Het feit dat de minister het bezoek aan aanmeldcentrum Ter Apel om veiligheidsredenen heeft afgeblazen |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat u uw bezoek aan het aanmeldcentrum in Ter Apel heeft afgezegd vanwege veiligheidsredenen?1
Nee. Vorige week woensdag en donderdag heb ik een bezoek gebracht aan Ter Apel. Ik heb onder andere meegelopen met de boa’s van de flexpool boa’s in het centrum van Ter Apel en op het voorterrein van het AZC. Ook ben ik in gesprek gegaan met de burgemeesters van Westerwolde en Emmen en heb ik gesprekken gevoerd net verschillende ondernemers in het centrum van Ter Apel en Nieuw – Weerdinge. Ook heb ik bewoners gesproken. Op woensdagavond toen ik meeliep met de BOA’s en we onderweg waren naar het voorterrein van het AZC om daar met medewerkers van het Rode Kruis te spreken was het onrustig op het voorterrein door een vechtpartij, waardoor we even hebben gewacht. De politie is ter plaatste geweest en heeft een arrestatie verricht. Daarna ben ik op het voorterrein van het AZC geweest en heb daar met verschillende medewerkers van het Rode Kruis gesproken. Ik merk hierbij op dat een bezoek aan het aanmeldcentrum geen onderdeel van het programma was.
Welke veiligheidsincidenten of dreigingsinformatie maakten dat uw eigen veiligheid tijdens het bezoek niet kon worden gegarandeerd?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u het feit dat de veiligheidssituatie bij het aanmeldcentrum in Ter Apel kennelijk zo ernstig is, dat zelfs een ministerieel werkbezoek niet verantwoord werd geacht?
Het werkbezoek heeft plaatsgevonden. Dat neemt niet weg dat in de afgelopen zeven weken verschillende incidenten hebben plaatsgevonden op het voorterrein in Ter Apel. Er was sprake van opstootjes, vechtpartijen, intimidatie en tweemaal een steekincident. De overlast werd veroorzaakt door een kleine groep mensen, vaak met een kansarme asielaanvraag, die op de locatie Ter Apel verbleef of mensen van elders zonder een asielaanvraag. Zoals ik op maandag 13 juli jl. met de Kamer heb gedeeld zijn en worden hier de nodige maatregelen op genomen en ingezet.
Hoeveel veiligheidsincidenten hebben zich in en rondom het aanmeldcentrum in Ter Apel voorgedaan in de afgelopen twaalf maanden? Kunt u daarbij een uitsplitsing geven naar geweldsincidenten, bedreigingen, vernielingen, diefstallen, steekincidenten en overige strafbare feiten?
In de afgelopen zeven weken hebben verschillende incidenten plaatsgevonden op het voorterrein in Ter Apel. Er was sprake van opstootjes, vechtpartijen, intimidatie en tweemaal een steekincident.
Jaarlijks publiceert het COA een overzicht van alle incidenten in de opvanglocaties, waaronder Ter Apel. 3 De cijfers over 2026 worden volgend jaar openbaar gemaakt. Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd en naar de Kamer gestuurd.
Hoe kunt u het tegenover omwonenden van asielzoekerscentra nog verantwoorden dat u vasthoudt aan de Spreidingswet en dat u blijft inzetten op het openen van nieuwe asielopvanglocaties, terwijl zelfs uw eigen veiligheid bij een bezoek aan Ter Apel niet kon worden gegarandeerd?
Het werkbezoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast is een aantal aanvullende maatregelen genomen in Ter Apel. Om te komen tot een structurele oplossing zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang. Het is hierbij cruciaal dat eenieder in veiligheid het werk uit kan voeren.
Deelt u de oproep dat gemeenten vanaf nu lak kunnen hebben aan de Spreidingswet en uw abjecte wanbeleid? Zo ja, en trouwens ook zo nee, waarom treedt u niet af?
Nee.
De aangekondigde sluiting van drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die door de burgemeester van Dordrecht aan de gemeenteraad is gezonden waarin staat dat drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam worden gesloten?
Ik ben bekend met de brief van de burgemeester van Rotterdam van 10 juli 2026 waarin zij de raadscommissie Veiligheid, Bestuur en Financiën informeert over de sluiting van cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam.
Hoeveel celcapaciteit verdwijnt door deze sluiting en wat betekent dit voor de totale capaciteit binnen de politie-eenheid Rotterdam?
In hoeverre leidt het sluiten van cellencomplexen ertoe dat de politie al op straat een strengere afweging maakt om iemand wel of niet mee te nemen naar het bureau?
Deelt u de mening dat het gezien de toenemende onveiligheid op straat en het opengrenzenbeleid dit een totaal onbegrijpelijke maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Zijn er nog meer gemeenten die voornemens zijn cellencomplexen te sluiten?
De politie bouwt aan diverse nieuwe voorzieningen en dat kan gepaard gaan met vervanging van bestaande voorzieningen. Hierbij kijkt de politie naar een goede landelijke spreiding van complexen en de complexomvang. Een ander voorgenomen besluit tot afstoot betreft Assen. Dit jaar start het onderzoek naar de afwikkeling van arrestantenzaken voor de operatiën. Dit onderzoek is de basis voor een definitief besluit voor de toekomstige voorzieningen in de eenheid Noord-Nederland.
Hoe is het mogelijk dat met het huidige cellentekort, de politie-eenheid Rotterdam die beschikt over 228 cellen slechts een bezettingsgraad kent van slechts 44%?
Bent u het ermee eens dat de sluiting totaal onverenigbaar is met de maatregelen die nu al gelden om het capaciteitsvraagstuk in het gevangeniswezen te onderdrukken, zoals onder andere: het eerder heenzenden van gedetineerden en het niet oproepen van zelfmelders? De cellencomplexen binnen de politie-eenheid Rotterdam zouden de landelijke tekorten in het gevangeniswezen toch kunnen opvangen?
Hoe is het uitlegbaar aan de maatschappij dat aan de ene kant miljoenen worden geïnvesteerd om onder andere de Penitentiaire Inrichting Almere te heropenen en aan de andere kant cellencomplexen worden gesloten?
Het nieuwsbericht “Bloed, agressie en wapens tekenen grimmige sfeer rond Ter Apel: ‘Elke dag wordt er gevochten’” |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsbericht «Bloed, agressie en wapens tekenen grimmige sfeer rond Ter Apel: «Elke dag wordt er gevochten»»?1
Ja
Heeft u kennisgenomen van de eerdere schriftelijke vragen die ik over de situatie rond Ter Apel heb gesteld?
Ja
Waarom moet de Kamer via de media vernemen dat de situatie in Ter Apel zo ernstig is dat zelfs het Rode Kruis en VluchtelingenWerk zich hebben teruggetrokken? Waarom bent u hierover niet uit eigen beweging naar de Kamer gekomen?
Er is in Ter Apel al langere tijd sprake van een aanhoudende overlastproblematiek. Op meerdere momenten heb ik uw Kamer over deze situatie en de inzet van extra maatregelen geïnformeerd.2 In de afgelopen periode is de druk op de opvang verder toegenomen door een landelijk tekort aan opvangplekken. Om die reden heeft het COA op 20 mei jl. moeten besluiten over te gaan tot gecontroleerde toegang voor de opvanglocatie in Ter Apel. Door deze gecontroleerde toegang is de situatie ontstaan dat asielzoekers die niet in aanmerking komen voor opvang op grond van de kwetsbaarheidstoets tijdelijk op het voorterrein bij de opvanglocatie verblijven. Zij worden wel geregistreerd. Op het voorterrein hebben zich in de afgelopen periode verschillende incidenten voorgedaan, de maatregelen die werden genomen hebben niet gezorgd dat de situatie in Ter Apel structureel verbeterde. Om die reden heb ik aanvullende maatregelen genomen. Over deze maatregelen heb ik uw Kamer op maandag 13 juli jl. geïnformeerd.
Hoe lang bent u er al mee bekend dat er dit soort ernstige incidenten – geweld, steekpartijen, wapenbezit – spelen in en rond Ter Apel? Sinds welk moment precies?
Er is in Ter Apel al langere tijd sprake van een aanhoudende overlastproblematiek. Op meerdere momenten heb ik uw Kamer over deze situatie en de inzet van extra maatregelen geïnformeerd.3
Kunt u een volledig overzicht geven van alle geweld- en overlastincidenten in en rond het aanmeldcentrum Ter Apel in 2026, uitgesplitst naar aard van het incident (mishandeling, bedreiging, wapenbezit, steekincident, vernieling, et cetera)?
Jaarlijks publiceert het COA een overzicht van alle incidenten in de opvanglocaties, waaronder Ter Apel Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd en naar de Kamer gestuurd.4
Hoe is de situatie bij de overige asielzoekerscentra in Nederland? Kunt u per locatie een overzicht geven van het aantal geweld- en overlastincidenten in 2026?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat voortaan bij álle strafbare feiten die door asielzoekers worden gepleegd aangifte wordt gedaan en vervolging plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Indien sprake is van strafbare feiten of vermoedens daarvan, doet het COA melding en/of aangifte bij de politie, of adviseert bewoners zelf om melding en/of aangifte te doen. COA blijft het doen van aangifte stimuleren zodat daadwerkelijk strafrechtelijke opvolging kan plaatsvinden.
Hoe vaak worden op dit moment strafbare feiten door asielzoekers gepleegd zonder dat daarvan aangifte wordt gedaan? Kunt u dit in cijfers uitdrukken, en zo nee, waarom houdt u dit niet bij?
Voor een cijfermatig overzicht van het aantal verdachtenregistraties van COA-bewoners en de strafrechtelijke afdoeningen door het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak verwijs ik naar de zogeheten Incidentenmonitor van het WODC. Op 2 juli jl. is de rapportage over 2019–2025 door het WODC gepubliceerd.5
Bent u bereid de Kamer voortaan proactief en periodiek te informeren over strafbare feiten die door asielzoekers worden gepleegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
De vechtpartijen op het voorterrein van Ter Apel na het vertrek van het Rode Kruis |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over de vechtpartijen op voorterrein Ter Apel op de eerste avond zonder Rode Kruis?1 2 3
Ja.
Kunt u bevestigen dat er op de eerste avond nadat het Rode Kruis en VluchtelingenWerk hun hulpverlening op het voorterrein van Ter Apel hebben gestaakt, meerdere opstootjes en vechtpartijen hebben plaatsgevonden tussen een groep mannen en vluchtelingen uit het aanmeldcentrum?
De afgelopen weken, ook voordat het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk op vrijdagavond 10 juli hun hulpverlening op het voorterrein van Ter Apel tijdelijk hebben neergelegd, hebben zich helaas verschillende incidenten voorgedaan.
Overlast, intimidatie en bedreiging door wie dan ook is onacceptabel, bij COA en in de openbare ruimte. Veiligheid is de eerste voorwaarde om hulp te kunnen verlenen. Om die reden zijn aanvullende maatregelen genomen om te komen tot een situatie waarin iedereen op een veilige manier zijn werk en taken kan uitvoeren, waar ik uw Kamer bij brief van 13 juli over heb geïnformeerd.4
Bent u het eens met de stelling dat het feit dat er, direct na het vertrek van hulporganisaties, al vechtpartijen uitbreken, precies bevestigt waarvoor al langer werd gewaarschuwd, namelijk dat de veiligheidssituatie in Ter Apel volstrekt onhoudbaar is geworden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen of beveiligers en agenten bij elke confrontatie hebben ingegrepen, en zo niet, waarom niet in alle gevallen is ingegrepen?
In de eerste twee weken van juli zijn elf aanhoudingen verricht. Een deel van de verdachten waren eerder bekend bij de politie.
Zijn er naar aanleiding van deze vechtpartijen arrestaties verricht? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid dit alsnog te (laten) onderzoeken?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u het eens met de stelling dat de beslissing van het Rode Kruis en VluchtelingenWerk om zich terug te trekken, na twee steekincidenten in twee dagen tijd, een ernstig signaal is dat het kabinet al veel eerder had moeten oppakken? Zo nee, waarom niet?
Overlast, intimidatie en bedreiging door wie dan ook is onacceptabel, bij COA en in de openbare ruimte. Om te komen tot structurele oplossingen zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang. Het is hierbij cruciaal dat eenieder in veiligheid het werk uit kan voeren.
Kunt u aangeven welke concrete maatregelen er sinds het vertrek van deze hulporganisaties zijn genomen om de veiligheid van medewerkers, beveiligers en asielzoekers op het voorterrein te waarborgen?
Voor wat betreft de concrete maateregelen die ik heb genomen verwijs ik naar mijn brief5 aan uw Kamer van 13 juli jl. Om te komen tot een structurele oplossing zijn verschillende maatregelen essentieel. Naast de reeds ingezette maatregelen om meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen, blijf ik me inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat een kleine groep mensen met weinig kans op asiel, zoals VluchtelingenWerk zelf aangeeft, verantwoordelijk is voor een dusdanig onveilige situatie dat hulporganisaties zich genoodzaakt zien te vertrekken? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Bent u bereid deze groep overlastgevers met voorrang uit te zetten of in vreemdelingenbewaring te plaatsen, in plaats van het probleem te laten voortduren op kosten van de veiligheid van al het personeel op het voorterrein?
