geconstateerd dat deze weg voor het jaar 2012 onbegaanbaar lijkt.
Ik heb in mijn brief aan u (CZ/ CGGZ- 3072974) wel aangegeven dat ik bereid ben om in het kader van de ontwikkeling van de brede beleidagenda de mogelijkheden voor alternatieve maatregelen voor 2013 verder te onderzoeken. Daarmee kom ik tegemoet aan het laatste onderdeel van de motie, waarin wordt verzocht in een bestuurlijk overleg met partijen tot een gezamenlijke agenda te komen voor de toekomst. De gesprekken met het veld zijn daarover op dit moment gaande.
Gelooft u nog altijd dat eigen bijdragen in de zorg het «kostenbewustzijn» vergroten en daarmee het zorggebruik remmen? Zo ja, vindt u dit geen bezopen aanname ten aanzien van dementerende ouderen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Uit onderzoek blijkt dat GGZ aanmerkelijk prijsgevoeliger is dan extramurale somatische zorg.3 Deze conclusie wordt onderschreven door het CPB in een notitie over gedragseffecten van eigen betalingen in de Zvw (25 april, 2008). Ook het Trimbos Instituut concludeerde onlangs nog, op basis van uitgebreid literatuuronderzoek, dat de prijsgevoeligheid van GGZ hoger ligt dan bij andere vormen van curatieve zorg. Dit betekent dat er in de GGZ een gedragseffect optreedt bij de invoering van een eigen bijdrage. Het gedragseffect wordt ook groter naarmate de eigen bijdrage hoger wordt. Ik heb gekozen voor een eigen bijdrage van maximaal € 200 per patiënt per kalenderjaar. Ik maak daarbij geen onderscheid in diagnose. De eigen bijdrage geldt dan ook zowel voor de patiënt die aan dementie lijdt als bijvoorbeeld de patiënt die lijdt aan schizofrenie of persoonlijkheidsstoornissen. Als er sprake is van een patiënt met dementie is juist ook de mantelzorger geholpen met de begeleiding en heeft deze invloed op het al dan niet gebruik maken van de zorg.
Bent u van mening dat dementerende ouderen en hun verwanten of geliefden calculerende zorgconsumenten zijn? Zo nee, waarom gelooft u dan in liberale gedragsbeïnvloeding met negatieve financiële prikkels, zoals een eigen bijdrage?
Zoals ik in vraag 1 heb beantwoord, noodzaakt de huidige financiële situatie tot maatregelen. De uitgaven in de GGZ zijn de afgelopen jaren fors gegroeid, zelfs meer dan verdubbeld in de periode 2000–2009. Het aantal cliënten in de tweedelijns GGZ is de afgelopen jaren met ongeveer 10% gestegen, terwijl het totale aantal mensen dat een psychische stoornis heeft niet stijgt. Ik vind het redelijk dat mensen die gebruik maken van de GGZ daaraan bijdragen. Een eigen bijdrage van maximaal € 200 per jaar vind ik in dat opzicht verantwoord en acceptabel.
Bent u ervan op de hoogte dat veel ouderen in Nederland zich weggezet voelen als kostenpost voor de samenleving? Welke aanpassing van uw beleid bent u bereid door te voeren teneinde deze droeve ontwikkeling te keren?
Het betreurt ons als deze indruk bij ouderen bestaat. Dit kabinet investeert juist in de zorg voor ouderen. Het is een belangrijk onderdeel van het gedoogakkoord. Er wordt ookgeïnvesteerd in de ontwikkeling van casemanagement voor dementie. Onder andere door middel van het programma ketenzorg dementiezijn er al veel projecten die belangrijke waarde hebben en er is inmiddels enkele jaren ervaring opgedaan in de regio’s met ketenzorg dementie. Er wordt ook gewerkt aan een zorgstandaard ketenzorg dementie en er loopt een onderzoek naar de effectiviteit van casemanagament bij dementie. Er is dus juist op dit gebied erg veel geïnvesteerd en gestimuleerd. En dat willen we ook voortzetten. Via een opslag op de AWBZ-tarieven en de Nza-beleidsregel dementie worden zorgaanbieders gestimuleerd samenwerkingsafspraken in de regio te maken ter verbetering van de dementiezorg, inclusief de inzet van casemanagers. In vrijwel heel Nederland kopen de zorgkantoren nu ketenzorg dementie in. Voor de beleidsregel is € 10 miljoen per jaar gereserveerd. Deze beleidsregel wordt met een jaar verlengd tot 1 januari 2013..
Vindt u dat dementerende ouderen teveel zorg «consumeren»? Zo ja, op grond van welke ervaringen velt u dit oordeel? Zo nee, waarom bestraft u het zorggebruik van deze mensen met een eigen bijdrage?
De maatregel eigen bijdrage neem ik niet omdat dementerende ouderen teveel zorg zouden consumeren. De maatregel neem ik omdat de uitgaven in de GGZ te hard zijn gestegen. Ik ben van mening dat GGZ-patiënten daaraan moeten bijdragen door middel van een eigen bijdrage. Ik verwijs hierbij verder naar de antwoorden op de vorige vragen.
Deelt u de mening van de directeur van Geriant dat de eigen bijdrage in de GGZ zal leiden tot een toename van het aantal ouderen dat naar het verpleeghuis moet? Is dit wat u beoogt met uw beleid? Wilt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik verwacht niet dat mensen die niet noodzakelijk hoeven worden opgenomen in een verpleeghuis, door deze maatregel wel moeten worden opgenomen, aangezien zij nog steeds van de zorg gebruik kunnen maken. De eigen bijdrage die van patiënten wordt verlangd is maximaal € 200 per jaar. Er zijn ook eigen bijdragen van de AWBZ-zorg, dus dat kan geen argument zijn.
Deelt u de mening dat een groter beroep op mantelzorg in plaats van formele zorg geen optie is, gelet op de onderzoeken van onder meer Mezzo waaruit blijkt dat mantelzorgers reeds zwaar overbelast zijn en omdat mensen van dit kabinet langer en harder moeten werken? Zo nee, waarom niet?
Onderdeel van het programma ketenzorg dementie, waar ik in vraag 4 aan refereerde, is dat ook de mantelzorgers ondersteuning moeten krijgen bij hun inzet voor mensen/ familieleden met dementie. Daarbij moet een goede balans zijn tussen de zorg/ hulp die zij leveren voor deze patiënten en hun eigen rust, naast de vaak zeer zware zorg. Ik hecht er daarom aan dat de projecten met de casemanagers worden voortgezet in de toekomst, omdat juist die projecten de juiste ondersteuning bieden voor mantelzorgers. En het blijkt ook dat dit het welbevinden van zowel de mantelzorger als de patiënt met dementie ten goede komt. Ik zie deze casemanagement aanpak in de toekomst als een grote verbetering. Over de stappen die ik daartoe wil zetten, verwacht de staatssecretaris u dit najaar nader te kunnen informeren.
Deelt u de mening dat GGZ-patiënten vaak dezelfde beperkingen hebben als dementerende ouderen, zoals verwardheid, desoriëntatie, denk- en stemmingsstoornissen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, erkent u dat de bezwaren tegen de eigen bijdragen voor dementerende ouderen ook grotendeels opgaan voor de GGZ in het algemeen? Wilt u uw antwoord toelichten?
In de beantwoording van de vorige vragen heb ik aangegeven wat mijn afwegingen zijn geweest voor invoering van de eigen bijdrage in de GGZ.
Bent u, nu de brandbrief van Geriant pijnlijk de zotheid van eigen bijdragen in de GGZ in het algemeen heeft blootgelegd en gelet op uw opvatting dat op basis van aandoening geen onderscheid in de toepassing van eigen bijdragen in de GGZ gemaakt kan worden, bereid dit immorele en discriminerende voorstel in te trekken? Zo nee, durft u zich nog liberaal respectievelijk christelijk te noemen? Wilt u uw antwoord toelichten?2
Nogmaals wil ik benadrukken dat de zeer grote groei van de uitgaven in de ggz-sector dwingt tot het treffen van maatregelen binnen die sector. De keuze voor een eigen bijdrage in de GGZ is geen kwestie van willekeur, maar een inhoudelijke keuze op grond van een zorgvuldige analyse en afweging op grond van de situatie in deze sector.
Veiligheid van liften |
|
Paulus Jansen (SP) |
|
Paul de Krom (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de kwaliteit van liften onder druk staat?1 Is het toegestaan dat onderhoudsbedrijven mogen bepalen wie de liftkeuring uitvoert?
Ik heb kennis genomen van het artikel. Een onderhoudsbedrijf kan met haar klanten overeenkomen dat zij ervoor zorgt dat zij het onderhoud uitvoert en zorgt dat een onafhankelijke keuring wordt uitgevoerd door onafhankelijk opererende certificerings- en keuringsinstellingen die door SZW zijn aangewezen.
Zo ja, vindt u het acceptabel dat de slager bepaalt wie zijn vlees keurt?
SZW wijst certificerings- en keuringsinstellingen aan voor het keuren van liften als zij de keuring op onafhankelijke wijze uitvoeren. Indien een certificerings- of keuringsinstelling keuringen uitvoert onder één of meer grote contracten zal zij moeten aantonen dat zij voldoende maatregelen heeft getroffen die een onafhankelijk deskundig oordeel over een te keuren lift waarborgen.
De Arbeidsinspectie en, voor zover de instellingen zijn geaccrediteerd, de Raad voor Accreditatie houden hier toezicht op.
Nu in het jaarverslag 2010 van de Arbeidsinspectie2 staat dat uit onderzoek blijkt dat de onafhankelijkheid van de aangewezen instellingen is aangetast, wat gaat u daar tegen doen?
De in het jaarverslag van de Arbeidsinspectie opgenomen passage is gebaseerd op een voorlopig oordeel. Na verwerking van de reacties zal de Arbeidsinspectie een definitief oordeel geven. Naar verwachting zal dit in het laatste kwartaal van 2011 zijn. Op basis van dit oordeel, wordt bepaald of er corrigerende maatregelen nodig zijn.
Waarom schakelt u niet over op een systeem analoog aan de Algemene periodieke keuring (APK) voor motorvoertuigen, waarbij steekproefsgewijs de keuring gecontroleerd wordt door een onafhankelijke keurmeester?
