Autodiefstal met stoorzender |
|
Lilian Helder (PVV), Hero Brinkman (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Diefstal met stoorzender»?1
Ja.
Klopt dit bericht? Kunt u aangeven hoe groot dit probleem is?
Het is bekend dat deze methodiek wordt gebruikt. Er zijn geen cijfers bekend over de omvang van dit probleem.
Deelt u de mening dat bezit van dergelijke «carlock jammers» evenals «jammers», voor het storen van GPS volgsystemen van auto’s, verboden moeten worden, gezien zij enkel gebruikt worden voor diefstal van auto’s?
Een dergelijk verbod is al van kracht.
Een carlock-jammer is een jammer die specifiek gebruikt wordt voor het blokkeren van elektronische autosloten. Dit type jammer valt onder dezelfde wetgeving als GSM- en GPS-jammers. Het adverteren, gebruiken, in bezit hebben en verhandelen van jammers is een overtreding van de Telecomwet.
Het Agentschap Telecom van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft sinds 2010 de aanpak van jammers geïntensiveerd. Het Agentschap werkt samen met politie, douane en private partijen . Deze samenwerking richt zich op de aanpak van de handel in en het gebruik van jammers en de opsporing hiervan. Ook samenwerking met andere Europese landen vormt daarom een onderdeel van de aanpak van het Agentschap Telecom.
Verder is sinds 1 januari 2012 een nieuwe Richtlijn voor strafvordering Telecommunicatiewet (2011R031) in werking getreden, met onder meer verhoogde boetebedragen voor het adverteren, gebruiken, in bezit hebben en verhandelen van jammers.
Klopt de informatie dat vaak Oost-Europese bendes zijn betrokken bij de diefstal van (vaak dure) auto’s? Zo ja, hoe gaan politie en justitie dit probleem aanpakken? Zijn er goede afspraken gemaakt met andere landen voor opsporing en teruggave van deze gestolen voertuigen? Zo ja, welke en met wie?
Uit de zeer recent door mij ontvangen rapportage over Midden- en Oost-Europese rondtrekkende dadergroepen in Nederland blijkt dat er sprake is van een serieus te nemen verschijnsel: bepaald meer dan incidenteel zijn dergelijke bendes – en soms ook die uit andere landen – actief in ons land. Deze groeperingen houden zich onder andere bezig met de diefstal van voertuigen en voertuigonderdelen. Voor meer informatie over de problematiek en aanpak van rondtrekkende criminele bendes uit Midden- en Oost-Europa verwijs ik naar mijn brief aan de Tweede Kamer over Bestrijding van georganiseerde criminaliteit, nr. 29911/64 van 26 maart 2012.
Gestolen auto’s worden gesignaleerd in het Nationaal Schengen Informatiesysteem alsook wereldwijd via Interpol. Bij het aantreffen van een gestolen voertuig wordt dit gemeld aan het land waar de diefstal heeft plaatsgevonden en zal – mede afhankelijk van de toepasselijke nationale wetgeving en de civielrechtelijke positie van betrokken partijen – teruggave van het gestolen voertuig – kunnen plaatsvinden.
Liegende politieagenten |
|
Tofik Dibi (GL) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat liegende politieagenten mogelijk nog aan het werk zijn?1 Welke onderzoeken lopen er inmiddels tegen deze agenten? Is het waar dat in afwachting van het onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) er nog geen intern integriteitsonderzoek is gestart? Zijn deze politieagenten hangende het onderzoek geschorst? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het bericht is in de media verschenen naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank te Amsterdam in een strafzaak tegen twee verdachten die politieagenten zouden hebben mishandeld. De rechtbank oordeelde dat de betrokken opsporingsambtenaren in strijd met de werkelijkheid hebben geverbaliseerd. De rechtbank is tot haar conclusie gekomen mede op basis van videomateriaal dat door de verdediging is ingebracht en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is getoond. Het OM deelt niet de conclusie van de rechtbank dat sprake is geweest van doelbewust onjuist verbaliseren (liegen). In dit verband is ook van belang dat de verbalisanten over de gewraakte verschillen niet zijn gehoord. Het OM heeft om deze reden beroep aangetekend tegen deze uitspraak.
De strafzaak is als gevolg van het hoger beroep nog onder de rechter. Het gerechtshof zal de situatie opnieuw beoordelen. Het Openbaar Ministerie en de politie achten het niet gepast om hangende de beroepsprocedure een eigen onderzoek in te stellen. Voor maatregelen richting de betrokken verbalisanten zien het Openbaar Ministerie en de politie op dit moment geen reden.
Hoe vaak heeft in de afgelopen vijf jaren een intern integriteitsonderzoek door de korpsen zelf en/of door de Rijksrecherche plaatsgevonden? Hoe zijn die integriteitsonderzoeken afgerond? Hoe vaak is het OM bij deze onderzoeken betrokken? Heeft dat ooit geleid tot een daadwerkelijke strafvervolging en / of strafrechtelijke veroordeling?
Zoals ik in het Algemeen Overleg Weerbaarheid van 21 december 2011 meldde zijn er jaarlijks circa 1 400 interne onderzoeken bij de politie, waarvan een derde integriteitschending oplevert. Interne onderzoeken worden uitgevoerd door de bureaus integriteit en veiligheid (BIV) bij de regiokorpsen. De Rijksrecherche voert geen interne integriteitonderzoeken uit binnen politie-onderdelen. Indien uit een intern integriteitonderzoek van de politie een strafrechtelijke verdenking ontstaat en het Openbaar Ministerie erbij wordt betrokken, is de Rijksrecherche niet de eerst aangewezen organisatie om dergelijke zaken te onderzoeken. De afdelingen BIV van het korps zelf of eventueel van een naburig korps kunnen onder leiding van een lokale officier met voldoende distantie een dergelijk strafrechtelijk onderzoek uitvoeren. Slechts in uitzonderlijke gevallen waarin bijvoorbeeld de integriteit van de overheid op zeer ernstige wijze wordt aangetast én sprake is van een misdrijf, kan worden besloten tot de inzet van de Rijksrecherche.
Van de 1400 onderzoeken wordt jaarlijks bij ongeveer 450 onderzoeken het OM betrokken. Jaarlijks volgt als gevolg van integriteitsonderzoeken gemiddeld 65 keer ontslag.
Deelt u de mening dat politiefunctionarissen, als vertegenwoordigers van het geweldsmonopolie van de overheid en gezien het gewicht dat een ambtsedig opgemaakt proces verbaal in de rechtspleging heeft, een onberispelijke dienstuitoefening absoluut vereist is? Deelt u de mening dat indien de onberispelijke dienstuitoefening van politiefunctionarissen in het geding is altijd onderzoek moet volgen en de betrokken functionarissen lopende dat onderzoek geschorst dienen te worden?
De integriteit van de politie en van de individuele politieambtenaar is van groot maatschappelijk belang. Dat is aanleiding aan het onderwerp integriteit zowel in preventieve als in repressieve zin uitgebreid aandacht te schenken en dienovereenkomstige maatregelen te treffen. Dit neemt de mogelijkheid van integriteitsschendingen niet volledig weg. In voorkomende gevallen worden die incidenten voortvarend onderzocht. Politieambtenaren zijn onderworpen aan de bepalingen van het strafrecht en de strafvordering, waarbij in enkele gevallen hogere strafbedreigingen gelden indien misdrijven als politieambtenaar worden gepleegd. In het geval van een strafbaar feit vindt het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie plaats. Daarnaast kunnen politieambtenaren ook aan tuchtrechtelijke onderzoeken en daaruit voortvloeiende maatregelen worden onderworpen. Het handelen van politieambtenaren kan tuchtrechtelijk worden onderzocht zodra er sprake is van plichtsverzuim. Strafbare feiten kunnen in de regel als plichtsverzuim worden aangemerkt.
In het geval van ernstig plichtsverzuim kan de Korpsbeheerder de bevoegdheid toepassen strafontslag op te leggen. Indien het aannemelijk is dat het tuchtrechtelijk onderzoek tot een dergelijk besluit zal leiden worden de feitelijke werkzaamheden van de betrokken politieambtenaar beëindigd. In die gevallen wordt de maatregel tot schorsing en/of buitenfunctiestelling toegepast. De betreffende ambtenaar is in dat geval niet meer bevoegd zijn functie uit te voeren. Ook wordt hen de toegang tot dienstruimten en informatiesystemen ontzegd en/of onmogelijk gemaakt.
Bent u bereid om vanaf nu jaarlijks te rapporteren aan de Kamer over integriteit en integriteitsschendingen bij de politie? Zo nee, waarom niet?
Ik heb eerder toegezegd hierover te rapporteren. Ik ben voornemens de jaarlijkse rapportage op te nemen in het jaarverslag Nederlandse Politie. Voor het jaar 2011 zal ik over integriteitschendingen nog separaat rapporteren. Zoals toegezegd zal verslaglegging vervolgens plaatsvinden in het jaarverslag Nederlandse Politie.
Het stimuleren van duurzame eiwitconsumptie |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Joop Atsma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Iedereen aan de Vegaworst, dan wordt die vanzelf wel goedkoper»?1
Ja.
Is het waar dat plantaardige vleesvervangers nog aanmerkelijk duurder zijn dan vergelijkbare vleesproducten?
Er is een grote variatie in producten en prijzen. Het is daardoor niet mogelijk hier een eenduidig antwoord op te geven.
Deelt u de mening van de in het artikel genoemde levensmiddelen technoloog van de Wageningen Universiteit dat vlees te goedkoop is in relatie tot vleesvervangers en dat het wenselijk zou zijn via het «de vervuiler betaalt principe» dit prijsverschil te verkleinen of te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Op korte termijn zie ik hiervoor geen mogelijkheden. Zie hiervoor o.a. mijn reactie (TK 32 708, nr. 6) op het door uw Kamer geïnitieerde onderzoeksrapport van Blonk Milieuadvies c.s. «De economische dimensie van de verduurzaming van voedsel». Ik volg met belangstelling de internationale zoektocht naar de mogelijkheden van het internaliseren van externe kosten, onder andere door de Europese Commissie. Zie hiervoor ook TK 32 708, nr. 12 en het BNC-fiche EK 22 112/33 072 over Het stappenplan voor een efficiënt hulpbronnengebruik in Europa.
Is het waar dat de «externe kosten» van vlees, zoals kosten van dierziekten grondreiniging en waterzuivering niet of zeer beperkt worden doorberekend in de kostprijs van vlees? Zo nee, op welke wijze worden deze kosten dan integraal doorberekend aan de eindgebruiker in het kader van «de vervuiler betaalt»? Zo ja, bent u bereid maatregelen te treffen om de externe kosten van vlees integraal onderdeel te maken van de winkelprijs?
Mijn beleid is gericht op het stellen van wettelijke randvoorwaarden op het terrein van milieu, diergezondheid en dierenwelzijn aan de veehouderijproductie in Europees verband. Deze wettelijke eisen worden gefaseerd ingevoerd en aangescherpt om ondernemers de gelegenheid te geven economisch verantwoord de bedrijfsvoering te kunnen aanpassen. Door deze wettelijke maatregelen zullen de externe kosten dalen. Daarnaast ontstaan er steeds meer marktinitiatieven waarbij bovenwettelijke duurzaamheidmaatregelen worden genomen waarvoor een markt bestaat en de consument bereid is een meerprijs te betalen. Hier ligt een belangrijke rol voor de retail en de out of home sector.
Kunt u aangeven wat de integrale kostprijs van vlees is in relatie tot de huidige winkelprijs, voor wat betreft kip, rund en varken? Zo nee, waarom niet en bent u bereid hier een onderzoek naar in te stellen? Zo ja, kunt u exact zijn in uw beantwoording?
Zoals aangegeven in het eerder genoemde rapport «De economische dimensie van verduurzaming voedsel» uit 2011 is het nu niet mogelijk om met zekerheid een reële prijs van voedsel te bepalen. Op verzoek van mijn ministerie brengt het LEI deze zomer nog een studie uit over dit onderwerp: «Kosten van negatieve externe effecten van de productie, verwerking en consumptie van voedsel».Het gaat hier om een nadere verkenning van de mogelijkheden om corrigerend op te treden bij negatieve externe effecten. Op basis van de resultaten van dit onderzoek zal ik bezien welke vervolgstappen nodig en mogelijk zijn.
