De politiecapaciteit voor de begeleiding van wielerwedstrijden |
|
Inge van Dijk (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van de uitvoering van de motie-Inge van Dijk c.s. waarin verzocht wielerwedstrijden op korte termijn perspectief te bieden zodat wielerwedstrijden doorgang kunnen blijven vinden?1
Op 1 oktober 2024 is het onderzoek van Antea Group afgerond. Er is onderzocht of motorverkeersregelaars (hierna: MVR) de begeleidingstaken, of een deel daarvan, op vergelijkbare wijze (zelfde beheersing van veiligheidsrisico’s) kunnen overnemen van politiemotorrijders.
Het onderzoek van Antea Group wordt zo spoedig mogelijk met uw Kamer gedeeld. In de begeleidende brief, die u zo spoedig mogelijk ontvangt, zullen de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Infrastructuur en Waterstaat en ik in gaan op de aanknopingspunten in het onderzoek en hoe deze verder opgepakt worden. Tevens zal in deze brief worden ingegaan op de motie-Inge van Dijk3, die het kabinet oproept om samen met de KNWU de praktische problemen rond de inzet van MVR op te lossen.
Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat het uiteindelijke besluit tot de inzet van onder meer MVR of statische verkeersregelaars lokaal wordt genomen. Op lokaal niveau nemen organisatoren het initiatief tot het organiseren van wielerwedstrijden. Zij zijn primair zelf verantwoordelijk voor een veilig en ordelijk verloop. De burgemeester geeft een vergunning af met daarin de voorwaarden waaraan een wielerwedstrijd moet voldoen om plaats te kunnen vinden. De politie adviseert samen met andere partijen de burgemeester, die als bevoegd gezag besluit over de vergunningsverlening voor wielerkoersen. Daarbij staat veiligheid voor onder meer deelnemers, toeschouwers en andere verkeersdeelnemers altijd voorop.
Kunt u schetsen welke impact de recente oproep van de politie om volgend jaar zo min mogelijk evenementen te laten plaatsvinden rond de NAVO-top in Den Haag heeft op de mogelijkheid om wielerwedstrijden te laten begeleiden door de politie?2
De precieze inzet van politiemotorrijders in aanloop naar en tijdens de NAVO-top is op het moment van schrijven nog niet duidelijk. Wel is duidelijk dat het veel vraagt van de al schaarse politiecapaciteit. Daarom heeft de politie aangegeven vooraf geen toezeggingen te kunnen doen over de begeleiding van wielerwedstrijden in de periode van 01-01-2025 tot 31-08-2025.
Mocht er toch beperkte capaciteit beschikbaar zijn, dan gaat de politie in overleg met de KNWU over mogelijke begeleiding bij een beperkte selectie wedstrijden.
Verder betekent dit dat veel organisatoren van wielerwedstrijden op de openbare weg hun organisatie anders vorm zullen moeten geven, om een veilig en ordelijk verloop te kunnen waarborgen.
Dit zorgt voor een versnelde behoefte aan een landelijke werkwijze voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars, die in de hiervoor aangekondigde Kamerbrief wordt beschreven. Dit kan comfort bieden aan lokaal bevoegd gezag om wielerwedstrijden op de openbare weg anders te organiseren. De KNWU neemt het voortouw in het opstellen van deze werkwijze. De ministeries onderzoeken of er ondersteuningsmogelijkheden zijn.
Klopt het dat er door de organisatie van de NAVO-top van 24 tot 26 juni 2025 gedurende een langere periode – van half april tot en met eind augustus – sprake zal zijn van verminderde politiecapaciteit voor de begeleiding van evenementen zoals wielerwedstrijden?
Zie antwoord vraag 2.
Op welke termijn kan de politie duidelijkheid verschaffen welke politiecapaciteit in welke periodes beschikbaar is voor de begeleiding van wielerwedstrijden? Wanneer moet volgens u die duidelijkheid er zijn, zodat men nog voldoende tijd heeft om het evenement te organiseren?
Zie antwoord vraag 2.
Wanneer wordt het onderzoek naar aanleiding van de motie-Inge van Dijk over de inzet van vrijwillige burgermotorrijders bij wielerwedstrijden, uitgevoerd door Antea Group, naar de Kamer gestuurd?3
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de urgentie om meer mogelijkheden te creëren voor het organiseren van wielerwedstrijden met minder politie-inzet? Geeft het onderzoek van Antea Group hier aanknopingspunten voor?
Zie antwoord vraag 1.
Indien het onderzoek van Antea Group aanknopingspunten geeft, bent u dan bereid zo spoedig mogelijk hiermee aan de slag te gaan zodat organisatoren zo spoedig mogelijk duidelijkheid hebben en wielerwedstrijden in 2025 zo veel mogelijk doorgang kunnen vinden?
Zie antwoord vraag 1.
Mishandelingen in een jeugdzorginstelling |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Struycken |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Daisy deed aangifte van mishandeling in jeugdzorginstelling, maar wat ze meemaakte was «volgens protocol»»?1
Ja.
Kunt u verklaren hoe het inzetten van pijnprikkels als «onderdeel van het protocol», kennelijk is toegestaan in Nederland? Is het nog steeds zo dat jeugdhulpaanbieders pijnprikkels mogen inzetten? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot (internationale) mensen- en kinderrechten? Zo nee, sinds wanneer mag dit niet meer?
Op grond van de huidige Jeugdwet is het toepassen van pijnprikkels niet toegestaan, ook niet als vrijheidsbeperkende maatregel in de gesloten jeugdhulp. Dat was ook al voordat op 1 januari 2024 de Wet rechtspositie gesloten jeugdhulp in werking is getreden. Het inzetten van pijnprikkels is ook in strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind. Ik verwijs hierbij ook naar de beantwoording van eerdere Kamervragen.2
Deelt u de mening dat onder de vrijheidsbeperkende maatregelen die onder bepaalde voorwaarden in de jeugdwet mogen worden ingezet, op geen enkele manier maatregelen vallen die bewust pijn toebrengen? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het bokkepootje, een handeling waarbij de duim naar de pols wordt gedraaid en die per definitie flinke pijn veroorzaakt?
De Jeugdwet kent onder andere als vrijheidsbeperkende maatregel vastpakken en vastpakken en vasthouden.3 Bij de toepassing van deze maatregel komt het soms voor dat dit vastpakken de jeugdige pijn doet. Het gaat dan niet om het toedienen van een pijnprikkel, maar om pijn als gevolg van een escalatie waarbij medewerkers een jeugdige vastpakken. Een handeling die erop gericht is pijn te veroorzaken past niet in het zorgvuldig toepassen van deze vrijheidsbeperkende maatregel.
Valt het toedienen van het bokkepootje aan minderjarigen volgens u onder kindermishandeling? Onder welke voorwaarden wel en niet?
De omschrijving van kindermishandeling in de Jeugdwet (artikel 1.1) luidt: «Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.»
Een handeling die erop gericht is pijn te veroorzaken, zoals een bokkepootje, mag niet als vrijheidsbeperkende maatregel worden ingezet. Een dergelijke handeling valt mijns inziens onder de definitie van kindermishandeling in de Jeugdwet.
Bij wie moeten jongeren terecht die in een instelling zaten die diverse keren door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is berispt, onder toezicht heeft gestaan en uiteindelijk zelfs is gesloten vanwege geconstateerde misstanden, nu de strafrechtelijke weg afgesloten lijkt te zijn?
Voorafgaand aan het antwoord op deze vraag merk ik op dat de instelling Jeugdhulp Friesland, waarover het artikel uit het Algemeen Dagblad gaat waarnaar u in de eerste vraag verwijst, nooit is berispt door de IGJ of onder verscherpt toezicht heeft gestaan.
Dat jongeren die geweld hebben meegemaakt in een instelling behoefte hebben aan individuele erkenning en genoegdoening, kan ik mij zeer goed voorstellen.
Dit kan op verschillende manieren gevonden of geboden worden. Bijvoorbeeld doordat een instelling excuses maakt voor leed dat een jeugdige bij hen heeft ondervonden, of een gesprek tussen jeugdigen en hun oud-behandelaars. In deze situatie heeft Jeugdhulp Friesland mij gemeld meerdere malen met een aantal jongeren gesproken te hebben en hulp aangeboden te hebben aan deze jongeren.
Een andere mogelijkheid is via de klachtenregeling van de instelling, of de strafrechtelijke route door middel van een aangifte bij de politie. Ik kan me daarbij voorstellen dat slachtoffers die aangifte hebben gedaan teleurgesteld zijn als de aangifte niet tot een vervolging leidt. Het is aan het OM te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit dat kan worden vervolgd.
De jongere kan de instelling civielrechtelijk aanspreken en zo nodig een gerechtelijke procedure te starten. In dat geval is het uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of sprake is van onrechtmatig handelen.
Misschien ten overvloede, maar het staat jongeren uiteraard vrij een andere vorm van (juridische) ondersteuning of informele steun uit het netwerk te betrekken.
Deelt u onze mening en die van Kinderrechter Bart Tromp, die vorig jaar stelde dat hier fundamentele rechten van kinderen en ouders zijn geschonden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke fundamentele rechten zijn dat volgens u?2
De onaantastbaarheid van het lichaam en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zijn fundamentele grondrechten van iedereen en dus ook van jeugdigen. De Grondwet en internationale verdragen, zoals het Europees verdrag inzake de Rechten van de Mensen (EVRM), stellen eisen aan het beperken van die grondrechten. De beperkingen moeten in regelgeving zijn opgenomen, moeten een legitiem doel hebben en moeten noodzakelijk zijn. Soms is het noodzakelijk om grondrechten te beperken. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om iemand gedwongen op te nemen in een instelling omdat iemands gezondheid anders in gevaar zou komen.
De hierboven genoemde eisen zijn verder uitgewerkt in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet; het deel van de Jeugdwet dat betrekking heeft op gesloten jeugdhulp.
Op grond van hoofdstuk 6 geldt als eerste dat het toepassen van maatregelen tegen de wil van een jeugdige alleen is toegestaan als de rechter een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp heeft verleend. Bovendien moet altijd worden voldaan aan alle andere onderdelen van hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. Zo mogen jeugdhulpaanbieders uitsluitend de vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen die genoemd worden in hoofdstuk 6. Bij het toepassen van die maatregelen geldt het «nee, tenzij-beginsel. Dat houdt in dat ook die genoemde maatregelen niet zijn toegestaan, tenzij wordt voldaan aan de gestelde eisen.
Een maatregel moet noodzakelijk, geschikt en proportioneel zijn. Het moet duidelijk zijn dat een minder zware maatregel niet mogelijk is. Verder mag een maatregel alleen worden toegepast als dat noodzakelijk is voor de veiligheid of gezondheid van de jeugdige of anderen, of om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken. Dat moeten concrete doelen zijn, die zijn opgenomen in het hulpverleningsplan van een jeugdige. Maatregelen mogen nooit als doel hebben om een jeugdige te bestraffen en mogen er ook niet op gericht zijn om een jeugdige pijn te doen.
Als het toepassen van vrijheidsbeperkende maatregelen niet voldoet aan de Jeugdwet kan dit leiden tot schending van fundamentele grondrechten. Dat zal altijd per individueel geval beoordeeld moeten worden.
Zou u, gezien de eerdere bevindingen in onder meer inspectierapporten, de inzet van pijnprikkels aan minderjarigen en de andere gebeurtenissen kwalificeren als «lichte» of «zware» mishandelingen? Op basis waarvan wordt deze afweging gemaakt?
Een kwalificatie licht of zwaar valt niet te geven. De definitie in de Jeugdwet van kindermishandeling kent geen onderscheid tussen lichte en zware kindermishandeling. Kwalificaties van vormen van mishandeling zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Van eenvoudige mishandeling (artikel 300 Sr) is sprake als opzettelijk pijn of letsel wordt toegebracht. Zware mishandeling (artikel 302 Sr) is aan de orde als opzettelijk zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Van zwaar lichamelijk letsel is op grond van artikel 82 Sr in ieder geval sprake bij (onder meer) ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing bestaat en een storing van verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten de gevallen genoemd in artikel 82 Sr kan sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel. De Hoge Raad benoemt als algemene gezichtspunten voor de
beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (ECLI:NL:HR:2018:1051).
Herinnert u zich het rapport van commissie De Winter die onderzoek deed naar geweld en grensoverschrijdend gedrag in de jeugdzorg? Herinnert u zich de belofte van uw ambtsvoorganger om de aanbevelingen over te nemen? Geldt deze belofte ook onverkort voor u?
Ja.
Zo ja, hoe plaatst u deze uitkomst in het proces tot de aanbevelingen die gaan over erkenning en hulp aan slachtoffers?
Ik kan mij voorstellen dat de uitkomst in het proces voor de betrokken jongeren moeilijk is, ook in het licht van de aanbevelingen van Commissie De Winter. In de antwoorden op vragen 10, 11 en 12 ga ik hier verder op in.
De Commissie De Winter heeft verschillende aanbevelingen gedaan over erkenning en hulp aan slachtoffers. De overheid heeft deze in de breedte overgenomen en verschillende maatregelen getroffen, waaronder:
De Universiteit voor Humanistiek, onder coördinatie van het WODC, evalueert alle erkenningsmaatregelen naar aanleiding van het rapport van de Commissie De Winter. De resultaten verwachten de Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik in het voorjaar van 2025. Die delen we dan ook met uw Kamer.
Hoe kan het dat er voor de slachtoffers in dit artikel geen slachtofferhulp voorhanden is? Deelt u de mening dat ook dit niet in lijn is met de aanbevelingen van de commissie De Winter?
Het is van belang dat slachtoffers ondersteuning of hulp kunnen krijgen. Naar aanleiding van de adviezen van Commissie De Winter heeft het Trimbos-instituut het Centraal informatie en expertisepunt (CIE) opgezet. Dit is een website met informatie voor slachtoffers, naasten en professionals. Deze website is in ieder geval dit jaar nog beschikbaar. Slachtoffers konden ook bellen en chatten met medewerkers van het CIE om hun verhaal te doen en om hun hulpvragen te stellen. De Universiteit voor Humanistiek evalueert ook deze maatregel, zoals aangegeven in antwoord 9.
Begrijpt u hoe moeilijk het is voor slachtoffers om met hun verhaal naar buiten te treden en aangifte te doen en dat het zelfs hertraumatiserend is als blijkt dat een aangifte tot niets leidt? Welke boodschap geeft dit aan andere slachtoffers volgens u?
Ja, ik kan me voorstellen dat het ontzettend moeilijk is voor slachtoffers om met hun verhaal naar buiten te treden en vervolgens te merken dat aangifte doen niet altijd tot de gewenste uitkomsten leidt. Toch wil ik graag via deze weg een appèl doen op iedereen die te maken heeft met (vermoedens van) misstanden om dit te blijven melden. Uiteindelijk is dat de enige manier om met elkaar te proberen misstanden te voorkomen. Het kan slachtoffers ook echt iets opleveren om zich wel te melden voor hulp zodat zij beter beschermd kunnen worden en leed kan worden erkend. Binnen de jeugdhulp zijn er verschillende mogelijkheden melding te doen of een klacht in te dienen:
Ik zie het als mijn taak om samen met de sector, ervaringsdeskundigen en anderen ervoor te zorgen dat misstanden zoveel mogelijk voorkomen worden, maar ook dat er adequaat opvolging wordt gegeven aan meldingen van geweld, onveiligheid of andere misstanden.
Bent u ervan bewust dat veel pijn bij slachtoffers zit in het feit dat mishandelingen die zij als kind meemaakten inmiddels zijn verjaard en daardoor vaak de erkenning ontbreekt voor wat zij hebben meegemaakt? Zo ja, bent u bereid om ook in navolging van de commissie De Winter meer te doen om slachtoffers te ondersteunen en te erkennen?
Voor vele slachtoffers die onder de doelgroep van Commissie De Winter vielen, gold dat de mishandelingen die zij hebben meegemaakt al waren verjaard. Commissie De Winter heeft onderzoek gedaan naar geweld in de jeugdzorg in de periode 1945–2019. Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de overheid excuses gemaakt aan slachtoffers. Deze excuses en de hierop volgende erkenningsmaatregelen zijn juist ook voor slachtoffers wiens individuele zaak inmiddels is verjaard.
De Commissie De Winter heeft verschillende aanbevelingen gedaan over erkenning en hulp aan slachtoffers. De overheid heeft deze in de breedte overgenomen en verschillende maatregelen getroffen, waaronder:
De Universiteit voor Humanistiek, onder coördinatie van het WODC, evalueert alle erkenningsmaatregelen naar aanleiding van het rapport van de Commissie De Winter. De resultaten verwachten de Staatssecretaris Rechtsbescherming en ik in het voorjaar van 2025. Die delen we dan ook met uw Kamer.
Gelet op de genomen maatregelen om slachtoffers te ondersteunen en te erkennen en de lopende evaluatie daarvan zie ik nu geen reden meer te doen.
Kent u de brief van de Nederlandse Stichting Water- & Zwemveiligheid (NSWZ) betreft het verzoek tot heroverweging van de voorgenomen Btw-verhoging op zwemlessen van 30 september jl.?
Ja.
Is er volgens u een significant verschil tussen zwemles van een commerciële partij en zwemles van een niet-commerciële partij? Zo ja, waar berust dit verschil op? Zo nee, hoe kijkt u dan tegen een Btw-verschil van 21 procentpunt aan?
Of er een verschil in kwaliteit of inhoud is tussen zwemles van een commerciële partij en zwemles van een niet-commerciële partij is voor de bepaling van het btw-tarief niet relevant. Voor de btw-heffing geldt dat het al dan niet beogen van winst het onderscheidende criterium is. Het is juist dat de btw-verhoging met name commerciële aanbieders raakt. Daarbij is het overigens niet zo dat door de btw-verhoging een verschil van 21 procentpunten ontstaat met niet-winst beogende ondernemers. In tegenstelling tot niet-winstbeogende ondernemers kunnen winst beogende ondernemers hun inkoop-btw namelijk in aftrek brengen waardoor het verschil kleiner is dan 21 procentpunten.
Beschouwt u zwemlessen voor het ABC-diploma als een essentiële vorm van onderwijs of als een onderdeel van sport?
Het is belangrijk dat iedereen in ons land kan leren zwemmen. Zwemles is echter geen onderdeel van het curriculum voor het funderend onderwijs. Wel is het mogelijk om via scholen elementen van het bewegingsonderwijs in een wateromgeving aan te leren. Dit is de zogenoemde natte gymles. Op dit moment laten het Ministerie van OCW en VWS op verzoek van uw Kamer enkele scenario’s onderzoeken voor de invoering van schoolzwemmen, onder andere in een variant waarbij schoolzwemmen «oude stijl» wordt heringevoerd in het primair onderwijs. Ik verwacht u de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2025 toe te kunnen sturen. Op basis daarvan en bezien in relatie tot het regeerprogramma kan een afweging gemaakt worden of zwemles weer onderdeel van onderwijs zou moeten worden of alleen onderdeel is van sport buiten het onderwijs om.
Verwacht u dat Btw-verhoging op zwemles van commerciële partijen stand houdt bij de rechter, gezien de rechterlijke uitspraak dat zwemles een onderwijsactiviteit is die essentieel is en niet gelijkgesteld kan worden aan sport?1
De verwachting is dat de btw-verhoging op zwemles standhoudt bij de rechter. Het Hof van Justitie van de EU heeft namelijk in zijn arrest van 21 oktober 2021 in de zaak C-373/19 (Dubrovin & Tröger GbR- Aquatics) bepaald dat zwemlessen van commerciële partijen niet onder de btw-vrijstelling voor onderwijsactiviteiten in de Europese btw-richtlijn (2006/112) vallen. Dit betekent dat wanneer commerciële partijen zwemlessen aanbieden, zij btw in rekening moeten brengen.
Is er gedegen onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid van commerciële zwemlessen als gevolg van de Btw-verhoging? Zo nee, waarom niet?
In de ambtelijke fichebundel naar aanleiding van de evaluatie van het verlaagde btw-tarief2 is gekeken naar de verwachte impact van het afschaffen van het verlaagde tarief op, onder meer, zwemlessen. Hier is ingeschat dat de btw-verhoging bij gelijkblijvend overig beleid leidt tot een lichte afname van zwemlessen gegeven door winst-beogende instellingen. De mate hiervan is sterk afhankelijk van de mate van doorberekening van de btw-verhoging en de uiteindelijke prijsgevoeligheid voor zwemlessen. In veel gevallen bestaan er voor mensen uit lagere inkomensgroepen een gemeentelijke tegemoetkoming voor zwemlessen, wat de uiteindelijke impact verder dempt.
Wat is de prijselasticiteit van zwemles? In andere woorden, hoeveel van de Btw-verhoging wordt doorberekend aan de afnemers van de zwemles? En hoeveel duurder wordt de gemiddelde commerciële zwemles als gevolg van de Btw-verhoging?
De mate waarin de btw-verhoging wordt doorberekend aan de afnemers van de zwemles is lastig in te schatten. De reden hiervoor is dat zwemles zowel door winst-beogende als niet-winstbeogende partijen gegeven wordt en deze laatste aanbiedingswijze onder de btw-vrijstelling voor sport kan vallen en zal blijven vallen. Voor zwemlessen waar btw over geheven wordt, ligt het in de rede dat de prijs voor de afnemer zal toenemen door de btw-verhoging maar dit is ook afhankelijk van de uiteindelijke doorberekening in de prijzen voor consumenten. Zwemlessen aangeboden door gemeenten of organisaties zonder winstoogmerk in, bijvoorbeeld, gemeentelijke zwembaden kunnen onder de vrijstelling vallen waardoor de btw-verhoging hier niet zal leiden tot een prijsverhoging.
Verwacht u dat de «zorgwekkende trend» van prijsverhogingen en het afnemende aantal zwemdiploma’s onder kinderen met deze Btw-verhoging wordt doorbroken of juist versterkt? Is er zicht op het aantal kinderen dat door deze prijsstijging niet meer deel kan nemen aan de zwemles?
Het exacte aandeel kinderen dat niet of niet meer deel kan nemen aan zwemles als gevolg van de btw-verhoging is niet bekend. Wel zie ik dat in 2023 ruim 20.000 kinderen via het Jeugdfonds Sport en Cultuur voor een totaalbedrag van 7,8 miljoen euro ondersteuning hebben ontvangen om zwemles te volgen. Deze ondersteuning blijft ook in de toekomst beschikbaar.
Hoe groot is het deel van de zwemlessen voor het ABC-diploma dat door commerciële zwemaanbieders wordt aangeboden?
Door de grote diversiteit van zwemlesaanbieders in ons land is dit onbekend.
Wat zijn de effecten voor de prijs van zwemles voor mensen met een beperking? Uit cijfers van het Kenniscentrum Sport en Bewegen blijkt dat 44% van de mensen met een beperking Btw-belast sport, zijn er soortgelijke cijfers voor zwemles voor mensen met een beperking? Wat is uw oordeel over het feit dat zoveel mensen met een beperking waarschijnlijk meer moeten betalen voor hun zwemles?2
Er zijn geen cijfers beschikbaar die betrekking hebben op zwemles voor mensen met een beperking. Uit gesprekken met de sector blijkt echter wel dat veel kinderen uit het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs zwemles volgen via de onderwijsinstelling. Deze zwemlessen worden dus gegeven door organisaties zonder winstoogmerk en worden niet geraakt door de btw-verhoging.
Hoeveel zwembaden zijn nog in publieke handen? En hoeveel zijn eigendom van commerciële partijen?
Hetgeen u vraagt over de eigendomsverhouding van zwembaden in Nederland is op dit moment niet bekend. De verwachting is dat voor het eind van dit jaar deze informatie wel bekend zal zijn aan de hand van nieuw onderzoek4 van het Mulier Instituut. Het Mulier Instituut rapporteerde vorig jaar5 dat in Nederland in totaal 1.838 zwembaden zijn. Zwembaden kunnen in handen zijn van de gemeente, een stichting en een NV of BV. Dit kan ook een NV of een BV zijn die volledig in eigendom is van de gemeente.
Kunt u inzichtelijk maken in welke gemeenten er enkel sprake is van commerciële zwemaanbieders, waardoor inwoners beperkte keuzevrijheid hebben?
Nee, dat is niet mogelijk omdat beperkt inzichtelijk is wat de exploitatievorm van de zwemaanbieders is (zie antwoord vraag 10). Het onderscheid tussen openbare en semi-openbare zwembaden wordt wel per VSG-regio bijgehouden. In Zuid-Limburg liggen de minste openbare zwembaden (0,3 per 25.000 inwoners) en in de regio’s IJsselland en Zeeland het meeste (1,6 per 25.000 inwoners)6.
Bent u bereid om het voorgenomen kabinetsbesluit van de Btw-verhoging op zwemles te heroverwegen gegeven de tweedeling die het creëert? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zich ervan bewust dat het verhogen van het btw-tarief met zich meebrengt dat de kosten voor afnemers van zwemlessen kunnen toenemen.
Is er bekend of het Openbaar Ministerie (OM) in cassatie is gegaan of zal gaan bij de Hoge Raad in deze zaak? Zo ja, kunt u een stand van zaken over de zaak geven?1
Het Openbaar Ministerie (OM) is niet in cassatie gegaan.