Uitgangspunt is dat bij strafbare feiten normerend wordt opgetreden. Dat vereist nauwe samenwerking tussen de strafrechtketen, vreemdelingenketen en lokale driehoek. Voor verdachten moet duidelijk zijn dat het plegen van een misdrijf direct gevolgen heeft in de vorm van lik-op-stuk. De inzet van de vreemdelingenketen is erop gericht om de asielprocedures van overlastgevers snel- en slagvaardig af te doen, waarbij de IND na een onherroepelijke veroordeling altijd beziet of intrekking of weigering van een asielvergunning mogelijk is, en de DTenV direct na afwijzing voortvarend inzet op terugkeer naar land van herkomst of overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
Erkent u nu eindelijk dat er sprake is van een asielcrisis, en bent u bereid de grenzen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
De inzet van de aanpak van overlast is helder: negatief gedrag niet tolereren en normerend optreden. Dit kabinet kiest ervoor meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen. Daarbij ben ik bereid om alle juridische ruimte te gebruiken, maar zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte om de grenzen te sluiten.
Het bericht Bloed, agressie en wapens tekenen grimmige sfeer rond Ter Apel: ‘Elke dag wordt er gevochten’” |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het nieuwsbericht «Bloed, agressie en wapens tekenen grimmige sfeer rond Ter Apel: «Elke dag wordt er gevochten»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de eerdere schriftelijke vragen die ik over de situatie rond Ter Apel heb gesteld?
Ja.
Bent u bereid direct in te grijpen, alle misdragende asielzoekers onmiddellijk op te pakken, vast te zetten en uit te zetten, de orde te handhaven bij alle asielzoekerscentra en per direct een totale asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Bij brief van 13 juli jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de extra maatregelen naar aanleiding van de situatie in Ter Apel.2 Wanneer asielzoekers onherroepelijk veroordeeld zijn voor een misdrijf, beoordeelt de IND altijd of dit ook verblijfsrechtelijke gevolgen heeft. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de verblijfsduur van de vreemdeling en de duur van de opgelegde gevangenisstraf. Na een weigering of intrekking van de verblijfsvergunning door de IND start de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) het terugkeerproces. Zoals al vaker aangegeven bestaat er geen juridische ruimte voor een asielstop. Dit kabinet kiest ervoor meer grip op migratie te krijgen door verlaging van de instroom en versnelde en effectieve terugkeer met bijzondere aandacht voor overlastgevende en criminele vreemdelingen. Daarnaast blijf ik mij inzetten voor fatsoenlijke opvang en de uitvoering van de Spreidingswet. Ook is snelle doorstroming van statushouders naar gemeentelijke huisvesting van belang.
De dood van Karin in Nieuw-Vennep en de gevaren van open grenzen |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de gewelddadige dood van Karin (59), medewerkster van ABN AMRO, die op 30 maart jl. is omgekomen op een parkeerplaats bij het station in Nieuw-Vennep?1
Klopt het dat de verdachte, Adil Q. (36), de Italiaanse nationaliteit heeft, dat hij al eerder – rond 12 maart – is aangehouden voor winkeldiefstal, en dat hij ook betrokken was bij een mishandelingszaak in Amsterdam?
Deelt u de mening dat het volstrekt onbegrijpelijk is dat iemand die al meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen en kampt met ernstige psychiatrische problematiek, gewoon vrij door Nederland kon blijven rondlopen totdat hij een vrouw het leven benam? Zo nee, waarom niet?
Was bij de Nederlandse autoriteiten bekend dat de verdachte in zijn land van herkomst behandeling voor zijn psychiatrische problematiek heeft geweigerd? Zo ja, waarom is hier destijds niets mee gedaan? Zo nee, hoe kan het dat zulke cruciale informatie niet beschikbaar was?
Is naar aanleiding van de aanhouding voor winkeldiefstal begin maart een risico-inschatting gemaakt over mogelijk gevaar voor de openbare orde en veiligheid? Zo ja, wat was de uitkomst en waarom is deze man dan niet direct aangepakt? Zo nee, deelt u de mening dat dit een ernstig gebrek aan alertheid van politie en justitie blootlegt?
Deelt u de conclusie dat dit drama een zoveelste voorbeeld is van hoe het vrije verkeer van personen binnen de EU – zonder verplichte, uniforme uitwisseling van strafrechtelijke en psychiatrische gegevens – de veiligheid van Nederlanders in gevaar brengt? Zo nee, hoe verklaart u dan dat deze man ondanks een strafblad gewoon in Nederland kon wonen en werken?
Bent u bereid zich in Brussel hard te maken voor een verplichte uitwisseling van strafrechtelijke gegevens tussen EU-lidstaten, zodat dit soort zaken niet buiten beeld blijven van de Nederlandse autoriteiten? Zo nee, hoe lang moeten Nederlandse vrouwen als Karin nog de prijs betalen voor dit gebrek aan grip op onze grenzen?
Deelt u de mening dat politie en Openbaar Ministerie in hun eigen berichtgeving open en duidelijk moeten zijn over relevante achtergrondkenmerken van verdachten, zoals nationaliteit en strafrechtelijk verleden, in plaats van dit te verhullen achter algemene termen als «arbeidsmigrant»? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om buitenlanders, inclusief EU-burgers, met criminele antecedenten direct na hun (laatste) veroordeling of aanhouding ons land uit te zetten? Zo nee, waarom niet?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geweldsmisdrijven in de afgelopen vijf jaar waarbij EU-arbeidsmigranten met een strafblad en/of bekende psychiatrische problematiek betrokken waren? Zo nee, waarom niet, en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Op welke termijn kunt u de Kamer nader informeren over deze zaak en over concrete maatregelen om herhaling te voorkomen?
De wetenschappelijke onderbouwing van het VGO-III-onderzoek en de openbaarmaking van de onderliggende data |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
van Essen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Heeft de geit het weer gedaan? Het bewijs is broodmager dat omwonenden longontstekingen krijgen door de geitenhouderij» in NRC van 9 juli 2026?
Hoe beoordeelt u de kritiek van hoogleraar Marc Bonten dat de gebruikte huisartscode (R81) geen harde diagnose longontsteking vormt en dat bij slechts een kwart van de geïncludeerde patiënten een verhoogd CRP-gehalte werd gevonden? Acht u de zekerheid van de gestelde diagnose voldoende voor de verstrekkende conclusies die aan het onderzoek worden verbonden?
Erkent u dat de boodschap van Marc Bonten niet nieuw is, aangezien in 2020 professor Gerhard Zielhuis, destijds nog lid van de Gezondheidsraad, in zijn review van de VGO-onderzoeken, de huisartsendata de zwakste schakel van het VGO-onderzoek genoemd heeft terwijl die data de basis van dit onderzoek vormen (deze informatie van Zielhuis heeft het RIVM destijds niet met VWS en en het toenmalige Ministerie van LNV gedeeld maar die informatie is later op basis van een WOO-verzoek openbaar gemaakt)?
Gezien bovenstaande: waarom is er in de tussentijd toch gevaren op de huisartsendata, terwijl de informatie van Gerhard Zielhuis via de WOO gewoon openbaar was?
Hoe beoordeelt u de constatering dat in het promotieonderzoek van epidemioloog Inge Roof geen verhoogd gebruik van antibiotica wegens longontsteking en geen verhoogde ziekenhuisopname onder omwonenden van geitenhouderijen werd gevonden, terwijl deze hoofdstukken niet zijn opgenomen in het VGO-III-rapport? Waarom zijn resultaten die mogelijk afwijken van de hoofdconclusie niet integraal meegewogen?
Deelt u de opvatting van veterinair epidemioloog Ynte Schukken dat sprake kan zijn geweest van een «fishing expedition», waarbij in een zeer grote hoeveelheid data naar uiteenlopende verbanden is gezocht zonder dat een oorzakelijk verband overtuigend is aangetoond? Hoe is binnen het VGO-consortium gewaarborgd dat gevonden associaties niet het gevolg zijn van toevalsbevindingen?
Hoe beoordeelt u de analyse van medisch statisticus Maarten van Smeden dat de openbaar beschikbare gegevens onvoldoende informatie bevatten om de stabiliteit van het verband tussen geitenhouderijen en longontsteking goed te beoordelen, dat de onzekerheidsmarges breed zijn en dat sprake kan zijn van een zogenoemde «winner’s curse»?
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de in het VGO-onderzoek genoemde bacteriën niet specifiek voor geitenhouderijen zijn, maar ook in allerlei andere omgevingen en op alledaagse voorwerpen worden aangetroffen? Welke wetenschappelijke onderbouwing rechtvaardigt dan de conclusie dat juist geitenhouderijen de bron van het veronderstelde verhoogde risico zouden zijn?
Herinnert u zich de motie-Van der Plas waarin werd verzocht de geanonimiseerde VGO-III-data digitaal, doorzoekbaar en herbruikbaar beschikbaar te stellen voor onafhankelijke toetsing? Waarom werd deze motie destijds ontraden, terwijl de recent aangenomen motie-Den Hollander/Grinwis met een vergelijkbare strekking wel oordeel Kamer heeft gekregen?
Welke inhoudelijke verandering heeft ertoe geleid dat een verzoek om onafhankelijke toetsbaarheid van de VGO-data eerder niet wenselijk werd geacht en nu wel wordt ondersteund?
Bent u bereid ervoor zorg te dragen dat onafhankelijke, niet bij het VGO-consortium betrokken onderzoekers daadwerkelijk toegang krijgen tot de volledige geanonimiseerde dataset van het VGO-III-onderzoek, zodat een integrale peer review en heranalyse van het complete onderzoek kan plaatsvinden?
Hoe verklaart u dat de in de Kamerbrief van 4 februari 2025 genoemde schattingen van 100–600 extra ziekenhuisopnames en 20–100 extra sterfgevallen per jaar later door de Gezondheidsraad zijn teruggebracht naar respectievelijk 19 ziekenhuisopnames en 8 sterfgevallen, terwijl de onderliggende uitgangswaarden grotendeels gelijk zijn gebleven? Welke berekeningsmethode is gewijzigd, op wiens initiatief is die wijziging doorgevoerd en welke wetenschappelijke toetsing heeft daarop plaatsgevonden?
Deelt u de opvatting dat goed bestuur vereist dat bij grote maatschappelijke en economische gevolgen van beleid ook expliciet aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke onzekerheden en alternatieve verklaringen? Hoe verhoudt zich dat tot de stellige communicatie die de afgelopen jaren rondom geitenhouderijen heeft plaatsgevonden?
Hoe beoordeelt u de indruk die uit de publicatie in NRC naar voren komt dat kritische wetenschappers, waaronder epidemiologen, statistici en medisch specialisten, wel inhoudelijke bezwaren hebben geuit tegen onderdelen van het VGO-III-onderzoek, maar dat deze kritiek niet of slechts beperkt zichtbaar is teruggekomen in de uiteindelijke rapportage en communicatie richting Kamer en samenleving?
Kunt u aangeven op welke wijze afwijkende wetenschappelijke opvattingen binnen het VGO-traject zijn gewogen, vastgelegd en betrokken bij de uiteindelijke conclusies, en bent u bereid de Kamer inzicht te geven in de interne en externe wetenschappelijke consultaties die hierover hebben plaatsgevonden?
Waarom heeft het Ministerie van VWS in eerdere communicatie richting Kamer en samenleving niet nadrukkelijker gereageerd op de wetenschappelijke kritiek en de signalen van onzekerheid die inmiddels door verschillende onderzoekers, epidemiologen en statistici naar voren zijn gebracht?
Welke communicatie zal het kabinet naar aanleiding van de recente aanvullende analyses richting provincies verzorgen? Wordt daarbij ook ingegaan op de vraag of bestaande geitenmoratoria nog passend en proportioneel zijn?
Acht u de huidige geitenmoratoria nog steeds te rechtvaardigen, nu uit de aanvullende analyses blijkt dat het statistisch significante verband zich vooral beperkt tot een afstand van maximaal 500 meter en voor de afstand tussen 500 en 1.000 meter niet meer statistisch significant is?
Kan de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur aangeven welke aanvullende maatregelen of beperkingen geitenhouders nog kunnen verwachten in relatie tot de stikstofaanpak en andere voorgenomen beleidsmaatregelen, en op welke wetenschappelijke onderbouwing deze maatregelen zullen worden gebaseerd?