Er is geen reden om voor een ander systeem te kiezen. Een systeem analoog aan de Algemene periodieke keuring voor motorvoertuigen zou betekenen dat liften gekeurd worden door de onderhoudsfirma’s, waarop steekproefsgewijs zou worden gecontroleerd. In het huidige SZW stelsel mogen alleen onafhankelijke certificerende instellingen keuringen uitvoeren. De Arbeidsinspectie en (voor zover de instellingen zijn geaccrediteerd) de Raad voor Accreditatie houden toezicht op de onafhankelijkheid van deze instellingen.
Onderverwijzing naar de beantwoording van eerdere vragen3, waarin de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt dat er vooralsnog geen aanleiding is om het gebruik van liften veiliger te maken en naar het onderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Lift- en Roltraptechniek (VLR) waaruit blijkt dat per jaar 500 mensen letsel oplopen bij liftgebruik,4 is dit voor u wel voldoende aanleiding om het gebruik van liften veiliger te maken?
Neen.
De analyse van de Arbeidsinspectie van de door haar in de afgelopen 9 jaar onderzochte ernstige ongevallen met werknemers bevestigen niet het beeld dat de VLR presenteert. Uit een handmatige analyse van de bij de Arbeidsinspectie gemelde ernstige ongevallen in 2010 is geen melding gevonden die betrekking heeft op personenliften.
De ongevalstatistieken van meldingen van ongevallen met liften van het Liftinstituut, uitgesplitst naar technici en gebruikers, bevestigen het beeld dat de VLR schetst evenmin. Het Liftinstituut keurt het merendeel van de personenliften in Nederland.
Op 15 april 2011 is met de VLR gesproken over de veiligheid van liften. In dat overleg heeft de VLR haar voornemens gedeeld om onderzoek te doen naar de aard van de ongevallen met liften, voor zover die ongevallen bij hen bekend zijn. Ik heb nog geen resultaten mogen ontvangen. Er is voor mij daarom geen aanleiding om aanvullende eisen te stellen.
Klopt het dat de Europese norm voor bestaande liften in Nederland nog niet in nationale wetgeving is omgezet?5
Ja.
Op grond van Europese regels is er geen verplichting om een privaatrechtelijke norm naar nationale regels om te zetten. Het verplicht stellen van deze norm zou een nieuwe nationale kop introduceren. Ik ben daar geen voorstander van.
De Europese Normalisatie Organisatie (CEN) heeft in 2003 de norm EN 81–80 uitgebracht: Regels voor de verhoging van de veiligheid van bestaande personenliften (Rules for the improvement of safety of existing lifts: SNEL). De EN 81–80 is geen geharmoniseerde norm en is in Nederland niet verplicht.
Onderschrijft u de redenering dat de veiligheid van bestaande liften verbeterd kan worden door het wettelijk verankeren van de SNEL-norm?
In de norm zijn 74 «aanbevelingen» gedaan. Aan veel van deze aanbevelingen voldoen de oude liften in Nederland. Veel lifteigenaren zijn al uit eigener beweging overgegaan tot het doorvoeren van deze aanbevelingen. Echter in sommige gevallen is het aanbrengen van deze voorzieningen dermate kostbaar dat zij niet meer in verhouding staan tot de te bereiken toename in het veiligheidsniveau. Of de ongevallen, die de VLR schetst, waren te voorkomen als de liften voldeden aan de SNEL-norm is niet te bepalen zo lang de gegevens waarover het VLR lijkt te beschikken niet beschikbaar zijn. Zoals ik in het antwoord bij vraag 5 al aangaf, heb ik vooralsnog, een ander beeld dan de VLR.
Bent u voornemens de SNEL-norm voor bestaande liften te implementeren? Zo ja, op welk termijn?
Neen.
In 1997 en in 2005 is een verzoek om de «aanbevelingen» uit de SNEL-norm in regels verplicht te stellen op basis van een kosten baten afweging door mijn voorgangers afgewezen.
Temeer daar veel lifteigenaren van oude liften uit eigener beweging de aanbevelingen al hebben doorgevoerd en deze in sommige gevallen een minimale verhoging van de veiligheid geven tegen zeer hoge kosten. Bij een zorgvuldige overheid hoort ook terughoudendheid bij het opleggen van additionele verplichtingen, zolang de noodzaak en de toegevoegde waarde onvoldoende hard is.
Een olie-embargo tegen Syrië |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Italy seeks to delay EU oil embargo on Syria», waaruit blijkt dat Italië pas later een olie-embargo tegen Syrië wil steunen?1 Heeft u van Italiaanse zijde op ambtelijk dan wel ministerieel niveau signalen ontvangen die dit bevestigen of ontkennen?
Zoals gesteld in mijn brief van 2 september jl. (met kenmerk DAM-546/11), heeft het kabinet zich in EU-verband voortdurend ingespannen voor zo breed mogelijke sancties tegen het Syrische regime en zich uitgesproken tegen standpunten die zulke sancties stagneren of blokkeren. Hierbij is voor het kabinet van belang dat deze sancties het regime raken, maar de bevolking ontzien. Kernelement van de sancties is een verbod op de import van ruwe olie en olieproducten vanuit Syrië.
Bent u, in het geval van blokkerende of stagnerende lidstaten ten aanzien van oliesancties, bereid zich categorisch uit te spreken voor de wenselijkheid om het Syrische regime te raken door deze sancties? Zo neen, hoe verhoudt zich dit tot uw strategie van sanctie-uitbreiding en tot de stelling van uw ministerie dat Nederland binnen de EU «een voortrekkersrol» heeft gespeeld bij het instellen van sancties en «dat zal blijven doen»?2
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het feit dat een significant deel van de Kamer voorstander is van een olie-embargo, en dat een meerderheid van de Kamer in principe geen tegenstander daarvan is? Heeft dit invloed op het kabinetsstandpunt richting Shell en in internationaal verband? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Shell gevraagd naar de interne afweging in de huidige Syrische context, zoals door u aangekondigd in de beantwoording van de vragen 7 en 8 van de leden Van Bommel en Gesthuizen?3 Zo neen, wanneer zal dit gesprek plaatsvinden?
De Nederlandse overheid, waaronder het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, spreekt regelmatig op zowel ambtelijk als politiek niveau met het Nederlandse bedrijfsleven, waaronder Shell, ook over maatschappelijk verantwoord ondernemen. Daarbij zijn de nieuwe OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen leidend. De contacten met Shell zijn de afgelopen weken geïntensiveerd en vooral toegespitst op de verslechterde situatie in Syrië en de mogelijk te nemen stappen.
Klopt het, zoals u in uw kamerbrieven en publieke optredens impliceert, dat u Shell zelf niet heeft aangesproken op haar eigen verantwoordelijkheid? Zo ja, betekent dit dat het niet aanspreken van Nederlandse bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid ten tijde van humanitaire crises staand kabinetsbeleid is?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid deze vragen binnen 24 uur te beantwoorden, gezien het feit dat de informele Raad Buitenlandse Zaken 2 en 3 september plaatsvindt?
Zie antwoord vraag 1.
Landelijke regels voor de aanpak van uitbraken van antibioticaresistente bacteriën |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Coutinho: Ziekenhuis moet bacterie-uitbraak melden»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er landelijk regels gesteld moeten worden voor ziekenhuizen waar een besmetting met een antibioticaresistente bacterie wordt vastgesteld? Zo nee, waarom niet, nu herhaaldelijk is gebleken dat ziekenhuizen niet altijd adequaat op zo’n besmetting reageren, waardoor er onnodig veel mensen besmet worden? Zo ja, welke regels wilt u stellen, en bent u bereid deze regels zo snel mogelijk op te leggen?
De toenemende antibioticaresistentie is een punt van zorg. Daarom wil ik een extra waarborg inbouwen zodat we in Nederland zeker weten dat er in geval van uitbraken met dit soort gevaarlijke resistente bacteriën door de betrokkenen juist wordt gehandeld. Daarbij moet snel het probleem worden onderkend, snel worden gehandeld en indien nodig snel expertise van buiten worden betrokken. Ik overweeg hiervoor een extra ondersteuningsstructuur op te laten zetten, die snel kan helpen met de aanpak. Over de vorm van deze ondersteuning wordt op dit moment gesproken met de IGZ en de betrokken beroepsgroepen. Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het RIVM heeft hierbij het voortouw. Ik zal u hier zo spoedig mogelijk over informeren.
Het inbouwen van deze waarborg is het doel. Het instellen van een wettelijke meldplicht is voor mij geen doel op zich. Het gaat om de acties en de bevoegdheden die nodig zijn om te kunnen handelen.
Samen met de beroepsgroepen en de IGZ zal er bovendien worden gekeken of de huidige richtlijnen en protocollen aangescherpt moeten worden en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
Deelt u de mening dat er een meldplicht voor ziekenhuizen ingesteld moet worden zodat er direct meegekeken kan worden of de aanpak van de besmetting succesvol is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en termijn wilt u dit regelen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat er op dit moment overlegd wordt over het instellen van een meldplicht voor ziekenhuizen? Zo ja, wanneer zal dit overleg naar verwachting afgerond worden, en wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dit overleg?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven of en zo ja welke landelijke richtlijnen er bestaan over hoe te handelen bij besmetting met MRSA/ESBL van patiënten in ziekenhuizen? Zo nee, waarom niet?
De Werkgroep Infectiepreventie (WIP), een samenwerkingsverband van medische professionals op het gebied van infectiepreventie en ziekenhuishygiëne, maakt richtlijnen om verspreiding van infecties tegen te gaan. Voorbeelden hiervan zijn de MRSA-richtlijn en de richtlijn bijzonder resistente micro-organismen (BRMO). De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) beschouwt deze richtlijnen als professionele standaarden en ziet toe op de naleving. Eén van deze richtlijnen is de MRSA-richtlijn, waarvan het search en destroy beleid onderdeel is. Door het naleven wordt de verspreiding van (multi)resistente bacteriën naar andere patiënten voorkomen.
Deelt u de mening dat besmetting van ziekenhuispatiënten met multiresistente bacteriën een zodanige bedreiging voor de volksgezondheid vormt, dat dit op korte termijn te ontwikkelen meer adequaat preventie-, opsporings- en handhavingsbeleid vergt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u dergelijk beleid ontwikkelen?
Zie antwoord vraag 2.
De onderhandelingen over de ziekenhuiskosten |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over de campagne van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) richting de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ)? Vindt u het gepast dat een mede door uw inspanning gesloten akkoord door een van de ondertekenaars wordt ondermijnd?1
De brief van ZN is niet aan mij gericht maar aan de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra en Zelfstandige Klinieken Nederland. Het is daarom primair aan die organisaties om op de brief van ZN te reageren. Ik heb de brief niet opgevat als een ondermijning van het mede door mijn inspanningen gesloten akkoord.