Is het OM sinds mijn Kamervragen op 20 april 2023 vaker tot vervolging overgegaan in zaken waar sprake is van oproeping tot vrouwelijke genitale verminking? Zo ja, is er door rechters overgegaan tot veroordeling?
Het OM is sinds 20 april 2023 niet vaker tot vervolging gegaan in zaken waarin vermoedens bestonden van oproeping tot vrouwelijke genitale verminking.
Acht u het kansrijk om, bij het uitwerken van een juridisch houdbare definitie van problematisch gedrag, ook het oproepen of aanzetten tot ernstige aantastingen van zelfbeschikking (zoals vrouwelijke genitale verminking) te definiëren als een overtreding waar bestuursrechtelijk tegen opgetreden kan worden?
Het kabinet heeft in het regeerprogramma aangekondigd werk te maken van een verkenning naar mogelijkheden om tegenwicht te bieden aan de ondermijnende invloeden van een kleine groep die zich niet houdt aan de regels van de democratische rechtsstaat met intolerante of onverdraagzame gedragingen of anderen daartoe aanzet. De Staatssecretaris Participatie en Integratie heeft tijdens het Wetgevingsoverleg Integratie en Maatschappelijke Samenhang op 25 november jl. toegezegd met de Kamer op zoek te gaan naar mogelijkheden om voor specifieke gedragingen te komen tot specifieke juridische definities. Dit punt kan daarin meelopen.
Zijn de indicatoren die worden genoemd in antwoord op vraag 12 vorig jaar gedeeld met de Koninklijke Marechaussee (KMAR)? Zo ja, heeft dit geleid tot meer aanhoudingen op Schiphol? Zijn deze indicatoren al geëvalueerd? Zo niet, waarom zijn deze niet gedeeld met de KMAR? Worden deze indicatoren ook dit jaar weer gebruikt?
Ja, deze signalen zijn in de zomer van 2023 gedeeld met de Koninklijke Marechaussee (KMAR). Het onderkennen van signalen van vrouwelijke genitale verminking wordt middels een e-learning meegenomen in de basisopleiding van de grenswachters. In de uitvoeringspraktijk is een handelingskader vrouwelijke genitale verminking beschikbaar die de grenswachters van de KMAR kunnen gebruiken indien zij hierop stuiten. Tot op heden zijn er nog geen incidenten geregistreerd die terug zijn te leiden naar het voorkomen van vrouwelijke genitale verminking. Bij incidenten die zijn gerelateerd aan vrouwelijke genitale verminking wordt contact gelegd met Veilig Thuis. Mogelijk dat zij wel benaderd zijn voor advies, maar dit is niet af te leiden uit registraties in de operationele systemen van de KMAR. Tot op heden heeft er nog geen evaluatie plaatsgevonden.
Monitort uw ministerie online activiteiten rondom vrouwelijke genitale verminking? Denk aan het oproepen tot, of het faciliteren van verminking? Zo ja, kunt u iets delen over de aard en omvang van deze activiteiten? Zo nee, bent u bereid dit te gaan monitoren en hier op te handhaven indien u oproepen tot verminking constateert?
Het aanzetten tot of het faciliteren van vrouwelijke genitale verminking, zowel online als offline, is strafbaar. Bij vermoedens hiervan kan aangifte worden gedaan bij de politie. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid monitort online activiteiten met betrekking tot genitale verminking echter niet actief. De verantwoordelijkheden voor het monitoren en handhaven liggen respectievelijk bij de hosting servicediensten (zoals facebook en google) en de politie. Personen die dergelijke activiteiten online tegenkomen, kunnen dit melden bij de hosting servicediensten. Op basis van artikel 16 van de Digital Services Act (DSA) zijn aanbieders van hostingdiensten verplicht mechanismen in te richten waarmee personen en entiteiten melding kunnen maken van inhoud die zij als illegaal beschouwen. De politie neemt uiteraard actie wanneer zij meldingen of signalen ontvangt over oproepen tot vrouwelijke genitale verminking.
Bestaan er toegankelijke en veilige meldpunten waar mensen die oproepen tot vrouwelijke genitale verminking constateren deze kunnen melden?
Wij adviseren oproepen tot strafbare feiten, waaronder vrouwelijke genitale verminking, te melden bij de politie. Dit stelt de politie in staat om onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Wanneer dergelijke oproepen online op een platform verschijnen, kan de melding ook direct bij het betreffende platform worden gedaan.
Tevens kan er bij vermoedens van een (potentieel) slachtoffer van genitale verminking advies worden gevraagd of melding worden gedaan bij Veilig Thuis. Veilig Thuis is het Advies en Meldpunt Huiselijk Geweld en kindermishandeling. Zij geven advies en ondersteuning of doen onderzoek bij meldingen van (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling, waaronder genitale verminking.
Veilig Thuis is 24/7 telefonisch bereikbaar via een gratis nummer (0800-2000) en is via de website tussen 9 en 17 ook bereikbaar via de chat. Advies vragen kan anoniem, Veilig Thuis denkt dan mee wat er mogelijk aan de hand is en wat nodige vervolgstappen zijn.
Momenteel werken we samen met de gemeenten en Veilig Thuis aan het vergroten van de laagdrempeligheid en toegankelijkheid van Veilig Thuis2. Hierover wordt uw Kamer in februari 2025 en in de voortgangsrapportage van het plan van aanpak «Stop Femicide» voor de zomer van 2025 geïnformeerd.
In 2021 en 2022 hebben er gerichte communicatie-acties plaatsgevonden via onder andere posters op Schiphol, klopt het dat in 2023 en 2024 deze posters niet meer op Schiphol hingen. Zo ja, waarom niet meer? Hangen de posters op dit moment op Schiphol? Is de effectiviteit van de posters geëvalueerd?
In 2021 zijn in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en (VWS) gedurende een maand posters op Schiphol geplaatst ter voorkoming van vrouwelijke genitale verminking. Het effect van deze campagne is niet geëvalueerd. Vanuit het ministerie is ook opdracht gegeven aan Pharos om een campagne te ontwikkelen op social media over vrouwelijke genitale verminking, eergerelateerd geweld, huwelijksdwang en achterlating. Deze campagne, #rechtopnee, is gericht op jongeren van 15 tot 25 jaar en de professionals die met hen werken. De campagne is in januari 2023 gelanceerd. Deze campagne is wel geëvalueerd en bleek zeer succesvol. Over een periode van ongeveer 6 maanden zijn meer dan 3.2 miljoen mensen bereikt. Ruim 16.000 jongeren hebben doorgeklikt naar de website. Dit is exclusief organische bezoekers (bezoekers via onbetaalde zoekresultaten) aan de website (rechtopnee.nl). Gezien het succes van de campagne is vanuit VWS ingezet op verlenging van deze campagne. De campagne is verder uitgebreid en de boodschap die erachter schuil gaat is verstevigd en verdiept. Ook is er een 5e thema aan toegevoegd, namelijk huwelijkse gevangenschap.
De verklaring tegen meisjesbesnijdenis zou, volgens de antwoorden op vraag 13, worden voorzien van een update in 2023. Is dit gebeurd? Zo ja, kan de nieuwe versie met de Kamer worden gedeeld? Zo niet, waarom niet?
De verklaring tegen meisjesbesnijdenis is inderdaad voorzien van een update. Voor de nieuwe versie is zowel de vormgeving als de teksten aangepast zodat de boodschap van de verklaring beter overkomt. De verklaring is beschikbaar in acht talen. De verklaringen zijn te downloaden via meerdere websites, waaronder de website van Pharos.3
Zijn er cijfers bekend hoeveel gemeenten het gratis materiaal, waarin ook informatie over vrouwelijke genitale verminking is opgenomen, hebben opgevraagd? Zo ja, om hoeveel gemeenten gaat het? Zo niet, waarom wordt dit niet bijgehouden?
Nee, die cijfers zijn niet bekend. De verklaringen zijn door iedereen digitaal te downloaden en door organisaties in gedrukte vorm te bestellen bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Vanuit het Ministerie van VWS zijn de gedrukte versies met name verspreid onder uitvoeringsorganisaties binnen de Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Recent zijn ruim 32.000 exemplaren verspreid. Het is niet mogelijk om het aantal exemplaren bij te houden dat via downloads wordt verspreid.
De verklaring tegen meisjesbesnijdenis is bestemd voor ouders afkomstig uit risicolanden die van plan zijn om op vakantie te gaan naar hun land van herkomst. Jeugdgezondheidszorg professionals kunnen de verklaring meegeven aan deze ouders, zodat zij hun familieleden kunnen informeren over de consequenties en strafbaarheid van meisjesbesnijdenis.
Het is belangrijk dat familieleden in het land van herkomst goed geïnformeerd zijn over de consequenties van een besnijdenis van het meisje en ook over de strafbaarheid daarvan. In gesprekken tussen professionals en ouders uit risicolanden over vrouwelijke genitale verminking, komt regelmatig de sterke invloed van de familie aan de orde. Ouders geven aan hun dochters niet te willen laten besnijden, maar de familie in het land van herkomst kan daar anders over denken. Op het moment dat een meisje, bijvoorbeeld in de zomervakantie, de familie daar bezoekt, ontstaat er een risico.
Hoe staat met het vervolg op de actieagenda schadelijke praktijken zoals wordt toegezegd in de beantwoording op vraag 19?
De Kamer heeft 14 september 2023 een Kamerbrief ontvangen waarin de resultaten van en het vervolg op de Actieagenda Schadelijke Praktijken is opgenomen. In deze brief zijn vervolgacties opgenomen, aansluitend op de actieagenda. Dit betreft onder andere inzet op bewustwording, bijvoorbeeld door het actualiseren van de verklaring vrouwelijke genitale verminking («Verklaring tegen meisjesbesnijdenis») en het vervolg van de voorlichtingscampagne «Recht op nee».
Naast bewustwording, komt de inzet op deskundigheidsbevordering bij professionals aan bod. Vanuit de brede aanpak van gendergerelateerd geweld wordt een strategie ontwikkeld voor de deskundigheidsbevordering van professionals in het veld. Kennis(behoud) over eergerelateerd geweld, huwelijksdwang, vrouwelijke genitale verminking en achterlating wordt daarin meegenomen. Het is van belang dat professionals signalen van een onveilige situatie, zoals in het geval van eergerelateerd geweld, huwelijksdwang, vrouwelijke genitale verminking of achterlating, kunnen herkennen en weten waar zij terecht kunnen voor advies of melden. De verantwoordelijkheid om als zorg- en onderwijsprofessional stappen te zetten bij vermoedens van één van deze geweldsvormen is vastgelegd in het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. In verschillende handreikingen staat het stappenplan van de meldcode voor professionals nader uitgelegd. Advies inwinnen kan professionals helpen bij het bepalen van de te zetten stappen in geval van vermoedens van eergerelateerd geweld, huwelijksdwang, vrouwelijke genitale verminking of meisjesbesnijdenis.
In 2024 is in opdracht van de ministeries van VWS en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) een onderzoek uitgevoerd naar de uitvoerbaarheid, risico’s en meerwaarde van een adviesplicht voor zorg- en onderwijsprofessionals, gericht op eergerelateerd geweld, huwelijksdwang, vrouwelijke genitale verminking en achterlating. Dit onderzoek is inmiddels afgerond. De Kamer wordt in 2025 geïnformeerd over de onderzoeksbevindingen en de opvolging daarvan.
Kunt u bovenstaande vragen beantwoorden voor 28 oktober 2024?
Dit is helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht ‘Nutri-score dreigt fiasco te worden: producenten stappen af van ’onbegrijpelijk’ voedsel-stoplicht’ |
|
Patrick Crijns (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nutri-score dreigt fiasco te worden: producenten stappen af van «onbegrijpelijk» voedsel-stoplicht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er geld verspild wordt aan een onduidelijk en misleidend systeem zoals de Nutri-Score? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat consumenten werkelijk beter geïnformeerd worden over gezonde voeding? Zo nee, waarom niet?
Overgewicht verhoogt het risico op (chronische) ziekten. Er is veel gezondheidswinst te halen als mensen gezonder gaan eten. De Schijf van Vijf is hiervoor de belangrijkste leidraad. Het huidige supermarktaanbod bestaat voor 80% uit voedingsmiddelen die buiten de Schijf van Vijf vallen. Nutri-Score is in aanvulling op de Schijf van Vijf een hulpmiddel om in één oogopslag als je voor het schap staat – binnen een productcategorie- te kiezen voor het product met de betere samenstelling. Ook als deze producten niet in de Schijf van Vijf zitten.
Een voedselkeuzelogo biedt consumenten de mogelijkheid om zelf bewust betere voedselkeuzes te kunnen maken.
Het Ministerie van VWS heeft in 2019 een gedegen en onafhankelijk consumentenonderzoek laten uitvoeren. Uit het onderzoek bleek dat Nutri-Score consumenten het beste helpt bij de keuze van betere producten. Vervolgens heeft de rijksoverheid besloten tot de introductie van Nutri-Score. Een onafhankelijk internationaal wetenschappelijk comité (IWC) met voedingswetenschappers uit de landen die Nutri-Score hebben ingevoerd, adviseert over het rekenmodel achter het logo.
Ook de Gezondheidsraad concludeerde dat er meerwaarde is voor het logo, als middel om producten met elkaar te vergelijken2.
In het voorjaar heeft een publiekscampagne gelopen om consumenten te informeren over Nutri-Score. Uit het campagne-effectonderzoek blijkt dat 80% van de consumenten weet waar Nutri-Score voor staat en hoe ze het logo moeten gebruiken en 59% vindt het een nuttig label.
Wat kostte het om de Nutri-Score in te voeren en wat kost het om deze score uit te blijven voeren?
Bij de introductie van nieuwe wet- en regelgeving die burgers en bedrijven raakt heeft de overheid de taak om hierover te communiceren. Voor de introductie van Nutri-Score zijn in overleg met stakeholders, informatiemiddelen ontwikkeld voor zowel consumenten (animatie, video, print, socials) als voor bedrijven en producenten (website met uitleg en alle achtergrondinformatie). Begin april is een publiekscampagne geweest op TV en online. De kosten hiervan bedroegen 1,2 miljoen euro en had als doel om Nutri-Score te introduceren, extra bekendheid te geven aan het logo en te voorzien in uitleg over het gebruik. De ontwikkelde materialen kunnen ook door producenten en supermarkten worden gebruikt om extra bekendheid aan het logo te (blijven) geven.
Omdat het een overheidslogo betreft is het logisch dat de afzender van deze campagne de overheid is. Producenten en supermarkten kunnen zelf investeren in de verdere bekendheid van het logo en hierbij gebruik maken van de communicatietools die mede op het verzoek van de producten en supermarkten door de overheid zijn ontwikkeld.
Waarom wordt er vastgehouden aan een systeem als de Nutri-Score, dat geen duidelijk onderscheid maakt tussen echt gezonde producten en sterk bewerkte voedingsmiddelen?
De Nutri-Score wordt bepaald aan de hand van de samenstelling van een product. Heeft een product een donkergroene Nutri-Score A, dan heeft het een betere samenstelling dan een zelfde soort product met een oranje Nutri-Score D. Producten met eiwit, vezels, fruit, groenten en peulvruchten krijgen een hogere Nutri-Score. En een lagere score door een hoog energiegehalte (kcal), suikers, verzadigd vet en zout.
Als consumenten boodschappen doen kunnen ze met Nutri-Score in één oogopslag kiezen voor het product met de betere samenstelling. Ook voor producten die niet in de Schijf van Vijf staan en waarvoor nu geen eenvoudige handvatten bestaan om de betere keuze te maken.
De Nutri-Score laat niet zien of een product gezond of ongezond is, maar dat het in vergelijking met dezelfde soort producten een betere of slechtere samenstelling heeft. De Gezondheidsraad concludeerde dat Nutri-Score goed aansluit bij de Richtlijnen Goede Voeding en de Schijf van Vijf, zeker voor de producten die buiten de Schijf van Vijf vallen.
Deelt u de mening dat het absurd is dat producten zoals kaas, die in de Schijf van Vijf staan, een lagere Nutri-Score krijgen dan bijvoorbeeld aangepaste koekjes? Zo ja, wat gaat de u eraan doen om dit te corrigeren? Zo nee, waarom niet?
De werkelijkheid is genuanceerder. Kaas krijgt meestal (87%) een Nutri-Score D, uitgaande van het energiegehalte, verzadigd vet, zoutgehalte en het ontbreken van vezel en groenten en fruit. Er zijn uitzonderingen met name de zachtere kazen en minder zoute kazen, zoals Emmentaler, die een C kunnen scoren. Het overgrote deel (71%) van de koekjes zoals verkocht in de Nederlandse supermarkten krijgt een Nutri-Score E. Koekjes met een betere samenstelling kunnen Nutri-Score D krijgen, uitgaande van het energie-, verzadigd vet, suiker-, en/of zoutgehalte. Dit is voor 23% van de producten uit het aanbod van 2020 het geval. In de meeste gevallen zal kaas dus een betere Nutri-Score hebben dan koekjes.
De interne communicatie en adviezen met betrekkingen tot de overbrenging van Afghaanse bewakers |
|
Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Jan Paternotte (D66), Derk Boswijk (CDA), Don Ceder (CU) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV), Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uiterlijk donderdag 3 oktober om 12.00 uur alle interne communicatie en adviezen met betrekking tot het besluit om Afghaanse bewakers niet over te brengen naar Nederland binnen en tussen de ministeries van Buitenlandse Zaken, Defensie en Justitie & Veiligheid/Asiel & Migratie sinds het aantreden van uw kabinet naar de Kamer sturen?
Wij komen gedeeltelijk tegemoet aan uw verzoek door de ambtelijke adviezen te verstrekken die zijn opgesteld sinds het aantreden van het nieuwe kabinet met betrekking tot de overbrenging van Afghaanse bewakers.
Het artikel 'Bekende stikstofexperts slaan uitnodiging Tweede Kamer af' |
|
Marieke Koekkoek (D66) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bekende stikstofexperts slaan uitnodiging Tweede Kamer af»?1
Ja.
Erkent u de signalen van de hoogleraren dat wetenschappers in een positie worden gebracht waarin zij geen objectief advies kunnen geven, maar worden gebruikt om geitenpaadjes te vinden in de stikstofproblematiek?
Dat (h)erken ik niet. Het onderzoek naar een wetenschappelijk onderbouwde ondergrens is juist gestart om schijnzekerheid te voorkomen in stikstofdepositieberekeningen bij de verlening van natuurtoestemmingen. Zodat AERIUS Calculator op wetenschappelijk verantwoorde wijze gebruikt kan worden, rekening houdend met het toepassingsbereik van de modellen. Het onderzoek geeft daarmee gevolg aan de adviezen van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof (commissie Hordijk, 2020) waarin al werd geconcludeerd dat met de huidige ondergrens van 0,005 mol/ha/jaar sprake is van schijnzekerheid.2 Een onderbouwde rekenkundige ondergrens kan bijdragen aan het verkleinen van deze schijnzekerheid. En daarmee zorgt een ondergrens voor een beter wetenschappelijk verantwoord gebruik van het model.
Objectieve advisering en betrouwbare informatie vanuit de wetenschap zijn nodig om beleid op te kunnen baseren en goede besluiten te kunnen nemen.
Kunt u reflecteren op het feit dat door wetenschappers wordt aangegeven dat een ondergrens voor stikstofuitstoot wetenschappelijk niet te onderbouwen is? Op welke manier wordt dit advies meegewogen in de nog te presenteren plannen van het kabinet?
De inzichten onder wetenschappers lopen hierover uiteen, dat bleek ook tijdens het rondetafelgesprek met de vaste commissie van de Tweede Kamer voor LVVN. Dat inzichten uiteen lopen hoort ook bij de wetenschap: er kan vrijwel nooit volledige consensus bereikt worden, maar vaak kan er wel een breder gedragen conclusie bereikt worden.
Eén van de inzichten over een ondergrens is het expertoordeel van Arthur Petersen. We zijn gestart met een wetenschappelijke peerreview om bij andere wetenschappers te toetsen of zijn expertoordeel breder gedragen wordt.
Een peerreview is in wetenschappelijke kring gebruikelijk om onderzoeken en conclusies te toetsen. De uitkomsten en adviezen van de peerreview worden uiteraard meegewogen bij het besluit dat ik neem.
Kunt u aangeven wie er is geconsulteerd bij de totstandkoming van het voornemen alsnog een ondergrens vast te stellen door het betrekken van andere wetenschappelijke disciplines? Op welke manier is dit advies verwerkt?
Allereerst zitten in het onderzoeksrapport van TNO/UvA een aantal aanbevelingen. Daarnaast adviseerde het IPO, op basis van de verkenning die zij hebben gedaan, om vervolgonderzoek te doen naar een breder wetenschappelijk onderbouwde ondergrens, onder andere door expertise uit andere wetenschappelijke disciplines te betrekken. Zoals ik eerder heb aangegeven in de kamerbrief en vragen van het lid Holman heb ik deze adviezen en aanbevelingen overgenomen.3
Ik werk de vervolgstappen nu uit. Zoals in vraag 3 is aangegeven is één van deze stappen een wetenschappelijke peerreview op het expertoordeel van Arthur Petersen. Bij dit peerreview worden meerdere wetenschappelijke disciplines betrokken. Welke wetenschappers worden betrokken wordt momenteel nog uitgewerkt.
Ben u bereid de ambtelijke adviezen en andere adviezen van experts en een overzicht van de gesprekspartners te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment kan ik deze adviezen nog niet delen met de Kamer omdat ik nog bezig ben met de uitwerking van de vervolgstappen. Wanneer het proces is afgerond en het besluit is genomen zal ik de Kamer hierover informeren.
Wat zijn de kosten en het tijdpad van een nieuwe verkenning voor het komen tot een juridisch houdbare ondergrens?
Met de huidige opzet van een wetenschappelijk peerreview zijn de kosten zeer beperkt.
In het tijdpad dat nu is voorzien wordt de review nog voor het einde van dit jaar afgerond. Naar aanleiding van de motie-Holman c.s. heeft mijn ambtsvoorganger de Tweede Kamer toegezegd om een eventueel voorstel voor de invoering van een rekenkundige ondergrens voor advies («voorlichting») voor te leggen aan de Afdeling advisering van de Raad van State.4 Als de review tot de conclusie leidt dat het verantwoord is om een rekenkundige ondergrens in te voeren, dan zal ik de Afdeling advisering vragen om over dat voorstel voorlichting te geven. Ik kan de Afdeling advisering vragen om haar voorlichting met spoed te geven, maar verder heb ik geen invloed op het werk van de Afdeling. Ik kan daarom niets zeggen over de termijn waarop de voorlichting wordt vastgesteld. Vervolgens kost het tijd dit advies te beoordelen en een eventuele wetenschappelijk onderbouwde ondergrens in te voeren. Of deze uiteindelijk juridisch houdbaar is zal moeten blijken uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoe verhoudt zich dit tot de urgentie van het vaststellen van een nieuwe meetmethode?
Ik werk toe naar een systeem van emissiesturing, maar het ontwikkelen van een dergelijke systematiek kost tijd. In de tussentijd zullen we moeten blijven werken met modellen en een ondergrens draagt bij aan een beter wetenschappelijk verantwoord gebruik van deze modellen. Ik zie een wetenschappelijk onderbouwde ondergrens dus als een tijdelijke oplossing.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)?
Ja.
Het bericht 'Gevaarlijke Ozempic-handel vraagt om aanpak én preventie' |
|
Patrick Crijns (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Gevaarlijke Ozempic-handel vraagt om aanpak én preventie?1»?
Ja.
Hoe is het mogelijk dat medicijnen die normaal alleen met een doktersrecept verkrijgbaar zijn, zo gemakkelijk online te verkrijgen zijn zonder doktersrecept?
Malafide bedrijven maken gebruik van de behoefte van patiënten door professioneel ogende websites te maken waarop geneesmiddelen illegaal verkrijgbaar zijn. In veel gevallen gaat het om geneesmiddelen waarvoor een recept is vereist, maar niet om wordt gevraagd via de betreffende website.
Deelt u de mening dat de online verkoop van medicijnen zoals Ozempic aan banden moet worden gelegd? Zo ja, welke concrete stappen gaat u direct ondernemen om ervoor te zorgen dat malafide online handelaren hard worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Het is goed dat in bepaalde gevallen patiënten online receptplichtige geneesmiddelen kunnen bestellen, mits er aan de juiste voorwaarden wordt voldaan. Het illegale online aanbod van (illegale) geneesmiddelen daarentegen vind ik zeer ongewenst. Het vormt een risico wanneer patiënten eigenhandig receptplichtige geneesmiddelen gaan bestellen en gebruiken, zonder tussenkomst van hun arts en apotheker. In het geval van illegale geneesmiddelen is het niet bekend of deze wel veilig zijn. De kwaliteit, veiligheid en werkzaamheid zijn niet geborgd. Daarnaast worden patiënten vaak ook opgelicht.
Als toezichthouder richt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zich op het tegengaan van illegale handel in geneesmiddelen en het aanbod hiervan. Hierbij werkt de IGJ samen met diverse partners waaronder de Douane, het Openbaar Ministerie en diverse online bedrijven, zoals marktplaatsen. Samen met deze partners vermindert IGJ het illegale aanbod actief, door zowel op meldingen af te gaan, als proactief het illegale aanbod op te sporen. Afhankelijk van de mogelijkheden wordt er gepast opgetreden. In veel gevallen wordt geprobeerd de website uit de lucht te laten halen.