Is het nog steeds het standpunt van het kabinet dat vlees het meest vervuilende onderdeel van ons voedselpakket is? Zo nee, sinds wanneer is dit standpunt gewijzigd?2
Deze vraag heb ik beantwoord in mijn brief van 16 juni 2011 (uw referentie 2011Z10741), mij zijn geen nieuwe wetenschappelijke inzichten bekend hierover.
Kunt u aangeven welke stimuleringsregelingen het kabinet neemt om het prijsverschil tussen plantaardige vleesvervangers en vlees te verkleinen?
Hiertoe neemt het kabinet geen stimuleringsmaatregelen.
Ziet u overeenkomsten in het overbruggen van de kostprijsverschillen tussen niet duurzame energie en duurzame energie enerzijds en de overbrugging van prijsverschillen tussen duurzame en niet duurzame eiwitbronnen voor menselijke consumptie anderzijds? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke?
Mijn beleid is gericht op de algemene verduurzaming van de voedselketen, zoals ik in het plenair debat met de Tweede Kamer op 18 januari 2012 uiteen heb gezet.
Ziet u mogelijkheden om via de invoering van een belasting op onduurzame eiwitproducten het prijsverschil tussen vlees en vleesvervangers te verkleinen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Nee, mijn beleid is er op gericht de gehele keten te verduurzamen. Ik doe dit bij voorkeur door bedrijven die op de goede weg zijn in het zonnetje te zetten, in plaats van de producenten van gangbare producten te straffen.
Kunt u aangeven waaruit de huidige inzet van het kabinet bestaat om een duurzame eiwittransitie tot stand te brengen en kunt u ook inzicht bieden in uw plannen voor de nabije toekomst terzake? Zo nee, waarom niet?
Onder de topsector Agrofood is een TKI (Topconsortium Kennis en Innovatie) rond eiwitinnovaties opgenomen in de Innovatiecontracten. Eiwitonderzoek is hiermee een duidelijk speerpunt geworden voor onderzoek vanuit publiek-private samenwerking. De topsector agro-food faciliteert koplopers met een «zgn. versnellingsaanpak» die erop gericht is bedrijven samen te brengen om marktsuccessen met innovatie te vergroten. In februari 2012 heeft dit geleid tot de versnellingsagenda eiwitinnovaties van het bedrijfsleven zelf en is dit aangeboden aan DG B&I als vertegenwoordiger van topsectorenbeleid.
Bent u bereid een actief stimuleringsbeleid voor de productie en consumptie van plantaardige vleesvervangers vorm te geven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?
Het bedrijfsleven dat zich richt op de productie van plantaardige vleesvervangers kan een beroep doen op het TKI eiwitinnovaties van de topsector Agrofood.
De overheid stimuleert de consumptie van plantaardige vleesvervangers niet. Het is naar mijn mening de eigen verantwoordelijkheid van de consument om al dan niet te kiezen voor plantaardige vleesvervangers
Het gegeven dat EU-consumentenuitgaven in het laatste kwartaal van 2011 niet zijn gestegen |
|
Nebahat Albayrak (PvdA), Ronald Plasterk (PvdA) |
|
Jan Kees de Jager (minister financiën) (CDA), Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EU-consumentenuitgaven over het vierde kwartaal van 2011 niet gestegen»?1
Ja.
Wat is de verklaring voor het dalende consumentenvertrouwen in Nederland?
Volgens het CBS2 speelt tal van factoren een rol bij het consumentenvertrouwen, zoals de beurskoersen, inflatie, werkloosheid en huizenprijzen.
Het verloop van het consumentenvertrouwen vertoont volgens het CBS samenhang met de ontwikkeling van de aandelenkoersen, omdat huishoudens direct aandelen bezitten. Huishoudens zien bij aandelenkoersdalingen hun vermogen slinken. Wie zich daardoor minder rijker voelt zal geneigd zijn minder te consumeren. Dit wordt grosso modo bevestigd door de cijfers. Halverwege 2011 is de AEX merkbaar gedaald. In lijn daarmee daalde ook het consumentenvertrouwen.
Aandelenkoersen zijn ook op indirecte wijze een belangrijke factor voor de stemming van de consument. Huishoudens bezitten via hun pensioenaanspraken ook indirect beleggingen. Wanneer de dekkingsgraad van een pensioenfonds onder het vereiste minimum ligt zou dat voor onzekerheid bij consumenten kunnen zorgen, aldus het CBS. De huidige problemen rondom de dekkingsgraad van veel Nederlandse pensioenfondsen zou daarom het consumentenvertrouwen kunnen drukken.
Prijsontwikkelingen kunnen ook van invloed zijn op het sentiment. Inflatie maakt consumptie duurder en leidt daardoor tot koopkrachtverlies. Dit kan het oordeel van consumenten over hun eigen financiële situatie aantasten.
Het CBS noemt verder de werkloosheid als factor die het consumentenvertrouwen parten kan spelen. Werklozen zijn vaak pessimistischer dan werknemers en zelfstandigen. Halverwege 2011 begon de werkloosheid te stijgen. Waar in juni 2011 de werkloosheid nog op 4,1% van de beroepsbevolking stond, zat in december 4,9% zonder baan (beide cijfers volgens de internationale definitie). Het CPB stelt in het Centraal Economisch Plan 2012 dat toenemende werkloosheid zorgt voor onzekerheid over de consumptiemogelijkheden voor de komende jaren.
Werknemers die minder uren werken zijn volgens het CBS gemiddeld ook pessimistischer. In zover de recessie gepaard gaat met minder (over)uren werk, lag het dus in lijn van de verwachting dat het consumentenvertrouwen laag zou zijn.
Het CBS ziet ook een invloed van de woningmarkt. Dit bevestigt het CPB in het Centraal Economisch Plan 2012. Sinds het uitbreken van de Grote Recessie zijn de huizenprijzen, met minieme onderbrekingen, gestaag gedaald. Daarmee wordt de kans groter dat zij die hun huis nu willen verkopen hier verlies op maken. Dit levert onzekerheid over de aflosbaarheid van de hypotheek en drukt mogelijk het consumentenvertrouwen.
Deelt u de mening dat het merkwaardig is dat er in Nederland sprake is van een daling van de consumentenuitgaven terwijl er tegelijkertijd in buurland Duitsland sprake is van een groei in de consumentenuitgaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is volgens u de reden?
Nee, ik vind het niet merkwaardig dat in Nederland de consumentenuitgaven dalen, terwijl de consumentenuitgaven in Duitsland groeien. De recente economische ontwikkelingen vielen voor Duitsland gunstiger uit dan voor Nederland. De Duitse economie herstelde sneller van de crisis dan de Nederlandse en terwijl de werkloosheid in ons land opliep daalde het werkloosheidpercentage in Duitsland.
Het CPB wijst hierbij op de succesvolle arbeidsmarkthervormingen die Duitsland aan het begin van deze eeuw heeft doorgevoerd en dat de Duitse export meer gericht is op de vraag uit snel groeiende opkomende landen zoals China. Bij het verschil in consumentenuitgaven speelt verder een rol dat de woningprijzen zich in Nederland beduidend negatiever hebben ontwikkeld. Mede daardoor ligt het Duitse consumentenvertrouwen hoger. Het is dus begrijpelijk dat de consumentenuitgaven zich in Duitland positiever ontwikkelen dan in Nederland.
Kunt u aangeven wat de relevantie is van het door u gevoerde beleid in verband met de daling van het consumentenvertrouwen in Nederland?
Het consumentenvertrouwen is de meeste EU-landen laag, zo blijkt uit enquêtes van de Europese Commissie. Daarmee lijken de economische omstandigheden de eerste oorzaak van de daling van het consumentenvertrouwen. Immers, landen hebben tegelijkertijd te maken gekregen met een afzwakking van hun economie.
Het kabinet werkt daarom hard om het vertrouwen in de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te borgen. Deze crisis laat zien dat het voor Nederland cruciaal is om vertrouwen te behouden. Vertrouwensverlies wordt in de huidige markten snel afgestraft, daarom zijn maatregelen onvermijdbaar. Maar het draait niet alleen om financiële markten, maar ook om het vertrouwen van bedrijven en consumenten. We moeten met extra maatregelen perspectief bieden. Geen perspectief op hogere schulden, maar op gezonde overheidsfinanciën die ruimte bieden voor een krachtige private sector. Dit vormt een stevige vertrouwensbasis voor burgers en bedrijven om te consumeren en investeren. Het zorgt er ook voor dat we onszelf kunnen blijven financieren tegen een lage rente.
De uitbraak van het Rhinopneumonievirus onder paarden |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u de ontwikkelingen gevolgd rond de uitbraak van het Rhinopneumonievirus onder paarden?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat paardeneigenaren zich zorgen maken over het virus, dat kan leiden tot luchtwegontsteking, maar in ernstiger varianten ook tot aantasting van het zenuwstelsel?
Ja.
Op welke wijze worden paardeneigenaren gewaarschuwd voor de risico’s op besmetting van hun dier met het Rhinopneumonievirus? Acht u dit voldoende? Zo ja, waarom? Zo nee, welke aanvullende acties zouden er volgens u ondernomen moeten worden om ervoor te zorgen dat paardeneigenaren voldoende op de hoogte zijn van relevante informatie?
Paardenhouders worden via diverse kanalen geïnformeerd over de risico’s van Rhinopneumonie. Veel dierenartsen besteden aandacht aan de ziekte op hun website en informeren houders met vragen over de ziekte. Ook via de website van de Sectorraad Paarden (SRP) en het Nationaal Hippisch Kenniscentrum (NHK) worden paardenhouders op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen en de preventie- en beheersmaatregelen die mensen kunnen nemen.
Daarnaast is in de sectoragenda infectieuze ziekten de inrichting van een helpdesk/gezondheidsloket voorzien. Hier zullen signalen en aanvullende informatie ten aanzien van contact structuren centraal binnenkomen. Deze signalen, die breder zijn dan alleen Rhinopneumonie, worden onder leiding van de SRP besproken en geanalyseerd op een gezondheidsoverleg. Aan het gezondheidsoverleg nemen deel de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD), het ministerie van EL&I, de Faculteit Diergeneeskunde, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Veterinair Instituut (CVI). Indien nodig kan de SRP aanvullend onderzoek laten doen. Het gezondheidsoverleg adviseert de SRP in deze. De SRP neemt verantwoordelijkheid voor de communicatie en informatie naar de sector.
Deelt u de mening dat er in ieder geval een meldplicht zou moeten komen voor gevallen waarbij een besmettelijk virus als het Rhinopneumonie virus is geconstateerd, zodat er zicht komt op plekken die paardeneigenaren het beste kunnen mijden om het risico op besmetting van hun dier zoveel mogelijk te beperken? Zo nee, waarom niet? Kunt u uitleggen hoe paardeneigenaren dan aan de informatie kunnen komen die ze nodig hebben om risico’s op besmetting van hun dier zoveel mogelijk te beperken?
Ik denk dat het goed is dat er een centraal meldpunt en communicatiekanaal komt voor gezondheidsproblemen en risicoplaatsen. Een dergelijk loket of helpdesk is voorzien in de sectoragenda infectieuze ziekten van 22 december 2011 (TK 29 683, nr. 110) en wordt op dit moment door de SRP in samenwerking met de paardendierenartsen opgericht. Hierbij zie ik geen rol voor de rijksoverheid weggelegd. De individuele houder in samenwerking met zijn dierenarts en sectororganisaties zijn heel goed in staat de ziekte te beheersen, zoals in de afgelopen jaren gebleken is bij eerdere uitbraken van Rhinopneumonie en zoals ook nu uit het optreden van de SRP en individuele houders blijkt. Een zwaar instrument als een wettelijke meld- en of bestrijdingsplicht is gereserveerd voor ziekten waarbij:
Hoe beoordeelt u het vervoer van paarden naar verzamelplekken zoals markten en wedstrijden wanneer een dergelijk virus rondwaart? Welke maatregelen acht u noodzakelijk om verspreiding van het virus te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is niet verstandig of verantwoord paarden te vervoeren naar verzamelplaatsen of evenementen wanneer paarden ziek zijn of wanneer men weet dat er op die locatie Rhinopneumonie uitgebroken is.