Deelt u de mening dat deze actie van ZN kan worden gezien als een openingsbod van 0% groei, in tegenstelling tot de 2,5% waarvan sprake is in het door u onderschreven hoofdlijnenakkoord? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit nog verantwoord met het oog op uw verantwoordelijkheid voor de beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg? Wilt u uw antwoord toelichten?
In het bestuurlijk hoofdlijnenakkoord hebben de partijen gezamenlijk de intentie uitgesproken om de uitgavengroei te beheersen door middel van het uitwerken van een gezamenlijke inhoudelijke agenda. Met deze inhoudelijke agenda moet de beschikbaarheid, kwaliteit en toegankelijkheid worden gegarandeerd. Voor zover ik heb begrepen is de inzet van verzekeraars voor 2012 gebaseerd op de afspraken uit het hoofdlijnenakkoord met daarin verdisconteerd de verwachte uitgavenontwikkeling van vorig jaar en dit jaar. Het is niet onlogisch, dat indien de groeiruimte voor 2012 al in 2011 wordt opgesoupeerd, er in 2012 een pas op de plaats moet worden gemaakt. Inmiddels hebben partijen de informatie waarop de brief van ZN was gebaseerd uitgewisseld.
Ik acht deze ontwikkeling geenszins in strijd met de publieke belangen die ik verdedig: toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg. Hoewel de vragensteller het publieke belang van de betaalbaarheid niet noemt wil ik die hier nadrukkelijk wel noemen. Dit belang – en de discipline daaromtrent – geldt niet alleen nu of in 2012, maar is juist voor de komende decennia essentieel om de toegankelijkheid en kwaliteit in een op solidariteit gebaseerd stelsel te kunnen blijven garanderen.
Hoe omschrijft u de kerntaken van een ziekenhuis?
De kerntaak van een ziekenhuis is het leveren van medisch specialistische zorg.
Hoe denkt u betere zorg voor minder geld te krijgen als ziekenhuizen zich meer moeten bezighouden met vastgoedrisico's, solvabiliteitseisen van banken en investeerders, reclame en marketing, in plaats van zich op de medische kerntaak te richten? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik ben er van overtuigd dat ziekenhuizen alleen betere zorg voor minder geld kunnen leveren als zij een adequate (financiële) bedrijfsvoering hebben. Een organisatie die niet weet hoe zijn werkprocessen in elkaar zitten, waar de kosten gemaakt worden en waar verbeteringen mogelijk zijn zal nooit in staat zijn betere zorg tegen lagere kosten te realiseren.
Dit betekent ook dat het ziekenhuisbestuur in overleg met interne en externe stakeholders integrale afwegingen moet maken bijvoorbeeld ten aanzien van het onroerend goed, het financieel beheer en marketingactiviteiten.
Mogen ziekenhuizen de wachttijden verlengen of een patiënt behandeling weigeren als zij het met de zorgverzekeraars overeengekomen volume anders zullen overschrijden? Zo nee, hoe garandeert u dat dit niet zal gebeuren?
Ten aanzien van de wachttijden is in het hoofdlijnenakkoord opgenomen dat zorgaanbieders zich tot het uiterste inspannen om de zorg binnen de zogenoemde Treeknormen te leveren. Ook staat in het akkoord dat zorgverzekeraars jegens hun verzekerden verantwoordelijk zijn hun zorgplicht na te komen. Partijen hebben daarmee in het akkoord hun verantwoordelijkheid genomen om wachttijden binnen aanvaardbare (Treek)normen te houden en te voorkomen dat patiënten geweigerd worden.
Wilt u garanderen dat er door dit gekrakeel geen wachtlijsten en verslechtering van de kwaliteit van de geboden zorg zullen optreden? Zo nee, waarom niet?
De afspraken in het hoofdlijnenakkoord zoals verwoord in het antwoord op vraag 5, bieden in mijn ogen de beste garantie om de uitgavengroei de komende jaren om te buigen naar een aanvaardbaar niveau zonder dat de wachtlijsten oplopen of de kwaliteit van de zorg verslechtert.
Wilt u deze vragen voor afloop van het zomerreces beantwoorden?
Ik heb deze vragen zo snel mogelijk beantwoord.
Internetcertificaten |
|
Arjan El Fassed (GL) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 in onder meer Webwereld dat Iran erin is geslaagd om het internetverkeer van haar burgers naar Google.com af te tappen door middel van een vervalst beveiligingscertificaat bij de Nederlandse certificeringsautoriteit Diginotar?
Ja.
Bent u ermee bekend dat het zogeheten «root-certificaat» van de uitgever van het door Iran vervalste certificaat, het bedrijf Diginotar, ongeldig is verklaard door Microsoft en Mozilla, en mogelijk door andere softwareleveranciers?
Het is ons bekend dat de certificaten van het bedrijf DigiNotar door de webbrowsers niet meer als betrouwbaar worden aangemerkt. Leveranciers van besturingssystemen en applicatiesoftware kunnen een update doorvoeren van hun systemen met als gevolg dat sommige websites en onderliggende systemen moeilijker – of in het geheel niet – bereikbaar zijn. Een aantal heeft dit ook gedaan.
Kunt u toelichten op welke wijze door de overheid toezicht werd uitgeoefend op het functioneren van Diginotar? Doet u onderzoek naar de oorzaken van deze zaak?
In het stelsel van PKI-Overheid is voorzien dat certificaatleveranciers (CA) jaarlijks worden geaudit naar de opzet en werking van de eisen zoals vastgelegd in het Programma van Eisen PKI-Overheid. Deze audits worden uitgevoerd door gecertificeerde auditors. Zij rapporteren aan de Policy Authority (PA) van PKI-Overheid.
Daarnaast vindt er toezicht plaats door de OPTA2 op basis van de Telecomwet, indien er sprake is van uitgifte van gekwalificeerde3 certificaten ten behoeve van de elektronische handtekening. De DigiNotar certificaten waarbij het aangetoonde misbruik heeft plaats gevonden, zijn certificaten waar de OPTA geen bevoegdheid heeft om op toe te zien.
Het Kabinet neemt de structurele betekenis van de gebeurtenissen in ogenschouw. In het licht hiervan voert het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek uit naar het gehele stelsel en proces rondom PKI-Overheid, inclusief het toezicht daarop. Het ministerie van ELI laat aanvullend daarop onderzoeken in hoeverre de problemen rondom DigiNotar ook consequenties hebben voor de wijze van toezicht op uitgifte van gekwalificeerde certificaten. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd zodra meer duidelijk is. Zoals in het regeerakkoord is gesteld zal de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bovendien een wetsvoorstel indienen dat een meldplicht introduceert voor gebeurtenissen zoals deze bij DigiNotar zijn voorgekomen.
Kunt u de consequenties van deze zaak toelichten voor de dienstverlening en het interne functioneren van de Nederlandse overheid en andere klanten van Diginotar? Hebben burgers overlast ondervonden van deze zaak en zo ja, in hoeveel gevallen en op welke wijze?
De gevolgen van de reactie door internetdienstverleners op het bekend worden van de door DigiNotar afgegeven gecompromitteerde certificaten voor het vertrouwen in het digitale communicatieverkeer zijn groot, ook al is de materiële betekenis van die afgifte mogelijk veel beperkter. Alleen partijen die gebruik maken van certificaten of diensten van DigiNotar lopen het risico dat systemen of communicatie uitvallen. Tot nu toe is geconstateerd dat sommige websites (tijdelijk) uit de lucht zijn.
DigiNotar is niet het enige bedrijf dat certificaten en diensten voor internetverkeer genereert. De certificaten van andere bedrijven worden niet geraakt door de gebeurtenissen bij DigiNotar.
Het Kabinet heeft het operationele beheer van de systemen voor certificering bij DigiNotar gecontroleerd overgenomen, zodat de certificaten gefaseerd kunnen worden ingetrokken en het gebruik van de door hacker aangemaakt en gebruikte certificaten kan worden gemonitord en kan worden bestreden waar dit wordt waargenomen.
Acht u het uitgesloten dat Iran of enige andere partij erin kan zijn geslaagd om zich via Diginotar toegang te verschaffen tot vertrouwelijke communicatie van de Nederlandse overheid? Welke stappen heeft u gezet om zich daarvan te vergewissen?
Het Kabinet onderzoekt wie betrokken zijn bij het hacken van DigiNotar. Voor een beschrijving van genomen besluiten en ingezette acties verwijs ik naar de Kamerbrief «Digitale inbraak DigiNotar» van 5 september 2011.
Bent u van plan om Iran op deze zaak aan te spreken?
Het Kabinet onderzoekt momenteel wie betrokken zijn bij het hacken van DigiNotar. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek beraadt het Kabinet zich op passende vervolgstappen.
Acht u het in het licht van deze zaak verstandig om nieuwe certificaten van de Nederlandse overheid toe te vertrouwen aan particuliere bedrijven? Zo nee, overweegt u om certificaten direct door de Nederlandse overheid te laten uitgeven? Zo ja, welke aanvullende eisen overweegt u te stellen aan deze bedrijven? Kunt u dat toelichten?
Het feit dat de hacker certificaten namens DigiNotar oneigenlijk heeft aangemaakt, heeft geen gevolgen voor andere certificaatleveranciers. Wanneer de certificaten op een juiste, zorgvuldige wijze zijn gegenereerd, ongeacht door welk bevoegd bedrijf, is er op dit moment geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en veiligheid van deze certificaten en al het internetverkeer dat met behulp van deze certificaten heeft plaatsgevonden.
Tegelijkertijd is het Kabinet van oordeel dat de structurele betekenis van de gebeurtenissen in ogenschouw moeten worden genomen. Als onderdeel daarvan voert het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek uit naar het gehele stelsel en proces rondom PKI-Overheid, inclusief het toezicht daarop. Daarnaast zal de DigiNotar problematiek ook geëvalueerd worden met het oog op de gewenste betrouwbaarheid van digitale dienstverlening van en aan bedrijven. De Tweede Kamer wordt hierover geïnformeerd zodra hierover meer duidelijkheid is.
De beveiliging van Digi-D en overheidswebsites |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Browsers dumpen Diginotar na Iraanse Gmail-tap» en specifiek het in de ban doen van het Diginotar certificaat door Firefox, IE en Chrome?1
Ja.