Kunt u een inschatting maken van de economische schade die geitenhouders de afgelopen jaren hebben geleden als gevolg van geitenmoratoria, vergunningbeperkingen, uitgestelde investeringen en negatieve berichtgeving over vermeende gezondheidsrisico’s? Zo nee, bent u bereid een dergelijke inventarisatie alsnog te laten uitvoeren?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van langdurige moratoria, beperkende beleidsmaatregelen en negatieve publieke beeldvorming grote gevolgen kan hebben gehad voor de bedrijfsvoering, financierbaarheid en toekomstperspectieven van geitenhouders? Zo ja, hoe weegt u deze gevolgen mee bij de verdere besluitvorming over eventuele maatregelen?
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk beantwoorden, doch ruim vóór het debat over zoönosen en dierziekten dat op 9 september 2026 staat gepland?
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Offlimits verricht zeer waardevol werk waaraan een sterke maatschappelijke behoefte is. Offlimits opereert in een speelveld waarin meerdere partijen deels vergelijkbare rollen vervullen. Zo onderzoekt de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) in hoeverre materiaal dat zij zelf vinden of bij hen gemeld wordt beoordeeld kan worden als terroristisch of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten dienen na een dergelijke classificatie dat materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Ook Offlimits helpt in het offline halen van beeldmateriaal van seksueel misbruik van minderjarigen of andere illegale content door meldingen daarvan ten doen aan platforms, mede geholpen door de status van Offlimits als trusted flagger. Met name voor deze functie van Offlimits is qua snelheid en schaalbaarheid momenteel geen goed alternatief beschikbaar. Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN), het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG) en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Net als bij Offlimits kan bij het CSG en Slachtofferhulp Nederland (online) hulp en advies worden ingewonnen over ervaringen met online seksueel geweld. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken CSG, SHN en Offlimits gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door.
De ATKM, het CSG, Offlimits, en SHN worden (mede) door mijn ministerie gefinancierd.
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
In het rapport «Regeren is vooruitzien» benoemt Offlimits dat zij een sterke toename in het aantal te verwerken URL’s ziet: in 2023 zijn 535.802 URL's verwerkt, in 2024 603.062 en in 2025 927.581.
Het aantal meldingen dat het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) heeft ontvangen is in 2024 gestegen naar 70.000. Het aantal meldingen dat TBKK in 2025 ontving is ten opzichte van 2024 enigszins gedaald naar 58.216 meldingen. De fluctuatie in het aantal meldingen die TBKK ontvangt kent verschillende oorzaken.
De meldingen die TBKK ontvangt betreffen platformmeldingen die via de Cybertipline van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) bij TBKK binnenkomen. Wijzigingen in wet- en regelgeving voor communicatie- en techplatforms in de Verenigde Staten hebben een groot effect op het aantal meldingen dat NCMEC ontvangt. Zo is in 2024 de meldingsplicht voor een aantal feiten aangescherpt, wat een sterke stijging van het aantal meldingen heeft veroorzaakt. Daarnaast wordt het aantal meldingen dat de politie ontvangt niet uitsluitend beïnvloed door wijzigingen in het juridische kader, maar ook in sterke mate door de keuzes die aanbieders van communicatiediensten maken ten aanzien van hun werkwijze en technische inrichting. Zo kunnen wijzigingen in de toepassing van end-to-end encryptie of in de wijze waarop platforms detectie uitvoeren een aanzienlijke invloed hebben op het aantal meldingen dat de politie ontvangt.
Bovendien neemt het aantal misbruikbeelden dat online wordt verspreid in het algemeen sterk toe, mede als gevolg van het grenzeloze karakter van het internet. Door technologische ontwikkelingen zijn daarnaast nieuwe vormen van online seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag ontstaan. Denk hierbij aan beeldmateriaal dat is gegenereerd met AI, zoals nudify-technologie en grooming van grote aantallen slachtoffers.
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
De snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal vind ik zeer zorgelijk. Daarom vind ik het terecht dat het zonder toestemming maken, bezitten en openbaar maken van AI-gegenereerde seksuele deepfakes in Nederland strafbaar is.2 Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van kinderen, dan is het kinderpornografie.3 Dus, het is strafbaar om zowel van volwassenen (zonder toestemming) als kinderen AI-gegenereerde naaktbeelden te maken. Ook in de Europese Unie AI-verordening is een verbod opgenomen op het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.4 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de AI-verordening. Dit is een bestuursrechtelijk verbod. Daarnaast blijf ik partijen zoals Offlimits subsidiëren, om de waardevolle bijdrage die zij aan een veilig internet leveren te ondersteunen.
Zoals ik u heb toegezegd tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart 2026 en in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven van 16 maart 2026 zal ik u in september van dit jaar een brief doen toekomen waarin de aanpak van seksuele deepfakes in meer detail wordt beschreven.
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Ik ben, voor zover publicaties daarover inzicht geven, bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal. Ik deel de zorg van het Fonds Slachtofferhulp dat AI-deepfakes deze omvang sneller dan ooit kunnen doen groeien.
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Het klopt dat mijn ministerie de subsidie aan Offlimits vermindert. Het door het kabinet-Schoof ingestelde, en door het huidige kabinet gehandhaafde besluit om te bezuinigen op de uitgaven van de Rijksoverheid raakt ook de subsidies die mijn ministerie verstrekt. De subsidie aan Offlimits is hier één van. Deze bezuiniging op subsidies geldt in principe voor alle organisaties die subsidie van mijn ministerie ontvangen, ongeacht de doelen van deze organisaties, en de aard en omvang van de problematiek die zij trachten tegen te gaan. De subsidie aan Offlimits vanuit mijn ministerie wordt oplopend5 tussen 2025 en 2029, waarna structureel, met 24% verminderd als gevolg van de taakstelling die het kabinet-Schoof heeft ingesteld. Dat komt neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000.
Tegelijkertijd heb ik deze bezuiniging voor Offlimits in 2025 en 2026 reeds volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Daarnaast wordt samen met Offlimits bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan, waaronder door een externe audit te laten uitvoeren.
Ik heb geen gedetailleerd inzicht in de aard en omvang van de subsidie vanuit de Europese Unie aan Offlimits. Ik beperk me derhalve tot het antwoorden op de vraag over de subsidie die vanuit mijn ministerie wordt verstrekt.
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Het project «harmful but lawful» content loopt tot 31 december 2026. Hiervoor is een incidentele subsidie van € 500.000 euro toegekend aan Offlimits door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het project «harmful but lawful» zal naar verwachting op verzoek van Offlimits (budgetneutraal) worden verlengd tot april 2027. Na afloop daarvan wordt het project geëvalueerd. Een opvolgende subsidietoekenning is op dit moment niet aan de orde, omdat het project nog loopt en nog niet geëvalueerd is. Het staat Offlimits vrij in 2027 na afloop van het project een nieuw subsidieverzoek in te dienen. Beoordeling daarvan verloopt via reguliere procedures waarbij ook wordt gekeken naar concrete activiteiten, resultaten en de verhouding tot bestaande initiatieven en andere aanvragen voor financiering.
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
De hoeveelheid meldingen en hulpvragen aan Offlimits groeit al enige jaren. Ik verwacht dat die groei doorzet. De voorgenomen bezuiniging op de subsidie aan Offlimits staat op gespannen voet met de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen aan Offlimits. Mede daarom heb ik in 2025 en 2026 de voorgenomen bezuiniging gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Zoals in antwoord op vraag 6 beschreven, komt de subsidietaakstelling neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000. De analyse dat deze bezuiniging consequenties heeft voor de capaciteit van Offlimits om de gestelde doelstellingen te realiseren, deel ik. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan. Daarbij kan onder meer ook aandacht worden gegeven aan de bedrijfsvoering. Ik merk hierbij op dat vanwege uitbreiding van het takenpakket van Offlimits de begroting zeer sterk is gegroeid.6 Dat heeft onmiskenbaar gevolgen voor de organisatie. Ik heb daarom afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. Daarbij kunnen ook leerpunten voor de bedrijfsvoering naar voren komen.
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Offlimits vervult een belangrijke functie binnen het «ecosysteem» van organisaties die seksueel kindermisbruik bestrijden. Door de laagdrempelige meldvoorziening en hulpaanbod kunnen slachtoffers snel geholpen worden en wordt verdere escalatie en ernstiger problematiek voorkomen. De gedachte hier achter is dat voor slachtoffers verdere ontwrichting voorkomen kan worden, waarmee potentiële (financiële) lasten elders in de keten of maatschappij kunnen worden beperkt. De mogelijke effecten van het wegvallen van deze functie zijn moeilijk te kwantificeren.
Ik verwacht dat indien de voorliggende bezuinigingen inderdaad leiden tot het afschalen van de capaciteit van Offlimits, dit om bovenstaande reden zal doorwerken in de werkzaamheden en/of resultaten van de genoemde organisaties. De precieze effecten zullen verschillen per organisatie. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Er zijn structurele middelen beschikbaar op de begroting van mijn ministerie voor de financiering van Offlimits. Deze structurele middelen zijn echter aan een taakstelling onderworpen. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Ik heb afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. De audit wordt uitgevoerd door een externe partij. Deze audit is naar verwachting niet voor de begrotingsbehandeling gereed.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Piloot Pascal heeft baan gevonden, maar mag door extreme vertraging vliegbrevetten niet vliegen: «Kosten van mijn opleiding exorbitant hoog geweest»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat de ILT-Luchtvaartautoriteit kampt met ernstige achterstanden bij de afgifte van vliegbrevetten, bevoegdverklaringen en andere luchtvaartdocumenten? Zo ja, sinds wanneer bent u hiervan op de hoogte?
Ja, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is bekend met achterstanden bij de afgifte van vliegbrevetten en daaraan gerelateerde vergunningen door de ILT-Luchtvaartautoriteit sinds het najaar van 2025.
Hoe groot zijn de huidige achterstanden bij de ILT-Luchtvaartautoriteit? Kunt u deze uitsplitsen naar eerste brevetaanvragen, bijschrijvingen (ratings), verlengingen, medische certificaten en overige luchtvaartdocumenten? Wat zijn daarbij de gemiddelde en maximale doorlooptijden per categorie?
Er staan momenteel (situatie 10 augustus 2026) 768 pilotenbrevetten (Flight Crew Licences (verder: «FCL»)) aanvragen open, waarvan 308 buiten de wettelijke termijn van 8 weken vallen. Daarvan zijn 115 eerste brevetaanvragen, 136 wijzigingen en 57 in categorie «overig». Bij 151 aanvragen ligt er een actie bij de aanvrager (betalen, aanvullen, indienen zienswijze, of reactie van een andere autoriteit). De gemiddelde doorlooptijden per categorie zit niet in de automatische data-analyse. Er zijn geen achterstanden bij de aanvragen van medische certificaten.
Het doel is om de doorlooptijden van de pilotenbrevetten uiterlijk aan het einde van deze zomer weer binnen de wettelijke termijn te brengen. Daarbij blijven kwaliteit en luchtvaartveiligheid onverminderd leidend. Aanvragers die begin juli 2026 zijn geïnformeerd over een langere beslistermijn, kunnen een beslissing op hun aanvraag (zie ook vraag 4) naar verwachting aanzienlijk eerder ontvangen. Hierover hebben de aanvragers op 22 juli jl. een nadere toelichting ontvangen.
Klopt het dat aanvragers in individuele gevallen is meegedeeld dat aanvragen pas uiterlijk op of rond 1 maart 2027 worden afgehandeld? Zo ja, hoe vaak is dit voorgekomen en hoe verhoudt zich dit tot de wettelijke beslistermijnen uit de Algemene wet bestuursrecht?
Ja, dat klopt. Er zijn in totaal 499 verdaagbrieven2 verzonden aan FCL-aanvragers, waarin vanwege de op dat moment verwachte doorlooptijden een uiterste beslisdatum is opgenomen die in sommige gevallen doorloopt tot maart 2027.
De ILT-Luchtvaartautoriteit heeft inmiddels maatregelen genomen om de doorlooptijden zo snel mogelijk terug te brengen naar de wettelijke beslistermijn van acht weken. Deze maatregelen zien zowel op nieuwe als bestaande aanvragen. Hierdoor is de verwachting dat aanvragers die een verdaagbrief hebben ontvangen met een beslistermijn tot december 2026 of later, hun brevet eerder zullen ontvangen dan de in de brief genoemde uiterste datum. Een exacte afhandelingsdatum kan op dit moment niet worden gegeven.
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan binnen een redelijke termijn op een aanvraag te beslissen. Als er geen sprake is van een wettelijk vastgelegde termijn dan is de redelijke termijn 8 weken. Als het niet lukt om binnen deze termijn te beslissen, kan binnen de beslistermijn verlengd worden.
De brieven zijn verstuurd naar aanvragers waarvan de aanvraag nog binnen de beslistermijn zat, maar ook naar aanvragers waarvan de beslistermijn al verlopen was.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van de ontstane achterstanden? Kunt u aangeven in welke mate deze worden veroorzaakt door personele capaciteit, ICT-systemen, organisatorische veranderingen of andere factoren?