De illegale verkoop wordt gevoed door de vraag. Daarvoor is het vergroten van bewustzijn over de risico’s van illegaal medicijngebruik van groot belang. Hierin hebben diverse partijen een rol. De IGJ doet dit onder andere door gerichte communicatie over de risico’s van illegale geneesmiddelen. De algemene boodschap daarbij is te allen tijde: Doe het niet! Wanneer je zorg nodig hebt, ga naar je arts en/of apotheker.
Wat vindt u ervan dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) tot nu toe onvoldoende lijkt op te treden tegen de illegale verkoop van gevaarlijke medicijnen zoals Ozempic?
Veel websites opereren anoniem vanuit het buitenland, dit maakt het toezicht houden complex. Toch treedt de IGJ waar mogelijk stevig op, bijvoorbeeld door het uit de lucht laten halen van websites en het opleggen van boetes. Daarnaast neemt de handel via social media fors toe. Hier probeert de IGJ tot samenwerking met deze social media platforms te komen, in lijn met de Digital Service Act (DSA).
Heeft de IGJ voldoende middelen en mankracht om de groeiende illegale handel in medicijnen effectief aan te pakken? Zo nee, wat gaat u doen om dit te verbeteren?
De IGJ hanteert een risicogestuurde aanpak om de handel in illegale geneesmiddelen aan te pakken. Daarnaast is er ook een rol voor de burger zelf, zie daarvoor het antwoord op vraag 3 en 4.
Politieagenten die Joodse objecten of evenementen niet meer willen beveiligen. |
|
Ingrid Michon (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview «Je voelt je weleens een roepende in de woestijn»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er politieagenten zijn die Joodse objecten of evenementen kennelijk niet meer willen beveiligen?
De politie heeft mij laten weten dat er op dit moment geen gevallen bekend zijn van politiemedewerkers die niet zijn ingezet omdat zij hebben aangegeven geen Joodse objecten te willen beveiligen.
Iedereen in Nederland moet kunnen vertrouwen op de politie. Evenals de korpschef, heb ik geen begrip voor politiemedewerkers die geen Joodse objecten zouden willen bewaken. Daar is geen discussie over en die gaat er ook niet komen.
Wat doet dit volgens u met het veiligheidsgevoel van de Joodse gemeenschap, zeker in deze tijd waarin antisemitisme door het dak gaat?
Ik vind het vreselijk dat Joodse Nederlanders zich om begrijpelijke redenen zorgen maken over hun veiligheid. Ik kan het me voorstellen dat dergelijke berichten hieraan bijdragen. Signalen betreffende antisemitisme neem ik uiterst serieus.
Antisemitisme heeft geen plaats in onze samenleving en is onderwerp van zorg van het kabinet. Het kabinet werkt op dit moment aan een Nationale Strategie Antisemitismebestrijding die zo mogelijk voor de begrotingsbehandeling van JenV aan uw Kamer zal worden verzonden.
Is het volgens u aan een individuele politieagent om een dergelijke keuze te maken? Zo, ja/nee waarom?
Nee, van politiemedewerkers wordt verwacht dat zij een neutrale houding hebben en persoonlijke overtuigingen derhalve niet laten meewegen bij hun werkzaamheden.
Hoe past dit volgens u bij een neutrale politie en het vakmanschap «politie voor iedereen»?
Eventuele persoonlijke overtuigingen die zouden leiden tot het niet willen beveiligen van Joodse objecten of evenementen passen niet bij een neutrale politie en de kernwaarden van de politieorganisatie.
Welke acties gaat u ondernemen om ervoor te zorgen dat de politie er daadwerkelijk voor iedereen is en dus ook voor de Joodse burgers van Nederland?
Het kabinet investeert in het bestendigen van de aanpak door de politie van alle vormen van discriminatie en racisme door het Expertisecentrum Aanpak Discriminatie Politie (ECAD-P) structureel te financieren en het programma Politie voor Iedereen voort te zetten. Onder andere het Joods politienetwerk speelt hier een rol in.
Kunt u bevestigen dat er voldoende politieagenten zijn die, indien daartoe aanleiding is op basis van een risico- en dreigingsanalyse, Joodse objecten, personen en evenementen willen beveiligen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht China verlaagt rente en plant extra stimulus voor economie |
|
Tom van der Lee (GroenLinks-PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het artikel «China verlaagt rente en plant extra stimulus voor economie»?1
Ja.
Klopt het dat het verlagen van de rente door de Chinese Centrale Bank is gedaan om de vastgoedcrisis tegen te gaan en deflatie te voorkomen?
De People’s bank of China (PBOC) heeft op 22 juli de beleidsrente verlaagd. Volgens de PBOC was het doel van die renteverlaging om anticyclische aanpassing van de economie te versterken en de reële economie te ondersteunen.2 Deze rentestap werd genomen na tegenvallende economische ontwikkeling volgend op problemen in de vastgoedsector. Eind september heeft de PBOC verdere stappen genomen, volgens de PBOC gericht op het ondersteunen van de Chinese economische groei en het bijdragen aan het beperkt laten terugveren van prijzen.3
Klopt het dat er binnenkort sprake kan zijn van deflatie? Wat zijn daarvan de verwachte gevolgen?
Eind 2023 kende China een aantal maanden met beperkte prijsdalingen op jaarbasis (deflatie), maar sinds februari dit jaar is de inflatie op jaarbasis weer positief. Het IMF voorziet dat de inflatie in China de komende jaren geleidelijk stijgt tot de inflatiedoelstelling van 2%. Wel gaat het IMF in het meest recente Artikel IV rapport over China in op het risico op deflatie.4 Volgens het IMF is het deflatierisico in het basispad beperkt, maar negatieve economische schokken kunnen dit risico aanzienlijk vergroten. Volgens het IMF zijn de belangrijkste oorzaken achter dit deflatierisico de negatieve output gap en de lage inflatieverwachtingen in China. Een scenario met aanhoudende deflatie zou de Chinese groei verlagen en schuldendynamiek verlagen, aldus het IMF.
Hoe verhoudt deze renteverlaging zich tot de enorme staatsschuld van China (310 procent) en welke risico’s brengt dit met zich mee?
Een lagere beleidsrente zorgt in den brede voor lagere financieringslasten voor zowel bedrijven, huishoudens als ook de overheid. Zie het antwoord op vraag 9 voor nadere informatie over het niveau van de Chinese staatsschuld.
Wat zijn de mogelijke implicaties van deze risico’s voor de Europese en Nederlandse economie?
De renteverlaging door de PBOC verlaagt de financieringslasten voor de Chinese overheid. Lagere financieringslasten op zichzelf brengen op korte termijn geen risico’s voor de Europese en Nederlandse economie met zich mee.
Het IMF gaat ook in op de internationale implicaties van mogelijke aanhoudende deflatie in China.5 Lagere groei in China, als gevolg van een mogelijk scenario van aanhoudende deflatie in China, zou bijdragen aan lagere groei in handelspartners. Deflatie in China zou ook bijdragen aan lagere inflatie in handelspartners, wat in de huidige economische omstandigheden bijdraagt aan het proces van desinflatie in Europa en Nederland.
Wat zijn de gevolgen van deze renteverlagingen in China voor Europa en Nederland?
Een renteverlaging in China kan langs meerdere kanalen gevolgen hebben voor Europa en Nederland. Zo kan een lagere rente de vraag in China stimuleren, wat mogelijk gunstig is voor de Europese en Nederlandse uitvoer. Dit geldt niet alleen direct maar ook indirect als een toename van de Chinese economische activiteit de wereldeconomie kan ondersteunen, wat ook indirect voordelen voor Europa en Nederland biedt. Aan de andere kant kan de lagere rente de Chinese yuan verzwakken, wat de Europese en Nederlandse invoer uit China goedkoper zou maken, maar de uitvoer richting China duurder.
Wat zijn de mogelijke implicaties van de Chinese vastgoedcrisis voor de Europese en Nederlandse economie?
De Chinese vastgoedcrisis heeft een remmend effect op de Chinese groei. Dit kan de Europese en Nederlandse economie via verschillende kanalen raken: onder meer via het handelskanaal, via financiële blootstellingen en via grondstofprijzen. Omdat het aandeel van uitvoer naar China voor Nederland nog relatief klein is, is de omvang van het (directe) handelskanaal relatief beperkt.6 Als ook het indirecte effect van de intermediaire leveringen via derde landen wordt meegenomen leidt een daling van de Chinese invoer met 10% tot een negatief effect op de Nederlandse uitvoer van 0,5%. Voor de eurozone is het effect van het handelskanaal groter (0,7%). Dit komt onder meer door grotere blootstelling van o.a. Duitsland. De directe financiële blootstelling van Europese financiële instellingen op China is relatief beperkt en dit kanaal heeft daardoor naar verwachting een beperkt effect op de economische ontwikkeling in Europa. Aan de andere kant is China een belangrijke importeur van grondstoffen zoals ijzererts, aluminium, koper, kolen, olie en aardgas. Verminderde activiteit in China leidt mondiaal tot lagere grondstofprijzen. Het directe effect voor grondstofimporteurs zoals de eurozone is beperkt positief. De lagere invoerprijzen voor grondstoffen dempen de effecten van andere kanalen enigszins.
Heeft u kennis genomen van het artikel «Chinese overheden houden grote uitverkoop om schulden te reduceren»?2
Ja.
Klopt het dat de staatsschuld van China in een jaar is gestegen van 288 procent naar 310 procent van het BBP?
Volgens het meest recente Artikel IV rapport van het IMF8 over de Chinese economie stijgt de Chinese overheidsschuld van 56,3% bbp in 2023 naar 60,5% bbp in 2024. Dit omvat alleen de officiële overheidsschuld. Op basis van de aangepaste schuldquote (augmented debt9), inclusief o.a. financieringsvehikels van lagere overheden, loopt de Chinese overheidsschuld op van 116,9% bbp in 2023 tot 124% in 2024. Volgens het IMF stijgt de totale schuld in China (exclusief de financiële sector, maar inclusief de overheid, huishoudens, en bedrijven) van 287% bbp in 2022 tot 312% bbp in 2024. De schuld van 310% bbp, waar het genoemde artikel over spreekt, verwijst daarom waarschijnlijk naar de totale schuld van zowel overheid, huishoudens en bedrijven (exclusief financiële sector).
Hoe beoordeelt u deze enorme stijging in zo’n korte tijd?
IMF-ramingen laten een stijgende schuldquote voor de Chinese overheid zien, tot zelfs 165% bbp voor de aangepaste schuldquote in 2033. Het IMF geeft in het recente Artikel IV rapport aan dat begrotingsaanpassingen noodzakelijk zijn om de Chinese overheidsschuld te stabiliseren. Aan de andere kant benoemt het IMF in het recente Artikel IV rapport ook factoren die de risico’s van de Chinese schuld matigen. Zo is 95% van de schuld in handen van Chinese ingezetenen en is slechts een klein deel gedenomineerd in buitenlandse valuta.
Wat zijn de prognoses voor de Chinese staatsschuld?
Het IMF verwacht dat de Chinese overheidsschuld stijgt van 60,5% bbp in 2024 tot 79% in 2029, terwijl de aangepaste schuldquote van de Chinese overheid stijgt van 124% in 2024 tot 148% in 2029, en zelfs 165% in 2033.
Welke gevolgen kan deze stijging hebben voor de wereldeconomie?
Op korte(re) termijn kan de fiscale impuls in China de mondiale vraag verhogen. Voor zover deze impuls wordt ingezet aan industriesubsidies, kan dit bijdragen aan lagere producentenprijzen en lagere uitvoerprijzen, met lagere invoerprijzen in andere landen als gevolg, maar ook tot toename van concurrentie door Chinese bedrijven. Oplopende schulden en aanhoudende tekorten kunnen daarnaast leiden tot oplopende lange rentes en toenemende volatiliteit op financiële markten. In die context waarschuwt het IMF specifiek dat lagere groei en financiële instabiliteit in China de mondiale groei en handel kan drukken, wat specifiek landen raakt die sterke handels- en investeringsrelaties met China hebben.10
Welke geopolitieke implicaties kan het mogelijke ineenstorten van de Chinese economie hebben?
De Chinese economie is qua omvang de tweede economie ter wereld. Binnenlandse economische ontwikkelingen hebben daarom potentieel ook een bredere wereldwijde economische impact. Het is echter niet aan het kabinet om te speculeren over hypothetische ontwikkelingen en bijbehorende geopolitieke implicaties.
Is het mogelijk dat sociale onrust in China zelf bezworen gaat worden met een nationalistische vlucht naar voren, bijvoorbeeld richting Taiwan?
Dit is een hypothetisch scenario dat op dit moment niet aan de orde is. Ik ga hier dan ook niet over speculeren.
Bent u bereid om bij de aanstaande Europese overleggen aandacht te vragen voor de recente ontwikkelingen in China om de mogelijke negatieve gevolgen voor Europa zo veel mogelijk in te perken?
Bij Europese overleggen wordt met enige regelmaat over het mondiale economische beeld gesproken. Daarbij komen ook relevante ontwikkelingen in China aan bod.
Krimp van luchtvaart en bescherming van burgers, gezondheid, natuur en klimaat |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Barry Madlener (minister infrastructuur en waterstaat) (PVV) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hoe PVV’er Barry Madlener in zijn eerste weken als Minister van Infrastructuur de voorgenomen krimp van Schiphol terug liet draaien»?1
Ja.
Heeft u uw ambtenaren onder druk gezet of laten zetten om de aannames en cijfers van de luchtvaartsector over te nemen en klopt het dat voor tegenspraak geen echte ruimte was? Zo nee, waarom zouden ambtenaren dit dan tegen de krant vertellen volgens u?
Na mijn aantreden ben ik geïnformeerd over de inbreng van verschillende partijen bij de aanvullende raadpleging. De kanttekeningen vanuit de luchtvaartsector bij de berekening in opdracht van IenW zijn ook aan bod gekomen bij een kennismakingsgesprek met de CEO van KLM. Ik heb de ambtenaren van IenW gevraagd goed naar de verschillen in de berekeningen te kijken en daar overleg met de sectorpartijen over te voeren. Dat was voor mij noodzakelijk om een goede afweging te kunnen maken. In het vervolgproces hebben de ambtenaren van IenW mij geïnformeerd en geadviseerd, waarbij nadrukkelijk ook aandachtspunten zijn meegegeven. Dit heeft de Kamer kunnen lezen in de nota’s die zijn meegestuurd met de Kamerbrief van 4 september jl.2 Voor de ambtelijke professionaliteit, waaronder ook de integriteit, is het van belang dat er ruimte is voor alle aspecten van advisering zoals het benoemen van aandachtspunten of risico’s.
Wat vindt u ervan dat ambtenaren door uw handelen het gevoel hebben dat hun ambtelijke integriteit in het geding is? Wat gaat u doen om dat te herstellen?
Zie antwoord vraag 2.
Op basis van welke onafhankelijke experts en informatie heeft u besloten dat uw ambtenaren nieuwe berekeningen moesten maken over het maximaal aantal vliegbewegingen op Schiphol?
Tijdens de raadpleging van mei tot juni 2024, heeft de luchtvaartsector een rapport ingebracht met berekeningen en uitkomsten over het effect van de maatregelen. De uitkomsten van deze berekeningen verschillen van de uitkomsten van het ministerie. Om die verschillen te begrijpen, zijn de verschillende berekeningswijzen, aannames en nieuwe informatie die is verstrekt naast elkaar gelegd en zijn hierover verduidelijkende en verdiepende gesprekken gevoerd door IenW met verschillende partijen uit de sector: KLM, BARIN, TUI, Schiphol en de luchtverkeersleiding LVNL. Uit deze gesprekken bleek dat in de berekeningen van de sector in sommige gevallen is gewerkt met meer gedetailleerde en/of geactualiseerde informatie. Schiphol, KLM en Transavia hebben deze gedetailleerde informatie aangeleverd, zodat meer en verfijnde berekeningen konden worden gemaakt. Onder regie van onderzoeksbureau To70 en met een second opinion van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) worden nu de definitieve berekeningen uitgevoerd van het effect van de maatregelen op de geluidbelasting.
Bent u bereid die informatie, alsmede de berekeningen en de exacte gebruikte gegevens, met de Kamer te delen?
Zodra de berekeningen zijn afgerond zal de notificatie worden aangevuld en zal ook de Europese Commissie worden geïnformeerd over de uitkomsten. Deze informatie zal openbaar worden gemaakt en wordt ook met de Kamer gedeeld.
Heeft u bij uw berekeningen rekening gehouden met de Alders-paradox?2 Indien ja, hoe? Indien nee, bent u zich er dan van bewust dat de geluidsoverlast niet of nauwelijks zal afnemen?
De balanced approach-Verordening schrijft voor dat de berekeningen die gedaan worden in het kader van de procedure, uitgevoerd moeten worden met Doc29. Doc29 berekent geluid op basis van de gemiddelde geluidsbelasting. Het vliegen met stillere toestellen draagt bij aan het verminderen van de gemiddelde geluidsbelasting en daarmee ook aan het behalen van het geluidsdoel. Het ministerie is zich er van bewust dat omwonenden dit in de praktijk anders kunnen ervaren en dat dhr. Alders heeft aangegeven dat stillere toestellen niet altijd leiden tot minder hinder. Daarom bevat het maatregelenpakket ook een combinatie van geluidsbeperkende maatregelen inclusief een lager maximaal aantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht.
Bent u bekend met de GaWC-analyse waarover de toenmalige Minister op 24 juni 2022 de Tweede Kamer heeft geïnformeerd en waaruit gebleken is dat grofweg 400.000–440.000 vliegtuigbewegingen voldoende zijn om Nederland toereikend met de rest de wereld te verbinden door bestemmingen te schrappen die voor de Nederlandse economie nauwelijks tot niet van betekenis zijn?3 Indien ja, gaat u dit volgen? Indien niet, waarom niet?
In 2022 is er een analyse uitgevoerd naar de omvang van het Schipholnetwerk op basis van de GaWC-bestemmingen. In de Kamerbrief van juni 20225 staat vermeld dat het vorige kabinet tegen de achtergrond van de wens om het anticiperend handhaven te beëindigen, het strikt preferentieel baangebruik te behouden en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren, een analyse heeft uitgevoerd om te bepalen of met een reductie van het aantal vliegtuigbewegingen de komende jaren nog altijd een toereikend verbindingennetwerk met de rest van de wereld in stand kan worden gehouden. Uit die analyse volgde destijds hiervoor een bandbreedte van grofweg 400.000–440.000 vliegtuigbewegingen.
In diezelfde Kamerbrief wordt de start van de balanced approach-procedure aangekondigd. De balanced approach-procedure wordt uitgevoerd voor een geluidsdoel van 20% op het etmaal en 15% op de nacht. Conform de Verordening EU 598/2014 vormt een capaciteitsbeperking een maatregel die alleen in het uiterste geval genomen dient te worden om het geluidsdoel te behalen. De capaciteitsbeperking zoals onderdeel van het maatregelenpakket is daarom een sluitstuk en volgt als uitkomst van de berekeningen om het geluidsdoel te behalen. De uitkomsten van deze berekeningen zijn leidend voor het bepalen van de totaal beschikbare capaciteit op Schiphol, niet de uitkomst van de GaWC-analyse.
Welke partijen zijn allemaal betrokken geweest bij het opstellen van de nieuwe berekeningen en op welke momenten precies? Kunt u deze allemaal noemen?
Onderzoeksbureaus To70 en NLR zijn betrokken bij het opstellen en uitvoeren van de nieuwe geluidsberekeningen. Daarnaast voeren Decisio en Beelining analyses uit om de kosteneffectiviteit van de geluidsmaatregelen inzichtelijk te maken. Er is sinds het begin van de balanced approach-procedure doorlopend contact met deze verschillende bureaus.
Zoals weergegeven in het antwoord op vraag 4 zijn er in de zomer verduidelijkende en verdiepende gesprekken gevoerd door IenW met verschillende partijen uit de sector over de uitgangspunten van de berekeningen en de verschillende berekeningswijzen. Uit die gesprekken bleek dat er door de sector in sommige gevallen gerekend is met meer gedetailleerde informatie. Schiphol, KLM en Transavia hebben deze gedetailleerde informatie aangeleverd, zodat meer verfijnde berekeningen konden worden gemaakt. De berekeningen zijn uitgevoerd door de hierboven genoemde bureaus.
Kunt u aangeven waarom experts (bijv. de GGD op gebied van gezondheid, het Longfonds en de Hartstichting), vertegenwoordigers van omwonenden van Schiphol en andere belanghebbenden, zoals de gemeente Amsterdam en milieu en natuurorganisaties, niet betrokken zijn bij het maken van het besluit?
Op meerdere momenten gedurende de balanced approach-procedure zijn er mogelijkheden geweest voor alle stakeholders om te reageren op de geluidsbeperkende maatregelen. Dat was als laatste het geval van 24 mei 2024 tot en met 21 juni 2024. Daarnaast zijn er veel overleggen geweest met verschillende betrokken stakeholders. De raadpleging was er om, in het kader van zorgvuldigheid, eenieder de mogelijkheid te geven te reageren op een gewijzigd maatregelenpakket. Hiertoe behoren ook (vertegenwoordigers van) omwonenden en andere belanghebbenden en experts. Daarnaast zijn er gedurende de zomer o.a. met de voorzitter van de Maatschappelijke Raad Schiphol (MRS) gesprekken gevoerd over het lopende proces. Ook met de voorzitter van de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS) is in meerdere gesprekken gesproken.
Klopt het dat in aanloop naar het besluit om de eerder aangekondigde krimp van het maximaal aantal vluchten op Schiphol grotendeels terug te draaien, herhaaldelijk door u en uw ambtenaren overlegd is met de top van Schiphol en de luchtvaartsector, maar omwonenden, gezondheidsexperts en belanghebbenden, zoals de gemeente Amsterdam en natuur- en milieuorganisaties, daarbij niet werden betrokken? Zo ja, waarom is dat zo gegaan? Zo nee, met welke van deze partijen is dan wel gesproken, welke zijn hierbij betrokken en wanneer precies, voordat u uw besluit hebt genomen?
Van 24 mei 2024 tot en met 21 juni 2024 is een aanvullende raadpleging georganiseerd in het kader van de lopende Europese balanced approach procedure. De raadpleging was om, in het kader van zorgvuldigheid, eenieder de mogelijkheid te geven te reageren op een gewijzigd maatregelenpakket. Onder andere de MRS heeft gereageerd tijdens de consultatie, en deze inbreng is meegenomen in het vervolg.
In deze aanvullende raadpleging is vanuit de luchtvaartsector een alternatieve berekening aangeleverd. In juli en augustus zijn er verschillende gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van luchtvaartmaatschappijen, BARIN, Schiphol en LVNL om de achtergrond van de alternatieve berekening en het verschil met de berekening die in opdracht van IenW was gemaakt, te doorgronden. Dit heeft geleid tot andere uitgangspunten voor de berekening die in opdracht van IenW wordt gemaakt. Deze gewijzigde uitgangspunten zijn in het genoemde overleg aan de orde geweest om te toetsen of deze navolgbaar en gebaseerd op feitelijk juiste informatie zijn. In totaal zijn hierover ongeveer 10 overleggen geweest op verschillende niveaus.
Met de voorzitter van de MRS heb ik in de zomer in een kennismakingsgesprek en een tweede gesprek gesproken over het lopende proces naar aanleiding van de aanvullende raadpleging en de vervolgstappen in de Europese balanced approach-procedure. Ook met de voorzitter van de BRS heb ik daarover gesproken in een kennismakingsgesprek en een tweede gesprek. Ik heb daarnaast de voorzitter van de BRS en de MRS telefonisch geïnformeerd voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit op 4 september jl.
Hoe vaak en op welke data precies zijn er gesprekken met vertegenwoordigers van Schiphol en de rest van de luchtvaartsector gevoerd in de aanloop naar uw besluit over de krimp en hoe vaak met omwonenden?
Zie antwoord vraag 10.
Heeft u in uw afweging ook de mogelijke voordelen van een grotere krimp voor de vermindering van CO2, stikstof, ultrafijnstof en andere schadelijke stoffen meegenomen? Zo ja, kunt u de berekeningen daarover met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het maatregelenpakket zoals nu voorligt gaat een positieve impact hebben op het beperken van geluid. De balanced approach-procedure schrijft stappen voor die genomen moeten worden voordat een exploitatiebeperking doorgevoerd kan en mag worden. De procedure focust zich primair op geluid en kijkt alleen naar de baten van maatregelen op het gebied van geluidsreductie.
In aanvulling daarop hanteert het Ministerie van IenW meerdere selectiecriteria waar maatregelen aan moeten voldoen voordat deze in aanmerking komen voor implementatie in de balanced approach-procedure. Deze selectiecriteria zijn te vinden in het Notificatiedocument van 4 september 2024. Dat maatregelen niet mogen leiden tot een aanzienlijke toename van uitstoot van stoffen en niet mogen resulteren in een onomkeerbaar negatief effect op de kwaliteit van de netwerkconnectiviteit is onderdeel van deze selectiecriteria. Zo is ook te zien in het maatregelenpakket dat er specifieke maatregelen in zitten die positief scoren op het beperken van uitstoot. Onder andere de beperking van de maximale capaciteit maar ook het inzetten van stillere (en schonere) toestellen dragen hieraan bij.