Iedere eigenaar is primair zelf verantwoordelijk voor de gezondheid van zijn paard. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de houder zich goed te laten informeren over de gezondheidsrisico’s met betrekking tot deelname aan een evenement. Desgewenst kan een eigenaar advies inwinnen bij zijn dierenarts.
De SRP ondersteunt eigenaren hierbij door uitbraken centraal te communiceren via de website van de SRP en eigenaren te adviseren over risico’s en preventiemaatregelen.
Een zoekgeraakte brief dierenasiel |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u een ontheffingsverzoek voor de huisvestigingseisen op grond het honden- en katten besluit 1999 van de Dierenbescherming Limburg ontvangen? Zo ja, op welke datum is dit verzoek ingediend en door u geregistreerd?1 Op welke gemeenten heeft dit verzoek betrekking?
Dit verzoek is op 27 januari 2012 geregistreerd bij het ministerie. Dit verzoek heeft geen betrekking op een gemeente maar op een dierenasiel gevestigd in Maastricht.
Is het waar, zoals Dierenbescherming Limburg stelt, dat dit verzoek bij u is «zoekgeraakt»? Zo ja, wat is de oorzaak daarvan?
Op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en het Honden- en kattenbesluit 1999 (hierna HKB) is geen termijn vastgesteld voor het reageren op een ontheffingsverzoek. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht geldt in dat geval een redelijke termijn van acht weken. Het besluit is genomen binnen de daarvoor geldende termijn.
Overigens merk ik hierbij op dat het dierenasiel een overgangstermijn van 10 jaar heeft gehad om te voldoen aan de minimale welzijnseisen van HKB.
Is het u bekend dat door het zoekraken van dit verzoek er nog geen besluit is genomen, waardoor gemeenten in overtreding zijn en niet aan hun wettelijke plicht voldoen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het formeel en procedureel correct dat Dierenbescherming Limburg, namens een overheidsorgaan een ontheffingsverzoek kan indienen terwijl de wettelijke taak bij de gemeente zelf ligt?
Er is geen ontheffingsverzoek ingediend namens een overheidsorgaan. De plicht om te voldoen aan alle eisen van het KHB ligt bij de beheerder van het asiel, niet bij de gemeente.
Het naar beneden bijstellen van de prestatie eisen vand e F-35 Joint Strike Fighter |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Jasper van Dijk (SP) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Pentagon Slackens Difficult-To-Achieve JSF Performance Requirements» verschenen op 1 maart 2012?1
Ja.
Bent u geïnformeerd over hetgeen besproken is op 14 februari 2012 in de Joint Requirements Oversight Council (JROC)? Zo ja, wanneer?
Ja. Het JROC is de instantie van het Pentagon die de prestatie-eisen aan wapensystemen vastlegt. Defensie is voorafgaand aan het JROC-overleg van 14 februari jl. geïnformeerd over het voornemen om in dit overleg enkele prestatie-eisen van de F-35 te bespreken. Voor de F-35A, de variant waarvoor Nederland belangstelling heeft, betrof het één prestatie-eis en wel die ten aanzien van het vliegbereik. Aansluitend aan de JROC-bijeenkomst is op 15 februari jl. het resultaat besproken tijdens een overleg op het JSF Program Office (JPO). Zie tevens het antwoord op vraag 4.
Zijn voornemens de prestatie eisen van de F-35 naar beneden bij te stellen besproken binnen het Joint Programme Office (JPO)? Zo ja, wanneer?
Zie antwoord vraag 2.
Indien het voornemen de prestatie eisen van de F-35 naar beneden bij te stellen een definitieve status krijgt, bent u dan bereid een nieuwe kandidatenvergelijking te doen ten behoeve van de opvolging van de F-16?
In tegenstelling tot wat het artikel suggereert, is tijdens de JROC-bijeenkomst de prestatie-eis over het vliegbereik van de F-35A van 590 zeemijlen niet verlaagd. Wel is op grond van recente praktijkervaringen met de nieuwe toestellen besloten het gehanteerde vliegpatroon bij de uitvoering van missies aan te passen. Met de jaarrapportage over 2010 (Kamerstuk 26 488, nr. 258) is u gemeld dat de drempelwaarde van 590 zeemijlen net niet werd gehaald omdat het bereik 584 zeemijlen bedroeg. Door de voorgestelde aanpassing van het vliegpatroon wordt het bereik naar verwachting 613 zeemijlen en wordt de drempelwaarde van 590 zeemijlen dus wel gehaald.
Zoals ik tijdens het debat van 13 maart jl. heb uiteengezet, is een nieuwe kandidatenvergelijking niet aan de orde.
Kameroense wetgeving die mensen vastzet op verdenking van homoseksualiteit |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over wetgeving in Kameroen die mensen detineert op verdenking van homoseksualiteit?1
Ja.
Wat is uw reactie op het gegeven dat mensen onder Kameroense wetgeving gedetineerd kunnen worden vanwege hun seksuele geaardheid?
Nederland wijst discriminatie op elke grond af en komt actief op voor de rechten van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender (LHBT) mannen en vrouwen.
Deelt u de mening dat dit type wetgeving in strijd is met tal van internationale verdragen waar Kameroen aan gecommitteerd is? Indien nee, waarom niet?
Ja, een dergelijke wet is in strijd met de Kameroense internationale verplichtingen op het terrein van mensenrechten.
Bent u bereid de Kameroense autoriteiten te wijzen op hun internationaalrechtelijke verplichtingen op het vlak van mensenrechten, nu zij zo duidelijk in strijd handelen met die verplichtingen? Bent u bereid zowel in bilaterale contacten, als via de Europese Unie de Kameroense autoriteiten hierop in heldere bewoordingen aan te spreken en de Kamer hier op korte termijn over te informeren? Indien nee, waarom niet?
De afgelopen maanden heeft Nederland regelmatig gevangenschappen van van homoseksualiteit verdachte personen geagendeerd binnen de EU. Mede hierdoor heeft de EU deze zaken aan de orde gesteld in een demarche en de Kameroense regering op haar internationale verplichtingen gewezen. Nederland zal binnen de EU blijven aandringen op het agenderen van LHBT rechten in de relaties met de Kameroense regering.
Het bericht dat er veel meer q-koortsslachtoffers zijn |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat uit bloedonderzoek van Sanquin blijkt dat het aantal besmettingen met de q-koortsbacterie Coxiella burnetii, ruim tien keer groter is dan eerder door u gedacht?1 Hoe heeft u indertijd zo’n verkeerde inschatting van zaken kunnen maken?
Er is geen sprake van een verkeerde inschatting. Het bloedonderzoek van RIVM-Sanquin maakt schatting van het aantal besmettingen mogelijk. Dat is niet hetzelfde als het aantal ziektegevallen en zeker niet het aantal gemelde ziektegevallen. Voor veel infectieziekten, ook voor Q-koorts, geldt dat slechts een deel van de mensen die geïnfecteerd raakt ook daadwerkelijk ziek wordt. Van de mensen die wel klachten krijgen, zullen velen niet naar de huisarts gaan. Q-koorts wordt alleen gemeld als mensen met klachten de huisarts bezoeken en de huisarts de diagnose laat bevestigen door laboratoriumonderzoek. Er is voor infectieziekten vrijwel altijd een groot verschil tussen het aantal besmettingen, het aantal zieken en het uiteindelijk aantal meldingen.
In hoeverre is de Kamer in deze altijd op tijd van de juiste gegevens voorzien?
Het recente Sanquin – RIVM onderzoek was erop gericht om een nauwkeuriger schatting te geven door het werkelijk aantal besmettingen te relateren aan het aantal meldingen. Ik heb op 16 september 2011 in antwoord op Kamervragen op dit onderzoek gewezen (Tweede Kamer, 2010–2011, aanhangsel 3686).
Waren er in een eerder stadium al tekenen ontvangen vanuit de eigen organisatie of van derden dat er een onderschatting zat in de weergave van de grootte van het q-koortsepidemie? Zo ja, wanneer, met welke inhoud en door wie? Wat is er met deze tekenen gedaan?
Zoals ik heb toegelicht in het antwoord op vraag 1, is er geen sprake geweest van een onderschatting. Het is algemeen bekend dat het aantal gemelde ziektegevallen lager ligt dan het aantal besmettingen.
Er is tijdens de epidemie juist op in gezet om de alertheid van patiënten en artsen over Q-koorts te vergroten, zodat zoveel mogelijk mensen met symptomen konden worden gemeld.
Wat zijn de nieuwste inzichten over de werkzaamheid van het q-koortsvaccin bij geiten?
Op 14 juni 2011 heeft het RIVM een deskundigenberaad belegd over Q-koorts. Door deskundigen is toen vastgesteld dat er tot op dat moment op geen enkele bedrijf abortusproblematiek is gemeld die veroorzaakt is door de Q-koortsbacterie. Onderzoek naar de effectiviteit van de vaccinatie onder de geruimde geiten laat zien dat vaccinatie een sterke reductie van de uitscheiding van C. burnetii geeft. Tevens heeft het lammerseizoen van 2011, door het uitblijven van klinische verschijnselen van Q-koorts bij melkgeiten (abortus), de werkzaamheid van het vaccin in de totale gevaccineerde populatie dieren in de praktijk verder onderbouwd.
Wat zijn de cijfers over nieuwe besmettingen? Waarop zijn deze cijfers gebaseerd en hoe betrouwbaar zijn deze? Zijn deze cijfers van nieuwe besmettingen gecheckt door middel van representatief bloedonderzoek op bloeddonoren waarvan bekend is dat ze eerder nog geen q-koorts hadden?
Het aantal nieuwe besmettingen is niet vast te stellen. Het RIVM publiceert wel maandelijks een update van het aantal meldingen van patiënten met acute Q-koorts. Daaruit blijkt dat in 2011 82 patiënten gemeld zijn tegen 504 meldingen in 2010. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aantal nieuwe besmettingen ook sterk is afgenomen.
Het vaststellen van het aantal besmettingen (infecties) in de bevolking kan alleen door middel van grootschalig onderzoek waarin bij de deelnemers ten minste twee keer bloed wordt afgenomen. Voor een inschatting van het aantal besmettingen kan gebruik worden gemaakt van het onderzoek van Sanquin.
Wat is de directe schade van het q-koortsepidemie betreffende enerzijds medische kosten, gebaseerd op de nieuwste cijfers? Als dit niet bekend is, bent u dan bereid hiernaar onderzoek te doen?
Er is geen landelijke inschatting gemaakt van medische kosten en de economische schade als gevolg van Q-koorts.
De huidige inschatting van het aantal besmettingen dat ten grondslag lag aan het aantal gemelde ziektegevallen geeft geen aanleiding om nu een inschatting te maken van de medische kosten en de gevolgkosten van de Q-koortsepidemie.
Wat is de inschatting van de economische schade die voortkomt uit de q-koortsepidemie naar aanleiding van de nieuwste besmettingsgegevens, (dus schade m.n. doordat mensen niet meer of minder kunnen werken, of overlijden)? Als dit niet bekend is, bent u dan bereid hiernaar onderzoek te doen? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid-nu blijkt dat de aantallen mensen met chronische q-koorts 1 tot 2% van 50 000 besmette individuen bedraagt – een q-koortsfonds in te stellen waar alle q-koortsslachtoffers gebruik van kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Het RIVM en het UMC Utrecht hebben onlangs onderzoek verricht naar het aantal patiënten met chronische Q-koorts. Op basis van dit onderzoek is het aantal patiënten met chronische Q-koorts dat nu door zorgverleners wordt behandeld geschat op 250 patiënten. Dat aantal zal naar verwachting nog oplopen in de komende jaren.