De werkzaamheden rond het certificeren van piloten (FCL), medewerkers luchtruimbeheer (ATCO, FISO en ASO) en onderhoudstechnici (AML) in Nederland zijn per 1 juni 2025 overgegaan van Kiwa Register (Kiwa) naar de ILT-Luchtvaartautoriteit. Sinds 10 juni 2025 behandelt de ILT-Luchtvaartautoriteit de nieuwe aanvragen.
In eerste instantie is er bij de overgang van de werkzaamheden een achterstand meegekomen. Die is in de loop van 2025 weggewerkt. Later zijn de doorlooptijden van de aanvragen toch weer opgelopen. De oorzaak zit in een combinatie van factoren als capaciteit (niet alle Kiwa-medewerkers zijn meegekomen, uitval en vertrek van medewerkers), afspraken over inzet van medewerkers en de tijd die het kost om nieuw personeel in te werken, bekend te maken met de (complexe) procedures en de ICT-systemen. Ook de taakstelling is een factor van belang.
Daarnaast ontvangt de ILT-Luchtvaartautoriteit op dit moment een groot aantal (complexe) aanvragen.
Inzet en verdeling van capaciteit is altijd een aandachtspunt. Er bleek door bovenstaande factoren meer inzet nodig om de achterstanden weg te werken dan de afgelopen tijd beschikbaar was. Daarom is er geprioriteerd om de inzet en verdeling van capaciteit te richten op het wegwerken van de achterstanden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat piloten die hun opleiding succesvol hebben afgerond of een aanvullende bevoegdheid (rating) hebben behaald, uitsluitend door administratieve vertragingen bij de overheid niet aan het werk kunnen of hun werkzaamheden niet mogen uitvoeren? Welke gevolgen heeft dit volgens u voor de arbeidsmarkt, de luchtvaartsector en de concurrentiepositie van Nederland?
Ik deel de mening dat deze situatie zeer onwenselijk is. De achterstanden in de afgifte van brevetten kunnen gevolgen hebben voor de beschikbaarheid en inzetbaarheid van vliegers op de arbeidsmarkt. Vertraging in de afgifte kan ertoe leiden dat vliegers later beschikbaar zijn voor functies waarvoor een geldig brevet vereist is.
Dit kan tijdelijk gevolgen hebben voor de operationele inzetbaarheid van luchtvaartbedrijven en onderstreept het belang van tijdige en voorspelbare afhandeling van brevetaanvragen voor een goed functionerende luchtvaartsector.
Om de gevolgen van de huidige achterstanden zoveel mogelijk te beperken, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de geldigheid van het tijdelijke brevet (temporary permission) tijdelijk verlengd van acht naar zestien weken. Zie daarvoor de afdoening van de bovenstaande motie en het antwoord op vraag 8 en 11.
Klopt het dat de tijdelijke bevoegdheid die na een succesvol praktijkexamen kan worden afgegeven, bedoeld is om de periode tot afgifte van het definitieve brevet of de definitieve bijschrijving door de ILT te overbruggen? Wat is de beoogde maximale overbruggingsperiode van deze regeling?
Ja dat klopt. Met een tijdelijk brevet, een zogenaamde «temporary permission», mag een kandidaat maximaal 8 weken de nieuw behaalde bevoegdheid uitoefenen.
Herkent u het beeld dat de tijdelijke bevoegdheid in een toenemend aantal gevallen verloopt voordat de ILT de aanvraag heeft afgehandeld? Hoe vaak is dit het afgelopen jaar voorgekomen?
Ja dat herken ik. Piloten mogen na de vaardigheidstest (skill test) of bekwaamheidsbeoordeling (assessment of competence) voor uitbreiding van hun vliegbrevet in de meeste gevallen 8 weken de nieuw behaalde bevoegdheid uitoefenen met een «Declaration for temporary permission to act as a pilot with a rating or certificate».3 Dit document wordt afgegeven door de examinator. Binnen deze periode wordt normaliter het nieuwe brevet verstrekt.
Om de gevolgen van de huidige achterstanden zoveel mogelijk te beperken, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de geldigheid van het tijdelijke brevet (temporary permission) tijdelijk verlengd van acht naar zestien weken. Deze maatregel geldt (met terugwerkende kracht) vanaf 23 juli 2026 tot en met 31 december 2026. Met de verlenging kunnen kandidaten gedurende een langere periode gebruikmaken van hun temporary permission in afwachting van de formele afgifte van hun brevet. Deze verlenging geld ook voor aanvragers waarvan het tijdelijke brevet van 8 weken al verlopen was.
Daarnaast heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit een vrijstelling (exemption) verleend aan studentpiloten die momenteel een Airline Transport Pilot (ATP) Integrated Course volgen (zie FCL.720A(b)(2). Onder voorwaarden mogen zij de opleiding voor een type rating multi-pilot aeroplane starten zonder dat zij al beschikken over het brevetdocument.
Aanvragers, instructeurs, examinatoren en sectorpartijen zijn hierover ingelicht.
De ILT-Luchtvaartautoriteit heeft de vrijstellingen (exemptions) ingediend bij EASA en gepubliceerd in de Staatscourant4. De tijdelijke verlenging is verder gepubliceerd op de website van de ILT-Luchtvaartautoriteit.
Klopt het dat hierdoor vliegers in sommige gevallen opnieuw een praktijkexamen moeten afleggen of een nieuwe tijdelijke bevoegdheid moeten aanvragen, uitsluitend doordat de administratieve afhandeling langer duurt dan de geldigheidsduur van de tijdelijke bevoegdheid? Hoe beoordeelt u deze situatie?
Op 23 juli heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de verlenging van het tijdelijke brevet (temporary permission) in laten gaan. Vanaf dat moment was deze situatie niet meer aan de orde.
Welke extra administratieve lasten en kosten brengt deze situatie volgens u met zich mee voor piloten, vliegscholen, examinatoren en luchtvaartmaatschappijen?
Zie antwoord op vraag 9.
Welke maatregelen heeft u sinds het ontstaan van de achterstanden genomen om de dienstverlening van de ILT-Luchtvaartautoriteit te verbeteren? Welke resultaten hebben deze maatregelen tot nu toe opgeleverd?
Om de FCL-achterstanden terug te dringen en de dienstverlening te verbeteren, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit verschillende maatregelen genomen. De capaciteit is tijdelijk en structureel uitgebreid door het aantrekken en opleiden van nieuwe medewerkers. Ook worden tijdelijk externe experts ingezet. Daarnaast worden ILT medewerkers flexibel ingezet, worden werkvoorraden actief gemonitord en wordt waar nodig geprioriteerd. Verder is een nieuw softwaresysteem voor o.a. de behandeling van brevetaanvragen (EMPIC) aangekocht, dat in de toekomst naar verwachting een versnelling van het proces tot gevolg zal hebben.
Deze maatregelen zijn gericht op het verkorten van de doorlooptijden en het creëren van een stabieler en voorspelbaarder aanvraagproces, waarbij de kwaliteit van de beoordeling en de luchtvaartveiligheid voorop blijven staan. De ILT-Luchtvaartautoriteit blijft zich inzetten om de achterstanden structureel terug te dringen. Het ministerie heeft er vertrouwen in dat de ingezette verbetermaatregelen de komende periode zullen bijdragen aan verdere verkorting van de doorlooptijden en dat aanvragen weer binnen de wettelijke termijnen kunnen worden afgehandeld.
Zie ook de afdoening van de motie hierboven.
Welke aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om de achterstanden weg te werken en ervoor te zorgen dat de ILT weer binnen de wettelijke beslistermijnen opereert?
Zie antwoord op vraag 11.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, te bezien welke mogelijkheden er zijn om te voorkomen dat volledig gekwalificeerde piloten en vlieginstructeurs onnodig aan de grond blijven staan als uitsluitend de administratieve afhandeling door de ILT nog niet is afgerond? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u? Zo nee, waarom niet?
Om de gevolgen van de huidige achterstanden zoveel mogelijk te beperken, heeft de ILT-Luchtvaartautoriteit de geldigheid van de temporary permission tijdelijk verlengd van acht naar zestien weken. Zie ook vraag 8.
Uiteraard is het ministerie bereid om te kijken naar verdere mogelijkheden om de gevolgen van de huidige situatie zoveel mogelijk te beperken. Daarbij geldt dat niet alle oplossingen mogelijk zijn, gelet op de Europese regelgeving en de eisen die worden gesteld aan een veilig en zorgvuldig stelsel van brevetverlening.
Kunt u de Kamer vóór het einde van het zomerreces informeren over de omvang van de achterstanden, de getroffen maatregelen en een planning waaruit blijkt wanneer de ILT weer aan de wettelijke beslistermijnen zal voldoen?
Ja.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het besluit van DOVA om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het samenwerkingsverband Decentrale OV-Autoriteiten (DOVA) om de landelijke ov-korting voor 65-plussers per 1 januari 2027 af te schaffen?
Ja, hiermee ben ik bekend.
Waarom is ervoor gekozen deze landelijke korting voor ouderen te beëindigen?
Het afschaffen van de korting voor 65-plussers in bus, tram en metro is een besluit van de decentrale overheden. Er worden keuzes gemaakt over de inzet van de middelen om het openbaar vervoer in de toekomst betaalbaar en beschikbaar te houden. De decentrale OV-autoriteiten hebben besloten om de aandacht te verschuiven van algemene kortingen naar een gerichte ondersteuning voor kinderen.
U noemde de nieuwe regeling voor kinderen «fantastisch», kunt u aangeven hoe deze reactie zich verhoudt tot het wegvallen van de landelijke ov-korting voor 65-plussers?
De reactie was gericht op het gratis reizen voor kinderen; dit scheelt veel gezinnen flink in de portemonnee.
Welke democratische controle bestaat er op een besluit van DOVA met zulke grote gevolgen voor ouderen?
Het regionaal openbaar vervoer is in Nederland gedecentraliseerd. Verantwoordelijk zijn de gedeputeerde staten in het geval van een provincie en het dagelijks bestuur (bestaande uit de wethouders met de portefeuille openbaar vervoer uit de betreffende regio) voor de vervoerregio’s; de democratische controle vindt ook daar plaats. Binnen Samenwerkingsverband DOVA werken deze decentrale OV-autoriteiten (provincies en vervoerregio’s) samen aan verschillende thema’s, de tariefbevoegdheid ligt bij de separate leden van DOVA. Deze wijziging van het Landelijk Tarievenkader (LTK) is goedgekeurd door alle aangesloten OV-autoriteiten. Daarmee hebben zij allen dezelfde afgestemde keuze gemaakt.
Acht u het wenselijk dat DOVA kan besluiten een landelijke regeling voor ouderen af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 4. Het LTK is niet geldig op het hoofdrailnet. De kortingsabonnementen voor 60- en 65-plussers op het hoofdrailnet blijven bestaan.
De betaalbaarheid van het ov in alle modaliteiten is een belangrijk onderdeel van gesprek in het NOVB. Een taskforce vanuit het NOVB kijkt naar verschillende kortingsproducten en neemt daarbij het recent opgeleverde rapport van de ABDTOPConsult over de betaalbaarheid van het ov-systeem mee. Zoals toegezegd in mijn brief van 19 juni ontvangt de Kamer na de zomer een kabinetsreactie op dit rapport.1
Hoeveel 65-plussers maken momenteel gebruik van de landelijke ov-korting?
Decentrale overheden hebben wel onderzoek gedaan naar het aantal reizen van deze doelgroep, maar niet naar de exacte grootte van de groep. Daarom is een exact cijfer over het aantal gebruikers niet beschikbaar.
Hoeveel gaan deze reizigers gemiddeld extra betalen?
De algemene leeftijdskorting van 34%, die nu nog in alle regionale concessies geldt, vervalt. De OV-autoriteiten kunnen (ook) zelf besluiten om een nieuw speciaal product voor 65-plussers aan te bieden. Daarnaast kan de doelgroep ook gebruikmaken van de bestaande kortingsproducten (ook vaak voor deze doelgroep) in hun regionale concessies. Hoeveel een reiziger gemiddeld meer kan betalen kan daarom niet worden aangegeven.
Heeft u in kaart gebracht welke gevolgen dit heeft voor de mobiliteit van ouderen?
Zie het antwoord op vraag 4. Het wel of niet in beeld brengen van deze gevolgen is aan de decentrale overheden.
Verwacht u dat ouderen hierdoor minder gebruik zullen maken van het openbaar vervoer?
Dit is niet te voorspellen. Prijs is niet de enige reden waarom mensen wel of niet reizen met het openbaar vervoer. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot meer eenzaamheid en minder participatie van ouderen?
Mobiliteit is voor iedereen van belang om goed mee te kunnen doen aan de maatschappij, ook voor ouderen. In het openbaar vervoer zijn daarvoor niet alleen de tarieven van belang, maar bijvoorbeeld ook de beschikbaarheid en de toegankelijkheid. De sector zet zich op al deze aspecten in.
Welke gevolgen verwacht u voor ouderen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer voor zaken zoals mantelzorg, vrijwilligerswerk of ziekenhuisbezoek?
De impact van deze wijziging verschilt per persoon en reisgedrag.