In lijn met het Regeerprogramma is het kabinet voornemens te sturen op milieunormen die de negatieve effecten van de civiele luchtvaart steeds verder laten afnemen. Voor de luchtvaart ontstaat dan op de langere termijn groeiruimte als vliegtuigen stiller en schoner worden onder andere met innovatie van vliegtuigen en vliegtuigbrandstoffen, waaronder SAF (biogene en synthetische brandstof) en waterstof. De uitwerking van het normenstelsel zal nog een aantal jaar in beslag nemen.
Kunt u met de Kamer delen of en, zo ja, hoe precies u in uw recente berekeningen rekening houdt met de volledige omvang van milieueffecten, klimaat, gezondheid én de specifieke behoefte van de Nederlanders aan vluchten?
Zie antwoord vraag 12.
Kunt u de berekeningen delen die laten zien hoe uw beleid de volledige omvang meeneemt van milieueffecten, klimaat- en gezondheidsimpact, én de specifieke behoefte van de Nederlanders aan vluchten, inclusief de gebruikte cijfers, aannames, informatie en bronnen?
Zie antwoord vraag 12.
Erkent u dat een vlucht ons als samenleving weinig tot niets oplevert als er vooral overstappende passagiers op zitten die helemaal niet in Nederland hoeven te zijn en als de totale kosten voor de samenleving (milieu, klimaat, gezondheid) worden meegewogen? Zo nee, op welk recent wetenschappelijk onderzoek baseert u zich?4
Schiphol fungeert als hubluchthaven in het hub-and-spoke netwerk van KLM. Door lokale (OD-)passagiers te combineren met transferpassagiers kan KLM meer vluchten en bestemmingen vanaf Schiphol aanbieden dan alleen op basis van de lokale markt. Regio’s met een hubluchthaven zijn hierdoor (veel) beter bereikbaar dan vergelijkbare regio’s zonder hubluchthaven. Op korte routes biedt een hubluchthaven doorgaans hogere frequenties aan; op langere routes is vaker een directe vlucht beschikbaar. Dit draagt bij aan een uitgebreid routenetwerk naar relevante economische bestemmingen, waaronder veel intercontinentale bestemmingen. Daarmee levert Schiphol een belangrijke bijdrage aan de internationale bereikbaarheid van Nederland en het vestigingsklimaat.
De directe economische bijdrage van transferpassagiers is – in termen van bestedingen aan vliegtickets en uitgaven op de hubluchthaven – inderdaad beperkt. Echter, transfer levert vooral een indirecte bijdrage aan de economie, namelijk via bereikbaarheidseffecten voor Nederlandse bedrijven. Het ontmoedigen of beëindigen van transfervervoer leidt tot minder overlast en emissies in de omgeving van de luchthaven. De effecten op het klimaat zijn echter beperkt, doordat transferpassagiers gemakkelijk via andere hubluchthavens kunnen vliegen.
Het onderzoek van SEO naar de betekenis van de transferpassagiers op Schiphol (2023) geeft aan dat het (hypothetisch) wegvallen van de hubfunctie of alle transferpassagiers op Schiphol zou leiden tot een halvering in het aanbod van vluchten, de connectiviteit en netwerkkwaliteit. Als bestemmingen niet langer direct verbonden zijn, neemt de gemiddelde reistijd toe doordat een overstap noodzakelijk is. Die extra reistijd ligt volgens SEO voor niet-Europese bestemmingen tussen de drie à vijf uur.
Kunt u schetsen welke belangen, cijfers en informatie precies zijn afgewogen en op welke wijze aan ieder belang een bepaald gewicht is gegeven om tot het uiteindelijke besluit te komen?
De balanced approach-procedure start met het definiëren van een geluidsdoel, waarin met verschillende maatregelen invulling aan moet worden gegeven. In de Kamerbrief van 4 september 2024 wordt vastgehouden aan dit geluidsdoel en wordt per november 2025 17% van de totale 20% ingevuld en 3 procent later na evaluatie van de maatregelen.7 Bij het selecteren van de maatregelen dient cf. de balanced approach-procedure te worden gekeken naar het doelbereik van de maatregelen en naar de kosteneffectiviteit. Pas als laatste mag naar maatregelen worden gekeken die de exploitatie beperken. Bij de keuze van het pakket wordt naar meer selectiecriteria gekeken. Zo wordt er gekeken naar: garanderen van de veiligheid, haalbaarheid van de maatregelen voor 1 november 2025, overeenstemming met wetgeving, behouden betrouwbaarheid van de operatie, voorkomen van verspreiding van hinder, kwaliteit van het netwerk, beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen, en mogelijkheid van de modellering van de maatregelen.
Parallel wordt gewerkt aan het op- en vaststellen van een nieuw luchthavenverkeerbesluit (LVB), waarmee de rechtspositie van de omwonenden wordt hersteld. Met het maatregelenpakket zoals uiteengezet in de Kamerbrief gebeurt dat met het behoud van de netwerkkwaliteit van Schiphol, zoals besloten in de Hoofdlijnenbrief van juni 2022.
Bent u het eens met de uitspraak van de rechter van 20 maart 2024 dat de Staat jarenlang het belang van omwonenden van Schiphol ondergeschikt heeft gemaakt aan de belangen van de luchthaven en dat er dus sprake was van onevenwichtige belangenafweging?5 Zo nee, waar baseert u zich precies op?
Het toenmalige kabinet heeft aangegeven dat het de strekking van het vonnis onderschrijft dat meer gewicht moet worden toegekend aan de belangen van omwonenden.9 Dit standpunt wordt nog steeds ondersteund.
Kunt u precies uitleggen hoe uw besluit leidt tot het herstellen van een evenwichtige belangenafweging, waarbij een einde wordt gemaakt aan de situatie dat het belang van omwonenden van Schiphol ondergeschikt wordt gemaakt aan de belangen van de luchtvaartsector?
Om opvolging te geven aan het RBV-vonnis wordt de balanced approach-procedure (BA) verder doorlopen. Een deel van de maatregelen die volgen uit de BA worden vastgelegd in een gewijzigd LVB. Daarmee wordt er een einde gemaakt aan de jarenlange gedoogsituatie en wordt de rechtspositie van omwonenden hersteld. Om een betere rechtsbescherming te bieden aan alle omwonenden van Schiphol, dus ook de mensen die verder van Schiphol af wonen, gaat het kabinet extra handhavingspunten voor geluid toevoegen. Daardoor is er voor omwonenden houvast in de vorm van een maximale jaarlijkse geluidbelasting bij hen in de buurt. De ILT houdt hier toezicht op om naleving te verzekeren.
Klopt het dat u uw ambtenaren heeft opgedragen (in welke vorm dan ook) om met de luchtvaartsector om tafel te gaan zitten en hun informatie te verwerken in nieuwe modelberekeningen?
Na mijn aantreden ben ik geïnformeerd over de inbreng van verschillende partijen bij de aanvullende raadpleging. De kanttekeningen vanuit de luchtvaartsector bij de berekening in opdracht van IenW is ook aan bod gekomen bij een kennismakingsgesprek met de CEO van KLM. Ik heb mijn ambtenaren gevraagd goed naar de verschillen in de berekeningen te kijken en daar overleg met de sectorpartijen over te voeren. Dat was voor mij noodzakelijk om een goede afweging te kunnen maken. Op basis van de gesprekken met belanghebbenden, de aanvullende en gedetailleerde informatie en de reacties uit de aanvullende raadpleging zijn aannames verder aangescherpt en is het maatregelenpakket dat in de aanvullende raadpleging lag, op een aantal punten aangepast. Vervolgens zijn, onder regie van onderzoeksbureau To70 en met een second opinion van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR), nieuwe berekeningen uitgevoerd van het effect van de maatregelen op de geluidbelasting.
Hoe past uw aandringen om de luchtvaartsector meer een stem te geven in de modelberekeningen en luchtvaartbeleid, bij de uitspraak van de rechter dat er al een onevenwichtige situatie was waarbij de belangen van omwonenden ondergeschikt waren gemaakt aan de belangen van de luchtvaartsector?
Voorop staat dat met het voorliggende maatregelenpakket sprake is van een reductie van aantal ernstig gehinderden met 17%. Deze terugdringing van het geluid doe ik in het belang van de omwonenden. Maar tegelijkertijd wil ik wel zorgvuldig kijken naar de impact van geluidsreducerende maatregelen. Daarom ben ik ook met de sector in gesprek gegaan over de berekeningen in de balanced approach-procedure.
Heeft u belangenvertegenwoordigers van omwonenden inhoudelijk gesproken, voordat uw besluit over Schiphol viel? Zo ja, met wie en wanneer precies? Zo nee, waarom niet en hoe rijmt dat met de genoemde uitspraak van de rechter?
Het gesprek met stakeholders is van belang om goede afwegingen te kunnen maken. Dat geldt ook voor het gesprek met de omwonenden. De MRS speelt hier een belangrijke rol bij. Voorafgaand aan de besluitvorming door het kabinet, hebben er gesprekken plaatsgevonden met de voorzitter van de MRS in juli en in augustus. Deze zijn vooral informerend van aard geweest. Daarnaast is zij voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit op 4 september telefonisch geïnformeerd over de besluitvorming van het kabinet over de volgende stap in de balanced approach-procedure. Direct na de zomer, op 9 september, heeft er een kennismaking plaatsgevonden met de voltallige MRS. Daar is de balanced approach-procedure ook aan de orde geweest. In oktober zal er opnieuw een gesprek plaatsvinden met de MRS.
Bent u het eens met de uitspraak van de rechter van 20 maart 2024 dat de Staat handelt in strijd met het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens door omwonenden van Schiphol (ook die buiten de huidige gemodelleerde geluidsgrenzen wonen) geen adequate rechtsbescherming te bieden en hun belangen stelselmatig ondergeschikt te maken aan die van de luchtvaart? Zo nee, waarom niet?
Voorop staat dat het vonnis zoveel mogelijk moet worden uitgevoerd. Het kabinet onderschrijft de noodzaak om meer gewicht toe te kennen aan de belangen van omwonenden, zowel waar het gaat om het herstel van de rechtspositie, als wat betreft de reductie van de geluidhinder van Schiphol op korte termijn. Om die reden wordt de balanced approach-procedure doorlopen en gaat het kabinet extra handhavingspunten voor geluid toevoegen. De belangen van omwonenden en die van andere belanghebbenden moeten op passende wijze tegen elkaar afgewogen worden, zowel in dit traject als bij toekomstig beleid10.
Hoe gaat u de opdracht van de rechter om binnen 12 maanden na de uitspraak van 20 maart 2024 te zorgen voor praktische en effectieve rechtsbescherming voor alle omwonenden (ook die buiten de huidige geluidscontouren) uitvoeren?
Om een betere rechtsbescherming te bieden aan alle omwonenden van Schiphol, dus ook de mensen die verder van Schiphol af wonen, gaat het kabinet extra handhavingspunten voor geluid toevoegen. Daardoor is er voor omwonenden houvast in de vorm van een maximale jaarlijkse geluidbelasting bij hen in de buurt. De ILT houdt hier toezicht op om naleving te verzekeren. Dit vereist een wijziging van het LVB. Dit is niet uitvoerbaar binnen de gestelde termijn van 12 maanden. Dit is de reden waarom het kabinet een verzoek tot schorsing van het RBV-vonnis heeft ingediend bij het Gerechtshof.11 Naast de wijziging van het LVB is een wetsvoorstel bij de Kamer ingediend, waarmee het voor omwonenden mogelijk wordt om bij de bestuursrechter in beroep te gaan tegen het LVB. Dit is op dit moment nog niet mogelijk.
Kunt u de aanwijzing van uw ministerie intrekken om niet te handhaven na de constatering van de ILT dat er een overschrijding van 19% is bij handhavingspunt 25 (Uithoorn)? Zo nee, waarom niet?6
De aanwijzing om niet handhavend op te treden is het zogenaamde anticiperend handhaven. Dat houdt in dat niet handhavend opgetreden wordt bij overschrijding van een handhavingspunt zo lang wordt voldaan aan de baangebruiksregels van het Nieuwe Normen en Handhavingsstelsel (NNHS). Als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2024 is het niet mogelijk het anticiperend handhaven te stoppen, omdat dit zou leiden tot een exploitatiebeperking. Volgens de Hoge Raad kan de Staat het stoppen met anticiperend handhaven in combinatie met een experimenteerregeling slechts invoeren nadat een balanced approach-procedure is doorlopen.13
Hoe gaat u de opdracht van de rechter uitvoeren om binnen 12 maanden na de uitspraak van 20 maart 2024 het gebrek aan een eerlijke balans tussen de belangen van omwonenden en economische belangen van de luchtvaartsector te corrigeren, waarmee de rechter duidelijk maakte dat omwonenden niet langer de sluitpost mogen zijn?
Zoals gemeld in de negende Voortgangsbrief van het Programma Omgeving Luchthaven Schiphol heeft het kabinet een verzoek ingediend om de uitvoering van het vonnis te schorsen totdat het gerechtshof in hoger beroep uitspraak heeft gedaan14. Dit betekent niet dat het ministerie niets zal doen. Het zal alles op alles zetten om zo snel mogelijk de balanced approach-procedure te doorlopen en een wijziging van het LVB voor elkaar te krijgen. Daarmee wordt het anticiperend handhaven beëindigd en wordt de rechtsbescherming voor de omwonenden verbeterd.
Kunt u met grote zekerheid stellen dat de rechter u niet opnieuw op de vingers tikt wegens het onvoldoende beschermen van burgers tegen de schadelijke gevolgen van de luchtvaart? Zo ja, waar baseert u zich op?
De wijziging van het LVB wordt zorgvuldig voorbereid. In de procedure voor de wijziging van een LVB zijn daarbij belangrijke waarborgen ingebouwd om de kwaliteit van de regelgeving te verzekeren. Zo wordt de wijziging voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer en adviseert de Raad van State over het ontwerp. Daarnaast zal de hoger beroepsprocedure in het RBV-vonnis benut worden om een nadere duiding van het vonnis te verkrijgen, zodat het kabinet alle benodigde stappen in lijn met het vonnis kan nemen om de regelgeving vast te stellen en op een correcte wijze uitvoering te geven aan het vonnis.
Heeft u voor uw besluit overleg gehad met en advies gevraagd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris Rechtsbescherming, die gaan over zaken die aan dit dossier raken, zoals het bestuursrecht, toegang tot het recht, bescherming van grondrechten en goed bestuur? Zo nee, waarom niet?
Het besluit tot het instellen van hoger beroep is in de ministerraad van 24 mei genomen, waardoor alle relevante aspecten goed zijn betrokken bij de besluitvorming. Ook de besluitvorming over de inzet van het kabinet in de balanced approach-procedure heeft in de ministerraad plaatsgevonden.
Klopt het dat u tijdens een lunchpauze een bandbreedte van 475.000 tot 485.000 vliegbewegingen per jaar heeft bedacht? Zo nee, hoe ging het dan wel?
Om zo snel mogelijk de regelgeving weer op orde te krijgen en de geluidbelasting te verlagen, werkt het kabinet door aan de Europese balanced approach-procedure die momenteel wordt doorlopen voor luchthaven Schiphol. Het kabinet heeft daarom besloten om het aangepaste notificatiepakket op 4 september jl. in te dienen bij de Europese Commissie. De keuze voor de bandbreedte tussen de 475.000 en 485.000 volgt uit het feit dat de berekeningen nog niet stabiel waren. Daarom heeft het kabinet ervoor gekozen om de notificatie te starten met een bandbreedte. Dit besluit is uiteraard niet genomen tijdens de lunchpauze van de ministerraad. Wel is er in de lunchpauze telefonisch contact geweest met het departement. Dat is te lezen in de openbaar gemaakte beslisnota bij de Kamerbrief van 4 september jl.15 De Europese Commissie heeft inmiddels eind september een ontvangstbevestiging van het genotificeerde pakket gestuurd en aangegeven de uitkomsten van de berekeningen nodig te hebben om tot een advies te komen over het definitieve maatregelenpakket. Daar hoort ook de geluidsimpact van de verschillende maatregelen bij.
Heeft u tijdens een lunchpauze als Minister minstens één keer contact gehad met een van de tientallen bewonersverenigingen die Nederland heeft, voordat u dat besluit had genomen?
Nee. Wel hebben er voorafgaand aan de besluitvorming door het kabinet, gesprekken plaatsgevonden met de voorzitter van de MRS in juli en in augustus. Daarnaast is zij voorafgaand aan de bekendmaking van het besluit op 4 september telefonisch geïnformeerd over de besluitvorming van het kabinet over de volgende stap in de balanced approach-procedure.
Op basis van welke wetenschappelijke feiten zijn er 10.000 vluchtbewegingen extra toegevoegd?
Er zijn geen vliegtuigbewegingen toegevoegd. Omdat er gebruikgemaakt is van nieuwe, meer gedetailleerde informatie in het bestaande rekenmodel, worden de berekeningen de komende weken nogmaals nagelopen. Deze controle is van belang voor de zorgvuldigheid en kan nog leiden tot een andere uitkomst. Na de controle – die in het najaar zal worden afgerond – zal het definitieve aantal vliegtuigbewegingen worden vastgesteld. Gelet hierop heeft het kabinet ervoor gekozen om in de aangepaste notificatie een bandbreedte van 475.000–485.000 vliegtuigbewegingen op te nemen.
Op welke manier vindt u het rechtvaardig en in lijn met de geest van het vonnis van de rechter om op deze manier meer ruimte te bieden voor Schiphol, terwijl uw voorganger, de vorige CEO van Schiphol en omwonenden pleiten voor een grotere krimp?
Bij mijn aantreden heb ik de ambtenaren gevraagd om met de sector in gesprek te gaan en uit te zoeken hoe het komt dat de sector andere uitkomsten van berekeningen had dan het Ministerie van IenW. Daarbij was mijn verzoek of de sector en het ministerie het eens konden worden over de uitgangspunten voor de berekeningen. De berekeningen worden door onafhankelijke bureaus gedaan. De uitkomsten worden niet vooraf bepaald, maar volgen uit de berekeningen. Er wordt op dit moment nog aan gewerkt om ze wel stabiel te krijgen. Na de controle – die in het najaar zal worden afgerond – zal het definitieve aantal vliegtuigbewegingen worden vastgesteld.
Erkent u dat u de belangen van Schiphol hier zwaarder heeft laten wegen dan de belangen van omwonenden, natuur, milieu en klimaat?
Voorafgaand aan het Hoofdlijnenbesluit Schiphol heeft een brede afweging plaatsgevonden tussen verschillende publieke belangen. Daar is uiteindelijk het geluidsdoel op gebaseerd. Het geluidsdoel blijft intact, de afgelopen weken is alleen opnieuw gekeken hoe, op basis van de meest recente inzichten en informatie, het geluidsdoel ingevuld kan worden. Hierin vindt niet opnieuw een belangenafweging plaats.
Uit welke daden en maatregelen van uw beleid blijkt precies dat ualle mogelijke snelheid inzet om de geluidsbelasting met 20% terug te dringen, zoals het regeerprogramma van de coalitie u opdraagt?
In het regeerprogramma staat dat de inzet voor de luchtvaart gericht is op het op orde brengen van de rechtsbescherming van omwonenden (geluidsbelasting) en de regelgeving met behoud van de netwerkkwaliteit van Schiphol. Het regeerprogramma stelt dat het kabinet de rechtspositie van omwonenden van Schiphol zo snel mogelijk wil herstellen en de geluidsbelasting met 20% wil terugdringen. Om dit te bereiken zet het kabinet de lopende Europese balanced approach-procedure voort en worden de resultaten daarvan in het Luchthavenverkeerbesluit vastgelegd.
Om de rechtspositie van omwonenden zo snel mogelijk te herstellen wordt zo spoedig mogelijk het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) gewijzigd. Daarmee wordt een einde gemaakt aan de jarenlange gedoogsituatie en herstellen we de rechtspositie van omwonenden.
Met het maatregelenpakket zoals 4 september jl. genotificeerd aan de Europese Commissie wordt 17% van het totale geluidsdoel van 20% gerealiseerd. Dit betekent dat de doelstelling van 20% overeind blijft en behaald moet worden. Een invulling van 17% nu, biedt ruimte en tijd voor meer alternatieve maatregelen dan een verdergaande capaciteitsreductie. Hiermee resteert nog 3% van het geluidsdoel. Het kabinet heeft besloten om eerst het daadwerkelijke effect van het maatregelenpakket te monitoren. Daarna wordt besloten welke verdere stappen gezet moeten worden. Het kabinet zal zich inspannen om de resterende 3% zo snel mogelijk in te vullen, nadat de evaluatie heeft plaatsgevonden.
Bent u het ermee eens dat het feit dat u 2025 en 2026 afwacht, om pas in 2027 te bepalen welke verdere stappen moeten worden gezet voor het halen van de volledige 20% reductie van geluidsbelasting, niet rijmt met de beloftes van het eerdere kabinet en ook niet rijmt met de tekst van het huidige regeerprogramma, waarin staat dat de 20% reductie «zo snel mogelijk» wordt gehaald? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 33.
Kan het doel om de geluidsbelasting met 20% terug te brengen sneller dan u nu doet? Zo ja, waarom doet u het dan niet, zoals afgesproken in het regeerakkoord en beloofd aan burgers? Zo nee, op welke onafhankelijke experts en onderzoeken baseert u zich?
Zie antwoord vraag 33.
Waarom houdt u zich niet aan de afspraak uit het regeerakkoord en aan de belofte van het vorige kabinet aan de burgers om de geluidsbelasting en het aantal ernstig gehinderden «zo snel mogelijk» met 20% terug te dringen?
Zie antwoord vraag 33.
Kunt u berekenen en met de Kamer delen hoe hoog het aantal vliegtuigbewegingen per jaar zou mogen zijn als meteen wordt vastgehouden aan de beloofde 20% reductie?
Van 24 mei 2024 tot en met 21 juni 2024 heeft er een aanvullende raadpleging plaatsgevonden. Deze aanvullende raadpleging, door het vorige kabinet uitgevoerd, had betrekking op de invulling van 15 tot 17% van het totale geluidsdoel van 20%. Na deze aanvullende raadpleging is besloten om voor 17% per november 2025 te gaan. Op 4 september 2024 is de aangepaste notificatie aan de Europese Commissie toegestuurd met daarin ook de invulling van 17% van het geluidsdoel. De overige 3% wordt ingevuld afhankelijk van de uitkomsten van de monitoring van het genotificeerde maatregelpakket. Er worden op dit moment nog aanvullende berekeningen uitgevoerd gericht op de invulling van 17% van het geluidsdoel. Er zijn geen berekeningen beschikbaar die zien op de invulling van het totale geluidsdoel van 20% en die kunnen er ook niet op korte termijn zijn. Deze berekeningen kunnen dus ook niet gedeeld worden.
Staat u achter het nakomen van de klimaatafspraken, zoals ook door de coalitie afgesproken in de basislijn en in het hoofdlijnenakkoord?
Het kabinet houdt zich – in lijn met het regeerprogramma – aan bestaande klimaatafspraken. De internationale luchtvaart draagt bij aan de broeikasgasemissies en de verwachting is dat deze emissies zonder maatregelen flink zullen toenemen.
De internationale klimaataanpak onder Parijs biedt expliciet ruimte om te differentiëren tussen sectoren. De lucht- en scheepvaart maken onderdeel uit van deze aanpak. De bijdrage van de internationale luchtvaart en -scheepvaart loopt via de internationale burgerluchtvaartorganisatie ICAO en de internationale maritieme organisatie IMO. De reden hiervoor is dat het om internationale sectoren gaat en de oplossing voor het klimaatprobleem zoveel mogelijk internationaal moet worden gevonden. Daarnaast is luchtvaart één van de moeilijkste en duurste sectoren om te verduurzamen en heeft dus meer tijd nodig dan sommige andere sectoren. Het kabinet hanteert overigens ook deze gedifferentieerde aanpak in haar nationale klimaatbeleid.
Onevenredig hard ingrijpen in de luchtvaartsector in Nederland ligt daarom niet voor de hand en betekent bovendien weglek van vluchten en daarmee zowel CO2 als bedrijvigheid over de grens. Dan verliest de Nederlandse economie en wint het klimaat nauwelijks. Daarom kiest het kabinet in mondiaal, EU en nationaal verband voor een gebalanceerd pakket aan maatregelen. Op deze manier draagt de luchtvaart in de ogen van het kabinet eerlijk bij aan het halen van de klimaatdoelen.
Bent u ermee bekend dat de wetenschappelijke consensus aangeeft dat we de klimaatdoelen niet halen – ook niet met maximale inzet van technologie en andere brandstoffen – als de luchtvaart niet flink krimpt?
Zie antwoord vraag 38.
Kunt u met de Kamer delen op basis van welke onafhankelijke berekeningen en onafhankelijke experts uw luchtvaartbeleid ervoor zal zorgen dat we ons aan klimaatafspraken houden, zoals ook vastgesteld door de coalitie in de basislijn en in het regeerprogramma? Hoe groot is de kans dat deze berekeningen uitkomen?