In mijn brief «Visie op schadefondsen» (Tweede Kamer, 2011–2012, 31 765, nr. 5) heb ik mijn standpunt ten aanzien van een Q-koortsfonds toegelicht.
EHEC-besmetting bij herten |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Meerderheid Duitse herten besmet met EHEC bacterie», waaruit blijkt dat het overgrote deel van de Duitse herten en reeën besmet is met de EHEC bacterie?1
Ja. Deze constatering moet wel in het juiste perspectief worden geplaatst. De naam EHEC doet vermoeden dat de genoemde bacteriën ernstige ziekte bij de mens zouden kunnen veroorzaken zoals de EHEC die in Duitsland in het voorjaar van 2011 tot een grote uitbraak leidde. De daarvoor benodigde combinatie van eigenschappen was echter afwezig bij de bacteriën die bij het recente Duitse onderzoek bij herten en reeën zijn gevonden. Dit onderzoek spreekt dan ook over «Shiga-toxine producerende E.coli-bacteriën» (STEC) waarvan de meeste bacteriën geen of een veel minder ziekmakend vermogen hebben.
STEC bacteriën behoren tot de darmflora van veel gehouden en wilde diersoorten en worden ook aangetroffen in het milieu. Het is dus niet verwonderlijk dat er ook bij herten STEC bacteriën gevonden worden. Een klein deel van de STEC is wel in staat om mensen ziek te maken. Als er voldoende monsters worden onderzocht kunnen er daarom vaak wel enkele ziekteverwekkende STEC worden gevonden. Wild vormt daarop geen uitzondering.
Wordt het vlees van herten en reeën uit Duitsland ook in Nederland verhandeld? Zo ja, kunt u aangeven om welke hoeveelheden het gaat, en op welke wijze dit vlees gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van EHEC en andere pathogenen? Zo nee, waarop baseert u dit?
Ja, vlees van hert en ree uit Duitsland komt ook in Nederland op de markt.
Het is niet duidelijk om welke hoeveelheden het gaat. Het vlees wordt conform de geldende EU-regels in Duitsland door de officiële dierenarts onderzocht op mogelijke afwijkingen die het vlees ongeschikt maken voor menselijke consumptie. Als er bij dit onderzoek een verdenking ontstaat op de aanwezigheid van ziekteverwekkers kan aanvullend onderzoek worden verricht. Wildvlees mag alleen nadat het is goedgekeurd op de Europese markt worden gebracht.
Kunt u aangeven op welke wijze de post mortem keuringen van geschoten dieren en hun vlees in Nederland plaatsvindt? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord ten aanzien van de eisen die hieraan gesteld worden en de garanties die deze keuringen bieden voor de volksgezondheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. De keuring na het slachten (post-mortem keuring) van vrij wild vindt plaats conform de Europese hygiëneregels. Meer specifiek conform artikel 5 van Verordening (EG) Nr. 854/2004 van het Europees parlement en de raad van 29 april 2004, houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong. In dit artikel worden de beginselen beschreven van de officiële controles van vers vlees, met inbegrip van vlees van vrij wild. Ten aanzien van de specifieke eisen verwijs ik naar bijlage I, sectie IV, hoofdstuk 8 van dezelfde verordening en het antwoord op de vragen 6 en 7.
Kunt u uiteenzetten of, en op welke wijze, keuringen van geschoten dieren en hun producten plaatsvinden, wanneer jagers deze dieren meenemen voor eigen consumptie of deze rechtstreeks aan particulieren, restaurants of poeliers leveren? Zo ja, kunt u hierbij ook uitleggen hoe de voedselveiligheid en de volksgezondheid worden gegarandeerd? Zo nee, bent u bereid de mogelijkheid te onderzoeken om te komen tot onafhankelijke keuringen waarbij álle (producten van) in het wild levende dieren worden gekeurd op de afwezigheid van pathogenen?
Productie van onbewerkte levensmiddelen voor eigen consumptie (zoals in het wild verzamelde bramen, paddenstoelen, maar ook geschoten wild) zijn uitgesloten van de reikwijdte van de Europese hygiëneregels. De consument heeft een eigen verantwoordelijkheid voor wat betreft de veilige consumptie en bereiding van dit soort levensmiddelen en kan deze ook nemen, aangezien hij volledig op de hoogte is van de «productie» van dit soort levensmiddelen.
Ook de zogenaamde rechtstreekse leveringen vallen buiten de scope van de Europese hygiëneregels.
Deze vallen echter wel onder de Regeling Vleeskeuring (Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 15 december 2005, nr. TRCJZ/2005/3655, houdende regels ter zake van vleeskeuring). In artikel 9 en 9a worden specifieke regels gesteld ten aanzien van rechtstreekse leveringen om de veiligheid van deze producten te waarborgen.
Worden door jagers voorzorgsmaatregelen getroffen (beschermende kleding, handschoenen, ontsmetting van transportmiddelen en honden e.d.) om besmetting met en verspreiding van pathogenen te voorkomen? Zo ja, welke maatregelen zijn dat? Zo nee, bent u bereid dergelijke voorzorgsmaatregelen verplicht te stellen?
Om besmetting met en verspreiding van pathogenen te voorkomen is een aantal zaken van belang, zoals het juist plaatsen van het schot, het hygiënisch ontweiden, gevolgd door transport en koeling. Iedere jager is verplicht een basisopleiding te volgen waarin onder meer een praktijkexamen schietvaardigheid is opgenomen.
Wild dat door jagers aan derden wordt geleverd moet zijn beoordeeld door een Gekwalificeerd Persoon (GP). Om wild ter plaatse aan een eerste onderzoek te kunnen onderwerpen moeten GP’s over voldoende kennis beschikken op het terrein van de pathologie van vrij wild, de productie en het hanteren van vrij wild en vlees van vrij wild.
In samenwerking met de NVWA wordt een opleiding verstrekt om jagers tot GP op te leiden. Daarin komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod:
Ik zie geen reden om extra voorzorgsmaatregelen vast te stellen.
Worden naar uw oordeel consumenten van vlees afkomstig van in het wild levende dieren voldoende beschermd tegen pathogenen, zoals EHEC, Salmonella, Campylobacter, Staphyloccus aureus, Clostridium perfringens, Listeria monocytogenes en Trichinella spiralis? Zo ja, waaraan ontleent u die zekerheid? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen en op welke termijn?
Vlees van wild kan, net zoals vlees van landbouwhuisdieren en andere levensmiddelen, besmet zijn met ziekteverwekkers.
Daarom moet ook het vlees van wild net als alle andere levensmiddelen, voordat het op de markt mag worden gebracht, aan de geldende Europese en nationale hygiëneregels voldoen. Hieronder valt onder andere een eerste beoordeling door de gekwalificeerde jager, de keuring door de officiële dierenarts en specifiek laboratoriumonderzoek zoals bijvoorbeeld het Trichinella-onderzoek bij wilde zwijnen. Als er bij de keuring een verdenking ontstaat op de aanwezigheid van ziekteverwekkers kan aanvullend onderzoek worden verricht.
Daarnaast dient ook de consument van het vlees afkomstig van wild zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Hij dient eventuele (rest)risico’s te vermijden door kruisbesmetting in de keuken te voorkomen en het vlees goed te verhitten bij de bereiding.
Door bovenstaande maatregelen worden de voedselveiligheidsrisico’s in voldoende mate beheerst.
Kunt u aangeven welke risico’s het eten van met ziekmakende bacteriën en parasieten besmet vlees van geschoten dieren uit het wild meebrengt voor de consument? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw antwoord? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u uitleggen wie verantwoordelijk is voor de voedselveiligheid van producten afkomstig van in het wild levende dieren, en wie aansprakelijk is indien consumenten van die producten besmet raken met pathogenen, zoals EHEC, Trichinella spiralis e.d.? Zo ja, kunt u dit aangeven voor de hele keten van jager, (gekwalificeerde) keuringsinstantie, (veterinair) laboratorium, groothandel, restauranthouder/poelier, consument of overheid? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
De verantwoordelijkheid voor de voedselveiligheid van een levensmiddel berust in eerste instantie bij de exploitant van het levensmiddelenbedrijf, dat het levensmiddel produceert of bewerkt. Dit geldt ook voor de productieketen van vlees afkomstig van wild. Bedrijven moeten zich aan de geldende wettelijke hygiëneregels houden. Ook hanteren ze zogenaamde hygiënecodes en/of private voedselveiligheidssystemen om zo veilig mogelijk te produceren. De NVWA houdt toezicht op de hele keten.
Voor wat betreft de aansprakelijkheid wil ik verwijzen naar de artikelen 6:185 en verder van het Burgerlijk wetboek, waarin de kaders zijn opgenomen omtrent aansprakelijkheid voor producten.
Deelt u de mening dat de EHEC-uitbraken van 2011 (en 2012) ernstig waren, en reden vormen om consumptie van met pathogenen besmette producten te voorkomen? Zo ja, bent u bereid de consumptie van vlees van in het wild levende dieren te verbieden, nu blijkt dat dit vlees aangemerkt moet worden als een serieuze bron van besmetting met pathogenen? Zo nee, waarom niet?
Ja, de EHEC uitbraak in 2011 in Duitsland was ernstig. Uitbraken van voedselgerelateerde ziekten kunnen een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Daarom is het nastreven en behouden van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid een van de fundamentele doelstellingen van de Europese levensmiddelenwetgeving. Het voorkomen van consumptie van gecontamineerde levensmiddelen speelt daarbij een belangrijke rol.
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 6 en 7 worden de (microbiologische) risico’s van levensmiddelen afkomstig van in het wild levende dieren net zoals bij vlees van landbouwhuisdieren in voldoende mate beheerst. Ik zie daarom geen aanleiding om de consumptie van vlees van in het wild levende dieren te verbieden.
De bezuinigingen op jongerenwerkers |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
van Veldhuijzen Zanten-Hyllner , Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat in veel gemeentes flink op het jongerenwerk wordt bezuinigd, en in een aantal plaatsen het jongerenwerk zelfs geheel verdwijnt?1
Het is aan het lokaal bestuur om te besluiten wie welke rol vervult en dus ook hoeveel wordt geïnvesteerd in lokaal jongerenwerk.
Erkent u dat jongerenwerk, mits goed uitgevoerd, vaak positieve effecten heeft voor de betreffende jongeren, de ervaren overlast en criminaliteit in de buurt afneemt en de veiligheidsbeleving van buurtbewoners vaak toeneemt?
Het jongerenwerk vervult van oudsher een speciale rol in de relatie jongere, buurt en welzijn.
Het kan een belangrijke rol spelen bij (vroegtijdige) signalering en ondersteuning van jongeren met problemen in de wijken. Problemen thuis en op straat gaan vaak hand in hand. Daarom geldt als uitgangspunt dat de benodigde ondersteuning zo dicht mogelijk bij kinderen en jongeren, in het gezin, op school en in de buurt in samenhang wordt georganiseerd. Ook in de aanpak van problematische jeugd is dit uitgangspunt leidend. Vroegtijdig en stevig ingrijpen voorkomt verder afglijden in hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag. Wij merken daar wel bij op dat inzet van het jongerenwerk een van de interventies is die kunnen worden ingezet, en niet het enige beschikbare middel.
Deelt u de vrees van onderzoeker Witte, gespecialiseerd in jeugd- en veiligheidsbeleid, dat je problemen kunt verwachten als de jongerenwerkers uit de wijken verdwijnen? Zo niet, op basis van welke onderzoeken of ervaringen heeft u een andere mening?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 2 en 4 is het aanbod van jongerenwerk niet het enige relevante aspect bij de aanpak van hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag onder jongeren «op straat». Daarvoor is bijvoorbeeld ook een goede samenwerkende keten van jeugd- en jongerenwerk, politie en openbaar ministerie nodig. Het bevoegde gezag heeft hierin een cruciale rol. Afhankelijk van de lokale speerpunten en problematiek, zal een burgemeester, samen met politie en OM, een plan van aanpak maken op het terrein van jeugd- en jongeren. In een dergelijk plan van aanpak zullen keuzes tot uiting moeten komen als het gaat om in te zetten middelen en capaciteit. Wij hebben er vertrouwen in dat de lokale autoriteiten hierbij tot goede en verantwoorde keuzes komen.
