Het bericht dat zes op de tien medewerkers niet denkt hun pensioen te halen |
|
Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), van Veldhuijzen Zanten-Hyllner |
|
Wat vindt u van het bericht dat een ruime meerderheid van de zorgmedewerkers zich afvraagt of zij het werk wel kunnen volhouden als ze ouder zijn?1 Wilt u uw antwoord toelichten?
De strekking van het bericht is zorgelijk. Zorgwerknemers doen zeer belangrijk werk. Het is dan ook van belang om ouderen zoveel mogelijk voor de zorg te behouden, met name vanwege hun ervaring, professionaliteit en loyaliteit.
Deelt u de mening dat er alternatief en lichter werk aangeboden moet worden voor zorgmedewerkers die een oudere leeftijd hebben bereikt, denkende aan kwaliteitstoetsing, opleiding, scholing e.d? Zo ja, wat gaat u doen om te zorgen dat oudere zorgmedewerkers lichter en ander werk aangeboden krijgen? Zo nee, waarom niet?
Onlangs heeft het Nivel onderzoek gedaan onder het verplegend en verzorgend personeel naar de wens en mogelijkheden om tot het pensioen door te werken in de zorg. De wens om tot het 65ste levensjaar door te werken is met 40% (een derde weet het nog niet) niet minder dan in de rest van de economie. Wel is men van mening dat daar de werkomstandigheden op afgestemd moeten worden. Het gaat daarbij vooral om een lagere lichamelijke en/of geestelijke belasting2.
De Arbeidsomstandighedenwet biedt het algemeen juridisch kader waarbinnen de werkgever zijn verantwoordelijkheid voor een adequaat veiligheids- en gezondheidsbeleid van de werknemer dient uit te voeren. Werkgevers in zorg en welzijn hebben aangetoond deze verantwoordelijkheid goed aan te kunnen. Zo is de instroom in arbeidsongeschiktheidsregelingen vanuit zorg en welzijn gedaald van 0,9% in 2003 naar 0,4% in 2010. De uittredeleeftijd is sinds 2006 gestegen van 61 jaar naar ruim 63 jaar3.
Uit het onderzoek van het Nivel blijkt dat maatwerk essentieel is om langer doorwerken in de zorg te sturen. Dat geldt overigens niet alleen voor de zorg, maar voor alle bedrijfstakken. Het inzetten op maatwerk wordt nadrukkelijk opgepakt. In steeds meer zorg- CAO’s zijn door sociale partners inmiddels afspraken gemaakt om allerlei generieke (en daardoor weinig efficiënte) regelingen om te zetten in individuele arrangementen. Wel zijn er volgens het Nivel door werkgevers nog slagen te maken om deze individuele arrangementen daadwerkelijk effectief in te zetten.
Vanuit het kabinet wordt dit langs verschillende wegen gestimuleerd. De minister van SZW heeft een Europees Sociaal Fonds-regeling opgezet, gericht op versterking van de duurzame inzetbaarheid bij werkgevers, inclusief zorginstellingen. De Inspectie SZW zet zich de komende jaren extra in voor goede arbeidsomstandigheden met de zogenaamde sectoraanpak zorg en welzijn. Ook wij hebben op dit terrein al beleid inzet, zoals de 12 000 extra fte in de langdurige zorg. Daarnaast ondersteunen we projecten van (groepen van) zorginstellingen op het gebied van duurzame inzetbaarheid. Hiervoor is jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar. Verder ondersteunen we het regionale arbeidsmarktbeleid met € 30 miljoen voor de periode 2012–2015. Versterking van de duurzame inzetbaarheid van zorgmedewerkers is daarbij één van de vijf hoofdlijnen. Volgens Abvakabo FNV zijn tal van de geuite bezwaren over de werkdruk in de zorg gerelateerd aan administratieve lasten. Dat is juist een terrein waarop wij nieuw beleid voeren: beleid gericht op het voorkomen van minutenregistratie en beleid gericht op het komen tot regelarme zorg4.
Deelt u de mening van Abvakabo FNV dat zorginstellingen goed naar hun werkomstandigheden moeten kijken en maatregelen genomen moeten worden tegen de fysieke en geestelijke belasting om de werkdruk tegen te gaan? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen, naast het verminderen van bureaucratie, om de werkdruk te verlagen? Zo nee, waarom niet.
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van het hoge percentage ziekteverzuim van 4.7%? Deelt u de mening dat dit hoge ziekteverzuimpercentage te maken heeft met de hoge werkdruk in de zorg? Zo ja, bent u bereid u nu wel te bemoeien met het verbeteren van arbeidsomstandigheden voor mensen die in de zorg werken. Zo nee, waarom niet?
Het ziekteverzuim in zorg en welzijn is sinds 2003 gedaald van 6,1% naar 4,8% in 2010. Hiermee ligt het ziekteverzuim 0,5% boven het Nederlandse gemiddelde3. 28% van het ziekteverzuim in zorg en welzijn is geheel of gedeeltelijk gerelateerd aan werkdruk5. Als rekening gehouden wordt met het feit dat in de zorg veel vrouwen werkzaam zijn en het veelal om grote organisaties gaat, dan blijkt het ziekteverzuim in de zorg niet hoger te zijn dan in de rest van de economie. Dat neemt niet weg dat gewerkt moet blijven worden aan goede arbeidsomstandigheden om de (tijdelijke) uitval van personeel zoveel mogelijk te beperken. Ook wij zetten daar nadrukkelijk op in. Voor ons beleid gericht op het verbeteren van de arbeidsomstandigheden in de zorg verwijzen we naar de antwoorden op vraag 2 en 3.
Wat heeft u te zeggen over de onzekerheid die zorgmedewerkers hebben over het behoud van hun baan in de geestelijke gezondheidszorg? Geeft u deze mensen garantie op een baan in de zorg? Zo nee, waarom niet?
Alle organisaties moeten, om te kunnen overleven, doelmatig en doeltreffend zijn. Ook organisaties in de geestelijke gezondheidszorg. De zorg is een sector die er primair is om patiënten en cliënten beter te maken en/of te verzorgen. De werkgelegenheid die dat met zich brengt is de resultante van de vraag naar de zorg die vervuld kan worden. Gezien de vraag naar zorg is de werkzekerheid in die sector hoog te noemen.
Door ook de geestelijke gezondheidszorg doelmatig en doeltreffend te maken wordt de betaalbaarheid en het aanbod van de zorg op termijn gediend. Bovendien wordt ingespeeld op de komende schaarste aan personeel.
Wat is uw mening over de klachten die gaan over de managementgekte en de registratie van zorg? Moeten deze mensen nog twee jaar wachten voordat uw experiment regelarme zorginstellingen is afgelopen, voordat zij eindelijk weer met de zorg voor patiënten bezig kunnen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Medewerkers in de zorg hebben met hoofd en hart voor de zorg gekozen. Zij moeten bezig zijn met het verzorgen en verplegen van patiënten, niet met het invullen van onnodige formulieren. Juist met die doelstelling voor ogen zijn wij begin dit jaar gestart met het experiment regelarme instellingen. 28 zorgaanbieders beproeven daarbij op welke wijze meer tijd voor de cliënt kan worden vrijgemaakt door het schrappen van onnodige bureaucratische rompslomp. Deze experimenten hebben een looptijd tot uiterlijk 2014 en worden dan geëvalueerd. Mochten tussentijdse succesvolle uitkomsten zich lenen voor landelijke invoering, dan zullen wij niet schromen dat te doen. Voor ons overige beleid gericht op het terugdringen van administratieve lasten in de zorg verwijzen we u naar de Arbeidsmarktbrief van oktober jongstleden4.
Hoeveel zorgmedewerkers zullen uit de zorg vertrekken, zodra de onregelmatigheidstoeslag vervalt? Wilt u uw antwoord toelichten?
In CAO-onderhandelingen is het kabinet gewoon een buitenstaander. Dat geldt ook voor ons voor wat betreft CAO-onderhandelingen in de zorg. Tot slot willen we u er nog op wijzen dat dit kabinet in het regeerakkoord de zorg heeft ontzien bij de taakstelling voor de arbeidskostenontwikkeling in de collectieve sector over 2011.
Voelt u zich (mede) verantwoordelijk om mensen voor de zorg te interesseren en mensen die er nu werken ook te behouden? Zo ja, wat gaat u doen om de onregelmatigheidstoeslag te behouden bij de cao-VVT onderhandelingen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Fraude met implantaten door tandartsen |
|
Henk van Gerven , Renske Leijten (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat «een aanzienlijk aantal» tandartsen jarenlang kortingen van fabrikanten niet heeft doorberekend aan patiënten? Deelt u de mening van de zorgverzekeraars dat hier sprake is van een economisch delict? Zo nee, waarom niet?1
Van een economisch delict is sprake indien betrokken tandartsen in afwijking van de tariefbeschikkingen van de NZa zoals die golden in de jaren voorafgaand aan 2012 (start experiment vrije prijzen mondzorg) hebben gehandeld. Volgens de tariefbeschikkingen mocht een tandarts aan een patiënt maximaal doorberekenen wat de tandarts zelf voor de inkoop van dat implantaat had betaald. Het is aan de NZa om te beoordelen of de geldende regels worden nageleefd.
Klopt de indruk die in het bericht wordt gewekt dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) aarzelt om onderzoek te doen? Zo nee, gaat de NZa daadwerkelijk onderzoek doen? Zo ja, waarom twijfelt de NZa?
De NZa treedt wel degelijk actief op op het gebied van tandtechniek. Zo is eind 2011 nog een aanwijzing opgelegd aan een tandkliniek die ten onrechte techniekkosten in rekening bracht. De NZa heeft mij bericht dat het boeteonderzoek in deze zaak nog gaande is. Het is wel zo dat de regels van de NZa op grond waarvan tandartsen verplicht waren om maximaal de betaalde en verschuldigde kosten voor tandtechniek bij hun patiënten in rekening te brengen, golden tot 31-12-2011. Sinds 1 januari van dit jaar is het experiment met vrije prijsvorming gestart. Daarnaast richtten deze regels zich tot aanbieders van mondzorg, zoals tandartsen en orthodontisten. Zij waren niet van toepassing op de relatie tussen fabrikanten van implantaten en groothandels voor tandtechniek, waarover in het artikel van NRC wordt gerept. De NZa heeft aangegeven op basis van de nu bekende informatie geen aanleiding te zien om een nader onderzoek in te stellen naar de situatie zoals geschetst in het NRC artikel van 31 maart jl.
Hoeveel van de 1,1 miljoen Nederlanders met tandheelkundige implantaten zijn naar schatting gedupeerd? Om welk bedrag gaat het? Indien u niet over deze gegevens beschikt, bent u dan bereid dit te (laten) onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend hoeveel Nederlanders met implantaten zijn benadeeld en om welk bedrag het zou gaan. Ik ben niet van plan hier onderzoek naar te gaan doen, omdat ik van mening ben dat het doen van dit soort onderzoek het probleem, ook met terugwerkende kracht, niet oplost. Ik kijk liever naar de toekomst en richt me op mogelijkheden om te voorkomen dat consumenten worden benadeeld, ik verwijs u wat dit betreft kortheidshalve naar mijn antwoorden op de volgende vragen.
Is het waar dat fabrikanten tandartsen jarenlang hebben gepaaid met cadeau’s, zoals een CT-scanner t.w.v. 200 000 euro, chirurgische sets of 10 000 euro voor scholing? Bent u bereid onderzoek te doen naar het fêteren en beïnvloeden van tandartsen door de industrie? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend dat tandartsen jarenlang «gepaaid zijn met cadeaus», anders dan de suggesties uit NRC heb ik daar geen signalen voor gekregen. In het algemeen vind ik het goed dat er samenwerking is tussen tandartsen en fabrikanten. Die samenwerking is namelijk van belang voor de continue verbetering van de zorg. Het is echter niet de bedoeling dat die samenwerking doorslaat naar oneigenlijke beïnvloeding. Er is door verschillende onderzoeksbureaus onderzoek uitgevoerd om oneigenlijke beïnvloeding, of gunstbetoon, in de medische hulpmiddelensector in beeld te krijgen. Ik heb de resultaten van die verschillende onderzoeken op dit onderwerp in een brief van 25 november 2011 (TK 2011–2012, 32 805, nr. 4) voor u op een rij gezet. Ik heb daarbij geconcludeerd dat gunstbetoon een weerbarstig onderwerp is dat moeilijk in beeld is te krijgen.