In 2022 heeft ICAO een langetermijndoel voor de internationale luchtvaart geformuleerd: netto nul CO2-emissies in 2050 (Long Term Aspirational Goal; LTAG). Binnen de Raad van ICAO wordt momenteel uitgewerkt hoe dit doel gerealiseerd gaat worden. Helder is dat technologische vernieuwing, duurzame brandstoffen, hernieuwbare energiedragers en efficiënter vliegen belangrijk zijn voor het halen van de LTAG. Nederland hecht veel belang aan het realiseren van deze doelstelling en zet zich hiervoor in in ICAO-verband.
Daarnaast draagt de internationale luchtvaart binnen de Europese Economische Ruimte (EER) direct bij aan de 2030 klimaatdoelstellingen van de EU via het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS). Dit betekent dat de luchtvaartmaatschappijen die opereren binnen de EER verplicht zijn om emissierechten aan te schaffen voor de door hen gegenereerde CO2-uitstoot en hierover te rapporteren. Vanaf 2026 stopt de verdeling van gratis rechten en zullen luchtvaartmaatschappijen voor hun volledige uitstoot moeten gaan betalen. Omdat het aantal emissierechten onder het EU ETS beperkt is en geleidelijk afneemt in lijn met de Europese klimaatdoelen, draagt luchtvaart per definitie bij aan de Europese klimaatdoelen (en daarmee ook de mondiale doelen). Ook gaat per 2025 RefuelEU Aviation van start. Met deze nieuwe verordening zijn brandstofleveranciers verplicht om een minimum aandeel duurzame luchtvaartbrandstoffen te leveren. Deze verplichte aandelen zullen tot 2050 geleidelijk stijgen, wat leidt tot een vermindering van CO2-uitstoot en tegelijkertijd zorgt voor een gelijk speelveld op EU-niveau.
De luchtvaartsector is in relatie tot andere sectoren relatief moeilijk en duur om te verduurzamen. Daarom zal deze sector ook nog langer in de toekomst ETS-rechten moeten blijven kopen. Op die manier speelt luchtvaart een cruciale rol in de financiering van CO2-reductie in andere sectoren waar CO2 goedkoper en gemakkelijker gereduceerd kan worden.
Bovendien hebben de luchtvaartsector en de overheid gezamenlijke nationale ambities geformuleerd. Deze doelen zijn geconcretiseerd in de Luchtvaartnota en betreffen CO2-reductie binnen de luchtvaartsector. In 2030 dient de CO2-uitstoot maximaal op het niveau van 2005 te zitten, in 2050 dient de CO2-uitstoot gehalveerd te zijn en in 2070 dient er nul CO2-uitstoot te zijn. Het kabinet zal de voortgang hierop blijven monitoren.
Bent u bereid om vanuit uw portefeuille luchtvaart eerlijk bij te laten dragen aan het halen van de klimaatdoelen? Zo nee, waarom houdt u zich niet aan de afspraken in de basislijn en in het hoofdlijnenakkoord, waarin staat dat internationale afspraken, zoals klimaatafspraken moeten worden nagekomen?
Zie antwoord vraag 38.
Bent u bekend met de vernietigende conclusies van de staatsagent over de betrouwbaarheid van KLM, waarin hij o.a. stelt dat het bedrijf verbloemt, verdraait en misleidt?
Ja, ik ben bekend met de opmerkingen die de staatsagent hierover heeft gemaakt in de vijfde voortgangsrapportage. Deze opmerkingen hebben betrekking op de manier waarop KLM over de naleving van de steunvoorwaarden heeft gerapporteerd in het eigen jaarverslag. Er is in het toenmalige jaarverslag van KLM inderdaad slechts zeer summier stilgestaan bij de door de staatsagent genoemden verbeterpunten. Het is duidelijk dat de KLM de steunvoorwaarden onvoldoende heeft nageleefd. Het kabinet heeft in reactie op de vijfde rapportage van de staatsagent aangegeven teleurgesteld te zijn hierover.
Op basis waarvan vertrouwt u de cijfers en beloftes van KLM nu wel?
Zoals ook in de Kamerbrief van 4 september jl. gecommuniceerd is het maatregelenpakket niet vrijblijvend. Het kabinet wil dat de geluidbelasting in de omgeving van Schiphol daadwerkelijk afneemt. Daarom vindt het kabinet het belangrijk dat hier duidelijke en bindende afspraken over worden gemaakt met de sectorpartijen. De gesprekken met sectorpartijen over de inhoud en naleving van deze afspraken worden momenteel gevoerd. KLM en Schiphol hebben op 4 september per brief aangegeven dat zij ook bereid zijn om dergelijke afspraken te maken. Deze brieven zijn als bijlagen bij de Kamerbrief gevoegd.16 Zodra de uitkomst van deze gesprekken vast staat, wordt de Kamer hier over geïnformeerd.
Gelet op het feit dat de berekende aantallen vliegbewegingen allemaal gebaseerd zijn op een gemiddelde geluidsbelasting, en bewoners en wetenschappers allemaal aangeven dat je niet wakker wordt van een papieren gemiddelde, maar van een daadwerkelijk vliegtuig dat passeert: beseft u dat door zoveel (nacht)vluchten te blijven toestaan, er in de praktijk geen enkele afname van hinder zal optreden?
Nachtvluchten kunnen leiden tot (ernstige) slaapverstoring. Daarom spant het kabinet zich in om hinder in de nacht te beperken. Onlangs heeft het kabinet een pakket aan maatregelen genotificeerd bij de Europese Commissie. In dit maatregelenpakket is een aantal maatregelen opgenomen die specifiek zijn gericht op de nachtperiode. Ten eerste is opgenomen om het aantal toegestane vluchten in de nacht te verlagen van 32.000 naar 27.000, ten tweede om lawaaiige toestellen in de nacht te weren en daarnaast zet KLM stillere vliegtuigen in de nacht in. Met deze maatregelen wordt het geluidsdoel voor de nacht, een afname van 15% ernstig slaapverstoorden, ruimschoots gehaald.
Hoe reageert u op het perspectief van omwonenden en wetenschappers dat stillere vliegtuigen in praktijk weinig tegen hinder helpen, omdat ook een iets stiller vliegtuig de rust verstoort en met stillere vliegtuigen maatschappijen vaker gaan vliegen, wat juist de geluidshinder vergroot?
Het vliegen met stillere toestellen, draagt bij aan het verminderen van de gemiddelde geluidsbelasting en daarmee ook aan het behalen van het geluidsdoel. Het ministerie is zich ervan bewust dat omwonenden dit in de praktijk anders kunnen ervaren en dat stillere toestellen niet altijd leiden tot minder hinder. Daarom bevat het maatregelenpakket ook een combinatie van geluidsbeperkende maatregelen inclusief een lager maximaal aantal vliegtuigbewegingen op het etmaal en in de nacht.
Bent u het ermee eens dat het resultaat van beleid moet zijn dat er merkbaar veel minder overlast is voor omwonenden én dat er tegelijkertijd veel minder negatieve impact op de gezondheid van burgers, het milieu en het klimaat moet zijn?
Het huidige beleid is het verminderen van de geluidsbelasting met 20% op het etmaal. Dit beleid is erop gericht om de overlast, en daarmee ook de negatieve gezondheidseffecten, voor omwonenden te verminderen.
Bent u bekend met de gezondheidsschade die optreedt door slaapverstoring, en bent u ermee bekend dat die door Schiphol bij minstens 152.000 mensen optreedt? Wat vindt u hiervan en gaat u dit aantal meetbaar flink naar beneden brengen?
Ik ben bekend met de rapportage van het RIVM uit 2019 waarin het aantal berekende ernstig slaapverstoorden rond Schiphol en regionale luchthavens van nationaal belang samen, wordt geschat op bijna 152.000 personen.17 Deze schatting omvat een veel groter gebied dan het gebied met een geluidbelasting van 40 dB (A) Lnight of hoger. Voor Schiphol wordt uitgegaan van het gebied waar de geluidbelasting ten minste 40 Lnight bedraagt. Dit is de advieswaarde voor de nacht uit de WHO-richtlijnen voor omgevingsgeluid en tegelijkertijd is het een waarde die een juridische basis heeft in de zogenoemde gelijkwaardigheidscriteria waar ieder LVB aan moet voldoen. In het gebruiksjaar 2023 was in de omgeving van Schiphol het aantal berekende ernstig slaapverstoorden met een geluidbelasting van 40 dB (A) Lnight of hoger 11.800.18
Het kabinet erkent dat slaapverstoring een negatief effect heeft op de gezondheid van mensen. In het Actieplan omgevingslawaai Schiphol 2024–2029 is voor de planperiode tot 2029 een vermindering van 15 procent van het aantal berekende personen dat in de slaap wordt gestoord, bij een geluidbelasting van 40 dB (A) Lnight of hoger, tot doel gesteld. Om deze afname te realiseren is onlangs een pakket van maatregelen genotificeerd bij de Europese Commissie, waarmee dit geluidsdoel voor de nacht ruimschoots wordt gehaald.
Bent u bekend met het dringende advies van de Vlaamse gezondheidsraad om per direct te stoppen met nachtvluchten op Brussel /Zaventem Airport vanwege de serieuze gezondheidsschade van honderdduizenden omwonenden?7
Ja, ik ben bekend met het advies van De Hoge Gezondheidsraad van België.
Wat vindt u van het advies en welke lessen zijn er te trekken voor Nederland?
Het advies van De Hoge Gezondheidsraad is gebaseerd op een uitgebreide literatuurstudie van bestaande onderzoeken en rapporten naar onder andere de effecten van slaapverstoring. Op basis van deze wettenschappelijke inzichten doet de Hoge Gezondheidsraad de beleidsaanbeveling voor een volledig verbod op nachtvluchten op Brussel/Zaventem Airport tussen 23.00 en 07.00 uur vanuit gezondheidsperspectief. Het is aan de overheid om verschillende aspecten van vliegverkeer (internationale verbondenheid, gezondheidsschade, economie, etc.) te wegen en daarover een besluit te nemen. Dit heeft de Vlaamse overheid gedaan en heeft de aanbeveling voor een nachtsluiting niet overgenomen. Voor Schiphol loopt er momenteel een impactanalyse naar o.a. een (gedeeltelijke) nachtsluiting.
Weet u welke gezondheidsschade Schiphol oplevert aan de omwonenden? Kunt u daarbij een concrete inschatting maken uitgesplitst naar overlast en stress door continue herrie overdag, de schade door verstoringen in de nacht en de schade van de kankerverwekkende stoffen, zoals benzeen, zwavel, formaldehyde en ultrafijnstof?
Het ministerie heeft het RIVM opdracht gegeven om de hinder en slaapverstoring in beeld te brengen voor alle burgerluchthavens. Het Ministerie van Defensie heeft een vergelijkbare opdracht gegeven voor militaire luchthavens, ook die met civiel medegebruik. Het RIVM maakt daarbij, in overleg met de GGD-en, gebruik van de Gezondheidsmonitor 2024. De gegevens worden in de periode september – december 2024 verzameld en daarna door het CBS verwerkt, voordat RIVM en GGD-en hiermee verder gaan. Medio 2025 zal de Kamer geïnformeerd worden over het verloop van dit onderzoek.
Er zijn in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in de afgelopen jaren verschillende onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van de luchtvaart op de lokale luchtkwaliteit. Het relatieve aandeel van de luchtvaart aan de emissies en concentraties op en rondom Schiphol is klein. Daarnaast blijven de gemeten emissies en concentraties onder de advieswaarden en normen geldend in de EU. Het RIVM heeft een internationaal uniek onderzoek uitgevoerd naar de effecten van ultrafijn stof op de gezondheid en concludeert dat er geen oorzakelijk verband kan worden vastgesteld tussen de blootstelling aan ultrafijn stof en gezondheidseffecten, omdat daarvoor meerdere studies van verschillende onderzoekers in meerdere regio’s of landen nodig zijn. Voor ultrafijnstof van vliegverkeer en gezondheidseffecten zijn die er (nog) niet.
Wanneer is het laatste nationale gezondheidsonderzoek geweest naar de totale gezondheidsschade van de luchtvaart?
De GGD-en hebben gegevens verzameld over de hinder en slaapverstoring door vliegverkeer bij verschillende luchthavens met de Gezondheidsmonitor 2020. In opdracht van het ministerie is daarover een rapport geschreven.20 In de voortgangsbrieven in het kader van het (inmiddels afgeronde) Programma Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV) is aangegeven periodiek gezondheidsonderzoek uit te voeren die gezondheidseffecten in beeld brengt. Het RIVM heeft het ministerie geadviseerd daarvoor de Gezondheidsmonitor te gebruiken. De Gezondheidsmonitor wordt eens in de 4 jaar afgenomen, en biedt door de structurele en wetenschappelijk aanpak een goede vergelijkingsbasis hoe de hinder en slaapverstoring zich over de tijd heen ontwikkelt. De eerstvolgende meting voor de GGD gezondheidsmonitor vindt op dit moment plaats.
Kunt u het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opdracht geven zo spoedig mogelijk een nieuwe nationale studie te doen via de Gezondheidsraad naar de verschillende gezondheidseffecten van de luchtvaart in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet momenteel geen aanleiding voor aanvullend onderzoek door de Gezondheidsraad. In het kader van de Programmatische Aanpak Meten Vliegtuiggeluid (PAMV) is in 2019 veel informatie over de gezondheidseffecten van geluidhinder bekend geworden.21 Aanvullend daarop wordt door het RIVM de ontwikkeling van de belangrijkste gezondheidseffecten – hinder en slaapverstoring – over de tijd gemonitord. Daarnaast loopt er een onderzoek van de GGD’s en het RIVM naar zogenoemde blootstelling-responsrelatie. Dit gaat over het effect van vliegtuiggeluid op de hinder en gezondheid. Dit onderzoek wordt begin 2026 afgerond.
Ook voor wat betreft de gezondheidseffecten van luchtverontreinigende stoffen lopen er nog onderzoeken. Een voorbeeld hiervan is de in opdracht van IenW, door het RIVM opgestelde validatiecommissie die toezicht houdt op een aantal onderzoeken naar de effecten van vliegtuigemissies op de gezondheid van de medewerkers op de luchthaven. Het eerste blootstellingsonderzoek is inmiddels afgerond en momenteel loopt er nog een dwarsdoorsnedeonderzoek, waarvan de resultaten medio 2025 worden verwacht.
Aangezien u erkent dat de nieuwe berekeningen waarop u uw beleid baseert instabiel zijn, kunt u ervoor zorgen dat de Kamer wel de juiste berekeningen krijgt voor het aankomende commissiedebat Luchtvaart?
Zoals aan de Kamer is gecommuniceerd op 4 september 2024, wordt er gewerkt aan het nalopen van de berekeningen in het kader van de balanced approach-procedure voor Schiphol. Deze controle is van belang voor de zorgvuldigheid en kan nog leiden tot een andere uitkomst. Na de controle zal het definitieve aantal vliegtuigbewegingen worden vastgesteld. Tijdens de begrotingsbehandeling op 10 oktober 2024 is per abuis gemeld dat de berekeningen voor de balanced approach-procedure in de week van 14 tot en met 18 oktober bekend zouden worden. Er wordt momenteel echter nog gerekend. De berekeningen en uitkomsten zullen zo spoedig mogelijk na afronding bekend gemaakt worden. Uiterlijk dit najaar ontvangt de Kamer de definitieve berekeningen.
Bent u bereid om deze schriftelijke vragen met spoed te beantwoorden voor het aankomende commissiedebat Luchtvaart?
Ja.
Het bericht ‘Dramatisch meer valdoden onder ouderen: ‘Bont en blauw, pezen afgescheurd, maar ik kwam er nog goed vanaf’ |
|
Folkert Thiadens (PVV) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dramatisch meer valdoden onder ouderen: «Bont en blauw, pezen afgescheurd, maar ik kwam er nog goed vanaf»?1
Ja.
Hersenletsel was in 2023 de meeste voorkomende verwonding na een val bij 65-plussers, is bekend hoeveel van deze mensen bloedverdunners (anticoagulantia) gebruikten? Zo ja, welke soorten? Zo nee, waarom wordt dit niet bijgehouden?
Het is bekend dat bepaalde medicatie, waaronder bloedverdunners, het risico verhoogt op een valincident en kan de ernst van het letsel verergeren. Om die reden wordt medicatiegebruik vermeld in de SEH-registratie, wanneer er een direct verband is met de letseldiagnose, zoals bij vergiftiging. Ook de directe oorzaak (val) en toedracht (wijze van vallen, locatie) worden geregistreerd. Wanneer er geen direct verband is tussen medicatiegebruik en de letseldiagnose, wordt het medicatiegebruik niet geregistreerd om onnodige registratielast te voorkomen.
Is bekend in hoeveel van de 112.000 valpartijen in 2023 Midazolam of vergelijkbare medicatie bij de zorgvrager in gebruik was? Zo nee, waarom wordt dit niet bijgehouden?
Nee. Zoals toegelicht bij het antwoord op vraag 2, wordt het medicatiegebruik niet standaard vermeld in de SEH-registratie, tenzij er een direct verband is met de letseldiagnose.
Wordt er bij de oorzaken van het vallen voldoende gedaan aan het voorkomen van een val door onjuist medicatie gebruik (over of onder dosering), bijvoorbeeld door tijdige medicatie evaluaties? Zo ja, waaruit blijkt dit? Zo nee, waarom niet?
In 2024 heeft mijn ambtsvoorganger onderzoek laten uitvoeren naar hoe verschillende interventies, waaronder valpreventie, bijdragen aan het optimaliseren van medicatiegebruik bij ouderen. Dit onderzoek is op 14 mei aan Uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 29 477, nr. 888).
De onderzoeksresultaten tonen aan dat twee derde van de huisartsen structureel aandacht besteedt aan valpreventie. Apothekers richten zich hierbij vooral op valpreventie tijdens medicatiebeoordelingen. De onderzoekers concluderen dat er ruimte is om de interventies voor medicatiebeoordelingen, het minderen en stoppen van medicatie, valpreventie en andere vormen van medicatie-evaluaties verder te optimaliseren. Momenteel werk ik samen met het veld aan de aanbevelingen uit dit onderzoek. Ik ben voornemens uw Kamer voor het einde van 2024 te informeren over de voortgang.
Zetten gemeenten de middelen waarover zij beschikken op een juiste wijze in om te voldoen aan de verplichting om een valpreventie-programma aan te bieden voor inwoners vanaf 65 jaar en ouder? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, wat ontbreekt er?
Voor gemeenten zijn vanaf 2023 via de brede SPUK middelen beschikbaar gesteld om de ketenaanpak in samenwerking met de zorgverzekeraars in te richten en onderdelen van de ketenaanpak, zoals een valrisico-inschatting en beweegprogramma’s, aan te bieden voor inwoners vanaf 65 jaar en ouder. Gemeenten zetten diverse middelen in om aan de afspraken te voldoen, afhankelijk van de fase waarin zij zitten cq waar het zwaartepunt ligt bij de inrichting van de keten (afspraken maken met zorgverzekeraars, contacten met ouderen, beweegaanbod aanbieden).
Er zijn diverse mogelijkheden voor gemeenten en zorgverzekeraars om informatie en ondersteuning te krijgen bij de inzet op valpreventie. In samenwerking met de relevante kennisinstituten, het ondersteuningsteam van de VNG/VSG en het RIVM is een breed ondersteuningsaanbod ingericht. Voor gemeenten en GGD’en zijn en worden webinars, vragenuurtjes en bijeenkomsten georganiseerd. Op de website van het RIVM, Centrum Gezond Leven is veel informatie te vinden over de ketenaanpakken. Zoals handreikingen met toelichting op de te zetten stappen en goede voorbeelden. En onlangs is met de inzet van ZonMW extra inzet van de GGD’en mogelijk gemaakt om gemeenten te ondersteunen.
Om inzicht te krijgen in de voortgang is door het RIVM al eerder een valpreventie-monitor ingericht. Ook is dit jaar informatie verzameld over de voortgang van het GALA breed. De publicaties van het RIVM hierover volgen binnenkort. De informatie wordt gebruikt voor de midterm review van het GALA waarover ik uw Kamer begin volgend jaar informeer. Waar nodig zullen aanvullende acties worden afgesproken om de voortgang van de acties, waaronder de inzet op valpreventie, te ondersteunen en stimuleren.
Het verminderen van regeldruk in circulaire processen |
|
Silvio Erkens (VVD), Martijn Buijsse (VVD) |
|
Chris Jansen (PVV), Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) over «Vooruitgang in de circulaire economie: Inzichten uit analyses van drie productgroepen; woningen, verpakkingen en energietechnologieën»?1
Ja, ik ben bekend met deze publicatie.
Deelt u de mening dat er vaart moet worden gemaakt in het halen van de 2030- en 2050-doelen op het gebied van circulariteit? Wanneer kan de Kamer uw maatregelen verwachten op dit vlak?
Eerder heeft mijn voorganger al aangegeven dat we met de maatregelen in het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) de doelen niet gaan halen. Ook het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) geeft in de Integrale Circulaire Economie Rapportage (ICER) van 2023 aan dat meer maatregelen nodig zijn. We moeten er daarom samen de schouders onder zetten; burgers, bedrijven én de overheid. Begin 2025 komt een nieuwe ICER uit. Mede op basis hiervan zal ik in september van dat jaar een geactualiseerd NPCE aan de Kamer aanbieden.
Kunt u ingaan op de kansen die circulariteit biedt voor het Nederlandse toekomstige verdienvermogen? Kunt u daarbij specifiek ingaan op de chemische industrie?
Nederland heeft als klein land een gunstige uitgangspositie voor circulariteit. Nederland kent een goede logistieke infrastructuur en een sterke kennispositie op procestechnologie (zie Nationale Technologiestrategie [TK 32 852, nr. 224]). De sterke Nederlandse logistieke positie en clusters van basis- en verwerkende industrie vormen een goed startpunt voor toekomstige circulaire clusters, die hoogwaardige producten kunnen leveren. Dit blijkt ook uit buitenlandse investeringen die recent zijn gedaan in recyclingfaciliteiten in Nederland. Innovatie en duurzame chemie is als groeimarkt in beeld bij het kabinet.
Om de kansen voor dit toekomstig verdienvermogen te verzilveren, is wel verbetering nodig van het Nederlandse en Europese investeringsklimaat. Zoals het rapport «The future of European competitiveness» van Mario Draghi laat zien, staat de concurrentiepositie van de Europese industrie momenteel onder druk. Door middel van normeren, beprijzen en stimuleren (bij voorkeur op Europees niveau), kunnen juiste kaders gesteld worden voor de ontwikkeling van een circulaire economie door het creëren van een gelijk speelveld voor Nederlandse ondernemingen. Dat geeft ondernemers een stimulans voor het ontwikkelen van innovaties waaronder nieuwe toepassingen van hernieuwbare grondstoffen.
Circulariteit gaat hand in hand met innovatie, verdienvermogen en werkgelegenheid. Op de korte termijn moeten nieuwe technieken concurreren met lineaire bedrijfsprocessen waardoor bijvoorbeeld financiering van zulke businesscases lastiger is. Op langere termijn kunnen deze technieken echter doorontwikkelen en concurrerend worden met het bestaande alternatief. Daarvoor zijn voldoende arbeidskrachten, nieuwe infrastructuur en goede (om)scholing nodig. Dit leidt tot nieuwe kansen en voordelen voor de Nederlandse economie.
De chemische industrie heeft de sleutel in handen om de transitie te maken naar circulair grondstoffengebruik. De Nederlandse kennispositie kan ingezet worden voor nieuwe recyclingtechnologieën en circulaire materialen. Naast bestaande mechanische recycling zorgen nieuwe technieken (o.a. solvolyse en depolymerisatie) voor nieuwe mogelijkheden. Circulaire bouwstenen uit de chemie staan aan het begin van waardeketens met groot toekomstig verdienvermogen. Gemengde afvalstromen kunnen zo ingezet worden als grondstof voor toepassingen met maximaal toevoegde waarde. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van dergelijke hoogwaardige materialen in de automobielindustrie, windmolens, en medische toepassingen.
Naast economische voordelen biedt hoogwaardige verwerking voor Nederland andere voordelen. Zo kan mechanische en aanvullend daarop chemische recycling – bijvoorbeeld plasticrecycling – een belangrijke bijdrage leveren aan het halen van de klimaatdoelen. Ook kan terugwinning en hergebruik van metalen uit afval een cruciale rol gaan spelen in efficiënt gebruik van kritieke grondstoffen, en daarmee onze strategische afhankelijkheden verminderen.
In hoeverre zal een grotere inzet op circulariteit helpen met het behalen van CO2-reductiedoelen? Welke maatregelen die u voornemens bent hebben een positief effect op beide dimensies?
Onderzoeken laten zien dat de circulaire maatregelen waar het kabinet momenteel aan werkt 2–4 Mton CO2-reductie in 2030 kunnen opleveren. Met aanvullend beleid zou zelfs meer mogelijk zijn (Kamerstukken II 2023/24, 32 813 en 32 852, nr. 1397). Het kabinet wil kijken wat haalbaar is door circulaire ondernemers verder te ondersteunen en private investeringen aantrekkelijk te maken en zo de koploperspositie van het Nederlandse innoverende bedrijfsleven te bestendigen.
Deelt u de mening dat beleid op het gebied circulariteit het meest effectief is mits het geldt in de hele Europese Unie zodat we een gelijk speelveld behouden? Bent u voornemens om bij de komende Europese Raden te pleiten voor een sterke inzet van de nieuwe Europese Commissie op dit vlak?