Erkent u dat jongerenwerkers vaak een nuttige buffer zijn tussen de wijkagent en samenleving, zoals criminoloog Ferwerda stelt? Erkent u dat jongerenwerkers met name van groot belang kunnen zijn om te voorkomen dat jongeren van het «hinderlijke» of «overlastgevende» type afglijden naar de criminaliteit, en er bijvoorbeeld voor te zorgen dat meelopende broertjes en zusjes niet hetzelfde foute pad op gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de vrees dat deze forse bezuinigingen op jongerenwerk in veel gemeenten een negatief effect zullen hebben op de ernst en omvang van overlast en criminaliteit? Zo ja, wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 3.
Blijft het kabinet zich op het standpunt stellen dat gemeenten exclusief verantwoordelijk zijn voor het al dan niet inzetten van jongerenwerkers, ook als nu of in de nabije toekomst zou blijken dat door deze bezuinigingen op jongerenwerk overlast en criminaliteit zullen toenemen?
Zoals vermeld in antwoord op vragen 3 en 5 hebben wij er vertrouwen in dat de lokale autoriteiten tot goede en verantwoorde keuzes zullen komen over de inzet van het jongerenwerk en de andere beschikbare middelen voor de aanpak van hinderlijk, overlastgevend en crimineel gedrag onder jongeren. Meer nog dan voor de Rijksbegroting is dat immers in het belang van de betreffende gemeenten zelf.
Erkent u dat een toename van overlast en criminaliteit op de langere termijn veel hogere kosten voor de rijksbegroting met zich mee zullen brengen dan het bedrag dat nu door deze bezuinigingen in de gemeentes wordt bespaard? Welke mogelijkheden ziet u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat, gelet op de stelselwijziging jeugdzorg, gemeenten moeten inzetten op preventie, zoals het jongerenwerk, zodat jongeren geen zwaardere zorg nodig hebben? Zo ja, bent u bereid met de Vereniging Nederlandse Gemeenten te overleggen en afspraken te maken over de inzet van het jongerenwerk in de gemeenten?
Eerdere ondersteuning en zorg op maat is één van de doelstellingen van de stelselherziening zorg voor jeugd. Gemeenten worden verantwoordelijk voor alle vormen van zorg voor jeugd, zowel preventieve ondersteuning als zwaardere vormen van zorg. Doordat regie en financiering naar één bestuurslaag (gemeente) gaan, kunnen gemeenten zelf prioriteiten stellen en is er een stimulans om meer te investeren in preventie.
In het ondersteuningsprogramma dat het rijk samen met de VNG aan gemeenten bieden in de aanloop naar de stelselherziening jeugd zal veel aandacht besteed worden aan de beoogde zorginhoudelijke vernieuwing die onder andere gericht is op versterken van preventie. Het is echter aan de gemeenten om afspraken te maken over de vraag hoe de beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden ingezet. Het behoort niet tot onze verantwoordelijkheden om afspraken te maken met gemeenten over de inzet van jongerenwerk.
Het bericht dat de luchtvaart in rep en roer is door een nieuwe methode van drugssmokkel |
|
André Elissen (PVV), Dion Graus (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Liesbeth Spies (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Mol stopt cocaïne in vleugel»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de levens van de reizigers van deze vlucht ernstig in gevaar zijn gebracht, nu iemand clandestien gesleuteld heeft aan de vleugel van een vliegtuig? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat alleen al het feit dat iemand op deze manier toegang had tot een vliegtuig een ernstig veiligheidsprobleem vormt? Zo nee, waarom niet?
Het feit dat iemand op deze wijze toegang heeft gehad tot een vliegtuig vormt op zichzelf een ernstig veiligheidsprobleem, los van de vraag of de passagiers van deze specifieke vlucht daadwerkelijk risico hebben gelopen.
Wat gaat u doen om de veiligheidssituatie te verbeteren, zodat vliegtuigen voortaan niet langer clandestien gemanipuleerd kunnen worden? Gaat u daarnaast de drugscontrole verder uitbreiden of aanscherpen?
Er zijn verschillende maatregelen van kracht die erop gericht zijn te voorkomen dat onbevoegden toegang hebben tot een vliegtuig. Wereldwijd hebben landen afspraken gemaakt over de beveiliging van luchthavens in het kader van de International Civil Aviation Organization (ICAO). Ook voor Caribisch Nederland is deze ICAO-regelgeving van toepassing. Sinds de wijziging van de status van deze eilanden wordt daar extra geïnvesteerd in de kwaliteit van de beveiliging van de burgerluchtvaart. Daarbij gaat het onder andere om de inzet van extra beveiligingsmiddelen, het opleiden van personeel, het invoeren van antecedentenonderzoeken en het inrichten van het toezicht op de beveiliging van de burgerluchtvaart (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 31 568, nr. 91). De Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) houdt toezicht op onder meer de grondafhandelingsactiviteiten, evenals de naleving van de eisen waaraan gecertificeerd en vakbekwaam luchthavenpersoneel moet voldoen.
De Douane controleert op de aanwezigheid van verdovende middelen. De drugscontrole wordt niet nog verder aangescherpt, nu er reeds sprake is van een 100% controle voor vluchten van en naar de overzeese gebieden van het koninkrijk. Daarnaast wordt alle operationele informatie uit onderzoeken permanent gebruikt om wat betreft controle en opsporing in te spelen op nieuwe trends. Bovendien neemt KLM vanuit haar eigen verantwoordelijkheid bovenop de wettelijk vereiste maatregelen extra voorzorgsmaatregelen om drugssmokkel tegen te gaan.
Ik ben van mening dat het huidige stelsel van maatregelen afdoende is. Dit enkele incident geeft voor mij thans geen aanleiding om in Nederland aanvullende stappen te nemen bovenop de inspanningen die worden verricht in het kader van de transitie van Caribisch Nederland.
Nemen de plaatselijke autoriteiten, waarmee KLM nauw samenwerkt, het geconstateerde probleem voldoende serieus? Zo ja, waaruit blijkt dit? Zo nee, waarom niet en wat gaat u daaraan doen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat het hier om personeel van de luchthaven moet gaan, gezien het vereiste technische inzicht, de tijd en de gelegenheid? Zo nee, waarom niet?
Onder leiding van het Openbaar Ministerie is door de Koninklijke Marechaussee samen met de Douane en de FIOD een onderzoek opgestart. Het onderzoek strekt zich uit tot alle mogelijk betrokken diensten en bedrijven. Betrokkenheid van luchthavenpersoneel wordt hierbij niet uitgesloten. In het belang van het onderzoek kunnen hierover geen nadere mededelingen worden gedaan.
Wat gaat de Koninklijke Marechaussee doen om de dader(s) op te sporen? Welke diensten zullen er nog meer betrokken worden bij het onderzoek?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht 'Hoge boete weerhoudt studenten van master' |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is het beter of slechter voor de Nederlandse economie als studenten afzien van het volgen van een masteropleiding?1
Een bewuste keuze van studenten voor een vervolgopleiding is goed voor de Nederlandse economie. Na afronding van een bacheloropleiding, los van de vraag of dat een hbo of een universitaire bacheloropleiding is, is het van belang dat een student bewust kiest welke vervolgstap voor hem of haar het beste is. De langstudeermaatregel beoogt daaraan bij te dragen. Dus als bachelor-studenten zeggen: «ik weet nog niet zeker of ik wel een masteropleiding wil volgen, ik ga eerst werken», dan vind ik dat een bewuste keuze van de student. Deze studenten kunnen altijd later nog besluiten of ze een masteropleiding willen gaan doen.
In het aangehaalde artikel is een beeld neergezet dat 8% van alle bachelorstudenten door de langstudeermaatregel zou afzien van een masteropleiding. Ik kan mij dat moeilijk voorstellen. Desgevraagd hebben de onderzoekers in alle openheid inzage gegeven in de onderliggende (geaggregeerde) gegevens. Daaruit is de onderstaande tabel samengesteld. De onderzoekers hebben de juistheid ervan bevestigd.
Ja
Ja
82
6%
130
6%
Nee
105
7%
47
2%
Weet niet
196
14%
105
5%
Totaal
383
27%
282
13%
Ja
Nee
388
28%
1 748
78%
Nee
247
18%
89
4%
Weet niet
386
27%
111
5%
Totaal
1 021
73%
1948
87%
Totaal
1 404
100%
2 230
100%
Tabel 1: Gerapporteerde gegevens, bewerking OCW.
Hieruit komt het beeld naar voren dat slechts 2% van de wo-bachelorstudenten nu aangeeft dat ze niet van plan zijn om een master of andere vervolgopleiding te doen én dat dit komt door de langstudeerdersmaatregel. Groter is het percentage studenten dat aangeeft niet te weten of ze een master of andere vervolgopleiding gaan doen én dat dit door de langstudeerdersmaatregel komt (5% van de wo-bachelorstudenten). Nog los van de vraag wat studenten daadwerkelijk gaan doen, geeft deze uitkomst niet het beeld dat de langstudeerdersmaatregel een grote belemmering voor het volgen van een master zou zijn.
Hoeveel economische schade loopt de Nederlandse economie op door de door u gewaardeerde «bewuste keuze» van duizenden jongeren om niet door te studeren?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 1.
Hoeveel werkgevers beschouwen een universitaire bacheloropleiding als een afgeronde opleiding waarmee afgestudeerden een goede baan kunnen bemachtigen?
Op dit moment gaat slechts een zeer beperkt deel van de studenten met een universitaire bachelorgraad de arbeidsmarkt op. Wel is het zo dat tal van studenten met een wo-bachelorgraad een eigen onderneming, studiegerelateerde bijbanen of onderzoeks- of ontwerpopdrachten weten te genereren.
Acht u het voortijdig stoppen met een vwo-opleiding ook een «bewuste keuze», of hecht u er bij andere opleidingsvormen wel aan dat studenten deze voltooien?
Ik hecht er bij alle opleidingsvormen aan dat leerlingen en studenten deze voltooien. Ik ga ervan uit dat leerlingen en studenten ook daaraan hechten. Overigens is de bachelor een aparte opleiding en is er ook in dit artikel geen sprake van het voortijdig stoppen van deze opleiding.
De verlichting op het hoofdwegennet |
|
Liesbeth van Tongeren (GL) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat u voornemens bent om te gaan experimenteren met het doven van de straatverlichting op delen van het hoofdwegennet? Zo ja, kunt u aangeven wat deze experimenten behelzen?
Zoals aangegeven in de begroting zal de verlichting worden uitgezet op (die delen van) wegen waar de intensiteit van het gebruik van de weg dit toelaat. Dit om de budgetbehoefte van het beheer en onderhoud van het hoofdwegennet in balans te brengen met de investeringsambities. Dit sluit aan bij mijn brief van 16 december 2010 waarin ik de Kamer informeer over energiezuinige verlichting op het wegennet en de bewuste afweging die daarbij gemaakt wordt om een object al dan niet te verlichten («aan waar het moet, uit waar het kan»).
Op wegen zonder rijtaakverzwarende omstandigheden wordt de verlichting vanaf de zomer uitgezet tussen 23.00 en 05.00 uur. Uit onderzoek blijkt dat deze maatregel geen aantoonbaar negatief effect op de verkeersveiligheid heeft. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet nodig. Overigens is Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid betrokken bij de validatie van dit onderzoek.
Daarnaast is Rijkswaterstaat momenteel aan het inventariseren op welke delen van het hoofdwegennet en onder welke condities de verlichting verdergaand gedoofd kan worden.
Bent u bekend met de stelling van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid dat het verlagen van een bestaand verlichtingsniveau blijkt te leiden tot een toename van het aantal ongevallen? Houdt u hier bij eventuele experimenten rekening mee, bijvoorbeeld door gebruikmaking van straatverlichting die via sensoren aanspringt als er een voertuig nadert?