Ik heb in mijn brief van 25 november 2011 ook aangegeven dat ik inzet op zelfregulering door de sector op dit onderwerp. Op 1 januari 2012 is de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH) in werking getreden, die daar invulling aan geeft. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de sector om te zorgen dat deze markt op een behoorlijke wijze functioneert en om eventueel wangedrag van de bedrijven die aan de GMH of voorgaande gedragscodes gebonden zijn (zoals Nobel Biocare) te onderzoeken. Ik ga daarom zelf geen nieuw onderzoek uitzetten naar beïnvloeding van artsen door fabrikanten in de medische hulpmiddelensector.
Wat gaat u ondernemen tegen implantatenfabrikanten zoals Nobel Biocare die tandartsen belobbyen en fêteren? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoeveel tandartsen leggen sinds de invoering van vrije prijzen begin dit jaar een extra winstmarge bovenop bestaande kortings- en sponsorregelingen? Indien u niet over deze gegevens beschikt, bent u dan bereid dit uit te zoeken? Zo nee, waarom niet?
Het is mij niet bekend of en zo ja hoeveel tandartsen een extra winstmarge bovenop bestaande kortings- en sponsorregelingen leggen. De NZa houdt de ontwikkelingen rondom het experiment in de mondzorg nauwlettend voor mij in de gaten en let hierbij ook op prijseffecten. Zoals ik uw Kamer meerdere malen heb geïnformeerd, zal de NZa in juni met haar marktscan Mondzorg komen.
Kunt u een opsomming geven van de verschillende gedragscodes van de industrie die raken aan de contacten met tandartsen en kunt u voor elk van deze codes aangeven in welke mate en op welke wijze zij bindend en afdwingbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Wettelijke regels voor contacten tussen artsen en industrie vind ik niet nodig omdat ik, zoals aangegeven in mijn brief van 25 november 2011 (TK 2011–2012, 32 805, nr. 4) inzet op zelfregulering. In 2011 is door zes koepels van medische hulpmiddelenbedrijven gewerkt aan de GMH2. De GMH is ondergebracht in een stichting, waarbinnen een codecommissie zorg draagt voor advisering en klachtenafhandeling. De klachtenprocedure is zo ingericht dat die openstaat voor iedereen. De GMH wordt onderschreven door deze zes brancheverenigingen, waarmee een groot deel van de Nederlandse medische hulpmiddelenbedrijven, waaronder ook fabrikanten van tandimplantaten als Nobel Biocare, gebonden is aan de normen die in de GMH gesteld zijn. Dit is een flinke stap voorwaarts voor de sector. Voorheen waren er vele verschillende gedragscodes, elk met eigen accenten. Nu er sprake is van één gedragscode voor de medische hulpmiddelenbedrijven is helder welke regels er gelden voor de samenwerking met zorgprofessionals.
Deze code moet nu doorontwikkeld worden door de sector. Belangrijkste punten zijn daarbij dat de code gaat leven, dat de regels wederkerig worden en dat er transparantie wordt betracht over de onderlinge relaties. De door de Leden Van Gerven en Leijten aangehaalde berichten uit NRC laten mijns inziens duidelijk het belang van wederkerigheid zien. Het is belangrijk dat voor alle betrokken partijen helder is welke regels er gelden voor de onderlinge samenwerking. Dat geldt niet alleen voor fabrikanten maar zeker ook voor zorgprofessionals, in dit voorbeeld de tandartsen, en andere zorginkopende partijen als ziekenhuizen en zorgverzekeraars. Ik vind het daarom van groot belang dat ook zij de regels in de GMH onderschrijven. Ik heb dat ook benadrukt tijdens het AO PIP-implantaten op 12 april 2012. Ik vind het daarom wenselijk dat de NMT, samen met andere artsenorganisaties, de gedragscode onderschrijft. Zoals ik tijdens het AO ook aangaf zal ik deze organisaties aanspreken op het onderschrijven van de GMH.
Wat is uw oordeel over het feit dat de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT) geen gedragscode heeft voor contacten van tandartsen met de industrie? Deelt u de mening dat voor tandartsen en andere medische beroepen bindende regels zouden moeten bestaan, eventueel wettelijke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Waarom kiest u ervoor om zakkenvullerij onder tandartsen te legaliseren en te bevorderen door middel van vrije tarieven, in plaats van deze verborgen zorgkosten aan te pakken? Hoe geloofwaardig bent u nog in uw pleidooi voor beheersing van de zorgkosten als u ruim baan geeft aan winstbejag?
Mijn beleid om vrije tarieven voor tandartsen in te stellen heeft geenszins tot doel ruim baan te geven aan winstbejag. Integendeel. Het stelsel is zo ingericht dat transparantie wordt verhoogd waardoor partijen in staat zijn hun rollen op te pakken. Daarvoor is wél nodig dat de diverse partijen hun verantwoordelijkheid nemen. Dit verwacht ik zowel van de patiënten, als van de tandartsen zelf en vooral ook van de verzekeraars. Ik ben er van overtuigd dat dit een betere manier is om uiteindelijk tot een betaalbare gezondheidszorg te komen, dan alleen via overheidsregulering. Om uit de spiraal van steeds meer regels en controle te geraken, is het aanspreken van de verschillende partijen op hun verantwoordelijkheden essentieel. Dit zal ik dan ook blijven doen.
De deal van de staatsomroep met postduivenhouders |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «NPO betaalt ton voor npo.nl»?1
Ja.
Is het nog steeds uw intentie dat het aantal websites van de publieke omroep wordt teruggebracht?
Ja.
Hoe verhoudt de nieuwe website van de staatsomroep zich tot dat streven?
De Nederlandse Publieke Omroep (hierna: NPO) heeft mij ervan verzekerd dat de aankoop van de domeinnaam npo.nl niet zal leiden tot groei van het aantal websites. Wanneer de NPO de site in gebruik zal nemen, zullen hiervoor een of meerdere reeds bestaande sites worden opgeheven.
Is het in deze tijden van bezuinigingen een zinvolle besteding van belastinggeld dat de staatsomroep honderdduizend euro (bijna een kwart miljoen gulden) overmaakt aan de postduivenhoudersorganisatie?
De NPO is een onafhankelijke, zelfstandige organisatie die zelf verantwoordelijk is voor de wijze waarop hij uitvoering geeft aan zijn Mediawettelijke taakopdracht, en voor het beleid en de bestedingen die daarvoor nodig zijn.
Het is natuurlijk wel van belang dat de NPO verantwoord omgaat met de publieke middelen die hem worden toevertrouwd. Daarom legt de NPO jaarlijks verantwoording af over zijn (financiële) activiteiten, onder ander in de Financiële Terugblik en in het Jaarverslag. Het Commissariaat voor de Media houdt daarop toezicht.
De handelswijze van zorgverzekeraar Achmea om het aanleveren van patiëntengegevens door fysiotherapeuten aan derden te verplichten |
|
Renske Leijten , Henk van Gerven |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Wat is uw oordeel over het inkoopbeleid van zorgverzekeraar Achmea, waarmee fysiotherapeuten op straffe van een tariefkorting worden gedwongen om patiëntengegevens aan commerciële bedrijven te verstrekken ten behoeve van de CQ-index? Hoe verhoudt zich dit tot het medisch beroepsgeheim en de privacy van patiënten? Wilt u uw antwoord toelichten?1
Deze vragen hebben betrekking op het inkoop- en contracteringsbeleid van verzekeraars. Verzekeraars zijn privaatrechtelijke instanties. Contractering en eventuele voorwaarden die een verzekeraar of zorgaanbieder in die contracten wil opnemen zijn aan de partijen zelf.
Deze vragen hebben daarnaast betrekking op de privacy van patiënten. Indien privacy in het geding zou zijn zou er een rol liggen voor de overheid. Dat is echter niet het geval. Het meten van de CQ-index betreft patiëntervaringen; er worden geen medische gegevens opgevraagd. Patiënten worden volgens de geldende wetgeving benaderd voor onderzoek. Voor deelname aan de CQ-meting vraagt de fysiotherapeut toestemming aan de patiënt om diens contactgegevens door te geven aan het meetbureau. De patiënt zelf geeft toestemming om hierover benaderd te worden. De patiënt vult vervolgens ook zelf de gegevens in.
Er is dus geen sprake van inbreuk op de privacy. Daarnaast heeft men altijd de mogelijkheid om zich af te melden of niet deel te nemen aan het onderzoek.
De twee bedrijven (Qualizorg en Mediquest) waarvoor bij Achmea gecontracteerde fysiotherapeuten kunnen kiezen om de CQ-meting te laten uitzetten zijn door het Centrum Klantervaring Zorg (CKZ) geaccrediteerd. Qualizorg en Mediquest moeten zich bij het trekken van steekproeven en het verwerken van data houden aan het «Handboek Eisen en Werkwijzen CQ-metingen» dat in beheer is bij het CKZ. In dit handboek staan de richtlijnen (werkwijzen) beschreven die in acht genomen moeten worden bij de toepassing van CQI meetinstrumenten. In het handboek is een specifieke procedure met betrekking tot de beveiliging van bestanden opgenomen (bijlage 00.04 «Beveiliging van bestanden»). Deze procedure is in te zien op de site van het CKZ (www.centrumklantervaringzorg.nl). In die procedure wordt nauwkeurig beschreven op welke manier bestanden moeten worden bewaard en hoe moet worden vastgelegd wie toegang heeft.
Welke zorgverzekeraars stellen het verstrekken van patiëntengegevens aan derden nog meer verplicht aan hun contractanten?
Zoals ik in het antwoord op vragen 1, 3, 4, 6 en 11 heb vermeld is het verstrekken van patiëntengegevens aan derden niet aan de orde.
Hoe verhoudt deze inbreuk op de privacy van patiënten zich tot de juridische criteria «maatvoering» en «noodzakelijkheid»? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel individuen, werkzaam bij bedrijven zoals Qualizorg en Mediquest, krijgen patiëntengegevens onder ogen, en hoeveel van deze individuen vallen onder het medisch beroepsgeheim en het tuchtrecht? Indien u hier geen zicht op heeft, vindt u het niet onwenselijk dat u geen zicht heeft op het verspreiden van patiëntengegevens? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over deze gang van zaken?
De CQ-metingen zijn conform artikel 27 Wet bescherming persoonsgegevens door Qualizorg B.V. gemeld bij het CBP. Het CBP heeft de plicht deze meldingen in een openbaar register bij te houden. Opname in het register is geen verklaring van het CBP dat de verwerking rechtmatig is. De verwerking is door het CBP niet inhoudelijk getoetst. Het blijft de verantwoordelijkheid van degene die meldt om de verwerking op een juiste en volledige wijze te doen.
Het CBP is een onafhankelijke toezichthouder en doet geen uitspraken over lopende of voorgenomen onderzoeken. Het CBP doet dan ook geen uitspraken over deze gang van zaken. Zoals neergelegd in de «Beleidsregels handhaving»2 geeft het CBP prioriteit aan zaken waarbij de toezichthouder het vermoeden heeft van ernstige, structurele overtredingen die veel mensen treffen en waarbij het CBP door de inzet van handhavingsinstrumenten effectief verschil kan maken.
Hoeveel premiegeld gaat er jaarlijks naar leveranciers van CQi-metingen zoals Qualizorg en Mediquest? Wat is hierover uw oordeel?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat dergelijke bedrijven en onderzoeken nutteloze bureaucratie zijn die niet passen binnen het streven naar doelmatige zorguitgaven? Wilt u uw antwoord toelichten?
Nee, ik deel die mening niet. Het uitvragen van geobjectiveerde cliëntervaringen is een waardevol hulpmiddel bij het transparant maken van de kwaliteit van de zorg. De informatie die fysiotherapiepraktijken verstrekken over de kwaliteit van de zorg is afgesproken binnen het transparantieprogramma Zichtbare Zorg, de CQ- meting is daar onderdeel van.
Zou het niet beter zijn om de klachtenafhandeling en de Inspectie voor de Gezondheidszorg te verbeteren in plaats van voor kwaliteit van zorg te vertrouwen op een zorginkoop gebaseerd op dure bureaucratische papierwinkels zoals CQ-metingen en audits? Wilt u uw antwoord toelichten?
De CQ-vragenlijsten worden niet alleen gebruikt voor zorginkoop maar ook voor keuze-informatie voor cliënten en voor toezicht. In het transparantieprogramma Zichtbare Zorg is naar verschillende gebruiksdoelen gekeken en is geprobeerd zoveel als mogelijk de hulpmiddelen te combineren.
Zou het niet beter zijn om fysiotherapeuten elkaar scherp te laten houden op basis van professionele normen in plaats van een systeem van georganiseerd wantrouwen van zorgverzekeraars te hanteren? Wilt u uw antwoord toelichten?