Is het zo dat de Nederlandse staat via onder meer Digi-D ook gebruik maakt van de diensten en specifiek van certificaten van Diginotar? Kunt u een opsomming geven van de verschillende websites en diensten die hier gebruik van nemen?
Ja. De DigiNotar certificaten voor DigiD zijn inmiddels vervangen.
Het betreft enkele tienduizenden certificaten van DigiNotar waarvan de betrouwbaarheid thans ter discussie is gesteld. Daaronder valt een substantieel aantal certificaten dat in gebruik is bij de Nederlandse staat en dat wordt ingezet voor diverse overheidswebsites en -diensten. Alle door het bedrijf DigiNotar uitgegeven certificaten voor publieke en semi-publieke organisaties worden of zijn inmiddels vervangen door certificaten van andere (PKI-) certificatenleveranciers. De CIO’s (Chief Information Officers) van Rijk en decentrale overheden zijn aangewezen om de omzetting van de certificaten van DigiNotar aan te sturen. In de komende periode gaan alle websites en diensten gefaseerd en gecontroleerd over op nieuwe certificaten.
Betekent de genoemde inbreuk dat de handtekening van Diginotar nu de facto waardeloos is geworden, dat browsers ook de beveiliging van Digi-D niet meer op waarde kunnen schatten en dat browsers beveiligingswaarschuwingen zullen geven bij veilige overheidswebsites? Biedt dit ruimte voor derde partijen om onveilige kopieën te maken van overheidswebsites die dan dezelfde melding zullen krijgen, maar in tegenstelling tot de originelen niet meer veilig zijn en die burgers kunnen misleiden?
Nee. Uit de omstandigheid dat thans DigiNotar-certificaten gecompromitteerd blijken te kunnen zijn, kan en mag niet worden geconcludeerd dat alle historische transacties van DigiNotar mogelijk gecompromitteerd zijn;
Inmiddels zijn DigiD.nl en mijn.belastingdienst.nl overgegaan naar een andere certificaatleverancier, waarvan de certificaten betrouwbaar zijn en worden vertrouwd door de softwareleveranciers;
Ja, het is mogelijk dat browsers in de omschakelperiode naar andere certificaten beveiligingswaarschuwingen geven bij veilige overheidswebsites en;
Ja, in de omschakelperiode naar andere certificaten is het mogelijk dat derde partijen onveilige kopieën kunnen maken van overheidswebsites (de zgn. omgeleide sites), die gebruik maken van de door de hacker oneigenlijk aangemaakte certificaat van DigiNotar. Om deze reden is het operationele beheer van het systeem voor het verstrekken van certificering gecontroleerd overgenomen zodat de certificaten gefaseerd kunnen worden ingetrokken en het gebruik van de door hacker aangemaakt en gebruikte certificaten kan worden gemonitord en kan worden bestreden waar dit wordt waargenomen.
Kunt u via onafhankelijk onderzoek aantonen dat de beveiliging van overheidsdiensten zoals Digi-D en beveiligde websites nog altijd afdoende is?
De overheid neemt diverse maatregelen om de beveiliging van overheidsdiensten en -websites te beheersen. Zo heeft het Kabinet, na overleg met het moederbedrijf van DigiNotar, nog in de nacht van vrijdag op zaterdag het operationele beheer van systemen voor certificaten van het bedrijf overgenomen teneinde de schade van de gebleken inbreuk op de integriteit van het internetverkeer en de beheersmaatregelen ter beperking van de gevolgen van de gebeurtenis. Daardoor wordt een beheersbare migratie naar andere certificaten mogelijk zonder dat dit additionele risico’s schept voor zover bekend.
Voor een overzicht verwijs ik u naar de Kamerbrief «Digitale inbraak DigiNotar» van 5 september 2011.
Het bericht dat het Erasmus Medisch Centrum (EMC) Rotterdam patiënten weigert onder narcose te brengen bij een endoscopie |
|
Linda Voortman (GL) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat het EMC Rotterdam vanwege bezuinigingen patiënten weigert onder narcose te brengen bij een endoscopie?1 Zo ja, wat is uw mening hierover en welke maatregelen verbindt u hieraan?
Het bericht waar naar verwezen wordt, is afkomstig van een individuele patiënt op een forum. Dit betreft een zaak tussen patiënt en zorgverlener. Het ministerie van VWS doet geen uitspraken over individuele gevallen.
In algemene zin kan ik het volgende berichten. De meeste patiënten die een endoscopisch onderzoek ondergaan, krijgen van te voren een roesje (een licht slaapmiddel met pijnstilling) zodat zij zo min mogelijk hinder van de procedure hebben. Een deel van de patiënten kiest ervoor om helemaal geen medicatie te ontvangen. Ik heb van het betrokken ziekenhuis vernomen dat zij zeer selectief zijn met het onder narcose uitvoeren van een endoscopie bij volwassenen. Echter, in het geval dat een roesje niet voldoende is, wordt er wel degelijk maatwerk geleverd en is narcose een optie.
Beloningen van korpschefs |
|
Coşkun Çörüz (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de woorden van u en uw voorgangers waaruit blijkt dat de beloningen van korpschefs versoberd en versimpeld zouden worden?
Ja.
Hoe verhouden deze woorden zich tot het beloningssysteem zoals dat nu in de nieuwe opzet van de politieorganisatie wordt voorgesteld?
Versobering en versimpeling zijn de rode draad van mijn inzet voor een nieuw arbeidsvoorwaardenbeleid voor de politietop. De versobering zal voortkomen uit de aanzienlijke inperking van het aantal toelagen alsmede de hoogte daarvan.
Kunt u bevestigen dat de tien nieuwe korpschefs die de tien nieuwe politie-eenheden gaan bemannen ook in de regio gaan wonen conform de motie-Çörüz van 17 december 2009?1
In mijn werkgeversinzet, die binnenkort aan u zal worden toegezonden, zijn voorstellen opgenomen voor een woonplaatsvereiste voor de huidige korpschefs. Deze voorstellen zijn ook van toepassing voor de chefs van de tien nieuwe politie-eenheden indien en zodra de nationale politie een feit is.
Dit betekent dat deze functionarissen door het aanvaarden van hun functie verplicht zijn om te wonen in de regio van tewerkstelling, uiterlijk binnen één jaar na aanstelling. Er kunnen redenen zijn waarom het opleggen van een woonplaatsvereiste niet opportuun is, bijvoorbeeld wanneer de functionaris weliswaar net buiten de regio van tewerkstelling woont maar wel vlak bij de centrumgemeente dan wel de plaats van tewerkstelling. In dat geval kan de minister van Veiligheid en Justitie een ontheffing verlenen.
De garanties over de missie in Kunduz |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Agenten gaan wel vechten in Kunduz»?1
Ja.
Kunt u aangeven of dit bericht waar is?
Nederland traint in het kader van de geïntegreerde politie trainingsmissie agenten van de Afghan Uniformed Police (AUP). Zij zullen worden ingezet voor de civiele taken die worden omschreven in de Afghaanse Nationale Politie Strategie, zoals gemeld aan uw Kamer in de brief van 28 maart 2011 (Kamerstuk 27 925, nr. 425).2 Deze taken omvatten onder meer het handhaven van openbare orde en veiligheid, het verrichten van opsporingsactiviteiten en het optreden in noodsituaties. De strategie voorziet niet in de inzet van de AUP voor offensieve militaire acties. Het valt niet uit te sluiten dat de AUP wordt geconfronteerd met gewapend geweld. In dat geval kan de AUP, conform de Nationale Politiestrategie, handelend optreden, uit zelfverdediging en ter bescherming van de bevolking.
In het licht van de debatten met uw Kamer hierover heeft de regering aanvullende verzekeringen gevraagd en gekregen van zowel de Afghaanse Minister van Binnenlandse Zaken, Bismillah Khan, de gouverneur van Kunduz, Jegdalek, als van de provinciale politiecommandant Qatra. Dit is 7 juni 2011 gemeld aan uw Kamer (Kamerstuk 27 925, nr. 428). Tijdens mijn bezoek aan Afghanistan begin juli zijn deze afspraken herbevestigd. De recente uitspraken van Qatra zijn in lijn met deze afspraken en de toezeggingen over dit onderwerp aan de Kamer.
Kunt u aangeven hoe dit bericht zich verhoudt tot uw aan de Kamer gegeven garantie dat met Nederlandse steun opgeleide politie-agenten niet zullen worden ingezet bij gevechtshandelingen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op welke wijze u op uw «toezeggingen aan te spreken bent» zoals u op 22 maart aangaf in de beantwoording van Kamervragen over dit onderwerp?
De regering is altijd aanspreekbaar op de desbetreffende toezeggingen aan uw Kamer.
Kan het zijn dat de door u afgegeven garantie dat door Nederland opgeleide politie-agenten niet aan gevechtshandelingen zullen deelnemen aan voortschrijdend inzicht onderhevig is, c.q. niet wordt nageleefd?
De regering ziet geen redenen om de toezegging dat door Nederland opgeleide agenten niet zullen worden ingezet voor offensieve militaire acties aan te passen of in te trekken.
Apartheidsreizen naar Saoedi-Arabië |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV), Wim Kortenoeven (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de website van het Saoedische «Ministerie voor de Hadj», die moslims aanmoedigt aan de hadj en/of aan de umrah deel te nemen1 en de advertentie van het reisbureau «Mekka-reizen», waarin (o.a.) aan Nederlandse scholen wordt aangeboden dit najaar een ruim drie weken durende hadj-reis te verzorgen?2
Ja.
Deelt u de conclusie dat hadj- en umrah-reizen een perfecte illustratie zijn van de islamitische apartheidsdoctrine, omdat het voor niet-moslims verboden is de steden Mekka en Medina te betreden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u dan bereid de Saoedische regering op die praktijk aan te spreken?
Het niet of beperkt openstellen van heilige plaatsen voor personen die het betreffende geloof niet belijden wordt door de Nederlandse regering gezien als een religieuze kwestie waar de overheid zich in de regel niet over uitspreekt. Nederland stelt zowel in bilateraal verband als multilateraal contact met de autoriteiten van Saudi-Arabië maatschappelijke achterstelling van verschillende groepen, zoals niet-moslims en vrouwen, aan de orde.
Is het u bekend of en zo ja welke islamitische scholen hadj- en/of umrah-reizen voor/met hun leerlingen organiseren? Vallen die reizen altijd (geheel) binnen de reguliere schoolvakanties? Worden er op verzoek van scholen of ouders ontheffingen verleend?