Zoals in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023–2030 is aangegeven, wordt nationaal circulaire economiebeleid ontwikkeld en uitgevoerd in een internationale context. Om onze nationale ambitie – Nederland circulair in 2050 – te realiseren, is internationale samenwerking noodzakelijk. Het rapport van Mario Draghi over de toekomst van het Europees concurrentievermogen laat zien dat het investeringsklimaat voor circulaire en groene investeringen in Europa op dit moment te kort schiet. Met name op het gebied van wet- en regelgeving en met het oog op de internationale concurrentiepositie van het bedrijfsleven, ligt de voorkeur vanwege de impact, reikwijdte en haalbaarheid van maatregelen op een inzet op Europees niveau.
In de schriftelijke overleggen ter voorbereiding op de informele Milieuraad van respectievelijk 11 en 12 juli en 15 en 16 januari heeft de Kamer een uiteenzetting ontvangen van de Nederlandse wensen voor de inzet van de Europese Commissie ten aanzien van het stimuleren van de Circulaire Economie. Het kabinet vindt het van belang om het werk dat onder het huidige EU-actieplan Circulaire Economie is opgepakt voort te zetten en ziet kansen om met een nieuw actieplan op het gebied van de circulaire economie circulaire bedrijfsmodellen te stimuleren. Zoals verwoord in de rapporten «Much more than a market» van Enrico Letta en «The future of European competitiveness» van Mario Draghi is de inzet op een circulaire economie en een aantrekkelijk investeringsklimaat voor het bedrijfsleven noodzakelijk voor de leveringszekerheid van grondstoffen en daarmee het versterken van de concurrentiekracht van Europa.
Het kabinet zet in op bindende instrumenten als productregelgeving (waaronder Ecodesign), herzieningen van Europese wetgeving die door de huidige Commissie al waren aangekondigd, waaronder een grondige herziening van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Kra), de Richtlijn voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), en de Richtlijn voor het beperken van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (RoHS). Ook zet het kabinet in op het gebruik van duurzame koolstof in de chemische industrie, ter ondersteuning van de transitie richting een circulaire economie.
In een circulaire economie vallen de milieueffecten van grondstoffen voor productie en consumptie binnen de «planetaire grenzen». Het kabinet ziet graag dat de Europese Commissie inzet op het concreet maken van welk grondstoffengebruik past bij de doelstelling om «goed te leven binnen planetaire grenzen» op Europees niveau. Dit kan helpen om midden- en lange-termijndoelen op Europees niveau te stellen. Daarbij heeft het kabinet oog voor het creëren van een circulaire business case in Europa en de concurrentiepositie van het bedrijfsleven zodat private investeringen in de EU voor circulariteit aantrekken. Tot slot hecht het kabinet er waarde aan dat de EU en haar lidstaten ook op mondiaal niveau de noodzaak van de transitie naar een circulaire economie uitdragen.
Deelt u de mening dat ondernemers die circulariteit willen bevorderen in bepaalde gevallen een ongelijk economisch speelveld en onnodige regeldruk ervaren ten opzichte van ondernemers die hier geen inspanning op plegen? Kunt u hier duiding aan geven?
Ik zie dat circulaire producten nu vaak niet op prijs kunnen concurreren met lineaire producten omdat in lineaire producten onder andere milieuschade niet wordt meegenomen in de prijs. Daarom staan in het Nationaal Programma Circulaire Economie maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat circulair ondernemen op termijn de enige logische, eerlijke en financieel haalbare manier van ondernemen zal zijn. De Rijksoverheid zet daarbij in op een eerlijker speelveld voor circulaire ondernemers in Nederland, op Europees niveau en uiteindelijk mondiaal.
Welke gesprekken voert u met bedrijven en instanties over de knelpunten omtrent het overstappen op een meer circulaire economie? Kunt u de knelpunten die genoemd worden nader duiden?
Er vinden regelmatig gesprekken plaats met brancheorganisaties en worden werkbezoeken afgelegd om signalen uit de praktijk op te vangen. Daarnaast stelt het Versnellingshuis Nederland Circulair! jaarlijks de Rode Draden Notitie op met daarin de belemmeringen die bedrijven ervaren die circulair (willen) ondernemen. Dit voorjaar stuurde mijn voorganger u «De Rode Draden Notitie 2024: De pilotfase voorbij» waarin specifiek is gekeken naar belemmeringen die spelen bij het opschalen naar een circulaire economie2. In de bijbehorende Kamerbrief geeft mijn voorganger een nadere duiding van de knelpunten. Voor een zeer uitgebreide behandeling van de knelpunten verwijs ik u naar de Rode Draden Notitie 20243.
De Rijksoverheid zet actief in op circulaire bedrijvenbeleid, door innovatieve recyclelaars te ontzorgen en te ondersteunen met de stappen naar markcommercialisatie, onder andere door financiering vanuit het RVO-instrumentarium waaronder de DEI en de VEKI en ondersteuning bij de implementatie van nationale en Europese eisen. Naast het stimuleren van circulaire bedrijvigheid, zet de Rijksoverheid in op normeren en beprijzen om circulaire producenten een gelijk speelveld te bieden ten opzichte van vervuilende producenten. Dit doet de Rijksoverheid bij voorkeur op Europees niveau om een gelijk speelveld voor Nederlandse bedrijven in Europa te borgen.
Welke stappen worden ondernomen om de beschikbaarheid van informatie over circulair inkopen te verbeteren voor bedrijven en overheden? Hoe neemt u als Rijksoverheid een voorbeeldrol in het aanbestedingsproces?
De Rijksoverheid zet in op kennisopbouw bij inkopende organisaties. Er is een landelijk loket bij PIANOo als belangrijke kennisbron en vraagbaak. Er worden bijeenkomsten en leernetwerken georganiseerd en er zijn opleidingen, zoals de Circulair inkopen academie en de ISV academie. Ook stimuleert de Rijksoverheid de samenwerking tussen overheden onderling en met marktpartijen om kennisdeling en het uitwisselen van ervaring rond circulair inkopen te bevorderen, onder meer via buyergroups (zie vraag 17). Ten slotte zijn ter ondersteuning verschillende instrumenten ontwikkeld, zoals de veelgebruikte MVI criteriatool, die inkopers helpt om snel tot goede inkoopcriteria te komen voor 46 relevante productcategorieën.
De Rijksoverheid ziet de noodzaak en kans om meer impact te realiseren met circulair inkopen en vervult daarbij een voorbeeldrol. Door onze inkoop in te zetten als hefboom draagt de Rijksoverheid bij aan de realisatie van maatschappelijke doelen, waaronder de ontwikkeling van een circulaire economie. Het Ministerie van IenW coördineert de inzet van zeven departementen (IenW, BZK, EZ, BuZa, SZW, LVVN en OCW) in samenwerking met de drie koepels van medeoverheden (IPO, VNG en de Unie van Waterschappen) om circulair inkopen bij alle overheden te stimuleren via het Nationaal plan Maatschappelijk Verantwoord Inkopen (MVI). Het Ministerie van BZK heeft als systeemverantwoordelijke voor het rijksinkoopstelsel en het rijksinkoopbeleid, in 2019 de rijksinkoopstrategie Inkopen met Impact aan de Kamer gestuurd. Via Inkopen met Impact wordt ingezet op de verdere verduurzaming van het eigen inkoopbeleid voor de circa € 16 miljard aan inkoopuitgaven door het Rijk. Dit jaar is het Ministerie van BZK gestart met de evaluatie van de rijksinkoopstrategie en rondt deze naar verwachting voor het einde van het jaar af. In 2025 wordt de rijksinkoopstrategie door BZK geactualiseerd. Op basis van aanbevelingen volgend uit de evaluatie worden onder andere de geïdentificeerde kansen ten aanzien van circulariteit voor de rijksinkoop onderzocht en hierin meegenomen. BZK werkt bij deze aankomende actualisatie nauw samen met de verantwoordelijke beleidsdepartementen en andere stakeholders uit het (rijks)inkoopveld.
Hoe bent u van plan om de burger te informeren over de kansen van circulaire producten? Hoe verhoogt u het bewustzijn van burgers om circulaire producten aan te schaffen?
Er lopen verschillende initiatieven om het bewustzijn van burgers om circulaire producten aan te schaffen te verhogen. Zo loopt de landelijke campagne «Zet ook de knop om», waarin aandacht wordt besteed aan circulaire producten zoals tweedehands kleding. Ook subsidieert IenW de Stichting Milieu Centraal, die onafhankelijke voorlichting geeft aan burgers om hun circulair handelingsperspectief te vergroten, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanschaf van refurbished ICT-producten. Vanuit de Gedragsstrategie Burgers en Circulaire Economie (Kamerstuk 32 852, nr. 225 (bijlage)) zet IenW erop in dat het maken van circulaire keuzes makkelijker, logischer en eerlijker wordt.
Deelt u de mening dat de term «afval», in de milieuwetgeving gedefinieerd als «elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen» niet overeenkomt met de term «afval» zoals deze is beschreven in de doelen voor een circulaire economie in 2050 en het PBL rapport2 waar gesproken wordt om te streven naar zo min mogelijk/nauwelijks afval?
Nee, die mening deel ik niet. De definitie is geheel in lijn met de doelen van de circulaire economie die staat voor efficiënt en effectief grondstoffengebruik. In de circulaire economie gebruiken we minder materialen, gaan er beter en langer mee om en verwerken die hoogwaardig. Maatregelen om een circulaire economie te bereiken omvatten alle fasen van een materiaal of product, van het ontwerp, de productie, het gebruik en het verwerken ervan in de afvalfase. De fasen voorafgaand aan de afvalfase zijn gericht op afvalpreventie. Is een materiaal of product een afvalstof geworden, dan streven we naar een zo hoogwaardig en veilig mogelijke verwerking waarbij uiteindelijk zo min mogelijk afval wordt verbrand of gestort.
Wat is wat u betreft de definitie van «afval»?
Voor de definitie van afval, verwijs ik naar de Wet milieubeheer artikel 1.1, eerste lid: «afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen». Deze vloeit voort uit de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen.
Deelt u de mening dat initiatiefnemers, bevoegd gezagen en inspectiediensten regelmatig een verschillende interpretatie geven aan wetten- en regels als het gaat over «afval» en «einde afvalstatus» en dat ondernemers hier knelpunten door ervaren? Ziet u een relatie naar de interpretatie van verschillende definities die rondgaan in wet- en regelgeving over de term «afval»?
Er zijn geen verschillende definities van de term afvalstof. De definitie is opgenomen in de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Hierin zijn ook de criteria opgenomen waaraan moet worden voldaan voor de einde-afvalstatus en de bijproductstatus. De beoordeling van die status is van belang voor bijvoorbeeld de vergunningverlening door decentraal bevoegde gezagen die gebruik kunnen maken van de zelfbeoordeling van een bedrijf. De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft de bevoegdheid om advies uit te brengen bij de omgevingsvergunningprocedure. Ik merk vanuit sommige bedrijven en omgevingsdiensten dat zij dit lastig vinden. Hier is ook aandacht voor in de hierboven genoemde «Rode Draden Notitie 2024: De pilotfase voorbij». Om deze ervaren knelpunten in de praktijk te voorkomen, ondersteunt het ministerie bedrijven en omgevingsdiensten met informatie via de website afvalcirculair.nl. Daarnaast werkt Omgevingsdienst-NL aan de oprichting van het kennisplatform «Afval of niet», om kennisontwikkeling en -uitwisseling tussen omgevingsdiensten te versterken en lastige casuïstiek te bespreken. We streven hierbij naar meer uniformiteit in de beoordelingen van omgevingsdiensten.
Ziet u mogelijkheden om dit in de toekomst beter te regelen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het ministerie zet in op een goede informatievoorziening en kennisontwikkeling bij zowel bedrijven als betrokken bevoegde gezagen. Daarnaast werkt Omgevingsdienst-NL aan de oprichting van een kennisplatform «Afval of niet» voor de kennisontwikkeling en -verspreiding over de beoordeling van de afvalstatus bij omgevingsdiensten. Bovendien zet ik mij Europees in voor het opstellen van Europese einde-afvalcriteria. Zo is het ministerie actief betrokken bij de trajecten van het Joint Research Centre om te komen tot technische voorstellen voor dergelijke criteria aan de Europese Commissie. Binnenkort verwachten we een voorstel voor einde-afvalcriteria voor kunststofafval. Er loopt tevens een traject voor textielafval tot en met het eerste kwartaal van 2026 en een traject voor bouw- en sloopafval is recent gestart en loopt naar verwachting tot en met het tweede kwartaal van 2026.
Hoe wordt de samenwerking tussen initiatiefnemers, bevoegd gezagen en inspectiediensten bevorderd om de complexiteit van wet- en regelgeving rondom circulaire initiatieven te verminderen, vooral rondom einde afvalstatus?
Bedrijven zijn in eerste instantie aan zet om de beoordeling van de afvalstatus van hun materiaal uit te voeren. We gaan uit van de professionaliteit en kennis van bedrijven, zodat zij via een zelfbeoordeling kunnen werken. In het kader van een vergunningverlening of transport kan het bevoegd gezag ook een beoordeling maken. De bevoegdheden voor de beoordeling in het kader van vergunningverlening zijn decentraal belegd en het Rijk maakt zich sterk voor een goede uitvoering van die bevoegdheden door een uitgebreide informatievoorziening, de inzet op handreikingen en ministeriële regelingen en het in Europees verband opstellen van toetsingscriteria voor einde-afval. De samenwerking tussen de omgevingsdiensten wordt bevorderd door het in oprichting zijnde kennisplatform «Afval of niet» door Omgevingsdienst NL. Via het Bestuurlijk Omgevingsberaad heb ik de verantwoordelijke medeoverheden opgeroepen om werk te maken van dit kennisplatform en van de samenwerking met bedrijven en de Inspectie Leefomgeving en Transport.
In hoeverre belemmert certificering het ontwikkelen en verkopen van circulaire producten? Zijn er sectoren waar geen certificering wordt toegekend? Bent u van plan om de huidige certificering te evalueren, bijvoorbeeld in het kader van het Circulair Materialen Plan?
Certificering is geen vereiste om circulaire producten te ontwikkelen of te verkopen. Er zijn ook geen plannen om dit te gaan verplichten. Fabrikanten van circulaire producten kiezen vaak op vrijwillige basis voor certificering. Hun circulaire producten concurreren namelijk met lineaire producten en dan is een gelijk speelveld belangrijk. Bijvoorbeeld als het gaat om bouwproducten gelden er wettelijke milieu-eisen en bouwtechnische eisen. Fabrikanten van lineaire producten maken gebruik van certificering om aan te tonen dat zij aan wettelijke eisen voldoen omdat dit een kosteneffectievere manier is en omdat dit meer vertrouwen geeft bij afnemers. Daarmee is certificering over het algemeen meer een kans dan een belemmering voor circulaire fabrikanten om op een kosten-effectievere manier de concurrentie aan te gaan met hun lineaire concurrenten.
Hoe kunt u de vraag naar circulaire producten stimuleren bij zowel consumenten als bedrijven en hoe wordt dit momenteel gedaan?
Het stimuleren van de vraag naar circulaire producten bij consumenten en bedrijven kan op verschillende manieren. Voor de consument kan dit bijvoorbeeld door de bewustwording en consumptie van producten van gerecycled materiaal te bevorderen. Informatievoorziening door middel van eco-labels kan hierbij helpen, maar ook het zo inrichten van de bedrijfsomgeving dat een circulaire aankoop vanzelfsprekender wordt. IenW onderzoekt momenteel wat de gedragseffecten bij consumenten zijn van het aanbieden van tweedehands kleding naast nieuw in fysieke kledingwinkels. Dit is een mogelijke manier om de consument als ze iets kopen te stimuleren om tweedehands te kopen en circulaire producten te normaliseren.
Daarnaast kan de focus liggen op het lenen in plaats van bezitten van producten, wat circulaire businessmodellen vereist. IenW onderzoekt welke modellen kansrijk zijn voor productgroepen zoals textiel. Ook circulair inkopen door bedrijven en overheden kan de vraag naar circulaire producten stimuleren, waarvoor het Versnellingsnetwerk Circulair Inkopen een online platform heeft ontwikkeld: ikwilcirculairinkopen.nl.
In hoeverre stimuleert de overheid in haar eigen inkoopbeleid de aanschaf van circulaire producten?
Via het Nationaal Plan MVI werken de Rijksoverheid en (koepels van) medeoverheden samen om Maatschappelijk Verantwoord Inkopen te stimuleren. Het benutten van de gezamenlijke inkoopkracht van overheden biedt immers kansen voor marktpartijen. Door als overheden extra te focussen op een aantal kansrijke sectoren, behalen we meer impact met MVI in de keten. Sinds 2020 zijn hiertoe bijvoorbeeld met Klimaatmiddelen zo’n 35 buyergroups opgericht. De buyergroups hebben zich onder meer gericht op het terugdringen van CO2-uitstoot en het stimuleren van circulaire inkoop. Reeds in 2019 is het kabinetsbeleid de rijksinkoopstrategie Inkopen met Impact door het Ministerie van BZK aan Uw Kamer gestuurd. Via Inkopen met Impact wordt ingezet op de verdere verduurzaming van het eigen inkoopbeleid, waaronder circulair inkopen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Asielopvang in hotels |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Hoeveel statushouders zijn er momenteel in hotels ondergebracht en om hoeveel hotelkamers gaat dit?
Het COA heeft op dit moment een capaciteit van ongeveer 9.500 hotelplekken. Hiervan wordt circa 6.000 hotelplekken gebruikt om asielzoekers op te vangen. Circa 3.500 plekken wordt ingezet om statushouders tijdelijk onder te brengen.
Hoeveel asielzoekers worden er momenteel opgevangen in hotels en om hoeveel hotelkamers gaat dit?
Zie antwoord vraag 1.
Kunnen hotels in juridisch opzicht tegen de wil, of buiten medeweten, van gemeenten worden ingezet voor asielopvang, met uitzondering van situaties zoals het inzetten van het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium?
Als het COA besluit om statushouders of in een uiterst geval asielzoekers (voor een korte duur) in een hotel te plaatsen, is het van belang dat het omgevingsplan passend is én dat de exploitant/eigenaar hiervoor toestemming heeft gegeven. Toestemming van het gemeentebestuur is hiervoor vanuit juridisch oogpunt niet vereist, maar het COA streeft er altijd naar om dit in afstemming met het gemeentebestuur te realiseren.
Bij langer verblijf van statushouders of asielzoekers kan het zijn dat het lokale omgevingsplan gewijzigd moet worden omdat de bestemming «kort verblijf/recreatie» niet meer van toepassing is en dient te worden omgezet naar de bijvoorbeeld de bestemming «wonen». In deze situatie vraagt het COA een omgevingsvergunning aan, waarop de gemeente middels vergunningverlening dient te beslissen. In de praktijk zal het COA niet zonder betrokkenheid van de gemeente tot opvang van asielzoekers in een hotel overgaan en dan zal ook vaak de omgevingsvergunning aan de orde komen/zijn.
Op grond van art. 3 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA) is het COA belast met de opvang van asielzoekers. Deze taak is nader uitgewerkt in de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva). In de Rva staat voorts het COA verantwoordelijk is voor de opvang van statushouders als er nog geen passende huisvesting is.1 Het recht op opvang van een statushouder eindigt wanneer passende huisvesting is gevonden.2
Het COA kan een statushouder, in afwachting van definitieve huisvesting, ook tijdelijk in een hotel plaatsen op grond van het Besluit tijdelijk onderdak in hotels en andere accommodaties 2023 (ook wel Hotel- en accommodatieregeling (of HAR) genoemd). Dit gebeurt enkel op aanvraag van een gemeente.
De gemeente krijgt hier van het COA een vergoeding voor.
In de praktijk gebeurt het inzetten van hotels voor de opvang van asielzoekers, hoewel juridisch gezien dit niet is vereist, enkel wanneer de gemeente daarmee heeft ingestemd. In het verleden zijn statushouders wel zonder toestemming van een gemeente in een gemeente geplaatst. Gemeenten werden hierover wel geïnformeerd. Dit komt voort uit de overweging dat statushouders een verblijfsvergunning hebben en zich daarmee vrijelijk in Nederland kunnen bewegen. In principe kan een statushouder ook zonder tussenkomst van COA of gemeente een hotel boeken. Een asielzoeker heeft deze mogelijkheid niet.
Klopt het dat het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) toestemming van een gemeente nodig heeft voordat kan worden overgegaan tot het inzetten van een hotel voor asielopvang, anders dan bij het plaatsen van statushouders waarvoor geen toestemming van de gemeente nodig is?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u specifiek en uitputtend aangeven wat de juridische verschillen zijn tussen het plaatsen van asielzoekers en statushouders in hotels en hoe (de bevoegdheden van) gemeente, COA en eventuele anders bestuurslagen zich in die situaties tot elkaar verhouden?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe ziet de procedure eruit wanneer aan het COA vastgoed wordt aangeboden voor asielopvang tegen de wil of medeweten van de gemeente waar de locatie zich bevindt?1
Als vastgoed aan het COA wordt aangeboden door een andere partij dan de gemeente dan onderzoekt het COA de mogelijkheden om op deze locatie opvang te realiseren. Indien een gemeente geen medewerking wenst te verlenen aan het realiseren van een locatie zal vanuit het COA, en indien gewenst vanuit het departement, in gesprek worden gegaan met de betreffende gemeente. Als een gemeente niet instemt met het realiseren van opvang voor asielzoekers vindt er geen opvang plaats.
Bent u bekend met de situatie die momenteel in de gemeente Vlaardingen speelt rond de opvang van asielzoekers in het Campanile Hotel?2
Ja.
Kunt u beschrijven hoe dit proces en het contact tussen hoteleigenaar, gemeente en COA is verlopen?
Het contact tussen de hoteleigenaar, het COA en de gemeente verloopt goed. Inmiddels is het hotel aangehuurd en zijn afspraken gemaakt voor het opvangen van asielzoekers voor de periode van een jaar.
Bent u ermee bekend dat het College van burgemeester en wethouders van Vlaardingen aangeeft dat de gemeente in de huidige situatie niets kan ondernemen tegen het onderbrengen van asielzoekers in het hotel door het COA? Klopt dit?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar berichtgeving op de website van de gemeente. De gemeente laat weten dat er vanuit openbare orde en veiligheidsperspectief geen bezwaren zijn voor opvang in het Campanile Hotel. Het COA en de gemeente hebben constructief overleg over de werkafspraken.
Bent u ermee bekend dat de gemeente Vlaardingen hierbij ter onderbouwing verwijst naar de casus in de gemeente Tubbergen in 2022? Deelt u de conclusie dat deze twee zaken onvergelijkbaar zijn, aangezien het Rijk in die situatie aankondigde het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium in te zetten (en daarmee de vergunningverlening voor opvang in het pand naar zich toe te trekken) wanneer de gemeente geen medewerking zou verlenen?
De situatie in Tubbergen/Albergen is inderdaad anders dan de situatie in Vlaardingen, alleen al omwille van het feit dat in Tubbergen destijds een pand is aangekocht. Met de gemeente Albergen is inmiddels een bestuursovereenkomst getekend voor reguliere asielopvang die loopt tot 31 oktober 2032. In Vlaardingen is dat niet het geval. Het Campanile Hotel wordt tijdelijk ingezet voor noodopvang.
Is in de huidige casus in Vlaardingen en/of in andere situaties sinds augustus 2022 gedreigd met inzetten van het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium om (de) gemeente(n) tot medewerking te bewegen?
In Vlaardingen is niet gedreigd met het inzetten van het ruimtelijk ordeningsinstrumentarium. Sterker nog, na Tubbergen/Albergen is hiervan geen sprake meer geweest.
Welke stappen kan de gemeente Vlaardingen – indien men dat wil – nog zetten om asielopvang in het hotel te voorkomen?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 9.
Het bericht ‘Supporters Vitesse onwel en afgevoerd naar ziekenhuis met hartritmestoornissen na derby de Graafschap’ |
|
Reinder Blaauw (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Supporters Vitesse onwel en afgevoerd naar ziekenhuis met hartritmestoornissen na derby de Graafschap»?1
Ja.
Hoe kon het volgens u gebeuren dat er zoveel illegaal vuurwerk het stadion binnengesmokkeld werd, dat ook nog eens tot tientallen onwel geworden supporters heeft geleid?
Uit navraag bij de gemeente Doetinchem en De Graafschap is gebleken dat de Graafschap haar supporters altijd selectief fouilleert bij thuiswedstrijden, ongeacht welke wedstrijd. Dit gebeurt op basis van een risicoanalyse. De uitsupporters worden altijd 100% gefouilleerd. De ervaring leert dat supporters verboden zaken vaak stoppen op een plek waar door de beveiligers en stewards niet gefouilleerd mag worden. Bij entree naar het bezoekersvak zijn bij de fouillering van de bezoekende supporters wel vijf rookpotten aangetroffen en in beslag genomen. Vitesse legt de supporters waarbij vuurwerk is aangetroffen een stadionverbod op.
Volgens Veiligheidsregio Gelderland-Midden werden ook tijdens de wedstrijd al verschillende mensen onwel in het Vitesse-vak, waar het vuurwerk werd afgestoken. Waarom is toen al niet alarm geslagen door de verantwoordelijke autoriteiten en moesten de supporters daarna toch nog de bussen in?