Het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) bepaalt de normen voor kwaliteit. Het KNGF bepaalt ook hoe deze kwaliteit wordt geborgd. Fysiotherapeuten houden elkaar dus ook scherp. In samenspraak met andere stakeholders (patiënten en verzekeraars) kan daarnaast worden bepaald hoe kwaliteit transparant gemaakt zou moeten worden. Een CQ-meting voor patiëntervaringen is één van de opties hiervoor. Deze meting is de afgelopen jaren onderdeel geweest van het Kwaliefy project waarbinnen vanuit ZiZo de afgelopen drie jaar kwaliteitsindicatoren zijn gemeten.
Wat is uw oordeel over de administratieve belasting die door alle kwaliteitsindices, audits etc. aan fysiotherapeuten wordt opgelegd? Op welke wijze wilt u de administratieve belasting van fysiotherapeuten terugdringen? Wilt u uw antwoord toelichten?
Uiteraard vind ik het van belang dat een zorgverlener voldoende tijd kan besteden aan datgene waarvoor hij is opgeleid: het leveren van zorg. Ik begrijp dat het registreren van kwaliteitsgegevens een administratieve belasting is voor fysiotherapeuten. Onder andere om deze administratieve belasting te verlagen heeft in 2011 de uitvraag van kwaliteitsindicatoren plaatsgevonden vanuit de elektronische patiëntendossiers van de praktijken. Partijen hebben dus zelf ook al een slag geslagen in het verminderen van de administratieve belasting voor de zorgverleners.
Ik heb mij verder laten informeren dat Qualizorg ernaar streeft om de administratieve belasting voor een praktijk tot een minimum te beperken. Het enige dat de zorgverlener hoeft te doen is een e-mail adres noteren in het EPD/declaratiesysteem en een toestemmingsvinkje aan te klikken op verzoek van de patiënt. De rest gaat volledig automatisch en kost de zorgverlener dus geen tijd.
Is het waar dat fysiotherapeuten naast het verplicht aanleveren van patiëntengegevens, ook een bepaald bedrag per jaar moeten betalen aan het door Achmea aangestelde bedrijf? Zo ja, is hier naar uw oordeel geen sprake van een vorm van gedwongen winkelnering?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen, waarin u stelde dat er voor 2012 geen verplichting tot aansluiting bij het Elektronisch Patiëntendossier geldt en zorgverzekeraars voor dit jaar nog geen consequenties verbinden aan het niet aangesloten zijn?2 Hoe verhouden deze antwoorden zich tot het contracteerbeleid van Achmea, dat het gebruik van een Elektronisch Patiëntendossier verplicht stelt?
Ja, de antwoorden op deze eerdere vragen herinner ik mij. Ik heb daarin aangegeven dat er voor 2012 nog geen sprake is van een wettelijke eis tot aansluiting op het LSP. Het staat zorgverzekeraars en zorgaanbieders vrij in de contracten afspraken te maken over veilige en gestandaardiseerde elektronische communicatie tussen zorgaanbieders onderling. Hierbij geldt dat zorgaanbieders alleen gegevens beschikbaar stellen als er sprake is van toestemming van de patiënt. Overigens verwijzen zorgverzekeraars bij hun contractering altijd naar de door de beroepsgroep gedragen standaarden en zien de koepels van de zorgaanbieders, die betrokken zijn bij de uitwisseling van medicatieberichten en berichten in het kader van de waarneming huisartsen, aansluiting op het LSP als kwaliteitsnorm voor de beroepsgroep. Het is dus uiteindelijk de beroepsgroep zelf die beslist of aansluiting op het LSP als kwaliteitsnorm voor die beroepsgroep geldt.
Mogen zorgverzekeraars van u in 2013 het uitwisselen van gegevens via het LSP verplicht stellen via hun contracteerbeleid? Wilt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 12.
Wat is de betekenis van «vrije tarieven» in de fysiotherapeutische zorg als deze in de praktijk worden gedicteerd door zorgverzekeraars? Wat is hier vrij aan? Wilt u uw antwoord toelichten?
Dat er vrije tarieven zijn betekent dat de fysiotherapeuten met de zorgverzekeraars onderhandelen over de hoogte van de tarieven. Hierbij kan de zorgverzekeraar voor bijvoorbeeld betere kwaliteit, transparantie of extra service zorg bij bepaalde fysiotherapeuten tegen een hoger tarief contracteren en bij andere fysiotherapeuten een lager tarief.
Zou het niet beter zijn bij het vaststellen van tarieven uit te gaan van de reële zorgbehoefte en praktijkkosten, in plaats van de bedrijfseconomische belangen van zorgverzekeraars? Zo ja, bent u bereid vaste tarieven in te voeren? Zo nee, waarom niet?
De tarieven in de fysiotherapie zijn al geruime tijd vrij gegeven. In de praktijk is te zien dat verzekeraars fysiotherapeuten die extra service of kwaliteit bieden hoger belonen. Het gaat hier om extra service en kwaliteit die aan de patiënt worden geboden. Ik ben niet bereid om vaste tarieven in te voeren. Ik vind het een positieve ontwikkeling dat het bieden van innovatie, kwaliteit en service wordt beloond. Ik wil hier wel benadrukken dat ik het van belang vind dat er transparante informatie over kwaliteit beschikbaar is en blijft voor patiënten. Ik zie daar een rol voor alle betrokken partijen, zowel voor fysiotherapeuten als voor verzekeraars.
De ontvoering van een negenjarig meisje |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Getouwtrek om 9-jarige dochter»?1
Bij brief van 3 april 2012 met kenmerk 2012Z06786 zijn door het lid Bontes (PVV) vragen gesteld over de ontvoering van een negenjarig meisje. Deze vragen worden beantwoord zoals aangegeven in de bijlage2 bij deze brief. In verband met de vertrouwelijke inhoud van de beantwoording, wordt de onderhavige brief alleen per post aan uw Kamer toegezonden.
Zijn er door de Nederlandse Centrale Autoriteit stappen ondernomen om het kind naar Nederland terug te geleiden? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid maatregelen te nemen tegen de Centrale Autoriteit indien blijkt dat er ernstige fouten in de teruggeleidingsprocedure zijn gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Zijn er strafrechtelijke maatregelen genomen tegen de moeder, die zich schuldig heeft gemaakt aan internationale kinderontvoering? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen zijn er ondernomen door politie en justitie en welke stappen zullen nog volgen?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat de uitspraak van de Nederlandse rechter en de Oostenrijkse rechter elkaar hebben gekruist? Zo ja, bent u bereid contact op te nemen met de Oostenrijkse Centrale Autoriteit om duidelijkheid te scheppen in deze ontvoeringszaak?
Zie antwoord vraag 1.
Beroepsziekten |
|
Nine Kooiman |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Is het waar dat de ziekte van Lyme erkend is als een beroepsziekte?
Ja, De ziekte van Lyme is erkend als een beroepsziekte in de zin van het Besluit algemene rechtspositie politie.
Is het waar dat volgens artikel 54a van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP) werknemers recht hebben op smartengeld, indien sprake is van een dienstongeval of beroepsziekte?
Ja, artikel 54a Barp voorziet in een smartengelduitkering indien sprake is van een dienstongeval of beroepsziekte.
Valt de ziekte van Lyme, door de erkenning als beroepsziekte, onder dit artikel?
Ja.
Gekleurde duiven in pasteltinten die te verkrijgen zijn via duivenverhuurservice.nl |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat gekleurde duiven via de website www.duivenverhuurservice.nl ingehuurd kunnen worden voor het opleuken van feesten en partijen?
Ja.
Kunt u uiteenzetten of er wettelijke beperkingen zijn gesteld aan het verven van dieren, zoals deze duiven die leverbaar zijn in de kleuren zachtroze, lichtblauw, mintgroen, zachtgeel en lavendel paars? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke beperkingen zijn er gesteld?
Er zijn in Nederland geen specifieke wettelijke bepalingen vastgesteld aan het verven van dieren. In artikel 36 van de Gezondheid- en welzijnswet voor dieren is een verbod op dierenmishandeling opgenomen. Op grond van dat artikel kan worden opgetreden tegen situaties waarin de gezondheid en het welzijn van dieren onnodig wordt geschaad.
Bent u bekend met de mogelijkheid om als extra accessoire een fluitje in de staart van de te verhuren duiven te laten monteren, waardoor zodra de duiven uitvliegen een luchtstroom gecreëerd wordt die het fluitje activeert waardoor er «prachtige en mystieke fluittonen» ontstaan?
Ja. De optie staat nu echter niet meer op de website. Navraag leert dat er weinig tot geen vraag was naar deze optie.
Deelt u de mening dat het welzijn van de betreffende duiven onder invloed van de gemonteerde fluitjes aangetast wordt?
Ik sluit niet uit dat de duiven tijdelijk een licht ongerief ervaren.
Deelt u de mening dat dergelijk vermaak met dieren, waarbij de intrinsieke waarde en eigenschappen van het dier worden aangetast, aan banden zou moeten worden gelegd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u daar invulling aan geven?
Zoals ook aangegeven in de nota dierenwelzijn en diergezondheid dient het belang van het dier te worden afgewogen tegen andere belangen, waaronder het belang van het uitoefenen van bepaalde activiteiten met dieren ter vermaak. Ik heb op dit moment geen aanwijzingen dat sprake is van een dusdanige aantasting van het welzijn of de gezondheid van het dier dat hiertegen opgetreden zou moeten worden.
Onveilige software in pacemakers |
|
Wassila Hachchi (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de publicatie over onveilige software in pacemakers?1
Ja.
Bent u bekend met het gebruik van Supervisory Control and Data Acquisition (SCADA) in medische technologie zoals pacemakers en insulinepompen in Nederland?
Ja.
Hoeveel human SCADA-apparaten zijn er geïmplanteerd in patiënten in Nederlandse ziekenhuizen en klinieken? Wat zijn de gezondheidsrisico’s hiervan?
Er is geen centrale registratie van medische technologie met SCADA (Supervisory Control And Data Acquisition). In Nederland is dan ook niet bekend hoeveel medische hulpmiddelen – waaronder implantaten – gebruik maken van een dergelijk systeem. In mijn brief aan de Kamer d.d. 27 maart 2012, heb ik u geïnformeerd over het voornemen van een centrale registratie in Europa van implantaten en mogelijke complicaties. (Kamerstuk 32 805, nr. 7)
Bij navraag geeft Medtronic – één van de in de publicaties genoemde bedrijven – aan dat Medtronic tot op heden wereldwijd van patiënten of zorgverleners nog nooit meldingen heeft ontvangen over ongewenste draadloze manipulaties van insulinepompen en pacemakers.
Welke veiligheidseisen worden er gesteld aan de toepassing van human SCADA? Hoe beoordeelt u deze?
Voor medische hulpmiddelen die software in zich hebben of die medische software
op zichzelf zijn, moet de software worden gevalideerd volgens de actuele stand van kennis en wetenschap rekening houdend met de beginselen van ontwikkelings- en levenscyclus, risico beheer, validatie en verificatie (Annex I MDD, 12.1 a).
De noodzaak om alert te zijn en in te spelen op veiligheidskwesties is aldus impliciet deel van de verplichting van de fabrikant van een medisch hulpmiddel.
Moet er melding worden gemaakt van human SCADA-producten waarvan is aangetoond dat deze zwakheden/kwetsbaarheden in de beveiligingssoftware bevatten die tot gezondheidsrisico's voor de drager kunnen leiden? Zo ja, bij wie? Wordt deze melding openbaar gemaakt? Wordt er ook toezicht gehouden op de kwaliteit van human SCADA?
Ja, na markttoelating van een medisch hulpmiddel is het van groot belang om te vervolgen hoe het hulpmiddel functioneert in de praktijk (Post Market Surveillance). Daartoe moet de fabrikant blijven nagaan of het hulpmiddel doet wat het beoogt te doen en welke complicaties en bijwerkingen optreden bij langer gebruik en bij grotere groepen gebruikers. Zo geeft Medtronic aan dat het continu de veiligheid van haar devices blijft beoordelen.
Als er kwetsbaarheden aan het licht komen, zal Medtronic direct bekijken of additionele veiligheidsmaatregelen geïmplementeerd moeten worden, zonder de therapie van patiënten te beïnvloeden. Voor de hoogrisicoklassen medische hulpmiddelen (bijvoorbeeld implantaten) moeten afwijkende bevindingen worden gemeld aan de certificerende Aangemelde Instantie of ten algemene bij de bevoegde autoriteit in Nederland: de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).
Meldingen bij een aangemelde instantie zijn niet openbaar. De certificerende aangemelde instantie moet (blijven) nagaan of een medisch hulpmiddel waarvoor een certificaat is afgegeven nog voldoet aan de essentiële eisen.