Ik ben bekend met de stelling van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid dat het verlagen van een bestaand verlichtingsniveau blijkt te leiden tot een toename van het aantal ongevallen. Bij de vormgeving van de maatregelen wordt de veiligheid daarom kritisch bezien, zoals u ook kunt afleiden uit de beantwoording van vraag 1.
Herinnert u zich dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (I&M) op 23 november 2011 bij de begrotingsbehandeling van I&M meldde dat hij «binnenkort» de eerste resultaten verwachtte van het experiment met ledverlichting langs de A44? Wat zijn die eerste resultaten?
De eindrapportage van de proef met ledverlichting langs de A44 wordt binnenkort verwacht, dan heb ik ook de eerste resultaten.
Herinnert u zich dat de staatsecretaris tijdens diezelfde begrotingsbehandeling van I&M zei dat Rijkswaterstaat «als een bok op de haverkist» zit als het gaat om ledverlichting langs snelwegen? Kunt u aangeven in welke tempo en met welke ambitie u de tienduizenden lichtpunten langs 1200 kilometer Rijksweg van ledverlichting gaat voorzien?
Ja, dat kan ik mij herinneren.
Tijdens het AO Duurzaam van 14 februari 2012 is aan de staatssecretaris gevraagd in welk tempo de uitrol van ledverlichting plaatsvindt. Hierop antwoordde hij dat het tempo varieert van object tot object; dit is afhankelijk van het vervangingsritme.
Dit antwoord is nog steeds geldig. Als armaturen vervangen moeten worden, wordt gekozen voor ledverlichting indien de extra investering binnen 10 jaar wordt terugverdiend en het technisch uitvoerbaar is.
Gesjoemel met tellen van reeën |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Gesjoemel met tellen van reeën»1 en «Reeënjacht ligt aan banden»?2
Ja.
Kunt u bevestigen dat het aantal door Drentse wildbeheereenheden getelde reeën tot 25 tot 30 procent afweek van de in eerste instantie opgegeven aantallen? Zo ja, kunt u uiteenzetten hoe deze situaties hebben kunnen ontstaan? Zo nee, op welke onduidelijkheden in tellingen van reewild is dit bericht dan gebaseerd?
Het is aan de colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies om maatregelen te nemen voor een verantwoord faunabeheer dat is gericht op de instandhouding van een gezonde en evenwichtige doelpopulatie. Het is eveneens de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten om zo nodig handhavend op te treden. De provincies hebben een aantal taken met betrekking tot het faunabeheer neergelegd bij faunabeheereenheden (FBE), maar blijven uiteraard zelf verantwoordelijk voor een verantwoord beleid.
Om die redenen ben ik niet bereid onderzoek in te stellen naar populatiedynamiek of beheermaatregelen.
Deelt u de mening dat het stelselmatig teveel tellen van reewild om op die manier machtigingen te krijgen om extra dieren te kunnen schieten onaanvaardbaar is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u maatregelen treffen?
Ja, het opzettelijk teveel dieren opgeven om er meer te kunnen schieten, vind ik niet aanvaardbaar. Het is echter de verantwoordelijkheid van de Gedeputeerde Staten van de provincies om dit te onderzoeken en in voorkomende gevallen maatregelen te nemen. Zij zijn verantwoordelijk voor het faunabeheer.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre deze onduidelijkheden met betrekking tot het tellen van reeën ook bij andere faunabeheereenheden aan de orde zijn of zijn geweest de afgelopen jaren? Zo nee, bent u bereid om naar aanleiding van de berichtgeving over de Drentse wildbeheereenheden onafhankelijk onderzoek wildbeheereenheden hier naar in te stellen onder de overige?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten hoe wordt gecontroleerd of faunabeheereenheden en wildbeheereenheden het reewild naar waarheid in kaart brengen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat jagers er belang bij hebben het aantal reeën hoger in te schatten om zo meer dieren te kunnen schieten? Zo nee, hoe verklaart u dan het gesjoemel met tellingen van reeën door de faunabeheereenheid Drenthe? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
De specifiek omschreven casuïstiek in Drenthe valt binnen de verantwoordelijkheid van de Gedeputeerde Staten. Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen.
Is het waar dat jagers vanuit eigenbelang er niet bij gebaat zijn de populatie te beheren in lijn met het draagkracht van het gebied, omdat er dan minder aantallen geschoten kunnen worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke consequenties verbindt u hieraan?
Nee, jagers en wildbeheereenheden zijn niet de enigen die faunapopulaties in kaart brengen. Om een gecoördineerde en planmatige aanpak van het faunabeheer te bewerkstelligen is juist de Faunabeheereenheid (FBE) opgericht. In de FBE hebben diverse betrokken maatschappelijke partijen zitting, waaronder natuurorganisaties. Daarmee is de onafhankelijkheid en objectiviteit voldoende gewaarborgd.3
Deelt u de mening dat het in kaart brengen van wildpopulaties niet aan jagers en wildbeheereenheden moet worden overgelaten vanwege de tegenstrijdige belangen zoals blijkt uit het gesjoemel met reewildtellingen? Zo nee, waaraan ontleent u de zekerheid dat wildbeheereenheden het tellen van wild ten behoeve van het bepalen van de afschotaantallen naar waarheid uitvoeren? Zo ja, op welke termijn en wijze gaat u het beleid ten aanzien van tellen van wildpopulaties anders inrichten?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u uiteenzetten hoe de onafhankelijkheid van de telling van andere grote hoefdieren zoals damherten, edelherten en zwijnen gewaarborgd is? Kunt u ook uiteenzetten wat de betrokkenheid van jagers en wildbeheereenheden is bij deze tellingen en hoe belangenverstrengeling van overheidswege voorkomen wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u uiteenzetten in hoeverre het afschot van grote hoefdieren gericht is op blijvende regulering van de populatieomvang en kunt u het succes van een dergelijke strategie duiden aan de hand van de populatieontwikkeling van de afgelopen 5 jaar gerelateerd aan afschotcijfers en uitgesplitst naar diersoort? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uiteenzetten wat de logica is van de gedachte dat de Drentse jagers na het bekend worden van het gesjoemel, in overleg met de Provincie hebben besloten met name de jacht op vrouwelijke dieren aan banden te leggen? Waren er aanwijzingen dat er in verhouding meer op vrouwelijke dieren dan op mannelijke dieren geschoten werd?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u in termen van populatiedynamiek en populatiebeheersing uitleggen wat het beperken van de jacht op vrouwelijke dieren betekent voor de te verwachten aanwas van volgend jaar?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat jagers vaak een geiten- of zeugenpot hebben waarin boetes gestort moeten worden wanneer een jager teveel vrouwelijke dieren schiet, juist omdat jagers vrouwelijke dieren zien als de garantie voor voldoende af te schieten dieren in het volgende jaar? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik ben daar niet mee bekend.
Bent u bereid nader onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de populatiedynamiek van grote hoefdieren in relatie tot de totstandkoming van telgegevens en de rol van de jacht c.q. schadebestrijding met het jachtgeweer daarin? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het ongewenst is dat jagers ook de rollen van dierenteller, dierenpolitieagent, veldwachter, aanklager, rechter en leverancier van de poelier op zich mogen nemen, waardoor belangenverstrengeling op de loer ligt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u deze vermenging van rollen ontvlechten en objectiveren?
Zie antwoord vraag 7.
Inspectie van Nederlandse zeilschepen in Duitsland |
|
Sander de Rouwe (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Weet u dat Nederlandse zeezeilschepen veelvuldig in Duitsland worden gecontroleerd door de Wasserschutzpolizei en dat sommige schepen tot 6 maal toe in evenzoveel maanden zijn geïnspecteerd?
Dat is mij bekend.
Deelt u de opvatting dat de inspectie van buitenlandse zeeschepen een taak is die overeenkomstig de Havenstaatrichtlijn (2009/16/ec) uitgevoerd dient te worden en dat de controles van de Wasserschutzpolizei op het gebied van frequentie, verslaglegging en kennis van de inspecteurs op gespannen voet staan met deze richtlijn?
Ik deel de opvatting dat de inspectie van buitenlandse zeeschepen een taak is die primair overeenkomstig de Havenstaatrichtlijn (2009/16/ec) uitgevoerd dient te worden. Daarnaast kunnen controles op de naleving van de ISPS Code (International Ship and Port Facility Security Code) worden verricht door de lokale bevoegde autoriteit voor maritieme beveiliging, in plaats van door havenstaatcontrole inspecteurs. In Duitsland is de Wasserschutzpolizei de bevoegde autoriteit voor deze controles. Het is niet aan mij om te beoordelen of de praktische uitvoering van deze controles door de Wasserschutzpolizei op gespannen voet staat met Europese regelgeving, dat is aan de Europese Commissie.
Deelt u de opvatting dat de controle op de naleving door schepen van de internationale normen op het gebied van veiligheid en voorkoming van verontreiniging in de eerste plaats de taak van de vlaggenstaat is en dat geschillen tussen landen over de interpretatie van deze normen ook de vlaggestaat aangaan?
Een vlaggenstaat is primair verantwoordelijk voor de controle op de naleving van internationale normen op het gebied van veiligheid, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord1 van schepen onder haar vlag. Daarnaast bestaat het systeem van Havenstaatcontrole, als tweede verdedigingslinie tegen schepen die niet aan de normen voldoen. Het besluit om een schip al dan niet te inspecteren en aan te houden wordt genomen door de havenstaat. In de richtlijn Havenstaatcontrole is bepaald2 dat de vlaggenstaat in geval van aanhouding door de havenstaat in kennis dient te worden gesteld. Geschillen tussen landen over de interpretatie van internationale regelgeving kunnen in diverse gremia en bilateraal besproken worden. Zo heb ik tijdens de transportraad van 22 maart 2012 mijn Duitse ambtgenoot Ramsauer gesproken over deze kwestie (zie ook antwoord 6).
Deelt u de opvatting dat de Nederlandse autoriteiten, in gesprek moeten gaan met haar Duitse counter part over de controles door de Wasserschutzpolizei?
Ja. In Nederland heeft eerst overleg plaatsgevonden met de branchevereniging BBZ. Deze heeft hierna als eerste contact opgenomen met de Duitse inspectiedienst die deze inspecties geïnitieerd heeft, de BSH (Bundesamt fur Seeschifffahrt und Hydrographie). Daarnaast is er vanuit de Inspectie en vanuit mijn maritieme beleidsdirectie meerdere keren contact geweest met de Duitse autoriteiten, tot nu toe zonder resultaat. Daarom heb ik besloten tot het sturen van een brief over deze kwestie aan mijn Duitse ambtgenoot. Zie ook mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de opvatting dat, in het licht van de inspanningen van de Europese Commissie om tot nieuwe wetgeving voor zeilschepen te komen en in het licht van de lopende infractieprocedure van de Europese Commissie tegen de Deense Staat over de interpretatie van internationale normen voor zeilschepen, de Nederlandse vlaggestaat bij de Duitse autoriteiten ten minste zou moeten aandringen op terughoudendheid?
Ja, en dat is ook gebeurd. Zie mijn antwoord op vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het de inzet zou moeten zijn om vόόr begin april, wanneer de schepen richting de Oostzee vertrekken, tot een verstandhouding te komen om te voorkomen dat de zeilschepen onnodig gehinderd worden?
Ja. Hiertoe heb ik een brief aan mijn Duitse collega Ramsauer gestuurd, waarin ik aandring op terughoudendheid en zijn medewerking vraag om te voorkomen dat bij de start van het nieuwe vaarseizoen eind maart, onnodige problemen ontstaan in Duitse havens. Deze lijn heb ik nogmaals onder zijn aandacht gebracht in een bilateraal gesprek tijdens de transportraad 22 maart jongstleden.
Natuursubsidies Reiderwolde en de betrokkenheid van de staatssecretaris |
|
Henk van Gerven (SP) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Waarom is de grond van Reiderwolde goedkoper verkocht (22 000 euro) dan dat het getaxeerd (23 000 euro) is?1 Zijn er aanwijzingen of andere communicaties geweest richting het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) over de hoogte van het bedrag? Zo ja, welke, waartoe en graag een afschrift. Is het gebruikelijk dat BBL in deze orde van grootte op een goedkoper bedrag uitkomt dan getaxeerd? Zo ja, in hoeveel procent van de gevallen?