Op basis van artikel 11, onder e van de Leerplichtwet 1969 kunnen leerlingen tijdelijk vrijgesteld zijn van de verplichting om de school geregeld te bezoeken wegens vervulling van plichten voortvloeiend uit godsdienst of levensovertuiging. De regering is niet bekend met islamitische scholen die hadj- en/of umrah-reizen voor en/of met hun leerlingen organiseren. Ook Ingrado, de landelijke branchevereniging van leerplichtambtenaren, en ISBO, de Islamitische Schoolbesturen organisatie, hebben dergelijke signalen niet gekregen.
Scholen kunnen tijdens de schoolvakanties reizen organiseren. Leerplichtige jongeren kunnen niet buiten de vakanties deelnemen aan een dergelijke reis zonder vrijstelling van de verplichting om de school geregeld te bezoeken. Gebeurt dit echter wel, dan leidt dit «luxe» verzuim tot een lik-op-stukactie zoals verwoord in de Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim (Staatscourant 2011, nr. 1386 van 28 januari 2011).
Hoeveel ongeoorloofde afwezigheidsgevallen van islamitische leerplichtigen waren er tijdens het afgelopen hadj-seizoen?
In het voorjaar heeft de regering de Tweede Kamer de meest recente verzuimcijfers gestuurd. 3Verzuim wordt niet geregistreerd op basis van de religieuze overtuiging van de leerlingen of zijn of haar ouders/verzorgers. De regering kan u dan ook niet melden of, en zo ja hoeveel islamitische leerplichtigen ongeoorloofd afwezig waren tijdens het afgelopen hadj-seizoen.
Welke preventieve maatregelen worden er getroffen om ongeoorloofd verzuim van islamitische leerplichtigen tijdens het nieuwe hadj-seizoen tegen te gaan? Worden islamitische scholen in dat kader extra gecontroleerd?
Op landelijk niveau worden geen specifieke maatregelen getroffen. Het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet is de verantwoordelijkheid van de gemeente. Het is aan de gemeenten om daarin keuzes te maken. Ingrado meldt dat veel gemeentes intensief toezien op de handhaving van de leerplicht rond vakanties en feestdagen.
Welke sancties worden in het vooruitzicht gesteld aan scholen en ouders die de islamitische pijler van de hadj boven de Nederlandse leerplichtwet stellen?
De sancties op het overtreden van de Leerplichtwet worden beschreven in de bovengenoemde Aanwijzing strafrechtelijke aanpak schoolverzuim.
Het voornemen van Medisch Spectrum Twente (MST) om topsalarissen te matigen |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat Medisch Spectrum Twente (MST) zich «in de toekomst in nieuwe situaties» wil gaan conformeren aan de Beloningscode Bestuurders in de Zorg? Deelt u de mening dat het weinig om het lijf heeft dat men de intentie uitspreekt zich in de toekomst aan een reeds vrijblijvende code te willen gaan houden die bovendien ver boven een ministersalaris of de Balkenendenorm uitkomt? Zo nee, waarom niet?1
Ik heb het bericht gelezen en daarbij viel mij op dat er niet naar een bron wordt verwezen ondanks een blijkbaar (want tussen aanhalingstekens geplaatst) letterlijk citaat.
Het «kennelijke» besluit van de Raad van Toezicht (zie mijn verklarende opmerking in de eerste zin) is in wezen het zich neerleggen bij een onvermijdelijkheid. Het ligt in de lijn van de BBZ (beloningscode bestuurders in de zorg) dat die moet worden toegepast wanneer er nieuwe contracten met zorgbestuurders worden aangegaan. Noch het besluit van de Raad van Toezicht, noch het volgen van de BBZ zijn vrijblijvend. Ook de publiciteit die nu rond dat voornemen is ontstaan, maakt dat de Raad van Toezicht zich daarop aanspreekbaar heeft gemaakt.
Wanneer de normeringswet (TK 32 600) is aangenomen, heb ik zelf ook nog eens een handhavingsinstrument.
In uw vraag kwalificeert u de BBZ als «ver boven een ministerssalaris of de Balkenendenorm» uitkomende. Om dat beeld recht te zetten verwijs ik naar de toelichtende tabel hierover in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de normeringswet (TK 32 600, nr. 8). Voor de volledigheid geef ik die onderstaand ook weer.
schaal
min (70%)
max
% van 130%-norm
A
49 700
71 000
39
B
57 050
81 500
45
C
65 520
93 600
52
D
75 250
107 500
58
E
86 450
123 500
68
F
99 050
141 500
78
G
109 550
156 500
86
H
118 300
169 000
93
I
126 700
181 000
100
J
134 050
190 000
105
NB. De norm van 130% van het huidige ministerssalaris was in 2009 € 181 000
Deelt u de mening dat de stelling van MST dat het «onmogelijk is» de contracten van veelverdieners als K., L., en H. tussentijds te wijzigen in deze zaak slechts een formalistisch excuus is om te verhullen dat deze bestuurders willen vasthouden aan hun exorbitante beloning? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid een moreel appel op deze bestuurders te doen om hun contract open te breken of anders plaats te maken voor opvolgers die hiertoe wel bereid zijn?
De BBZ en de normeringswet richten zich beide, o.a. uit juridische noodzaak, op de nieuwe contracten die worden afgesloten na inwerkingtreding. Dit laat onverlet dat van verantwoordelijke bestuurders mag worden verwacht dat zij de signalen van onvrede uit politiek en samenleving over hun inkomens serieus nemen. Vanuit dat perspectief en vanuit het perspectief van de nieuwe normen, zouden zijn hun contract vrijwillig nog eens tegen het licht kunnen houden.
Wat is uw oordeel over het gegeven dat de drie bestuurders van MST met een inkomen van € 316 579,–, € 236,099,– en € 256 471,– boven op hun riante salaris ook nog een auto van de zaak met een cataloguswaarde van € 60 106,–, € 46 997,– en € 42 430,– rijden? Is dit niet verspilling van publieke middelen ten behoeve van privaat gewin? Bent u ook nog steeds dezelfde mening toegedaan als uw voorganger, die een auto van de zaak niet als problematisch kenschetste? Zo ja, kunt u dit toelichten?2 3
U refereert aan het bruto-inkomen plus alle werkgeverslasten. Dat begrip schept een onjuist beeld. Het bruto-inkomen zónder die werkgeverslasten geeft een juister beeld. Dat is ook wat iedereen maandelijks op zijn of haar loonstrookje ziet, waardoor iedereen dat begrip als referentiekader gebruikt. Daarom bestendig ik de al jaren gehanteerde lijn om het bruto-inkomen sec als uitgangspunt te nemen voor analyses.
Uitgedrukt in bruto-inkomen zijn die bedragen over 2010 respectievelijk € 274 915, € 202 249 en € 220 743. En dat is inderdaad hoger dan wanneer de BBZ-normen zouden zijn gebruikt. Zie daarover ook mijn antwoorden op uw vragen 1 en 2.
Ik deel de mening van mijn voorganger dat de vraag of een uitgave voor dienstauto’s verantwoord is, alleen op instellingsniveau kan worden beoordeeld. Er zijn tal van factoren die niet in het jaarverslag staan, die relevant zijn voor de keuze van een auto van de zaak, waaronder bijvoorbeeld het aantal jaarlijks te verrijden zakelijke kilometers.
Deelt u de mening dat mensen met een dergelijke financiële inhaligheid die per sé een dergelijk salaris willen verdienen niets te zoeken hebben in de publieke gezondheidszorg? Zo nee, waarom niet?
De publieke en de semipublieke sectoren hebben er ook baat bij dat er goede bestuurders werkzaam zijn. Het vergt een zeker salarisniveau om te bewerkstelligen dat die goede bestuurders er ook willen gaan werken en er vervolgens ook gedurende enige tijd in werkzaam willen blijven.
Het is inderdaad gebruikelijk dat het bestuurlijk werken in de publieke en de semipublieke sectoren minder opbrengt dan wat bestuurlijk werk in de profitsector opbrengt. Daarom loopt de discussie over «maatschappelijk verantwoorde beloningsniveaus» ook al enige tijd.
In die discussie is enerzijds het besef gegroeid dat dat maatschappelijk verantwoorde beloningsniveau lager ligt dan tot nu toe in de praktijk gebruikelijk was. Anderzijds is ook het besef gegroeid dat het maatschappelijk verantwoord beloningsniveau hoger moet liggen dan tot voor kort werd gedacht. De commissie-Dijkstal heeft daar een afgewogen advies over uitgebracht, resulterend in een aanbeveling om voor de bewindslieden, bij wijze van compromis, op 130% te gaan zitten van wat bewindslieden toen (maar ook nu nog) verdienden. De BBZ heeft op dat advies en de kabinetsreactie daarop, voortgeborduurd door die norm van wat de commissie en het kabinet als «maatschappelijk verantwoord» kwalificeerden, door te vertalen naar de zorgsector.
De normeringswet (TK 32 600) is het uitvloeisel van ondermeer de bovenstaande overwegingen, de adviezen van de commissie-Dijkstal en de discussie daarover met de Kamer. Om tot het beoogde niveau te komen, blijkt evenwel een ingroeiperiode nodig te zijn omdat moeilijk kan worden ingegrepen in bestaande contracten (zoals vermeld in antwoord 2).
Is niet de introductie en vergroting van de marktwerking dé oorzaak dat personen die een «marktconforme» beloning wensen worden aangetrokken? Zo nee, waarom niet?
Ik ken geen onderzoek dat een correlatie aantoont tussen beide ontwikkelingen.
Bent u, na het verheugende bericht dat u zoekt naar manieren om in te grijpen in het bestuur van het Maasstad Ziekenhuis, bereid ook de overige ziekenhuizen onder de loep te nemen, waaronder MST? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wilt u de Kamer informeren over de wijze waarop u het verloren evenwicht in de beloningsstructuur van ziekenhuizen wilt herstellen?4
Ik ben nagegaan welke rol ik kan spelen bij de benoeming van besturen en ben tot de conclusie gekomen dat ingrijpen in het bestuur van een zorginstelling geen recht doet aan de private verantwoordelijkheid van de partijen in de zorg. Dit geldt niet alleen voor het Maasstad Ziekenhuis, maar voor alle zorginstellingen, waaronder ook met MST. Het is de taak van de Raad van Toezicht om te besluiten of een bestuurder al zijn werkzaamheden moet stoppen. Daarnaast heeft de Cliëntenraad de bevoegdheid om een enquêteverzoek in te dienen bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer kan bij wanbeleid voorzieningen treffen zoals ontslaan van één of meer bestuurders of leden van de raad van toezicht.