Tijdens de wedstrijd zijn er twee meldingen binnengekomen van supporters in het uitvak die behandeling nodig hadden door mogelijke inademing van rook. De eerste melding is kort na aanvang wedstrijd binnengekomen en de tweede melding rond de rust. Beide supporters zijn door het Rode Kruis nagekeken en beide supporters zijn hierna weer het uitvak ingegaan. Aangezien het hier twee EHBO-gevallen betrof, is er niet opgeschaald of alarm geslagen.
Is u bekend dat de Veiligheidsregio Gelderland-Midden heeft moeten opschalen naar Grip-1? Deelt u de mening dat de veiligheid van deze regio onder druk is komen te staan door toedoen van deze actie? Zo nee, waarom niet? In hoeverre had deze situatie voorkomen kunnen worden en welke maatregelen gaat de u nemen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen?
Ja, het is mij bekend dat Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden voor de afhandeling van het incident met de onwel geworden supporters is opgeschaald naar GRIP1.
De veiligheidsregio’s zijn opgericht om naast het organiseren van de brandweer, GHOR en meldkamer ook voorbereid te zijn op grootschalige incidenten, rampen en crises. Dit betekent dat de veiligheidsregio ervoor zorgt dat de verschillende diensten, zoals brandweer, politie, ambulancedienst en gemeenten, zijn voorbereid op dergelijke situaties. Hiervoor worden mensen opgeleid, getraind en geoefend. Dit betekent dat op het moment dat er multidisciplinaire coördinatie nodig is op het plaats incident, dit ook daadwerkelijk kan plaatsvinden. Op het moment dat er opgeschaald wordt, worden alle benodigde middelen ingezet. Dit betekent niet dat daarmee de veiligheid van de regio onder druk komt te staan. Voor deze incidenten staat de regio paraat.
Ten aanzien van uw vraag over het voorkomen van deze situaties. Vuurwerk meebrengen in het stadion is niet voor niets verboden. De gebeurtenissen van 29 september geven nogmaals aan hoe gevaarlijk het afsteken van vuurwerk, rookpotten en fakkels in een vak vol supporters is. Helaas zien we nog te vaak dat er «supporters» zijn die vuurwerk, rookpotten en fakkels naar binnen smokkelen en afsteken. Momenteel werkt de Regiegroep Voetbal en Veiligheid – als onderdeel van de uitvoering van het versterkingsplan2 – aan een nieuw plan van aanpak Vuurwerk in het voetbal. In mijn voortgangsbrief over voetbal en veiligheid, die ik voor het einde van 2024 naar uw Kamer zal sturen, zal ik hier verder op ingaan.
Worden de extra gemaakte kosten, namelijk het opschalen naar Grip-1, en alle andere kosten uiteindelijk verhaald op hen die deze situatie veroorzaakt hebben? Zo nee, wie draait/draaien er dan voor op?
Het coördineren van de opschaling is een wettelijk vastgelegde en publiek gefinancierde overheidstaak (op grond van de wet veiligheidsregio’s) en wordt daarom niet verhaald op een veroorzaker.
Het bericht 'Komst vluchtelingen Weteringsingel zorgt voor grote onrust bij inwoners' |
|
Joost Eerdmans (JA21) |
|
Marjolein Faber (minister asiel en migratie) (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Komst vluchtelingen Weteringsingel zorgt voor grote onrust bij inwoners»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u uw eerdere uitspraken dat u vooral in wil zetten op grootschalige opvang van asielzoekers in verhouding met het voornemen van een tweede opvanglocatie voor 80 minderjarige vreemdelingen in het centrum van Papendrecht?2
De gemeente Papendrecht gaat een tweede opvanglocatie openen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (hierna: amv). Kenmerkend voor de opvang van amv is dat dit plaatsvindt op kleinere locaties. Dit onder meer vanwege de begeleidingsvereisten die horen bij het opvangen van deze doelgroep. Voor overige doelgroepen heb ik reeds kenbaar gemaakt conform het hoofdlijnenakkoord te willen inzetten op grootschaliger opvang naast dat ook kleinschalige asielopvang mogelijk blijft.
In hoeverre beoordeelt u uw voornemen om in te zetten op grootschalige opvang van asielzoekers met de plaatselijk vastgelegde «Langetermijnvisie huisvesting en integratie asielzoekers en vluchtelingen», waarin vermeld staat dat opvang passend en kleinschalig moet zijn?3
Zie het antwoord op vraag 2. Het is niet aan mij om te reageren op de langetermijnvisie van de gemeente Papendrecht.
Hoe bent u voornemens dit soort strijdigheden over de grootte van asielopvang tussen het rijk en gemeenten in toekomstige gevallen het hoofd te bieden? Bent u voornemens om gemeenten die kleinschalige asielopvang willen realiseren een halt toe te roepen?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 zet het Kabinet conform het hoofdlijnenakkoord in op grootschalige opvanglocaties. Op die manier kunnen de kosten voor opvang ook goedkoper. Tegelijkertijd zijn ook kleinschalige opvanglocaties op dit moment noodzakelijk om te zorgen dat er voldoende opvangplekken beschikbaar zijn. Gemeenten die kleiner van omvang zijn en een bijdrage willen leveren aan de opvangproblematiek wordt daarom ook de mogelijkheid geboden kleinschaligere locaties aan te bieden bij het COA voor het realiseren van asielopvang.
In hoeverre vindt u het verantwoord om in het centrum van Papendrecht een tweede opvanglocatie voor 80 minderjarige vreemdelingen te openen, terwijl in dezelfde gemeente bij een opvanglocatie voor 25 vreemdelingen meermaals extra veiligheidsmaatregelen zijn genomen vanwege structureel wangedrag en vechtpartijen?
De realisatie van opvanglocaties is een aangelegenheid tussen het COA en de gemeente. In de bestuursovereenkomst en de aanvullende werkafspraken tussen het COA en de gemeenten kunnen afspraken over veiligheid worden gemaakt.
Hoe beoordeelt u de oproep van ondernemers, omwonenden en partijen uit de gemeenteraad dat er met betrekking tot de locatiekeuze van de opvang van 80 minderjarige vreemdelingen geen inspraak of overleg heeft plaatsgevonden?
Zoals op de website van de gemeente Papendrecht is terug te lezen, zijn omwonenden en ondernemers per brief geïnformeerd over de plannen van de gemeente. Tevens hebben zij een uitnodiging ontvangen voor een inloopbijeenkomst. Het is aan gemeenten hoe zij inspraak binnen hun gemeente organiseren.
Wat gaat u op korte termijn doen om ervoor te zorgen dat gemeenteraden niet langer buitenspel staan bij overeenkomsten over de opvang van asielzoekers die nu tussen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en het college/de gemeente gesloten kunnen worden?
Het proces van besluitvorming is aan de gemeente. Wel kan ik u verwijzen naar berichtgeving op de website van de gemeente Papendrecht over de wijze waarop de gemeenteraad is betrokken bij het besluit over deze opvanglocatie.
De inzet van jongeren als “geldezels” |
|
Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Duizenden jongeren fungeren als geldezel voor online oplichters»?1
Ja.
Hoeveel jongeren laten zich naar schatting jaarlijks als «geldezel» gebruiken?
Precieze cijfers over dit probleem zijn niet bekend. Aan de hand van onderzoek door Bekkers et al.2 is door het CCV een tool ontwikkeld waarmee een schatting kan worden gemaakt hoeveel jongeren jaarlijks benaderd worden en hoeveel jongeren zich als geldezel laten gebruiken.3 Uit deze tool is gebleken dat van het totale aantal jongeren tussen de 15 en 25 jaar 0,8% als geldezel zou worden ingezet. Deze indicaties zijn gebaseerd op een onderzoek onder 3000 respondenten.
De in het krantenartikel aangehaalde steekproef is in augustus 2024 uitgevoerd door de Nederlandse Vereniging van Banken.4 De uitkomsten hiervan sluiten aan bij eerder onderzoek. Uit de steekproef (n = 258), blijkt dat bijna 1 op de 10 Nederlanders tussen 18 tot en met 25 jaar is benaderd om geldezel te worden. Het onderzoek is gebaseerd op een beperkt aantal respondenten en biedt dus enkel een (ruwe) schatting van de werkelijke situatie.
Is het waar dat de pakkans hoog is? Zo nee, waarom is die pakkans niet hoog? Zo ja, hoeveel van de «geldezels» worden jaarlijks opgespoord en hoeveel naar schatting niet? Van hoeveel wordt de bankrekeningen langdurig geblokkeerd?
Als er een opsporingsonderzoek wordt gestart, is de pakkans van geldezels zeer hoog. Indien het geld wordt gestort op een bankrekening is de pakkans nagenoeg 100%. Dit komt omdat de geldstroom via het bancaire systeem goed te volgen is. Dit betreft overboekingen via de bankrekening, maar ook via betaalapps. Bij stortingen via cryptovaluta is de pakkans lager, maar zelfs dan nog aanzienlijk.
Door criminelen die geldezels gebruiken, wordt geen actie ondernomen om een geldezel te beschermen. Omdat geldezels vaak niet weten voor wie zij echt werken, lopen de gebruikers zeer weinig risico wanneer de geldezel gepakt wordt. De geldezel wordt als het ware opgeofferd.
Ik heb de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) gevraagd of zij over cijfers met betrekking op het aantal (langdurige) blokkades van bankrekeningen beschikt. Hieronder heb ik de reactie van de NVB opgenomen, waarbij ik opmerk dat de banken niet kunnen vaststellen of het gaat om geldezels of niet.
In hoeveel gevallen kan een persoon die een geldezel inschakelt en het achterliggende misdrijf pleegt opgespoord worden? Is die pakkans ook hoog? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Het opsporen van een persoon of het netwerk achter zogenaamde geldezels is aanzienlijk moeilijker dan het traceren van geldezels. Deze personen en netwerken gebruiken de geldezel namelijk als front, waarmee zij uit het zicht van de slachtoffers en de opsporing willen blijven. Als criminelen bijvoorbeeld de pinpas van de geldezel gebruiken voor het opnemen van contant geld ontbreekt een duidelijk geldspoor naar de persoon. Dit maakt de opsporing en bewijsbaarheid van deze feiten lastiger en ook is de pakkans veel lager. In sommige gevallen is het opsporen van personen of netwerken achter de geldezels wel succesvol. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Dral heb ik enkele voorbeelden genoemd waarbij de vervolging succesvol is geweest.6
Hoeveel jongeren die als «geldezel» optraden worden jaarlijks vervolgd en berecht? In hoeveel van die gevallen moet de jongere de veroorzaakte schade vergoeden en in welke mate lukt het om die schadevergoedingen te innen?
In de periode 2019 t/m 2023 zijn door de strafrechter in eerste aanleg jaarlijks tussen de 20 en 120 jongeren t/m 22 jaar veroordeeld in zaken met een of meerdere feiten die waren voorzien van de maatschappelijke classificatie «Fraude met betaalproducten (geldezels)». Het merendeel van deze veroordeelden was 18 t/m 22 jaar.
Onderstaande cijfers komen uit de managementinformatiesystemen van de Raad voor de Rechtspraak, waarbij aantallen worden afgerond op vijftallen. Bij zeer lage aantallen worden de cijfers weergegeven als kleiner dan.
Schuldig met/zonder strafoplegging
< 18 jaar
<10
<10
10
<10
10
18 t/m 22 jaar
15
25
85
110
110
De zogenaamde geldezel is als deze vervolgd wordt, verantwoordelijk voor de vergoeding van schade. Slachtoffers kunnen een civielrechtelijke procedure tegen hen starten om de schade te verhalen. Ik beschik helaas niet over cijfers hoe vaak jongeren veroordeeld zijn tot schadevergoeding en of deze schadevergoeding inbaar zijn geweest.
Hoe vaak wordt hierbij herstelrecht toegepast waarbij slachtoffers in contact treden met geldezels?
Uit navraag bij de Stichting Perspectief Herstelbemiddeling en Mediation in Strafzaken is gebleken dat dat bij dergelijke delicten herstelrechtvoorzieningen niet (vaak) worden ingezet. Herstelrecht, waaronder herstelbemiddeling en mediation in strafzaken, is in beginsel geschikt voor ieder zaaktype. Het is echter altijd afhankelijk van de vrijwilligheid van de betrokkenen, en in het geval van mediation in strafzaken afhankelijk van de officier van justitie of de rechter of het herstelrecht kan worden ingezet.
In hoeveel van deze gevallen zitten deze jongeren naar schatting in een schuldhulptraject?
Een inschatting over het aantal jongeren dat is veroordeeld als geldezel heb ik toegelicht in antwoord 5. Hoeveel van deze veroordeelden ook in een schuldhulptraject zitten is niet bekend. De schuldhulpverlening is decentraal geregeld via de gemeenten. Er is geen centrale registratie, daarom beschik ik niet over deze cijfers.
Hoe worden deze geldezels, zeker als ze zelf slachtoffer zijn, laagdrempelig geholpen zodat ze resocialiseren en niet recidiveren? Zijn er cijfers bekend van het aantal geldezels dat recidiveert? Zo ja, hoeveel zijn dat er de afgelopen jaar geweest?
Er zijn minder dan 5 jongeren (t/m 22 jaar) in de periode 2019 t/m 2023 door de strafrechter in eerste aanleg in meerdere zaken veroordeeld voor «Fraude met betaalproducten (geldezels)», blijkt uit de data van de Raad van de rechtspraak.
In sommige gevallen gaat het om kwetsbare personen die door hun jonge leeftijd of verstandelijk vermogen erg beïnvloedbaar zijn en om die reden slachtoffer worden van het misbruik door criminelen.
Als een kwetsbare geldezel wordt opgespoord, zal het Openbaar Ministerie inzetten op een straf die passend is en waarbij herhaling van crimineel gedrag zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het Wetboek van Strafvordering biedt daarvoor diverse mogelijkheden aan het Openbaar Ministerie en de rechter, zoals een leerstraf of verplicht reclasseringscontact met hulpverlening. Als het Openbaar Ministerie ervoor kiest een verdachte niet verder te vervolgen, kan hieraan de voorwaarde van verplichte hulpverlening worden gekoppeld. Een dergelijke afweging is aan de Officier van Justitie.
Slachtofferhulp Nederland (SHN) biedt alle slachtoffers van strafbare feiten kosteloos ondersteuning als zij daar behoefte aan hebben. Dat kan zowel op juridisch, emotioneel als praktisch gebied. Daaronder valt bijvoorbeeld het bieden van een luisterend oor, begeleiding bij het strafproces, hulp bij het aanvragen van schadevergoeding en doorverwijzing naar meer gespecialiseerde (zorg)professionals. Indien een jongere als geldezel heeft gefungeerd maar ook (deels) als slachtoffer kan worden aangemerkt, kan SHN diegene helpen bij het gebruik maken van zijn of haar slachtofferrechten.
In welke gevallen levert een veroordeling van een jongere die zich als «geldezel» heeft laten gebruiken een belemmering op voor het afgeven van de verklaring omtrent gedrag?
Als iemand een strafblad heeft, betekent dit niet dat deze persoon geen Verklaring omtrent gedrag (VOG) kan krijgen.7 De uitgevende instantie, Justis, zal altijd de omstandigheden van de aanvraag, de reden van de aanvraag en de aanvrager betrekken.
Bij de beoordeling van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) bekijkt Justis of de aanvrager strafbare feiten op zijn of haar naam heeft staan die een risico vormen voor de functie of het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd. De justitiële documentatie vermeldt of een rechter iemand heeft veroordeeld en waarvoor dit is. Ook de door de politie en OM opgemaakte strafbeschikkingen worden in een aantal gevallen opgenomen op het strafblad.8
Voor functies waarbij een hoge mate van integriteit is vereist, zoals bepaalde functies bij de Douane en het Openbaar Ministerie, kan om een VOG-P worden gevraagd. Bij de aanvraag van een zogenaamde VOG-P worden naast de justitiële documentatie ook politiegegevens geraadpleegd. In politiegegevens kan bijvoorbeeld staan dat iemand verdacht is geweest. De politiegegevens kunnen op zichzelf doorslaggevend zijn voor de weigering van de VOG. Ook als de aanvrager geen justitiële documentatie (zoals veroordelingen op zijn naam) heeft.9
Beschikt u over gegevens over de achtergronden, waaronder opleidingsniveau of eventuele verstandelijke beperkingen, van de jongeren die als «geldezel» optreden? Zo ja, wat zijn die gegevens? Zo nee, wilt u dat dan laten onderzoeken?
Uit het eerder genoemde onderzoek van Bekkers et al. (2023) in antwoord 2 blijkt dat het vaak, maar niet uitsluitend, gaat om mensen in een kwetsbare positie of mensen die makkelijk te beïnvloeden zijn. Hierbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld jongeren met schulden, licht verstandelijk beperkte (LVB) jongeren of jongeren die opgroeien in achterstandsituaties waarbij sociaal en economische problematiek een rol speelt. Ik zie geen aanleiding voor nader onderzoek.
Wat gebeurt nu al en wat moet er aanvullend gebeuren, anders dan achteraf bestraffen, om te voorkomen dat jongeren de verleiding om geldezel te worden wel weten te weerstaan? En hoe gaat u daarvoor zorgen?
Er gebeurt al veel vanuit mijn ministerie en andere maatschappelijke partijen om juist dit fenomeen en criminaliteit door jongeren in den brede te voorkomen. Hieronder zet ik uiteen wat hierop al wordt gedaan. Vooralsnog acht ik aanvullingen daarop niet nodig.
Het programma Preventie met Gezag (PmG) biedt jongeren en jongvolwassenen van 8 tot en met 27 jaar in een kwetsbare positie kansen en stelt grenzen om te voorkomen dat ze in de criminaliteit terecht komen, daar verder in afglijden of doorgroeien. Hierbij wordt onder meer ingezet op het weerbaar maken van deze jongeren. Dit gebeurt onder andere door de inzet van jongerenwerk in de gemeenten, aanpak schoolverzuim, maar ook door programma’s zoals «Alleen jij bepaalt wie je bent», «Veiligheid In en Om de School (VIOS)», «Integrale Toeleiding Naar Arbeid (IPTA)» en Kansrijk (jeugdreclassering).
Van belang is de weerbaarheid van jongeren te vergroten; offline (bijvoorbeeld op scholen) en online (via een social media campagne). Geldezels zonder criminele antecedenten worden ervan doordrongen dat ze na een misstap de kans hebben op het goede pad te blijven en ze zich niet moeten laten verleiden tot verder crimineel gedrag. Hierbij wordt nagegaan wat ertoe leidde om als geldezel op te treden en wordt geprobeerd die oorzaak weg te nemen.
Tevens wordt een werkwijze ontwikkeld met interventies voor de aanpak van geldezels met meerdere antecedenten, zoals stopgesprekken door de politie en de inzet van een persoonsgerichte aanpak. De resultaten van de pilots worden in Q2 2025 verwacht zodat zicht is op de werkzame bestanddelen van de aanpak en of deze effectief zal zijn. Aan de hand daarvan wordt een gevalideerde aanpak landelijk verspreid.
De vier huidige pilotgemeenten zijn Almere, Leeuwarden, Vlaardingen en Enschede. Bij de totstandkoming van de aanpak zijn als klankbordgemeenten betrokken: Tilburg, Utrecht, Breda, Eindhoven en regionale samenwerkingsverbanden van Noord-Nederland en Rotterdam. Daarnaast hebben de gemeenten Roosendaal, Maastricht, Nijmegen, Sittard-Geleen, Venlo en Dordrecht een (preventieve) aanpak van geldezels in hun PmG-plannen opgenomen. De leidraad komt in 2025 beschikbaar voor alle gemeenten en daarmee samenwerkende publieke en private partijen zodat lokaal een integrale aanpak kan worden ingezet om jongeren te ondersteunen en weerbaar te maken.
Vanuit de City Deal «Lokale Weerbaarheid Cybercrime» werkt het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid specifiek aan het voorkomen en bestrijden van geldezels, waarbij kwetsbare jongeren vaak ongewild betrokken raken bij criminele activiteiten. Het CCV begeleidt vier gemeenten in deze lokale aanpak: Almere, Enschede, Leeuwarden en Vlaardingen. De pilots zijn gebaseerd op de leidraad Geldezelaanpak van het CCV voor een integrale aanpak van geldezels, en de gemeenten valideren (onderdelen) van deze aanpak in de praktijk. In de leidraad Geldezelaanpak staat voor gemeenten, politie en het OM beschreven hoe lokaal met verschillende partners een geldezelaanpak kan worden opgezet. Partners in de aanpak zijn bijvoorbeeld de banken, schuldhulpverlening, jeugdzorg, maar ook partijen zoals Keerpunt, het online platform ontwikkeld door Fier en haar teams Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM), Spine en Chat met Fier. Keerpunt biedt ondersteuning aan slachtoffers van criminele uitbuiting en kwetsbare jongeren in de criminaliteit.
Ook vanuit de Nederlandse Vereniging van Banken is er aandacht voor voorlichting aan jongeren. Banken vinden het belangrijk om consumenten, waaronder jongeren, te beschermen tegen fraudeurs die hen willen ronselen als geldezel. Zo geven banken veelvuldig voorlichting aan jongeren via «Bank voor de Klas». Medewerkers uit het bankwezen verzorgen gastlessen voor het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs over financiële educatie. Het onderwerp «geldezels» krijgt daarbij ook uitgebreid aandacht. De gastdocenten wijzen de leerlingen op het feit dat ze nooit hun bankpas uit mogen lenen. Ook besteden de banken aandacht aan geldezels in de campagne «Herken Fraude. Voorkom Fraude.» Banken geven de bezoekers tips over hoe jongeren kunnen herkennen dat zij geronseld worden als geldezel. In samenwerking met de politie hebben banken in het kader van voornoemde campagne ook een podcast10 gemaakt over geldezels.
ADL-hulp |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Om 22.00 uur naar bed, omdat het van de hulpverlener moet: ooit zo geroemde zorginstelling onder vuur»?1 Herkent u de aard van de klachten in dit artikel?
Ik heb het artikel gelezen. Ik vind het belangrijk dat mensen die bij Fokus wonen (de instelling die in dit artikel wordt beschreven) passende zorg en ondersteuning krijgen en ik vind het pijnlijk te horen dat sommige cliënten dat op dit moment anders ervaren. Ik heb zelf in gesprekken met individuele cliënten ook een aantal klachten gehoord en ik ben daarvan geschrokken.
Ik vind het belangrijk om alle perspectieven bij dit vraagstuk mee te nemen. Daarom ga ik binnenkort op werkbezoek bij een locatie van Fokus. Daar wil ik graag in gesprek met het bestuur en de cliëntenraad van Fokus. Ook heb ik de IGJ gevraagd naar hun bevindingen. Zij houden toezicht op de kwaliteit van zorg bij Fokus. Binnenkort vindt hierover ook nog een gesprek plaats met de IGJ.
Hoeveel aanbieders maken gebruik van de landelijke subsidieregeling ADL-assistentie?2 Hoe wordt naast de financiële verantwoording door het Zorginstituut verantwoording afgelegd over de geleverde kwaliteit en de beschikbaarheid van assistentie?
Er zijn in Nederland drie zorgaanbieders die zorg leveren die wordt bekostigd uit de subsidieregeling ADL-assistentie. Fokus is daarvan met ongeveer 95% van de omzet verreweg de grootste. Het gaat dan om circa 1.500 cliënten op circa 100 locaties in Nederland.
De IGJ houdt toezicht op de kwaliteit van zorg bij Fokus. Fokus wordt regelmatig bevraagd door de IGJ over specifieke cliëntsituaties, projectgebonden omstandigheden of de sturing op kwaliteit van de organisatie in het algemeen.
Desgevraagd moet Fokus verbeterplannen aanleveren en de voortgang van die plannen gedurende langere tijd aan de IGJ rapporteren. Fokus doet melding van en onderzoek naar calamiteiten en incidenten conform de richtlijnen van de IGJ.
Verder heeft Fokus een eigen Kwaliteitsmanagementsysteem. Hierin is opgenomen dat jaarlijks een Kwaliteits-jaarverslag wordt opgesteld, dat eveneens wordt gedeeld met de IGJ.
Eén van de kwaliteitsindicatoren is de wachttijd, die aangeeft wat de beschikbaarheid is van de ADL-assistentie. Volgens cijfers van Fokus zijn in 2023 1.890.586 oproepen van cliënten geregistreerd. Voor 86% (1.626.464 oproepen) geldt dat de assistentie binnen 15 minuten na de oproep is gestart en 9,6% binnen 30 minuten, uiteindelijk was in 4,4% de responstijd langer dan 30 minuten. Voor 2024 geldt tot en met augustus een respons van 85% binnen 15 minuten.
Welke concrete verbeteringen ziet u precies als het gaat over de klachten zoals door uw voorganger is beschreven, waaronder gebrek aan voldoende personeel, veel verschillende assistenten over de vloer, deskundigheid, bejegening en gebrek aan alternatieven?3 Heeft u hier met Fokus of andere organisaties specifieke en meetbare afspraken over gemaakt? Waar zijn die vastgelegd en welke zijn dat?
Ik vind het belangrijk dat Fokus net als alle andere zorginstellingen in Nederland goede zorg en ondersteuning levert. Het is vooral ook aan de zorgaanbieder om in overleg tussen management, zorgprofessionals en cliënten om tot goede afspraken te komen. Ik maak hier geen specifieke afspraken over met zorginstellingen.