De verkoopprijs is geheel en al het resultaat van onderhandelingen, waarvoor de taxatie de grondslag vormt. Ik verwijs u hierover ook naar mijn brief van 13 januari 2012 (TK 31 920, nr. 18). Er zijn geen aanwijzingen gegeven richting BBL. Een verschil tussen de verkoopprijs en taxatie van onroerend goed is vrij gebruikelijk. Ik beschik niet over een overzicht van het (relatief) aantal gevallen waarin BBL in deze orde van grootte op een lager bedrag uitkomt dan het getaxeerde bedrag.
Waarom wordt de grond in maart 2007 ongeveer 5 maanden na de verkoop (voor € 22 000, euro op 23 oktober 2006), zo'n 4% duurder opgegeven namelijk op 22 850 euro?
Ik verwijs hiervoor naar mijn brief van 13 januari 2012 (TK 31 920, nr. 18).
Is 9% waardestijging van grond per jaar gangbaar? Is de 9% voor die periode voor natuurgrond in Noord-Oost Groningen normaal, met welke stukken als achtergrond is de 9% waardestijging van de grond aldaar aannemelijk te maken, en wilt u bij de gegevens betreffende dergelijke waardestijging vermelden of dat inclusief of exclusief de betreffende transactie is en graag ook een vergelijking met het jaar daarvoor en daarna?
De Tweede Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd over de grondprijsontwikkelingen met de door DLG opgestelde grondprijsmonitor. In de grondprijsmonitor 2007, die op 26 september 2008 aan de Tweede Kamer is gezonden, is te lezen dat de gemiddelde agrarische grondprijs in de provincie Groningen gerekend over het gehele jaar 2007 ten opzichte van het gehele jaar 2006 met circa 17% is gestegen (van 23 719 euro naar 27 742 euro per ha). De prijsstijging in 2006 ten opzichte van 2005 bedroeg circa 15% (van 20 666 euro naar 23 719 euro per ha). In deze grondprijsmonitor worden de BBL-transacties meegeteld.
Waarom wordt beweerd2 dat het geïndexeerde bedrag van 22 850 euro lager uit zal vallen dan na hertaxatie? Waarop is deze kennis gebaseerd? Is er dan gehertaxeerd? Zo ja, door wie en hoe hoog was deze hertaxatie? Zo nee, waarom wordt dan beweerd dat deze duurder uit zou vallen? Is hier bewijs voor of een reden waarom dit aannemelijk is?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is aangegeven bedroeg de gemiddelde waardestijging in de betreffende periode in de provincie Groningen meer dan het verschil tussen de overeengekomen prijzen.
Nu bij de subsidietoekenning aan Reiderwolde V.O.F met 22 850 euro een ander bedrag is opgegeven en gehonoreerd dan de daadwerkelijk voor de grond betaalde 22 000 euro als basis voor de subsidieaanvraag, hoe vaak is een dergelijke constructie (met een ander bedrag voor de subsidieaanvraag dan het betaalde bedrag) daadwerkelijk voorgekomen bij andere gegunde natuursubsidies in Groningen en in heel Nederland (graag zowel in percentage als in absolute aantallen)?
Omdat dit de algemene systematiek van dat moment was, is een dergelijke situatie vaker voorgekomen. BBL registreert alle transacties maar houdt geen overzichten bij van het verschil tussen verkoopprijs en taxatie. Zoals vermeld in de brief van 13 januari 2012 (TK 31 920, nr. 18) is deze systematiek in 2008 aangepast.
Waren er afspraken tussen de provincie en Reiderwolde V.O.F over de hoogte van het bedrag dat per hectare zou worden opgegeven bij de subsidieaanvraag? Zo ja, wanneer zijn deze gemaakt, wie waren hierbij betrokken en wat behelsden deze en heeft u zich op enigerlei wijze direct dan wel indirect bemoeid met de totstandkoming van de hectareprijs zoals opgegeven in de subsidieaanvraag?
Nee, er waren enkel afspraken gemaakt over de systematiek, zie mijn brief van 13 januari 2012.
Welke betrokkenheid heeft u gehad bij het vaststellen van inrichtingssubsidies en welke actieve aanwijzingen heeft u in deze gegeven richting de ambtenarij?
Er zijn geen aanwijzingen gegeven. De subsidieprocedure voor inrichtingssubsidie in het kader van de Subsidieregeling Natuur (SN) was destijds als volgt. De provincie stelde de kaders vast in het natuurbeheerplan. Daarin zijn onder andere natuurdoelen vastgelegd. Een grondeigenaar kon subsidie aanvragen op basis van het natuurbeheerplan. De subsidieaanvraag werd ingediend bij de Dienst Regelingen. Dienst Regelingen beoordeelde de subsidieaanvraag en vroeg daarvoor advies van de Dienst Landelijk Gebied. Dienst Regelingen was gemandeerd om namens de provincie de beschikking af te geven. De provincie had daarmee geen actieve rol in de vaststelling van de subsidie.
In het kader van het projectplan toeristische recreatieve infrastructuur Ring Blauwe Stad is nog subsidie naar het gebied gegaan (maar niet naar Reiderwolde V.O.F) om daarmee de recreatieve voorzieningen te realiseren voor toeristen, recreanten, nieuwe en huidige bewoners, maar als Staatsbosbeheer het gebied ontwikkeld had, had zij dan de toeristische recreatieve voorzieningen bekostigd, of was dezelfde subsidie in dezelfde hoeveelheid in dat geval naar Staatsbosbeheer gegaan? Kunt u dit toelichten?
Staatsbosbeheer (SBB) ontwikkelt geen gebieden en ontvangt daarvoor ook geen financiële bijdrage. SBB neemt wel, veelal door overname van gronden van BBL, ingerichte en ontwikkelde gebieden in beheer.
Hoe is de natuurfunctie en het natuurbeheer voor de lange termijn gegarandeerd voor het gebied?
Voor het Reiderwolde is de natuurfunctie notarieel voor onbepaalde tijd vastgelegd met sancties op schending van deze verplichting. Dienst Regelingen is van overheidszijde de uitvoerder en houder van deze verplichting. Daarmee is de natuurfunctie privaatrechterlijk geborgd. Verder geldt dat als Reiderwolde onderdeel wordt van de herijkte EHS, de natuurfunctie en het beheer extra zijn geborgd met de afspraken in het Onderhandelingsakkoord decentralisatie natuur over planologische vastlegging van de herijkte EHS en de financiering van beheer.
Op welk moment is besloten dat Reiderwolde voor particulier natuurbeheer gegund zal worden en dat Staatsbosbeheer hier niet voor in aanmerking zou komen, op welke gronden is deze beslissing genomen en is hierbij een kostenvergelijking gemaakt tussen particulier natuurbeheer en ontwikkeling door Staatsbosbeheer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u hier dan duidelijk inzicht in geven? Welke kostenopgaaf/offerte voor natuurontwikkeling en beheer van het gebied heeft de provincie van Staatsbosbeheer ontvangen en kunt u de Kamer hiervan een kopie doen toekomen?
Het besluit is genomen op 29 juni 2006 door Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen. Het besluit paste in het Rijksbeleidskader «Omslag van minder verwerving naar meer beheer» (TK 29 800 XIV, nr. 97), wat als doel had een verdere stimulans te geven aan het particulier natuurbeheer. Van de restantopgave voor verwerving ten behoeve van de Ecologische Hoofdstructuur op 1 januari 2004, werd 60% via verwerving en 40% via beheer gerealiseerd. En daarvan weer 25% via agrarisch natuurbeheer en 75% via particulier natuurbeheer. Het beleidskader bevatte ook een bijlage met afwegingen als hulpmiddel voor de provincies om te bepalen waar het best voor welke beheersstrategie gekozen kan worden. Dit betrof inhoudelijke afwegingen, kosten waren hierin geen afwegingscriterium. De beheersbijdrage is voor alle terreinbeheerders hetzelfde (zie antwoord vraag 11). In tegenstelling tot verwerving wordt bij particulier natuurbeheer de grond niet verworven door het Rijk, maar wordt 80–85% van de waarde vergoed (waardedaling).
Het beleid en de inzet van het toenmalige provinciebestuur waren gericht op het stimuleren van particulier natuurbeheer. Dat blijkt onder andere uit de voor 2005 en 2006 door dat bestuur opgestelde begrotingen. Gedeputeerde Staten hebben destijds, na overleg met de grote natuurorganisaties, een kaart vastgesteld met gebieden die zich zouden kunnen lenen voor particulier natuurbeheer. Op 5 september 2006 hebben Gedeputeerde Staten van Groningen het inrichtingsplan Reiderwolde vastgesteld (met indicatieve begroting). Het inrichtingsplan was kaderstellend voor de inrichting van het gebied. Dat zou zowel voor Staatsbosbeheer als een particulier natuurbeheerder het geval zijn geweest.
Welke beheerskosten zou de overheid aan Staatsbosbeheer betaald hebben als zij dit gebied in beheer had genomen als grote eenheid natuur? Welke beheerskosten wordt aan Reiderwolde V.O.F. in het totaal betaald en hoe verklaart u het verschil?
De provincie heeft het gebied niet aangewezen als «grote eenheid natuur», maar heeft de natuurdoelen bos, moeras en grasland in het gebied vastgesteld. Een beheerssubsidie of andere betaling voor «grote eenheid natuur» is en was dus niet aan de orde.
Het advies van de Commissie voor de Milieu Effect Rapportage over goederenspoor in Oost-Nederland |
|
Jacques Monasch (PvdA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht: «Wacht met MER goederenspoor Oost-Nederland tot noodzaak duidelijker is»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verstandig is om het advies van de Commissie voor de op te volgen en eerst fundamentele vragen over de lange termijn verwachtingen en de keuze tussen modaliteiten?
Naar aanleiding van de door de Kamer aangenomen moties tijdens het debat over het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) heb ik in de Voortgangsrapportage over PHS van 10 oktober 2011 (Kamerstuk 32 404, nr. 55 met bijlage2 aangegeven dat gekozen is voor een parallelle aanpak van de onderzoeken. Tegelijkertijd worden (A) de door uw Kamer gevraagde extra studies uitgevoerd (namelijk: meer inzet van de binnenvaart, meer gebruik van de Betuweroute, en het lange termijn perspectief van het goederenvervoer per spoor), en (B) de MER voor de goederenroutering in Oost Nederland. In par 2.4.7. van de Voortgangsrapportage is aangegeven hoe die studies in samenhang worden gepland en uitgevoerd.
In de opzet van de MER-studie is er rekening mee gehouden dat de uitkomsten van de noodzaak-onderzoeken (A) adequaat meegenomen kunnen
worden in de lopende MER-studie (B). Daarom wordt in de MER zowel onderzoek gedaan naar de effecten van het aantal goederentreinen zoals voorzien in de PHS Voorkeursbeslissing door het Kabinet van juni 2010, namelijk 2 extra goederentreinen per uur en per richting, alsook naar de effecten van 1 goederentrein per uur en per richting, en idem van nul extra goederentreinen.
Daardoor kan de MER, vanaf het moment dat besluitvorming naar aanleiding van de door uw Kamer gevraagde extra onderzoeken (A) heeft plaatsgevonden, daarop op maat gesneden worden voortgezet, en zonder tijdverlies. Die besluitvorming is gepland medio 2012 na bestuurlijk overleg met de regio.
Het advies van de CieMER om de onderzoeken ná elkaar uit te voeren neem ik niet over. Dat zou tot een onnodige vertraging van de MER-procedure leiden, en tot een langere periode van onzekerheid voor de bewoners langs de spoorlijnen van Elst tot Oldenzaal/grens.