Als het parlement de Wet Normering Topinkomens (TK 32 600) heeft aangenomen, kan ik ook ingrijpen als bestuurders worden aangenomen op een salaris dat hoger ligt dan voortvloeit uit de beloningscode voor bestuurders in de zorg (BBZ).
Ik ben wel verantwoordelijk voor de werking van het systeem. De IGZ grijpt in wanneer de kwaliteit van de zorg en de patiëntveiligheid in gevaar is. Ik stel anderen, zoals cliënten, cliëntenraden en verzekeraars in staat om hun verantwoordelijkheid te nemen als er iets mis gaat of dreigt te gaan. Deze kaders worden verduidelijkt en aangepast door de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) die zich op dit moment in de Tweede Kamer bevindt. Zo worden zorgaanbieders verplicht om ten minste één lid van de Raad van Bestuur te belasten met de portefeuille kwaliteit. Ook wordt de positie van cliëntenraden versterkt.
Bent u bereid ook dwingende regelgeving af te spreken inzake bijkomende voordeeltjes van directieleden als een auto van de zaak? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op uw vraag 3.
Bent u bereid alle zichzelf verrijkende zorgbestuurders op te sporen en met uw invloed druk op hen uit te oefenen zodat zij per ommegaande onder de Balkenendenorm van € 188 000 komen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft in het Regeerakkoord vastgelegd dat het de normeringswet (TK 32 600) in zal voeren.
Geweld binnen TBS-instellingen |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Nog twee gewonden door steekincident tbs’er»1, en «Twee incidenten bij tbs-kliniek Rooyse Wissel»2? Herinnert u zich de over onder andere het verband tussen incidenten in de Rooyse Wissel en personeelstekorten?3
Ja.
Zijn de genoemde incidenten in de tbs-instellingen in Vught en de Rooyse Wissel inderdaad incidenten of is er sprake van een structureler probleem?
Uit intern onderzoek is niet gebleken dat de incidenten met elkaar in verband staan of voortkomen uit structurele problemen.
Beschikt u over recente cijfers over geweldsincidenten in penitentiaire inrichtingen in het algemeen en tbs-instellingen in het bijzonder? Zo ja, kunt u die cijfers aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, deelt u de mening dat die cijfers wel bekend zouden moeten zijn? Hoe gaat u hiervoor zorgen?
Beschikt u over recente cijfers over geweldsincidenten in penitentiaire inrichtingen in het algemeen en tbs-instellingen in het bijzonder? Zo ja, kunt u die cijfers aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, deelt u de mening dat die cijfers wel bekend zouden moeten zijn? Hoe gaat u hiervoor zorgen?
De cijfers van geweldsincidenten in justitiële inrichtingen worden bijgehouden ten behoeve van de zogeheten planning en control cycli, die de Dienst Justitiële Inrichtingen hanteert bij de aansturing van de inrichtingen. In iedere cyclus zijn de cijfers van de geweldsincidenten als stuurindicator opgenomen. In de onderstaande tabel worden de geregistreerde geweldsincidenten binnen de penitentiaire inrichtingen en justitiële forensisch psychiatrische centra in 2010 weergegeven. De cijfers zijn ook weergegeven per 100 ingeslotenen.
Geregistreerde geweldsincidenten in 20104
Geweld onderling
Per 100 ingeslotenen
Gevangeniswezen
888
7,9
TBS intramuraal
17
0,9
Geweld tegen personeel
Per 100 ingeslotenen
Gevangeniswezen
615
5,5
TBS intramuraal
52
2,6
Hebben de tbs-instellingen in Vught en de Rooyse Wissel te kampen met een al dan niet structureel personeelstekort? Zo ja, hoe groot is dit tekort en waaraan is dit tekort te wijten?
In 2010 heeft FPC De Rooyse Wissel al aangegeven dat er geen sprake was van structurele personeelstekorten. Dit geldt nog steeds. Ook op de tbs-afdeling van FPC Pompestichting in Vught is momenteel geen sprake van personeelstekort.
Is bij een recente inspectie van de penitentiaire inrichtingen Vught door de Inspectie voor de Sanctietoepassing ook de tbs-afdeling onderzocht? Zo ja, wat was de uitkomst van die inspectie?
De tbs-afdeling van FPC Pompestichting te Vught is ten tijde van de doorlichting van p.i. Vught niet door de Inspectie voor de Sanctietoepassing onderzocht.
Bent u bekend met het onderzoek van Abvakabo FNV «DJI – Agressie & geweld en werkdruk» van maart 2011? Hoe oordeelt u over de conclusie dat agressie en geweld in penitentiaire inrichtingen een groot probleem is? Wat doet u met de conclusies uit het genoemde onderzoek?
Ja, ik ben bekend met de uitkomsten van het onderzoek van de Abvakabo. Aan dit onderzoek kunnen echter geen conclusies worden verbonden. Recentelijk heb ik uw Kamer bericht over het WODC-rapport «Ongewenste omgangsvormen tussen gevangenispersoneel»5. In dit rapport geeft het WODC over het onderzoek van de Abvakabo aan dat deze meting dusdanig ernstige tekortkomingen op het gebied van respons (18,7%) en representativiteit (nauwelijks verantwoord) kent, dat daaraan geen conclusies mogen worden verbonden.
Ik heb het WODC gevraagd onderzoek te doen naar omgangsvormen en bejegening. Uit dit onderzoek blijkt dat het percentage van het personeel dat ongewenste omgangsvormen ervoer door collega’s en leidinggevenden, steeg tussen 2004 en 2007 (tot 34 procent), maar daarna aanzienlijk daalde tot ongeveer 8,5 procent. Ook als de strenge definitie voor ongewenste omgangsvormen wordt gehanteerd (inclusief discriminatie en verbale agressie) daalt het onderling personeelsgeweld nog altijd (van 34 naar 18 procent). Tevens is in het onderzoek gekeken naar het aantal medewerkers van het gevangeniswezen dat ongewenste omgangsvormen van gedetineerden ervoer. In 2011 daalde dit aantal ten opzichte van 2007 met 10 procent naar ongeveer 36 procent. Wanneer de nieuwe categorieën verbale agressie en discriminatie worden meegerekend, is er sprake van een lichte stijging (van 46 procent naar ongeveer 52 procent).
Wat is u oordeel over de constatering in dit onderzoek dat het personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) vaak niet eens meer de moeite neemt om melding te maken van agressie en geweld jegens henzelf, omdat het vindt dat dat bij het werk hoort en omdat de werkgever te weinig met dergelijke meldingen doet? Deelt u de mening dat personeel van DJI’s wel melding zou moeten doen van dergelijke voorvallen en dat de werkgever daar wel iets mee zou moeten doen? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
De DJI investeert continu in een zo veilig mogelijke werkomgeving, bijvoorbeeld door de campagne Veiligheidsbewustzijn. Naast onder andere fit- en weerbaarheidstrainingen wordt er ook geïnvesteerd in preventie en agressieregulatie. Onder agressie en geweld wordt een breed scala aan uitingsvormen verstaan. Het gaat hier om verbale agressie, bedreiging, maar ook om fysieke agressie. De meeste voorkomende vorm van agressie is verbale agressie.
Afhankelijk van de ernst van de geuite agressie wordt conform de vastgestelde procedure melding gedaan bij leidinggevenden, vervolgens kan een disciplinaire straf of maatregel worden opgelegd. Bij lichtere vormen van agressie, zoals verbale agressie, wordt niet altijd melding gedaan, wel wordt altijd door het personeel tegen dit gedrag opgetreden. Centraal staat het stimuleren van
positief gedrag en het ontmoedigen van negatief gedrag van de gedetineerde. Deze maatregelen dragen bij aan het creëren van een veilige werksituatie binnen de penitentiaire inrichtingen6.
De reductie van geluidshinder door AWACS-vliegtuigen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
|
|
|
Ligt u op schema om op 01-01-2012 een geluidsreductie van 35% ten opzichte van het aantal toegestane vliegbewegingen in 2009 te hebben gerealiseerd zoals in de Kamer is verwoord?1 Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe ver bent u gevorderd en wat is het plan van aanpak en het daarbij horende tijdpad?
De Navo en de Navo-vliegbasis Geilenkirchen hebben maatregelen getroffen en hebben ontwikkelingen in gang gezet die moeten resulteren in de beoogde geluidsreductie in 2012. Voor het overige wordt verwezen naar de Voortgangsrapportage AWACS die heden naar de Kamer is gezonden.
Op welke wijze en waar precies wordt de geluidshinder door AWACS gemeten? Hoe wordt de reductie van geluidshinder in kaart gebracht?
Aan de Voortgangsrapportage AWACS is in bijlage een voorstel validatieprocedure geluidsreductie toegevoegd, in navolging van de motie Neppérus en Jansen (Kamerstuk 32 123 XI, nr. 70).
Zijn de resultaten van de geluidsmetingen openbaar? Zo nee, bent u bereid deze openbaar te maken via internet? Zo ja, waar kunnen belangstellenden de resultaten van die metingen inzien?
Zie antwoord vraag 2.
Is er aanleiding om, zoals de Kamer u heeft verzocht2, te starten met voorbereidingen om per 1 januari 2012 op grond van artikel 1, tweede lid, van de NAVO-binnenvliegregeling voorwaarden te stellen aan het vliegen met AWACS-vliegtuigen boven Nederlands grondgebied, zodanig dat de beoogde geluidsreductie alsnog bereikt wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Onwettig gebruik van DPI |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat het Centraal Informatiepunt Slachtoffers (CIS) het onderzoek naar oneigenlijk c.q. onwettig gebruik van Deep Paket Inspection (DPI) gesloten heeft en klagers daarvan op de hoogte gesteld heeft? Zo ja, welke aanleiding was er het onderzoek te sluiten? Zo nee, waarom heeft het CIS klagers dan die indruk gegeven?
Ieder arrondissement beschikt over een slachtofferinformatiepunt met een eigen telefoonnummer. Hier kunnen slachtoffers terecht met vragen over hun aangifte, de stand van een strafrechtelijk onderzoek of bijvoorbeeld slachtofferhulp. Het maakt hierbij niet uit of de gevraagde informatie afkomstig is van de politie of van het openbaar ministerie. Slachtofferinformatiepunten zoals het CIS hebben geen zelfstandige bevoegdheid om een aangifte te weigeren of een lopend strafrechtelijk onderzoek te sluiten.