Wat vindt u ervan dat DOVA verwijst naar gemeenten voor gerichte maatregelen, terwijl gemeenten nu al financiële tekorten hebben?
Het betreft een verantwoordelijkheid van de decentrale overheden. Inkomensafhankelijke gerichte ondersteuning voor mensen met een laag inkomen wordt in Nederland geboden door gemeenten. DOVA verwijst naar de gemeenten vanwege hun rol, waarbij separate gemeenten binnen hun beleid kunnen kiezen of zij een bijdrage willen leveren aan mobiliteit in de vorm van openbaar vervoer voor mensen met een krappe beurs. Dat kunnen dan ook ouderen zijn, die daaronder vallen.
Acht u het wenselijk dat de toegang tot een ov-tegemoetkoming straks afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont?
Zie het antwoord op vraag 12.
Deelt u de zorg dat dit kan leiden tot veel regionale ongelijkheden?
Zie het antwoord op vraag 12. Dit vraagstuk is breder dan alleen de ov-tegemoetkoming.
Heeft u voor uw enthousiaste reactie nog overleg gevoerd met de Minister van VWS en de Minister van BZK over de gevolgen van het afschaffen van de landelijke ov-korting voor ouderen op hun portefeuilles, zoals eenzaamheid, toegang tot zorg en financiële druk op gemeenten?
Nee, dat contact is er niet geweest. De keuze van de decentrale overheden voor een andere doelgroep valt namelijk niet onder de verantwoordelijkheid van het Rijk. Over de reactie verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Heeft u zich georiënteerd op de kosten die terechtkomen bij gemeenten als zij deze korting zelf moeten regelen?
Het betreft een besluit van de decentrale overheden. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u zich ervan bewust dat een grote groep ouderen die niet door de herkeuring van hun rijbewijs komen volledig aangewezen is op openbaar vervoer?
Ja.
Deelt u de mening dat een generieke maatregel zowel voor jong als voor oud ook terechtkomt bij mensen die dit wel kunnen betalen?
Iedere generieke maatregel biedt ondersteuning aan mensen die het hard nodig hebben en aan mensen die mogelijk ook zonder kunnen. Voor gezinnen met meerdere kinderen kunnen de kosten snel oplopen en daarom wordt vaak voor vervoer per auto gekozen. Deze keuze voor een meer gerichte ondersteuning is op dit moment aan de decentrale overheden, maar het is ook onderwerp van gesprek in de taskforce betaalbaarheid van het NOVB.
Deelt u de mening dat een generieke maatregel eenvoudig en transparant is en dat een overgang naar 342 verschillende regelingen dat niet is?
Zie het antwoord op vraag 12. Dit vraagstuk is breder dan alleen de ov-tegemoetkoming.
Bent u bereid met DOVA in gesprek te gaan om de landelijke ov-korting voor 65-plussers alsnog te behouden?
Zie het antwoord op vraag 5. De betaalbaarheid van het ov voor alle doelgroepen is een belangrijk gespreksonderwerp in het NOVB.
Het bericht “Grote meerderheid Nederlanders vindt dat politie gezagsprobleem heeft” |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Grote meerderheid Nederlanders vindt dat politie gezagsprobleem heeft», waaruit blijkt dat 84% van de Nederlanders vindt dat de politie een gezagsprobleem heeft en 87% vindt dat harder moet worden opgetreden bij overtredingen en misdrijven?1
Hoe beoordeelt u deze cijfers, mede in het licht van de recente ongeregeldheden na voetbalwedstrijden van Marokko, waarbij de politie moest ingrijpen?
Deelt u de conclusie dat het overgrote deel van de bevolking het gezag van de politie in het geding ziet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit gezag te herstellen?
Kunt u aangeven in hoeverre eerdere incidenten van openbare-ordeverstoringen na voetbalinterlands zijn geëvalueerd, en welke lessen daaruit zijn getrokken voor de aanpak van vergelijkbare ongeregeldheden in de toekomst?
Klopt het dat de politie in bepaalde wijken en steden terughoudend is met optreden of bepaalde gebieden mijdt? Zo ja, in welke steden en gebieden? Sinds wanneer is dit beleid of deze praktijk aan de orde, en op welke schaal komt dit in Nederland voor?
Bent u van mening dat het mijden van wijken door de politie bijdraagt aan het door de bevolking ervaren gezagsprobleem?
Welke stappen heeft u sinds uw aantreden ondernomen en welke stappen onderneemt u om te voorkomen dat er in de praktijk sprake is van gebieden waar de rechtsstaat minder hard geldt?
Bent u bereid te onderzoeken welke rol de handhavingscapaciteit, het sanctiebeleid en de strafmaat spelen in het gevoel van straffeloosheid dat aan dit gezagsprobleem lijkt bij te dragen?
Bent u bereid, gelet op de wens van 87% van de Nederlanders om harder op te treden tegen overtredingen en misdrijven, op korte termijn met concrete voorstellen te komen om de handhaving en het gezag van de politie te versterken? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer deze voorstellen verwachten?
Bent u zich ervan bewust dat het nu primair aan u is om het gezag van de politie te herstellen?
Het bericht: België komt met omstreden tolvignet: vanaf 1 mei 2027 moeten we fors betalen voor matig asfalt |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit artikel?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat België buurlanden laat opdraaien voor het gebruik van hun wegen?
Het voornemen is om een wegenvignet voor alle gewestwegen (autosnelwegen en N-wegen) in België in te voeren voor alle motorvoertuigen met minstens vier wielen en met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 3,5 ton. Het wegenvignet zal gelden voor Belgische en buitenlandse automobilisten. Het wegenvignet zal verkrijgbaar zijn als jaarvignet (kosten € 90–125, afhankelijk van de uitstoot van het voertuig) maar ook voor kortere gebruiksperioden (bijvoorbeeld een dagvignet voor € 8,10–€ 11,25 of maandvignet voor 17,10–23,75). Uit de verkoop van het wegenvignet aan buitenlandse automobilisten verwacht Vlaanderen op jaarbasis € 130 miljoen aan extra overheidsinkomsten. Voor Nederlandse automobilisten die gebruik maken van het Belgische wegennet betekent dit een lastenverzwaring die ik betreur en waarover ik mijn zorgen heb gedeeld met de verantwoordelijke bewindspersoon in Vlaanderen.
De autobelastingen zijn in België een gewestelijke bevoegdheid. Vlaanderen, Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk gewest werken aan de invoering van één gezamenlijk wegenvignet. De Vlaamse regering heeft onlangs een principebesluit genomen over de invoering van het gezamenlijke wegenvignet én een hervorming van de Vlaamse autobelastingen (verkeersbelasting). De plannen voor het wegenvignet dienen in de drie gewestelijke parlementen goedgekeurd te worden. De plannen voor de Vlaamse verkeersbelasting worden alleen in het Vlaamse parlement behandeld. De parlementaire behandeling kan nog wijzigingen meebrengen.
Voor fossiele personenauto’s (uitgezonderd leaseauto’s) koppelt Vlaanderen de invoering van een wegenvignet budgettair gezien aan een hervorming van de jaarlijkse verkeersbelasting. Daarmee wordt beoogd de aanpassingen voor Vlaanderen (wegenvignet en verkeersbelastingen) in 2027 globaal budgetneutraal in te voeren. Voor individuele automobilisten kan dit in de praktijk wisselend uitpakken. Afhankelijk van het type auto kan het totale bedrag dat een Vlaamse autobezitter in de nieuwe situatie kwijt is (verkeersbelasting en wegenvignet) ongeveer gelijk zijn aan, maar ook meer of minder zijn dan in de huidige situatie met uitsluitend verkeersbelasting. Voor Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk gewest is vooralsnog onbekend of wordt voorzien in een soortgelijke aanpassing van de autobelastingen.
Binnen de geldende Europese kaders mag er geen sprake zijn van discriminatie van buitenlandse voertuigen ten opzichte van binnenlandse voertuigen (artikel 7, tweede lid, van Richtlijn 99/62/EG). Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU blijkt dat eigen inwoners niet volledig mogen worden gecompenseerd voor de kosten die zij maken voor het aanschaffen van een wegenvignet. De Europese Commissie zal de voorgenomen invoering van het wegenvignet en de in Vlaanderen voorgenomen hervorming van de verkeersbelasting in samenhang moeten bezien om te beoordelen in hoeverre dit voldoet aan het non-discriminatiebeginsel. Vanuit Nederland zal ik hier ook scherp op toezien en daar waar nodig het gesprek aangaan met België en/of de Europese Commissie.
Beseft u zich dat Nederland dit ook kan doen en u zodoende meer geld kan binnenhalen om de grote tekorten op uw ministerie te verkleinen?
Ook in Nederland worden met tolheffing overheidsinkomsten gegenereerd, waarmee ook van buitenlandse weggebruikers een bijdrage wordt ontvangen. In Nederland betalen Nederlandse en buitenlandse vrachtwagens via de vrachtwagenheffing voor het gebruik van een deel van het wegennet. Ook is er sprake van tijdelijke tolheffing op de A24 (Blankenburgverbinding). Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid om in navolging van België ook een vignet voor buitenlandse weggebruikers te introduceren? Zo ja, per wanneer zou dit mogelijk zijn? Zo nee, bent u dan in ieder geval bereid om een kosten-batenanalyse te laten uitvoeren?
Het introduceren van een vignet voor uitsluitend buitenlandse weggebruikers past niet binnen geldende Europese kaders (zie ook het antwoord op vraag 2) en is daarom niet mogelijk. Het Centraal Planbureau heeft in het onderzoek «Keuzes in Kaart 2027–2030» de budgettaire en economische effecten van de invoering van een vignet voor binnen- en buitenlandse personen- en bestelauto’s reeds in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat de invoering van een vignet met een prijs van jaarlijks 100 euro voor alle personenauto’s en bestelauto’s die gebruik maken van het Nederlandse wegennet in 2030 circa € 1,4 miljard aan overheidsinkomsten oplevert. Dit betekent een lastenverzwaring voor gezinnen (€ 800 miljoen), bedrijven (€ 200 miljoen) en het buitenland (€ 400 miljoen)2.
U laat het toch niet gebeuren dat ze ons óók op infrastructuur voorbij gaan streven, net als op het asieldossier waar België al slimmer is dan uw kabinet?
Ik zie dit niet als «voorbijstreven» en zie geen relatie met het door u genoemde asieldossier.
De gevolgen van de afsluiting van de Westerscheldetunnel |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD), Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de grote zorgen in Zeeuws-Vlaanderen over de gedeeltelijke afsluiting van de Westerscheldetunnel in 2027 in combinatie met grootschalige wegwerkzaamheden bij Antwerpen?1
Ja.
Hoe waardeert u de gevolgen van de gedeeltelijke afsluiting voor de bereikbaarheid van zorginstellingen in Zeeuws-Vlaanderen voor patiënten en medewerkers, als basisvoorzieningen in het licht van de kabinetsvisie Bereikbaarheid op peil?
De verantwoordelijkheid voor de geplande reparatiewerkzaamheden ligt bij de N.V. Westerscheldetunnel, waarvan de provincie Zeeland volledig aandeelhouder is. Deze werkzaamheden zullen grote impact hebben op de bereikbaarheid van de regio, waaronder de bereikbaarheid van diverse voorzieningen zoals regionale zorginstellingen. De provincie Zeeland is zich hier terdege van bewust.
Om de gevolgen van de werkzaamheden voor de bereikbaarheid te beperken, heeft de provincie Zeeland, samen met de gemeenten Borsele en Terneuzen, de Veiligheidsregio Zeeland en de N.V. Westerscheldetunnel, een bereikbaarheidsplan opgesteld. Bij de totstandkoming van dit plan en de te nemen maatregelen voert de provincie Zeeland uitgebreide informatie- en stakeholdersgesprekken met de sector, waaronder ook de zorgsector. Ik heb er vertrouwen in dat de provincie hier samen met de omgeving op een zorgvuldige manier invulling aan geeft.
Deelt u de mening dat een schadepost van tien miljoen euro of meer voor een ziekenhuis als ZorgZaam onevenredig is en grote gevolgen kan hebben voor de positie van het ziekenhuis?
Het kabinet hecht groot belang aan de continuïteit en toegankelijkheid van de zorg in Zeeuws-Vlaanderen. Voor situaties waarin rechtmatig overheidshandelen leidt tot nadelige financiële gevolgen, bestaat een wettelijk kader voor nadeelcompensatie. Indien een verzoek wordt ingediend, is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan. Het is echter niet aan het kabinet om te beoordelen of in dit geval sprake is van onevenredige schade. In dit geval ligt die bevoegdheid bij gedeputeerde staten van Zeeland, omdat de gestelde schade voortvloeit uit provinciaal handelen in het kader van het beheer van de Westerscheldetunnel en de daarmee samenhangende bereikbaarheidsmaatregelen.