Bent u van mening dat er op het moment voldoende wettelijke waarborgen zijn om te voorkomen dat producenten gezondheidsrisico's voor hun klanten creëren door het blijven verkopen en niet terugroepen van human SCADA-apparaten waar niet-gepubliceerde kwetsbaarheden in aanwezig zijn?
In mijn brief d.d. 27 maart 2012, heb ik mijn voornemens voor aanscherpingen binnen het huidige wettelijke regime aan u kenbaar gemaakt. (Kamerstuk 32 805, nr. 7)
Deelt u de mening dat wettelijk afgedwongen dient te worden dat human SCADA-producten pas na een nader te bepalen certificeringstraject voor hun beveiligingssoftware verkocht mogen worden op de Nederlandse markt en gebruikt mogen worden in medische toepassingen in Nederland?
Voor medische hulpmiddelen uit de hoogrisicoklassen is al sprake van een certificeringstraject door de aangemelde instanties aan de hand van de essentiële eisen uit de Europese richtlijn voor medische hulpmiddelen.
Het bericht 'De gasmeter liegt straks niet meer' |
|
Marieke van der Werf (CDA) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De gasmeter liegt straks niet meer»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de meetcode vanaf volgend jaar wordt veranderd en dat daarmee de oneigenlijke gaswinsten van energiebedrijven tot het verleden gaan behoren?
In mijn brief aan uw Kamer van 14 september 20112 heb ik bericht over de voortgang van het codewijzigingstraject waar administratieve temperatuurcorrectie deel van uitmaakt. De NMa doorloopt hiervoor de wettelijke procedure, met inachtneming van artikel 12c, tweede lid, van de Gaswet. Het is hierbij van belang onderscheid te maken tussen de vaststelling en de inwerkingtreding van de codewijziging met betrekking tot temperatuurcorrectie en lekverliezen gas. Op korte termijn zal de NMa een ontwerpbesluit publiceren en, na een wettelijke terinzageperiode van 3 maanden, medio 2012 het besluit definitief vaststellen. De NMA streeft er vervolgens naar de maatregelen zo snel mogelijk in te voeren. Van de NMa heb ik begrepen dat verwacht wordt dat de definitieve inwerkingtreding later ligt dan 1 januari 2013.
Immers, de NMa dient rekening te houden met het feit dat partijen in de gelegenheid moeten worden gesteld zich aan te passen aan de nieuwe regelgeving. Nadat de gehele besluitvormingsprocedure is doorlopen, zal de NMa een definitief standpunt over de inwerkingtreding kunnen innemen.
Deelt u de mening dat oneigenlijke gaswinsten voor zowel burgers, energiebedrijven en overheid niet wenselijk zijn?
Door de verdiscontering van meetwinsten in levering- en transporttarieven ondervindt een gemiddelde consument geen financieel nadeel en worden er ook geen extra winsten gemaakt door bedrijven. Maar doordat «de gemiddelde consument» niet bestaat, zijn er huishoudens die teveel betalen en huishoudens die te weinig betalen. Hier is sprake van kruissubsidiëring tussen groepen afnemers. Dit betreft dus een verdelingsvraagstuk. Het voortbestaan van deze situatie acht ik ongewenst.
Bent u op dit moment van mening dat de ingangsdatum van 1 januari 2013 gehaald gaat worden? Zo nee, om welke redenen wordt deze datum niet gehaald?
Zie antwoord vraag 2.
Werken de energiebedrijven goed mee in dit traject of zijn er bedrijven die het proces tegenwerken? Als dit het geval is, kunt u dan bekendmaken welke bedrijven dit zijn zodat dit via «naming and shaming» voor de consument duidelijk is?
Zoals in voornoemde brief aan uw Kamer aangegeven zijn netbeheerders en de representatieve organisaties eerder niet in staat gebleken om over dit voor consumenten belangrijke onderwerp tijdig overeenstemming te bereiken. De NMa heeft nu de stap genomen om zelf een besluit op te stellen. Mijn informatie is dat partijen hier constructief aan meewerken.
Illegale prostitutie in massagesalons |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «PvdA: Onderzoek naar illegale prostitutie in massagesalons»?1
Ja.
Kent u signalen van illegale prostitutie in massagesalons in andere steden dan Amsterdam? Zo ja, waar bestaan die signalen uit? Geven die signalen aanleiding om te veronderstellen dat er sprake is van een wijder verbreid en structureler probleem? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Ja. Er heeft bijvoorbeeld in 2011 een controleactie plaatsgevonden bij een Chinese massagesalon in Den Haag, waarbij seksuele dienstverlening is geconstateerd. De signalen over prostitutie in massagesalons zijn voor mij reeds aanleiding geweest om een onderzoek naar mensenhandel in de Chinese beautybranche in te stellen. Dit onderzoek zal naar verwachting rond de zomer zijn afgerond.
In hoeverre veroorzaken strengere regelgeving en strakker beleid ten aan zien van prostitutie dat de illegale prostitutie zich verplaatst of uitbreidt naar andere delen van een stad of naar sectoren als massagesalons, nagelstudio’s, schoonheidssalons of sauna’s?
Het is bekend dat bij een strikte regulering van de prostitutiebranche er een verplaatsing van prostitutie naar andere inrichtingen en locaties plaatsvindt. Om deze reden voorziet het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche, dat thans bij de Eerste Kamer voorligt, in een zo goed mogelijk sluitend systeem waarbij niet alleen prostitutiebedrijven maar alle seksbedrijven, dus ook massagesalons waar seksuele diensten worden aangeboden, aan een vergunningplicht worden onderworpen. Indien deze bedrijven niet over een vergunning beschikken kunnen zij gesloten worden. Ook de in het wetsvoorstel voorgestelde registratieplicht voor prostituees vormt een maatregel die in dit verband van belang is. De registratieplicht in combinatie met de algehele vergunningplicht ondervangt de verschuiving naar het deel van de prostitutiebranche dat thans nog niet gereguleerd is.
Bent u bereid economische sectoren die voor een groot deel gebruikt worden voor criminele doeleinden vergunningplichtig te maken en onder het regime van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) te brengen? Zo ja, is er aanleiding om dat voor massagesalons te doen? Zo nee, waarom niet?
Het wetsvoorstel regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche voorziet in een vergunningplicht voor seksbedrijven. Daarmee vallen ook massagesalons en andere bedrijven, wanneer daar seksuele diensten worden aangeboden, onder de vergunningplicht van die wet. Bij de procedure in het kader van een vergunningaanvraag voor een seksbedrijf kan de Wet Bibob betrokken worden. Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden genoemd in artikel 3 van de Wet Bibob.
Het bericht dat Europa de bijzondere positie van de Nederlandse zorgverzekeraar in het verzekeringsstelsel erkent |
|
Margreeth Smilde (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorgverzekeraar haalt opgelucht adem in EU»1 waarin wordt beschreven dat Europa de bijzondere positie van de Nederlandse zorgverzekeraar in het verzekeringsstelsel erkent?
Ja.
Deelt u, net als de zorgverzekeraars, de mening dat het een stap in de goede richting is dat het Europees Parlement heeft aangegeven voor de Nederlandse zorgverzekeringsmarkt een uitzondering te wensen?
Ja.
Is het waar dat nu over de exacte invulling van die uitzonderingspositie in Europees verband verder moet worden onderhandeld? Zo ja, wat zal dan de inzet zijn van het kabinet bij die onderhandelingen over de concrete invulling van de nieuwe solvabiliteitseisen?
Ja, het is waar dat over exacte invulling van de uitzonderingspositie voor Nederlandse zorgverzekeraars in Europees verband nog verder moet worden onderhandeld. De inzet van het kabinet bij deze onderhandelingen is om een afslag op de Europese solvabiliteitseis voor Nederlandse zorgverzekeraars te realiseren die recht doet aan de risicomitigerende werking van het Nederlandse risicovereveningssysteem.
Deelt u de mening dat elke zorgeuro zo goed mogelijk besteed moet worden? Kunt u aangeven hoe wordt gewaarborgd dat er door een verdere solvabiliteitsopslag niet onnodig geld op de plank moet blijven liggen, waardoor dat (mogelijk) resulteert in een verhoging van de premie?
Ja, ik deel de mening dat elke zorgeuro zo goed mogelijk moet worden besteed. Het aanhouden van een solvabiliteitsbuffer dient ter bescherming van de verzekerden en is als zodanig een goede besteding. Een zorgverzekeraar bepaalt zelf hoe hij omgaat met een verdere verhoging van de solvabiliteitseis. Hierbij kunnen concurrentieoverwegingen een rol spelen. Zo kan een zorgverzekeraar deze extra benodigde buffer financieren uit zijn resultaten, en hoeft hij niet automatisch over te gaan tot een premieverhoging.
Kan het ook zo zijn dat het nu voor nieuwe toetreders aantrekkelijker wordt om toe te treden tot de Nederlandse markt?
Nee, het wordt niet per se aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse zorgverzekeringsmarkt omdat voor zorgverzekeraars ook in de huidige situatie een afslag geldt op de solvabiliteitseis en er dus al rekening wordt gehouden met het risicomitigerende karakter van het Nederlandse risicovereveningssysteem. Bij de beslissing om toe te treden spelen overigens ook andere factoren en overwegingen een rol. Binnenkort stuur ik de Kamer een rapport dat de Nederlandse Zorgautoriteit onlangs heeft opgesteld over de toetredingsmogelijkheden voor zorgverzekeraars.
In hoeverre moet De Nederlandsche Bank (DNB) nu bevoegdheden – bijvoorbeeld met betrekking tot het stellen van solvabiliteitseisen – overdragen aan de European Insurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA)? Heeft EIOPA naar uw inschatting voldoende kennis in huis om de Nederlandse markt te beoordelen?
Of de EIOPA of de nationale toezichthouder (in het geval van Nederland: De Nederlandsche Bank) uiteindelijk de bevoegdheid krijgt om de hoogte uit te rekenen van de afslag op de Europese solvabiliteitseis waar Nederlandse zorgverzekeraars recht op hebben, is nog niet beslist. In het voorstel tot aanpassing van Solvency II van de Raad van Ministers is opgenomen dat EIOPA de berekening maakt, terwijl het Europese Parlement en de Europese Commissie opteren voor de nationale toezichthouder. De komende tijd zullen deze drie partijen hierover verder onderhandelen. Mocht EIOPA uiteindelijke deze bevoegdheid toebedeeld krijgen, dan zullen zij bij de uitoefening hiervan een beroep moeten doen op de expertise en de gegevens die De Nederlandsche Bank levert over het Nederlandse risicovereveningssysteem.
Het bericht dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) pleit voor een apart invoedingstarief voor decentrale energieopwekking) |
|
Esmé Wiegman-van Meppelen Scheppink (CU) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «NMA pleit voor apart invoedingstarief decentrale opwekkers»?1
Ja.
Hoe moet dit pleidooi worden gezien in het licht van eerdere vragen over dit onderwerp, waarin staat dat «In gesprekken heeft de NMa wel medegedeeld dat de NMa het onderwerp laat rusten totdat op politiek niveau een aantal besluiten genomen is.», alsmede «De onderwerpen die in deze vragen worden geadresseerd, vergen een brede beleidsmatige beschouwing gevolgd door een politieke afweging»?2 Mag uit het feit dat de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) opnieuw invoering van een invoederstarief bepleit, worden geconcludeerd dat er inmiddels op politiek niveau een aantal besluiten genomen is en dat de noodzakelijk geachte «brede beleidsmatige beschouwing» en «politieke afweging» plaatsgevonden hebben? Op welke wijze en wanneer zijn deze besluiten en het resultaat van de genoemde beleidsmatige beschouwing aan de Kamer beschikbaar gesteld?
De beleidsmatige beschouwing naar de effecten van de invoering van een producententarief is nog niet afgerond. In het Energierapport 2011 is aangekondigd de mogelijkheden te willen verkennen om in Nederland de kosten van het net op een meer evenwichtige wijze te verdelen tussen producenten en afnemers. Daarbij is de invoering van een producententarief nadrukkelijk genoemd. Aanleiding hiervoor was de verwachting dat Nederland de komende jaren een netto-exporteur van elektriciteit wordt, maar dat buitenlandse afnemers niet of maar in beperkte mate bijdragen aan de kosten van de hiervoor noodzakelijk netverzwaringen. Naar aanleiding hiervan heeft de Kamer een motie aangenomen waarin zij de regering verzoekt de effecten te onderzoeken van de verhoging van het Landelijk Uniform Producententarief (hierna: LUP) op de elektriciteitsprijs, investeringsprikkels, verduurzaming van de energieproductie en decentrale energieopwekking (motie Wiegman)3. Dit onderzoek naar de effecten van de invoering van een producententarief in Nederland is inmiddels gestart en zal voor de zomer worden afgerond. De vraag naar de effecten op de concurrentiepositie van Nederlandse producenten van de verhoging van het LUP of de invoering van een producententarief maakt onderdeel uit van dit onderzoek.