Naar aanleiding van de aandacht in de media op 12 en 13 mei 2011 hebben diverse personen aangifte gedaan tegen het gebruik van deep packet inspection door hun provider. Deze aangiften zijn door verschillende regiokorpsen in het land opgenomen. Vanaf 13 mei 2011 heeft de landelijk officier van justitie voor cybercrime en interceptie de coördinatie van deze aangiften op zich genomen omdat het openbaar ministerie inmiddels besloten had tot een eigen oriënterend onderzoek naar de strafbaarheid van het gebruik van DPI. Nadat het OM het oriënterend onderzoek eind juli 2011 had afgerond, zijn de aangiften op gecoördineerde wijze geseponeerd. Voor de overwegingen om te seponeren verwijs ik naar het antwoord op vragen 3 en 4.
Klopt het dat de politie aan mensen die aangifte gedaan hebben van oneigenlijk c.q. onwettig gebruik van DPI, een dag na aangifte een brief gestuurd heeft waarin staat dat er «onvoldoende aanknopingspunten» zijn en «geen zicht is op een verdachte»? Zo ja, vindt u dat de politie in zo'n korte tijd adequate opsporing heeft kunnen verrichten naar het oneigenlijk c.q. onwettig gebruik van DPI?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe valt het staken van het onderzoek door CIS en politie te rijmen met het feit dat KPN heeft erkend gebruik te maken van de techniek en met het feit dat de OPTA constateert dat telecomproviders mogelijk de wet hebben overtreden en de providers zelf hebben aangegeven gebruik te blijven maken van DPI om het dataverkeer te analyseren?
Op 28 juli 2011 heeft het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie geconcludeerd dat een nader strafrechtelijk onderzoek niet in de rede ligt. Het OM heeft vastgesteld dat KPN zich niet schuldig heeft gemaakt aan overtreding van art. 139c Wetboek van Strafrecht (afluisteren/opnemen). Bij de inzet van het DPI-instrument heeft KPN gebruik gemaakt van een configuratie die de inhoudelijke communicatie van klanten versleutelde in een voor mensen niet herkenbare vorm. Hierdoor hebben medewerkers van (of werkend voor) KPN op geen enkele wijze kennis kunnen nemen van de inhoudelijke en vertrouwelijke communicatie van de klanten van KPN. Voor een uitgebreide uitleg over de bevindingen van het onderzoek van het OM verwijs ik naar mijn brief van 13 september 2011 aan uw Kamer heb gestuurd.
Het onderzoek van OPTA, waarnaar in de vraag wordt verwezen, is een voorlopig onderzoek naar het gebruik van DPI door telecomaanbieders. Op basis van deze «quick-scan» concludeert OPTA dat er in dit stadium van het onderzoek op basis van de Telecommunicatiewet geen aanleiding is voor handhavend optreden tegen de onderzochte aanbieders van mobiele netwerken. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) voert op dit moment een nader onderzoek uit naar de vraag of zich overtredingen van de Wet bescherming persoonsgegevens voordoen of hebben voorgedaan.
Is inmiddels bekend wat het oriënterend onderzoek van het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie naar mogelijk strafbare toepassing van de DPI-techniek door telecomproviders heeft opgeleverd? Zo nee, waarom niet en op welke termijn zijn de resultaten te verwachten? Zo ja, zijn de resultaten daarvan van dien aard dat het Openbaar Ministerie (nader) strafrechtelijk onderzoek zal doen?
Zie antwoord vraag 3.
Acht u de reactie van CIS en politie in overeenstemming met uw toezegging om uitvoering te geven aan de motie Braakhuis c.s.1, zoals gedaan tijdens het algemeen overleg VTE Raad van 24 mei jl.? Zo ja, waarom? Zo nee, op welke wijze en termijn wilt u nadere actie van politie en/of CIS bevorderen?
Ja, de motie-Braakhuis ziet op het vastleggen van netneutraliteit in de Telecommunicatiewet, zodat het voor providers niet langer mogelijk zou zijn in hun abonnementen te differentiëren op basis van het soort gebruik van dataverkeer. De motie verbiedt echter niet de telecomaanbieders om technieken als DPI te gebruiken binnen de wettelijke kaders om bijvoorbeeld het dataverkeer te managen.
Zoals bekend is op 22 juni 2011 door uw Kamer een nieuwe Telecomwet aangenomen, waarin providers verboden wordt bepaalde diensten of toepassingen te belemmeren of te vertragen, bijvoorbeeld door een zwaardere tarifering. Dit impliceert tevens dat providers geen technische analysemiddelen mogen inzetten met het doel een dergelijke differentiatie mogelijk te kunnen maken. Providers als KPN en Vodafone hebben, nadat deze wet door de Tweede Kamer was aangenomen, uitdrukkelijk aangegeven zich aan deze nieuwe regeling over netneutraliteit te houden op het moment dat deze van kracht is. De aangewezen instantie om er op toe te zien dat providers zich houden aan deze wettelijke waarborgen van de netneutraliteit (inclusief de in de wet genoemde uitzonderingsgevallen) is OPTA. Een rol voor het strafrecht ligt hier niet in de rede.
Inzet politie Kunduz in de bestrijding van de Taliban |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
|
|
|
Is het waar dat de Afghan Uniformed Police (AUP) in de provincie Kunduz niet langer alleen mag vechten uit zelfverdediging, zoals het voorgenomen beleid was, maar ook offensieve acties mag ondernemen, zoals politiecommandant Qatra stelt?1 Zo ja, wat zijn de nieuwe instructies en waarom zijn deze instructies afgegeven?
Nederland traint in het kader van de geïntegreerde politie trainingsmissie agenten van de Afghan Uniformed Police (AUP). Zij zullen worden ingezet voor de civiele taken die worden omschreven in de Afghaanse Nationale Politie Strategie, zoals gemeld aan uw Kamer in de brief van 28 maart 2011 (Kamerstuk 27 925, nr. 425).2 Deze taken omvatten onder meer het handhaven van openbare orde en veiligheid, het verrichten van opsporingsactiviteiten en het optreden in noodsituaties. De strategie voorziet niet in de inzet van de AUP voor offensieve militaire acties. Het valt niet uit te sluiten dat de AUP wordt geconfronteerd met gewapend geweld. In dat geval kan de AUP, conform de Nationale Politiestrategie, handelend optreden, uit zelfverdediging en ter bescherming van de bevolking.
In het licht van de debatten met uw Kamer hierover heeft de regering aanvullende verzekeringen gevraagd en gekregen van zowel de Afghaanse Minister van Binnenlandse Zaken, Bismillah Khan, de gouverneur van Kunduz, Jegdalek, als van de provinciale politiecommandant Qatra. Dit is 7 juni 2011 gemeld aan uw Kamer (Kamerstuk 27 925, nr. 428). Tijdens mijn bezoek aan Afghanistan begin juli zijn deze afspraken herbevestigd. De recente uitspraken van Qatra zijn in lijn met deze afspraken en de toezeggingen over dit onderwerp aan de Kamer.
Deelt u de opvatting dat de nieuwe instructies niet overeenkomen met de afspraken die met de Kamer zijn gemaakt? Kunt u dat toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de toedracht en de afloop van een vuurgevecht begin augustus waarbij Afghaanse politieagenten in een vuurgevecht waren verwikkeld met aanslagplegers op een hotel voor buitenlanders in Kunduz-stad? Hadden Nederlandse militairen in Kunduz een rol bij de opsporing van de aanslagplegers? Zo ja, welke?
Op 3 augustus jl. hebben opstandelingen het beveiligingsbedrijf LANT Defence aangevallen, waarbij een auto met explosieven en twee zelfmoordenaars werden ingezet. De AUP heeft zich naar de plaats delict begeven en raakte bij de inrekening van de twee zelfmoordenaars in een schotenwisseling verwikkeld. Bij dit incident zijn beide zelfmoordenaars omgekomen.
Nederlandse militairen hebben geen betrokkenheid gehad bij dit incident.
Is het waar dat AUP-deelname aan offensieve acties is gepland? Deelt u de opvatting dat AUP-deelname aan offensieve actie niet in overeenstemming met het mandaat van de Kamer is? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Hebt u kennisgenomen van een bericht dat de Afghan National Police in de omgeving van Kunduz-stad bij acties betrokken was die ook in tal van andere plaatsen in Afghanistan werden ondernomen en waarbij in totaal zeker 6 mensen om het leven zijn gekomen? Waren ook agenten van de AUP uit Kunduz bij deze operatie betrokken? Zo ja, op welke wijze? In hoeverre was deze betrokkenheid in overeenstemming met de afspraken?2
Ik heb van dit bericht kennis genomen. Mij zijn geen gegevens bekend waaruit blijkt dat agenten van de AUP iets anders hebben gedaan dan het uitvoeren van hun civiele taken, zoals beschreven in de Afghaanse Nationale Politie Strategie.
Terugvorderingen vanwege te hoge salarissen voor bestuurders |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u inmiddels 19 000 euro teruggevorderd op de rijksbijdrage van de TU Delft vanwege de overschrijding van het salaris van de bestuursvoorzitter, zoals u vorig jaar 3 november heeft aangekondigd? Zo nee, waarom niet?1
Ja, de terugvordering heeft inmiddels plaatsgevonden.
Is de korting van 19 000 euro ten koste gegaan van het budget voor onderwijs en onderzoek of heeft de bestuursvoorzitter dit geld uit eigen zak betaald?
Ik kan op dit moment alleen terugvorderen bij de instelling. In dit geval is het te vorderen bedrag in mindering gebracht op de rijksbijdrage van de betreffende instelling, onder gelijktijdige ophoging van het budgettaire macrokader van alle bekostigde universiteiten. De middelen komen, gegeven de mogelijkheden die de huidige bekostigingssystematiek biedt, weer beschikbaar voor het hoger onderwijs. Hierdoor worden deze middelen weer verdeeld over alle instellingen en blijven ze daarmee behouden voor het primaire proces in het hoger onderwijs.
Het wetsvoorstel «Normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector» (WNT), zoals deze nu in de Tweede Kamer voorligt, bevat een wettelijke procedure om, als een topfunctionaris werkzaam bij een onderwijsinstelling een beloning heeft ontvangen die in strijd is met de normering gebaseerd op de WNT, het teveel ontvangen bedrag bij de betrokken bestuurder terug te vorderen.