Bij die beoordeling wordt onder meer gekeken naar de aard en omvang van de schade, het causaal verband met het overheidshandelen, de mogelijkheden om de schade te beperken en de vraag in hoeverre de schade uitstijgt boven het normale maatschappelijke of ondernemersrisico. Provincie Zeeland beschikt hiervoor over een eigen Verordening nadeelcompensatie waarin is uitgewerkt hoe dergelijke verzoeken worden beoordeeld.
Welke mogelijkheden ziet u om de provincie Zeeland zoveel mogelijk te ondersteunen om de bereikbaarheid van basisvoorzieningen in Zeeuws-Vlaanderen, die door de eilandenstructuur van Zeeland kwetsbaar is, zoveel mogelijk op peil te houden tijdens de onderhoudsperiode en onevenredig getroffen zorginstellingen te ondersteunen?
Zoals hiervoor aangegeven ligt de verantwoordelijkheid voor de reparatiewerkzaamheden en het opstellen van het bereikbaarheidsplan bij respectievelijk de N.V. Westerscheldetunnel en de provincie Zeeland. Bij werkzaamheden is, via regioregie, nauwe afstemming tussen verschillende beheerders, om bereikbaarheid en doorstroming zo goed mogelijk te organiseren.
Waar zorginstellingen onevenredig nadelig financieel worden getroffen bestaan er wettelijke kaders voor nadeelcompensatie. Het is aan het verantwoordelijk orgaan, in dit geval de gedeputeerde staten van Zeeland, om te beoordelen of aan de wettelijke voorwaarden voor nadeelcompensatie is voldaan.
Bent u bereid in overleg te gaan met de provincie Zeeland over de ontstane situatie en te bezien welke mogelijkheden er zijn voor ondersteuning, onder meer via Rijkswaterstaat?
Er vindt reeds overleg plaats tussen de provincie Zeeland en Rijkswaterstaat in het kader van de geplande reparatiewerkzaamheden aan de Westerscheldetunnel. Daarbij is Rijkswaterstaat uiteraard bereid om kennis en ervaring te delen. Vanuit het Ministerie van VWS is er contact geweest met ziekenhuis ZorgSaam.
‘Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties’ |
|
Erwin Prickaertz (PVV), Emiel van Dijk (PVV) |
|
Aerdts , Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel: «Slimme fondsenwerving of privacyschending? De onzichtbare technologie achter donaties»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de praktijk waarbij goede doelen op basis van minimale input (zoals enkel een gedeelde postcode en huisnummer) persoonsgegevens verrijken met buurtkenmerken, WOZ-waarden en leefstijlen zonder dat donateurs hiervan op de hoogte zijn of hier vooraf toestemming voor hebben gegeven?
Goede doelen opereren bij de verwerking van persoonsgegevens binnen het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). In de casus zoals deze wordt geschetst in de vraag zou sprake kunnen zijn van gegevensverrijking en profilering ten behoeve van directe marketing. Het verwerken van persoonsgegevens is alleen toegestaan als daarvoor een grondslag bestaat. Artikel 6 van de AVG noemt in dit verband toestemming van de betrokkene, maar ook gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde. Hiervan kan sprake zijn als de verwerking van gegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang en als de rechten en vrijheden van de betrokkenen niet zwaarder wegen. Of hier sprake is van een gerechtvaardigd belang en of is voldaan aan de overige vereisten die de AVG stelt, is niet aan mij om vast te stellen. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval, in de eerste plaats door de goededoelenorganisatie zelf als verwerkingsverantwoordelijke. De Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) en uiteindelijk de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) houden toezicht op de naleving van de AVG.
Daarnaast geldt dat – ongeacht de verwerkingsgrondslag – de verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikelen 12–14 AVG verplicht is transparantie te bieden over de gegevensverwerking. Dit gebeurt doorgaans met een privacyverklaring, waarin onder andere staat welke gegevens worden verwerkt, voor welke doelen dat gebeurt, welke grondslag van toepassing is, hoe lang de gegevens bewaard worden en met wie deze worden gedeeld. Zoals aangegeven is het toezicht hierop belegd bij de FG en uiteindelijk de AP. Ook daarin is voor mij geen rol weggelegd.
Voor ruim zevenhonderd erkende goede doelen geldt dat het CBF, de onafhankelijke toezichthouder op de goededoelensector, het privacy- en informatiebeveiligingsbeleid van de organisaties controleert en handhaaft waar nodig.2 Het CBF kan daarbij vragen naar de onderbouwing van het beroep op gerechtvaardigd belang. Sinds 2026 houdt het CBF hier scherper toezicht op en doet dat, waar nodig, in afstemming met de AP.
Deelt u de mening dat het gebruik van voorspellende AI-software (zoals Dataro) om specifiek de «nalatenschapsbereidheid» of toekomstige erfenissen van individuele donateurs te voorspellen, een inbreuk is op de persoonlijke levenssfeer die nooit onder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)-grondslag «gerechtvaardigd belang» mag vallen? Acht u het ethisch verantwoord dat goede doelen dergelijke technologie inzetten?
De AVG is technologie-neutraal en kent aan artificiële intelligentie (hierna: AI) geen aparte status toe. Wel verplicht artikel 35 van de AVG tot het doen van een DPIA (Data Protection Impact Assessment) als de verwerking waarschijnlijk een hoog risico inhoudt, zoals bij systematische en grootschalige profilering of innovatie met nieuwe technologie. Daarvan kan sprake zijn bij AI-toepassingen. Of sprake is van verantwoord gebruik van technologische verwerkingsmiddelen of -methoden moet in eerste instantie worden beoordeeld door de goededoelenorganisatie als verwerkingsverantwoordelijke, aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. Artikel 5 van de AVG kent daarbij een verantwoordingsplicht, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke het voorgaande moet kunnen aantonen. De AP houdt daarop toezicht.
Met de inzet van AI door organisaties of bedrijven is in principe niets mis, ook niet als goede doelen dat doen. Sterker nog, AI kan in bepaalde situaties juist helpen om dienstverlening of bescherming van consumenten, donateurs en burgers te verbeteren. De inzet van AI dient daarbij plaats te vinden binnen de wettelijke kaders. Het is uiteindelijk aan de toezichthouders om te bepalen of de inzet rechtmatig plaatsvindt.
Hoe beoordeelt u het belangenconflict dat kan ontstaan wanneer goede doelen via investeringsfondsen financieel deelnemen in commerciële AI-bedrijven die worden ingezet voor het analyseren van hun eigen donateurs? Deelt u de zorg dat hierdoor maatschappelijke en commerciële belangen met elkaar verstrengeld raken, ten koste van de privacy van donateurs?
Het staat stichtingen en verenigingen vrij om investeringen te doen mits de opbrengst daarvan volledig ten goede komt aan het statutaire doel. Stichtingen en verenigingen kunnen ook een ANBI (algemeen nut beogende instelling) status hebben wanneer zij aan verschillende voorwaarden voldoen. Zo moet de organisatie zich onder andere voor minstens 90% inzetten voor het algemeen nut, geen winstoogmerk hebben, en aan strikte integriteits- en transparantie-eisen voldoen. Het is bij investeringen in leveranciers van data- en AI-diensten van belang dat schijn of feitelijke verstrengeling worden voorkomen via transparantie, strikte functiescheiding, onafhankelijke toetsing van privacy- en ethische risico’s en naleving van de toepasselijke wettelijke en sectorspecifieke normen. Dit is vastgelegd in het normenkader van het CBF waaraan erkende goede doelen moeten voldoen (normen 5.3.1 en 5.3.2).
Hoe beoordeelt u de praktijk dat sommige goede doelen na opzegging van een periodieke schenking wel de incasso beëindigen, maar de relatie met de voormalige donateur voortzetten door deze te blijven benaderen voor nieuwe donaties?
Het moet eenvoudig zijn voor donateurs om relaties met en periodieke donaties aan goededoelenorganisaties te beëindigen of aan te passen. Sinds 1 januari 2025 geldt hiervoor ook een aparte norm voor erkende goededoelenorganisaties, inclusief voor commerciële bureaus die werken in opdracht van erkende goede doelen. Hier houdt het CBF toezicht op.4 Daarbij kijkt het onder andere naar de aanwezigheid, vindbaarheid en laagdrempeligheid van de opzegmogelijkheden. Goede doelen hebben daarnaast onder de AVG en Reclame Code de mogelijkheid om oud-donateurs te benaderen na het opzeggen van de relatie, mits dit binnen de door de Reclame Code gestelde klanttermijn valt. Onder de Code Telemarketing geldt bijvoorbeeld een maximum klanttermijn van drie jaar.5 Donateurs en voormalige donateurs hebben daarbij altijd de mogelijkheid van bezwaar.
Donaties aan goede doelen vallen niet onder het algemene consumentenrecht. Dit zijn namelijk overeenkomsten zonder tegenprestatie en kwalificeren niet als dienst in de zin van artikel 6:230g, eerste lid, onderdeel d, Burgerlijk Wetboek. Ik zie geen aanleiding om het consumentenrecht uit te breiden naar goededoelenorganisaties. Uw Kamer heeft ook in 2024 en 2026 verzocht om goede doelen uit te zonderen van aanscherpingen ter bevordering van consumentenbescherming.6
De Wet Van Dam2 beschermt consumenten tegen onnodige belemmeringen bij het beëindigen van doorlopende overeenkomsten. Hoe beoordeelt u het feit dat goede doelen, die hun fondsenwerving veelal uitbesteden aan commerciële bureaus, in de praktijk drempels hanteren die in de commerciële sector juist zijn uitgebannen? Deelt u de opvatting dat donateurs dezelfde bescherming zouden moeten genieten als consumenten en dat ook op deze praktijken op vergelijkbare wijze zou moeten worden toegezien?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om samen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) te bezien of de huidige consumentenbescherming voldoende aansluit bij de werkwijze van goede doelen en de commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan zij gebruikmaken? Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat een donateur een periodieke donatie net zo eenvoudig kan beëindigen als een consument een commercieel abonnement? 2 Burgerlijk Wetboek, boek 2, artikelen 35, 36 en boek 6, artikelen 236, 237.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder. De ACM houdt geen toezicht op (de fondsenwervingsactiviteiten van) goede doelen omdat deze niet onder het algemene consumentenrecht vallen. Het CBF houdt wel toezicht op de werkwijzen van goede doelen, waaronder de wervingsmethoden van commerciële fondsenwervingsbureaus waarvan goede doelen gebruik maken. Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op vragen 5 en 6, geldt sinds 1 januari 2025 een aparte norm voor het gemakkelijk kunnen opzeggen van een donateursrelatie of periodieke donatie. Ik heb nauw contact met het CBF, onder andere over haar toezicht en ontwikkelingen in de filantropische sector.
De urgentie van klimaatactie, aanhoudende hitte en de noodzaak van een klimaatpersconferentie |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66), Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u er zich van bewust dat Nederland en Europa opnieuw worden geconfronteerd met extreme hitte, droogte en natuurbranden, en dat deze gebeurtenissen inmiddels onmiskenbaar deel uitmaken van de klimaatcrisis?
Hoe beoordeelt u de natuurbranden in Frankrijk in het licht van de toenemende wetenschappelijke waarschuwingen dat klimaatrampen vaker, heviger en langer zullen optreden?
Deelt u de opvatting dat de klimaatcrisis inmiddels een structurele veiligheids- en gezondheidsopgave is? Zo nee, wat is uw argumentatie? Zo ja, bent u bereid de aanpak van de klimaatcrisis in te bedden in veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Acht u het nog geloofwaardig om te blijven volhouden dat de klimaatcrisis voldoende prioriteit krijgt, terwijl Nederland al jaren niet op koers ligt voor het halen van de klimaatdoelen en de gevolgen zich intussen in hoog tempo opstapelen?
Hoe denkt u andere landen aan te spreken op het nemen van klimaatmaatregelen als het kabinet zichzelf niet aan wettelijke doelen houdt?
Deelt u de opvatting dat er, gelet op de ernst en reikwijdte van de huidige situatie, meer nodig is dan het uitdelen van ijsjes, namelijk een duidelijke politieke boodschap aan het land over de ernst van de klimaatcrisis?
Waarom heeft u, ondanks de toenemende urgentie en de aangenomen motie-Klos c.s. over een eerste Nederlandse briefing klimaat, natuur en veiligheid organiseren1, tot op heden geen brede publieke klimaatpersconferentie gehouden met een serieuze duiding van de klimaatcrisis en uitleg van wat het kabinet gaat doen om de klimaatcrisis te bestrijden?
Bent u bereid alsnog op korte termijn een klimaatpersconferentie te organiseren, waarin publiekelijk toelicht wat de oorzaken en gevolgen zijn van de klimaatcrisis, hoe het kabinet de uitstoot sneller wil terugdringen, welke sectoren het meest moeten bijdragen aan de noodzakelijke versnelling en hoe het kabinet de bevolking beter wil beschermen tegen hitte, droogte, brand en potentiële overstromingen?
Hoe verklaart u dat de politieke urgentie van de klimaatcrisis in de communicatie van het kabinet achterblijft bij de feitelijke urgentie die burgers inmiddels dagelijks ervaren?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en met spoed te beantwoorden?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?