Naar aanleiding van een uitspraak van het CBb4 waarin het college de NMa verbiedt om de kosten van decentrale invoeding van elektriciteit in de transporttarieven voor de afname van elektriciteit mee te nemen, wordt in dit onderzoek ook gekeken naar de mogelijkheid om een deel van de transportkosten die worden veroorzaakt door decentrale invoeding te laten betalen door de producenten die zijn aangesloten op regionale netten en wat de effecten hiervan zijn. Een tarief voor alleen decentrale producenten wordt niet overwogen en ook niet nader onderzocht. Wanneer er geen onderscheid wordt gemaakt tussen centrale en decentrale invoeding zal het level playing field binnen Nederland niet veranderen.
Welke inzichten heeft genoemde «brede beleidsmatige beschouwing» opgeleverd ten aanzien van eerder onderkende complicaties van het introduceren van een invoederstarief voor decentrale producenten? Hoe zit het bijvoorbeeld met de financiële gevolgen voor reeds gerealiseerde en operationele projecten, waarbij met een eventueel invoederstarief geen rekening is gehouden, alsmede voor de hoogte van daaraan toegekende overheidssubsidies? Hoe staat het in dit verband met het level playing field binnen Europa, dat er in het verleden toe heeft geleid dat het Landelijk Uniform Producententarief (LUP) op nul is gesteld?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat decentrale producenten van elektriciteit in bepaalde gevallen en omstandigheden netkosten kunnen besparen, zodat een invoederstarief voor decentrale producenten juist in strijd is met het kostenveroorzakingsprincipe?
In Nederland worden de kosten van het hogere net – afhankelijk van het gebruik van dit hogere net – doorberekend in de kosten van het lagere net. Bij decentrale invoeding wordt er minder elektriciteit afgenomen van het hogere net. Hierdoor bespaart de netbeheerder de kosten van het gebruik van dit hogere net. Hier staat tegenover dat een netbeheerder zijn net vaak zal moeten verzwaren en dus investeringen zal moeten doen om decentrale invoeding van stroom in zijn net mogelijk te maken. Dit speelt vooral daar waar er relatief veel decentrale productie en relatief weinig afname van elektriciteit is. Netten moeten dan over een grotere afstand worden verzwaard om deze stroom af te voeren. De NMa start op korte termijn een onderzoek naar de mogelijke besparingen als gevolg van decentrale invoeding in relatie tot de kosten van decentrale invoeding. Dit onderzoek zal voor het einde van dit jaar worden afgerond.
Waarom zouden decentrale elektriciteitsproducenten wel via een invoederstarief moeten bijdragen aan (eventueel) voor hen noodzakelijke investeringen in de netwerken en centrale elektriciteitsproducenten niet, zoals het artikel lijkt te suggereren? Hoe staat dit pleidooi van de NMa in verhouding tot bijvoorbeeld investeringen in nieuwe hoogspanningslijnen vanuit de Eemshaven? Hoe staat dit voorstel in verhouding tot het noodzakelijke level playing field tussen centrale en decentrale elektriciteitsproducenten?
De uitspraak van de NMa is gedaan bij de presentatie van een gewijzigd reguleringsbesluit voor regionale netbeheerders. Dat de NMa hierbij uitsluitend spreekt over invoedingstarieven op regionale netten, heeft te maken met de scope van die specifieke besluiten en impliceert dan ook niet dat eventuele wijzigingen in het reguleringskader zich tot uitsluitend regionale netten zullen beperken.
Zoals aangegeven kijkt het onderzoek van het ministerie van EL&I naar de effecten van de verhoging van het LUP – dus een producententarief voor centrale producenten – en naar de effecten van een producententarief voor alle producenten in Nederland. Een tarief voor alleen decentrale producenten wordt – zoals hiervoor al aangegeven – niet overwogen en ook niet nader onderzocht.
Zolang er geen onderscheid wordt gemaakt tussen centrale en decentrale invoeding, zal het level playing field tussen decentrale en centrale opwekking niet veranderen.
Bovendien wordt in het onderzoek uitgegaan van een level playing field tussen bestaande en nieuwe producenten. Dit betekent, dat op voorhand geen effect op de SDE+ behoeft te worden verwacht.
Wat zijn de consequenties van invoering van een transporttarief voor decentrale, duurzame elektriciteitsproductiemiddelen die worden gestimuleerd in het kader van de regeling voor subsidieregeling duurzame energie (SDE+)? In hoeverre leidt invoering van een transporttarief tot een verhoging van de kosten van dergelijke projecten? Wat is de invloed op de hoogte van het budget voor de SDE+- en/of op het aantal projecten dat aanspraak kan maken op deze regeling?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer worden de resultaten verwacht van het onderzoek naar de mogelijkheid van een invoederstarief door uw ministerie, waarvan de NMa aan het slot van het artikel gewag maakt?
Dit onderzoek zal voor de zomer worden afgerond.
Op welke wijze is geborgd dat de proeftuinen die tot stand zijn gekomen in het kader van het Innovatie Programma Intelligente Netten optimaal bijdragen aan een verlaging van de kosten van netinpassing van decentrale en centrale elektriciteitsproductiemiddelen?
De proeftuinen intelligente netten hebben een functie in het leren over de mogelijkheden van intelligente toepassingen in het licht van een bredere maatschappelijke kosten/baten analyse. Hierbij spelen verschillende vraagstukken een rol, waaronder de inpassing van decentrale opwekking en opslag van energie. De proeftuinen, die elk een verschillende focus hebben, zullen vanuit het innovatieprogramma voor intelligente netten geflankeerd worden door een proeftuinoverstijgend leerprogramma. Ook wordt er een maatschappelijke kosten/baten analyse uitgevoerd, waarvan fase 1 recent is afgerond (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2012/03/30/maatschappelijke-kosten-en-baten-van-intelligente-netten.html). In de tweede fase van deze analyse zullen ervaringen uit de proeftuinen betrokken worden. De proeftuinen hebben een looptijd van maximaal 3 jaar.
Het bericht dat de onafhankelijkheid van deurwaarders gevaar loopt |
|
Sharon Gesthuizen (GL) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van het Genootschap van Onafhankelijke Gerechtsdeurwaarders dat de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder ernstig wordt bedreigd?1
De mogelijkheid voor niet-gerechtsdeurwaarders om voor maximaal 49% te participeren in een deurwaarderspraktijk bestaat reeds in de thans geldende Verordening Onafhankelijkheid. Het recente besluit van de ledenraad van de KBvG strekt ertoe dat de kring van mogelijke participanten wordt uitgebreid met partijen die betrokken kunnen zijn bij opdrachten aan het kantoor. Een dergelijke uitbreiding van derdenparticipatie hoeft niet noodzakerlijkerwijs de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder aan te tasten; dat hangt af van de waarborgen die er in de (gewijzigde) Verordening Onafhankelijkheid zullen worden opgenomen.
Is het waar dat tijdens de ledenraad van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) is besloten dat een niet-gerechtsdeurwaarder voor maximaal 49% kan participeren in een deurwaarderspraktijk? Deelt u de mening dat een dergelijke uitbreiding van derdenparticipatie de onafhankelijke positie van de gerechtsdeurwaarder binnen het rechtsbestel zal kunnen aantasten en op gespannen voet staat met artikel 2 van de Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders?
Zie antwoord vraag 1.
Erkent u dat een deurwaarder een afgeleide overheidsmacht, en een derdenparticipant daarmee indirecte overheidsmacht, heeft indien door middel van aandeelverhoudingen direct of indirect invloed kan worden uitgeoefend op deurwaarderspraktijken? Deelt u de mening dat in dit opzicht de door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) gestelde ongelijke toegang tot de markt van derden ondergeschikt is aan de speciale rol van de deurwaarder in het rechtsbestel en daarmee het algemeen belang? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitvoering van de hem opgedragen ambtshandelingen oefent de gerechtsdeurwaarder publiekrechtelijke macht uit. Daarbij past geen invloed van anderen dan gerechtsdeurwaarders. Daarom is in de Verordening Onafhankelijkheid reeds vastgelegd dat alle beslissingen over ondermeer de uitvoering van opdrachten uitsluitend worden genomen door of onder directe verantwoordelijkheid van een gerechtsdeurwaarder. Een eventuele participant heeft hier geen zeggenschap over.
De speciale rol van de gerechtsdeurwaarder in het rechtsbestel kan mededingingbeperkende maatregelen rechtvaardigen. Tegelijkertijd is door de wetgever in artikel 80 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet opgenomen dat verordeningen van de KBvG de marktwerking niet onnodig mogen beperken.
Ziet u een verband tussen derdenparticipatie en de toename van concurrentie tussen praktijken door voorfinanciering, «no-cure, no-pay»-constructies, kortingen en garantierendementen als verkoopmiddel? Zo nee, waarom niet?
Gerechtsdeurwaarderskantoren kunnen – met inachtneming van de (beroeps)regels voor gerechtsdeurwaarders – met elkaar in concurrentie treden. Het is denkbaar dat er een verband bestaat tussen derdenparticipatie en/of concurrentie en het aanbieden van de genoemde verkoopmiddelen, maar ik beschik niet over onderzoeken die dat verband aantonen of weerleggen. Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) en de KBvG volgen de ontwikkelingen op dit gebied met het oog op de continuïteit en de onafhankelijkheid. Zonodig kunnen over onoirbare praktijken klachten worden ingediend bij de tuchtrechter.
Is het waar dat u en uw voorganger hebben gepleit voor een verdergaande onafhankelijkheid en tevens voor een nuloptie?2 Zo ja, gaat u ervoor zorgen dat deze nulparticipatie alsnog onderdeel zal uitmaken van betreffende verordening? Zo nee, waarom niet? Gaat u er dan op z’n minst voor zorgen dat er voldoende garanties worden opgenomen om de onafhankelijkheid alsnog te garanderen?
Het klopt dat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie voorstander was van uitsluiting van participatie door derden in gerechtsdeurwaarderskantoren (nuloptie). Ook ik zou mij kunnen vinden in deze oplossing, doch gebleken is dat hiervoor binnen de KBvG onvoldoende draagvlak is. Ik heb de KBvG meerdere malen aangegeven dat de nuloptie wat mij betreft een prima optie is om de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder te waarborgen, maar het is aan de ledenraad van de KBvG om hiertoe te besluiten. Hetzelfde geldt voor (andere) garanties voor de onafhankelijkheid van de gerechtsdeurwaarder. Wanneer de aangepaste Verordening mij ter goedkeuring wordt voorgelegd zal ik beoordelen of de opgenomen garanties voldoende zijn.
Gaat u de Kamer informeren indien er een besluit is genomen over de goed- of afkeuring van de nieuwe Verordening beroeps- en gedragsregels gerechtsdeurwaarders? Worden daarbij ook de beweegredenen uiteengezet?
Het onderhavige onderwerp zal door de KBvG waarschijnlijk niet geregeld worden in een nieuwe Verordening beroeps- en gedragsregels, maar in een gewijzigde Verordening Onafhankelijkheid. Ik zal de Kamer informeren indien ik een besluit omtrent goedkeuring van een dergelijke verordening heb genomen.
Het voornemen van verschillende universiteiten om talenstudies op te laten gaan in brede studies |
|
Kathleen Ferrier (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD), Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het voornemen van verschillende universiteiten om talenstudies op te laten gaan in brede studies?1
Ja.
Deelt u de mening dat, hoewel brede studies absoluut voordelen bieden, ten minste voor een aantal talen de eigenstandige (voltijds-)universitaire studie wel zou moeten blijven bestaan, vanwege nationaal belang, zoals het Fries, of vanwege internationaal en commercieel belang, zoals het Frans of Portugees, de taal die -naast in een van de sterkst opkomende economische wereldmachten, Brazilië- in acht landen gesproken wordt? Zo neen, waarom niet?
Ik deel de mening dat talen van groot belang zijn vanuit nationaal cultureel belang en voor de Nederlandse economie en de export. Ik ben daarnaast van mening dat talen ook in het kader van een brede bachelor kunnen worden aangeboden.