Zoals ik bij vraag 2 heb aangegeven, houdt de IGJ toezicht op de kwaliteit van zorg bij Fokus. De IGJ kan van Fokus eisen om de verbeteringen door te voeren en erop zien dat dit ook gehandhaafd wordt. Tijdens de werkoverleggen met de IGJ zal ik de IGJ hier ook op wijzen.
Hoeveel klachten en meldingen zijn het afgelopen jaar binnengekomen bij het Landelijk Meldpunt Zorg over ADL-voorzieningen? Welke opvolging is hieraan gegeven?
Fokus is een grote zorgorganisatie van circa 100 locaties en bijna 1.500 bewoners. In 2023 zijn er 10 signalen/meldingen bij het Landelijk Meldpunt Zorg over de zorg/ADL-assistentie van Fokus gedaan. In 2024 zijn dat er tot nu toe 23.
Aan de hand van de informatie van de melder/melding geeft het Landelijk Meldpunt Zorg passend advies aan de burger. Veelal ziet dit advies op de klachtenroute van de zorgaanbieder. Ernstige signalen worden direct onder de aandacht van een inspecteur gebracht. De inspecteur beoordeelt op welke wijze hier vanuit het toezicht vervolg aan wordt gegeven. De opvolging verschilt per situatie. Een voorbeeld hiervan is dat de inspectie contact opneemt met de zorgaanbieder en monitort of de zorgaanbieder de melding voldoende onderzoekt en navolgbare verbetermaatregelen treft.
De IGJ heeft op dit moment enkele meldingen bij Fokus openstaan. In dat geval is er sprake van een lopend onderzoek bij Fokus, waarbij de inspectie uiteindelijk oordeelt of de situatie voldoende is onderzocht waarbij de zorgaanbieder laat zien van de gebeurtenis te hebben geleerd of dat de zorgaanbieder voor de inspectie een adequate en navolgbare reactie heeft gegeven.
Alle signalen -ook die niet direct worden doorgezet aan een inspecteur- worden door de inspectie meegenomen in het zogenoemde risicogestuurde toezicht. Op deze manier schat de inspectie de grootste risico’s voor de zorg aan cliënten in op basis van meerdere bronnen, waaronder de signalen vanuit het Landelijk Meldpunt Zorg.
De IGJ heeft ook periodiek contact met het bestuur en de cliëntenraad van Fokus (ongeveer jaarlijks). Hierin wordt o.a. ingegaan op de wijze waarop de organisatie omgaat met meldingen en klachten, intern toezicht en medezeggenschap. Veelal komen dan aspecten ter sprake als: cultuur van leren en verbeteren, de kwaliteit en kwantiteit van het personeel, verzuim en uitval, arbeidsmarktproblematiek en interne behandeling van klachten. Ook op deze wijze controleert de inspectie hoe Fokus omgaat met dergelijke meldingen en bepaalt in welke vorm eventueel vervolgtoezicht gewenst is.
Herkent u ook de signalen uit het AD-artikel van vrouwen die slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik en tegen hun wens in een mannelijke hulpverlener kregen? Deelt u de mening dat dit een onwenselijke situatie is, zeker bij vrouwen die eerder slachtoffer zijn geweest?
Ik deel de mening dat het voor vrouwen die eerder slachtoffer zijn geweest van seksueel misbruik ongewenst kan zijn als zij worden geholpen door een mannelijke hulpverlener. Met individuele voorkeuren kan rekening worden gehouden, maar dit kent wel zijn grenzen en is ook geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting. Bij het aanstellen van personeel (en het plaatsen van personeel op een groep) kan Fokus niet discrimineren tussen mannen en vrouwen. Fokus kan daarmee niet garanderen dat er op een locatie geen mannen worden ingezet.
Als op de groep alleen een mannelijke zorgverlener aanwezig is, dan kan dit betekenen dat cliënten op dat moment niet geholpen kunnen worden doordat de cliënten dat niet willen. Op andere momenten kan het betekenen dat cliënten langer moeten wachten indien zij een assistent oproepen. In noodgevallen kan het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke assistenten niet worden gehanteerd; dan moet per direct worden ingegrepen. Ik vind het heel belangrijk dat er goede afspraken worden gemaakt tussen Fokus en de bewoners over de mogelijkheden om rekening te houden met de wensen van deze vrouwen en dat beide partijen zich vervolgens aan die afspraken houden.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat cliënten zich onveilig voelen in hun eigen omgeving? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om het gevoel van veiligheid onder cliënten te bevorderen?
Ik vind het ontzettend zorgelijk als cliënten zich onveilig voelen in hun eigen woning. Voor iedereen is veiligheid in de eigen woonomgeving essentieel, maar wanneer wonen en zorg nauw met elkaar verweven zijn en cliënten in alles afhankelijk zijn, wordt een veilige leefomgeving nog crucialer. Het bevorderen van het gevoel van veiligheid is vooral iets dat tussen cliënten en zorgverlener dient plaats te vinden.
Fokus geeft aan dat het nieuwe beleid «Veilige Zorgrelatie» volgens de daartoe opgestelde richtlijn van de IGJ bijna afgerond is (deze wordt integraal voorbereid met onder andere de cliëntenraad) en in 2025 kan worden geïmplementeerd. Ook zal vanaf 1 januari naast de onafhankelijk klachtenfunctionaris, de clientondersteuner en de gedragskundige (gericht op samenwerkingsvraagstukken) de externe functie van clientvertrouwenspersoon worden ingericht.
Bent u bereid om in beeld te brengen hoeveel verschillende hulpverleners er gemiddeld bij een cliënt over de vloer komen? Kunt u dit delen met de Kamer?
Fokus geeft aan dat het aantal verschillende medewerkers per cliënt per maand in 2023 36,9 was. In 2022 was dat nog 40,1.
Dat zijn hoge aantallen en is te verklaren door een aantal factoren. Het concept van ADL-assistentie is er zo op ingericht dat de cliënt op ieder moment assistentie kan oproepen via het alarm-intercomsysteem. Daarom dienen er 24/7 meerdere assistenten op een locatie aanwezig te zijn om op een oproep te kunnen reageren. Zeker op piekmomenten (in de ochtend en avond) kan dit betekenen dat het niet mogelijk is om altijd dezelfde medewerker naar de cliënt te sturen. Ook zien we dat veel medewerkers parttime werken, wat maakt dat het in deze situatie, waarin er sprake is van vraaggestuurde zorg, lastig is om een optimale afstemming te vinden tussen de vraag en het aanbod van medewerkers. Hierbij dient er namelijk ook rekening gehouden te worden met de duurzame inzetbaarheid van de medewerkers, Dit samen maakt dat het gemiddeld aantal medewerkers dat bij een cliënt over de vloer komt, al snel oploopt.
Herkent u dat het als zeer onprettig ervaren wordt door cliënten als er veel verschillende en wisselende hulpverleners bij hen over de vloer komen? Deelt u de mening dat het voor hen wenselijk is als de hulp geleverd kan worden door een vast team?
Natuurlijk is een vast team wenselijk, maar ook een vast team heeft al snel een behoorlijke omvang. Zie ook mijn antwoord op vraag 7.
Kunt u uitleggen hoe het kan dat er 120 openstaande vacatures zijn, maar op de website van Fokus vrijwel geen vacature een full-time aanstelling is?
Fokus geeft aan dat het genoemde aantal van 120 vacatures een momentopname is geweest van kort voor de zomer 2024, toen ze naast reguliere vacatures ook voor veel locaties vakantiekrachten aan het werven waren. Het gemiddeld aantal vacatures op de website ligt volgens Fokus tussen de 75–85, voor in totaal 98 locaties.
Het aanbieden van relatief weinig fulltime aanstellingen is een vraagstuk waar alle vraaggestuurde zorg mee worstelt. Vraaggestuurde zorg betekent, dat het aanbod en de beschikbaarheid van medewerkers zo goed mogelijk wordt afgestemd op de vraag. De assistentievraag kent piekmomenten met name in de ochtend en in de avond. Ook voor medewerkers met een fulltime contract geldt, dat een gezond rooster voorwaarde is voor duurzame inzetbaarheid. Optimale afstemming op de vraag zou dus betekenen dagelijks gebroken diensten van een paar uur in de ochtend en een paar uur in de avond. Bekend is, dat dit een zeer ongezond rooster is en dat deze medewerkers snel in de knel kunnen komen met de Arbeidstijdenwet.
Wat zijn de te verwachten tekorten in de toekomst? Bent u bereid een arbeidsmarktprognose op te laten stellen voor ADL-assistentie?
Ik heb geen specifieke arbeidsmarktprognose of maatregelen om personeelstekorten tegen te gaan binnen de ADL hulpverlening. De ontwikkelingen binnen de ADL-assistentie zullen in grote mate overeenkomen met de ontwikkelingen in andere (zorg)sectoren.
Welke concrete maatregelen neemt u om het personeelstekort binnen de ADL hulpverlening tegen te gaan?
Ik stel via de subsidieregeling ADL-assistentie middelen ter beschikking waarmee de zorgaanbieders personeel kunnen aanstellen. Naar aanleiding van het kostprijs onderzoek dat recentelijk is verricht, zullen de uurtarieven in 2024 (met terugwerkende kracht) en 2025 worden verhoogd.
Kunt u aangeven in welk stadium de herijking van de tarieven voor ADL-assistentie zich bevindt? Kunt u ook toelichten wanneer deze herijking precies verwacht kan worden?
Het kostprijsonderzoek dat de basis vormt voor herijking van de tarieven is inmiddels afgerond. Ik werk op dit moment aan de aanpassing van de subsidieregeling voor 2025 en 2024 (met terugwerkende kracht). Deze zal voor het einde van dit jaar worden gepubliceerd.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om te zorgen dat ADL-hulp aan een cliënt zoveel mogelijk geleverd wordt door een vast team? Welke aanvullende concrete maatregelen zouden hiervoor genomen kunnen worden en bent u ook bereid deze maatregelen in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 3, 8 en 9. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders hier zelf invulling aan geven.
Welke opleidingseisen worden gesteld aan ADL-assistenten? Aan welke criteria moet het interne opleidingstraject voldoen en wie ziet hierop toe? Welke criteria zijn er voor personen in leidinggevende functies?
ADL-assistentie wordt geleverd op regie en aanwijzing van de client; de cliënt geeft zelf aan hoe hij/zij geholpen wil worden. ADL-assistentie is daarmee anders dan de reguliere zorg. Fokus werft in principe ook geen medewerkers met een zorgachtergrond; een dienstverlenende instelling en communicatieve vaardigheden worden binnen dit concept belangrijker gevonden bij de werving van personeel. Het opleidingstraject van Fokus is dan ook vooral gericht op het leren werken op aanwijzing, wat eenvoudiger klinkt dan het is. Uiteraard zijn er ook praktische vaardigheden die geleerd moeten worden en dat vindt plaats door BIG geregistreerde fysiotherapeuten (transfers) en verpleegkundigen (verpleegkundige handelingen). Fokus handelt conform de wet BIG waar van toepassing. De IGJ houdt hier toezicht op. De ADL opleiding van Fokus is van zodanige kwaliteit dat medewerkers met dit certificaat in samenwerking met het ROC deelcertificaten voor het diploma Helpende 2 kunnen behalen.
Deelt u de mening dat het onveilig kan voelen om een klacht in te dienen bij een instelling of organisatie waar je als cliënt volledig van afhankelijk bent? Begrijpt u dat cliënten hierdoor een barrière voelen om klachten te melden?
Ik kan me voorstellen dat het voor cliënten ongemakkelijk kan zijn en zij zich zelfs onveilig voelen om een klacht in te dienen bij een instelling waarvan zij volledig afhankelijk zijn voor hun basisbehoeften. Bij Fokus is die afhankelijkheid nog groter, omdat wonen en zorg aan elkaar gekoppeld zijn, dus ik begrijp dat dat als een barrière kan voelen. Tegelijkertijd is van belang dat cliënten met de zorgaanbieder in gesprek gaan over hun ontevredenheid, hun wensen en behoeften, opdat de zorg verbeterd kan worden. Om in gesprek te gaan met de zorgaanbieder, kan de cliënt de hulp inschakelen van een klachtenfunctionaris. Die heeft als taak de cliënt gratis van advies te dienen met betrekking tot het indienen van een klacht, het formuleren daarvan en het onderzoeken van de mogelijkheden om tot een oplossing van de klacht te komen. De klachtenfunctionaris functioneert onafhankelijk ten opzichte van de zorgaanbieder. De cliënt kan – als hij zelf de klacht niet wil indienen – deze ook laten indienen door een ouder of wettelijk vertegenwoordiger.
Daarnaast is er een rol voor de cliëntenraad weggelegd. De medezeggenschapsrechten van de cliëntenraad zijn ervoor bedoeld dat cliënten invloed kunnen uitoefenen op de zorg en dat bestuurders de zorg goed kunnen afstemmen op de wensen en behoeften van de cliënten. De cliëntenraad kan er bijvoorbeeld voor kiezen om advies uit te brengen en in gesprek te gaan over het beleid over de tijdstippen waarop cliënten uit en naar bed geholpen worden en waarop cliënten geholpen worden met wassen, aankleden en naar buiten gaan. Over het algemene beleid ter zake van kwaliteit, veiligheid en hygiëne heeft de cliëntenraad instemmingsrecht. De regels over de cliëntenraden zijn opgenomen in de Wet medezeggenschap cliëntenraden 2018.
Deelt u de mening dat dit probleem breder speelt binnen de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en bent u bereid om met cliëntenorganisaties en vertrouwenspersonen in beeld te brengen welke verbeteringen in deze wet mogelijk zijn?
Op basis van het krantenartikel en de overige informatie die ik heb, kan ik niet concluderen dat de Wkkgz een probleem met zich meebrengt. In de evaluatie van de Wkkgz uit 2021 kwam dit niet als knelpunt naar voren. Ik zal cliëntenorganisaties en vertrouwenspersonen vragen in hoeverre zij dit probleem herkennen. Tegelijkertijd is het volgens mij van groot belang dat cliënten en het bestuur van de instelling in overleg met elkaar gaan en blijven over de wensen en behoeften van de cliënten. Oók als de instelling met personeelstekort of andere uitdagingen te maken heeft.
Het bericht 'Klimaatminister voorspelt dat haar eigen beleid niet voldoende is' |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de Minister van Klimaat en Groene Groei dat «je geen helderziende hoeft te zijn» om in te zien dat het regeerprogramma ontoereikend is om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?1
Ik ben het eens met haar uitspraak dat «we nog een flinke uitdaging hebben, daar hoeft je geen helderziende voor te zijn.»
Hoe schat u, gezien het schrappen van de normering voor hybride warmtepompen per 2026 en de aanpassing van de energiebelasting zoals was voorzien in het belastingplan van 2024, de klimaateffecten voor de gebouwde omgeving in?
Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar de antwoorden van de Minister van KGG op de vragen met dezelfde strekking van de leden Kröger (GL-PvdA), Rooderkerk (D66) en Teunissen PvdD) (2024Z14545).
Kunt u een inschatting geven van de misgelopen CO2-reductie in 2030 door het schrappen van de normering van hybride warmtepompen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u een inschatting geven van de misgelopen CO2-reductie in 2030 door het schrappen van de in het belastingplan 2024 voorgenomen wijziging van de energiebelasting op aardgas?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt en verwacht u dat aanvullend beleid nodig is binnen de sector gebouwde omgeving om de klimaatdoelen voor 2030 te halen?
Hiervoor verwijs ik naar de antwoorden van de Minister van KGG op de vragen van de leden Kröger (GL-PvdA), Rooderkerk (D66) en Teunissen PvdD) (2024Z14545).
Zo ja, aan welke maatregelen denkt u dan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Onderschrijft u de aanbeveling van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in deReflectie PBL op het Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 en de Keuzewijzer Klimaat en Energie dat aanvullend beleid nodig is en dat zo snel mogelijk moet worden begonnen met de voorbereiding daarvan?2
Zie antwoord vraag 5.
Zo ja, welk aanvullend beleid heeft u voor ogen? Zo nee, kunt u uitgebreid toelichten waarom dat niet het geval is?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe vaak hebt u persoonlijk contact gehad met de Minister van Klimaat en Groene Groei over de klimaatdoelen en het klimaatbeleid sinds de publicatie van het hoofdlijnenakkoord?
Ik heb veelvuldig contact met de Minister van KGG over het klimaatbeleid.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór de behandeling van de begroting van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (gepland in de week van 21 oktober 2024)?
Dat is helaas niet gelukt.
Het bericht 'Vernietiging Armeens erfgoed in Nagorno-Karabach: 'Doelbewust uitwissen geschiedenis'' |
|
Claudia van Zanten (BBB), Henk Vermeer (BBB) |
|
Caspar Veldkamp (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (NSC), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Vernietiging Armeens erfgoed in Nagorno-Karabach: «Doelbewust uitwissen geschiedenis»»? Zo ja wat is uw beider reacties hierop?1
Wij zijn bekend met dit artikel. Wij hechten groot belang aan de bescherming van het Armeens cultureel erfgoed in de zuidelijke Kaukasus.
Kunt u toezeggen dat u de Azerbeidzjaanse ambassadeur gaat ontbieden over de doelbewuste vernietiging van soms eeuwenoud Armeens erfgoed in Nagorno-Karabach en de daarbij mogelijk gepaard gaande schending van mensenrechten die de overgebleven Armeniërs kunnen treffen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is zonder meer bezorgd over de berichten aangaande het Armeens cultureel erfgoed. Het cultureel erfgoed ter plaatse kent een lange en complexe geschiedenis, waarbij zowel Armeense als Azerbeidzjaanse culturele erfstukken in de afgelopen decennia beschadigd of vernietigd zijn geraakt.
Nederland hecht groot belang aan het Haags Verdrag van 1954 en het Tweede Protocol van 1999, waar beide landen partij bij zijn. Deze verdragen verplichten hen om schade aan culturele goederen tijdens gewapende conflicten te voorkomen. We moedigen beide landen aan om deze verplichtingen na te leven en bij te dragen aan de bescherming van het cultureel erfgoed; voor wat betreft genoemde regio moedigen we Azerbeidzjan hiertoe aan.
Het belang van bescherming van cultureel erfgoed in de regio heeft Nederland recentelijk op hoog niveau opgebracht bij de Azerbeidzjaanse overheid. Nederland heeft daar nogmaals toegezegd gekregen dat Azerbeidzjan cultureel erfgoed in de regio zal beschermen en dat Azerbeidzjan de samenwerking met UNESCO opzoekt. Azerbeidzjan gaf in dat gesprek aan dat – sinds het de Karabach regio en de omliggende gebieden onder eigen controle heeft – er verschillende stappen zouden zijn gezet om dit erfgoed te beschermen.
Kunt u de regering van Azerbeidzjan oproepen direct te stoppen met het verder beschadigen, onteren en uitwissen van Armeens erfgoed, waaronder ook christelijke kerken, kloosters en begraafplaatsen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u de regering van Azerbeidzjan dringend verzoeken de plegers van deze misdaden op te sporen en te straffen voor hun misdaden, een deel van hen is immers op camera's vastgelegd en daarmee makkelijk te vinden? Zo nee, waarom niet?
Nederland hecht groot belang aan het Haags Verdrag van 1954 en het Tweede Protocol daarbij, dat ieder land een verbod oplegt om misdaden tegen een ander volk en zijn historisch-culturele goederen te begaan en partijen ook verplicht om schendingen van het Verdrag en Tweede Protocol als misdrijven aan te merken, nationaal strafbaar te stellen en daders te vervolgen. Het is aan Armenië en Azerbeidzjan om binnen dit kader zorg te dragen voor opsporing en vervolging van misdrijven. Het kabinet steunt het vredesproces tussen Armenië en Azerbeidzjan en roept beide partijen op om te komen tot een alomvattend vredesakkoord met inbegrip van bescherming van cultureel erfgoed.
Wilt u de regering van Azerbeidzjan dringend verzoeken de Armeense minderheden die nog in Nagorno-Karabach zijn overgebleven te beschermen en met rust te laten? Zo nee, waarom niet?
Nederland is voortdurend in gesprek met de Azerbeidzjaanse autoriteiten, waarin mensenrechten steevast worden genoemd. Nederland onderschrijft daarbij in het bijzonder het belang van de bescherming van kwetsbare groepen. In gesprekken met de Azerbeidzjaanse overheid heeft deze zich gecommitteerd aan bescherming van de (weinige) Armeniërs die nog in de regio wonen.
Wilt u de regering van Azerbeidzjan dringend verzoeken aan te geven hoe zij de Armeense minderheden die Nagorno-Karabach ontvlucht zijn of nog zijn overgebleven gaat compenseren voor hun achtergelaten en/of beschadigde bezittingen? Zo nee, waarom niet?
De spanningen tussen Armeniërs en Azerbeidzjanen in de Karabach regio hebben historische wortels die teruggaan tot het einde van de negentiende en eeuw. In deze lange periode zijn aan beide zijden grote groepen mensen van huis en haard verdreven, en hebben daar immateriële en materiële schade bij geleden, waaronder ook schade aan cultureel erfgoed. Mede daarom hecht het kabinet grote waarde aan de onderhandelingen over een alomvattend vredesakkoord. Het is aan de beide landen om te bepalen op welke plaats in dat proces de situatie van vluchtelingen («internally displaced persons») moet worden behandeld. Beide partijen hebben aangegeven al vergevorderd te zijn in dit proces en bilateraal de vredesbesprekingen voort te zetten. Nederland blijft beide partijen voortdurend aanmoedigen om snel tot een vredesakkoord te komen. Naar aanleiding van de motie van de leden Kahraman en Ceder (motienummer 21501-02-2947) over de bescherming van het Armeens cultureel erfgoed heeft Nederland tijdens de Raad Buitenlandse zaken van 14 oktober de EU en de Europese lidstaten verzocht om Armenië en Azerbeidzjan te blijven oproepen tot een alomvattend vredesakkoord te komen, met inbegrip van bescherming van cultureel erfgoed.
Kunt u aangeven of en wat voor projecten er op het gebied van educatieve en/of culturele uitwisselingen op dit moment lopen met Armenië en/of Azerbeidzjan, en of u op deze of op andere wijze een rol kan spelen om deze ontwikkelingen te stoppen en meer begrip voor elkaars culturen te krijgen?
De Nederlandse ambassades financieren activiteiten met behulp van diverse budgetten. Prioritair is bevordering van het vredesproces in Armenië en Azerbeidzjan. Ook zijn er activiteiten ter bevordering van mensenrechten, democratie en rechtsstaat en ter versterking van het maatschappelijk middenveld.
Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de financiering van een project gericht op identificatie menselijke resten die zijn aangetroffen in de Karabach regio, uitgevoerd door The International Commission on Missing Persons (ICMP). Dit project richt zich ook op het opbouwen van een samenwerkingsmechanisme tussen beide landen en kan bijdragen aan de verwerking van het gedeelde traumatische verleden.
Kunt u de huidige gebeurtenissen onderdeel laten uitmaken van onderwijsprogramma's over de Armeense genocide als zijnde een actueel voorbeeld van het uitwissen van de geschiedenis van een volk, net zoals ook gerichter onderwijs over bijvoorbeeld de holocaust in het regeerakkoord is opgenomen?
Scholen in Nederland bepalen zelf hoe zij binnen de bestaande wettelijke kaders inhoudelijk invulling geven aan de kerndoelen. Het staat ze vrij om als verdieping voorbeelden te geven van conflicten door de geschiedenis heen. Aan antisemitisme, de Holocaust en Jodenvervolging zijn scholen verplicht om aandacht te besteden in hun lessen. In het primair onderwijs is kennis over de Holocaust verwerkt in de kerndoelen 52 en 53, vallend onder het domein «Oriëntatie op jezelf en de wereld – Tijd». In de onderbouw van het voortgezet onderwijs is kennisoverdracht van de Holocaust verwerkt in kerndoel 37, vallend onder onderdeel «Mens en maatschappij». Ook in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs wordt onder andere via de vakken geschiedenis en maatschappijleer aandacht besteed aan burgerschap, Holocaust en internationale relaties. De kerndoelen worden enkel op hoofdlijnen vastgesteld.
Kunt u gezamenlijk in kaart brengen waar op dit moment in andere conflicten het behoud en voortbestaan van erfgoed, historie en de cultuur van strijdende partijen risico's lopen en wat Nederland eraan zou kunnen doen om dit te beschermen?
Op veel plaatsen in de wereld, zoals in Oekraïne, Soedan, Jemen, Gaza en Libanon zijn conflicten gaande waarbij ook schade wordt aangebracht aan historisch erfgoed en cultuur. Nederland maakt deel uit van samenwerkingsverbanden die zich inzetten voor behoud en bescherming van cultureel erfgoed, zoals via de VN organisatie voor onderwijs en cultuur UNESCO. Met UNESCO organiseerde Nederland in mei in Den Haag de conferentie «Cultural Heritage and Peace: Building on 70 years of UNESCO Hague Convention for the Protection of Cultural Property in the Event of Armed Conflict» om aandacht te vestigen op het belang van de bescherming van cultureel erfgoed tijdens gewapend conflict. Ook steunt Nederland de uitvoeringsorganisatie CER (Cultural Emergency Response) die zich volledig toelegt op cultural emergency response in crisisgebieden.