Het besluit van het IOC om Russische sporters weer toe te laten tot internationale sportevenementen |
|
Renilde Huizenga (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het besluit van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) om de schorsing van het Russisch Olympisch Comité onder voorwaarden op te heffen en daarmee de weg vrij te maken voor terugkeer van Russische sporters naar internationale competities?
Deelt u de verontwaardiging van de vraagstellers over het besluit van het IOC om Rusland weer toe te laten, terwijl het land nog altijd een agressieoorlog voert tegen Oekraïne, met dagelijkse raketaanvallen op steden en burgers?
Deelt u de zorg dat dit besluit door Oekraïense sporters en hun families gevoeld zal worden als een klap in het gezicht, en als een signaal dat de internationale solidariteit met Oekraïne verzwakt? Zo ja, welke concrete stappen onderneemt u om dit bij het IOC en internationale sportorganisaties aan te kaarten?
Deelt u de zorg dat dit besluit een eerste stap kan zijn richting bredere normalisatie en herintegratie van Rusland in andere sportieve en niet-sportieve fora? Zo ja, hoe verzet Nederland zich hiertegen, en welke stappen zet het kabinet om deze normalisering actief tegen te gaan?
Welke voorwaarden gelden volgens het IOC voor de toelating van Russische sporters en hoe beoordeelt u de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van deze voorwaarden?
Welke aanvullende waarborgen bestaan er om, gelet op de eerdere grootschalige staatsgestuurde dopingschandalen in Rusland, eerlijke en onafhankelijke dopingcontroles te garanderen?
Bent u hierover in gesprek met NOC*NSF, Nederlandse sportbonden en Nederlandse topsporters? Zo ja, wat zijn de uitkomsten van die gesprekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u voornemens binnen de Europese Unie of in overleg met gelijkgezinde landen op te trekken om een gezamenlijke positie in te nemen over de terugkeer van Russische sporters naar internationale sportevenementen?
Wat is de Nederlandse inzet ten aanzien van een eventuele toekomstige terugkeer van de Russische vlag, het volkslied en officiële Russische vertegenwoordiging bij internationale sportevenementen en de Olympische Spelen, nu het IOC daarover nog geen definitief besluit heeft genomen?
Bent u bereid de Kamer voorafgaand aan eerstvolgende internationale overleggen over dit onderwerp te informeren over de Nederlandse inzet en de gesprekken die hierover worden gevoerd?
Het groen in de Vlietzone |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , van Essen , Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Haagse gemeentelijke plannen om afvalbedrijven en daarnaast nog verdere uitbreiding van een bedrijventerrein te realiseren in de nu nog groene Vlietzone?
Bent u bekend met de petitie1 tegen deze plannen die inmiddels door duizenden mensen is ondertekend?
Hoe betrekt u deze maatschappelijke zorgen bij uw beoordeling van de plannen?
Past het verdwijnen van een omvangrijk groen gebied in stedelijk gebied volgens u binnen het Rijksbeleid voor water en bodem als sturend principe en in de doelstellingen voor klimaatadaptatie en gezonde leefomgeving? Zo ja, hoe precies?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot de nationale ambitie om biodiversiteitsverlies te stoppen en de kwaliteit van stedelijke natuur te verbeteren?
Hoe verhouden deze plannen zich volgens u tot het natuurplan en het willen voldoen aan de natuurherstelverordening?
Hoe zijn deze plannen te verantwoorden, terwijl we volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en het Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) te maken hebben met wat zij noemen zowel een klimaatcrisis als een biodiversiteitscrisis, die elkaar versterken? Kunt u dit wetenschappelijk onderbouwen?
Kunt u uitleggen waarom het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en Infrastructuur en Waterstaat (I&W) op 19 juni een intentieovereenkomst hebben getekend met de gemeente Den Haag, waarin wordt uitgegaan van de verplaatsing van afvalbedrijven van de Binckhorst naar de Vlietzone, terwijl nog veel onduidelijk is over deze plannen?
Op basis van welke onderbouwing kan dit bij een «doorbraakaanpak» passen, zoals nu wordt gecommuniceerd? Zijn voor u alle belangrijke zaken voldoende in kaart gebracht, zoals de gevolgen voor het milieu en de natuur, de financiële dekking en de alternatieven voor deze plannen? Zo ja, waar blijkt dat precies uit en welke wetenschappelijke onderbouwing is er over onder andere de natuur-, milieu en klimaaatgevolgen?
Aangezien de gemeente Den Haag2 onduidelijk is over de gevolgen van deze plannen voor de natuur, terwijl vele beschermde diersoorten (zoals marters en ijsvogels) in het gebied waar de ontsluitingsweg en de afvalbedrijven zouden moeten komen leven, is bij u dan wel bekend welke (beschermde) dier- en plantensoorten voorkomen in de Vlietzone? Zo nee, waarom niet en kunt u dat alsnog op korte termijn in kaart brengen?
Beschikt u over onafhankelijke ecologische inventarisaties van het gebied? Zo ja, kunt u deze met de Kamer delen?
Vindt u het wenselijk dat beschermde diersoorten worden verdreven met deze plannen?
Aangezien in de plannen wordt aangegeven dat de bekostiging van de plannen grotendeels vanuit de Rijksoverheid moet plaatsvinden (gesproken wordt over 300 tot 400 miljoen), heeft u meer zicht in de totale kosten van de verplaatsing?
Bent u voornemens om deze plannen te bekostigen en zo ja, uit welk budget wordt dat precies gedaan (graag een exacte verwijzing naar de plek in de begroting)?
Aangezien op dit moment op de beoogde locatie zich weilanden, natuur en een natuurinclusief golfterrein bevinden, maar er geen grote stroomaansluiting is, acht u het realistisch dat hier op korte termijn (passend bij de «doorbraakaanpak») zware stroomaansluitingen komen voor de vele hectares aan bedrijventerrein die hier zouden moeten komen? Zo ja, kunt u de onafhankelijke toetsing daarvan naar de Kamer sturen?
Aangezien er alternatieven zijn voor de verplaatsing van deze afvalbedrijven naar de Haagse Vlietzone, zoals door het beoogde park in de Binckhorst anders vorm te geven of door een verplaatsing naar een dichtbij gelegen en al eerder hiervoor bestemde bedrijventerrein (de GAVI-kavel), bent u bereid alternatieven nadrukkelijk mee te wegen alvorens Rijksmiddelen beschikbaar te stellen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit doen?
Bent u bereid geen financiële toezeggingen te doen zolang onvoldoende duidelijkheid bestaat over de natuurgevolgen, de financiële uitvoerbaarheid en de onderzochte alternatieven?
Kunt u de vragen één voor één en uiterlijk binnen de hiervoor gestelde termijn beantwoorden?
Het bericht: "Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen" |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Technieksector slaat alarm om mbo-plannen kabinet: opleidingen dreigen te verdwijnen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de zorgen van onder meer de technieksector dat juist kostbare technische opleidingen onder druk komen te staan door de voorgestelde bekostigingssystematiek?
Er is bewust voor gekozen om de herziening geen negatief effect te laten hebben op het totale budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen.
De herziening stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Deelt u de mening dat Nederland zich geen verdere verschraling van het technische mbo-aanbod kan veroorloven gezien de enorme tekorten aan technisch personeel en de maatschappelijke opgaven op het gebied van o.a. woningbouw, defensie, energie, infrastructuur en tech? Zo nee, waarom niet?
Die mening deel ik. Het kabinet treft daarom verschillende maatregelen om techniekopleidingen verder te stimuleren, bijvoorbeeld met de Talentstrategie die op 10 juli naar de Kamer is verstuurd. Hiermee wordt meer talent opgeleid en begeleid naar de cruciale opgaven waar Nederland voor staat. Binnen de Talentstrategie kiest het kabinet ervoor om specifiek te investeren in vier domeinen: Digitalisering & AI, Veiligheid & weerbaarheid, Energie- & klimaattechnologie en Life sciences & biotechnologie. Techniek speelt hier een belangrijke rol in. In het mbo wordt dit verder vormgegeven via het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst». Met het pact wil het kabinet de instroom in opleidingen voor de cruciale opgaven verhogen.
Ook met de herziene bekostiging wordt hier verder op ingezet. Met het samenwerkingsbudget wordt namelijk € 200 miljoen beschikbaar gesteld om verder invulling te geven aan de Talentstrategie en het pact. Mbo-instellingen kunnen aanspraak maken op dit budget via gezamenlijke regionale plannen met werkgevers, waarmee de doelstellingen uit de Talentstrategie en het mbo-pact worden omgezet in concrete afspraken. In de plannen zal in ieder geval aandacht zijn voor een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst.
Kunt u uitsluiten dat de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek ertoe leidt dat techniekopleidingen worden afgeschaald of verdwijnen in regio's waar de vraag naar technisch personeel juist groot is?
De voorgestelde hervorming heeft geen negatief effect op het budget dat instellingen ontvangen voor techniekopleidingen en stelt instellingen in regio’s met dalende studentenaantallen juist in staat om het opleidingsaanbod, waaronder de techniekopleidingen, te behouden.
Daarnaast biedt de stabiliteit van een vaste voet instellingen meer zekerheid om noodzakelijke investeringen in het opleidingsaanbod te doen. Dit komt de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs ten goede, waaronder ook het techniekonderwijs. Voor de regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen wordt daarnaast een toegankelijkheidsopslag geïntroduceerd. Hierdoor blijft mbo-onderwijs, waaronder in de techniek, beschikbaar voor studenten in alle delen van Nederland. Ten slotte wordt met de voorgestelde hervorming van de bekostigingssystematiek het aanbod in onder andere de techniek ook verder gestimuleerd met behulp van het samenwerkingsbudget (zie antwoord op vraag2.
Heeft u voorafgaand aan het onderliggende voorstel een impactanalyse laten uitvoeren naar de gevolgen van deze nieuwe bekostiging voor technische opleidingen en andere opleidingen in tekortsectoren? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, bent u voornemens dit nog te doen?
De mbo-bekostiging is een verdeelmodel over instellingen en kent geen vaste prijs voor een (type) opleiding. De kosten van opleidingen worden in deze verdeling tot uiting gebracht via de prijsfactoren. Een opleiding met hogere kosten kent een hogere prijsfactor dan een opleiding met lagere kosten. Het verschilt per technische opleiding welke prijsfactor is toegekend.
Met de voorgestelde vereenvoudiging van de prijsfactoren zullen de opleidingen die nu de hoogste prijsfactor ontvangen, dat in de toekomst nog steeds krijgen. De vereenvoudiging zorgt ervoor dat er, op basis van het huidige opleidingsaanbod, een lichte stijging zit in het budget dat naar instellingen gaat met techniekopleidingen. Daarnaast worden de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod gecompenseerd.
Hoeveel een instelling voor een student op een specifieke opleiding ontvangt, wordt niet alleen bepaald door de prijsfactor van deze opleiding, maar is afhankelijk van de totale verdeling van studenten over alle mbo-opleidingen in Nederland.
De budgettaire gevolgen van de voorgenomen wijzigingen zijn daarom per instelling onderzocht en niet per specifieke opleiding. Dit uit zich in een herverdeeleffect. Deze effecten per instelling voor het bekostigingsjaar 2026 zijn openbaar gemaakt via de beslisnota’s bij de Kamerbrief Stabiele financiering voor goed en toegankelijk mbo.
Op welke wijze wordt in de door u voorgestelde nieuwe bekostigingssystematiek rekening gehouden met het feit dat technische opleidingen aantoonbaar hogere kosten kennen dan veel andere opleidingen, bijvoorbeeld vanwege praktijklokalen, machines en materialen?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat er € 200 miljoen beschikbaar komt voor regionale plannen die gericht zijn op het opleiden voor maatschappelijk cruciale sectoren? Kunt u dat nader duiden?
Ja, dit betreft het samenwerkingsbudget. Met deze € 200 miljoen worden in regionale plannen afspraken gemaakt met werkgevers over een afgestemd regionaal opleidingsportfolio dat aansluit bij de arbeidsmarkt van de toekomst. Ook dienen in het plan maatregelen te staan die ervoor zorgen dat de instroom en uitstroom van studenten past bij het opleidingsportfolio en de arbeidsmarkt van de toekomst. Daarnaast is er aandacht voor de beschikbaarheid en kwaliteit van stages, met goede begeleiding en inzet op loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) en flexibilisering.
De Talentstrategie en het nog af te sluiten Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst» vormen de kaders waaraan de regioplannen moeten voldoen. Zowel het Pact, als de specifieke regeling van het samenwerkingsbudget worden nog verder vormgegeven.
Waarom kiest u ervoor deze middelen afhankelijk te maken van bovengenoemde regionale plannen terwijl instellingen en bedrijven aangeven behoefte te hebben aan structurele zekerheid voor technische opleidingen?