In navolging van het advies van de commissie-Veerman heeft dit kabinet, daarin breed gesteund door de Tweede Kamer, gekozen voor meer profilering van hogescholen en universiteiten. Universiteiten en hogescholen moeten bewuste keuzes maken, in het opleidingenaanbod en in het onderzoek, omwille van de kwaliteit. Dat kan inderdaad betekenen dat kleine opleidingen verdwijnen. Voor veel meer kleine opleidingen geldt echter dat zij aangeboden blijven worden, maar wel op een andere manier. Vergelijkbare opleidingen zullen samengevoegd worden en geconcentreerd worden aangeboden op één of enkele plekken, bepaalde opleidingen zullen in samenwerking tussen instellingen worden vormgegeven (voorbeeld: de landelijke master wiskunde) en andere kleine opleidingen zullen opgaan in bredere bacheloropleidingen. Een dergelijke verbreding kan zowel uit doelmatigheidsoverwegingen als uit kwaliteitsoogpunt wenselijk zijn. Brede opleidingen kunnen bovendien ook nieuwe groepen studenten aantrekken. Niet iedereen weet, voordat hij gaat studeren, al precies wat hij wil en voor bepaalde studenten is een brede opleiding aantrekkelijker dan een smallere.
Hoe verhoudt dit voornemen van de instellingen zich enerzijds tot het beëindigen van deze eigenstandige universitaire studies vanwege profilering en anderzijds tot het belang dat de regering hecht aan kennis van eigen cultureel erfgoed (het Fries) en het bevorderen van culturele, economische en wetenschappelijke contacten met Brazilië en de andere landen waarvan het niet langer mogelijk is in voltijd de taal van het betreffende land te bestuderen?
Instellingen dienen hun voornemens voor profilering te laten aansluiten bij de door hen gemaakte afspraken in het kader van het Implementatieplan Geesteswetenschappen (Advies implementatie duurzame Geesteswetenschappen, 23-6-2010). Inzake de opleiding Friese taal en cultuur verwijs ik u naar mijn antwoord op de vragen van de leden Jadnanansing en Jacobi over de toekomst van de enige academische opleiding Friese taal en cultuur (ingezonden 29 maart 2012).
Deelt de regering de mening dat grondige wetenschappelijke kennis van een taal een voorwaarde is om de in vraag 3 genoemde ambities waar te maken? Zo neen, waarom niet? Bent u bereid met universitaire opleidingen in gesprek te gaan over behoud van een aanbod aan eigenstandige universitaire studies van talen, die duidelijk een nationaal en internationaal belang van Nederland dienen? Zo neen, waarom niet?
Die mening wordt door de regering gedeeld, waarbij wordt aangetekend dat ook via een brede bachelor aan de voorwaarde om ambities waar te maken kan worden voldaan.
Koperdiefstal |
|
Arie Slob (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Opstelten tekent convenant met Tennet over aanpak metaaldiefstal»1 en «Tennet ondersteunt actie koperslag»?2
Ja.
Welke concrete maatregelen heeft u genomen sinds het tekenen van het convenant in juni 2011?
In samenwerking met de convenantpartners zijn de afspraken van juni 2011 in een actieplan uitgewerkt en is gestart met de uitvoering van de maatregelen. Een volledig overzicht van de stand van zaken rond de uitvoering zal ik u in juni sturen.
Hoeveel koperdiefstallen op en rond het spoor waren er in 2010? Hoeveel waren er in 2011 en hoeveel in de eerste 3 maanden van 2012?
Volgens opgave van ProRail waren er over 2010 357 gevallen van koperdiefstal. In 2011 bedroeg dit aantal 516. In de eerste drie maanden van 2012 werden 115 diefstallen van koper op en rond het spoor gepleegd.
Hoeveel vertragingsminuten waren er op het spoor als gevolg van koperdiefstal in 2011, 2011 en de eerste drie maanden van 2012?
Het aantal vertragingsminuten in 2010 bedroeg volgens opgave van ProRail 9 557. In 2011 bedroeg dit aantal 17 818. In de eerste drie maanden van 2012 ging het om 8 514 vertragingsminuten.
Welk inzicht in risicolocaties en risicotijdstippen heeft het Korps landelijke politiediensten (KLPD) verkregen door het doen van standaardaangifte van koperdiefstal? Hoe verwerkt het KLPD dit inzicht in de aanpak van koperdiefstal?
Actie Koperslag richt zich op koperdiefstal waarvan de maatschappelijke impact als gevolg van gevaarzetting groot kan zijn en de veiligheid van de infrastructuur – in casu het spoor (ProRail) en het elektriciteitshoofdtransportnet (Tennet) – in het geding is. Als er zaken aandienen die zich op deze infrastructuur afspelen, verricht het KLPD – indien nodig in samenwerking met de regiopolitie – het opsporingsonderzoek. Daarnaast verrichten politieregio’s opsporingsonderzoeken naar overige koperdiefstallen in de desbetreffende regio.
Om een beeld te krijgen van onder meer de risicolocaties en -tijdstippen en de mogelijkheden om de opsporingsteams van onder andere het KLPD gericht in te zetten, is de politie in augustus 2011 gestart met het project Waakzaam Koperslag. Hierin werken de Dienst Spoorwegpolitie en de Dienst Operationele Samenwerking van het KLPD samen om de operationele informatiepositie over koperdieven te verbeteren. Ook wordt samengewerkt met de regionale politiekorpsen, waar eventuele opsporingsonderzoeken lopen. Het KLPD verzorgt de landelijke informatiecoördinatie met betrekking tot koperdiefstal met gevaarzetting. Naast contacten met verschillende politieregio's is een intensieve samenwerking met de Rotterdamse Zeehavenpolitie tot stand gekomen.
Het project Waakzaam Koperslag heeft onder meer geresulteerd in het rapport Inzicht in koperdiefstal (december 2011). Op basis van de registratie van koperdiefstallen in de periode 1 januari 2009 tot 1 augustus 2011 is in dit rapport een analyse gemaakt van de 1 780 bekende verdachten van koperdiefstal, de netwerken waarin zij zich bewegen, verdachte transacties van opkopers en de geografische spreiding van de koperdiefstallen. Op basis van dit rapport worden interventies voorbereid en uitgevoerd.
Hoe hebben de gerichte inspanningen van het KLPD opsporingsteam sinds juni 2011 geleid tot een vermindering van koperdiefstal? Is de pakkans inderdaad vergroot? Hoeveel verdachten zijn sinds juni 2011 opgepakt en hoe verhoudt dit aantal zich tot de periode ervoor?
In 2011 werden volgens ProRail 516 koperdiefstallen gepleegd, wat neerkomt op een gemiddelde van 43 per maand. In de eerste drie maanden van 2012 ging het om 115 koperdiefstallen, zodat het maandgemiddelde op ruim 38 uitkomt. Het is echter nog te vroeg om hier conclusies aan te verbinden.
Zoals in het convenant overeengekomen, zijn afspraken gemaakt tussen ProRail en het KLPD over de gerichte inzet van private surveillance en opsporingsteams. Oogmerk is door een meer op elkaar afgestemde inzet de pakkans te vergroten. Daarbij kunnen helikopters in heterdaad-situaties ondersteuning verlenen. In gevallen van heterdaad-situaties wordt via Operations de helikopter ingezet. Er zijn inmiddels al aanhoudingen verricht met ondersteuning van helikopterbeelden. Daarnaast wordt in de voorbereiding van interventies gebruik gemaakt van foto's gemaakt door de helikopters.
In 2011 zijn 23 verdachten van koperdiefstal op en rond het spoor aangehouden. De pakkans bedroeg dat jaar bijna 4,5%. In 2012 zijn tot op heden 10 verdachten aangehouden (peildatum: 21 april 2012). Daarmee is de pakkans gestegen naar ruim 8%. Ook voor deze cijfers geldt dat het nog te vroeg is hieraan harde conclusies te verbinden.
Op welke termijn kan de Kamer de aangepaste wetgeving die is aangekondigd (registratie en identificatieplicht bij contante inkoop van koper op alle locaties waar koper wordt ingekocht) tegemoet zien? Op welke termijn verwacht u dat de aangepaste wet- en regelgeving in werking treedt?
De registratieplicht bij de contante inkoop is al van kracht via artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht. Aanscherping van de registratieplicht door de toevoeging van de legitimatieplicht verloopt via de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit bij artikel 437 Sr. Het aangepaste Uitvoeringsbesluit bevindt zich thans in de fase van consultatie. Eind juli zal naar verwachting het advies bij de Raad van State ingewonnen kunnen worden. Volgens planning is publicatie van het aangepaste Uitvoeringsbesluit voorzien op 15 oktober 2012 en zal de legitimatieplicht op 1 januari 2013 in werking treden.
Op welke termijn denkt u de richtlijn om de aard en omvang van de schade als strafverzwarende factor te laten meewegen bij het formuleren van de strafeis gereed te hebben? Op welke termijn is deze richtlijn naar verwachting van kracht?
Om tot een goede richtlijn te komen is inzicht nodig in aspecten als de aard en impact van de problematiek en de behandeling van dergelijke zaken door de opsporing en vervolging. Pas als daar goed zicht op is en zich min of meer een standaard werkwijze heeft ontwikkeld, kunnen deze worden doorvertaald in een specifieke richtlijn voor deze vormen van diefstal. Richtlijnen worden in principe voor vijf jaar vastgesteld door het College van procureurs-generaal en gepubliceerd in de Staatscourant. Een richtlijn kan door de zorgvuldige wijze waarop deze tot stand komt niet voortdurend worden aangepast. Het is dan ook om die reden dat een richtlijn als sluitstuk in een proces geldt. Het Openbaar Ministerie verwacht dat de onderhavige richtlijn in het najaar van 2012 van kracht kan zijn.
Het nog niet voorhanden zijn van een richtlijn staat overigens het eisen van een passende straf op geen enkele manier in de weg. Het Landelijk Parket Team Verkeer ziet voldoende mogelijkheden om arrondissementsparketten nu al te informeren en te instrueren om te komen tot een passende strafeis. Daartoe wordt onder meer een factsheet opgesteld met informatie over de mogelijke ernst en impact van het delict. Deze factsheet wordt toegevoegd aan alle strafdossiers van verdachten van koperdiefstal, zodat de gevaarzetting en/of maatschappelijke schade meegenomen kunnen worden als strafverzwarende omstandigheid.
Kunt u duiden welke vorderingen u heeft gemaakt bij het in Europees verband samenwerken om rondtrekkende dadergroepen van koperdieven tegen te werken?
Over de samenwerking op Europees niveau bij de aanpak van rondtrekkende dadergroepen is uw Kamer onlangs bij brief van 26 maart 2012 geïnformeerd (Kamerstukken II, 2011–2012, 29 911, nr. 64). Specifiek over de aanpak van koperdieven wordt op voorstel van de Lidstaten Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië gesproken over een Europees verbod op contante betaling bij de verkoop van bepaalde metalen. Dit is aan de orde geweest tijdens de JBZ-Raad van 13 en 14 december 2011 en krijgt een vervolg onder het Deense voorzitterschap. In Benelux-verband ten slotte is gesproken over intensivering van de samenwerking bij de aanpak van koperdieven en worden voorstellen daartoe uitgewerkt.
Het bericht "Nederlandse scholieren blijven vaker zitten" |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere vragen over «de zinloosheid van zittenblijven» van 23 september 2011?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat 22% van de 15-jarige scholieren aangeeft ooit «een keer te zijn blijven zitten»?2
Dit cijfer betreft het zittenblijven in het basisonderwijs en is gebaseerd op zelfrapportage door vijftienjarige leerlingen die met toetsen en vragenlijsten hebben deelgenomen aan het PISA-onderzoek. Het is de vraag of dat percentage als betrouwbaar moet worden beschouwd. In het Onderwijsverslag 2010/2011 vermeldt de onderwijsinspectie dat ongeveer 17% van de leerlingen in het basisonderwijs langer dan acht jaar over de basisschool doet.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, met 22% zittenblijvers, ruim boven het gemiddelde van de 34 landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zit? Heeft u zicht op de oorzaak? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak? Zo nee, gaat u dit nader onderzoeken?
In de vergelijking is geen rekening gehouden met een belangrijk systeemverschil tussen het Nederlandse onderwijs en dat in andere landen. Nederland is namelijk het enige land waar kleuteronderwijs en basisonderwijs zijn geïntegreerd in een achtjarige basisschool. Elders gaan kinderen gemiddeld pas op zesjarige leeftijd naar de basisschool. De Inspectie van het Onderwijs constateert relatief veel «zittenblijvers» in de kleuterperiode en veel minder in de periode daarna (groep drie tot en met acht). Als we rekening houden met dit onderscheid komt Nederland een stuk dichter in de buurt van het OECD- en het EU-gemiddelde.