Indien het geld niet op de persoon zelf is verhaald, deelt u de mening dat u alsnog alles op alles moet zetten om dit gedaan te krijgen, conform de motie Jasper van Dijk? Zo ja, wat gaat u hiertoe ondernemen?2
Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat u een wettelijk instrument zou moeten hebben om dit geld bij de persoon in kwestie te kunnen terugvorderen?
Zoals ik al in mijn antwoord op vraag 2 heb aangegeven, voorziet de WNT in een dergelijke mogelijkheid.
Hoe staat het met het terugvorderen van teveel betaalde salarissen en declaraties aan bestuurders van Hogeschool InHolland? Heeft het juridisch onderzoek naar mogelijkheden om geld op personen te verhalen, iets opgeleverd?3
De bedoelde terugvorderingen hebben nog niet plaatsgevonden. Conform de Algemene wet bestuursrecht worden binnenkort de betreffende conceptbesluiten voor hoor en wederhoor voorgelegd aan het College van bestuur van de Hogeschool Inholland.
Het juridisch onderzoek dat Inholland heeft laten instellen naar de mogelijkheden om te kunnen terugvorderen bij de betrokken bestuurders is nog niet afgerond. Zodra dit is afgerond, zal ik de Tweede Kamer over de uitkomsten informeren.
Indien er inderdaad juridische mogelijkheden zijn om geld op personen te verhalen, bent u dan bereid om dit ook te doen bij de bestuursvoorzitter van de TU Delft? Zo nee, waarom niet?
Pas na inwerkingtreding van de WNT heb ik juridische mogelijkheden om bezoldigingen – voor zover zij de wettelijke norm te boven gaan – terug te vorderen bij de betrokken bestuurder. Voor de casus van de bestuursvoorzitter van de TU Delft bestaat die mogelijkheid nog niet.
Heeft het OM al besloten om (verder) onderzoek te doen naar de declaraties van bestuurders van Hogeschool InHolland, zoals u meedeelde in het algemeen overleg van 28 juni jl.?3
Het Functioneel Parket heeft de FIOD opdracht gegeven een oriënterend onderzoek in te stellen, teneinde vast te stellen of sprake is van mogelijk strafbare feiten bij Hogeschool InHolland. Aangezien het onderzoek nog niet is afgerond kunnen hierover geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
Deelt u de mening dat bestuurders van onderwijsinstellingen niet anders behandeld dienen te worden dan het personeel van onderwijsinstellingen? Zo ja, bent u bereid om het zogenaamde governance-model te heroverwegen, waarbij bestuurders buiten de cao vallen en eigen regels in vrijblijvende gedragscodes vastleggen? Zo nee, hoe voorkomt u dat bestuurders «boven de wet» blijven staan waardoor niet hun salaris, maar het budget van de instelling wordt gekort?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het RTL Nieuwsinterview met de politiecommandant Samiullah Qatra |
|
Mariko Peters (GL), Joël Voordewind (CU) |
|
|
|
|
Hoe duidt u de uitspraak van de politiecommandant in RTL Nieuws1 dat de kans groot is dat de door Nederland opgeleide agenten in Kunduz moeten vechten?
Nederland traint in het kader van de geïntegreerde politie trainingsmissie agenten van de Afghan Uniformed Police (AUP). Zij zullen worden ingezet voor de civiele taken die worden omschreven in de Afghaanse Nationale Politie Strategie, zoals gemeld aan uw Kamer in de brief van 28 maart 2011 (Kamerstuk 27 925, nr. 425).2 Deze taken omvatten onder meer het handhaven van openbare orde en veiligheid, het verrichten van opsporingsactiviteiten en het optreden in noodsituaties. De strategie voorziet niet in de inzet van de AUP voor offensieve militaire acties. Het valt niet uit te sluiten dat de AUP wordt geconfronteerd met gewapend geweld. In dat geval kan de AUP, conform de Nationale Politiestrategie, handelend optreden, uit zelfverdediging en ter bescherming van de bevolking.
In het licht van de debatten met uw Kamer hierover heeft de regering aanvullende verzekeringen gevraagd en gekregen van zowel de Afghaanse Minister van Binnenlandse Zaken, Bismillah Khan, de gouverneur van Kunduz, Jegdalek, als van de provinciale politiecommandant Qatra. Dit is 7 juni 2011 gemeld aan uw Kamer (Kamerstuk 27 925, nr. 428). Tijdens mijn bezoek aan Afghanistan begin juli zijn deze afspraken herbevestigd. De recente uitspraken van Qatra zijn in lijn met deze afspraken en de toezeggingen over dit onderwerp aan de Kamer.
Wat is in Kunduz de rol van de Afghan Uniformed Police (AU(C)P) bij speciale acties tegen de Taliban en criminele bendes? Om wat voor speciale acties gaat het?
Zie antwoord vraag 1.
Past de wijze waarop de politiecommandant zijn agenten inzet bij speciale acties volgens u binnen de afspraken met de Afghaanse autoriteiten? Kunt u dat toelichten?
Nederland heeft goede afspraken gemaakt met de Afghaanse autoriteiten over de civiele inzet van door Nederland getrainde agenten. Politiechef Qatra is zich goed bewust van die afspraken. Als door Nederland opgeleide agenten toch betrokken zouden worden bij offensieve militaire acties, zou dat in strijd zijn met de gemaakte afspraken en zal de regering passende maatregelen nemen, zoals is afgesproken met uw Kamer.
Bent u bereid de beantwoording van deze vragen mee te nemen in de eerstkomende stand van zakenbrief?
Ik vind het zinnig de vragen nu te beantwoorden.
De aanhouding van een fotograaf op Utrecht CS |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht1 dat de Utrechtse spoorwegpolitie een freelance fotograaf heeft aangehouden op het plein bij het NS-station Utrecht Centraal? Deelt u de mening dat het enkele feit dat iemand foto’s maakt nog geen aanleiding vormt om iemands identificatiedocument te vorderen, laat staan aan te houden?
Ja. Het maken van foto’s op zichzelf vormt geen aanleiding tot politieoptreden. Dat was echter niet de aanleiding voor het ingrijpen door de politie. Zie verder het antwoord op vraag 3 en 4.
Klopt het bericht2 dat een columnist eveneens op NS-station Utrecht Centraal door de politie gesommeerd is een afbeelding van zijn fotocamera te verwijderen?
Ja. Op 7 augustus 2007 maakte een journalist in de stationshal van Utrecht Centraal een foto van een medewerker van de NS op een Segway. Omdat de medewerker hiertegen bezwaar maakte, is de fotograaf door agenten van de Spoorwegpolitie gevorderd de foto te wissen. Uiteindelijk is dit gebeurd door de dienstdoende medewerker van de Spoorwegpolitie en niet door de fotograaf zelf. Een door de Nederlandse Vereniging van Journalisten ingediende klacht is gegrond verklaard. De betrokken journalist heeft een schadevergoeding gekregen van 250 euro wegens het verwijderen van de foto en het daarmee mogelijk benadelen van zijn inkomsten.
Sinds wanneer en waarom is het verboden om in de publieke ruimte foto’s te maken? Hoe had de columnist moeten weten dat hij geen foto’s had mogen maken bij Utrecht Centraal? Zijn daar nog meer dingen verboden waar niemand weet van heeft?
Het maken van foto’s in de publieke ruimte, zoals in dit geval het Stationsplein te Utrecht, is een ieder toegestaan. Vrije nieuwsgaring ontslaat professionele fotografen en/of journalisten echter niet van de verplichting om zich te houden aan ter plaatse geldende wettelijke voorschriften. Daarnaast kunnen factoren als de wijze waarop en wanneer foto’s worden gemaakt omstandigheden creëren op basis waarvan een opsporingsambtenaar een interventie kan plegen.
Uit het verstrekte ambtsbericht is mij gebleken dat het fotograferen in de situatie waar vraag 1 op doelt volgens de verbalisanten van het KLPD een overtreding opleverde van artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000. De dienstdoende politieambtenaren meenden dat het maken foto’s van reizigers en ander publiek op een zodanige wijze geschiedde dat de orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang op en rond het station werd of kon worden verstoord. Op een daarop volgend verzoek van de politieambtenaar van het KLPD aan de betrokkene om zich te legitimeren werd geen medewerking verleend. Betrokkene werd vervolgens om die reden aangehouden.
Het incident als bedoeld in vraag 1 is door het KLPD geëvalueerd. Daarbij is geconstateerd dat de mate van hinder of overlast niet of onvoldoende kon worden vastgesteld. Door de dienstleiding van de spoorwegpolitie zijn excuses gemaakt aan de betreffende fotograaf.
Hoe hoort in dit soort situaties in het algemeen de omgang tussen agenten en journalisten en fotografen te zijn? Deelt u de mening dat aanhouding een ongewenst effect heeft op de uitoefening van de vrije nieuwsgaring door journalisten en fotografen? Deelt u de mening dat het maken van foto’s in beginsel voor iedereen mogelijk moet zijn, ook al is het een veiligheidsrisicogebied?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er vergelijkbare gevallen bekend? Zo ja, welke gevolgen heeft ingrijpen gehad op de vrije nieuwsgaring? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te doen?
Mij is niet bekend of er nog meer gevallen bestaan waarbij fotografen of journalisten bij hun vrije nieuwsgaring op enigerlei wijze de wet overtreden en vervolgens zijn aangehouden. Het optreden van de spoorwegpolitie in beide gevallen is in het kader van respectievelijk een klachtenprocedure en een interne evaluatie opnieuw gewogen. Daaruit is lering getrokken die bij soortgelijke situaties zal worden meegenomen. De afhandeling van de incidenten acht ik zorgvuldig en professioneel. Ik zie geen noodzaak om daarnaast nog een onderzoek in te stellen.
Bent u bereid om nog eens kritisch te bezien of deze regels wel strikt noodzakelijk zijn en de handelswijze wel de proportionaliteitstoets kunnen doorstaan en politiefunctionarissen daarop te instrueren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 5.
Deelt u de mening dat onze dienders zich veel beter kunnen bezig houden met het bestrijden van echte overlast en criminaliteit in plaats van mensen aan te houden die kiekjes maken? Zo nee, waarom niet?
Het opsporen van strafbare feiten – ook als die gepleegd worden door personen die foto’s maken omdat zij zich schuldig maken aan overtreding van artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000 – is een politietaak. Zie verder het antwoord op de vragen 3, 4 en 5.