Deelt u de mening dat de m.e.r.-procedure moet worden stopgezet en dat hoe dan ook de deadline voor het inbrengen van commentaar voor de m.e.r.-startnotitie ruim na het verschijnen van de resultaten van de voorstudies rond de alternatieven voor de spoorboog bij Deventer moet liggen? Zo nee, waarom niet?
De m.e.r.-procedure behoeft niet te worden stilgelegd, omdat er in de procedure voorzieningen zijn opgenomen om rekening te kunnen houden met tussentijdse beslissing naar aanleiding van de noodzaak-onderzoeken; zie het antwoord op vraag 2. Deze aanpak is ook beschreven in de «Notitie reikwijdte en detailniveau» (de m.e.r.-startnotitie), die al vanaf eind 2011 ter visie ligt; de commentaarperiode op dit document behoeft derhalve niet te worden verlengd. De «voorstudies rond de alternatieven voor de spoorboog bij Deventer» maken juist onderdeel uit van het m.e.r.-onderzoek; als dat deel van het onderzoek gereed is – volgens planning voorjaar 2013 – is er vanzelfsprekend ruime gelegenheid voor inspraak.
Kunt u deze vragen, gelet op de deadline die nu geldt voor het indienen van commentaar op de m.e.r.-startnotitie, vóór 15 maart beantwoorden?
Beantwoording voor 15 maart is helaas net niet gelukt, wel zeer kort daarna.
Zelfdoding onder veteranen |
|
André Bosman (VVD), Jasper van Dijk (SP), Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Ken u het artikel «Zelfmoord? Bij militairen Sst!»?1
Ja.
Is het waar dat uw ministerie noch een andere organisatie cijfers bijhoudt van zelfmoord onder veteranen?
Ja. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt, als enige organisatie in Nederland, gegevens bij over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Het CBS maakt hierbij gebruik van de «melding doodsoorzaak» die is voorgeschreven in de Wet op de Lijkbezorging. Of hierbij sprake is van een veteraan wordt door het CBS niet geregistreerd. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Is het waar dat u geen verhoogd percentage zelfmoorden onder veteranen vermoedt op basis van onderzoek onder oud-Balkangangers? Zo ja, kunt u aangeven waarom u deze missie dermate vergelijkbaar acht met andere Nederlandse missies dat een dergelijke conclusie valt te trekken?
Met mijn brief van 11 mei 2011 (Kamerstuk 27 580, nr. 17) heb ik de Kamer het rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) over Balkan-veteranen aangeboden, getiteld «Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan deployment». Voor dit onderzoek zijn 18 000 (oud) militairen – die op de Balkan zijn ingezet – meer dan tien jaar gevolgd. In deze groep bevonden zich ook militairen die na de missie op de Balkan elders voor missies zijn ingezet. Bij dit onderzoek is geen statistisch significant hoger percentage zelfdoding geconstateerd dan bij een vergelijkbare deel van de Nederlandse bevolking. Het RIVM wijst erop dat de onderzoeksperiode langer is dan die van andere internationale onderzoeken en dat dit onderzoek daardoor meer zeggingskracht heeft gekregen.
Voor de missies naar de Balkan geldt, net als voor andere missies, dat zich bij militairen psychische klachten kunnen ontwikkelen ten gevolge van de uitzending. Dat de situatie in de Verenigde Staten verschilt met die in Nederland kan zijn terug te voeren op verschillen in uitzendduur, verschillen in begeleiding voor, tijdens en na een missie en een andere wijze waarop de zorg voor militairen en veteranen is ingericht.
Kunt u uiteenzetten waarop uw ministerie de opvatting baseert dat een hoger dan gemiddeld zelfmoordpercentage in de VS niet van toepassing is op Nederland «omdat de Nederlandse militaire uitzendingen korter zijn, de begeleiding voor, tijdens en na de missie intensiever is, en de medische zorg anders is ingericht»?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat Defensie een proactieve houding zou moeten hebben bij onderzoek naar gevallen van zelfdoding door veteranen? Zo nee, waarom niet?
Een medewerker van Defensie die kampt met problemen kan zich wenden tot uiteenlopende zorgverleners. Deze zullen hem of haar proberen te helpen de problemen de baas te worden en escalatie van het probleem te voorkomen. Elke defensie-eenheid kent bovendien een Sociaal Medisch Team (SMT) dat de problematiek van de werknemer kan bespreken. Van het SMT maken onder meer de commandant, de bedrijfsarts, de maatschappelijk werker en de geestelijk verzorger deel uit. Preventie, het aanbieden van toereikende zorg en mogelijkheden voor snelle interventie door hulpverleners zijn belangrijke factoren bij het voorkomen van zelfdoding. Wanneer bekend is dat een militair door zelfdoding om het leven is gekomen, zullen hulpverleners en commandanten in overleg met het SMT nagaan of betere hulp mogelijk was geweest. Dit geldt ook voor het LZV indien het een veteraan betreft die via het LZV zorg heeft ontvangen.
In het antwoord op vraag 2 heb ik uiteengezet dat alleen het CBS informatie ontvangt over de doodsoorzaken van in Nederland woonachtige personen. Soms krijgt Defensie informatie over zelfdoding van oud-militairen en veteranen. Deze informatie is echter niet toereikend voor een betrouwbare registratie van zelfdoding. Defensie bestudeert of het mogelijk is om aan de hand van de informatie van het CBS periodiek onderzoek uit te voeren naar zelfdoding bij veteranen.
Deelt u de mening dat het registeren van zelfdodingen van veteranen inzicht kan geven in de mogelijke problematiek van zelfdoding onder veteranen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat met het registeren van zelfdodingen, eventuele oorzaken hiervan kunnen worden achterhaald en op deze manier de voor- en nazorg voor uitgezonden militairen kan worden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u vanaf heden in de jaarlijkse Veteranennota informatie over zelfdoding onder veteranen opnemen?
Indien de studie zoals bedoeld in het antwoord op de vragen 5, 6 en 7 leidt tot inzicht in de mate waarin zelfdoding voorkomt onder veteranen, kan deze informatie vanaf 2013 in de Veteranennota worden opgenomen.
De toerusting en verantwoordelijkheden van gezinsvoogden. |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van de Vara Ombudsman over de macht van gezinsvoogden?1
De uitzending laat zien dat gezinsvoogden in complexe situaties lastige afwegingen moeten maken in het belang van het kind. Daarbij is het van groot belang om ouders maximaal te betrekken bij de uitvoering van de maatregel, ook als die op grond van een rechterlijke uitspraak tegen hun wil wordt genomen.
Wanneer is het tuchtrecht geregeld voor beroepen in de jeugdzorg? Waarom laat het tuchtrecht in de jeugdzorg zo lang op zich wachten? Wat gaat u doen om dit traject te versnellen?
Over de juridische uitwerking van het voornemen om tot een wettelijke regeling te komen, is intensief overleg gevoerd met de Stuurgroep Implementatie Actieplan Professionalisering. Het ging daarbij met name over de wijze waarop de wettelijke verplichting tot registratie zou worden vormgegeven en in het bijzonder om de vraag wie straks verplicht is om zich te laten registreren. Het bleek niet mogelijk te zijn een sluitende domeinbeschrijving te maken of de werkzaamheden van deze professionals waarvoor een registratie vereist is te omschrijven. Het werk van een jeugdzorgwerker of gedragswetenschapper in de jeugdzorg is bijvoorbeeld niet te typeren in de vorm van voorbehouden handelingen, zoals die opgenomen zijn in de Wet BIG. In plaats daarvan is aangesloten bij het begrip «verantwoorde zorg» zoals dat nu reeds is opgenomen in de Wet op de jeugdzorg. Voor een nadere toelichting op deze keuze verwijs ik naar de brief over Kwaliteitsbeleid voor de brede zorg voor jeugd die ik u op 2 april heb gestuurd
Ik ben voornemens u rond het kerstreces een voorstel tot wijziging van de Wet op de jeugdzorg te doen toekomen, waarmee ik de professionalisering van twee beroepen in de jeugdzorg wettelijk wil borgen.
Welke extra scholing en ook eventuele permanente scholing zou een gezinsvoogd of voogd volgens u moeten volgen naast de basisopleiding? Bent u bereid om deze nascholing verplicht te stellen als de jeugdzorg over gaat naar de gemeenten?
Wanneer gezinsvoogden onder verplichte beroepsregistratie vallen wordt ook continue scholing via eisen voor herregistratie ingevoerd. De beroepsregistratie zal deel uit maken van het nieuwe stelsel zorg voor jeugd.
Deelt u de mening dat het gezinsvoogdijwerk een zeer zwaar beroep is, dat nieuwe gezinsvoogden dus voldoende tijd en ruimte moeten hebben om zich goed in te werken, en dat nieuwe gezinsvoogden bijvoorbeeld moeten beginnen met een lagere caseload en regelmatig meelopen met een ervaren gezinsvoogd? Zo ja, hoe gaat u ervoor zorgen dat dit altijd gebeurt? Zo nee, waarom niet?
Ik vind de gezinsvoogdij moeilijk en belangrijk werk waaraan kwaliteitseisen moeten worden gesteld. Mede hierom wil ik twee beroepen in de jeugdzorg professionaliseren via opleiding, registratie, ethische code en tuchtrecht. De Stuurgroep Implementatie Professionalisering in de Jeugdzorg onder leiding van mw. Ella Kalsbeek werkt uit hoe dit in de praktijk kan worden vormgegeven. Het traineeship voor jonge professionals maakt hier onderdeel van uit. Definitieve afspraken zullen hierover moeten worden gemaakt in de gesprekken tussen werknemers en werkgevers in de sector.
Bent u bereid om ervoor te zorgen dat ouders ook de mogelijkheid krijgen om, net als bij het verslag van de Raad voor de Kinderbescherming,een reactie mee te sturen aan de rechtbank als reactie op het hulpverleningsplan van de gezinsvoogd en dat ouders van deze mogelijkheid op de hoogte zijn? Zo nee, waarom niet?
De standaardplannen van aanpak zijn gebaseerd op de Deltamethode, waarvan het uitgangspunt is dat samen met de ouders de problemen aangepakt worden. In het voorbeeld plan van aanpak is daarom plek ingeruimd voor de mening van ouders. Inmiddels wordt op basis van aanvullende werkafspraken ook de mening van pleegouders vermeld. Ouders hebben ook het recht om hun eigen mening aan een rapport of verzoekschrift toe te voegen. Hoewel deze werkwijze al vele jaren gangbaar is, heb ik aan Jeugdzorg Nederland gevraagd deze werkwijze nogmaals onder de aandacht te brengen van de bureaus jeugdzorg.
Kunt u aangeven hoeveel tijd kinderrechters in totaal hebben voor de behandeling van een (gezins)voogdijzaak? Bent u bereid om kinderrechters meer tijd te geven voor de behandeling van zo’n zaak? Zo nee, waarom niet?
Die vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. De Rechtspraak zelf is verantwoordelijk voor het beheer en de kwaliteit van de rechtspraak. Rechtbanken werken met productgroepen. Zaken over gezinsvoogdij vallen in de productgroep civiel. De Raad voor de rechtspraak en de individuele gerechten hebben de mogelijkheid om binnen de categorie zelf te prioriteren en onderscheid te maken in de hoeveelheid te besteden tijd.
Wat gaat u doen om te komen tot een eenduidige en goede klachtenafhandeling in de jeugdzorg, conform de aangenomen motie-Langkamp?2
De door u genoemde motie is op 3 september 2008 door mevrouw Langkamp ingediend naar aanleiding van een debat over bevindingen van de Nationale ombudsman. Op 3 november 2009 heeft mijn ambtsvoorganger u per brief (TK 2009–2010, 31 839 nr. 22) geïnformeerd over de wijze waarop deze motie zou worden uitgevoerd. Vervolgens heb ik u bij brief van 7 oktober 2011 (TK 2011–2012, 31 839 nr. 134) geïnformeerd over de bijstelling van het landelijk beleidskader jeugdzorg 2009–2012, waarin ik de provincies verzoek te komen tot een eenduidige en uniforme klachtafhandeling, conform de handreiking «Goede klachtbehandeling in de jeugdzorg» van de Nationale ombudsman .