Hoe beoordeelt u het feit dat één op de zes basisschoolleerlingen langer dan acht jaar over de basisschool doet? Hoe beoordeelt u het feit dat op zwakke en zeer zwakke scholen ongeveer één op de vijf leerlingen langer dan acht jaar over de basisschool doet? Heeft u inzicht in de oorzaak van het zittenblijven? Zo ja, wat is hiervan de oorzaak? Zo nee, gaat u dit nader onderzoeken?
Dat het percentage zittenblijvers op zwakke en zeer zwakke scholen hoger ligt dan op andere scholen, hangt vermoedelijk samen met de kwaliteit van het onderwijs op die scholen. De inspectie spreekt scholen hierop aan.
Om meer zicht te krijgen op de oorzaken van zittenblijven, zal ik hier nader onderzoek naar laten doen. In dat onderzoek laat ik ook kijken naar de doelmatigheid en effectiviteit van zittenblijven. Dan kan ik ook beter het feit beoordelen dat een op de zes leerlingen langer dan acht jaar over de basisschool doet.
Hoe beoordeelt u het feit dat op enkele scholen meer dan de helft van de leerlingen vertraging oploopt? Heeft u inzicht in de oorzaak hiervan? Is deze bevinding aanleiding voor nader beleid? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u?
Het gaat hier om uitzonderlijke situaties op scholen waar kennelijk het nodige aan de hand is. De inspectie spreekt scholen daarop aan en zal scholen waar zich een dergelijke situatie voordoet, vragen om maatregelen te treffen die tot verbeteringen moeten leiden. De inspectie zier er bij het vervolgtoezicht op toe of (en hoe) de school de gewenste verbeteringen realiseert.
Hoe beoordeelt u het feit dat op 94 % van de basisscholen leerlingen blijven zitten? Wat zijn de redenen dat dit op 6% van de scholen niet gebeurt?
Dat op 94% van de basisscholen leerlingen blijven zitten, zegt nog niet zoveel. Het kan immers zo zijn dat op elk van deze scholen één leerling blijft zitten. In het Onderwijsverslag 2010/2011 staat echter ook dat op enkele scholen meer dan de helft vertraging oploopt. De inspectie spreekt scholen erop aan die in verhouding veel leerlingen een jaar over laten doen. Waarom op 6% van de basisscholen zittenblijven niet voorkomt is mij niet bekend. Ik zal dit betrekken bij het eerder genoemde onderzoek.
Hoe beoordeelt u de bevinding van de inspectie dat vanuit vwo 3 veel leerlingen naar havo 4 teruggaan en dat vanuit havo 3 veel leerlingen terugstromen naar het vmbo? Heeft u inzicht in de oorzaken? Zo ja, wat zijn deze oorzaken en hoe beoordeelt zij deze oorzaken? Bent u bereid om nader onderzoek te doen naar de relatie schooladviezen, cito en teruggaan in opleidingsniveau? Zo nee, waarom niet?
Het gedifferentieerde systeem van voortgezet onderwijs maakt het mogelijk dat leerlingen kunnen opstromen naar hogere – en afstromen naar lagere niveaus. De oorzaken liggen meestal bij het beter of minder presteren dan verwacht van leerlingen in de onderbouwperiode. Voor een deel heeft opstroom en afstroom te maken met de kwaliteit van de school.
De relatie tussen schooladviezen/cito-eindtoetscores en afstroom is al eerder onderzocht. Met de invoering van het onderwijsnummer wordt het in de nabije toekomst mogelijk om voor alle leerlingen na te gaan hoe deze relatie is. Ik ben zeker bereid dit dan periodiek te monitoren en daarover te rapporteren.
Hoe beoordeelt u de stelling van Inspecteur-generaal van het Onderwijs dat zittenblijven een goede optie kan zijn voor een leerling, maar dat het van groter belang is dat scholen nog meer opbrengstgericht gaan werken, zodat leerlingen die dreigen te blijven zitten, met extra aandacht vooruit geholpen worden? Ziet u een rol voor zichzelf? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ik onderschrijf de stelling van de inspecteur-generaal. Opbrengstgericht werken staat dan ook centraal bij de aanpak in de Actieplannen Basis voor presteren, Beter presteren en Leraar 2020 – een krachtig beroep! Ik verwijs u graag naar de inhoud van deze plannen.
Hoe verhouden de bevindingen van de onderwijsinspectie zich tot eerdere jaren? Zijn de bevindingen van de inspectie voor u een reden tot het ontwikkelen van nader beleid? Zo ja, aan welke maatregelen en termijnen denkt u? Zo nee, waarom niet?
Het percentage zittenblijvers in het basisonderwijs verandert weinig. De inspectie meldt een toename van het percentage zittenblijvers in het voortgezet onderwijs sinds 2008. Daarvoor vertoonde dit percentage in het voortgezet onderwijs jarenlang een daling.
Zoals eerder gesteld, moet opbrengstgericht werken zowel in het basis- als in het voortgezet onderwijs (onder meer) leiden tot minder zittenblijven en minder afstroom. Ik zal naar aanleiding van het eerder genoemde onderzoek bepalen of apart beleid op dit terrein nodig is.
Zie ook mijn antwoord bij vraag 6 en 8.
De effecten van de langstudeerdersboete op leraren die willen doorstuderen |
|
Tanja Jadnanansing (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Langstudeerboete nekt leraar in spé» op ScienceGuide?1
Ja, dat bericht is mij bekend.
Hoeveel leraren zullen niet (verder) studeren door de drempel die wordt opgeworpen door de langstudeerdersboete?
Ik kan niet zeggen hoeveel leraren niet (verder) zullen studeren vanwege de langstudeerdersmaatregel. Wel kan ik aangeven, dat het vanwege deze maatregel niet nodig is om te besluiten niet verder te studeren. Volgens de langstudeerders-maatregel mag de student die een lerarenmaster (meestal 90 studiepunten) volgt hier in totaal drie jaar over doen voordat het verhoogd collegegeld is verschuldigd. Omdat een opleiding van 90 studiepunten naar boven wordt afgerond, bedraagt de nominale studieduur twee jaar. Volgens de subsidieregeling Lerarenbeurs krijgt de student ook voor drie jaar subsidie. De toegestane studieperiode is het aantal jaren dat men subsidie ontvangt plus een uitloopperiode van drie jaar. De student moet binnen zes jaar kunnen aantonen dat hij 90 studiepunten heeft behaald. Voor iedere 30 studiepunten die behaald zijn, wordt een jaar in mindering gebracht op de totale terugbetalingsverplichting. Indien de student in het derde jaar nog niet is afgestudeerd, gaat inderdaad in het vierde jaar de langstudeerdersmaatregel in. Dit betekent echter niet dat hij moet stoppen met zijn studie. Het is aan de student hierin een afgewogen keuze te maken.
Ik zal het effect van deze maatregel en andere maatregelen, zoals de maatregel tweede studies, monitoren.
Daarnaast ga ik ervan uit dat instellingen maatregelen treffen om de studieduur meer af te stemmen op de nominale studieduur. Uit het onderzoek van ResearchNed (bijlage bij Kamerstuk 32 618, nr L) is gebleken dat veel instellingen werken aan het comprimeren van de geprogrammeerde studieduur van deeltijdopleidingen en lijkt er, met name in het wetenschappelijk onderwijs, ruimte te zijn voor efficiëntere vormgeving van de deeltijdstudies, door bijvoorbeeld meer gebruik te maken van vormen van tijd- en plaatsonafhankelijk leren. Op basis van deze ontwikkelingen is te verwachten dat het aantal en aandeel langstuderende deeltijdstudenten de komende jaren afnemen.
In mijn brief over deeltijd hoger onderwijs, die op 31 maart naar uw Kamer is gestuurd (Kamerstuk 32 618, nr L), ben ik ingegaan op de maatregelen om de studieduur meer af te stemmen op de nominale studieduur. Dit geldt ook voor de lerarenopleidingen. Ik heb daarbij aangegeven dat ik mij realiseer dat het comprimeren van opleidingen ten koste kan gaan van de gewenste flexibiliteit in het deeltijdonderwijs en het meer gefaseerd, modulair kunnen deelnemen aan dat onderwijs. Waar dat mogelijk is, is het verstandig dat instellingen dergelijke maatregelen nemen. Ik kan mij echter voorstellen dat dit niet in alle gevallen mogelijk en ook niet wenselijk is. Hierover zal ik met de instellingen nader overleg voeren. Voor de betreffende student geldt dat hij in dat geval een beroep kan doen op het profileringsfonds. Ik heb daartoe een nota van wijziging ingediend bij het wetsvoorstel «Studeren is investeren». Nu kunnen namelijk alleen voltijdstudenten een beroep doen op het profileringsfonds. De tegemoetkoming uit het profileringsfonds is alleen bestemd voor die situaties waarin het langstuderen niet verwijtbaar is aan de deeltijdstudent, dat wil zeggen ingeval van bijzondere persoonlijke omstandigheden of wanneer de geprogrammeerde studieduur automatisch tot gevolg heeft dat de deeltijdstudent langstudeerder wordt. Het profileringsfonds wordt hiertoe verhoogd met € 10 miljoen per jaar in de jaren 2012 tot en met 2016.
Is een afname in het aantal docenten met studeerambities volgens u wenselijk gezien het aankomend tekort aan leraren?
Een afname van het aantal docenten met studeerambities is volgens mij niet wenselijk. Ik voer daarom langs twee wegen maatregelen uit die de opscholing van leraren stimuleren. Ten eerste kunnen leraren een beroep doen op de Lerarenbeurs. Ten tweede kunnen studenten die niet eerder een lerarenopleiding hebben gedaan, een tweede opleiding op dit gebied doen tegen het wettelijk collegegeld. En als ze wel een tweede lerarenopleiding doen en het instellingscollegegeld zijn verschuldigd, wordt het hogere instellingscollegegeld via de Lerarenbeurs vergoed.
Houdt u rekening met deze ontwikkeling bij de uitvoering van de (Eerste Kamer-)motie Ganzevoort?2 Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?
In bovengenoemde brief over het deeltijd hoger onderwijs ben ik ook ingegaan op de uitvoering van de motie Ganzevoort. In deze brief ben ik nader ingegaan op de gevolgen van de langstudeerdersmaatregel voor deeltijdstudenten. Ik ben van mening dat de langstudeerdersmaatregel op stelselniveau geen disproportionele gevolgen heeft voor deeltijdstudenten en heb daarom besloten de langstudeerdersmaatregel niet te wijzigen voor deeltijders. Wel is er aanleiding om in individuele gevallen tegemoet te komen aan bijzondere omstandigheden die ten grondslag liggen aan het langstuderen. Daarom wil ik in individuele gevallen deeltijdstudenten tegemoet komen via het profileringsfonds. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid de regeling van de langstudeerdersboete in te trekken, dan wel zodanig aan te passen dat lerarenopleidingen en hun studenten er geen hinder van ondervinden? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie hiervoor mijn antwoord op vraag 4.
Onbemande vliegtuigen (drones) |
|
Jasper van Dijk |
|
Hans Hillen (minister defensie) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending over «drones» (onbemande vliegtuigen) van KRO Reporter International?1
Ja.
Heeft het Amerikaanse bedrijf General Atomics zich aangemeld bij de regering om mee te dingen naar de order voor vier UAV’s (unmanned aerial vehicle)? Zo ja, is er sprake van afspraken voor het inschakelen van de Nederlandse industrie?
Hebben andere bedrijven zich aangemeld om mee te dingen naar de order? Zo ja, welke en onder welke voorwaarden?
Klopt de bewering dat al een besluit is genomen om de Amerikaanse Reaper van General Atomics aan te schaffen? Zo ja, worden hiermee de Europese aanbestedingsregels genegeerd?
Deelt u de mening dat een ingebouwd preferentie voor de Reaper een open competitie onmogelijk maakt?
Wordt in de Request for Information de mogelijkheid opengehouden om de drones te bewapenen? Wordt overwogen om op den duur bewapende drones in te zetten voor «targeted killing», zoals de Amerikaanse regering doet en waarbij veel burgerdoden vallen? Zo ja, wat zijn de volkenrechtelijke gevolgen van deze inzet?2
Met de brief van 14 december jl. heb ik de Kamer gemeld dat de behoefte van Defensie betrekking heeft op een MALE UAV voor waarneming en inlichtingenvergaring (surveillance and reconnaissance). Bewapening is niet aan de orde.
Hoe oordeelt u over de in de uitzending geuite bezwaren tegen drones? Erkent u dat een steeds grotere inzet van robots en drones tot nieuwe (morele) bezwaren leidt, vanwege het afstandelijke karakter van deze wapens? Kunt u uw antwoord toelichten?