Om de structurele zekerheid voor alle instellingen te vergroten introduceer ik de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag. Dit zijn vaste bedragen, die alleen worden bijgesteld met de eventuele loon- en prijsbijstelling.
Voor een goede aansluiting tussen het mbo-onderwijs op de arbeidsmarkt is naast deze zekerheid, regionale samenwerking cruciaal. Dit gaat om samenwerking tussen instellingen onderling, maar ook bijvoorbeeld met werkgevers. Deze samenwerking komt niet overal voldoende tot stand. Daarom kies ik ervoor om de instellingen, in afstemming met werkgevers, regioplannen te laten maken.
Mijn ministerie stelt criteria op voor de regioplannen en beoordeelt de plannen op onder meer de inhoudelijke doelen en ambitie. Een strak beoordelingskader zorgt ervoor dat ik kan sturen op de gewenste uitkomsten. Dergelijke sturing is niet mogelijk via de lumpsum, vandaar dat ik kies voor de systematiek van het samenwerkingsbudget.
Voor de Regeling Aanvullende middelen studentendaling mbo 2025–2027 hebben mbo-instellingen in regio’s met de sterkst dalende studentenaantallen ook regioplannen moeten maken om de toegankelijkheid in hun regio te borgen.
De ervaringen met deze systematiek van regioplannen zijn positief.
Klopt het dat instellingen die relatief veel studenten opleiden voor de techniek maar niet onder de toegankelijkheidstoeslag vallen per saldo nadeel kunnen ondervinden van de voorgestelde herverdeling? Zo ja, kunt u dat nader duiden?
Ja, dit kan het geval zijn. De negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod worden gecompenseerd. Instellingen ondervinden hier dus geen nadeel van. Het kan wel zo zijn dat instellingen als gevolg van de introductie van de vaste voet en de toegankelijkheidsopslag een negatief herverdeeleffect hebben. Dit heeft onder andere te maken met de ontwikkeling van de studentenaantallen van instellingen ten opzichte van de ontwikkeling bij andere instellingen.
Hoe gaat u bij de verdere uitwerking van de bekostigingssystematiek voorkomen dat opleidingen in tekortsectoren, waaronder de techniek, geen nadelen ondervinden van de herverdeling van middelen?
Om dit te voorkomen heb ik besloten om met extra geld de negatieve herverdeeleffecten als gevolg van de vereenvoudiging van de prijsfactoren van het huidige opleidingsaanbod te compenseren. Daarnaast geldt, zoals uiteengezet bij het antwoord op vraag 5 en 6, dat het bedrag dat een instelling aan bekostiging ontvangt afhankelijk is van het volledige mbo-aanbod dat gevolgd wordt in heel Nederland.
Deelt u de mening dat het mbo meer moet opleiden voor tekortsectoren? Waarom kiest u er niet voor om een deel van de bekostiging afhankelijk te maken van de bijdrage van opleidingen aan maatschappelijke tekorten, en klopt het dat dit eerder een nadrukkelijke bouwsteen van de hervorming van de bekostiging was?
Een factor voor een hogere bekostiging voor opleidingen met grote maatschappelijke relevantie is inderdaad een bouwsteen die eerder op tafel heeft gelegen. De Kamer is hierover geïnformeerd.3 Er is onderzocht of een factor in de bekostiging kon worden ingebouwd, waardoor er meer geld zou gaan naar opleidingen met een grote maatschappelijke relevantie. Dit bleek echter niet effectief.
De factor zou namelijk worden toegepast op de lumpsum, die binnen de wettelijke kaders vrij te besteden is. Het is dus geen garantie dat het hogere budget ten goede komt van de arbeidsmarktrelevante opleidingen. Instellingen mogen besluiten om het budget anders in te zetten. Daarnaast kent de lumpsum een verdeelmodel: dit betekent dat de hogere factor bij de ene opleiding, ten kostte gaat van het budget bij andere opleidingen. Dit kan de kwaliteit van andere opleidingen aantasten.
Bovenstaande argumenten zijn uiteengezet door de Reviewcommissie herziening bekostiging mbo. Deze commissie heeft gedurende het proces van de herziening meerdere malen advies gegeven over de gemaakte keuzes en het doorlopen proces. Hierbij is door mijn ambtsvoorganger expliciet advies gevraagd over de arbeidsmarktfactor. De commissie benadrukte dat het legitiem is om te sturen op maatschappelijke relevantie, maar zette fundamentele vraagtekens bij de effectiviteit van sturing hierop via de bekostiging en benadrukte daarbij bovenstaande punten. De commissie adviseerde daarom om met andere instrumenten te sturen op de aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het samenwerkingsbudget.
Met het samenwerkingsbudget wordt het budget geoormerkt. Daarmee is (in tegenstelling tot een hogere factor in de lumpsum) verzekerd dat middelen aan de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt wordt uitgegeven. De keuze voor het samenwerkingsbudget stelt mij in de gelegenheid criteria te stellen en de regioplannen te beoordelen. Nauwe afstemming met werkgevers kan bijvoorbeeld worden geëist, evenals het sturen op de kaders uit de Talentstrategie en het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst».
Bent u bereid om voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel met vertegenwoordigers van de technieksector, mbo-instellingen en werkgevers aanvullende afspraken te maken om te voorkomen dat technische opleidingen verdwijnen?
Ik heb veelvuldig contact gehad met mbo-instellingen en werkgevers over de totstandkoming van het voorstel voor de herziene bekostiging. Ook ben ik in gesprek met vertegenwoordigers van de technieksector. Daarnaast ben ik met de mbo-instellingen en werkgevers in gesprek over het Pact «Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst», waarmee in invulling zal geven aan de Talentstrategie voor het mbo. In dit pact maken overheid, mbo en werkgevers landelijke afspraken om samen studenten op te leiden voor de cruciale sectoren voor onze welvaart en samenleving. U wordt hier dit najaar verder over geïnformeerd.
Leerlingenvervoer als randvoorwaarde voor toegang tot onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer niet primair een logistiek vraagstuk is, maar in essentie een randvoorwaarde is voor toegang tot onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de regie over het leerlingenvervoer naar u toe te trekken?
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen, toch naar school kunnen. Iedere gemeente beslist welke leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening en hoe dat kan worden georganiseerd. Dat kan zijn (begeleid) reizen via het openbaar vervoer, per fiets, een voorziening in de kosten die ouders zelf maken of aangepast vervoer. We zijn van mening dat het passend is dat deze beslissingen op lokaal niveau genomen worden. Gemeenten zijn immers vertrouwd met de lokale situatie en hebben al contacten met plaatselijke samenwerkingsverbanden en scholen.
Het Ministerie van OCW ontvangt verschillende signalen over knelpunten in de uitvoering van het leerlingenvervoer – vanuit het werkveld – en heeft daarom regie genomen om, samen met onder andere Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouders en Onderwijs, LBVSO en sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs (GO), tot een werkagenda leerlingenvervoer te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. OCW werkt daarnaast samen met VWS aan het verbeteren van het doelgroepenvervoer, waar leerlingenvervoer onder valt. Zo nam OCW deel aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer en wordt er met VWS en I&W samengewerkt op het gebied van publieke mobiliteit.
Kunt u schetsen wat er de afgelopen jaren is gedaan om de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer aan te pakken? Is het aanpassen van de normbedragen voldoende om de problemen te lijf te gaan, zeker in relatie tot de stijgende kosten voor brandstof?
Op 19 november 2025 is overleg gevoerd met Ouders & Onderwijs, LBVSO, VGN en Sectorraad GO over het leerlingenvervoer. Het doel van dit gesprek was om samen te bezien wat er in het onderwijsdomein gedaan kan worden om de uitvoering van het leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpakken doelgroepenvervoer (onder regie van het Ministerie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W). In de komende maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen. Conform toezegging zal ik de Kamer voor het herfstreces informeren over de voortgang van de werkagenda en de thema’s waar deze zich op richt.1
Is uw verwachting dat bij de start van schooljaar 2026–2027 grote problemen zullen uitblijven? Zo nee, bent u hierover met gemeenten en scholen in gesprek?
Aan het begin van een nieuw schooljaar verandert er vaak veel voor leerlingen, de scholen en de vervoerders. Voor leerlingen en ouders kunnen de school, het vervoer en ook de route nieuw zijn. Ook vervoerders kunnen te maken krijgen met nieuwe contracten en/of nieuwe routes. Dat geeft soms opstartproblemen en dat willen we allemaal zo veel mogelijk voorkomen. Het is aan gemeenten, vervoerders en het onderwijs om daar samen goede afspraken over te maken.
Het Ministerie van OCW heeft korte lijnen met gemeenten – ook via de VNG – en vervoerders. Op dit moment zijn de gesprekken die we met hen voeren voornamelijk in het kader van de werkagenda. Met de werkagenda hopen we samen stappen te zetten in het duurzaam verbeteren van het leerlingenvervoer. Over de concrete invulling van de werkagenda wordt u voor het herfstreces geïnformeerd in de hierboven genoemde Kamerbrief.
Wat is er gedaan met de opmerkingen van uw ambtsvoorganger die in 2022 het «onacceptabel» noemde dat veel gemeenten de reistijd niet bijhouden? Gebeurt dat inmiddels wel? Zo ja, is de reistijd inmiddels gehalveerd zoals uw ambtsvoorganger wilde bewerkstelligen?
Het is zorgelijk dat er momenteel geen goed inzicht is in de staat van het leerlingenvervoer. Daarom willen we met de werkagenda ook de monitoring van het leerlingenvervoer verbeteren. Een van de doelstellingen van de werkagenda leerlingenvervoer is om meer inzicht te krijgen in de gemiddelde reistijd van leerlingen. We bereiken dit onder andere door een inventarisatie van de beschikbare cijfers rondom het leerlingenvervoer. Daarnaast heeft OCW Oberon verzocht om in Q3 2026 bij gemeenten een landelijke monitor leerlingenvervoer uit te vragen – deze meting is in 2022 en 2024 ook uitgevoerd. Uit de monitor van 2024 kwam naar voren dat 49% van de 210 gemeenten weet hoelang leerlingen gemiddeld onderweg zijn. Dit is gemiddeld 50 minuten.2
Klopt het dat voor leerlingenvervoer niet dezelfde regels gelden als voor bijvoorbeeld lijnbussen en taxi’s, waardoor leerlingen die naar school moeten in de file terecht kunnen komen terwijl een taxi wél door kan rijden?
Reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer kunnen door files langer onderweg zijn naar werk, afspraken of dagbesteding. Leerlingen die met het aangepaste vervoer naar school reizen kunnen, net als andere reizigers, ook in deze files terecht komen.
Rijkswaterstaat geeft aan dat zowel taxi’s als vervoerders binnen het doelgroepenvervoer geen aparte wettelijke status voor de te gebruiken plek op de weg en te gebruiken wegdelen hebben. Wel hebben wegbeheerders mogelijkheden om breder gebruik van busbanen en busstroken toe te staan indien zij dat nodig en verantwoord achten in de specifieke situatie ter plekke, zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het technisch en juridisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, waardoor deze wel gebruik mogen maken van een lijnbusbaan, zodat zij zo kort mogelijk in het vervoersmiddel zitten? Zo ja, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan bij de rijksoverheid, provincie of gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is juridisch en technisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, maar het is onwenselijk om een situatie te creëren waarin te veel doelgroepen een voorrangspositie krijgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Wel geeft Rijkswaterstaat aan dat wegbeheerders bepaalde ge- of verbodsborden specifiek wel of niet kunnen laten gelden voor bepaalde soorten weggebruikers (door middel van een onderbord). Ook kunnen wegbeheerders op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ontheffing verlenen aan bepaalde soorten weggebruikers voor bepaalde verkeerstekens en verkeersregels, waaronder die met betrekking tot gebruik van busbanen en busstroken (RVV 1990, artikel 81). Hierdoor kunnen wegbeheerders maatwerk leveren, rekening houdend met de situatie ter plekke. De wegbeheerders kunnen hierbij verschillende belangen afwegen, zoals de verkeersveiligheid en doorstroming van zowel het leerlingenvoer als het overige verkeer.
Wat heeft de campagne «Sleur? Word chauffeur!» destijds opgeleverd? Zijn er momenteel campagnes of acties ingezet om meer chauffeurs te werven voor doelgroepenvervoer?
De campagne «Sleur? Word chauffeur!» is een initiatief dat in september 2022 gestart is door het Sociaal Fonds Mobiliteit. Vanwege het succes van de campagne in het bereiken van potentiële sollicitanten loopt deze nog door tot in ieder geval september 2027, onder de naam: «Stuur met je hart». Vanaf het begin van de campagne tot en met mei 2026 waren er ruim 11.000 contactmomenten.3
Het doel voor afgelopen schooljaar was 3000 sollicitanten. Dit werd ruim behaald. Voor dit nieuwe schooljaar (september 2026-september 2027) is het doel 3300 sollicitanten. Zover bij ons bekend lopen er daarnaast geen andere campagnes om meer chauffeurs te werven.