De inzet van onbemande en geautomatiseerde systemen is onderworpen aan dezelfde regels als de inzet van andere wapens en wapenplatforms. Dit betreft onder andere regels van het humanitair oorlogsrecht, bijvoorbeeld het beginsel dat onderscheid moet worden gemaakt tussen militaire doelen en burgerobjecten en het proportionaliteitsbeginsel.
Mijn opvatting over het project MALE UAV, een intensivering uit de beleidsbrief «Defensie na de kredietcrisis» van 8 april 2011 (Kamerstuk 32 733, nr. 1), is niet veranderd. Defensie verwerft de MALE UAV omwille van de verbetering van de operationele inzetbaarheid van de krijgsmacht en de versterking van de inlichtingenketen. Hierbij staan gevalideerde inlichtingen, een effectieve inzet, veiligheid en zelfbescherming centraal. De MALE UAV kan 24 uur per dag overal ter wereld worden ingezet, voor uiteenlopende missies. Hierbij is ook te denken aan humanitaire hulpverlening bij rampen, het in kaart brengen van vluchtelingenstromen, terrorismebestrijding en antipiraterij (brief van 14 december 2011).
Bent u bereid om de Kamer tijdig in te lichten over plannen om de drones te bewapenen?
Zie antwoord vraag 6.
De geconstateerde overtredingen met betrekking tot de productie van filet americain |
|
Anja Hazekamp (PvdD) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Bleker (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Keuringsdienst van Waarde over filet americain?1
Ja.
Is het waar dat filet americain op grote schaal veel meer bacteriën bevat dan wettelijk is toegestaan? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid en welke reden heeft u het door TNO uitgevoerde onderzoek in twijfel te trekken? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de volksgezondheid?
Nee, er bestaat namelijk geen wettelijke norm voor het aantal bacteriën in een product als filet americain. Wel is het wettelijk verboden om bedorven eetwaar in de handel te brengen. Bij 100 miljoen bacteriën per gram is een product bedorven. In de onderzochte producten werden deze hoge aantallen niet aangetroffen. Ook is het verboden dat (bepaalde) ziektemakende bacteriën in rauw te consumeren vleesproducten zitten. In de betreffende uitzending is hier geen aandacht aan besteed. Op de site van de Keuringsdienst van Waarde worden deze gegevens echter wel genoemd. Hieruit blijkt dat er geen ziekteverwekkende bacteriën in de onderzochte producten zijn aangetroffen. De door TNO onderzochte producten vormden dus geen risico voor de volksgezondheid.
Is het waar dat er op grote schaal varkensvlees wordt verwerkt in filet americain ondanks een wettelijk verbod daarop? Zo nee, waaraan ontleent u die zekerheid en welke reden heeft u het door TNO uitgevoerde onderzoek in twijfel te trekken? Zo ja, hoe beoordeelt u deze situatie in het licht van de volksgezondheid?
Er zijn geen aanwijzingen dat er op grote schaal varkensvlees verwerkt wordt in filet americain. Het is bovendien niet verboden om varkensvlees in filet americain te verwerken.
Indien aan filet americain varkensvlees wordt toegevoegd moet de consument daarover worden geïnformeerd. In het geval van verpakte filet americain dient het op de verpakking te worden vermeld. Voor het onverpakte product dient deze informatie bij het product te worden aangegeven. In de Algemene Levensmiddelenverordening (EG) nr. 178/2002 is geregeld dat in rauw te consumeren producten geen ziekteverwekkende bacteriën mogen zitten. De producent van de filet americain is verantwoordelijk dat het product veilig is voor de consument. Omdat varkensvlees meer ziekteverwekkende bacteriën kan bevatten zal de producent van filet americain die er varkensvlees in verwerkt vergaande hygiënemaatregelen moeten treffen om een eindproduct te kunnen maken dat veilig is. Naar verwachting vindt toevoeging van varkensvlees aan filet americain bij hoge uitzondering plaats. Het kan ook gebeuren dat er sprake is van onzorgvuldig werken en dat er onbewust varkensvlees in de filet americain terecht komt. Dit valt onder de controle van de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA). Daar waar het wordt toegevoegd is extra aandacht van de nVWA voor de beheersing van het gevaar van ziekteverwekkende bacteriën. In het betreffende onderzoek van TNO bleek dat door toevoeging van het varkensvlees aan de filet americain geen risico’s voor de volksgezondheid zijn opgetreden.
Kunt u aangeven wat de oorzaak ervan is dat makers van het televisieprogramma Keuringsdienst van Waarde deze gegevens boven water kregen, waar verwacht zou mogen worden dat de nieuwe Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA) adequaat toezicht houdt op kwesties als deze? Zo nee, waarom niet?
De nVWA ziet toe op naleving van wetgeving en dat gebeurt risicogebaseerd. Het toezicht van de nVWA richt zich op de hygiënische productie van voedsel in industriële en ambachtelijke bedrijven en op plaatsen van de verkoop aan de consument. Ter verificatie van het productieproces worden door de nVWA ook monsters genomen, die onderzocht worden op aantallen (ziekteverwekkende) bacteriën. Daarnaast vindt een monitoring plaats van risicovolle producten in het verkoopkanaal op de aanwezigheid van ziekteverwekkende bacteriën.
Het is bekend dat rauw te consumeren vleesbereidingen over het algemeen hoge aantallen bacteriën bevatten. Dit hoeft geen gevaar voor de volksgezondheid te betekenen op voorwaarde dat er geen ziekteverwekkende bacteriën aanwezig zijn. Ik vind de resultaten van dit onderzoek daarom niet verontrustend te meer omdat er door TNO geen ziekteverwekkende bacteriën zijn aangetoond in de onderzochte filet americain. Naar mijn mening is het nVWA-toezicht voldoende adequaat op dit punt en heeft het televisieprogramma geen nieuwe inzichten opgeleverd ten aanzien van de effectiviteit van het toezicht. Ik wil hier wel aangeven dat de consumptie van rauwe vleesproducten over het algemeen minder veilig is dan die van goed verhitte producten.
Kunt u aangeven wanneer de nVWA voor het laatst onderzoek heeft ingesteld naar de kwaliteit van filet americain en wat de resultaten daarvan waren met betrekking tot de geconstateerde bacteriële besmetting en aanwezigheid van varkensvlees? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u specifiek zijn in uw beantwoording?
De nVWA heeft in 2011 onderzoek gedaan naar de microbiologische veiligheid van rauw te consumeren vleesproducten en -bereidingen, waaronder filet americain. In totaal zijn er 544 monsters onderzocht op de aanwezigheid van ziekteverwekkende bacteriën. In 5 gevallen werden deze bacteriën aangetroffen en in 2 gevallen werd een boeterapport opgemaakt, dit is minder dan 1%. In alle gevallen werd een vervolgonderzoek gedaan bij de producent om de hygiëne van het bereidingsproces te beoordelen.
Omdat er geen wettelijk verbod is op het gebruik van varkensvlees in filet americain doet de nVWA daar geen specifiek onderzoek naar.
Zijn de uitkomsten van het onderzoek van de Keuringsdienst van Waarde voor u aanleiding om de nVWA op te dragen verscherpt toezicht in te stellen op de verkoop en bereiding van rauwe vleesproducten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u het toezicht verscherpen?
Omdat de uitkomsten van het TNO onderzoek geen nieuwe inzichten hebben opgeleverd is er voor mij geen aanleiding om de nVWA te vragen om het toezichtbeleid ten aanzien van rauw te consumeren vleesproducten te verscherpen.
Kunt u aangeven welke sancties staan op het bereiden en in de handel brengen van filet americain met een te hoog kiemgetal en/of met toepassing van varkensvlees? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe vaak zijn deze sancties opgelegd in de laatste 3 jaar?
Er kunnen geen sancties worden opgelegd indien er geen wettelijke normen zijn. Er kunnen, zoals uit de eerdere tekst blijkt, wél sancties worden opgelegd bij:
2009 (n=1065, 2 positief, 1x boeterapport)
2010 (n=1384, 7 positief, 7x boeterapport)
2011 (n=544, 5 positief, 2x boeterapport).
De detentie van Afghaanse vrouwen |
|
Frans Timmermans (PvdA) |
|
Uri Rosenthal (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van Human Rights Watch «I had to Run Away: Women and Girls Imprisoned for «Moral Crimes» in Afghanistan»?1
Ja.
Wat is uw reactie op dit rapport, waaruit blijkt dat 10 jaar na de val van de Taliban vrouwen en meisjes nog steeds worden gedetineerd indien zij vluchten voor huiselijk geweld en gedwongen huwelijken?
Ik heb met bezorgdheid kennisgenomen van het rapport. Het detineren van vrouwen en meisjes die vluchten voor huiselijk geweld en gedwongen huwelijken is in strijd met Afghaanse wetgeving en door het land ondertekende internationale verdragen.
Herinnert u zich nog uw antwoorden op eerdere vragen2 waarin u heeft gezegd dat u regelmatig gesprekken voert met de Afghaanse autoriteiten over het belang van naleving van nationale en internationale wetgeving en conventies op het gebied van vrouwenrechten en waarbij u de bestrijding van discriminatie en geweld tegen vrouwen benadrukt? Kunt u aangeven hoe vaak u overleg voert met de Afghaanse autoriteiten over dit onderwerp en welke concrete verbeteringen u waarneemt als het gaat om de positie van vrouwen in Afghanistan?
Ja. Nederland stelt het belang van volledige naleving van nationale en internationale wetgeving nadrukkelijk, zowel in bilateraal als multilateraal verband, aan de orde in gesprekken met vertegenwoordigers van resp. de ministeries van Buitenlandse Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken, Vrouwenzaken, alsmede het Hooggerechtshof en met parlementariërs. De Nederlandse Ambassadeur te Kaboel heeft na publicatie van het onderhavige Human Rights Watch (HRW) Rapport bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en in multilaterale bijeenkomsten gepleit voor een robuuste publieke reactie van de Afghaanse overheid en concrete maatregelen om de genoemde misstanden tegen te gaan. Ik heb het grote belang van vrouwenrechten onderstreept tegenover de Afghaanse Minister Rassoul tijdens de NAVO Ministeriële top in Brussel.
Diverse Nederlandse mensenrechtenspecialisten, onder meer geplaatst bij de EU vertegenwoordiging, bij EUPOL en ISAF hoofdkwartier, volgen het onderwerp nauwlettend en zien er op toe dat in de internationale inspanningen hier voldoende aandacht aan wordt besteed.
De concrete verbeteringen als gevolg hiervan zijn moeilijk te benoemen. De uitkomsten van het laatste UNAMA en OHCHR rapport van november 2011 «A long way to go: implementation of the elimination of violence against women law in Afghanistan» tonen aan, dat de toegang van vrouwen tot rechtsmiddelen en de implementatie van de wet «Uitbanning van geweld tegen vrouwen» sinds 2009 stap voor stap verbeteren. Het rapport schrijft deze verbeteringen toe aan de groeiende kennis over vrouwenrechten, de steun vanuit Family Response Units, de onafhankelijke mensenrechtencommissie AIHRC, het Ministerie van Vrouwenzaken en opvanghuizen. Het rapport laat echter ook zien dat er nog een lange weg te gaan is.
Bent u bereid om de wet Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen, die schadelijke traditionele gebruiken – waaronder eermoord en kindhuwelijken – verbiedt en die nu slecht in 10 provincies van Afghanistan geldt, onder de aandacht te brengen bij de Afghaanse autoriteiten en een pleidooi te houden om deze wet in alle 34 provincies van Afghanistan te laten invoeren? Bent u eveneens bereid het onderwerp van vrouwendetentie en de onderzoeksresultaten van Human Rights Watch onder de aandacht te brengen bij de Afghaanse autoriteiten? Indien nee, waarom niet?
Ja. Het onderwerp vrouwenrechten wordt nadrukkelijk aan de orde gesteld. In deze gesprekken wordt expliciet aandacht gevraagd voor de verdere implementatie van de bestaande wet «Uitbanning van Geweld tegen vrouwen» en de inhoud van het HRW rapport, inclusief aanbevelingen.
Bent u bereid om een pleidooi te houden bij de Afghaanse autoriteiten om de nieuwe «Familiewet» – waarbij de rechten van Afghaanse vrouwen aanzienlijk zullen verbeteren en die sinds 2010 ter implementatie op de plank ligt- zo snel mogelijk in te laten voeren? Indien nee, waarom niet?
In de gesprekken over vrouwenrechten zal ook opvolging van de belangrijke elementen van de nieuwe familiewet in wording (o.a. verhoging voogdij- en huwelijksleeftijd) aan de orde worden gesteld.